direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Oostelijke Randweg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In 2008 is besloten om de Lange Broekweg aan te sluiten op de nieuw te bouwen kruizing in de bestaande Veilingroute/Verlengde Veilingroute (onderdeel van het zogenaamde 3-in-1-project). Dit heeft een aantal positieve verkeerskundige gevolgen namelijk:

  • 1. de ontsluiting van de kern De Lier op de Veilingroute/Verlengde Veilingroute richting Flora Holland, Burgemeester Elsenweg en Middelbroekweg verbetert sterk als gevolg van een kortere route;
  • 2. er ontstaat een directe regionale subverbinding tussen de provinciale weg N223 (Delft – Westerlee) en de provinciale weg N222 (Veilingroute-Verlengde Veilingroute). Deze verbinding loopt via de Noordlierweg, Veilingweg, Kasteelweg en Lange Broekweg v.v. Dit laatste leidt tot een (geringe) vermindering van het verkeer op de gemeentelijke wegenstructuur in de kern De Lier en op de provinciale infrastructuur, onder andere op het kruispunt Westerlee. Het regionale verkeer verdeelt zich zodoende over meerdere wegen;
  • 3. Er ontstaat een geschikte alternatieve route als uitwijkingsmogelijkheid bij stremmingen op één van de twee provinciale wegen.

Een negatief effect is echter een ontoelaatbare toename van verkeer op de Noordlierweg. De Noordlierweg heeft een wegprofiel, dat niet geschikt is om deze toename van verkeer te verwerken. Zeker niet in combinatie met de hoeveelheid vrachtverkeer en het fietsverkeer dat over deze weg rijdt. De genoemde gevolgen en effecten worden nog versterkt door de recente openstelling van de A4.

De Noordlierweg zal van het doorgaande verkeer moeten worden ontdaan. Daarom is het noodzakelijk een alternatieve route te ontwikkelen. Deze route wordt gevormd door een extra verbindingsweg aan te leggen aan de oostzijde van de kern De Lier, de zogenaamde Oostelijke Randweg. Modelberekeningen laten zien, dat bij aanleg van deze randweg de verkeerstromen zich zullen verleggen naar deze weg. Tevens worden de straten Bleijenburg, Lierweg en Kerklaan ontlast.

Naast het ontlasten van de Noordlierweg dient de nieuwe randweg de verkeersdruk in de kern De Lier te verminderen en de geplande woningbouw op de locatie Molensloot goed te ontsluiten.

De aanleg van de Oostelijke Randweg is deels niet passend binnen het huidige juridisch-planologisch regime. Om de weg aan te kunnen leggen is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen ten oosten van de kern De Lier en bevindt zich globaal tussen de provinciale weg N223 in het zuiden en de Veilingweg in het noorden. Ten oosten wordt het plangebied begrensd door de Blakervaart en aan de westzijde door de bedrijven en bebouwing langs de Laan van Adrichem en de Vreeburchlaan. Op dit moment bestaat het plangebied grotendeels uit weiland en kassen. In onderstaande afbeelding is de globale begrenzing van het plangebied met een rode contour weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0001.png"

Globale ligging Oostelijke Randweg De Lier (gele contour)

1.3 Voorheen geldende bestemmingsplannen

Binnen het plangebied waren, voor het van kracht worden van dit bestemmingsplan, de volgende planregimes van kracht:

  • Glastuinbouwgebied Westland, vastgesteld 19 december 2012
  • Kern De Lier, vastgesteld 19 maart 2013
  • N223 uitvoeringsfase 2, vastgesteld 14 december 2010
  • Hof van Vreeburch te De Lier, vastgesteld 4 maart 2014. 

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan "Oostelijke Randweg" bestaat uit een toelichting, planregels en een planverbeelding. De toelichting is als volgt opgebouwd. In Hoofdstuk 2 komt de gebiedsvisie aan de orde, zijnde het beleid dat aan dit bestemmingsplan ten grondslag ligt. Eerst wordt ingegaan op het gemeentelijk beleid, het beleid van het Hoogheemraadschap van Delfland, het provinciale beleid en het Rijksbeleid, voor zover dit beleid betrekking heeft op dit bestemmingsplan. Naast toetsing aan dat beleid vindt in dit hoofdstuk ook de toetsing aan de provinciale verordening ruimte 2014 en aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening plaats. Dit tezamen leidt tot een beschrijving van de gemeentelijke visie op het gewenste behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. In Hoofdstuk 3 wordt het verkennend onderzoek weergegeven, dat op grond van de toepasselijke wetgeving moet worden verricht ter voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan. In Hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op de planvorm en de achtergrond bij de regels die zijn opgenomen voor de verschillende bestemmingen. Tot slot wordt in Hoofdstuk 5 ingegaan op het handhavingsbeleid, de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie

2.1 Beleidskader

De beleidscontext voor de visie op het plangebied wordt gevormd door gemeentelijke en regionale beleidsrapportages, het beleid van het waterschap en de provinciale en landelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat. Het hier samengevatte beleidskader is niet uitputtend. In de toelichting wordt op een aantal plaatsen verwezen naar specifiek beleid of beleidsnotities die niet in deze paragraaf worden behandeld. Tot slot wordt in dit hoofdstuk een beschrijving gegeven van de visie op het plangebied. Deze visie is gericht op het behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit.

2.1.1 Gemeentelijk beleid
2.1.1.1 Structuurvisie Westland 2025-Perspectief 2040

a. Algemeen

Op 17 december 2013 heeft de raad van de gemeente Westland de Structuurvisie Westland 2025; Perspectief 2040 vastgesteld, één en ander als geboden in artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening. In de Structuurvisie worden de ruimtelijk gewenste ontwikkelingen tot 2025 aangegeven, met een doorkijk naar 2040.

De Structuurvisie is het nieuwe ruimtelijke afwegingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Westland. Daarmee vervangt het de ruimtelijke componenten uit de Visie Greenport Westland 2020.

b. Economie

De kracht van Westland zit in de onderlingen verwevenheid en afhankelijkheid van functies binnen het glastuinbouwcluster. Om welvarend te blijven zal Westland zich steeds meer richten op kennisontwikkeling en innovatie, handel en logistiek en duurzame glastuinbouw. Dat doet Westland aan de hand van de volgende speerpunten:

  • groei van het hele glastuinbouwcluster faciliteren: producerende, toeleverende, verwerkende en distribuerende bedrijven;
  • moderniseren van het teeltareaal: faciliteren van modernisering door randvoorwaarden te scheppen op het gebied van ontsluiting en ruimtelijke ordening;
  • verduurzaming cluster: water en energie;
  • aandacht besteden aan de ruimtelijke kwaliteit en veiligheid in het gebied: goede verhouding tussen verdiencapaciteit en kwaliteit en belevingswaarde van omgeving;
  • passende lokale economie;
  • verbeteren bereikbaarheid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0002.png"

Structuurvisiekaart gemeente Westland

Wat betreft het thema bereikbaarheid geeft de structuurvisie het volgende aan. Om de doorstroming te verbeteren wordt ingezet op het beter benutten van de bestaande structuur, het aanpakken van de verkeersknooppunten en capaciteitsuitbreiding. Bij voorkeur worden infrastructurele aanpassingen in deze volgorde gedaan, omdat blijkt dat de knooppunten eerder een beperkende factor zijn dan de capaciteit op wegvakken.

De vlinderstructuur beschrijft grotendeels bestaande wegen en wordt compleet gemaakt door het 3-in-1 project. Het 3-in-1 project is onder meer opgezet om het knelpunt van knooppunt Westerlee op te lossen en is bedoeld om de ontsluiting van het hele Westland te bevorderen. Op dit knooppunt is veel sprake van filevorming. Het project bestaat uit:

  • 1. het doortrekken van de veilingroute naar Westerlee;
  • 2. reconstructie knooppunt Westerlee;
  • 3. het aanleggen van een tweede ontsluitingsweg naar Hoek van Holland (gerealiseerd).

De zuidelijke randweg van Naaldwijk maakt de ontsluiting in dit gebied van Westland compleet. Een andere concrete infrastructurele aanpassing is de oostelijke Randweg De Lier, die in combinatie met de te ontwikkelen woonwijken wordt gerealiseerd. Deze weg is een belangrijke ontsluiting indien het hoofdwegennet van Westland gestremd wordt en zorgt tevens voor de ontsluiting van de woonwijk.

c. Verkeers- en vervoerbeleid

In de structuurvisie Westland uit 2014 is in hoofdlijnen het verbeteren van de bereikbaarheid van Westland opgenomen. Het verbeteren van de bereikbaarheid ondersteunt de ambities om een duurzame Greenport gemeente zijn, waar het goed wonen, werken en recreëren is. Speerpunten voor de bereikbaarheid zijn:

  • Aansluiting op het rijkswegennet verbeteren;
  • Realiseren vlinderstructuur Westland;
  • Mobiliteitsmanagement;
  • Hoogwaardig openbaar vervoer ontwikkelen;
  • Langzaam verkeer stimuleren;
  • Ontsluiting kernen en glastuinbouwgebieden verbeteren.

De kaders voor onder andere duurzaam veilige inrichting van de wegen en de parkeernormen zijn opgenomen in het Westlands Verkeer en Vervoerplan, vastgesteld door de raad van de gemeente op 28 november 2006.

d. Groenblauwe omgeving en vrijetijdsvoorzieningen

De mate van leefbaarheid wordt niet alleen bepaald door de vitaliteit van de kernen, maar zeker ook door de gebiedskwaliteit van de leefomgeving. Daarbij neemt de groenblauwe hoofdstructuur een prominente plek in, als het gaat om de vrijetijdsbesteding van de Westlanders en bezoekers van de gemeente.

De groenblauwe hoofdstructuur van Westland bestaat uit de kust, de Poelzone, de Zwethzone, de Westlandse Zoom, de Gantel en de Blakervaart, die voor mens en dier een reis door Westland aantrekkelijk maken. De stepping stones Staelduinse Bos, Wollebrand, Plas van alle Winden en Prinsenbos vormen de hoofdstructuur, die de kust aan de Hof van Delfland binden.

e. Toepassing structuurvisie op dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan omvat de aanleg van de Oostelijke Randweg in De Lier. Deze ontsluitingsweg wordt in combinatie met de woonwijk Liermolen gerealiseerd. Zoals in paragraaf 2.1.1.1 onder b is aangegeven, zorgt deze weg niet alleen voor de ontsluiting van de woonwijk, maar is deze ook een belangrijke ontsluiting, indien het hoofdwegennet van Westland gestremd wordt. Het verbeteren van de bereikbaarheid is één van de speerpunten die wordt genoemd in de Structuurvisie. Met de realisatie van de aanleg van de Oostelijke Randweg wordt hieraan invulling gegeven.

2.1.1.2 Westlands Verkeer en Vervoersplan (2005-2015)

Het Westlands Verkeer en Vervoersplan (WVVP) is door de raad van de gemeente vastgesteld op 28 november 2006. Met het WVVP wordt vanuit het oogpunt van verkeer en vervoer invulling gegeven aan het strategische (ruimtelijke) beleid voor de gemeente Westland.

Op basis van deze vertaling zijn concrete projecten en maatregelen benoemd. Daarbij zijn prioriteiten bepaald en is een volgorde voor uitwerkingen realistisch weergegeven. Uit de evaluatie van ontwikkelingen, het gebruik van verkeers- en vervoerssystemen en het effect van de gerealiseerde maatregelen, wordt bepaald of het beleid bijsturing behoeft en de prioriteiten en planning moeten worden aangepast.

In het WVVP zijn beleidsdoelstellingen geformuleerd voor geluid en kwaliteit, goederenvervoer, autoverkeer, fietsverkeer, openbaar vervoer, parkeren, verkeersveiligheid en mobiliteitsmanagement.

De gemeente Westland voert een parkeerbeleid waarmee gestreefd wordt naar een zodanig aanbod van parkeerplaatsen in de kernen, dat economische functies en diverse voorzieningen ten behoeve van het wonen goed kunnen (blijven) functioneren en de bereikbaarheid, en daarmee de aantrekkelijkheid van de kernen of woongebieden eromheen, gewaarborgd blijft. Hierbij wordt onder andere uitgegaan van de bepaling van aantal, situering, inrichting en vorm van parkeervoorzieningen, eventueel ondersteund met verkeersmaatregelen (parkeer/stopverboden en parkeerzones). Met het WVVP zijn nieuwe parkeernormen vastgesteld, opdat nieuwbouw niet langer met parkeerproblemen geconfronteerd wordt.

Het WVVP omvat tevens een wegencategorisering. De in het plangebied geprojecteerde Oostelijke Randweg is een weg die valt in categorie gebiedsontsluitingsweg (GOW).

2.1.1.3 Waterplan Westland

Voor de watersystemen in de gemeente is door de raad het Waterplan "Westlands water, nu en later", vastgesteld. Op 3 februari 2015 is daarvoor het nieuwe uitvoeringsprogramma vastgesteld, dat in samenwerking met het Hoogheemraadschap van Delfland zal worden uitgevoerd.

2.1.2 Regionaal beleid

Regionaal structuurplan Haaglanden

Het Regionaal Structuurplan Haaglanden (RSP) is een integraal plan voor de ruimtelijke ontwikkeling van Haaglanden en het kader voor het regionale beleid op het gebied van milieu, groen, mobiliteit, wonen en economie en voor lokale plannen, zoals de bestemmingsplannen. Het vastgestelde Regionaal Structuurplan Haaglanden kijkt naar 2020 (en soms 2030) en omvat de grote lijnen voor de ambities en ontwikkelingen op verschillende terreinen, zoals verkeer, wonen, werken, water, groen, etc.

In het Regionaal Structuurplan Haaglanden is de Blakervaart aangewezen als belangrijke groen-blauwe schakel tussen de Wollebrand en het Kraaijenest als onderdeel van een groen-blauw netwerk in de regio. Dit groen-blauwe netwerk wordt in de top 7 genoemd als noodzakelijke robuuste regionale groenstructuur ten behoeve van het verbinden van landschappen, groen en het realiseren van een recreatief en ecologisch netwerk.

Tevens worden in het Regionaal Structuurplan richtinggevende uitspraken gedaan als:

  • De groene structuur is nauw verbonden met de blauwe structuur en biedt ruimte om de wateropgaven nu en in de toekomst het hoofd te bieden
  • Groen ontwikkelen als een samenhangende structuur van aantrekkelijke, goed verbonden en toegankelijke groengebieden
  • Ecologische structuur ontwikkelen als onderdeel van de kwaliteit van de regionale groene structuur
  • Kansen voor groen-blauwe ontwikkelingen benutten bij herstructurering van bedrijventerreinen, stedelijke wijken, glastuinbouwgebieden en realisatie van verkeersinfrastructuur

In het Regionaal Structuurplan wordt de gemeente Westland aangewezen als de partij die verantwoordelijk is voor de groenblauwe verbindingen tussen de Delflandse Kust en Midden-Delfland. De Ecologische verbindingszone langs de Blakervaart maakt onderdeel uit van deze groenblauwe structuur, die nu mee kan liften met de Oostelijke Randweg De Lier. Evenals de recreatieve verbindingen voor fietsen, wandelen, paardrijden en varen die hierin mee kunnen liften vanuit het principe recreatief medegebruik.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0003.png"

2.1.3 Beleidskader van het hoogheemraadschap
2.1.3.1 Beleidsnota Beperken en voorkomen wateroverlast (2014)

a. Algemeen

Op 10 juli 2014 heeft het Hoogheemraadschap van Delfland de beleidsnota "Beperken en voorkomen wateroverlast" vastgesteld. Deze beleidsnota is van belang voor iedereen die plannen ontwikkelt, die van invloed kunnen zijn op het functioneren van het watersysteem.

De beleidsnota bevat het Delflandse beleid op hoofdlijnen voor het op orde brengen en houden van het watersysteem ten aanzien van wateroverlast.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0004.png"

Kaart watersystemen Delfland (bron: Hoogheemraadschap van Delfland)

Het gaat daarbij om zowel het oplossen van bestaande knelpunten als om het voorkomen van nieuwe knelpunten. De uitgangspunten die Delfland hierbij hanteert, zijn:

  • 1. Delfland hanteert de waterkwantiteitsnormen uit de provinciale waterverordening als ijkpunt om aan zijn wettelijke taak als waterkwantiteitsbeheerder te voldoen;
  • 2. bij de uitwerking en afweging van maatregelen voor het op orde brengen en houden van het watersysteem wordt naar het functioneren van het hele watersysteem gekeken;
  • 3. het hanteren van het stand-still-beginsel, hetgeen betekent dat de kans op wateroverlast niet mag toenemen als gevolg van een ingreep in het watersysteem of een handeling die invloed heeft op het functioneren van het watersysteem;
  • 4. de structuur van het watersysteem mag niet verslechteren;
  • 5. de beheerbaarheid van het systeem mag niet achteruitgaan;
  • 6. samenwerking met gebiedspartners om het watersysteem op orde te brengen en te houden (gebiedsgerichte aanpak);
  • 7. Delfland zet in op maatregelen die leiden tot het hoogste maatschappelijke rendement tegen de laagste maatschappelijke kosten, door bij zijn inzet in gebiedsprocessen een afweging te maken op basis van het te verwachten maatschappelijke rendement van deze inzet (marktgerichte aanpak);
  • 8. het niet op voorhand uitsluiten van oplossingen om het watersysteem op orde te brengen en te houden, alle oplossingen meewegend (afwegingskader).

b. Ruimtelijke plannen

Ruimtelijke plannen kunnen gevolgen hebben voor de kans op wateroverlast. Als aanvulling op de Handreiking watertoets voor gemeenten (zie volgende paragraaf) zijn voor het beperken en voorkomen van wateroverlast extra beoordelingscriteria, richtlijnen en aandachtspunten geformuleerd. Een deel hiervan luidt als volgt:

  • de kans op wateroverlast mag niet toenemen als gevolg van de mogelijkheden in het ruimtelijke plan;
  • de structuur van het watersysteem mag door het ruimtelijk plan niet verslechteren;
  • het is ongewenst, dat door het ruimtelijk plan een toename van de waterafvoer uit een gebied ontstaat;
  • het ruimtelijk plan vormt geen belemmering voor beheer en onderhoud van het watersysteem;
  • het watersysteem kan op orde worden gebracht en gehouden door maatregelen te nemen in "de weg van het water": van vasthouden waar de regen valt, opvangen in het watersysteem (bergen) tot de afvoer het gebied uit;
  • borging van de vasthoudmaatregelen in het kader van het ruimtelijk plan en eventueel bijbehorende exploitatieplan is noodzakelijk;
  • waterbergingen worden ruimtelijk geborgd;
  • primaire wateren en bijbehorende andere waterstaatswerken worden ruimtelijk geborgd;
  • beheer en onderhoud van het watersysteem mag niet worden belemmerd;
  • om wateroverlast te voorkomen is het gewenst om de laagste delen van een waterhuishoudkundige eenheid niet te bebouwen, tenzij andere maatregelen zoals het ophogen van de gronden, waar gebouwd gaat worden, een efficiënte maatregel blijkt te zijn.
2.1.3.2 Handreiking watertoets voor gemeenten (2014)

Op 14 april 2014 (herzien op 7 juli 2016) is de nieuwe "Handreiking watertoets voor gemeenten" vastgesteld. Deze is raadpleegbaar op www.hhdelfland.nl/watertoets. De nieuwe handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van het proces en de inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. 24

In paragraaf 3.3 van deze toelichting is beschreven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van dit bestemmingsplan voor de waterhuishouding.

2.1.3.3 Waterbeheerplan 2016-2021

Een waterbeheerder is op grond van artikel 4.6 van de Waterwet verplicht om voor de onder zijn beheer staande watersystemen een beheerplan vast te stellen. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft haar nieuwe waterbeheerplan voor de periode 2016-2021 vastgesteld op 19 november 2015.

In het waterbeheerplan worden kaders gesteld voor, onder andere, de waterveiligheid en het voorkomen van wateroverlast. Deze onderdelen van het beheer van het watersysteem zijn tevens van belang voor het plangebied, waarin de waterkering zal worden verlegd en waarin een opgave voor waterberging aanwezig is (zie verder 3.3 van deze toelichting).

2.1.4 Provinciaal beleid
2.1.4.1 Visie ruimte en mobiliteit (2014)

Op 9 juli 2014 hebben provinciale staten van Zuid-Holland de Visie ruimte en mobiliteit (VRM) vastgesteld, een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening. De VRM is op 1 augustus 2014 in werking getreden. Met de VRM wordt op hoofdlijnen sturing gegeven aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Van de VRM maken deel uit het Programma ruimte en het Programma mobiliteit. Het normatieve kader van de VRM is gegeven in de Verordening ruimte 2014 (zie paragraaf 2.1.4.2 hierna).

a. Ruimtelijke kwaliteit algemeen

Met de VRM geeft de provincie Zuid-Holland richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een "ja, mits-beleid": ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit).

Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ("handelingskader ruimtelijke kwaliteit"). Dit beleid maakt naar zijn aard meerdere uitleg mogelijk. Vanuit de nieuwe sturingsfilosofie is dit een kans en geen bedreiging. Gelet op het gezamenlijke belang is een gedeelde opvatting over de uitleg en interpretatie van het kwaliteitsbeleid per concreet gebied wenselijk. Daarmee ontstaat ruimte voor maatwerk. De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit.

De gebiedsprofielen, die gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio zijn opgesteld, spelen een belangrijke rol bij het ontwikkelen van zo'n gedeelde opvatting. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader.

Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn.

b. Programma ruimte

Het Programma ruimte is parallel aan de Visie ruimte en mobiliteit vastgesteld. In de Visie is het strategische beleid verwoord, terwijl in het Programma ruimte het ruimtelijk-relevante, operationele beleid is opgenomen. Dit programma kent, net als de Visie ruimte en mobiliteit, de status van structuurvisie. In beide beleidsdocumenten wordt het integrale ruimtelijk beleid beschreven.

Volgens de Verordening ruimte 2014 moeten nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaande stads- en dorpsgebieden (hierna: BSD) van meer dan 3 ha in het Programma ruimte zijn opgenomen. Indien in regionale visies of bestemmingsplannen locaties worden opgenomen buiten de BSD die groter zijn dan 3 ha, dienen die door provinciale staten in het Programma ruimte te worden opgenomen, voor zover zij daar al niet in opgenomen zijn.

Vooruitlopend op die voortschrijdende procedure van aanpassing en aanvulling, zijn in het Programma ruimte kaarten en tabellen opgenomen met, onder andere, woningbouwlocaties buiten de BSD die groter zijn dan 3 ha. Het betreft zowel "harde" als "zachte" capaciteit. De kaart is voorzien van een overzicht met de namen van de plaatsen en plannen en met de oppervlaktes van de locaties.

c. Programma mobiliteit

Het Programma mobiliteit is parallel aan de Visie ruimte en mobiliteit vastgesteld. In de Visie is het strategische beleid verwoord, terwijl in het Programma mobiliteit het ruimtelijk-relevante, operationele beleid is opgenomen. Dit programma kent, net als de Visie ruimte en mobiliteit, de status van structuurvisie. In beide beleidsdocumenten wordt het integrale mobiliteitsbeleid beschreven.

Het succes van de Nederlandse greenports drijft op export, maar staat wel onder druk. Door investeringen in kwaliteit, product- en procesinnovatie maar ook in logistiek, kunnen nieuwe markten worden aangeboord en kan de sector haar positie van wereldmarktleider behouden. De nabijheid van de mainport Rotterdam blijkt hierin cruciaal. In het vervoer van versproducten neemt het gebruik van containers snel toe. De greenports zullen steeds meer gebruik maken van de grote logistieke mogelijkheden van de mainport Rotterdam voor vervoer van containers. Voor de greenports zet de provincie daarom, in samenwerking met bedrijfsleven en andere overheden, in op de versterking van het verbindend logistieke netwerk tussen greenports, mainport(s) en achterland.

Belangrijke opgave voor onder andere greenport Westland is het verbeteren van de interne ontsluitingsstructuur en integratie in het logistieke netwerk van de Rotterdamse haven. Hiermee wordt een belangrijke aanvulling gegeven op het (inter)nationale kernnet logistiek,

zoals opgenomen in de SVIR. Het kernnet bevat de voor het goederenvervoer belangrijkste achterlandverbindingen van de mainports, de brainport en greenports. Een aantal provinciale wegen, vaarwegen en railverbindingen vormt onderdeel van dit verbindende netwerk waaronder het 3-in-1-project. Maatregelen op en aan deze infrastructuur ten behoeve van doorstroming van het goederenvervoer hebben prioriteit. De doorstroming van het vrachtverkeer kan worden geoptimaliseerd door bijvoorbeeld het installeren van tovergroen (de term tovergroen staat voor TOepassen Voorzieningen voor vrachtverkeER waarmee vrachtauto's voorrang krijgen bij verkeerslichten op de doorgaande richting), het medegebruik van busbanen, het aanpassen van rotondes en overige infrastructurele maatregelen. Ook is een aantal knooppunten in Zuid-Holland belangrijk voor het functioneren van het netwerk. Knooppunten als de agrologistieke handels- en transportcentra (onder andere ABC Westland) moeten waar mogelijk functioneel en ruimtelijk worden versterkt.

Een concreet actiepunt is knooppunten, als de agrologistieke handels- en transportcentra in het kernnet, waar mogelijk functioneel en ruimtelijk te versterken. Het opstellen van een Gebiedsverkenning Westland (voorziene oplevering eind 2016) vormt een onderdeel van dit actiepunt.

d. Behoud en vergroting van biodiversiteit

Het provinciale beleid is gericht op het behouden, herstellen en op langere termijn vergroten van de biodiversiteit in Zuid-Holland, inclusief de biodiversiteit van de bodem. Daarmee wordt niet alleen een belangrijke bijdrage geleverd aan het in stand houden van de Europese en mondiale biodiversiteit, maar ook aan andere maatschappelijke doelen. Zo zijn koppelingen mogelijk met een aantrekkelijk en klimaatbestendig woon- en vestigingsklimaat, waterveiligheid en waterkwaliteit, recreatie en het tegengaan van bodemdaling. Om dit doel te bereiken zet de provincie in op duurzaam beheer, bescherming en voltooiing van de Ecologische hoofdstructuur (EHS) en de realisatie van meer natuurwaarden op boerenland en in recreatiegebieden.

Het belangrijkste instrument om de biodiversiteitsdoelen te bereiken is de realisatie van de EHS. Deze structuur bestaat uit een robuust, kwalitatief hoogwaardig en samenhangend netwerk van bestaande bossen, natuurgebieden, landgoederen, nieuwe natuurgebieden, ecologische verbindingen, de grote Rijkswateren en de Noordzee. De EHS wordt goed beheerd en valt onder de gebiedscategorie 1: gebieden met bijzondere kwaliteit.

2.1.4.2 Verordening ruimte 2014

Op 9 juli 2014 hebben provinciale staten van Zuid-Holland in het kader van de Visie ruimte en mobiliteit (VRM) de Verordening ruimte 2014 (PVR 2014) vastgesteld. De PVR 2014 is op 1 augustus 2014 in werking getreden.

In de PVR 2014, een verordening als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening, worden regels gesteld aan bestemmingsplannen. Die regels betreffen de bebouwde ruimte en mobiliteit, de ruimtelijke kwaliteit, de combinatie landschap-groen-erfgoed en de combinatie energie-water-bodem.

2.1.4.3 Waterverordening Zuid-Holland (2015)

In de provinciale Waterverordening Zuid-Holland zijn normen voor wateroverlast vastgesteld. Deze normen bestaan uit een wenselijk geacht beschermingsniveau, waarop regionale wateren moeten zijn ingericht en hebben betrekking op de berging- en afvoercapaciteit. De normen voor wateroverlast zijn verschillend per vorm van landgebruik en zijn gerelateerd aan de economische waarde van landgebruik en de te verwachte schade bij overstromingen.

2.1.4.4 Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015

In het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland zijn de opgaven van de Europese kaderrichtlijn Water, het nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven:

  • waarborgen van de waterveiligheid;
  • zorgen voor mooi en schoon water;
  • ontwikkelen van duurzame zoetwatervoorziening;
  • realiseren van robuust en veerkrachtig watersysteem.

In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's en voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit leidt tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad.

In het Actieprogramma Water staat concreet wat de provincie doet om de beoogde resultaten in 2015 te kunnen behalen. Het gaat vooral om het uitwerken van nieuwe beleidskaders, het bewaken van de voortgang en regie op gebiedsprojecten. De daadwerkelijke uitvoering van projecten wordt verzorgd door de waterschappen. De provincie beschrijft wat er de komende jaren moet gebeuren. De waterschappen bepalen voor hun eigen karakteristieke beheergebied hoe zij dat doen.

2.1.5 Rijksbeleid
2.1.5.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

a. Algemeen

Het adagium van de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna genoemd: SVIR) is: "Nederland: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig". Daarmee streeft het Rijk naar een aanpak, die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De SVIR geeft een integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de "kapstok" voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

b. Doelen

In de structuurvisie formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028), namelijk:

  • 1. het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland (o.a. Mainports, Brainports en Greenports);
  • 2. het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • 3. het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving, waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn (zie paragraaf 3.8).

Het Westland is op de kaart van de nationale ruimtelijke hoofdstructuur aangewezen als Greenport (zie navolgende figuur).

Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. Er is nu te vaak sprake van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving of een sectorale blik. Daarom brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat (burgers en bedrijven) en laat het meer over aan gemeenten en provincies ("decentraal, tenzij…"). Dit betekent minder nationale belangen en eenvoudigere regelgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0005.png"

Uitsnede kaart nationale ruimtelijke hoofdstructuur

Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los. Alleen in de stedelijke regio's rondom de mainports (Amsterdam c.a. en Rotterdam c.a.) zal het Rijk afspraken maken met decentrale overheden over de programmering van de verstedelijking. Vertrouwen in medeoverheden is de basis voor het bepalen van verantwoordelijkheden, regelgeving en Rijksbetrokkenheid. Door hun regionale kennis en onderlinge samenwerkingsverbanden zijn gemeenten en provincies in staat om de opgaven integraal en doeltreffend aan te pakken.

Wanneer rijksdoelen en nationale belangen raken aan regionale opgaven, vraagt dit om heldere taakverdeling en samenwerkingsafspraken tussen de betrokken overheden. Deze afspraken maakt het Rijk met de regio integraal voor alle ruimtelijke en mobiliteitsonderwerpen in de bestuurlijke overleggen MIRT, aan de hand van de gebiedsagenda's van Rijk en regio. Ook met kennisinstellingen, bedrijven en maatschappelijke organisaties vormt het Rijk indien nodig gerichte allianties.

Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien:

  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio's rondom de Mainports, Brainport en Greenports;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie of werelderfgoed;
  • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is, bijvoorbeeld het hoofdnetwerk voor mobiliteit (over weg, water, spoor en lucht) en energie, waterveiligheid en de bescherming van gezondheid van inwoners.

Deze drie criteria zijn leidend bij de in deze structuurvisie benoemde rijksdoelen en bijbehorende nationale belangen. In de realisatieparagraaf is aangegeven wat het Rijk ter realisatie doet ("je gaat er over of niet").

Het plangebied van dit bestemmingsplan behoort tot een in de structuurvisie aangewezen greenport. De ontwikkeling van het duurzame glastuinbouwgebied binnen deze greenport is opgenomen in de structuurvisies van de provincie en de gemeente Westland. Dit bestemmingsplan voldoet aan de beleidscriteria van deze structuurvisies.

2.1.5.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is door het Rijk normatief vertaald naar het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, dat een algemene maatregel van bestuur is op grond van artikel 4.3 van de Wet ruimtelijke ordening. Dit besluit is laatstelijk op 1 juli 2014 gewijzigd.

Het Besluit omvat alle ruimtelijke Rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.

Besluit ruimtelijke ordening

De Ladder voor Duurzame Verstedelijking is sinds 1 oktober 2012 opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en stelt eisen aan bestemmingsplannen met het oog op een zorgvuldige afweging, transparante besluitvorming en een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De Ladder voor Duurzame Verstedelijking heeft als doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en overprogrammering op regionaal niveau te voorkomen en bevat drie treden die doorlopen moeten worden in een ruimtelijke procedure.  Artikel 3.1.6 tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft het volgende voor. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  • c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

In dit kader wordt eerst beoordeeld of de aanleg van een randweg wordt beschouwd als nieuwe stedelijke ontwikkeling.

In artikel 1.1.1. lid 1 aanhef en onder i Bro wordt een stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Uit de Handreiking 'Ladder voor duurzame verstedelijking' (Ministerie I&M, versie 2: november 2013) wordt de term 'andere stedelijke voorzieningen' omschreven als “accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure”. Op basis van de omschrijving in het Bro en de Handreiking en de overweging dat de aanleg van een weg niet leidt tot overprogrammering / leegstand (de strekking van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking) worden wegen door de Afdeling niet beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 februari 2015 (ABRvS, ECLI:NL:RVS:2015:448) (rechtsoverweging 6.3 en 6.4) en 14  januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:82 (rechtsoverweging 7.1.1 en 7.1.2.).

De Ladder voor Duurzame Verstedelijking is op onderhavig plan derhalve niet van toepassing.

2.1.6 Conclusie

De ontwikkeling voor de Oostelijke Randweg en de inbedding in het groen-blauwe netwerk is in overeenstemming met de beleidskaders van de verschillende overheden.

2.2 Bestaande situatie

Het plangebied is gelegen ten oosten van de kern De Lier, gelegen tussen de provinciale weg N223 in het zuiden en de Veilingweg in het noorden. De nieuwe randweg komt parallel te liggen aan de Blakervaart en is momenteel grotendeels in gebruik als weiland en kassen. Aan de overzijde van de Blakervaart en de Veilingweg zijn hoofdzakelijk glastuinbouwbedrijven gelegen. Ten westen van het plangebied bestaat het voornemen tot het realiseren van de nieuwbouwwijken Liermolen en Molensloot.

In het zuiden van het plangebied, aan de noordkant van de Lee of Lierwatering, is een jachthaven gelegen. Nabij de jachthaven zijn nog enkele burgerwoningen en een machinaal loonbedrijf gelegen. Ten zuiden van de Lee of Lierwatering zal de Oostelijke Randweg worden aangesloten op de bestaande rotonde Zijtwende op de N223.

In het midden tussen de Veilingweg en de Lee / Lierwaterings is een gemaal aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0006.png"

Huidige situatie (2016)

2.3 Toekomstige situatie

2.3.1 Nut en noodzaak

In eerdere verkeerskundige verkenningen en onderzoeken zijn meerdere tracés onderzocht (zie onderstaande figuur).

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0007.png"

2.3.1.1 Onderzochte tracées
  • Alternatief Geel: dit tracé is gelegen aan de westzijde van de Blakervaart, snijdt de nieuw te ontwikkelen woonwijk middendoor en ligt in het verlengde van de bestaande Kasteelweg;
  • Alternatief Rood: dit tracé ligt ter westzijde van de Blakervaart, tussen de nieuw te ontwikkelen woonwijk en de Blakervaart;
  • Alternatief Blauw: dit tracé ligt aan de oostzijde van de Blakervaart.

De gronden aan de westzijde van de Blakervaart zijn grotendeels gelegen op braakliggende terreinen die in het verleden al door ontwikkelaars aan de glastuinbouw zijn onttrokken op grond van lange termijn verwachtingen voor woningbouw. De gronden aan de oostzijde van de Blakervaart hebben een duurzaam glastuinbouwbestemming en zijn ook als zodanig in gebruik. De analyse ten behoeve van de tracékeuze voor de oostelijke randweg wijst alternatief 'rood' aan als het meest optimale tracé. Hierin zijn de onderstaande afwegingen betrokken.

Met alternatief 'rood' wordt zo min mogelijk areaal onttrokken aan de glastuinbouw, en blijft het glastuinbouwgebied aan de oostzijde van de Blakervaart geheel in tact. Dit verdient ruimtelijk gezien de voorkeur. Immers, het leidt tot een duurzame voortzetting van de bestaande als zodanig bestemde glastuinbouwbestemming aan de oostkant en optimale mogelijkheden voor de geprojecteerde woningbouw. Een tracé door de woonwijk leidt tot beperking van de woningbouwmogelijkheden vanwege de geluidbelasting van de randweg. Een andere reden om de weg aan de westelijke zijde van de Blakervaart te realiseren vormt het aantal bruggen, dat moet worden aangelegd. Aanleg aan de westzijde van de Blakervaart vraagt binnen het huidige ontwerp om slechts één brug voor autoverkeer. Alternatief 'blauw' vereist twee bruggen. Daarnaast geldt dat er lagere kosten resulteren voor het vrijmaken van de gronden van het huidige gebruik dan bij de andere alternatieven. Als uitgangspunt voor de verwerving zijn (grotendeels) de kosten van ongebruikte agrarische grond genomen. Bij keuze voor de oostzijde (alternatief 'blauw') dient duurzaam glas inclusief een aantal bedrijfswoningen te worden aangekocht en aan de bestemming glastuinbouw te worden onttrokken. Het rationeel verkavelde gebied wordt daardoor minder efficiënt. Bovendien zal dit grote impact op de bedrijven hebben omdat de weg dan juist een deel van de bedrijfs- en installatieruimten van de ondernemingen doorsnijdt. Dit alles is sterk kostenverhogend. Voor het gebied aan de westzijde van de Blakervaart geldt bovendien dat dit gelegen is naast een gebied dat reeds transformeert naar woningbouw.

Voor alternatief 'geel' geldt ten opzichte van 'rood' dat de ligging middenin de woonwijk niet alleen extra voorzieningen noodzakelijk maakt om de barrièrewerking van de weg tussen de woonbuurten op te heffen, maar ook dat aan beide zijden van de weg voorzieningen voor milieueisen getroffen moeten worden (geluid, fijnstof, etc.). Vermenging van bovenkernse verkeersstromen met bestemmings-/woonverkeer is evenmin gewenst. Daarnaast zullen met alternatief 'geel' beduidend meer woningen door de weg worden “geraakt” (Laan van Adrichem en Vreeburchlaan). Dit zal nadelig zijn voor de verwervingskosten.

Verder biedt een tracé langs de Blakervaart (alternatief 'rood') de beste reële mogelijkheid om de ruimtelijke kwaliteit in Westland als onderdeel van een groter geheel te verbeteren. Dit kan gebeuren door het ontwikkelen van een ecologische verbindingszone tussen de Wollebrand en het Kraaijenest met voldoende ruimte voor zowel droge als natte natuur en recreatieve verbindingen voor verschillende doelgroepen. Een groen-blauwe zone maakt een belangrijk onderdeel uit van het gewenste ecologische en recreatieve netwerk en zal een bijdrage leveren aan de doelen van het waterplan voor waterberging en waterkwaliteit.

Op basis van de hier geschetste afwegingen is het voorstel om tracé 'Rood' te hanteren als uitgangspunt voor het voorlopige ontwerp.

2.3.1.2 Varianten binnen het voorkeurstracé

Binnen het tracé zijn twee mogelijke varianten uitgewerkt:

  • Variant A: oostelijke randweg zo dicht mogelijk tegen de boezemkade van de Blakervaart aan. In deze variant worden geen secundaire doelen gerealiseerd anders dan de mogelijkheid van ontsluiting van de woonwijken;
  • Variant B: de oostelijke randweg met groen-blauwe zone tussen de weg en de boezemkade van de Blakervaart. Deze variant biedt een integrale oplossing voor de primaire en secundaire doelen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0008.png"

Overzicht varianten

De beide varianten zijn op een aantal criteria beoordeeld. De belangrijkste zijn:

  • Voldoen aan het Programma van Eisen;
  • Voldoen aan toepasselijk beleid;
  • Kosten van grondverwerving en civieltechnische aanleg;
  • Planning;
  • Beheersing van risico's.

Hieronder worden deze criteria afzonderlijk besproken voor wat betreft de variantenkeuze.

Programma van Eisen

In vergelijking met het programma van eisen zijn er slechts beperkte verschillen tussen de beide varianten voor zover het de primaire doelen betreft.

Toepasselijke beleid

Variant A gaat expliciet uit van het realiseren van uitsluitend de gevraagde infrastructuur met zo min mogelijk ruimtegebruik. Hierbij wordt voorbij gegaan aan vastgesteld beleid op het gebied van ecologie, leefbaarheid, recreatie en waterbeheersing. Indien dit beleid gerealiseerd moet worden kan dat alleen tegen aanzienlijke meerkosten op een later tijdstip, zo dat al mogelijk is.

Variant B biedt een integrale oplossing, tegen beperkte meerkosten, waarbij werk met werk gemaakt wordt en goed invulling wordt gegeven aan het vastgestelde beleid. Het belangrijkste is dat het ruimtebeslag van beide varianten niet zoveel verschilt, maar dat met variant B de ecologische verbidingszone mogelijk wordt gemaakt.

Kosten voor verwerving en aanleg

De verschilkosten voor beide varianten lopen niet aanzienlijk uiteen en zijn te relateren aan het realiseren van secundaire doelen. Indien deze wensen solitair worden gerealiseerd zullen de kosten ervoor zeker hoger uitpakken. Een duidelijk civieltechnisch voordeel van variant B is de mogelijkheid van een substantieel betere grondbalans. De overtollige grond door de aanleg van de waterpartijen kan worden gebruikt in de grondwallen. Bij variant A zal uitkomende grond moeten worden afgevoerd.

Planning

Vanuit de planning geredeneerd zal er evenmin weinig verschil bestaan tussen de varianten. Door de aanwezigheid van meerdere grondeigenaren kan een onteigeningsprocedure op voorhand niet worden uitgesloten. Het mogelijke voordeel van snel tot minnelijke verwerving komen met andere eigenaren valt daardoor weg.

Risico's

De risico's verbonden aan de beide varianten worden voornamelijk gevormd door de mate van bereidheid tot verkoop van gronden door de huidige eigenaren. Bij variant A is minder grond noodzakelijk van de betrokken eigenaren dan bij variant B. Het is echter niet zeker of bij alle percelen gedeeltelijke verwerving mogelijk is. De verwachting is dat met name bij de partijen die gronden hebben aangekocht met het oog op toekomstige woningbouwontwikkelingen de voorkeur bij variant A zal liggen. Daar staat tegenover dat er bij variant B in het woningbouwgebied waarschijnlijk geen aanvullend areaal voor waterberging meer nodig is. De nabijheid van een ecologische zone en directe recreatieve verbindingen naar de grote natuur-/recreatiegebieden Wollebrand en Kraaijenest zijn belangrijke pre's.

Net zoals bij het aspect planning is er tussen de beide varianten geen doorslaggevend onderscheid te verwachten.

2.3.1.3 Voorkeursvariant

Gezien vanuit de verschillende keuzecriteria verdient variant B de voorkeur boven variant A. Variant B biedt een integrale oplossing voor zowel de primaire als de secundaire doelen, en is daarom als voorkeursvariant gekozen.

2.3.2 Verkeer

Voor de doorstroming en ter voorkoming van sluipverkeer zijn concurrentie in reistijd en snelheid van belang. Daarom zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Een weginrichting en snelheidsregiem conform een gebiedsontsluitingsweg type 2 (CROW), 60 km/uur buiten de kom op basis van 10.500 mvt per etmaal (Haaglandenmodel 2030 GE);
  • Een zo direct mogelijke verbinding tussen beide aansluitpunten op de hoofdwegen en zo min mogelijk aansluitingen en bochtstralen;
  • Verkeersveilige, uniforme kruispunten en aansluitingen met een vlotte verkeersafwikkeling. Op basis van de afwikkelcapaciteit en verkeersveiligheid worden de beide kruisingen (aansluiting toekomstige woonwijken en aansluiting Kasteelweg-Veilingweg) uitgevoerd als rotondes buiten de bebouwde kom. Dit houdt in dat fietsers geen voorrang zullen hebben. De overige aansluitende zijwegen met een beperkte verkeersintensiteit worden uitgevoerd als T-aansluitingen met een linksaf voorsoorteervak om de doorstroming (bij afslaand verkeer) niet te belemmeren;
  • Aanpassing op termijn van de aansluitende rotonde in N223 tot een meerstrooks turbo rotonde.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0009.png"

Definitief ontwerp Oostelijk Randweg De Lier

De bestaande recreatieve fietsverbinding langs de Blakervaart (ook wel Verlengde Strijp genoemd) wordt verbeterd tot een doorgaande recreatieve fietsverbinding (als onderdeel van het traject tussen de Wollebrand en het Kraaijennest). Doel is de ecologische zone en de boezemwatergang beleefbaar te maken. Hiervoor wordt het fietspad verbreed naar 3,5m en vrijliggend van de weg langs de noordzijde van de waterbergingen in de ecologische zone aangebracht met als dubbelfunctie onderhoudsstrook Hoogheemraadschap Delfland. Voor de fietsers die vanuit de (toekomstige) woonwijken Liermolen en Molensloot alsmede die vanaf de Kasteelweg, Veilingweg en Lierweg komen, worden oversteekmogelijkheden gecreëerd ter voorkoming van barrièrewerking door het nieuwe tracé. Aan de zuidkant van het tracé wordt bij de Laan van Adrichem een tunnel voor langzaam verkeer gereailseerd, waardoor de gronden aan de oostkant van de Blakervaart voor langzaam verkeer bereikbaar blijven. De Vreeburchlaan krijgt een ontsluiting op de nieuwe rotonde Kasteelweg / Veilingweg.

Ten behoeve van de verkeersveiligheid, uniformiteit en beheerbaarheid voldoet het ontwerp aan de landelijke richtlijnen van duurzaam veilig en het gemeentelijke programma voor standaardinrichting openbare ruimte (PVS2015).

2.3.3 Kunstwerken

De bestaande bruggen over de Blakervaart (de Veilingweg- en de Laan van Adrichembrug) worden gehandhaafd. Over de Lee ter plaatse van de bestaande jachthaven wordt de nieuwe Oosterbrug aangelegd. De Oosterbrug wordt landschappelijk afgestemd en sober architectonische ontworpen. De brug heeft een doorvaarthoogte van minimaal 1,80 m en is voorzien van remmingwerken en een kluunvoorziening. Voor langzaam verkeer komt er een aparte brug over De Lee (zie onderstaande figuur).

Voor fietsers komt er een tunnelverbinding vanaf de Laan van Adrichem (jachthaven) onder de randweg door naar de ecozone. Ruiters en voetganger kunnen de tunnel ook gebruiken. Bij de brug is de waterbreedte 15 meter en de doorvaartbreedte minimaal 7,50 m in de bocht en minimaal 4,50 m op het rechte deel. De doorvaarthoogte is minimaal 1,80 m over een breedte van minimaal 4,00 m.

Er wordt tevens een brug aan gelegd in de ecozone. Deze brug zorgt voor een veilige oversteek van langzaam verkeer uit de wijk naar de ecozone. De brug vormt geen belemmering voor de dieren die zich langs het water of de oever van de watercompensatie voortbewegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0010.png"

Nieuwe Oosterbrug, brug voor langzaam verkeer en fietstunnel  

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0011.png"

Brug in ecozone nabij gemaal

Midden in de ecozone ligt het gemaal. Het is een eenvoudig gebouw met enkele technische voorzieningen. In de toekomst wordt het gemaal vervangen (binnen 15 jaar). Bij de aanleg van de randweg en de ecozone komt hier een langzaam verkeersbrug die de verbinding wordt tussen de wijk en de ecozone.

2.3.4 Waterhuishouding

In overleg met het Hoogheemraadschap Delfland is de bestaande waterkerende functie van de boezemkade ingepast in het ontwerp en voldoet de hoogteligging van het tracé aan de droogleggingseis van Delfland.

De waterbalans en het ontwerp voldoen aan het “standstill” principe van Delfland, waarbij de nieuwe situatie geen verslechtering (afvoercapaciteit en areaal water) mag inhouden. Binnen het project wordt ca. 4.200 m2 water gedempt. In de variant met ecozone wordt ca. 11.300 m2 water vergraven, wat resulteert in een extra waterberging van ongeveer 7.200 m2 ten behoeve van het tekort aan waterberging in de Oude Lierpolder. Gezamenlijk met het Hoogheemraadschap wordt de dimensionering en uitvoering van het bergingsdeel dat een bijdrage zal leveren aan het historische bergingstekort onderzocht.

De afvoercapaciteit en bereikbaarheid van het grote poldergemaal “Oude Lierpolder” langs de Verlengde Strijp is geborgd. Bij een duurzame inrichting van de waterberging en de toevoerende watergangen met natuurvriendelijke oevers, plas-dras, en bijvoorbeeld helofytenfilters wordt de waterkwaliteit in positieve zin beïnvloed. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de te behalen doelen voor de Kader Richtlijn Water.

2.3.5 Geluid

Uit de berekeningsresultaten van de akoestische verkenning (zie paragraaf 3.1) blijkt, dat er ten gevolge van het wegverkeer op de nieuw aan te leggen randweg geluidsmaatregelen nodig zijn om de geluidbelasting bij bestaande woningen aan weerszijden van de boezemwatergang te beperken. Op basis van de geluidberekening is het mogelijk om op een deel van de randweg geluidsreducerend asfalt toe te passen. Nabij de rotondes en kruispunten is het niet wenselijk om geluidsreducerend asfalt toe te passen in verband met de beperkte slijtvastheid. Maatregelen in de vorm van geluidsschermen blijken niet realistisch en/of doelmatig.

2.3.6 Ecologie en groen

Een belangrijk onderdeel binnen het plangebied vormt de nieuwe ecologische verbindingszone. Door de aanleg van diverse groenelementen en het versterken van de groenstructuur met aandacht voor diverse diersoorten, ontstaat een zone die voor zowel mens als dier een meerwaarde vormt. In het concept beeldkwaliteitsplan (BKP), zoals opgenomen in bijlage 1 is het aspect ecologie en groen nader uitgewerkt.

In het beeldkwaliteitplan wordt het algemene profiel van de weg en de naastgelegen ecozone beschreven. Daarna wordt per deelgebied beschreven hoe het gebied er nu uit ziet en wat de wijzigingen zijn bij aanleg van de Randweg. Daarna wordt in gegaan op het doel en uitgangspunten en de nadere eisen en wensen die gesteld worden. Eisen zijn harde randvoorwaarden waaraan in elk geval voldaan moet worden. Wensen zijn zaken die de kwaliteit verhogen maar die niet noodzakelijk zijn. De wensen en eisen worden puntsgewijs opgesomd en ingedeeld in visueel ruimtelijke eisen, functionele eisen en tenslotte ecologische eisen. Visueel ruimtelijke eisen zijn eisen die aan het (eind)beeld worden gesteld. Functionele eisen hebben te maken met het gebruik van het gebied en de ecologische eisen geven aan welke eisen dieren of planten stellen.

De gemeente is gebonden aan en conformeert zich aan de in het BKP genoemde eisen en wensen bij de uitvoering en aanleg van de ecologische verbindingszone. De in het beeldkwaliteitsplan geformuleerde eisen worden bij aanleg van de weg in de aanbesteding voorgeschreven, en maken daardoor onlosmakelijk onderdeel uit van de realisatie. De wensen worden ook meegenomen in de aanbesteding maar niet dwingend voorgeschreven. De markt wordt hiervoor uitgedaagd om binnen de randvoorwaarden van het plan met uitwerkingen daarvan te komen. De daadwerkelijke realisatie van de in het beeldkwaliteitsplan opgenomen wensen wordt vervolgens met behulp van prijs-kwaliteitscriteria bevorderd.

Eisen voorkomend uit wet- of regelgeving (Bouwbesluit, Keur, Wegenverkeerswet e.d.) worden niet benoemd, maar zijn vanzelfsprekend van toepassing. Na een beschrijving van de wensen en eisen wordt het schetsontwerp van het deelgebied gepresenteerd samen met inspiratiebeelden. De beelden geven sfeer, karakter, gebruik of materiaalgebruik weer. Hieronder zijn enkele inspiratiebeelden van de ecologische zone weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0012.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0013.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0014.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0015.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0016.png"

2.3.7 Recreatie(ve verbindingen)

Binnen het plangebied komen diverse recreatieve verbindingen door de aanleg van fiets- en wandelpaden. Zo wordt onder andere de bestaande fietsverbinding langs de Blakervaart opgewaardeerd tot een doorgaande recreatieve fietsverbinding. Hierdoor wordt de belevingswaarde van het gebied en de ecologische zone vergroot. Daarnaast is het gebied ook recreatief te beleven vanaf het water en een ruiterpad.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0017.png"

2.3.8 Jachthaven

De Oostelijke Randweg is deels op de gronden van de jachthaven aan de Laan van Adrichem 18/18A geprojecteerd. Hierdoor moet een deel van de ligplaatsen komen te vervallen.

Ter compensatie van de ligplaatsen die hierdoor verwijden is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die de herinrichting van de jachthaven mogelijk maakt, waarbij er ten westen van de bestaande brug over de Lee nieuwe ligplaatsen kunnen worden gerealiseerd. Omdat de uiteindelijke inriching nog niet voldoende concreet is, is hierbvoor een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. In paragraaf 3.10 is de uitvoerbaarheid van de wijzigingsbevoegdheid beoordeeld.

Hoofdstuk 3 Onderzoek

3.1 Geluid

3.1.1 Wettelijk kader

Wet geluidhinder

Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat.

In het algemeen is een geluidsbelasting op de gevel van een bestaande woning tot een maximum van 58 dB(A) toegestaan. Hiervoor dient een hogere waardenbesluit te worden genomen. Op andere geluidsgevoelige objecten kan die norm anders zijn. De wet kent de aanname, dat het gebruik van een autoweg, waarvoor als verkeersmaatregel een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt, geen ongeoorloofde geluidsbelasting teweegbrengt.

In een bestemmingsplan, dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling, moet verantwoord zijn dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op grond van toelaatbare geluidhinder ten opzichte van geluidsgevoelige objecten.

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met de zogeheten geluidszonering.

3.1.2 Onderzoek

Door Goudappel Coffeng is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het betreft onderzoek naar:

  • bestaande woningen binnen de geluidszone van een nieuwe weg;
  • bestaande woningen binnen de geluidszone van een weg in reconstructie;
  • gevolgen elders.

Wanneer overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde dan wel de maximale ontheffingswaarde
zijn geconstateerd, is nader onderzoek uitgevoerd naar de toepasbaarheid en het effect van geluidsreducerende maatregelen. Onderstaand zijn de belangrijkste bevindingen uit het onderzoeksrapport opgenomen. Het complete onderzoek is als bijlage 2 bij de toelichting gevoegd.

In onderstaande tabel zijn de belangrijkste bevindingen samengevat voor de verschillende onderzoekssituaties.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0018.png"

Nieuwe Oostelijke Randweg

Langs de nieuwe Oostelijke Randweg is voor een zestal bestaande woningen een overschrijding
berekend van de voorkeursgrenswaarde. Voor een aantal locaties kan met geluidsreducerend asfalt, de geluidsbelasting worden gereduceerd tot de voorkeursgrenswaarde. Nabij de rotondes en kruispunten is het niet wenselijk om geluidsreducerend asfalt toe te passen in verband met de beperkte slijtvastheid. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat bronmaatregelen op de nieuwe verbindingsweg niet doelmatig zijn. Dit komt met name door het relatief beperkte aantal woningen en de berekende geluidsbelastingen die niet uitzonderlijk zijn voor een dergelijke omgeving. De gemeente Westland wil echter graag streven naar een gunstig geluidsklimaat en heeft besloten op de nieuwe verbindingsweg geluidsreducerend asfalt toe te passen. Dit met uitzondering van kruispunten en rotondes waar dit in verband met de slijtvastheid niet mogelijk is.

Met toepassing van geluidsreducerend asfalt is er vanwege de aanleg van de Oostelijke Randweg voor 4 woningen een hogere grenswaarde nodig. Deze 4 woningen zijn weergegeven in onderstaande tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0019.png"

Benodigde hogere grenswaarden ten gevolge van de nieuwe Oostelijke Randweg na toepassing maatregelen

Reconstructie Veilingweg

Ten gevolge van de Veilingweg is voor twaalf woningen en enkele appartementen een reconstructiesituatie in de zin van de Wet geluidhinder berekend. Door middel van het toepassen van geluidsreducerend asfalt met een geluidsreductie van 3 dB, kan voor een deel van de woningen de reconstructiesituatie worden weggenomen. Geluidsreducerend asfalt op de rotonde is niet wenselijk in verband met de te beperkte slijtvastheid. Daardoor kan voor de woningen rond de rotonde met geluidsreducerend asfalt de geluidstoename niet (volledig) worden weggenomen. Er is een hogere waarde nodig voor de 6 woningen, die in onderstaande tabel zijn weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0020.png"

Benodigde hogere grenswaarden ten gevolge van de reconstructie van de Veilingweg

Vreeburchlaan 1

Bij de woning Vreeburchlaan 1 is er sprake van één bouwlaag en kan met een geluidsscherm met een beperkte omvang de geluidstoename worden weggenomen. Voor deze woning was de geluidstoename zonder geluidsreducerende maatregelen met 5 dB het meest impactvol en daarom is besloten om voor deze woning een geluidsscherm te realiseren met een hoogte van 1,5 meter en een lengte van circa 75 meter. Een impressie van het betreffende geluidsscherm is met een blauwe lijn in onderstaande figuur weergegeven. In dat geval wordt de geluidsbelasting in de plansituatie gereduceerd tot de heersende geluidsbelasting en is geen hogere grenswaarde nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0021.png"

Impressie van de indicatieve situatie van het geluidsscherm Vreeburchlaan 1

Op 19 oktober 2017 zijn er hogere grenswaarden verleend (zie bijlage 3). Er dient voor alle woningen te worden voldaan aan de maximale binnenwaarde conform het Bouwbesluit. De isolatiewaarde van de bestaande woningen dient daarbij onderzocht te worden. Hiervoor dient te worden uitgegaan van de gecumuleerde geluidsbelasting zoals deze is opgenomen in bijlage 10 van bijlage 2.

3.1.3 Conclusie

Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd, dat de geluidskwaliteit van de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, wanneer de maatregelen worden genomen en een hoger waarde wordt verleend, niet de goede ruimtelijke ordening belemmert, die met dit bestemmingsplan wordt geboden.

3.2 Externe veiligheid

3.2.1 Wettelijk kader

Externe veiligheid is een begrip in het milieurecht en gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen. Als gevaarlijke stoffen kunnen worden genoemd vuurwerk, lpg en munitie. Het beleid en de wetgeving zijn erop gericht om maatregelen te treffen om de risico's van deze risicovolle activiteiten te reguleren. Voor dit bestemmingsplan is toetsing aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten van belang. Toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Besluit externe veiligheid buisleidingen is niet relevant.

Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

Plaatsgebonden Risico (PR)

Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0022.png"

Weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografiek met oriëntatiewaarde voor transport

Verantwoordingsplicht 

In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij deze verantwoordingsplicht dient het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico te onderbouwen en te verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Bij de verantwoording van het groepsrisico dient het bevoegd gezag advies in te winnen bij de veiligheidsregio. De verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), tevens rekening te houden met een aantal kwalitatieve aspecten, zoals hieronder weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0023.png"

Verplichte en onmisbare onderdelen van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico

Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten

De beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten is primair bedoeld als beleidskader ter beoordeling van het aspect externe veiligheid bij besluiten in het kader van de Tracéwet. Echter, het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft in de toelichting van de beleidsregels de volgende passage opgenomen: "Aan andere bevoegde gezagen, zoals gemeenten en provincies, wordt verzocht deze beleidsregels in voorkomende gevallen op dezelfde wijze toe te passen. Verder zal de minister in gevallen waarin voor besluitvorming door andere bevoegde gezagen overleg met of instemming van de minister nodig is, de beleidsregels als beoordelingskader toepassen."

3.2.2 Onderzoek

Door Antea Group is het aspect externe veiligheid in relatie tot de voorgenomen ontwikkelingen beoordeeld. Onderstaand zijn de belangrijkste onderdelen weergegeven. De complete beoordeling is als bijlage 4 bij de toelichting gevoegd.

Plaatsgebonden risico

In de bijlage van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART; paragraaf 1.2.3) is gesteld, dat een weg buiten de bebouwde kom geen PR 10-6-contour heeft wanneer het aantal transporten GF3 (brandbare gassen) lager is dan 500 per jaar. Voor de Oostelijke Randweg wordt op basis van de vervoerstellingen afgeleid, dat geen sprake is van een PR 10-6-contour. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering.

Groepsrisico

In (paragraaf 1.2.3 van) de bijlage van het HART staan vuistregels beschreven om een indicatie van de hoogte van het groepsrisico te bepalen. Aangezien er over de weg geen transporten GF3 plaatsvinden (en de bijdrage van de overige transportstromen aan het groepsrisico beperkt is volgens het HART), zal het groepsrisico na realisatie lager zijn dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde.

De hoogte van het groepsrisico van de weg is daarmee in de toekomstige situatie lager dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Nadere beschouwing van (de hoogte van) het groepsrisico aan de hand van risicoberekeningen is niet noodzakelijk en zal niet leiden tot verbeterde inzichten.

Verantwoording groepsrisico

Verantwoording van het groepsrisico van de Oostelijke Randweg is verplicht conform artikel 8 van de Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten.

Hierbij is de volgende indeling gehanteerd:

  • a. scenario's;
  • b. bronmaatregelen;
  • c. zelfredzaamheid;
  • d. bestrijdbaarheid.

Ad a: Scenario's

Op de Oostelijke Randweg kan, op basis van de transportgegevens van de aangrenzende provinciale wegen, een plasbrand of een toxisch scenario optreden. De gevolgen van deze scenario's zijn verschillend. In deze paragraaf worden de scenario's verduidelijkt.

Plasbrandscenario

Bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen kan een plasbrand ontstaan (een plas van brandende vloeistof). Het gevolg is een korte, maar extreme hittestraling. De omvang van het effect wordt bepaald door de oppervlakte van de plas. Uitgaande van een calamiteit waarbij een gehele tankinhoud vrijkomt is het invloedsgebied van een plasbrand ongeveer 45 meter.

Toxisch scenario

Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tank lek raakt en toxische stoffen ontsnappen. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving uit kan waaien. Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment.

Ad b: Mogelijke bronmaatregelen

Met de realisatie van de Oostelijke Randweg worden de Noord-Lierweg en de Veilingweg ontlast. Naast het feit dat de Oostelijke Randweg verkeerskundig beter op het vervoer van gevaarlijke stoffen zal zijn ingericht dan deze wegen wordt tevens het vervoer door de kern De Lier beperkt (en daarmee het vervoer van gevaarlijke stoffen door de bebouwde kom).

Om de gevolgen van een plasbrandscenario te beperken helpen bermsloten (met voldoende capaciteit) en schermen de verspreiding van brandbare vloeistoffen tegen te gaan.

Naar verwachting zal het vervoer van gevaarlijke stoffen na realisatie van de Oostelijke Randweg in zijn algemeenheid gunstiger zijn vormgegeven (qua routes en verkeersveiligheid). Maatregelen zoals het opnieuw instellen van een routering gevaarlijke stoffen (opgeheven door de gemeenteraad van Westland in 2012) worden daarmee niet zinvol geacht. Andere verkeerskundige maatregelen zoals het aanbrengen van ongelijkvloerse kruisingen zullen een bijdrage kunnen leveren aan het optimaliseren van de externe veiligheidssituatie ter plaatse, maar het treffen van dergelijke maatregelen staat niet in verhouding tot het lage groepsrisico van de weg.

Ad c: Zelfredzaamheid

Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario.

Risicocommunicatie

Gerichte risicocommunicatie met bewoners, werknemers en andere aanwezigen binnen het invloedsgebied (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering van het gebied sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke manier hieraan invulling kan worden gegeven.

Vluchtwegen

Voor ontvluchting van de Oostelijke Randweg is een goede infrastructuur van belang, waarbij van de weg af gevlucht kan worden. De bestaande infrastructuur rond het plangebied biedt meerdere mogelijkheden om van de weg af te kunnen vluchten.

Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een plasbrandscenario

Bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen moeten aanwezige personen zich in veiligheid brengen op een afstand van ten minste 45 meter (en bij voorkeur op een grotere afstand), buiten het invloedsgebied van brandbare vloeistoffen. Personen binnen dit gebied kunnen ernstige (dodelijke)brandverwondingen oplopen.

Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een toxisch scenario

Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. Maatregelen aan de bebouwing zijn in het kader van deze ruimtelijke procedure niet te nemen.

Ad d: Bestrijdbaarheid

Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De mate waarin uitvoering aan een aanvalsstrategie kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen).

Ten aanzien van de bestrijdbaarheid wordt door de gemeente Westland in het kader van de bestemmingsplanprocedure advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Haaglanden.

Bij een ongeval met brandbare vloeistoffen, waarbij een plasbrand kan ontstaan, kan de brandweer snel ter plaatse zijn. Een plasbrand is dan goed te bestrijden. Door het tijdig arriveren van de brandweer wordt voorkomen dat het vuur zich snel kan uitbreiden en kan overslaan op gebouwen.

3.2.3 Conclusie

De gemeente Westland is voornemens om de Oostelijke Randweg te realiseren. De weg heeft, op basis van een worst-case-aanname, geen 10-6 plaatsgebonden risicocontour. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmeringen.

De hoogte van het groepsrisico van de weg zal lager zijn dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Verantwoording van het groepsrisico is verplicht conform de Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten.

In bovenstaande paragraaf zijn elementen ter verantwoording van het groepsrisico aangedragen. Het bevoegd gezag betrekt deze elementen bij de besluitvorming ten aanzien van het ruimtelijk plan. Ten aanzien van de bestrijdbaarheid is in het kader van de bestemmingsplanprocedure door de gemeente Westland advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Haaglanden. Het advies van de veiligheidsregio is als bijlage 5 bijgevoegd. De veiligheidsregio adviseert:

  • om bij de werkzaamheden ten behoeve van de realisatie van de nieuwe verbindingsweg, ervoor te zorgen, dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N223 veilig doorgang kan vinden. Wanneer dit niet mogelijk is dan kan ervoor worden gekozen om een tijdelijke omleiding in te stellen. Dit dient ook tijdig te worden gecommuniceerd. Dit advies heeft betrekking op de realisatiefase en kan niet in een bestemmingsplan worden verankerd. Deze maatregel wordt geborgd als eis in de aanbesteding van de werkzaamheden.
  • Ongeacht het incident (van een ‘gewone’ brand tot een incident op de Oostelijke Randweg, de Veilingweg, de Kasteelweg en de Lange Broekweg waarbij giftige stoffen vrijkomen), heeft afschakelbare ventilatie een positieve invloed op het beperken van de schadelijke effecten van de vrijgekomen stoffen, binnen de objecten in de omgeving. Dit mag ook een handmatige handeling zijn. Dit geldt bij verbouw en (vervangende) nieuwbouw van alle objecten, bestemd voor het verblijf van personen. Het is daarbij van belang dat ook ramen en ventilatieopeningen kunnen worden gesloten. Deze maatregelen vallen buiten de reikwijdte van dit bestemmingsplan en zijn ook niet ruimtelijk relevant. Dit kan in een bestemmingsplan niet worden geborgd.
  • Nabij de nieuwe Oostelijke Randweg, de Veilingweg, de Kasteelweg en de Lange Broekweg zijn verschillende bestemmingen aanwezig, waarin personeelsleden of (grote groepen) bezoekers verblijven. Het is van belang dat het personeel, de begeleiding en/of de BHV-organisatie van al deze objecten is voorbereid op eventuele calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Het gaat hierbij om calamiteiten met het transport van gevaarlijke stoffen op de Oostelijke Randweg, de Veilingweg, de Kasteelweg en de Lange Broekweg. Hierbij is het van belang dat zij ook weten hoe daarbij te handelen. Bijvoorbeeld om bezoekers van deze objecten te assisteren om zichzelf in veiligheid te brengen. Geadviseerd wordt dat het personeel, de BHV-organisatie en/of de begeleiding van groepen personen, is voorbereid op calamiteiten met het transport van gevaarlijke stoffen op de Oostelijke Randweg, de Veilingweg, de Kasteelweg en de Lange Broekweg. Dit kan geborgd worden in een plan ten behoeve van noodsituaties. Hierbij is het ook belangrijk dat dit structureel wordt geoefend. Deze maatregel valt buiten de reikwijdte van dit bestemmingsplan. De gemeente zal de relevante partijen in de omgeving van de gewenste maatregel op de hoogte brengen. Het is de verantwoordelijkheid van deze partijen om hier uitvoering aan te geven.
  • Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van ‘dagelijkse incidenten’, zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende zijn. Het is van belang dat de doorrijdbaarheid van de N223 en de Veilingweg voor de hulpdiensten ook tijdens de realisatiefase gewaarborgd blijft. Geadviseerd wordt om al vroegtijdig in het traject contact op te nemen met de afdeling Risicobeheersing van de VRH, om de bereikbaarheid voor hulpdiensten voldoende te borgen in het plangebied. Deze maatregel valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan. De gemeente zal hierover communiceren met de VRH. Borging vindt plaats in de aanbesteding.

3.3 Water

3.3.1 Wettelijk kader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met het doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief) te realiseren. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld.

 Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW).

Nationaal:

  • Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);
  • Waterwet.

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan;
  • Provinciale Structuurvisie;
  • Verordening Ruimte.

Gemeentelijk/Hoogheemraadschap:

  • Waterplan "Westlands Water nu en later"
  • Watertoets
  • Bestuursovereenkomst KRW Delfland uit 2008
  • Bestuursovereenkomst "Schoon water" uit 2015

Nationaal beleid
Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW inmiddels uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering.

Provinciaal beleid
Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor die periode. Het vervangt het provinciaal waterbeleid zoals dat is vastgelegd in het Beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006) en vervangt het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dan ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. Verder voldoet het plan aan de eisen van de nieuwe Waterwet. De provincie vertaalt in dit plan het beleid uit het nationaal waterplan en het huidige Europese beleid naar provinciale kaders en doelstellingen voor de periode 2010-2015. Conform de herziene sturingsvisie water gaat het met name om de 'wat' vraag. De waterschappen beantwoorden in hun waterbeheerplannen vervolgens vooral de 'hoe' vraag. De Visie op Zuid-Holland bestaat uit de Provinciale Structuurvisie, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (structuurvisie), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (uitvoeringsagenda). In de Verordening Ruimte zijn regels opgenomen met betrekking tot het water en waterstaatswerken in bestemmingsplannen.

De provincie heeft samen met de gemeente Den Haag en Westland een Visie Vaartenland opgesteld, een visie op hoe de vaartenstructuur in Westland en Den Haag recreatief/toeristisch en economisch elkaar kunnen versterken. De provincie heeft in samenwerking met veel stakeholders uit het gebied ten westen van het Rijn-Schiekanaal het project Westlandse Waterlijnen opgesteld (Westland, Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis). Dit heeft een wensenlijst met een soort top 5 opgeleverd, met betrekking tot versterking van de vaarrecreatie en economische spin-off, waar burgers, verenigingen en ondernemers hun zinnen op hebben gezet.

Waterschapsbeleid
Een waterbeheerder is op grond van artikel 4.6 van de Waterwet verplicht om voor de onder zijn beheer staande watersystemen een beheerplan vast te stellen. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft haar nieuwe waterbeheerplan voor de periode 2016-2021 vastgesteld op 19 november 2015.

In het waterbeheerplan worden kaders gesteld voor, onder andere, de waterveiligheid en het voorkomen van wateroverlast. Het Hoogheemraadschap van Delfland kijkt hierbij nadrukkelijk naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtige manier zijn afgewogen. Deze kerntaken worden uitgevoerd ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied, aansluitend bij de beleving en de behoeften vanuit de maatschappij. De belangrijkste uitdaging daarbij is dat mensen zich in de komende jaren bewust worden van het water om hen heen, van de gevolgen van klimaatverandering en van hun eigen gedrag.

De beleidsnota "beperken en voorkomen van wateroverlast" (2014) bevat het Delflandse beleid op hoofdlijnen voor het op orde brengen en houden van het watersysteem ten aanzien van wateroverlast. In de beleidsnota is hiervoor een effectgerichte, gebiedsgerichte en marktgerichte aanpak uitgewerkt. Dit betekent een breuk met het verleden, waarin Delfland een normgerichte aanpak volgde. De nieuwe aanpak houdt in dat het Hoogheemraadschap in nauwe samenwerking met hun partners in het gebied op zoek gaan naar doelmatige oplossingen om wateroverlast te beperken en te voorkomen. De nieuwe aanpak is ook gericht op samenwerking en op oplossingen in “de weg van het water” (vasthouden, bergen en afvoeren) die bijdragen aan een beter functionerend watersysteem. Het is van belang om verslechtering van het functioneren van het watersysteem te voorkomen en optimaal in te zetten op het behoud en functioneren van het bestaande watersysteem. Hiervoor hanteert Delfland het stand-still beginsel: De kans op wateroverlast mag niet toenemen als gevolg van een ingreep in het watersysteem of een handeling die invloed heeft op het functioneren van het watersysteem. Uiteraard mag de veiligheid van waterkeringen ook niet verslechteren.

Ook is er een Handreiking watertoets voor gemeenten (versie 7 juli 2016). De Handreiking watertoets geeft inzicht in hoe Delfland de watertoets procedureel en inhoudelijk invult. Deze is raadpleegbaar op www.hhdelfland.nl/watertoets.

Gemeentelijk beleid

Voor de watersystemen in de gemeente is door de raad het Waterplan Westland, “Westlands Water, nu en later”, vastgesteld. Op 3 februari 2015 is daarvoor het nieuwe uitvoeringsprogramma vastgesteld dat in samenwerking met het Hoogheemraadschap van Delfland zal worden uitgevoerd.

In dit Waterplan Westland staan drie thema’s centraal:

  • het terugdringen van de kans op wateroverlast;
  • het verbeteren van de waterkwaliteit; en
  • het verhogen van de belevingswaarde van het water, zodat Westlanders meer kunnen genieten van de watergangen.

Deze drie thema’s gaan dus primair over het houden van droge voeten, het leefbaar maken van water en het zichtbaar maken van water. Praktisch gezien komt dit erop neer dat er grond wordt vrijgemaakt voor de opvang van overtollig water in polder- en boezemgebieden. Ook dient de wateraanvoer in droge perioden te worden verbeterd en dient er rekening te worden gehouden met versterking van waterkeringen en grondwateroverlast.

Daarnaast wordt er extra aandacht gegeven aan de chemische waterkwaliteit (waaraan op dit moment niet wordt voldaan vanwege het afvalwater van glastuinbouwbedrijven, heftige buien, kwel en bestrijdingsmiddelen) en ecologische waterkwaliteit (natuurvriendelijke oevers, visvriendelijke voorzieningen aanleggen en bij onderhoud en beheer rekening houden met de ecologische functie). Verder wordt aandacht gegeven aan de cultuurhistorische waarde van het water (gebruik in het verleden) en recreatief water, waarbij de gemeente Westland nog meer wil inzetten op een recreatief vaarcircuit.

3.3.2 Onderzoek

Waterkwantiteit

In overleg met het Hoogheemraadschap Delfland is de bestaande waterkerende functie van de boezemkade ingepast in het ontwerp en voldoet de hoogteligging van het tracé aan de droogleggingseis van Delfland.

De waterbalans en het ontwerp voldoen aan het “standstill” principe van Delfland, waarbij de nieuwe situatie geen verslechtering (afvoercapaciteit en areaal water) mag inhouden. De totaal te graven compensatie dient te zijn voor het te dempen water in het plangebied en het afvangen van het regenwater van de toename in verhard oppervlak. Er wordt 4.103 vierkante meter water gedempt en er moet 6.500 vierkante meter aan extra waterberging voor het waterschap gerealiseerd worden. Uit bijlage 6 blijkt dat er 11.330 vierkante meter gegraven wordt, dit is dus ruim voldoende om het water van de Oostelijke Randweg te compenseren. Samen met de bestaande wateroppervlaktes in het plangebied komt het totaal op 15.247 vierkante meter aan water in het plangebied. Gezamenlijk met het Hoogheemraadschap wordt de dimensionering en uitvoering van het bergingsdeel dat een bijdrage zal leveren aan het historische bergingstekort onderzocht.

De afvoercapaciteit en bereikbaarheid van het grote poldergemaal “Oude Lierpolder” langs de Verlengde Strijp is geborgd. Bij een duurzame inrichting van de waterberging en de toevoerende watergangen met natuurvriendelijke oevers, plas-dras, en bijvoorbeeld helofytenfilters wordt de waterkwaliteit in positieve zin beïnvloed. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de te behalen doelen voor de Kader Richtlijn Water.

Waterkwaliteit en ecologie

De waterkwaliteit van het afstromend hemelwater van het plangebied zal in beperkte mate van invloed zijn op de oppervlaktewaterkwaliteit. Op het plangebied vinden geen activiteiten plaats die schadelijk kunnen zijn voor de oppervlaktewaterkwaliteit en het afstromend water van schone dakverhardingen zal naar verwachting een positief effect op de oppervlaktewaterkwaliteit hebben.

Alle water van de Oude Lierpolder komt via dit gebied naar het gemaal. Voor verbetering van de waterkwaliteit worden in de waterbergingen maatregelen getroffen door natuurvriendelijke inrichting van de oevers en drijfbladvegetatie. Een en ander volgens de bestuursovereenkomst Schoon water die ook lokaal water meeneemt.

Waterveiligheid en waterkeringen

Van alle waterkeringen zijn het waterstaatswerk, de beschermingszones en het profiel van vrije ruimte op de verbeelding van het bestemmingsplan weergegeven en in de regels geborgd. Binnen de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' zijn geen ontwikkelingen mogelijk, die met de functie waterkering conflicteren. Binnen de beschermingszone van de kering langs de Verlengde Strijp wordt nieuw water gegraven en worden fiets- en voetpaden aangelegd. Gezien er tussen het nieuwe water en Verlengde Strijp al in de huidige situatie water ligt in de vorm van bermsloten die vervallen, zal het effect van het nieuwe water gering zijn. Daarnaast geldt dat voor het graven van water en de aanleg van fiets- en voetpaden een watervergunning aangevraagd moet worden.

Watersleutel

De totaal te graven compensatie dient te zijn voor het te dempen water in het plangebied en het afvangen van het regenwater van de toename in verhard oppervlak. Er wordt 4.103 vierkante meter water gedempt en er moet 6.500 vierkante meter aan extra waterberging voor het waterschap gerealiseerd worden. Uit bijlage 6 blijkt dat er 11.330 vierkante meter gegraven wordt, dit is dus ruim voldoende om het water van de Oostelijke Randweg te compenseren. Samen met de bestaande wateroppervlaktes in het plangebied komt het totaal op 15.247 vierkante meter aan water in het plangebied. Bijlage 6 toont de kaart waar welke hoeveelheden water gegraven worden. Ook is de watersleutel in bijlage 6 opgenomen.

3.3.3 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Voor het graven van water en de aanleg van fietspaden zal een watervergunning worden aangevraagd. Het ruiterpad en de voetpaden worden als struinpad alleen uitgemaaid.

3.4 Bodem

3.4.1 Wettelijk kader

Wet bodembescherming

De Wet bodembescherming ziet, vanuit een goed milieubeheer, op de bodembescherming en bodemsanering. Met deze wet moet rekening worden gehouden met het ontwikkelen en realiseren van ruimtelijke plannen. In een bestemmingsplan dat voorziet in ruimtelijke ontwikkeling, moet verantwoord zijn dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op grond van de bodemkwaliteit voor die ruimtelijke ontwikkeling.

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht.

3.4.2 Onderzoek

Door BMA Milieu BV is in september 2016 een verkennend bodemonderzoek en verkennend waterbodem uitgevoerd. Doel van de onderzoeken is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen van de onderzoeken weergegeven. De complete onderzoeken zijn als bijlagen 7 en 8 bij de toelichting gevoegd.

Conclusies en aanbevelingen bodemonderzoek

Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese ‘verdacht’ juist is. Ter plaatse zijn in de grond en in het grondwater overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarde vastgesteld. Voor lichte verontreinigingen behoeft echter geen nader onderzoek te worden aanbevolen.

Sterke zinkverontreiniging in de grond

Voor de sterke verontreiniging met zink in de grond wordt, op basis van de Wet bodembescherming, een nader bodemonderzoek aanbevolen naar de mate en omvang van de verontreiniging. Dit om na te gaan of mogelijk sprake is van een zogenaamd geval van ernstige bodemverontreiniging. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien meer dan 25 m3 grond is verontreinigd boven de interventiewaarde.

Matige lood- en sterke nikkelverontreiniging in het grondwater

Uit de Nota vergunnningverlening, toezicht en handhaving 2014-2017 (kenmerk: 246876, d.d. 17 december 2013) blijkt dat in gebieden waar gehalten aan arseen, nikkel, zink, lood en/of barium de interventiewaarde voor grondwater overschrijden, nader onderzoek naar de grondwaterverontreiniging niet is vereist wanneer er geen specifieke bron voor deze verontreiniging aanwijsbaar is. Dit geldt alleen als de gehalten in de vaste bodem lager zijn dan de landelijke achtergrondwaarden of specifieke achtergrondwaarden. Aangezien in onderhavig bodemonderzoek de grond ter hoogte van de grondwaterstand (Pb 105, MM10) niet is verontreinigd met nikkel, behoeft hiernaar geen nader bodemonderzoek te worden aanbevolen en aangezien in onderhavig bodemonderzoek de interventiewaarde voor lood (Pb 205) niet wordt overschreden behoeft geen nader bodemonderzoek te worden aanbevolen.

Algemeen

De resultaten van onderhavig bodemonderzoek vormen, met uitzondering van de sterke zinkverontreiniging in de grond en de nog niet onderzochte gedempte watergangen, milieuhygiënisch gezien geen belemmering voor de realisatie van een ontsluitingsweg gecombineerd met de aanleg van een ecologische verbindingszone.

Conclusies en aanbevelingen waterbodemonderzoek

Voor de toepassing op landbodem (anders dan op het aangrenzende perceel) valt de baggerspecie van slibmengmonster MM1, MM2 en MM4 in klasse Industrie. De baggerspecie van slibmengmonster MM3 is, op basis van minerale olie, niet toepasbaar.

Voor toepassing op waterbodem (regionale wateren, zoet oppervlaktewater) valt de baggerspecie van slibmengmonster MM1 en MM3 in klasse A en de baggerspecie van slibmengmonster MM2 en MM4 in klasse B.

Uit de toetsing msPAF blijkt dat de msPAF organisch en metalen van slibmengmonster MM1 en MM2 onder de gestelde norm (Maximale Waarden) vallen. Dit houdt in dat de baggerspecie wel op het aangrenzende perceel kan worden verspreidt. De msPAF organisch en metalen van slibmengmonster MM3 en MM4 vallen boven de gestelde norm (Maximale Waarden) vallen. Dit houdt in dat de baggerspecie niet op het aangrenzende perceel kan worden verspreidt.

Aanbevolen wordt de toepassing af te stemmen met het bevoegd gezag van de ontvangende gemeente en de verspreiding af te stemmen met Omgevingsdienst Haaglanden (ODH, uitvoeringsdienst milieutaken voor o.a. gemeente Westland).

De geldigheidsduur van de analyseresultaten is in principe 2 jaar (afhankelijk van het bevoegd gezag).

3.4.3 Conclusie

Er wordt ter plaaste waar de sterke verontreiniging met zink in de grond is aangetroffen nader onderzoek uitgevoerd om voldoende inzicht te verschaffen in de bodemkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek worden verwerkt in het bestemmingsplan, zodra deze beschikbaar zijn.

3.5 Niet-gesprongen conventionele explosieven

3.5.1 Wettelijk kader

In het verleden hebben oorlogshandelingen plaatsgevonden binnen de gemeente Westland. Ten gevolge daarvan is er mogelijk sprake van conventionele explosieven (CE) die nog in de grond aanwezig kunnen zijn. Er worden dan ook nog regelmatig explosieven gevonden tijdens werkzaamheden in- of aan de bodem. Bij de planvorming van projecten waarbij er sprake is van grondroering is het dan ook noodzakelijk rekening te houden met de eventuele aanwezigheid van conventionele explosieven.

Gemeentelijk beleid

In de gemeente Westland zijn op verschillende plaatsen munitie en explosieven vanuit de Tweede Wereldoorlog gevonden. Er is een gemeentelijke kaart opgesteld met mogelijk verdachte locaties en vindplaatsen van explosieven. In de beleidsnotitie conventionele explosieven in Westland wordt beschreven hoe om moet worden gegaan met dieptewerkzaamheden op locaties die mogelijk conventionele explosieven bevatten. De basis voor het gemeentelijk beleid voor het opsporen van explosieven is de explosieven risicokaart. Deze kaart geeft een eerste indicatie van het mogelijke gevaar van dieptewerkzaamheden op bepaalde locaties in Westland.

3.5.2 Onderzoek

Met behulp van de explosievenkaart (OCE) is onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van explosieven. De kaart geeft in grove lijnen verdachte gebieden aan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0024.png"

De conclusie is dat het project geen verdacht gebied is en er geen aanvullende onderzoeken noodzakelijk zijn.

3.5.3 Conclusie

Het aspect Niet-gesprongen conventionele explosieven vormt geen belemmering voor uitvoering van het plan.

3.6 Ecologie

3.6.1 Wettelijk kader

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit, dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan.

Ecologische Hoofdstructuur (Natuurnetwerk Nederland)

De Nota Ruimte geeft het beleidskader voor de duurzame ontwikkeling en een verantwoord toekomstig grondgebruik in de vorm van onder andere de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) weer. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS is op provinciaal niveau uitgewerkt in een Provinciale Ecologische Hoofdstructuur en nader uitgewerkt en uitgebreid in de gemeentelijke structuurvisie.

Wet natuurbescherming (Wnb)

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming  

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natuurnetwerk Nederland (NNN);
  • Natura-2000 gebieden.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan, dat afzonderlijk, of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Bijzondere nationale natuurgebieden 

De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied.

Soortenbescherming  

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en
  • de bescherming van overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de provincie Zuid-Holland zal voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling geleden voor een groot deel van de “overig” beschermde soorten. Deze lijst zal in Zuid-Holland ongeveer vergelijkbaar met de “Tabel 1-soorten”, dus de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er overigens geen beleidsruimte en blijft de bescherming onveranderd.

3.6.2 Onderzoek
3.6.2.1 Eco-effectscan

De gemeente Westland heeft een Eco-effectscan (Aqua-Terra Nova BV, augustus 2015) laten uitvoeren met als doel te inventariseren of het project mogelijk in strijd is met de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet of de Ecologische Hoofdstructuur in de Wet ruimtelijke ordening. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies en maatregelen weergegeven. De complete rapportage is als bijlage 9 bij de toelichting gevoegd. In het kader van onderhavig plan is in 2016 tevens een aanvullende natuurtoets uitgevoerd (bijlage 10).

Opgemerkt wordt dat zoals hierboven reeds is aangegeven, per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet zijn vervangen door de Wet natuurbescherming. Het regiem voor de soortenbescherming en de gebiedsbescherming is daarmee niet gewijzigd. Beoordeeld is of de nieuwe wet veranderingen of aanpassingen voor de uitgevoerde onderzoeken met zich meebrengt. Dit blijkt niet het geval. De uitgevoerde onderzoeken zijn nog steeds compleet en de conclusies blijven ongewijzigd.

Beschermde natuurgebieden

Het projectgebied ligt buiten de invloedssfeer van beschermde natuurgebieden. In de nabije omgeving zijn wel ecologische verbindingszones aanwezig. Vanwege de soort werkzaamheden, als het aanleggen van verharding, worden geen significante effecten op de EHS verwacht. Een nadere toetsing aan de Natuurbeschermingswet of de Ecologische Hoofdstructuur is niet nodig. Wel is voor de zorgvuldigheid in het kader van de de toets aan de Natuurbeschermingswet een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 3.6.2.3).

Beschermde soorten

Op basis van een locatiebezoek en een literatuurstudie is geïnventariseerd welke beschermde soorten er in het projectgebied aanwezig kunnen zijn. Aan de hand van de projectbeschrijving is getoetst of het project in strijd is met de Flora- en faunawet (per 1-1-2017: Wet natuurbescherming). De conclusie van de toetsing wordt hieronder weergegeven.

De onderstaande tabel geeft een beknopte weergave van de effecten van het project op beschermde soorten volgens de Flora- en faunawet of Habitatrichtlijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0025.png"

Na het uitvoeren van het inventariserend Flora- en faunaonderzoek ten behoeve van het project Oostelijke Randweg kunnen significante effecten op flora en fauna niet worden uitgesloten voor roofvogels en vleermuizen.

  • Een vervolgbezoek in het najaar is noodzakelijk om de aanwezigheid van nesten van roofvogels te kunnen vaststellen dan wel te kunnen uitsluiten.
  • Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen is alleen noodzakelijk indien de woning Laan van Adrichem 6 wordt gesloopt. Blijft de woning behouden, dan hoeft er geen nader onderzoek te worden uitgevoerd.

Voor het behoud van de kleine modderkruiper dient er volgens een goedgekeurde gedragscode Flora- en fauna te worden gewerkt. De zorgplicht blijft te allen tijde van kracht.

Het benoemde nader onderzoek naar nesten van roofvogels en vleermuizen is uitgevoerd. In paragraaf 3.6.2.2 wordt hier nader op ingegaan.

3.6.2.2 Nader natuuronderzoek (vleermuizen en roofvogels)

Door Aqua-terra Nova BV is in 2016 een nader natuuronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek heeft ten doel om vast te stellen:

  • 1. Of het plangebied onderdeel uitmaakt van een (essentieel) leefgebied van vleermuizen;
  • 2. Of het plangebied onderdeel uitmaakt van een (essentieel) leefgebied voor roofvogels;
  • 3. Wat de functionaliteit van het plangebied is voor de aanwezige beschermde soorten;
  • 4. Welke effecten het project heeft op de functionele leefomgeving van de aanwezige beschermde soorten;

Onderstaand zijn de conclusies van het onderzoek weergegeven. Het complete onderzoek is als bijlage 10 bij de toelichting gevoegd.

Vleermuizen

In de woningen binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Het plangebied Oostelijke Randweg wordt gebruikt als foerageergebied voor met name gewone dwergvleermuizen. Echter betreft het geen essentieel foerageergebied, aangezien er genoeg alternatief in de omgeving aanwezig is om dezelfde functie te vervullen.

Conform de Flora- en faunawet zijn alleen verblijfplaatsen en essentiële onderdelen van het leefgebied van vleermuizen beschermd. Omdat in het plangebied geen verblijfplaatsen aanwezig zijn en het plangebied geen essentieel foerageer- of migreergebied betreft is het aanvragen van een ontheffing voor uitvoering van de werkzaamheden daarom niet nodig. Tijdens de werkzaamheden kunnen foeragerende vleermuizen tijdelijk worden verstoord. Dit is niet geheel te voorkomen, maar kan worden beperkt door tijdens de werkzaamheden (een aantal van) onderstaande maatregelen te nemen:

  • Werkzaamheden uitvoeren in de periode dat de vleermuizen niet actief zijn (winterperiode). Dit betreft de periode van 1 oktober tot 15 april.
  • Bomen of andere aanplant in of langs het plangebied behouden tijdens de werkzaamheden.
  • Uitstraling van licht met name naar waterlopen voorkomen (werkzaamheden in de periode 15 april tot 1 oktober bij daglicht uitvoeren of bouwlampen zodanig richten dat geen uitstraling plaatsvindt naar waterlopen).

Omdat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van een essentieel foerageer- of migreergebied, zijn bovenstaande maatregelen niet verplicht en is het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet voor vleermuizen niet noodzakelijk.

Roofvogels

Nesten van roofvogels zijn in het plangebied niet aangetroffen. Ook zijn gedurende het roofvogelonderzoek geen foeragerende roofvogels aangetroffen. De werkzaamheden hebben geen negatief effect op jaarrond beschermde nesten van roofvogels. Het aanvragen van ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet is op basis daarvan niet nodig.

Vogels

De nesten van vogels zijn beschermd tijdens het broeden. Om verstoring van broedvogels te voorkomen worden de werkzaamheden buiten het broedseizoen (het broedseizoen is grofweg van maart t/m juli) uitgevoerd. Indien toch vogelnesten die in gebruik zijn worden aangetroffen, dienen de werkzaamheden nabij het nest te worden uitgesteld, totdat de jongen uitgevlogen zijn of dient een verstoringsvrije zone rond het nest te worden opgesteld.

Algemeen voorkomende dieren van tabel 1 (grondgebonden zoogdieren en amfibieën)

Met het verwijderen van het aanwezige groen en het vergraven van grond kunnen verblijfplaatsen van tabel 1-soorten verloren gaan en kunnen dieren worden gedood. Vanwege aanwezige begroeiing en waterlopen is aanwezigheid van kleine zoogdieren en amfibieën waarschijnlijk. Er wordt aangeraden om het verwijderen van aanwezige begroeiing en werkzaamheden aan de watergangen in de late zomer of in het najaar uit te voeren om verstoring zoveel mogelijk te voorkomen.

Voor het verwijderen van verblijfplaatsen en het verwonden van tabel 1-soorten geldt een vrijstelling in het kader van de Flora- en faunawet. De zorgplicht blijft echter wel van toepassing. Met het werken volgens een goedgekeurde gedragscode door het Ministerie wordt voldaan aan de zorgplicht conform de Flora- en faunawet. Aanbevolen wordt de werkzaamheden conform een goedgekeurde gedragscode uit te voeren. Bijvoorbeeld is de gedragscode van Vereniging Stadswerk Nederland geschikt.

3.6.2.3 Toets aan Natura2000

Het plangebied bevindt zich op een afstand van minimaal 5 kilometer vanaf het Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen'. Op basis van de aard van het plan in combinatie met de afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied zijn effecten als ruimtebeslag, versnippering, verdroging, verontreiniging of verstorende effecten (geluid, licht en trillingen) uitgesloten. De enige factor met een mogelijk effect op het Natura 2000-gebied is stikstofdepositie. Dit treedt op als gevolg van de uitstoot (emissie) van het verkeer. Bij de instandhouding van de aanwezige habitattypen speelt stikstofdepositie een rol. Door de schrale grond zijn duingebieden gevoelig voor stikstof.

Voor het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen, zijn berekeningen uitgevoerd teneinde de stikstofdepositie als gevolg van de Oostelijke Randweg op dit gebied te bepalen. Onderstaand zijn de resultaten en conclusies van de stikstofberekeningen weergegeven. De complete memo met de bijbehorende AERIUS berekeningen is als bijlage 11 bij de toelichting gevoegd.

Berekeningsresultaten

De berekeningen zijn uitgevoerd met AERIUS Calculator versie 2015.1. Uit de resultaten blijkt dat in het N2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen in de plansituatie de hoogst berekende depositie 4,83 mol/ha/jaar bedraagt. Het hoogst berekende projectverschil bedraagt 0,00 mol/ha/jaar.

Beschermde Natuurmonumenten

Binnen het onderzoeksgebied zijn geen beschermde natuurmonumenten gelegen die onderdeel uitmaken van een N2000-gebied.

Conclusie stikstof

Uit de berekeningen blijkt het volgende:

  • De hoogst berekende depositie van stikstof bedraagt 4,83 mol/ha/jaar in de plansituatie op het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen.
  • Het hoogst berekende projectverschil bedraagt 0,00 mol N/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen.
  • Op de overige Natura 2000-gebieden worden, als gevolg van het plan, geen toenames van de stikstofdepositie berekend.

Door middel van de berekeningen is aangetoond dat het bestemmingsplan geen significant negatieve effecten heeft op de omliggende Natura 2000-gebieden. Wanneer het project wordt getoetst aan de Natuurbeschermingswet dan leidt het resultaat van de berekening tot een vergunningsplicht. Omdat echter geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie, is er geen ontwikkelingsruimte nodig. Het plan/project is dan ook uitvoerbaar ten aanzien van de effecten van stikstof op Natura2000 gebieden.

3.6.3 Conclusie

Het aspect ecologie is voldoende onderzocht. Het aanvragen van een ontheffing of een vergunning in het kader van Wet natuurbescherming voor uitvoering van de werkzaamheden is niet nodig. Ook ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ondervindt het bestemmingsplan geen belemmeringen.

3.7 Luchtkwaliteit

3.7.1 Wettelijk kader

Sinds 15 november 2007 zijn de huidige luchtkwaliteitseisen in de Wet milieubeheer van kracht. Deze eisen zien op de kwaliteit van de lucht die wij inademen en daarmee op het voorkomen van verslechtering van die lucht als gevolg van diverse luchtverontreinigende stoffen zoals fijn stof en stikstofdioxide (NO2). Met deze wet moet rekening worden gehouden met het ontwikkelen en realiseren van ruimtelijke plannen. Het principe daarbij is dat de lucht niet boven een bepaalde grenswaarde mag verslechteren ten gevolge van die plannen, tenzij die verslechtering elders in de nabijheid – of in het plangebied – wordt gecompenseerd (de projectsaldering).

De wet kent een minimumdrempel voor gevallen die niet in betekende mate bijdragen aan concentratie in de buitenlucht van bijvoorbeeld fijn stof. In de daartoe opgestelde Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) wordt een aantal soorten projecten genoemd die nauwelijks van invloed zijn op de luchtkwaliteit.

Volgens artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moet in een bestemmingsplan dat geen ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, eveneens gemotiveerd worden dat met dat bestemmingsplan de grenswaarden voor luchtkwaliteit in acht zijn genomen.

3.7.2 Onderzoek

In het kader van de ontwikkeling van de Oostelijke Randweg is door Antea Group een onderzoek uitgevoerd waarmee de concentraties luchtverontreinigende stoffen zijn onderzocht, in beeld zijn gebracht en zijn beoordeeld. Daarbij zijn de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) uitgerekend op een groot aantal maatgevende beoordelingspunten in en rond het plangebied. Onderstaand is de conclusie van het luchtkwaliteitsonderzoek weergegeven. De complete rapportage is als bijlage 12 bij de toelichting gevoegd.

Conclusie luchtkwaliteitsonderzoek

Op basis van het luchtkwaliteitonderzoek kan worden geconcludeerd dat op alle in het onderzoek opgenomen beoordelingspunten wordt voldaan aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

3.7.3 Conclusie

Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat voor het bestemmingsplan Oostelijke Randweg Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geen belemmering vormt voor verdere besluitvorming. Omdat op alle beoordelingspunten ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden kan eveneens worden geconcludeerd dat sprake is van een “goede ruimtelijke ordening”.

3.8 Cultuurhistorische aspecten

3.8.1 Wettelijk kader

Als gevolg van het Verdrag van Malta, dat in 1998 door het Nederlandse parlement is goedgekeurd en in 2007 zijn beslag heeft gekregen in de gewijzigde Monumentenwet 1988, stellen Rijk en Provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005 - 2008, de Nota Belvedère, de Nota Ruimte en het Structuurschema Groene Ruimte 2.

De provincie Zuid-Holland hanteert het uitgangspunt dat op terreinen die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart Zuid-Holland en in gebieden die op de kaart archeologische waarden van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS-kaart) ten minste een redelijke tot grote kans op archeologische sporen hebben, archeologisch vooronderzoek in het kader van de planvoorbereiding dient plaats te vinden. Voor zover er onzekerheid bestaat over de precieze aanwezigheid van archeologische waarden, dient in het bestemmingsplan voor het bouwrijp maken een omgevingsvergunningplicht te worden gehanteerd. Het verlenen van een omgevingsvergunning wordt daarbij afhankelijk gesteld van de uitkomsten van nader archeologisch onderzoek en de belangenafweging op grond daarvan.

Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

In de Nederlandse wetgeving wordt aan artikel 5 uit het Verdrag van Malta invulling gegeven door middel van artikelen 38, 39 en 40 van de Monumentenwet 1988. In deze artikelen is bepaald, dat het archeologisch erfgoed beschermd dient te worden middels het bestemmingsplan. Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening houden met de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden. Hieronder vallen zowel reeds bekende archeologisch waardevolle gebieden als gebieden waarvoor een (verhoogde) archeologische verwachting geldt. Deze waarden krijgen een archeologische (dubbel)bestemming in de planregels, waaraan een vergunningstelsel is gekoppeld. Op de planverbeelding wordt het gebied vastgesteld en in de plantoelichting wordt een en ander toegelicht.

In artikel 41a van de Monumentwet 1988 is bepaald, dat de artikelen 39, 40 en 41, eerste lid, niet van toepassing zijn op plangebieden met een oppervlakte kleiner dan 100 m2. Bij projecten die deze oppervlakte overschrijden, dient het archeologisch belang altijd te worden meegewogen in de belangenafweging. Gemeenten kunnen van deze grens afwijken, mits de redenen hiervoor goed onderbouwd kunnen worden. De gemeente Westland maakt van deze mogelijkheid gebruik door op de gemeentelijk archeologische beleidskaart (zie volgende paragraaf) zowel naar boven als beneden af te wijken van de gestelde norm van 100 m2.

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

3.8.2 Gemeentelijk kader

Conform de Monumentenwet 1988 zijn overheden gehouden archeologie op te nemen in ruimtelijke plannen. Op 26 juni 2012 heeft de gemeente Westland haar archeologische beleidskaart vastgesteld. Op deze kaart is weergegeven waar in de gemeente – en in welke mate – er kans is op het aantreffen van archeologische resten, uitgedrukt in een verwachtingszone. Aan deze verwachtingszones zijn ondergrenzen gekoppeld die aangeven wanneer archeologisch onderzoek vanwege een voorgenomen ontwikkeling nodig is. De beleidskaart geeft een globaal inzicht in de te verwachten archeologie, in het bestemmingsplan wordt het beeld aangescherpt. Het archeologiebeleid legt vast hoe de gemeente Westland met haar bodemarchief omgaat. De gemeente Westland stelt met dit beleidsplan:

  • ondergrenzen vast (uitgedrukt in oppervlakte en diepte), die duidelijk aangeven of een initiatiefnemer, dan wel een vergunningaanvrager verplicht is om archeologisch vooronderzoek te laten verrichten;
  • de in dit beleidsplan opgestelde normen vast teneinde deze normen op te nemen in alle bestemmingsplannen;
  • de beleidskaart vast.
3.8.3 Onderzoek

Archeologie

Het plangebied ligt volgens de beleidskaart in verwachtingszone III. Verwachtingszone III bestaat uit het Laagpakket van Wormer (in de diepere ondergrond), het Hollandveen Laagpakket en de dekafzettingen van het Laagpakket van Walcheren in het binnendijks gebied. Omdat zich periodiek bewoningsmogelijkheden voordeden in het veengebied vanaf de Midden IJzertijd geldt hier een middelhoge verwachting voor het aan treffen van resten uit de IJzertijd, Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Daarnaast kunnen in dit gebied tot nu toe nog onbekende duinafzettingen van Ypenburg en Voorburg worden aangetroffen (met een hoge verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten vanaf de vroege prehistorie). De vrijstellingsgrens die gehanteerd wordt voor deze zone is maximaal 500 m2 met een ontgravingsdiepte van maximaal 50 cm onder het maaiveld. Het oppervlak van het plangebied overschrijdt de vrijstellingsgrens van 500 m2 ruimschoots. Gezien bovengenoemde verwachtingen heeft De gemeente Westland in het kader van een risico-inventarisatie een bureauonderzoek laten uitvoeren voor het plangebied Oostelijke Randweg in De Lier (Archeologie Delft, september 2015).

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat In het plangebied en de directe omgeving nauwelijks vindplaatsen bekend zijn. Ook worden op basis van de geologische bodemgesteldheid geen vindplaatsen verwacht. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek en de voorgenomen ontwikkeling wordt voorgesteld om de middelhoge archeologische verwachting van het plangebied, zoals gesteld op de beleidskaart, bij te stellen naar een lage verwachting. Uitgaande van het archeologisch bureauonderzoek wordt voor de nu voorgenomen ontwikkeling, vervolgonderzoek door het bevoegde gezag daarom niet noodzakelijk geacht. Vanuit interesse voor de vroegste ontginningen in dit gebied ligt het verzoek van het bevoegde gezag voor om tijdens de ontgravingen voor de aanleg van de weg een veldcheck te mogen doen.

Cultuurhistorie

Het plangebied ligt in oorspronkelijk veen- en zeekleigebied landinwaarts van de duinen van Zuid-Holland. Het huidige landschap en de huidige bodemopbouw zijn het resultaat van afwisselend veenvorming achter de bescherming van de duinen en afzetting van klei en zand als gevolg van zeeinvloed in perioden van zeeinbraken. De mens heeft het landschap gevormd door het aanleggen van sloten voor de afwatering van het gebied, het voor landbouw geschikt maken van de grond en de aanleg van dijken langs het water ter bescherming. De mens ging wonen op de van oorsprong hogere en zandigere delen en langs de ontginningsassen. Het huidige cultuur-landschap is dan ook een afwisseling van landbouwgebied, sloten en vaarten, kernen en verbindingswegen. In de 20e eeuw is het Westland sterk ontwikkeld als glastuinbouwgebied, zodat in de aanblik van het cultuur-landschap nu glas een prominente rol speelt. De sterke ontwikkeling van kernen, glastuinbouw en wegen in de tweede helft van de 20e eeuw heeft ervoor gezorgd dat er veel van de structuren en elementen van het oorspronkelijke (ca. 1900) cultuurlandschap verdwenen zijn. Nog herkenbare structuren en elementen zijn:

  • De noordwest-zuidoost georiënteerde verkavelingsrichting;
  • De oorspronkelijke ontginningsassen en kernen: bv de Hoofdstraat, Lierweg, Oostbuurtseweg, Hoge Noordweg en Lange Broekweg;
  • Oorspronkelijke sloten en vaarten: bv de Lee/Lierwatering en het kanaal langs de Hoge Noordweg;
  • Oorspronkelijke bebouwing: bv molens (al dan niet als molenstomp).

In het plangebied zijn behalve de verkavelingsstructuur en watergangen weinig oorspronkelijke structuren en elementen bewaard gebleven. Aan de zuidzijde ligt de Lee/Lierwatering, centraal in het plangebied ligt de Molensloot.

Voor de Oostelijke Randweg zijn verder naar het noordwesten de passage van het kanaal en de historische wegen Hoge Noordweg en Lange Broekweg aandachtspunten.

Alleen de cultuurhistorische waarde van de watergangen Lee/Lierwatering en het kanaal langs de Hoge Noordweg hebben beleidsmatige status: beide zijn als cultuurhistorisch waardevolle lijnen opgenomen op de Cultuurhistorische Atlas van de provincie Zuid-Holland (kaart 2b Landschappelijke waarden van de Cultuurhistorische Atlas, figuur 2).

Behalve deze twee watergangen zijn er in en direct rond het plangebied geen cultuurhistorische waarden aangeduid op de Cultuurhistorische Atlas. Overigens zijn de twee watergangen niet opgenomen op de beleidskaart (kaart 4 van de Cultuurhistorische Atlas).

In en direct rond het plangebied liggen geen Rijksmonumenten en gemeentemonumenten en ligt geen Beschermd Stads- of Dorpsgezicht.

Oostelijke Randweg

De waarde van het agrarische cultuurlandschap is beperkt en in de huidige situatie al verstoord. Er zijn geen bijzondere of beschermde cultuurhistorische waarden, die verloren gaan. De weg volgt de oorspronkelijke verkavelingsstructuur (noordwest-zuidoost) en de oorspronkelijke wegen, voor zover nog aanwezig. Passage van de cultuurhistorisch waardevolle watergangen (Lee/Lierwatering en kanaal en begeleidende kades) verdient aandacht bij uitwerking van het ontwerp. Deze waarden dienen behouden te blijven.

3.8.4 Conclusie

Op basis van de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek en de voorgenomen ontwikkeling wordt voor de nu voorgenomen ontwikkeling een vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht. Uit het opgestelde rapport kan echter niet worden opgemaakt in hoeverre op een dieper niveau verwachte archeologische waarden nog wel aanwezig zouden kunnen zijn. In het bestemmingsplan zijn daarom wel nog de vigerende planregels m.b.t. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 4' (verwachtingszone III) overgenomen.

Het plangebied kent geen cultuurhistorische waarden die een beschermende regeling vereisten.

3.9 Verkeer

3.9.1 Algemeen

De gemeente Westland heeft Goudappel Coffeng BV gevraagd om onderzoek te doen naar de effecten van de Oostelijke Randweg. Het verkeerskundige onderzoek bestaat uit de volgende twee stappen:

  • 1. Analyse naar de gevolgen voor de verkeersstromen met het verkeersmodel Haaglanden.
  • 2. Analyse verkeersafwikkeling rotonde Zijtwende.

Onderstaand zijn de conclusies van het verkeerskundig onderzoek weergegeven. De complete rapportage is als bijlage 13 bij de toelichting gevoegd.

3.9.2 Onderzoek

Op de provinciale wegen is er door de aanleg van de Oostelijke Randweg een toename van verkeer zichtbaar op de Burgemeester van der Goeslaan (N223). De verklaring hiervan is dat de route voor doorgaand verkeer Delft - Naaldwijk v.v. via de Oostelijke Randweg, aantrekkelijker wordt dan de huidige route via de Noord-Lierweg en daardoor extra verkeer aantrekt. De aanleg van de Oostelijke Randweg is positief voor de smalle Noord-Lierweg welke ongeschikt is om grote hoeveelheden verkeer te verwerken.

Uit de verkeerskundige analyses blijkt dat door de komst van de Oostelijke Randweg (ongeveer 10.350 mvt/etmaal) de verkeersintensiteiten absoluut gezien het meest toenemen op de Kasteelweg en Lange Broekweg zuid.

Deze route vormt de schakel tussen de nieuwe Oostelijke Randweg en de Veilingroute (N222). De capaciteit van de Kasteelweg moet ook zonder een Oostelijke Randweg in 2030 aangepast worden naar een gebiedsontsluitingsweg. Belangrijke oorzaak hiervoor is de openstelling van de Verlengde Veilingroute en de aansluiting van de Lange Broekweg en de Kasteelweg op de nieuwe kruising in de Verlengde Veilingroute.

Op de overige delen van de provinciale weg N223 is een daling van het verkeer zichtbaar. Het effect van de komst van de Oostelijke Randweg op de N222 en N213 is nihil. De Oostelijke Randweg zorgt voor een verplaatsing van de doorgaande routes. Waar in de huidige situatie verkeer gebruik maakt van de Noord-Lierweg, de Lierweg, en Bleijenburg als doorgaande route door De Lier, verplaatst een groot deel van dit verkeer zich naar de Oostelijke Randweg en de Kasteelweg. Daarnaast is er een kleine relatieve toename van verkeer op de Sportlaan.

De aanleg van de Oostelijke Randweg zorgt ervoor dat de bestaande woonstraten in De Lier niet extra worden belast met het autoverkeer van de nieuwbouwlocatie Molensloot en Liermolen.

De toenames van verkeersintensiteiten op de Noord-Lierweg, de Lierweg en de woonstraten ten oosten van de kern de Lier zijn gezien de functie van deze wegen zonder de Oostelijke Randweg hoog. De voorziene ontwikkelingen tot en met 2030 maken de aanleg van de Oostelijke Randweg noodzakelijk.

Op de Oostelijke Randweg zijn ongeveer 4.300 mvt/etmaal (van de in totaal 10.350 mvt/etmaal) doorgaand verkeer, tussen de N222 en de N223. Het grootste deel van dit verkeer rijdt van of naar de Burgemeester van der Goeslaan. Daarnaast is ook nog een deel van het doorgaande verkeer afkomstig vanaf de Zijtwende. Een deel van het doorgaande verkeer op de Oostelijke Randweg rijdt via de Verlengde Veilingweg van en naar de N213 en de N467. Het grootste deel van het doorgaande verkeer op de Oostelijke Randweg rijdt van en naar de N222 via de Kasteelweg.

Op de rotonde Zijtwende zorgt de komst van de Oostelijke Randweg voor een toename van verkeer, vooral op de route Burgemeester van der Goeslaan (N223) - Oostelijke Randweg. Hierdoor wordt de rotonde extra belast.

Uit analyses met het verkeersmodel en tellingen verricht door de provincie blijkt dat de rotonde in de huidige situatie op enig moment tussen nu en 2030 niet meer toereikend zal zijn. Duidelijk is dat de aanleg van de Oostelijke Randweg dit moment vervroegt. De provicie en de gemeente zijn daarom een traject gestart om aard en urgentie van aanpassing van de rotonde gezamenlijk uit te werken.

De ernst van de afname van de kwaliteit van de verkeersafwikkeling wordt mede bepaald door het langzame verkeer. Om een gedegen uitspraak hierover te kunnen doen is aanvullend onderzoek nodig om de wisselwerking met en het effect van het langzaam verkeer in beeld te brengen. Een microsimulatie is hiervoor een geschikt instrument.

In het Westlands verkeer en Vervoerplan (WVVP) is bepaald dat wegen met een hogere intensiteit dan 6.000 mvt/etm als gebiedsontsluitingsweg (GOW) gecategoriseerd moeten worden. Dit houdt in dat de Lange Broekweg zuid, Kasteelweg, Oostelijke Randweg en de nieuwe ontsluiting van Molensloot op de Oostelijke Randweg een functie als GOW moeten gaan krijgen (o.a. vrij liggende fietspaden).

3.9.3 Conclusie

De verkeerskundige analyse geeft een voldoende beeld van de verkeerseffecten van de Oostelijke Randweg De Lier en is hiermee voldoende onderzocht.

3.10 Bedrijven en milieuzonering

3.10.1 Wettelijk kader

In onderhavig bestemmingsplan is zoals in paragraaf 2.3.8 aangegeven een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de herinrichting van de bestaande jachthaven, omdat door de aanleg van de Oostelijke Randweg een deel van de bestaande ligplaatsen moet verdwijnen. De gronden waarvoor de wijizgingsbevoegdheid geldt is met een rode arcering in onderstaande figuur weergegeven. Een jachthaven is een inrichting met een milieuzonering, zoals bepaald in de VNG-Uitgave Bedrijven en Milieuzonering (2009).

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0026.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0027.png"

In lid 18.2 zijn de wijzgingsregels opgenomen om de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen met als doel een jachthaven met bijbehorende voorziening toe te staan. Hierbij geldt dat de gronden die met een oranje contour zijn weergegeven dienen voor de herinrichting van de jachthaven. Op de gronden binnen de gele contour mogen gebouwen worden gerealieerd ten behoeve van de jachthaven, waarbij de oppervlakte in totaal niet meer dan 1000 m2 mag bedragen. De gronden met een groene contour moeten in het wijzigingsplan worden gewijzigd in de bestemming Groen - 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0028.png"

3.10.2 Onderzoek

Om de uitvoerbaarheid van de wijzigingsbevoegdheid te toetsen is aan de hand van de VNG-Uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) bepaald in hoeverre de herinrichting van de jachthaven invloed heeft op de omliggende woningen. De complete rapportage is als bijlage 14 bij de toelichting gevoegd.

Op basis van de VNG-systematiek (omgevingstype gemengd gebied) is een kaart opgesteld, waarin de diverse milieucontouren van bedrijven in het plangebied zijn ingetekend. Bij het bepalen van de contouren is uitgegaan van de bestemmingsgrenzen uit het vigerende bestemmingsplan en de verplaatsing van de jachthaven in westelijke richting. In onderstaande figuur zijn de contouren van de jachthaven, het machinaal loonbedrijf en het bedrijventerrein De Lier weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0029.png"

Uit de resultaten van de contouren blijkt dat er geen overlap is tussen de contour van de jachthaven (groen) en bestaande woningen (geel). De woningen Laan van Adrichem 6 en 8 zijn door de gemeente verworven en worden gesloopt. De milieucontour ligt wel gedeeltelijk op gronden van het bedrijfsperceel Laan van Adrichem 2. De bestaande bedrijfswoning ligt echter buiten de milieucontour van de jachthaven. Op basis van de nog resterende ruimte op het bedrijfsperceel en de ligging van de huidige bedrijfsgebouwen is het niet aannemelijk, dat de bestaande bedrijfswoning wordt gesloopt en binnen de milieucontour van jachthaven wordt teruggebouwd. Het bedrijf wordt derhalve niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd. De woning ligt buiten de contour, zodat er kan worden geconcludeerd, dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

3.10.3 Conclusie

Op basis van bovenstaande wordt geconcudeerd dat de wijzigingsbevoegdheid uitvoerbaar is.

3.11 Milieueffectrapportage

3.11.1 Wettelijk kader

Het Besluit-m.e.r. beschrijft voor welke ontwikkelingen het instrument m.e.r. ingezet moet worden. Het Besluit m.e.r. bestaat twee UIT onderdelen: bijlage C en bijlage D. In het Besluit m.e.r. zijn deze onderdelen C en D onderverdeeld in vier elementen:

  • Activiteiten (beschrijving van de activiteit)
  • Gevallen (drempelwaarden, bijvoorbeeld vierkante meters, aantal woningen, etc.)
  • Plannen (de plannen die van toepassing zijn)
  • Besluiten (de besluiten die van toepassing zijn)

In bijlage C zijn de activiteiten opgenomen waarbij de verplichting geldt om een milieueffect-rapport op te stellen (m.e.r.-plicht). In bijlage D zijn de activiteiten en gevallen opgenomen waarbij een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Wanneer het gaat om een besluit moet het bevoegd gezag beoordelen of de betreffende activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Wanneer het gaat om een 'plan' als bedoeld in kolom 3 'plannen' geldt een directe verplichting tot het opstellen van een planMER.

Wanneer activiteiten onder de (indicatieve) drempelwaarde van onderdeel D liggen, dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden aan de hand van de criteria uit Bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. om te bepalen of mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen op kunnen treden. Blijkt hieruit dat geen belangrijke milieugevolgen mogelijk optreden, geldt geen directe (plan)m.e.r.-plicht.

Deze hierboven beschreven werking is vereenvoudigd weergegeven in onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01_0030.png"

Globale werking Besluit m.e.r.

3.11.2 Onderzoek

Voor de voorgenomen activiteiten, die door dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, dient in het kader van het Besluit m.e.r. gemotiveerd te worden of sprake is van negatieve effecten op het milieu. De Oostelijke Randweg De Lier betreft een autoweg, bestaande uit een tracé van circa 3 kilometer, 2x1 rijstroken en een maximale snelheid van 60 km/uur. De voorgenomen activiteit valt hiermee onder categorie D1.1 (de wijziging of uitbreiding van een autosnelweg of autoweg) van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit geldt de volgende drempelwaarde: bij een tracélengte van 5 kilometer of meer dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Het planvoornemen blijft ruimschoots onder de drempelwaarde waardoor geen m.e.r.-beoordeling, maar een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.

In een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden bekeken of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In onderstaande tabellen wordt aandacht besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'.

1. Kenmerken van het project  
Omvang van het project (relatie met drempel D lijst)

D 1.2 Wijziging of uitbreiding weg met 4 of meer rijstroken of verlegging/verbreding bestaande weg tot 4 rijstroken of meer niet zijnde autoweg of autosnelweg (drempelwaarde: 4 rijstroken of meer, tracélengte 5 km of meer)  
Initiatief: De lengte van het tracé blijft ruimschoots onder de 5 km, bestaande uit 2 rijstroken.  
Cumulatie met andere projecten   Geen  
Gebruik natuurlijke hulpbronnen   Regulier (grond, asfalt)  
Productie afvalstoffen   Beperkt (uitlaatgassen)  
Verontreiniging en hinder   Het project heeft een verkeersaantrekkende werking, waardoor geluidstoename en gevolgen voor de luchtkwaliteit kunnen optreden. Gelet op de omvang van de activiteiten blijven de gevolgen binnen de wettelijke kaders voor milieu. In voorgaande paragrafen zijn de verschillende omgevingsaspecten nader toegelicht, dan wel onderzocht.  
Risico voor ongevallen   Vervoer gevaarlijke stoffen (beperkt, beschreven in paragraaf externe veiligheid)  
2. Plaats van het project  
Bestaande grondgebruik   grotendeels weiland en kassen  
Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied   geen  
Opnamevermogen van het natuurlijke milieu:
Nationale gebieden: (a) wetlands, (b)
kustgebieden, (c) berg- en bosgebieden, (d)
reservaten en natuurparken, (e) Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijngebied, (f) gebieden waarin vastgestelde normen inz. milieukwaliteit al worden overschreden, (g) gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, (h) landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. Provinciale gebieden: o.a.: EHS   
Het projectgebied ligt buiten de invloedssfeer van beschermde natuurgebieden. In de nabije omgeving zijn wel ecologische verbindingszones aanwezig. Vanwege de soort werkzaamheden, als het aanleggen van verharding, worden geen significante effecten op de EHS verwacht.  
3. Kenmerken van het potentiële effect  
Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking)   Lokaal  
Grensoverschrijdend karakter   Geen  
Orde van grootte en complexiteit effect   Beperkt  
Waarschijnlijkheid effect   Groot  
Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect   Aanleg (beperkt): verkeer, bouwwerkzaamheden (geluid en luchtkwaliteit)
Gebruik (continu): verkeer (geluid en luchtkwaliteit)  

Omdat de omvang van het project lager is dan de drempelwaarde en het plan geen effect heeft op Natura 2000 of andere gevoelige gebieden worden er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. In het kader van voorliggend bestemmingsplan zijn de milieugevolgen in beeld gebracht en beschreven in hoofdstuk 3. Een nadere beoordeling in een m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.

3.11.3 Conclusie

Met bovengenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling en de uitgevoerde onderzoeken in voorgaande paragrafen is het milieueffect voldoende onderzocht en beschreven.

Hoofdstuk 4 Juridische planbeschrijving

4.1 Planvorm

4.1.1 Wettelijk voorgeschreven standaardisering

De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn opgesteld overeenkomstig de RO-standaarden 2012, versie 1.3.1, zoals wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012 (Staatscourant 2012, nr. 14821, en Staatscourant 2013, nr. 33375). Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1, 3.2.2 en 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening.

Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg.

Voorts is voor de gehanteerde begrippen aangesloten bij de voor dit bestemmingsplan relevante begrippen uit het Besluit omgevingsrecht en de Wet basisregistraties adressen en gebouwen, een ander als mogelijk gemaakt in de genoemde RO-standaarden 2012.

4.1.2 Aanvulling en geoorloofde afwijking van de SVBP 2012

De planregels en planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn toegesneden op de specifieke behoefte aan planregulering voor het gegeven plangebied. In de hierna volgende paragrafen is de aan het bestemmingsplan eigen plansystematiek toegelicht voor zover die een aanvulling of een geoorloofde afwijking vormt van de SVBP 2012.

In het artikel met de Algemene gebruiksregels zijn indicatief die handelingen genoemd die volgens het bestemmingsplan vallen onder het algemene wettelijke verbod van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening in samenhang met artikel 2.1, eerste lid en onder c., van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Die handelingen zijn in het artikel met de Overige regels strafbaar gesteld met verwijzing naar de Wet economische delicten.

4.1.3 Systematiek van de planregels

Opbouw planregels

De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:

 

Inleidende regels

Begrippen (Artikel 1)

Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.

 

Wijze van meten (Artikel 2)

Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

 

Bestemmingsregels

De bestemmingsregels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:

  • doeleindenomschrijving (gebruiksregels); 
  • bouwregels; 
  • nadere eisen; 
  • afwijkingsregels.

 

Gebruiksregels

De doeleindenbeschrijving van de bestemming of de dubbelbestemming, waarvan opname in de planregels is geboden in artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, is in de planregels voor elke bestemming in eerste instantie vervat in het onderdeel "Bestemmingsomschrijving". Van het onderdeel "Specifieke gebruiksregels" wordt in de planregels vooral gebruik gemaakt om regels te geven voor de onder de bestemming of dubbelbestemming vallende functieaanduidingen en bouwaanduidingen en andere aanduidingen.

 

Afwijkingsregels

In het onderdeel "Afwijken van de gebruiksregels" wordt alleen die afwijkingsbevoegdheid opgenomen die uitsluitend ziet op het gebruik. Zodra sprake is van het afwijken van de bouwregels - ook al vormt dat bouwen een (klein) onderdeel van het gebruik in ruime zin - wordt de bevoegdheid daartoe geplaatst in het onderdeel "Afwijken van de bouwregels".

 

Aanleggen of slopen

De aanlegregels of sloopregels zijn uitvoerig met het oog op een zorgvuldige verlening van de omgevingsvergunning daartoe, voor zover regels daarvoor niet reeds zijn voorzien in de Wet ruimtelijke ordening of het Besluit ruimtelijke ordening. De aanlegregels of sloopregels kennen de volgende onderverdeling:

  • het aanlegverbod of sloopverbod zelf;
  • de voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning mag worden verleend en het inwinnen van deskundigenadvies;
  • de specifieke aanlegverboden of sloopverboden met de daarop gegeven uitzonderingen.

 

Algemene gebruiksregels

In het artikel "Algemene gebruiksregels" zijn naast een verwijzing naar het algemene gebruiksverbod van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, specifieke gebruiksverboden ter invulling van het algemene gebruiksverbod opgenomen. Daarin is onderscheid gemaakt tussen het verbod op het gebruik van gronden en het verbod op het gebruik van bouwwerken.

 

Overgangs- en slotregels

In het artikel "Slotregel" zijn de volgende onderdelen opgenomen:

  • het onderdeel "Vervangen bestemmingsplannen" waarin een overzicht van de bestemmingsplannen en andere planregimes is opgenomen die met dit bestemmingsplan zijn vervangen;
  • en het onderdeel "Citeertitel".

4.1.4 Systematiek van de planverbeelding

Wettelijke vereisten

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Hierbij vormt de inhoud van de digitale versie de beslissende versie. De digitalisering brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

De planverbeelding is digitaal vorm gegeven overeenkomstig de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008. De digitale planverbeelding en de andere onderdelen van de dataset hebben het volgende planidentificatie-nummer gekregen:

NL.IMRO.1783.OINOOSTLRNDWGpbp-VA01

De dataset bestaat uit:

  • het GML-bestand van de planverbeelding;
  • het XML-geleideformulier;
  • de onderliggende bestanden zoals ondergrond en overige topografische informatie;
  • de PDF- en HTML-bestanden voor respectievelijk de verbeelding van plantoelichting en planregels.

 

Leeswijzer verbeelding

Wegwijzer via internet

Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) een nieuwe aangelegenheid. Via de website www.ruimtelijkeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Via het tabblad 'bestemmingsplannen' kan worden doorgeklikt naar de provincie, de woonplaats of nog specifieker de straatnaam. De gebieden die zwart omlijnd op de kaart staan aangeduid, zijn de gebieden waarvoor een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar is.

Zodra het gewenste bestemmingsplan is gevonden en deze voldoende is ingezoomd, wordt de betreffende bestemmingslegging zichtbaar. Om een beter beeld van de omgeving te krijgen, kan voor verschillende ondergronden worden gekozen (luchtfoto, topografie). Zodra linksonder 'legenda' wordt aangeklikt, wordt inzichtelijk wat de verschillende kleuren betekenen. Door vervolgens op een locatie binnen het plangebied te klikken wordt aan de rechterzijde van de kaart de bijbehorende informatie getoond. Indien meer informatie is gewenst, kan worden doorgeklikt naar de toelichting en/of de regels van het plan.

 

Analoge verbeelding

Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien. Het lezen van de analoge verbeelding is verschillend van de digitale verbeelding. Op de analoge verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes.  

 

Bestemmingsvlak en bouwvlak

Vrijwel elke bestemming bestaat doorgaans uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Soms komt het voor dat het bestemmingsvlak en het bouwvlak met elkaar samenvallen. Op de plankaart is dan uitsluitend een bouwvlak te zien (het bestemmingsvlak ligt hieronder).

 

Aanduidingen

Op de digitale plankaart is een onderscheid gemaakt in verschillende aanduidingen. Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking. Voorbeelden van functieaanduidingen zijn 'bedrijfswoning', 'detailhandel' en 'kantoor'.

Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken, worden bouwaanduidingen genoemd. Voorbeelden van bouwaanduidingen zijn 'gestapeld' en 'onderdoorgang'.

Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringaanduidingen.

4.1.5 Toepasselijkheid Crisis- en herstelwet

De Crisis- en herstelwet voorziet in de mogelijkheid om voor bepaalde projecten een eenvoudiger procedure te volgen voor de besluitvorming daarover. In artikel 1.1 worden, onder andere, als projecten genoemd die welke zijn opgenomen in Bijlage I van de wet.

De aanleg van de Oostelijke Randweg is in de Crisis- en herstelwet, in het bijzonder in artikel 3.1 van Bijlage I van die wet, als project aangewezen en wel als gebiedsontwikkeling van lokaal of regionaal belang. De aanleg van de weg voldoet aan de in de wet gestelde voorwaarden.

De Crisis- en herstelwet is derhalve van toepassing op dit bestemmingsplan.

Het belangrijkste gevolg van de toepasselijkheid van de wet is de afbakening (verkorting) van de beroepsprocedure tegen een besluit in verband met het project (Afdeling 2 van Hoofdstuk 1 van de wet). De dan te volgen procedure wijkt af van de reguliere procedure op grond van de Algemene wet bestuursrecht.

Verder moeten in het beroepschrift in ieder geval de beroepsgronden zijn opgenomen en de rechtzoekende kan, bijvoorbeeld, het beroepsschrift niet meer aanvullen met beroepsgronden na het verloop van de beroepstermijn.

Verder moet de beroepsrechter binnen zes maanden uitspraak doen op het beroepschrift; indien sprake is van een tussenuitspraak dan moet de einduitspraak ook binnen zes maanden nadien volgen. Indien een bestuursorgaan na vernietiging een nieuw besluit moet nemen, kan het dat besluit baseren op de feiten waarop het vernietigde besluit berustte, behoudens voor zover de onjuistheid of het onvoldoende vast staan van deze feiten een grond voor de vernietiging was.

4.2 Bestemmingsregeling

De bestaande agrarische functies in het plangebied zijn overeenkomstig het voorheen geldende bestemmingsplan bestemd.

Bestemming  Agrarisch - Glastuinbouw

Bestaande glastuinbouwbedrijven zijn in dit bestemmingsplan bestemd als Agrarisch - Glastuinbouw (A-GT). Bij de beoordeling van aanvragen omgevingsvergunning gaat het om drie centrale begrippen, namelijk glastuinbouw bedrijvigheid, volwaardigheid en doelmatigheid.

Glastuinbouwbedrijvigheid:

Onder glastuinbouw bedrijvigheid wordt verstaan het op bedrijfsmatige wijze telen en verzorgen van gewassen in kassen. Deze producten mogen in de bedrijfsruimte/de verwerkingsruimte bij het glastuinbouwbedrijf ook worden verwerkt en verpakt. Producten die geteeld zijn in andere kassen, kunnen met ontheffing centraal worden verwerkt en verpakt. Van belang is dat altijd de teeltfunctie centraal staat. Als er sprake is van de inkoop van gewassen die elders zijn geteeld en die verhandeld of verwerkt worden zonder dat sprake is van het telen en/of kweken van de gewassen, is er sprake van een andersoortige bedrijfsvoering die in strijd is met de glastuinbouwbestemming. Visteelt is geen aan de glastuinbouw gerelateerde activiteit en is niet toegestaan binnen de bestemming glastuinbouw. Er kan echter ontheffing verleend worden voor visteelt indien het ondergeschikt blijft aan het telen van gewassen. Er moet aantoonbaar sprake zijn van een gesloten systeem (waarbij de vissen de gewassen bemesten), van dubbel ruimtegebruik en van een milieu neutrale viskweek.

Volwaardigheid:

Bij de beoordeling van volwaardigheid staan drie aspecten centraal:

  • 1. er moet sprake zijn van tenminste één volwaardige arbeidskracht. Het bedrijf moet werk en inkomen leveren voor minimaal één volwaardige arbeidskracht, dat wil zeggen dat iemand gedurende het hele jaar een volledige dagtaak in het bedrijf heeft en hier het hoofdberoep, hoofdinkomen en hoofdbestaan in vindt;
  • 2. duurzaamheid: hiermee wordt bedoeld de continuïteit van het bedrijf en de binding van de ondernemer(s) of de arbeidskracht(en) met het bedrijf. Continuïteit betekent dat het bedrijf toekomstmogelijkheden moet hebben om langere tijd te kunnen blijven bestaan. Hierbij is de bedrijfstechnische opzet (omvang, aard) van belang, maar ook de aanwezigheid van ruimtelijke claims (waaronder begrepen de waterhuishoudkundige situatie), alsmede milieu hygiënische gevolgen worden bij de beoordeling betrokken. Met de binding met het bedrijf wordt bedoeld dat er sprake moet zijn van een juridische en emotionele binding met het bedrijf;
  • 3. bedrijfsgrootte: hiermee wordt bedoeld dat een glastuinbouwbedrijf tenminste over 15.000 m2 aan glasopstanden beschikt. Een bedrijf kan ook bij minder dan 15.000 m2 aan glasopstanden als volwaardig gelden, maar dan zal moeten worden aangetoond dat de teelt van een (gespecialiseerd) glastuinbouwbedrijf zodanig is dat deze op beperkte schaal bedrijfseconomisch verantwoord en levensvatbaar is. In een dergelijk geval moet een advies overgelegd worden door een glastuinbouwdeskundige. Er geldt een minimale oppervlakte aan glasopstanden van 5000 m2.

Doelmatigheid:

De doelmatigheid is erop gericht dat de bebouwing voldoet aan wat past of logisch is voor een glastuinbouwbedrijf en dat de bebouwing is afgestemd op de aard en omvang van het bedrijf.

Bij de beoordeling van bouwaanvragen zullen de volgende aspecten worden meegewogen:

  • de maatvoering en inrichting van gebouwen;
  • het gebruik dat bij die maatvoering en inrichting hoort;
  • de locatie van gebouwen en woning(en).

Als zowel de glastuinbouw bedrijvigheid en de volwaardigheid als de doelmatigheid positief worden beoordeeld, dan is er sprake van een noodzaak en toelaatbaarheid van bebouwing. Bij een beoordelen van een aanvraag omgevingsvergunning wordt bij voorkeur al de gehele inrichting getoetst. Het opknippen van bouwaanvragen moet worden voorkomen en kan leiden tot niet in behandeling nemen.

Bedrijfsruimten, zoals verwerkingsruimten bij glasopstanden (teeltruimtes) mogen geen groter bruto vloeroppervlak hebben dan 12,5% van de aanwezige glasopstanden bij het bedrijf. Met een binnenplanse afwijking kan het percentage onder voorwaarden verhoogd worden tot 15%.

Voor kantoren (dat wil zeggen geen zelfstandige kantoren) bij glastuinbouwbedrijven, mag het vloeroppervlak niet meer bedragen dan 1% van de aanwezige glasopstanden, behorende bij het bedrijf ter plekke. Enkele voorwaarden voor de vestiging van een kantoor bijhorende bij het glastuinbouwbedrijf worden hieronder genoemd:

  • kantoren moeten onderdeel zijn van de bedrijfs/verwerkingsruimte;
  • voorkeur wordt gegeven aan inpassing op de eerste verdieping van de bedrijfs/verwerkingsruimte vanuit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit en intensief ruimtegebruik;
  • kantoorpanden los van de overige bedrijfsbebouwing zijn niet toegestaan;
  • het procentuele maximum is 1% van de hoeveelheid kassen (ontheffing mogelijk);
  • het absolute maximum aan bruto vloer oppervlakte wordt gesteld op 1000 m2;
  • concentratie van kantoren van meerdere vestigingen op één hoofdlocatie is niet toegestaan (afwijking mogelijk);
  • met een binnenplanse afwijking kan het percentage onder voorwaarden worden verhoogd tot 1,5% en een maximum van 1500 m2.

Voor (nieuwe) glastuinbouwbedrijven is het niet mogelijk een (nieuwe) bedrijfswoning te bouwen. Er kunnen geen nieuwe bedrijfswoningen meer gebouwd worden in het glastuinbouwgebied. Bestaande bedrijfswoningen kunnen wel onder voorwaarden worden herbouwd:

  • deze zal gaan dienen voor de huishouding van de ondernemer of zijn personeel;
  • het bedrijf beschikt over tenminste 20.000 m2 grond;
  • het bedrijf beschikt over tenminste 15.000 m2 glasopstanden;
  • de woning niet al eerder is gesloopt, verplaatst en herbouwd als burgerwoning in het kader van een schaalvergroting of reconstructie of herstructurering;
  • de woning niet al eerder is gesloopt, verplaatst en herbouwd als bedrijfswoning ten behoeve van een (destijds) nieuw, ander opgericht glastuinbouwbedrijf;
  • de bedrijfswoning wordt opgericht op de gronden die behoren tot het glastuinbouwbedrijf;
  • de bedrijfswoning wordt gebouwd op zodanige plek dat hierdoor de (verdere) toekomst van de glastuinbouw niet wordt belemmerd, dit ter beoordeling van de glastuinbouwdeskundige.

Een ondernemer kan ook bij minder dan 15.000 m2 aan glasopstanden een woning herbouwen, maar dan zal moeten worden aangetoond dat de teelt van het glastuinbouwbedrijf zodanig gespecialiseerd is dat deze op beperkte schaal bedrijfseconomisch verantwoord en levensvatbaar is. In een dergelijk geval moet een advies overgelegd worden dat zal worden beoordeeld door de glastuinbouwdeskundige. Er geldt dan een minimale oppervlakte aan glasopstanden van 5000 m2.

Indien een bedrijf beschikt over twee of drie bedrijfswoningen, kunnen de woningen worden herbouwd indien:

  • deze zullen dienen voor de huishouding van de ondernemers of hun personeel;
  • het bedrijf beschikt over tenminste 40.000 m2 grond;
  • het bedrijf beschikt over tenminste 30.000 m2 glasopstanden;
  • de bedrijfswoningen niet al eerder zijn gesloopt, verplaatst en herbouwd als burgerwoningen in het kader van een schaalvergroting of reconstructie of herstructurering;
  • de bedrijfswoningen niet al eerder zijn gesloopt, verplaatst en herbouwd als bedrijfswoningen ten behoeve van een (destijds) nieuw opgerichte glastuinbouwbedrijven;
  • de bedrijfswoningwoningen worden opgericht op de gronden die behoren tot de glastuinbouwbedrijven;
  • de bedrijfswoningen worden gebouwd op zodanige plekken dat hierdoor de (verdere) toekomst van de glastuinbouw niet wordt belemmerd, dit ter beoordeling van de glastuinbouwdeskundige.

Bij de herbouw van een bedrijfswoning wordt dus altijd gekeken naar de situering. De nieuw te bouwen bedrijfswoning mag namelijk de verdere toekomst van de glastuinbouw niet belemmeren. Een woning wordt namelijk voor een lange tijd gebouwd en zal midden in het glastuinbouwgebied toekomstige herstructurering kunnen frustreren. De woning moet worden gebouwd langs de weg of aan een lint dat ook in de toekomst behouden zal blijven. Woningen kunnen niet solitair midden in het glasareaal worden gebouwd. Dit is ter beoordeling aan de glastuinbouwdeskundige.

Verder zijn de bestaande binnenplanse afwijkingen van de parapluherziening opgenomen, maar zijn er versoepelingen doorgevoerd ten opzichte van het paraplubestemmingsplan. Het gaat dan met name om de afstand van 12,5 meter van de bedrijfswoning tot aan de bedrijfsgebouwen, kassen en waterbassins van het eigen bedrijf. Belangrijke voorwaarde is dat de bestaande toestand niet mag verslechteren. Er zijn eveneens wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor het omzetten van bedrijfswoningen, verplaatsen van (bedrijfs-) woningen en het vergroten van het woonvlak. Uiteraard onder bepaalde voorwaarden, waarbij de belangrijkste voorwaarde is dat de glastuinbouwreconstructie in de toekomst niet gefrustreerd mag worden.

Bestemming Bedrijf - Gemaal

Het bestaande gemaal met bijbehorende gronden zijn bestemd als Bedrijf - Gemaal (B-GEM)

Bestemming Bedrijventerrein

Aan de zuidkant is voor een strook langs het perceel Lierweg 107 / 109 de bestemming Bedrijventerrein opgenomen. Op de gronden zijn geen gebouwen en opslag toegestaan. De erfafscheiding mag niet hoger zijn dan 1 m.

Bestemming Groen - 1

De gronden ten zuiden van de Lee/Lierwater en ten noorden van de verkeersbestemming zijn bestemd als Groen - 1. Op deze gronden zijn ook fietspaden toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - inrit' is ten hoogste 1 (gecombineerde) in-/uitrit toegestaan met dien verstande, dat de breedte van een in-/uitrit of ontsluitingsweg ten hoogste 15 m bedraagt.

Bestemming Groen - 2

Op de gronden waarop nieuwe park en de natuur zal worden gerealiseerd, is de bestemming "Groen - 2" (G - 2) neergelegd. Deze bestemming geeft invulling aan het groen-blauwe netwerk, zoals in paragraaf 2.1.1.1 en 2.1.2 is beschreven. Aan deze bestemming is ter bescherming van de natuurwaarden een omgevingsvergunningenstelsel verbonden voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Op deze gronden wordt de waterbergingsvoorziening mogelijk gemaakt die nodig is voor compensatie van het te dempen water in het plangebied, het afvangen van het regenwater van de toename in verhard oppervlak en 6.500 vierkante meter aan extra waterberging voor het waterschap. Aangegeven is dat deze voorzieningen verbonden moet zijn en verbonden moet blijven met de (primaire) watergangen, die zijn aangeduid als 'waterlopen met een waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie' (zie bestemming Water).

Bestemming Recreatie - Verblijfsrecreatie

De bestemming betreft de bestaande jachthaven. Voor de bestemmingsregeling is aangesloten bij het voorheen geldende bestemmingsplan. Rekening houdend met de bestaande bebouwing en de planregels van de voorheen geldende bestemmingsplannen is een bouwhoogte opgenomen.

Bestemming Verkeer

De gronden in het plangebied zijn deels bestemd als 'Verkeer'. Deze gronden zijn bedoeld voor wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstrook, alsmede opstelstroken, busstroken, voet- en fietspaden en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen en reclame-uitingen. Tevens zijn de gronden bestemd voor groen en water. De aanleg van de weg is slechts toegestaan als wordt voorzien in de aanleg van extra waterberging van ten minste 6.500 m³ op de gronden met de bestemming Groen - 2 ten behoeve van het waterbergingstekort in de Oude Lierpolder. De extra waterberging moet zijn gerealiseerd, wanneer de aanleg van de weg is afgerond en moet in stand worden gehouden.

Bestemming Verkeer - Verblijfsgebied

Daar waar het openbaar gebied een verblijfs- en verplaatsingsfunctie heeft, zijn de gronden bestemd als Verkeer - Verblijfsgebied. Binnen deze bestemming is een aantal daarin passende gebruiksvormen toegestaan zoals parkeren, groen- en waterpartijen, fiets- en voetpaden.

Bestemming Water

Een deel van de gronden is bestemd als "Water". Deze gronden zijn bedoeld voor waterlopen ten behoeve van de waterhuishouding, waterberging, sierwater en het verkeer te water en bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, bruggen, duikers, aanlegsteigers en waterstaatkundige voorzieningen. De twee primaire watergangen zijn aangeduid als'waterlopen met een waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie'. Ten behoeve van de aanleg van de Oostelijke Randweg is ter plaatse van de brug een aanduiding 'verkeer' opgenomen.

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 4

Aan deze dubbelbestemming is, afhankelijk van de toegekende waarde, een omgevingsvergunning voor bouwwerken, werken en werkzaamheden verbonden. Archeologisch onderzoek is in verband met een omgevingsvergunning slechts noodzakelijk indien de bouwwerken, werken of werkzaamheden zowel de maximale oppervlakte alsmede de maximale diepte (van de toegekende waarde) overschrijden. Zo is archeologisch onderzoek benodigd indien de bouwwerken, werken of werkzaamheden zowel een oppervlakte hebben van meer dan 500 m² en een diepte beneden maaiveld hebben van meer dan 50 cm.

Dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering

In het plangebied is een waterkering aanwezig. De kern- en beschermzones van deze kering is, conform de Keur en legger van het Hoogheemraadschap van Delfland beschermd door middel van de dubbelbestemming "Waterstaat- Waterkering".

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Op 24 mei 2016 heeft de gemeenteraad het besluit genomen om het uitvoeringskrediet voor de Oostelijke Randweg De Lier beschikbaar te stellen. Dit is gebeurd op basis van een interne verrichte tracéstudie en een tweetal varianten. De kosten voor de uitvoering van het project worden vanuit het beschikbaar gestelde krediet gedekt. Het bestemmingsplan is hierdoor economisch uitvoerbaar. Met dit plan worden geen directe ontwikkelingen direct mogelijk gemaakt die exploitatieplanplichtig zijn. Indien gedurende de looptijd van het bestemmingsplan gebruik wordt gemaakt van een mogelijkheid tot wijziging van het plan, moet op dat moment een exploitatieplan worden opgesteld of een overeenkomst worden gesloten met degene die verzoekt om wijziging van het plan. Gezien het bovenstaande is het niet noodzakelijk dat een exploitatieplan wordt vastgesteld bij dit bestemmingsplan. Een exploitatieplan, als bedoeld in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening, kan daarom achterwege blijven.

Eventueel vergoeding van planschade, als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening, is als kostenpost in het beschikbaar gestelde krediet meegenomen, zodat kan worden geconcludeerd, dat het bestemmingsplan ook op dit vlak uitvoerbaar is.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het wettelijke verplichte overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de Provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap van Delfland, de Veiligheidsregio Haaglanden en Westland Infra Beheer met de mogelijkheid tot het geven van een reactie. Er zijn reacties ontvangen van het Hoogheemraadschap, de provincie Zuid-Holland en de Veiligheidsregio Haaglanden. Deze zijn opgenomen in bijlage 15. De reacties zijn beantwoord in een Nota van Beantwoording overlegreacties ex artikel 3.1.1. Bro, die als bijlage 16 is opgenomen en verwerkt in het bestemmingsplan.

Inspraak 

Op basis van de gemeentelijke inspraakverordening heeft het voorontwerpbestemmingsplan vanaf 14 april 2017 tot en met 26 mei 2017 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode kon een ieder zijn inspraakreacties indienen. Er zijn 5 inspraakreacties ontvangen.

De gemeente Westland heeft op 17 mei 2017 een inloopavond over het voorontwerp bestemmingsplan georganiseerd.

Resultaat

Voor een volledig overzicht van de inspraakreacties wordt verwezen naar de nota van beantwoording inspraakreacties in bijlage 17. De ontvangen inspraakreacties hebben niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Ontwerpplan

Van 21 juli tot 1 september 2017 heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedurende de periode van tervisielegging zijn zes zienswijzen ingediend. De ontvangen zienswijzen zijn beoordeeld. Voor een overzicht van de zienswijzen wordt verwezen naar Bijlage 18 van deze toelichting. De ingebrachte zienswijzen hebben geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan, in die zin dat het fietspad bij de jachthaven is bestemd als 'Verkeer – Verblijfsgebied' (zie Bijlage 18).