direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan, 4e wijziging Bovenhavenkwartier Kampen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0166.00993008-VS01

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het realiseren van 74 wooneenheden en bijbehorende voorzieningen op de locatie Bovenhavenkwartier te Kampen. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Kampen. De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Kampen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

het omgevingsplan gemeente Kampen;

1.2 toepassing omgevingsplan:

begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij hierna hiervan is afgeweken;

1.3 TAM-omgevingsplan:

het TAM-omgevingsplan, 4e wijziging Bovenhavenkwartier Kampen met identificatienummer NL.IMRO.0166.00993008-VS01 van de gemeente Kampen;

1.4 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.5 aaneengebouwd hoofdgebouw:

blokken van meer dan twee niet-gestapelde hoofdgebouwen waarvan de hoofdgebouwen aan elkaar zijn gebouwd;

1.6 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.7 bed & breakfast:

het door de hoofdbewoner bieden van kortdurend recreatief nachtverblijf in de vorm van logies en ontbijt in of bij een woning, waarbij in de ruimte, die gebruikt wordt voor bed & breakfast, geen zelfstandige kookgelegenheid aanwezig is. Onder bed & breakfast wordt niet verstaan het overnachten in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden of arbeid;

1.8 bedrijf:

een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop dan wel levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen;

1.9 beroep of kleinschalige bedrijfsactiviteit aan huis:

een beroep, dat door de bewoner(s) in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

1.10 bestaand:
  • a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan legaal aanwezig of in uitvoering is en afwijkt van het TAM-omgevingsplan, tenzij in de regels anders is bepaald;
  • b. bij gebruik: het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan legaal bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald;
1.11 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.12 bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

1.13 bouwperceel:

een aaneengesloten terrein waarop krachtens het omgevingsplan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.14 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.15 dak:

iedere bovenbeeïndiging van een gebouw;

1.16 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.17 erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden;

1.18 functie:

een functie geeft aan voor welk doel of welke doeleinden de als zodanig op de kaart aangegeven gronden mogen worden gebruikt;

1.19 functievlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie;

1.20 gebruiksoppervlakte wonen:

de bewoonbare vloeroppervlakte, exclusief opslagruimten en dergelijke op basis van de Meetinstructie bepalen gebruiksoppervlakte woningen volgens NEN 2580;

1.21 gestapeld gebouwde hoofdgebouwen:

een woning onderdeel uitmakende van een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en uit twee of meer bouwlagen bestaat, of waarbij (een deel van) de eerste bouwlaag van het gebouw voor andere met de betreffende bestemming in overeenstemming zijnde doeleinden wordt gebruikt;

1.22 groenvoorziening:

tot een groenvoorziening worden gerekend: groenstroken, plantsoenen, parken en speelterreinen waarbij vaak sprake is van openbaar toegankelijk gebied;

1.23 horecabedrijf:

het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse, al dan niet in samenhang met het bedrijfsmatig verschaffen van logies en/of het exploiteren van zaalaccommodatie;

1.24 kamerverhuur/-bewoning:

in gebruik (laten) hebben en/of (laten) geven van een (gedeelte van een) woning/zelfstandige woonruimte of een (gedeelte van een) gebouw waarin wonen is toegestaan, als onzelfstandige woonruimte.

1.25 normaal onderhoud:

het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse, al dan niet in samenhang met het bedrijfsmatig verschaffen van logies en/of het exploiteren van zaalaccommodatie;

1.26 peil:
  • a. voor een bouwwerk op een bouwperceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang.
  • b. voor een bouwwerk op een bouwperceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
  • c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil.
  • d. in gevallen, waarin in of aan een dijk wordt gebouwd: de gemiddelde hoogte van het afgewerkt terrein dat het hoogst is gelegen, ter plaatse van de gevel.
  • e. in gevallen waarin niet is voorzien: te bepalen door het College van Burgemeester en Wethouders.
1.27 sociale huur:

huurwoningen met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste

lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag;

1.28 sociale koop:

koopprijs onder de kostengrens in de Voorwaarden en Normen Nationale Hypotheekgarantie, zoals aangewezen in bijlage II bij de Omgevingsregeling;

1.29 voorgevel:

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;

1.30 voorgevelrooilijn:

de lijn die, op peil, door het buitenwerkse vlak van de voorgevel loopt, welke lijn in geval van een bouwgrens waarnaar de voorgevel is gekeerd, wordt verondersteld te liggen ter plaatse van die bouwgrens;

1.31 wonen:

het gehuisvest zijn in een woning/wooneenheid;

1.32 zorgwonen:

huisvesting in zelfstandige of onzelfstandige woonruimte(n) in (een gedeelte van) een gebouw van één of meer personen met een geïndiceerde zorgbehoefte die professionele ondersteuning, verzorging, verpleging, begeleiding en/of toezicht ontvangen, in die mate, dat geen sprake meer is van zelfstandige bewoning.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • a. De regels in dit TAM-omgevingsplan vervangen de regels van het Omgevingsplan gemeente Kampen, op de locatie als bedoeld onder d, zoals opgenomen in artikel 5 (Bedrijf), artikel 13 (Gemengd - 3), artikel 16 (Groen), artikel 25 (Verkeer), artikel 28 (Wonen - 1), artikel 35 (Waarde - Beschermd stadsgezicht) en artikel 38 (Waterstaat - Waterkering) van het Chw bestemmingsplan Kampen en IJsselmuiden 2022 (binnenstad en woongebieden), zoals dat is vastgesteld op 13 juli 2023.
  • b. De regels van het Omgevingsplan gemeente Kampen blijven onverminderd van toepassing op de locatie zoals bedoeld onder d, voorzover de regels in dit TAM-omgevingsplan deze regels niet hebben gewijzigd.
  • c. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan;
  • d. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan, 4e wijziging Bovenhavenkwartier Kampen', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0166.00993008-VS01.

Artikel 3 Meet- en regelbepalingen

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

3.1 de breedte van een gebouw:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren;

3.2 de goothoogte van een bouwwerk:
  • a. vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
  • b. voor de toepassing van het bepaalde onder a, geldt dat de goothoogte van dakkapellen, topgevels en wolfseinden buiten beschouwing worden gelaten;
3.3 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, (schotel)antennes, zonnepanelen en buitenunits en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen mits de overschrijding van de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1 meter;

3.4 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.5 de oppervlakte van een bouwwerk:
  • a. tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  • b. voor de toepassing van het bepaalde onder a, geldt dat bij het meten worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, zonwering, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van buitenwerkse gevelvlakken niet meer dan 1 meter bedraagt;
3.6 de inhoud van een bouwwerk:
  • a. tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
  • b. voor de toepassing van het bepaalde onder a, geldt dat bij het meten worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van buitenwerkse gevelvlakken niet meer dan 1 meter bedraagt.

Artikel 4 Algemeen verbod

Niet genoemde functies en activiteiten en functies en activiteiten die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan zijn niet toegestaan.

Hoofdstuk 2 Regels voor functies en activiteiten

Artikel 5 Groen

5.1 Gebruiksregels

In het voor 'Groen' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. recreatief medegebruik;
  • c. pleinen, fiets- en/of voetpaden;
  • d. uitwegen;
  • e. bruggen en tunnels voor fiets- en voetpaden;
  • f. speel- en sportvoorzieningen;
  • g. voorzieningen ten behoeve van de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen;

en bijbehorende verhardingen, straatmeubilair, abri's, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 8 m;
  • b. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 10 m;
  • c. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • d. de bouwhoogte van nestelvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 8 m;
  • e. de bouwhoogte van speel- en sportvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 4,5 m;
  • f. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 2,5 m.
5.3 Aanwijzing vergunningplichtige activiteit
5.3.1 Parkeren

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een parkeerplaats aan te leggen.

5.4 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit
5.4.1 Parkeren

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.3.1 wordt verleend als:

  • a. een aantoonbare noodzaak voor de aan te leggen parkeerplaats bestaat;
  • b. aantoonbaar en redelijkerwijs geen beschikbare ruimte voor de aan te leggen parkeerplaats aanwezig is buiten 'Groen';
  • c. de aan te leggen parkeerplaats in aansluiting op de bestaande parkeervoorzieningen wordt aangelegd.
5.5 Parkeerplaats aanleggen - aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.3.1 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een onderbouwing waarbij de noodzakelijkheid van de parkeerplaats wordt aangetoond;
  • b. een onderbouwing waaruit blijkt dat een alternatieve locatie niet beschikbaar is;
  • c. een situatietekening waarop de aan te leggen parkeerplaats is aangegeven; en
  • d. een terreintekening met afmetingen van de aan te leggen parkeerplaats in relatie tot omliggende parkeerplaatsen en wegen.
5.6 Parkeerplaats aanleggen - vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.3.1 kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden, in ieder geval over:

  • a. de positionering van de aan te leggen parkeerplaats; en
  • b. de afmetingen van de aan te leggen parkeerplaats.

Artikel 6 Verkeer

6.1 Gebruiksregels

In het voor 'Verkeer' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wegen, (woon)straten, pleinen, fiets- en voetpaden;
  • b. uitwegen;
  • c. parkeervoorzieningen en fietsenstallingen;
  • d. laadvoorzieningen voor elektrische voertuigen, niet zijnde een snellaadvoorziening;
  • e. geluidwerende voorzieningen;
  • f. bruggen en tunnels;
  • g. groenvoorzieningen;
  • h. speel- en sportvoorzieningen;
  • i. openbare toiletvoorzieningen;
  • j. reclameuitingen;
  • k. voorzieningen ten behoeve van de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen;

en bijbehorende verhardingen, straatmeubilair, abri's, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

6.2 Bouwregels
6.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgdende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van objecten voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer bedragen dan 10 m;
  • b. de bouwhoogte van bruggen en tunnels mag niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte;
  • c. de bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 8 m;
  • d. de bouwhoogte van bovengrondse leidingstroken mag niet meer bedragen dan 10 m;
  • e. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 10 m;
  • f. de bouwhoogte van snellaadvoorzieningen ten behoeve van het openbaar vervoer mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • g. de bouwhoogte van speel- en sportvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 4,5 m;
  • h. de bouwhoogte van vrijstaande reclameuitingen mag niet meer bedragen dan 8 meter;
  • i. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 2,5 m.

Artikel 7 Wonen

7.1 Gebruiksregels

In het voor 'Wonen' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wonen, met dien verstande dat zorgwonen en kamerverhuur/-bewoning niet zijn toegestaan;

met hieraan ondergeschikt:

  • b. het uitoefenen van een beroeps- en bedrijfsmatige activiteit aan huis;
  • c. waterberging;
  • d. tuinen; en
  • e. voetpaden en parkeervoorzieningen.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen

Het is niet toegestaan om een bodemgevoelig gebouw te bouwen als de kwaliteit van de bodem niet voldoet aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage IIa bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij toepassing van artikel 22.36 van het omgevingsplan bedraagt de oppervlakte van een bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk niet meer dan 50 m2.

7.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van balkons, welke zijn toegestaan met een diepte van ten hoogste 2 m, gemeten vanaf de buitenwerkse gevelvlakken;
  • b. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan 74;
  • c. van het aantal woningen dat wordt gebouwd, mag niet minder dan 20% sociale huur bedragen;
  • d. van het aantal woningen dat wordt gebouwd, mag niet minder dan 10% sociale koop bedragen;
  • e. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;
  • f. de goothoogte mag niet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven goothoogte;
  • g. de gebruiksoppervlakte mag niet minder bedragen dan 50 m2;
  • h. de dakhelling mag niet minder bedragen dan 25º;
  • i. de dakhelling mag niet meer bedragen dan 65º;
  • j. het hoofdgebouw beschikt over niet minder dan 1 geluidluwe gevel;
  • k. in afwijking van het bepaalde onder j. mag het aantal geluidluwe gevels 0 bedragen als dit om stedenbouwkundige of milieutechnische redenen noodzakelijk is, en met akoestische maatregelen wordt geborgd  dat niet minder dan één gevel of een gedeelte daarvan zodanig wordt afgeschermd dat deze minder wordt belast door geluid. Een geveldeel wordt aangemerkt als minder geluidbelast als de geluidbelasting minimaal 3 dB lager ligt dan de hoogst berekende geluidbelasting op de gehele niet-geluidluwe gevel.

7.2.3 Bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied van een hoofdgebouw

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied van een hoofdgebouw gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het hoofdgebouw, mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan:
    • 1. 5 m; en
    • 2. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en
    • 3. de bouwhoogte van het hoofdgebouw;
  • b. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het hoofdgebouw, mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan:
    • 1. indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m;
    • 2. het bepaalde onder 1 wordt verder begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3;
  • c. de afstand vanaf openbaar toegankelijk gebied bedraagt niet minder dan 1 m;
  • d. de oppervlakte van al dan niet met omgevingsvergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:
    • 1. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;
    • 2. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2.
    • 3. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2.

7.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van objecten voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer bedragen dan 10 m;
  • b. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  • c. de bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 8 m;
  • d. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 10 m;
  • e. de bouwhoogte van nestelvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 8 m;
  • f. de bouwhoogte van speel- en sportvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 4,5 m.

7.2.5 Specifieke bouwregels
  • a. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend als:
    • 1. indien dieper wordt gegraven dan 0,7 meter -mv (2,2 m NAP): archeologisch proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd, waarbij de uitkomst is dat (gedeelten van het) plangebied niet langer als verdacht worden beschouwd.
7.3 Afwijken beoordelingsregels bouwen

Van de beoordelingsregels kan worden afgeweken van het bepaalde in:

  • a. lid 7.2.2, onder h voor het afwijken van de dakhellingsvereisten, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
7.4 Specifieke gebruiksregels
7.4.1 Uitoefening van beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten

De uitoefening van een beroeps- of bedrijfsmatige activiteit aan huis als bedoeld in lid 7.1 is toegestaan, met dien verstande dat:

  • a. niet meer dan 25% van de aanwezige vloeroppervlakte van het hoofdgebouw inclusief bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit aan huis, tot een maximum van 50 m2;
  • b. het een beroeps- of bedrijfsmatige activiteit betreft zoals opgenomen in Bijlage 1 of een beroeps- of bedrijfsmatige activiteit die naar aard en omvang gelijk te stellen is aan de in Bijlage 1 genoemde activiteiten;
  • c. wanneer de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit een bed & breakfast betreft: niet meer dan twee kamers in gebruik worden genomen ten behoeve van de bed & breakfast;
  • d. de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend door ten minste één bewoner van het hoofdgebouw;
  • e. de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit geen onevenredige parkeerdruk of verkeersoverlast met zich meebrengt;
  • f. de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omgeving;
  • g. de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit niet leidt tot een aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • h. de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit zowel naar aard als voor wat betreft de visuele aspecten met het woonkarakter in overeenstemming is; en
  • i. het gebruik voor wonen in overwegende mate gehandhaafd blijft.

7.4.2 Aantal woningen

Het aantal woningen bedraagt ten hoogste 74.

Artikel 8 Waarde - Archeologie 3

8.1 Gebruiksregels

In het voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. het behoud en de bescherming van de aanwezige archeologische waarden.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Aanwijzing vergunningplichtige activiteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bodemingrepen uit te voeren:

  • a. dieper dan 30 cm en;
  • b. over een oppervlakte groter dan 100 m2.

8.2.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.2.1 wordt verleend als:

  • a. is gebleken dat de directe of indirecte gevolgen van deze activiteiten niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal dan wel dat de verstoring ervan redelijk is in relatie tot het belang van de te verrichten activiteiten en het archeologische belang daarbij voldoende is gewaarborgd.

8.2.3 Specifieke aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.2.1 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een rapport waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan, tenzij de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.

8.2.4 Voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.2.1 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
  • c. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

8.2.5 Uitzondering op de vergunningplicht

Het bepaalde in artikel 8.2.1 geldt niet als het bouwplan betrekking heeft op de vervanging van bestaande bouwwerken waarbij uitsluitend de bestaande fundering wordt benut.

8.3 Aanlegregels
8.3.1 Aanwijzing vergunningplichtige activiteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen en het verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  • b. het verlagen van het waterpeil;
  • c. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • d. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

8.3.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3.1 wordt verleend als:

  • a. de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; of
  • b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.

8.3.3 Specifieke aanvraagvereisten

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een rapport waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan, tenzij de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, hetgeen is getoetst door de archeologisch deskundige, afdoende is vastgesteld.

8.3.4 Voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3.1 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
  • b. het stellen van eisen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden;
  • c. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • d. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een erkende archeologisch instantie of bedrijf.
8.3.5 Uitzondering op de vergunningplicht

Het bepaalde in artikel 8.3.1 is niet van toepassing voor aanlegactiviteiten:

  • a. in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen.

Artikel 9 Waarde - Beschermd stadsgezicht

9.1 Gebruiksregels

In het voor 'Waarde - Beschermd stadsgezicht' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de met het beschermd stadsgezicht verbonden cultuurhistorische waarde, wat tot uitdrukking komt in het patroon van straten, stegen, pleinen, grachten, havens en kaden, muren en stadsmuren, alsmede in de verkaveling van bouwvlakken en/of bouwpercelen. Daarnaast is het karakter van de bebouwing, bepaald door type, structuur, diepte, breedte, opbouw in verdiepingen, bekapping, gevelindeling en materiaalgebruik bepalend. Tot slot zijn de indeling en aard van de openbare en private open ruimten en de beplanting van belang.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de voorgevels van hoofdgebouwen mogen uitsluitend in de naar de weg gekeerde bouwgrenzen dan wel bestemmingsgrenzen worden gebouwd; deze bepaling geldt niet voor bebouwing in de binnenterreinen;
  • b. de afdekking van hoofdgebouwen, zoals opgenomen in Bijlage 2 Kappenkaart dient te worden gehandhaafd, met dien verstande dat het toevoegen van een kap op een plat dak is toegestaan waarbij de dakhelling niet minder dan 45° en niet meer dan 65° mag bedragen.
9.3 Aanwijzing vergunningplichtige activiteit
9.3.1 Wijzigen breedte van het hoofdgebouw

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de breedte van het hoofdgebouw te wijzigen.

9.3.2 Verbouwen van twee zijdelings aan elkaar grenzende gebouwen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning twee zijdelings aan elkaar grenzende gebouwen te verbouwen tot één geheel.

9.3.3 Verbeteren van de gevel en dakconstructie

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de gevel en dakconstructie van het hoofdgebouw te verbeteren.

9.3.4 Wijziging van gevelindeling

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de gevelindeling te wijzigen.

9.4 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit
9.4.1 Wijzigen breedte van het hoofdgebouw

De omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 9.3.1 wordt verleend als:

  • a. de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende ruimtelijke structuur en stedenbouwkundige kwaliteit van het beschermd stadsgezicht niet onevenredig worden aangetast.

9.4.2 Verbouwen van twee zijdelings aan elkaar grenzende gebouwen

De omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 9.3.2 wordt verleend als:

  • a. op geen van deze gebouwen deze afwijking eerder is toegepast;
  • b. er geen (delen van) muren worden verwijderd met monumentale (bouwhistorische) waarden;
  • c. de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende ruimtelijke structuur en stedenbouwkundige kwaliteit van het beschermd stadsgezicht niet onevenredig worden aangetast;
  • d. in aanvulling op sublid 9.4.2, onder b en c, bouwhistorisch onderzoek heeft plaatsgevonden;
  • e. doorbraak van muren plaatsvindt op minimaal 3 m achter de voorgevel;
  • f. de samenvoeging omkeerbaar is.

9.4.3 Verbeteren van de gevel en dakconstructie

De omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 9.3.3 wordt verleend als:

  • a. er van de goot- en bouwhoogte niet meer dan 5% wordt afgeweken, waarbij de dakhelling overeenkomstig mag worden aangepast.

9.4.4 Wijziging van gevelindeling

De omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 9.3.4 wordt verleend als naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate rekening wordt gehouden met de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden voor wat betreft:

  • a. hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen;
  • b. gevelkarakteristiek;
  • c. het straat en bebouwingsbeeld.
9.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.5.1 Aanwijzing vergunningplichtige activiteit

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bodemingrepen uit te voeren:

  • a. het kappen en/of rooien van bomen en/of houtgewas;
  • b. het verharden van de openbare ruimte;
  • c. het wijzigen van de aard van de oppervlakteverhardingen.

9.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht

De vergunningplicht van sublid 9.5.1 is niet van toepassing als de werken en werkzaamheden:

  • a. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.

9.5.3 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit

De omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 9.5.1 wordt verleend:

  • a. indien door de werken of werkzaamheden of door de direct of indirect te verwachten gevolgen daarvan geen gevaar of nadeel ontstaat voor het beschermde stadsgezicht; en
  • b. nadat de monumentencommissie daaromtrent is gehoord.

Artikel 10 Waterstaat - Waterkering

10.1 Gebruiksregels

In het voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. de aanleg, het onderhoud en de verbetering van de waterkering;
  • b. berging en afvoer van water, ijs en sediment, voor zover gelegen in het rivierbed, zoals genoemd in de Beleidslijn Grote Rivieren, met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde en voorzieningen.
10.2 Bouwregels
10.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van scheepvaarttekens bedraagt niet meer dan 15 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt niet meer dan 2,5 m.
10.3 Aanwijzing vergunningplichtige activiteit
10.3.1 Bouwen in strijd met de functie

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bouwwerken ten dienste van de andere voor die gronden aangewezen functies, zoals bedoeld in lid 10.1, te bouwen.

10.4 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit

De omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 10.3.1 wordt verleend als:

  • a. voorafgaande aan de bouw het bevoegde waterstaatsgezag daarover is geraadpleegd;
  • b. de waterstaatkundige belangen, zoals nader ingevuld in de waterschapskeur van het Waterschap Drents Overijsselse Delta en de 'Beleidslijn grote rivieren', zich daar tegen niet verzetten.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Algemene bouwregels

12.1 Regels over het uiterlijk van bouwwerken
12.1.1 Repressieve toets

Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met de reguliere omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels 'Beeldwaliteit: regels' zoals opgenomen in de Beleidsregel Beeldkwaliteitsplan Bovenhavenkwartier, vastgesteld op 10 juli 2025:

  • a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en
  • b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

12.1.2 Beoordelingsregels vergunningplicht
  • a. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan niet in strijd is met de reguliere omgevingskwaliteit, welke wordt beoordeeld volgens de beleidsregels 'Beeldwaliteit: regels' zoals opgenomen in de Beleidsregel Beeldkwaliteitsplan Bovenhavenkwartier, vastgesteld op 10 juli 2025.
  • b. De adviescommissie omgevingskwaliteit gemeente Kampen is adviseur voor de beoordeling van een aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in lid a.
  • c. Bij de advisering over de aanvraag als bedoeld in lid c en bij de interpretatie van de beoordelingsregels als bedoeld in lid a. betrekt de adviescommissie omgevingskwaliteit gemeente Kampen de regels over het uiterlijk van bouwwerken zoals opgenomen in de beleidsregels 'Beeldkwaliteit: regels' van de Beleidsregel Beeldkwaliteitsplan Bovenhavenkwartier, vastgesteld op 10 juli 2025.

Artikel 13 Regeling klimaat

13.1 overige zone - aandachtsgebied hittestress

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - aandachtsgebied hittestress' zijn de voorwaarden, zoals omschreven in de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels in het 'Programma voor Klimaatadaptatie Riolering en Water Kampen 2023 - 2027' van toepassing, zoals die geldt op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning.

13.2 overige zone - waterberging

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - waterberging', zijn de voorwaarden, zoals omschreven in de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels in het 'Programma voor Klimaatadaptatie Riolering en Water Kampen 2023 - 2027' van toepassing, zoals die geldt op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning.

13.3 Toepassing beleidsregels

Als de onder 13.1 en 13.2 bedoelde beleidsregels in het 'Programma voor Klimaatadaptatie Riolering en Water Kampen 2023 - 2027' worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden zoals die geldt op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning.

Artikel 14 Regeling evenementen

14.1 overige zone - evenemententerrein 1
14.1.1 Aanduidingsomschrijving

De met 'overige zone - evenemententerrein 1' aangeduide gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende functies, ook bestemd voor kleine evenementen.

14.1.2 Specifieke gebruiksregels

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - evenemententerrein 1' gelden de volgende regels:

  • a. Kleine evenementen zijn toegestaan met inachtneming van het bepaalde in:
    • 1. de Zondagswet;
    • 2. de 'Beleidsregels Evenementen Gemeente Kampen 2017', en eventuele wijziging en/of vervanging hiervan, zoals deze beleidsregels gelden op het tijdstip van het te houden evenement;
    • 3. de benodigde evenementenvergunning.
  • b. Het gebruiken van gebruiken van gronden en gebouwen ten behoeve van kortdurende en incidentele evenementen, festiviteiten en manifestaties is toegestaan, indien en voor zover daardoor op grond van een wettelijk voorschrift vergunning, ontheffing, vrijstelling of melding vereist is en deze is verleend of geaccepteerd.

Artikel 15 Algemene aanduidingsregels

15.1 geluidzone - gezamenlijk geluid
15.1.1 Gezamenlijk geluid

Ter plaatse van 'geluidzone - gezamenlijk geluid' geldt dat het gezamenlijk geluid op de gevels van een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 56 dB Lden bedraagt.

Grenswaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen

  07.00 – 19.00 uur   19.00 – 23.00 uur   23.00 – 07.00 uur  
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT   35 dB(A)   30 dB(A)   25 dB(A)  
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen   --   55 dB(A)   55 dB(A)  
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden   --   45 dB(A)   45 dB(A)
 

Grenswaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen, anders dan binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen

  07.00 – 19.00 uur   19.00 – 23.00 uur   23.00 – 07.00 uur  
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT   35 dB(A)   30 dB(A)   25 dB(A)  
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen   --   55 dB(A)   55 dB(A)  
Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden   --   45 dB(A)   45 dB(A)  
15.2 vrijwaringszone - dijk
15.2.1 Aanduidingsomschrijving

De voor 'vrijwaringszone - dijk' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, ook bestemd voor het onderhoud en de verbetering van de op aangrenzende gronden gelegen waterkering.

15.2.2 Specifieke bouw- en gebruiksregels

Een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning wordt niet eerder genomen dan nadat advies is gevraagd aan de beheerder van de waterkering.

Artikel 16 Algemene afwijkingsregels

16.1 Afwijken bouwactiviteit

Met een omgevingsvergunning kan een bouwactiviteit worden toegelaten die in strijd is met de regels uit hoofdstuk 2 voor:

  • a. het in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
  • b. aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het plan niet wordt aangetast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de afwijking gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;
  • c. toestaan dat de bouwhoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, zonnepanelen en buitenunits en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
  • d. toestaan dat ten behoeve van duurzaamheidsmaatregelen de grenzen van bestemmings- en bouwvlakken naar de buitenzijde worden overschreden door buitenmuren, mits de grenzen in totaal met niet meer dan 0,30 m worden overschreden;
  • e. toestaan dat pakketwanden worden gerealiseerd waarbij:
    • 1. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2,5 m;
  • f. toestaan dat de buitenwerkse gevelvlakken met ten hoogste 1,5 m worden overschreden door:
    • 1. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen;
    • 2. ventilatiekanalen, schoorstenen, zonnepanelen en buitenunits en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
    • 3. gevel- en kroonlijsten, overstekende daken;
    • 4. (hoek)erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels en galerijen;
  • g. toestaan dat dakterrassen, balkons of andere niet op de grond gelegen buitenruimtes, op hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken ten dienste van de woonfunctie worden gebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. balkons zijn toegestaan met een diepte van ten hoogste 2 m, gemeten vanaf de buitenwerkse gevelvlakken;
    • 2. hekwerken of borstweringen zijn toegestaan met een hoogte van ten hoogste 1,2 m, gemeten vanaf het dak;
    • 3. privacyschermen zijn toegestaan, indien noodzakelijk ten behoeve van de privacy met een hoogte van ten hoogste 2 m, gemeten vanaf het dak;
    • 4. de afstand tussen dakterrassen en de dakrand die grenst aan lager gelegen openbare ruimte minimaal 2 m bedraagt.
16.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning genoemd onder 16.1 kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

Artikel 17 Voorrangsregeling

In dit plan geldt de volgende voorrangsbepaling:

Artikel 18 Regeling parkeren en laden en lossen

18.1 Gebruiksregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt verleend indien wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en/of ruimte voor laden en lossen op eigen terrein, waarbij deze vervolgens in stand wordt gehouden.

  • a. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid en/of ruimte voor laden en lossen als voldaan wordt aan de normen in de door het bevoegd gezag vastgestelde 'Nota Parkeernormen gemeente Kampen', vastgesteld op 26 augustus 2020.
  • b. Als de onder a bedoelde beleidsregels in de 'Nota Parkeernormen gemeente Kampen' worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden zoals die geldt op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning.
18.2 Afwijken van de gebruiksregels

Van de beoordelingsregels kan worden afgeweken van het bepaalde in:

  • a. lid 18.1 voor het op een andere wijze voorzien in voldoende parkeergelegenheid en/of ruimte voor laden en lossen om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen;
  • b. lid 18.1 voor het voorzien in minder parkeergelegenheid indien aanpassing van het (bouw)plan om alsnog te kunnen voorzien in voldoende parkeergelegenheid en/of ruimte voor laden en lossen redelijkerwijs niet kan worden verlangd en die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.

Artikel 19 Overige regels

19.1 Voorwaardelijke verplichting: waterberging

De realisatie en ingebruikneming van de woningen binnen 'Wonen' is uitsluitend toegestaan indien en voor zover waterberging van niet minder dan 222 m3 gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 20 Overgangsrecht

20.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
  • 4. Het overgangsrecht voor bouwwerken zoals bedoeld in lid 20.1 heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.
20.2 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  • 5. Het overgangsrecht voor gebruik zoals bedoeld in lid 20.2 heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.

Artikel 21 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het 'TAM-omgevingsplan, 4e wijziging Bovenhavenkwartier Kampen'.