| Plan: | TAM-omgevingsplan, 4e wijziging Bovenhavenkwartier Kampen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0166.00993008-VS01 |
Mateboer projectontwikkeling en Junco vastgoed (hierna: initiatiefnemer) zijn voornemens om aan de Bovenhavenkwartier te Kampen de bestaande bedrijfsbebouwing te slopen en hiervoor in de plaats woningbouw te realiseren. Het gaat daarbij om 74 woningen waarbij het programma is gericht op starters, senioren en kleinere gezinnen, met de verdeling 20% sociale huur, 10% goedkope koop, 35% middendure koop en 35% dure koop. Door de sloop van de bestaande opstallen in combinatie met de nieuwe ontwikkeling wordt een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitswinst behaald, kan een groene corridor worden gerealiseerd en wordt verdere verloedering van het terrein en opstallen voorkomen.
Het beoogde initiatief is in strijd met het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Kampen met daarin het 'Chw bestemmingsplan Kampen en IJsselmuiden 2022 (binnenstad en woongebieden)' vastgesteld op 13 juli 2023. In het kader van het initiatief en ter voorbereiding van de bijbehorende planologische procedure heeft de initiatiefnemer samen met de gemeente Kampen in 2023 een ontwikkelkader opgesteld. Het ontwikkelkader is door de gemeenteraad van Kampen op 19 maart 2024 gewijzigd vastgesteld. Het ontwikkelkader vormt de basis van het planvoornemen.
Het voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in een nieuw juridisch-planologisch kader voor de beoogde ontwikkeling. In deze ruimtelijke motivering, als onderdeel van het TAM-omgevingsplan, is verder onderbouwd dat deze ontwikkeling voldoet aan de eisen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het plangebied ligt in de kern Kampen binnen de gemeente Kampen, weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1 Ligging plangebied in de kern Kampen (rood omlijnd) (Bron: Rho Basisviewer, 2025)
Het gaat het om de volgende kadastrale percelen, zoals weergegeven in figuur 1.2:
Het plangebied is in circa 7.525 m² groot en grenst aan de noordzijde aan de Boven Havenstraat. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrenst door de IJsselzicht met de achterkanten van diverse woningen. Aan de zuidzijde ligt de jachthaven Bovenhaven. Aan de westzijde bevindt zich openbare ruimte.
Figuur 1.2 Kadastraal perceel Bovenhavenkwartier Kampen (aangegeven met rode contour) (bron: Basisviewer Rho 2025)
Gemeenten kunnen de TAM-IMRO techniek toepassen totdat zij het omgevingsplan-instrument wel op basis van de STOP/TPOD-standaard kunnen publiceren, bekendmaken en beschikbaar stellen via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Met een TAM-IMRO omgevingsplan wordt gemeenten de mogelijkheid geboden een omgevingsplan op basis van de techniek van de oude Wet ruimtelijke ordening (de RO-Standaarden 2012) te maken.
Technisch blijft een omgevingsplan op basis van TAM-IMRO dan ook een bestemmingsplan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het met IMRO2012 opgestelde omgevingsplan moet, net als andere bestemmingsplannen, uiteindelijk worden verwerkt in het omgevingsplan op basis van de STOP/TPOD standaard. Juridisch gezien is een TAM-IMRO omgevingsplan een volwaardige wijziging van het omgevingsplan onder de Omgevingswet. Inhoudelijk moet deze wijziging van het omgevingsplan voldoen aan de eisen vanuit de Omgevingswet.
De gemeente Kampen is momenteel aan de slag met het opstellen van de structuur van het gemeentedekkend omgevingsplan. Dit gemeentedekkend omgevingsplan kan nog geen basis zijn voor deze ontwikkeling. Daarom is gekozen om deze ontwikkeling mogelijk te maken met een TAM-IMRO omgevingsplan. Zodra de structuur definitief is, wordt dit plan onderdeel van het definitieve omgevingsplan.
Het Bovenhavenkwartier in Kampen is een historisch stadsdeel dat op de rand van de binnenstad ligt. De locatie is een van de voormalige industriegebieden van Kampen tegen de binnenstad aan. Het ligt naast één van de oude havens en aan één van de invalswegen met een aantal monumentale gebouwen (voormalige HBS en Myosotis).
Het Bovenhavenkwartier is de zuidelijke entree van de binnenstad. Hier presenteert de binnenstad van Kampen zich aan haar bewoners en bezoekers. In de nabijheid van het plangebied zijn diverse functies, zoals bedrijven, woningen, detailhandel, dienstverlening en parkeervoorzieningen aanwezig.
Op de locatie aan de IJsseldijk heeft tot 1932 een zeepfabriek gestaan. Daarna is deze locatie gebruikt als autogarage. Ter plaatse van de Boven Havenstraat 12 is een smederij, een fotofabriek en een glas- en verfhandel gevestigd geweest. De locatie Boven Havenstraat 10 is gebruikt als drukkerij. Deze functies zijn allen ten behoeve van de beoogde herontwikkeling weggegaan.
Een deel van de vervallen gebouwen is reeds gesloopt waardoor een open ruimte is ontstaan waar momenteel verharding en gras aanwezig is. Aan de kant van de IJsseldijk is openbaar groen met enkel bomen aanwezig. Het overgrote deel van het plangebied is nu braakliggend. Op de onderstaande figuur 2.1 is de bestaande verharding en bebouwing in het plangebied aangeduid.
Figuur 2.1 Overzicht verharding binnen plangebied (bron: SWECO)
Volgens het omgevingsplan zijn in het plangebied de volgende plannen van toepassing:
De bovenstaande bestemmingsplannen zijn verwerkt in:
Conform de hierboven genoemde Chw bestemmingsplan Kampen en IJsselmuiden 2022 (binnenstad en woongebieden), waarvan een uitsnede is weergegeven in figuur 2.2, zijn de gronden bestemd als 'Bedrijf', 'Gemengd - 3', 'Wonen -1', 'Verkeer', 'Groen', 'Waterstaat - Waterkering' en 'Waarde - Beschermd stadsgezicht'. Binnen de bestemming 'bedrijf' zijn tevens de functieaanduidingen 'bedrijfswoning' en 'garage' aanwezig.
Figuur 2.2 Chw bestemmingsplan Kampen en IJsselmuiden 2022 (binnenstad en woongebieden) met ligging plangebied (Bron: pdok.nl)
Bedrijf
De gronden met de bestemming 'Bedrijf' zijn bestemd voor lichte vormen van bedrijven zoals genoemd in milieucategorie 1 en 2 in bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten) van het Chw bestemmingsplan met daarbij behorende productiegebonden detailhandel. Op de verbeelding is het bouwvlak aangegeven waarbinnen de gebouwen gerealiseerd dienen te worden.
Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is een bedrijfswoning toegestaan met hieraan ondergeschikte beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis. Ter hoogte van de aanduiding 'garage' is ook de verkoop en reparatie van auto's toegestaan.
Gemengd - 3
De voor 'Gemengd - 3' aangewezen gronden zijn bestemd voor de volgende functies:
Op de verbeelding is het bouwvlak aangegeven waarbinnen de gebouwen gerealiseerd dienen te worden.
Wonen - 1
De voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor de volgende functies:
Verkeer
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor de volgende functies:
en bijbehorende verhardingen, straatmeubilair, abri's, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
Groen
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor de volgende functies, groenvoorzieningen, recreatief medegebruik, pleinen, fiets- en/of voetpaden, uitwegen, bruggen en tunnels voor fiets- en voetpaden, speel- en sportvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen, en bijbehorende verhardingen, straatmeubilair, abri's, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
Waterstaat - Waterkering
De voor ‘Waterstaat - Waterkering’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), ook bestemd voor de aanleg, het onderhoud en de verbetering van de waterkering, berging en afvoer van water, ijs en sediment, voor zover gelegen in het rivierbed, zoals genoemd in de Beleidslijn Grote Rivieren, met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde en voorzieningen.
Waarde - Beschermd stadsgezicht
De voor 'Waarde - Beschermd stadsgezicht' aangewezen gronden zijn, behalve voor de voorkomende bestemmingen(en) ook bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de met het beschermd stadsgezicht verbonden cultuurhistorische waarde, wat tot uitdrukking komt in het patroon van straten, stegen, pleinen, grachten, havens en kaden, muren en stadsmuren, alsmede in de verkaveling van bouwvlakken en/of bouwpercelen. Daarnaast is het karakter van de bebouwing, bepaald door type, structuur, diepte, breedte, opbouw in verdiepingen, bekapping, gevelindeling en materiaalgebruik bepalen. Tot slot zijn de indeling en aard van de openbare en private open ruimten en de beplanting van belang.
In het plangebied zijn tenslotte meerdere gebiedsaanduidingen van toepassing:
Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan behoren ook de gemeentelijke archeologieverordening, de geurverordening en de verordening afvoer regen- en grondwater (en een Verordening fysieke leefomgeving, voor zover deze regels over voorgaande onderwerpen bevat), in het geval de gemeente een dergelijke verordening heeft vastgesteld.
Erfgoedverordening 2011 gemeente Kampen
Regels uit de erfgoed- of monumentenverordening die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, moeten in 2031 opgenomen zijn in het Omgevingsplan. Voor onroerend cultureel erfgoed mag de erfgoedverordening dan alleen nog andere regels omvatten. Bijvoorbeeld een subsidieregeling. Op grond van de Erfgoedwet blijft de erfgoedverordening wel gelden voor de bescherming van roerend cultureel erfgoed (cultuurgoederen) en immaterieel cultureel erfgoed.
Op grond van het overgangsrecht van de Omgevingswet blijft een beperkt deel van de erfgoedverordening onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het gemeentelijk omgevingsplan. Dit betreft uitsluitend de regels over archeologie. De erfgoedverordening bevat daarnaast regels over de bescherming van gemeentelijke monumenten en over de bescherming van stads- en dorpsgezichten. Voor het aspect archeologie fungeert de verordening als vangnet, voor zover deze regels nog niet zijn opgenomen in het omgevingsplan.
In paragraaf 5.11 wordt getoetst aan deze verordening getoetst. Hieruit blijkt dat het aspect cultureel erfgoed geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Kampen
De geurverordening maakt automatisch onderdeel uit van het Omgevingsplan. Deze verordening is enkel van toepassing op vier specifieke locaties in de gemeente Kampen. De planlocatie is hier geen onderdeel van of binnen 1 kilometer gelegen. Dit houdt in dat de normen vanuit de Bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) van toepassing zijn. Paragraaf 5.10 gaat nader in op het aspect geur.
De bodemkwaliteitskaart, bestaande uit een bodemfunctieklassenkaart, ontgravingskaart en toepassingskaart, is een door de gemeente vastgestelde kaart met daarop de bodemkwaliteit per gebied. De gemeente Kampen, heeft samen met een aantal andere gemeente in de regio IJsselland, de Nota bodembeheer vastgesteld. Het plangebied valt binnen deelgebied 'Wonen 1900-1945' van de bodemkwaliteitskaart. Op de bodemfunctieklassekaart ligt het plangebied in een gebied met de functieklasse 'Wonen'. In paragraaf 5.9 wordt nader ingegaan op het aspect bodem.
In de bruidsschat zijn verschillende regels opgenomen die relevant kunnen zijn voor een nieuwe ontwikkeling. De bruidsschat bevat voorrangsbepalingen en overgangsrecht, regels over bouwwerken, open erven en terreinen, regels over milieubelastende activiteiten, regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond en regels over gemeentelijke omgevingsvergunningen. In hoofdstuk 5 Fysieke leefomgeving wordt nader op de regels ingegaan.
Initiatiefnemer is voornemens om in het Bovenhavenkwartier te Kampen de resterende bedrijfsbebouwing te slopen en hiervoor in de plaats woningbouw te realiseren. Het gaat daarbij om 74 woningen waarbij het programma is gericht op starters, senioren en kleinere gezinnen, met de verdeling 20% sociale huur, 10% goedkope koop, 35% middendure koop en 35% dure koop.
Door de sloop van de bestaande opstallen, in combinatie met de nieuwe ontwikkeling, wordt een aanzienlijke ruimtelijke kwaliteitswinst behaald. Daarnaast kan een groene corridor worden gerealiseerd en wordt verdere verloedering van het terrein en opstallen voorkomen.
Het stedenbouwkundig ontwerp van 'Bovenhavenkwartier' is zorgvuldig ingepast in goed overleg met de verschillende afdelingen van de gemeente Kampen. De nieuwe wijk bestaat uit een mix van verschillende woningtypes, waaronder eengezinswoningen en appartementen.
De schaal van de bebouwing sluit aan bij de omliggende bebouwing. Aan de Bovenhavenstraat is de nieuwe bebouwing maximaal 11,5 meter hoog, met uitzondering aan de kopse kant waar 13 meter hoog is. Met de 11,5 meter wordt aangesloten op de maximale hoogte van de bestaande bebouwing aan de Bovenhavenstraat die circa 11 meter hoog is. Door het kopse gebouw 13 meter hoog te maken wordt dit een hoogte accent ter plaatse. Door het profiel van de Bovenhavenstraat te verbreden van 9 meter naar minimaal 15,6 meter is dit beperkte hoogteverschil goed inpasbaar. Grenzend aan de zijde van IJsselzicht is de bebouwing ook maximaal 11,5 meter hoog, maar deze kan oplopen tot maximaal 14 meter in het deel dat ook aan de haven grenst.
Voor de bebouwing aan de haven en tegenover de HBS (wat aan de westzijde van het plangebied gelegen is) is een gevarieerde bouwhoogte wenselijk, variërend van 13,5 tot 14 meter met een hoogteaccent tot maximaal 20 meter aan de zijde van haven (zuidzijde) en weer aflopend naar maximaal 13,5 meter op de hoek met de Bovenhavenstraat. Met de bouwhoogte van maximaal 20 meter kan een accent gemaakt worden om de betekenis van het Bovenhavenkwartier als zuidelijke entree van de binnenstad te markeren. Dit is een stedenbouwkundig markante hoek op de overgang van de Parkgordel en de haven, en duidelijk zichtbaar vanuit de Graafschap en vanaf de IJsseldijk. Daarmee is de bouwhoogte van de nieuwe bebouwing onder de hoogte van de HBS. Binnen het plangebied worden daarnaast 64 parkeerplaatsen gerealiseerd. In figuur 2.3 is het voorlopige stedenbouwkundige plan toegevoegd.
Figuur 2.3 Voorlopig stedenbouwkundige situatietekening plangebied mei 2025 (Bron: Juli architecten, 2025)
Voor het planvoornemen zijn beleidsregels opgesteld voor de ruimtelijke uitstraling van het initiatief. De beleidsregels beeldkwaliteits bovenhavenkwartier zijn op 10 juli 2025 door de gemeenteraad vastgesteld. In de beleidsregels is aandacht besteed aan cultuurhistorie en welstand zodat het plan passend is binnen het beschermde stadgezicht. De beleidsregels zijn te vinden in de (Link:) Beleidsregel Beeldkwaliteitsplan Bovenhavenkwartier en in bijlage 1 van dit plan.
De ontwikkeling biedt een mix van woningtypen. Deze variatie zorgt ervoor dat het gebied aantrekkelijk is voor een brede doelgroep, van jonge gezinnen tot senioren. De architectuur van de woningen wordt modern, maar passend bij de bestaande bebouwing in de omgeving, met aandacht voor energie-efficiëntie en duurzaamheid.
De bebouwing wordt omringd door zorgvuldig aangelegde groene ruimtes die bijdragen aan een gezonde en sociale leefomgeving. Deze groene zones gaan dienen als ontmoetingsplekken voor bewoners en bieden ruimte voor recreatie en ontspanning.
Vanuit architectonisch oogpunt is het doel geweest om een gebied te creëren wat aansluit bij de rijke historie van de locatie. De bouwhoogtes en vormgeving van de gebouwen sluiten aan de randen aan op de directe omgeving. Waarbij juist aan de kant van de haven meer de hoogte gezocht wordt waardoor de overgang van laag naar hoog goed wordt ingepast.
Met het initiatief wordt aangesloten bij de gebiedsvisie voor de binnenstad van Kampen. Het Bovenhavenkwartier is een schakel tussen de sferen van de binnenstad, de groene gordel rondom de binnenstad en het industriële karakter van de IJsseldijk. Daarnaast vormt het een entree tot de binnenstad. Het duidelijke stedenbouwkundig accent in de zuidhoek van het plangebied en een markering van de entree van de Bovenhavenstraat spelen hierop in.
Het brede profiel van de Bovenhavenstraat, in combinatie met de bebouwing langs de Bovenhavenstraat, bouwt voort op de primaire stedenbouwkundige structuur (zie figuur 2.4). Door te werken met rooilijn architectuur past het plan goed in de structuur van de binnenstad. Het plan is ingedeeld in twee blokken waarbij het blok aan de oostzijde van het plangebied qua schaal en bouwhoogte familie is van de directe omgeving. Het blok aan de westzijde combineert deze zelfde schaal met de grotere schaal van de HBS.
In het plan wordt ingezet op meerdere beeldkwaliteitsdefinities, waar het industriële verleden er een van is. Deze wordt gekoppeld aan de grotere blokken met appartementen in het plangebied, die aan de kadekant liggen (zie figuur 2.4 en 2.5). Deze zijn daardoor van grotere afstand goed zichtbaar en bepalen daarmee de contouren van het plan vanaf de IJsseldijk met haar industriële karakter.
Aan de Bovenhavenstraat wordt meer ingezet op de beeldkwaliteit van het historische centrum. Het doorzetten van het Graafschap en de Molenstraat in het plangebied versterkt deze relatie, en de lange lijnen in de binnenstad. Voor de ingang van de Bovenhavenstraat is ervoor gekozen het 'pleintje' bij de ingang van de straat, met haar markante gebouwen en entree's, af te maken in het plangebied met een karakteristiek pand en dito entree zodat daardoor een tweede 'poortfunctie' ontstaat bij het binnenrijden van de Bovenhavenstraat.
Daarnaast wordt de robuuste groene beëindiging aan de IJsselkade versterkt door een duidelijke groenzone voor het plan aan de IJsselkade op te nemen. De Bovenhavenstraat wordt verbreed waarbij een vergroening onderdeel is van de herinrichting van het profiel. Het toevoegen van voordeuren met stoepjes versterkt het verbindende karakter van de straat tussen de twee groene zones.
Figuur 2.6 geeft een overzicht van de beoogde ontwikkeling voor het plangebied.
Figuur 2.4 Mogelijk straatbeeld vanaf de Molenstraat (Bron: Juli architecten, 2025)
Figuur 2.5 Mogelijk straatbeeld vanaf de Haven (Bron: Juli architecten, 2025)
Figuur 2.6 Overzicht mogelijke stedenbouwkundige opzet van het plangebied (Bron: Juli architecten, 2025)
De groene corridor langs de Bovenhavenkwartier zal worden ingericht op basis van het gemeentelijk beleid voor openbaar groen. Vooralsnog zijn de onderstaande schets ideeën. Welke in een volgende planfase verder worden uitgewerkt door de gemeente Kampen.
Figuur 2.7 Eerste opzet groene corridor (Bron: gemeente Kampen)
Het beoogde woningbouwprogramma is afgestemd op de behoeften van verschillende doelgroepen, waaronder:
Dit plan voegt nieuwe harde plancapaciteit toe op een binnenstedelijke transformatielocatie. In de ladder voor duurzame verstedelijking wordt nader ingegaan op de behoefte en de segmentering van het woonprogramma, zie paragraaf 5.12.
De beoogde ontwikkeling is strijdig met het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Kampen. Daarbij gaat het specifiek om de volgende afwijkingen ten aanzien van de Chw bestemmingsplan Kampen en IJsselmuiden 2022 (binnenstad en woongebieden):
In het kader van de beoogde ontwikkeling is voorliggend TAM-omgevingsplan opgesteld.
Een initiatiefnemer moet in alle gevallen aangeven of participatie heeft plaatsgevonden. Goede participatie maakt initiatief beter. De samenwerking tussen belanghebbenden, gemeente en initiatiefnemer kan het plan inhoudelijk verbeteren en verrijken, bijvoorbeeld door lokale kennis te benutten. Daarbij draagt het bij aan de besluitvorming, door alle belangen in beeld te brengen en waardoor beter rekening kan worden gehouden met deze belangen. Dit kan bijdragen aan het draagvlak van het plan.
Voor dit project heeft participatie al in een vroeg stadium plaatsgevonden onder andere door verschillende informatiebijeenkomsten. Op deze manier is invulling gegeven aan het gemeentelijke participatiebeleid.
Van januari tot en met maart van 2024 heeft er een participatie traject gelopen met betrekking tot de planvorming van het Bovenhavenkwartier in Kampen. Het participatieproces is begeleid door De Wijde Blik in opdracht van de gemeente Kampen, maar in zeer nauwe samenwerking met de twee ontwikkelaars Mateboer en Junco. In het proces is verder samengewerkt met stedenbouwkundig bureau Juli Ontwerp.
In vervolg op het particiaptietraject is er in november 2024 een themabijeenkomst geweest over het vervolg van de ontwikkeling. In bijlage 2 is het definitieve participatierapport en verslag van de themabijeenkomst bijgevoegd.
Het participatieproces voor het Bovenhavenkwartier, heeft een schetsplan opgeleverd dat door omwonenden, de gemeente en de ontwikkelaars gezamenlijk is opgesteld. In het kader van het participatieproces zijn omwonenden en andere stakeholders uitgenodigd om actief mee te denken. Uit het participatierapport blijkt dan ook dat er breed draagvlak bestaat bij participanten met betrekking tot de stedenbouwkundige opzet van het schetsplan, het aantal woningen en de gekozen hoogtes die aan de randen aansluit bij de bestaande bebouwing.
De beeldtaal en de architectuurstijl vragen nog verdere uitwerking, vanuit de participatie is veelvuldig de voorkeur aangegeven voor een architectuur met stijlkenmerken die aansluiten op de omliggende historische bebouwing. Hoewel bij veel participanten draagvlak bestaat voor het schetsvoorstel van het profiel van de Boven Havenstraat , blijven er zorgen over de snelheid in deze straat en de verkeersveiligheid.
Over het algemeen kan uit het participatierapport (zie bijlage 2) geconcludeerd worden dat de bezoekers van de informatiebijeenkomst geen bezwaar hebben tegen de herontwikkeling.
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.
Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
De vier prioriteiten uit de NOVI zijn verder uitgewerkt in 26 beleidskeuzes, die in de toelichting van de NOVI zijn vertaald naar 21 Nationale belangen. Gezien de aard van dit project zijn vooral de volgende nationale belangen relevant:
Ten aanzien van nationaal belang 1 en 5 is de onderbouwing terug te vinden in paragraaf 5.12 (Ladder voor duurzame verstedelijking). De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing aan de ladder is vereist. Dat geldt ook voor een omgevingsvergunning waarmee van het omgevingsplan wordt afgeweken. Op deze plek volstaat de conclusie dat sprake is van een duurzame ontwikkeling die aansluit op de woningbehoeften.
Ten aanzien van nationaal belang 1 en 2 worden in hoofdstuk 5 de relevante aspecten in de fysieke leefomgeving gemotiveerd, gevolgd door een algehele afweging van het project in hoofdstuk 8.
Op deze plek volstaat de conclusie dat met het project sprake is van een goede omgevingskwaliteit.
Overige nationale belangen zijn minder van relevant voor dit project, omdat deze ofwel het schaalniveau overstijgen ofwel op een voor dit project niet relevant thema betrekking hebben.
Het plan past binnen de beleidskaders van de Nationale Omgevingsvisie.
De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is het jaar 2050. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren.
De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit. Dit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel:
Het plangebied ligt in bebouwd gebied. Het beleid hieromtrent leidt tot randvoorwaarden waarmee rekening gehouden moet worden:
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.
Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. De relevante regels komen aan bod per omgevingsaspect in het hoofdstuk 5 Fysieke leefomgeving. Per omgevingsaspect wordt getoetst of het plan voldoet aan de regels van de provinciale omgevingsverordening.
Binnen de Omgevingsverordening wordt sterker gestuurd op het principe ‘inbreiding gaat voor uitbreiding'. Door middel van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik wordt de verplichting opgelegd om voor stedelijke functies eerst de mogelijkheden te benutten binnen gebieden die al een stedelijke functie hebben, voordat een claim mag worden gelegd op gebieden die nu nog een groene functie hebben. In onderliggend initiatief wordt hier aan voldaan.
Onderliggend initiatief sluit aan op de Omgevingsverordening. Er wordt ten aanzien van woningbouw sterk gestuurd op inbreiding boven uitbreiding. Onderliggend plan voorziet hierin door middel van transformatie van een binnenstedelijke locatie.
Om de opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities van de provincie waar te maken bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie verschillende niveaus (zie onderstaande afbeelding). Aan de hand van deze drie niveaus kan worden bepaald of er een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is. De volgende niveaus komen aan de orde:
Of- generieke beleidskeuzes
Maatschappelijke opgaven zijn leidend in ons handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidkeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In onze omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes vastgelegd.
De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening.
Ook wordt in deze fase de zogenaamde Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking gehanteerd. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking.
Waar- ontwikkelingsperspectieven
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de Groene Omgeving en Stedelijke Omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.
Het plangebied ligt daarbij binnen deels in het ontwikkelingsperspectief 'Binnensteden binnen de stedelijke netwerken' en deels in 'Woon- en werklocaties binnen de stedelijke netwerken'.
Hoe-gebiedskenmerken
De provincie wil ruimtelijke kwaliteit realiseren door, naast bescherming, vooral in te zetten op het verbinden van bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Hierbij zijn vier gebiedskenmerken van provinciaal belang het uitgangspunt. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype verstaan. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden. De gebiedskenmerken zijn: de natuurlijke laag, de laag van het agrarisch cultuurlandschap, de stedelijke laag en de laag van de beleving.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, of hier behoefte aan is, waar deze past in de ontwikkelingsvisie en hoe deze uitgevoerd kan worden. Figuur 4.1 geeft dit schematisch weer.
Figuur 4.1. Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (bron: Provincie Overijssel)
Hierna wordt een korte samenvatting gegeven van de in het plangebied voorkomende gebiedskenmerken volgens de lagenbenadering:
Natuurlijke laag
Oeverwallen
Als ontwikkelingen plaatsvinden op de oeverwallen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van het gevarieerde patroon van lanen, wallen, agrarische percelen, afgewisseld met boomgaarden en bebouwing.
De ontwikkeling vindt plaats binnen de natuurlijke laag van de oeverwallen, die door eerdere ingrepen niet langer zichtbaar zijn. Het plangebied betreft een voormalig bedrijventerrein dat wordt getransformeerd naar wonen.
De laag van het agrarisch cultuurlandschap
Het plangebied is niet gelegen in het agrarisch cultuurlandschap.
Stedelijke laag
Historische centra, binnensteden en landstadjes
Als ontwikkelingen plaatsvinden in historische centra, binnensteden en land stadjes, dan dragen deze bij aan behoud en versterking de mix van functies, het historisch gegroeide patroon van wegen en openbare ruimten en de leefbaarheid. Grote bouwopgaven, zoals bij herstructurering, inbreiding of intensivering van woon-, werk-, en voorzieningen milieus worden ingepast met respect voor de historie, het individuele karakter van de bebouwing en de leefbaarheid, in relatie tot de problematiek van verkeer en parkeren.
Het plangebied maakt de transformatie van een oud bedrijventerrein naar woongebied door. De nieuwe woningen sluiten aan op de omliggende bebouwing.
Vanuit een gezamenlijke agenda willen partijen de kwaliteit van West-Overijssel versterken: een groene en bereikbare regio met sterke steden, vitale kernen en platteland en een koploperspositie als het gaat om duurzaamheid, circulariteit en klimaatbestendigheid.
Voor de komende 10 jaren wordt een sterke groei van de regio verwacht. Die verwachting is opgebouwd uit drie elementen:
In de woonagenda worden drie woonstrategieën beschreven die de verschillen kenmerken tussen de steden, dorpen en het buitengebied. Het gaat om:
Voor Kampen is ‘centraal wonen’ van toepassing. Om het regionale woningbouwprogramma kracht bij te zetten, zijn regionale sleutelprojecten aangewezen. Deze sleutelprojecten hebben de volgende kenmerken:
Volgens de prognoses groeit het aantal huishoudens in de regio met circa 25.000 tot ruim 251.000 huishoudens in 2030. Mede in het licht van de huidige regionale woningtekorten (gemiddeld 3%, dus een kleine 7.000 woningen) en andere ontwikkelingen zoals de verstedelijkingsopgave in Deventer en Zwolle, de toenemende marktdruk (met name in het stedelijk gebied) en migratiestromen wil de regio een groei van 35.000 - 40.000 huishoudens tot 2030 accommoderen.
Eind 2022 is een regionale woondeal gesloten en deze is in maart 2025 geactualiseerd.
De regio heeft de ambitie om in de periode tot en met eind 2030 28.200 woningen bruto te realiseren. Op dit moment bedraagt in West-Overijssel de plancapaciteit 38.787 woningen, waarvan 19.044 woningen harde plancapaciteit. De gemeente Kampen heeft zich gecommitteerd aan de realisatie van minimaal 2.479 woningen in de periode 2024-2030. In de periode 2031 tot en met 2035 gaat het om minimaal 2.300 woningen.
Alle gemeenten in de regio hanteren het 30-40-30 principe als basis voor lokaal beleid, prestatieafspraken en uitgangspunten bij plan- en gebiedsontwikkelingen. Binnen de kaders van de (aankomende) wet Versterking regie volkshuisvesting is er ruimte voor maatwerk binnen de betaalbaarheidsverdeling, voor gemeenten waarbij het aandeel sociale huur in de huidige woningvoorraad hoger is dan het landelijk gemiddelde. In onderbouwde gevallen kunnen deze gemeenten van het aandeel van 30% sociale huur afwijken. Dit kan zolang ze, door minstens 40% van de nieuwe woningen te richten op middeninkomens (betaalbare koop en middenhuur), de totale beschikbaarheid van betaalbare woningen (70%) op regioniveau voldoende waarborgen.
In Kampen zijn 5 sleutelprojecten opgenomen voor in totaal 2.479 woningen. De locatie Bovenhavenkwartier is aangemerkt als sleutelproject met 74 woningen. Dit zijn projecten met een significante impact op de regionale verstedelijkingsopgave, die voorzien in de lokale woonbehoefte en een belangrijke bijdrage leveren aan leefbaarheid en vitaliteit van dorpen of wijken. De sleutelprojecten passen binnen de ambities uit de Woonagenda West-Overijssel 2021-2025 en worden binnen de Woondeal periode gerealiseerd.
Het voorliggend initiatief draagt bij aan het versterken van de vitaliteit van de stad Kampen, doordat het planvoornemen bijdraagt aan het opwaarderen van het plangebied. Daarnaast sluit de beoogde ontwikkeling aan bij het principe 'inbreiding voor uitbreiding' en levert de realisatie van de 74 woningen in dit 'sleutelproject' een bijdrage aan de woningvoorraad op de krappe woningmarkt. De regionale opgave is 28.200 woningen en er zijn slechts harde plannen voor 19.044 woningen.
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, past binnen de beleidskeuzes van de provincie en aansluiten op het ontwikkelingsperspectief dat op het plangebied van toepassing is. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de kenmerken van het gebied, de ontwikkeling draagt zelf bij aan de kwaliteiten van het gebied.
Met dit plan worden nieuwe woningen in het bestaand stedelijk gebied mogelijk gemaakt. Uit de verordening blijkt dat een plan dat voorziet in de totstandkoming van nieuwe woningbouwlocaties in overeenstemming moet zijn met de woonvisie van de gemeente. De inpassing in de woonvisie is beschreven in de paragraaf 5.12.
In de omgevingsvisie schetst de gemeente Kampen een beeld van hoe de stad, haar dorpen en omliggende gebieden er in de toekomst uit zullen zien. Deze visie geeft duidelijkheid over de ambities van de gemeente Kampen, en biedt houvast voor de keuzes die nodig zijn om deze ambities te realiseren. De omgevingsvisie raakt allerlei onderwerpen: waar en hoe gaan wij fijn wonen in de gemeente Kampen, hoe zit het met onze economie, ondernemers en duurzame energieopwekking, hoe gaan wij om met milieu, water en bodem? Hoe zorgen wij ervoor dat de gemeente Kampen een gezonde en leefbare leefomgeving is en blijft, waar er ook fijn gecreëerd kan worden en de rijke cultuurgeschiedenis nog voelbaar is?
Kampen wil in 2050 zijn uitgegroeid tot een gemeente waar brede welvaart centraal staat en waar bodem en water de leidraad vormen voor ruimtelijke ontwikkeling. Kampen in 2050 is een plek waar brede welvaart, evenwichtige groei en duurzaamheid hand in hand gaan. De gemeenschap heeft haar unieke karakter behouden maar is volledig meegegaan met de tijd en heeft geen last meer van hittestress en wateroverlast. Wie zich in Kampen begeeft, ziet een gemeente die bloeit door haar verbondenheid met water, haar sterke sociale infrastructuur en de balans tussen erfgoed en innovatie.
Om hier naartoe te werken zijn drie strategische hoofdambities opgesteld.
Ten aanzien van goed wonen: We zorgen voor leefbare en gemengde wijken met voldoende woningen voor iedereen, vooral voor jongeren, ouderen en mensen die zorg nodig hebben. Tussen 2032 en 2050 komen er circa 3.850 nieuwe woningen bij, verdeeld over de tijd met circa 1.950 woningen in de periode 2032-2040 en circa 1.900 woningen tussen 2041-2050 en met aandacht voor betaalbare woningen en doorstroming op de woningmarkt.
Wij zoeken ruimte voor nieuwe woningen in de bestaande stad en dorpen, met uitbreidingslocatie Reeve-Noord met kwalitatief dorpshart en kleinschalige uitbreiding aan de rand van dorpen. Het selecteren van nieuwe woningbouwlocaties houdt rekening met lokale kwaliteiten zoals water, bodem en cultuurhistorie. In het buitengebied behouden we de kwaliteit van leven en kijken we naar de behoefte aan extra woningen.
Dit project is specifiek op de visiekaart aangeduid als potentiële inbreidingslocatie voor wonen.
Figuur 4.2 Uitsnede Visiekaart Omgevingsvisie Kampen
Hierover is het volgende relevant: We gaan ruimte voor woningbouw benutten zowel binnen het bestaand verstedelijkt gebied (inbreiding) als aan de randen (uitleglocaties). Binnen het bestaand verstedelijkt gebied en bestaande dorpscontouren zetten we in op verdichting: bijvoorbeeld de omgeving rondom de stations Kampen en Kampen Zuid. We zetten in op het ontwikkelen van kleinere woonruimtes en kavels en stimuleren geclusterde en collectieve woonvormen. Zo kunnen we optimaal gebruik maken van de bestaande bebouwde omgeving, bevorderen we draagvlak voor onze voorzieningen, en houden we ruimte in het buitengebied voor andere functies. We schromen niet om op geschikte verdichtingslocaties de hoogte in te gaan. Dit vinden we nodig om én voldoende woningen toe te kunnen voegen én goede kwalitatieve openbare ruimte en groen te behouden. Verdichting in bestaand stedelijk gebied is een integrale opgave. De woningbouwopgave moet in balans zijn met de ruimte voor openbaar groen (belangrijk voor zowel welzijn als sociale cohesie), waterberging en (publieke) mobiliteit. We zoeken daarom ook naar mogelijkheden rondom het invoeren van gereguleerd parkeren in meer wijken in combinatie met mobiliteitshubs. Vanzelfsprekend kiezen we voor bebouwing die past bij de schaal en cultuurhistorische uitstraling (en de waarden van het beschermd stadsgezicht) van het bebouwd gebied. Ook kijken we naar de mogelijkheden die vrijkomende monumenten hierin bieden. Met het oog op klimaatverandering, gezondheid en het versterken van de biodiversiteit kiezen we voor het toevoegen en versterken van verticaal en horizontaal groen in bebouwd gebied.
Conclusie
In Kampen wordt ingezet op groei van het aantal woningen tot 2050 met een focus op betaalbaarheid en doorstroming. Met het voorliggend plan wordt ingezet op doorstroming en het realiseren van betaalbare woningen. Dit sluit ook aan op de behoefte die er is, zie ook paragraaf 5.12. Ook vindt met het plan een vergroening van de plek plaats wat aansluit op de ambitie voor de binnenstad. Hiermee sluit het plan aan op de Omgevingsvisie.
De gemeente heeft op 30 maart 2017 een Welstandsnota opgesteld en op 1 januari 2024 wijzigingen in doorgevoerd. De Welstandsnota is bedoeld om te inspireren en waar mogelijk een nieuwe kijk te bieden op de dagelijkse leefomgeving. Door de Welstandsnota wordt de burger en de aanvrager van een bouwaanvraag inzicht geboden en verheldering gegeven over de beoordeling van (zijn of haar) bouwplannen.
Het beleid gaat op hoofdlijnen uit van 3 typen criteria: objectgericht, gebiedsgericht en algemeen (bij bijzondere situaties).
Een bouwplan voldoet aan ‘redelijke eisen van welstand’ als het voldoet aan de bovenstaande criteria. Daarnaast voldoet een bouwplan als er sprake is van één of meer van de volgende situaties:
Relatie met initiatief en conclusie
In voorliggende ontwikkeling is sprake van de herontwikkeling van een bedrijfsperceel naar een woonwijk met 74 woningen. Hiervoor zijn beleidsregels beeldkwaliteit bovenhavenkwartier opgesteld en vastgesteld door de gemeenteraad. In de regels staat waar het bouwplan aan getoetst moet worden. In bijlage 1 op pagina 20 t/m 23 zijn de beleidsregels beeldkwaliteit bovenhavenkwartier opgenomen. Het planvoornemen zal moeten voldoen aan de gestelde beleidsregels.
Eén van de beschikbare handvaten voor het te hanteren verkeers- en vervoerbeleid is een te maken integraal Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan (GVVP). De gemeente Kampen heeft dit beleid vertaald in het GVV 2010. Hierin zijn de volgende ambities opgenomen; De gemeente wil:
Relatie met initiatief en conclusie
Onderliggend plan voorziet in de wijziging van een bedrijfslocatie naar een woonlocatie. Dit heeft invloed op de verkeersafwikkeling. In paragraaf 5.13 is invulling gegeven aan de verkeersopgave en verkeersgeneratie in het plangebied.
De beoogde ontwikkeling past binnen het gemeentelijke beleid. Met de ontwikkeling wordt een voormalige bedrijfslocatie ontwikkeld ten behoeve van wonen. Met deze herontwikkeling worden leegstaande gebouwen gesloopt/gerenoveerd en worden woningen gerealiseerd. Het toevoegen van de nieuwe woningen komt ten goede aan de woningbehoefte in de stad Kampen.
Voor het beoordelen van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan gelden beoordelingsregels. De gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden hier beoordeeld. Daarnaast zijn in het Bkl de volgende beoordelingsregels opgenomen:
De instructieregels van het Rijk staan in hoofdstuk 5 van het Bkl. Deze gelden voor omgevingsplannen. Hieronder wordt de toetsing van het plan aan het beoordelingskader beschreven. Op de relevante onderdelen van het beoordelingskader wordt uitgebreider ingegaan.
Voor de volgende thema's wordt in tabel 5.1 voor de ontwikkeling aangegeven of zij relevant zijn of niet:
Tabel 5.1: Instructieregels Bkl
| Thema | Afdelingen en paragrafen Bkl | Relevant voor de ontwikkeling |
| Dienstenrichtlijn |
§ 5.1.1. Algemene bepalingen artikel 5.1a. |
Nee, het plan voorziet niet in (de huisvesting van) diensten anders dan diensten die als beroep of bedrijf aan huis worden uitgevoerd en binnen iedere reguliere woning zijn toegestaan. |
| Omgevingsveiligheid | § 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid | Ja, zie paragraaf 5.3 |
| Water | § 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen | Ja, zie paragraaf 5.4 |
| Luchtkwaliteit | § 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht | Ja, zie paragraaf 5.5 |
| Geluid door activiteiten | § 5.1.4.2. Geluid door activiteiten | Ja, zie paragraaf 5.7 |
| Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen | § 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen | Ja, zie paragraaf 5.6 |
| Geluid rond luchthavens | § 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens | Nee, de planlocatie ligt niet binnen de geluidcontour van een luchthaven. |
| Trillingen | § 5.1.4.4. Trillingen | Ja, zie paragraaf 5.8 |
| Slagschaduw van windturbines | § 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines | Nee, in de omgeving van de planlocatie komen geen windturbines voor. |
| Bodemkwaliteit | § 5.1.4.5. Bodemkwaliteit | Ja, zie paragraaf 5.9 |
| Geur | § 5.1.4.6. Geur | Ja, zie paragraaf 5.10 |
| Cultureel erfgoed (aardkunde, archeologie en cultuurhistorie) | § 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed | Ja, zie paragraaf 5.11 |
| Landschappelijke kwaliteiten Kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied | § 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed | Nee, de planlocatie ligt niet binnen of nabij de kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied |
| Ladder voor duurzame verstedelijking | § 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelijking | Ja, zie paragraaf 5.12 |
| Nationale belangen binnen de fysieke leefomgeving | § 5.1.6. Behoud van ruimte voor toekomstige functies; § 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten |
Nee, de ontwikkeling raakt geen nationale belangen. |
| Aanwijzing woningbouwcategorieën | § 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken | Ja, zie paragraaf 5.12
|
| Toegankelijkheid openbare buitenruimte | § 5.1.8. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen | Nee, de ontwikkeling heeft geen invloed op openbare buitenruimte. |
De provinciale omgevingsverordening bevat instructieregels. In paragraaf 4.2.3 is de Omgevingsverordening van de provincie behandeld en zijn de relevante instructieregels benoemd. Voor zover deze instructieregels betrekking hebben op een thema van de fysieke leefomgeving waarvoor de activiteiten mogelijk worden gemaakt met het voorliggend plan, wordt in hoofdstuk 5 aan deze instructieregels getoetst. Activiteiten die niet benoemd worden zijn uitgesloten in artikel 4 van de planregels.
Tabel 5.2: Instructieregels omgevingsverordening Overijssel
| Afdeling | Artikel | Relevant voor de ontwikkeling |
| 4.2 Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking | Artikel 4.4 lid 1 (principe van concentratie) | Ja, zie paragraaf 5.12 |
| Artikel 4.6 (toekomstbestendigheid) | Ja, zie paragrafen 5.2, 5.12 en 5.19 | |
| 4.3 Ruimtelijke kwaliteit | Artikel 4.8 (ontwikkelen met ruimtelijk beleid) | Ja, zie paragraaf 2.2 |
| Artikel 4.9 lid 1 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit) | Ja, zie paragrafen 2.2 en 4.2.3 | |
| Artikel 4.10 lid 1 (normerende en richtinggevende uitspraken) | Ja. zie paragraaf 4.2.3.1 | |
| Artikel 4.11 lid 1 (kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) | Nee, het omgevingsplan voorziet niet in een ontwikkeling in de Groene Omgeving | |
| Artikel 4.12 lid 1 en 2 (cultureel erfgoed) | Ja, zie paragraaf 5.11 | |
| 4.4 Sturen op water en bodem | Artikel 4.13 lid 1 en 2 (klimaatrobuust water- en bodemsysteem) | Ja, zie paragraaf 5.4 |
| 4.5 Wonen, werken en recreëren | Artikel 4.14 lid 1 (woonafspraken) | Ja, zie paragraaf 5.12 |
| 4.6 Agrarisch | Artikelen 4.43 lid 1 en 4.44 lid 1 (verbod glastuinbouw, instructieregel geitenhouderij) | Nee, het omgevingsplan voorziet niet in het mogelijk maken van glastuinbouw en/of geitenhouderijen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de verbodsbepaling. |
| 4.9 Watergebiedsreserveringen | Artikel 4.90 instructieregel overstroombaar gebied | Ja, zie paragraaf 5.4.2 |
| 4.10 Mobiliteit | Artikel 4.93 (instructieregel mobiliteit) | Nee, het omgevingsplan voorziet niet in een grootschalige ontwikkeling die bovenlokale verkeersbewegingen met zich meebrengen of effecten hebben op de verkeersafwikkeling op de hoofdinfrastructuur |
| 4.11 Energie en afval | Artikel 4.109 (verbod op installaties onconventioneel gas) | Nee, het omgevingsplan maakt de winning naar fossiele brandstoffen niet mogelijk. Hiermee wordt invulling gegeven aan de verbodsbepaling. |
| Artikelen 4.110 en 4.111 (verbod opslag radioactief afval in de ondergrond en bovengrondse opslag hoogradioactief afval) | Nee, het omgevingsplan maakt geen ondergronds bovengronds radioactief afval mogelijk. Hiermee wordt invulling gegeven aan de verbodsbepaling. |
Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:
Bij de project-mer-beoordeling is een mededeling nodig aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat een beschrijving van de eisen die zijn opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit en bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, met de bijbehorende motivering, op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit).
In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar:
Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob.
Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het project uit te voeren in ieder geval een beschrijving van:
De beoogde woningbouwontwikkeling is in het Omgevingsbesluit, bijlage V onder categorie J11 opgenomen als stedelijk ontwikkelingsproject. In het Omgevingsbesluit geldt voor een stedelijk ontwikkelingsproject geen directe mer-plicht bij het besluit Omgevingsplan maar wel een mer-beoordelingsplicht. Een mer-plicht kan wel ontstaan wanneer een passende beoordeling noodzakelijk is of uit de mer-beoordeling blijkt dat belangrijke negatieve gevolgen niet uitgesloten kunnen worden. Ook zal een mer-plicht aan de orde zijn wanneer het Omgevingsplan een kader vormt voor nog te nemen besluiten over een mer-beoordelingsplichtige activiteit. Uitzonderingen hierop zijn plannen met een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. Hiervoor geldt een plan-mer-beoordelingsplicht.
In de bijlage bij deze motivering is deze mer-beoordeling opgenomen, zie bijlage 3. M.e.r.-beoordeling. Uit de beoordeling blijkt dat gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen aanzienlijke milieugevolgen optreden. Er is geen aanleiding voor het doorlopen van een mer-procedure.
Het doorlopen van een mer-procedure is niet noodzakelijk.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises.
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikelen 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw in een brand- of explosieaandachtsgebied (artikel 5.14 Bkl).
Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Naast door het werken met, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen, kunnen ook andere activiteiten binnen of buiten het deelplangebied dat wordt gewijzigd aanleiding geven tot branden, rampen of crises. In de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan van de Veiligheidsregio's zijn hiervoor de volgende thema's aangewezen:
Bij het opstellen van de wijziging van het omgevingsplan wordt aangesloten bij de uitwerking volgens de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan. Bij het gebruik van gebouwen is de gebruiksmelding aangepast naar uitsluitend de zeer kwetsbare gebouwen binnen brand- of explosieaandachtsgebieden.
Met dit project wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. Wel worden kwetsbare gebouwen (woonfunctie) mogelijk gemaakt. Daarom is het van belang om af te wegen of ten aanzien van die nieuwe woningen een voldoende veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico's. Met de ontwikkeling worden geen zeer kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt.
Met behulp van de kaart 'Externe veiligheid' (figuur 5.1) kan in beeld worden gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van het plangebied bevinden. Daarbij wordt gekeken naar risicovolle inrichtingen, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Figuur 5.1 Uitsnede kaart Externe Veiligheid met aanduiding plangebied (Bron: Atlas leefomgeving)
Uit de kaart blijkt dat het plangebied alleen binnen een aandachtsgebied van een risicobron (risicovolle inrichtingen, transportroutes of buisleidingen) is gelegen. Dit geval betreft het de vaarweg ‘Corridor Rijn-Oost-Nederland’ (de IJssel) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Corridor Rijn-Oost-Nederland
Het plangebied ligt op 40 meter van de kade van de IJssel (Corridor Rijn-Oost-Nederland). Het plangebied ligt buiten de PR 10-6 contour en buiten het brandaandachtsgebied van de transportroute. Het plangebied ligt binnen het explosieaandachtsgebied en het gifwolk aandachtsgebied van de vaarweg ‘Corridor Rijn-Oost-Nederland’.
Op basis van de risicokaart wordt over de transportroute enkel LF1 en LF2 vervoerd en kent de transportroute een invloedsgebied van 35 meter. Het plangebied valt buiten het invloedsgebied van deze transportroute en heeft daarmee geen invloed op het groepsrisico. Aanvullende maatregelen als gevolg van de ligging in het explosieaandachtsgebied en het gifwolk aandachtsgebied van de vaarweg ‘Corridor Rijn-Oost-Nederland zijn daarom niet noodzakelijk.
Tankstation (IJsseldijk 2)
Ten zuidwesten van het plangebied aan de IJsseldijk 2 is een tankstation aanwezig. Dit is geen LPG-tankstation en kent geen PR 10-6 contour en geen aandachtsgebied. De beoogde woningbouw ligt op 25 meter van het vulpunt. De Omgevingsdienst heeft aangegeven dat dit voldoende afstand is om een belangrijk externe veiligheidsrisico uit te sluiten.
Advies veiligheidsregio
Veiligheidsregio IJsselland heeft het stedenbouwkundig plan ingezien en heeft aangegeven akkoord te zijn met de beoogde ontwikkeling. Er is verder geen advies gegeven over de bestrijding van branden, rampen en/of crisises.
Gelet op het voorgaande is het vanuit het oogpunt omgevingsveiligheid aanvaardbaar de beoogde functies aan de projectlocatie toe te delen. Aanvullende verantwoording van het groepsrisico is niet nodig. Er wordt voldaan aan de instructieregels van het Bkl. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Een omgevingsplan moet ook worden getoetst aan de instructies van de omgevingsverordening van het waterschap en de provincie. De waterbeheerder voor deze locatie is waterschap Drents Overijsselse Delta. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeenten kunnen strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk.
Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Voor dit omgevingsplan geldt:
Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hieraan zelf invulling te geven.
Aanvullende instructieregels:
Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn:
Het beleid van het Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerprogramma WDODelta 2022-2027. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
In de keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.
Bij het afvoeren van overtollig hemelwater is het beleid dat het afstromen van hemelwater ter plaatse in het milieu moet worden gebracht, dat wil zeggen lozen in de bodem (infiltratie) of in het oppervlaktewater. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's geniet daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT -riool) of infiltratiekratten een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het projectgebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen.
Bij het ontwerp van het watersysteem hanteert het waterschap de volgende uitgangspunten:
Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 1.500 m2 of groter is, wordt vanuit het waterschap retentie geëist.
In het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2016-2020, welke eind 2020 is verlengd, heeft de gemeente Kampen haar ambities voor de rioleringszorg naar concrete doelen, strategieën en benodigde activiteiten vertaalt. Het GRP is een verplichting vanuit de ‘Wet milieubeheer’ en beschrijft de wijze waarop de gemeente haar zorgplichten invult. Wettelijk gezien is het GRP niet langer verplicht, maar de Omgevingswet biedt wel de mogelijkheid om een dergelijk porgramma op te stellen. In elk geval komt het het GRP de volgende zorgplichten voor:
Met betrekking tot de omgang met hemelwater geldt dat de particulier primair zorg draagt voor het hemelwater op eigen perceel. De gemeente draagt zorg voor de inzameling en verwerking van hemelwater in de openbare ruimte. Hier is de gemeente zowel beheerder als eigenaar. Daarnaast heeft de gemeente een zorgplicht indien de particulier het hemelwater niet op eigen terrein kan verwerken. Het hemelwaterbeleid richt zich in eerste plaats op in- en uitbreidingslocaties, herinrichtingen en rioolrenovaties.
Toetsing aan het plangebied
In deze paragraaf wordt de ontwikkeling getoetst aan het beleid en zijn de resultaten van de watertoets beschreven. De watertoets is doorlopen en het waterschap adviseert de normale procedure te doorlopen.
Het plangebied is in totaal 7.525 m² groot en bestaat uit bestaande bedrijfsbebouwing, openbaar groen en verharding. De ontwikkeling bestaat uit het mogelijk maken van 74 woningen. Voor de inrichting van het gebied wordt verwezen naar paragraaf 2.2. Om de waterhuishoudkundige consequenties van het plan in beeld te brengen en de waterbelangen te waarborgen en/of te wegen is voor deze situatie een rapportage met de weging van het waterbelang opgesteld. Deze rapportage vormt de basis voor het vastleggen van het wateraspect en het weging van het waterbelang zoals dat in de omgevingswet is opgenomen. In bijlage 4 is de weging van het waterbelang opgenomen.
Voor de weging van het waterbelang zijn drie beleidsthema's van toepassing:
Deze worden per beleidsthema nader uitgewerkt.
Waterveiligheid
Het plangebied ligt volledig in de beschermingszone B en gedeeltelijk in de beschermingszone A en de kernzone van de waterkering (noordoost, oost- en zuidzijde). Voor alle handelingen en activiteiten geldt dat de waterkering moet blijven voldoen aan de wettelijk vastgestelde normen c.q. dat geen belemmering wordt opgeworpen om deze normen te bereiken (toekomstige dijkverzwaring). De kering moet te allen tijde bereikbaar blijven voor het doelmatig kunnen uitvoeren van regulier onderhoud. Ook andere beheeractiviteiten, zoals inspectie en monitoring moeten op eenvoudige wijze mogelijk blijven om tijdig noodzakelijke maatregelen te kunnen treffen. Daarnaast mogen activiteiten of werkzaamheden niet leiden tot hogere kosten voor beheer of onderhoud op termijn.
Bij de beoogde ontwikkelingen zal rekening gehouden moeten worden met de huidige ligging van waterkering en de bijbehorende beschermingszones. Voor de werkzaamheden en activiteiten op de waterkering of binnen beschermingszone A wordt op grond van de Waterschapsverordening een omgevingsvergunning aangevraagd. Bij de verdere uitwerking van het plan en als onderdeel van de vergunningsaanvraag zal door middel van het uitvoeren van een geotechnisch grondonderzoek en -advies aangegeven worden hoe wordt omgegaan met de primaire kering en beschermingszones die door het plangebied lopen. Een dergelijk onderzoek wordt in relatie tot ontgravingen, bebouwing (funderingen) en de aanleg van hemelwatervoorzieningen uitgevoerd. Daarbij zal door middel van berekeningen aangetoond worden dat de ontgraving geen toename van de hoeveelheid kwel/piping als gevolg zal hebben.
Waterkwantiteit
In de bestaande situatie is sprake van een verhard oppervlak van 3.400 m2. In de toekomstige situatie is een verhard oppervlak aanwezig van 6.181 m2. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen met 2.781 m2 (3.290 m2 + 2.891 m2 - 3.400 m2). De toename van verhard oppervlak zorgt voor versnelde afvoer van hemelwater. Voor grote(re) plannen en uitbreidingslocaties geldt als regel, dat de toename van verharding gecompenseerd dient te worden in de vorm van waterberging. Om hieraan te voldoen, hanteert het waterschap en de gemeente een compensatienorm van 80 mm voor de toename verharding. Compensatie volgt de volgende trap: vasthouden-bergen-afvoeren. Voor het planvoornemen bedraagt de toename aan verharding 2.781 m2. Dit houdt in dat een waterberging van 2.781 m2 x 0,08 m = 222 m3 [kuub] aanwezig moet zijn of moet worden aangelegd. Om die reden is dan ook specifiek geborgd in de regels dat 222 m3 waterberging gerealiseerd dient te worden.
Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en verwerkt. Waterhuishoudkundig wordt het plangebied gekenmerkt door twee deelgebieden (A en B).
Hemelwater wordt binnen het plan daarbij op conventionele wijze ingezameld en getransporteerd naar enkele wadi's gelegen aan de noordwest- en noordzijde van het plangebied. De wadi's zijn middels een slokop onderling met elkaar verbonden. Hemelwater vanuit deelgebied B stroomt daarbij volledig naar de grootste wadi die is gelegen aan de noordwestzijde van het plangebied. Vanuit deze wadi kan overtollig water overlopen naar de wadi en het hemelwaterriool van deelgebied A. Deelgebied B loopt ook via een grindkoffer (bodempassage) en drainageleiding vertraagd af op het hemelwaterrioolstelsel van deelgebied A. In het gehele systeem (deelgebied A +B) is een berging beschikbaar van 270 m3.
Het uitgangspunt is om water zoveel als mogelijk te infiltreren, Het hemelwaterrioolstelsel van deelgebied A kan ook via een (geknepen) doorvoer in bodempassage (grindkoffer) die is gelegen aan de kadezijde (zuidzijde plangebied) door de waterkering vertraagd ledigen in de havenmonding van de IJssel. De vertraagde afvoer wordt afgestemd op de afvoernorm en zal niet meer bedragen dan 1,6 l/s/ha. Exacte engineering van de leegloop, doorvoer door hoge kering en creëren uitstroomvoorziening over lage kade zal i.s.m. WDOD, onder voorbehoud van verkrijgen toestemming, gerealiseerd worden.
Wanneer de maximale capaciteit van de bodempassage en de doorvoer door de kering wordt bereikt, wordt het stelsel overgestort op de bestaande DWA via een terugslagklep. Zodoende wordt het grootste deel van de buien op de IJssel afgevoerd. Enkel bij extreme buien zal een overgestort naar het DWA-stelsel plaatsvinden. Het DWA kan door de terugslagklep niet terugstromen in het HWA van het Bovenhavenkwartier.
Op basis van de stresstest van de gemeente Kampen worden de Boven Havenstraat en de IJsselzicht voor wateroverlast aangemerkt met label C. Het deel van de IJsseldijk rondom het plangebied heeft label A en is daardoor weinig kwetsbaar voor wateroverlast. De Boven Havenstraat en de IJsselzicht zijn mogelijk kwetsbaar voor wateroverlast. Uit de stresstest blijkt dat op sommige plekken binnen het plangebied water op maaiveld kan blijven staan en waterschade aan panden door water op straat mogelijk is. Met nam bij de Lyceumstraat een stresstestlocatie aanwezig. Deze mag als gevolg van de ontwikkeling niet nadeliger worden belast.
Waterkwaliteit
De afvoer van afvalwater wordt aangesloten op de streng in de Bovenhavenstraat. De gebruikte materialen en diameters voldoen aan het PVE van de gemeente Kampen.
In de bodem zijn overschrijdingen aangetoond aan koper, lood, nikkel en zink. Ook zijn achtergrond en (voormalige) tussenwaarde overschrijdingen aangetoond aan meerdere zware metalen, PCB en/of PAK. Op bassis van de totale omvang van de aangetroffen verontreinigingen is sprake van een in omvang sterk verontreinigde grond >25 m3 en is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Vanwege deze bodemverontreiniging wordt er vanuit het planvoornemen naar gestreefd om het bestaande maaiveldniveau op te hogen zodat een afdoende leeflaag wordt gecreëerd .
Voor de benodigde maaiveldverhogingen zal moeten worden voldaan aan de voorschriften en specifieke eisen uit de waterschapsverordening ten aanzien van de samenstelling van de grond. Indien benodigd moeten stabiliteits- en zettingsberekeningen worden uitgevoerd zodat aangetoond wordt dat de ophoging geen negatieve invloed heeft op de waterkering of voorzieningen in de waterkering (bijvoorbeeld kabels of leidingen). Daarnaast moeten de ophogingen zodanig worden gerealiseerd dat afwatering van de waterkering is geborgd.
In het ontwerp is rekening gehouden met de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen. Hierdoor zijn de specifieke eisen van de waterbeheerders op een goede wijze verwerkt en is het plan civieltechnisch uitgewerkt en getoetst. De civieltechnische uitwerking van het ontwerp en toetsing van het watersysteem vormen samen met het geotechnisch grondonderzoek en -advies de onderbouwing voor het aanvragen van de benodigde vergunningen.
Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit. Vanaf 1 januari 2024 zijn de normen voor luchtkwaliteit vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hoofdstuk 5, paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl bevat instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, om de gezondheid en het milieu te beschermen. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet in een aantal situaties worden getoetst aan omgevingswaarden voor lucht. In een beperkt aantal gevallen is onderzoek nodig.
Op grond van artikel 5.50 moet de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen als met de omgevingsvergunning de aanleg of wijziging van een autoweg, autosnelweg of wegtunnelbuis van meer dan 100 meter wordt toegestaan en deze invloed kan hebben op de luchtkwaliteit.
Op grond van artikel 5.51 moet bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen als met de omgevingsvergunning de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen of spoorwegen mogelijk wordt gemaakt, activiteiten worden toegestaan die tot een verhoging van de intensiteit kunnen leiden of waarvoor in het Bal luchtregels zijn gesteld. Als deze activiteiten worden toegestaan in een aangewezen aandachtsgebied, dan moet de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. Op grond van artikel 5.53 geldt de voorgaande verplichting niet als de toegelaten activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
In de Provinciale Omgevingsverordening zijn geen instructieregels voor de luchtkwaliteit opgenomen.
Woningen worden niet gezien als activiteit waarvoor conform artikel 5.50 uit het Bkl een luchtkwaliteitstoets uitgevoerd moet worden. De beoogde ontwikkeling staat activiteiten toe die kan leiden tot een verhoging van intensiteiten. Echter is de gemeente Kampen niet aangewezen als aandachtsgebied voor fijnstof of stikstofdioxide. Een luchtkwaliteitsonderzoek kan dan ook achterwege blijven.
Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) kan worden beoordeeld of de nieuwe functie (nieuwe woningen) aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. De dichtstbijzijnde toetspunten bevinden zich aan de MR. J.L.M. Niersallee op circa 1.250 meter van het plangebied. In navolgende tabel 5.6 zijn de maximale meetresultaten weergegeven. Hieruit blijkt dat ter plaatse van het plangebied de toetswaarden voor luchtkwaliteit zich ruimschoots onder de omgevingswaarden voor de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bevinden.
Tabel 5.6 Grenswaarden en maximale meetresultaten (Bron: CIMLK)
| Omgevingswaarde (kalenderjaargemiddeld) |
Maximale waarden toetspunten CIMLK |
||
| Stikstof (NO2) | 40 µg/m³ | 14,46 µg/m³ | |
| Fijn stof (PM10) | 40 µg/m³ | 15,86 µg/m³ | |
| Fijn stof (PM2,5) | 25 µg/m³ | 8,31 µg/m³ | |
De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor luchtkwaliteit omdat het een woningbouwproject betreft op grote afstand van een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit.
In het kader van ETFAL is de luchtkwaliteit ter plaatse onderzocht. Deze ligt ruim onder de omgevingswaarden. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in het omgevingsplan opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving.
Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Met de beoogde ontwikkeling wordt woningbouw gerealiseerd. Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen. Ook kent de beoogde ontwikkeling een verkeersaantrekkende werking. Het plangebied ligt niet in het aandachtsgebied van spoorwegen of een geluidzone van een industrieterrein.
Wegverkeerslawaai
Nabij het plangebied zijn gemeentewegen in de omgeving aanwezig die kunnen leiden tot een te hoge geluidsbelasting op de gevels van de toekomstige woningen. Daarom is voor de beoogde ontwikkeling een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai, zie Bijlage 5. In het onderzoek is de geluidbelasting op de nieuwe woningen berekent en zijn de indirecte effecten op de omgeving onderzocht.
Nieuwe woningen
Uit de rekenresultaten is gebleken dat het geluid op de appartementen ten hoogste 56 dB bedraagt. De hogere geluidbelasting is met name op de west- en noordgevels van de gebouwen. Daarmee is er sprake van overschrijdingen van de standaardwaarde (53 dB) maar geen overschreiding van de grenswaarde (70 dB). Eventuele maatregelen (wegdek vervangen en/of toepassen van geluidscherm) worden niet haalbaar of niet doelmatig geacht. Wanneer niet voldaan wordt aan de standaardwaarde dient, naast de overweging van het toepassen van een stiller wegdektype of afscherming betrokken of de woningen een geluidluwe gevel hebben, de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld, en het gezamenlijk geluid bepaald.
| Geluidbronsoort | Standaardwaarde | Grenswaarde | Resultaat akoestisch onderzoek - gezamenlijk geluid |
| Gemeentewegen | 53 dB | 70dB | 56 dB |
Geluidluwe gevel
De appartementen zijn tweezijdig georiënteerd en beschikken aan de binnenzijde allemaal over een geluidluwe gevel. Wel dient bij de nadere uitwerking rekening gehouden te worden dat ook de hoekwoningen over een geluidluwe gevel aan de binnenzijde van de care beschikken (zie figuur 5.2). Om die reden is de geluidluwe gevel vastgelegd in het omgevingsplan en in artikel 7.2.2 van de planregels opgenomen.
Figuur 5.2 Weergave geluidluwe gevel binnenzijde care groene belijning (Bron: akoestisch
onderzoek)
Gecumuleerd geluid
Voor het gecumuleerde geluid is het geluid van gemeentewegen maatgevend. In de omgeving is ook een tankstation aanwezig zie paragraaf 5.7. De geluidbelasting van het tankstation is ten hoogste 44 dB voor het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Dit is meer dan 10 dB lager dan de hoogste waarde van het geluid door gemeentewegen waarmee het niet significant bijdraagd aan de geluidbelasting. Het gecumuleerde geluid bedraagt daarmee ten hoogste 56 dB(A). Dit is lager dan de grenswaarde vanwege het geluid van wegen. Hiermee kan het gecumuleerde geluid acceptabel worden geacht.
Gezamelijk geluid
In het akoestisch onderzoek is het gezamenlijk geluid op de woningen bepaald, dit is ten hoogste 56 dB op een woning. Dit is gelijk aan het gecumuleerd geluid. Conform artikel 5.78ad Bkl is het gezamenlijk geluid in artikel 15.1.1 van de planregels opgenomen. Hiermee wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl.
Op basis het Besluit bouwerken leefomgeving artikel 4.103 lid 1 sub a is de karakteristieke geluidwering met het rekenmodel bepaald. De benodigde geluidwering van de gevel moet daarmee 23 dB zijn. Het gezamelijk geluid is de maximale geluidbelasting op de gevel daarnaast is ook de binnenwaarden in de planregel voor het gezamenlijk geluid opgenomen. Daarmee is de karakteristieke geluidwering vastgelegd.
Indirecte effecten
De toename van verkeer op de IJsseldijk/Boven Havenstraat ten gevolge van de planontwikkeling bedraagt ten hoogste 7%. Een toename van 7% komt overeen met een toename van 0,29 dB(A). Dit is een toename die met het menselijk gehoor niet waarneembaar is en ook valt binnen het criterium van 1,5 dB volgens Bkl artikel 5.78af.
Ook zijn de effecten van de wijzigende bebouwing onderzocht (geluidsweerkaatsing). Uit de resultaten blijkt dat vanwege de veranderde bebouwing het geluid op de gevels van de bestaande bebouwing met ten hoogste 0,83 dB toeneemt. De toename vindt plaats op de gevel van de woning aan de Boven Havenstraat 5.
Een toename < 1,5 dB is voor het menselijk gehoor niet waarneembaar. Hiermee is vanwege de veranderende bebouwing geen sprake van een relevante toename in het geluid. Ook is geen sprake van een toename aan woningen met een overschrijding van de standaardwaarde.
In de regels van het omgevingsplan wordt het gezamenlijkgeluid opgenomen. Op het gebied van geluid door wegen en spoorwegen wordt voldaan aan de instructieregels en het gemeentelijk geluidbeleid en er sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Ten aanzien van geluid door wegen en spoorwegen is het verantwoord om de beoogde functies aan de planlocatie toe te delen.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 5.4.
Tabel 5.4 Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw
| 07.00-19.00 uur | 19.00-23.00 uur | 23.00-07.00 uur | |
| LAr,LT als gevolg van activiteiten | 50 dB(A) | 45 dB(A) | 40 dB(A) |
| LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen | -- | 70 dB(A) | 70 dB(A) |
| LAmax door andere piekgeluiden | -- | 65 dB(A) | 65 dB(A) |
Tabel 5.5 Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten
| 07.00-19.00 uur | 19.00-23.00 uur | 23.00-07.00 uur | |
| LAr,LT als gevolg van activiteiten | 35 dB(A) | 30 dB(A) | 25 dB(A) |
| LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen | -- | 55 dB(A) | 55 dB(A) |
| LAmax door andere piekgeluiden | -- | 45 dB(A) | 45 dB(A) |
Voor een activiteit op een in het omgevingsplan aangewezen bedrijventerrein, kunnen de waarden uit tabel 5.4 met 5 dB worden verhoogd voor geluidgevoelige gebouwen op datzelfde bedrijventerrein. In een omgevingsplan kunnen andere waarden (ook hogere) worden opgenomen als in ieder geval wordt voldaan aan de binnenwaarden volgens tabel 5.5.
Voor activiteiten buiten het plangebied gelden vanuit het omgevingsplan de regels van de Bruidsschat.
In de omgeving van het plangebied zijn met name woningen aanwezig. Ten westen van het plangebied op een afstand van meer dan 50 meter is een gemengd gebied met scholen en een kantoor aanwezig. Gezien de afstand kan geluid hinder van deze activiteiten uitgesloten worden. Ten zuiden ligt een jachthaven en een tankstation. Hierover wordt hieronder nader ingegaan.
Jachthaven
Ten zuiden van het plangebied ligt op een afstand van circa 10 meter van de beoogde woningen een jachthaven. De maatgevende activiteiten van een jachthaven zijn het laden en lossen ter plaatse van de boten opslag, voorzieningen en de botenhelling. De entree van de jachthaven ligt aan de overzijde van het terrein, hier zijn ook de boten opslag, voorzieningen en de botenhelling aanwezig. Deze activiteiten liggen op een afstand van circa 90 meter. Deze afstand is voldoende om geluidhinder van de maatgevende geluidbronnen van de jachthaven uit te sluiten en te voldoen aan de standaardwaarden voor geluid door activiteiten. Aan de zijde van het plangebied is geen verharding aanwezig en kunnen auto's de jachthaven niet betreden. De enige geluidbronnen zijn de ligplaatsen voor pleziervaart. Gezien het hier gaat om boten voor pleziervaart is een afstand van 10 meter voldoende om een overschrijding van de standaardwaarden voor geluid door activiteiten uit te sluiten. Hiermee kan ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar akoestisch klimaat gewaarborgd worden en wordt de jachthaven niet beperkt in de bedrijfsvoering.
Tankstation
Ten zuidwesten van het plangebied is een tankstation aanwezig van Firezone. Op het gebied van geluid door activiteiten is akoestisch onderzoek uitgevoerd door Alcedo, zie Bijlage 6. Het geluid van het tankstation is inzichtelijk gemaakt op basis van (worst) case aannames. Hierbij is rekening gehouden dat het tankstation ook in de avond en nachtperiode actief is. In het onderzoek is het aan- en afrijden van motorfietsen, personenwagens, bestelwagens en vrachtwagens die komen tanken en het draaien van de brandstofpompen meegenomen.
Uit de rekenresultaten blijkt dat voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voldaan wordt aan de standaardwaarden. Voor de maximale geluidniveau is in de avond- en nachtpriode sprak van een overschijding (van maximaal 2 db) van de standaardwaarden uit het bkl vanwege het aandrijfgeluid van transportmiddelen (optrekkende vrachtwagens). Ook is getoetst aan de geluidregels van het Omgevingsplan van de gemeente Kampen. Hier wordt ook voldaan aan de langtijdgemiddele beoordelingsniveau maar wordt het maximale geluidnievau in de nachtperiode overschreden met ten hoogste 12 dB(A). Ook is sprake van een overschrijding van 1 dB(A) vanwege indirecte hinder.
In het onderzoek zijn mogelijke maatregelen onderzocht. Hieruit blijkt dat het plaatsen van een geluidscherm niet doelmatig is en geldt dat een scherm van 6 meter niet voldoende is om te voldoen aan de geluidregels uit het Omgevingsplan. Omdat redelijkerwijs geen maatregelen getroffen kunnen worden om alsnog aan de waarden uit het omgevingsplan te voldoen wordt een maatwerkvoorschrift vastgelegd middels een seperaat maatwerkbesluit voor het tankstation. Dit staat de hogere geluidbelasting toe op de nieuwe woningen en wordt het tankstation niet belemmerd in de huidige bedrijfsvoering.
Voor de nieuwe woningen geldt dat aan de binnenwaarde voldaan wordt conform het Bkl. Hiervoor is wel een gevelwering benodigd van minstens 22 dB(A). Omdat de nieuwe woningen volgens het Bbl dienen te beschikken over een gevelwering van minsten 20 dB(A) is in de regels geborgd dat de gevelwering ter plaatse ten minste 22 dB(A) is.
Met de beoogde ontwikkeling voldoet het tankstation niet aan de geluidregels voor het maximale geluidniveau in de nachtperiode. Middels een maatwerkvoorschrift voor het tankstation wordt geborgd dat deze hogere geluidbelasting toegestaan is en het bedrijf niet wordt beperkt in de huidige bedrijfsvoering. Door ter plaatse een geluidwering toe te passen van ten minste 22 dB(A) kan ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar akoestisch klimaat worden gewaarborgd. Dit is geborgd met de regels in artikel 15.1. Er wordt voldaan aan de instructieregels en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manieren optreden.
Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.
Wat is een trillinggevoelig gebouw?
Volgens artikel 5.80, eerste lid, Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
Weg- en spoorverkeer
Weg- en spoorwegverkeer kunnen trillingen veroorzaken in woningen, scholen en dergelijke. Dit moet het bevoegd gezag betrekken bij de ruimtelijke inpassing van spoor(wegen) en/of trillinggevoelige gebouwen, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Gemeentelijke wegen en/of trillinggevoelige gebouwen bij wegen
Verkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. Bij het passeren van vooral zware voertuigen, zoals vrachtwagens en bussen, kunnen trillingen ontstaan met een kortdurend karakter. De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheden, zoals bij een brug. In de meeste gevallen speelt het aspect trillingen geen rol bij de ruimtelijke inpassing. Er gelden geen instructieregels van het Rijk. In deze situatie kan het bevoegd gezag gebruikmaken van de SBR-richtlijn. Hiervoor gelden geen instructieregels van het Rijk.
Woningen worden aangemerkt als trillinggevoelige gebouwen. In de nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bronnen die voor trillingen kunnen zorgen. In de nabije omgeving is geen spoorlijn gelegen. De enige bron van mogelijke trillingen is verkeer over de stadsbrug wat op meer dan 100 meter afstand gelegen is. De afstand tot aan de woningen is dusdanig groot dat trilhinder door wegen kan worden uitgesloten. Daarnaast is wonen geen activiteit die zorgt voor trillingen.
De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor trillingen omdat in de omgeving geen milieubelastende activiteiten aanwezig zijn die mogelijk trillingen veroorzaken ter plaatse van het plangebied. Verder zijn ook geen andere trillingsbronnen aanwezig in de omgeving waardoor trillingen in het kader van ETFAL niet relevant zijn. Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:
Deze instructieregels van het Rijk zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.
Bodemgevoelig gebouw
Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Provinciale instructieregels
In de provinciale omgevingsverordening zijn op het gebied van bodembescherming instructieregels opgenomen in paragraaf 4.12.2. Deze regels zien toe op de kwaliteit van grondwater (en in het bijzonder voor de kwaliteit van het grondwater in of nabij waterwingebieden en grondwaterbeschermingszone's).
In het omgevingsplan Kampen is een voorbereidingsbesluit opgenomen met regels die aansluiten op deze instructieregels (Afdeling 2.3 van het voorbereidingsbesluit Omgevingsverordening 2021 – gemeente Kampen). Dit betekent dat met het uitvoeren van de bodemonderzoeken rekening gehouden dient te worden met deze regels.
In de Bruidsschat, en daarmee ook in het omgevingsplan van de gemeente Kampen, zijn regels opgenomen ten behoeve van het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Daarmee wordt voldaan aan de instructieregels die door het rijk worden gesteld.
Om te zorgen dat mensen veilig kunnen wonen en verblijven, is in de planregels van het TAM-omgevingsplan in artikel 7.2.1 aanvullend opgenomen dat er geen bodemgevoelig gebouw mag worden gerealiseerd (zoals wonen of kinderopvang) op een plek waar de bodem vervuild is.
De aangetoonde verontreiniging in de bodem worden verwijderd door de grond te ontgraven totdat de stof, die boven de interventiewaarde bodemkwaliteit of boven de in het omgevingsplan opgenomen waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem was aangetroffen, niet meer voorkomt in een concentratie hoger dan het niveau van de waarde die gelijk is aan de waarde voor de bodemfunctieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie waarin de landbodem volgens artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving is ingedeeld. Voor onderhavig plangebied geldt bodemfunctieklasse wonen.
Bodemfunctieklassekaart
Zoals in paragraaf 2.1.2.3 gemeld heeft de gemeente Kampen een bodemfunctieklassekaart vastgesteld. Volgens deze kaart geldt ter plaatse van het plangebied de bodemfunctieklasse Wonen.
Omdat dit project voorziet in woningbouw blijft de bodemfunctieklasse Wonen van toepassing. Er wordt dan ook niet afgeweken van de bodemfunctieklasse. De eerste meter zal minimaal voldoen aan kwaliteitsklasse wonen. Ter plaatse van de woningen en openbare weg zal waar mogelijk een duurzaam aaneengesloten afdeklaag worden gerealiseerd.
Uitgevoerde bodemonderzoeken
In het kader van de beoogde ontwikkeling (bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie) zijn gefaseerd diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Alle uitgevoerde bodemonderzoeken zijn samengevat in een 'BO233999 Notitie uitgevoerde bodemonderzoeken en vervolg', waarin de onderzoeken als bijlagen (onderzoek Ad.01 t/m Ad.15) zijn toegevoegd. De algemene conclusie van de diverse deelgebieden is hieronder opgenomen. De notitie en bijbehorende onderzoeken zijn opgenomen in bijlage 7 van de motivering.
Figuur 5.2 Aangetoonde bodemverontreinigingen (Bron: bodemonderzoek Mateboer)
Ter plaatse is de bodem, milieu hygiënisch gezien voldoende in kaart gebracht. Ter plaatse zijn sterke verontreinigingen aangetoond aan zware metalen, PAK en minerale olie.
De sterke verontreiniging met zware metalen is binnen het gehele te ontwikkelen gebied aanwezig en is veelal te relateren aan de stedelijke ophoog laag. De aangetoonde sterke verontreiniging met PAK en zware metalen bevindt zich hoofdzakelijk in het zuidwestelijke deel van de locatie. De aangetoonde sterke verontreiniging met minerale olie in grond bevindt zich op het kadastrale perceel 857 en is voldoende afgeperkt in het horizontale en verticale vlak. De aangetoonde sterke verontreiniging met PAK en minerale olie bevindt zich op het kadastrale perceel 246, de aangetoonde verontreiniging bevindt zich boven de grondwaterstand.
Het grondwater is milieu hygiënisch gezien voldoende in kaart gebracht. Een uitzondering hierop zijn de aangetoonde sterke verhogingen aan barium voorafgaand aan de planvorming (opstellen MKB-plan) dient een herbemonstering plaats te vinden om na te gaan of de gehalten worden bevestigd.
Het perceel 1163, eigendom van het Waterschap, kan als onderdeel van onderzoek Ad.01 worden beschouwd.
Op de kadastrale percelen 780, 781 en 782 is reeds gesaneerd.
Kadastrale percelen 1123 en 1242
De resultaten van het verkennend bodemonderzoek (onderzoek Ad.04) uit 2025 geven geen aanleiding tot nader onderzoek en leveren geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van de locatie.
Kadastraal perceel 1114, Terrein IJsseldijk 6
Het onderzoek uitgevoerd ter plaatse van de IJsseldijk 6 (onderzoek Ad.15) is sterk verouderd (1996). Voorafgaand aan de verdere planvorming (opstellen MKB-plan) zal het onderzoek geactualiseerd moeten worden. Met de resultaten van het uitgevoerde onderzoek kan wel gesteld worden dat de aangetoonde verontreinigingen overeenkomen met de vastgesteld verontreinigingen op het overige te ontwikkelen terrein.
Bij de planvorming, het opstellen van het MKB-plan kan ervoor gekozen worden onderhavige locatie als gelijkwaardig mee te nemen, en tijdens de procedure termijn, na overdracht van het terrein aanvullend onderzoek te verrichten.
Op basis van de hierboven beschreven constateringen wordt voor de gehele ontwikkellocatie een Milieukundig Begeleidingsplan (MKB-plan) opgesteld. Het MKB-plan beschrijft hoe de milieukundige begeleiding van de saneringswerkzaamheden wordt vormgegeven. Het doel is te waarborgen dat de uitvoering voldoet aan de eisen uit de Omgevingswet en de daarop gebaseerde besluiten, zoals het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Het MKB-plan draagt er zorg voor dat de sanering op een veilige en milieuhygiënisch verantwoorde wijze wordt uitgevoerd, conform de geldende normen.
Voor het Bovenhavenkwartier heeft het MKB-plan als doel om, voorafgaand aan de start van de werkzaamheden (zoals het graven in of saneren van de bodem), de kritische werkzaamheden en momenten tijdens de uitvoering door de aannemer te identificeren. Tevens worden de uit te voeren MKB-taken omschreven. In het saneringsplan wordt nader onderbouwd aan welke doelen moet worden voldaan, zoals de aanleg van een leeflaag (wonen) of afdeklaag, en welke einddoelstellingen gelden voor de percelen die uiteindelijk aan de gemeente worden overgedragen.
In onderstaande figuur 5.3 wordt een doorkijk gegeven in de opzet tot realisatie van woningbouw op een bodemgevoelige locatie.
Figuur 5.3 Overzicht beoogde gebruik (Bron: Mateboer)
Na realisatie van onderhavig plan, realisatie woningbouw op een bodemgevoelige locatie zullen er geen risico's zijn De contactzone (1,0 m-mv) zal uiteindelijk voldoen aan artikel 22.29 van het tijdelijke omgevingsplan.
Wat resulteert in:
Indien het saneringsplan is opgesteld, goedgekeurd door het bevoegd gezag en de saneringswerkzaamheden conform het plan worden uitgevoerd, vormt het aspect bodem geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. Op het moment dat er daadwerkelijk gebouwd gaat worden zal worden aangetoond door middel van een eindevaluatie dat de bodem van voldoende milieuhygiënische kwaliteit is om erop te kunnen wonen, conform artikel 22.29 van het omgevingsplan van de gemeente Kampen.
Tenslotte is door de ontwikkelaar bij de gemeente aangetoond dat het plan fininacieel uitvoerbaar is, zie ook paragraaf 7.1.
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden voor verschillende functies en activiteiten regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar de regels zijn opgenomen.
Activiteiten moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijke) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat.
De Bruidsschat bevat regels over:
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
In subparagraaf 22.3.6.2 van het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over;
Geurgevoelige gebouwen
In artikel 5.91, eerste lid, van het Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval geurgevoelig zijn. Het betreft een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Wel maakt het project woningen mogelijk, die volgens het Bkl geurgevoelig zijn. Hierna wordt dan ook getoetst of geur van activiteiten in de omgeving van invloed is op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en/of geurbelastende activiteiten met gebruiksruimte eventueel in hun belangen worden geschaad.
Geurbelasting agrarische bedrijven
In de omgeving van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven met diercategorieën waarvoor een emissiefactor is vastgesteld gelegen. Daarnaast valt het plangebied niet binnen een vaste afstand tot een veehouderij.
Geur van overige activiteiten
Naast veehouderijen kan geur ook veroorzaakt worden door bijvoorbeeld een horecagelegenheid of bedrijvigheid (bijvoorbeeld voedingsmiddelenindustrie of mengvoederindustrie). Hiervoor gelden in beginsel geen landelijke regels (Bkl), maar een gemeente is vrij om hier zelfs regels over op te nemen.
Het plangebied is niet gelegen binnen 50 meter van een horecagelegenheid of bedrijf waar geur vandaan kan komen. Gelet op de aard en omvang van overige activiteiten in relatie tot de afstand tot het plangebied is geurhinder van overige activiteiten uitgesloten.
De ontwikkeling is in overeenstemming met instructieregels voor geur omdat geurhinder uitgesloten kan worden. Ook is het aspect geur niet relevant in het kader van ETFAL. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland.
Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen.
Archeologie
Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Cultuurhistorie
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed.
Voor de voorgenomen ontwikkeling is in januari en februari 2017 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO) uitgevoerd. In bijlage 8 is het gehele onderzoek opgenomen. Hieronder staan de belangrijkste resultaten.
Op basis van het bureauonderzoek mogen in het plangebied archeologische resten worden verwacht vanaf de bedijking van de IJssel in de 12e eeuw. Waarschijnlijk stond dit relatief laaggelegen gebied voorafgaand aan die bedijking dusdanig onder invloed van de rivier dat gebruik van de locatie niet of nauwelijks mogelijk was. Uit de periode vanaf de 12e eeuw tot aan de stadsuitbreiding in de late 15e eeuw worden voornamelijk resten van agrarisch gebruik verwacht. Het kan gaan om bijvoorbeeld ploegsporen, greppels en paalkuilen als restanten van omheiningen of perceelsscheidingen. Vanaf de stadsuitbreiding van 1460-1505 kunnen resten van de stadsmuur en de stadspoort worden aangetroffen. Het kan gaan bijvoorbeeld om funderingen, resten van muren en vloeren, uitbraaksleuven. Ook worden resten van de verschillende fases van de stadsgracht verwacht. Vanaf de late 16e eeuw werd de stad voorzien van ravelijnen en bolwerken. Uit deze periode kunnen voornamelijk ophooglagen worden verwacht. Archeologische vondsten worden vooral verwacht in de grachtvulling en de ophooglagen en zullen bestaan uit huishoudelijk afval van alle materiaalcategorieën.
Het booronderzoek heeft de verwachting uit het bureauonderzoek bevestigd. Er geldt een hoge archeologische verwachting vanaf de onderzijde van het moderne ophoogpakket, oftewel vanaf 0,7 tot 1,3 m mv (gemiddeld 1,1 m ) ofwel 1,4 tot 2,2 m NAP (gemiddeld 1,7 m NAP).
Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om vervolgonderzoek uit te laten voeren indien de geplande graafwerkzaamheden dieper reiken dan de onderzijde van het moderne ophoogpakket, oftewel dieper dan 0,7 m mv (2,2 m NAP).
Dit vervolgonderzoek kan het beste bestaan een uit een proefsleuvenonderzoek, specifiek gericht op het bepalen van de ligging (horizontaal en verticaal) en mate van intactheid van de grachten, aarden wallen en resten van de stadspoort. Het proefsleuvenonderzoek kan het beste plaatsvinden na de bovengrondse sloop van de huidige bebouwing. Desgewenst kan het onderzoek aangevuld worden met mechanisch booronderzoek om onder meer de diepte van de grachtbodems vast te stellen.
Het benodigde proefsleuvenonderzoek zal plaatsvinden nadat alle bebouwing is gesloopt, maar voor de bouw van de geplande nieuwbouw. Dit onderzoek zal gebaseerd zijn op het ruimtelijke programma van eisen dat is opgesteld voor Bovenhavenstraat 8 en 12 (zie bijlage 11). In de planregels is de archeologie geborgd in artikel 8 daarnaast is een specifiek bouwregel in artikel 7.2.5 opgenomen zodat proefsleuvenonderzoek plaats vindt.
De gemeente Kampen heeft de cultuurhistorische waardevolle objecten bepaald en vastgelegd in het chw bestemmingsplan wat onderdeel uit maakt van het omgevingsplan. Op basis van het chw bestemmingsplan ligt het plangebied binnen de 'waarde - beschermd stadsgezicht'. Het plangebied ligt in de binnenstad wat vrijwel geheel is aangemerkt als beschermd stadsgezicht. Deze binnenstad heeft tal van cultuurhistorische waarden die gebonden zijn aan de ruimtelijke structuur, de bebouwing en bijzondere gebieden. Met de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht is een duidelijk signaal gegeven dat het gebied als totaal bescherming verdient. Als redenen voor deze aanwijzing worden expliciet genoemd:
In bijlage 9 is de volledige tekst van de aanwijzing opgenomen. Een meer uitgebreide beschrijving van deze waarden staat in bijlage 10 van deze toelichting. Op basis van de ruimtelijke analyse en cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht Kampen, zie bijlage 10, vallen de bestaande panden aan de Boven havenstraat in het gebied topkwaliteit. De rest van het plangebied valt onder basiskwaliteit waarover het volgende is opgenomen:
Gebieden van basiskwaliteit
In deze categorie is een aantal gebieden aangegeven waar geen of nauwelijks cultuurhistorische waarden voorkomen, of waar deze waarden in het bebouwingsbeeld of in de ruimtelijke structuur sterk zijn aangetast of vervangen door ‘gebiedsvreemde’ ingrepen. Het beleid in deze gebieden is als volgt:
De panden aan de Bovenhavenkwartier die vallen binnen het gebied topkwaliteit is het volgende over opgenomen:
Gebieden van topkwaliteit
In deze categorie zijn de gebieden aangegeven waar de cultuurhistorische waarden in zeer belangrijke mate bepalend en kenmerkend zijn voor de huidige karakteristiek van de ruimtelijke structuur en het bebouwingsbeeld. Het beleid in deze gebieden is als volgt:
Vanwege de bijzondere locatie en de relatie met de binnenstad is het plan in samenwerking met de gemeente stedenbouwkundig ontworpen waarbij rekening is gehouden met de bijzondere ruimtelijke structuuren bebouwingsbeeld van de stad. In de paragraaf 2.2 is de stedenbouwkundige opzet nader toegelicht.
Het stedenbouwkundig plan sluit aan op de gestelde beleidslijnen voor het gebied en vormt de entreelocatie waarbij de invloedsferen van de omgeving verwerkt zijn in het plan. Zo sluit de bebouwing aan het industriele karakter maar zet ook de oude stadscontouren voort in het plan waarmee invulling gegeven wordt aan de cultuurhistorische kwaliteiten in het gebied. Een aantal elementen zijn:
Met inachtname van genoemde voorwaarden is het ten aanzien van cultureel erfgoed verantwoord om de beoogde functies aan de projectlocatie toe te delen. Er wordt voldaan aan de instructieregels van het Bkl. Het aspect cultureel erfgoed vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Tenslotte wordt opgemerkt dat in de artikelen 9.4.4, 9.5.3 en 12.1.2 van de planregels in samenhang met de beleidsregel Beeldkwaliteitsplan de historische structuur is geborgd.
Artikel 5.129g Bkl
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering.
Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling.
Indien de ontwikkeling 'buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied' mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.
In het Bkl (artikel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder vereist is. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als 'de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is'.
Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substantieel is volgt uit jurisprudentie. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisatie van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocatie. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 brutovloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling.
Als wordt voorzien in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling heeft betrekking op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 5.161c (aanwijzing woningbouwcategorieën)
Een omgevingsplan dat bouwactiviteiten voor de bouw van woningen toelaat waarvoor kosten verhaald moeten worden, kan regels bevatten over te realiseren categorieën woningen voor (artikel 5.161c Bkl):
De regels in het omgevingsplan bepalen dan een minimale instandhoudingstermijn van 10 jaar voor sociale huurwoningen en middenhuurwoningen. Voor sociale koopwoningen geldt een instandhoudingstermijn van minimaal 1 en maximaal 10 jaar.
Omgevingsverordening artikel 2.2.2
De Omgevingsverordening van de provincie Overijssel regelt in artikel 2.2.2 dat nieuwe woningen enkel zijn toegestaan wanneer de behoefte hiervan is aangetoond. Ook is vastgelegd dat de woningen moeten passen binnen de geldende woonafspraken. Indien een ontwikkeling niet past binnen de gemaakte woonafspraken dan dient door middel van een actueel onderzoek instemming te worden verkregen voor deze ontwikkeling van zowel de gemeenten in de regio als door Gedeputeerde Staten. De gemeente Kampen vormt samen met de gemeenten Staphorst, Steenwijkerland, Olst-Wijhe, Zwartewaterland, Zwolle, Hardenberg, Dalfsen, Ommen, Deventer en Raalte de woningmarktregio West-Overijssel. Binnen deze regio worden onderling woonafspraken gemaakt. Dit gebeurt in de Regionale Woonprogrammering (RWP), die iedere twee jaar wordt geactualiseerd.
Voorliggend stedenbouwkundig ontwerp voorziet in 74 woningen, waarvan 36 appartementen en 38 grondgebonden woningen. Van de appartementen zijn 15 sociale huur, 7 goedkope koop, 10 koop betaalbaar en 4 duur/vrije sector. De grondgebonden woningen zijn als volgt verdeeld, 16 woningen in de betaalbare categorie en 22 woningen in de dure categorie. Dit komt neer op een verhouding van 30% sociale huur/goedkoop, 35% betaalbaar en 35% duur. De bijzondere locatie, zowel qua beeldkwaliteit als uitdagende ontwikkelingsopgave, vraagt om een aanpassing in de verdeling van de woning categorieën.
In de onderstaande tabel is het woonprogramma weergegeven met de VON-prijzen (prijspeil 1 januari 2024).
Binnen het plangebied worden 36 appartementen gerealiseerd, deze appartementen zijn bereikbaar via een lift en gelijkvloers. Hierdoor zijn de appartementen levensloopbestendig.
Bij voorgenomen ontwikkeling is er gelet op het aantal woningen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Daarom is hierna de behoefte beschreven.
De woningbehoefte blijkt uit regionale afspraken en een actueel woningmarktonderzoek voor de gemeente Kampen.
De regionale afspraken over wonen zijn eind 2022 vastgelegd in een regionale woondeal en deze is in maart 2025 geactualiseerd.
De regio heeft de ambitie om in de periode tot en met eind 2030 28.200 woningen bruto te realiseren. Op dit moment bedraagt in West-Overijssel de plancapaciteit 38.787 woningen, waarvan 19.044 woningen harde plancapaciteit. De gemeente Kampen heeft zich gecommitteerd aan de realisatie van minimaal 2.479 woningen in de periode 2024-2030. In de periode 2031 tot en met 2035 gaat het om minimaal 2.300 woningen.
Alle gemeenten in de regio hanteren het 30-40-30 principe als basis voor lokaal beleid, prestatieafspraken en uitgangspunten bij plan- en gebiedsontwikkelingen. Binnen de kaders van de (aankomende) wet Versterking regie volkshuisvesting is er ruimte voor maatwerk binnen de betaalbaarheidsverdeling, voor gemeenten waarbij het aandeel sociale huur in de huidige woningvoorraad hoger is dan het landelijk gemiddelde. In onderbouwde gevallen kunnen deze gemeenten van het aandeel van 30% sociale huur afwijken. Dit kan zolang ze, door minstens 40% van de nieuwe woningen te richten op middeninkomens (betaalbare koop en middenhuur), de totale beschikbaarheid van betaalbare woningen (70%) op regioniveau voldoende waarborgen.
In Kampen zijn 5 sleutelprojecten opgenomen voor in totaal 2.479 woningen. De locatie Bovenhavenkwartier is aangemerkt als sleutelproject met 74 woningen. Dit zijn projecten met een significante impact op de regionale verstedelijkingsopgave, die voorzien in de lokale woonbehoefte en een belangrijke bijdrage leveren aan leefbaarheid en vitaliteit van dorpen of wijken. De sleutelprojecten passen binnen de ambities uit de Woonagenda West-Overijssel 2021-2025 en worden binnen de Woondeal periode gerealiseerd.
Uit het woningmarktonderzoek 2026 (Companen, februari 2026) blijkt dat er in de gemeente Kampen een uitbreidingsbehoefte is van 3.380 tot 3.880 woningen tot 2035.
De gemeente heeft met de vaststelling van het ‘programma Versnelling Woningbouw’ de ambitie om 4.000 woningen te realiseren in de komende 10 jaar. Dit komt neer op realisatie van circa 400 woningen per jaar.
Om in te spelen op de woningbehoefte is voldoende plancapaciteit nodig. De ervaring leert dat een deel van de plannen vertraging oploopt of helemaal niet wordt gerealiseerd. Daarom is extra plancapaciteit noodzakelijk om dit op te kunnen vangen. De ervaring leert dat circa 30% van de plannen vertraging oploopt of zelfs helemaal niet tot realisatie komt. woningen te realiseren in de periode tot 2035 is een plancapaciteit van minimaal 5.500 woningen noodzakelijk.Inmiddels zijn 1.988 woningen gerealiseerd, dus de resterende opgave is 1.892 woningen. Er zijn 2.363 woningen gepland. De harde plancapaciteit per maart 2026 is 1.076 woningen. Dit betekent dat nog minimaal 816 woningen aan de harde plancapaciteit moeten worden toegevoegd om op 100% harde plancapaciteit te komen en 1061 om op 130% plancapaciteit te komen.
Op basis van de gemeentelijke prognose is een doorrekening gemaakt van de verwachte ontwikkeling van het aantal huishoudens in de verschillende kernen. De verwachte minimale behoefte in de stad Kampen in de periode 2025-2035 is 2.275 woningen.
Er is grote vraag naar sociale huurappartementen; sociale huur is primair een 'appartementenopgave'.
Vrije sector huur: aanwezig maar relatief beperkt. De vrije huursector functioneert daarmee vooral als tussenstap of overbrugging.
De grootste koopvraag zit in het middensegment. Dit betreft vooral (compacte) eengezinswoningen voor starters en jonge huishoudens. De vraag naar koopwoningen tot € 300.000 is in de praktijk groot, maar dit aanbod is schaars en in nieuwbouw nauwelijks realiseerbaar.
Ook dure koop en levensloopgeschikte koop blijven nodig.
Figuur 5.4. Kwalitatieve woningbehoefte gemeente Kampen, 2025-2035 (Bron: woningmarktonderzoek 2026)
Door de diversiteit aan appartementen en grondgebonden woningen en het realiseren van levensloopbestendige woningen wordt er voldaan aan de kwalitatieve behoefte. Gelet op het bovenstaande en met een regionale afstemming wordt geconcludeerd dat voldaan is aan het vereiste van de ladder.
Toetsing instructieregel artikel 5.161c Bkl - woningbouwcategorieëen
In het omgevingsplan zijn woningbouwcategorieën aangewezen, zie artikel 7.2. Op basis van de instructieregel is daarbij ook de minimale termijn vastgelegd, namelijk:
Hiermee wordt invulling gegeven aan het verreiste uit de instructieregel.
Er is sprake van een grote woningbehoefte in de regio, waaronder in Kampen. Dit plan geeft mede invulling aan de behoefte door nieuwe harde plancapaciteit toe te voegen op een binnenstedelijke transformatielocatie. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik en daarmee van duurzame verstedelijking. Er wordt voldaan aan de instructieregels van het Bkl.
Mobiliteit en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. Het Bkl en de provinciale omgevingsverordening stellen geen instructieregels op dit gebied. Wel kan het zijn dat de provincie, regio en gemeente hiervoor beleid heeft, bijvoorbeeld een Mobiliteitsvisie, regels over aanleg parkeerplaatsen in het omgevingsplan en/of een Nota Parkeernormen.
In de beoordeling van het plan op het omgevingsaspect mobiliteit zijn de ontsluitingsstructuur, verkeersgeneratie, bereikbaarheid en verkeersveiligheid relevant. Daarbij worden alle relevante vervoerswijzen bezien (langzaam verkeer, openbaar vervoer en gemotoriseerd verkeer).
De beoordeling van het plan op het omgevingsaspect parkeren houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet zijn.
Langzaam verkeer
De projectlocatie is gelegen aan de Boven Havenstraat. De Boven Havenstraat is ingericht als een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/u. Voor voetgangers zijn aan weerszijden van de rijbaan voetpaden aanwezig, waarbij er conform de richtlijnen voor erftoegangswegen binnen de bebouwde kom uit het CROW 'ASVV 2021' geen specifieke oversteekplaatsen voor voetgangers zijn ingericht. Voor fietsers zijn aan weerszijden van de rijbaan fietssuggestiestroken aanwezig, waarmee wordt afgeweken van de ontwerprichtlijnen uit het ASVV 2021. Vanaf de projectlocatie leidt de Graafschap aan de overzijde van de Boven Havenstraat in noordelijke richting naar het centrumgebied van Kampen. Het treinstation Kampen is bereikbaar voor het langzaam verkeer vanaf de projectlocatie via De la Sablonièrekade en de Stadsbrug. In zuidelijke richting loopt de Boven Havenstraat over in de IJsseldijk. Op de IJsseldijk worden voetgangers gescheiden van het gemotoriseerde verkeer afgewikkeld met behulp van vrijliggende voetpaden aan weerszijden van de rijbaan. Voor fietsers is er tussen de Boven Havenstraat en de Engelenbergstraat een parallelweg beschikbaar aan de westzijde van de rijbaan en is er aan de oostzijde van de rijbaan een fietssuggestiestrook beschikbaar. Ten zuiden van de Engelenbergstaat geldt een (brom)fietsverbod.
Openbaar vervoer
De dichtstbijzijnde OV-halte is gelegen op circa 200 meter loopafstand vanaf de projectlocatie aan de IJsseldijk. Vanaf deze halte kan gebruik worden gemaakt van de stadsdienst Kampen (buslijn 11), buslijn 74 richting station Kampen Zuid en buslijn 526, tussen Wilsum en Hattem. Het plangebied bevindt zich op ongeveer 1,2 kilometer loopafstand van station Kampen. Vanaf het station is het gebied per sprinter bereikbaar richting Zwolle.
Gemotoriseerd verkeer
De projectlocatie wordt via de westzijde ontsloten op de IJsseldijk, een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/u. De IJsseldijk leidt vervolgens in zuidelijke richting verder naar de N764, welke in oostelijke richting leidt naar Zwolle. In westelijke richting komt de N764 uit op de N50, tussen Arnhem en Emmeloord.
Aan de noordzijde van de projectlocatie loopt de IJsseldijk over in de Boven Havenstraat, een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/u. In noordelijke richting loopt de Boven Havenstraat via De la Sablonièrekade over in de IJsselkade. Beide wegen zijn ingericht als erftoegangswegen meteen maximumsnelheid van 30 km/u. In noordelijke richting leidt de IJsselkade naar de Stadsbrug, welke vervolgens in noordoostelijke richting leidt naar IJsselmuiden.
Verkeersgeneratie
In de bestaande situatie is binnen de projectlocatie een leegstaand bedrijventerrein aanwezig. Daarom wordt bij het bepalen van de verkeerstoename als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen rekening gehouden met het salderen van de bestaande invulling van het gebied.
Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van kencijfers uit CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024'. Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers wordt op basis van CBS-data voor de gemeente Kampen een stedelijkheidsgraad van 'matig stedelijk' aangehouden. De ligging van de projectlocatie is gelegen in het gebiedstype 'centrum'. Tenslotte wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en gemiddelde autobezit conform het CBS per kencijfer het gemiddelde van de bandbreedte aangehouden. Met behulp van de CROW kencijfers is de verkeersgeneratie gedurende een gemiddelde weekdag berekend. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is echter de verkeersgeneratie gedurende een gemiddelde werkdag maatgevend. Conform CROW-744 wordt voor het omrekenen van weekdag naar werkdag voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 toegepast. In de onderstaande tabel is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling berekend.
| Functie | Aantal | Kencijfer | Weekdag (mvt/etmaal) | Werkdag (mvt/etmaal) |
| Koop, huis, tussen/hoek | 29 woningen | 6,8 per woning | 197,2 | 218,9 |
| Koop, appartement, >100 m² bvo | 23 woningen | 6,8 per woning | 156,4 | 173,6 |
| Koop, appartement, <75 m² bvo | 7 woningen | 4,3 per woning | 30,1 | 33,4 |
| Huur, appartement, sociale huur, <75 m² bvo | 15 woningen | 2,4 per woning | 36 | 40,0 |
| Totaal | 419,7 | 465,9 |
De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 420 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag, wat neerkomt op 466 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag.
Verkeerstoedeling
Voor het bepalen van de verkeerstoedeling van het gegenereerde verkeer is gebruik gemaakt van de navigatietool van Google Maps. De beoogde ontwikkeling wordt volledig ontsloten via de westzijde op de IJsseldijk. Vanaf hier wordt 15% (70 mvt/etmaal) in noordelijke richting ontsloten via de Boven Havenstraat en De la Sablonièrekade naar de Stadsburg en vanaf daar richting IJsselmuiden. De overige 85% (396 mvt/etmaal) wordt in zuidelijke richting ontsloten naar het kruispunt IJsseldijk – Engelenbergstraat. Vanaf dit kruispunt wordt 40% (186 mvt/etmaal) van het gegenereerde verkeer verder over de IJsseldijk in zuidelijke richting ontsloten naar het kruispunt IJsseldijk – Kamperstraatweg – Venedijk. Vervolgens wordt 35% (163 mvt/etmaal) via de Kamperstraatweg in westelijke richting ontsloten naar de Europa-Allee, vanaf waar het verkeer in zuidelijke richting wordt ontsloten naar de N764. De overige 5% (23 mvt/etmaal) wordt via de Kamperstraatweg in zuidoostelijke richting ontsloten. De resterende 45% (210 mvt/etmaal) wordt vanaf het kruispunt IJsseldijk - Engelenbergstraat in westelijke richting ontsloten naar het kruispunt Engelenbergplantsoen – Hendrik van Viandenstraat, vanaf waar 10% (47 mvt/etmaal) verder in zuidwestelijke richting wordt ontsloten via de Hendrik van Viandenstraat. De overige 35% (163 mvt/etmaal) wordt via het Engelenbergplantsoen en de Kennedylaan in noordwestelijke richting ontsloten naar de Europa-Allee, vanaf waar het verkeer in noordelijke richting wordt ontsloten naar het kruispunt Beneluxweg – Flevoweg – Europa-Allee. Op dit kruispunt wordt 5% (23 mvt/etmaal) in noordelijke richting ontsloten via de Beneluxweg en 30% (140 mvt/etmaal) via de Flevoweg in westelijke richting naar de kruising tussen de N50 en de N307. In de onderstaande figuur 5.5 is de beoogde verkeerstoedeling weergegeven.
Figuur 5.5 De toedeling van het gegenereerde verkeer
Beoordeling verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid
De hoogste verkeerstoename als gevolg van de beoogde ontwikkeling vindt plaats op de IJsseldijk. Op dit wegvak zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 396 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. De IJsseldijk is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg-type 2, met een maximumsnelheid van 50 km/u en een rijbaanbreedte van circa 11 meter. Voor voetgangers zijn er aan weerszijden van de rijbaan voetpaden aanwezig en voor fietsers is aan de westzijde van de rijbaan een vrijliggend tweerichtingsfietspad beschikbaar, met een fietssuggestiestrook aan de oostzijde. Voor het langzaam verkeer zijn er geen oversteekvoorzieningen aanwezig ten hoogte van de projectlocatie. Voor het borgen van de verkeersveiligheid van het langzaam verkeer wordt geadviseerd om een dergelijke oversteekvoorziening op de IJsseldijk te realiseren, inclusief een middeneiland wegens het ruime rijbaanprofiel van de weg bij een eventuele toekomstige herinrichting van de weg.
Voor het bepalen van de verkeersintensiteit op de IJsseldijk in de autonome situatie zijn vanuit de omgevingsdienst IJsselland verkeersgegevens aangeleverd voor het toekomstjaar 2040. Uit deze gegevens blijkt dat in de autonome situatie de verkeersintensiteit op de IJsseldijk 5.508 mvt/etmaal bedraagt. Na toevoeging van de planbijdrage stijgt de verkeersintensiteit na (5.508 + 396 =) 5.904 mvt/etmaal. Een deel van de motorvoertuigen gaan ook via de Engelenbergstraat op basis van de verkeersintensiteiten op de IJsseldijk wordt verwacht dat de autonome intensiteit op de Engelenbergstraat dermate laag is dat de beoogde verkeerstoename probleemloos kan worden opgevangen. De verkeersafwikkeling kan bij deze verkeersomvang voldoende worden gewaarborgd.
Vooropgesteld dat de verkeersafwikkeling afhankelijk is van de inrichting van wegvakken en kruispunten, kan worden gesteld dat uit de verkeerskundige praktijk blijkt dat het verkeer op 30 km/u-wegen tot een omvang van 6.000 à 15.000 mvt/etmaal veelal vlot en veilig kan worden afgewikkeld. Aangezien de toekomstige verkeersintensiteit ook na realisatie van het plan hier onder blijft, kan worden geconcludeerd dat de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid voldoende gewaarborgd zal zijn.
Parkeerbehoefte
De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is bepaald op basis van de 'Nota parkeernormen gemeente Kampen, 2020'. Binnen het gemeentelijke parkeernormenbeleid wordt aangesloten bij de landelijke parkeerkencijfers uit CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Hierbij is conform de gebiedsindeling uit het gemeentelijke parkeerbeleid de projectlocatie gelegen in het gebiedstype 'centrum'. In de onderstaande tabel is de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling berekent.
| Functie | Aantal | Parkeernorm | Parkeereis (p.p.) |
| Koop, tussen/hoek (bewoners) | 29 woningen | 0,8 per woning | 23,2 |
| Koop, appartement, duur (>120 m²) | 4 woningen | 0,9 per woning | 3,6 |
| Koop, appartement, midden (60-120 m²) (bewoners) | 19 woningen | 0,7 per woning | 13,3 |
| Koop, appartement, goedkoop (<60 m²) | 7 woningen | 0,6 per woning | 4,2 |
| Huur, appartement, midden of goedkoop (<60 m²), incl. sociale huur (bewoners) | 12 woningen | 0,4 per woning | 6 |
| Subtotaal bewoners | 74 woningen | 50,3 | |
| Woningen bezoekers | 74 woningen | 0,3 per woning | 22,2 |
| Totaal | 72,5 |
De normatieve parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bedraagt 73 parkeerplaatsen. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in de realisatie van 64 parkeerplaatsen binnen de projectlocatie (zie ook paragraaf 2.2.1). Daarmee wordt in de toekomstige parkeerbehoefte van de bewoners voorzien (51 parkeerplaatsen) binnen het plangebied.
In het parkeerbeleid van de gemeente Kampen is een afwijkingskader opgenomen waarin de voorwaarden staan voor een andere wijze van voorzien in voldoende parkeergelegenheid. In dit geval gaat het om negen parkeerplaatsen wat buiten plangebied opgelost dient te worden. In dit geval is, in overeenstemming met de gemeente Kampen, ervoor gekozen om de parkeerplaatsen in de openbare ruimte toe te voegen (onderdeel: 3. Afwijken voor parkeren in de openbare ruimte (nieuw te realiseren plaatsen - parkeerbeleid gemeente Kampen). De ontwikkelaar heeft daarvoor een verzoek bij de gemeente Kampen neergelegd conform het afwijkingskader uit het gemeentelijk parkeerbeleid.
De gemeente Kampen heeft gezocht naar een geschikte plek voor deze negen parkeerplaatsen en op circa 110 meter loopafstand van het plangebied is een plek voorzien. Dit is passend voor bezoekers waarvoor een richtlijn van binnen 100-250 meter geldt op basis van het afwijkingskader. In bijlage 18 is de locatie van de parkeerplaatsen weergegeven. In de anterieure overeenkomst tussen de ontwikkelaar en de gemeente worden de aanleg- en uitvoeringskosten geborgd.
Hiermee kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor het volledig opvangen van de parkeerbehoefte.
De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 466 mvt/etmaal. Deze verkeerstoename kan probleemloos worden afgewikkeld op het omliggende wegennet, alhoewel voor het borgen van de verkeersveiligheid van het langzaam verkeer wordt geadviseerd om een oversteekvoorziening op de IJsseldijk te realiseren ten hoogte van de projectlocatie.
Binnen de projectlocatie wordt rekening gehouden met de realisatie van de 64 parkeergelegenheid voor het opvangen van de parkeergelegenheid binnen de projectlocatie. Voor de overige negen parkeerplaatsen wordt buiten het plangebied een locatie aangelegd. Tenslotte is in artikel 18 geborgd dat de ontwikkeling voorziet in voldoende parkeergelegenheid.
Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Natura 2000
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Een ruimtelijke ontwikkeling kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld.
Houtopstanden
Mocht de activiteit gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen.
Natura 2000
Het plangebied ligt niet in een Natura2000-gebied. Figuur 5.6 laat de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-netwerk zien. Niet alle Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het meest nabijgelegen gebied met stikstofgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Rijntakken. De minimale afstand van deze Natura 2000-gebieden tot het plangebied bedraagt circa 200 meter. De andere Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op grotere afstand.
Figuur 5.6 Natura 2000-gebied ten opzichte van het plangebied (Bron: AERIUS Calculator)
Directe negatieve effecten van dit plan op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn vooral gelet op aard en omvang van het plan in combinatie met de afstand van de planlocatie tot aan deze natuurgebieden niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit plan een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd en als bijlage 19 bij deze onderbouwing gevoegd. Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Op 0,1 kilometer ten noorden van het plangebied liggen de dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland, weergegeven in figuur 5.7. Verder is het plangebied niet gelegen binnen of in de nabijheid van een belangrijk weidevogelgebied.
Figuur 5.7 Natuurnetwerk Nederland ten opzichte van het plangebied (Bron: Atlas leefomgeving)
Houtopstanden
De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. De paar aanwezige bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. Wel geldt mogelijk de gemeentelijke kapverordening.
Uit de toetsing van het deelaspect gebiedsbescherming blijkt dat het planvoornemen geen negatieve aspecten heeft voor Natura-2000 en NNN gebieden in de omgeving van het projectgebied. Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. In de provinciale omgevingsverordening is dit in paragraaf 3.5.2 'soortenbescherming' doorvertaald. Hierin bestaat benoemd voor welke soorten een vrijstelling geldt en voor welke soorten een omgevingsvergunning voor een flora-en-fauna-activiteit geldt.
Bij dit plan kunnen verblijfsplaatsen van (beschermde) soorten verloren gaan. Daarom zijn quickscans natuurwaarden (ecologie) uitgevoerd en nadere onderzoeken gedaan. Hieronder worden de verschillende onderzoeken per deelgebied nader uitgewerkt.
IJsseldijk 2A, 2-I, 4 en 6
Het onderzoeksrapport is als bijlage 12 bij deze ruimtelijke motivering opgenomen. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat de panden binnen het onderzoeksgebied (2A, 2-I en 4) zeer geschikt zijn voor gebouwbewonende vleermuizen. Om zeker te zijn van eventuele aanwezigheid van vleermuizen, de hoeveelheid individuen en het gebruik van de omgeving door de vleermuizen wordt geadviseerd een nader onderzoek naar vleermuizen uit te voeren. Het nadere onderzoek naar vleermuizen is in bijlage 13 opgenomen.
Kraam- en zomerverblijven
Tijdens de eerste drie inventarisatierondes zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld in het onderzoeksgebied. Wel zijn tijdens elk bezoek 1 á 2 foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen boven het met hoge grassen begroeide braakliggende stuk aan de Bovenhavenstraat (achterzijde plangebied). Deze vleermuizen foerageerden voor een korte tijdsduur (circa 30 minuten) waarna ze uit het plangebied verdwenen. Verder zijn, ten tijde van de eerste drie inventarisatierondes naar kleine aantallen (1-2 individuen) overvliegende gewone dwergvleermuizen waargenomen. De overvliegende individuen lieten geen vaste patronen zien in de richting waar vandaan kwamen of heen gingen.
Paarverblijven en zwermplaatsen
Tijdens de laatste twee inventarisatierondes zijn geen vleermuizen waargenomen die binnen het plangebied balts- paar- of territoriaal gedrag vertoonden en zijn geen verblijfplaatsen vastgesteld
Op basis van de uitgevoerde veldinventarisaties kan gesteld worden dat binnen het plangebied geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Uit de resultaten van het onderzoek komt naar voren dat binnen het plangebied en in de omgeving enkele gewone dwergvleermuizen foerageren. Gezien de beperkte foerageertijden, het kleine aantal waargenomen individuen en de aanwezigheid van geschiktere foerageergebieden in de omgeving, vormt het plangebied geen essentieel foerageergebied. Concluderend, heeft de sloop en herontwikkeling geen negatief effect op verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen. Het nemen van vervolgstappen, zoals het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming is in deze situatie niet van toepassing.
Bovenhavenstraat 12
Het onderzoeksrapport is als bijlage 14 bij deze ruimtelijke motivering opgenomen.
Binnen de soortenbescherming zijn alle bewoonde vogelnesten beschermd. In het plangebied bevinden zich mogelijke nestplaatsen. Het is aan te raden om te werken buiten het broedseizoen van de meeste vogels (grofweg 15 maart -15 juli), of te werken op een manier waarbij vogels in de directe omgeving niet aan broeden beginnen. Op deze manier kan zonder nader onderzoek, mitigatie of compensatie worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de soortenbescherming worden overtreden voor wat betreft algemene vogelsoorten.
Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er, met het werken volgens een werkprotocol, geen nesten van broedvogels worden verstoord. Zo’n werkprotocol dient te worden opgesteld door een ter zake deskundige, en te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. Ook zijn werkzaamheden binnen het broedseizoen mogelijk zonder werkprotocol, indien ter plaatse door een deskundige wordt vastgesteld dat er geen bewoonde vogelnesten aanwezig zijn. Een ontheffing is dan niet noodzakelijk.
Nader onderzoek of een ontheffing soortenbescherming is noodzakelijk gebleken voor het gebouw aan de Bovenhavenstraat 12 specifiek naar gierzwaluwen. In bijlage 15 is het nader onderzoek bijgevoegd. Daarnaast blijft ook de algemene zorgplicht onverminderd van toepassing.
Door de provincie Overijssel is een ontheffing verleend voor gierzwaluwen specifiek voor de Bovenhavenstraat 12, zie bijlage 17, voor de sloop van dit gebouw. Daarvoor is ook een activiteitenplan opgesteld, zie bijlage 16. Conform het activiteitenplan zal het pand worden gesloopt.
Het plan is niet in strijd met de instructieregels. Het opstellen van planregels is niet noodzakelijk. Met de uitvoeren van de werkzaamheden is het noodzakelijk om het ecologisch werkprotocol na te leven. Het aspect 'soortenbescherming' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden aangetoond dat er geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen en de directe omgeving. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen.
De maximale bouwhoogte is 20 meter voor een specifiek hoogte accent voor de overige bebouwing geldt een maximale bouwhoogte onder de 15 meter. Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied de bebouwing is daarmee beschut. Enige vorm van windhinder kan gezien het hoogte accent niet uitgesloten worden wel kan vanwege de positionering en beschutte locatie significante windhinder uitgesloten worden.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor de bezonningssituatie ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. In paragraaf 5.17 wordt specifiek ingegaan op de uitgevoerde bezonningstudie.
In artikel 3.205 Besluit activiteiten leefomgeving wordt het telen van gewassen in kassen aangewezen als milieubelastende activiteit. Daarbij moet voldaan worden aan de regels die zijn gesteld in paragraaf 4.75 over assimilatiebelichting.
In paragraaf 4.75 geeft artikel 4.790 (lichthinder) voorschriften voor het gebruiken van assimilatiebelichting in een kas. Het voorschrift is hieronder opgenomen. Dit voorschrift is overeenkomstig artikel 3.56 t/m 3.59 van het Activiteitenbesluit, welke inmiddels is vervallen. Dit voorschrift heeft rechtstreekse werking en hoeft niet te worden opgenomen in het omgevingsplan.
In de Bruidsschat is artikel 22.239 opgenomen ter voorkomen van lichthinder door sportvelden. Dit is overeenkomstig artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit. Ons voorstel is om deze regel te behouden en op te nemen in hoofdstuk 11 Milieuaspecten van activiteiten. De gemeente kan voor het begrip lichthinder de “Richtlijn lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) gebruiken en op basis daarvan aanvullende regels stellen, bijvoorbeeld hoe sportverlichting moet worden uitgevoerd. Wanneer er nu geen problemen zijn ten aanzien van lichthinder, wordt geadviseerd voorlopig alleen de basisregel op te nemen.
Op grond van artikel 5.89c van het Bkl wordt bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening gehouden met de slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. Als met het wijzigen van het omgevingsplan het in werking hebben van een windturbine wordt toegelaten of in de omgeving van een windturbine de vestiging van een slagschaduwgevoelig gebouw wordt toegestaan, dan moet worden geborgd dat daarbij tevens wordt voldaan aan artikel 5.89f van het Bkl. Uit dit artikel blijkt dat in het omgevingsplan wordt opgenomen dat in verblijfsruimten van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een afstand van minder dan twaalfmaal de rotordiameter van de windturbine is gelegen ten hoogste gemiddeld zeventien dagen per jaar gedurende niet meer dan twintig minuten per dag slagschaduw door de windturbine kan optreden.
In de nabijheid van het plangebied zijn geen kassen en sportvelden gelegen. Bovendien wordt een woonwijk mogelijk gemaakt en geen activiteiten die kunnen leiden tot lichthinder. Lichthinder is daarom uitgesloten.
De ontwikkeling voorziet niet in de aanleg van hoogbouw en is ook niet gelegen in de buurt van hoogbouw (hoger dan 30 meter). Hetzelfde geldt dat in en de nabijheid van het plangebied geen windturbines zijn toegestaan. Windhinder en slagschaduw kan daarom worden uitgesloten.
Met het plan worden windmolens niet mogelijk gemaakt en uitgesloten in de planregels. Hierdoor is het plan niet in strijd met de provinciale instructieregels.
Het plan is niet in strijd met de instructieregels. Het treffen van aanvullende maatregelen is niet noodzakelijk. Wel dient in de planregels een verbod opgenomen te worden voor het realiseren van windmolens, zodat het plan niet in strijd is met de provinciale instructieregels. Dit is geborgd met artikel 4 uit de planregels. Het aspect 'lichthinder' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Nieuwbouw kan zorgen voor toename van schaduw op omliggende panden, wat kan zorgen voor een negatieve impact op het woongenot. Het Bkl bevat geen instructieregels voor bezonning dan wel schaduwhinder. Gemeenten kunnen hier beleid voor vaststellen. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden onderbouwd dat er bij een nieuwe ontwikkeling geen sprake is van onevenredige gevolgen voor de bezonningssituatie ter plaatse van omliggende woningen.
Gemeente Kampen heeft in haar omgevingsplan of andere beleidsstukken geen omgevingswaarden of normen opgenomen voor wat betreft bezonning en nadelige schaduwwerking op omliggende woningen. In het geval een gemeente niet over dergelijk beleid beschikt, dan kunnen de algemeen gehanteerde TNO-richtlijnen worden toegepast voor het beoordelen van de effecten van beschaduwing. TNO kent een lichte en een strenge norm:
Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht.
Voor de ontwikkeling is een bezonningstudie gemaakt met de maximale planologische bouwhoogte. Op basis van de bezonningstudie wordt ruimschoots voldaan aan de strengste TNO-norm. Alleen in december wanneer de zon op het laagste punt staat zijn er woningen aan de Boven Havenstraat die in de benenden verdieping, als de zon schijnt, geen zon die dag naar binnen schijnt. Gelet hierop en dat verder ook aan de TNO-normen voldaan wordt zorgt dit project niet voor nevenredige schaduwhinder binnen of buiten de projectlocatie. In Bijlage 20 is de bezonningstudie opgenomen.
Het project zorgt niet voor onevenredige schaduwhinder binnen of buiten het plangebied.
Er is geen specifiek toetsingskader voor het aspect duurzaamheid. Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van een wijziging van het omgevingsplan rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen zoals onder andere de energietransitie, klimaatadaptatie en herbruikbaarheid.
Duurzaamheid
Met het oog op die doelen moet het project aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen: de energietransitie, mobiliteit, herbruikbaarheid etc. Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van wijziging omgevingsplan rekening moet worden gehouden. In artikel 22.52 van het omgevingsplan gemeente Kampen zijn regels op het gebied van energiebesparende maatregelen opgenomen.
Klimaatadaptatie
Een ander doel van de Omgevingswet is onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen (artikel 2.1, lid 3, onder i, o en p van de Omgevingswet).
Hittestress
De gemeente Kampen heeft specifieke regels omtrent het tegen gaan van hittestress. Dit is opgenomen en vastgesteld in het 'Programma voor Klimaatadaptatie Riolering en Water Kampen 2023 - 2027'. In gebieden waar hittestress kan ontstaan, geldt dat in het ontwerp voor nieuwe initiatieven hiermee rekening wordt gehouden. Of een plangebied gevoelig is voor hittestress, wordt in overleg met de gemeente bepaald. Daarom geldt:
De woningen zullen voldoen aan de geldende EPC-eisen en niet voorzien worden van een gasaansluiting. In het stedenbouwkundig plan is daarnaast voldoende ruimte voor groen. Een versterking van groen levert een bijdrage aan het tegengaan van hittestress. Energie zal (deels) gewonnen worden uit de zon door middel van zonnepanelen op het dak. Verder wordt binnen het plangebied maximaal ingezet op een duurzame, klimaatadaptieve en gezonde woon- en leefomgeving.
Klimaatbestendig
Met de beoogde herontwikkeling is een toename van verhardingen. De openbare ruimte krijgt een impuls en ontstaat er meer ruimte voor vergroening. In het openbare gebied komen boomgroepen, plantvlakken en geveltuinen. Op deze manier ontstaat er meer mogelijkheid in het plan om invulling te geven aan meerdere klimaatvraagstukken zoals het vertragen, bergen en infiltreren van hemelwater, voorkomen van hittestress, maar ook het vasthouden van water in droge periodes.
De wateropgave wordt op een duurzame manier in het plan ingepast: water wordt tijdelijk geborgen en vervolgens vertraagd en gescheiden afgevoerd. Waterberging wordt opgelost op plekken waar naast waterberging ook ander gebruik mogelijk is. Dus waterberging vindt plaats in de plantvakken en groen/sedumdaken. Door vergroening en/of ontharding van het plangebied is er een meer natuurlijke wijze van hemelwaterinfiltratie mogelijk. Bij grote piekbuien wordt het teveel aan water via een overstort afgevoerd.
Biodiversiteit
De vergroening van de openbare ruimte en de privétuinen bieden uitstekende mogelijkheden voor het creëren van meer biodiversiteit in de stedelijke omgeving (stadsnatuur). Er wordt daarom ingezet op zoveel mogelijk inheemse en gevarieerde beplantingen, zowel in de toepassing van bomen als ook struiken en vaste planten. Het groen komt ten gunste van het leefcomfort van bewoners en gebruikers. Deze beplantingen bieden schuil-, voeder- en voortplantingsmogelijkheden voor insecten, vogels en andere kleine zoogdieren. Deze gevarieerde beplanting biedt tegelijkertijd een aantrekkelijke woon-, leef- en speelomgeving door alle seizoenen heen, met een hoge gebruiks- en belevingswaarde. Uitgangspunt is het versterken van de lokale biodiversiteit en ecologie.
Duurzaamheid
Een duurzame openbare ruimte is een openbare ruimte die aansluit bij de behoeften van de bewoners en gebruikers. Voor het plangebied betekent dit dat het ruimtelijke en functionele concept doelgericht en consequent is uitgewerkt binnen een duidelijke visie. Heldere keuzes op het gebied van verkeer, beleving en gebruik van het groen, toegankelijkheid en veiligheid waarborgen een duurzame ruimtelijke kwaliteit en functionaliteit van de openbare ruimte en de leefomgeving. Bij de inrichting van de buitenruimte wordt gebruik gemaakt van duurzame materialen, zoals gebakken klinkers. Die zijn minder gevoelig voor vervuiling en verouderen mooi. Milieubelastende materialen worden zoveel mogelijk voorkomen of beperkt.
Hittestress
Met de beoogde herontwikkeling ontstaat een afname van verhardingen waarbij in het verleden het hele gebied volgebouwd stond wordt nu tuinen, openbare ruimte en woningen gerealiseerd waardoor er geen sprake is van een toename van hittestress.
Toekomstwaarde
Met deze uitgangspunten past de planontwikkeling bij de opgave die in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is geduid, namelijk het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, zie paragraaf 4.1.1. Dit heeft zich ook vertaald in de gemeentelijke omgevingsvisie waar naast het bouwen van woningen ook het verbeteren van verbindingen tussen wijken, het bevorderen van de gezondheid van de inwoners en het inrichten van de openbare ruimte voor ontmoeten en bewegen centraal staat. Kortom, een toekomstbestendig Kampen. Dit alles komt samen in onderhavig plan. Door het wegnemen van de huidige gasverbruikende functies wordt de CO2 uitstoot daarnaast in de toekomst verkleind wat past bij de actuele klimaatdoelstellingen.
Het aspect duurzaamheid en klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten komen in de volgende paragrafen aan de orde.
Het is wenselijk om naast de beoordeling van de diverse milieuaspecten ook aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de wijzigingen van het omgevingsplan is meegenomen.
Gezondheidsbescherming
Een deel van de omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Uit de verschillen paragrafen behorende tot hoofdstuk 5 wordt duidelijk dat gelet op de gestelde normen er voor geen enkel omgevingsaspect (bijv. bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, geurhinder, omgevingsveiligheid) belemmeringen zijn voor woningbouw op de projectlocatie.
Gezondheidsbevordering
De bewoners en gebruikers van het plangebied worden gestimuleerd om te verblijven in de buitenruimte door middel van een aantrekkelijke groene plek met diverse mogelijkheden voor ontspanning. De buitenruimte is ingericht op langzaam verkeer (wandelen en fietsen), de auto's zijn ‘verbannen’ naar de randen. De route door het plangebied legt vanzelfsprekende verbindingen met de omgeving en richting het centrum, waardoor het langzaam verkeer wordt gestimuleerd.
Het autoluwe binnengebied zorgt voor meer veiligheid en een behaaglijkere omgeving (meer zicht op groen, minder geluid aan de binnenzijde etc.). Hiermee wordt ook een gezonde levensstijl gestimuleerd. De wandel- en fietsroute door het gebied sluiten aan op de doorgaande routes. Eventueel bezit van een auto in elektrische vorm wordt gestimuleerd door aanvullende laadpalen te faciliteren binnen het plangebied.
Met de oriëntatie van de bebouwing wordt de sociale cohesie tussen de bewoners van het plan en de wijk vergroot. Zowel de appartementen als de grondgebonden woningen hebben zicht op de openbare ruimte, hetgeen een positieve invloed heeft op de sociale veiligheid. Door de lift in het appartementgebouw zijn de woningen voor alle doelgroepen beschikbaar.
Gezond en prettig leefklimaat
De openbare ruimte en het plein bij de appartementen vergroten de sociale cohesie tussen de bewoners van het plan. Het gebouw is alzijdig en heeft aan alle kanten ogen op de straat waarmee de sociale veiligheid wordt gewaarborgd. De openbare ruimte wordt ingezet op langzaam verkeer (wandelen, fietsen). De toegangswegen maken het aantrekkelijk om door het gebied heen te lopen en met de woonstraat wordt er een nieuwe route naar het centrum gecreëerd.
Met de planontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan gezondheidsbescherming en gezondheidsbevordering. Er wordt voldaan aan de instructieregels van het Bkl.
In dit hoofdstuk is de koppeling gemaakt van het beleid en de planuitgangspunten naar de regels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem van het omgevingsplan, maar ook op de afzonderlijke activiteiten. De in de regels opgenomen regelingen en/of beperkingen worden gemotiveerd. Dit is van belang in verband met de mogelijkheid om voor alle activiteiten een gerichte motivering te kunnen opvragen.
In dit hoofdstuk wordt toegelicht hoe het plan, zoals verwoord in hoofdstuk 2, wordt uitgewerkt in de regels die in het Omgevingsplan gemeente Kampen worden opgenomen.
In het omgevingsplan staan verschillende functies die hierna nader worden uitgewerkt namelijk:
Groen
De functie Groen is neergelegd op gebieden wat hoofdzakelijk bedoeld is voor openbaar groen (dat wil zeggen: geen particulier eigendom). Te denken valt aan groenstroken langs woningen en wegen. Ook zijn in de functie groen fiets- en voetpaden opgenomen. Binnen de functie Groen zijn in beginsel geen parkeervoorzieningen of tuinen toegestaan. Ten aanzien van parkeervoorzieningen kan een omgevingsvergunning worden aangevraagd om parkeervoorzieningen te realiseren.
Verkeer
De functie Verkeer ligt hoofdzakelijk op de in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan aangewezen gebiedsontsluitingswegen, Provinciale wegen en Rijkswegen (stroomwegen). Daarnaast is binnen de functie verkeer ook parkeervoorzieningen en openbare verblijfsgebieden geregeld.
Wonen
De functie Wonen ligt op de woningen en ook de binnenterreinen bij de woningen hebben de functie wonen. De bouw- en gebruiksregels sluiten aan bij de regels uit het Besluit Omgevingsrecht ('achtererfgebied').
Naast de hoofdfuncties komen in het plangebied ook zogenaamde dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen voor. Deze regels geven aanvullende bepalingen op specifieke thema's. Het gaat binnen het plangebied om de volgende aanduidingen:
De belangrijkste aanduidingen zijn hieronder nader uitgewerkt.
Overige zone - archeologie 3 (voornamelijk de binnenstad)
De binnenstad is een gebied de aanduiding ' overige zone- archeologie 3' op ligt. Dit gebied is tevens voor behoud en bescherming van de aanwezige archeologische waarden.
Wanneer er bodemroerende ingrepen worden gepleegd die archeologische waarden kunnen schaden, worden voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbonden en een archeologisch onderzoek geëist. In de Monumentenwet 1988 is een vrijstelling opgenomen voor kleine ingrepen, welke één op één in het omgevingsplan is overgenomen. Het vrijstellingscriterium voor bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten van plangebieden op deze monumentale locaties ligt bij ingrepen kleiner dan 100 m² en niet dieper dan 0.3 m – min maaiveld.
Waarde - Beschermd stadsgezicht
De waarde beschermd stadsgezicht borgt de aangewezen waarden uit het aanwijzingsbesluit. Het plan is afgestemd op deze waarden en ook doorvertaald in het stedenbouwkundigplan en het beeldkwaliteitsplan. Vanwege de locatie binnen het aanwijzingsbesluit is de waarde opgenomen. De waarde beschermd stadsgezicht is aanvullend op de bouwregels opgenomen. Daarnaast wordt hiermee geborgd dat het plan na realisatie dezelfde beschermde status behoudt als het overige gebied binnen het beschermd stadsgezicht.
Tot slot zijn er in de regeling voor het beschermd stadsgezicht nadere eisen opgenomen die gesteld kunnen worden aan bouwwerken die binnen het beschermd stadsgezicht worden gebouwd. Ook kunnen nadere eisen stellen bij de inrichting van de openbare ruimte.
Waterstaat - Waterkering
Deze functie ligt op gronden die vanuit het oogpunt van waterhuishoudkundige doeleinden beschermd moeten worden, in het bijzonder de waterkeringen met de daarbij vanuit de waterschapskeur voortvloeiende beschermingszone. Binnen de binnenstad geldt dit voor de zone tussen de IJsseldijk en de waterkerende elementen, waaronder de stadsmuur.
De gronden met de bestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ zijn naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen ook bestemd voor aanleg, onderhoud en verbetering van de waterkering en voor de berging en afvoer van water, ijs en sediment in het rivierbed zoals genoemd in de Beleidsregels grote rivieren 2025. Om de waterkering zoveel mogelijk te beschermen is een aanlegvergunningenstelsel opgenomen.
vrijwaringszone - dijk
Met de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk' wordt aangegeven dat de gronden behalve voor de daar geldende bestemming(en), ook zijn bestemd als een beschermingszone rondom een waterkering en daarmee gebruikt kunnen worden voor onderhoud en verbetering van de op aangrenzende gronden gelegen waterkering.
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat:
Financiële uitvoerbaarheid
Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt.
De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarbij is specifiek ook gekeken naar de benodigde werkzaamheden met betrekking tot het aspect bodem. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.
Kostenverhaal
Deze wijziging van het omgevingsplan maakt bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 8.13 van Omgevingsbesluit mogelijk. Op grond van artikel 13.11 van de Omgevingswet dient de gemeenteraad het kostenverhaal te verzekeren voor gronden waarop dergelijke bouwactiviteiten zijn voorzien. De gemeenteraad kan bij een besluit tot vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan besluiten geen kostenverhaalsregels op te nemen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de gronden anderszins is verzekerd.
Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling van het Bovenhavenkwartier verzekerd is. Het opnemen van regels voor kostenverhaal in het omgevingsplan is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan geborgd.
Het concept-ontwerp TAM-omgevingsplan wordt toegezonden aan de diverse overleginstanties.
Het ontwerpbesluit wijziging omgevingsplan heeft met de daarbij behorende stukken voor zes weken ter visie gelegen. In de periode van terinzagelegging is bij de gemeente Kampen één zienswijze ingediend. Deze zienswijze is beantwoord in een reactienota.
Na vaststelling van het wijzigingsbesluit wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op basis van artikel 16.78 lid 1 Ow treedt een omgevingsplan al in werking vier weken na publicatiedatum.
In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn enkele algemene doelen geformuleerd in artikel 1.3 Omgevingswet.
Hierin staat dat de bepalingen in de wet gericht zijn op het volgende:
In de voorliggende motivering is de realisatie van 74 woningen met bijbehorende openbare ruimte en ondergeschikte voorzieningen getoetst aan uiteenlopende aspecten en thema’s van de fysieke leefomgeving.
Tijdens het participatietraject is samen met bewoners en omwoners gekeken naar de woningbouwbehoefte en de inpassing van de nieuwe wijk binnen de gemeente (zie hoofdstuk 3). Dit heeft bijgedragen aan het stedenbouwkundig ontwerp voor de beoogde ontwikkeling. Het initiatief sluit hiermee aan op de lokale woningbouwbehoefte en voorziet in diverse woningtypologieën voor verschillende doelgroepen.
Verder is bij het uitwerken van het stedenbouwkundig plan (zie hoofdstuk 2), zowel over de leefbaarheid van de nieuwe wijk als de verbinding met het centrum, goed nagedacht en overleg gevoerd met omwonenden, stakeholders en (potentiële) toekomstige bewoners. Zo wordt er rekening gehouden met de huidige groenstructuur die de ruimtelijke drager van het stedenbouwkundig ontwerp voor de nieuwe woningbouwontwikkeling vormt.
Daarbij is het voorliggende project in lijn met het landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid (zie hoofdstuk 4) en voldoet het woningbouwplan aan de instructieregels van rijk en provincie. Ook voldoet het project aan de wettelijke kaders van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten (zie hoofdstuk 5). De beoogde ontwikkeling zal de omliggende functies niet (extra) belemmeren en daarnaast vormen de omliggende functies geen belemmeringen voor de nieuwe ontwikkeling. Er is sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
Tot slot is de financiële haalbaarheid (zie hoofdstuk 7) aangetoond.
Alles overwegende is de beoogde woningbouwontwikkeling aanvaardbaar. De impact op omgevingsaspecten is beperkt van aard en er treden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en wordt voorzien in een maatschappelijke behoefte. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.