direct naar inhoud van 5.5 Groen, natuur en water
Plan: Bestemmingsplan Multifunctionele Accommodatie Bisonspoor
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1904.BPmfabisonspoorMKB-OH01

5.5 Groen, natuur en water

5.5.1 Groen en natuur

De bescherming van de Nederlandse natuur is geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998 - gebiedsbescherming - en de Flora en Faunawet - soortenbescherming. Bij ruimtelijke ingrepen moet het overtreden van deze wetten ten aanzien van de in de wet genoemde soorten en natuurlijke omgeving zoveel mogelijk worden vermeden. Met inachtneming van de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet wordt ook voldaan aan andere internationale wet- en regelgeving die van belang is in de natuurwetgeving.

In juni 2009 is door Aveco de Bondt een quickscan flora en fauna uitgevoerd in de vorm van een veldinspectie. De doelstelling van de quickscan is een inschatting te maken van de effecten, die toekomstige ruimtelijke ingrepen op de actuele beschermde natuurwaarden zullen hebben. Resulterend in aanbevelingen voor de te volgen procedures en handelingen. Onderstaand wordt volstaan met de werkwijze, conclusies en aanbevelingen in de quickscan, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 3.

De uitvoering van de quickscan flora en fauna heeft plaatsgevonden in de vorm van een deskstudie in combinatie met een veldinventarisatie. Voor de deskstudie zijn de Gebiedendatabase van het Ministerie van LNV, het Natuurloket en het Nederlandse soortenregister (Naturalis) geraadpleegd. Tijdens het locatiebezoek is door middel van zicht- en hoorwaarnemingen vastgesteld of verblijfsplaatsen van planten- of diersoorten aanwezig zijn. Hierbij is tevens gelet op kenmerken van de aanwezigheid van verblijfsplaatsen, zoals sporen, uitwerpselen en nesten uit voorgaande broedseizoenen.

De Natuurbeschermingswet 1998 stelt dat activiteiten (zoals ruimtelijke ontwikkelingen, die van invloed kunnen zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, door Gedeputeerde Staten beoordeeld moeten worden alvorens een vergunning voor de activiteit kan worden verleend. Dit geldt dus ook voor activiteiten die plaatsvinden buiten de beschermde gebieden. Van deze activiteiten moet worden bepaald of er sprake is van externe werking of cumulatie. Bij een vergunningsaanvraag is een zogenaamde passende beoordeling gewenst. Daarnaast kunnen gebieden bescherming genieten indien de gebieden onderdeel uitmaken van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) of de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS).

De locatie ligt niet binnen de EHS of de PEHS, waardoor maatregelen in dit kader niet aan de orde zijn. Omdat geen significant nadelige effecten op speciale beschermingszones te verwachten zijn op grotere afstand van het plangebied is de Natuurbeschermingswet niet van toepassing.

Soortenbescherming

De Flora- en faunawet regelt de bescherming van planten- en diersoorten en is op 1 april 2002 in werking getreden. Een aantal zeldzame en/of kwetsbare plant- en diersoorten wordt door de Flora- en faunawet beschermd. De doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van de gunstige staat van instandhouding van de in het wild levende planten- en diersoorten. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn. Van het verbod op schadelijke handelingen ('nee') kan onder voorwaarden ('tenzij') worden afgeweken, met een ontheffing of vrijstelling. Het verlenen hiervan is de bevoegdheid van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).

Op basis van de uitgevoerde quickscan flora en fauna wordt geconcludeerd dat er beschermde soorten kunnen voorkomen op de onderzochte locatie. Derhalve dienen maatregelen te worden getroffen, zodat niet in strijd wordt gehandeld met de bepalingen in de Flora- en faunawet. In onderstaand schema zijn van de soortgroepen die van belang zijn voor het plangebied de waarde weergegeven en de te nemen maatregelen en/of de noodzaak voor een ontheffing.

soortgroepen   betekenis   maatregelen en ontheffing  
Vaatplanten   De locatie heeft een betekenis voor een aantal algemene wilde plantensoorten. De aanwezige soorten zijn niet beschermd en staan niet vermeld op de Rode Lijst.   Ten aanzien van deze soorten zijn geen specifieke maatregelen of een ontheffing benodigd.  
Vogels   De dichte begroeiingen en bomen vormen een geschikte broedplaats voor vogels. Hierin kunnen in het broedseizoen broedgevallen worden verwacht. In de bebouwing zijn geen geschikte broedplaatsen aangetroffen. Ook is geen sprake van jaarrond beschermde broed- of verblijfsplaatsen.
Vogels zijn volgens de Flora- en faunawet beschermd, waardoor de voorgenomen werkzaamheden kunnen leiden tot het overtreden van artikel 11 (verstoren van vaste rust- en verblijfsplaatsen).
Met de beoogde herontwikkeling is het opzettelijk verontrusten van vogels (artikel 10) niet aan de orde.  
Het verstoren van broedende vogels is op grond van artikel 11 verboden. Hiervoor kan geen ontheffing worden verkregen. Werkzaamheden, zoals het snoeien/verwijderen van dichte begroeiingen en bomen, moeten buiten het broedseizoen worden uitgevoerd.
Omdat geen sprake is van jaarrond beschermde verblijfsplaatsen, zoals broedholen, foerageerplaatsen, rust- of kolonieplaatsen, kunnen de werkzaamheden, als er geen broedende vogels aanwezig zijn, zonder ontheffing worden uitgevoerd.  
Zoogdieren   In het sportcomplex (huidige sporthal en zwembad) en in de bibliotheek zijn kenmerken van mogelijke verblijfsplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Op basis van de uitgevoerde quickscan kan echter geen uitspraak worden gedaan of daadwerkelijk sprake is van de aanwezigheid van vleermuizen.
Kenmerken van verblijfsplaatsen van overige zoogdieren zijn niet aangetroffen.  
Alle in Nederland voorkomende vleermuizen zijn strikt beschermd, derhalve is aanvullend onderzoek nodig om vast te stellen of daadwerkelijk vleermuizen aanwezig zijn. Dit aanvullend onderzoek naar vleermuizen moet worden verricht volgens het 'Protocol vleermuisinventarisaties' van 2 april 2009.
Een vleermuisinventarisatie wordt door middel van meerdere avond/ochtend bezoeken verspreid over een langere periode (circa april - oktober) uitgevoerd. Het vleermuizenonderzoek moet daarom geruime tijd voor de ruimtelijke ingreep (sloop) worden uitgevoerd, rekening houdend met de minimale tijdsduur van een (eventuele) ontheffingsaanvraag in gevolge artikel 75 van de Flora- en faunawet.  
Overige soorten   Sporen of kenmerken van andere beschermde of rode-lijstsoorten zijn niet waargenomen en worden niet verwacht op de locatie.   Ten aanzien van deze soorten zijn geen specifieke maatregelen of een ontheffing benodigd.  

Resumerend zijn in het plangebied in beginsel geen beschermde flora en faunasoorten aangetroffen en maakt het plangebied geen onderdeel uit van een beschermd natuurgebied, danwel heeft het een nadelig effect op een nabijgelegen beschermd natuurgebied. Ten aanzien van de soortgroep zoogdieren dient echter een vleermuizeninventarisatie te worden uitgevoerd om verblijfsplaatsen in het plangebied uit te kunnen sluiten. Aanvullend onderzoek naar eventuele paarplaatsen is in de periode augustus-september 2009 uitgevoerd. Hieruit is naar voren gekomen dat er geen paarplaatsen in het plangebied aanwezig zijn.

Onderzoek naar eventuele kraamverblijven zal voordat er gesloopt en gebouwd zal worden nog uitgevoerd worden. Indien verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetroffen is een ontheffing ingevolge artikel 75 van de Flora en faunawet noodzakelijk.

5.5.2 Water

Sinds 1 november 2003 bestaat een wettelijke verplichting om een watertoets uit te voeren bij ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen. De watertoets is een stappenplan om alle overheden op het gebied van water te betrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen. De watertoets geeft inzicht in de omgevingseigenschappen en het relevante waterbeleid. Op basis van de onderzoeksresultaten in relatie tot de toekomstige situatie worden conclusies en aanbevelingen gedaan met betrekking tot de inpasbaarheid van het initiatief binnen de waterhuishoudkundige structuur.

In juli 2009 is door Aveco de Bondt een watertoets uitgevoerd. Het doel van de watertoets is het onderzoeken van de inpasbaarheid van het initiatief in de bestaande waterhuishoudkundige structuur. Onderstaand wordt volstaan met een beschrijving van de onderzoeksmethode, conclusies en aanbevelingen in de watertoets, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 3.

Ten behoeve van de waterparagraaf is een aantal specifieke gegevens verzameld zoals fysieke omgevingskenmerken en bodemgegevens. Om deze gegevens te verkrijgen is o.a. informatie ingewonnen bij het TNO Dinoloket en zijn bodemkaarten geraadpleegd. De specifieke fysieke kenmerken zijn gekoppeld aan het initiatief om vervolgens de inpasbaarheid van het initiatief te toetsen aan de wensen van betrokken partijen.

Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden wordt een advies gevraagd op basis van de uitgevoerde watertoets, teneinde een positief wateradvies te krijgen voor het initiatief. Het document van de watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf. De waterparagraaf betreft een korte beschrijving van de uitgangspunten en de gevolgen van het initiatief, zoals onderstaand in concept is opgenomen.

  • Ontwikkeling
    De gemeente Maarssen heeft het initiatief genomen om het huidige sportcomplex te herontwikkelen tot één multifunctionele accommodatie. Daarnaast wordt de huidige bibliotheek vervangen door een woningcomplex met voorzieningenplint op maaiveld.
  • Maaiveld en grondwaterstand
    Het maaiveld van de locatie bevindt zich binnen de onderzoekslocatie tussen 0 en 0,5 m - NAP. Aangenomen wordt dat de stijghoogte ter plaatse van de onderzoekslocatie varieert tussen NAP -1,4 m en -1,7 m (0,9 – 1,2 m-mv). De grondwaterstand van het freatische water is niet bekend.
  • Riolering
    In de directe omgeving en ter plaatse van de onderzoekslocatie is een gescheiden rioleringstelsel aanwezig. Hemelwater en afvalwater moeten gescheiden worden afgevoerd.
  • Beleid
    Meest relevant voor de watertoets is dat hemelwater en afvalwater gescheiden dienen te blijven. Hiervoor heeft de gemeente Maarssen in Maarssenbroek een gescheiden stelsel aangelegd waar op aangesloten dient te worden. In het oppervlaktewater stelsel is in het verleden al rekening gehouden met het huidige afstromende volume aan regenwater.
  • Oppervlaktewater
    De contouren van het oppervlaktewater worden gewijzigd waarbij de nieuwe bebouwing over de nieuwe waterlijn heen is geprojecteerd.
  • Conclusie
    Uit de watertoets blijkt dat waterhuishoudkundig gezien er als gevolg van de herindeling van het bestaande sportcomplex en de nieuwbouw geen grote veranderingen optreden. De oppervlaktecontouren van de bebouwing blijven in de toekomstige situatie nagenoeg gelijk waardoor er niet meer water dan in de huidige situatie tot afstroming komt.

    Ter plaatse van de locatie is sprake van spanningswater met een stijghoogte tot circa 1,0 m-mv. Bij het eventueel doorgraven van de deklaag zullen derhalve maatregelen genomen moeten worden om wateroverlast te voorkomen.

Resumerend zijn op basis van de watertoets vanuit waterhuishoudkundig oogpunt geen belemmeringen voor de herontwikkeling van het plangebied. Indien de deklaag wordt doorgraven zullen maatregelen moeten worden genomen om wateroverlast te voorkomen in verband met spanningswater.