direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22h Jean Amentstraat-Truppertstraat
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0988.TAMJAmentTruppert-ON01

Regels

Pre-ambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie Jean Amentstraat - Truppertstraat en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk 22h van het omgevingsplan van de gemeente Weert. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22h van het omgevingsplan van de gemeente Weert.

In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22h gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 22h gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

De begripsbepalingen in de volgende bijlagen zijn van toepassing voor dit TAM-omgevingsplan, tenzij in artikel 2 daarvan is afgeweken:

  • a. bijlage 1 bij het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • b. bijlage 1 bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
  • c. bijlage 1 bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • d. bijlage 1 bij het Omgevingsbesluit;
  • e. bijlage 1 bij de Omgevingsregeling.

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1 worden voor de toepassing van de regels in dit plan de volgende begrippen gehanteerd:

2.1 Omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Weert.

2.2 TAM-omgevingsplan

Het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22h Jean Amentstraat-Truppertstraat, van de gemeente Weert met indenfiticatienummer NL.IMRO.0988.TAMJAmentTruppert-ON01

2.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.4 activiteit

Een verrichting die gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving.

2.5 agrarisch:

het (bedrijfsmatig) telen van gewassen en/of het houden van dieren.

2.6 agrarisch bedrijf

een bedrijf dat middels bedrijfsmatige activiteiten gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden en/of het voortbrengen van dieren en dierlijke producten, met daarin onderscheid tussen:

  • grondgebonden agrarisch bedrijf, waaronder wordt begrepen een akkerbouw bedrijf en een veehouderij, niet zijnde intensieve veehouderij en waaronder mede begrepen een paardenhouderij;
  • intensief veehouderijbedrijf;
  • glastuinbouwbedrijf;
  • intensieve kwekerij;
  • melkveehouderij;
  • vollegrondstuinbouw;

met dien verstande dat een manege niet als agrarisch bedrijf wordt aangemerkt.

2.7 ambachtelijk bedrijf

een bedrijf, dat is gericht op het geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen en het installeren van goederen, alsook het verkopen en/of leveren, als ondergeschikte activiteit, van goederen verband houdende met het ambacht.

2.8 agrarisch hobbymatig gebruik

kleinschalig agrarisch gebruik, anders dan ten behoeve van een agrarisch bedrijf.

2.9 agrarisch loonbedrijf of agrarisch technisch hulpbedrijf

een bedrijf dat is gericht op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het verrichten van loonwerk (inclusief verhuurbedrijven voor landbouwwerktuigen), het verrichten van grondverzet, veetransportbedrijven en veehandelsbedrijven. Mestopslag, mesthandel en mestverwerking valt hier niet onder.

2.10 agrarisch verwant bedrijf

een bedrijf of instelling gericht op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren of de toepassing van andere landbouwkundige methoden zoals dierenasiels, dierenklinieken, groencomposteringsbedrijven, hondenkennels, hoveniersbedrijven, instellingen voor agrarische praktijkonderwijs, proefbedrijven en volkstuinen.

2.11 agrarisch verwante nevenactiviteit

een op een agrarisch bedrijf uitgeoefende vorm van agrarisch verwante bedrijvigheid in de omvang van een nevenactiviteit.

2.12 agrarische nevenactiviteit

hobbymatige agrarische activiteiten, die ondergeschikt aan de woonfunctie worden uitgeoefend.

2.13 archeologisch onderzoek

Onderzoek verricht door of namens de gemeente of door een dienst, bedrijf of instelling, beschikkend over een opgravingvergunning ex artikel 45 van de Monumentenwet en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

2.14 archeologische waarde

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden.

2.15 bebouwing

een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.16 bedrijf aan huis

Een dienstverlenend ambachtelijk bedrijf, dat op kleine schaal in een woning en/of daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Het bedrijf wordt uitgeoefend door één van de bewoners van de woning.

2.17 beeldkwaliteitsplan

De beleidsregel 'beeldkwaliteitsplan Jean Amentstraat-Truppertstraat Tungelroy', zoals vastgesteld op PM of diens rechtsopvolger.

2.18 beroep aan huis

Een dienstverlenend beroep, dat op kleine schaal in een woning en/of daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Onder een aan huis gebonden beroep worden hier eveneens begrepen consument verzorgende activiteiten (bijvoorbeeld kapper, schoonheids-specialist(e), nagelstudio, atelier). Het beroep wordt uitgeoefend door één van de bewoners van de woning en aan maximaal 2 personen tegelijk mogen diensten worden aangeboden.

2.19 betaalbare woning
  • 1. Zelfstandige huurwoning waarvan de aanvangshuurprijs ten minste gelijk is aan het bedrag zoals bedoeld in artikel 13 eerste lid onder a van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste gelijk is aan de maximale huurprijs behorende bij 186 punten op grond van het woningwaarderingsstelsel (WWS), met dien verstande dat (toekomstige) wettelijke opslagen of opslagen uit landelijke (tijdelijke uitvoerings)besluiten van toepassing zijn, danwel een
  • 2. Betaalbare koopwoning, met een maximale vrij op naam prijs zoals bepaald in artikel 1 sub c onder 3 Besluit Woningbouwimpuls 2020 (voor 2025: €405.000,00), welke prijs bij ministeriele regeling elk kalenderjaar gewijzigd wordt aan de hand van de consumentenprijsindex.

2.20 bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

2.21 bouwgrens

de grens van een bouwvlak

2.22 bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat bestaat uit één of meer ruimten, waarbij de bovenkant van de afgewerkte vloeren van twee aan elkaar grenzende ruimten niet meer dan 1,5m in hoogte verschillen, zulks met uitzondering van een onderbouw of zolder.

2.23 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten

2.24 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel

2.25 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten

2.26 bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

2.27 functie

het gebruiksdoel dat een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft.

 

2.28 gebruik

de wijze waarop gronden en bouwwerken worden gebruikt, waarbij het kan gaan om functies en gebruiksactiviteiten.

2.29 geurcontour

de afstand welke krachtens de Wet geurhinder en veehouderij dan wel het Activiteitenbesluit minimaal moet worden aangehouden tussen een emissiepunt van een veehouderij en geurgevoelig objecten, dan wel tussen het gebied rondom een veehouderij dat volgens dit omgevingsplan en rekening houdend met bestaande belemmeringen voor het oprichten van dierenverblijven in aanmerking komt, die wordt begrensd door een bij of krachtens de Wet geurhinder en veehouderij dan wel Activiteitenbesluit geldende maximale waarde voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten.

2.30 grondgebonden agrarisch bedrijf

een agrarische bedrijfsvoering die geheel dan wel grotendeels afhankelijk is van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend. Tot een grondgebonden agrarisch bedrijf worden met name een akkerbouwbedrijf, een veehouderij (niet zijnde een intensief veehouderijbedrijf), alsmede een productiegerichte en/of gebruiksgerichte paardenhouderij gerekend.

 

2.31 hoofdstuk

het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22h Jean Amentstraat-Truppertstraat met identificatienummer NL.IMRO.0988.TAMJAmentTruppert-ON01 van de gemeente Weert.

 

2.32 locatievlak

Een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een locatie met een bepaald gebruiksdoel.

2.33 molenbiotoop

de gehele omgeving van een molen, voor zover van invloed op het functioneren van de molen als maalwerktuig én als monument, waarbij naast windvang ook gelet moet worden op de belevingswaarde van de molen.

2.34 plangebied

het gebied zoals weergegeven in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0988.TAMJAmentTruppert-ON01 bestaande uit de locaties waar de regels uit dit hoofdstuk van toepassing zijn.

2.35 sociale huurwoning

Een huurwoning als bedoeld in artikel 5.161c Bkl, met een aanvangshuurprijs die in het jaar dat de huurovereenkomst wordt gesloten onder de grens als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a van de Wet op de huurtoeslag, welke grenzen van jaar tot jaar zullen kunnen wijzigen.

 

2.36 verbeelding

de verbeelding van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22h Jean Amentstraat-Truppertstraat.

2.37 wonen

het wonen in een woning.

2.38 woning

een (gedeelte van een) gebouw dat uitsluitend dient voor de huisvesting van één zelfstandige huishouding.

2.39 zelfstandige woning

de kleinste binnen één of meer gebouwen gelegen en voor woondoeleinden geschikte eenheid van gebruik die in functioneel opzicht zelfstandig is.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0988.TAMJAmentTruppert-ON01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Beleidsregel

  • 1. Het Beeldkwaliteitsplan waarnaar in dit hoofdstuk 22h wordt verwezen kan na vaststelling van deze wijziging van het omgevingsplan door de gemeenteraad worden gewijzigd.
  • 2. Voor zover in deze regels wordt verwezen naar het Beeldkwaliteitsplan, geldt het beeldkwaliteitsplan, zoals die door de gemeenteraad is vastgesteld, op het moment van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel.

4.1 afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens

Tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

4.2 bouwhoogte van een bouwwerk

De bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, ventilatiekanalen, antennes, liftopbouwen, installatieruimten en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

4.3 goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Daar waar een gevellijn staat aangegeven op de verbeelding wordt de goothoogte gemeten in de gevellijn.

4.4 inhoud van een bouwwerk

De inhoud van een bouwwerk wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

4.5 oppervlakte van een bouwwerk

De oppervlakte van een bouwwerk wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

4.6 Overschrijding van de bouw- c.q. functiegrenzen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, technische installaties, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. functiegrenzen niet meer dan 0,50 meter bedraagt. Voor luifels, erkers en balkons geldt dat de bouw- c.q. functiegrenzen met maximaal 1,20 meter wordt overschreden.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden locaties of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Een locatie die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 8 Agrarisch - Binnen kern

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Agrarisch - Binnen kern.

8.2 Functieomschrijving

Een voor 'Agrarisch - Binnen kern' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. agrarisch grondgebruik;
  • b. behoud en ontwikkeling van bestaande landschappelijke karakteristiek en cultuurhistorische en archeologische waarden;
  • c. structureel groen;
  • d. behoud en ontwikkeling van recreatieve (mede-)gebruiksmogelijkheden.

met daaraan ondergeschikt:

  • e. recreatief medegebruik;
  • f. agrarisch hobbymatig gebruik;
  • g. groenvoorzieningen, waaronder mede wordt begrepen poelen;
  • h. verkeersvoorzieningen, waaronder perceelsontsluitingswegen, onverharde wegen en paden;
  • i. voorzieningen ten behoeve van openbaar nut;
  • j. (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • k. overige bijbehorende voorzieningen.

8.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
8.3.1 Algemeen

Op locaties die zijn aangewezen met deze functie mogen geen gebouwen worden gebouwd, uitgezonderd:

  • a. op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan bestaande gebouwen
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

8.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. Er mag uitsluitend een draaderfafscheiding of sierhekwerk tot een bouwhoogte van maximaal 2,00 m gebouwd worden.
  • b. De bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 2,00 m bedragen. Zij dienen voor het overige naar aard en afmetingen bij de functie te passen.

8.4 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de aard, hoogte en situering van bouwwerken indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing, ter voorkoming van onevenredige aantasting en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en ter verbetering van de gebiedskwaliteit.

De genoemde maatwerkvoorschriften mogen uitsluitend worden gesteld ten behoeve van:

  • a. het stedenbouwkundig beeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. een goede parkeerbalans;
  • d. de milieusituatie;
  • e. de sociale veiligheid;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • a. de bescherming van het cultuurhistorische karakter van de bestaande bebouwing en bouwwerken alsmede van omliggende waarden.

8.5 Afwijkende beoordelingsregels voor het bouwen
8.5.1 Vergunningplicht voor het afwijken ten behoeve van schuilgelegenheden

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8.3 voor het bouwen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, met dien verstande dat:

  • a. er uitsluitend sprake is van hobbymatig gebruik;
  • b. de oppervlakte per schuilgelegenheid maximaal 15 m² mag bedragen;
  • c. de goothoogte maximaal 2,00 m mag bedragen;
  • d. de bouwhoogte maximaal 3,00 m mag bedragen;
  • e. schuilgelegenheden met een kap van minimaal 20° en maximaal 45° worden afgedekt en minimaal aan één zijde open zijn;
  • f. per weiland maximaal één schuilgelegenheid mag worden opgericht;
  • g. bij of in het gebouw geen opslag van mest, gereedschappen, materialen of stalling van voertuigen plaatsvindt;
  • h. voldaan dient te worden aan de stedenbouwkundige- en kwaliteitseisen zoals omschreven in het 'Beeldkwaliteitsplan schuilgelegenheden, omheiningen en paardenbakken gemeente Weert';
  • i. er sprake moet zijn van een landschappelijke inpassing van de schuilgelegenheid;
  • j. inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd.

8.6 Specifieke functieregels voor gebruik
8.6.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of laten gebruiken in strijd met de functie wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en opstallen voor:

  • a. standplaats van onderkomens en als standplaats van kampeermiddelen;
  • b. permanente bewoning van de onderkomens en kampeermiddelen;
  • c. opslagdoeleinden, anders dan overeenkomstig het normale gebruik bij de functie 'Agrarisch - Binnen kern';
  • d. het innemen of hebben van een standplaats, met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel, teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden, dan wel anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek.

Artikel 9 Agrarisch - Buitengebied

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Agrarisch - Buitengebied.

9.2 Functieomschrijving

Een voor 'Agrarisch - Binnen kern' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. agrarisch grondgebruik;
  • b. behoud en ontwikkeling van bestaande landschappelijke karakteristiek en cultuurhistorische en archeologische waarden;
  • c. behoud en ontwikkeling van recreatieve (mede-)gebruiksmogelijkheden;

met daaraan ondergeschikt:

  • d. recreatief medegebruik;
  • e. agrarisch hobbymatig gebruik;
  • f. groenvoorzieningen, waaronder mede wordt begrepen poelen;
  • g. verkeersvoorzieningen, waaronder perceelsontsluitingswegen, onverharde wegen en paden;
  • h. voorzieningen ten behoeve van openbaar nut;
  • i. (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • j. overige bijbehorende voorzieningen.

9.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
9.3.1 Algemeen

Op locaties die zijn aangewezen met deze functie mogen geen gebouwen worden gebouwd, uitgezonderd:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

9.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde paardenbakken en/of stapmolens en/of tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en/of hagelnetten en/of containervelden;
  • b. omheiningen tot een bouwhoogte van maximaal 2,00 m;
  • c. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 2,00 m bedragen;
  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van recreatief medegebruik, zoals kleinschalige picknickplaatsen, wegwijzers, informatieborden, zitbanken, afvalemmers, e.d. met een bebouwingshoogte van maximaal 2 m;
  • e. overige bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals voederruiven, waarbij de bouwhoogte maximaal 2,00 m mag bedragen;
  • f. observatie-/uitkijkhutten met een bebouwingshoogte van maximaal 6 m;

9.4 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het functievlak:

  • a. de natuur- en landschappelijke compensatie die geleverd moet worden op de functie 'Agrarisch';
  • b. de aard, hoogte en situering van bouwwerken indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing, ter voorkoming van onevenredige aantasting en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en ter verbetering van de gebiedskwaliteit;

De onder a. en b. genoemde maatwerkvoorschriften mogen uitsluitend worden gesteld ten behoeve van:

  • c. het stedenbouwkundig beeld;
  • d. de verkeersveiligheid;
  • e. een goede parkeerbalans;
  • f. de milieusituatie;
  • g. de sociale veiligheid;
  • h. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • a. de bescherming van het cultuurhistorische karakter van de bestaande bebouwing en bouwwerken alsmede van omliggende waarden.

9.5 Afwijkende beoordelingsregels voor het bouwen
9.5.1 Vergunningplicht voor het afwijken van de bouwregels ten behoeve van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9.3 voor het bouwen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, met dien verstande dat:

  • a. omliggende waarden en functies niet onevenredig worden aangetast;
  • b. zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij de functie 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf', tenzij aangetoond wordt dat dit op grond van agrarische en/of landschappelijke motieven niet mogelijk is;
  • c. de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen maximaal 6 maanden per jaar aanwezig zijn;
  • d. de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen na afloop van de termijn in zijn geheel worden verwijderd;
  • e. rekening gehouden wordt met de milieukwaliteit, met name de waterhuishouding en de ecologische waarden in het gebied;
  • f. over de landschappelijke inpassing vooraf een positief onafhankelijk advies wordt verkregen;
  • g. voor het overige voldaan aan de 'Beleidsregels teeltondersteunende voorzieningen', zoals vastgesteld door gedeputeerde staten van Limburg op 13 december 2011.

9.5.2 Vergunningplicht voor het afwijken van de bouwregels ten behoeve van hagelnetten en containervelden

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9.3 voor het oprichten van hagelnetten en/of het aanleggen van containervelden, met dien verstande dat:

  • a. de noodzaak daartoe vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond;
  • b. rekening gehouden wordt met de milieukwaliteit, met name de waterhuishouding en de ecologische waarden in het gebied;
  • c. en moet sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing van de hagelnetten en containervelden;
  • d. voldaan wordt aan de 'Beleidsregels teeltondersteunende voorzieningen', zoals vastgesteld door gedeputeerde staten van Limburg op 13 december 2011;
  • e. op grond van het bepaalde in artikel 46 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd.

9.5.3 Vergunningplicht voor het afwijken van de bouwregels ten behoeve van recreatief medegebruik

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9.3 voor het oprichten van geringe bouwwerken ten behoeve van het recreatief medegebruik, zoals speel- en schuilgelegenheden, informatieborden en bewegwijzering, met dien verstande dat:

  • a. het bestaande agrarisch gebruik van de gronden niet onevenredig wordt belemmerd;
  • b. de voorzieningen aansluiten op de bestaande recreatieve routestructuur;
  • c. het bebouwd oppervlak maximaal 20 m² mag bedragen;
  • d. de goothoogte maximaal 3,00 m mag bedragen;
  • e. de bouwhoogte maximaal 5,00 m mag bedragen;
  • f. het geen aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voer- of vaartuig betreft;
  • g. voor gebouwen dienen voorts de volgende afstanden in acht te worden genomen tot de volgende functies en aanduidingen:
    • 1. bos en natuur: 10 m;
    • 2. landschapswaarden en waardevolle boom: 10 m;
    • 3. karakteristiek, specifieke vorm van waarde – veldkapel en specifieke vorm van waarde - veldkruis: 10 m;
    • 4. water: 5 m.
  • h. de landschappelijke waarden als benoemd onder 9.2 sub b niet worden aangetast.

9.6 Specifieke functieregels voor gebruik
9.6.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of laten gebruiken in strijd met de functie wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en opstallen voor:

  • a. permanente bewoning en bewoning door (buitenlandse) werknemers van onderkomens en kampeermiddelen;
  • b. het aanbrengen van foliemestbassins;
  • c. het aanbrengen van permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, zoals boogkassen, platglas, containervelden en hagel- en hopschermen, behoudens uitgespreid afdekmateriaal zoals bijvoorbeeld folies;
  • d. het amoveren van paden en wegen alsmede het aanbrengen van verharde wegen;
  • e. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
  • f. het gebruik van de grond voor de beoefening van lawaaisporten;
  • g. reclamedoeleinden;
  • h. het innemen of hebben van een standplaats, met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel, teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden, dan wel anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek;
  • i. buitenopslag, behoudens voor zover dit noodzakelijk is voor het op de functie gerichte gebruik.

9.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.7.1 Vergunningplicht werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen, verharden of verwijderen van wegen, paden en het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen behoudens het gebied gelegen tussen de voorzijde van het agrarisch bedrijf en de ontsluitingsweg'.

9.7.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in artikel 9.7.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
  • c. werken of werkzaamheden in het kader van het normale onderhoud en/of plaatsvinden in het kader van een normale agrarische bedrijfsexploitatie;
  • d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn en waarvoor tot het van kracht worden van het plan geen vergunning vereist was dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/afwijking of anderszins mogen worden uitgevoerd.

9.7.3 Beoordelingsregels

Werken en werkzaamheden als bedoeld onder 9.7.1 zijn slechts toelaatbaar, indien door deze werken en werkzaamheden, dan wel door daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de stedenbouwkundige en/of landschappelijke waarden van de desbetreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. Hierbij gelden de volgende toetsingscriteria:


Omgevingsvergunningplichtige werken/werkzaamheden   Criteria voor verlening van de omgevingsvergunning  
3.7.1 sub a.
het aanleggen van wegen en het aanbrengen van overige verhardingen  
- de wegen en overige verhardingen moeten noodzakelijk zijn voor onderhoud of bereikbaarheid ten behoeve van de doeleinden zoals omschreven in artikel 3.1.1
- de wegen en overige verhardingen betekenen geen aantasting van de aanwezige landschappelijke inpassing, danwel er wordt anderszins voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing  
3.7.1 sub a.
het verharden van onverharde paden  
- verharding van fietspaden is toegestaan over een strook van ten hoogste 50% van het onverharde pad tot een maximum van 1,50 m
- de recreatieve belevingswaarde mag niet onevenredig worden aangetast  
3.7.1 sub b.
het aanleggen van boomgaarden binnen een afstand van 50 m van de functie 'Recreatie - Dagrecreatie', 'Recreatie - Kampeerterrein', 'Wonen' en 'Bedrijf'  
er mag geen onevenredige aantasting van het op dat moment aanwezige woon- en leefklimaat optreden  
3.7.1 sub c.
het aanplanten van bomen en struiken voorzover het een gebied betreft met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - open gebied/akkercomplexen'  
er zijn uitsluitend beplantingen van geringe omvang aan de randen van open gebieden toegestaan die qua aard, omvang en hoogte geen inbreuk zijn op het open karakter van het gebied en die een compacte eenheid vormen met en aansluiten op bestaande bebouwing en beplanting  
3.7.1 sub c.
het aanplanten van bomen en struiken voorzover het een gebied betreft met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - open gebied/heideontginningen'  
er zijn uitsluitend beplantingen toegestaan die aansluiten op bestaande bebouwing of beplanting en hiermee een compacte eenheid vormen  

Artikel 10 Agrarisch - Agrarisch Bedrijf

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Agrarisch - Agrarisch Bedrijf.

10.2 Functieomschrijving

Een voor 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. een agrarisch bedrijf met de daarbij behorende voorzieningen, met een geheel of in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, waarbij per (gekoppeld) bouwvlak niet meer dan één bedrijf is toegestaan;
  • b. agrarisch grondgebruik;
  • c. behoud en ontwikkeling van de bestaande landschappelijke karakteristiek;
  • d. het aantal op de verbeelding aangeduide bedrijfswoningen, er is één bedrijfswoning toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning',

met daaraan ondergeschikt:

  • e. groenvoorzieningen,
  • f. parkeervoorzieningen
  • g. verkeersvoorzieningen, waaronder perceelsontsluitingswegen;
  • h. voorzieningen ten behoeve van openbaar nut;
  • i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • j. kleinschalige picknickplaatsen, wegwijzers, zitbanken, afvalemmers e.d. ten behoeve van kleinschalig recreatief medegebruik;
  • k. paardenbakken en/of stapmolens;

10.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
10.3.1 Algemeen

Op locaties die zijn aangewezen met deze functie mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bouwwerken passende binnen de functie;
  • b. bijgebouwen met een maximale oppervlakte van 150 m²;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • d. één bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning',
  • e. teeltondersteunende voorzieningen, hagelnetten, stapmolens, paardenbakken en mestopslag;
  • f. ten behoeve van recreatief medegebruik zijn kleinschalige picknickplaatsen, wegwijzers, zitbanken, afvalemmers e.d. toegestaan;

10.3.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. binnen het bouwvlak mogen gebouwen, de bedrijfswoning(en), bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd overeenkomstig de tabel bebouwing zoals opgenomen onder 10.3.4;
  • b. per bouwvlak is maximaal één agrarisch bedrijf toegestaan;
  • c. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
  • d. bedrijfsgebouwen, alsmede vrijstaande en aangebouwde bijgebouwen ten behoeve van de bedrijfswoning mogen niet voor de voorgevel van de woning of het verlengde daarvan worden opgericht. Hiervan uitgezonderd zijn bestaande bedrijfsgebouwen, die voor het verlengde van de voorgevel van de woning staan;
  • e. uitbreiding van het aantal m² dierenverblijven is niet toegestaan;
  • f. de onderlinge afstand tussen bedrijfsgebouwen mag maximaal 20 meter bedragen;
  • g. bedrijfsgebouwen dienen aan de maatvoering en situering te voldoen zoals opgenomen in de tabel bebouwing onder 10.3.4, tenzij de bestaande goot- en bouwhoogte op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan indien deze hoger is;
  • h. bedrijfswoningen dienen aan de inhoud te voldoen zoals opgenomen in de tabel onder 10.3.4, of maximaal de bestaande inhoud op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan indien deze groter is. Voor inpandige uitbreiding van de bedrijfswoning binnen de bestaande bouwmassa, zoals bij een woon-stal boerderij, is geen maximum volume van toepassing;
  • i. mestopslag is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • j. het onbebouwde blijvende deel van het bouwvlak mag worden verhard;
  • k. overkappingen zonder wanden of met maximaal 1 dichte wand mogen niet hoger zijn dan 3,00 meter, gemeten vanaf het aansluitend terrein. Overkappingen die geplaatst zijn op minder dan 0,5 meter van een wand van een bedrijfsgebouw, worden geacht te zijn omsloten door de desbetreffende wand van het bedrijfsgebouw;
  • l. bij een vollegrondstuinbouwbedrijf is maximaal 1.000 m² aan kassen toegestaan.

10.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen buiten het bouwvlak, op het onbebouwd blijvende gedeelte van het functievlak worden opgericht;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen aan de maatvoering te voldoen zoals opgenomen in de tabel bebouwing onder 10.3.4;
  • c. de bouwhoogte van erfafscheidingen en omheiningen mag maximaal 1,00 m bedragen voor de voorgevelrooilijn en maximaal 2,00 m achter de voorgevelrooilijn;
  • d. de bouwhoogte van teeltondersteunende voorzieningen mag maximaal 3,00 m bedragen;
  • e. overkappingen zonder wanden of met maximaal een dichte wand mogen niet hoger zijn dan 3,00 m, gemeten vanaf het aansluitend terrein. Overkappingen die geplaatst zijn op minder dan 0,50 m van een wand van een bedrijfsgebouw, worden geacht te zijn omsloten door desbetreffende wand van het bedrijfsgebouw;
  • f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van recreatief medegebruik, zoals kleinschalige picknickplaatsen, wegwijzers, informatieborden, zitbanken, afvalemmers, e.d. met een bebouwingshoogte van maximaal 2 m.

10.3.4 Tabel bebouwing
Maatvoering   Bedrijfs-
gebouwen  
Mest-silo's   Sleuf-silo's   Overige silo's   Erfafscheidingen   Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   Bedrijfswoning   Bijgebouwen bij de bedrijfs-
woning  
Goothoogte   Max. 5,50 m.   N.v.t.   N.v.t.   N.v.t.   N.v.t.   N.v.t.   Max. 5,50 m.   Max. 3,20 m.  
Bouwhoogte   Max. 5,50 m.   N.v.t.   N.v.t.   N.v.t.   N.v.t.   N.v.t.   Max. 5,50 m.   Max. 3,20 m.  
Dakhelling   Min. 120. uitgezonderd onderge-schikte bouwdelen   N.v.t.   N.v.t.   N.v.t.   N.v.t.   N.v.t.   Min. 120   Min. 120.   
Inhoud   N.v.t.   Max. 2.500 m3   N.v.t.   N.v.t.   N.v.t.   N.v.t.   Max. 750 m3   N.v.t.  
Bebouwd oppervlak   N.v.t.   N.v.t.   N.v.t.   N.v.t.   N.v.t.   N.v.t.   N.v.t.   Max. 150 m²  

10.4 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het functievlak:

  • a. de natuur- en landschappelijke compensatie die geleverd moet worden op de functie 'Agrarisch';
  • b. de aard, hoogte en situering van bouwwerken indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing, ter voorkoming van onevenredige aantasting en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en ter verbetering van de gebiedskwaliteit;

De onder a. en b. genoemde maatwerkvoorschriften mogen uitsluitend worden gesteld ten behoeve van:

  • c. het stedenbouwkundig beeld;
  • d. de verkeersveiligheid;
  • e. een goede parkeerbalans;
  • f. de milieusituatie;
  • g. de sociale veiligheid;
  • h. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • a. de bescherming van het cultuurhistorische karakter van de bestaande bebouwing en bouwwerken alsmede van omliggende waarden.

10.5 Afwijkende beoordelingsregels voor het bouwen
10.5.1 Vergunningplicht voor het afwijken van de bouwregels voor het uitbreiden van kassen bij een vollegrondstuinbouwbedrijf

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.3 voor het uitbreiden van kassen bij een vollegrondstuinbouwbedrijf tot maximaal 2.000 m², met dien verstande dat:

  • a. de noodzaak daartoe wordt aangetoond;
  • b. natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en belangen en het aangrenzende woon- en leefmilieu niet onevenredig worden aangetast;
  • c. dan wel de mogelijkheden voor het herstel van bedoelde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind;
  • d. op grond van het bepaalde in artikel 46 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd.

10.5.2 Vergunningplicht voor het afwijken van de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.3 voor het toestaan van een bouwhoogte van bedrijfsgebouwen van maximaal 12 m, met dien verstande dat de afwijking nodig is in verband met bedrijfseconomische dan wel andere zwaarwegende bedrijfsomstandigheden en dat de bouwhoogte ruimtelijk aanvaardbaar is.

10.5.3 Vergunningplicht voor het afwijken van de bouwregels ten behoeve van stageverblijven

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.3 voor het toestaan van stageverblijven of het toestaan van stageverblijven elders dan uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – stageverblijven', met dien verstande dat:

  • a. de noodzaak daartoe wordt aangetoond;
  • b. natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en belangen en het aangrenzende woon- en leefmilieu niet onevenredig worden aangetast;
  • c. dan wel de mogelijkheden voor het herstel van bedoelde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind;
  • d. maximaal 3 wooneenheden voor in totaal maximaal 6 personen zijn toegestaan;
  • e. het oppervlak van een wooneenheid maximaal 55 m² bedraagt;
  • f. de stageverblijven binnen bestaande bebouwing worden opgericht en er geen sprake mag zijn van zelfstandige wooneenheden;
  • g. er geen milieuhygiënische beperking in de agrarische bedrijfsvoering plaatsvindt van nabij gelegen agrarische bedrijven.

10.5.4 Vergunningplicht voor het afwijken van de bouwregels ten behoeve van recreatief medegebruik

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.3 voor het oprichten van geringe bouwwerken ten behoeve van het recreatief medegebruik, zoals speel- en schuilgelegenheden, informatieborden en bewegwijzering, met dien verstande dat:

  • a. het bestaande agrarisch gebruik van de gronden niet onevenredig wordt belemmerd;
  • b. de voorzieningen aansluiten op de bestaande recreatieve routestructuur;
  • c. het bebouwd oppervlak maximaal 20 m² mag bedragen;
  • d. de goothoogte maximaal 3,00 m mag bedragen;
  • e. de bouwhoogte maximaal 5,00 m mag bedragen;
  • f. het geen aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voer- of vaartuig betreft;
  • g. voor gebouwen dienen voorts de volgende afstanden in acht te worden genomen tot de volgende functies en aanduidingen:
    • 1. bos en natuur: 10 m;
    • 2. landschapswaarden en waardevolle boom: 10 m;
    • 3. karakteristiek, specifieke vorm van waarde – veldkapel en specifieke vorm van waarde - veldkruis: 10 m;
    • 4. water: 5 m.
  • h. de landschappelijke waarden als benoemd onder 10.2 sub c niet worden aangetast

10.5.5 Vergunningplicht voor het afwijken van de bouwregels ten behoeve van het vergroten van de inhoud van bedrijfswoningen

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.3 ten behoeve van het uitbreiden van de inhoud van de bedrijfswoning naar meer dan 750 m³ doch niet meer dan 1.000 m3, met dien verstande dat:

  • a. bestaande bebouwing op het perceel of elders wordt gesloopt, waarbij per m³ uitbreiding 4 m² bebouwing wordt gesloopt, dan wel;
  • b. op grond van het bepaalde in artikel 46 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd, waarbij per m³ uitbreiding een kwaliteitsverbetering plaatsvindt ter waarde van de kosten van de sloop van 4 m² bebouwing.

10.5.6 Vergunningplicht voor het afwijken van de bouwregels ten behoeve van het uitbreiden van het aantal m² dierenverblijven.

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.3 voor het uitbreiden van kassen bij een vollegrondstuinbouwbedrijf tot maximaal 2.000 m², met dien verstande dat:

  • a. aangetoond is dat het woon- en leefmilieu niet onevenredig wordt aangetast;
  • b. aangetoond is dat per saldo door de uitbreiding geen toename plaatsvindt van de stikstofdepositie op Natura2000 gebieden bijvoorbeeld door saldering met bedrijven die beëindigd worden of door toepassing van best beschikbare stalsystemen;
  • c. uitbreiding van het aantal m² dierenverblijven tot méér dan 10.000 m² vloeroppervlakte per agrarisch bedrijf of tot meer dan aanwezig is op het moment van ter visie leggen van het ontwerpomgevingsplan, dan wel waarvoor op dat moment een Omgevingsvergunning is aangevraagd, indien de vloeroppervlakte bij dat agrarisch bedrijf al meer is dan 10.000 m², niet mogelijk is, met uitzondering van de bedrijven die zijn gelegen in de aanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied';
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - uitbreiding dierenverblijf' uitbreiding van het aantal m² dierenverblijven ten opzichte van het aantal m² dierenverblijven, zoals aanwezig ten tijde van de ter inzagelegging van het ontwerpomgevingsplan, niet mogelijk is.

10.6 Specifieke functieregels voor gebruik
10.6.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of laten gebruiken in strijd met de functie wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en opstallen voor:

  • a. als opslag-, stort- en/of lozingsplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voor zover dat noodzakelijk is voor het op de functie gerichte gebruik van de grond en opstallen en met dien verstande dat bestaande, voor het bedrijf niet meer functionele bebouwing voor het stallen van voertuigen zoals caravans, campers, etc., boten, antieke auto's en tractoren (oldtimers) en oude landbouwwerktuigen mag worden gebruikt;
  • b. voor handels- en bedrijfsdoeleinden behoudens voor zover dat noodzakelijk is voor het op de functie gerichte gebruik van de grond en opstallen;
  • c. voor detailhandel, behoudens:
    • 1. detailhandel als ondergeschikte activiteit van op het eigen bedrijf of in de directe omgeving geproduceerde agrarische producten, alsmede van op het eigen bedrijf of in de directe omgeving op andere agrarische bedrijven bewerkte eigen agrarische producten, met dien verstande dat de verkoopruimte binnen de bestaande agrarische bebouwing is gelegen en de maximale maat van het verkoopvloeroppervlak niet meer bedraagt dan 100 m²;
  • d. voor niet- of semi-agrarische nevenactiviteiten;
  • e. als standplaats van onderkomens en als standplaats van kampeermiddelen
  • f. voor permanente bewoning en bewoning door buitenlandse werknemers van onderkomens en kampeermiddelen;
  • g. het gebruik van bebouwing als bed and breakfast, plattelandsappartementen, plattelandskamers en/of trekkershutten;
  • h. voor zelfstandige bewoning, voor zover het niet betreft de bestaande woning, een logiesgebouw ten behoeve van de huisvesting van buitenlandse werknemers en een stageverblijf ten behoeve van stagiaires;
  • i. het gebruik van aangebouwde bijgebouwen als afhankelijke woonruimte;
  • j. voor zelfstandige bewoning of afhankelijke woonruimte, indien het een vrijstaand bijgebouw betreft;
  • k. voor kantineactiviteiten, behoudens ten behoeve van het eigen bedrijf;
  • l. voor een horecabedrijf en/of –instelling;
  • m. voor reclamedoeleinden, behoudens ten behoeve van de eigen inrichting;
  • n. voor intensieve veehouderij
  • o. voor glastuinbouw,
  • p. voor het gebruik van gronden als paardenbak en/of stapmolen op minder dan 50 meter van woningen van derden en lichtmasten op minder dan 50 meter van woningen van derden;
  • q. als manege;
  • r. de uitoefening van enige vorm van handel en/of bedrijf, met uitzondering van de in de functieomschrijving omschreven vormen van bedrijfsmatig gebruik en met uitzondering van het gebruik van hoofd- en bijgebouwen voor een aan huisgebonden beroep en/of bedrijf tot een oppervlakte van maximaal 50 m2 en met uitzondering van het gebruik voor een aan huis gebonden beroep en/of bedrijf ter plaatse van de aanduiding 'beroep aan huis';
  • s. digitale verkoop via internet;
  • t. prostitutiedoeleinden;
  • u. als zorgboerderij;
  • v. het gebruik van gronden en opstallen voor mestbewerking/-verwerking als nevenactiviteit ten behoeve van meerdere bedrijven is niet toegestaan, met dien verstande dat mestbewerking/-verwerking als nevenactiviteit voor het eigen agrarisch bedrijf wel is toegestaan;
  • w. het op het eigen bedrijf verwerken van producten geproduceerd op agrarische bedrijven van derden voor meer dan 10% van het hetzelfde product afkomstig uit het eigen bedrijf;
  • x. voor bewoning van de bedrijfswoning door derden;
  • y. voor dierenverblijven voor zover het een vloeroppervlakte van 10.000 m² per agrarisch bedrijf overschrijdt, met uitzondering van het gebruik, zoals dit aanwezig was ten tijde van de ter inzagelegging van het ontwerpomgevingsplan, dan wel waarvoor op dat moment een Omgevingsvergunning is aangevraagd, in welk geval die grotere vloeroppervlakte niet mag worden overschreden en met uitzondering van bedrijven die zijn gelegen in de aanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied'.

10.6.2 Parkeren

Elk bedrijf dient te voorzien in de behoefte aan parkeergelegenheid (zowel voor personeel als voor bezoekers) en in gelegenheid voor laden en lossen, waarbij voldaan dient te worden aan de normen opgenomen in de Parkeerbeleidsnota 2006, tenzij voldoende openbare plaatsen aanwezig zijn volgens een beoordeling van burgemeester en wethouders.

10.7 Afwijkende beoordelingsregels voor het gebruik
10.7.1 Vergunningplicht voor het afwijken voor het gebruik van een aangebouwd bijgebouw als afhankelijke woonruimte

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.6.1 teneinde toe te staan dat een aangebouwd bijgebouw aan de bedrijfswoning gebruikt wordt als afhankelijke woonruimte, met dien verstande dat:

  • a. er geen sprake is van een zelfstandige woning;
  • b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
  • c. er maximaal één afhankelijke woonruimte per woning ontstaat;
  • d. de oppervlakte van de afhankelijke woonruimte niet meer dan 75 m² bedraagt.

10.7.2 Vergunningplicht voor het afwijken voor een grotere oppervlakte dan 50 m², of als bedrijfsruimte voor een aan huis gebonden bedrijf of een ambachtelijk bedrijf

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.6.1 voor een grotere oppervlakte dan 50 m2, of als bedrijfsruimte voor een aan huis gebonden bedrijf of een ambachtelijk bedrijf in een deel van een woning of de daarbij behorende bijgebouwen, met dien verstande dat:

  • a. het gebruik naar de aard met de woonfunctie in overeenstemming is;
  • b. de woonfunctie op het betrokken perceel niet in betekenende mate wordt aangetast;
  • c. maximaal 30% van de vloeroppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijgebouwen als zodanig wordt gebruikt;
  • d. geen gebruik plaatsvindt, dat meldings- of vergunningsplichtig is in het kader van de Wet milieubeheer, tenzij ten aanzien van meldingsplichtige activiteiten door de aanvrager middels onderzoek kan worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat door desbetreffende activiteit niet onevenredig worden aangetast;
  • e. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop in het klein in verband met het beroep of bedrijf;
  • f. het niet zodanig verkeersaantrekkende activiteiten betreft, dat ten gevolge daarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder extra parkeervoorzieningen, noodzakelijk zijn en die niet binnen het perceelsgedeelte, dat binnen het functievlak gelegen is, gerealiseerd kunnen worden.
10.7.3 Vergunningplicht voor het afwijken voor handel in de vorm van digitale verkoop via internet

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 10.6.1 voor handel in de vorm van digitale verkoop via internet, met dien verstande dat:

  • a. de producten door de klant niet ter plaatse besteld worden;
  • b. de bestelde producten door de ondernemer zelf of via de post c.q. een pakketdienst bij de klant thuis bezorgd worden;
  • c. er geen verkoop aan huis plaatsvindt;
  • d. maximaal 30 m² van het vloeroppervlak van de woning gebruikt wordt voor de digitale verkoop per internet, in de vorm van administratie en opslag goederen.

10.7.4 Vergunningplicht voor het afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van huisvesting van (buitenlandse) werknemers

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.6.1 ten behoeve van de huisvesting van (buitenlandse) werknemers in bestaande tot woongebouw te verbouwen bedrijfsgebouwen, dan wel nieuw te bouwen woongebouwen, met dien verstande dat:

  • a. natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en belangen en het aangrenzende woon- en leefmilieu niet onevenredig worden aangetast;
  • b. dan wel de mogelijkheden voor het herstel van bedoelde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind;
  • c. er huisvesting voor maximaal 30 personen wordt gerealiseerd die werkzaam zijn binnen het bedrijf;
  • d. per persoon minimaal 10 m2 aan oppervlakte met enige privacy aanwezig is;
  • e. er voldaan wordt aan de kwaliteitseisen zoals vastgelegd in de nota 'Huisvesting buitenlandse werknemers' van de gemeente Weert, zoals vastgesteld op 2 juli 2008;
  • f. het gebouw uit maximaal twee bouwlagen bestaat;
  • g. natuur- en landschappelijke compensatie wordt geleverd;
  • h. na beëindiging de situatie in zijn oorspronkelijke staat dient te worden teruggebracht of wordt hergebruik mogelijk gemaakt conform het dan geldende beleid (herstelregeling);
  • i. inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
  • j. er geen milieuhygiënische beperking in de agrarische bedrijfsvoering plaatsvindt van nabij gelegen agrarische bedrijven.

10.7.5 Vergunningplicht voor het afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van het toestaan van nevenactiviteiten

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.6.1 ten behoeve van:

  • a. het gebruik als bed and breakfast, plattelandsappartementen en/of plattelandskamers en/of trekkershutten gelegen binnen de bestaande bebouwing(smogelijkheden) met een totale oppervlakte van niet meer dan 300 m², inclusief een kleinschalige horecavoorziening. In totaal zijn per agrarisch bedrijf niet meer dan 10 slaapplaatsen in de vorm van plattelandsappartementen en/of plattelandskamers en/of trekkershutten toegestaan en maximaal 4 slaapplaatsen in de vorm van bed and breakfast;

met dien verstande dat:

    • 1. er een woning aangeduid is middels de aanduiding 'bedrijfswoning'.
    • 2. er binnen de functies 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf', 'Bedrijf' en 'Wonen' in hte Buitengebied van de gemeente Weert tesamen maximaal 180 slaapplaatsen ten behoeve van dit gebruik zijn toegestaan.
  • b. een groepsaccomodatie voor een groep van maximaal 30 personen;
  • c. kleinschalige dagrecreatie en daghoreca ten dienste van de extensieve recreatie in het buitengebied c.q. ondersteunend aan wandel- en fietsroutes;
  • d. expositie-, educatie- en culturele doeleinden alsmede doeleinden voor natuur- en landschapsbeheer;
  • e. een zorgboerderij, zoals dagopvang van gehandicapten en kinderopvang, gerelateerd aan de agrarische bedrijfsvoering;
  • f. in totaal zijn per agrarisch bedrijf nevenactiviteiten, zoals bedoeld onder c, d en e toegestaan binnen bestaande bebouwing tot een maximale vloeroppervlakte van 350 m², dit is inclusief de verkoopvloeroppervlakte van detailhandel, indien aanwezig;

10.7.6 Vergunningplicht voor het afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van het mede toestaan van bewoning van de bedrijfswoning door derden.

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 10.6.1 ten behoeve van het toestaan van bewoning van de voormalige bedrijfswoning door derden, met dien verstande dat:

  • a. de bedrijfswoning niet gelegen is in de aanduiding 'landbouwontwikkelingsgebied'.

Artikel 11 Groen

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Groen.

11.2 Functieomschrijving
11.2.1 Algemeen

Een voor 'Groen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. de aanleg en instandhouding van groenvoorzieningen;
  • b. dagrecreatieve voorzieningen;

met daaraan ondergeschikt:

  • c. paden en verhardingen;
  • d. speelvoorzieningen
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen;
  • g. poelen en soortgelijke infiltratievoorzieningen.

11.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
11.3.1 Algemeen

Op locaties die zijn aangewezen met deze functie mogen geen gebouwen worden gebouwd, uitgezonderd:

  • a. gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van nutsvoorzieningen;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

11.3.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van een gebouw mag maximaal 20 m² bedragen;
  • b. de bouwhoogte mag maximaal 3,50 m bedragen.

11.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • b. de bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer bedragen dan 5 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

11.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.4.1 Vergunningplicht werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verwijderen, rooien en/of kappen van houtwallen en/of houtsingels en/of andere houtopstanden.

11.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in artikel 11.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
  • c. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  • d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn en waarvoor tot het van kracht worden van het plan geen vergunning vereist was dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/afwijking of anderszins mogen worden uitgevoerd.

11.4.3 Beoordelingsregels

De in artikel 11.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden zijn toelaatbaar, indien door die werken en werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast. In verband hiermee kunnen compenserende maatregelen worden vereist.

Artikel 12 Verkeer

12.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Verkeer.

12.2 Functieomschrijving

Een voor 'Verkeer' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. wegen;
  • b. fiets- en voetpaden;

met daarbij behorende:

  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. kunstwerken;
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. waterlopen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • h. geluidwerende voorzieningen.
12.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
12.3.1 Gebouwen

Op locaties die zijn aangewezen met deze functie mogen geen gebouwen worden gebouwd, uitgezonderd:

  • a. gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van nutsvoorzieningen;
  • b. de oppervlakte van bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen mag niet meer dan 25 m² bedragen en de bouwhoogte mag niet meer dan 3,50 m bedragen.

12.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van objecten voor beeldende kunst mag niet meer bedragen dan 8 m;
  • b. de oppervlakte van bouwwerken ten behoeve van het openbaar vervoer mag niet meer dan 25 m² bedragen en de bouwhoogte mag niet meer dan 3,50 m bedragen;
  • c. de bouwhoogte van speeltoestellen mag niet meer bedragen dan 5 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer dan 10,00 m bedragen.

12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.4.1 Vergunningplicht werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders ter plaatse van de aanduiding 'groen' de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verwijderen van beplanting en/of het aanbrengen van verhardingen.
12.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in artikel 12.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
  • c. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  • d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn en waarvoor tot het van kracht worden van het plan geen vergunning vereist was dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/afwijking of anderszins mogen worden uitgevoerd.
12.4.3 Beoordelingsregels

De in artikel 12.4.1 bedoelde werken of werkzaamheden zijn toelaatbaar, indien door die werken en werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast. In verband hiermee kunnen compenserende maatregelen worden vereist.

Artikel 13 Waarde - Archeologie hoog

13.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde - Archeologie hoog.

13.2 Functieomschrijving

Een voor 'Waarde - Archeologie hoog' aangewezen locatie is, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), bestemd voor:

  • a. de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.

13.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
13.3.1 Omgevingsvergunningplicht

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in subsubparagraaf 13.3.2, zonder een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders op en in de in artikel 13.2 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van meer dan 250 m²:

  • a. het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen tot een diepte van meer dan 40 cm beneden maaiveld en het aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 40 cm beneden maaiveld;
  • b. heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;
  • c. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • e. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • f. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen;
  • g. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten;
  • h. het tot stand brengen en of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • i. het aanleggen of verbreden/verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met grondverstoringen dieper dan 40 cm beneden maaiveld.

13.3.2 Uitzonderingen omgevingsvergunning-plicht

Het in subsubparagraaf 13.3.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden indien:

  • a. de activiteiten betrekking hebben op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  • b. de activiteiten betrekking hebben op een bouwwerk met een verstoringsoppervlakte kleiner dan 250 m², ongeacht de diepte;
  • c. de activiteiten betrekking hebben op een bouwwerk met een verstoringsoppervlakte groter dan 250 m² dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm beneden maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst, of
  • d. de activiteiten betrekking hebben op een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd waarvan de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,00 m;
  • e. de activiteiten betrekking hebben op het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen over een oppervlakte van minder dan 250 m² tot een diepte van meer dan 40 cm beneden maaiveld en het aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 40 cm beneden maaiveld;
  • f. de activiteiten betrekking hebben op heiwerkzaamheden en/of het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • g. de activiteiten betrekking hebben op het verlagen of verhogen van het waterpeil over een oppervlakte van meer dan 250 m²;
  • h. de activiteiten betrekking hebben op het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • i. de activiteiten betrekking hebben op het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • j. de activiteiten betrekking hebben op het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • k. de activiteiten betrekking hebben op het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • l. de activiteiten betrekking hebben op het tot stand brengen en of in exploitatie brengen van boor- en pompputten over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • m. de activiteiten betrekking hebben op het aanleggen of verbreden/verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen met grondverstoringen dieper dan 40 cm beneden maaiveld over een oppervlakte van minder dan 250 m²;
  • n. de activiteiten betrekking hebben op werken die ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd;
  • o. de activiteiten betrekking hebben op werken die worden uitgevoerd in bestaande weg- en/of leidingcunetten;
  • p. de activiteiten betrekking hebben op werken die worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud en beheer.

13.3.3 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.

13.3.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:

  • a. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; of
  • b. schade door de bodemingreep kan worden voorkomen of voldoende kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften;
  • c. de werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd zijn toegestaan op grond van de regels van de andere functies, waarmee deze functie samenvalt.

13.3.5 Vergunningvoorschriften

Aan de omgevingsvergunning kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. het voorschrift tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden verbonden;
  • b. het voorschrift tot het doen van opgravingen;
  • c. het voorschrift om de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

Artikel 14 Waarde - Gebied met kwetsbaar reliëf

14.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde - Gebied met kwetsbaar reliëf.

14.2 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Gebied met kwetsbaar reliëf aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor:

  • a. behoud van de aanwezige hoogteverschillen in de bodemopbouw.

14.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
14.3.1 Hoofdgebouwen

Op locaties die zijn aangewezen met deze functie mogen geen gebouwen worden gebouwd.

14.3.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Op locaties die zijn aangewezen met deze functie mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken geen gebouw zijnde van geringe omvang welke noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de aanwezige hoogteverschillen in de bodemopbouw, met dien verstande dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 2,00 meter mag bedragen.

14.4 Afwijkende beoordelingsregels voor het bouwen
14.4.1 Vergunningplicht voor het afwijken van de bouwregels ten behoeve van bouwen van bouwwerken

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 14.3 ten behoeve van het bouwen bouwwerken, geen gebouwen zijnde , met dien verstande dat:

  • a. het belang van de in artikel 14.2 genoemde waarden, niet onevenredig wordt aangetast;
  • b. bebouwing mogelijk is op grond van de onderliggende functie.

14.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
14.5.1 Vergunningplicht werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ophogen, afgraven, egaliseren, diepploegen en diepwoelen van de bodem, het aanbrengen van ondergrondse leidingen;
  • b. het aanbrengen van verhardingen.

14.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in artikel 14.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
  • c. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  • d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn en waarvoor tot het van kracht worden van het plan geen vergunning vereist was dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/afwijking of anderszins mogen worden uitgevoerd.

14.5.3 Beoordelingsregels

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 14.5.1 zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de in artikel 14.2 genoemde waarden en doeleinden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind.

Hierbij gelden de volgende toetsingscriteria:

Omgevingsvergunningplichtige werken/werkzaamheden   Criteria voor verlening van de omgevingsvergunning  
37.7.1 sub a.
ophogen, afgraven, egaliseren, diepploegen, diepwoelen, aanbrengen ondergrondse leidingen  
de werken dienen noodzakelijk te zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsuitoefening dan wel ontsluiting of nutsvoorziening van in het gebied aanwezige woningen of bedrijfsgebouwen, waarbij de bestaande hoogteverschillen niet onevenredig mogen worden aangetast  
37.7.1 sub b.
het aanbrengen van verhardingen  
de bestaande hoogteverschillen mogen slechts plaatselijk en in geringe mate worden aangetast  

Artikel 15 Water

15.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Water.

15.2 Functieomschrijving

Een voor Water aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. waterhuishoudkundige doeleinden ten dienste van het oppervlaktewaterbeheer: het ontvangen, vasthouden, (tijdelijk) bergen en afvoeren van water, eventueel gecombineerd met infiltratie van water in de bodem;
  • b. primaire watergangen, secundair water en waterpartijen, vijvers en waterlopen;
  • c. de aanleg en/of instandhouding van waterhuishoudkundige voorzieningen;

een en ander met de daarbij behorende voorzieningen, zoals bermen, paden, beschoeiingen e.d.

15.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
15.3.1 Algemeen

Op locaties die zijn aangewezen met deze functie mogen geen gebouwen worden gebouwd, uitgezonderd:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde welke qua aard en afmetingen passen binnen deze functie, zoals bruggen, oeverbeschoeiingen, kademuren, duikers, steigers e.d.;
  • b. gebouwen zoals bestaand op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan;
  • c. de gronden mogen niet overkluisd of overbouwd worden.

15.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij water gelden de volgende regels:

  • a. Boven of op de voor 'Water' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd welke noodzakelijk zijn voor het beheer en onderhoud van het water c.q. de watergang en ten dienste van deze fucntie, zoals kademuren, steigers en hekwerken, mits de bouwhoogte niet meer dan 2,00 meter boven het afgewerkte maaiveld bedraagt.
15.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
15.4.1 Vergunningplicht werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verleggen, vergraven en/of dempen van het water.
15.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in artikel 15.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het omgevingsplan een (omgevings)vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is verleend;
  • b. die het normale onderhoud en beheer betreffen.
15.4.3 Beoordelingsregels

Werken en werkzaamheden als bedoeld onder 15.4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits deze werkzaamheden noodzakelijk zijn ten behoeve van:

  • a. een betere en veilige verkeersafwikkeling, of
  • b. de bereikbaarheid van de achterliggende functies, of
  • c. het waterbeheer, of
  • d. indien door deze werken en werkzaamheden, dan wel door daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke en beeldkwalitatieve waarde van de gronden en de waterloop, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. Hiertoe wordt de beheerder van de waterloop gehoord.

Hierbij geldt de volgende toetsingscriteria:

er mag geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterstructuur en de waterhuishoudkundige situatie. Hiertoe kunnen compenserende maatregelen worden vereist.

Artikel 16 Wonen

16.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Wonen.

16.2 Functieomschrijving

Een voor Wonen aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. wonen;

met daaraan ondergeschikt:

  • b. beroep aan huis, uitsluitend ten behoeve van de functie wonen, overeenkomstig subparagraaf 16.4.2;

met de daarbij behorende:

  • c. balkons;
  • d. dakterrassen;
  • e. in- en uitritten;
  • f. ontsluitingswegen;
  • g. paden en verhardingen;
  • h. parkeervoorzieningen;
  • i. tuinen en erven;
  • j. waterpartijen.

16.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
16.3.1 Algemeen
  • a. Op locaties die zijn aangewezen met voor functie mogen ten behoeve van 'Wonen' uitsluitend worden gebouwd:
    • 1. hoofdgebouwen;
    • 2. bijbehorende bouwwerken;
    • 3. ondergrondse bouwwerken;
    • 4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • b. Voor het bouwen van bouwwerken gelden de ruimtelijke kwaliteitskaders zoals opgenomen in het stedenbouwkundig plan, zoals opgenomen in Bijlage 1 bij de regels en het beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in Bijlage 2 bij de regels. Dit wordt getoetst door de stedenbouwkundige.

16.3.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. Ten aanzien van de maatvoering van hoofdgebouwen gelden de volgende regel:
    • 1. de goothoogte en bouwhoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  • c. Het bouwvlak mag in zijn geheel worden bebouwd, met dien verstande dat bij nieuw te bouwen woningen:
    • 1. in geval van een vrijstaande woning het hoofdgebouw op een zijdelingse perceelsafstand van minimaal 3 m moet worden gesitueerd;
    • 2. in geval van een 2-1 kap, een geschakelde of een halfvrijstaande woning het hoofdgebouw aan één zijde op een zijdelingse perceelsafstand van minimaal 3 m moet worden gesitueerd, aan de andere zijde mag het hoofdgebouw op de perceelsgrens worden gesitueerd;
    • 3. in geval van een rijwoning het hoofdgebouw aan beide zijden op de perceelsgrens mag worden gesitueerd.
  • d. het aantal woningen/wooneenheden mag niet meer bedragen dan is aangeduid met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'.
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - cultuurhistorisch waardevol' dienen de west- en noordgevel van het oorspronkelijke gebouw behouden te blijven.

16.3.3 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij woningen gelden de volgende regels:

  • a. het bouwen van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak en de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - bijbehorende bouwwerken' is niet toegestaan;
  • b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,2 meter;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6,0 meter;
  • d. de gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 150 m² per woning, met dien verstaande dat de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per bouw-/woonperceel buiten het bouwvlak niet meer is dan 50% van de oppervlakte van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - bijbehorende bouwwerken';
  • e. bijbehorende bouwwerken in de vorm van een overkapping met minimaal 2 en maximaal 3 wanden mogen tot maximaal 1,50 m vóór de naar de weg gekeerde bouwgrens worden geplaatst, mits het gedeelte van de overkapping voor de naar de weg gekeerde bouwgrens aan alle kanten open is en mits op zijerven die grenzen aan de weg of het openbaar groen of openbaar water ook de wand(en) die gelegen is/zijn achter het verlengde van de naar de weg gekeerde bouwgrens open blijft/blijven voor zover dat voor de verkeersveiligheid benodigde uitzichthoek van 45° ten opzichte van de naar de weg gekeerde bouwgrens nodig is. Overkappingen geplaatst op minder dan 0,50 m van een wand van een hoofd- of een ander bijgebouw worden geacht te zijn omsloten door de desbetreffende wand van het hoofd- of een ander bijgebouw.

16.3.4 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 4,00 m bedragen, met uitzondering van:
    • 1. de bouwhoogte van erfafscheidingen, mag maximaal 2,00 m bedragen.

16.3.5 Ondergronds bouwen

Op de locatie(s) die zijn aangewezen als 'Wonen' gelden voor ondergronds bouwen de volgende regels:

  • a. op de gronden mag uitsluitend ondergronds worden gebouwd op plaatsen waar hoofd- en bijbehorende bouwwerken zijn of gelijktijdig worden gebouwd, en daarnaast mogen direct aansluitend in- en uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd;
  • b. de verticale diepte mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

16.4 Specifieke functieregels voor gebruik
16.4.1 Woningcategorie

Voor het realiseren en gebruiken van woningen gelden de volgende regels:

  • a. minimaal 25% van het totale aantal woningen binnen het plangebied dient als sociale huurwoning te worden gerealiseerd;
  • b. minimaal 39% van het totale aantal woningen binnen het plangebied dient als betaalbare woning te worden gerealiseerd.

16.4.2 Beroep aan huis

Het uitoefenen van een beroep aan huis, of hiermee naar aard, uitstraling en omvang gelijk te stellen bedrijfsmatige activiteiten, vanuit de woning is toegestaan mits:

  • a. de activiteit plaats vindt in de woning of in een bijbehorend bouwwerk;
  • b. degene die de activiteit uitoefent, tevens de bewoner van de woning is;
  • c. de woning met inbegrip van bijbehorende bouwwerken gebruikt mag worden voor de uitoefening van het beroep met dien verstande dat de woning in overwegende mate ten behoeve van het wonen in gebruik blijft;
  • d. het beroep aan huis geen omgevingsvergunningplichtige activiteit of melding plichtige activiteit betreft;
  • e. de uiterlijke verschijningsvorm van de woning niet verandert;
  • f. er geen detailhandel plaatsvindt;
  • g. er geen ontoelaatbare publieks- en verkeersaantrekking ontstaat;
  • h. voorzien is in de eigen parkeerbehoefte;
  • i. maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning/bijbehorende bouwwerken gebruikt wordt voor het beroep aan huis;
  • j. aan maximaal 2 personen tegelijk diensten worden aangeboden.

 

16.5 Voorwaardelijke verplichtingen
16.5.1 Stedenbouwkundig ontwerp

Het gebruik van de gronden overeenkomstig het bepaalde in 16.2 is uitsluitend toegestaan onder voorwaarde dat voldaan wordt aan de regeling in artikel 17.1.

16.5.2 Beeldkwaliteitsplan

Het gebruik van de gronden overeenkomstig het bepaalde in 16.2 is uitsluitend toegestaan onder voorwaarde dat voldaan wordt aan de regeling in artikel 17.1 lid.

16.5.3 Onderzoeksaspecten

Het gebruik van de gronden overeenkomstig het bepaalde in 16.2 is uitsluitend toegestaan onder voorwaarde dat voldaan wordt aan de regeling in artikel 17.3.

16.5.4 Parkeren

Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt slechts verleend, indien voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgenomen in de regeling in artikel 17.6.

16.5.5 Geur

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - geurzone' is het gebruiken en/of laten gebruiken van de gronden waarop het gebruiksdoel van toepassing is, alleen toegestaan, mits middels onderzoek is aangetoond dat de geurbelasting op de woonkavel lager is dan de in de ‘Geurverordening geurhinder en veehouderij Weert 2007’, dan wel de opvolger(s) hiervan, gestelde gemeentelijke geurnorm .

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

Artikel 17 Voorwaardelijke verplichtingen

17.1 Stedenbouwkundig plan

Het oprichten van gebouwen en/of gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken waarop het gebruiksdoel van toepassing is, is alleen toegestaan op basis van een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd stedenbouwkundig plan, waarbij voldaan dient te worden aan de volgende voorwaarden:

  • a. het stedenbouwkundig plan dient gebaseerd te zijn op het stedenbouwkundig schetsplan, zoals bijgevoegd in bijlage 1 bij de regels;
  • b. het stedenbouwkundig plan dient gebaseerd te worden op het beeldkwaliteits- en beplantingsplan zoals bijgevoegd in bijlage 2 en 3 bij de regels;
  • c. het aantal parkeerplaatsen dient te voldoen aan de parkeernormen zoals opgenomen in artikel 17.6.

17.2 Inrichtingsplan

Het oprichten van gebouwen en/of gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken waarop het gebruiksdoel van toepassing is, is alleen toegestaan op basis van een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd inrichtingsplan, waarbij voldaan dient te worden aan de volgende voorwaarden:

  • a. het inrichtings plan dient gebaseerd te zijn op het (beeld)kwaliteitsplan zoals bijgevoegd in bijlage 2 bij de regels;
  • b. het inrichtingsplan dient gebaseerd te zijn op het belantingsplan zoals bijgevoegd in bijlage 3 bij de regels.

17.3 Milieuaspecten

Het oprichten van gebouwen en/of gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken waarop het gebruiksdoel van toepassing is, danwel het verlenen van een omgevingsvergunning is uitsluitend toegestaan wanneer is aangetoond dat het initiatief voldoet aan een goede fysieke leefomgeving, waarbij getoetst wordt aan de volgende milieuaspecten:

  • a. water: er dient voldoende waterberging te worden gerealiseerd en deze waterberging dient te worden gehandhaafd waarbij voldaan wordt aan de regeling artikel 17.4;
  • b. stikstof; de stikstofdepositie op Natura2000 gebieden mag niet meer dan 0,00 mol/ha bedragen;
  • c. bodemkwaliteit: de bodem dient geschikt te zijn voor de beoogde functie;
  • d. natuurwaarden: er dient aangetoond te worden dat er geen natuurwaarden worden verstoord, waarbij voldaan wordt aan de regeling in artikel 17.5;
  • e. geur: er dient aangetoond te worden dat de geurbelasting op het woonkavel voldoet aan de gestelde gemeentelijke geurnorm, waarbij voldaan wordt aan de regeling in artikel 16.5.5.

17.4 Hemelwaterberging

Het oprichten van gebouwen en/of gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken waarop het gebruiksdoel van toepassing is, is alleen toegestaan indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. er dient te zijn aangetoond dat de toename van de afvoer van afstromend regenwater gecompenseerd wordt conform de eisen van het waterschap en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit;
  • b. de compensatie dient tenminste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd te worden.
  • c. de compensatie bedraagt tenminste 100 mm per m2 bebouwd en verhard oppervlak, die binnen 24 uur na een bui weer voor 100% beschikbaar is .
  • d. de waterhuishoudkundige voorzieningen welke strekken tot de berging van het hemelwater als opgenomen in de omgevingsvergunning bouwen danwel een voorziening die een daarmee vergelijkbaar resultaat bewerkstelligd dienen uiterlijk binnen één jaar na de bouw van de woningen in het project worden gerealiseerd en in stand gehouden.

17.5 Natuurwaarden

Het oprichten van gebouwen en/of gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken waarop het gebruiksdoel van toepassing is, is alleen toegestaan indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. aangetoond dient te worden dat er nader onderzoek is uitgevoerd naar de in bijlage 4 'Aanvullend ecologisch onderzoek' genoemde beschermde soorten
  • b. en de daaruit voortvloeiende maatregelen zijn getroffen of de noodzakelijke vergunningen zijn verleend.

17.6 Parkeren
17.6.1 Parkeernormen
  • a. Bij het oprichten van gebouwen of het veranderen van gebruik dient de inrichting van elk perceel zodanig te zijn dat voldoende ruimte aanwezig is om zowel het parkeren voor motorvoertuigen als eventueel het laden en lossen op eigen terrein te kunnen afwikkelen. Op eigen terrein dient voorzien te zijn in voldoende parkeeraccommodatie, inclusief parkeergelegenheid voor werknemers en bezoekers, conform de parkeernormen als opgenomen in 'Nota parkeernormen 2025 Weert' dan wel de opvolger(s) hiervan. Uitgegaan wordt van de categorieën 'weinig stedelijk' en 'rest bebouwd kom'.
  • b. de onder a. bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:
    • 1. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 2,5 x 5,0 meter bedragen bij haaksparkeren;
    • 2. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 2,0 x 6,0 meter bedragen bij langsparkeren.

Artikel 18 Algemene aanduidingsregels

18.1 Milieuzone - spuitvrije zone

In afwijking van het overige in dit TAM-omgevingsplan bepaalde is het niet toegestaan op de gronden gelegen binnen de gebiedsaanduiding 'Milieuzone - spuitvrije zone', vanwege het garanderen van een goed woon- en leefklimaat, gebruik te maken van verspuitbare gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen.

18.2 Vrijwaringszone - molenbiotoop
18.2.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'vrijwaringszone - molenbiotoop'.

18.2.2 Bouwregels

Ongeacht hetgeen in de regels voor de op deze gronden rustende functie is bepaald, mag er ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' niet worden gebouwd voorzover de windvang van de molen daardoor in onevenredige mate wordt aangetast. Uitgangspunt hierbij is dat de optimale windvang tot maximaal 5% mag worden beperkt. Voor de bepaling van de hierbij toegestane bouwhoogten worden de formules, alsmede de afwijkingen, zoals opgenomen in bijlage 5 bij de regels gehanteerd.

18.2.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 18.2.2 voor het oprichten van beboung tot een grotere (bouw)hoogte dan bepaald in dat artikel, mits vooraf de Molenstichting Weerterland of diens opvolger om advies is gevraagd.

18.2.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het beplanten met bomen, heesters en andere hoog opgaande beplanting. Voor de bepaling van de hierbij toegestane hoogten worden de formules, als mede de afwijkingen, zoals opgenomen in bijlage 5 bij de regels gehanteerd.
  • b. Het onder 18.2.4 sub a. vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden:
    • 1. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het omgevingsplan een omgevingsvergunning is verleend;
    • 2. die het normale onderhoud en beheer betreffen.
  • c. Werken als bedoeld in 18.2.4 sub a. zijn slechts toelaatbaar, indien door deze werken en werkzaamheden, dan wel door daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de belangen van de molen niet onevenredig worden kunnen worden aangetast.

Artikel 19 Algemene binnenplanse omgevingsplanactiviteiten

19.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning:

  • a. de op de verbeelding aangegeven maten ten aanzien van goot- en/of bouwhoogten te overschrijden;
  • b. de op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen te overschrijden.

19.2 Beoordelingsregel omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit met betrekking tot bouwwerken
19.2.1 Afwijkende hogere maten

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 19.1 sub a wordt verleend, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden alsmede de elders in dit hoofdstuk beschreven ruimtelijke -, cultuurhistorische -, landschappelijke - en natuurwaarden, en;
  • b. de op de verbeelding aangegeven maten ten aanzien van goot- en/of bouwhoogten en percentages met ten hoogste 10% wordt overschreden, mits dit in verband met het realiseren van de functie noodzakelijk is of indien door de afwijking een betere bouwkundige en/of stedenbouwkundige aansluiting ontstaat met direct aangrenzende percelen en/of bouwwerken: deze afwijking mag niet cumulatief worden gebruikt ten opzichte van eerder met een omgevingsvergunning mogelijk gemaakte afwijkingen: uitgangspunt voor de afwijking is de normstelling zoals opgenomen in de bouwregels van bouwregels van artikel 16 Wonen van dit hoofdstuk.

19.2.2 Overschrijden van de op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 19.1 sub b wordt verleend, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden alsmede de elders in dit hoofdstuk beschreven ruimtelijke -, cultuurhistorische -, landschappelijke - en natuurwaarden, en;
  • b. een meetverschil daartoe aanleiding geeft, waarbij de afwijking niet meer mag bedragen dan 10%.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 20 Overgangsrecht

20.1 Bouwwerken
20.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

20.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 20.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 20.1.1 met maximaal 10 %.

20.1.3 Uitzondering

Het bepaalde in 20.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

20.2 Overgangsrecht gebruik
20.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet, uitgezonderd gebruik van gewasbeschermingsnmiddelen.

20.2.2 Verandering gebruik

Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in 20.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

20.2.3 Voorwaarde

Indien het gebruik, bedoeld in 20.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

20.2.4 Uitzondering

Het bepaalde in 20.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit artikel, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.