direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Woon-Werklandschap Verbindingsweg
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0001

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

Gemeente Barneveld heeft, in samenwerking met andere grondeigenaren, voor diverse percelen globaal gelegen tussen de Verbindingsweg, de Baron van Nagellstraat en de Hoofdstraat in Voorthuizen, plannen om het woon-werklandschap Verbindingsweg Voorthuizen te ontwikkelen. Voorafgaand hieraan heeft de gemeente samen met de Ondernemersvereniging Voorthuizen, grondeigenaren, initiatiefnemers en omwonenden nagedacht om dit zogeheten werklandschap te ontwikkelen. Dit heeft geleid tot de ruimtelijke visie 'werklandschap Verbindingsweg Voorthuizen' (in 2014).

Het onderhavig plan voorziet in de ontwikkeling van een woon-werklandschap. In het woon-werklandschap is de (hoofd)structuur met betrekking tot ontsluiting en groen- en waterrealisatie opgenomen. Er worden ruim 300 woningen gerealiseerd. Daarnaast is de realisatie van enkele percelen tot woon-werklandschap en een aantal bedrijfslocaties opgenomen. Er ontstaat op deze manier een aantrekkelijke omgeving met een gevarieerd programma. Tot slot zijn ook de percelen opgenomen van het voormalig bedrijf Vreugdenhil aan de Baron van Nagellstraat. Voor deze gronden is al een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 129 appartementen (Vreugdenhof). Deze omgevingsvergunning is vertaald in onderhavig plan. Ook de omgevingsvergunning voor het realiseren van huisvesting voor arbeidsmigranten is vertaald.

Het betreft de percelen kadastraal bekend als gemeente Voorthuizen sectie G nummers 2357, 2358, 2689, 2690, 2691, 2692, 3065, 3340, 3341, 3452, 3811, 3812, 3814, 3907, 3923, 4201, 4202, 4286, 4287, 4293, 4422, 4529, 4530, 4538, 4583, 4584, 4738, 4794, 4796, 4897, 4899, 4960, 4979, 5028, 5029, 5058, 5151, 5189, 5407, 5408, 5417, 5507, 5508, 5655, 5656, 5856, 6285, 6358, 6359, 6360, 6387, 6390, 6391, 6424, 6425, 6435, 6517, 6525, 6526, 6528, 6529, 6530, 6539, 6556, 6566, 6567, 6568, 6569, 6668, 6717, 6718, 6766, 6769, 6770, 6841, 6842, 6844, 6845, 6846, 6847, 6848, 6849, 6850, 6851, 6852, 6853. Het plangebied heeft een oppervlakte van bijna 15 hectare.

Op de onderstaande topografische kaart is met een rood kader de globale ligging van de planlocatie aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0001_0001.png"

Afbeelding: planlocatie Woon-Werklandschap Verbindingsweg, globale ligging rode cirkel

De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende "Omgevingsplan gemeente Barneveld" (hierna: omgevingsplan). Met deze reden is het voorliggende TAM-IMRO plan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Woon-Werklandschap Verbindingsweg' opgesteld.

Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting (inclusief bijlagen). Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt de toekomstige situatie beschreven, waarbij al kort wordt aangehaakt op de verschillende ruimtelijke aspecten. In hoofdstuk 4 wordt het relevante beleid dat ten grondslag ligt aan het TAM-omgevingsplan geformuleerd. De fysieke en milieukundige omgevingsaspecten die van invloed kunnen zijn op de ruimtelijke ontwikkeling komen aan bod in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 richt zich op de juridische aspecten van dit TAM-omgevingsplan. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan besproken en tot slot wordt in hoofdstuk 8 de focus gelegd op de participatie en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie en toekomstambitie

2.1 Beschrijving huidige situatie

Het plangebied ligt aan de zuidwestzijde van de kern Voorthuizen. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door het bebouwingslint aan de Hoofdstraat. Verder naar het oosten vormen de woonpercelen aan de Jan van Galenlaan, De Ruijterlaan en de Baron van Nagellstraat de grens van het plangebied. Aan de zuid- en de westzijde vormt (bebouwing aan) de Verbindingsweg de grens van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft de begrenzing van het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0001_0002.png"

Afbeelding: begrenzing plangebied (luchtfoto 2023)

2.2 Toetsing aan omgevingsplan

2.2.1 Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Het plangebied ligt in tijdelijke omgevingsplan van rechtswege (hierna: het omgevingsplan). Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat.

Op dit moment geldt binnen dit tijdelijke omgevingsplan hoofdzakelijk het bestemmingsplan "Buitengebied 2000". Op grond van het tijdelijk omgevingsplan heeft het plangebied de functie (voorheen de bestemming) 'agrarisch gebied I' (artikel 7). De gronden op de plankaart aangeduid met de bestemming 'agrarisch gebied I' zijn bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0001_0003.png"

Afbeelding: contourenkaart

De gronden die binnen de grenzen van het bestemmingsplan "Baron van Nagellstraat" liggen hebben de functies (voorheen bestemmingen) 'Bedrijf', 'Erf bij bedrijf', 'Groensingel' en 'Erf bij woningen'.

De gronden die binnen het bestemmingsplan "Hoofdstraat XII" liggen hebben de functies (voorheen bestemmingen) 'groensingel' en 'erf bij bedrijf'.

Tot slot "Voorthuizen-West" met de functie 'Tuin'. Over dit plan is het bestemmingsplan "Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie" gelegd. De locatie is hierin vrijgegeven. Hiermee is de dubbelbestemming 'Waarde- Archeologie 2 (hoge verwachtingswaarde)' uit het bestemmingsplan "Voorthuizen-West" komen te vervallen. Ook de "Parapluherziening Parkeernormen" is over bestemmingsplan "Voorthuizen-West" gelegd.

Realisatie van het woon-werklandschap met bijbehorende functies is binnen deze bestemmingen niet toegestaan.

2.2.2 Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

De voorgenomen ontwikkeling van een woon-werklandschap past niet het omgevingsplan omdat dit niet in overeenstemming is met de overwegend agrarische functie van het gebied.

In het omgevingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken door een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit (OPA) of een BOPA. Daarom is een wijziging van het omgevingsplan nodig.

2.3 Visie en beleid op locatie

Als nadere uitwerking van de Structuurvisie Kernen Barneveld 2022 is op 16 december 2014 de Ruimtelijke visie Werklandschap Verbindingsweg Voorthuizen vastgesteld (zie bijlage 1 Visie Werklandschap Verbindingsweg Voorthuizen). Deze visie, waaraan een intensief interactief werkproces met belanghebbenden ten grondslag ligt, geeft de kaders aan met betrekking tot de mogelijke functies, de ontsluiting en de groenstructuur. Mogelijke functies zijn volgens de visie: bedrijven (milieucategorie 1 en 2), combinaties van wonen en bedrijf (milieucategorie 1 en 2), wonen en gemengd. Het geheel wordt gevat in een landschappelijk raamwerk van bestaande dan wel aan te leggen groensingels.

De Ruimtelijke visie Werklandschap Verbindingsweg Voorthuizen is opgesteld in samenspraak met omwonenden en belanghebbenden uit het gebied. Hiervoor is een ontwerpatelier georganiseerd. Op basis van een gemeentelijk voorstel voor een nieuwe hoofdstructuur (verkeer, water, groen) konden de deelnemers het gebied verder inkleuren met de functies Wonen, Verkeer, Langzaam Verkeer, Werken, Groen en Water.

De uitkomst van het ontwerpproces is weergegeven in onderstaande visiekaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0001_0004.png"

Afbeelding: Visiekaart Werklandschap Verbindingsweg

Een woon-werklandschap kenmerkt zich door:

  • Substantiële menging van functies, vanuit een integrale gebiedsvisie;
  • Zorgvuldig ruimtegebruik;
  • Goede landschappelijke inpassing;
  • Aandacht voor esthetische vormgeving, door middel van een beeldkwaliteitsplan;
  • Ontsluiting d.m.v. openbaar vervoer, indien sprake is van een combinatie van wonen en werken.

Voor wat betreft het eerste kenmerk (de ‘Substantiële menging van functies, vanuit een integrale gebiedsvisie) is het gebied vooral geschikt voor de volgende ontwikkelingen (waarbij zoveel als mogelijk aansluiting is gezocht bij de behoefte die in Voorthuizen bestaat):

  • Kleinschalige lokale bedrijven (milieucategorie 1 & 2) eventueel met een bedrijfswoning (maximaal één woning per bedrijf);
  • Kleinschalige bedrijven (milieucategorie 1 & 2) met consumentencontacten, bijvoorbeeld dienstverlenende bedrijven met een baliefunctie of ambachtelijke bedrijven met een toonzaal; het gaat hier nadrukkelijk niet om (perifere) detailhandel;
  • Woningen met ruimtelijke mogelijkheden voor beroep aan huis;
  • Woningen, met name voor bijzondere doelgroepen;
  • Maatschappelijke voorzieningen.

Huidig plan
De hoofduitgangspunten (een nieuwe verbindingsweg en een strategische ruimtelijke verdeling tussen wonen, werken en gemengd) zijn behouden in het huidige plan. Het landschappelijke raamwerk vormt nog steeds de blauwdruk voor de stedenbouwkundige structuur.

Het voorliggende plan wijkt echter enigszins af van de visiekaart. Op meer locaties wordt woningbouw (met de standaard mogelijkheid tot een aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit en op aangewezen plekken extra mogelijkheden op dit gebied) gerealiseerd. Dit geldt met name voor het gebied ten noorden van de nieuwe interne ontsluiting die het gebied als het ware in tweeën deelt. Achtergrond hiervan is de grote vraag naar woningbouw en de mogelijkheden voor bedrijventerreinen volgens het Regionaal Programma Werklocaties (hierna: RPW).

Maatschappelijke voorzieningen worden niet gerealiseerd, omdat deze al zijn gerealiseerd in de naastliggende wijk Holzenbosch.

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

3.1 Voorgenomen ontwikkeling

Het voorliggende plan maakt de ontwikkeling mogelijk van een gemengd gebied met wonen, werken en de combinatie daarvan op woon-werkkavels. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 15 hectare en ligt aan de zuidwestzijde van Voorthuizen. Het plan vormt een uitbreiding van de kern Voorthuizen en vormt de nadere invulling van de Ruimtelijke visie Werklandschap Verbindingsweg Voorthuizen (vastgesteld in 2014). Het plan beoogt een woon-werklandschap met een hoge ruimtelijke kwaliteit, waarin functies zorgvuldig worden verweven en landschappelijke structuren worden versterkt.

Ruimtelijke opzet
De ruimtelijke structuur van het vrij rechtlijnige historische heideontginningslandschap is nog herkenbaar. Onder andere in de stedenbouwkundige structuur, die wordt gedragen door twee hoofdassen: de Nieuwe Verbindingsweg als laan en een robuuste noord-zuid georiënteerde groenstructuur. Deze laatst genoemde groene as verbindt bestaande landschappelijke elementen en krijgt een parkachtig karakter met wadi's en speelplekken waar diverse wandelpaden doorheen lopen. Deze twee structuren vormen de dragers van het ontwerp en dragen bij aan een herkenbare onderverdeling in landschappelijke 'kamers'. Centraal in het ontwerp, waar de twee hoofdassen elkaar raken, is een grote speelplaats gerealiseerd als het 'groene hart' van het woon-werklandschap.

Aan de randen van het plangebied worden robuuste groen- en waterstructuren ontwikkeld. Enerzijds om ruimte te scheppen tussen de bestaande woonomgeving en het plangebied, anderzijds om regenwater dat in het gebied valt goed te kunnen verwerken binnen het plan.

Het merendeel van de appartementengebouwen, de grotere volumes binnen het plangebied, worden langs de Nieuwe Verbindingsweg geplaatst. De appartementen van het plan Vreugdenhof, waarvan het hoogste volume 6 verdiepingen heeft, vormen een beeldbepalende landmark naar de Baron van Nagellstraat.

Programma en functies
Het plan maakt de bouw van ongeveer 450 woningen mogelijk, waarvan 129 woonéénheden reeds op basis van een verleende omgevingsvergunning gerealiseerd kunnen worden binnen de appartementen van het plan 'Vreugdenhof'. Daarnaast worden er 3 tot 5 bedrijfskavels en een bedrijfsverzamelgebouw ontwikkeld. Het woonprogramma bestaat uit appartementen, rijwoningen, twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen. Langs de Baron van Nagellstraat worden de bedrijfsgebouwen gesitueerd. Binnen specifieke zones worden er woon-werkkavels ontwikkeld, waarbij (extra) bedrijvigheid aan huis mogelijk is.

Verkeer en parkeren
De hoofdontsluiting van de diverse buurten vindt plaats via de Nieuwe Verbindingsweg, waar de diverse erftoegangswegen (30 km/uur) op uitkomen. Voor langzaam verkeer wordt een netwerk van fiets- en wandelroutes gerealiseerd die aansluiten op de rotonde bij de Baron van Nagellstraat en de Hoofdstraat. Parkeren vindt plaats op eigen terrein en in de openbare ruimte, conform de gemeentelijke parkeernormen. Openbare parkeerplaatsen worden uitgevoerd in waterpasserende verharding.

Beeldkwaliteit en architectuur
Het plan verwijst naar de architectuur van vooroorlogse woon-werk wijken, met baksteenarchitectuur en een duidelijk herkenbare maatsystematiek, onder andere in de gevels. Accenten zoals gemetselde erfafscheidingen, luifels, erkers en markante dakvormen zorgen voor een eigen identiteit van deze wijk. Per deelgebied zijn richtlijnen opgesteld voor typologie, materialisatie en kleur, zodat een gevarieerd straatbeeld ontstaat.

In het beeldkwaliteitsplan (hierna: BKP) (zie bijlage 2 Beeldkwaliteitsplan) wordt de gewenste beeldkwaliteit beschreven van zowel de bebouwde ruimte (woningen/ werken) als de onbebouwde ruimte (openbaar gebied).

Wonen
Het volgende programma wordt mogelijk gemaakt met dit plan.

Woningen per segment inclusief Vreugdenhof   
           
Wonen (incl vrije kavels)   Particulier   Gemeente     Totaal  
           
Sociale huur     137   16     153  
Huur (kavel)     3       3  
Appartementen arbeidsmigranten   24     24  
Goedkoop laag     42       42  
Goedkoop hoog     32       32  
Middelduur     59       59  
Duur     126   18     144  

Binnen het plangebied worden in totaal circa 457 woningen gerealiseerd. Het woonprogramma bestaat uit een gevarieerd aanbod van vrijstaande woningen, twee-onder-één-kapwoningen, rijwoningen en gestapelde woningen.

De differentiatie in woningtypen en prijsklassen zorgt voor een gevarieerd straatbeeld en biedt ruimte aan uiteenlopende doelgroepen, waaronder starters, doorstromers en gezinnen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de volkshuisvestelijke doelstellingen van de gemeente Barneveld.

Overig
In het plangebied wordt een centrale speelplaats gerealiseerd. Daarnaast komen er nog drie steunplekken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0001_0005.png"

Afbeelding hoofdstructuren stedenbouwkundig plan

Met de ontwikkeling van dit plan wordt een toekomstbestendig, duurzaam en landschappelijk ingepast woon-woonlandschap gerealiseerd. De ontwikkeling sluit aan op de bestaande hoofdstructuren en draagt bij aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit aan de zuidwestzijde van Voorthuizen.

Conclusie
Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7).

De ontwikkeling past binnen de beleidsmatige kaders van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Barneveld en levert een wezenlijke bijdrage aan de verwezenlijking van een goede fysieke leefomgeving. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan beleid

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op het relevante beleidskader voor de activiteiten wonen en bedrijvigheid en worden de activiteiten hieraan getoetst. Het gaat om beleid en beleidsnota's die direct dan wel indirect doorwerken in het omgevingsplan of invloed hebben op de regels. Van deze nota's is hierna per bestuursniveau een beknopte samenvatting gegeven.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen aan de ene kant beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, maar waar gemotiveerd van afgeweken kan worden; en aan de andere kant instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). De regels uit het Bkl worden in hoofdstukken 4 en 5 van dit plan gemotiveerd getoetst aan de activiteit.

4.2 Rijk

4.2.1 Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.

Doorwerking in plangebied
Het beoogde plan is in lijn met de prioriteiten, in het bijzonder duurzaam economisch groeipotentieel en sterke en gezonde steden en regio's. Het woon-werklandschap levert een bijdrage aan de realisatie van een duurzame, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving, waarbij klimaatadaptatie, natuurinclusiviteit en kwaliteit van wonen en landschap centraal staan. De ontwikkeling ondersteunt daarmee de nationale koers voor verstedelijking binnen bestaande structuren en draagt bij aan een veerkrachtige regio. Het beoogde plan is in lijn met de prioriteiten, in het bijzonder met het nationale belang om zorg te dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan.

4.2.2 Nationaal Waterprogramma 2022-2027

Het nationaal waterprogramma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein:

  • Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering.
  • We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorzieningen tegen toenemende droogte.
  • Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

De gevolgen van klimaatverandering vergroten de huidige opgaven voor waterveiligheid, wateroverlast, zoetwater- en drinkwatervoorziening, waterkwaliteit, cultureel erfgoed en de scheepvaart. Nederland moet zich aanpassen en klimaatadaptatie is daarbij noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het water- en bodemsysteem meegenomen als leidend principe. Daarmee zetten we, nog meer dan voorheen, in op een fysieke leefomgeving die rekening houdt met de natuurlijke eigenschappen van het bodem- en watersysteem. En met de mogelijkheden en beperkingen die dit systeem met zich meebrengt.

Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van de afweging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf (§ 5.20).

4.2.3 Instructieregels Rijk (AMvB's)

In het Bkl zijn de instructieregels van het rijk opgenomen voor het omgevingsplan. Het Bkl bevat instructieregels die zien op:

  • algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1);
  • waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2);
  • beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3);
  • beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • behoeden van de straat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
  • bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

Daarnaast bevat Afdeling 5.2 instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze instructieregels gaan over;

  • voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen;
  • lokale spoorwegen binnen vervoerregio's;
  • lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool;
  • bebouwingcontour jacht;
  • bebouwingcontour houtkap.

Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan.

Doorwerking in plangebied
Het plan past binnen de doelstellingen en het beleid van het Rijk. In Hoofdstuk 5 wordt ingegaan op voor deze locatie van toepassing zijnde instructieregels.

4.3 Provincie

4.3.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

Algemeen
De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. De Omgevingswet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening.

4.3.1.1 Omgevingsvisie

Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 vervangt na publicatie de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer.

Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan:

  • energietransitie
  • klimaatadaptatie
  • circulaire economie
  • biodiversiteit
  • bereikbaarheid
  • economisch vestigingsklimaat
  • woon- en leefklimaat

Het plangebied ligt binnen de volgende (thema)kaarten vanuit de omgevingsvisie:
Kaart 1: Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
Kaart 2: Themakaart Ruimtelijk beleid
Kaart 3: Themakaart Waterbeleid

Doorwerking in plangebied
De provincie streeft naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Alle nieuwbouw moet aardgasloos worden aangelegd en zoveel mogelijk circulair worden gebouwd.

Voorliggend plan past binnen de ambitie van de provincie om een duurzaam en divers woon- en leefklimaat te realiseren.

Conclusie
Dit plan is in lijn met de omgevingsvisie Gaaf Gelderland.

4.3.1.2 Omgevingsverordening

Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan de Omgevingsverordening er één is. Deze richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken.

De Omgevingsverordening is met ingang van 1 januari 2024 in werking getreden. De provincie actualiseert regelmatig de Omgevingsverordening. De Provinciale Staten kunnen bij Omgevingsverordening regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente (instructieregels). De volgende instructieregels en instructies zijn in hoofdstuk 5 van de provinciale verordening opgenomen:

  • algemene instructieregels (Afdeling 5.1)
  • instructieregels over landschap (Afdeling 5.3)
  • instructieregels over milieu (Afdeling 5.5)
  • instructieregels over de ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en de regionale samenwerking (Afdeling 5.7)

Landschap
Met ingang van 1 januari 2024 bevat de provinciale Omgevingsverordening nieuwe regels over de kwaliteit van het landschap die in héél Gelderland gelden (afdeling 5.3 van de provinciale verordening). Voorheen golden alleen regels voor een beperkt aantal gebieden in Gelderland (afdeling 5.2 Bkl). Met deze regels moet een omgevingsplan die een activiteit of ontwikkeling toelaat in de toelichting een beschrijving geven van de wijze waarop rekening gehouden wordt met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten en dan in het bijzonder de nationale landschappen. Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat:
a. Per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in bijlage kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen;
b. de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd.

Het plan ligt binnen de streek Gelderse Vallei (deelgebied Barneveldse beken).

Volgens de provinciale Omgevingsvisie behoren tot de kernkwaliteiten van dit deelgebied onder andere:

  • het afwisselende patroon van open ruimtes en groene structuren;
  • lijnen van beken en sloten die de verkaveling volgen;
  • het voorkomen van (restanten van) houtsingels en erfbeplanting;
  • de samenhang tussen natte valleigronden en droogliggende dekzandruggen;
  • de kleinschalige afwisseling en zichtlijnen in het kampen- en ontginningslandschap.

Het plan respecteert deze kernkwaliteiten door bestaande structuren te behouden, te versterken en als basis te gebruiken voor de nieuwe ruimtelijke hoofdopzet.

Milieu
Een omgevingsplan bepaalt dat het lozen op of in de bodem verboden is als daarbij verontreinigende stoffen zonder doorsijpeling door de bodem of de ondergrond in het grondwater komen.

Woonlocaties
Een omgevingsplan laat nieuwe woningen alleen toe als die ontwikkeling past binnen de regionale woonafspraken.

De ontwikkeling van de woningen binnen het woon-werklandschap is afgestemd op de regionale woningbouwafspraken binnen de Regio FoodValley. Het plan voorziet in een gedifferentieerd woningaanbod dat aansluit bij de lokale en regionale woningbehoefte. Daarmee wordt voldaan aan de instructieregels die eisen dat nieuwe woonlocaties bijdragen aan de realisatie van de woningbouwopgave en passen binnen de regionale programmering.

Werklocaties
Een omgevingsplan laat een uitbreiding of wijziging van een bestaande werklocatie of een nieuwe werklocatie alleen toe als die ontwikkeling past binnen het vastgestelde regionaal programma werklocaties (hierna: RPW).

Het RPW gaat voor Voorthuizen uit van een regulier gemengd gebied met een maximale milieucategorie 2 en een oppervlakte van 2,5 hectare. Voorliggend plan voorziet in 0,55 hectare nieuwe bedrijvigheid. De voormalige Vreugdenhil houdt een oppervlakte van 0,43 hectare voor bedrijvigheid. De nieuwe kavels hebben een oppervlakte van maximaal 0,2 hectare. Er geldt een maximale milieucategorie 2. De ontwikkeling past hiermee binnen het RPW.

Klimaatadaptatie
In artikel 5.85 van de provinciale verordening is een artikel opgenomen over klimaatadaptatie. Bij plannen moet hierop worden ingaan. Het artikel bepaalt dat voor zover een omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaat, de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving bevat van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:

  • waterveiligheid;
  • wateroverlast;
  • droogte; en
  • hitte.

In voorliggende situatie wordt de nieuwbouw aardgasloos ontwikkeld en wordt zoveel mogelijk duurzaam materiaal gebruikt. Er wordt bij deze ontwikkeling voorzien in waterbergingsmogelijkheden. In het stedenbouwkundig plan en het BKP is rekening gehouden met groen-blauwe daken. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptie.

Gebiedsaanwijzingen
De volgende gebiedsaanwijzingen gelden:

  • aandachtsgebied windturbines rondom de Veluwe
  • Gelderse streek Gelderse Vallei
  • glastuinbouw buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied
  • intrekgebied
  • werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland

Wat betreft 'aandachtsgebied windturbines'. Het plan voorziet niet in het realiseren van een windturbine.

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de 'Gelderse streek Vallei'' wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Veluwe. Het plan voldoet hier aan.

Wat betreft 'glastuinbouw'. Het plan voorziet niet in glastuinbouw.

Vervolgens wat betreft 'intrekgebied'. Het plan voorziet niet in een grondwaterbedreigende activiteit. Het is verboden in een intrekgebied een mijnbouwwerk aan te leggen en te exploiteren, behalve voor het opsporen of winnen van aardwarmte. Hiervan is geen sprake.

Voor het 'werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland' geldt het volgende. Een faunabeheereenheid zet zich in voor een maatschappelijk verantwoorde, transparante en deskundige uitoefening van jacht, populatiebeheer en bestrijding van dieren die schade veroorzaken. Er geldt in zo'n werkgebied een faunabeheerplan. Bij bepaalde activiteiten is het verplicht om te handelen volgens dat faunabeheerplan. De activiteiten die met deze omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt, zien niet op activiteiten die in het faunabeheerplan staan opgenomen. Het werkgebied wordt niet belemmerd door uitvoering van dit plan.

Doorwerking in plangebied
Het plan is in overeenstemming met de verordening. De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie.

4.3.2 Omgevingswaarde(n)

Een omgevingswaarde is één van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie.

In dit geval heeft de provincie de volgende omgevingswaarde vastgesteld die relevant is voor Barneveld:

  • Wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe (artikel 3.12 van Afdeling 3.2 van de provinciale verordening).

Voor de wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe geldt binnen het stedelijk gebied een gemiddelde kans op overstroming van:

      • a. 1:100 per jaar voor locaties waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen aanwezig zijn; en
      • b. 1:10 per jaar voor het overige gebied.

Buiten het stedelijk gebied geldt een gemiddelde kans op overstroming van 1:10 per jaar. Er geldt buiten het stedelijk gebied geen norm voor Natura 2000-gebieden (a); gebieden aangewezen op grond van artikel 2.44, tweede lid, van de Omgevingswet en gebieden (b), voor zover niet behorend tot deze onder a of b bedoelde gebieden, aangeduid als natuurtype in het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland.

Aan de omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren wordt voldaan met ingang van 1 januari 2024. De omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren zijn inspanningsverplichtingen voor het waterschap. De gemeente mag daar niet van afwijken of deze aanvullen. Dit is alleen mogelijk als de provincie dat mogelijk maakt.

Doorwerking in het plangebied
De gemeente wijkt hier niet van af en vult deze ook niet aan. Er is geen strijdigheid met deze omgevingswaarde.

4.3.3 Voorbereidingsbesluit stikstof

Provinciale staten hebben op 16 april 2025 een voorbereidingsbesluit genomen voor de stroken (zones) van 500 meter rondom stikstofgevoelige natuur. Dit voorbereidingsbesluit heeft een rechtstreeks geldende werking. Met dit voorbereidingsbesluit zijn alle nieuwe activiteiten in deze stroken die stikstof uitstoten, voor de komende 1,5 jaar niet toegestaan. Het gaat om activiteiten waarvoor een natuurvergunning nodig is. Er zijn een paar uitzonderingen. Zo mogen bestaande activiteiten doorgaan; uitbreiding ervan kan niet.

Conclusie
Het plan ligt niet binnen deze strook ('het beperkingsgebied stikstofemissie') en voor de verdere motivering wat betreft stikstof wordt verwezen naar paragraaf Gebiedsbescherming.

4.4 Regio

4.4.1 Regionaal waterprogramma 2021-2027

In het regionaal waterprogramma worden de uitdagingen beschreven waarvoor de provincie staat, waar ze naartoe werken, en wat er de komende tijd op het gebied van water wordt bijgedragen aan de ambities gesteld in de omgevingsvisie en het coalitieakkoord. Enkele relevante ambities hieruit zijn:

  • Vestigingsklimaat: Voldoende en kwalitatief water als grondstof en/of proceswater voor landbouw en industrie.
  • Wonen: Water biedt mogelijkheden voor recreatie, schoon grondwater voor drinkwater en is onderdeel van de ruimtelijke kwaliteit.
  • Biodiversiteit: Voldoende water van voldoende kwaliteit voor planten en dieren, streven naar natuurvriendelijk beheer en doorgaan met verdrogingsbestrijding.
  • Klimaatadaptatie: Het natuurlijk systeem van bodem en water is een belangrijk ordenend principe in de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen, beschikbaarheid van water in droge periode, beschikbaarheid van water voor natuur, tegengaan hittestress, voorkomen wateroverlast en beschermen tegen overstromingen.
  • Circulaire economie: Water als (herbruikbare) grondstof door middel van het schoonhouden van het water.

Hierbij worden vanuit het waterbeleid 3 uitgangspunten aangehouden:

  • 1. Voorkomen is beter dan genezen. Het bodem- watersysteem is een belangrijke basis voor onze fysieke leefomgeving en een sleutel naar duurzaamheid en klimaatbestendigheid. We werken aan herstel en we zorgen dat nieuwe functies en nieuwe ontwikkelingen het systeem versterken.
  • 2. Als ontwikkelingen verwachte negatieve effecten hebben op het bodem- en watersysteem, verwachten we van initiatiefnemers maatregelen om die te beperken en/of te compenseren.
  • 3. Diverse grote maatschappelijke opgaven waaraan we met onze partners werken vragen om een gebiedsgerichte aanpak (vermindering stikstof en uitstoot CO2, aanpak PFAS, klimaatverandering, vergroten biodiversiteit etc.). Deze opgaven komen samen in gebieden en daardoor is een aanpak per gebied het effectiefst. Waar mogelijk proberen we hierbij gebruik te maken van innovatietechnieken en vormen van samenwerking.

Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van de weging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.20.

4.5 Waterschap

4.5.1 Blauwe Omgevingsvisie 2050

De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes:

  • 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening.
  • 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water.
  • 3. Partnerschap als watermerk.

Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond.

Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in § 5.20.

4.5.2 Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe

Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven.

Waterveiligheid
Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen.

Watersysteem
Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen.

Wonen en zuiveren
Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.

Circulaire economie
Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving.

Energietransitie
Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie.

Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van het BOP zijn beschreven in § 5.20.

4.6 Gemeente

4.6.1 Biodiversiteitsplan gemeente Barneveld

De gemeenteraad heeft in 2021 het "Biodiversiteitsplan gemeente Barneveld" vastgesteld. Hierin is onder andere aangegeven dat het behouden/verbeteren van de biodiversiteit een integraal onderdeel moet zijn van ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast heeft de raad in 2022 een puntensysteem voor natuurinclusief bouwen vastgesteld.

Door voorzieningen aan/in gebouwen te verwerken en aandacht te hebben voor de inrichting van een groene omgeving kan op dat gebied veel bereikt worden voor de biodiversiteit en de leefbaarheid. Denk hierbij aan inbouwkasten voor gebouwbewonende diersoorten (zoals vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen), het realiseren van bloemrijke/kruidenrijke gebieden, het toepassen van verschillende gebiedseigen bomen en planten op het perceel of de aanleg van een poel.

Doorwerking in plangebied
In het BKP wordt onder andere ingegaan op het sortiment bomen. Het type beplanting trekt insecten aan en draagt bij aan de biodiversiteit en algehele ecologische kwaliteit binnen de wijk. Dit geldt eveneens voor de groene erfgrenzen en de kruidenvegetatie. Verder wordt ingezet op natuurinclusief bouwen. In overleg met een ecoloog zal op basis van het uitgevoerde soortenonderzoek een nestenplan worden opgesteld.

4.6.2 Dorpsplannen en -visies

In alle dorpen in Barneveld zetten verenigingen plaatselijk belang zich actief in voor de leefbaarheid en toekomst van de dorpen en buurtschappen. Verschillende dorpen hebben in dit kader hun visie op de toekomst vastgelegd in een dorpsplan of –visie of zijn daar mee bezig. De dorpsplannen bevatten zowel een visie op de toekomst als een overzicht van concrete ideeën en wensen om de leefbaarheid van het dorp te versterken en zijn in samenspraak met veel inwoners en de gemeente tot stand gekomen. Vanuit de visie op burgerkracht ('Zelf-samen-gemeente') en netwerksamenleving is in de Strategische Visie 2030 (september 2016) ten aanzien van de dorpsplannen een voorstel opgenomen om een andere werkwijze te gaan volgen die de plannen een sterkere positie geeft. Op die manier kan recht worden gedaan aan de geleverde inspanningen en de lokaal gemaakte keuzes. Dorpsplannen hebben - waar mogelijk - een positie bij de ontwikkeling en uitvoering van gemeentelijk beleid. Dit geldt in ieder geval voor de recente dorpsplannen (die opgesteld zijn na 2016) die in samenspraak met de gemeente tot stand gekomen zijn. Deze dorpsplannen bevatten een goede weergave van de ideeën en behoeften die er leven in de kernen. De gemeente houdt daarom bij ruimtelijke plannen en –initiatieven rekening met de inhoud van het dorpsplan en kan – indien nodig – hierover in overleg gaan met Plaatselijk Belang.

Doorwerking in plangebied
Voor Voorthuizen is in september 2017 een dorpsvisie opgesteld. De visie gaat niet specifiek in op het Woon-werklandschap. Dit geldt eveneens voor de Centrumvisie Voorthuizen uit 2021. Er is derhalve geen relevant dorpsplan.

4.6.3 Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020

De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen.

Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Eind 2021 heeft de gemeenteraad "De warmtevisie Barneveld" vastgesteld, dat de basis vormt voor het verminderen van het gebruik (isoleren) en het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd.

Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG)
Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning sinds 1 juli 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG).

Warmtepompen
Er zijn voorbeelden van geluidsoverlast veroorzaakt door warmtepompen, omdat er bij de plaatsing geen rekening gehouden is met het geluidsaspect of de warmtepomp verouderd is. Een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de warmtepomp is noodzakelijk en er moet voldaan worden aan een acceptabel geluidsniveau. Als het geluidniveau op 5 meter van warmtepomp hoger is dan 30 dB(A) of als dit het geval is bij een kortere afstand tot de buurwoning dan is het toepassen van een geluiddempende omkasting nodig. Hiervoor komen steeds meer innovaties op de markt (bijvoorbeeld in een dummy schoorsteen).

Sinds 1 april 2021 worden geluidseisen gesteld aan (nieuw te plaatsen) buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking. Het gaat hierbij om warmtepompen en airco's die worden toegepast bij woningen en woongebouwen. Deze installaties mogen niet meer dan 40 dB geluid veroorzaken bij de buren.

Er worden naar verwachting warmtepompen toegepast waarbij rekening wordt gehouden met geluidsoverlast.

Zonnepanelen
Gebruik van zonne-energie kan significant bijdragen aan de benodigde duurzame energieopwekking. In dit plan zijn zonnepanelen opgenomen, die direct bij de bouw worden meegenomen. Voorzieningen zoals zonnepanelen en de buitenunits van warmtepompen moeten worden meeontworpen in de architectuur en op tekening worden verwerkt.

Materialen
In het ontwerp van een woning of gebouw kan door een slim ontwerp daglicht optimaal worden benut en zodat de benodigde energie voor verlichting zo laag mogelijk is en de binnen temperatuur zo min mogelijk fluctueert. Ook zullen groendaken aangelegd worden.

De hoeveelheid materialen wordt zoveel mogelijk beperkt en gebruik van gezonde en duurzame (biobased) materialen - gezien over de hele levenscyclus - heeft de voorkeur. Voor de toekomst is het goed om te kijken naar de losmaakbaarheid van de onderdelen en het leveren van een materialenpaspoort. Zo kunnen materialen beter hergebruikt worden.

Duurzaamheid in het openbaar gebied of op eigen terrein
Er moet aandacht zijn voor energiezuinige openbare verlichting. Daarbij denken we aan een verlichtingsplan, waarbij zo weinig mogelijk lantaarnpalen worden toegepast, uitgevoerd met (dimbare) LED-lampen.

Daarnaast is het vanuit duurzaamheidsoogpunt van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden.

Halfverharding wordt toegepast op wandelpaden in het groen. Voor verkeer, parkeren, voetgangers en groen worden passende materialen ingezet, bijvoorbeeld parkeren op open verharding. Parkeerplaatsen op eigen terrein dienen te worden uitgevoerd in waterpasserende verharding met groene uitstraling.

Klimaat
Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving paragraaf § 5.20.

Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de openbare ruimte in relatie tot de positionering van de woningen en de productie van zonne-energie op daken van woningen kan het microklimaat in de woningen en in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden.

4.6.4 Groenstructuurplan Barneveld (2011)

De doelstelling van het Groenstructuurplan Barneveld (2011) is het beschrijven van de lange termijn visie ten aanzien van de inrichting van het openbaar groen van de gemeente Barneveld om de groenstructuren in en de herkenbaarheid van de kernen te behouden, ontwikkelen en versterken. Om de gewenste groenstructuur te realiseren worden in het groenstructuurplan een aantal verbetervoorstellen gedaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0001_0006.png"

Afbeelding: gewenste groenstructuur Voorthuizen

Doorwerking in plangebied
Voor het plangebied zijn geen verbetervoorstellen opgenomen. In paragraaf 5.13 wordt verder ingegaan op de gewenste groenstructuren.

4.6.5 Omgevingsvisie Barneveld 2040

In de Omgevingsvisie Barneveld 2040 (hierna: Omgevingsvisie) wordt een beeld gegeven van de toekomst van onze gemeente, welke kansen en uitdagingen er op ons pad liggen, welke ontwikkelingen bijdragen aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en welke keuzes we daarin als gemeente maken.

De raad heeft de Omgevingsvisie op 16 juli 2025 vastgesteld en op 29 augustus 2025 is de Omgevingsvisie in werking getreden.

De Omgevingsvisie is de toekomstvisie voor de gemeente Barneveld op het gebied van wonen, werken, recreëren, natuur, duurzaamheid, mobiliteit, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid. Ingegaan wordt op belangrijke opgave van groeien en ontwikkelen en koesteren daarbij de waarden en het karakter van onze gemeente. In de Omgevingsvisie is bepaald wat belangrijk is en wat de ambities en doelen van onze gemeente en onze dorpen zijn.

De Omgevingsvisie geeft richting aan de verdere uitwerking in omgevingsprogramma's naar concrete maatregelen en uitgangspunten. De Omgevingsvisie biedt ook houvast bij het beoordelen van plannen en initiatieven op de mate waarin deze bijdragen aan de ambities en uitdagingen van onze gemeente.

In de Omgevingsvisie zijn vijf hoofdopgaven voor Barneveld benoemd.
1. Gezond en toekomstbestendig Barneveld
Gezondheid en duurzaamheid zijn belangrijk voor de leefbaarheid van Barneveld. De gemeente streeft een schone en veilige omgeving na voor iedereen. Daarbij richten we ons ook op een toekomstbestendige omgeving met aandacht voor klimaat en milieu.

2. Prettig leven in vitale dorpen
Barneveld groeit. Tot 2040 komen er 8.000 nieuwe woningen bij ten opzichte van 2021. De woningen worden verdeeld over alle dorpen, met aandacht voor starters en ouderen en met voldoende goede voorzieningen. Het doel is om onze dorpen leefbaar en toegankelijk te houden voor iedereen, met focus op betaalbaarheid en doorstroom.

3. Ruimte voor ondernemerschap
Ondernemerschap is een kracht van Barneveld. De gemeente ondersteunt dan ook van harte een gezonde groei van bedrijvigheid met vestigingsmogelijkheden op de bedrijventerreinen en in vitale dorpscentra.

4. Waardevol landelijk gebied
Het buitengebied is waardevol voor Barneveld en speelt een belangrijke rol in het behoud van natuur en landschap. Dat geldt voor de natuur op de Veluwe. Maar het geldt ook voor de agrarische sector met aandacht voor natuurbehoud en minder uitstoot.

5. Bereikbaar nu en in de toekomst
Een goed bereikbare en veilige omgeving voor alle verkeersdeelnemers is essentieel voor de gemeente. De auto blijft belangrijk voor de mobiliteit. Het wegennet wordt waar nodig aangepast. Maar we richten ons ook meer op de noodzakelijke transitie naar andere vormen van mobiliteit, zoals wandelen, fietsen en gebruik van openbaar vervoer (bijvoorbeeld bij stationslocaties en in de nieuwe wijken).

Vijf gebieden en negen dorpen
De opgaven vertalen zich door naar de deelgebieden van de gemeente. Er zijn vijf deelgebieden, elk met hun eigen karakter en ontwikkelingsrichting: de Veluwe, het oostelijk buitengebied, het recreatiegebied Voorthuizen, het verstedelijkt gebied en het westelijk buitengebied. Het profiel van elk gebied is maatgevend voor de keuzes die de gemeente daarvoor maakt. Die keuzes zijn in Omgevingsvisie ook vertaald naar de negen kernen of dorpen die de gemeente Barneveld rijk is. Zo geeft de visie voor elk dorp een afgeleid beeld van de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving naar 2040.

Het plangebied ligt in het deelgebied 4 Verstedelijkt gebied.

Midden in de vallei liggen de twee grootste kernen van de gemeente, Voorthuizen en Barneveld, die onderdeel zijn van het verstedelijkt gebied, een gebied dat dichter bebouwd is. Voorthuizen en Barneveld zijn van oudsher goed ontsloten en zijn in de loop van de jaren de sterkst gegroeide kernen. Tussen de beide kernen bevindt zich het bedrijventerrein Harselaar, dat zich vanaf de jaren '70 ontwikkelde langs de A1.

Het verstedelijkt gebied kenmerkt zich door haar dynamische aard met een grote verscheidenheid aan functies en karakter. De gemeente streeft naar behoud en versterking van deze dynamiek, waarbij we zoeken naar een optimale samenhang tussen verstedelijkt gebied en de landelijke omgeving. De groeiambities van de gemeente vinden voor het overgrote deel plaats in het verstedelijkt gebied, met kansen voor zowel inbreiden als uitbreiden. De groeiambitie bestaat uit woningen en uit ruimte voor al dan niet regionale bedrijvigheid. Groei moet samengaan met gezondheid en toekomstbestendigheid, een gezonde groene groei. Om dit te bereiken geven we prioriteit aan groene gezonde randvoorwaarden in de openbare ruimte. Naast het aantal woningen neemt het aanbod aan voorzieningen toe in het verstedelijkt gebied. De groeiambitie biedt perspectief voor nieuwe voorzieningen met een functie voor de hele gemeente. In lijn met groei streeft de gemeente naar een optimale infrastructuur om het verstedelijkt gebied verkeersveilig te houden en de doorstroming te verbeteren waar nodig, bijvoorbeeld met de aanleg van een oostelijke rondweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0001_0007.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0001_0008.png"

Afbeelding: uitsnede Omgevingsvisiekaart Barneveld 2040

Voorthuizen
Over wonen in Voorthuizen is het volgende opgenomen:
We kiezen voor uitbreiding van het gebied Woonwerklandschap tot aan de rondweg. Dit sluit ook goed aan op de functies van het gebied en ontsluiting van het gebied.

Barneveld kent een grote woningbouwopgave voor 2040. We gaan zuinig om met de beschikbare ruimte in onze kernen, door hoger te bouwen. In grote kernen vinden we vijf of zes lagen acceptabel.

Het plangebied is aangeduid als woon-werklandschap. Voorthuizen heeft behoefte aan meer ruimte om te ondernemen. De ontwikkeling van het Woonwerklandschap aan de westzijde maakt hiermee een begin. Daarnaast bestaat de vraag naar een lokaal bedrijventerrein.

Doorwerking in plangebied
De invulling van het plangebied is passend binnen de ambities zoals opgenomen in de Omgevingsvisie.

4.6.6 Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en vigerend Hemelwaterplan

Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd:

  • Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater.
  • Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar.
  • De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats.
  • Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken.

Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.20.

4.6.7 Woonvisie Barneveld 2025-2027, Woondeal regio FoodValley, voortgangsrapportage woningbouw en Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld 2021

In december 2025 heeft de raad van gemeente Barneveld de herijkte Woonvisie Barneveld 2025-2027 "Wonen voor jong & oud" met doorkijk tot 2030/2040 vastgesteld. In de woonvisie is een streefprogramma woningbouw opgenomen om te voorzien in de woningbehoefte van de hier woonachtige en werkzame bevolking. Er is een nieuwbouwprogramma van gemiddeld 600 woningen per jaar opgenomen, conform de ambitie in het coalitieakkoord en de Omgevingsvisie. In verband met de grote woningbouwopgaven in Nederland is in de Woondeal met het Rijk voor Barneveld tot en met 2030 een programma van circa 6.000 woningen voor Barneveld overeengekomen. Daarmee komt de programmering op gemiddeld 600 woningen per jaar. In oktober 2022 zijn de prijsklassen aangepast naar de huidige marktomstandigheden.

Voor het woningbouwprogramma hanteert de gemeente Barneveld een duidelijke verdeling van prijsklassen, gebaseerd op het prijspeil van 2025. Minimaal 66% van de nieuwbouw moet betaalbaar zijn, waarvan 30% bestaat uit sociale huurwoningen. Sociale huur valt onder een huurprijs van minder dan € 900,07. Binnen de koopsector wordt onderscheid gemaakt tussen sociale koop laag (tot € 280.000) en sociale koop hoog (tot € 340.000). Daarnaast is er de categorie betaalbaar 1, met een maximum van € 405.000, en betaalbaar 2, tot € 450.000. Voor middenhuur geldt een grens van € 1.184,82 per maand. Woningen boven € 450.000 vallen in het duurdere segment.

In regio FoodValley zijn in verband met deze Woondeal onderlinge woningbouwafspraken gemaakt, waarbij gemeente Barneveld voor de periode 2022 t/m 2030 zo'n 5.400 woningen mag groeien. Er loopt een Verstedelijkingsstrategie Arnhem, Nijmegen, FoodValley, waarbij er in de periode 2020-2040 in FoodValley zo'n 40.000 woningen aan de voorraad moeten worden toegevoegd. Voor gemeente Barneveld zal dit een opgave van tenminste 8.000 woningen betekenen.

In regio Amersfoort loopt een soortgelijke studie, namelijk het 'Ontwikkelbeeld regio Amersfoort' en wordt een woninguitbreiding met 36.000 in 2020-2040 als opgave gezien. De woningbouw in Barneveld is hier mede input voor.

Door middel van de 'voortgangsrapportage woningbouw gemeente Barneveld' wordt jaarlijks een actueel beeld van het planaanbod voor de komende vier jaar gegeven, waarbij ook een beeld wordt geschetst van de aantallen op te leveren woningen per kern, alsmede de differentiatie van deze nieuwbouw in termen van prijsklassen, eigendomsverhouding en bouwvorm (gestapeld of grondgebonden). Ook wordt een beeld geschetst van de mate waarin voor bepaalde doelgroepen wordt gebouwd (zoals starters, ouderen of mensen met een beperking) om zo vraag en aanbod meer met elkaar in overeenstemming te brengen.

Sinds 1 januari 2018 is de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld van kracht. Deze verordening is in 2022 geactualiseerd, met als werktitel Doelgroepenverordening gemeente Barneveld 2021. Deze verordening ziet toe op sturing van de totale woningvoorraad en het bereikbaar houden van een deel van de woningvoorraad voor lage en midden inkomensgroepen. Het gaat daarbij om drie categorieën: sociale huurwoningen, sociale koopwoningen (opgesplitst in sociale koop laag tot €  80.000 en sociale koop hoog € 280.000 - € 340.000) en middendure huurwoningen (prijsgrens van € 1.184,82 in 2025). De prijzen worden jaarlijks geïndexeerd.

In een omgevingsplan en overeenkomsten met marktpartijen kan voor een bepaalde minimale tijdsduur de ingebruikname van sociale huurwoningen (25 jaar), goedkope koop (1 jaar met boetebeding tot 10 jaar) en middendure huurwoningen (15 jaar) worden vastgelegd evenals de maximale hoogte van de huur- en koopprijs. Verder is een zekere prijs-/kwaliteitsverhouding geformuleerd om in relatie tot de hoogte van de huur- of koopprijs toch een minimale woninggrootte te garanderen. Daarbij is ook aangegeven dat deze drie woningcategorieën met voorrang aan bepaalde lage en middeninkomensgroepen moeten worden aangeboden om zo tot een rechtvaardige verdeling van de woningvoorraad te komen. Voor middendure huurwoningen en sociale koop hoog ligt deze inkomensgrens voor huishoudens op € 70.000, voor sociale koop laag op € 60.000 en voor sociale huurwoningen is de grens vanuit de Woningwet van belang. Prijs- en inkomensgrenzen worden geïndexeerd conform de bepalingen in de verordening.

Doorwerking in plangebied 
Regulier totaal (excl. arbeidsmigranten):457 - 24 = 433 woningen

Regulier totaal   Sociale huur   % Sociale huur   Betaalbaar segment   % Betaalbaar   Middelduur segment   % Middelduur   Duur   % Duur  
433   153   35,3%   286   66,1%   59   13,6%   144   33,3%  

Het plan voorziet in tweederde betaalbare (koop)woningen.Het programma sluit aan op de woonvisie voor wat betreft de betaalbaarheids- en sociale huurdoelstelling.

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

5.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld.

5.2 Bodem

In het kader van de procedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. De planlocatie is namelijk een bodemgevoelige locatie, zoals is aangegeven in paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl.

Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt onder andere plaats op basis van de 'Bodemkwaliteitskaart regio De Vallei 2018' en de bijbehorende 'Nota bodembeheer 2022'. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties.

In dit geval is er sprake van een mogelijk verdachte locatie.

Uit het uitgevoerde bodemonderzoek (zie bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek Verbindingsweg) blijkt dat op enkele locaties verontreinigingen en/of dempingen aanwezig zijn die bij de herontwikkeling van de locatie waarschijnlijk verwijderd dienen te worden. Het betreft:
1. een verontreiniging met asbest in grond naast de inrit van de woning aan de Baron van Nagellstraat 76; 2. een verontreiniging met asbest in grond en puin naast de schuur aan de Baron van Nagellstraat 78;
3. een met asbest verontreinigde stort met puin in het weiland van de Baron van Nagellstraat 78;
4. een stort met kaas aan de Zwarteweg;
5. een verontreiniging met puin naast een schuur achter de Hoofdstraat 44.

Ter plaatse van de hiervoor genoemde punten 3 en 5 wordt aanvullend onderzoek geadviseerd voor het nader afperken van de omvang.

Tot slot staan tegen de heg van de Baron van Nagellstraat 76 enkele mogelijk asbesthoudende golfplaten. Het wordt geadviseerd om deze op korte termijn zorgvuldig te verwijderen.

Hierop is nader onderzoek (zie bijlage 4 Nader onderzoek Verbindingsweg) gedaan op de locaties Baron van Nagellstraat 76 – 78 en achter Hoofdstraat 44 te Voorthuizen. Op drie locaties is sprake van een (mogelijke) bodemverontreiniging met asbest. De verontreinigingsituatie en advies is paragraaf 5.1 tot en 5.4 van het onderzoek per locatie weergegeven.

Ook is onderzoek (zie bijlage 5 Historisch bodemonderzoek Zwarteweg) uitgevoerd naar de locatie Zwarteweg (ongenummerd) in het kader van de grondruil ter plaatse. Er zijn geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de onderzoekslocatie te verwachten.

Omdat sommige onderzoeken ouder dan twee jaar zijn, is opdracht gegeven voor een zogenaamde oplegger. Dit rapport is opgesteld (zie bijlage 6 Historisch bodemonderzoek). De nog aanvullend uit te voeren acties vormen geen belemmering voor het voorliggende plan. Duidelijk is welke vervolgacties nog uitgevoerd dienen te worden.

De beoordeling is op basis van het bodemonderzoek dat is ingediend. Een bodemonderzoek kan echter nooit volledige zekerheid geven over de kwaliteit van de onderzochte bodem of het grondwater en is een momentopname. De gemeente is daarom niet aansprakelijk voor een eventuele toekomstige bodemvervuiling op de locatie. Als tijdens de aanleg of bouw alsnog verdachte stoffen in de bodem worden aangetroffen, moet dit zo snel mogelijk worden gemeld bij de Omgevingsdienst de Vallei of de gemeente. Daarnaast dient de aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc van en naar de onderzoekslocatie te voldoen aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie.

Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.3 Cultuurhistorie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie hiervan is het behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

In het Bkl staat dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met in begrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.

Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten:

  • Archeologische waarden- en verwachtingenkaart;
  • Cultuurlandschappelijke waardenkaart;
  • Historische stedenbouwkundige waardenkaarten.

Bij cultureel erfgoed kan het ook gaan om monumenten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van de fysieke leefomgeving wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.

5.3.1 Archeologie

Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ontwikkelingen.

5.3.1.1 Archeologie middelhoge verwachting

Uit de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' blijkt dat binnen het plangebied gedeeltelijk een middelhoge archeologische verwachting en gedeeltelijk een lage archeologische verwachting geldt. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 besloten dat voor de zone met een middelhoge archeologische verwachting archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 2.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm.

Voor de zone met een lage archeologische verwachting is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij een oppervlakte van 10.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm.

De regioarcheoloog heeft een bureauonderzoek (zie bijlage 7 Archeologisch bureauonderzoek) uitgevoerd. Dit onderzoek heeft als basis voor het uiteindelijke rapport gediend.

In juni 2017 en juni 2018 is door BAAC in het plangebied Verbindingsweg een verkennend booronderzoek (zie bijlage 8 Archeologisch onderzoek) uitgevoerd, waarbij 84 boringen zijn gezet. Tijdens het onderzoek zijn geen aanwijzingen aangetroffen, die op archeologische vindplaatsen zouden kunnen wijzen. De bodem is grotendeels verstoord. Op een paar locaties aan de randen wijkt het plangebied af van het onderzoeksgebied, maar dit is minimaal. Op basis van extrapolatie van de resultaten van het grote booronderzoek kunnen ook deze delen vrijgegeven worden.

Er wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen. Het bevoegd gezag (de gemeente Barneveld) stemt, gelet op het door de regioarcheoloog uitgebrachte advies, in met deze conclusie. Vanwege de lage verwachting hoeft er voor het plangebied geen dubbelbestemming voor archeologie te worden opgenomen. Wel geldt altijd de onderstaande meldingsplicht.

Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 19.8 Omgevingswet en artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij het college van burgemeester en wethouders verplicht.

Voor delen van percelen aan de noordzijde van het plangebied geldt op basis van de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' een lage of middelhoge verwachting. Hier worden de 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen.

Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor dit plan.

5.3.2 Historische stedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarden.

Conclusie
De historische stedenbouwkundige waarden vormen geen belemmering voor dit plan.

5.3.3 Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid als jonge vochtige landbouwontginning met een lage waarde.

Conclusie
Het aspect cultuurlandschappelijke waarden vormt geen belemmering voor dit plan.

5.3.4 Monumenten

In artikel 5.130 van het Bkl staat waar de regels met betrekking tot behoud van cultureel erfgoed over moeten gaan. Hierin is onder andere opgenomen dat (de omgeving van) monumenten beschermd moet worden door regels in het omgevingsplan.

In het plangebied of in de omgeving zijn geen gemeentelijke of rijksmonumenten aanwezig.

Conclusie
Het aspect monumenten vormt geen belemmering voor dit plan.

5.4 Duurzaamheid

Duurzaamheid
In de Omgevingswet worden de aspecten duurzaamheid en natuur specifiek benoemd. De oorzaak hiervan is de klimaatveranderingen en de verslechterde staat van de natuur. Vanwege deze veranderingen zijn aanpassingen van de fysieke leefomgeving nodig. Denk hierbij aan maatregelen tegen wateroverlast (meer waterbergingsmogelijkheden), hittestress (meer groen en bomen), waterveiligheid (dijken) en droogte (beter en langer vasthouden van water).

In de omgevingsvisie kan de gemeente omgevingswaarden met betrekking tot duurzaamheid vaststellen en doorvertalen in het omgevingsplan. Bij de vaststelling moet de gemeente dan onderbouwen welke taken en bevoegdheden zij gaat inzetten om te gaan voldoen aan de opgenomen omgevingswaarde.

In het omgevingsplan zijn in artikel 22.52 energiebetreffende maatregelen opgenomen. Dit geldt voor milieubelastende activiteiten. In lid 4 van dit artikel is bepaald dat dit artikel van toepassing is. Echter is dit artikel per 1 december 2023 komen te vervallen en overgegaan naar het Bal.

Verder zijn er vooralsnog geen specifieke omgevingswaarden vastgesteld met betrekking tot duurzaamheid in de omgevingsvisie van de gemeente Barneveld. Wel is het gemeentelijk energiebeleid van toepassing, zie paragraaf 4.6.3.

Conclusie
Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor dit plan.

5.5 Ecologie

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.

5.5.1 Gebiedsbescherming
5.5.1.1 Natura 2000-gebied

De Omgevingswet regelt ook de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”.

Het Bkl en ook het Bal bepalen vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere natuurgebieden en landschappen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet en 2.44 lid 5 Omgevingswet).

Op 24 maart 2000 is De Veluwe aangewezen als Vogelrichtlijngebied en op 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied. Daarmee is De Veluwe aangewezen als Natura 2000-gebied (besluit van 11 juni 2014, bekendgemaakt 26 juni 2014 en gewijzigd bij besluit van 29 september 2016). Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden. Het doel van Natura 2000 is om de soortenrijkom (biodiversiteit) in natuur in stand te houden en zo mogelijk te verbeteren. In het aanwijzingsbesluit zijn de grenzen en de instandhoudingsdoelstellingen opgenomen.

Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Gezien de afstand (ruim 4 km) tot het Natura 2000-gebied zijn interne effecten op voorhand uit te sluiten. Externe effecten op Natura 2000-gebied (met uitzondering van vermesting en verzuring door stikstofdepositie) worden niet verwacht (zie bijlage 10 Beschermde gebieden, houtopstanden en Rode lijst soorten onderdeel Natura200 gebieden).

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0001_0009.png"

Afbeelding: uitsnede Natura 2000 (bron geoportaal.gelderland.nl) met ligging plangebied globaal omcirkeld

Stikstof
Het plangebied ligt in de nabijheid van een (stikstofgevoelig) Natura 2000-gebied. Het gaat hierbij dan om de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie.

Er is een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd (zie bijlage 9 Onderzoek stikstofdepositie). Het doel van het onderzoek is geweest om te bepalen of de beoogde plannen significante (negatieve) effecten hebben op Natura 2000-gebieden. In de stikstofberekeningen met de AERIUS Calculator van de beoogde situatie is uitgegaan van tijdelijke aanlegfasen en een permanente gebruiksfase. Voor het project is voor de aanlegfase uitgegaan van een fasering die bestaat uit drie delen. Het onderzoek is uitgevoerd voor het TAM-omgevingsplan en daarmee de planfase. Dit betekent dat intern salderen op basis toegepast mag worden. Om de uitvoerbaarheid van het omgevingsplan en daarmee de projectfase (de fase na het omgevingsplan) inzichtelijk te maken, is er in het onderzoek onderzocht wat de rekenresultaten zijn na intern salderen wanneer uitgegaan wordt van de beleidsregels Salderen van de provincie Gelderland van 10 juli 2025. Deze beleidsregels gelden voor de projectfase. Hieruit volgt dat er tijdens de aanleg- en gebruiksfase geen Natura 2000-gebieden zijn met een berekende toename groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de aanleg- en gebruiksfase worden hiermee uitgesloten.

Conclusie
Voor het aspect stikstofdepositie gelden geen belemmeringen voor dit plan.

5.5.1.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone

Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact.

In Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee natuur categorieën opgenomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) In de Omgevingsverordening (art 5.5 lid 1) staat dat nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten wordt als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. Voor de Groene ontwikkelingszone geldt dat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat (art 5.20, lid 1 en 2 van de Omgevingsverordening).

Het plangebied ligt niet in het GNN of de GO.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0001_0010.png"

Afbeelding: Omgevingsverordening

Voor de GNN/GO geldt geen externe werking. Het plangebied ligt niet in GNN of GO, dus negatieve effecten op GNN/GO zijn op voorhand uit te sluiten.

5.5.2 Soortenbescherming

Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor:

1. vogels (Vogelrichtlijn);

2. strikt beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn;

3. en andere (nationale) soorten / overige soorten.

De volgende soorten zijn door de provincie vrijgesteld: aardmuis, bastaartkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspritsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos.

In het Bal (art. 11.37, 11.45 en 11.54) staat dat het verboden is om exemplaren (en eieren) van soorten (onder 1, 2 en 3 hierboven genoemd) opzettelijk te doden, vangen of te verstoren. Tevens zijn vaste rust- en verblijfplaatsen ook beschermd en mogen deze niet worden verstoord, beschadigd of vernield worden.

Om te beoordelen of er potentieel beschermde soorten in of rondom het plangebied aanwezig zijn en zij negatieve effecten van de geplande ontwikkeling en werkzaamheden ondervinden, is een quickscan uitgevoerd (zie bijlage 11 Quickscan flora en fauna). De uitkomsten van de quickscan zijn de aanleiding geweest voor het uitvoeren van nader onderzoek (zie bijlage C Nader onderzoek methodiek en resultaten van bijlage 12 Activiteitenplan beschermde soorten). Vervolgens is het activiteitenplan beschermde soorten (zie bijlage 12 Activiteitenplan beschermde soorten) opgesteld. Hierin wordt geconcludeerd dat door de verstedelijking van agrarisch gebied mitigerende maatregelen onvoldoende toereikend om negatieve effecten op essentiële functies van beschermde soorten te voorkomen. Dit heeft tot gevolg dat naast mitigerende maatregelen ook compensatiemaatregelen binnen en buiten het plangebied getroffen moeten worden om de effecten op het leefgebied te beperken. Daarnaast is een vergunningsplicht aan de orde. In hoofdstuk 6 van het onderzoek (in bijlage 9) wordt verder ingegaan op de vergunningsaanvraag van een flora- en fauna-activiteit.

5.5.3 Houtopstanden

Onder de Omgevingswet is er een bebouwingscontour houtkap. Uiterlijk in 2032 moet deze contour in het omgevingsplan staan.

De bescherming van houtopstanden heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long.
Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Wanneer een houtopstand buiten de vastgestelde bebouwingscontour houtkap ligt en niet onder de uitzonderingen valt (zie artikel 11.111 lid 2 van het Bal) is deze beschermd. Voor het kappen of rooien van een beschermde houtopstand geldt een meld- en herplantplicht (bij de provincie Gelderland).

Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet. Een meld- en herplantplicht is daarom niet aan de orde.

5.5.4 Algemene en specifieke zorgplichten

Er gelden algemene en specifieke zorgplichten onder de Omgevingswet. De algemene zorgplichten staan in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet.
In het Bal staan specifieke zorgplichten in de artikelen 11.6 (voor Natura 2000-gebieden), artikel 11.27 en 11.28 (voor alle in het wild levende dieren en planten én ook rode lijstsoorten) en artikel 11.116 (voor houtopstanden).

Gebiedsbescherming zorgplicht (enigszins vrij vertaald), artikel 11.6 Bal
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van Natura 2000 gebieden is verplicht:

  • alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  • als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten in of nabij een Natura 2000-gebied (of bijzonder gebied) nagaat welke natuurwaarden aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op beschermd gebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen. Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatregelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen.

Soortbescherming specifieke zorgplicht , artikel 11.27 Bal
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde soorten is verplicht:

  • alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  • als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten nagaat welke beschermde soorten (vogels, vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijn soorten, nationaal beschermde soorten, rode lijst soorten) aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op de soort, hun vaste rust-of verblijfplaats en/of essentieel functioneel leefgebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen. Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatregelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen.

Houtopstanden zorgplicht, artikel 11.116 Bal
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde houtopstand is verplicht:

  • alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  • als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteit nagaat of er een beschermde houtopstand aanwezig is en of die activiteit een negatief effect heeft op de beschermde houtopstand.

Zorgplicht
Alle in het wild levende (inheemse) dieren zijn beschermd. De werkzaamheden mogen daarom geen verstoring met zich meebrengen aan beschermde flora- en fauna. Door direct voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied en de directe omgeving te controleren op de aanwezigheid van dieren en hun de kans te bieden zich in veiligheid te brengen (of het dier in veiligheid te brengen) kunnen slachtoffers worden voorkomen.

Tevens kan invulling worden gegeven aan de zorgplicht door zorgvuldig en deskundig om te gaan met materieel, zodat geen onnodige schade wordt veroorzaakt of onnodige verstoring van flora en fauna optreedt.

Vleermuizen
Vleermuizen, hun verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes zijn beschermd. Het gebruik van (bouw- of bewakings)verlichting gedurende de schemer en nacht kan verstoring voor vleermuizen veroorzaken. Verstoring kan worden voorkomen door geen verlichting te gebruiken gedurende de schemer en nacht. Als dit toch nodig is dan dient te verlichting zo spaarzaam mogelijk te zijn. De verlichting mag geen uitstraling buiten het plangebied op groen/bomen/water hebben en moet gebundeld naar beneden gericht zijn. Bij voorkeur wordt amberkleurig licht gebruikt.

5.5.5 Conclusie

Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.

5.6 Geluid

Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

Binnen het plan worden (woningen/appartementen) mogelijk gemaakt. Dit zijn geluidgevoelige gebouwen. Het projectgebied ligt binnen een aandachtsgebied van geluid. Er wordt geen onderscheid meer gemaakt in binnen en buiten de bebouwde kom. Het onderscheid is nu bronsoort te weten: gemeentewegen, provinciale wegen, rijkswegen, spoorwegen en geluidgezoneerde industrieterreinen.

Er is een akoestische rapport opgesteld (zie bijlage 13 Akoestisch onderzoek). Doel van dit onderzoek is het bepalen van het geluid op de nieuwe woningen voor zover deze wordt veroorzaakt door het relevante wegverkeer. Ook wordt het geluid van de nieuwe wegen door het plangebied op de nieuwe en bestaande woningen onderzocht. Tot slot zijn de indirecte akoestische effecten op de bestaande woningen direct nabij het nieuwe plangebied onderzocht.

Het geluid vanwege de nieuwe wegen door het plangebied, zal bij de nieuwe, bestaande en tijdelijke woningen, niet hoger zijn dan standaardwaarde van 53 dB-Lden.

Het gecumuleerde geluid van bestaande wegen op de nieuwe woningen bedraagt maximaal 56 dB. Het gecumuleerde geluid is (ruim) lager dan de grenswaarde zoals deze geldt voor ieder van de onderzochte individuele geluidbronsoorten.

PM. vertaling op de verbeelding

Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering. Er is een regel (specifieke bouwaanduiding - hogere geluidswaarde) opgenomen waarmee het maximale toegestane gezamenlijke geluid is vastgelegd.

5.7 Geur

Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt (artikel 5.92, lid 1 Bkl). Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de bruidsschat en het Bkl zijn vastgelegd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) maakte het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Deze verordening maakt deel uit van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.

Volgens de instructieregels uit het Bkl wordt getoetst aan de geurnormen op geurgevoelige gebouwen. De definitie van geurgevoelig gebouw zoals in artikel 5.91 eerste lid Bkl, wijkt echter af van de definitie van een geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze definitie wordt tevens toegepast in de bruidsschatregels, nu onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Er worden minder gebouwen als geurgevoelig beschouwd wanneer de definitie uit het Bkl wordt gehanteerd, in plaats van de definitie uit de Wgv en de bruidsschat. De gemeente kan echter wel, met toepassing van het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl, aanvullende categorieën geurgevoelige gebouwen aanwijzen in een omgevingsplan.

Deze aanwijzing moet plaatsvinden in het uiteindelijke omgevingsplan van de gemeente. Op dit moment is dit nieuwe omgevingsplan er nog niet. Daarom is nog niet bepaald op welke geurgevoelige gebouwen aan de geurnormen getoetst moet worden. Het is niet wenselijk om enkel de definitie uit het Bkl aan te houden en minder gebouwen te beschermen dan voorheen, wanneer dergelijke gebouwen bij het vaststellen van het omgevingsplan mogelijk wel weer aan de geurnormen moeten voldoen. Door de gemeente Barneveld is ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Om dit bewerkstelligen wordt bij de toetsing voor geur aangesloten bij de definitie van geurgevoelig object zoals in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en voorheen de Wgv.

Onder een 'geurgevoelig object' wordt daarom verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

In de omgeving van het plangebied ligt de volgende veehouderij:

  • Verbindingsweg 34

Beoordeling woon- en leefklimaat
Voor het woon- en leefklimaat nabij een of meerdere veehouderij(en) is de geurbelasting veelal bepalend. Zowel de voorgrondbelasting, vanwege een nabijgelegen veehouderij, als de achtergrondbelasting, vanwege alle veehouderijen in de omgeving samen, kan een rol spelen. Als vuistregel wordt aangehouden; de voorgrondbelasting is bepalend voor de hinder als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting.

In dit geval is met name de veehouderij op de Verbindingsweg 34 bepalend voor de geurbelasting; er liggen geen andere veehouderijen in de directe omgeving. De voorgrondbelasting bedraagt naar verwachting meer dan de helft van de achtergrondbelasting.

De voorgrondbelasting is berekend op de westzijde van het plangebied. Voor de berekening is gebruik gemaakt van het programma V-stacks vergunning (V-2020) met de vergunde stalgegevens van de dichtst bijgelegen veehouderij aan de Verbindingsweg 34.

Resultaten
De berekende voorgrondbelasting van geur is weergegeven in onderstaande tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0001_0011.png"

Afbeelding: Resultaten V-stacks berekening voorgrondbelasting

Beoordeling
In 2002 heeft de GGD een richtlijn Geurhinder opgesteld waarin een tabel is opgenomen met een beoordeling welke milieukwaliteit hoort bij een bepaald percentage geurgehinderden. Eerder al was in een ruim opgezet onderzoek door PRA Odournet onder 2000 respondenten bepaald welke percentage geurgehinderden te verwachten is bij een bepaalde geurbelasting. Deze twee gegevens samen leveren de volgende tabel op.

Voorgrondbelasting
geur  
Mogelijke kans
op geurhinder  
Beoordeling
leefklimaat  
ouE/m³   %    
1   < 5   Zeer goed  
1,5 – 3,5   5 – 10   Goed  
4 – 6,5   10 - 15   Redelijk goed  
7 - 10   15 – 20   Matig  
11 – 14   20 – 25   Tamelijk slecht  
15 – 18   25 – 30   Slecht  
19 – 25   30 – 35   Zeer slecht  

Afbeelding: Tabel referentiewaarden

De voorgrondbelasting bedraagt maximaal 5,7 OuE/m³ Daarbij is sprake van een redelijk goed woon-en leefklimaat. Dat is aanvaardbaar voor het plangebied, waar een voorgrondnorm van 8,0 OuE/m³ is vastgesteld.

Conclusie
Voor de nieuwe woningen geldt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.8 Gezondheid

De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt.

Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen.

De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen/functies (bijvoorbeeld wonen, scholen en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer).

Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen.

De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status. De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen.

Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen.

Conclusie
Het plangebied bevindt zich niet in de invloedssfeer van geitenhouderij(en).

Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor dit plan.

5.9 Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Deze is opgenomen in artikel 5.129g van het Bkl. In het artikel is primair bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. In artikel 8.0b Bkl is bepaald dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

De nieuwe ladder onder de Omgevingswet verschilt inhoudelijk niet van de ladder zoals deze onder het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid) luidde. Nieuw is dat 'rekening gehouden moet worden met' de ladderplicht in het omgevingsplan en bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan.

Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

Onderhavig plan gaat over het toevoegen van ongeveer 300 woningen, enkele bedrijven (met een oppervlakte van totaal ruim 1 hectare) en wegen. Er is daarom sprake van een stedelijke ontwikkeling.

Onderzocht is of de voorgenomen ontwikkeling aansluit bij de uitgangspunten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' (zie bijlage 14 Ladder).

Conclusie
Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

5.10 Leidingen en laagvliegroutes

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit plan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

Conclusie
Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.

5.11 Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De aanvraag moet beoordeeld worden op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving.

Voor vergunningplichtige (milieubelastende) activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over:

  • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;
  • ammoniakemissies van veehouderijen;
  • geologische opslag van CO2.

Er is onderzoek naar de luchtkwaliteit uitgevoerd door Spa (zie bijlage 15 Luchtkwaliteit). In dit onderzoek is gekeken naar de emissies van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10 en PM2,5) en elementair koolstof (EC). Het doel van het onderzoek is nagaan of aan de relevante omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht wordt voldaan.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de luchtkwaliteit ter plaatse van de nieuwe en bestaande woningen onderzocht en berekend. Hieruit blijkt dat zowel in de huidige situatie, als in de toekomstige situaties (autonome situatie) zonder en na planrealisatie, de berekende concentraties ten gevolge van het verkeer op de wegen ruim lager zijn dan de omgevingswaarden. Ook wordt aan de advieswaarden uit het Schone Lucht Akkoord en aan de aangescherpte Europese richtlijn voldaan.

Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.12 Milieueffectrapportage

Een milieueffectenrapportage (hierna: mer) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. In afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is de regelgeving rondom de mer opgenomen. In afdeling 16.4 van de Ow wordt onderscheid gemaakt in de plan-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.1) en de project-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.2). Uit Bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:

  • in kolom 1 staan de projecten opgesomd;
  • in kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is;
  • in kolom 3 staan de gevallen waarin de project-beoordelingsplicht geldt;
  • in kolom 4 staan besluiten waarvoor de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Er zijn drie sporen waarlangs de plan-mer aan de orde is:

    • 1. een plan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een mer-(beoordelings)plichtige project genoemd in Bijlage V van het Ob (artikel 16.36, lid 1 Ow);
    • 2. er is voor het plan/programma een passende beoordeling voor natuur nodig zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36, lid 2 Ow);
    • 3. een plan of programma anders dan genoemd onder punt 1, heeft mogelijk toch aanzienlijke milieueffecten (artikel 16.36, lid 4 Ow). Dit artikel is een vangnet voor activiteiten die niet genoemd zijn in Bijlage V van het Ob.

Wanneer een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of een plan maakt een kleine wijziging mogelijk, dan kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

Bij een mer-beoordeling oordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van aanzienlijke milieugevolgen aan de hand van de criteria van bijlage III bij de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling.

Ad 1 en 3: Bijlage V van het Omgevingsbesluit 
Wettelijk kader
Voor de project-mer geldt dat als de activiteit voorkomt in kolom 1 en boven de drempelwaarden uitkomt in kolom 2, een mer-plicht geldt. Als de activiteit voorkomt in kolom 1 en betrekking heeft op een geval zoals omschreven in kolom 3, geldt een mer-beoordelingsplicht. In het geval van een beoordelingsplicht is de centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog een mer-plicht.

In dit geval is sprake van een wijziging van het omgevingsplan voor het toevoegen van ongeveer 300 woningen, enkele bedrijven en wegen. Dit wordt in Bijlage V van het Omgevingsbesluit genoemd als 'Wegen (J1) en Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen (J11) ' waarbij er bij de 'aanleg, wijziging of uitbreiding' sprake is van een mer-beoordelingsplicht. De wijziging van het omgevingsplan is kaderstellend voor een project-mer-(beoordelings)plichtige activiteit, namelijk het stedelijk ontwikkelingsproject.

Inhoudelijk gaat de vormvrije mer-beoordeling in op de mogelijke aanzienlijke milieueffecten als gevolg van het initiatief. Deze effecten worden beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria opgesomd in Bijlage III van de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling, opgesplitst in drie hoofdthema's:

  • de kenmerken van het project;
  • de plaats van het project (ligging en samenhang met andere activiteiten (cumulatie));
  • de kenmerken van de potentiële nadelige gevolgen voor het milieu die het project kan hebben.

Bij besluit van college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld is vastgesteld dat geen MER nodig is. Het besluit is als bijlage 16 m.e.r. beoordelingsbesluit opgenomen.

Ad 2: Passende beoordeling
Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid Ow).

Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.5) blijkt dat er voor dit plan een passende beoordeling nodig is.

Omdat het gaat om een klein gebied en/of een kleine wijziging is conform artikel 16.36 lid 3 van de Ow een mer-beoordeling uitgevoerd waaruit blijkt dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. De mer-beoordeling is opgenomen in bijlage 16 m.e.r. beoordelingsbesluit. Hierdoor hoeft geen plan-mer te worden uitgevoerd.

Conclusie
Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor dit plan.

5.13 Milieuzonering

Om milieubelasting bij gevoelige gebouwen door milieubelastende activiteiten te voorkomen is een goede afstemming onder de Omgevingswet noodzakelijk. Ten aanzien van milieubelastende activiteiten geldt als uitgangspunt dat toekomstige gevoelige gebouwen niet onevenredig worden belast op gebied van milieu (geur, geluid etc.) door milieubelastende activiteiten. Woningen zijn gevoelige gebouwen. Andersom geldt dit natuurlijk ook, dat er geen woningen worden geplaatst nabij bedrijven/milieubelastende activiteiten waardoor bedrijven worden beperkt in hun bedrijvigheid.

Om dit te borgen zijn in hoofdstuk 3 van het Bal rijksregels voor milieubelastende activiteiten opgenomen. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing.

De handreiking 'Activiteiten en milieuzonering´ (2024) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gaat uit van zones met oplopende beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit, zónder een Lijst van activiteiten bij de regels. De systematiek gaat in hoofdzaak over milieuhinderlijke activiteiten op reguliere bedrijventerreinen en andere werkterreinen, maar de handreiking geeft ook aanbevelingen voor gebieden met functiemenging. Daarnaast biedt de handreiking een hulpmiddel bij het inschatten van de benodigde milieugebruiksruimte van een activiteit.

In dit kader is onderzoek gedaan (zie bijlage 17 Milieuzonering). Het voorgestelde plan voorziet in zowel milieugevoelige functies als milieubelastende functies. Voor de mogelijk te maken milieubelastende functies (o.a. kleinschalige bedrijven bij de woon-werkkavels) in het plangebied is het uitgangspunt dat deze op voldoende afstand liggen van de mogelijk te maken milieugevoelige functies binnen het plangebied. Op basis van dit uitgangspunt is ook de eventuele milieuhinder van de mogelijk te maken milieubelastende functies op milieugevoelige functies buiten het plangebied niet onderzocht. Milieugevoelige functies buiten het plangebied liggen immers op een grotere afstand dan milieugevoelige functies binnen het plangebied.

Uit de inwaartse milieuzonering blijkt dat de milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied, op basis van richtafstanden of functiemenging, geen hinder geven aan de milieugevoelige functies die mogelijk worden gemaakt in het plan. Voor een tweetal bedrijven aan de Verbindingsweg 3 en 9 is reeds een akoestisch onderzoek uitgevoerd.

Conclusie
Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.13.1 Spuitzonering

In het Bal wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aangemerkt als een milieubelastende activiteit. Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen gevoelige functies zoals woningen of bedrijven. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen waardoor de kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen aanwezig is. Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in verband met een goed woon- en leefklimaat.

Uit de wet volgt niet hoeveel afstand er aangehouden moet worden tussen een agrarische activiteit waar bestrijdingsmiddelen worden toegepast en gevoelige functies. Vanuit jurisprudentie geldt dat als vuistregel een afstand van 50 meter moet worden aangehouden. Er kan worden afgeweken van deze afstand met een locatie specifiek onderzoek.

Conclusie
PM

5.14 Natuur en landschap

Landschappelijke context en ontstaansgeschiedenis
Het plangebied Verbindingsweg - woon-werklandschap - ligt aan de zuidwestelijke rand van de kern Voorthuizen, binnen de streek Gelderse Vallei, deelgebied Barneveldse beken. De ligging en structuur van het gebied zijn het resultaat van de historische ontginning van heidevelden rond 1900. Dit landschapstype wordt gekenmerkt als een jonge vochtige landbouwontginning, met rechthoekige tot blokvormige kavels, rechtlijnige sloten en onregelmatige percelering op de overgang naar oudere ontginningen. Deze kenmerken zijn ook vandaag nog afleesbaar in het plangebied.

Oude erfstructuren en houtsingels markeerden traditioneel de perceelsgrenzen. Hoewel in de loop van de tijd een deel van deze structuren is verdwenen, zijn in het plangebied nog verschillende lineaire groenstructuren intact, waaronder delen van houtsingels en elzen- en eikenrijen. Deze structuren vormen in de huidige transformatieopgave een ruimtelijke drager en zijn als zodanig leidend geweest voor de stedenbouwkundige hoofdopzet.

De lintbebouwing langs de Hoofdstraat en De Ruijterlaan schermt het gebied deels af, terwijl de Baron van Nagellstraat juist een open relatie heeft met het buitengebied. De bestaande landschappelijke kamers, waterlopen en bomenstructuren bepalen het beeld en geven richting aan een landschappelijk ingepaste ontwikkeling van het woon-werkgebied.

Hoofdgroenstructuur en landschappelijke inpassing
De landschappelijke hoofdstructuur in het plan bestaat uit:

  • 1. Een robuuste noord-zuid groenstructuur
    Deze as volgt en versterkt bestaande houtsingels en boomrijen, waarbij nieuwe aanplant wordt toegevoegd om een ecologisch waardevolle en visueel herkenbare structuur te creëren. De breedte varieert, maar door de koppeling met wadi's, speelplekken en een wandelroute ontstaat een parkachtig beleefbaar lint.
  • 2. Een west-oost georiënteerde laanstructuur langs de Nieuwe Verbindingsweg
    Deze hoofdontsluiting wordt vormgegeven als een laan met een ritmische bomenrij, opgebouwd uit vijf verschillende boomsoorten passend binnen het gemeentelijk groenbeleid. Hiermee sluit de weg landschappelijk en ruimtelijk aan op de Holzenboschlaan.
  • 3. Groene plangrenzen
    Langs de randen van het plangebied worden de bestaande groenstructuren behouden en waar nodig aangevuld. Hiermee ontstaan groene kamers en wordt een zachte overgang gerealiseerd tussen de bestaande woonpercelen, bedrijfspercelen en de nieuwe functies binnen het woon-werklandschap. Dit principe wordt langs alle plangrenzen toegepast, omdat op meerdere locaties waardevolle houtwallen en oude perceelsranden aanwezig zijn die nog herkenbare structuurlijnen vormen. Daarnaast helpen deze groenstructuren om het hoogteverschil - dat ontstaat doordat het terrein in het plangebied wordt opgehoogd - op natuurlijke wijze te verzachten, waardoor een geleidelijke en landschappelijk passende overgang naar de omgeving wordt gewaarborgd.
    Een gelaagde opbouw van boomlaag, struiklaag en kruidenvegetatie vormt het uitgangspunt. Daarbij wordt nadrukkelijk gekozen voor inheemse en gebiedseigen soorten (o.a. els, berk, beuk, esdoorn), waarmee wordt aangesloten op zowel de historische beplantingsstructuren als de ecologische doelen voor het gebied.

Bomenstructuur, behoud en compensatie
In het plan is uitgebreid onderzoek (zie bijlage 18 BEA) uitgevoerd naar de bestaande bomenstructuren, onder andere via een volledige boominventarisatie en een Bomen Effect Analyse (hierna: BEA). Uit deze analyse blijkt dat het projectgebied een groot aantal bomen bevat van overwegend redelijke tot goede conditie, met voor circa 269 bomen een toekomstverwachting van meer dan vijftien jaar. Deze bomen vormen een belangrijke drager van de bestaande landschappelijke structuur en worden waar mogelijk behouden en opgenomen in het nieuwe blauw-groene raamwerk.

Waar bomen niet duurzaam ingepast kunnen worden, bijvoorbeeld vanwege verkeerskundige eisen, de aanleg van rijwegen, wadi's, kabels en leidingen of andere planologische beperkingen, wordt gewerkt met een één-op-één compensatie, met waar mogelijk overcompensatie binnen de groenzones van het plan. Hierbij wordt aangesloten op het gebiedseigen sortiment zoals in de huidige situatie aanwezig (onder andere zomereik, els, berk en esdoorn). Nieuwe boomgroepen worden gepositioneerd langs de hoofdgroenstructuren, de wadi-zones en de Nieuwe Verbindingsweg, zodat zij bijdragen aan zowel de ecologische kwaliteit als aan de oriëntatie en samenhang van het woon-werklandschap.

Voor de Nieuwe Verbindingsweg worden bomen aangeplant in maat 18-20, overeenkomstig het boomassortiment uit het Beeldkwaliteitsplan. De nieuwe laanstructuur vormt daarmee een duidelijke groene drager en versterkt de landschappelijke randkwaliteit en herkenbaarheid van deze belangrijke entree van het gebied.

Ten slotte worden, conform het advies uit de BEA, specifieke beschermingsmaatregelen toegepast bij alle te behouden bomen binnen of nabij het werkgebied. Dit omvat onder meer het hanteren van minimale graafafstanden, het beperken van wortelverlies, het vermijden van zware belasting binnen de kroonprojectie en het zorgvuldig uitvoeren van snoeiwerk. Hiermee wordt geborgd dat de resterende bomen daadwerkelijk duurzaam behouden kunnen blijven tijdens en na de uitvoering van het plan.

(Groene) Erfafscheidingen
Binnen het woon-werklandschap worden erfgrenzen in principe als groene erfafscheidingen uitgevoerd. Langs de particuliere kavels wordt primair gewerkt met hagen, zodat een samenhangend en gebiedseigen straat- en tuinbeeld ontstaat en tegelijkertijd wordt bijgedragen aan de biodiversiteit. Daarvoor is in het beeldkwaliteitsplan een palet van zes haagtypen vastgelegd (beuk, haagbeuk, veldesdoorn, liguster, hulst en meidoorn), waaruit per erfgrens een passend type wordt gekozen, in afstemming met de karakteristiek van het betreffende deelgebied.

In voortuinen zijn uitsluitend lage hagen toegestaan (maximaal 1,0 m). In achtertuinen en langs achterpaden zijn hoge hagen tot maximaal 2,0 m toegestaan. Bij hoekpercelen wordt langs de zijtuin tot circa een derde van de zijgevel een lage haag toegepast; vanaf het resterende deel van de zijgevel en rondom de achtertuin is een hoge haag mogelijk. Hoge hagen langs achtertuinen en achterpaden worden zodanig aangeplant dat privacy direct bij aanleg wordt geborgd en het plaatsen van schuttingen wordt ontmoedigd.

Waar de ruimtelijke situatie daarom vraagt, kunnen (begroeide) hekwerken als onderdeel van de erfafscheiding worden toegepast. Deze sluiten qua hoogte aan bij de regels voor lage en hoge hagen en worden voorzien van blijvende, passende begroeiing, zodat de groene uitstraling behouden blijft. Op een beperkt aantal zichtlocaties, met name langs de Nieuwe Verbindingsweg en bij entrees van de wijk, kunnen gemetselde erfafscheidingen als accent worden ingezet, eventueel in combinatie met een transparant hekwerk. Voor een drietal locaties wordt in een later stadium, in afstemming met de gemeente, een landschappelijk en stedenbouwkundig passend voorstel uitgewerkt.

Blauw-groen raamwerk
Het watersysteem volgt het principe van volledige waterberging en infiltratie binnen het plangebied. Wadi's vormen een integraal onderdeel van de groenstructuur en volgen deels de historische perceelsstructuur. De slootstructuren langs de randen worden verbreed en voorzien van onderhoudszones. Dit watersysteem draagt bij aan:

  • ecologische versterking;
  • klimaatadaptatie;
  • robuuste landschappelijke afscherming tussen functies;
  • zichtbare verwijzing naar de oorspronkelijke kamerstructuur van het gebied.

Natuurinclusieve inrichting en biodiversiteit
Binnen de wijk wordt ingezet op een natuurinclusieve inrichting, bestaande uit:

  • bloemrijke kruidenmengsels van wadi's en binnen plantvakken;
  • nestgelegenheid in gevels en daken van woningen en werkgebouwen;
  • toepassing van gebiedseigen bomen- en struiksoorten;
  • groene erfgrenzen en klimaatadaptieve tuininrichting zoals groene daken, openverhardingen en opvang en hergebruik van regenwater.

Hiermee sluit de ontwikkeling aan bij het gemeentelijk beleid, waarin wordt ingezet op behoud van groenstructuren en op versterking van robuuste landschappelijke dragers.

Conclusie
Het woon-werklandschap wordt zorgvuldig ingepast binnen het bestaande landschap van Voorthuizen en binnen de kernkwaliteiten van de Gelderse Vallei. Door behoud en versterking van bestaande structuren, een robuust blauw-groen raamwerk en een natuurinclusieve inrichting draagt het plan bij aan:

  • versterking van biodiversiteit;
  • herstel en herkenbaarheid van de historische landschapsstructuren;
  • een landschappelijke overgang tussen dorp en buitengebied;
  • duurzame toekomstbestendigheid van het woon-werkgebied.

Het aspect 'Natuur en landschap' vormt geen belemmering voor het plan.

5.15 Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de nieuwe activiteiten de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises wordt gewaarborgd. Daarbij gaat het over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt onder andere door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige functies (risicovolle) activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.

5.15.1 Externe veiligheid

De hoofdlijnen van het wettelijk kader over externe veiligheid zijn opgenomen in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen, die van belang zijn voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de (uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verschillende milieubelastende) activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) en buisleidingen met gevaarlijke stoffen én windturbines.

Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s bij risicovolle activiteiten uit het Bal om rekening te houden met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Deze aandachtsgebieden worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Binnen de aandachtsgebieden moet bij de vergunningverlening rekening worden gehouden met het groepsrisico (aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) kunnen gelden bij het risico van brand, explosies of gifwolken). Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen gebouwen en locaties toe te laten. Deze zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een planontwikkeling dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn/worden toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal:

  • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl).
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
  • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Plaatsgebonden Risico (PR) en Groepsrisico (GR)
Het plaatsgebonden risico is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Het Groepsrisico is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit. Voor een ontwikkeling binnen een aandachtsgebied moet ingegaan worden op het groepsrisico en dient het groepsrisico te worden verantwoord. Hierbij dient ingegaan te worden op de effectscenario's en dienen maatregelen te worden afgewogen. Een hulpmiddel hierbij is het handboek omgevingsveiligheid.

Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen en Plasbrandaandachtsgebied (PAG)
Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.

Voor bepaalde trajecten binnen het basisnet dient niet alleen gekeken te worden naar risicoplafonds, maar ook naar zogeheten plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.

Beleidsvisie externe veiligheid
In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.

5.15.2 Beoordeling risicobronnen en verantwoording groepsrisico

Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve een relevant milieuaspect.

Er is door Spa een onderzoek (zie bijlage 19 Onderzoek omgevingsveiligheid) uitgevoerd naar de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Uit het rapport blijkt samengevat het volgende.

1. Het plaatsgebonden risico vormt in geen van de gevallen een belemmering voor de planontwikkeling.
2. Risico’s bij vervoer over weg, water of spoor en risico’s door buisleidingen zijn niet relevant voor het beoogde initiatief wegens de ruime afstand tussen het plangebied en potentiële risicobronnen.
3. Het plangebied ligt binnen het explosieaandachtsgebied van het tankstation ‘Total Voorthuizen’. Vanwege de ligging binnen de aandachtsgebieden zijn de risico’s ten aanzien van het tankstation nader beschouwd en zijn de aandachtsgebieden nader verantwoord.
4. Ter verantwoording en beoordeling van de aandachtsgebieden zijn op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving enkele stappen doorlopen ter bescherming van mens en milieu, deze zijn uitgewerkt in hoofdstuk 6. De voorgaande beoordeling levert, ondanks de ligging van het plangebied binnen aandachtsgebieden, een positief beeld op.

5.15.3 Veiligheidszone - Bal

Binnen de grenzen van het plan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Bal (paragraaf 3.4.2 en 4.29) zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen staan beschreven in bijlage VI van het Bkl. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven.

Liander heeft aangegeven PM.

5.15.4 Conclusie

Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.16 Ontplofbare oorlogsresten

Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog.

Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat het woon-werklandschap niet verdacht is van Ontplofbare Oorlogsresten. De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart van gemeente Barneveld, waarop het plangebied is te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0001_0012.png"

Afbeelding: Uitsnede OO-belastingkaart

Aan de oostzijde van het plangebied (net buiten de plangrens) heeft een lokale spoorlijn gelopen. Op de kaartuitsnede met de topografische kaart van 1949 is het tracé van de spoorlijn nog zichtbaar. Spoorlijnen waren vaak doelwit in de oorlog voor de geallieerden en dan vooral aan het eind van de oorlog. Het is bekend dat de spoorlijn voor de oorlog al grotendeels was opgebroken en weer als weiland in gebruik was. In dat geval was het niet zichtbare tracé ook geen doel meer. Topografische kaarten zijn een periode van 1932 tot 1952 niet bijgewerkt. Daarom geeft kaart van 1949 nog een verouderd beeld zoals de situatie er rond 1932 uit zag.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0001_0013.png"

Afbeelding: topokaart 1949 met in blauw plangebied

Omdat duidelijk is dat de spoorlijn al was verwijderd in de oorlog, kan uitgesloten worden dat het voormalige tracé is aangevallen vanuit de lucht. Samen met de informatie uit de Bodembelastingkaart kan gesteld worden dat de planlocatie niet binnen verdacht gebied ligt van Ontplofbare Oorlogsresten.

Conclusie
Het aspect 'Ontplofbare Oorlogsresten' vormt geen belemmering voor het plan. 

5.17 Toegankelijkheid openbare ruimte

Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe ontwikkeling met gevolgen voor de inrichting van de openbare ruimte, dan moet in het omgevingsplan rekening gehouden worden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking (artikel 5.162 Bkl).

In dit plan wordt hier op de volgende manier rekening mee gehouden Voor voetgangers worden langs de meeste wegen voetpaden aangebracht. Deze zijn van voldoende breedte. Bij zijwegen of oversteekplaatsen kunnen voetgangers op hetzelfde niveau oversteken, bijvoorbeeld door aanwezige kruispuntplateaus. Waar geen kruispuntplateau aanwezig is worden voetgangersafritjes verlaagd zodat op een toegankelijke manier kan worden overgestoken. In een vervolgfase van dit plan wordt de toegankelijkheid en met name de oversteekbaarheid voor voetgangers verder uitgewerkt.

5.18 Trilling

Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

Er is geen sprake van een plan dat een activiteit mogelijk maakt dat trillingen veroorzaakt.

Conclusie
Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.

5.19 Verkeer

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties hoort ook het goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast moeten er voldoende parkeerplaatsen voor de functie van de beoogde ontwikkeling aanwezig zijn.

Ontsluiting en verkeersveiligheid
Het plangebied wordt hoofdzakelijk ontsloten op de rotonde Baron van Nagellstraat-Holzenboschlaan. Vanaf de rotonde loopt een wegverbinding in westelijke richting. Deze wegverbinding wordt ingericht als gebied ontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/uur en wordt voorzien van fietssuggestiestroken. De wegverbinding sluit aan de westzijde van het plangebied aan op de Verbindingsweg waarmee het plangebied vanaf twee zijden te bereiken is. Vanaf de ontsluitingsweg die door het plangebied is gelegen wordt het woon-werklandschap ontsloten aan de noordzijde door twee aansluitingen en aan de zuidzijde van de weg door drie aansluitingen. Deze zijn middels een lus structuur met elkaar verbonden om doodlopende wegen zoveel mogelijk te beperken. Gezien de menging van woon- en werkfuncties wordt een maximumsnelheid van 30 km/uur ingesteld op de wegen die de percelen ontsluiten. De inrichting van de wegen sluit aan bij deze maximumsnelheid, rekening houdend met de bereikbaarheid voor vrachtverkeer.

Parkeren
Uitgangspunt is de Nota Parkeernormen. Hierin wordt aangegeven dat bedrijven dienen te voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Voor de woonfuncties wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein en in het openbare gebied. De aanleg is vastgelegd in een voorwaardelijke verplichting op de verbeelding en in de regels van dit plan.

Toekomstige verkeersgeneratie
In het kader van dit TAM-omgevingsplan is een quickscan verkeersgeneratie (zie bijlage 20 Verkeersgeneratie) uitgevoerd op basis van verstrekte verkeersgegevens uit het verkeersmodel van de gemeente Barneveld. Hierbij is onderzocht wat de effecten zijn van deze ontwikkeling op de omliggende wegen van het plangebied (Baron van Nagellstraat, Verbindingsweg). Op basis van dit onderzoek en de functie van deze wegen is het aannemelijk dat de verkeersgeneratie van het beoogde plan niet leidt tot verkeersbelemmeringen.

Conclusie
Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor dit plan.

5.20 Weging van het waterbelang

Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen.

De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Voor het plangebied is een waterhuishouding en rioleringsplan opgesteld (zie bijlage 21 Water). De benodigde waterberging wordt gehaald door een combinatie van berging op eigen terrein en voorzieningen in de openbare ruimte. De aanleg en instandhouding van greppels is vastgelegd in een voorwaardelijke verplichting op de verbeelding en in de regels van dit plan.

Conclusie
De waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap komen niet in het gedrang door dit plan.

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten

6.1 Wijziging omgevingsplan

6.1.1 Omgevingsplan van rechtswege

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van gemeente Barneveld van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van de artikelen 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

6.1.2 Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0001_0014.png"

6.1.3 Werkingsgebied

Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling van het woon-werklandschap (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen (zie Artikel 1 en Artikel 2).

Daarnaast is er een toepassingsbereik-bepaling opgenomen in het plan waarmee geregeld wordt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels (Artikel 3). Een TAM-omgevingsplan zorgt er namelijk niet automatisch voor dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen. Ook is een plankaart van het wijzigingsgebied van het plan niet direct onderdeel van het omgevingsplan. Daarvoor zijn er in dit plan ook bepalingen opgenomen die dit borgen.

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op het woon-werklandschap in Voorthuizen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0002 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

6.2 Artikelsgewijze toelichting functies

6.2.1 Functie Bedrijf - Bedrijven in de kernen I

De functie Bedrijf - Bedrijven in de kernen I wordt gebruikt in gebieden met een variatie aan functies bijvoorbeeld een woongebied met bedrijven.

Binnen de functie Bedrijf - Bedrijven in de kernen I zijn bedrijven toegestaan die in de bijbehorende Staat van Bedrijfsactiviteiten voor gemengd gebied zijn opgenomen. Met een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken voor de vestiging van bedrijven met activiteiten uit een hogere milieucategorie, zie bij hfst. 22s STAAT VAN BEDRIJFSACTIVITEITEN BEDRIJF - Bedrijven in de kernen I.

Detailhandel dient zoveel mogelijk plaats te vinden in de daarvoor bestemde kernwinkelgebieden. Dat is het beleid in gemeente Barneveld. Met detailhandel buiten de winkelgebieden gaat de gemeente terughoudend om. Het uitgangspunt is dat detailhandel niet is toegestaan binnen bedrijven (uitgezonderd ondergeschikte productiegebonden detailhandel). Bij de beoordeling van de ondergeschiktheid moeten de aard, indeling en inrichting van het pand in aanmerking worden genomen en voorts, hoe frequent het bedrijf door particulieren wordt bezocht en hoeveel detailhandeltransacties ter plaatse hebben plaatsgevonden. Het percentage van de omzet kan niet als onderscheidend criterium worden gehanteerd. Als richtlijn kan detailhandel als ondergeschikt worden aangemerkt als de omzet van handel met particulieren minder dan 10 % van de totale omzet bedraagt.

Internet winkelen – een specifieke vorm van detailhandel – is de laatste jaren sterk toegenomen en de verwachting is dat deze trend doorzet. Wat is er tegen als webwinkels zich vestigen op een bedrijventerrein? Dat is afhankelijk van de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten. Bepaalde webwinkels hebben geen of een beperkte ruimtelijke uitstraling. Wij onderscheiden de volgende vormen:

  • a. Webwinkel waar alleen een elektronische transactie tot stand komt

Deze vorm heeft geen ruimtelijke uitstraling en is verenigbaar met de bestemming 'Bedrijf - Bedrijven in de kernen I' voor zover daar bedrijven tot en met milieucategorie 2 zijn toegestaan. Met het oog op de ontwikkelingsruimte van bedrijven die behoren tot de zwaardere milieucategorieën zijn webwinkels niet gewenst op gronden die zijn aangewezen voor dergelijke bedrijven. Wat dat betreft streven wij milieuzonering na.

  • b. Webwinkel met opslag- en verzendfunctie

Hier geldt hetzelfde als bij a). Ook deze vorm is te verenigen met de bedrijvenbestemming. De activiteiten hebben geen verkeersaantrekkende werking in die zin dat de kopers niet bij de webwinkel komen. De ruimtelijke uitstraling is beperkt. De laad- en losactiviteiten voor de bevoorrading dienen op eigen terrein plaats te vinden; daarvoor mag geen gebruik worden gemaakt van de openbare ruimte.

  • c. Webwinkel met (beperkte) afhaalmogelijkheid

Nu aan deze vorm een (beperkte) afhaalmogelijkheid is verbonden, is wel sprake van verkeers- en publieksaantrekkende werking. Per geval zal moeten worden beoordeeld of een dergelijke webwinkel past. Webwinkel met afhaalmogelijkheid en de mogelijkheid om de goederen ter plaatse te bekijken.

Deze vorm van webwinkels heeft een toonzaal en heeft dezelfde ruimtelijke uitstraling als reguliere detailhandel. Deze vorm is onverenigbaar met de bestemming 'Bedrijf - Bedrijven in de kernen I'. De hiervoor onder a) en b) genoemde vormen van webwinkels hebben geen dan wel een beperkte ruimtelijke uitstraling. Met het oog op de goede ruimtelijke ordening is er geen bezwaar tegen dat dergelijke webwinkels zich vestigen op gronden met de genoemde bestemmingen. Deze webwinkels zijn toegevoegd aan de opsomming in de bestemmingsomschrijving.

In de bouwregels dan wel op de verbeelding is bepaald voor welk percentage de gronden buiten het bouwvlak mogen worden bebouwd.

6.2.2 Functie Groen - In de Kernen

Het structureel groen krijgt de functie 'Groen - In de kernen'. Onder structureel groen worden wijkparken, grotere groenelementen op buurt- of blokniveau, groen om wegen en waterlopen en wadi's verstaan. Binnen deze functie zijn ook speelvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen en paden toegestaan. De functie 'Groen' wordt alleen toegepast op openbare gronden, niet op particuliere terreinen.

In het toepassingsbereik van de functie 'Groen' staat dat de gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen (et cetera) 'met daaraan ondergeschikt parkeervoorzieningen'. Het is de bedoeling van de raad dat een relatief klein gedeelte van de gronden kan worden gebruikt als parkeervoorziening: om en nabij 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak. De raad beschouwt de parkeervoorzieningen dan als ondergeschikt. Die 10% is geen harde norm. De regeling is bewust flexibel geformuleerd. Als de parkeervoorzieningen meer dan de helft van de oppervlakte van het bestemmingsvlak beslaan, dan is in elk geval geen sprake van ondergeschiktheid.

Het is mogelijk om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels voor de aanleg van in- en uitritten.

6.2.3 Functie Tuin

De functie 'Tuin' is gelegen bij andere functies zoals 'Wonen - I". De functie wordt alleen toegepast op terreinen van particulier eigendom. Dit deel van het perceel mag beperkt bebouwd worden.

In een tuinbestemming mag verharding worden gerealiseerd. Het is ook mogelijk om binnen een tuinbestemming te parkeren.

De grens tussen de functies 'Wonen - I' en ''Tuin' verspringt. Buiten het bouwvlak is tot 1 meter achter de voorgevellijn geen bebouwing toegestaan. Zo is gewaarborgd dat hoofdgebouwen hun prominente positie behouden. Dit is wenselijk vanuit stedenbouwkundig oogpunt. Bebouwing buiten het bouwvlak is ondergeschikt.

Situering van bijbehorende bouwwerken in de voortuin van woningen
Het begrip 'bijbehorende bouwwerken' geeft het al aan, deze dienen ruimtelijk ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw. De bouwmassa's op een perceel kennen een hiërarchie waarbij het woonhuis het hoofdgebouw is en het bijbehorende bouwwerk of eventueel de bijbehorende bouwwerken ondergeschikt aan zijn.

Deze hiërarchie vertaalt zich ruimtelijk enerzijds in de massa van de gebouwen, het hoofdgebouw, het woonhuis is groter dan het bijbehorende bouwwerk. Anderzijds is dit terug te zien in de positionering van de massa's, de bijbehorende bouwwerken staan achter het hoofdgebouw. De regel is dat het bijbehorende bouwwerk minimaal 1 meter achter de voorgevel van het woonhuis staat. Indien dit niet wordt nageleefd is het bijgebouw te dominant aanwezig en verstoort het de hierboven omschreven hiërarchische opbouw van de bouwmassa's.

Naast een heldere hiërarchische opbouw moet verrommeling van het straatbeeld zoveel mogelijk worden voorkomen. Als in het plan er bewust voor is gekozen om geen bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel toe te staan dan dient hieraan vastgehouden te worden. Latere toevoegingen van bijbehorende bouwwerken, die voor de voorgevel van het woonhuis staan, geven een rommelig beeld en leveren daarmee een negatieve uitstraling op het totale straatbeeld.

Voortuinen vormen een overgang van de bebouwde ruimte naar de verharde straten. Hiermee hebben ze een belangrijke functie en bepalen voor een groot deel de uitstraling en beleving van een straat. Door een bijbehorende bouwwerken in de voortuin te situeren wordt de (groene) openheid beperkt en wordt lucht en ruimte uit de straat ontnomen.

Vanuit bovenstaande argumenten moet een bijbehorend bouwwerk minimaal 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw staan, waarbij carports ook onder de noemer bijbehorende bouwwerk vallen en erkers zijn uitgezonderd.

6.2.4 Functie Wonen - I

De functie 'Wonen - I' wordt opgenomen voor niet gestapelde woningen. Het gedeelte van het perceel tussen de woning en de weg krijgt de functie 'Tuin'.

Het begrip woning is gedefinieerd als 'een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden'. Dit betekent dat kamerverhuur niet zonder meer is toegestaan.

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken is een regeling opgenomen waarbij de toegelaten oppervlakte is gekoppeld aan de omvang van het bouwperceel met een maximum van 150m2. In uitzonderingsgevallen is er een maatvoeringsaanduiding op de verbeelding weergegeven.

Omdat aan huis verbonden beroepen en aan huis verbonden (bedrijfs-)activiteiten zowel in de woning als in de aan- en uitbouwen onder voorwaarden zijn toegestaan, is gekozen voor een algemene gebruiksbepaling in een apart artikel. Kleinschalige bedrijven, zoals schilders, stukadoors en elektriciens vallen onder de noemer 'hiermee gelijk te stellen gebied'. Dit zijn bedrijfjes waarbij aan huis hoofdzakelijk administratie-/kantoorwerkzaamheden plaats vinden, er beperkte opslag plaatsvindt en de hoofdwerkzaamheden elders (op locatie) plaats vinden. In de specifieke gebruiksregels staat dat er geen detailhandel mag plaatsvinden. Internetwinkels zonder fysieke bezoekmogelijkheid beschouwt de raad niet als detailhandel. Dergelijke internetwinkels zijn wel toelaatbaar onder de daar genoemde voorwaarden. Het gaat om internetwinkels waarbij de klant op geen enkele manier fysiek in contact staat met de internetwinkel. Alle klantcontacten en verzending van goederen gebeurt uitsluitend digitaal of per post. Van enige consument aantrekkende werking is geen sprake. Deze internetwinkels passen als ondergeschikte functie in de woonbestemming. Als de opslag, logistiek en/of administratie de hoofdfunctie is, is een bestemming als bedrijf of kantoor van toepassing.

Binnen woningen is een bed & breakfast onder voorwaarden toegestaan. In een bijgebouw is alleen met een omgevingsplanactiviteit voorwaarden een bed & breakfast toegestaan. Als een bed & breakfast in een bijgebouw wordt gerealiseerd moet duidelijk zijn dat het echt om een bed & breakfast gaat en niet om een losse (recreatie)woning. Dit betekent dat er geen keuken, washok of andere ruimten in het bijgebouw aanwezig zijn die makkelijk bij de kamers kunnen worden aangetrokken. In een woning of bijgebouw mogen maximaal twee kamers, met elk twee bedden ten behoeve van een bed & breakfast worden gerealiseerd. Het is wel toegestaan een kinderbedje toe te voegen. De bed & breakfast moet altijd ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. Dat betekent dat de bebouwing altijd uitstraalt dat het om een woning gaat. Daarnaast mag de oppervlakte van een bed & breakfast in een bijgebouw maximaal 60 m² bedragen. Om overlast van parkeren te voorkomen moet parkeren op het eigen erf plaatsvinden.

Het wonen krijgt de gebruikelijke mogelijkheden voor een aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit. Op aangewezen locaties bestaat de mogelijkheid met een omgevingsplanactiviteit tot het realiseren van meer bedrijfsruimte en/of het toestaan van een extra medewerker naast de bewoner. Hiermee wordt een duidelijke werkcomponent gefaciliteerd.

Op aangewezen percelen aan de noordzijde van het plangebied is het realiseren van een terugliggende extra bouwlaag. Dit geldt uitsluitend op percelen met de specifieke bouwaanduiding – dakopbouw.

Het is vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet gewenst de verdieping als geheel op te trekken (dat wil zeggen een dakopbouw over 100% van het bouwvlak). Hiervoor geldt een percentage van 70% van het hoofdgebouw.

6.2.5 Functie Wonen - II

De functie 'Wonen-II' wordt opgenomen wanneer sprake is van gestapelde woningen.

Het begrip woning is gedefinieerd als 'een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden'. Dit betekent dat kamerverhuur niet zonder meer is toegestaan.

Vooruitlopend op het voorliggend plan voor het woon-werklandschap is een omgevingsvergunning verleend het realiseren van een wooncomplex voor tijdelijke werknemers (arbeidsmigranten). Op deze locatie is binnen de functie 'Wonen - II' de aanduiding 'specifieke vorm van wonen- arbeidsmigranten' opgenomen zodat ook de huisvesting van arbeidsmigranten mogelijk blijft.

Bijgebouwen dienen onderdeel te zijn van het hoofvolume bij gestapelde woningen.

6.2.6 Functie Verkeer - In de kernen

De functie 'Verkeer - In de kernen' wordt opgenomen voor wegen, straten en paden, voet- en rijwielpaden. Daarnaast zijn parkeer-, groen- en speelvoorzieningen mogelijk. Evenals waterhuishoudkundige doeleinden en bermen.

Wanneer de aanduiding 'pad' is aangegeven, is de grond alleen voor pad bestemd. Hiermee wordt voorkomen dat auto's gebruik kunnen maken van het pad. Dit is van belang als het fiets- of voetpad twee wijken verbindt.

6.2.7 Gebiedswaarden
6.2.7.1 Functie archeologische monumenten

In alle gebieden die (nog) niet zijn vrijgegeven na archeologisch onderzoek of waar is besloten tot behoud in situ is een functieaanduiding voor archeologie toegepast. Specifieke regels hiervoor zijn toegepast op specifieke locaties. Hieronder vallen 6 soorten regels:

  • regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een lage verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 10.000 m2).
  • regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 2.000 m2).
  • regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een hoge verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 250 m2).
  • regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in historische kernen en historische boerenerven (bij een oppervlakte van meer dan 100 m2).
  • regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, voor niet zichtbare terreinen met archeologische waarde.
  • regels voor zichtbare terreinen met archeologische waarde bij elke bouwdiepte.

In het plangebied komen gebieden met een lage en middelhoge verwachting voor.

Hoofdstuk 7 Financiële uitvoerbaarheid

Onder de Omgevingswet zijn er voor het publiekrechtelijke kostenverhaal twee systemen: het kostenverhaal met en het kostenverhaal zonder tijdsvak. De plannen hebben een duidelijk eindbeeld, een fasering en een einddatum. Daardoor is goed mogelijk om de kosten en opbrengsten van de gebiedsontwikkeling vooraf te berekenen.

Het systeem van het kostenverhaal zonder tijdsvak is bestemd voor organische gebiedsontwikkeling. Dus voor plannen zonder een duidelijk eindbeeld, zonder fasering en zonder einddatum. Het gaat om plannen met globale functieaanduidingen die op verschillende manieren worden uitgewerkt. Dat maakt het moeilijk om de kosten en opbrengsten van de gebiedsontwikkeling vooraf te berekenen. Bij het vaststellen van het omgevingsplan is dan geen gedetailleerde raming van de kosten en opbrengsten vereist, maar een kostenplafond. Bij dit kostenverhaal worden de kosten en bijdragen pas bij de aanvraag geconcretiseerd.

De gemeente mag een kostenverhaal met tijdvak toepassen. Dit kan bij het vaststellen van een projectbesluit, een omgevingsplan of de afgifte van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevinpsplanactiviteit. Het toepassen van het kostenverhaal zonder tijdvak kan alleen in het gemeentelijke omgevingsplan.

Bij het voorliggende plan is sprake van kostenverhaal met tijdvak.

De initiatiefnemers zullen voor eigen rekening en risico de activiteit ten uitvoer brengen. Het gaat in dit geval om een concreet plan met tijdvak. Binnen een redelijke termijn van 1 jaar na het onherroepelijk worden van de wijziging van het omgevingsplan zullen de aanvragen omgevingsvergunning worden ingediend en vervolgens, na verlening van de vergunningen, worden gestart met de werken en werkzaamheden.

De gronden waarop de voorgenomen functies kunnen worden gerealiseerd zijn deels in eigendom bij de gemeente. Voor de gronden die in eigendom zijn van de gemeente is een grondexploitatie opgesteld, waarover de raad periodiek wordt geïnformeerd (Meerjarenprognose grondexploitaties, deel uitmakend van de planning & control-cyclus). Uit de grondexploitatie blijkt dat sprake is van een, historisch gegroeid, financieel tekort. Dit inzicht is sinds enige jaren bekend. Ten behoeve hiervan is een verliesvoorziening getroffen die aansluit bij de actuele inzichten van grondexploitatie. De verliesvoorziening dient ter dekking van het voorzienbare tekort bij het afsluiten van het project (en is een verplicht onderdeel (Besluit Begroting en Verantwoording) dat ziet op het risicomanagement van gebiedsontwikkeling). Hiermee wordt voorkomen dat andere ambities, programma's en investeringen van de gemeente worden gefrustreerd.

7.1 Kostenverhaal

Ook onder de Omgevingswet (Ow) is kostenverhaal in beginsel verplicht bij (bouw)activiteiten die mogelijk worden op grond van een nieuw toegedeelde functie (artikel 13.11 Ow). Net zoals onder de vorige wet (Wet ruimtelijke ordening). Het is verboden een kostenverhaalsplichtige activiteit te verrichten voordat de te verhalen kosten zijn betaald (artikel 13.12 Ow), op straffe van bestuursrechtelijke handhaving. Er geldt tot die tijd dus een bouwverbod.

Onder de Ow geldt kostenverhaal langs privaatrechtelijke weg, door een anterieure overeenkomst te sluiten met de initiatiefnemer, als uitgangspunt. Daarin kunnen ook afspraken worden opgenomen die zien op een betaalregeling. Als partijen er niet in slagen om afspraken te maken in een anterieure overeenkomst over het gemeentelijk kostenverhaal, zal de gemeente het kostenverhaal publiekrechtelijk moeten regelen. Dat doet zij door kostenverhaalregels toe te voegen aan een omgevingsplan of kostenverhaalvoorschriften op te nemen in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het verhalen van de kosten loopt dan via een kostenverhaalbeschikking. Zodra een initiatiefnemer aan de slag wil, vraagt deze bij de gemeente om die beschikking. Zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald, is het verboden om de bouwactiviteiten uit te voeren. Dit geldt voor zowel het privaat- als publiekrechtelijke kostenverhaal.

Voor de gronden binnen het plangebied die in eigendom zijn van derden worden met alle partijen anterieure overeenkomsten gesloten. Deze zien op het overeengekomen woonprogramma maar ook het verplicht kostenverhaal (artikel 13.11, Ow). Hiermee zijn de kosten voor onderzoeken, planvoorbereidingen, bouwrijp- en woonrijp maken, compenserende maatregelen en financiële bijdragen aan de 'Kwaliteitsverbeteringen fysieke leefomgeving' gedekt en/of zeker gesteld. De mogelijke kosten van een tegemoetkoming in schade, zoals bedoeld in artikel 15.1, lid 1 Ow (nadeelcompensatie), zijn eveneens in de overeenkomst opgenomen. De inhoud voldoet aan die van een overeenkomst in de zin van artikel 13.13, lid 3 Ow. Het opnemen van kostenverhaalregels in de wijziging omgevingsplan is daarom niet nodig.

Hiermee is de financieel-economische uitvoerbaarheid en het kostenverhaal van het plan gewaarborgd.'

Hoofdstuk 8 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld. Overeenkomstig artikel 16.29 Omgevingswet is een kennisgeving gedaan van het voornemen het voorliggende TAM-omgevingsplan voor te bereiden. De kennisgeving is gedaan in de Barneveldse Krant en De Week en langs elektronische weg op 18 december 2025. Aangegeven is verder dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het omgevingsplan opgestart (artikel 16.30 Ow).

8.1 Participatie

Bij het opstellen van een (wijziging)omgevingsplan moet onder de Omgevingswet aangetoond worden hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij het plan zijn betrokken (artikel 10.2 Omgevingsbesluit). Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit, zodat vroegtijdig de knelpunten, belangen en verbeterpunten worden gesignaleerd.

Participatie met bestuursorganen en ketenpartners
Bij de voorbereiding van het plan is het in het kader van participatie voorgelegd aan:

  • Waterschap Vallei en Veluwe
  • provincie Gelderland

Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang.

Er kan worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding.

Gelet op de brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft geen vooroverleg plaatsgevonden, aangezien de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) geen adviserende en coördinerende rol meer heeft met betrekking tot de advisering over de voorbereiding van een gemeentelijke ruimtelijke plannen. Nu er sprake is van een gemeentelijk ruimtelijk plan, waarbij er geen nationale rijksbelangen aan de orde zijn en de betrokken rijksdiensten niet als direct belanghebbende zijn aan te merken, behoeft het plan niet voor vooroverleg naar de ILT opgestuurd te worden.

Participatie met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties
De participatie met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties voor plannen binnen de gemeente Barneveld is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld en is in werking getreden.

Het beleid onderscheidt drie sporen:

  • Participatie bij ruimtelijke initiatieven;
  • Participatie bij initiatieven van de overheid;
  • Participatie bij initiatieven vanuit de gemeenschap.

In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder:

  • 1. Meeweten | informeren
  • 2. Meedenken | raadplegen
  • 3. Meewerken | adviseren
  • 4. Meebepalen | co-creatie

In dit geval is spoor 1 Participatie bij ruimtelijk initiatieven van het beleid relevant en trede 2 'Meedenken | raadplegen' van de participatieladder. Het proces voor voorliggend plan is ver voor de Omgevingswet/het participatiebeleid gestart met een ruimtelijke visie. Bij de totstandkoming van deze ruimtelijke visie voor het werklandschap Verbindingsweg Voorthuizen is ingezet op een breed en zorgvuldig participatieproces, waarbij omwonenden, ondernemers en andere belanghebbenden op verschillende momenten en op diverse manieren zijn betrokken. Het proces startte met een fase van co-creatie, waarin de eerste contouren en randvoorwaarden voor het gebied samen met betrokkenen zijn verkend. Op 24 juni 2014 vond een informatiebijeenkomst plaats in Voorthuizen, waar de eerste proeve van de visie werd gepresenteerd en toegelicht. In deze bijeenkomst zijn de uitgangspunten door de gemeente geschetst, waarna de verdere invulling in samenwerking met omwonenden en belanghebbenden is opgepakt.

De conceptvisie is vervolgens van 27 juni tot en met 11 juli 2014 ter inzage gelegd, waarbij belanghebbenden formeel hun zienswijzen konden indienen. In totaal zijn er 15 inspraakreacties ontvangen. Om de participatie verder te verdiepen, organiseerde de gemeente op 2 oktober 2014 een ontwerpatelier in Dorpshuis 't Trefpunt. Hierbij waren omwonenden en belanghebbenden uit het gebied uitgenodigd om in vijf werkgroepen gezamenlijk te schetsen aan de toekomstige inrichting van het werklandschap. In totaal hebben 43 mensen actief meegedacht over de toekomst van het gebied. De resultaten van deze werkgroepen, evenals de ingediende inspraakreacties, zijn op hoofdlijnen verwerkt in de uiteindelijke visiekaart, waarna de ruimtelijke visie op 16 december 2014 is vastgesteld.

Na de vaststelling van de ruimtelijke visie op 16 december 2014 is de voortgang van het project in de daaropvolgende jaren beperkt geweest. Door een combinatie van factoren, waaronder een gebrek aan ambtelijke capaciteit, het versnipperde grondeigendom in het gebied en de impact van de mondiale COVID-19-pandemie, heeft het project in sommige periodes vrijwel stilgelegen. Deze omstandigheden hebben ertoe geleid dat de verdere uitwerking en realisatie van het werklandschap minder snel is verlopen dan oorspronkelijk beoogd.

In de afgelopen jaren is het project opnieuw opgepakt. De gemeente heeft samen met de betrokken ontwikkelaars gewerkt aan het opstellen van een stedenbouwkundig plan voor het gebied. Dit plan vormt de basis voor de toekomstige inrichting en ontwikkeling van het werklandschap.

Een kennisgeving van participatie is gedaan op 14 november 2024. Eind 2024 is een belangrijke stap gezet door het organiseren van een inloopavond, waar het stedenbouwkundig vlekkenplan aan het publiek is gepresenteerd. Tijdens deze bijeenkomst kregen omwonenden, ondernemers en andere belanghebbenden de gelegenheid om het plan te bekijken, vragen te stellen en hun mening te geven. Reacties konden zowel schriftelijk ter plekke als digitaal na afloop worden ingediend, zodat iedereen de kans heeft gehad om input te leveren, ook als fysieke aanwezigheid niet mogelijk was.

De gemeente heeft alle ontvangen reacties zorgvuldig verzameld en meegenomen in de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig plan. Enkele omwonenden hebben daar en buiten de inloopbijeenkomst aangegeven zorgen te hebben over de plandelen die aan hun percelen grenzen. Met enkele omwonenden zijn hierover aparte gesprekken gevoerd, zodat hun specifieke zorgen en wensen konden worden besproken en waar mogelijk verwerkt in het ontwerp.

Op 16 december 2025 is een tweede informatieavond georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomst is het volledige stedenbouwkundig plan in detail gepresenteerd. Belanghebbenden konden het plan uitgebreid bekijken, vragen stellen aan de gemeente en de ontwikkelaars, en hun opmerkingen kenbaar maken. Tevens is hierbij gewezen op de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen tijdens de ter inzage legging.

8.2 Zienswijzen

Het TAM-omgevingsplan ligt van 19 december 2025 tot en met 29 januari 2026 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn … reacties ingediend.

Deze reacties hebben wel/niet geleid tot aanpassing van het besluit. De Nota Zienswijzen is als bijlage .. bij het besluit gevoegd.