direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Veegplan woningsplitsing Oost Gelre 2022
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.VPBUI2001-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente Oost-Gelre heeft te maken met diverse situaties van dubbele bewoning in het buitengebied. Soms gaat het om twee zelfstandige woningen, soms gaat het om inwoning. Deze gevallen zijn niet altijd op de juiste wijze planologisch geregeld, waardoor er een beginselplicht tot handhaving bij de gemeente ligt. Daarnaast ziet de gemeente zich regelmatig geconfronteerd met vragen over dubbele bewoning of verzoek voor woningsplitsing, bijvoorbeeld bij verkoop en bijbehorende financiering.

Het gemeentelijke beleid voor woningsplitsing staat in het bestemmingsplan "Buitengebied Oost Gelre 2011" met bijbehorende Reparatieplannen. In dit bestemmingsplan staat dat burgemeester en wethouders het bestemmingsplan mogen wijzigen voor het splitsen van een voormalige boerderij in twee woningen. Belangrijke voorwaarde is dat de inhoud van het te splitsen gebouw minstens 900 m3 is. Veel aanvragen passen in dat geval niet binnen het bestaande beleid. Zo is de inhoud van de bestaande woning vaak kleiner dan 900 m3, was de woning vroeger geen boerderij, is de te splitsen woning een bedrijfswoning, of ligt de woning in landbouwontwikkelingsgebied. De gemeenteraad van Oost Gelre heeft daarom in 2021 nieuw beleid voor woningsplitsingen vastgesteld. Dit beleid biedt meer ruimte voor het splitsen van woningen. Daarbij gaat het om het vergroten van het aanbod levensloopbestendige woningen en betaalbare woningen in het buitengebied.

In navolging van de vaststelling van dit beleid heeft in de lokale kranten een publicatie gestaan waarin aan inwoners van Oost-Gelre de kans is geboden om tot uiterlijk 31 januari 2022 een principeverzoek in te dienen voor woningsplitsing, zodat deze wens dan kan worden meegenomen in een alomvattend plan waarin meerdere splitsingen in één procedure worden geregeld. Dit bestemmingsplan is deze voorgenoemde procedure.

In totaal doen 18 locaties mee. In dit geval is sprake van een zogenaamd 'veegplan'. Hiermee worden alle deelnemende ontwikkelingen gebundeld in één bestemmingsplan. Voorliggend veegplan voorziet in een passend juridisch planologisch kader voor deze locaties en toont aan dat de ontwikkeling vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is. Op deze manier wordt de woningsplitsing bij recht toegestaan en hoeft niet een aparte omgevingsvergunningprocedure worden doorlopen voor wat betreft het onderdeel 'handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening'.

1.2 Ligging van het plangebied

In totaal ziet dit veegplan toe op 18 locaties in het buitengebied van de gemeente Oost Gelre. Het plangebied heeft concreet betrekking op de volgende locaties:

  • Groenlo, Steenbraakweg 14-16
  • Groenlo, Vrakkinkweg 2-2b
  • Harreveld, Nicolaasweg 1
  • Lievelde, Oude Lievelderweg 6
  • Mariënvelde, Verdelingsweg 2-2a
  • Mariënvelde, Scheiddijk 30
  • Mariënvelde, Veldweg 1
  • Mariënvelde, Halsedijk 17
  • Vragender, Winterswijkseweg 66
  • Vragender, Schoolstraat 8a
  • Zieuwent, Oude Ruurloseweg 27-29
  • Zieuwent, Kunnerij 4-4a
  • Zieuwent, Ruurloseweg 15
  • Zieuwent, Japikweg 5-5a
  • Zieuwent, Boekelderweg 2
  • Zieuwent, Boekelderweg 3
  • Zieuwent, Wilgendijk 8-8a
  • Zieuwent, Hofmansweg 6

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan “Veegplan woningsplitsing Oost Gelre 2022” bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1586.VPBUI2001-VG01) en een renvooi;
  • regels.

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld met een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten, maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

1.4 Geldende planologisch regime

In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van het geldende planologische regime ter plaatse van de deelnemende locaties. Een groot deel van de deelnemende percelen ligt binnen het "Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018". Deze geconsolideerde versie is een samenvoeging van alle geldende plannen. De onderlinge samenhang van de geldende plannen ontbreekt, omdat vanwege de digitale verplichting de plannen uitsluitend afzonderlijk kunnen worden geraadpleegd. Om toch een goed raadpleegbaar bestemmingsplan te kunnen publiceren op www.ruimtelijkeplannen.nl, is de geconsolideerde versie gemaakt. Daarnaast geldt voor de locaties het bestemmingsplan "Parapluplan Archeologie", vastgesteld op 22 februari 2022.

Locatie   Geldende bestemmingsplannen   Geldende bestemmingen  
Groenlo, Steenbraakweg 14/16   "Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018" en "Parapluplan Archeologie"   'Wonen' en 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2'  
Groenlo, Vrakkinkweg 2/2b   Herziening Vrakkinkweg 2/2a/2b, Vredenseweg 103a nabij en Industrieweg 9a/9c te Groenlo en "Parapluplan Archeologie"   'Wonen' en 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2'  
Harreveld, Nicolaasweg 1   Functieverandering naar wonen Nicolaasweg 1 Harreveld en "Parapluplan Archeologie"   'Wonen' en 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2'  
Lievelde, Oude Lievelderweg 6   Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018 en "Parapluplan Archeologie"   'Wonen' en 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied gebied 3'  
Mariënvelde, Verdelingsweg 2/2a   Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018 en "Parapluplan Archeologie"   'Wonen' en 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied gebied 1'  
Mariënvelde, Scheiddijk 30   Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018 en "Parapluplan Archeologie"   'Wonen' en 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied gebied 4'  
Mariënvelde, Veldweg 1   Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018 en "Parapluplan Archeologie"   'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied gebied 2'  
Mariënvelde, Halsedijk 17   Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018 en "Parapluplan Archeologie"   'Wonen' en 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied gebied 1'  
Vragender, Winterswijkseweg 66   Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018 en "Parapluplan Archeologie"   'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2'  
Vragender, Schoolstraat 8a   Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018 en "Parapluplan Archeologie"   'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied gebied 1'  
Zieuwent, Oude Ruurloseweg 27/29   Landbouwontwikkelingsgebieden Ruurlosebroek en Mariënvelde en "Parapluplan Archeologie"   'Wonen' en 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied gebied 4'  
Zieuwent, Kunnerij 4/4a   Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018 en "Parapluplan Archeologie"   'Wonen' en 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2'  
Zieuwent, Ruurloseweg 15   Landbouwontwikkelingsgebieden Ruurlosebroek en Mariënvelde en "Parapluplan Archeologie"   'Wonen' en 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2'  
Zieuwent, Japikweg 5/5a   Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018 en "Parapluplan Archeologie"   'Wonen' en 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied gebied 3'  
Zieuwent, Boekelderweg 2   Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018 en "Parapluplan Archeologie"   'Wonen' en 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2'  
Zieuwent, Boekelderweg 3   Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018 en "Parapluplan Archeologie"   'Wonen' en 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2'  
Zieuwent, Wilgendijk 8/8a   Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018 en "Parapluplan Archeologie"   'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied gebied 4'  
Zieuwent, Hofmansweg 6   Landbouwontwikkelingsgebieden Ruurlosebroek en Mariënvelde en "Parapluplan Archeologie"   'Wonen' en 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2'  

1.5 Leeswijzer

De toelichting op deze herziening is als volgt opgebouwd. In Hoofdstuk 2 wordt een nadere toelichting gegeven op de wijze waarop het veegplan juridisch is vorm gegeven. In Hoofdstuk 3 wordt het relevante beleidskader aangehaald. In Hoofdstuk 4 wordt concreet ingegaan op de initiatieven. In Hoofdstuk 5 passeren de relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten. Tot slot gaat Hoofdstuk 7 in op de uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Planvorm

Voor het opstellen van veegplannen of herzieningen zijn geen standaarden of modelafspraken voorhanden. Met de gekozen opzet van de herziening wordt getracht belanghebbenden een duidelijk inzicht te geven van de aanvulling ten opzichte van het geldende planologische regime ter plaatse van het plangebied en wat het totale juridisch planologische regime zal zijn na inwerkingtreding van dit veegplan.

Met dit veegplan wordt het planologisch mogelijk om binnen de bestaande woonbestemming of agrarische bestemming de (bedrijfs)woning te splitsen. Benadrukt wordt dat er inhoudelijk gezien uitsluitend regels worden aangevuld/toegevoegd ten aanzien van woningsplitsing. Voor het overige blijft het geldende regime van kracht. Op deze manier wordt de woningsplitsing op de deelnemende percelen bij recht toegestaan en hoeft niet een aparte omgevingsvergunningprocedure worden doorlopen voor wat betreft het onderdeel 'handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening'.

De verbeelding bestaat uit de plangrens met daarbinnen uitsluitend de gronden van de deelnemende percelen waarvoor middels een gebiedsaanduiding de nieuwe planologische regeling wordt vastgelegd. De geldende bestemmingen blijven qua ligging en omvang hetzelfde.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Dit veegplan heeft betrekking op woningsplitsingen in het buitengebied van de gemeente Oost-Gelre. De splitsingen worden mogelijk gemaakt op basis van het in 2021 vastgestelde 'Beleid woningsplitsingen Oost Gelre 2021'. Gelet op de aard en omvang van de initiatieven wordt in dit geval het uitsluitend ingegaan op dit gemeentelijke beleid. De landelijke, provinciale en/of regionale beleidskaders worden niet expliciet beschouwd in dit hoofdstuk.

3.1 Beleid woningsplitsingen Oost Gelre 2021

3.1.1 Algemeen

Op 14 december 2021 heeft de gemeenteraad van Oost Gelre nieuw beleid vastgesteld voor woningsplitsingen. Het nieuwe beleid biedt meer ruimte voor het splitsen van woningen in het buitengebied. Woningsplitsen is een nuttige manier om de woningvoorraad uit te breiden en het aanbod beter aan te laten sluiten op de vraag. Daarbij gaat het om het vergroten van het aanbod levensloopbestendige woningen en betaalbaardere woningen in het buitengebied.

3.1.2 Voorwaarden voor splitsing

Het beleid stelt de specifieke eisen aan woningsplitsingen. Een woningsplitsing dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:

  • 1. Met woningsplitsing mag in een bestaande woning 1 keer maximaal 1 extra woning worden gerealiseerd voor de huisvesting van 1 huishouden. Na splitsing zijn er dan 2 zelfstandige woningen, elk voor de huisvesting van 1 huishouden;
  • 2. De woning is gelegen in het buitengebied. Het gebouw waarin de bestaande woning aanwezig is heeft een minimale inhoud van 600 m3. De maximale gezamenlijke inhoud van de na splitsing aanwezige woningen bedraagt 850 m3. De woningen hebben een minimale bruto vloeroppervlakte van 55 m2;
  • 3. Het splitsen van het pand in 2 zelfstandige woningen leidt niet tot belemmering of aantasting van bestaande functies en waarden in de omgeving. Ook moet er sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit betekent dat voldaan wordt aan richtafstanden en normen aangaande het milieu (geluid, geur, externe veiligheid, natuur, bodem);
  • 4. Nieuwbouw mag onder voorwaarden, zoals genoemd in het eerder vastgestelde “Beleid uitgangspunten herbouw boerderijen buitengebied”. Bij nieuwbouw moet er ook sprake zijn van aaneengebouwde woningen;
  • 5. Bij splitsing van een bedrijfswoning moet van beide woningen een bewoner werkzaam zijn in het bedrijf;
  • 6. Als sprake is van splitsing van een monumentaal pand, dan moet duidelijk zijn dat de splitsing niet ten koste gaat van de waarden van het monument;
  • 7. Voldaan wordt aan de van toepassing zijnde voorschriften uit het Bouwbesluit om te zorgen dat een woning veilig, gezond, bruikbaar en energiezuinig is. Daarbij bestaat de wens dat de splitsing gepaard gaat met een verduurzaming van het gehele gebouw (bestaande en nieuwe woning) naar minimaal energielabel B;
  • 8. Ten minste één van de twee zelfstandige woningen die na splitsing ontstaat is levensloopbestendig. Dat wil zeggen dat alle voorzieningen bereikbaar zijn voor mensen met een lichamelijke beperking. Indien uit een bouwtechnische onderbouwing blijkt dat een levensloopbestendige inrichting van geen van beide woningen mogelijk is, wordt ontheffing van deze voorwaarde verleend;
  • 9. De na splitsing ontstane woningen hebben gezamenlijk recht op maximaal 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken. De mogelijkheden voor vergunningsvrij bouwen blijven uiteraard gelden;
  • 10. De woningsplitsing draagt bij aan de versterking van het omliggende landschap. Dit moet blijken uit een door de gemeente goedgekeurd (samenhangend) erf- en landschappelijk inrichtingsplan. Daarbij moet ook aandacht zijn voor een natuurinclusieve en klimaatadaptieve inrichting van erf en bebouwing, en de positie en verdeling van bijbehorende bouwwerken. Het erfinrichtingsplan moet uitgevoerd zijn binnen één jaar nadat de extra woning door middel van woningsplitsing gereed is. Het erfinrichtingsplan moet nadien ook in stand blijven.
  • 11. Parkeren moet worden opgevangen op eigen terrein.
3.1.3 Toetsing

De 18 deelnemende locaties voor woningsplitsing voldoen aan die hiervoor genoemde voorwaarden. Dit is aangetoond in de ingediende principeverzoeken (zie hoofdstuk 1). Alle deelnemende percelen liggen in het buitengebied van Oost-Gelre en er wordt maximaal één woning per erf toegevoegd. Het splitsen leidt niet tot een belemmering of aantasting van de bestaande functies en waarden in de omgeving. Er is tevens sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In Hoofdstuk 5 wordt dit aangetoond.

Op enkele locaties wordt de bestaande woning uitgebouwd om met een splitsing te voorzien in volwaardige wooneenheden. In die gevallen is het “Beleid uitgangspunten herbouw boerderijen buitengebied” van toepassing. In paragraaf 4.1 wordt hier nader op ingegaan. In dit hoofdstuk wordt ook nader ingegaan of er sprake is van reguliere bewoning of bewoning ten behoeve van het bedrijf. In alle gevallen zijn in het geval van een bedrijfswoning de bewoners werkzaam in het bedrijf. De splitsingen gaan niet ten koste van monumentale waarden van de objecten. Het bouwbesluit is in alle gevallen van toepassing en na de splitsing is één van de twee woningen levensloopbestendig. In de regels van dit veegbestemmingsplan wordt geregeld dat bij de bestaande en de nieuwe woning gezamenlijk maximaal 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan. Voor alle percelen wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing. In paragraaf 4.1 wordt hier nader op ingegaan. Deze inpassing is reeds akkoord bevonden door de gemeente Oost Gelre. In de regels van dit bestemmingsplan wordt vastgelegd dat landschappelijke inpassing in stand dient te worden gehouden dan wel moet worden uitgevoerd. In alle gevallen wordt het parkeren opgevangen op het eigen terrein.

Hoofdstuk 4 Initiatieven

In dit hoofdstuk staat een overzicht van de deelnemende percelen. Met betrekking tot de omgevingsaspecten zijn er in beginsel geen belemmeringen. Het gaat immers om bestaande (woon)erven waarbinnen de bestaande woning wordt gesplitst. Daar waar omgevingsaspecten mogelijk wel belemmeringen kunnen opleveren voor de uitvoering van het plan, is onderzoek uitgevoerd. Die onderzoeken zijn in de bijlagen bij de toelichting opgenomen en worden ook in Hoofdstuk 5 aangehaald. De landschappelijke inpassingen per locatie zijn eveneens in de bijlagen opgenomen. Alle splitsingen zijn beleidsmatig en planologisch aanvaardbaar en om die reden meegenomen in dit veegplan voor het buitengebied. De woningsplitsing wordt bij recht toegestaan.

4.1 Overzicht

4.1.1 Groenlo, Steenbraakweg 14-16

Op dit perceel is sprake van een regulier woonperceel. De bestaande woning is reeds gesplitst in twee wooneenheden (huisnummer 14 en 16). De gesplitste situatie is planologisch nog niet toegestaan, waardoor er in feite in strijd met de bestemming wordt gewoond. Met dit veegplan wordt de splitsing nu planologisch geregeld. Als landschappelijke inpassing zijn twee bomen aangeplant ter hoogte van de oprit. Deze maatregel is reeds uitgevoerd.

4.1.2 Groenlo, Vrakkinkweg 2-2b

Op de locatie zijn twee volwaardige vrijstaande woningen aanwezig. Bij de woning met huisnummer 2 is sprake van een inwoonsituatie die planologisch is toegestaan. Met dit veegplan wordt het planologisch zo geregeld dat de woning formeel gesplitst kan worden. De inwoonsituatie wijzigt hiermee naar een woningsplitsing. Voor het perceel is in het kader van het bestemmingsplan "Herziening Vrakkinkweg 2/2a/2b, Vredenseweg 103a nabij en Industrieweg 9a/9c te Groenlo" (vastgesteld op 31 maart 2020) reeds een erfinrichtingsplan opgesteld. In dit geval wordt in het kader van het legaliseren van de splitsing een aanvullende landschappelijke maatregel uitgevoerd in vorm van het aanplanten van een transparante housingel langs de noord- en westzijde van het perceel. Het erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting.

4.1.3 Harreveld, Nicolaasweg 1

Aan de Nicolaasweg 1 in Harreveld ligt een woonerf. In het verleden is hier een agrarisch bedrijf actief geweest en het perceel is in 2021 met een wijzigingsplan omgezet naar een woonbestemming. De woning en de aanwezige bijgebouwen worden sindsdien gebruikt voor woondoeleinden. De bestaande woning op dit woonerf wordt nu gesplitst. Voor het perceel is in het kader van de bestemmingsplanwijziging in 2021 reeds een erfinrichtingsplan opgesteld. In dit geval wordt in het kader van de woningsplitsing een aanvullende landschappelijke maatregel uitgevoerd in vorm van het aanplanten van enkele bomen. Het erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 2 bij deze toelichting.

4.1.4 Lievelde, Oude Lievelderweg 6

Op dit perceel is eveneens sprake van een regulier woonperceel. De bestaande woning wordt gesplitst. Voor de ontwikkeling is een erfinrichtingsplan opgesteld. Er worden enkele bomen en hagen aangeplant. Het erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 3 bij deze toelichting.

4.1.5 Mariënvelde, Verdelingsweg 2-2a

Op deze locatie is een vrijstaande woning met inwoning aanwezig. In de woning is sprake van een inwoonsituatie die planologisch is toegestaan. Met dit veegplan wordt nu planologisch geregeld dat de woning formeel gesplitst kan worden. Voor de ontwikkeling is een erfinrichtingsplan opgesteld. Rondom de locatie bestaan al veel landschappelijke elementen, zoals singels, knotbomenrij, laanbeplanting, poel en fruitbomen. In dit geval worden daarom vijf bomen (linde) aangeplant. Het erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting.

4.1.6 Mariënvelde, Scheiddijk 30

Op dit perceel is eveneens sprake van een regulier woonperceel. De bestaande woning wordt gesplitst en om te voorzien in volwaardige wooneenheden (waarvan één levensloopbestendig) wordt de bestaande woning uitgebouwd aan de west-, zuidwest- en oostzijde. De aanbouw van de woning wordt gesloopt en rondom de woningen worden terrassen aangelegd. Voor de uitbouw wordt bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen aan het 'Beleid woningsplitsingen Oost Gelre 2021' getoetst. Tevens wordt er een bijgebouw gerealiseerd en een poel aangelegd. Een deel van de aanwezige erfbeplanting wordt verwijderd.

Voor de ontwikkeling is een erfinrichtingsplan opgesteld. Het erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting.

4.1.7 Mariënvelde, Veldweg 1

Op deze locatie is een agrarisch bedrijf gevestigd. De bedrijfswoning wordt binnen het bestaande volume gesplitst. Voor de ontwikkeling is een erfinrichtingsplan opgesteld. Het erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 6 bij deze toelichting.

4.1.8 Mariënvelde, Halsedijk 17

Op dit perceel is eveneens sprake van een regulier woonperceel. De bestaande woning wordt gesplitst en om te voorzien in volwaardige wooneenheden (waarvan één levensloopbestendig) wordt de bestaande woning uitgebouwd. Voor de uitbouw wordt bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen aan het 'Beleid woningsplitsingen Oost Gelre 2021' getoetst. Voor de ontwikkeling is een erfinrichtingsplan opgesteld. Er is gekozen voor een robuuste singel rondom het erf die beschut tegen weersinvloeden en een deel van de erffuncties aan het oog onttrekt. De singel past bij het essen-hoevenlandschap en sluit aan bij de wisselende beplanting van onder andere een beukenheg aan de voorzijde, een rij lindes aan de oostzijde en een aantal solitaire bomen rondom het erf.

Deze afwisseling is typerend voor het oude (essen- en) hoevenlandschap. In de singel komt een zevental solitaire bomen te staan. De beplanting wordt aan de voorzijde langs de Halsedijk aangevuld met een rij knotelzen. Het erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 7 bij deze toelichting.

4.1.9 Vragender, Winterswijkseweg 66

Op deze locatie is een agrarisch bedrijf gevestigd. In 2020 is een omgevingsvergunning afgegeven voor de herbouw van de boerderij. Na het in gebruik nemen van de deel bij het voorhuis wordt de woning als inwoning van twee huishoudens gebruikt. Nu gemeente Oost Gelre het beleid ten aanzien van woningsplitsing aangepast heeft ontstaat de mogelijkheid om de woning formeel te splitsen in twee delen (in plaats van inwoning). Voor deze formele splitsing wordt (opnieuw) gevraagd om te komen tot een goede erfinpassing en versterking van het landschap. Het erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 8 bij deze toelichting.

4.1.10 Vragender, Schoolstraat 8a

Op deze locatie is een paardenhouderij gevestigd. Er is hier een bedrijfswoning aanwezig. De bestaande bedrijfswoning wordt gesplitst. Voor de ontwikkeling is een erfinrichtingsplan opgesteld. Het inpassingsplan voorziet in de aanplant van een scheerhaag langs de noordwest- en noordrand (gedeeltelijk) van het bestaande erf en het aanplanten van drie hoogstam fruitbomen. Het erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 9 bij deze toelichting.

4.1.11 Zieuwent, Oude Ruurloseweg 27-29

Op deze locatie is sinds 1952 reeds sprake van een vergunde gesplitste woning. De gesplitste situatie is planologisch nooit opgenomen in de voorgaande bestemmingsplannen. Met dit veegplan wordt dit nu hersteld. Het perceel is reeds landschappelijk ingepast. Voor deze locatie wordt daarom geen erfinrichtingsplan opgesteld.

4.1.12 Zieuwent, Kunnerij 4-4a

Op dit perceel is sprake van een regulier woonperceel. De bestaande woning wordt gesplitst. De Woning is 40 jaar geleden kadastraal gesplitst en verbouwd tot twee identieke verblijfsobjecten waar twee families wonen. Na langjarig gebruik wil men de woning nu formeel splitsen in twee zelfstandige woningen. De bebouwing hoeft hiervoor inpandig en uitwendig niet gewijzigd te worden. Wel zal de huidige berging verplaatst moeten worden om deze voor beide kavels toegankelijk te maken. Voor de ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Er worden houtsingel aangeplant. Het erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 10 bij deze toelichting.

4.1.13 Zieuwent, Ruurloseweg 15

Op dit perceel is eveneens sprake van een regulier woonperceel. De bestaande woning wordt gesplitst binnen het bestaande volume. De ondergeschikte werkzaamheden bestaan uit o.a. het vervangen van het dak en aanbrengen van nieuw metselwerk. De bestaande schuur wordt verplaatst naar een locatie elders op het woonperceel. Voor de ontwikkeling is een erfinrichtingsplan opgesteld. Het erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 11 bij deze toelichting.

4.1.14 Zieuwent, Japikweg 5-5a

Op deze locatie is een woning met inwoning aanwezig. De gesplitste situatie is planologisch nog niet is toegestaan. Met dit veegplan wordt dit nu planologisch geregeld zodat de woning formeel ook gesplist kan worden. Voor de ontwikkeling is een erfinrichtingsplan opgesteld. In dit geval worden een scheerhaag, fruitbomen en solitaire bomen aangeplant. Het erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 12 bij deze toelichting.

4.1.15 Zieuwent, Boekelderweg 2

Op dit perceel is sprake van een regulier woonperceel. De bestaande woning wordt gesplitst binnen het bestaande volume. Voor de ontwikkeling is een erfinrichtingsplan opgesteld. In dit geval worden struweelsingels, fruitbomen, hagen en solitaire bomen aangeplant. Het erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 13 bij deze toelichting.

4.1.16 Zieuwent, Boekelderweg 3

Op dit perceel is sprake van een regulier woonperceel en ligt tegenover de Boekelderweg 2. Ook hier wordt een bestaande woning gesplitst binnen het bestaande volume. Voor de ontwikkeling is een erfinrichtingsplan opgesteld. In dit geval worden houtsingels, fruitbomen, hagen en solitaire bomen aangeplant. Het erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 14 bij deze toelichting.

4.1.17 Zieuwent, Wilgendijk 8-8a

Op deze locatie is sprake van een bedrijfswoning met inwoning. De inwoonsituatie is planologisch toegestaan. Met dit veegplan wordt het planologisch nu zo geregeld zodat de bedrijfswoning formeel ook gesplitst kan worden in twee zelfstandige wooneenheden. De woningsplitsing zal plaatsvinden tussen de oorspronkelijke boerderij en de aangebouwde nieuwere woning. Voor het splitsen van de woning een erfinrichtingsplan opgesteld. In dit geval worden struweelsingels, fruitbomen en hagen aangeplant. Het erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 15 bij deze toelichting.

4.1.18 Zieuwent, Hofmansweg 6

Op dit perceel is sprake van een regulier woonperceel. De bestaande woning wordt gesplitst binnen het bestaande volume. Het voornemen bestaat de achterdeel van de woonboerderij te verbouwen tot woning (woningsplitsing). Om beide wooneenheden voldoende privacy te bieden, wordt het pad naar de huidige woning, in noordelijke richting verlegd. Om dat mogelijk te maken moeten enkele ruwe berken geveld worden. Er wordt geen bebouwing op het erf gesloopt. Voor de ontwikkeling is een erfinrichtingsplan opgesteld. In dit geval worden laanbomen, scheerhagen en struweelhagen aangeplant. Het erfinrichtingsplan is opgenomen in Bijlage 16 bij deze toelichting.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan (zoals dit veegplan wordt gekwalificeerd) een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk wordt de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer & parkeren en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1 Geluid

5.1.1 Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.

5.1.2 Geluidbeleid gemeente Oost Gelre

Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad van de gemeente Oost Gelre het nieuwe 'Geluidbeleid Oost Gelre' vastgesteld. Hierin is onder meer opgenomen dat de gemeente Oost Gelre ten hoogste de toelaatbare geluidsbelasting en maximaal te ontheffen geluidsbelasting voor gezoneerde wegen, zoals gegeven in de Wet geluidhinder, hanteert. Afwijking van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting kan alleen indien (extra) maatregelen worden overwogen. Bij het nemen van maatregelen ter beperking van geluidhinder legt de gemeente prioriteit bij maatregelen aan de bron, zoals bijvoorbeeld toepassing van stille wegdekken en beperking van de rijsnelheid.

Als daardoor onvoldoende effect wordt bereikt, komen maatregelen in de overdrachtssfeer (plaatsing wallen of schermen) in aanmerking. Als laatste worden maatregelen bij de ontvanger, zoals bijvoorbeeld gevelisolatie, overwogen. De achtergrondgedachte van deze volgorde is een zo klein mogelijk gebied aan een hoog geluidniveau bloot te stellen. Dit leidt tot een efficiënt gebruik van de ruimte.

Gemeente Oost Gelre hanteert daarnaast de beleidsregel 'Hogere geluidgrenswaarden Afdeling Bouwen en Milieu, eenheid milieu' (kenmerk BMRK-0800036, geldend van 29-01-2010 t/m heden). Het doel van de beleidsregel is het geven van eenduidig beleid voor en door het college van burgemeester en wethouders voor het behandelen van aanvragen hogere geluidwaarden. Het beleid hogere grenswaarden heeft hoofdzakelijk betrekking op de onderzoeks- en motiveringsplicht naar geluidbeperkende maatregelen indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Dit sluit feitelijk aan op de voorwaarden conform de Wet geluidhinder (zie 5.1.1). Een van de belangrijkste voorwaarde is dat een woning ten minste één geluidluwe gevel heeft.

In paragraaf 5.1.3 wordt nader ingegaan op het aspect geluidshinder door weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op milieuhinder, waaronder geluid, van omliggende bedrijfsmatige functies.

5.1.3 Situatie plangebied

In dit geval wordt op de deelnemende percelen geluidsgevoelige objecten toegevoegd, namelijk de toe te voegen (bedrijfs)woningen die na de woningsplitsingen ontstaan. Het verrichten van een akoestisch onderzoek is in het voorliggende geval niet noodzakelijk voor de bestaande woningen. In artikel 76 van de Wgh is bepaald dat de geluidsbelasting van een aanwezige weg op bestaande woningen niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden.

5.1.3.1 Wegverkeerslawaai

In artikel 74.1 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben. In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte afhankelijk is van het aantal rijstroken en van de ligging van het plangebied binnen stedelijk gebied of buitenstedelijk gebied.

Voor een aantal locaties geldt dat de nieuwe woningen binnen de wettelijke geluidszone van wegen liggen. Het gaat om de locaties Groenlo, Steenbraakweg 14-16, Lievelde, Oude Lievelderweg 6, Zieuwent, Kunnerij 4-4a, Zieuwent, Ruurloseweg 15, Zieuwent, Boekelderweg 2 en Zieuwent, Boekelderweg 3. Deze geluidbelasting als gevolg van het wegverkeerslawaai op de gevels van deze woningen is onderzocht en wordt hierna nader beschouwd. De desbetreffende onderzoeken zijn opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting.

De overige woningen liggen buiten de geluidszone van wegen en zijn niet nader onderzocht. Deze woningen worden in het vervolg van deze paragraaf buiten beschouwing gelaten. Rondom deze woningen is bijvoorbeeld sprake van beperkt verkeer (in snelheid en intensiteit) waardoor aangenomen wordt dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De geluidbelasting op de gevels van die woningen zal niet hoger zijn dan 48 dB.

5.1.3.1.1 Onderzoeksresultaten

Steenbraakweg 14-16, Groenlo (Bijlage 17)

De te splitsen woning ondervindt een geluidbelasting ten gevolge van de Steenbraakweg (60 km/uur) en dient getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. De woning ligt buiten de zone van de Eefselerweg.
De volgende conclusies worden getrokken:

  • De hoogste geluidbelasting ten gevolge van de Steenbraakweg bedraagt 51 dB (incl. 5 dB
    aftrek) ter plaatse van de voorgevel. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee met
    3 dB overschreden. De maximaal toegestane geluidbelasting van 53 dB wordt niet
    overschreden;
  • Op basis van het onderzoek blijkt dat het treffen van bronmaatregelen niet kosteneffectief zijn
    en zal stuiten op bezwaren van verkeerskundige en financiële aard;
  • Op basis van het onderzoek blijkt dat het nemen van maatregelen in de overdracht stuiten op
    stedenbouwkundige en landschappelijke bezwaren;
  • Ter plaatse van de woning is sprake van een geluidluwe linker- en achtergevel, waarmee voldaan wordt aan het gemeentelijk geluidbeleid;
  • Bij de gemeente Oost Gelre dient een verzoek ingediend te worden voor het vaststellen van een
    hogere waarde van ten hoogste 51 dB inclusief aftrek van 5 dB ex artikel 110g Wgh;
  • De hoogste geluidbelasting ten behoeve van de gevelwering bedraagt 56 dB exclusief aftrek
    ex artikel 110g Wgh ter plaatse van de voorgevel. Een aanvullende onderzoek naar de
    geluidwering van de gevels is noodzakelijk;
  • Aangezien het een bestaande woning betreft, kan gemeente Oost Gelre eventueel een
    verruiming van het maximaal toelaatbare binnenniveau overwegen van 38 dB in plaats van
    33 dB (nieuwbouweis). Indien de verruiming wordt gehonoreerd, zijn aanvullende geluidwerende
    voorzieningen naar verwachting niet nodig.

Oude Lievelderweg 6, Lievelde (Bijlage 18)

Op deze locatie is onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting door wegverkeer op de af te splitsen woning aan de Oude Lievelderweg 6 te Lievelde. De ontwikkeling ligt buiten de bebouwde kom van Lievelde binnen de geluidzone van de Oude Lievelderweg en de N18. De woning ligt op ten
minste 30 respectievelijk 137 meter uit de as van deze wegen.

De geluidbelasting op de locatie bedraagt, na aftrek van 2 dB ex art 110-g Wgh, ten hoogste 53 dB ten gevolge van de N18 en ten hoogste 48 dB ten gevolge van wegverkeer op de Oude Lievelderweg. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden door de geluidbelasting van wegverkeer op de N18. Er dient voor de af te splitsen woning een hogere waarde te worden aangevraagd.

Het verlagen van de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de bron is niet doeltreffend en stuit op financiële en civieltechnische bezwaren. Afscherming van de woning is landschappelijk ongewenst. Voor de af te splitsen woning dient een hogere waarde voor wegverkeer te worden aangevraagd voor wegverkeer op de N18 van 53 dB.

Bij transformatie (verandering en vernieuwing van een bestaand gebouw) geldt conform het Bouwbesluit 2012 voor het geluid van buiten het rechtens verkregen niveau. Dit betekent dat het kwaliteitsniveau moet worden gehandhaafd dat het gebouw voor de transformatie had. Door de splitsing wordt geluidwering van de gevel niet lager. In principe zijn daarom geen maatregelen nodig om de geluidwering te verhogen.

Kunnerij 4-4a, Zieuwent (Bijlage 19)

Voor deze locatie is een akoestisch onderzoek ingesteld naar de optredende geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeer op de gevels van de te realiseren woning. Voor een goede ruimtelijke inpassing van het geprojecteerde bouwplan dienen ook de in de directe nabijheid van het plangebied gelegen niet-zoneplichtige wegen te worden beschouwd. Uit een inventarisatie van de omgeving van het plangebied, blijkt dat binnen de directe invloedzone hiervan geen dergelijke wegen aanwezig zijn. De ruimtelijke inpassing van het geprojecteerde plan, kan achterwege worden gelaten.

Uit de rekenresultaten blijkt dat de maximaal optredende geluidbelasting afkomstig van de Kunnerij ter plaatse van de geprojecteerde nieuwe woonbestemming een maximale geluidbelasting kent van 50 dB. Dit betreft een overschrijding van 2 dB ten opzichte van de geldende grenswaarde van 48 dB. In artikel 77 lid 1b van de Wet geluidhinder staat dat er onderzoek moet plaatsvinden of, en zo ja, welke doeltreffende maatregelen mogelijk zijn om de geluidsbelasting terug te brengen tot een waarde die lager of gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidsbelasting niet is te reduceren tot de voorkeursgrenswaarde, dan is medewerking door de gemeente vereist bij de afgifte van een ontheffing hogere grenswaarde.

Indien maatregelen gericht op reductie van de geluidbelasting via bronmaatregelen en overdrachtsmaatregelen als onvoldoende doeltreffend worden beschouwd of dat deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, is realisatie van de geprojecteerde bebouwing enkel mogelijk middels het verlenen van een hogere grenswaarde. Het college van Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het vaststellen van deze hogere grenswaarde, mits dit overwogen plaatsvindt. De maximale waarde waarvoor ontheffing dient te worden aangevraagd, bedraagt inclusief aftrek artikel 110-g van de Wet geluidhinder 50 dB. De maximale waarde waarvoor op grond van het landelijke geluidbeleid ontheffing kan worden verleend, bedraagt 53 dB.

Omdat de maximaal verzochte geluidbelasting niet hoger is gelegen dan 50 dB, moet de gemeente op grond van de bovenstaande overwegingen verzocht worden om medewerking te willen verlenen aan het opstarten van een hogere grenswaarde procedure.

Ruurloseweg 15, Zieuwent (Bijlage 20)

De woning aan de Ruurloseweg 15 betreft een boerderij waarvan de deel zal worden verbouwd tot een extra woning. In het geval van de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen geldt voor wegverkeer een voorkeurswaarde van 48 dB en voor nieuwbouw buiten de bebouwde kom geldt een maximale grenswaarde van 53 dB. Nabij het plangebied liggen de gezoneerde geluidsbronnen Ruurloseweg en Schoppenweg die het plangebied belasten.

Uit het onderzoek is gebleken dat vanwege de Ruurloseweg de gevelbelasting maximaal 47 dB en voor de Schoppenweg maximaal 46 dB inclusief aftrek conform art 110g Wgh bedraagt. De 48 dB grenswaarde wordt daarmee niet overschreden. Vanuit het gemeentelijk geluidbeleid volgen geen aanvullende eisen.

Om iets te kunnen zeggen over het woon- en leefklimaat is methode Miedema gebruikt. Hierbij wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op (gevels van) geluidgevoelige bestemmingen bepaald om een goede afweging te maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De woning beschikt over een geluidluwe gevel en buitenruimte. Volgens de methode Miedema is het leefklimaat matig tot goed te noemen.

Boekelderweg 2, Zieuwent (Bijlage 21)

De woning ligt in de geluidszone van de Boekelderweg, Grobbenweg en de Ruurloseweg. In de nabijheid van het plan zijn geen relevante 30 km/uur wegen gelegen. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader.

De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt ten hoogste 44 dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.

Boekelderweg 3, Zieuwent (Bijlage 22)

Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting inclusief 5 dB aftrek op de gevels van de op te splitsen woning maximaal 37 en 29 dB bedraagt ten gevolge van de Boekelderweg respectievelijk Grobbenweg waarmee de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zeer ruim wordt onderschreden. Voor het aspect wegverkeerslawaai is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

5.1.3.2 Railverkeerslawaai en industrielawaai

De locaties in het plangebied liggen niet in de directe nabijheid van een spoorlijn of een gezoneerd bedrijventerrein. De aspecten 'railverkeerslawaai' en 'industrielawaai' vormen dan ook geen belemmering voor dit planvoornemen. Voor de invloed van individuele bedrijvigheid wordt verwezen naar paragraaf 5.5.3.2 van deze toelichting.

5.1.4 Beoordeling Omgevingsdienst Achterhoek (ODA)

De Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) heeft de in 5.1.3 besproken geluidsonderzoeken beoordeeld. De algehele conclusie luidt dat de onderzoeken inhoudelijk akkoord zijn bevonden. Afhankelijk per locatie adviseert de ODA een akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de desbetreffende gevels. Deze onderzoeken worden bij de aanvraag omgevingsvergunning gevoegd. Dit heeft geen effect op de uitvoerbaarheid van het veegbestemmingsplan. De volledige beoordelingsdocumenten van de ODA zijn opgenomen in Bijlage 23 van deze toelichting.

5.1.5 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met het verlenen van hogere waarden de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.2 Bodemkwaliteit

5.2.1 Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740 en NEN5707.

In dit geval zijn verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd op de percelen waar een uitbouw van de bestaande woning is beoogd. Hier wordt immers nieuwe bebouwing toegevoegd waar mensen langdurig zullen verblijven. Het gaat om de locaties Mariënvelde, Scheiddijk 30 en Mariënvelde, Halsedijk 17.

Op de overige locaties zijn geen bodemingrepen beoogd voor gebouwen waar langdurig zal worden verbleven waardoor een bodemonderzoek achterwege kan blijven.

5.2.2 Situatie plangebied
5.2.2.1 Scheiddijk 30

Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 24 bij deze toelichting.

Onderzoeksresultaten

Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:

  • Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Hierbij zijn geen indicaties waargenomen die hierop duiden;
  • Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodem- of grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn;
  • In de grond(meng)monsters en het grondwater zijn geen van de onderzochte stoffen aangetroffen in een concentratie boven de achtergrondwaarde of de detectiegrens van de desbetreffende stof;
  • De tevoren gestelde hypothese 'De vml. HBO-tank kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd' wordt verworpen;

Uit milieukundig oogpunt is er naar onze mening geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.

5.2.2.2 Halsedijk 17

Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 25 bij deze toelichting.

Onderzoeksresultaten

Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse. Tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek zijn geen antropogene bijmengingen aangetroffen.

Uit de analyseresultaten blijkt dat in de boven- en ondergrond geen verhoogde gehalten zijn gemeten. Indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit voldoet de grond aan de klasse 'achtergrondwaarde'.

Op basis van het geheel aan onderzoeksresultaten zijn er geen milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen bouwactiviteiten. De resultaten geven geen aanleiding tot de uitvoering van aanvullend onderzoek. Ook zijn er geen asbest verdachte materialen op het maaiveld of in de grond aangetroffen, waardoor een verkennend asbest in grond onderzoek conform de NEN 5707 niet noodzakelijk wordt geacht.

5.2.2.3 Schoolstraat 8a

Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 26 bij deze toelichting.

Onderzoeksresultaten

Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:

  • De opgeboorde grond is op een plek als matig puinhoudend beoordeeld;
  • In grondmonster 01-2 zijn licht verhoogde gehalten aan PAK aangetroffen, in grondwatermonster 01-1- 1 zijn licht verhoogde gehalten barium aangetroffen;
  • De aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond en in het grondwater vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik;
  • In geen van de geanalyseerde parameters in zowel grond als grondwater is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden;
  • De hypothese 'De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd' wordt grotendeels aangenomen.

Op basis van de onderzoeksresultaten is op grond van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen bezwaar om het onderzochte terrein goed te keuren voor bestemmingsplanwijziging en de omgevingsvergunning voor het bouwen.

5.2.3 Beoordeling Omgevingsdienst Achterhoek (ODA)

De Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) heeft de in 5.2.2 besproken bodemonderzoeken beoordeeld. De volledige beoordelingsdocumenten van de ODA zijn opgenomen in Bijlage 27 van deze toelichting.

Voor de onderzoeken ter plaatse van Scheiddijk 30 en Schoolstraat 8a stelt de ODA dat de bodemonderzoeken voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen. Er is geen nader bodemonderzoek nodig. De gehalten voldoen aan de functienorm voor Wonen. De bodemkwaliteit is geschikt voor het beoogde gebruik. Aan de bestemmingsplanprocedure hoeven geen bodemspecifieke voorschriften te worden verbonden.

Ten aanzien van het onderzoek voor Halsedijk 17 oordeelt de ODA dat het bodemonderzoek niet volledig voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. Er heeft geen grondwateronderzoek plaatsgevonden en daarmee is ook de kwaliteit van het grondwater niet vastgesteld. De toetsing van de analyseresultaten (grond) is op een juiste manier uitgevoerd. In het onderzoek wordt zowel aan de normen van het Besluit bodemkwaliteit als de normen van de Wet bodembescherming getoetst. In de grond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. De gehalten voldoen aan de functienorm voor 'Wonen'.

De ODA adviseert om aan de omgevingsvergunning voor het onderdeel 'bouw' de voorwaarde te verbinden om voorafgaand aan de werkzaamheden alsnog het grondwater te onderzoeken overeenkomstig de bepalingen van de NEN5740 en de resultaten daarvan ter beoordeling aan de ODA te overleggen.

5.2.4 Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.3 Luchtkwaliteit

5.3.1 Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig.

5.3.2 Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Daarnaast wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.

5.3.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.

5.4 Externe veiligheid

5.4.1 Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:

  • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
  • de Regeling basisnet;
  • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

5.4.2 Situatie in en bij het plangebied
5.4.2.1 Algemeen

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond de deelnemende percelen. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

5.4.2.2 Situatie plangebied

Uit de inventarisatie blijkt dat de locaties van het plangebied:

  • zich niet bevinden binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevinden binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet liggen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet liggen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;

waarvoor een nadere verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is.

5.4.3 Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5 Milieuzonering

5.5.1 Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

5.5.2 Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype.

Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.'

De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

De percelen van het plangebied liggen in het buitengebied, waar doorgaans geen sprake is van sterke menging van functies. Daarom wordt uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes.

Milieucategorie   Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk   Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  
5.5.3 Beoordeling

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol:

    • 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
    • 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.1 Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast.

De functie 'wonen' vormt geen milieubelastende functie. In dit geval wordt er uitsluitend een woning gerealiseerd (als gevolg van splitsing). Er is dan ook geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies.

5.5.3.2 Interne werking

Algemeen
Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten.

Voor alle locaties van deelnemende percelen geldt dat hier reeds sprake is van reguliere bewoning of bewoning van de bedrijfswoning. Er is geen sprake van het toevoegen van een milieugevoelig object of het toestaan van extra milieugevoelige functies dichter op omliggende bedrijven dan dat op basis van het geldende planologische regime reeds is toegestaan. De uitbouw van de hiervoor genoemde woningen vindt plaats binnen het bestaande bouwvlak of woonbestemming. Omliggende bedrijven worden door deze bestemmingsplanherziening dan ook niet in hun bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. De bestaande (bedrijfs)woningen zijn immers reeds milieugevoelig en daarmee maatgevend. Het beschermingsniveau van de woningen wijzigt niet doordat deze worden gesplitst. Er zijn verder geen negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse.

Halsedijk 17
In dit geval is in het kader van een goede ruimtelijke ordening de geluidsituatie ter plaatse van de locatie Halsedijk 17 wel verder onderzocht. Hier wordt de bestaande woning uitgebouwd om te voorzien in volwaardige wooneenheden. Op dit perceel is als nevenactiviteit binnen de woonbestemming een verhuurbedrijf voor doe-het-zelf machines toegestaan. Dat wordt nader beschouwd om een goed beeld te geven van de geluidssituatie ter plaatsen.

Onderzocht is welke geluidbelasting ontstaat op de omgeving van de uit te breiden woning Halsedijk 17 te Mariënvelde t.g.v. het verhuurbedrijf. In het akoestisch onderzoek (zie Bijlage 28) wordt onderzocht of aan de eisen uit de VNG-brochure kan worden voldaan, zodat zowel een goed woon- en leefklimaat wordt gewaarborgd als voldoende akoestische ruimte resteert voor het bedrijf.

Uit het onderzoek blijkt dat gezien de activiteiten van het bedrijf de hinder zeer beperkt is en dus zal in de praktijk een goed woon- en leefklimaat heersen. Het bedrijf wordt niet beperkt aan haar bedrijfsvoering want kan voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit.

5.5.4 Beoordeling Omgevingsdienst Achterhoek (ODA)

De Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) heeft het in 5.5.3.2 besproken geluidsonderzoek beoordeeld. Het beoordelingsdocument van de ODA is opgenomen in Bijlage 29 van deze toelichting. Het akoestisch onderzoek is akkoord bevonden. Het aspect geluid van het naastgelegen verhuurbedrijf geen belemmering voor de woningsplitsing op deze locatie. Het woon- en leefklimaat is voor het aspect geluid wordt beoordeeld als aanvaardbaar.

5.5.5 Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6 Geur

5.6.1 Algemeen
5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij

Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) een toetsingskader.

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor geldt minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006.

5.6.1.2 Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008

De raad heeft bij besluit van 12 maart 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 vastgesteld. Deze verordening is op 28 maart 2008 in werking getreden.

Daarbij zijn de bebouwde kommen van Groenlo, Lievelde en Vragender aangewezen als gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarvoor een andere geurnorm van toepassing is. Op grond van de verordening gelden de volgende waarden als maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij:

  • bebouwde kom van Groenlo: 5 odour units per kubieke meter lucht;
  • bebouwde kom van Lievelde: 7 odour units per kubieke meter lucht;
  • bebouwde kom van Vragender: 7 odour units per kubieke meter lucht.
5.6.1.3 Activiteitenbesluit

Agrarische bedrijven hebben geen vergunning nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest).

Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden.

5.6.2 Situatie plangebied

In dit geval is er sprake van het toevoegen van geurgevoelige objecten, namelijk de zelfstandige nieuwe woningen die ontstaan na de splitsingen. In dit geval vinden de splitsingen in beginsel plaats binnen de bestaande woning. Voor een aantal locaties (Mariënvelde, Scheiddijk 30, Mariënvelde, Halsedijk 17 en Vragender, Schoolstraat 8a) geldt dat de bestaande (bedrijfs)woning wordt uitgebouwd. Echter geldt dat daar geen sprake van het toevoegen van een geurgevoelig object dichter op omliggende veehouderijen dan dat op basis van het geldende planologische regime reeds is toegestaan. Omliggende veehouderijen worden door de bestemmingsplanherziening dan ook niet in hun bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. De bestaande (bedrijfs)woningen zijn immers reeds milieugevoelig en daarmee maatgevend. Het beschermingsniveau van de woningen wijzigt niet doordat deze worden gesplitst. Er zijn verder geen negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse.

5.6.3 Conclusie

Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.7 Ecologie

5.7.1 Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

5.7.2 Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000-gebieden

Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Wet natuurbescherming verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden.

De locatie ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Van directe negatieve effecten (bijv. geluid/verlichting) op Natura 2000-gebied is gelet op de onderlinge afstand geen sprake. Naast directe negatieve effecten dient tevens de mogelijke toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Daarom is door de gemeente Oost-Gelre een stikstofonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 30 bij deze toelichting. Hierna worden de belangrijkste resultaten weergegeven.

Resultaten
Uit het onderzoek blijkt dat de berekende emissie niet leidt tot een bijdrage aan stikstofdepositie van groter dan 0,00 mol/ha/jaar, zelfs wanneer het uitgangspunt is dat alle nieuwe woningen aangesloten worden op het gasnetwerk en andere worst-case uitgangspunten. Ook op de eigen rekenpunten op Duitse Natura 2000-gebieden wordt geen toename berekend. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en is het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Er gelden vanuit stikstofdepositie geen belemmeringen voor de bestemmingsplanprocedure. Een passende beoordeling is niet aan de orde.

5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten zijn lokaal waardoor deze geen negatief effecten op gebieden buiten het plangebied hebben. De voorgenomen activiteit heeft daarom geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. Nadere toetsing is niet noodzakelijk.

5.7.3 Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden.

De ontwikkeling ziet voor een groot deel toe op functiewijziging van bestaande bebouwing en het toevoegen van groen. Dit heeft in principe geen negatief effect op beschermde soorten. Voor een aantal locaties geldt dat hier wel sprake is van sloop/verbouw of andere activiteiten waardoor mogelijk beschermde soorten worden geschaad. In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel daarom voor die locaties een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Concreet gaat het om:

  • Scheiddijk 30, Mariënvelde
  • Halsedijk 17, Mariënvelde
  • Ruurloseweg 15, Zieuwent
  • Hofmansweg 6, Zieuwent

In de komende subparagraaf wordt uitgelegd waarom voor deze locaties een quickscan is uitgevoerd en wat de belangrijkste conclusies van deze onderzoeken zijn. Voor de volledige rapportages wordt verwezen naar de bijlagen bij deze toelichting.

5.7.3.2 Situatie plangebied

Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming Scheiddijk 30 (Bijlage 31)

Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. De locatie is op 31 mei 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties.

De inrichting en het gevoerde beheer maken de locatie niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. De locatie wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust of verblijfplaats op de locatie maar gebruiken het wel als foerageergebied.

Van de op de locatie nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie op de locatie bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantinglocaties’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode.

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van de locatie als foerageergebied voor vleermuizen af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.

Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat:

  • Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels;
  • Geen grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (verjagen, wegvangen of ontheffing aanvragen).

Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming Halsedijk 17 (Bijlage 32 )

De uitbreiding wordt aan de achterzijde van de woning gerealiseerd. Om dit mogelijk te maken wordt de muur doorbroken. Het dakvlak blijft onaangetast; de nieuwe uitbouw krijgt een plat dak. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen.

Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde dieren gedood en wordt geen vaste rust- en voortplantingsplaats verstoord, beschadigd en vernield. Tevens vormt de locatie geen geschikt foerageergebied voor beschermde dieren. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties.

De inrichting en het gevoerde beheer maken de locatie niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten en ook niet tot een geschikt leefgebied voor beschermde dieren. De locatie bestaat volledig uit bebouwing welke voor beschermde dieren niet toegankelijk is en niet geschikt is om een vaste rust- en voortplantingsplaats in te bezetten. Beschermde vleermuis-, vogel-, amfibie- en grondgebonden zoogdierensoorten bezetten geen rust- of voortplantingsplaats op de locatie. Tevens vormt de locatie geen foerageergebied.

Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten zijn er geen wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming.

Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming Ruurloseweg 15 (Bijlage 33 )

Er zijn plannen om een deel in een bestaande boerderij intern te verbouwen tot extra woning op een erf gelegen aan de Ruurloseweg 15 te Zieuwent. De werkzaamheden bestaan uit het vervangen van het dak en aanbrengen van nieuw metselwerk. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. De locatie is op 9 mei 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties.

De inrichting en het gevoerde beheer maken de locatie niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten en ook niet tot een geschikt leefgebied voor beschermde dieren. De locatie bestaat volledig uit bebouwing welke voor beschermde diersoorten niet toegankelijk en daardoor niet geschikt is om een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in te bezetten. Vleermuizen, vogels, amfibieën en grondgebonden zoogdieren bezetten geen rust- en voortplantingsplaats op de locatie. Tevens vormt de locatie geen foerageergebied.

Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten zijn er geen wettelijke consequenties m.b.t soort- en gebiedsbescherming.

Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming Hofmansweg 6 (Bijlage 34 )

Er zijn plannen om het achterste deel van een bestaande woning intern te verbouwen tot extra woning (totaal 2 wooneenheden), gelegen op een erf aan de Hofmansweg 6 te Zieuwent. De werkzaamheden bestaan o.a. uit het aanbrengen van isolatiemateriaal. Er vinden alleen werkzaamheden plaats aan de binnenzijde van de woning en niet aan de buitenzijde. De nieuwe woning wordt d.m.v. een nieuw aan te leggen verharde inrit in verbinding gebracht met de Hofmansweg. Tevens wordt er in het noordelijke deel van de locatie een nieuwe schuur gebouwd. De locatie wordt nadien landschappelijk ingepast, middels aanplant van een struweelhaag en een vogelbosje. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. De locatie is op 7 juni 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties.

De inrichting en het gevoerde beheer maken de locatie niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde vogel-, amfibie- en grondgebondezoogdiersoorten benutten de locatie uitsluitend als foerageergebied. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats op de locatie en benutten het ook niet als foerageergebied.

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van de locatie als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af.

Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten zijn er geen wettelijke consequenties m.b.t soorten- en gebiedsbescherming.

5.7.4 Conclusie

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.

5.8 Archeologie & cultuurhistorie

5.8.1 Archeologie
5.8.1.1 Algemeen

Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.8.1.2 Situatie plangebied

De gemeente Oost-Gelre heeft de archeologische verwachting doorvertaald in de dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan "Parapluplan Archeologie". Dit bestemmingsplan blijft van kracht ter bescherming van de archeologische waarden. De grenswaarden voor archeologisch onderzoek worden op de locaties waar een uitbouw is beoogd overigens niet overschreden. Geconcludeerd wordt dat een archeologisch onderzoek niet nodig is. 

5.8.2 Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

5.8.2.2 Situatie plangebied

Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten de negatief kunnen worden beïnvloed als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. In de directe nabijheid van de locaties is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt met betrekking tot voorliggend plan.

5.8.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9 Verkeer en parkeren

5.9.1 Algemeen

Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van parkeerkencijfers van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.

5.9.2 Situatie plangebied

Alle deelnemende percelen zijn van voldoende omvang om te voorzien in de parkeerbehoefte van de betreffende woningen. De woningen worden ontsloten middels de bestaande in- en uitritten, met uitzondering van het perceel aan de Hofmansweg 6 te Zieuwent. Voor dit perceel wordt een nieuwe in- en uitrit voor de nieuwe woning gerealiseerd. Het omliggende wegennetwerk is van voldoende omvang om de verkeersgeneratie van één extra woning af te wikkelen.

Het aspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit veegbestemmingsplan.

5.10 Besluit milieueffectrapportage

5.10.1 Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:

  • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

5.10.2 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming

Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelen van Natura-2000 gebieden. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

5.10.3 Drempelwaarden Besluit m.e.r.

De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het partieel herzien van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.

De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden:

  • een oppervlakte van 100 hectare of meer,
  • een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of
  • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.

Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat in beginsel uit van splitsingen van bestaande bebouwing. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling. Er is geen sprake van nieuwbouw, hoogstens worden drie woningen uitgebouwd. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

5.10.4 Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

6.1 Algemeen

6.1.1 Wettelijk kader

Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten.

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd.
Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid.

De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen). Het beleid gaat uit van:

  • een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater);
  • water meer ruimte geven;
  • versterken van de ecologische waarden;
  • creëren van een vitaal watersysteem

Specifiek voor het stedelijk gebied is het volgende van belang:

  • De waterketen moet worden geoptimaliseerd (meer afkoppelen en infiltreren). In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) wordt hiertoe een aanzet gegeven;
  • Kwaliteit oppervlaktewater en waterbodem: Saneren overstorten en afkoppeling en ontlasting van het riool;
  • Wateroverlast in stedelijk gebied: reguleren van de piekafvoeren door middel van het vasthouden van het water bovenstrooms, actief stuwbeheer, extra retentie en herverdeling van het water.
6.1.2 Waterparagraaf
6.1.2.1 Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

6.1.2.2 Situatie plangebied

Dit bestemmingsplan ziet in beginsel toe op functiewijziging van bestaande bebouwing. Drie woningen worden uitgebouwd. De hoeveelheid verhard oppervlak neemt per saldo nergens onevenredig toe en er is geen sprake van het dempen- of aanleggen van oppervlaktewater. Daarnaast worden geen activiteiten of functies toegevoegd die een negatief effect kunnen hebben op de grondwaterkwaliteit. De verwerking van afvalwater blijft zoals de bestaande situatie.

Er is daarom geen sprake van waterschapsbelang.

6.1.3 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Beleid en sectorale onderzoeken

Voorliggend bestemmingsplan betreft een herziening van de deelnemende percelen voor wat betreft de regeling omtrent woningsplitsing. De initiatieven zijn afzonderlijk beoordeeld en onderzocht. Per initiatief is het resultaat hiervan opgenomen in deze toelichting en in de Bijlagen bij de toelichting. Hierin is beoordeeld op basis van het vigerende beleid en de verschillende sectorale aspecten of de betreffende ontwikkeling uitvoerbaar is.

7.2 Economische uitvoerbaarheid

Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst.

De gemeente heeft hierbij de onderzoeksverplichting om de financieel economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen. Met initiatiefnemers wordt een anterieure overeenkomst aangegaan. Deze onderdelen van het veegplan noodzaken niet tot onderzoek inzake de economische uitvoerbaarheid of het opstellen van een exploitatieplan.

7.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Gezien de beperkte reikwijdte van deze aanpassingen en de actuele status van het moederplan ziet de gemeente geen aanleiding om het voorontwerp in de inspraak te brengen. Wel is het wettelijk vooroverleg gevoerd overeenkomstig 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening.

In het kader van de vaststellingsprocedure heeft het ontwerp bestemmingsplan "Veegplan woningsplitsing Oost Gelre 202" gedurende zes weken voor eenieder van 27 januari 2023 tot en met 9 maart 2023 ter inzage gelegen.

Tijdens voornoemde termijn kon eenieder schriftelijk of mondeling een zienswijze indienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

Ten opzichte van het ontwerp bestemmingsplan zijn een tweetal wijzigingen aangebracht in het vast te stellen bestemmingsplan. Zie hiervoor ook de Nota met wijzigingen in Bijlage 35 van deze toelichting. Het gaat hierbij om een gewijzigd inpassingsplan voor Kunnerij 4 en het herstellen van een foutieve verwijzing in de regels.