direct naar inhoud van 5.6 Duurzaamheid en milieu
Plan: Bestemmingsplan Multifunctionele Accommodatie Bisonspoor
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1904.BPmfabisonspoorMKB-OH01

5.6 Duurzaamheid en milieu

5.6.1 Duurzaamheid

De gemeente Maarssen hanteert een integrale benadering van het duurzaamheidsprincipe, waarin duurzaamheid is gedefinieerd in de vorm van drie pijlers: sociale, fysieke en economische duurzaamheid.

De sociale duurzaamheid omvat de aspecten sociale kwaliteit en proceskwaliteit.

  • De sociale kwaliteit heeft betrekking op de leefbaarheid en sociale veiligheid, welke als gevolg van de herontwikkeling een positieve impuls krijgen. De nieuwe stedenbouwkundige structuur versterkt de openheid van en de mogelijkheden tot toezicht op het gebied. Het nieuwe woon- en leefgebied zal voldoen aan de algemene eisen voor sociale veiligheid - zoals verlichting, mogelijkheden tot toezicht en dergelijke.
  • De proceskwaliteit is gewaarborgd middels een zorgvuldige ontwerpproces en juridisch-planologisch traject. De massastudie is in overleg met een klankbordgroep - met omwonenden en belanghebbende partijen - tot stand gekomen - zie paragraaf 6.5. Ook voor de bouwplannen zal de klankbordgroep om advies worden gevraagd. Voor het juridisch vastleggen van de massastudie in het bestemmingsplan wordt de planologische procedure, conform de Wet ruimtelijke ordening gevolgd - zie paragraaf 6.4.

De fysieke duurzaamheid is gerelateerd aan de milieukwaliteit en thema's als energie, ecologie, water en afval. In het kader van het voorliggende bestemmingsplan zijn de effecten van de herontwikkeling van het plangebied op de directe omgeving en belemmeringen op de ontwikkelingsmogelijkheden voor het plangebied uitvoerig onderzocht. Hiervoor wordt verwezen naar de paragrafen5.3, 5.5, 5.6, 5.7,5.8, 5.9 en 5.10. Tevens wordt door de herontwikkeling van een binnenstedelijke locatie, onnodig ruimtebeslag op het buitengebied voorkomen.

De economische duurzaamheid heeft betrekking op de aanwezigheid van voorzieningen, werkgelegenheid en inkomensdifferentiatie. Het initiatief vormt een aanvulling op gemeentelijke en regionale voorzieningen van commerciële en maatschappelijke aard. Voor de woningen zijn dan ook ruim voldoende voorzieningen in de directe omgeving beschikbaar. Daarnaast is Maarssen gelegen in een pluriforme werk- en leefomgeving in en rond de grote steden van Utrecht en Amsterdam. Het woningbouwprogramma moet worden bezien vanuit een gemeentelijk balans in het woningaanbod. In Maarssen is met name behoefte aan woningen voor de doelgroepen starters en ouderen. Het toevoegen van deze woningen leidt tot een meer gedifferentieerd woningaanbod in Maarssenbroek, hetgeen bijdraagt aan de programmatische eisen voor een woongebied met een gedifferentieerde inkomensopbouw.

In de herontwikkeling van het plangebied is daarnaast specifieke aandacht besteed aan duurzaam ontwikkelen, zowel in het stedenbouwkundig plan als in de bouwplannen.

5.6.1.1 Duurzame stedenbouw

Als duurzaam bouwen aspecten geïntegreerd zijn in de stedenbouwkundige planontwikkeling, dan spreken we van duurzame stedenbouw. Daarbij gaat het erom de ruimtelijke context van functies en bouwwerken zo te plannen, dat de kansen voor duurzame kwaliteitsaspecten optimaal worden benut. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de waterhuishouding van een wijk, het benutten van kansen voor energiezuinig bouwen en voor duurzame energie, ecologische structuren en goed ruimtegebruik spelen daarbij een belangrijke rol. Het Nationaal Pakket Duurzame Stedebouw (NPDS) vormt hiervoor de basis.

Duurzame stedenbouw is in het NPDS onderverdeeld in maatschappelijke, milieu-, markt-, beleids- en juridische aspecten. De juridische aspecten hebben betrekking op decentralisering en de wetgeving op het gebied van ruimtelijke ordening. Het voorliggende bestemmingsplan vormt hiervan een vertaalslag. De andere vier thema's kennen diverse duurzaamheidsaspecten, die onderstaand per thema worden beschouwd. Het stedenbouwkundig plan voor de locatie is echter relatief klein van omvang en dient ingepast te worden in een reeds bestaande stedelijke omgeving, hetgeen de integratie van de duurzaamheidsaspecten slechts beperkt mogelijk maakt.

duurzaamheidsaspecten   stedenbouwkundig plan  
   
maatschappelijke aspecten    
1. differentiatie
2. sociale cohesie
3. leefbaarheid  
1. diversiteit in het woningbouwprogramma
2. aantrekkelijke ontmoetingsplekken in het ontwerp
3. ontwerp houdt rekening met menselijke maat en sociale veiligheid  
milieuaspecten    
1 .zorgvuldig ruimtegebruik
2. flexibiliteit & planvorming
3. milieuthema's  
1. hergebruik voor uitbreiding
2. goede balans tussen rechtszekerheid en flexibiliteit in
de opzet regels en verbeelding - zie paragraaf 6.2
3. waterhuishouding: zie watertoets - subparagraaf 5.5.2
energie: zie subparagraaf 5.6.1.3
mobiliteit: lokale langzaam verkeersverbindingen
worden in het ontwerp voor de buitenruimte geïntrigeerd,
gelegen nabij haltes van openbaar vervoer  
marktaspecten    
1. vitaliteit


 
1. in de bestemmingsplanregels zijn (ontheffings)mogelijk-
heden opgenomen om andere vormen van maatschappelijke,
voorzieningen, welzijnsvoorzieningen, bedrijfsmatige activiteiten en mantelzorg mogelijk gemaakt  
beleidsaspecten    
1. ruimtelijke ordening
2. bodem
3. water  
1. beleidsmatige inpassing/afstemming - zie hoofdstuk 4
2. hergebruik van stedelijke gebied passend bij de bodemkwaliteit
3. voor duurzame waterhuishoudkundige maatregelen zie watertoets - subparagraaf 5.5.2  
5.6.1.2 Duurzaam bouwen

Duurzaam bouwen beoogt de negatieve milieu- en gezondheidsaspecten in alle fasen van de inrichting van de gebouwde omgeving, de bouw en het gebruik te minimaliseren, zodanig dat in ieder geval de draagkracht van het milieu behouden blijft en voorzien kan worden in de behoeften van de huidige en toekomstige generaties. Dit moet gerealiseerd worden door een integrale benadering van de aspecten: energie, materiaal, afval, water, bodem, lucht, geluid, flora en fauna, veiligheid, verkeer, cultuur en welzijn. Duurzaam bouwen gaat verder dan alleen het bouwen en omvat het geheel van planontwikkeling, ontwerpen, bouwen gebruiken, sloop en hergebruik. Het initiatief voor duurzaam bouwen ligt primair bij de ontwikkelende partij.

In het bouwplannen voor de multifunctionele accommodatie en de bibliotheeklocatie wordt waar mogelijk aangesloten bij het gemeentelijke klimaatbeleid - zie subparagraaf 4.3.7. De gemeente Maarssen kan de in het gemeentelijk klimaatbeleid geformuleerde ambitie realiseren door gebruik te maken van de bestaande grondpositie.

Voor een nadere beschrijving van de toepassing van de vaste en variabele maatregelen voor duurzaam bouwen - vastgelegd in het programma van eisen in het kader van de aanbestedingsprocedure - wordt verwezen naar de toekomstige aanvraag voor de bouwvergunning.

5.6.1.3 Energie

In het kader van een duurzame omgang met energie is voor de multifunctionele accommodatie en de woningen de verhoogde ambitie uit de aanvraag voor het SLOK (Stimuleringsregeling Lokaal Klimaatinitiatieven) van toepassing - zie beschrijving in subparagraaf 4.3.7.

Voor de locatie van de multifunctionele accommodatie wordt een energieonderzoek uitgevoerd. Hieruit zullen verschillende duurzame energiemaatregelen naar voren komen die in het uiteindelijke ontwerp van de te realiseren bebouwing toegepast zullen worden. Te denken valt aan een warmte-koude opslag, zonnecollectoren en andere methoden om duurzame energie op te wekken. Verder zal in het bouwkundige ontwerp van de bebouwing rekening gehouden worden met de duurzaamheidsambitie, hierbij valt onder meer te denken specifieke typen van isolatie.

De uiteindelijk toe te passen duurzaamheidsmaatregelen zullen niet van invloed zijn op de omgeving. Derhalve is het in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk hier verder milieuplanologisch onderzoek naar te verrichten.

5.6.2 Milieu
5.6.2.1 Afval

De afvalzorg in het toekomstige woongebied vindt plaats conform de huidige afvalzorg in Maarssen. Het afval wordt verzameld in afvalcontainers. Het papier wordt in de huidige situatie opgehaald door scholen, kerken en verenigingen. Het Klein Chemisch afval wordt apart ingezameld, vanaf 2009 wordt het plastic ook apart ingezameld.

5.6.2.2 Akoestiek

Voor de herontwikkeling van het plangebied dienen vanuit akoestisch oogpunt een drietal situaties getoetst te worden conform de Wet geluidhinder, danwel in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

  • 1. De akoestische belasting in de zin van verkeerslawaai op de bestaande woningen als gevolg van de toename van de verkeersinitensiteit op de Bisonspoor door de ontwikkeling van de multifunctionele accommodatie en bibilotheeklocatie.
  • 2. De akoestische belasting in de zin van verkeerslawaai op de nieuw te realiseren woningen als gevolg van de Bisonspoor en de nabijgelegen spoor.
  • 3. De akoestische belasting in de zin van industrielawaai op de bestaande en nieuwe woningen als gevolg van de realisatie van de multifunctionele accommodatie.

Onderstaand zijn de uitkomsten van de drie akoestische onderzoeksvragen nader beschreven.

Akoestische belasting toename verkeersintensiteit Bisonspoor
De Wet geluidhinder (Wgh) biedt het wettelijk kader voor de toegestane geluidsbelasting vanwege een weg bij geluidgevoelige bestemmingen. Onder geluidgevoelige bestemmingen worden onder meer woningen, scholen en kinderdagverblijven verstaan. In augustus 2009 is door Aveco de Bondt een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De Wgh stelt zones vast rondom wegen waarbinnen onderzoek naar het geluid dient te worden uitgevoerd. In kader van de Wet geluidhinder hebben wegen, met uitzondering van wegen met een maximum snelheid geldt van 30 km per uur, een geluidzone. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidsbelasting op bestaande woning als gevolg van de verkeerstoename en het gewijzigde tracé onderzocht. Het doel van het akoestisch onderzoek is het bepalen van de geluidsbelasting op de gevels van de bestaande woningen. Onderstaand wordt volstaan met een beschrijving van de onderzoeksmethode, conclusies en aanbevelingen voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 3.

Het onderzoek is gebaseerd op de Massastudie van februari 2009 met het kenmerk 2543/R2009-01/EC, actualisatie van de verkeerkundige quickscan uitgevoerd door Goudappel Coffeng met het kenmerk MSN026/Nbc/0300 van 30 juni 2009 en het opgestelde Geonoise rekenmodel ontvangen van de milieudienst.

In artikel 1 van de Wgh is vermeld dat onder 'reconstructie van een weg' wordt verstaan: één of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg ten gevolge waarvan uit akoestisch onderzoek als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder a, en artikel 77, derde lid, blijkt dat de berekende geluidsbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de geluidsbelasting die op grond van artikel 100 dan wel het bepaalde krachtens artikel 100b, aanhef en onder a, als de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt met 2 dB of meer wordt verhoogd. Met andere woorden: er is sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder indien de voorkeursgrenswaarde van 48 dB of een eerder verleende hogere grenswaarde wordt overschreden en de toename meer bedraagt dan 2 dB.

Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting met ten hoogste 1,6 dB stijgt, maar door het verleggen van de weg wordt tevens een reductie bewerkstelligd van ten hoogste 2,0 dB. Voor het menselijke gehoor is een verschil van 1,6 dB net hoorbaar en geen wezenlijke verslechtering van het akoestische leefklimaat. Aangezien het om een weg gaat waar een maximale snelheid geldt van 30 km per uur is de Wet geluidhinder niet van toepassing en kan er ook geen sprake zijn van de term reconstructie.

Akoestische belasting op nieuwe woningen
In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) moet voor het oprichten van geluidsgevoelige bestemmingen (woningen, scholen, ziekenhuizen, etc.), die binnen de onderzoekszone van (spoor)wegen liggen, een toets aan de geluidsnormen plaatsvinden. In augustus 2009 is door Aveco de Bondt een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het doel van het akoestisch onderzoek is het bepalen van geluidbelasting op de gevels van de geplande nieuwbouw ten gevolge van het wegverkeer en spoorverkeer. Onderstaand wordt volstaan met een beschrijving van de onderzoeksmethode, conclusies en aanbevelingen voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 3. In het onderzoek is het meest ongunstige scenario onderzocht op basis van de 'Massastudie Multifunctioneel Centrum Bisonsport'. Hetgeen betekent dat de maximale ruimte in massastudie wordt benut, waardoor een minimale afstand tot de omliggende (spoor)wegen ontstaat.

Wegverkeer
In de Wgh is beschreven dat alle wegen een zone hebben, waarbinnen een nader akoestisch onderzoek verplicht is. Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur zijn hiervan uitgezonderd en kan derhalve buiten beschouwing worden gelaten met betrekking tot de toetsing aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor het plangebied is enkel de weg Bisonspoor relevant voor het akoestisch onderzoek, welke met een maximumsnelheid van 30 km/uur wettelijk niet hoeft te worden getoetst. Daar de weg wel een bijdrage zal leveren aan het akoestische klimaat van de gebouwde omgeving is de weg in het kader van een goede ruimtelijke ordening meegenomen in het onderzoek.

De overdrachtsberekeningen zijn uitgevoerd overeenkomstig Standaard Rekenmethode 2 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006. De berekeningen zijn verricht met het softwareprogramma Geomilieu V 1.21.

Ten gevolge van Bisonspoor is de maximale geluidbelasting op de gevels van de woningen boven de multifunctionele accommodatie 46 dB en de maximale geluidbelasting op de gevels van de woningen op de bibliotheeklocatie 53 dB - zuidwestgevel op 7,5 m¹ boven maaiveld. Een toetsing aan de voorkeurgrenswaarde is echter niet vereist.

Spoorwegen
Het plangebied is gelegen op circa 300 meter van het spoortraject 380 - Utrecht-Breukelen - met een onderzoekszone van 600 meter, conform het Akoestisch Spoorboekje (Aswin). De toekomstige bebouwing is gelegen in de onderzoekszone en derhalve onderzoeksplichtig. In de Wgh is bepaald dat de voorkeursgrenswaarde op gevel van woningen binnen een zone van een spoorweg 55 dB bedraagt. De maximaal te verlenen ontheffingswaarde voor een nog niet-geprojecteerde woning bedraagt 68 dB.

De geluidsbelasting op de toekomstige bebouwing ten gevolge van spoorweglawaai is berekend overeenkomstig Standaard Rekenmethode 2 van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006. De berekeningen zijn verricht met behulp van het Akoestisch Spoorboekje Aswin versie 2008-1. In overleg met de Milieudienst Noord-West Utrecht zijn de berekeningen uitgevoerd met de gegevens van het peiljaar 2006, vermeerderd met 1,5 dB om de toekomstige situatie weer te geven.

Ten gevolge van het spoortraject 380 bedraagt de maximale geluidbelasting door spoorweglawaai 55 dB op de noordoostgevel van de appartementen boven de multifunctionele accommodatie. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB en hoeft derhalve geen hogere grenswaarde te worden aangevraagd.

Gecumuleerde geluidsbelasting
De werkelijke geluidsbelasting op de gevels kan hoger zijn, doordat meerdere bronnen in de nabijheid van de woningen liggen. De maximaal gecumuleerde geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeers- en spoorweglawaai bedraagt 53 dB op de zuidwestgevel van de toekomstige appartementen op de bibliotheeklocatie. Aanvullend onderzoek in het kader van het bestemmingsplan is niet nodig. In het kader van de aanvraag voor de bouwvergunning van de betreffende appartementen dient echter wel aangetoond te worden, dat het binnenniveau in de verblijfsgebieden van de appartementen voldoet aan 33 dB.

Akoestische belasting MFA op bestaande en nieuwe woningen
In augustus 2009 is door Aveco de Bondt een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Het doel van het akoestisch onderzoek industrielawaai is het beoordelen van de akoestische inpasbaarheid van de nieuwe MFA in relatie tot de huidige en toekomstige geluidsgevoelige objecten in en rondom het plangebied. Onderstaand wordt volstaan met een beschrijving van de onderzoeksmethode, conclusies en aanbevelingen voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 3.

In het onderzoek is de geluidsemissie van het huidige Bisonsport bepaald, welke vervolgens geëxtrapoleerd zijn naar de toekomstige situatie. Op deze wijze worden de akoestische randvoorwaarden voor de nieuwe MFA geformuleerd. De situatie van de MFA en de nabije omgeving is schematisch verwerkt in een computermodel. Hiervoor is gebruik gemaakt van het door de Milieudienst Noord-West Utrecht aangeleverde Geonoise model. Het overdrachtsmodel is gebaseerd op methode II.8 van de door het Ministerie van VROM uitgegeven 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai' d.d.1999.

Het maximale geluidsniveau bij de individuele geluidsbronnen bedraagt 48 dB(A) en het langtijdgemiddelde geluidsniveau op de gevels van de woningen bedraagt in de huidige situatie maximaal 49 dB(A). De gemeente Maarssen heeft voor de beoordeling van de akoestische inpasbaarheid van de MFA een drietal toetsingskaders: het gemeentelijke Natuur- en beleidsplan, de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en het Activiteitenbesluit. De berekende maximale geluidsniveaus en de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus zijn lager dan de grenswaarden van de drie beoordelingsdocumenten.

Ook in de toekomstige situatie - na de realisatie van de nieuwe MFA - kan de basiskwaliteit ten aanzien van geluid worden gehandhaafd. In de MFA komen een sporthal, zwembad, bibliotheek, een jongerencentrum en appartementen.

  • De bibliotheek produceert geen geluid van betekenis en is akoestisch gezien niet relevant.
  • Verwacht mag worden dat het jongerencentrum meer lawaai geeft dan de huidige WIM en dansschool tezamen. Tevens moet rekening worden gehouden met openingstijden van het jongerencentrum na 23.00 uur. Dit betekent dat de nachtperiode maatgevend wordt voor de toekomstige geluidsbelasting op de gevels van woningen van derden. Daar de geluidsbelasting in de nachtperiode 5 dB zwaarder beoordeeld worden dan in de avondperiode, moeten als gevolg hiervan zwaardere eisen gesteld worden aan de geluidsisolatie van de gevels (met name deuren en ramen), de vloeren en wanden.
  • De vloeroppervlakte van de nieuwe sporthal neemt toe, echter de geluidsemissie van de sporthal hoeft niet toe te nemen. Middels een goede lay-out en de keuze van geëigende constructies zal de sporthal geen verslechtering van de akoestische situatie opleveren.
  • Voor de geluidsemissie van het zwembad geldt hetzelfde als voor de sporthal. Indien in het zwembad in de toekomst muzikale activiteiten kunnen plaatsvinden, is het verstandig hier nu al rekening mee te houden. Dit vanwege het wellicht hogere binnenniveau en de 'straffactor' van 10 dB(A) voor duidelijk waarneembare muziekgeluiden bij woningen van derden.
  • Vanwege de nieuw te bouwen appartementen zullen zwaardere eisen aan de geluidsemissie gesteld moeten worden, omdat de appartementen dichter bij de geluidemitterende gevels en daken komen te liggen dan in de huidige situatie. Hetzelfde geldt ook voor de buiten opgestelde installaties die bij de MFA horen. Behalve het geluid dat buitenom gaat is er ook geluidstransmissie vanuit het gebruiksaccommodaties van de MFA naar de er boven gelegen appartementen. In de Wet- en regelgeving zijn de randvoorwaarden aangegeven, waaraan de lucht en contactgeluidsisolatie moeten voldoen.

Resumerend vormen op basis van de drie akoestisch onderzoeken het wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en het industrielawaai geen belemmeringen voor de herontwikkeling van het plangebied. In het kader van de aanvraag voor de bouwvergunning van enkele appartementen op de bibliotheeklocatie dient echter wel aangetoond te worden, dat het binnenniveau in de verblijfsgebieden van de appartementen voldoet aan 33 dB. In de ontwerpfase van de MFA dient aan de geluidsemissie van de MFA op de bovenliggende appartementen bijzondere aandacht te worden besteed.

5.6.2.3 Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteitseisen staan gegeven in de Wet luchtkwaliteit - Wet milieubeheer hoofdstuk 5,
titel 5.2. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. De Wet luchtkwaliteit is het gevolg van de Europese Kaderrichtlijn luchtkwaliteit. De EU richtlijn en de Wet luchtkwaliteit zijn opgesteld om mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging. Krachtens art 5,16 lid 1 van de Wet milieubeheer dient voor elk ruimtelijk plan, zoals genoemd in art 5.16 lid 2 van de Wet milieubeheer, die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, aannemelijk te worden gemaakt dat voldaan kan worden aan de in Bijlage 2 van de wet opgenomen grenswaarden. Hierbij is van belang inzicht te krijgen in hoeverre de luchtkwaliteit verslechtert als gevolg van een bevoegdheid.

In augustus 2009 is door Aveco de Bondt een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. De doelstelling van het onderzoek is het effect van het ruimtelijke plan op de luchtkwaliteit te bepalen en toetsen aan de wettelijke grenswaarden. Onderstaand wordt volstaan met de werkwijze, conclusies en aanbevelingen in de quickscan, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 3.

Indien kan worden aangetoond dat aan één of een combinatie van voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid.

  • Indien geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde.
  • Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
  • Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van fijn stof en stikstofdioxide.
  • Een project is genoemd of past binnen het NSL of een regionaal programma van maatregelen.

In verband met de verschillende typen van activiteiten moet er worden aangetoond dat er voldaan wordt aan het Besluit 'nibm' en dat de invloed naar de leefkwaliteit van de omgeving beperkt is. De berekeningen zijn uitgevoerd conform de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 met CARII versie 8.0. De verkeersaantrekkende werking van de multifunctionele accommodatie is gebaseerd op onderzoek van Goudappel Coffeng - kenmerk MSN026/Nbc/300 - zie ook subparagraaf 5.4.1.

De invloed van de planontwikkeling op de luchtkwaliteit bedraagt ten hoogste 0,4 Kg/m3 voor de concentratie stikstofdioxide en 0,1 Kg/m3 voor de concentratie aan zwevende deeltjes. Hiermee wordt voldaan aan het Besluit nibm en is een uitgebreid onderzoek naar de luchtkwaliteit niet nodig. Het effect van de planontwikkeling op de omgeving is minimaal te noemen en vormt geen belemmering voor de herontwikkeling van het plangebied. Ten aanzien van de leefkwaliteit wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden gesteld in de Wet luchtkwaliteit (40 Kg/m3 voor de parameters zwevende deeltjes en stikstofdioxide).

Resumerend zijn op basis van het onderzoek naar de luchtkwaliteit geen belemmeringen voor de herontwikkeling van het plangebied en komt de leefkwaliteit voor de bewoners en de toekomstige bewoners niet in gevaar.

5.6.2.4 Milieubelastende activiteiten

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkómen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen; de zogeheten milieuzonering.

In augustus 2009 is door Aveco de Bondt een onderzoek bedrijven en milieuzonering uitgevoerd. In het plangebied worden zowel milieugevoelige als milieuhinderlijke functies gerealiseerd. Derhalve dient het onderzoek de volgende vragen te beantwoorden: zijn de nieuwe woningen inpasbaar in het gemengde milieu Bisonspoor, zijn de nieuwe woningen te verenigen met de nieuwe milieuhinderlijke functies en zijn de nieuwe milieuhinderlijke functies inpasbaar in de omgeving. Met name ten opzichte van de aangrenzende woonbuurten. Onderstaand wordt volstaan met de werkwijze, conclusies en aanbevelingen in het onderzoek, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 3.

Als toetsingskader voor het onderzoek bedrijven en milieuzonering is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' versie 2007 in relatie tot de vigerende bestemmingsplannen. Met behulp van richtafstandenlijsten en omgevingstypen en een lijst van toelaatbare activiteiten in een gemengd gebied kan de inpasbaarheid van milieugevoelige en/of milieuhinderlijke activiteiten worden getoetst.

  • Inpasbaarheid van nieuwe woningen in Bisonspoor
    In het centrumgebied Bisonspoor zijn uitsluitend bedrijven met een milieucategorie 1 en 2 toegestaan, indien qua bedrijfsvoering gelijkwaardig aan milieucategorie 1 en 2 zijn ook bedrijven met milieucategorie 3 toegestaan. Het plangebied voldoet aan de typering voor een gemengd milieu, derhalve zijn de woningen inpasbaar zonder een aantasting van de rechten van de bestaande activiteiten.
  • Inpasbaarheid nieuwe functies - wonen en milieuhinderlijke activiteiten - in het plangebied
    Voor de inpasbaarheid van de nieuwe functies is het milieuaspect geluid maatgevend. De nieuwe functies in het plangebied zijn goed met elkaar verenigbaar, daar het onderdeel uitmaakt van een gemengd milieu. Bouwkundige maatregelen zijn noodzakelijk om beperkingen van de gebruiksmogelijkheden te voorkomen - zie ook industrielawaai in subsubparagraaf 5.6.2.2.
  • Inpasbaarheid nieuwe milieuhinderlijke activiteiten in Bisonspoor
    Om het plangebied zijn een groot aantal bestaande woningen gelegen, die deel uitmaken van het gemengde milieu Bisonspoor of onderdeel uit maken van de omliggende rustige woonwijken - Duivenkamp, Pauwenkamp en Kamelenspoor. Voor de woningen in de omliggende rustige woonwijken dient de inpasbaarheid te worden getoetst . De woningen in Bisonspoor zijn qua toetsing gelijk aan de nieuwe woningen in Bisonspoor. De milieuhinderlijke functies zijn inpasbaar in de omgeving, mits voldoende bouwkundige maatregelen worden genomen om geluidshinder te voorkomen - zie ook industrielawaai in subsubparagraaf 5.6.2.2.