direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Oosteinde 4 en Prinses Beatrixstraat 3 Berkenwoude
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1931.BP1703BG010-VA01

Toelichting

identificatie   planstatus    
identificatiecode:   datum:   status:  
NL.IMRO.1931.BP1703BG010-VA01    23-02-2018   concept  
  24-05-2018   voorontwerp  
projectnummer:   28-08-2019   ontwerp  
400901.20161062   10-12-2019   vastgesteld  
     
opdrachtleider:      
ir. R.J.M.M. Schram      
     
     

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De Gereformeerde Gemeente van Berkenwoude (hierna: initiatiefnemer) heeft op dit moment een kerkgebouw aan de Prinses Beatrixstraat in Berkenwoude. Dit gebouw is door de groei van de kerkelijke gemeenschap te klein geworden. Uitbreiding op de bestaande locatie is stedenbouwkundig en verkeerskundig niet mogelijk. De initiatiefnemer wil daarom een nieuwe kerk realiseren op een voormalig bedrijfsperceel aan het Oosteinde, aan de zuidoostzijde van de kern. Bij de inrichting van het nieuwe perceel wordt gerefereerd aan de oorspronkelijke functie, zodat de kerk ruimtelijk ingepast wordt. Op de locatie van de huidige kerk ontstaat ruimte voor maximaal 5 woningen of 6 appartementen ten behoeve van starters. Hiermee wordt ruimte geboden aan o.a. jongeren die in de kern blijven wonen en zich zelfstandig willen vestigen in de kern Berkenwoude.

De beoogde maatschappelijke functie aan het Oosteinde is strijdig met het geldende bestemmingsplan. Op basis van het vigerende bestemmingsplan, Buitengebied 2011, gelden voor deze locatie de bestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch met waarden'.

De beoogde woonfunctie aan de Prinses Beatrixstraat is ook strijdig met het geldende bestemmingsplan. Op basis van het vigerende bestemmingsplan, Dorpsgebied, geldt voor deze locatie de bestemming 'Maatschappelijk'.

Met dit bestemmingsplan worden de gewenste ontwikkelingen aan zowel Oosteinde 4 als aan de Prinses Beatrixstraat 3 planologisch mogelijk gemaakt.

1.2 Plangebied

Het plangebied van dit bestemmingsplan betreft het perceel Oosteinde 4 en het perceel Prinses Beatrixstraat 3 te Berkenwoude. Oosteinde 4 betreft de beoogde locatie van de nieuwe kerk. Deze locatie ligt aan de zuidoost rand de kern. De Prinses Beatrixstraat 3 is de locatie waar de oude kerk wordt gesloopt en maximaal 5 woningen of 6 appartementen ten behoeve van starters worden gerealiseerd. Deze locatie ligt in de kern Berkenwoude.

De ligging van beide gebieden is weergegeven in figuur 1.1..

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG010-VA01_0001.jpg"

Figuur 1.1 Ligging plangebied, deelgebied 1 = Oosteinde 4, deelgebied 2 = Prinses Beatrixstraat 3

(Bron: Google Earth)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied is opgesplitst in twee deelgebieden. Deelgebied 1 betreft de beoogde nieuwbouwlocatie van de kerk Oosteinde 4 en deelgebied 2 betreft de locatie voor de nieuwe woningen Prinses Beatrixstraat 3 (zie ook figuur 1.1).

Deelgebied Oosteinde 4

Voor dit deelgebied vigeert het bestemmingsplan Buitengebied 2011. Dit bestemmingsplan is op 13 december 2011 vastgesteld door de (voormalige) gemeenteraad van Bergambacht.

Voor het plangebied vigeren de bestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch met waarden'. De beoogde ontwikkeling voor deze locatie, de bouw van een nieuwe kerk is niet mogelijk. De bouw van de nieuwe woning past wel binnen deze bestemming. Zie figuur 1.2 voor een uitsnede van de vigerende planologische situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG010-VA01_0002.jpg"

figuur 1.2: Uitsnede plankaart bestemmingsplan Buitengebied 2011

Deelgebied Prinses Beatrixstraat 3

Voor dit deelgebied vigeert het bestemmingsplan Dorpsgebied. Dit bestemmingsplan is op 21 okotber 2011 vastgesteld door de (voormalige) gemeenteraad van Bergambacht.

Voor het plangebied vigeert de bestemming 'Maatschappelijk'. De ontwikkeling van maximaal 5 woningen of 6 appartementen ten behoeve van starters is niet mogelijk op basis van deze bestemming. Zie figuur 1.3 voor een uitsnede van de vigerende planologische situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG010-VA01_0003.jpg"

Figuur 1.3: Uitsneden plankaart bestemmingsplan Dorpsgebied

1.4 Leeswijzer

Het voorliggende wijzigingsplan bestaat uit een toelichting, de regels en een planverbeelding. De toelichting is als volgt opgebouwd:

  • hoofdstuk 2: Bestaande en beoogde situatie. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de ruimtelijke aspecten van de beoogde functiewijziging;
  • hoofdstuk 3: Beleidskader. In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling aan nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid getoetst;
  • hoofdstuk 4: Toetsing aan de omgevingsaspecten;
  • hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving en uitleg planregels;
  • hoofdstuk 6: Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

Na de toelichting volgen de regels en de verbeelding.

Hoofdstuk 2 Bestaande en beoogde situatie

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bestaande en beoogde situatie.

2.2 Beschrijving plangebied

2.2.1 Huidige situatie: locatie Prinses Beatrixstraat

De Gereformeerde Gemeente te Berkenwoude is gesticht op 18 augustus 1913. In 1969 is het huidige kerkgebouw op de hoek van de Prinses Beatrixstraat en de Prinses Bernhardstraat geopend. Destijds lag dit gebouw gedeeltelijk buiten de bebouwing van de kern Berkenwoude, die zich concentreerde langs de Kerkweg. De Julianastraat was er toen al wel en de Prins Bernhardstraat was gepland en/of in aanbouw. Met de groei van het dorp groeide ook het aantal leden van de kerk. Inmiddels heeft de kerk 442 leden. Daarbij is de gemiddelde leeftijd in de kerkgemeenschap relatief jong: er zijn veel jonge mensen lid en het ledenaantal blijft groeien.

Het kerkgebouw vormt het kloppend hart van de Gereformeerde Gemeente. Naast de zondagse diensten wordt het gebouw doordeweeks ook intensief gebruikt. Op doordeweekse avonden zijn er bijeenkomsten van diverse aan de kerk gerelateerde (jeugd)clubs, commissies en verenigingen. Daarnaast vinden ook overdag diverse bijeenkomsten plaats. De kerk vervult daarmee naast de religieuze ook een belangrijke maatschappelijke functie.

In de loop der tijd is het kerkgebouw regelmatig aangepast aan de groeiende gemeenschap. Op dit moment heeft het gebouw een in de loop der jaren al herhaaldelijk vergrote kerkzaal, waar ruimte is voor 272 zitplaatsen. Met schuifwanden kunnen aanliggende zalen bij de kerkzaal betrokken worden waardoor 84 extra zitplaatsen beschikbaar zijn. In totaal zijn er dus 356 zitplaatsen beschikbaar. De twee zalen in het kerkgebouw worden buiten de kerkdiensten gebruikt voor bijeenkomsten van clubs, commissies en verenigingen. Daarnaast beschikt het pand over een kamer voor de kerkenraad.

2.2.2 Ruimtelijke knelpunten en wensen van de Gereformeerde Gemeente

Door de huidige omvang van de gemeenschap is het huidige pand aan de Prinses Beatrixstraat te klein geworden. De kerkzaal zou idealiter een capaciteit moeten hebben van 425 zitplaatsen. Ook is er te weinig capaciteit in de zalen, waardoor niet alle verenigingen en commissies elkaar wekelijks kunnen ontmoeten. Dit vraagt ook veel van de organisatie: voorafgaand en na afloop van iedere bijeenkomst is het nodig om meubilair te verplaatsen, de zaalinrichting aan te passen, zalen samen te voegen e.d.

Bovendien is in de omgeving sprake van een parkeerprobleem. Het huidige aantal parkeerplaatsen op eigen terrein van de kerk is maar één. De leden komen uit de directe landelijke omgeving, onder andere uit de bebouwingslinten rondom Berkenwoude. Gezien de afstand zijn deze mensen in de meeste gevallen op de auto aangewezen. Bovendien komen de oudere leden uit Berkenwoude met de auto. In de bestaande situatie, met name op zondagen, is daarom sprake van een grote parkeerdruk. Op die dag zijn tevens alle bewoners van de omliggende woningen thuis. Bovendien zijn er in Berkenwoude nog 2 andere kerken, zodat in de hele kern sprake is van een hoge parkeerdruk. Voor een aantal ouderen die slecht ter been zijn is dit een reden om niet naar de kerk te komen, aangezien zij niet verzekerd zijn van een parkeerplek in de directe nabijheid van de kerk. De mogelijkheid van het reizen met openbaar vervoer is geen optie. Dit ontbreekt namelijk in de kern Berkenwoude.

Een groter kerkgebouw is verder gewenst om de clubs, commissies en verenigingen te faciliteren. Daar is nu te weinig ruimte voor waardoor niet alle partijen wekelijks in de kerk terecht kunnen. Het vergroten van de capaciteit biedt de mogelijkheid om meer ruimte te bieden en daarmee het hart van de Gereformeerde Gemeente te zijn. De kerk is namelijk één van de weinige actieve en druk bezochte maatschappelijke voorzieningen in het dorp en daarmee van belang voor de sociale structuur.

In dat kader zou de initiatiefnemer met een groter gebouw ook extra maatschappelijke faciliteiten kunnen aanbieden. Één van de ideeën hiervoor het realiseren van een voor de inwoners van Berkenwoude toegankelijke opbaar-, dan wel afscheidsruimte voor nabestaanden. Deze is nu niet aanwezig in Berkenwoude.

Bovendien wil de kerk haar parkeerterrein in goed overleg ook beschikbaar stellen voor andere bijzondere activiteiten in het dorp, zoals bijvoorbeeld tijdens het Perkouws Feest. Tijdens dat jaarlijkse dorpsfeest komen er veel bezoekers van buiten het dorp naar Berkenwoude. Om de parkeerpiek op te vangen zou het parkeerterrein van de kerk gebruikt kunnen worden.

2.2.3 Huidige situatie: locatie Oosteinde

Aan de Oosteinde 4, aan de zuidoost rand van Berkenwoude ligt de beoogde locatie van het nieuwe kerkgebouw. Momenteel is ter plaatse van dit plangebied een voormalig agrarisch bedrijf gesitueerd. De bedrijfsvoering is reeds enkele jaren geleden beëindigd en de bedrijfspanden staan leeg. De locatie wordt via een brug ontsloten aan de weg Oosteinde, de verbindingsweg tussen de kern Berkenwoude en de overige kernen van de gemeente Krimpenerwaard.

Het perceel vormt onderdeel van de reeks kavels, die aan de zuidzijde van het lint Oosteinde hangen. Dit betreffen van oorsprong agrarische kavels. In de loop der tijd is de agrarische functie naar de achtergrond verdwenen en zijn hier diverse andere functies gekomen, waaronder woonfuncties.

2.3 Beoogde ontwikkeling

Locatie Oosteinde

Om te kunnen voorzien in een toekomst bestendige kerkgemeenschap is het noodzakelijk om een nieuw kerkgebouw te realiseren op een nieuwe locatie. De initiatiefnemer heeft deze nieuwe locatie gevonden aan de Oosteinde 4 te Berkenwoude. De gronden zijn reeds in eigendom van de initiatiefnemer en daardoor direct beschikbaar voor uitvoering van het planvoornemen. Alle bestaande bebouwing zal worden gesloopt.

Het voornemen betreft de bouw van een nieuw kerkgebouw ter plaatse van de huidige bedrijfsopstallen. Ten aanzien van de architectuur zal worden aangesloten bij het agrarisch karakter van het plangebied. Het kerkgebouw wordt vormgegeven als een schuur, een agrarisch opstal. Rondom de nieuwe kerkbebouwing wordt een ontsluitingsweg gerealiseerd, met aan de west en zuidzijde ruimte voor circa 71 parkeerplaatsen.

Ter plaatse van de te slopen woonboerderij wordt een nieuwe woning gerealiseerd, welke qua bouwstijl zal aansluiten bij het agrarisch karakter van het gebied. De woning dient wat architectuur betreft in harmonie met het kerkgebouw ontworpen te worden. Hiermee wordt bereikt dat het kerkgebouw en de woning een samenhangend ensemble vormen. De uitstraling en de detaillering dient traditioneel te zijn. Er worden natuurlijke materialen toegepast (baksteen, keramische dakpannen, hout) De gehele woning wordt voorzien van een kap. In de tuin van de nieuwe woning wordt een bijgebouw opgericht.

Direct ten zuiden van het woonperceel is een fietsenstalling voorzien in de vorm van een hooiberg.

Het plangebied wordt verder landschappelijk ingepast conform de eisen uit de beeldkwaliteitsparagraaf (zie paragraaf 2.4). Hierbij wordt aangesloten bij het landelijk karakter van het plangebied.

Figuur 2.1 geeft een impressie van de beoogde inrichting van de locatie Oosteinde 4.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG010-VA01_0004.jpg"

Figuur: 2.1: Impressie inrichting Oosteinde 4 (bron: Architectenbureau Born BV BNA)

Locatie Prinses Beatrixstraat

Na de realisatie van het nieuwe kerkgebouw aan de Oosteinde 4 zal de locatie aan de Prinses Beatrixstraat 3 een nieuwe invulling krijgen. Om bij te dragen aan de leefbaarheid van de kern Berkenwoude wordt beoogd om op deze locatie maximaal 5 grondgebonden woningen óf 6 appartementen voor starters te realiseren. Hiermee wordt het mogelijk voor jongeren om zich zelfstandig te vestigen in de kern Berkenwoude.

Voor de woningen zijn daarnaast de volgende uitgangspunten gehanteerd (zie figuur 2.2):

  • De woningen worden georienteerd op de Prins Bernardstraat;
  • De gevel richting de Prinses Beatrixstraat dient representatief te zijn;
  • Voor de goot- en bouwhoogte wordt aansluiting gezocht bij de bebouwing in de directe omgeving: de goothoogte bedraagt ten hoogste 6 m;
  • Aangesloten wordt op het ritme van de bouwmassa's en de gevelindeling van de naastgelegen percelen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG010-VA01_0005.jpg"

Figuur 2.2 Impressie inrichting Prinses Beatrixstraat

2.4 Beeldkwaliteit locatie Oosteinde

2.4.1 Beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing

De provincie Zuid-Holland zet in op ruimtelijke kwaliteit. Aan gemeenten dan wel de initiatiefnemer wordt gevraagd een motivering op te stellen als het bestemmingsplan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Dit is nodig als de ontwikkeling raakt aan een van de richtpunten uit de kwaliteitskaart of in een bijzonder of kwetsbaar gebied ligt. In deze paragraaf wordt aan de hand van het gebiedsprofiel uiteengezet hoe de bestaande ruimtelijke kwaliteiten worden veiliggesteld en welke nieuwe kwaliteit er wordt toegevoegd.

2.4.2 Gebiedsprofiel Krimpenerwaard

Het ambitiebeeld is een samenvatting van de belangrijkste thema's en bijbehorende ambities van de Krimpenerwaard.

  • Versterken van het contrast tussen de randen langs de rivieren en het middengebied enerzijds, en het contrast tussen buitendijks en binnendijks gebied anderzijds.
  • Koesteren van het uitgestrekte veenweidegebied en de relatieve openheid met het eeuwenoude kavelpatroon in landbouw- en natuurgebied.
  • Behoud en versterken van het contrast tussen onbebouwde wegen en verdichte oost-west georiënteerde linten en de verschillen in symmetrie respectievelijk asymmetrie tussen de linten onderling.
  • Versterken van de recreatieve mogelijkheden in het gebied door het toevoegen van pleisterplaatsen en ontbrekende schakels in het recreatieve netwerk.

Binnen het gebiedsprofiel valt de locatie in het veenweidegebied. Samen met de Lopikerwaard vormt de Krimpenerwaard het grootste aaneengesloten veenweidegebied van Nederland. De nog gave aanwezigheid van de middeleeuwse verkaveling, met de lange lijnen van kaden, weteringen en tiendwegen is een bijzondere kwaliteit van de Krimpenerwaard.

Vooral langs de Lek is het landschap weids en open, met diepe opstrekkende verkaveling vanaf de rivierdijk. De rand langs de Hollandsche IJssel heeft dezelfde diepe verkaveling vanaf de rivierdijk, maar de openheid is meer onderverdeeld dan langs de Lek.

Het middendeel van de Krimpenerwaard heeft een meer gevarieerd en kleinschalig landschapsbeeld door de aanwezigheid van linten met wegbeplantingen, eendenkooien en pestbosjes.

De zone aan weerskanten van de watergang de Vlist kenmerkt zich door het sterke contrast van kleinschalig lint en open veenweide dwars op de overheersende oostwest oriëntatie in de Krimpener- en Lopikerwaard.

Tenslotte ligt tussen het middengebied en de rand langs de Lek een overgangsgebied met kenmerken uit de twee aangrenzende gebieden: diepe kavels vanaf de Lek onderbroken door kleine landschapselementen. Drager van dit gebied is het kronkelige lint van Zuidbroek/Benedenberg/Tussenlanen. De kleinschalige zone tussen het lint en de Kadijk sluit aan bij de verdichte strook langs de Loet en biedt aanleiding om het overgangsgebied duidelijker te structureren.

De locatie ligt aan het lint van Oosteinde in het veenweide middengebied. Dit is een enkel ontginningslint met een asymmetrische opbouw met aan de zuidzijde een vliet (bredere waterloop). De (bouw)kavels worden via bruggen en duikers bereikt vanaf de weg. Langs het Oosteinde / Westeinde liggen boerderijen gemengd met woningen en open kavels daartussen. Maar ook de begraafplaats.

Er zijn een aantal hoofdambities voor de Krimpenerwaard benoemd.

  • Herkenbaar houden van het verschil tussen het kleinschalige middengebied en de meer grootschalige ontginningsgebieden langs de rivieren;
  • Behoud en versterking van de bijzondere landschappelijke kwaliteiten van het middengebied;
  • Behoud van het aanwezige opstrekkende verkavelingspatroon in natuurgebied en landbouwgebied;
  • Maatregelen voor de inrichting van het natuurgebied moeten passen binnen de landschappelijke karakteristiek van het deelgebied van de Krimpenerwaard waar ze in liggen en waar mogelijk de karakteristieke verschillen en landschappelijke grenzen versterken;
  • Inpassen van verbeterde ontsluiting voor de landbouw in de karakteristiek van het wegenpatroon.
  • De verschillende karakteristieken per dorp en lint behouden en versterken; maatwerk per locatie;
  • Het contrast tussen onbebouwde wegen en verdichte linten bewaren;
  • Bij verdichting in de linten versterken van de verschillen tussen een symmetrische of een asymmetrische opbouw van het lint;
  • Doorgaande linten en weteringen in de dorpen als verbindende structuren tussen dorp en landschap bewaren;
  • Vanuit het lint doorzichten op het landschap open houden;
  • Versterken en ontwikkelen van de herkenbaarheid van de Oude Hollandse Waterlinie.

In de gebiedsprofielkaarten zijn de thema's uit de hoofdambities verder uitgewerkt en beschreven. Hieronder is voor de relevante thema's aangegeven op welke manier wordt omgegaan met de ruimtelijke kwaliteitsambities.

2.4.3 Relevante thema's in het gebiedsprofiel

Herkenbaar waterrijk veenweidegebied/ Water als structuurdrager

Het veenweidegebied is een uniek en karakteristiek onderdeel van het Hollandsche landschap. De structuur ervan wordt bepaald door de rivieren en de parallel aan de rivieren aangelegde tiendwegen, kades en weteringen van waaruit het gebied vanaf de middeleeuwen ontgonnen is. Hierdoor is een landschap ontstaan met lange rechte lijnen en lange smalle kavels. Het waterpeil is hoog en het grondgebruik is overwegend grasland. De veenweide loopt tot aan de rivierdijk, alleen in de ondergrond is de voormalige rivierinvloed afleesbaar.

Kenmerkend voor het veenweidegebied zijn de vaarten en vlieten, brede watergangen die nauwelijks oversteekbaar zijn enerzijds, en de weteringen met een groot aantal bruggetjes en duikers anderzijds. Langs de Oosteinde ligt tussen de weg en de kavel een vliet.

Conclusie

Het kenmerkende waterpatroon met de brede watergang (vliet) langs de Oosteinde in Berkenwoude blijft gehandhaafd met een toegang over het water richting de kavel. De watergang wordt ter plaatse niet vernauwd of anderszins aangepast. Het polderwatersysteem blijft in tact.

Linten blijven Linten en identiteitsdragers

De bebouwing van het landelijke gebied is geconcentreerd in de linten. Door de ontginning vanuit de rivieren hebben de linten een oost-west oriëntatie. De linten zorgen voor een geleding van het landschap in noord-zuid richting en lange open ruimtes in oost-west richting. De linten in het gebied zijn in twee categorieën te onderscheiden: dijklinten en veenlinten. Binnen deze twee categorieën wordt verder gedifferentieerd. Oosteinde is een veenlint met enkele ontginningsas.

Conclusie

Binnen het lint van Oosteinde wordt een bestaande bouwkavel benut. Dit betekent in principe dat op de grotere structuur geen aanpassing binnen het lint wordt gedaan. Er vindt geen verdichting plaats. Binnen het lint is wel sprake van een functieverandering op de betreffende kavel. Deze functieverandering is passend binnen het lint. De opbouw van de kavel blijft in beginsel van toepassing met een boerderijwoning met bijgebouw op de kop en daarachter de grotere schuurkerk, vormgegeven als agrarische typologie zoals deze in de omgeving voorkomt. De bijbehorende parkeeropgave wordt landschappelijk ingepast door kleinere vakken met daaromheen hagen, welke refereren aan de voederplaten zoals deze in de omgeving voorkomen. De kavel wordt langs de waterkant afgezoomd met knotwilgen. Voorop de kavel is plek voor een kleine boomgaard zoals dit vroeger vaker voorkwam op de kop van kavels bij de agrarische woningen.

Per saldo verdwijnt er een groot deel van de bebouwing op de kavel. En wordt het geheel landschappelijk ingepast op een wijze behorend bij het landschap door inzet van gebiedseigen beplanting en strategische plaatsing. Zo wordt kwaliteit toegevoegd aan het landschap.

Rust en stilte

De locatie ligt in een stiltegebied met beperkte verstedelijking. Hier vindt men rust (het dagelijks geluid overstijgt de 40 dB niet) als contrast met het dynamische stedelijk gebied. Binnen deze gebieden is alleen ruimte voor gebiedseigen geluid om zo de bijzondere kwaliteit zo dicht bij de stad te behouden.

Conclusie

De bijzondere functie van schuurkerk past binnen het stiltegebied met een beperkte verstedelijking. Deze functie draagt nauwelijks bij aan het niveau van het dagelijks geluid, afgezien het aan- en afrijden van de bezoekers. Echter dit is op enkele gezette tijden in de week. Het geluid als afgeleide van de kerk is aan te merken als gebiedseigen geluid binnen de gemeenschap van het dorp Berkenwoude. Daarnaast betreft het een herontwikkeling van een voormalig agrarisch perceel met veel meer bebouwing dan terug wordt gebouwd.

2.4.4 Conclusies ruimtelijke beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing

De ontwikkeling van de schuurkerk met bijbehorende woning en bijgebouw heeft per saldo een vermindering van de bebouwing op het perceel tot gevolg. De geplande kerk staat op de plaats van de achterste stal. Hierdoor steekt de geplande nieuwe bebouwing minder massief het landschap in, wat een positief effect op de openheid van het achterliggende landschap heeft. Het geheel wordt als een agrarische typologie neergezet en als zodanig landschappelijk ingepast. Er wordt zo wel een nieuwe functie in het lint gevoegd, maar ruimtelijk wordt aangesloten bij de oorspronkelijke opbouw van de agrarische kavel. Er vindt geen verdichting binnen het lint plaats. De bestaande waterstructuur met brede vliet blijft in tact.

Hoofdstuk 3 Beleidskader en planologische toets

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de voor het plangebied ruimtelijk relevante beleidskaders samengevat. Het gaat hierbij om beleidsdocumenten op rijks-, provinciaal en gemeentelijk schaalniveau.

3.2 Nationaal beleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012) geeft een integraal kader voor het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Met deze structuurvisie streeft het Rijk naar een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, waarbij de gebruiker voorop staat, investeringen worden geprioriteerd en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid.

De SVIR verstevigt het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet'. De verantwoordelijkheid om te sturen in de ruimtelijke ordening wordt door de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte nog meer bij de provincie en gemeenten gelegd. Dit houdt in dat de betekenis van de nationale structuurvisie voor het beoogde initiatief zodoende zeer beperkt blijft. Het relevante beleidskader wordt gevormd door de provincie en vooral door de gemeente. De SVIR staat de uitvoering van de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2012)

De nationale belangen uit de SVIR (2012) die juridische borging vragen, worden geborgd in de AMvB Ruimte. Deze AMvB wordt in juridische termen aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Met het Barro geeft het Rijk aan dat ingezet wordt op zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare gebieden en bescherming van het land tegen overstroming en wateroverlast. Voor de beoogde ontwikkeling zijn er geen zaken die van belang zijn voor het Barro.

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking - Besluit ruimtelijke ordening art. 3.1.6

In artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is opgenomen dat bij een ruimtelijk plan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden. De ladder voor duurzame verstedelijking luidt als volgt:

Lid 2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Lid 3. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.

Lid 4. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Conclusie

Onder een stedelijke ontwikkeling wordt een ruimtelijke ontwikkeling verstaan van een bedrijventerrein of zeehaventerrein of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (Bro). Onder overige stedelijke voorzieningen wordt verstaan: accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure (Handreiking bij de Ladder voor duurzame verstedelijking, Ministerie van I&M, 2012). Een kerkgebouw is geen stedelijke ontwikkeling conform de 'landelijke' Ladder voor duurzame verstedelijking (zie o.a. jurisprudentie ABRvS 201405814/1/R2). De realisatie van een beperkt aantal nieuwe woningen worden niet gezien als een stedelijke ontwikkeling. Daar komt bij dat de beoogde ontwikkeling van de woningen plaatsvindt in het kader van herstructurering en herontwikkeling van een leegkomende locatie.

Het Bro en de ladder voor duurzame verstedelijking staat de ontwikkeling niet in de weg.

3.2.4 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het Rijksbeleid de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (2019)

Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit.

De provincie heeft zes richtinggevende ambities geformuleerd in de fysieke leefomgeving. Door in te zetten op de zes ambities wordt bijgedragen aan het sterker maken van Zuid-Holland.
Deze ambities zijn:

  • Naar een klimaatbestendige delta;
  • Naar een nieuwe economie: the next level;
  • Naar een levendige meerkernige metropool;
  • Energievernieuwing;
  • Best bereikbare provincie;
  • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.

Toetsing

Het plangebied ligt in het veenlandschap van de provincie. In dit gebied zet de provincie in op behoud en versterking van het waterrijke en open karakter. Daarnaast is behoud van de kenmerkende afwisseling van veenweidelandschap, rivieren, boezems, plassen en droogmakerijen van groot belang.

Ook maakt het plangebied onderdeel uit van gebieden met bijzondere kwaliteit (categorie 1). Een relatief beperkt aantal gebieden is zo bijzonder, waardevol en kwetsbaar, dat de instandhouding en mogelijke verdere ontwikkeling van de waarden die ze vertegenwoordigen voorrang heeft boven alle andere ontwikkelingen. Ruimtelijke ontwikkelingen in en direct grenzend aan de categorie 'gebieden met bijzondere kwaliteit' zijn alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan deze kwaliteit. Het plangebied betreft de categorie 'cultuurhistorische kroonjuwelen'. Het gebied Krimpenerwaard heeft landschappelijk en cultuurhistorisch een dusdanig karakter dat de bescherming en versterking van deze kwaliteiten centraal staat. Uitgangspunt is dat uiterst zorgvuldig gekeken moet worden naar de inpasbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen.

In het kader van de zorgvuldige ontwikkeling van het voornemen en de gevolgen voor het landschap en de directe omgeving van het plangebied is een beeldkwaliteitsparagraaf (zie paragraaf 2.4)opgesteld. Hiermee wordt voorzien in de borging van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied en de kernen van de gemeente Krimpenerwaard.

3.3.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland (2019)

De omgevingsvisie Zuid-Holland is vertaald in de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

Voor de beoogde ontwikkeling zijn artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit en 6.10 Stedelijke ontwikkelingen relevant.

Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen

  • 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:
    • a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;
    • b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
  • 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening.
  • 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie.

Toetsing trede 1 Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 6.10)

De beoogde ontwikkeling betreft een stedelijke ontwikkeling conform de Omgevingsverordening, waardoor getoetst moet worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 6.10).

Behoefte

De behoefte wordt ingegeven vanuit de inwoners van Berkenwoude voor duurzaam behoud van een religieuze voorziening en is lokaal van aard. De kerk wordt veelvuldig bezocht door de inwoners uit Berkenwoude. Naast de diensten op zondag wordt de kerk ook doordeweeks intensief gebruikt. Op doordeweekse avonden worden bijeenkomsten georganiseerd door diverse kerk gerelateerde (jeugd)clubs, commissies en verenigingen. De kerk vervult hiermee dus ook een belangrijke maatschappelijke functie naast de religieuze functie.

De Gereformeerde Gemeente Berkenwoude heeft momenteel haar kerkgebouw aan de Prinses Beatrixstraat, maar dat gebouw voldoet niet meer door de groei van de kerkelijke gemeenschap. In de loop der tijd is het kerkgebouw regelmatig aangepast aan de groeiende gemeenschap. Op dit moment heeft het gebouw een kerkzaal waar plaats is voor 272 zitplaatsen. Met schuifwanden kunnen aanliggende zalen bij de kerkzaal betrokken worden waardoor 84 extra zitplaatsen beschikbaar zijn. In totaal zijn er dus 356 zitplaatsen beschikbaar. Idealiter zou de kerkzaal een capaciteit moeten hebben van 425 zitplaatsen. Naast een tekort aan zitplaatsen in de kerk zelf, is er ook een tekort aan zalen en ruimte, waardoor niet alle clubs, verenigingen en commissies elkaar wekelijks kunnen ontmoeten.

Doordat de kerk intensief wordt bezocht is op de huidige locatie sprake van een parkeerprobleem. De leden komen uit de directe omgeving, onder andere uit de bebouwingslinten rondom Berkenwoude. Gezien de afstand zijn deze mensen op de auto aangewezen. In de bestaande situatie, met name op zondagen, is daarom sprake van een grote parkeerdruk. Het huidige aantal parkeerplaatsen op eigen terrein van de kerk is momenteel één.

Afweging alternatieven

Behoud op de huidige locatie

In eerste instantie is onderzocht of het mogelijk is om op de huidige locatie uit te breiden. Een uitbreiding op deze locatie stuit op de volgende bezwaren.

  • Ruimtelijk: de afgelopen jaren is het huidig kerkgebouw onderdeel geworden van de kern Berkenwoude. Bovendien zijn diverse uitbreidingen aan het kerkgebouw gerealiseerd. Het perceel van het huidige kerkgebouw is op dit moment nagenoeg geheel bebouwd. Verdere uitbreiding op deze locatie is niet mogelijk, tenzij in de perceelsgrenzen en in de hoogte gebouwd gaat worden.
  • Stedenbouwkundig: de omgeving van het plangebied is een woonomgeving. Een kerk past daar in principe binnen. Echter, een te massief gebouw dat het gehele perceel en meerdere verdiepingen beslaat past niet in de bebouwingsstructuur van een landelijke kern. Het zou bovendien leiden tot aantasting van het woongenot op de aangrenzende woonpercelen.
  • Verkeerstechnisch: zoals hierboven aangegeven is in de bestaande situatie sprake van een grote parkeerdruk met een piek op zondag. Bij vergroting van de kerkzaal moet conform de parkeernormen rekening worden gehouden met extra parkeerplaatsen. Deze kunnen niet op eigen terrein, maar ook niet in de openbare ruimte opgelost worden. Bovendien moet met een uitbreiding een andere locatie gevonden worden voor het fietsparkeren, dat nu op het perceel plaatsvindt. Dit betekent dat de druk op de openbare ruimte nog groter wordt.

Uitbreiding op de huidige locatie is zowel stedenbouw- als verkeerskundig dus niet mogelijk en wenselijk.

Alternatieve locaties

Onderzocht is of er in de kern Berkenwoude ruimte is om deze ontwikkeling te faciliteren.De bebouwde kom van het dorp Berkenwoude bestaat uit twee delen. Allereerst de kern die is ontstaan rond het oorspronkelijke lint Kerkweg. Dit lint heeft een lengte van circa 800 m. Zuidwestelijk hiervan is in de loop der tijd een woonwijk gerealiseerd, waar de huidige kerk binnen ligt. Ten zuidoosten van de Kerkweg ligt langs de Dreef ook een woongebied. Het andere deel van de bebouwde kom betreft een bebouwingsconcentratie met semi-vrijstaande woningen en is zo'n 500 m ten zuidoosten van de Kerkweg gerealiseerd. Deze bungalowwijk van Berkenwoude ligt aan de Weidebloemstraat en is ook een bebouwingsconcentratie.

Om het buitengebied rondom Berkenwoude te ontlasten, heeft in de kern de afgelopen jaren veel inbreiding plaatsgevonden. Daarom is de kern vrij intensief bebouwd, er is daarom weinig ruimte beschikbaar om het nieuwe kerkgebouw te kunnen faciliteren. Binnen Berkenwoude is een aantal locaties beschikbaar waar het programma zou kunnen landen (zie figuur 3.1):

  • 1. ten oosten van de Kerkweg/Dorpsstraat;
  • 2. hoek Oosteinde-Dreef;
  • 3. noordwesthoek Kerkweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG010-VA01_0006.png"

Figuur 3.1 Overzicht van de alternatieven

ad. 1 Ten oosten van de Kerkweg/Dorpsstraat

Uit het onderzoek kwam naar voren dat de locatie op een centrale locatie ligt. De locatie is echter niet toegankelijk. Bovendien is de locatie niet beschikbaar. Het is daarmee geen geschikte locatie.

ad. 2 Hoek Oosteinde-Dreef

Deze locatie werd in principe als geschikt beschouwd, maar is eigendomstechnisch niet beschikbaar. Daarmee is deze locatie afgevallen.

ad. 3 Noordwesthoek Kerkweg

Deze locatie is in principe beschikbaar. De ligging van deze locatie is echter niet ideaal; de locatie ligt excentrisch. Veel bezoekers zijn daarom op de auto aangewezen. Bovendien moet alle verkeer door het centrum rijden. Daarom is deze locatie afgevallen.

Beoogde locatie Oosteinde 4

Omdat er binnen de kern Berkenwoude geen geschikte locaties beschikbaar zijn, is de Gereformeerde Gemeente van Berkenwoude voornemens zich te vestigen op de locatie Oosteinde 4. Deze locatie ligt nabij de locatie hoek Oosteinde-Dreef. De positieve punten voor deze locatie zijn:

  • beschikbaarheid: deze gronden zijn in eigendom van de kerk en daarmee per direct beschikbaar.
  • stedenbouwkundig: Het perceel ligt aan de zuidzijde van het Oosteinde. Het vormt onderdeel van de reeks kavels, die aan de zuidzijde van dit lint hangen. Dit betreffen van oorsprong agrarische kavels. In de loop der tijd is de agrarische functie naar de achtergrond verdwenen en zijn hier diverse andere functies gekomen. Voor de locatie Oosteinde 4 geldt nu een woonbestemming. De oorspronkelijke inrichtingsstructuur is op meeste kavels nog aanwezig.
    Het wijzigen van de functie past dus binnen een tendens. Bovendien ontstaat een functionele relatie met de begraafplaats, die zuidwestelijk van de locatie ligt.
  • bereikbaarheid: De locatie is goed bereikbaar vanwege haar ligging. Op deze manier kunnen ook de bewoners van de Weidebloemstraat e.o. de locatie goed bereiken.
  • toegankelijkheid: Het perceel kan direct ontsloten worden via het Oosteinde. Autoverkeer van buiten Berkenwoude hoeft niet de smalle straten van de kern in.

De beoogde locatie aan het Oosteinde in Berkenwoude voorziet in een centrale religieuze voorziening in de kern Berkenwoude (figuur 3.2).

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG010-VA01_0007.png"

Figuur 3.2 Beoogde ontwikkeling

De beoogde locatie voor de kerk ligt direct naast het dorp Berkenwoude en vormt een overgang tussen het bebouwde gebied en polder. In de nabijheid van de beoogde locatie is de gemeentelijke begraafplaats gesitueerd waardoor samenhang bestaat in de lokalisering van maatschappelijke voorzieningen. De locatie Oosteinde voldoet zoals hiervoor aangegeven aan de eisen met betrekking op stedenbouw, bereikbaarheid en toegankelijkheid.

Geconcludeerd wordt dat een (lokale) behoefte bestaat aan de verplaatsing van de kerk aan de Prinses Beatrixstraat naar de locatie aan het Oosteinde en dat na weging van alternatieven dit de beste locatie is.

Effect

In Berkenwoude zijn nog twee andere kerken aanwezig. Het betreft de Nederlands-hervormde kerk aan de Dorpsstraat. Dat gebouw is een rijksmonument. En de kerk in het Westeinde, ten westen van de kern, tegenover de begraafplaats. Bovendien wordt het gemeenschapshuis De Zwaan ook gebruikt voor kerkdiensten. Het is algemeen bekend dat vanuit geloofsovertuigingen mensen niet zomaar overlopen van de ene naar de andere kerk. De te verwachten effecten op de overige religieuze voorzieningen in Berkenwoude zijn naar verwachting nihil.

Ook op de vertreklocatie zal geen leegstand ontstaan. Voor de locatie aan de Prinses Beatrixstraat bestaat het voornemen om starterswoningen te realiseren. De vertreklocatie zal worden herbestemd en herontwikkeld waardoor sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.

Conclusie trede 1

Geconcludeerd wordt dat de effecten van de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar zijn. Daarbij wordt geconcludeerd dat er per saldo een positieve bijdrage wordt geleverd aan het woon-, leef- en ondernemersklimaat in Berkenwoude.

Toetsing trede 2 en 3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De ontwikkeling vindt plaats door herstructurering en transformatie binnen bestaand stedelijk gebied op een perceel van een voormalige boerderij. De ontwikkeling is gericht op het oplossen van langdurige leegstand ter plaatse door de herontwikkeling van de verouderde bebouwing naar een religieuze voorziening met een verbeterde landschappelijke inpassing. Nu de ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied, wordt voldaan aan de tweede en derde trede van de ladder.

Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit

1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

  • a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
  • b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
    • 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid;
  • c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
    • 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.

Toetsing

De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de Krimpenerwaard. De beoogde locatie betreft een vervallen boerderij met relatief veel (beton)verharding. De invulling is rommelig en omvat geen waardevolle bebouwing. Met de ontwikkeling neemt per saldo de oppervlakte aan verharding af ten opzichte van de huidige situatie.

Tot slot is aandacht voor de ruimtelijke inpassing. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart. De 'boerderij setting' wordt gehandhaafd (figuur 3.3). Het waterrijke en veenlandschap wordt versterkt, waardoor de 'cultuurhistorische kroonjuweel' wordt behouden voor de kern Berkenwoude en de provincie Zuid-Holland. Met de landschappelijke inpassing is zorgvuldig gekeken naar de inpasbaarheid van de beoogde ontwikkeling. Voor de borging van de ruimtelijke kwaliteit is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, zie bijlage 13. De conclusies hiervan zijn verwerkt in paragraaf 2.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG010-VA01_0008.jpg"

Figuur 3.3 Landschappelijke inpassing locatie Oosteinde

3.3.3 Provinciaal milieubelang

De provincie Zuid-Holland heeft in de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Provinciale Verordening Ruimte en in de Provinciale Milieuverordening vier provinciale milieubelangen benoemd.

Toetsing

Onderstaand wordt de relevantie per provinciaal milieubelang beschreven:

  • Bescherming van stiltegebieden: De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in de nabijheid van een stiltegebied. De doelstellingen van het in stand houden van het stiltegebied worden echter niet geschaad.
  • Windenergie stimuleren: De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een plaatsingsgebied voor windmolens conform de Provinciale Verordening Ruimte.
  • Beschermen bedrijventerreinen voor Hogere Milieu Categorie-bedrijven: De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de nabijheid van) een HMC-bedrijventerrein. Afname van HMC-locaties is derhalve niet aan de orde.
  • Beschermen van grote groepen mensen: De voorgenomen ontwikkeling is gelegen in een invloedsgebied Groepsrisico van een EV relevante risicobron. Hier wordt in de paragraaf 4.5 externe veiligheid nader op ingegaan.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Beleef Bergambacht

In 2008 is de gemeentelijke structuurvisie 'Beleef Bergambacht' vastgesteld. Hierin staan de gewenste en mogelijke ontwikkelingen voor de komende jaren binnen de gemeente beschreven. Figuur 3.4 geeft een uitsnede van de bij de structuurvisie behorende kaart weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG010-VA01_0009.jpg"

Figuur 3.4: Uitsnede kaart structuurvisie

De ruimtelijke kwaliteit in de voormalige gemeente Bergambacht wordt grotendeels gevormd door de cultuurhistorische waarde van de historische lintbebouwing en het slagenlandschap in het buitengebied. Het is van belang deze waarden te beschermen. Het landschap moet echter ook een hedendaagse functie blijven vervullen. 'Verburgering', bijvoorbeeld door functiewijziging is volgens de visie toelaatbaar, mits passend in het Veenweidepact. Belangrijk is daarbij dat dit binnen kaders plaatsvindt zodat geen aantasting van het landschap plaatsvindt. Dat betekent onder andere dat cultuurhistorische bebouwing moet worden gehandhaafd, er geen toename maar eerder afname van bebouwing moet zijn. De gemeente wil verder optimaal gebruik maken van lokale beleidsregels rondom ruimte-voor-ruimte, waarbij versterking van de bestaande waarden leidend is.

Het initiatief sluit aan bij deze visie. Het betreft het toevoegen van een niet-agrarische functie in het buitengebied waarbij sprake is van een kwaliteitsverbetering: een grote hoeveelheid bebouwing wordt geamoveerd. Deze kwaliteitsverbetering wordt geborgd in de beeldkwaliteitsparagraaf (paragraaf 2.4) van dit bestemmingsplan.

Ten aanzien van de nieuwe woningen is sprake van een ontwikkeling in de kern, waarbij wordt aangesloten bij de kwaliteiten van de directe omgeving. Hier wordt een kwaliteitsverbetering beoogd, middels het verplaatsen van functie met een hoge verkeersaantrekking naar een locatie buiten de kern. De nieuwe functie wonen sluit daarbij beter aan bij de omliggende woningen.

De beoogde ontwikkeling sluit dan ook goed aan bij het gemeentelijk beleid ten aanzien van het verbeteren van de leefbaarheid van de kernen. Het behouden van een sociaal-maatschappelijke functie voor een kern past binnen dit beleid.

3.5 Conclusie

Het beleid op nationaal niveau, de SVIR en het Barro, richten zich op een dermate groot schaalniveau dat dit geen belemmering vormt voor deze ontwikkeling. Er is sprake van duurzame verstedelijking. Derhalve is dit beleid niet relevant.

Het Provinciaal en het gemeentelijk beleid sluiten de ontwikkeling niet uit, maar gaan wel uit van een tegenprestatie door een landschappelijke verbetering. De kwaliteitsverbetering die met deze ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, en geborgd in de beeldkwaliteitsparagraaf (zie paragraaf 2.4) sluit daarmee aan bij het gestelde in het provinciale en het gemeentelijk beleid. Daarmee zijn er geen beleidskaders die belemmerend zijn voor de ontwikkeling.

Hoofdstuk 4 Sectorale onderzoeken

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan de verschillende sectorale aspecten.

4.2 Vormvijre m.e.r.-beoordeling

Toetsingskader

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.

Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.

  • Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.
  • Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.

Onderzoek en conclusie

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de verplaatsing van een kerk en de realisatie van maximaal 5 of 6 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Ten behoeve van dit bestemmingsplan is aanmeldingsnotitie opgesteld op basis waarvan het bevoegd gezag een m.e.r- beoordelingsbeslissing neemt. De aanmeldingsnotitie is opgenomen in bijlage 1.

4.3 Bodem

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren).

Onderzoek

Locatie Prinses Beatrixstraat 3

Ter plaatse van de huidige kerklocatie is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2.

Ten aanzien van de algemene bodemkwaliteit wordt het volgende geconcludeerd. In de laag zwak siltig matig fijn zand in de bovengrond van de locatie zijn, zowel zintuiglijk als analytisch, geen verontreinigingen geconstateerd. In de zandige- en de veenhoudende laag in de ondergrond van de locatie zijn lichte verontreinigingen met kwik, PCB en/of PAK geconstateerd. In het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is een licht verhoogde concentratie barium gemeten, welke vermoedelijk kan worden beschouwd als een verhoogde achtergrondwaarde.

Ter plaatse van een voormalige ondergrondse hbo-tank is zowel zintuiglijk als analytisch, geen verontreiniging met minerale olie geconstateerd. In het grondwater bij de voormalige hbo-tank is geen verontreiniging met minerale olie en/of vluchtige aromaten aangetroffen.

Ter plaatse van een zandige dempinglaag analytisch sterke verontreinigingen met zware metalen (cadmium, koper, nikkel, lood en zink) en PCB zijn aangetroffen. De sterke verontreiniging manifesteert zich voornamelijk binnen het traject van circa 0.5 tot 2.0 meter beneden maaiveld. Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (bodemvolume met sterke verontreiniging in grond > 25 m3). Conform de richtlijnen van de Wet bodembescherming bestaat hiervoor een saneringsnoodzaak. Voor de uitvoering van werkzaamheden op of in de bodem dient een saneringsplan /BUS melding te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag, op basis waarvan een beschikking kan worden genomen omtrent de voorgestelde saneringsmaatregelen. Indien bij graafwerkzaamheden op de locatie, buiten de contouren van de slootdemping, licht verontreinigde grond zal vrijkomen, dient er rekening mee te worden gehouden dat hiervoor beperkte hergebruikmogelijkheden bestaan. De toepassingsmogelijkheden voor dit materiaal op een andere locatie dienen te worden bepaald aan de hand van de voorwaarden van het Besluit bodemkwaliteit en/of de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente Krimpenerwaard (regio Midden-Holland).

Locatie Oosteinde 4

Ter plaatse van de toekomstige kerklocatie zijn een verkennend en twee aanvullende bodemonderzoeken inclusief asbest uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn opgenomen in bijlage 3, 4 en 5.

Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt ten aanzien van de algemene bodemkwaliteit het volgende. In de boven- en de ondergrond van de locatie overwegend lichte verontreinigingen met zware metalen en PAK geconstateerd. Op de terreinstrook aan de zuidzijde van de voormalige veestal is bij één boorpunt een sterke verontreiniging met zware metalen en PCB aangetroffen. Op basis van de resultaten van het aanvullend onderzoek betreft de sterke verontreiniging in de bovengrond een verontreinigingspot met een beperkte omvang.

Ter plaatse van het middengedeelte van de locatie is in het traject van circa 0.25 tot 1.0 meter beneden

maaiveld een geroerde zandige ophooglaag aangetroffen, met bijmenging van puin- en afvalresten (plastic-, hout- en metaalresten). De ophooglaag is afgedekt met een dunne laag fijn puinhoudend materiaal (menggranulaat, dan wel betonafval), met een gemiddelde dikte van circa 0.25 meter. Analytisch zijn in de geroerde ophooglaag lichte verontreinigingen met lood, PCB en PAK aangetroffen. Plaatselijk zijn stukjes plaatmateriaal waargenomen in de geroerde ophooglaag. Het gemeten asbestgehalte ligt beneden de interventiewaarde. In de bodemlaag onder de ophooglaag zijn analytisch lichte verontreinigingen met kwik, molybdeen, nikkel, lood en PAK geconstateerd, vergelijkbaar met de gemeten gehaltes in de ondergrond onder het ontsluitingpad. In het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is een lichte verontreiniging met molybdeen aangetroffen, en is een licht verhoogde concentratie barium gemeten, welke vermoedelijk kan worden beschouwd als een verhoogde achtergrondwaarde.

In de bovengrond op het terreindeel bij de bovengrondse dieselolietank, op het noordelijk gedeelte van het erf, is een zeer lichte verontreiniging met minerale olie geconstateerd (lichte overschrijding achtergrondwaarde).

In de verharde toplaag ter plaatse van het noordelijk gedeelte van het ontsluitingpad is een sterke verontreiniging met asbest aangetoond. Uitgaande van een gemiddelde breedte van het ontsluitingpad van circa 3 meter, bedraagt de oppervlakte van het sterk verontreinigde terreindeel circa 175 m2. Door de aanwezige laag mengranulaat in de toplaag van het ontsluitingpad bestaan geen directe contactmogelijkheden met de oude puinfunderinglagen, met asbestverontreiniging. In de bodemlaag onder de verharde toplaag zijn analytisch lichte verontreinigingen met cadmium, kwik, molybdeen, lood en zink geconstateerd, vergelijkbaar met het overige gedeelte van de locatie.

Evenals op het middengedeelte van de locatie, bevind zich in de toplaag van de voormalige waterpartij een opgebrachte fijn puinhoudende laag (voornamelijk betonafval). In het traject van circa 0.3 tot 1.0 meter beneden maaiveld bevindt zich een geroerde zandige dempinglaag, met voornamelijk bijmenging van grove puinresten. Analytisch zijn in de dempinglaag lichte verontreinigingen met kobalt, lood, en zink aangetroffen.

Naar aanleiding van de conclusies uit het verkennend bodemonderzoek is een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Tevens is een onderzoek gedaan naar het voorkomen van asbest. Hieruit blijkt het volgende.

In de bovenlaag onder de dakranden van de voormalige ligboxenstal is zowel visueel als analytisch geen verontreiniging met asbest geconstateerd. In de bovenlaag onder de oostelijke dakrand van de voormalige veestal op het voorterrein is een plaatselijke sterke verontreiniging met asbest aangetroffen (traject 0.0-0.25 m). Op basis van een verspreidingoppervlakte van circa 25 m2, bedraagt de omvang van de sterke verontreiniging met asbest in de bovengrond 5 à 10 m3. In de bovenlaag onder de westelijke dakrand van de oude berging op het voorterrein is eveneens een sterke verontreiniging met asbest geconstateerd. Op basis van een verspreidingoppervlakte van circa 20 m2, bedraagt de omvang van de sterke verontreiniging met asbest in de bovengrond circa 5 m3.

In de onderlaag van de gedempte waterpartij ter plaatse van het achterterrein is een plaatselijke lichte

verontreiniging met asbest geconstateerd, gerelateerd aan materiaal in de grove fractie. Het gemeten asbestgehalte in de grond (17,0 mg/kg d.s.) voldoet aan de interventiewaarde / hergebruiknorm. In de fijne fractie is analytisch geen verontreiniging met asbest aangetoond.

In de boven- en de ondergrond op het terreindeel bij de noordoosthoek van de oude veestal is een plaatselijke lichte tot matige verontreiniging met minerale olie geconstateerd. De verontreiniging manifesteert zich voornamelijk binnen het traject van 0.2 tot 1.0 meter beneden maaiveld. De verspreidingoppervlakte van de lichte tot matige verontreiniging in de grond bedraagt indicatief circa 45 m2. De verontreiniging houdt vermoedelijk verband met de voormalige aanwezigheid van de bovengrondse dieselolietank in de noordoosthoek van de voormalige veestal. In het grondwater uit de peilbuis in het midden van het verontreinigde terreindeel is geen verontreiniging met minerale olie aangetoond.

Voor de aangetroffen sterke verontreinigingsituaties met asbest in de bovenlaag onder de dakranden van de voormalige jongveestal en de houten berging is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In het kader van de voorgenomen herinrichting van de locatie bestaat hiervoor een saneringsnoodzaak. Voor de aanpak van de sterke verontreiniging dient vooraf een saneringsplan / BUS-melding te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Bij de saneringsaanpak dient tevens rekening te worden gehouden met de eerder vastgestelde sterke verontreiniging met asbest in de bovenlaag van het noordelijk gedeelte van het kavelpad / ontsluitingpad.

Ten aanzien van de verontreinigingsituatie met minerale olie in de boven- en de ondergrond op het terreindeel bij de noordoosthoek van de oude veestal is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging (gehaltes < interventiewaarde). In geval van graafwerkzaamheden dient er wel rekening mee te worden gehouden dat voor vrijkomende matig verontreinigde grond met minerale olie

geen hergebruikmogelijkheden bestaan (overschrijding normwaarde functieklasse Industrie). De toepassingsmogelijkheden voor eventueel vrijkomende grond, buiten de matig tot sterk verontreinigde

terreindelen, dienen te worden bepaald volgens de methodiek van het Besluit bodemkwaliteit en/of de

Bodemkwaliteitskaart van de gemeente Krimpenerwaard (regio Midden-Holland).

Conclusie

Voor de beoogde locaties geldt dat in beide gevallen spraken is van een saneringsnoodzaak In overleg met het bevoegd gezag dient besloten te worden op welke wijze deze sanering wordt uitgevoerd. Na sanering vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.4 Archeologie

Toetsingskader

De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2021 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is:

  • Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet;
  • De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet.

Gemeentelijk archeologiebeleid (2011)

De archeologische (verwachtings)waarden zijn in beeld gebracht aan de hand van de beleidsadvieskaart van het gemeentelijk archeologiebeleid, dat op 6 september 2011 door de gemeenteraad werd vastgesteld. Zie figuur 4.1 voor een uitsnede van de beleidsadvieskaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG010-VA01_0010.jpg"

Figuur 4.1: Uitsnede beleidsadvieskaart

Onderzoek en conclusie

Voor de locatie aan de Prinses Beatrixstraat geldt dat het deelgebied ligt in een zone waar een lage archeologische verwachtingswaarde geldt. In het vigerende bestemmingsplan is een onderzoeksplicht opgenomen voor ontwikkelingen met een oppervlak groter dan 10.000 m2 en dieper dan 3 m onder het maaiveld. Voor deze locatie is een inventariserend onderzoek dan ook niet noodzakelijk.

Voor de locatie aan de Oosteinde 4 geldt een hoge archeologische verwachtingswaarde. Voor deze locatie is door IDDS Archeologie een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als bijlage 6 bij dit bestemmingsplan gevoegd.

Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen in een veengebied. In de ondergrond worden afzettingen van de Berkenwoude stroomgordel verwacht, maar deze liggen waarschijnlijk dusdanig diep (minimaal 3,7 m –mv) dat ze bij de geplande werkzaamheden niet zullen worden aangetroffen. Op deze stroomgordel ligt naar verwachting een dik veenpakket, dat pas vanaf de 8e eeuw bewoonbaar zal zijn geworden. Bewoningsresten worden echter pas verwacht vanaf de 11e eeuw, toen het gebied werd ontgonnen. De bewoning in de omgeving beperkte zich mogelijk tot het dorp Berkenwoude, dat in ieder geval bestaat vanaf de 14e eeuw. Op historisch kaartmateriaal wordt tot in de 20e eeuw geen bebouwing weergegeven in het plangebied. Gezien de ligging langs een ontginningsas is het echter niet onmogelijk dat het plangebied hiervoor, in de periode tussen de 11e en de 19e eeuw, toch bebouwd is geweest. Deze bewoning zal dan in de bodem mogelijk een woongrond hebben achtergelaten zoals deze ook ten noorden van het Oosteinde op meerdere locaties is vastgesteld.

Van de Berkenwoude stroomgordel zijn in het plangebied (binnen de maximaal geboorde diepte van 4,0 m –mv ofwel -5,4 m NAP) geen afzettingen aangetroffen. Ook is in het plangebied geen woongrond aangetroffen waarin resten kunnen voorkomen van bewoning tussen de 11e en 19e eeuw. Op basis van de resultaten is het waarschijnlijk dat ook gedurende de 11e tot 19e eeuw het plangebied in gebruik is geweest als weiland. De bouwvoor die daarbij ontstaan is, is aangetroffen in de boringen. Door de afwezigheid van een woongrond heeft het plangebied nog slechts een lage verwachting. In het plangebied kunnen nog archeologische resten voorkomen die horen bij het gebruik als weiland gedurende de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Dergelijke resten kunnen bestaan uit sporen van greppels, kuilen en dergelijke of vondsten zoals palen van afrasteringen.

Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek heeft het plangebied een lage archeologische verwachting en wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren.

4.5 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten.  In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Btev slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Onderzoek

Huidige locatie kerk

Overeenkomstig de professionele risicokaart (http://www.risicokaart.nl/) zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Verder vindt in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor of het water. Circa 480 m ten oosten van het plangebied is gasleiding A-803 gelegen. Deze gasleiding heeft geen plaatsgebonden risicocontour met een kans van 10-6 per jaar. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt 580 m. Het plangebied valt binnen het invloedsgebied. KEMA heeft in 2012 een QRA opgesteld voor de gasleiding. Hieruit blijkt dat het groepsrisico onder de oriënterende waarde van het groepsrisico blijft. Circa 600 m ten oosten van het plangebied is ook gasleiding A-533 gelegen. Deze gasleiding heeft geen plaatsgebonden risicocontour met een kans van 10-6 per jaar. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt 430 m. Het plangebied valt niet binnen het invloedsgebied.

Beoogde locatie kerk

Overeenkomstig de professionele risicokaart zijn in de directe omgeving van het plangebied (Oosteinde 4) geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Verder vindt in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor of het water. De gasleidingen A-803 en A-533 zijn op respectievelijk 50 en 160 m gelegen. Zoals hiervoor genoemd hebben beide gasleidingen geen plaatsgebonden risicocontour met een kans van 10-6 per jaar. Wel valt het plangebied binnen het invloedsgebied van beide leidingen.

Verantwoording groepsrisico

Vanwege de ligging van de huidige locatie van de kerk binnen het invloedsgebied van gasleiding A-803 en vanwege de ligging van de toekomstige locatie van de kerk binnen het invloedsgebied van de gasleidingen A-803 en A-533 is een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. De verplaatsing van de kerk zal niet leiden tot een relevante toename van het aantal personen. Ook de woningbouwontwikkeling ter plaatse van de huidige locatie van de kerk zal gezien de omvang niet leiden tot een relevante toename van het aantal personen. Daarom wordt volstaan met een beknopte verantwoording. Over deze beknopte verantwoording heeft de gemeente in het kader van het het wettelijk vooroverleg advies gevraagd aan de veiligheidsregio. De veiligheidsregio adviseert bij de bouwaanvraag:

  • a. een overzicht mee te sturen met de primaire en secundaire bluswatervoorzieningen;
  • b. voor de aanwezige personen de mogelijkheid te creëren om van de risicobron af te vluchten;
  • c. voor een goede verantwoording het mogelijk maximale aantal letale slachtoffers inzichtelijk te maken.

Bovengenoemde maatregelen worden getoetst bij de aanvraag omgevingsvergunning.

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid

Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn.

De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol.

Huidige locatie kerk

De huidige locatie van de kerk wordt ontsloten door Prinses Beatrixstraat en Prins Bernhardstraat. Via de Prins Bernhardstraat (welke aangesloten is op Westeinde) kan van de bron af worden gevlucht. Daarnaast komt het gedegen wegennetwerk ook de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan bijvoorbeeld via meerdere aanvalswegen een mogelijke brand geblust worden.

Beoogde locatie kerk

De beoogde locatie van de kerk wordt ontsloten door Oosteinde. Via deze weg kan van de bron af worden gevlucht. Daarnaast is via deze weg het plangebied goed te bereiken voor hulpdiensten.

Zelfredzaamheid

Huidige locatie kerk

De ontwikkeling betreft de realisatie van woningen. De aanwezige personen zullen over het algemeen dan ook zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten in de woningen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden.

Beoogde locatie kerk

De ontwikkeling betreft de realisatie van een kerk. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers en medewerkers van de kerk deze personen kunnen begeleiden.

Conclusie

De huidige locatie van de kerk ligt binnen het invloedsgebied van gasleiding A-803. De beoogde locatie van de kerk ligt binnen het invloedsgebied van de gasleidingen A-803 en A-553. Gezien de aard en omvang van de ontwikkelingen is er geen relevante toename van het groepsrisico. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.

Tabel 4.1: Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg /m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek

Huidige locatie kerk

Er worden maximaal 5 woningen of 6 appartementen gerealiseerd. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2015 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Kerkweg. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.

Beoogde locatie kerk

De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling (kerk en woning) bedraagt 68 mvt/etmaal (zie paragraaf 4.9). Uit de NIBM-tool blijkt dat de maximale bijdrage NO2 0,06 µg/m³ bedraagt en de maximale bijdrage voor PM10 0,01 µg/m³ (figuur 4.2). Hierdoor heeft de beoogde ontwikkeling een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³). De beoogde ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekende mate' bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en is vrijgesteld aan het toetsen aan de grenswaarden. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG010-VA01_0011.jpg"

Figuur 4.2: Uitkomsten NIBM-tool

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2015 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft Oosteinde. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen.

4.7 Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

Onderzoek

Huidige locatie kerk

Het plangebied maakt deel uit van een rustige woonwijk en wordt dan ook omringd met woonfuncties. Circa 40 m ten noordwesten van het plangebied is basisschool de Polsstok gelegen. Voor een basisschool geldt volgens de VNG-publicatie een richtafstand van 30 m ten opzichte van een rustige woonwijk. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Verder zijn er in de omgeving geen bedrijven aanwezig die een belemmering vormen voor de milieusituatie ter plaatse van het plangebied, of die door de beoogde ontwikkeling worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.

Beoogde locatie kerk

In de huidige situatie heeft het plangebied reeds een milieugevoelige bestemming (wonen). Op kortere afstand van de bedrijven in de omgeving zijn reeds woningen gelegen waarmee rekening moet worden gehouden. De bedrijven in de omgeving worden dan ook niet door de ontwikkeling beperkt in de bedrijfsvoering. Overeenkomstig de VNG-publicatie geldt voor een kerk een richtafstand van 30 m (milieucategorie 2) ten opzichte van een rustig buitengebied. Woningen in de omgeving zijn op meer dan 40 m afstand gelegen van zowel de kerk als de parkeerplaatsen. Ter plaatse van deze woningen zal dan ook sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De beoogde woning nabij de kerk is onderdeel van het plan. Toetsing aan de richtafstand tussen de kerk en woning is daarom niet relevant.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de nog te realiseren woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat er in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de ontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Ook zal in de omgeving van de beoogde locatie van de kerk sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

4.8 Ecologie

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet Natuurbescherming en het beleid van de provincie ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan.

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. De wet geldt sinds 1 januari 2017 en vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De provincies bepalen voor hun gebied wat wel en niet mag in de natuur. En zij zorgen voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren en internationaal beleid.

Bescherming van gebieden

In de Wnb worden twee gebieden onderscheiden:

  • 1. Natura-2000 gebieden;
  • 2. Natuurnetwerk Nederland (NNN).

ad. 1 Natura-2000 gebieden

Dit zijn gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden. Voor deze gebieden gelden zogenoemde instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Tevens is er aantal uitzonderingen van toepassing.


ad. 2 Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura-2000 (figuur 4.3). Het plangebied maakt ook geen deel uit van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN gebied is gelegen circa 270 m ten noordwesten van het plangebied. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied (Donkse Laagten) is gelegen circa 7 km ten zuiden van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG010-VA01_0012.jpg"

Figuur 4.3 Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. Natura-2000 gebieden (bron: geo-loket provincie Zuid-Holland)

Het plangebied ligt buiten beschermde Natuurnetwerk Nederland gebieden (figuur 4.4). Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De ontwikkeling, verplaatsing van een kerk en de realisatie van maximaal twaalf woningen, zal niet leiden tot een relevante toename in verkeer. Negatieve effecten als gevolg van toename in stikstofdepositie kunnen deswege worden uitgesloten. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie Zuid-Holland staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG010-VA01_0013.jpg"

Figuur 4.4: Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (bron: geo-loket provincie Zuid-Holland)

Soortenbescherming

Ter plaatse van het plangebied is in 2017 een quick scan uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 7. Daarnaast is in 2018 een aanvullend verkennend veldonderzoek naar vleermuizen en broedvogels uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8. Uit de onderzoeken blijkt het volgende.

Resultaten quick scan

Op grond van quick scan blijkt dat een ontheffing van de wet natuurbescherming niet is vereist voor de realisatie en het gebruik van de plannen. Mede op grond van de zorgplicht van de Wet natuurbescherming en op advies van de Omgevingsdienst is aanvullend een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen en vogels om bij het eventueel voorkomen hiervan, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan.

Resultaten vleermuizen

In en direct rond het gebied Oosteinde 4 zijn twee soorten vleermuizen vastgesteld; gewone dwergvleermuis en laatvlieger die beide foeragerend werden waargenomen in relatief lage dichtheid. Er is één soort vleermuis waargenomen (gewone dwergvleermuis) in het gebied van de Beatrixstraat 3. Ook deze soort is enkel (in lage dichtheid) foeragerend aangetroffen in het plangebied. Er zijn geen verblijfplaatsen of vliegroutes vastgesteld. Ook zijn er geen aanwijzingen van het voorkomen van verblijfplaatsen of vliegroutes. Gelet op de aantallen en dichtheid van de foeragerende vleermuizen dient het plangebied van Oosteinde 4 en Prinses Beatrixstraat 3 te Berkenwoude niet gezien te worden als belangrijk (primair) foerageergebied. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren.

Resultaten broedvogels

Gedurende het verkennend veldonderzoek zijn er ook geen aanwijzingen gevonden van het voorkomen van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen.

Conclusie

Op grond van de uitgevoerde onderzoeken worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de plannen voor Oosteinde 4 en Prinses Beatrixstraat 3 te Berkenwoude zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde planten- en diersoorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.9 Verkeer en parkeren

Toetsingskader

Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 317 (Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). Voor het te hanteren kencijfer wordt een ligging in de ‘rest bebouwde kom’ gehanteerd. Op basis van de omgevingsadressendichtheid wordt Berkenwoude als ‘niet stedelijk’ gecategoriseerd. Verder wordt er gerekend met de gemiddelde kencijfers binnen de bandbreedte die het CROW adviseert.


Daarnaast wordt met behulp van het document ‘Wegcategorisering HHSK - plan voor een duurzaam veilige categorisering van waterschapswegen in de Krimpenerwaard’ (2011) het beleid van de wegbeheerder t.a.v. wegcategorisering en –ontwerp gehanteerd.

Ontsluiting

Beide locaties zijn gelegen in Berkenwoude. Berkenwoude wordt in westelijke en oostelijke richting ontsloten via de Westeinde/Oosteinde. Binnen de bebouwde kom van Berkenwoude is deze weg als erftoegangsweg (30km/u) ingericht. Buiten de bebouwde kom is de weg gecategoriseerd als een erftoegangsweg met een maximum snelheid van 60 km/u. Voor fietsers zijn, zowel binnen- als buiten de bebouwde kom, fietssuggestiestroken aanwezig. In noordelijke richting wordt Berkenwoude daarnaast ontsloten via de Kerkweg. De Kerkweg is buiten de bebouwde kom ingericht als Erftoegangsweg voor 60 km/u en binnen de bebouwde kom als erftoegangsweg voor 30 km/u. Ten behoeve van het fietsverkeer zijn binnen de bebouwde kom fietssuggestiestroken aanwezig. Buiten de bebouwde kom is de weg ingericht als enkele rijloper waarbij al het verkeer gebruik maakt van dezelfde verkeersruimte.

De locatie Oosteinde 4 ligt op de grens van de bebouwde kom, net buiten de bebouwde kom direct aan de doorgaande weg Westeinde/Oosteinde. Dit zorgt voor een goede ontsluiting. De locatie aan de Prins Bernhardstraat/Prinses Beatrixstraat is gelegen binnen de bebouwde kom. De Prins Bernhardstraat is een zijstraat van de Westeinde/Oosteinde. De Prinses Beatrixstraat is een zijstraat van de Kerkweg. Beide wegen kennen een verblijfsfunctie en zijn als dusdanig ingericht.

De wegen in het buitengebied van Berkenwoude zijn in beheer van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Deze wegen zijn gecategoriseerd in het document ‘Wegcategorisering HHSK - plan voor een duurzaam veilige categorisering van waterschaps-wegen in de Krimpenerwaard’ uit 2011. Hierin valt te lezen dat het Oosteinde tussen Berkenwoude en Schenkel/Zuidbroekse Opweg 4,7 meter breed is en is gecategoriseerd als Erftoegangsweg type 1 (ETW-1). Deze categorisering is gedaan op basis van de intensiteit en functie van de weg. Een ETW type 1 heeft over het algemeen een intensiteit die tussen de 1.500 – 6.000 motorvoertuigen per etmaal ligt.

Verder hebben ETW-1 wegen een uitwisselfunctie (verkeersfunctie). Er bevinden zich erven en andere mogelijke bestemmingen langs, welke worden bereikt via deze wegen. Ook worden ze gebruikt door verkeer dat geen bestemming op de betreffende weg heeft, maar deze enkel gebruikt om op een weg van een hogere of lagere categorie terecht te komen

Parkeren

De parkeerbehoefte voor de ontwikkeling van beide locaties is berekend aan de hand van de gebiedskenmerken zoals vastgesteld in de parkeernota van de voormalige gemeente Bergambacht (nu Krimpenerwaard) in 2014. Conform de voorgeschreven richtlijnen in de parkeernota wordt voor Berkenwoude voorgeschreven uit te gaan van stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' en gebiedstype 'rest bebouwde kom'. Daarnaast wordt geadviseerd om buiten het centrumgebied van Bergambacht voor de gehele gemeente (inclusief Berkenwoude) te rekenen met de gemiddelde normen binnen de bandbreedte welke het CROW adviseert in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (CROW, 2012). Voor beide locaties is de berekening van de parkeerbehoefte aan de hand van deze uitgangspunten uitgevoerd.

Locatie Prins Bernhardstraat/Prinses Beatrixstraat

Op deze locatie is de voorgenomen ontwikkeling een blok met maximaal 5 woningen of 6 appartementen. Omdat niet duidelijk is of de nieuwe woningen koop of huur betreffen is uitgegaan van een 'worst case' benadering met het type woning met de grootste parkeerbehoefte. Daarom wordt uitgegaan van het type woning: 'koop, tussen/hoek' voor de grondgebonden woningen en van het type 'koop, etage, goedkoop' voor de startersappartementen. Op basis van de uitgangspunten zoals genoemd in de parkeernota geeft het CROW een parkeerbehoefte van 2 parkeerplaatsen per grondgebonden woning. Voor de 5 woningen is de parkeerbehoefte dan afgerond 10 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte van de starters appartementen bedraagt op basis van de norm eveneens 2 parkeerplaatsen per woning. Hiermee bedraagt de parkeerbehoefte maximaal 12 parkeerplaatsen.

Aan de Prins Bernhardstraat kan langs geparkeerd worden over de gehele lengte (44 meter) van de nieuwe woningen, dit is toegestaan. Voor een langsparkeerplaats is de benodigde lengte minimaal 6 meter, conform de aanbevelingen verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV, 2012). Er kunnen zeven auto's aan de Prins Bernhardstraat geparkeerd worden. Daarnaast zijn er aan de Prinses Beatrixstraat, direct grenzend aan deze locatie, 16 parkeerplaatsen. Hiermee kan in voldoende parkeergelegenheid worden voorzien.

Locatie Oosteinde 4

De ontwikkeling aan de Oosteinde 4 voorziet in een kerkgebouw en een boerderijwoning. Voor de kerk wordt uitgegaan van de CROW functieaanduiding 'religiegebouw'. Op basis van de uitgangspunten zoals genoemd in de parkeernota is de parkeerbehoefte volgens het CROW 0,15 parkeerplaats per zitplaats (CROW, 2012). Er zijn maximaal 450 zitplaatsen voorzien in de kerk. De parkeerbehoefte voor de kerk is op basis van deze hoeveelheid zitplaatsen afgerond 68 parkeerplaatsen. Het plan voorziet in 71 parkeerplaatsen voor de kerk op het perceel, dit is voldoende om de parkeervraag op te vangen.

Voor de boerderijwoning wordt uitgegaan van een woning in de categorie 'koop, vrijstaand'. Op basis van de uitgangspunten zoals genoemd in de parkeernota is de parkeerbehoefte volgens het CROW 2,3 pp. Afgerond is de parkeerbehoefte voor de boerderijwoning drie parkeerplaatsen. Het plan voorziet voor deze woning in parkeren op eigen terrein. Indien dit niet mogelijk is kan gebruik worden gemaakt van de restcapaciteit op het parkeerterrein van de kerk.

Het aspect parkeren staat de ontwikkeling van de locatie Oosteinde 4 niet in de weg. Het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid om te voorzien in de parkeerbehoefte van de Kerk en de boerderijwoning. Voor de locatie aan de Prins Bernhardstraat en Prinses Beatrixstraat ligt de situatie anders. Op basis van de beschikbare ruimte voor langsparkeren in de Prins Bernhardstraat en de aanwezigheid van parkeerplaatsen in de Prinses Beatrixstraat, kan worden voorzien in de parkeerbehoefte voor de maximaal twaalf woningen.

Verkeersgeneratie

Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is uitgegaan van dezelfde stedelijkheidsgraad en gebiedstype zoals toegepast bij het bepalen van de parkeerbehoefte. Daarnaast is net als bij de parkeerbehoefte uitgegaan van gemiddelde kencijfers zoals opgenomen in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (CROW, 2012). Voor beide locaties is de berekening van de verkeersgeneratie aan de hand van deze uitgangspunten uitgevoerd.

Locatie Prins Bernhardstraat/Prinses Beatrixstraat

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in maximaal 5 woningen of 6 appartementen. Zoals reeds bij de parkeerbehoefte is toegelicht wordt uitgegaan van woningen in de categorie 'koop, tussen/hoek' of 'koop, etage, goedkoop'. Voor de grondgebonden woningen bedraagt de verkeersgeneratie 7,8 motorvoertuigen/etmaal weekdag per woning. De totale verkeersgeneratie komt daarmee op 47 motorvoertuigen/etmaal weekdag. Omrekening naar een werkdag geschiedt op basis van een omrekenfactor van 1,11. Dit leidt tot een verkeersgeneratie op een werkdag van 52 mvt/etmaal. Voor de appartementen bedraagt de verkeersgeneratie 6 motorvoertuigen /etmaal weekdag per woning. Dit leidt tot een verkeersgeneratie op een werkdag van 34 mvt/etmaal/werkdag.

De bestaande kerkfunctie komt te vervallen, waarmee de netto verkeerstoename in omvang nog beperkter zal zijn. Ook zonder dit gegeven zal de ontwikkeling van 5 woningen of 6 appartementen niet tot een dusdanige verkeerstoename leiden, dat hiervoor problemen in de verkeersafwikkeling zullen ontstaan.

Locatie Oosteinde 4

De ontwikkeling voor deze locatie voorziet in een kerkgebouw en een boerderijwoning. Voor de boerderijwoning wordt net als bij het bepalen van de parkeerbehoefte uitgegaan van een woning in de categorie 'Koop, vrijstaand'. De verkeersgeneratie is dan 8,2 motorvoertuigen/etmaal weekdag voor de woning, afgerond 9. Omrekening naar een werkdag geschiedt op basis van een omrekenfactor van 1,11. Dit leidt tot een verkeersgeneratie op een werkdag van 9 mvt/etmaal voor de boerderijwoning.

Voor de kerk is bij het bepalen van de parkeerbehoefte uitgegaan van de functie 'religiegebouw'. Het CROW kent aan een 'religiegebouw' geen kencijfers toe voor verkeersgeneratie. Op basis van een capaciteit van 450 zitplaatsen voor de kerk en een maximaal aantal kerkdiensten van drie voor een maatgevende zondag is een inschatting gemaakt van de verkeersgeneratie. De parkeerbehoefte voor de kerk is 68 parkeerplaatsen. Er wordt uitgegaan van een bezettingsgraad van 100% per kerkdienst (worst case). Voor iedere kerkdienst geldt dan een verkeersgeneratie van 136 mvt/etmaal (68 aankomsten en 68 vertrekken). Voor een maatgevende zondag met drie diensten bedraagt de totale verkeersgeneratie dan maximaal 408 motorvoertuigen.

Op een drukke zondag, genereren de boerderijwoning en kerk gezamenlijk 417 motorvoertuigen per etmaal. Deze dag van de week is dan ook maatgevend bij de beoordeling van de verkeersafwikkeling van het plan. Op een doordeweekse dag of zaterdag zal er minder activiteit bij de kerk zijn en de verkeersgeneratie naar verwachting een stuk lager liggen. Op deze dagen zal het minder dan 50 mvt/etmaal genereren. Alleen tijdens dagen wanneer een dienst plaatsvindt zal de verkeersaantrekkende werking hoger zijn, voor een dag met één dienst gaat het dan om 136 mvt/etmaal bij volledige bezetting van het parkeerterrein (68 * 2).

De planhorizon van het ruimtelijk plan dat de realisatie van de kerk en boerderijwoning aan de Oosteinde 4 planologisch mogelijk zal maken, ligt in het jaar 2029 (10 jaar na vaststelling van het plan). Op het deel van het Oosteinde waaraan de ontwikkeling zal plaatsvinden (tussen Dreef en Schenkel), geeft het Regionale Verkeers- en milieumodel Midden-Holland (RVMH versie 3.0 – prognosejaar 2030) een intensiteit van 1.763 mvt/etmaal berekend. Hierop kan de standaard richtlijn voor het percentage van de etmaalintensiteit in het drukste uur (10%) worden toegepast. Dit betekent dat in het drukste uur 177 motorvoertuigen van dit deel van het Oosteinde gebruik maken.

Zoals berekend is de verkeersaantrekkende werking van de kerk op zondag het grootst. De wegen verwerken op de werkdagen het meeste verkeer. Op zondag geldt dan ook een lagere intensiteit en meer gespreid over de dag. Op het drukste moment kan het zijn dat het parkeerterrein van de kerk (68 parkeerplaatsen) zich binnen een uur vult en weer leegloopt, wat zorgt voor maximaal 68 * 2 (aankomst en vertrek) = 136 extra motorvoertuigbewegingen op het Oosteinde. Op zondag zal de reguliere intensiteit in het drukste uur minder dan 177 motorvoertuigen zijn. De verkeerstoename van maximaal 136 motorvoertuigen in het drukste uur zal merkbaar zijn, maar niet tot knelpunten leiden. Om dit verder te onderbouwen wordt hieronder ingegaan op verwerkingscapaciteit van de wegen.

De verwerkingscapaciteit van erftoegangswegen buiten de bebouwde loopt sterk uiteen. Dit hangt af van factoren als wegbreedte, wegverloop, aantallen in-/uitritten en de afstand tussen kruispunten. Algemeen wordt als uitgangspunt gehanteerd dat een Erftoegangsweg geen verkeersintensiteiten afwikkelt die hoger zijn dan 6.000 motorvoertuigen per etmaal. Volgens het wegcategoriseringsplan (Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, 2011) is de wegbreedte op het Oosteinde tussen Berkenwoude en Schenkel/Zuidbroekse Opweg 4,7 meter. In de praktijk varieert de wegbreedte tussen de 3,8 – 5,0 meter. Verkeer dat elkaar passeert moet hierdoor op de smallere wegvakken afremmen, maar er zijn voldoende passeerplekken en erfuitritten aanwezig. Als gevolg van de weginrichting past de verkeersintensiteit op het Oosteinde en omliggende wegen binnen de verwerkingscapaciteit, ook na de ontwikkeling van het kerkgebouw en de boerderijwoning.

Bijlage 12 gaat verder in op de verkeerskundige gevolgen die de ontwikkeling van de boerderijwoning en het kerkgebouw zullen hebben op de wegen in het gebied.

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling van beide locaties niet in de weg. De parkeerbehoefte voor de locatie Prins Bernhardstraat/Prinses Beatrixstraat kan opgevangen worden in de omgeving. Voor de locatie Oosteinde 4 kan op het eigen terrein van de kerk en de Boerderijwoning worden voorzien in de parkeerbehoefte. De verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling op beide locaties resulteert daarnaast niet in een mindere verkeersafwikkeling. In het verblijfsgebied van de Prins Bernhardstraat/Prinses Beatrixstraat resulteren de maximaal 5 woningen of 6 appartementen niet in een verkeerstoename ten opzichte van de huidige kerk op deze locatie. De capaciteit van de Oosteinde kan daarnaast de verkeersgroei als gevolg van de nieuwe kerklocatie opvangen. Een aandachtspunt wat betreft verkeersveiligheid is de zichtbaarheid en eventuele accentuering van de uitrit van het perceel.

4.10 Wegverkeerslawaai

Onderhavig plan heeft betrekking op twee verschillende locaties. Op beide locaties worden nieuwe woning(en) mogelijk gemaakt. Het gaat om de voormalige locatie van de kerk aan de Prins Bernhardstraat/Prinses Beatrixstraat. Hier worden maximaal twaalf woningen mogelijk gemaakt. De tweede locatie betreft de nieuwe locatie van de kerk aan de Oosteinde. Op deze locatie wordt één woning mogelijk gemaakt. Voor beide locaties wordt de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer door middel van de Standaard Rekenmethode I (SRM I) inzichtelijk gemaakt.

Toetsingskader

Op beide locaties wordt nieuwbouw van woningen mogelijk gemaakt. Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidgevoelige functie aangemerkt. Indien nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidzone van een weg. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van Wgh namelijk geluidzones waarbinnen de geluidhinder als gevolg van het wegverkeer moet worden getoetst. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Indien nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt buiten een geluidzone van een weg, nabij 30 km/u-wegen en woonerven, dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat ook ten aanzien van deze wegen sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau.

De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

Nieuwe situaties

Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting aan de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. De uiterste grenswaarde is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de woningen (binnen- of buitenstedelijk).

Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen buiten een wettelijke geluidzone van een weg, wordt bij gebrek aan wettelijke normen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wgh hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt worden de voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde als referentiekader gehanteerd. De voorkeursgrenswaarde geldt hierbij als richtwaarde en de uiterste grenswaarde als maximaal aanvaardbare waarde.

Artikel 110g Wgh

De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidsbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. Omdat voor 30 km/u-wegen dezelfde benaderingswijze wordt gehanteerd als voor gezoneerde wegen, wordt ook hier een correctie toegepast op basis van artikel 110g Wgh. Deze aftrek is gelijk aan de aftrek bij gezoneerde wegen met een maximum snelheid tot 70 km/u (5 dB).

Uitgangspunten

De locatie Oosteinde ligt binnen de geluidszone van de gelijknamige weg Oosteinde (60 km/u). Omdat de locatie net buiten de komgrens van Berkenwoude ligt, wordt uitgegaan van een ligging buiten de bebouwde kom. De voorkeursgrenswaarde is 48 dB en de uiterste grenswaarde 53 dB.

De locatie Prins Bernhardstraat/Prinses Beatrixstraat is enkel gelegen tussen 30 km/u wegen, respectievelijk de Prins Bernhardstraat en de Prinses Beatrixstraat. De woningen liggen niet binnen de geluidzone van wettelijk gezoneerde wegen. Deze locatie is gelegen binnen de bebouwde kom. De bijbehorende richtwaarde is 48 dB en de maximaal aanvaardbare waarde 63 dB.

Tabel 4.2: Relevante waarden

Gezoneerde wegen   Voorkeursgrenswaarde   Uiterste grenswaarde  
Locatie
Oosteinde  
48 dB   53 dB  
Niet gezoneerde wegen   Richtwaarde   Maximaal aanvaardbare waarde  
Locatie
Prins Bernhardstraat/Prinses Beatrixstraat  
48 dB   63 dB  

Intensiteiten

De verkeersintensiteiten en voertuigverdeling voor de wegen van beide locaties zijn verkregen via de Omgevingsdienst Midden-Holland en komen uit het Regionale Verkeers- en milieumodel Midden-Holland (RVMH versie 2.4). De planhorizon van het ruimtelijk plan dat de realisatie van de woning(en) op beide locaties planologisch mogelijk zal maken, ligt in het jaar 2027 (10 jaar na vaststelling van het plan). Voor de Oosteinde zijn intensiteiten voor 2025 verkregen. Op voorstel van de Omgevingsdienst zijn deze intensiteiten doorgerekend naar 2027 op basis van een autonome verkeersgroei van 1,5% per jaar. De hoeveelheid verkeer als gevolg van de ontwikkeling is hierbij opgeteld. Voor de Prins Bernhardstraat/Prinses Beatrixstraat is bij gebrek aan gegevens door de Omgevingsdienst een inschatting gemaakt van de hoeveelheid verkeer in 2027. De hoeveelheid verkeer als gevolg van de ontwikkeling is hierbij opgeteld. De verkeersintensiteiten zoals toegepast in het rekenmodel zijn te zien in tabel 4.3. De voertuigverdeling voor de wegen, zoals toegepast in het rekenmodel, zijn in tabel 4.4 te zien.

Tabel 4.3: Verkeersintensiteiten in mvt/etmaal weekdag 2027 inclusief ontwikkeling

Weg   Intensiteiten mvt/etmaal  
Oosteinde   1.047  
Prins Bernhardstraat   555  
Prinses Beatrixstraat   555  

Tabel 4.4: Voertuig- en etmaalverdeling

Weg   Voertuigverdeling (%)
Licht/Middelzwaar/Zwaar  
Dag-, avond-, nachtpercentages  
Oosteinde   Dagperiode: 96,72,/2,64/0,64
Avondperiode: 96,13/3,12/0,76
Nachtperiode: 96,16/3,09/0,75  
6,99/2,63/0,70  
Prins Bernhardstraat /
Prinses Beatrixstraat  
Dagperiode: 98,36/1,13/0,51
Avondperiode: 98,06/1,33/0,61
Nachtperiode: 98,07/1,32/0,61  
7,00/2,60/0,70  

Maximumsnelheid en wegverharding

Op de Oosteinde geldt een snelheidsregime van 60 km/u. De wegdekverharding bestaat uit asfalt (in het rekenmodel opgenomen als Referentiewegdek). Op de Prins Bernhardstraat/Prinses Beatrixstraat is de maximaal toegestane snelheid 30 km/u. De wegdekverharding bestaat hier uit klinkers in keperverband (in het rekenmodel opgenomen als Elementenverharding in keperverband).

Onderzoek en resultaten

Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens de Standaard Rekenmethode I (SRM I) conform het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder 2012. Voor de Prins Bernhardstraat/Prinses Beatrixstraat is een blok met maximaal 5 woningen of 6 appartementen voorzien. De gevel van de hoekwoning/appartement is aangehouden als referentiepunt. Bij deze hoekwoning/appartement geldt de kortste afstand tot de bron (Prins Bernhardstraat/Prinses Beatrixstraat). Op deze manier is sprake van een 'worst case' benadering. De geluidsbelasting als gevolg van het wegverkeer op de Prins Bernhardstraat en de Prinses Beatrixstraat wordt op deze woning getoetst. De goothoogte van de nieuwe woningen bedraagt zes meter, de nokhoogte tien meter. De waarneempunten zijn daarom op 1,50 meter (begane grond), 4,50 meter (eerste verdieping) en 7,50 meter (tweede verdieping) gesitueerd.

In tabel 4.5 is per waarneemhoogte de berekende geluidbelasting weergegeven. In alle gevallen is de wettelijk toegestane aftrek conform artikel 110g Wgh toegepast. Hieruit blijkt dat de richtwaarde van 48 dB niet wordt overschreden als gevolg van het wegverkeer op de Prins Bernhardstraat en het wegverkeer op de Prinses Beatrixstraat. De maximale geluidbelasting bedraagt 44 dB (Prins Bernhardstraat) en 43 dB (Prinses Beatrixstraat). Zie bijlage 9 voor de rekenresultaten.

Tabel 4.5: Overzicht geluidbelasting gevel Prins Bernhardstraat/Prinses Beatrixstraat

Weg   Afstand tot de wegasX   Maatgevende waarneemhoogte   Geluidbelasting  
Prins Bernhardstraat   8,20   1,50   44  
Prins Bernhardstraat   8,20   4,50   44  
Prins Bernhardstraat   8,20   7,50   44  
Prinses Beatrixstraat   14,70   1,50   42  
Prinses Beatrixstraat   14,70   4,50   43  
Prinses Beatrixstraat   14,70   7,50   43  

* de afstand tot de wegas is berekend op basis van een bouwvlak op de bestemmingsrens. De afstand is in het voorliggende plan verder tot de wegas, hierdoor wordt het akoestisch klimaat niet negatief beïnvloed.

Voor de locatie Oosteinde wordt één nieuwe woning gerealiseerd. De uiterste bouwgrens van de nieuwe woning is aangehouden als referentiepunt, waarbij de kortste afstand tot de bron is aangehouden (worst case benadering). De goothoogte van de nieuwe woning ligt op 4 meter, de nokhoogte op 8 meter. De waarneempunten zijn op 1,50 meter (begane grond) en 4,50 meter (eerste verdieping) gesitueerd. In tabel 4.6 is per waarneemhoogte de berekende geluidbelasting weergegeven. In alle gevallen is de wettelijk toegestane aftrek conform artikel 110g Wgh toegepast. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden als gevolg van het wegverkeer op de Oosteinde. De maximale geluidbelasting bedraagt 47 dB. Zie bijlage 10 voor de rekenresultaten.

Tabel 4.6: overzicht geluidbelasting uiterste bouwgrens Oosteinde

Weg   Afstand tot de wegas   Maatgevende waarneemhoogte   Geluidbelasting  
Oosteinde   22,50   1,50   47  
Oosteinde   22,50   4,50   47  

Conclusie

Voor de locatie Oosteinde is als gevolg van het wegverkeer geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de uiterste bouwgrens van de nieuw te realiseren woning. De maximale geluidbelasting bedraagt hier 47 dB. Ook voor de locatie Prins Bernhardstraat/Prinses Beatrixstraat wordt als gevolg van het wegverkeer op beide wegen de richtwaarde van 48 dB niet overschreden op de gevel van de te realiseren woningen. De maximale geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op de Prins Bernhardstraat is 44 dB en als gevolg van het wegverkeer op de Prinses Beatrixstraat 43 dB. Er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat voor beide locaties. Onderzoek naar maatregelen om de geluidbelasting aan de gevels van de geluidgevoelige objecten terug te dringen kunnen achterwege blijven. Een verdere procedure in het kader van de Wgh is niet benodigd. Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkelingen niet in de weg.

4.11 Water

Waterbeheer en watertoets

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Structuurvisie
  • Verordening Ruimte

Hoogheemraadschapsbeleid

Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan 2016-2021 'Met mensen en water', de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers. Het waterbeheerplan bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard. Met het nieuwe Waterbeheerplan staat het HHSK voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Per 1 januari 2016 is de geactualiseerde Keur in werking getreden. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben.

Huidige situatie

Algemeen

De huidige locatie van de kerk is gelegen op de hoek van de Prins Bernhardstraat en Prinses Beatrixstraat. De locatie is grotendeels verhard. De beoogde locatie van de kerk omvat een voormalig bedrijfsperceel met daarop bedrijfsbebouwing en een woning. Het plangebied is deels verhard.

 

Bodem en grondwater

De bodem van het plangebied omvat veengronden. Ter plaatse is sprake van grondwatertrap II. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand minder dan 0,4 m beneden het maaiveld ligt en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand varieert tussen 0,5 m en 0,8 m beneden het maaiveld.

Waterkwantiteit

Binnen en in de directe omgeving van de huidige locatie van de kerk zijn geen watergangen aanwezig. De beoogde locatie van de kerk (Oosteinde 4) wordt ten noorden begrensd door een hoofdwatergang (figuur 4.4). Voor deze hoofdwatergang geldt een beschermingszone van 2 m. Ten westen en oosten van het plangebied zijn overige watergangen gelegen met elk een beschermingszone van 2 m. Binnen deze beschermingszones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om onderhoud aan de watergangen mogelijk te houden. In voorliggend plan is hier rekening mee gehouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1703BG010-VA01_0014.png"

Figuur 4.4: Watergangen rondom plangebied (rode cirkel). Bron: Legger Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard

Veiligheid en waterkeringen

Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- en beschermingszone van de regionale/primaire waterkering.

Afvalwaterketen en riolering

Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel.

Toekomstige situatie

Algemeen

De beoogde ontwikkelingen betreffen:

  • De verplaatsing van de kerk naar Oosteinde 4. Ter plaatse van deze locatie wordt de bestaande bebouwing gesloopt. Ten noorden van de kerk wordt ook een woning gerealiseerd.
  • Ter plaatse van de huidige locatie van de kerk zijn maximaal twaalf woningen beoogd.

Bodem en grondwater

Bij toename aan verharding van meer dan 500m2 zijn watercompenserende maatregelen noodzakelijk. Omdat zowel de huidige locatie als toekomstige locatie van de kerk grotendeels bebouwd is zal de verhardingstoename onder deze grens blijven.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Veiligheid en waterkeringen

De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend Hoogheemraadschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting,
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het Hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het Hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.12 Kabels en leidingen

Toetsingskader

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

Onderzoek

Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig.

Conclusie

Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving en uitleg planregels

5.1 Wettelijk kader

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde standaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar.

Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van belang voor bestemmingsplannen.

5.2 Opzet van de bestemmingsregeling

Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling is het volgende van belang.

Verbeelding

Eisen aan de verbeelding

Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden.

Voorts zijn de volgende eisen van toepassing:

  • de ondergrond waarop de verbeelding is gebaseerd, geeft informatie over de actuele (kadastrale) situatie;
  • op de verbeelding wordt met de bestemming en de aanduidingen aangegeven of, en zo ja welke bebouwing is toegestaan;
  • op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen;
  • de volgorde van de bestemmingen in het renvooi komt overeen met de volgorde zoals van de regels (alfabetisch).

De bestemming wordt door middel van hoofdletters aangeduid, zoals 'M' voor 'Maatschappelijk'. Verder geldt het volgende:

  • gebouwen mogen (uitsluitend) binnen het op de verbeelding aangeduide 'bouwvlak' worden opgericht;
  • maatvoeringsaanduidingen zoals de maximum goothoogte wordt aangegeven door middel van een aanduiding in het bouwvlak;
  • ten slotte kunnen er op de verbeelding aanduidingen, zoals een plangrens of een gebied met gebiedsaanduiding worden aangegeven.

De gehanteerde bestemmingen

In dit bestemmingsplan worden de bestemmingen Maatschappelijk, Tuin en Wonen gehanteerd. Deze bestemmingen zijn in principe overgenomen uit de vigerende regelingen. Waar nodig zijn deze aangepast aan actuele wetgeving of de beoogde ontwikkeling.

Regels

Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde.

  • In de Inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald.
  • In de Bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven.
  • Algemene regels bevat een aantal regels (voorheen bepalingen genoemd) die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelbepaling of de bepaling welke wettelijke regeling van toepassing.
  • Overgangs- en slotregels ten slotte geven overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan.

Ook bij de opstelling van een bestemmingsbepaling (Hoofdstuk 2 van de regels) moet een vaste volgorde gebruikt worden: Een bestemmingsregel behoeft niet alle voorgeschreven elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.

Voorts is in het Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling.

Tot slot dienen de regels zoveel mogelijk aan te sluiten bij de modelregels voor bestemmingsplannen die onder andere ook voor andere bestemmingsplannen in de gemeente Krimpenerwaard zijn gehanteerd.

5.3 Toelichting op de gehanteerde bestemmingen

Maatschappelijk (Artikel 3)

De nieuwe locatie van de kerk is bestemd tot 'Maatschappelijk' met de aanduiding 'religie'. Ter plaatse van beoogde kerkgebouw is tevens een bouwvlak aangeduid en is een passende maximum goot- en bouwhoogte opgenomen. De bouwhoogte mag worden overschreden door ten hoogste één hoogteaccent. Dit betreft de architectonische verbijzondering van een torenspits.

Tuin (Artikel 4)

De bestemming 'Tuin' is opgenomen ter plaatse van de voortuinen van de beoogde woningen. Ter plaatse zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan aangezien gebouwen aan de voorzijde van woningen in beginsel ongewenst zijn.

Wonen (Artikel 5)

Zowel de beoogde boerderijwoning als de woningen aan de Prinses Beatrixstraat zijn bestemd voor 'Wonen'. Ook het zij- en achtererf is als zodanig bestemd.

Ter plaatse van de boerderijwoning is een ruim bouwvlak opgenomen en is de aanduiding 'vrijstaand' gehanteerd. Ter plaatse is uitsluitend 1 vrijstaande woning toegestaan met een inhoud van ten hoogste

850 m3. Ter plaatse van de locatie Prinses Beatrixstraat is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' gehanteerd op het bouwvlak. Hiermee wordt geregeld dat woningen uitsluitend aaneengebouwd óf gestapeld mogen worden gebouwd. Het aantal aaneengebouwde woningen bedraagt maximaal 5. Het aantal gestapelde woningen (appartementen) bedraagt ten hoogste 6. Tevens is een maatvoeringsaanduiding opgenomen voor het maximum aantal woningen en is een voorgevelrooilijn opgenomen. Naast bouwregels voor het hoofdgebouw (= de woning), zijn ook regels opgenomen voor bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Deze regels komen overeen met de standaard regels in de gemeente.

Waarde-Archeologie (Artikel 6)

In het plangebied geldt op grond van de gemeentelijke beleidskaart een archeologische verwachting (zie voor een toelichting paragraaf 4.4 Archeologie). In verband met de betreffende verwachtingswaarde is deze dubbelbestemming opgenomen.

Bouw- en grondwerkzaamheden zijn uitsluitend toegestaan wanneer (verkennend) archeologisch onderzoek is uitgevoerd waaruit blijkt dat er geen archeologische waarden worden geschaad. Werkzaamheden die kunnen worden aangemerkt als regulier beheer en onderhoud zijn in ieder geval van deze verplichting gevrijwaard.

5.4 Toelichting op de algemene regels

Deze algemene regels bestaan uit een aantal algemene, niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde, bepalingen.

Anti-dubbeltelregel (Artikel 7)

Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Bro vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.

Algemene bouwregels (Artikel 8)

Dit artikel bevat drie algemene bepalingen. De eerst bepaling geeft de mogelijkheid om bouwgrenzen onder voorwaarden te overschrijden. De tweede bepaling bevat een regeling om voldoende parkeergelegenheid te borgen. De derde bepaling betreft een regeling voor de maximum bouwhoogte, indien op de verbeelding uitsluitend een maximum goothoogte is aangeduid.

Algemene gebruiksregels (Artikel 9)

In het eerste lid is een aantal vormen van gebruik opgesomd die strijdig zijn met dit bestemmingsplan. Het tweede lid heeft betrekking op de mogelijkheid voor het houden van evenementen.

Algemene afwijkingsregels (Artikel 10)

In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om af te wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan.

Overige regels ( Artikel 11 )

Ook dit artikel bevat één bepaling, namelijk 'Werking wettelijke regeling'. In een aantal gevallen wordt in de regels van bestemmingsplannen verwezen naar een (andere) wettelijke regeling of wordt een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaart). Ook in de begripsbepalingen komen die verwijzingen voor. Op grond van jurisprudentie mag een bestemmingsplan slechts volgens de vereiste procedure van de Wro worden gewijzigd. Het impliciet wijzigen van een bestemmingsplan door wijzigingen in wetgeving in de bepalingen waarnaar wordt verwezen is niet toegestaan. Het is dan ook nodig dat verwijzingen naar toepasbare wettelijke regelingen worden gefixeerd, namelijk naar de tekst ervan zoals die op het moment van vaststelling van het plan gold. Uit praktische overwegingen is er voor gekozen in dit hoofdstuk van de regels een artikel 'Wettelijke regelingen' op te nemen, waarin is bepaald dat alle wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Hierdoor behoeft niet meer telkens te worden verwezen naar publicaties in het staatsblad.

5.5 Toelichting op de overgangs- en slotregels

In artikel 12 Overgangsrecht is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 12.1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 12.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen.

De slotregel in artikel 13 beschrijft op welke wijze de regels aangehaald moeten worden.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het wijzigingsplan, een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierbij de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen. Daarnaast kan de gemeente aan de hand van de kostensoortenlijst van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) kosten verhalen op de initiatiefnemer.

De gemeente sluit met de initiatiefnemer, die eigenaar is van de gronden, een anterieure overeenkomst. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd.

Voor beide locaties geldt een bodemsaneringsnoodzaak. Voor beide locaties is een exploitatieopzet opgesteld. In de exploitatieopzet is tevens rekening gehouden met kosten voor bodemsanering.

Gelet op het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Contactmomenten omgeving

In het kader van de ontwikkeling van het bestemmingsplan voor de nieuwe kerk in Berkenwoude aan de Oosteinde 4 en de vervangende nieuwbouw aan de Prinses Beatrixstraat 3 is op verschillende momenten contact gelegd met omwonenden. Bij elk contactmoment bleef de inzet alle gebruikers/eigenaren te spreken. Een overzicht van de contactmomenten is opgenomen in bijlage 15.

6.2.2 Inspraak en overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het voorontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 30 mei 2018 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn kon eenieder een inspraakreactie indienen. Tegelijkertijd zijn de vooroverlegpartners verzocht om een reactie. De ingekomen reacties zijn samengevat en van beantwoording voorzien in een nota van beantwoording. Deze nota is opgenomen in bijlage 11.

6.2.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 12 september 2018 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn kon eenieder een zienswijze indienen. De ingekomen zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de Nota van beantwoording. Deze nota is opgenomen in bijlage 14.