direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Woon-Werklandschap Verbindingsweg
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0001

Regels

Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op de realisatie van een woon-werklandschap aan de zuidwestzijde van Voorthuizen en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22s) van het omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (https://www.ruimtelijkeplannen.nl). Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22s van het omgevingsplan van de gemeente Barneveld. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22s' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22s gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op hoofdstuk 22s, tenzij hierna daarvan is afgeweken.

Aanvullend gelden voor de toepassing van hoofdstuk 22s de volgende begripsbepalingen:

1.1 plan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Woon-Werklandschap Verbindingsweg met identificatienummer NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0001 van de gemeente Barneveld.

1.2 omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Barneveld.

1.3 aan huis verbonden beroep of bedrijf

beroeps- of bedrijfsactiviteit waarvan de activiteiten niet specifiek publiekgericht zijn en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend;

1.4 archeologisch deskundige

een regionaal (beleids)archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg;

1.5 bebouwingspercentage

het in procenten uitgedrukte deel van een bouwwerkperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd;

1.6 bed & breakfast

het bieden van de ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben;

1.7 bestaande

bestaand en legaal aanwezig op de dag van terinzagelegging van het ontwerp van dit plan;

1.8 bijgebouw

een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een niet voor bewoning bestemd vrijstaand of aangebouwd gebouw, dat een gebruikseenheid vormt met en dienstbaar is aan de bij omschrijving van de hoofdbestemming opgesomde functies, zoals een garage, huishoudelijke bergruimte of hobbyruimte;

1.9 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op (ongeveer) gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

1.10 dakkapel

een constructie ter vergroting van een gebouw die zich tussen de dakvoet en de daknok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de daknok is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst;

1.11 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop het verkopen en of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.12 erf

bij de functie behorende gronden waarvan het gebruik ten dienste van deze functie is;

1.13 gebruiken

het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven;

1.14 geluidscherm

een geluidwerende voorziening in de vorm van bijvoorbeeld een scherm of een wal;

1.15 huishouden

persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen;

1.16 kamerverhuur

onzelfstandige woonruimte als bedoeld in artikel 1, sub d van de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur Gemeente Barneveld, zoals deze geldt op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.

1.17 kantoor- en/of praktijkruimte

een gedeelte van een woning of gebouw bij een woning, dat uitsluitend dient voor de uitoefening van beroepsactiviteiten van de bewoner van de woning op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of daarmee gelijk te stellen gebied;

1.18 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak;

1.19 pad

een weg uitsluitend bedoeld en bestemd voor langzaam verkeer;

1.20 particuliere vakantie-verhuur

Het tijdelijk verhuren van een ruimte in een woning dan wel de volledige woning als logiesaccommodatie;

1.21 productiegebonden detailhandel

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;

1.22 uitvoeren

het doen uitvoeren, laten uitvoeren en in uitvoering geven;

1.23 vloeroppervlak

grootte van de oppervlakte van een bouwlaag;

1.24 webwinkel A

detailhandel via een online etalage, waarbij alleen een elektronische transactie tot stand komt dan wel met een opslag- en verzendfunctie, maar zonder afhaalmogelijkheid of toonzaal voor kopers;

1.25 wonen

activiteit inhoudende de bewoning van een woonruimte;

1.26 woning

een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen

2.1 De dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.2 De goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.3 De inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.4 De bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, luchtbehandelingskasten en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.5 De oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.6 De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

vanaf de buitenwerkse gevelvlakken dan wel, indien sprake is van overstekende daken met een overstekend gedeelte van meer dan 0,75 m, respectievelijk overstekken van meer dan 0,75 m, vanaf de buitenrand van het overstekende dak/de overstek, neerwaarts geprojecteerd, tot de kadastrale zijgrens van het perceel;

2.7 De oppervlakte van een ondergronds bouwwerk

onder de begane grondvloer, tussen de harten van de ondergrondse buitenste muren;

2.8 De oppervlakte van een overkapping

de loodrechte projectie van de overkapping op het maaiveld;

2.9 Het vloeroppervlak

boven de vloeren, tussen de binnenwerkse gevelvlakken en/of scheidingsmuren.

2.10 Maatvoering

Alle maten zijn tenzij anders weergegeven:

  • a. voor lengten in meters (m);
  • b. voor oppervlakten in vierkante meters (m²);
  • c. voor inhoudsmaten in kubieke meters (m³);
  • d. voor verhoudingen in procenten (%).
2.11 Maten

buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing blijven.

Artikel 3 Toepassingsbereik

3.1 Verhouding met ruimtelijke regels omgevingsplan tijdelijke deel

De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in artikel 3.3, zijn niet van toepassing.

3.2 Verhouding met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege (bruidsschat)

De regels in afdeling 22.2 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in artikel 3.3, voor zover die regels in strijd zijn met de regels in dit hoofdstuk.

3.3 Geometrische afbakening TAM-omgevingsplan Woon-Werklandschap Verbindingsweg

De regels in dit hoofdstuk (Hoofdstuk 22s) zijn van toepassing op de locatie Woon-werklandschap ten zuidwesten van Voorthuizen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0203.TAMOP0019-0001 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 4 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk. Als de regels uit paragraaf 22.5.2 in de toekomst een andere plek in de structuur van het omgevingsplan krijgen, blijven die regels van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de daarop doorgevoerde wijzigingen.

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toebedeelde functies en activiteiten.

Hoofdstuk 2 Regels over functies en activiteiten

Artikel 6 Bedrijf - Bedrijven in de kernen I

6.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Bedrijf - Bedrijven in de kernen I'.

6.2 Functieomschrijving

Op de als 'Bedrijf - Bedrijven in de kernen I' aangewezen locaties zijn de volgende functies en activiteiten toegestaan:

met daaraan ondergeschikt:

  • d. productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotmiddelen;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. waterhuishoudkundige doeleinden;
  • h. wegen, straten en paden;

met de daarbij behorende:

  • i. gebouwen;
  • j. tuinen, erven en terreinen;
  • k. bouwwerken geen gebouwen zijnde.

6.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen
6.3.1 Bouwen van bedrijfsgebouwen

Voor het Bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. het bebouwingspercentage binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)' is weergegeven;
  • c. de gronden buiten het bouwvlak mogen voor maximaal 1% worden bebouwd, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)' want daar geldt het percentage dat op de verbeelding is weergegeven;
  • d. de goot- en bouwhoogte van gebouwen binnen een bouwvlak mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)' is weergegeven;
  • e. de bouwhoogte van gebouwen buiten het bouwvlak mag niet meer bedragen dan de goothoogte die voor een hoofdgebouw is toegestaan, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot-, bouwhoogte (m) en maximum bebouwingspercentage (%)' want daar gelden de maten zoals op de verbeelding zijn weergegeven.

6.3.2 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van palen en masten mag niet meer dan 6 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevelrooilijn mag niet meer dan 1 m bedragen;
  • c. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevelrooilijn mag niet meer dan 2 m bedragen;
  • d. per bouwvlak is één overkapping toegestaan met een bouwhoogte van niet meer dan 3 m en een oppervlakte van niet meer dan 5% van de oppervlakte van het bouwvlak;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen.

6.4 Maatwerkvoorschriften

Voor de als 'Bedrijf - Bedrijven in de kernen I' aangewezen locatie kunnen burgemeester en wethouders maatwerkvoorschriften stellen voor de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de brandveiligheid;
  • c. de externe veiligheid;
  • d. de verkeersveiligheid;
  • e. de sociale veiligheid;
  • f. een goede milieusituatie;
  • g. de bereikbaarheid voor hulpdiensten;
  • h. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • i. een ongestoorde ligging van kabels en leidingen.

6.5 Omgevingsplanactiviteit met afwegingsruimte bouwregels
6.5.1 Omgevingsplanactiviteit bouwen buiten bouwvlak
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak als bedoeld in artikel 6.3.1 te bouwen.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de gronden buiten het bouwvlak voor maximaal 10% worden bebouwd;
    • b. de goothoogte buiten het bouwvlak niet meer dan 3 m bedraagt;
    • c. de bouwhoogte buiten het bouwvlak niet meer dan 5 m bedraagt.
    • d. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • het straat- en bebouwingsbeeld;
      • de brandveiligheid;
      • de externe veiligheid;
      • de verkeersveiligheid;
      • de sociale veiligheid;
      • de milieusituatie; en
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

6.5.2 Omgevingsplanactiviteit vergroten bouwhoogte
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de bouwhoogte van een bedrijfsgebouw te vergroten.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarde verleend dat daarmee geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  • a. de brandveiligheid;
  • b. de externe veiligheid
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • g. het straat- en bebouwingsbeeld en;
  • h. de toegestane bouwhoogte van een bedrijfsgebouw wordt vergroot met maximaal 3 meter, mits de verhoging een beperkte architectonische accentuering betreft.

6.6 Specifieke functieregels
  • a. De maximale kavelgrootte voor het voeren van een bedrijf(sverzamelgebouw) bedraagt 2.000 m²;
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal gebouwen' mag het aantal bedrijf(sverzamelgebouwen) niet meer bedragen dan op de verbeelding is weergegeven;
  • c. Ter plaatse van de aanduiding 'minimum aantal gebouwen' mag het aantal bedrijf(sverzamelgebouwen) niet minder bedragen dan op de verbeelding is weergegeven.

Artikel 7 Groen - In de kernen

7.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als `Groen - In de kernen'.

7.2 Functieomschrijving

De als 'Groen - In de kernen' aangewezen locatie mag gebruikt worden voor de volgende functies en activiteiten:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. bermen en beplanting;
  • c. paden;
  • d. speelvoorzieningen;
  • e. waterlopen, waterpartijen en waterberging;

met daaraan ondergeschikt:

  • f. verhardingen;
  • g. parkeervoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • h. bouwwerken geen gebouwen zijnde.

7.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen
7.3.1 Bouwen van gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

7.3.2 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • 1. Op of in deze gronden mogen geen overkappingen worden gebouwd.
  • 2. De bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer bedragen dan 4 m;
  • 3. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 m, behoudens palen en masten waarvoor een maximum bouwhoogte van 9 m geldt.

7.4 Omgevingsplanactiviteit met afwegingsruimte bouwregels
7.4.1 Omgevingsplanactiviteit in- en uitritten
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een in- en/of uitrit aan te leggen.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarde verleend dat daarmee geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden en
  • d. de breedte van een in- en uitrit niet meer bedraagt dan 4 m.

Artikel 8 Tuin

8.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Tuin'.

8.2 Functieomschrijving

De als 'Tuin' aangewezen locatie mag gebruikt worden voor de volgende functies en activiteiten:

  • a. tuinen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'groen' alleen voor groen;
  • c. verharding, waaronder in- en uitrit en parkeervoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • d. bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • e. uitbouwen en/of balkons en ondergeschikte bouwdelen van een hoofdgebouw dat op aangrenzende gronden is gelegen.

8.3 Maatwerkvoorschriften
  • 1. Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen voor de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van :
    • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    • b. een goede woonsituatie;
    • c. de brandveiligheid;
    • d. de verkeersveiligheid; en
    • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

8.4 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen
8.4.1 Bouwen van bijbehorende bouwwerken e.a. in de tuin

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en ondergeschikte bouwdelen van het hoofdgebouw op aangrenzende gronden, gelden de volgende regels:

  • a. de diepte van een bijbehorend bouwwerk mag niet meer bedragen dan 1,5 m, gemeten loodrecht op de gevel waartegen wordt gebouwd, waarbij de afstand tussen dit bouwwerk en gronden met de functie 'Verkeer - In de kernen' niet minder mag bedragen dan 1 m;
  • b. de diepte van een balkon mag niet meer bedragen dan 2 m, gemeten loodrecht op de gevel waartegen wordt gebouwd;
  • c. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk en/of balkon mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • d. ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en luifels zijn toegestaan, mits de overschrijding van de functiegrens niet meer dan 1 meter bedraagt en de afstand van die ondergeschikte bouwdelen tot de grens met gronden met de functie 'Verkeer - In de kernen' dan wel 'Groen - In de kernen', niet minder mag bedragen dan 1 m.

8.4.2 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 1 m;
  • b. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 2 m;
  • c. de bouwhoogte van pergola's mag niet meer bedragen dan 2,5 m;
  • d. de bouwhoogte van palen en masten mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 m;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'groen' mogen geen bouwwerken worden opgericht.

8.5 Omgevingsplanactiviteit met afwijkingsruimte bouwregels
8.5.1 Omgevingsplanactiviteit bouwen kleine bouwwerken
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning kleine bouwwerken, zoals een prieel, plantenkas, hondenkennel, volière of houtberging te realiseren.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de gezamenlijke oppervlakte van kleine bouwwerken op gronden van één bouwperceel niet meer dan 10 m² bedraagt;
    • b. de goothoogte van gebouwen en de bouwhoogte van andere bouwwerken niet meer dan 2 m bedraagt;
    • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
      • de brandveiligheid;
      • de verkeersveiligheid;
      • de sociale veiligheid;
      • de milieusituatie; en
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

8.5.2 Omgevingsplanactiviteit trappenhuizen e.a.
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning trappenhuizen, liftschachten en portieken bij gestapelde woningen, als bedoeld in artikel 10.1 te bouwen.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de goothoogte van een trappenhuis en van een liftschacht niet meer dan de goothoogte van de gestapelde woningen of de zorginstelling waaraan zij worden gebouwd, vermeerderd met 3 m, bedraagt;
    • b. de goothoogte van een portiek niet meer dan 3 m bedraagt;
    • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
      • de brandveiligheid;
      • de verkeersveiligheid;
      • de sociale veiligheid;
      • de milieusituatie; en
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

8.5.3 Omgevingsplanactiviteit andere bouwhoogte erf- of terreinafscheidingen
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning erf- of terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn (of het denkbeeldige verlengde daarvan) hoger dan 1 m te bouwen.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de bouwhoogte niet meer dan 2 m bedraagt;
    • b. er geen onevenredige aantasting plaavindt van:
      • het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
      • de brandveiligheid;
      • de verkeersveiligheid;
      • de sociale veiligheid;
      • de milieusituatie; en
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

8.6 Specifieke functieregels

Het volgende gebruik van de gronden met de functie 'Tuin' is verboden:

  • a. verharding ter plaatse van de aanduiding 'groen';
  • b. verharding ter plaatse van de aanduiding 'waterberging'.

Artikel 9 Verkeer - In de kernen

9.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Verkeer - In de kernen'.

9.2 Functieomschrijving

De als 'Verkeer - In de kernen' aangewezen locatie mag gebruikt worden voor de volgende functies en activiteiten:

  • a. wegen waarbij geldt dat wegen uit maximaal 2 rijstroken (2x1) dienen te bestaan;
  • b. voet- en rijwielpaden;
  • c. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen;
  • d. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;
  • e. bermen.

met de daarbij behorende:

  • f. ter plaatse van de aanduiding 'pad' alleen voor een pad;
  • g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

9.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen
9.3.1 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. op of in deze gronden mogen geen overkappingen worden gebouwd
  • b. de bouwhoogte van palen, masten en verwijsborden mag niet meer bedragen dan 9 m;
  • c. de bouwhoogte van fietsenstallingen mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  • d. de bouwhoogte van een bushalte mag niet meer bedragen dan 2,7 m;
  • e. de bouwhoogte van tunnels mag niet meer bedragen dan 2 m;
  • f. de bouwhoogte van kunstwerken mag niet meer bedragen dan 2 m;
  • g. de bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 2 m.

9.4 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen voor de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de brandveiligheid;
  • c. de externe veiligheid;
  • d. de verkeersveiligheid;
  • e. de sociale veiligheid; en
  • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

9.5 Omgevingsplanactiviteit met afwegingsruimte bouwen
9.5.1 Omgevingsplanactiviteit afwijken bouwregels
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels in in artikel 9.3
  • 2. In afwijking van artikel 9.3.1 kan een grotere bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde tot maximaal 10 m worden toegestaan.
  • 3. De omgevingsvergunning als bedoeld onder lid 1 wordt uitsluitend onder de voorwaarde verleend dat daarmee geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de brandveiligheid;
  • c. de externe veiligheid;
  • d. de verkeersveiligheid.

9.5.2 Omgevingsplanactiviteit bouwen kunstwerk
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een kunstwerk te bouwen.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarde verleend dat daarmee geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid; en
  • c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 10 Wonen - I

10.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen - I'.

10.2 Functieomschrijving

De als 'Wonen - I' aangewezen locatie mag gebruikt worden voor de volgende functies en activiteiten:

  • a. woningen, niet zijnde gestapelde woningen;

met daaraan ondergeschikt:

  • b. een aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;
  • c. een bed & breakfast;

met de daarbij behorende:

  • d. gebouwen;
  • e. bijbehorende bouwwerken;
  • f. tuinen, erven en parkeerplaatsen;
  • g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

10.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen
10.3.1 Bouwen van niet-gestapelde woningen

Voor het bouwen van niet-gestapelde woningen gelden de volgende regels:

  • a. het hoofdgebouw van een woning mag uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak;
  • b. het bebouwingspercentage binnen het bouwvlak bedraagt maximaal 100% per bouwperceel, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' want daar geldt dat het bebouwingspercentage niet meer mag bedragen dan op de verbeelding is weergegeven;
  • c. voor zover een aanduiding is weergegeven mogen woningen uitsluitend worden gebouwd op de volgende wijze:
Ter plaatse van de aanduiding   Bouwwijze  
aaneengebouwd   aaneengebouwd  
twee-aaneen   twee-aaneen en/of vrijistaand  
vrijstaand   vrijstaand, per bouwvlak 1 woning  

  • d. de voorgevel van een woning moet worden gesitueerd in de gevellijn indien en voor zover deze op de verbeelding is weergegeven;
  • e. de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is weergegeven, met dien verstande dat de maximum goothoogte mag worden overschreden door een dakkapel;
  • f. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is weergegeven;
  • g. een dakkapel mag uitsluitend worden uitgevoerd met gesloten zijwanden;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dakopbouw' mag een terugliggende dakopbouw worden gerealiseerd mits de bouwhoogte niet meer dan 4 m hoger is dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is weergegeven en met dien verstande dat de dakopbouw niet meer dan 70% van het hoofdgebouw van de woning mag beslaan.

10.3.2 Bouwen van bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij niet-gestapelde woningen gelden de volgende regels:

  • a. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken aan een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan de hoogte van het vloerpeil van de eerste verdieping van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,4 m;
  • b. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken aan een hoofdgebouw zonder verdieping en de goothoogte van overige, vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,4 m, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte' want daar geldt dat de goothoogte niet meer mag bedragen dan op de verbeelding is weergegeven;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 m;
  • d. de totale oppervlakte van buiten het bouwvlak gelegen bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 20% van dat bouwperceel, met een maximum van 150 m²;
  • e. de bijbehorende bouwwerken dienen minimaal 1 m achter de voorgevel te worden gebouwd en minimaal 1 m achter (het verlengde van) de gevelllijn indien en voor zover deze op de verbeelding is weergegeven.

10.3.3 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van pergola's mag niet meer bedragen dan 2,5 m;
  • b. de bouwhoogte van palen en masten mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • c. voor het bouwen van overkappingen geldt in afwijking van artikel 10.3.2 lid a, b en c een maximum goot- en bouwhoogte van 3 meter;
  • d. op de gronden die bij eenzelfde woning behoren is in aanvulling op artikel 10.3.2 lid d één overkapping toegestaan met een oppervlakte van niet meer dan 18 m²;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 2 m.

10.4 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders maatwerkvoorschriften kunnen maatwerkvoorschriften stellen voor de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. een goede woonsituatie;
  • c. de brandveiligheid;
  • d. de externe veiligheid;
  • e. de verkeersveiligheid;
  • f. de sociale veiligheid; en
  • g. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

10.5 Omgevingsplanactiviteit met afwegingsruimte bouwregels
10.5.1 Omgevingsplanactiviteit situering voorgevel
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de voorgevel van de woning te situeren uit de aangegeven gevellijn.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarde verleend dat daarmee geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  • a. de brandveiligheid;
  • b. de externe veiligheid
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • g. het straat- en bebouwingsbeeld en;
  • h. de situering van de voorgevel van een woning tot ten hoogste 5 m uit de bedoelde gevellijn ligt.

10.5.2 Omgevingsplanactiviteit vergroten goothoogte
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de goothoogte van een woning te vergroten.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarde verleend dat daarmee geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  • a. de brandveiligheid;
  • b. de externe veiligheid
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • g. het straat- en bebouwingsbeeld en;
  • h. de toegestane goothoogte van een woning wordt vergroot met maximaal 3 meter.

10.6 Specifieke functieregels
10.6.1 Gebruik overeenkomstig de functie
  • 1. Voor een bed & breakfast geldt dat daarvoor niet meer dan twee kamers in de woning mogen worden gebruikt met maximaal twee bedden per kamer en dat het parkeren op eigen terrein plaatsvindt;
  • 2. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal woningen' mag het aantal woningen niet meer bedragen dan op de verbeelding is weergegeven;
  • 3. Ter plaatse van de aanduiding 'minimum aantal woningen' mag het aantal woningen niet minder bedragen dan op de verbeelding is weergegeven;
  • 4. Gebruik van ruimten binnen de woning en in de bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van één of meer aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten, wordt als gebruik overeenkomstig de functie aangemerkt, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden;
    • a. maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning met inbegrip van gerealiseerde aan- en uitbouwen en bijgebouwen, tot ten hoogste in totaal 50 m2 mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;
    • b. degene die de activiteiten uitvoert, dient ook de bewoner van de woning te zijn;
    • c. dit geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse en/of een onevenredige parkeerdruk tot gevolg heeft;
    • d. er mag geen detailhandel plaatsvinden.

10.7 Omgevingsplanactiviteit met afwegingsruimte functieregels
10.7.1 Omgevingsplanactiviteit kamerverhuur
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning onzelfstandige huisvesting van één of meer huishoudens (kamerverhuur) toe te staan;
  • 2. De omgevingsvergunning wordt uitsluitend onder de voorwaarde verleend dat daarmee geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  • a. de brandveiligheid;
  • b. de externe veiligheid
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden
  • g. het straat- en bebouwingsbeeld en
  • h. er wordt voldaan aan de minimale oppervlakte zoals genoemd in de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld en;
  • i. er dient te worden aangetoond dat de woningen passen binnen de Woonvisie Barneveld 2025-2027 'Wonen voor jong & oud'.

10.7.2 Omgevingsplanactiviteit bed & breakfast in bijgebouw(en)
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bed & breakfast in bijgebouwen te hebben.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarden dat:
    • a. dit niet meer dan twee kamers betreft met maximaal twee bedden per kamer;
    • b. er in die bijgebouwen geen keuken aanwezig is;
    • c. de oppervlakte van de ruimte in gebruik voor bed & breakfast niet meer bedraagt dan 60 m2;
    • d. het parkeren plaatsvindt op eigen terrein.
10.7.3 Omgevingsplanactiviteit extra medewerker
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit met een extra medewerker uit te oefenen;
  • 2. De omgevingsvergunning voor het laten uitoefenen van een aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit door een extra medewerker naast de bewoner wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat:
  • a. de aanduiding 'specifieke vorm van Wonen - extra bedrijfsruimte' is opgenomen;
  • b. het parkeren op eigen terrein wordt opgelost;
  • c. de activiteit zowel naar aard als visueel geen afbreuk doet aan het karakter van de woning.

10.7.4 Omgevingsplanactiviteit extra bedrijfsruimte
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning het vloeroppervlak voor een aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit uit te breiden boven 50 m2;
  • 2. De omgevingsvergunning voor het gebruiken van een aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit groter dan 50 m² wordt uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat:
  • a. de aanduiding 'specifieke vorm van Wonen - extra bedrijfsruimte' is opgenomen;
  • b. het parkeren op eigen terrein wordt opgelost;
  • c. de activiteit zowel naar aard als visueel geen afbreuk doet aan het karakter van de woning.

Artikel 11 Wonen - II

11.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Wonen - II.

11.2 Functieomschrijving

De als 'Wonen - II' aangewezen locatie mag gebruikt worden voor de volgende functies en activiteiten:

  • a. gestapeld wonen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen- arbeidsmigranten' ook voor huisvesting van arbeidsmigranten;

met daaraan ondergeschikt:

  • c. aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;
  • d. een bed & breakfast;

met de daarbij behorende:

  • e. gebouwen met bijbehorende trappenhuizen, liftschachten en portieken
  • f. bijbehorende bouwwerken;
  • g. tuinen, erven en parkeerplaatsen;
  • h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

11.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen
11.3.1 Bouwen van hoofdgebouwen voor gestapelde woningen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen voor gestapelde woningen gelden de volgende regels:

  • a. het hoofdgebouw mag, behoudens trappenhuizen, liftschachten en portieken, uitsluitend worden gebouwd in het bouwvlak en moet aaneengesloten zijn;
  • b. het bebouwingspercentage binnen het bouwvlak mag per bouwperceel niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)' is weergegeven;
  • c. de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)' is weergegeven, behoudens trappenhuizen en liftschachten die maximaal 3 m hoger mogen worden dan de bouwhoogte van de gestapelde woningen waaraan zij worden gebouwd;
  • d. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)' is weergegeven, behoudens trappenhuizen en liftschachten die maximaal 3 m hoger mogen worden dan de bouwhoogte van de gestapelde woningen waaraan zij worden gebouwd;

11.3.2 bouwen van balkons en ondergeschikte bouwdelen voor hoofdgebouwen voor gestapelde woningen

Voor het bouwen van balkons en ondergeschikte bouwdelen voor hoofdgebouwen voor gestapelde woningen gelden de volgende regels :

  • a. de diepte van een balkon mag niet meer bedragen dan 2 m, gemeten loodrecht op de gevel waartegen wordt gebouwd;
  • b. ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en luifels zijn toegestaan, mits de overschrijding van de bouwgrens niet meer dan 1 m bedraagt en de afstand van die ondergeschikte bouwdelen tot de grens met de locatie waaraan de functie verkeer dan wel de functie groen is toebedeeld [niet minder mag bedragen dan 1 m.

11.3.3 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. bouwhoogte van pergola's mag niet meer bedragen dan 2,5 m;
  • b. de bouwhoogte van palen en masten mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • c. per bouwvlak is één overkapping toegestaan met een bouwhoogte van niet meer dan 3 m en een oppervlakte van niet meer dan 5% van de oppervlakte van het bouwvlak;
  • d. de bouwhoogte van afscheidingsconstructies (zoals hekwerken) van dakterrassen mag niet meer bedragen dan 12 meter;
  • e. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 m.

11.4 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen voor de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. een goede woonsituatie;
  • c. de brandveiligheid;
  • d. de externe veiligheid;
  • e. de verkeersveiligheid;
  • f. de sociale veiligheid; en
  • g. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

11.5 Specifieke functieregels
11.5.1 Gebruik overeenkomstig de functie
  • 1. Voor een bed & breakfast geldt dat daarvoor niet meer dan twee kamers in de woning mogen worden gebruikt met maximaal twee bedden per kamer en dat het parkeren op eigen terrein plaatsvindt;
  • 2. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal woningen' mag het aantal woningen niet meer bedragen dan op de verbeelding is weergegeven;
  • 3. Gebruik van ruimten binnen de woning en in de bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van één of meer aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten, wordt als gebruik overeenkomstig de functie aangemerkt, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    • a. maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning met inbegrip van gerealiseerde aan- en uitbouwen en bijgebouwen, tot ten hoogste in totaal 50 m2 mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit;
    • b. degene die de activiteiten uitvoert, dient ook de bewoner van de woning te zijn;
    • c. dit geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse en/of een onevenredige parkeerdruk tot gevolg heeft;
    • d. er mag geen detailhandel plaatsvinden.

11.6 Omgevingsplanactiviteit met afwegingsruimte functieregels
11.6.1 Omgevingsplanactiviteit kamerverhuur
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning onzelfstandige huisvesting van één of meer huishoudens (kamerverhuur) toe te staan:
  • 2. De omgevingsvergunning wordt uitsluitend onder de voorwaarde verleend dat daarmee geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  • a. de brandveiligheid;
  • b. de externe veiligheid
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden
  • g. het straat- en bebouwingsbeeld en
  • h. er wordt voldaan aan de minimale oppervlakte zoals genoemd in de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld en;
  • i. er dient te worden aangetoond dat de woningen passen binnen de Woonvisie Barneveld 2025-2027 'Wonen voor jong & oud'.

Artikel 12 Waarde - Archeologie 1

12.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 1'.

12.2 Functieomschrijving

De als 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden van de gronden.

12.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen
  • 1. Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd voor zover de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 10.000 m2 en de ondergrondse bouwdiepte meer dan 0,3 m bedraagt.

  • 2. Als artikel 12.3, eerste lid van toepassing is, dan mag desondanks worden gebouwd ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functie(s) - met inachtneming van de voor de betrokken functie(s) geldende (bouw)regels - indien de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld met een archeologisch onderzoeksrapport en/of advies van een archeologisch deskundige. In dat geval kan aan de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen de voorwaarde worden verbonden dat technische maatregelen worden getroffen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden.

  • 3. Indien uit het in het tweede lid bedoelde archeologisch onderzoeksrapport en/of advies blijkt dat de archeologische waarden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag toch een omgevingsvergunning verlenen op voorwaarde dat:
  • opgravingen worden verricht en daarvan binnen twee jaar na inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor het bouwen rapportage wordt gedaan; en/of
  • een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg de werken of werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring, begeleidt.

12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte van meer dan 10.000 m2:
    • a. grondbewerkingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage, verwijderen van funderingen;
    • b. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen en kolken;
    • c. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld.

  • 2. De werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, bedoeld in het vorige lid, zijn slechts toelaatbaar, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden, hetgeen kan blijken uit een archeologische rapportage en/of advies van een archeologisch deskundige.

  • 3. Het verbod gegeven in het eerste lid is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
    • a. behoren bij het normale onderhoud, gebruik en beheer, dan wel archeologisch onderzoek betreffen;
    • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende (omgevings)vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
    • c. ten dienste van archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd.

Artikel 13 Waarde - Archeologie 2

13.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2'.

13.2 Functieomschrijving

De als 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen locaties zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden van de gronden.

13.3 Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwen
  • 1. Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd voor zover de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 2.000 m2 en de ondergrondse bouwdiepte meer dan 0,3 m bedraagt.

  • 2. Als artikel 13.3, eerste lid van toepassing is, dan mag desondanks worden gebouwd ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende functie(s) - met inachtneming van de voor de betrokken functie(s) geldende (bouw)regels - indien de archeologische waarden van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld met een archeologisch onderzoeksrapport en/of advies van een archeologisch deskundige. In dat geval kan aan de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen de voorwaarde worden verbonden dat technische maatregelen worden getroffen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden.

  • 3. Indien uit het in het tweede lid bedoelde archeologisch onderzoeksrapport en/of advies blijkt dat de archeologische waarden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag toch een omgevingsvergunning verlenen op voorwaarde dat:
  • opgravingen worden verricht en daarvan binnen twee jaar na inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor het bouwen rapportage wordt gedaan; en/of
  • een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg de werken of werkzaamheden die leiden tot bodemverstoring, begeleidt.

13.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte van meer dan 2.000 m2:
    • a. grondbewerkingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld, zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage, verwijderen van funderingen;
    • b. het aanleggen van waterlopen en het vergraven, verruimen en dempen van bestaande waterlopen en kolken;
    • c. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,3 m onder het maaiveld.

  • 2. De werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, bedoeld in het vorige lid, zijn slechts toelaatbaar, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden, hetgeen kan blijken uit een archeologische rapportage en/of advies van een archeologisch deskundige.

  • 3. Het verbod gegeven in het eerste lid is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
    • a. behoren bij het normale onderhoud, gebruik en beheer, dan wel archeologisch onderzoek betreffen;
    • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
    • c. ten dienste van archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 14 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 15 Algemene beoordelingsregels

15.1 Omgevingsplanactiviteit ondergronds bouwen in kernen
  • 1. Voor het ondergronds bouwen geldt dat het is toegestaan waar ook bovengronds bouwen is toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - ondergronds bouwwerk'.
  • 2. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - ondergronds bouwwerk' is het verboden om ondergronds te bouwen.

15.2 Beeldkwaliteit en beoordelingsregels uiterlijk bouwwerken
15.2.1 Toepassingsbereik
  • 1. Dit artikel geldt voor alle aanvragen om een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen binnen het gebied waarop TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Woon-Werklandschap Verbindingsweg van toepassing is.
  • 2. Dit artikel geldt aanvullend op de beoordelingsregels die per functie in Hoofdstuk 2 Regels over functies en activiteiten zijn opgenomen.

15.2.2 Beeldkwaliteitsplan als toetsingskader

Bij de beoordeling of een bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand, als bedoeld in artikel 12 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, past het bevoegd gezag de in het bij hfst. 22a Beeldkwaliteitsplan (bijlage 4) neergelegde criteria toe.

  • 3. Het in het vorige lid genoemde bij hfst. 22a Beeldkwaliteitsplan wordt aangemerkt als beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet en vormt het toetsingskader voor het uiterlijk van bouwwerken binnen het plangebied.
  • 4. Het bij hfst. 22a Beeldkwaliteitsplan maakt als bijlage 4 uit van dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Woon-Werklandschap Verbindingsweg.

15.2.3 Beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen wordt slechts verleend indien het bouwplan:

voldoet aan de bouw- en maatvoeringsregels van de van toepassing zijnde functie uit Regels over functies en activiteiten;

  • j. geen onevenredige aantasting veroorzaakt van het straat- en bebouwingsbeeld, zoals beoordeeld aan de hand van het bij hfst. 22a Beeldkwaliteitsplan;
  • k. in verschijningsvorm, materiaalgebruik, massaopbouw en architectonische uitwerking voldoet aan de relevante criteria uit het bij hfst. 22a Beeldkwaliteitsplan;
  • l. past binnen de gebiedskenmerken en ruimtelijke hoofdstructuur zoals in het beeldkwaliteitsplan beschreven.

15.2.4 Afwijkingsmogelijkheid

Het bevoegd gezag kan afwijken van één of meer criteria uit het bij hfst. 22a Beeldkwaliteitsplan, mits wordt aangetoond dat het bouwplan:

    • a. gelijkwaardig of beter bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit; en
    • b. geen onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld veroorzaakt.
  • 5. Voor toepassing van het vorige lid wint het bevoegd gezag advies in bij de Commissie Omgevingskwaliteit.

15.2.5 Voorrang planregels

Indien sprake is van strijd tussen bepalingen van Hoofdstuk 2 Regels over functies en activiteiten en het bij hfst. 22a Beeldkwaliteitsplan, dan gaan de planregels van dit Hoofdstuk 2 voor.

Artikel 16 Algemene gebruiksregels

16.1 Voorwaardelijke verplichting
16.1.1 overige zone - voorwaardelijke verplichting 1

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 1' geldt - in afwijking van de daar geldende functie(s) - dat het gebruik volgens de functie(s) alleen is toegestaan op voorwaarde dat binnen twee jaar na het inwerkingtreden van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning, zoals bedoeld in artikel 10, de gronden binnen deze functie zijn ingericht en vervolgens ingericht blijven overeenkomstig het inrichtingsplan en beheersplan, zoals opgenomen in Bijlage XX; Indien niet aan deze verplichting wordt voldaan is het als zodanig gebruiken van de gronden waarvoor een verplichte inrichting is voorgeschreven in strijd met deze functie.

16.1.2 overige zone - voorwaardelijke verplichting 2

Ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - voorwaardelijke verplichting 2' geldt dat - in afwijking van de daar geldende functie(s) - het gebruik volgens de functie(s) alleen is toegestaan op voorwaarde dat het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein zoals weergegeven Bijlage 5 is aangelegd en vervolgens in stand wordt gehouden. Indien niet aan deze verplichting wordt voldaan is het als zodanig gebruiken van de gronden behorende bij die parkeerplaats(en), waarvoor een verplichte inrichting is voorgeschreven in strijd met deze functie.

16.1.3 overige zone - voorwaardelijke verplichting 3

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 3' geldt - in afwijking van de daar geldende functie(s) - dat het bebouwen en gebruik volgens de functie(s) alleen is toegestaan op voorwaarde dat een greppel is gegraven die aansluit op de watergang in openbaar gebied en vervolgens aanwezig blijft , zoals opgenomen in Bijlage 6.

16.2 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden

Ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - hogere geluidswaarde' is in afwijking van de standaardwaarden het volgende maximale gezamenlijke geluid toegestaan. In de onderstaande tabel is de locatie en het maximale gezamenlijke geluid met bijbehorende geluidsbron weergegeven. Dit zoals weergegeven in Bijlage 13.

Locatie   maximale gezamenlijke geluid   Geluidsbron  
deel plangebied   56 dB   A1, gecumuleerd  

16.3 Gebruik overeenkomstig de functie

Als gebruik overeenkomstig de functie wordt aangemerkt:

  • 1. het gebruiken van een woning voor particuliere vakantie-verhuur met dien verstande dat:
    • a. dit niet meer dan 60 nachten per kalenderjaar is;
    • b. geen onevenredige aantasting van de milieusituatie plaatsvindt;
    • c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig wordt aangetast; en
    • d. parkeren op eigen terrein plaatsvindt.

 

16.4 Gebruik strijdig met de functie

Het volgende gebruik van de gronden en de gebouwen en andere bouwwerken is verboden:

  • a. het (laten) gebruiken van de gronden als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, uitgezonderd het gebruik dat in Hoofdstuk 2 uitdrukkelijk is toegestaan;
  • b. het (laten) gebruiken van gronden voor sport- en wedstrijdterreinen, uitgezonderd het gebruik dat in Hoofdstuk 2 uitdrukkelijk is toegestaan;
  • c. het (laten) gebruiken van gronden voor motor- en modelvliegtuigsport;
  • d. het (laten) gebruiken van gronden voor militair oefenterrein met motorvoertuigen, uitgezonderd het gebruik dat in Hoofdstuk 2 uitdrukkelijk is toegestaan;
  • e. het (laten) gebruiken van gronden voor een seksinrichting dan wel coffeeshop;
  • f. het (laten) gebruiken van gronden voor een landingsplaats voor vliegtuigen, helikopters en/of ultralighthelikopters, niet zijnde traumahelikopters.

Artikel 17 Algemene afwijkingsregels

17.1 Omgevingsplanactiviteiten met afwegingsruimte functieregels
17.1.1 Omgevingsplanactiviteit aanpassen grenzen
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de grens of de richting van wegen, parkeerstroken, paden, bermen en sloten en ligging van bebouwingsgrenzen aan te passen.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. bij de uitmeting blijkt dat de aanpassing noodzakelijk is gelet op de werkelijke toestand van het terrein;
    • b. die afwijkingen ten opzichte van hetgeen op de verbeelding is weergegeven niet meer bedragen dan 10 m;
    • c. geen sprake is van een onevenredige aantasting van:
      • het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
      • de brandveiligheid;
      • de externe veiligheid;
      • de verkeersveiligheid;
      • de sociale veiligheid;
      • de milieusituatie; en
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

17.1.2 Omgevingsplanactiviteit afmetingen bebouwing
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning om te bouwen in afwijking van de bepalingen ten aanzien van de afmetingen van de bebouwing.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de afwijkingen beperkt blijven tot ten hoogste 10% van de in het plan weergegeven maten;
    • b. geen sprake is van een onevenredige aantasting van:
      • het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
      • de brandveiligheid;
      • de externe veiligheid;
      • de verkeersveiligheid;
      • de sociale veiligheid;
      • de milieusituatie; en
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

17.1.3 Omgevingsplanactiviteit afwijken voorwaardelijke verplichting inrichtings- en beheersplan
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de gronden op een andere gelijkwaardige wijze in te richten en in stand te houden in afwijking van het bepaalde in artikel 16.1.1 overige zone - voorwaardelijke verplichting 1.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de belangen van gebruikers en/of eigenaren van nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
    • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit;
    • c. de gemeentelijke landschapsadviseur akkoord gaat met de voorgestelde andere gelijkwaardige wijze van inrichting.

17.1.4 Omgevingsplanactiviteit buitengevelisolatie
  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de maximum goot- en bouwhoogte, de grenzen van een bouwvlak, en/of de maximum inhoud te overschrijden ten behoeve van het realiseren van buitengevelisolatie (met nieuwe gevelbekleding) aan een bestaand gebouw of bouwwerk.
  • 2. De omgevingsvergunning als bedoeld in het vorige lid wordt uitsluitend onder de voorwaarden verleend dat:
    • a. de overschrijding beperkt blijft tot een afstand van 0,5 m;
    • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld;
    • c. de daartoe aangewezen adviescommissie positief adviseert voor zover sprake is van een rijks- of gemeentelijk monument.

Artikel 18 Overige regels

18.1 Parkeren
18.1.1 Parkeernorm

Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen (zoals nieuwbouw- of verbouwplannen) waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is, geldt dat voldoende parkeerplaatsen aanwezig dienen te zijn (en te blijven) conform de Nota Parkeernormen 2020 (zie Bijlage 1 bij hfst. 22s Nota Parkeernormen (2020). Indien de nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met die wijziging.

18.1.2 Uitzondering

Het in bepaalde in 18.1.1 is niet van toepassing op het vergroten van een woning.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 19 Overgangsrecht bouwwerken

  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan mag, mits;
    • a. deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het vorige lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het vorige lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar niet zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 20 Overgangsrecht gebruik

  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het plan strijdige gebruik, bedoeld in het vorige lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.