| Plan: | TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22h Jean Amentstraat-Truppertstraat |
|---|---|
| Status: | ontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0988.TAMJAmentTruppert-ON01 |
Deze motivering hoort bij het "TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22h Jean Amentstraat-Truppertstraat" van de gemeente Weert. Op de locatie van de Jansakkerhoeve en het omliggende terrein, gelegen aan de Jean Amentstraat 15, gelden momenteel verschillende functies. De carréboerderij heeft de functie recreatie, de gronden achter de boerderij hebben de functie wonen zonder bouwvlak, en de gronden naast de Jansakkerhoeve zijn bestemd als agrarisch. De initiatiefnemer is voornemens om op deze gronden 59 woningen te realiseren, inclusief bijbehorende verkeerskundige voorzieningen, groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige maatregelen.
Deze ontwikkeling past niet binnen het vigerende omgevingsplan ''Omgevingsplan gemeente Weert''. Daarom moet voor de locatie 'Jansakkerhoeve, Tungelroy' een separaat, ontwikkelingsgericht TAM-IMRO omgevingsplan opgesteld worden.
Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.
TOPOGRAFISCHE SITUATIE
Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van het omgevingsplan ingetekend.
KADASTRALE SITUATIE
De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Weert, sectie AC, nummers 355, 356, 357, 359, 363, 673, 726, 727, 862, 1020, 1070 en 1102. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 32.900 m².
Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van het TAM- omgevingsplan. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk-functionele situatie en de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt het planvoornemen aan het huidige omgevingsplan getoetst. In hoofdstuk 4 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. 5 wordt inzicht gegeven in diverse omgevingsaspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 wordt de procedure nader toegelicht. In hoofdstuk 7 wordt de haalbaarheid nader toegelicht. In hoofdstuk 8 wordt de juridisch opzet beschreven.
In deze paragraaf wordt de huidige situatie beschreven. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van het plangebied in zijn directe omgeving.
DIRECTE OMGEVING PLANGEBIED
Het plangebied is gelegen aan de Jean Amentstraat in de kern Tungelroy, behorende tot de gemeente Weert in de provincie Limburg. Tungelroy is een van de dorpen in het buitengebied van Weert, op circa 3 kilometer ten zuiden van de stadskern. Het plangebied ligt aan de zuidoostelijke rand van het dorp, nabij de kruising met de Truppertstraat.
De begrenzing van het plangebied wordt globaal gevormd door:
Het perceel betreft het adres Jean Amentstraat 15 en enkele omliggende gronden. Het terrein kent deels een bestaande woonfunctie, recreatie en deels een voormalig agrarisch gebruik dan wel onbebouwd karakter.
Tungelroy is een dorpse woonkern in het buitengebied van Weert, met een overwegend landelijk karakter en een relatief ruime opzet. Het telt circa 366 woningen en 820 inwoners (2025). Het woningaanbod bestaat voornamelijk uit vrijstaande woningen (±50%) en twee-onder-één-kapwoningen (±24%), aangevuld met enkele rijwoningen en zeer weinig appartementen. De bebouwing is verspreid en grotendeels grondgebonden.
Het aandeel koopwoningen is hoog (87%), wat duidt op een sterke binding met het gebied. De gemiddelde WOZ-waarde ligt met €354.000 boven het gemeentelijke gemiddelde (€335.000). De demografische opbouw laat een vergrijzing zien: 25% van de inwoners is 65+, terwijl het aandeel jongeren (0-15 jaar) met 15% relatief laag is. Het gemiddeld bruto inkomen bedraagt circa €31.300, wat iets boven het gemeentelijke gemiddelde ligt.
De directe omgeving bestaat uit:
Het dorp Tungelroy heeft een landelijk karakter en wordt omringd door natuur- en agrarisch gebied, waaronder de Tungeler Wallen en de Tungelroyse Beek. Binnen de kern zijn beperkte voorzieningen aanwezig (school, dorpshuis, horeca), terwijl Weert de functie van centrumgemeente vervult.
Het voornemen bestaat om binnen het plangebied van de Jansakkerhoeve in totaal 59 woningen te realiseren, met bijbehorende verkeerskundige voorzieningen en groenvoorzieningen, met inbegrip van ruimte voor wadi's voor de opvang van hemelwater. De Jansakkerhoeve zelf zal getransformeerd worden tot 10 sociale huurwoningen (onderdeel van de 59 woningen).
Er is sprake van een mix aan woningtypes. Het programma, zoals ook vastgelegd in de anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer, bestaat uit de volgende typen en aantallen woningen:
In de ontwikkeling van de nieuwe woonbuurt staat de Jansakkerhoeve centraal. De carréboerderij komt vrij in de openbare ruimte te liggen en wordt weer goed beleefbaar van alle kanten. De omliggende bebouwing en buitenruimte wordt in samenhang met de hoeve ontworpen. Zoals in de visie al beschreven is er in dit deel ruimte voor meer verdichting. De entree vanaf de Jean Amentstraat wordt gekenmerkt door zicht op de hoeve, bestaand en nieuw groen en een kopgevel van de nieuwe bebouwing. De straat loopt door en mondt uit in een erf met diverse rijwoningen.
Nabij de Truppertstraat komen twee vrijstaande woningen met een dubbele oriëntatie. Zij vormen de entree naar de nieuwe woonbuurt. Twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen zorgen voor een lage dichtheid met groene uitstraling die past bij de ligging aan het buitengebied. Dit wordt versterkt door de ruime groenzone met wadi naast de ontsluitingsweg. De groenstructuur en de ligging van de weg dragen bij aan de relatie met zichtlijn naar het buitengebied.
Aan de Jean Amentstraat is mede door de beperkte ruimte, het behoud van de poel en de tegenoverliggende bebouwing ruimte voor een aantal vrijstaande woningen. De entree van Tungelroy blijft daarmee zacht en sluit goed aan op het huidige landschap.
Het parkeren is verdeeld over het plangebied en vindt veel al plaats naast de ontsluitingswegen middels parkeerkoffers en langsparkeren. In de noordoosthoek is een parkeerterrein aangelegd waardoor deze verscholen uit het zicht liggen en de beleving van het groen wordt verstrekt.
STEDENBOUWKUNDIG PLAN
Aan het stedenbouwkundig ontwerp (zie ook bijlage 1) ligt een aantal stedenbouwkundige structuren ten grondslag. De hiervoor toegelichte opzet van het plan verdeelt het gebied in feite in drie zones:
|
A aansluitend aan de noordelijke bestaande bebouwing B middengebied aan de ontsluitingsweg C aansluitend aan de Jean Amentstraat |
STEDENBOUWKUNDIGE HOOFDSTRUCTUUR
Daarnaast spelen ook diverse zichtlijnen een rol. Deze zichtlijnen zorgen voor herkenbaarheid en identiteit van de nieuwe woonbuurt. Het einde van een zichtlijn vraagt om een accent of verbijzondering in architectuur of in de openbare ruimte. Woningen die in een hoek staan waar twee wegen samenkomen hebben een belangrijke rol in het samenbrengen van de openbare ruimte. Ze krijgen een overhoekse oriëntatie waardoor de woningen met beide wegen een relatie aan gaan.
De openbare ruimte bepaalt mede de toekomstige kwaliteit van de nieuwe buurt. Hierbij is het van belang dat deze ruimte op een goede manier overgaat in de bestaande omgeving.
De Jansakkerhoeve is een belangrijke drager van de nieuwe buurt. Kenmerkend voor de hoeve en de bijbehorende tuin is het gazon met solitaire bomen. Deze uitstraling wordt doorgezet in het omliggende gebied (deelgebied Landelijk wonen Jansakkerhoeve). Dat betekent dat het groen in de openbare ruimte in dit deelgebied wordt ingericht met een gras gazon en solitaire bomen. Hierbij worden de bestaande bomen zo veel mogelijk gehandhaafd. Zo komt de hoeve weer goed in het zicht te liggen en gaat de omliggende openbare ruimte en bebouwing een relatie aan met de hoeve.
Het plangebied ligt aan de oostzijde direct tegen het buitengebied aan. Het groen in dit deelgebied (Landelijk Wonen) krijgt een natuurlijkere uitstaling. Middels wadi's wordt het hemelwater hier geïnfiltreerd. In de directe omgeving liggen diverse poelen waardoor er een mooie samenhang ontstaat. Het groen er omheen wordt ingericht als bloem- en kruidenrijk grasland. De uitstraling wordt daarmee ruiger en natter richting het buitengebied en contrasteert goed met het gazon van het deelgebied met de hoeve. Binnen de groenvakken komen diverse geclusterde bomen en struikvormers te staan.
Aan de Jean Amentstraat wordt de brede berm ingericht met gras en diverse bomen. Zo ontstaat er een natuurlijke verbinding tussen het bestaande groen van de poel en het tegenoverliggende gazon en de inrichting rondom de hoeve.
De verharding zal bestaan uit elementenverharding. In aansluiting op het bestaande erf van de hoeve en de directe omgeving zal dit worden uitgevoerd in grijs tinten. Betonklinkers in keiformaat voor de rijwegen en parkeerplaatsen en betontegels voor de voetpaden. In deelgebied Landelijk wonen worden de inritten uitgevoerd in grasbeton. Daar waar mogelijk worden parkeerplaatsen in grasbeton uitgevoerd.
OPENBARE RUIMTE
PRINCIPEPROFIEL A
PRINCIPEPROFIEL B
PRINCIPEPROFIEL C
Aan het stedenbouwkundig ontwerp liggen een aantal stedenbouwkundige structuren ten grondslag. De hiervoor toegelichte opzet van het plan verdeelt het gebied in feite in drie zones. Onderling familie van elkaar, maar op accenten ieder met een eigen beeldkwaliteit.
De gebieden zijn:
In het beeldkwaliteitsplan (zie bijlage 2) worden de beeldkwaliteiteisen voor de woningen per gebied beschreven. De Jansakkerhoeve is als speciale eenheid afzonderlijk toegelicht.
LANDELIJK WONEN HOEVE
Leidend voor deze zone is de architectuur van de Jansakkerhoeve. De hoeve wordt herontwikkeld door de voorgevel en linker zijgevel te laten staan en de rest opnieuw op te bouwen zodat er diverse woningen gerealiseerd kunnen worden. De woningen in dit deelgebied dienen aan te sluiten bij de architectuur van de hoeve. Dit betreft een rode/bruin donker gemixte baksteen architectuur met gemêleerde dakpannen (rood en zwart). Daarnaast zijn er diverse details die kunnen inspireren zoals de verbijzonderingen in de baksteen, de luiken en het kleurenpalet van de kozijnen.
LANDELIJK WONEN
Voor deze zone geldt een beeldkwaliteit die gericht is op een landelijk uitstraling. De basis betreft baksteen architectuur met pannendak. Er is hier variatie mogelijk door het gebruik van andere natuurlijke materialen zoals hout en riet.
DORPS WONEN
Voor deze zone geldt een beeldkwaliteit die gericht is op een dorpse en landelijk uitstraling. De basis betreft baksteen architectuur met pannendak. Er is hier variatie mogelijk door het gebruik van andere natuurlijke materialen zoals hout en riet.
In verband met de aanwezigheid van de veehouderij aan de Kievitspeelweg 40 is er een geurcontour over het zuidelijke deel van het plangebied gelegen. Dit betekent dat er zolang de geuremissie van de veehouderij niet voldoende verlaagd wordt er binnen de geurzone geen geurgevoelige objecten (woningen) gebouwd mogen worden.
Om toch te komen tot een goede afronding van de ontwikkeling aan de zuidzijde, zolang er nog niet gebouwd mag worden, is een alternatieve inrichting van het gebied opgesteld.
In onderstaande afbeelding is te zien dat wordt voorgesteld om de boomgaard aan de oostzijde van het plangebied voort te zetten op de nog niet bebouwbare gronden.
Hiermee wordt een overgangsgebied gecreëerd tussen de Truppertstraat en de eerste woningen binnen het plangebied.
ALTERNATIEVE INRICHTING BINNEN GERURZONE
Ter plaatse van het plangebied vigeert het van rechtswege verkregen "Omgevingsplan gemeente Weert", in werking vanaf 1 januari 2024. Onderliggend ruimtelijk kader betreffen de voormalige bestemmingsplannen:
Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven op onderstaande afbeelding.
UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN
De gronden ter plaatse van het plangebied hebben in het van rechtswege verkregen "Omgevingsplan gemeente Weert" de volgende bestemmingen:
| Agrarisch | De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor agrarisch grondgebruik; behoud en ontwikkeling van bestaande landschappelijke karakteristiek en cultuurhistorische en archeologische waarden; structureel groen; behoud en ontwikkeling van recreatieve (mede-)gebruiksmogelijkheden. |
| Recreatie - Verblijfsrecreatie | De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie ' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor één bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; verblijfsrecreatie; het behoud en/of herstel van aanwezige landschappelijke waarden ter plaatse van de aanduiding 'waardevolle boom'; bijbehorende voorzieningen. |
| Verkeer | De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor het behoud of de aanleg van voorzieningen voor het wegverkeer (wegen, bermen, verkeersgroen, voetpaden, fietspaden, trottoirs, (ondergrondse) parkeervoorzieningen e.d.), doeleinden van verblijf, solitaire speeltoestellen, het waterbeheer, de natuurlijke afvloeiing van water, groenvoorzieningen c.q. karakteristieke beplanting en voorzieningen voor algemeen nut; behoud, herstel en ontwikkeling van het structureel groen, ter plaatse van de aanduiding 'groen'. |
| Water | De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden ten dienste van het oppervlaktewaterbeheer: het ontvangen, vasthouden, (tijdelijk) bergen en afvoeren van water, eventueel gecombineerd met infiltratie van water in de bodem; primaire watergangen, secundair water en waterpartijen, vijvers en waterlopen; de aanleg en/of instandhouding van waterhuishoudkundige voorzieningen. |
| Wonen | De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen met de daarbij behorende tuinen en erven. |
| Waarde - Archeologie hoog | De voor 'Waarde - Archeologie hoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de gebieden met te verwachten archeologische waarden. |
| Waarde - Archeologie zeer hoog | De voor 'Waarde - Archeologie zeer hoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de gebieden met te verwachten archeologische waarden. |
| Waarde - Gebied met kwetsbaar reliëf | Op de voor 'Waarde - Gebied met kwetsbaar reliëf' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken geen gebouw zijnde van geringe omvang welke noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de aanwezige hoogteverschillen in de bodemopbouw, met dien verstande dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 2,00 meter mag bedragen. |
Binnen het plangebied geldt daarnaast de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. Ter plaatse van deze aanduiding zijn de gronden mede bedoeld als molenbiotoop. In paragraaf 5.11 wordt hier nader op ingegaan.
Voorliggend planvoornemen, nader toegelicht in paragraaf 2.2, is niet passend binnen het van rechtswege verkregen omgevingsplan, omdat woningbouw niet is toegestaan binnen de bestemmingen 'Recreatie - Verblijfsrecreatie', 'Agrarisch' en 'Verkeer'. Daarnaast zijn er geen bouwmogelijkheden binnen de bestemming 'Wonen'. Om het planvoornemen te kunnen realiseren, dient een procedure omtrent de wijziging van het omgevingsplan doorlopen te worden.
Gelet op de woningbehoefte, de aansluiting van het plangebied op de bestaande woningbouw en daarmee op de bebouwde kom van de kern Tungelroy, het gegeven dat de ontwikkeling aansluit en rekening houdt met de structuren van het gebied (lagenbenadering), passend is binnen het gemeentelijk beleid, past binnen de ruimtelijke visies en gelet op het feit dat de ontwikkeling past binnen de woonvisie is het gemeentebestuur bereid om het omgevingsplan te wijzigen om daarmee de voorgestane ontwikkeling mogelijk te maken.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze samenleving' komt voort uit de Omgevingswet (hierna: Ow), die op 1 januari 2024 in werking is getreden. Op deze manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo'n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Uitgangspunt is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo worden in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes gemaakt. Vier prioriteiten hierin zijn:
Binnen deze prioriteiten worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven:
Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig project zijn als volgt:
De NOVI is zelf bindend voor het Rijk. De rijksoverheid zet er wel op in dat provincies en gemeenten bij het vaststellen van hun eigen omgevingsvisie rekening houden met wat er in de NOVI staat.
Analyse
Bij de voorgenomen ontwikkeling zijn met name de algemene belangen zoals het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte en het waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid van belang. Verder geldt dat sprake is van een lokale ontwikkeling, waarbij geen specifieke nationale belangen zoals genoemd in het NOVI in het geding zijn.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling is kortom niet in strijd met de NOVI.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s):
In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Analyse
In het voorliggende geval is slechts sprake van een lokale ontwikkeling, waarbij geen sprake is van strijdigheid met de algemene rijksinstructieregels. Voor het overige wordt verwezen naar hoofdstuk 5, waarin nader wordt ingegaan op aspecten als veiligheid, waterbelangen, trillingen, geluid, geur, bodemkwaliteit en bijvoorbeeld cultureel erfgoed en waarbij nader wordt onderbouwd waarom sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Conclusie
Het planvoornemen geeft invulling aan de instructieregels opgenomen in het Bkl.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand)
Analyse
Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de ladder voor duurzame verstedelijking betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.
Gelet op het beoogde aantal van 59 woningen kan mede op grond van jurisprudentie uit het verleden worden gesteld dat in het voorliggende geval sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking.
In het voorliggende geval wordt invulling gegeven aan een concrete en actuele behoefte aan woningen. De ontwikkeling past in de gemeentelijke ambitie om jaarlijks 350 woningen te realiseren en bij de landelijke en provinciale kaders: twee derde betaalbaar, waarvan 30% sociale huur. Dit project draagt bij aan het inlopen van het huidige tekort van circa 700 woningen en aan het accommoderen van extra vraag door economische groei in de Metropoolregio Eindhoven (MRE) en Brainport. Op basis van het Agglomeratie-effect onderzoek wordt er in het grondgebondensegment in alle scenario's nog voldoende behoefte verwacht.
De ontwikkeling is ook regionaal afgestemd en akkoord bevonden. Hiervoor wordt onder meer verwezen naar de paragrafen 4.3.1 en 4.3.2.
De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is onderdeel van de kern Tungelroy. Er is sprake van een logische invulling van gronden te in de bestaande kern Tungelroy.
Conclusie
Doordat de voorgenomen ontwikkeling aansluit bij de kwantitatieve en kwalitatieve vraag voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Het is daarmee niet aannemelijk dat de voorgenomen ontwikkeling zal leiden tot onacceptabele leegstand of anderszins onaanvaardbare sociaaleconomische effecten.
Zoals in deze paragraaf is beschreven en in hoofdstuk 5 nader is uitgewerkt, passen de activiteiten binnen de doelstellingen en het beleid en de regels van het Rijk.
Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie, met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige 'Provinciaal Omgevingsplan Limburg' (POL2014).
De omgevingsvisie is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:
Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt vervolgens een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:
Limburgse principes
Op grond van de kaart 'Limburgse principes', zoals weergeven op de volgende uitsnede, is het plangebied zowel gelegen binnen het 'stedelijk gebied' als 'buitengebied'.
UITSNEDE KAART 'WONEN, WERKEN, RECREËREN' MET LIMBURGSE PRINCIPES
Het stedelijk gebied omvat de bebouwde gebieden van de Westelijke Mijnstreek, Heerlen, Brunssum, Landgraaf en Kerkrade en de steden Maastricht, Venlo, Roermond, Weert en Venray. Hier vind je een breed scala aan locaties met functies zoals wonen, winkels, scholen, voorzieningen, wegen en openbare ruimte. De zorg voor een goede kwaliteit van de leefomgeving en een goede bereikbaarheid zijn hier belangrijke uitgangspunten. Het is belangrijk dat onder meer in de overgangsgebieden stad-land wordt ingespeeld op ruimte voor klimaatadaptatie via het watersysteem en de groenvoorzieningen.
Binnen het buitengebied is, rekening houdend met de droogtegevoeligheid en de kwaliteit van de grondwatervoorraden, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk, rekening houdend met de ruimteclaims vanuit de verschillende transitieopgaves.
Thema Wonen en leefomgeving
De Omgevingsvisie Limburg houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk.
Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil.
Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit.
Analyse
Voorliggend planvoornemen voorziet in totaal in 59 woningen, met bijbehorende verkeerskundige voorzieningen en groenvoorzieningen, met inbegrip van ruimte voor wadi's voor de opvang van hemelwater in de kern Tungelroy.
Mede gelet op de huidige behoefte aan woningen en de ligging van het plangebied, deels op en deels als directe aansluiting op de als 'landelijke kern' aangewezen gronden behorende tot de kern Tungelroy, wordt de beoogde ontwikkeling passend geacht binnen het plangebied.
De beoogde ontwikkeling heeft een positief effect op een aantrekkelijk vestigingsklimaat en de leefomgeving in Tungelroy, omdat dit initiatief naast het toevoegen van extra woningen ook rekening houdt met de bestaande structuren omtrent de kwaliteit van de natuur, water en landschap. Bovendien wordt er middels diverse maatregelen voor gezorgd dat er sprake is van een klimaat- en toekomstbestendige ontwikkeling.
Daarnaast is het planvoornemen ook passend binnen het thema 'Wonen en leefomgeving'. De woningen worden op een duurzame wijze gebouwd, waarbij ruimte geboden wordt aan het tegengaan van hittestress (behoudt monumentale bomen en de oprichting van nieuwe groenstructuren) en waar voorzieningen aanwezig zijn om wateroverlast tegen te gaan.
Conclusie
Het planvoornemen is passend binnen de 'Omgevingsvisie Limburg 2021'.
Op 1 januari 2024 is de 'Omgevingsverordening Limburg' in werking getreden. Hierin staan de regels die het omgevingsbeleid van de Omgevingsvisie Limburg juridische binding geven. Onderstaand wordt ingegaan op de provinciale regels, voor zover deze van toepassing zijn in het kader van de voorliggende ontwikkeling. Voor dit plan zijn de instructieregels met betrekking tot woningbouw relevant. Verder is het plangebied op basis van de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg aangemerkt als 'Stedelijk gebied', 'Buitengebied', Overstromingskansgebied C (1:25 jaar)' en 'Overstromingskansgebied E (1:100 jaar).
Wonen
In paragraaf 12.1.1. van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen ten behoeve van woningbouw. Een plan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat:
Overstromingskansgebied C
Het projectgebied is gedeeltelijk aangemerkt als 'Overstromingskansgebied C'. In artikel 3.1. van de Omgevingsverordening Limburg geldt met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht voor 'Overstromingskansgebied C' een gemiddelde overstromingskans van 1:25 per jaar als omgevingswaarde.
Overstromingskansgebied E
Het projectgebied is gedeeltelijk aangemerkt als 'Overstromingskansgebied E'. In artikel 3.1. van de Omgevingsverordening Limburg geldt met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht voor 'Overstromingskansgebied E' een gemiddelde overstromingskans van 1:100 per jaar als omgevingswaarde.
Analyse
Hieronder vindt een toetsing plaats aan paragraaf 12.1.1. van de Omgevingsverordening:
| ad a. | Dit plan voldoet aan de 'Omgevingsvisie Limburg' met de daarin opgenomen principes en zonering. Het projectgebied is gelegen in de zonering ‘stedelijk gebied’ en 'buitengebied'. Het stedelijk gebied omvat de bebouwde gebieden van de Westelijke Mijnstreek, Heerlen, Brunssum, Landgraaf en Kerkrade en de steden Maastricht, Venlo, Roermond, Weert en Venray. Hier vind je een breed scala aan locaties met functies zoals wonen, winkels, scholen, voorzieningen, wegen en openbare ruimte. De zorg voor een goede kwaliteit van de leefomgeving en een goede bereikbaarheid zijn hier belangrijke uitgangspunten. Hoewel gedeeltelijk sprake is van gedeeltelijk als 'buitengebied' aangewezen gronden, is sprake van een logische uitbreiding van de kern Tungelroy in directe aansluiting op bestaande bebouwing van de kern Tungelroy, waarbij het plangebied door drie zijden wordt omsloten door woonbebouwing behorende tot de kern Tungelroy. Hiermee is in voldoende mate rekening gehouden met de aspecten wonen en leefomgeving van de provinciale omgevingsvisie De gemeente Weert kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er dient een transformatie van de bestaande woningvoorraad plaats te vinden, aangezien er nauwelijks bevolkingsgroei meer is. Daarbij zal primair worden gekozen voor inbreiding, aanpassing en functieverandering. De beoogde ontwikkeling heeft een positief effect op een aantrekkelijk vestigingsklimaat en de leefomgeving in Weert omdat dit initiatief naast het toevoegen van extra woningen ook rekening houdt met de bestaande structuren omtrent de kwaliteit van de natuur, water en landschap. Bovendien wordt er middels diverse maatregelen voor gezorgd dat er sprake is van een klimaat- en toekomstbestendige ontwikkeling. Daarnaast is het planvoornemen ook passend binnen het thema 'Wonen en leefomgeving'. De woningen worden op een duurzame wijze gebouwd, waarbij ruimte geboden wordt aan het tegengaan van hittestress en waar voorzieningen aanwezig zijn om wateroverlast tegen te gaan. Tevens vindt de woningbouwontwikkeling plaats binnen een locatie die aangewezen is voor woongebieden. |
| ad b. | Voorliggend planvoornemen voorziet in totaal in 59 woningen, met bijbehorende verkeerskundige voorzieningen en groenvoorzieningen, met inbegrip van ruimte voor wadi's voor de opvang van hemelwater in de kern Tungelroy. Er wordt gebruik gemaakt van individuele duurzame investeringen om bij te dragen aan de klimaat- en energieopgaven. Daarnaast zijn de kwaliteiten op het gebied van landschap, natuur, water, bodem en cultureel erfgoed getoetst. Hieruit blijkt dat dit niet tot belemmeringen voor het plan leidt en dat het beoogde initiatief aansluit bij de duurzaamheidsdoeleinden. Ook zorgt het toevoegen van de nieuwe woningen voor doorstroming op de woningmarkt. Het planvoornemen is in lijn met het regionale beleid. Daarnaast worden de woningen voorzien van een zelf in te richten voor- en achtertuin, waardoor dit relatief klein initiatief bijdraagt aan een aantrekkelijke, leefbare en gezonde woonomgeving. Een nadere toetsing aan de kwalitatieve beoefte is opgenomen in de paragrafen 4.3.1 en 4.4. |
| ad c. | Voorliggend planvoornemen is passend binnen de 'Woondeal Limburg' (nader toegelicht in paragraaf 4.3.1) en de 'Regionale Woonvisie Midden-Limburg 2022-2025' (nader toegelicht in paragraaf 4.3.2). In voorliggend planvoornemen wordt invulling gegeven aan een concrete behoefte in de vorm van betaalbare levensloopbestendige woningen passend bij de woonvoorraad, bij uitstek passen bij de groeiende groep ouderen. |
| ad d. | Het plan is door zowel de provincie Limburg als binnen de regio Midden-Limburg (d.d. 13 september 2023) akkoord bevonden en het plan is opgenomen in de Plancapaciteitsmonitor onder de naam 'Jean Amentstraat - Truppertstraat Tungelroy' met een aantal van 59 woningen. |
| ad e. | Realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt beoogd zo spoedig mogelijk plaats te laten vinden, doch in ieder geval binnen de in de OL gestelde termijn van 5 jaar. De gemeente Weert en de initiatiefnemer hebben in de anterieure exploitatie-overeenkomst juridisch bindende afspraken gemaakt over de termijn van planrealisatie, juridisch afgedekt met een boetebeding. |
Hieronder vindt een toetsing plaats aan artikel 3.1:
Voorliggend projectgebied is gelegen binnen de aanduidingen 'overstromingskansgebied C' en 'overstromingskansgebied E'. Binnen de aanduiding 'overstromingskansgebied C' geldt dat een gemiddelde overstromingskans van 1 overstroming per 25 jaar aanwezig is. Binnen de aanduiding 'overstromingskansgebied E' geldt dat een gemiddelde overstromingskans van 1 overstroming per 100 jaar aanwezig is.
In paragraaf 5.4 wordt nader ingegaan op het waterbergingsvraagstuk van dit planvoornemen. Hieruit volgt dat voor de nieuwe woningen ca. 1.375 m³ water geborgen dient te worden. Hierin geldt dat de tuinen en de inritten voldoende capaciteit hebben om dit te realiseren. Hiermee wordt voldaan aan de omgevingswaarden 'overstromingskansgebied C' en 'overstromingskansgebied E'.
Conclusie
Het planvoornemen voldoet aan de regels van de provinciale 'Omgevingsverordening Limburg 2021'.
Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het initiatief past binnen de beleidsuitgangspunten zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg. Vanuit dit kader wordt invulling gegeven aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op 9 maart 2023 is door de Minister voor VRO, de provincie Limburg, Limburgse Gemeenten, Waterschap Limburg en Limburgse woningcorporaties de 'Woondeal Limburg' ondertekend. In de Woondeal staat dat er in Limburg 26.550 woningen bij komen in de periode tot en met 2030 met een ambitie voor 20.000 extra. Het grootste deel in de sociale huur, de middenhuur en de betaalbare koop.
In Limburg zijn er drie woonregio's te onderscheiden binnen de Woondeal, te weten Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. Gemeente Weert maakt onderdeel uit van de regio Midden-Limburg. Midden-Limburg bouwt in de eerste termijn van 2022 tot en met 2024, 3.450 woningen, waarvan 2.334 (68%) in het betaalbare segment. In de opmaat naar én gedurende de tweede termijn van 2025 tot en met 2030 voeren de partijen, daar waar de kwaliteit in relatie tot de behoefte dat vraagt, wijzigingen door in de planvoorraad op een zodanige wijze dat minimaal 2/3e betaalbaar wordt gerealiseerd. Deze zullen dan ook in de daadwerkelijke realisatie vanaf 2025 landen. De programmering van de tweede termijn (2025 - 2030) is structureel onderwerp van gesprek op de regionale woontafel.
Analyse
In het voorliggende geval wordt bijgedragen aan de invulling van de behoefte aan woningen. Hierbij is sprake van een bouwplan waarbij 25 procent sociaal is, 39 procent betaalbaar en 36 procent vrije sector. Er wordt echter niet voldaan aan het uitgangspunt dat 2/3e betaalbaar dient te zijn (64 procent betaalbaar in het huidige programma).
Er wordt echter wel verwacht dat er een doorstroming vanuit de bestaande bouw op gang komt waardoor er ook binnen het bestaand aanbod woningen vrij komen. In paragraaf 4.4.3 wordt verder onderbouwd waarom deze onntwikkeling past binnen het woningbouwbeleid. Er wordt met dit programma namelijk wel gebouwd voor starters en bewoners met een middeninkomen.
Op basis van het gemeentelijke 'Nota Kwaliteit Leefomgeving, Gemeente Weert 2024-2029' is de initiatiefnemer een bijdrage verschuldigd aan het gemeentelijke huisvestingsfonds.
Conclusie
Met de ontwikkeling wordt aangesloten bij de afspraken zoals deze zijn vastgelegd in de 'Woondeal Limburg'.
In de 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025' (Structuurvisie Wonen) wordt de ontwikkelingsrichting op het gebied van wonen van de zeven gemeenten in Midden-Limburg vastgelegd waaronder ook voor de gemeente Weert.
Vanwege demografische ontwikkelingen neemt het aantal jongere huishoudens af en het aantal oudere huishoudens fors toe. De woningbehoefte wordt dan ook grotendeels bepaald door de woonwensen van de groeiende groep ouderen. Daarbij neemt ook het aantal 1- en 2-persoonhuishoudens toe en het aantal gezinnen af. Hierdoor ontstaat een grotere vraag naar kleinere en betaalbare woningen in zowel de huur- als koopsector.
Ten aanzien van de kwalitatieve woningbehoefte staat de regio voor een uitdaging om de komende jaren voldoende woningen van de juiste kwaliteit toe te voegen en te zorgen dat deze (passend bij de behoefte) op de juiste plaats worden gerealiseerd. In algemene zin betekent dit:
Analyse
Tungelroy ervaart momenteel enkele uitdagingen in het woningaanbod:
Door de transformatie van de hoeve en de realisatie van nieuwbouw kunnen deze uitdagingen aangepakt worden.
Doelstelling:
Programma nieuwbouw en transformatie:
Doelgroepen :
Verwachte effecten
Conclusie
De ontwikkeling wordt daarmee passend geacht binnen de kaders van de 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025'.
Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past de voorgenomen wijziging omgevingsplan binnen de doelstellingen en het beleid van de regio Midden-Limburg.
Weertenaren willen in 2030 minstens zo prettig kunnen leven, wonen en werken als nu. Met alle uitdagingen waar we de komende jaren voor staan vraagt dat om een goed plan, een visie. Deze visie 'Verwonder je in de groene thuishaven Weert' is het resultaat van een onderzoek naar trends en kansen, maar ook van het meedenken van honderden inwoners, ondernemers en andere betrokkenen.
Vijf waarden als basis voor de Strategische Visie
Uit de bijdragen van participanten komt een aantal breed gedragen waarden of kwaliteiten naar voren die zijn geworteld in het Weert van nu. Deze vijf waarden bieden de gelegenheid om de uniciteit van Weert in de ontwikkeling naar 2030 meer te benadrukken:
De strategische visie 'Verwonder je in de groene thuishaven Weert' is het vertrekpunt voor alle gemeentelijke plannen. Met alle plannen binnen de gemeente Weert wil men de waarden uit de visie versterken, zodat men in 2030 in Weert nog prettiger kan wonen, werken, leren, beleven en ontspannen.
Analyse
In het kader van het voorgenomen planvoornemen wordt voornamelijk aangesloten bij de eerste kernwaarde: Goed wonen voor elke doelgroep. Het planvoornemen voorziet met de realisatie van de nieuwe woongebouwen met maximaal 59 woningen, waarvan 38 extra woningen, in de woningtypen waar de grootste behoefte aan is, namelijk woningen in de segmenten sociale huur (15 stuks) en middenhuursegment en/of betaalbare koopwoningen (23 stuks).
Daarnaast wordt ingezet op de derde kernwaarde: Groen inzetten in al zijn kwaliteiten. De woonomgeving wordt op een groene manier ingericht, aansluitende op het bestaande groen (bomen), wat bijdraagt aan klimaatadaptatie. In dit kader sluit het planvoornemen tevens aan bij de vierde kernwaarde: Duurzaam en innovatief leven.
Naast de vergroening van Weert worden de gebouwen energieneutraal en duurzaam gerealiseerd. Bovendien wordt een circulaire bouwwijze toegepast. Dit draagt bij aan de positieve milieueffecten van het plan.
Conclusie
Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen goed past binnen de uitgangspunten van de strategische visie Werken aan Weert 2030.
De gemeenteraad heeft op 12 juni 2024 de 'Omgevingsvisie Weert' vastgesteld. De Omgevingsvisie is het ruimtelijk kader voor de gemeente Weert in brede zin. De Omgevingsvisie moet dienen als ´onderlegger´ voor nog te ontwikkelen omgevingsplannen en -programma´s.
De gemeente hanteert daarbij de volgende vijf uitgangspunten
Sturen op kwalitatieve ontwikkelingen
De gemeente is regisseur van de inrichting van de stad, de dorpskernen en het buitengebied.
De drie onderstaande ruimtelijke principes zijn sturend bij het ontwerpen van ruimtelijke plannen:
Beheerste groei vanuit eigenheid
Tungelroy
De Tungeler Dorpsstraat wordt vergroend met aandacht voor het verbinden van de openbare ruimte voor de kerk met het Sint Barbaraplein tot hét dorpshart van Tungelroy. Bij de herinrichting wordt rekening gehouden met de herontwikkeling van de Piuszaal en omliggende gronden. De Vloedmolenweg is een aantrekkelijke en veilige fietsverbinding met Stramproy. Voor de voetbalaccommodatie wordt clustering met Stramproy en Altweerterheide beoogd.
In de kernrandzone is experimenteerruimte voor groene en lokale landbouw, kleinschaligheid en stadslandbouw. Vrijkomende agrarische bebouwing kan worden herontwikkeld naar kleinschalige woningbouw op basis van de Compensatieregeling kwaliteitsverbetering en er is ruimte voor kleinschalige recreatie. Er is geen ruimte voor nieuwe vestiging van agrarische ondernemers of veehouderijen. Ommetjes zorgen voor een beweegvriendelijke verbinding met het buitengebied.
UITSNEDE OMGEVINGSVISIE
Analyse
Het voorliggende plan een ontwikkeling binnen de landelijke kern Tungelroy. De hoeve en de gronden van de Jansakkerhoeve, die momenteel deels bestemd zijn voor wonen en deels voor agrarisch gebruik, worden herbestemd om woningbouw mogelijk te maken. Hiermee worden agrarische gronden herontwikkeld tot een kleinschalige woonomgeving.
In het stedenbouwkundig plan is tevens rekening gehouden met actuele thema's zoals klimaatadaptatie en de energietransitie. Gezien de woningbouwopgave van de gemeente Weert, en de visie om te bouwen voor de behoefte passen de beoogde 59 woningen in Tungelroy goed aan bij deze ambitie.
Conclusie
De ontwikkeling wordt passend geacht binnen de beleidskaders zoals opgenomen in de 'Omgevingsvisie Weert'.
De ‘Ruimtelijke ontwikkelstrategie Weert’, vastgesteld op 4 november 2024, biedt een strategisch kader voor de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente, met als doel een toekomstbestendige, leefbare en economisch vitale stad. De gemeente Weert streeft naar een duurzame en aantrekkelijke leefomgeving waarin wonen, werken, recreatie en natuur in balans zijn. De strategie is gebaseerd op trends zoals vergrijzing, klimaatverandering, energietransitie en digitalisering. Er wordt ingezet op het versterken van bestaande kwaliteiten, zoals het groene karakter van de stad en de goede bereikbaarheid.
De ruimtelijke ontwikkelstrategie geeft antwoord op de vraag hoe invulling te kunnen geven aan de grote en urgente opgaven, waarbij de focus ligt op de ontwikkeling van woningbouw en bedrijventerreinen. Het geeft een kaderstellende richting op alle ruimtelijke beleidsterreinen en het geeft voor Weert richting aan de verdere verstedelijking. Een goede ontwikkelstrategie is de basis voor een succesvolle uitvoering. Het stelt gemeente Weert in staat om focus aan te brengen en om regie te voeren gedurende het gehele ontwikkelproces. Door het ontwikkelproces vooraf te doorgronden, tijdig strategische keuzes te maken en focus te leggen, worden onvoorziene omstandigheden in een later stadium zoveel mogelijk voorkomen. Het maakt rollen en verantwoordelijkheden helder, definieert de stappen en maakt strategische keuzes. De ontwikkelstrategie kent drie ruimtelijke schaalniveaus:
De ontwikkelstrategie kent op elk schaalniveau een andere invulling. De ontwikkelstrategie zoals deze nu voorligt focust zich op het grondgebied van de gehele gemeente. Het kent een hoog strategisch niveau en is nog in een verkennend stadium. Op basis van de ontwikkelstrategie is verdere uitwerking nodig voor de concrete gebiedsontwikkelingen. De ontwikkelstrategie is geen blauwdruk; het bevat dan ook geen plattegrond waarin alle functies van de stad tot in detail zijn ingetekend, maar het geeft de condities voor het toekomstperspectief van de stedelijke ontwikkeling. In deze ontwikkelstrategie staan richtinggevende keuzes voor gebiedsontwikkeling en voor de ruimtelijke consequenties van ambities op het gebied van wonen, groen, maatschappelijke voorzieningen, gezondheid, werken, mobiliteit en energie.
Analyse
Weert wil inspelen op de veranderende woonbehoeften door een gevarieerd woningaanbod te realiseren. Er is aandacht voor betaalbare woningen, levensloopbestendige woningen en innovatieve woonvormen. Met deze ontwikkeling wordt een gevarieerd woningaanbod gerealiseerd. Het plangebied is een inbreidingslocatie en dit wordt met de ruimtelijke ontwikkelstrategie aangemoedigd. In de ontwikkelstrategie wordt voor de kernen Laar,
Volgens het trendscenario voor Weert is de autonome woningbehoefte tot 2030 beperkt: circa +1.125 woningen voor de hele gemeente, inclusief het inlopen van het huidige woningtekort. Voor Tungelroy wordt in dit scenario slechts een verwachting van circa 30 woningen geprognotiseerd tot 2030. Het Jean Amentstraat-Truppertstraat-project met 59 woningen (transformatie + nieuwbouw) ligt daarmee ruim boven de trendmatige dorpsopgave.
Wanneer echter ingezoomd wordt op de problematiek in Tungelroy, ziet me dat de situatie net iets anders is dan in de andere kernen.
Onderbouwing aanvullend programma.
De ruimtelijke strategie erkent daarnaast ook het belang van cultuurhistorische waarden en identiteit. Erfgoed dient te worden geïntegreerd in nieuwe ontwikkelingen met aandacht voor het behoud van karakteristieke gebouwen en structuren. Bij het ontwerp van deze ontwikkeling speelt de historisch waardevolle bebouwing een sturende rol.
Binnen het plangebied worden (delen van) de beeldbepalende hoeve gerestaureerd en opnieuw ingevuld. In het ontwerp krijgt cultuur op verschillende wijzen betekenis. Daarbij staat beleefbaar en zichtbaar maken centraal. Dit wordt gerealiseerd door het behoud, restauratie en transformatie van de cultuurhistorische bebouwing en groenstructuren.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past met de aangegeven onderbouwing voor realisatie van extra woningen binnen de Ruimtelijke Ontwikkelstrategie Weert.
Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past de de voorgenomen wijziging omgevingsplan binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Weert.
Het project overschrijdt wel de dorpsprognose, maar is beleidsmatig verdedigbaar als strategische toevoeging. Het draagt bij aan:
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect.
Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit.
Project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig
Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning.
Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden.
Project-mer-beoordeling
Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit).
Motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit)
In de motivering van de beslissing wordt in ieder geval verwezen naar:
De beoogde ontwikkeling kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject en staat genoemd onder J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen' van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In deze bijlage zijn voor deze activiteit geen indicatieve drempelwaarden benoemd. Dit betekent dat het bevoegd gezag ten behoeve van de besluitvorming over wijziging van het Omgevingsplan in alle gevallen dient te bepalen of het initiatief leidt tot aanzienlijke milieugevolgen en er aanleiding is tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure.
In de navolgende tabel zijn de relevante kenmerken van het plan weergegeven alsmede de belangrijkste effecten die het plan op de omgeving zal veroorzaken. Daarnaast zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling diverse (milieu)onderzoeken uitgevoerd voor de voor dit plan relevante milieuaspecten. Uit deze onderzoeken blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten tot gevolg heeft.
| Kenmerken van het plan | |
| Omvang van het project | De aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld onder J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen' van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het betreft de ontwikkeling van maximaal 59 woningen, met inbegrip van een ontsluitingsweg en bijbehorende groenvoorzieningen en landschappelijke inpassing. De oppervlakte van het totale plangebied bedraagt circa 31.150 m². |
| Cumulatie met andere projecten | Er zijn geen autonome ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied bekend, die aanleiding geven tot cumulatie van milieueffecten met andere projecten. Daarmee is er voor wat betreft cumulatie met andere projecten geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. |
| Gebruik natuurlijke hulpbronnen | Er is geen sprake van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen bij de realisering van de voorgenomen activiteiten zoals hiervoor beschreven. De woningen worden aardgasvrij gerealiseerd. Er worden (bouw)materialen gebruikt zoals staal, hout, steen en beton, maar dit betreft een eenmalig gebruik en deze materialen zijn niet bijzonder schaars. Daarmee is er voor wat betreft het gebruik van natuurlijke hulpbronnen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. |
| Productie afvalstoffen | Bouw- en sloopafval tijdens de aanlegfase zal door de betreffende aannemers worden afgevoerd en verwerkt. Tijdens de gebruiksfase is sprake van de productie van huishoudelijk afval, GFT, papier, plastic, restafval en overige stromingen zoals textiel. Binnen het woongebied vindt op de reguliere wijze afvalverzameling plaats. Tijdens zowel de aanleg- als de gebruiksfase vindt er geen productie van stoffen plaats die leiden tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen of tot effecten voor de bodem- en waterkwaliteit. Daarmee is voor wat betreft de productie van afvalstoffen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. |
| Verontreiniging en hinder | De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt buiten de reguliere hinder gedurende de aanlegfase, die gebruikelijk is bij een dergelijke stedelijke ontwikkeling, geen onevenredige hinder die leidt tot aanzienlijke milieueffecten. Eén en ander blijkt ook uit hoofdstuk 4 van deze motivering, waaruit valt af te leiden dat voor wat betreft de diverse (milieu)aspecten geen sprake van aanzienlijke milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling. |
| Risico voor ongevallen | De ontwikkeling brengt geen significante risico's voor ongevallen met zich mee. Verkeersbewegingen van, naar en binnen het plangebied kunnen op een veilige manier plaatsvinden. Er worden daarnaast binnen het plangebied geen extra gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd. Daarmee is voor wat betreft risico's voor ongevallen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. |
| Plaats van het project | |
| Bestaand grondgebruik | Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit recreatie-, woon- en agrarische gronden. |
| De relatieve rijkdom aan en de beschikbaarheid, de kwaliteit en het regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen | Niet van toepassing. Er zijn geen bijzondere aardkundige waarden of andere natuurlijke hulpbronnen aanwezig. |
| Opname vermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historisch cultureel of archeologische gebieden van belang | Wetlands: niet van toepassing Kustgebieden: niet van toepassing Berg- en bosgebieden: niet van toepassing Reservaten en natuurparken: niet van toepassing Habitat/richtlijngebieden: niet van toepassing Gebieden met hoge bevolkingsdichtheid: niet van toepassing. Landschappelijk, historisch, cultureel of archeologische gebieden van belang: niet van toepassing. Activiteiten en milieuzonering Op basis van het onderzoek dat in het kader van de planvorming is uitgevoerd blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten veroorzaakt voor de omgeving (zie paragraaf 5.14) Archeologie Archeologische waarden zijn in voldoende mate geborgd middels archeologische dubbelfuncties zolang aanvullend onderzoek niet is uitgevoerd. (zie paragraaf 5.10 en 15). Cultuurhistorie Het plan heeft geen significant negatieve invloed op cultuurhistorische waarden in de omgeving (zie paragraaf 5.11) Flora en fauna Op basis van het uitgevoerde flora en fauna onderzoek blijkt dat geen nader onderzoek noodzakelijk is, maar dat wel rekening dient te worden gehouden met het broedseizoen voor vogels, voorkomen van verstoring van vleermuizen door verlichting en de algemene zorgplicht (zie paragraaf 5.5.2.2 en bijlage 7). Stikstof Uit het uitgevoerde onderzoek naar stikstofdepositie blijkt dat de stikstofdepositie in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt (zie paragraaf 5.5.2.1 en bijlage 6). In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten worden uitgesloten. Het uitvoeren van een passende beoordeling evenals een vergunningplicht Natura 2000-activiteit is niet aan de orde. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Wegverkeerslawaai Ten behoeve van verkeerslawaai is een onderzoek uitgevoerd waarbij naar voren is gekomen dat vanuit het aspect verkeerslawaai geen belemmeringen bestaan (zie paragraaf 5.7 en bijlage 11). Gelet op het beperkte aantal woningen en de relatief beperkte verkeersintensiteiten in de omgeving en verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling, kan redelijkerwijs worden aangenomen dat als gevolg van de verkeersgeneratie van de ontwikkeling geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten op de omgeving. Bodem Voor de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd (zie paragraaf 5.12 en bijlage 17) Op basis van de resultaten van het onderzoek is de bodemkwaliteit geschikt voor het beoogde toekomstige gebruik. Gelet op de resultaten van het bodemonderzoek en de aard van de ontwikkeling, zijn er als gevolg van de ontwikkeling naar verwachting geen aanzienlijke milieueffecten. Landschappelijke waarden De aanwezige landschappelijke waarden zullen zo veel mogelijk worden behouden. (zie ook paragraaf 2.3). Deze zullen in een beplantingsplan worden vastgelegd. (zie bijlage 3) Verkeersaantrekkende werking en parkeren De voorgenomen ontwikkeling zal niet leiden tot een toenemende parkeerdruk op het openbaar gebied omdat voldoende parkeerruimte gerealiseerd wordt binnen het plangebied zelf en de Jean Amentstraat en Truppertstraat en omliggende wegen kunnen de toename van verkeersintensiteiten verwerken (zie paragraaf 5.13). |
| Kenmerken van het potentiële effect | |
| Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking) | Niet van toepassing |
| Grensoverschrijdend karakter | Niet van toepassing |
| Orde van grootte en complexiteit effect | Niet van toepassing |
| Waarschijnlijkheid effect | Niet van toepassing |
| Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect | Niet van toepassing |
Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiting in verschillende aspecten van de wet. Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wettelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl.
Energietransitie
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. De berekening dat aan de eisen wordt voldaan is onderdeel van een aanvraag omgevingsvergunning. Daarnaast moet gebruik worden gemaakt van een alternatief voor aardgas voor verwarming.
Klimaatadaptatie en water
Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden langer, heter en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.
Het planvoornemen draagt op de volgende wijzen bij aan de energietransitie:
Het planvoornemen voorziet op de volgende wijze in een klimaatbestendige ontwikkeling:
Het aspect duurzaamheid draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties van de voorgenomen wijziging omgevingsplan.
Het aspect gezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van Omgevingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.
Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.
Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen. De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 - die bedoeld is bij de nieuwvestiging of verandering van veehouderijen - biedt een stappenplan dat ook deels geschikt is voor de beoordeling van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van veehouderijen.
Endotoxinen
Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een giftig effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. Conform stap 5 van het stappenplan moet de ligging van het initiatief ten opzichte van veehouderijen worden beoordeeld. Bij een afstand van meer dan 1 kilometer tot pluimveehouderijen en van meer dan 250 meter tot overige veehouderijen (behoudens geitenhouderijen) is er geen gevaar voor de volksgezondheid als gevolg van endotoxinen. Het Bestand Veehouderijbedrijven biedt de benodigde gegevens van de veehouderijen.
Geitenhouderijen
Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid.
Het RIVM doet onderzoeken naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, de gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderij werken. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden zoals Q-koorts of Salmonella. Daarnaast kunnen fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) gezondheidsproblemen veroorzaken. Ook kan het voorkomen dat mensen hinder ondervinden van de stank die afkomstig is van de mest uit de veehouderijen.
In 2016 zijn de resultaten gepubliceerd van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). In dit onderzoek is gekeken naar de gezondheidseffecten bij omwonenden van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging afkomstig van veehouderijen. In 2017 is er een tweede rapport 'Veehouderij en gezondheid omwonenden – aanvullende studies' gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om de eerdere resultaten nog eens extra bevestigd te krijgen.
In de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 van 30 april 2018 is een stappenplan opgenomen om te beoordelen of er knelpunten worden gevonden voor een omgevingsplanwijziging en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is voor het te realiseren plan doorlopen.
Bij agrarische gewassen worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd.
De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.
Endotoxinen
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 1.000 meter rondom het projectgebied zijn geen pluimveeveehouderijen actief. Bovendien liggen er geen overige veehouderijen binnen 250 meter van het projectgebied. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect endotoxinen plaats te vinden. Er is sprake van een gezonde leefomgeving ten aanzien van endotoxinen.
Geitenhouderijen
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 2 km rondom het projectgebied zijn echter geen geitenhouderijen actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect geitenhouderijen plaats te vinden. Er is sprake van een gezonde leefomgeving ten aanzien van geitenhouderijen.
Het plan leidt tot het toevoegen van woningen met tuinen waar personen gedurende langere tijd verblijven. Binnen 50 meter ten oosten en ten zuiden van het plangebied zijn agrarische gronden aanwezig waar planologisch gezien gewassen geteeld mogen worden waarbij mogelijk schadelijke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Voor de gronden ten zuiden van het plangebied gelden, middels het vigerende planologische regime, wel beperkingen tegen het nieuw oprichten van boomgaarden (artikel 3.7.1 in combinatie met artikel 3.7.3).
Opgemerkt wordt dat de gronden rondom het plangebied (agrarische bestemmingen) thans niet in gebruik zijn voor agrarische gebruik met schadelijke gewasbeschermingsmiddelen. Ten zuiden van het plangebied is alleen grasland aanwezig. Ten oosten van het plangebied worden voor de boomgaard geen schadelijke gewasbeschermingsmiddelen gebruikt.
De gronden worden ten opzichte van het huidig gebruik niet beperkt. Om de planologische situatie passend te maken ten aanzien van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen is een spuitvrijezone opgenomen over de agrarische gronden met een regeling tegen gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen.
Het plan leidt tot het toevoegen van woningen of andere functies waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Echter wordt opgemerkt dat er sprake is van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 6.100 meter, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt. Er is geen nader onderzoek nodig.
Het aspect gezondheid heeft een neutraal effect op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties van de voorgenomen wijziging omgevingsplan.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels.
Ter plaatse van het plangebied is door BKK Advies een infiltratieonderzoek uitgevoerd, rapport: ''Infiltratieonderzoek; Jean Amentstraat te Tungelroy (17 februari 2025, 240572.BKK). De rapportage is bijgevoegd als bijlage 4.
Geconcludeerd wordt dat:
In het kader van de weging van het waterbelang dient te worden aangegeven hoe met water om te gaan. Hiertoe is een onderzoek uitgevoerd, rapport: ''Weging van het Waterbelang; Jean Amentstraat 15 Tungelroy'' (26 november 2025, 2024_rbwater_006, versie 4.0). De rapportage is bijgevoegd als bijlage 5.
Geconcludeerd wordt dat:
Omgevingsaspecten
Het maaiveld ter plaatse van het noordelijke deel van de planlocatie is volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN), gelegen op een hoogte van 30,80 tot 31,00 m +NAP. Het zuidelijke deel van de planlocatie is lager gelegen en ligt gemiddeld op een hoogte van 30,50 tot 30,70 m +NAP. De Jean Amantstraat ligt op een hoogte van 30,50 m +NAP en de Truppertstraat op een hoogte van 30,40 m +NAP.
De bodem voor zowel de boven- als ondergrond bestaat voornamelijk uit een matig fijn, matig siltig en plaatselijk matig tot sterk humeuze zandlaag. Binnen de ondergrond zijn plaatselijk zwak grindig bijmengingen en zwak zandige leemlagen aanwezig.
De waterdoorlatendheid van bodemlagen in de bodem tussen 0,4-1,1 m-mv is als matig doorlatend beoordeeld. De gemiddelde doorlatendheid in de onderzochte bodemlagen betreft 0,27 m/dag. De onderzochte bodemlagen bieden derhalve een beperkte mogelijkheden om het hemelwater in de bodem te infiltreren. Er dient tevens rekening te worden gehouden met (ondiepe) grondwaterstand. Geadviseerd wordt om voor het dimensioneren van de infiltratievoorzieningen een rekenwaarde te hanteren van maximaal 0,15 m/dag.
De GHG is gelegen op ongeveer 30,0 m +NAP. Hiermee zou de GHG in het noorden van de planlocatie zich op ongeveer 1,0 tot 0,8 m -mv bevinden en op ongeveer 0,5 tot 0,7 m -mv in het zuiden. De GLG wordt verwacht op ongeveer 28,50 m +NAP. De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings-of grondwaterwingebied. Gezien de relatief ondiepe grondwaterstand (GHG), zal binnen de planlocatie een grondwatermonitoring worden uitgevoerd zodat actuele gegevens beschikbaar zijn bij het opstellen van het waterhuishoudkundig plan. Hiermee kan de RHG (Representatieve Hoogste Grondwaterstand) bepaald worden.
De ontwatering in het noordelijke deel van de planlocatie is voldoende. In het zuidelijke deel van de planlocatie zal de ontwatering niet overal behaald worden. Hierdoor zal het maaiveld lokaal moeten worden opgehoogd. Om instroming van hemelwater vanuit de omgeving te voorkomen moeten de toekomstige bouwpeilen minimaal 20 cm hoger liggen dan naastgelegen wegpeil. Voor de toekomstige bouwpeilen wordt daarom geadviseerd om uit te gaan van een peil van minimaal 30,90 m +NAP. Voor de wegpeilen wordt geadviseerd uit te gaan van een hoogte op 30,70 m +NAP. Aanleghoogten worden op basis van een grondwatermonitoring op locatie nader uitgewerkt in het waterhuishoudkundig plan.
De planlocatie is gelegen in zone III van de Roerdalslenk. In de Roerdalslenk is het niet toegestaan om:
Op basis van de leggerkaart van waterschap Limburg is in de directe omgeving van de planlocatie geen oppervlaktewater gelegen. Binnen de planlocatie liggen twee waterpartijen. De waterpartij gelegen aan de zuidwestzijde van de bestaande Hoeve betreft een kunstmatig aangelegde vijver. De andere waterpartij gelegen in de zuidwesthoek van de planlocatie op de hoek Jean Amentstraat-Truppertstraat, betreft een natuurlijke poel (Coonepoel).
Aan de Truppertstraat liggen bermsloten.
Verhardoppervlak en waterbergingsopgave
Het planvoornemen voorziet in de herbestemming van de desbetreffende gronden ten behoeve van de realisatie van 59 woningen in combinatie met de realisatie van de ontsluiting en de openbare ruimte. De bestaande Hoeve blijft daarbij gehandhaafd en krijgt een andere invulling. De situering en functie van de Coonepoel blijft eveneens ongewijzigd. De nieuwe woningen zullen een mix zijn van sociale huur, betaalbare koopwoningen, en vrije sector woningen.
Ten aanzien van het toekomstig verhard oppervlak is uitgegaan van een oppervlak van 13.395 m2. Hierbij is voor het verhard oppervlak van toekomstige bijgebouwen, erfverhardingen en/of bestratingen uitgegaan van een verhardingspercentage van 50 % voor percelen >350 m², 65 % voor de middelgrote percelen (200 – 350 m²) en 85 % voor de kleine percelen (< 200 m2). Paden en parkeerplaatsen zijn als 100% verhard beschouwd. In onderstaande tabel staan de oppervlakten van de toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen met 9.765 m2.
Verhard oppervlak zorgt voor versnelde afvoer van hemelwater. De aanleg van verharding dient gecompenseerd te worden in de vorm van waterberging. Om hieraan te voldoen, hanteert het waterschap en de gemeente een compensatienorm van 100 mm ten opzichte van het verharde oppervlak. Op basis van het toekomstig verhard oppervlak bedraagt de waterbergingsopgave voor de planlocatie in totaal 1.394 m3 (13.935 m2 x 100 mm).
Hemelwater en compensatie
Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en verwerkt.
Voor de uitgeefbare percelen met een oppervlak groter dan 350 m2 zal het hemelwater zonder problemen op eigen terrein verwerkt kunnen worden. Voor de uitgeefbare percelen kleiner dan 350 m2 wordt het niet haalbaar geacht om de volledige waterbergingsopgave van 100 mm op eigen terrein te verwerken. Wanneer wordt voldaan aan de bergingseis van 100 mm of een deel daarvan mag overtollig regenwater worden afgevoerd naar de openbare ruimte. Een bovengrondse afvoer heeft hierbij de voorkeur.
Om te kunnen voorzien in de waterbergings- en compensatieopgave voorziet het plan in de mogelijkheid tot de realisatie van enkele wadi’s in combinatie met ondergrondse hemelwatervoorzieningen. Bij de aanleg van ondergrondse hemelwatervoorzieningen zal afhankelijk van het type voorziening en de belastbaarheid (gronddekking) rekening worden gehouden met de GHG zodat voorzieningen worden aangelegd zonder verlies van berging.
De definitieve positionering en technische uitwerking wordt in overleg met de gemeente bij het verdere planproces nader uitgewerkt en gedimensioneerd met aangegeven maatvoering en dwarsdoorsnede(s) met hoogtematen t.o.v. NAP. De diverse onderdelen van het hemel-, afvalwatersysteem worden vervolgens getoetst. Daarnaast wordt de wijze van beheer en onderhoud en onderhoudsplichtige overlegd. Binnen het plan zal ten aanzien van het toekomstige verhard oppervlak in ieder geval worden voorzien in een berging van 100 mm. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt zal overtollig water overstorten richting de openbare ruimte, de Coonepoel of de greppelstructuur aan de Truppertstraat. Tijdelijk kan dan een water-op-straat situatie ontstaan. Wanneer deze situatie kortdurend is hoeft dit niet direct tot overlast te leiden. Het is daarbij wel van belang dat in een dergelijke situatie afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende particuliere percelen wordt voorkomen.
Wanneer infiltratie niet of slechts beperkt mogelijk is en lediging van systeem niet geborgd kan worden, kan hemelwater vanuit de toekomstige hemelwatervoorzieningen vertraagd worden afgevoerd naar de Coonepoel of de greppelstructuur aan de Truppertstraat. De vertraagde afvoer dient daarbij afgestemd te worden op de afvoernorm van het waterschap en mag niet meer bedragen dan 2 l/s/ha.
Afvalwater
Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater wijzigen. Conform het planontwerp zullen er in totaal 49 woningen en 10 wooneenheden worden gerealiseerd. Op basis van aannames en indicatie van hoeveelheden is een gemiddeld afvalwaterproductie berekend van ongeveer 23 m³/dag met een piekbelasting van 2,30 m3/uur.
Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal bij de verdere planuitwerking en aanvraag Omgevingsvergunning in overleg met de gemeente nog nader besproken worden.
Het aspect water draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties van de voorgenomen wijziging omgevingsplan.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren.
Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan enerzijds om verstorende effecten zoals geluid, licht en trillingen op natuurgebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland en anderzijds om stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Verstorende effecten
Gezien de aard en omvang van het plan kan worden geconcludeerd dat het plan geen verstorende effecten heeft op gebieden behorende tot Natuurnetwerk Nederland.
Stikstofdepositie
Bijlage 6 bevat het stikstofdepositie-onderzoek (NOX Advies, 28 november 2025) waarin zowel de bouwfase als de gebruiksfase zijn beoordeeld. Daaruit volgt dat het planvoornemen geen significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden heeft.
Bij ontwikkeling van het initiatief kunnen natuurwaarden in het gebied verstoord worden. Natuurkompas heeft een quickscan natuurwaarden uitgevoerd om de effecten van het plan op beschermde soorten te bepalen: rapport "Quickscan natuurwaarden; Jean Amentstraat te Tungelroy" (26 november 2024, 240736.qs.BKK). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 7.
Geconcludeerd wordt dat
Vogels
Binnen en rondom het plangebied zijn potentieel geschikte nest- en foerageerlocaties aanwezig voor diverse vogelsoorten. Er is mogelijk sprake van jaarrond beschermde nesten van soorten zoals roofvogels en uilen, evenals van huismus en steenuil. Daarnaast biedt het gebied leefgebied voor algemene broedvogels en categorie 4-soorten. Voor deze soorten geldt dat werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie te worden uitgevoerd. Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is noodzakelijk om mogelijke overtredingen van de Omgevingswet te voorkomen.
Vleermuizen
De aanwezige bebouwing binnen het plangebied biedt potentieel geschikte verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen, waaronder gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen gebruikmaken van de gebouwen als zomer-, paar- of milde winterverblijfplaats. Aanvullend onderzoek conform het Vleermuisprotocol is noodzakelijk om de aanwezigheid van verblijfplaatsen vast te stellen. Daarnaast dient bij de uitvoering van werkzaamheden en toekomstige verlichting rekening te worden gehouden met mogelijke verstoring van vleermuizen in de omliggende bebouwing. Extra verlichting dient zoveel mogelijk te worden beperkt of afgeschermd.
Algemeen voorkomende soorten
Het plangebied biedt geschikt habitat voor algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën, zoals egels, muizen, padden en kikkers. Hoewel deze soorten onder een vrijstellingsregime vallen, geldt de algemene zorgplicht. Dit betekent dat bij werkzaamheden maatregelen genomen moeten worden om schade aan individuen en hun verblijfplaatsen te voorkomen. Denk hierbij aan het uitvoeren van werkzaamheden buiten gevoelige periodes (zoals voortplanting of winterrust) en het gefaseerd verwijderen van schuilplaatsen zoals takkenhopen of stapels hout.
Naar aanleiding van de conclusies uit de quickscan heeft BKK Advies een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd, rapport ''Aanvullend ecologisch onderzoek '' (10 oktober 2025, 240834.BKK- D1). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 8.
Belangrijkste resultaten
Op grond van het uitgevoerde aanvullende ecologisch onderzoek is vastgesteld dat op de onderzochte locatie en/of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden geen nestlocaties van de huismus, bosuil, ransuil, boomvalk en torenvalk, en geen verblijfplaatsen van de steenmarter, aanwezig zijn. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen werkzaamheden niet zullen leiden tot een overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van de betreffende soorten.
Tijdens het uitgevoerde aanvullende ecologisch onderzoek is vastgesteld dat binnen de onderzoekslocatie en/of binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger, nestlocaties en essentieel leefgebied van steenuil, en voortplantings- en landhabitat van Alpenwatersalamander aanwezig zijn. Daarmee kan worden geconcludeerd dat bij de voorgenomen werkzaamheden (mogelijk) overtredingen van Artikel 11.37 lid 1 sub b en sub d, Artikel 11.46 lid 1 sub b en sub d, en Artikel 11.54 lid 1 sub b van het besluit activiteiten leefomgeving (Bal) aan de orde zijn.
Mogelijk is er tevens een jaarrond beschermde rustplaats van ransuil aanwezig binnen de onderzoekslocatie. Als gevolg van de voorgenomen plannen kan deze rustplaats komen te vervallen.
Verder zijn er algemeen voorkomende broedvogels, en algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën, aangetoond dan wel te verwachten binnen de onderzoekslocatie.
Conclusies
Vleermuizen en steenuil
Ten behoeve van de voorgenomen plannen zullen voor de soorten gewone dwergvleermuis, laatvlieger en steenuil maatregelen genomen moeten worden om negatieve effecten te voorkomen en de functionaliteit van deze verblijfplaatsen binnen het gebied te garanderen.
Betreffende maatregelen dienen te worden vastgelegd in een activiteitenplan, en ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Limburg, middels de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.
Alpenwatersalamander
Ten aanzien van Alpenwatersalamander zullen de poel en de omliggende bloemenweide tijdens de werkzaamheden onaangetast dienen de blijven, en zal ter plaatse van de naastgelegen percelen gewerkt moeten worden volgens een ecologisch werkprotocol. Indien de poel en de bloemenweide wel aangetast zullen worden, dienen ook voor Alpenwatersalamander maatregelen te worden opgenomen in een activiteitenplan, dat voorgelegd dient de worden aan de provincie Limburg.
Ransuil
Voor de ransuil zal aanvullend onderzoek benodigd zijn om in kaart te brengen of er rustplaatsen van deze soort aanwezig zijn binnen of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie, middels een slaapplaatstelling conform de methode van SOVON.
Algemeen voorkomende broedvogels en steenmarters
Ten aanzien van algemeen voorkomende broedvogels dient te worden gestart met werkzaamheden en dient groen te worden verwijderd buiten het broedseizoen.
Ten aanzien van sporadisch de planlocatie doorkruisende steenmarters, en ten aanzien van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën, dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.
Naar aanleiding van de conclusies uit de quickscan heeft BKK Advies een nader steenuilenonderzoek uitgevoerd, rapport ''Leefgebiedsanalyse steenuil'' (19 juni 2025, 250432.BKK). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 9.
Geconcludeerd wordt dat vanwege het groot aantal steenuilenterritoria in de omgeving van Tungelroy het leefgebied dat verdwijnt als gevolg van de voorgenomen ingreep als essentieel te classificeren is. Als gevolg van het wegvallen van essentiële delen van een leefgebied, kunnen aanwezige nestlocaties hun functie als zodanig verliezen. Zonder aanvullende maatregelen is het niet uit te sluiten dat de functionaliteit van twee nestlocaties van steenuil in de directe omgeving van de planlocatie in het geding komt.
De te nemen maatregelen dienen in overleg met de opdrachtgever uitgewerkt te worden in een activiteitenplan, en middels een vergunningsaanvraag via het Omgevingsloket aan de provincie Limburg als bevoegd gezag voorgelegd worden. Het wordt aanbevolen dit gecombineerd uit te voeren met een aanvraag voor andere soorten waarvoor een Omgevingsvergunning voor flora- en fauna activiteit benodigd is.
De te nemen maatregelen zullen naar verwachting afgestemd moeten worden met bevoegd gezag daar, door de grote dichtheid aan steenuilen rond Tungelroy, de beschikbare ruimte om maatregelen voor de specifieke steenuilenparen te realiseren zeer beperkt is. Maatregelen om de lokale staat van instandhouding te garanderen zullen naar verwachting meer opleveren dan maatregelen voor deze specifieke paren.
Naar aanleiding van de conclusies uit de quickscan wordt een nader ransuilonderzoek uitgevoerd, rapport ''xxx'' (datum, nummer). Het onderzoeksrapport wordt bijgevoegd als bijlage 10.
Geconcludeerd wordt dat:
xxx
Naar aanleiding van bovenstaande conclusies volgt dat een Omgevingsvergunning voor flora- en fauna activiteit(en) benodigd is voor tenminste de soorten gewone dwergvleermuis, laatvlieger en steenuil (mogelijk ook de ransuil). In dit kader wordt een activiteitenplan opgesteld. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee de bescherming van de natuurwaarden is geborgd.
Uit het aanvullend ecologisch onderzoek volgt dat er nog een nader onderzoek naar de ransuil uitgevoerd dient te worden en dat voor tenminste de soorten gewone dwergvleermuis, laatvlieger en steenuil een activiteitenplan opgesteld dient te worden waarin de mitigerende maatregelen worden vastgelegd.
In dit kader wordt een activiteitenplan opgesteld. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee de bescherming van de natuurwaarden is geborgd.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die iet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBMgrens blijft:
Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraties) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen.
Tenslotte moet in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren.
De monitoringstool die in het kader van het CIML (Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt '50320408_225563; Jean Amentstraat, Weert'.
| categorie | grenswaarde | 2025 | 2030 | ||
| jaargemiddelde concentratie NO2 | 40 µg/m³ | 9,0 | 7,2 | ||
| jaargemiddelde concentratie PM10 | 40 µg/m³ | 14,5 | 13,4 | ||
| overschrijdingsdagen per jaar- gemiddelde concentratie PM10 | 35 | 6,0 | 6,0 | ||
De gestelde grenswaarden worden niet overschreden.
Het aspect luchtkwaliteit heeft een neutraal effect op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties van de voorgenomen wijziging omgevingsplan.
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken.
In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).
Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen:
Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).
Het plan omvat de realisatie van geluidgevoelige objecten. Om de geluidbelasting ten gevolge van de zoneringsplichtige geluidsbronnen te onderzoeken is door Kragten een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd, rapport: ''Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai , woningbouwplan Jean Amentstraat, Tungelroy'' (22 september 2025, BOT010-0001). Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 11.
Geconcludeerd wordt dat:
Gemeentewegen
Het geluid vanwege verkeer op de gemeentewegen voldoet ter plaatse van alle woningen in het plan aan de standaardwaarde van 53 dB.
Gecumuleerd en gezamenlijk geluid
Aangezien de woningen niet zijn gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchtvaart, en er ook geen sprake is van andere geluidbronnen (windturbine, windpark, buitenschietbaan of militair springterrein), is enkel sprake van gecumuleerd en gezamenlijk geluid vanwege de beschouwde gemeentewegen. Aangezien geen sprake is van een overschrijding van de standaardwaarde, hoeft de aanvaardbaarheid van het gecumuleerd geluid noch het gezamenlijk geluid bepaald te worden.
Indirecte akoestische effecten
Als gevolg van de toename van de verkeersintensiteit zal de intensiteit op de relevante omliggende wegen niet meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal bedragen. Artikel 5.78af van het Besluit kwaliteit leefomgeving is niet van toepassing.
Nieuwe weg(en)
De intensiteit op de nieuw aan te leggen interne weg(en) bedraagt ruim minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Artikel 5.78m. (aanleg of wijziging van gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg of wijziging van gebruik van lokale spoorweg) is niet van toepassing.
Er is geen onderzoek naar eventuele geluidbeperkende maatregelen noodzakelijk.
Het aspect geluid heeft een neutraal effect op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties van de voorgenomen wijziging omgevingsplan.
Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat.
De Bruidsschat bevat regels over:
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen.
Industriële geurhinder
Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Weert worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd.
Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.
Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties.
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven met een relevante industriële geuremissie. Het plan maakt ook geen functies met een industriële geuremissie mogelijk. Daarmee vormt industriele geur geen belemmering voor dit plan.
Agrarische geurhinder
De agrarische sector (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Omgevingswet van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Weert heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich agrarische bedrijven met een relevante geuremissie. Derhalve is een agrarisch geuronderzoek uitgevoerd, rapport: ''Agrarisch geuronderzoek; Woningbouwplan te Tungelroy'' (9 oktober 2024, BOT010-0001). Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 12.
Geconcludeerd wordt dat
Beoordeling milieurechten en planologische rechten
Beoordeling woon- en leefklimaat
Vervolgonderzoek
Naar aanleiding van bovenstaande resultaten blijkt een nader beschouwing van de veehouderij aan de Kievitspeelweg 40 noodzakelijk. Hieromtrent is een memo opgesteld, rapportage: ''Memo nadere beschouwing geur veehouderij Kievitspeelweg 40'' (31 maart 2025). De memo is bijgevoegd als bijlage 13).
Geconcludeerd wordt dat:
Om de berekende voorgrondgeurbelasting ter plaatse van de dichtst bij gelegen nieuwe woningen binnen het plangebied te verlagen zodat voldaan wordt aan de geldende norm van 8 OUE/m³ zijn de volgende mogelijke maatregelen bij de veehouderij beschouwd:
Er worden momenteel gesprekken gevoerd met de veehouderij. Zolang er nog geen zicht is op wijziging van de bedrijfssituatie is een geurzone over een deel van het plangebied (kavels 25 tot en met 29) opgenomen waar nog geen woningen gerealiseerd mogen worden. Bij verandering van de bedrijfssituatie zal moeten worden aangetoond dat dit voldoende is om de geurzone op te heffen.
Voor deze periode is de volgende alternatieve inrichting van het plangebied voorzien:
Deze entree van het woongebied krijgt een groene uitstraling met water, een boomgaard en kruidenrijk grasland en struiken tegen het buurperceel.
Het aspect geur heeft een neutraal effect op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties van de voorgenomen wijziging omgevingsplan.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Om het aspect omgevingsveiligheid inzichtelijk te maken heeft Kragten een quickscan omgevingsveiligheid uitgevoerd: rapport "Beschouwing externe veiligheid; Woningbouwplan Jean Amentstraat, Tungelroy" (13 maart 2025, 20250313-BOT010-RAP-EV 1.0). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 14.
Geconcludeerd wordt dat uit de inventarisatie gebleken is dat het plangebied op ruim 800 meter van buisleiding PPS.2 is gelegen. Het brandaandachtsgebied (BAG) van deze buisleiding reikt niet tot aan het plangebied. Overige risicobronnen zijn niet in de nabijheid aanwezig.
In de onderstaande afbeelding is de globale ligging van het plangebied ten opzichte van de voornoemde risicobron weergegeven.
UITSNEDE ATLAS LEEFOMGEVING
Aangezien het plan niet binnen het brandaandachtsgebied van de buisleiding of een ander relevant aandachtsgebied is gelegen, vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de planvorming, waardoor nadere uitwerking van dit aspect niet noodzakelijk is.
Het aspect omgevingsveiligheid heeft een neutraal effect op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties van de voorgenomen wijziging omgevingsplan.
Wettelijk en beleidsmatig karakter
Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld wanneer andere belangen zwaarder wegen, dan moeten de waarden worden opgegraven en daarmee ex situ worden behouden. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente het bevoegd gezag op het gebied van archeologie en cultuurhistorie.
Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In het omgevingsplan houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden door het stellen van regels. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie. Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop de archeologische (te verwachten) waarden in de ondergrond zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Archeologisch kader
In het van rechtswege verkregen ''Omgevingsplan gemeente Weert'' is het aspect 'archeologie' in samenspraak met de onderliggende bestemmingsplannen juridisch overgenomen. Deze archeologische beleidskaart uit zich in het voeren van de dubbelbestemmingen. Op deze wijze wordt het ruimtelijk archeologische kader toetsbaar.
Meldingsplicht toevalsvondsten
De wettelijke meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten geldt altijd (art. 5.10 Erfgoedwet 2016). Mochten tijdens grondwerkzaamheden (vermoedelijke) archeologische resten (vondsten, muurwerk, grondsporen et cetera) worden aangetroffen, dan dienen deze direct gemeld te worden aan de gemeente. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden.
Het plangebied ligt, conform de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Weert (2018), gedeeltelijk in een zone 'Waarde – Archeologie hoog' en gedeeltelijk in een zone 'Waarde - Archeologie zeer hoog'. Dit is overgenomen in het van rechtswege van toepassing zijnde bestemmingsplan ''Altweerterheide, Laar, Stramproy, Swartbroek en Tungelroy''.
Voor gronden ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie hoog' geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 250 m² en een verstoringsdiepte vanaf 40 cm -mv. Voor gronden ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie zeer hoog' geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 50 m² en een verstoringsdiepte vanaf 40 cm -mv.
Voorliggend planvoornemen voorziet in een dergelijke verstoring op de locatie waar deze dubbelbestemmingen gesitueerd zijn. Hieromtrent heeft Laagland Archeologie een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd, rapport: ''Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek - verkennend fase; Tungelerschans en Jean Amentstraat, Tungelroy, gemeente Weert (LB)'' (september 2025, 1582). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 15.
Geconcludeerd wordt dat op basis van de resultaten van het bureauonderzoek archeologische resten worden verwacht. De geplande bodemingrepen zullen deze resten zeer waarschijnlijk aantasten. We adviseren daarom vervolgonderzoek aan in de vorm van een verkennend booronderzoek. Hierbij worden verspreid over de toegankelijke delen van het plangebied in totaal 20 grondboringen gezet. De boringen hebben tot doel het archeologische verwachtingsmodel te toetsen en zo nodig aan te vullen. Met dit booronderzoek wordt de bodemopbouw in kaart gebracht. Er dient conform de richtlijnen van de gemeente Weert per hectare minimaal een profielputje handmatig gegraven te worden. De locaties, het aantal en de diepte van de profielputjes zijn te bepalen op basis van de resultaten van het booronderzoek. Voor alsnog wordt uitgegaan van drie gegraven profielputjes. Het uitgangspunt moet zijn dat een profielputje een representatief beeld van de ondergrond geeft en aanvullende informatie geeft voor de juiste interpretatie van de boringen. Het profielputje wordt in principe handmatig gegraven, gefotografeerd - met schaalstok - en beschreven volgens de Leidraad Archeologische Standaard Boorbeschrijving (ASB) versie 5.2.
Aangezien de daadwerkelijke bodemopbouw in het plangebied niet precies bekend is, vormt een verkennend booronderzoek de aangewezen onderzoeksmethode. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kunnen kansrijke delen worden geselecteerd voor eventueel vervolgonderzoek, terwijl delen met geen of weinig kansrijke delen van vervolgonderzoek kunnen worden uitgesloten.
In de regels is een regeling opgenomen voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen dient aangetoond te worden dat er geen verstoring van archeologische waarden plaatsvinden.
Na uitvoering van het aanvullende onderzoek kan worden bepaald of het aspect archeologie een neutraal effect op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties van de voorgenomen wijziging omgevingsplan.
In de Omgevingswet wordt het aspect van cultuurhistorische waarden niet expliciet genoemd in een specifiek artikel zoals in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) het geval is met artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a.
Echter, de Omgevingswet bevat wel bepalingen die relevant zijn voor het meewegen van cultuurhistorische waarden. Bijvoorbeeld, in artikel 2.1 van de Omgevingswet staat dat bij de voorbereiding van besluiten over de fysieke leefomgeving rekening gehouden moet worden met de relevante doelstellingen van de wet, waaronder het waarborgen en ontwikkelen van een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving en het in onderlinge samenhang nemen van besluiten over de fysieke leefomgeving.
Daarnaast kan in het Omgevingsplan, dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsrecht en dat onder de Omgevingswet valt, specifieker worden ingegaan op de bescherming en ontwikkeling van cultuurhistorische waarden. Hierin kunnen regels worden opgenomen met betrekking tot het behoud, de bescherming, en het gebruik van cultuurhistorisch erfgoed en gebieden.
Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg bevinden zich binnen het plangebied en de directe omgeving geen objecten die als cultuurhistorisch waardevol zijn aangemerkt, waarop de beoogde woningbouw een negatieve invloed zou kunnen uitoefenen.
Het pand (Jean Amentstraat 15) is aangewezen als cultuurhistorisch waardevol pand. Dit betekent dat voor bouwkundige ingrepen een omgevingsvergunning vereist is. Daarnaast moet een eventuele verbouwing voldoen aan de bepalingen van de Erfgoedverordening van de gemeente Weert en de kaders van de Omgevingswet. De beoordeling van plannen vindt plaats op basis van de Uitvoeringsrichtlijn Bouwhistorisch Onderzoek (ERM 2024), die de landelijke standaard vormt voor bouwhistorisch onderzoek en waardering.
Het pand (Jean Amentstraat 15) is aangewezen als cultuurhistorisch waardevol pand. Dit betekent dat voor bouwkundige ingrepen een omgevingsvergunning vereist is. Daarnaast moet een eventuele verbouwing voldoen aan de bepalingen van de Erfgoedverordening van de gemeente Weert en de kaders van de Omgevingswet. De beoordeling van plannen vindt plaats op basis van de Uitvoeringsrichtlijn Bouwhistorisch Onderzoek (ERM 2024), die de landelijke standaard vormt voor bouwhistorisch onderzoek en waardering.
Op basis van archiefonderzoek (waaronder kadastrale gegevens, bouwtekeningen en historische afbeeldingen) en een veldverkenning is een globaal beeld geschetst van de bouwkundige ontwikkeling van het complex.
Het pand (Jean Amentstraat 15) is aangewezen als gemeentelijk monument. Dit betekent dat voor bouwkundige ingrepen een omgevingsvergunning vereist is. Daarnaast moet een eventuele verbouwing voldoen aan de bepalingen van de Erfgoedverordening van de gemeente Weert en de kaders van de Omgevingswet. De beoordeling van plannen vindt plaats op basis van de Uitvoeringsrichtlijn Bouwhistorisch Onderzoek (ERM 2024), die de landelijke standaard vormt voor bouwhistorisch onderzoek en waardering.
Conform de richtlijnen van de ERM 2024 zijn de volgende waarderingen toegekend:
Behoud en herstel van waardevolle elementen – met name die met hoge of positieve intrinsieke waarde – zijn essentieel om het karakter en de betekenis van het gebouw te waarborgen binnen toekomstige ontwikkelingen.
Het gaat met name om het exterieur en het gezicht vanuit openbaar gebied, omdat het binnenhof geen openbaar karakter krijgt. Met het behoud van de in het zicht liggende voorgevel en linkergevel worden de belangrijkste waarden van de bebouwing behouden en blijft het karakter van het pand beleefbaar binnen de nieuwe wijk.
Voor het gebied rond de Sint Annamolen geldt op basis van het omgevingsplan een beperking qua bouwmogelijkheden om de windvang te garanderen (molenbiotoop). Aan de hand van een formule kan de maximale bebouwingshoogte op enige afstand binnen de molenbiotoop bepaald worden. Voor de Sint Annamolen geldt de volgende formule ten aanzien van maximale bouwhoogten t.o.v. NAP:
H(max) = (x/50) + 0,2 * 16,10 + 31,20 oftewel H(max) = (x/50) + 34,42
In deze formule zijn onder andere de afstand tot de molen, de invloedsfactor terreingesteldheid en de askophoogte van de molen verwerkt.
De nieuwe bebouwing binnen het plangebied is geprojecteerd op een afstand van minimaal 200 meter (en meer) van het hart van de molen. De maximale bebouwingshoogte bedraagt dan ook 38,42 m +NAP.
Uit de AHN viewer (Actueel Hoogtebestand Nederland) kan worden afgeleid dat de maximale maaiveldhoogte ter plaatse van de beoogde nieuwbouw 31,0 m +NAP bedraagt. Dit resulteert in een maximale bouwhoogte van 7,42 m boven maaiveld.
In de bouwregels van de functie ‘Wonen’ wordt uitgegaan van een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale bouwhoogte van 9 meter. Op grond van de aanvullende bouwregels die gelden voor de zone ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ is het dan ook niet mogelijk van deze volledige bouwhoogtes gebruik te maken.
Kijkt men echter naar de tussen de molen en plangebied gelegen bebouwing, dan is te zien dat de direct ten noorden van het plangebied gelegen woningen aan de Tuingelerschans en Tungeler Dorpsstraat een hoogte hebben van ca. 9 meter (2 lagen met kap). Daarbij staan de woningen dwars op de windrichting (wanneer de wind uit de richting van het plangebied komt) waardoor er reeds verstoring van de windvang plaatsvindt.
Wanneer de woningen binnen het plangebied niet hoger worden dan 2 lagen met een kap zal er geen grotere verstoring van de windvang plaatsvinden dan op dit moment als het geval is.
Daarnaast is de meest voorkomende windrichting zuidwest tot west. Waarmee er maar een beperkt deel van de tijd werkelijk een verstoring van de windvang zou kunnen plaatsvinden.
De molenbiotoop heeft daarom geen invloed op de verkaveling van het gebied en bij het toestaan van bebouwing gelden geen beperkingen op grond van de molenbiotoop. Het initiatief heeft dan ook geen gevolgen voor cultuurhistorische waarden in het plangebied of de omgeving.
P.M overleg gemeentelijk molenstichtingWeerterland
Vanuit cultuurhistorisch perspectief is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving:
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.
Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft BKK Advies een verkennend bodem- en waterbodemonderzoek uitgevoerd: rapport "Verkennend bodem- en waterbodemonderzoek; Jean Amentstraat te Tungelroy" (13 februari 2025, 240572.BKK). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 17.
Geconcludeerd wordt dat de bodem voornamelijk uit een matig fijn, matig siltig en plaatselijk sterk humeuze zandlaag bestaat. De bovengrond en ondergrond is plaatselijk zwak tot matig grindig. Plaatselijk bevindt zich tevens een sterk zandige leemlaag in de ondergrond.
Zeer plaatselijk bevindt zich een laagje bestaande uit zinkassen. In de uitkomende grond zijn plaatselijk bodemvreemde bijmengingen aangetroffen bestaande uit eenduidig te classificeren baksteenmateriaal en zwakke bijmengingen aan slakken. Ter plaatse van de tennisbaan bevindt zich een verhardingslaag bestaande uit gravel. Onder de gravellaag bevindt zich een laag lavalith. In het opgeboorde en opgegraven materiaal zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen in het opgeboorde materiaal (grove fractie, > 20 mm) aangetroffen.
De grondwaterstand bevond zich destijds op een diepte variërend van 0,75 m-mv (zuidelijk terreindeel) tot 1,3 m-mv (noordelijk terreindeel).
Op basis van het vooronderzoek zijn een aantal deellocaties geïdentificeerd betreffende de tennisbanen, het bebouw en beklinkerde terrein, het agrarisch perceel en 2 waterpoelen.
Tennisbanen
De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt op basis van de onderzoeksresultaten voor de locatie niet geheel bevestigd. In het kader van de doelstelling kan gesteld worden dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem niet tot gebruiksbeperkingen/belemmeringen of gezondheidsrisico's zal leiden.
Akkers
De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "Onverdacht" dient te worden beschouwd, wordt op basis van de onderzoeksresultaten bevestigd. In het kader van de doelstelling kan gesteld worden dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem niet tot gebruiksbeperkingen/belemmeringen of gezondheidsrisico's zal leiden.
(On)bebouwd en verhard terreindeel
De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt op basis van de onderzoeksresultaten voor de locatie niet geheel bevestigd.
Conform het omgevingsplan van de gemeente Weert geldt de Interventiewaarde bodemkwaliteit (en een omvang van < 25 m³) als toetsingswaarde om vast te stellen of sprake is van een toelaatbare bodemkwaliteit voor het oprichten van bodemgevoelige bouwwerken op een bodemgevoelige locatie. Deze eis wordt overschreden.
Voorafgaande aan eventuele graafwerkzaamheden op de onderzoekslocatie dient rekening gehouden te worden met de sterke bodemverontreiniging met koper, zink, lood en arseen, die een belemmering vormen voor het uitvoeren van graafwerkzaamheden. Alvorens te kunnen starten met graafwerkzaamheden binnen de aangetoonde sterke verontreinigingen (en overige graafwerkzaamheden) is het noodzakelijk deze te melden (aanvragen) middels het zogenaamde omgevingsloket, het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).
Voor onderhavig geval wordt geopteerd voor de milieubelastende activiteit "graven boven de interventiewaarde". Ten behoeve van de melding, dient richting het bevoegde gezag (gemeente Weert) een plan van aanpak te worden opgesteld, waarin wordt beschreven op welke wijze de sanering van deze sterk verontreinigde grond wordt uitgevoerd, zoals gesteld in respectievelijk §4.120 en §4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Na het indienen van de melding (aanvraag) kan in principe na 4 weken gestart worden met de graaf- (of sanerings)-werkzaamheden.
Vrijkomende grond
De tijdens de reconstructie vrijkomende grond- en materiaalstromen kunnen binnen het werk worden teruggeplaatst, dan wel worden afgevoerd naar een hiertoe erkende acceptant (BRL 9335). In geval van een toepassing elders zijn de regels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing.
Waterbodem
Uit de resultaten blijkt dat in het slib van de waterbodems licht tot matig verhoogde parameters zijn aangetoond. Getoetst als zijnde (toepassing op) landbodem voldoet het slib aan de klasse industrie. In de slib zijn géén verhoogde gehalten aan PFOA, PFOS en overige PFAS ten opzichte van de toepassingsnormwaarden voor de bodemfunctieklasse Landbouw/natuur aangetoond.
Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat na sanering van de bodem de milieuhygiënische bodemkwaliteit geschikt wordt geacht voor de beoogde ontwikkeling. Er is vanuit het aspect bodem sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het realiseren van woningen heeft invloed op de verkeersgeneratie. De publicatie "Parkeerkencijfers 2024" van het CROW, d.d. 20 juni 2024, bevat kencijfers voor de verkeersgeneratie van diverse functies. De gemeente Weert wordt aangeduid als matig stedelijk gebied, waarin de locatie van het plangebied binnen de gemeente Weert tot de 'rest bebouwde kom' behoort.
In de nieuwe situatie worden binnen het plangebied 59 woningen/appartementen gerealiseerd. Om de verkeersgeneratie te bepalen, zijn de wooneenheden aangeduid als 'Koop, huis, tussen/hoek', 'Koop, huis, twee-onder-een-kap', 'Koop, huis, vrijstaand' en 'huur, sociale huur'. In de onderstaande tabel is de berekening van de verkeersaantrekkende werking uiteengezet.
| Onderdeel | Verkeersgeneratie | Aantal | Totaal |
| Koop, huis, tussen/hoek | 7,1 per woning | 22 woningen | 156,2 |
| Koop, huis, twee-onder-een-kap | 7,8 per woning | 12 woningen | 93,6 |
| koop, huis, vrijstaand | 8,2 per woning | 10 woningen | 82,0 |
| huur, sociale huur | 5,6 per woning | 15 woningen | 84,0 |
| Totaal | 415,8 |
Op basis van bovenstaande tabel kan worden gesteld dat de nieuwe situatie gemiddeld zorgt voor 416 verkeersbewegingen per etmaal. De verkeersafwikkeling van het planvoornemen kan zonder problemen via de Jean Amentstraat, Truppertstraat en omliggende straten plaatsvinden.
Autoparkeren
Bij het bouwen, uitbreiden of wijzigen van gebruiksfuncties dient altijd voldoende parkeergelegenheid gegarandeerd te zijn. Het beleid van de gemeente Weert is omschreven in de 'Nota parkeernormen 2025'. Het parkeerbeleid van de gemeente Weert gaat uit van de CROW publicaties. In de beleidsnota wordt uitgegaan van een matig stedelijk karakter voor de hele gemeente. Tevens valt het plangebied in het gebied 'rest bebouwde kom' zoals aangeven in de bijlage van de beleidsnota.
Analyse
Om de parkeernorm te bepalen, zijn de wooneenheden aangeduid als 'Koop, huis, tussen/hoek', 'Koop, huis, twee-onder-een-kap', 'Koop, huis, vrijstaand' en 'huur, sociale huur'. In de onderstaande tabel is de berekening van de parkeerbehoefte uiteengezet:
Onderhavig planvoornemen dient ten minste te voorzien in 95 parkeerplaatsen. In het ontwerp is rekening gehouden met de volgende aanwezigheid van parkeerplaatsen:
Uit bovenstaande tabel volgt dat het plan voorziet in 95,8 rekenkundige parkeerplaatsen. Hiermee voldoet het plan aan de 'Nota parkeernormen 2025' van de gemeente Weert.
Fietsparkeren
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook het fietsparkeren afgewogen te worden. Dit onderdeel is in de gemeente Weert ook verankerd in de 'Nota parkeernormen 2025'. In de onderstaande tabel is de berekening van de parkeerbehoefte uiteengezet:
Onderhavig planvoornemen dient ten minste te voorzien in 325 fietsparkeerplaatsen. In het ontwerp is rekening gehouden met de volgende aanwezigheid van parkeerplaatsen:
| percentage | aantal | type |
| 5% | 16 | fietsparkeerplaatsen geschikt voor bakfietsen of andere fietsen met sterk afwijkende maten (vakken moeten minimaal 2,50 bij 0,75 meter bedragen) |
| 15% | 49 | fietsparkeerplaatsen geschikt voor fietsen die niet in een standaard fietsenrek passen (h.o.h. min. 500 mm en v.v. een wielbeugel die geschikt is voor banden tot 65mm) |
| 80% | 260 | fietsparkeerplaatsen standaard fietsenrek (h.o.h. min 400 mm) |
| 100% | 325 | fietsparkeerplaatsen |
Uit bovenstaande tabel volgt dat het plan voorziet in 325 rekenkundige fietsparkeerplaatsen. Hiermee voldoet het plan aan de 'Nota parkeernormen 2025' van de gemeente Weert.
Het beoogde woongebied wordt ontsloten op de Jean Amentstraat en de Truppertstraat. Deze ontsluitingen worden vormgegeven door verkeersplateaus. De verkeerscapaciteit van de Jean Amentstraat, de Truppertstraat en omliggend wegennet wordt als voldoende beschouwd om de extra verkeersbewegingen te kunnen verwerken.
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling vanuit verkeerskundig oogpunt inpasbaar wordt geacht. Vanuit dit kader is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' met daarin milieucategorieën en richtafstanden uit 2009 komen te vervallen. De Omgevingswet bevat meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken, per locatie en per activiteit. Daarbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het omgevingsplan.
In het voorliggende geval heeft de gemeente Venray een omgevingsplan waarin van rechtswege nog de voorheen geldende bestemmingsplannen zijn opgenomen. In deze bestemmingsplannen is over het algemeen wel nog uitgegaan van de eerder genoemde milieucategorieën en richtafstanden. De bestaande rechten van activiteiten in de omgeving zijn daarop ook veelal gebaseerd, tezamen met de vergunningen van activiteiten.
Onder de Omgevingswet wordt het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) gehanteerd. Dit is in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet als volgt gedefinieerd: "activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit". Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Het gaat hierbij om de aspecten geur, geluid en trilling. Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip.
Woningen zelf vormen geen milieubelastende activiteit. In de directe omgeving van de woningen is sprake van diverse (bedrijfsmatige) milieubelastende activiteiten. Het is aan de ene kant zaak te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan milieubelastende activiteiten voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Op deze wijze kan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden bereikt.
Omgevingstype
Het omgevingstype van voorliggend projectgebied is een rustige woonwijk. In de omgeving is slechts van beperkte functiemenging sprake en er is weinig verstorend verkeer.
Invloed plan op de omgeving
Het plan betreft woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving. Het plan vormt geen belemmering voor de omliggende bedrijven.
Invloed omliggende inrichtingen op plan
Binnen een afstand van 50 meter zijn er geen functies aanwezig met een milieucategorie van 1 of hoger. Dit leidt tot de conclusie dat er geen milieugevoelige onderdelen van het plan binnen de richtafstanden van de omliggende bedrijven liggen. De omliggende bedrijven vormen geen belemmering voor het plan.
Het aspect bedrijven en milieuzonering heeft een neutraal effect op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties van de voorgenomen wijziging omgevingsplan.
Het aspect bedrijven en milieuzonering heeft een neutraal effect op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties van dit wijzigingsbesluit.
Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.
Binnen het plangebied en de omgeving is geen sprake van activiteiten die leiden tot onevenredige hinder in de vorm van trillingen zoals bedoeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Het aspect trillingen is met name relevant wanneer sprake is van zwaar (werk)verkeer of frequente verkeersbewegingen die kunnen leiden tot merkbare trillingsoverdracht naar nabijgelegen trillinggevoelige gebouwen.
Voor dit plan is beoordeeld wat de invloed is van het aantal (zwaar) verkeersbewegingen op de bestaande en toekomstige woningen. De verkeersbewegingen behorend bij het normale woongebruik bestaan hoofdzakelijk uit personenautobewegingen en incidentele lichte bestelbussen. Deze categorie voertuigen veroorzaakt in de praktijk geen trillingniveaus die in de buurt komen van de grenswaarden uit de Bruidsschat.
Zware verkeersbewegingen zijn beperkt aan de orde. In de huidige situatie vindt slechts beperkt bouw- en onderhoudsverkeer plaats. In de toekomstige situatie - na realisatie van de woningen - is uitsluitend regulier bestemmingsverkeer te verwachten: bezoekers, pakketdiensten en incidenteel zwaardere voertuigen ten behoeve van onderhoud of verhuizingen. Deze bewegingen zijn van incidentele aard en vallen ruim binnen wat als normaal en aanvaardbaar wordt beschouwd binnen een woonwijk. Ook bij autonome groei van verkeersintensiteiten blijft het aandeel zwaar verkeer verwaarloosbaar klein en leidt dit niet tot relevante of structureel verhoogde trillingniveaus.
Daarnaast worden de nieuwe woningen ontsloten via een wegennet dat geschikt is voor regulier verkeer. De afstand tussen de rijbaan en zowel bestaande als toekomstige woningen is zodanig dat eventuele trillingen reeds in de ondergrond worden gedempt en daarmee niet leiden tot hinder of overschrijding van de normstelling. De optredende trillingniveaus blijven daarmee ruim onder de maximale waarden zoals bedoeld in de artikelen 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.
Vanuit het aspect trillingen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op 1 januari 2024 is, gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat onder andere uit alle op dat moment vigerende ruimtelijke plannen. Gemeenten hebben tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan.
Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert alle wetgeving en regels voor de fysieke leefomgeving (ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water). Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit systemen van lokale overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAM’s) ontwikkeld als overbrugging, voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Eén van deze TAM’s is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de, onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte, IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Er ontstaat een TAM-omgevingsplan.
Het toepassen van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO.
Voorliggend TAM-omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Jansakkerhoeve te Tungelroy. De geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0988.TAMJAmentTruppert-ON01.
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit (Ob).
De herbestemming van de locatie Jansakkerhoeve, Tungelroy betreft een particulier initiatief. De initiatiefnemers, tevens eigenaren van de locaties, fungeren als financiële dragers van het onderhavige plan.
De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan. Voor het overige zijn er geen gemeentelijke financiën met het project gemoeid. Met de gemeente wordt een anterieure overeenkomst gesloten, waarin het onderdeel kostenverhaal wordt verankerd.
In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden (te vergelijken met het onderdeel ‘planschade’ onder de Wro). Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.
In het kader van voorliggend plan worden tussen gemeente en initiatiefnemer afspraken gemaakt over verhaal bij eventuele succesvolle verzoeken om nadeelcompensatie.
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van het afwijken van het omgevingsplan. Dit komt omdat een omgevingsplan niet alleen invloed heeft op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. In dit hoofdstuk zal hier verder op worden ingegaan.
De initiatiefnemer heeft contact gezocht met de omgeving en heeft de omgeving geïnformeerd over voorliggend initiatief. In bijlage 18 is een verslag van de gevoerde omgevingsdialoog bijgevoegd.
xxxxxx heeft de gemeente Weert vooroverleg gevoerd met de provincie Limburg. De provincie heeft hierbij aangegeven in te kunnen stemmen met het plan
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Weert. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling binnen het plangebied, Jansakkerhoeve te Tungelroy (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling van de Jansakkerhoeve te Tungelroy . Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Voor onderhavig TAM-omgevingsplan voor de Jansakkerhoeve te Tungelroy is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan Weert (bestemmingsplan ''Altweerterheide, Laar, Stramproy, Swartbroek en Tungelroy''). Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet
Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie.
In TAM-omgevingsplannen hoeven geen bepalingen te worden opgenomen voor het overgangsrecht. Voorliggend plan vormt daarop geen uitzondering.
Conform kernvereiste 1 wordt er zo min mogelijk gebruik gemaakt van bijlagen bij regels, om het plan zo overzichtelijk mogelijk te houden. Voor dit plan zijn er 4 bijlagen opgenomen bij de regels. Dit betreffen het stedenbouwkundig schetsplan, beeldkwaliteitplan, beplantingsplan en de Quickscan Natuurwaarden.