direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Woudse Erven II
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0203.TAMOP0017-0001

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

Gemeente Barneveld wil in samenwerking met een projectontwikkelaar een nieuw gedeelte van woonwijk De Burgt ontwikkelen aan de zuidzijde van de kern Barneveld. Het gaat om gebiedsdeel 'Woudse Erven II' met een omvang van circa 6,9 hectare, waar 160 woningen zullen worden gebouwd, waarvan circa 40% in de categorie sociale huur- en koopwoningen. De locatie van het plangebied is met een rode ellips globaal aangeduid op de onderstaande topografische kaart. In totaal zal De Burgt ruim 2.500 woningen tellen. Tweederde daarvan is inmiddels opgeleverd.

In het gebied Woudse Erven II bevindt zich de monumentale boerderij Groot Butzelaar. Het gaat om de locatie Nederwoudseweg 70-72. Daar zullen twee woningen worden gerealiseerd in de vorm van een twee-onder-een-kapwoning. Daarnaast zal er een nieuwe woonfunctie komen binnen de bestaande opstallen, rekening houdend met de monumentale status van het ensemble. Het exacte aantal woningen dat in deze opstallen wordt gerealiseerd is nog niet duidelijk. Dit zal in een later stadium worden uitgekristalliseerd.

De genoemde twee woningen zullen volledig worden meegenomen in het geheel van 'Woudse Erven II'. Deze twee-onder-een-kapwoningen sluit architectonisch aan bij de rest van de omgeving. Deze twee woningen zijn meegenomen in alle onderzoeken. Daaruit is gebleken dat de realisatie van deze woningen direct mogelijk is.

De overige woningen binnen het ensemble kunnen op basis van het voorliggende TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Woudse Erven II niet direct worden gerealiseerd. Ter plaatse van het ensemble wordt de functie 'Wonen - nader uit te werken' opgenomen op de verbeelding. Onderzoeken tonen aan dat wonen binnen het ensemble mogelijk is, echter dient ten tijde van de daadwerkelijke uitwerking van de woningen mogelijk een aantal onderzoeken te worden geüpdatet.

De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende "Omgevingsplan gemeente Barneveld" (hierna: omgevingsplan). Met deze reden is het voorliggende TAM-IMRO plan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Woudse Erven II' opgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0017-0001_0001.png"

Afbeelding 1 Planlocatie 'Woudse Erven II', globale ligging (rode stippellijn)

Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting (inclusief bijlagen). Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt de toekomstige situatie beschreven, waarbij al kort wordt aangehaakt op de verschillende ruimtelijke aspecten. In hoofdstuk 4 wordt het relevante beleid dat ten grondslag ligt aan het TAM-omgevingsplan geformuleerd. De fysieke en milieukundige omgevingsaspecten die van invloed kunnen zijn op de ruimtelijke ontwikkeling komen aan bod in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 richt zich op de juridische aspecten van dit TAM-omgevingsplan. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan besproken en tot slot wordt in hoofdstuk 8 de focus gelegd op de participatie en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. De bijlagen bij de motivering zijn opgenomen in alfabetische volgorde.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie en toekomstambitie

2.1 Beschrijving huidige situatie

Aan de zuidzijde van de kern Barneveld komt een nieuw gedeelte van woonwijk De Burgt. Het gaat om het gebiedsdeel 'Woudse Erven II', waar ongeveer 160 woningen zullen worden gebouwd op de percelen, kadastraal bekend gemeente Barneveld, sectie E, nummers 2299, 4182, 4887, 5104, 5105, 5374, 6219, 6790, 6791, 6792, 6794, 6795, 6799, 6800, 6802, 6817, 6818, 6889 (sommige percelen gedeeltelijk). Het plangebied wordt aan de noordwestzijde begrensd door de Nederwoudseweg. Aan de noordoostelijke zijde grenst het plangebied aan de straten Ramselaar en Boswei in de in 2022 gerealiseerde buurt 'Woudse Erven I'. Aan de zuidzijde komt de verlengde Burgemeester Labreelaan. Onderstaande afbeelding geeft de begrenzing van het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0017-0001_0002.png"Afbeelding 2 Plangrens 'Woudse Erven II'

2.2 Toetsing aan omgevingsplan

2.2.1 Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Op de gronden van het gebiedsdeel 'Woudse Erven II' is het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege (hierna ook: het omgevingsplan) van toepassing. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen en de bruidsschat.

Binnen dit tijdelijke omgevingsplan geldt het bestemmingsplan 'De Burgt - Veller e.o.' (2013). Op grond van het tijdelijk omgevingsplan heeft het plangebied de functie 'Agrarisch' (artikel 3) en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie-1' (artikel 21).

Op een relatief klein gedeelte van de gronden die horen bij 'Woudse Erven II' is van toepassing het bestemmingsplan 'Woudse Erven I' (2021), dat is opgegaan in het tijdelijke omgevingsplan. Het betreft gronden aan de noordzijde van het plangebied, waaraan de bestemming 'Groen' (artikel 3) respectievelijk 'Verkeer' (artikel 5) is toegekend.

Daarnaast geldt binnen dit tijdelijke omgevingsplan voor de locatie het bestemmingsplan "Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie" (2023). De gronden in het plangebied hebben volgens het laatstgenoemde bestemmingsplan de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archelogie-1', respectievelijk 'Waarde - Archeologie-2' en 'Waarde - Archeologie-3'.

Met de 'Parapluherziening Parkeernormen' (2018) is in artikel 23 van het bestemmingsplan 'De Burgt - Veller e.o.' een parkeerregeling opgenomen met een verwijzing naar de Nota Parkeernormen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0017-0001_0003.png"Afbeelding 3 Countourenkaart

2.2.2 Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

De voorgenomen ontwikkeling van het nieuwe gedeelte van de woonwijk De Burgt past niet binnen het omgevingsplan omdat dit niet in overeenstemming is met de agrarische functie en de dubbelfuncties voor archeologie.

In het omgevingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken door een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit (OPA). Het is evenmin mogelijk om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken via een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), omdat de agrarische functie daarmee niet wordt weggenomen. Daarom is een wijziging van het omgevingsplan nodig. Bepaalde agrariche activiteiten zijn niet goed verenigbaar met de nieuwe woonfunctie.

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

3.1 Voorgenomen ontwikkeling

3.1.1 Algemeen

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van de nieuwe buurt Woudse Erven II in woonwijk De Burgt aan de zuidzijde van de kern Barneveld. Met deze ontwikkeling wordt uitvoering gegeven aan de gemeentelijke en regionale woningbouwopgave en wordt een volgende stap gezet in de afronding van de wijk De Burgt. De ontwikkeling draagt bij aan een evenwichtige woningvoorraad en aan een aantrekkelijk en duurzaam woonmilieu voor verschillende doelgroepen.

Voor het zuidwestelijke deelgebied met de monumentale boerderij Groot Butzelaar (locatie Nederwoudseweg 70-72) is de beoogde herontwikkeling nog niet volledig uitgekristalliseerd. De monumentale bebouwing biedt kansen voor functieverandering naar wonen.

Om deze ontwikkeling niet te blokkeren, is een conserverende functie 'Wonen - nader uit te werken' opgenomen, met een ontwikkelregel die woninggebruik binnen de bestaande bebouwing toelaat, mits dit plaatsvindt met behoud van cultuurhistorische waarden en passend binnen gemeentelijk beleid.

Op deze manier blijft het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Woudse Erven II uitvoerbaar en flexibel, terwijl het juridisch voldoet aan de eisen van de Omgevingswet vóór 2026.

3.1.2 Ligging en stedenbouwkundige opzet

Het oorspronkelijke stedenbouwkundige plan voor woonwijk De Burgt dateert uit 1996. Het is geactualiseerd in 2021 (bijlage 15). Voor de buurt Woudse Erven II is vervolgens een specifiek stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan opgesteld (bijlage 3), dat aansluit op het hiervoor genoemde, geactualiseerde stedenbouwkundige plan.

Het projectgebied ligt tussen de bestaande buurt Woudse Erven I aan de oostzijde en de toekomstige centrale parkzone aan de westzijde. Aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door de verlengde Burgemeester Labreelaan en aan de noordzijde door de Nederwoudseweg. Het stedenbouwkundig plan sluit aan op de reeds gerealiseerde ruimtelijke hoofdstructuren van de wijk. De verkaveling is zo gekozen dat er veel routes lopen vanuit de buurt naar de centrale parkzone in woonwijk De Burgt.

De hoofdontsluiting van het plangebied vindt plaats via een rotonde op de verlengde Burgemeester Labreelaan. Vanuit deze rotonde wordt de buurt intern ontsloten door een netwerk van woonstraten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen twee-richtingswegen en eenrichtingsstraatjes. Deze differentiatie versterkt de woonkwaliteit en zorgt voor een verkeersveilige en rustige inrichting van de buurt.

De Nederwoudseweg behoudt haar karakter als groene, historische lintstructuur. De weg wordt ingericht als een fietsstraat met auto-te-gast-principe, uitsluitend bedoeld voor bestemmingsverkeer. De afstand van de woningen ten opzichte van deze weg sluit aan op de maatvoering van de bestaande wijk. Ten westen van de buurt wordt een vrijliggend fietspad aangelegd dat aansluit op het fietsnetwerk van De Burgt en een directe en veilige verbinding vormt richting de onderwijsvoorzieningen in het zuiden van Barneveld.

3.1.3 Programma en woningtypologie

Binnen het plangebied worden in totaal circa 160 woningen gerealiseerd. Het woningprogramma bestaat uit een gevarieerd aanbod van vrijstaande woningen, twee-onder-één-kapwoningen, rijwoningen en beneden-bovenwoningen. Het programma sluit aan op de gemeentelijke woonvisie en de regionale woonagenda en voorziet in de volgende verdeling:

  • circa 40% betaalbare woningen (huur en koop);
  • circa 20% middeldure woningen;
  • circa 40% duurdere woningen.

De differentiatie in woningtypen en prijsklassen zorgt voor een gevarieerd straatbeeld en biedt ruimte aan uiteenlopende doelgroepen, waaronder starters, doorstromers en gezinnen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de volkshuisvestelijke doelstellingen van de gemeente Barneveld.

3.1.4 Groenstructuur, water en klimaatadaptatie

De inrichting van Woudse Erven II is gebaseerd op een groen-blauwe hoofdstructuur waarin groen, water en wonen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Centraal in de buurt is een royale groenstructuur opgenomen die aansluit op de hoofdgroenstructuur van De Burgt en doorloopt tot aan de centrale parkzone.

Het hemelwater wordt lokaal opgevangen, geborgen en geïnfiltreerd via een netwerk van wadi's. Deze wadi's zijn onderling gekoppeld en voorzien in voldoende capaciteit voor het verwerken van hevige neerslag. De wadi's lozen op de singel langs de Burgemeester Labreelaan. Rondom de voormalige boerderij aan de Nederwoudseweg 70 wordt een greppel aangelegd om wateroverlast in dit lagere deel van het gebied te voorkomen. De inrichting is hiermee volledig klimaatadaptief en draagt bij aan het vasthouden van water in het gebied zelf.

Het groen in de wijk vormt een belangrijk onderdeel van de natuurinclusieve opzet. Door het verbinden van de openbare groenzones, erfafscheidingen en tuinen ontstaat een samenhangend ecologisch netwerk dat de biodiversiteit versterkt en de belevingskwaliteit verhoogt.

3.1.5 Cultuurhistorie en beeldkwaliteit

Binnen het plangebied blijft de historische boerderij aan de Nederwoudseweg 70 behouden. De bestaande erfstructuur en het karakteristieke eikenlaantje worden ingepast in het nieuwe stedenbouwkundig plan. De voormalige agrarische bebouwing vormt een inspiratiebron voor de architectonische uitwerking van de omliggende woningen.

Voor het zuidwestelijke deelgebied van het plangebied, op de locatie Nederwoudseweg 70-72 in Barneveld die in eigendom van een voormalige agrariër is, is de beoogde herontwikkeling nog niet volledig uitgekristalliseerd.

De monumentale bebouwing biedt kansen voor functieverandering naar wonen. Het aantal parkeerplaatsen, de landschappelijke inpassing en de wateropgave voor het eigen erf zijn bepalend voor de omvang van de ontwikkeling. De ruimtelijke kwaliteit van de gekozen ontwikkeling wordt ook hierop getoetst.

Om deze ontwikkeling niet te blokkeren, is een conserverende functie 'Wonen - nader uit te werken' opgenomen, met een ontwikkelregel die woninggebruik binnen de bestaande bebouwing toelaat, mits dit plaatsvindt met behoud van cultuurhistorische waarden en passend binnen gemeentelijk beleid.

Op deze manier blijft het TAM-omgevingsplan uitvoerbaar en flexibel, terwijl het juridisch voldoet aan de eisen van de Omgevingswet vóór 2026.

De architectuur binnen Woudse Erven II wordt gekenmerkt door een ambachtelijke, dorpse uitstraling met aandacht voor samenhang, detaillering en materialisering. Kenmerkend zijn de toepassing van genuanceerde baksteen in rood- en zandtinten, zwarte houten gevelbetimmering en keramische dakpannen. Deze vormentaal verwijst naar de schuren en boerderijtypologieën in het buitengebied en zorgt voor een herkenbare en kwalitatief hoogwaardige identiteit van de buurt.

3.1.6 Voorzieningen, parkeren en leefkwaliteit

Binnen de buurt worden twee speellocaties ingericht: één in aansluiting op de bestaande speelplek in Woudse Erven I en één aan de zuidzijde, nabij de toekomstige parkzone. Deze speelplekken worden geschikt gemaakt voor zowel jongere als oudere kinderen.

Voor de nutsvoorzieningen is ruimte gereserveerd voor drie transformatorstations. Het parkeren wordt opgelost conform de gemeentelijke parkeernormen, met een evenwichtige verdeling tussen parkeerplaatsen op eigen terrein en in de openbare ruimte. Bij de inrichting van de straten is gestreefd naar een goede balans tussen bereikbaarheid, verkeersveiligheid en ruimtelijke kwaliteit.

3.1.7 Conclusie

Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7). Indien de voorgenomen ontwikkeling van de buurt in strijd is met de omgevingsvisie, provinciale verordening of rijksbeleid is er geen sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan de locatie en is het niet mogelijk om medewerking te verlenen aan dit plan.

Met de ontwikkeling van Woudse Erven II wordt een toekomstbestendige, duurzame en landschappelijk ingepaste woonbuurt gerealiseerd. De buurt sluit aan op de bestaande hoofdstructuren en draagt bij aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit aan de zuidzijde van Barneveld.

De ontwikkeling past binnen de beleidsmatige kaders van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Barneveld en levert een wezenlijke bijdrage aan de verwezenlijking van een goede fysieke leefomgeving. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan beleid

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op het relevante beleidskader voor de functies en activiteiten die aan de gronden zijn toebedacht. Het plan wordt getoets aan het beleid. Het gaat om beleid en beleidsnota's die direct dan wel indirect doorwerken in het omgevingsplan of invloed hebben op de regels. Van deze nota's is hierna per bestuursniveau een beknopte samenvatting gegeven.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen aan de ene kant beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, maar waar gemotiveerd van afgeweken kan worden; en aan de andere kant instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). De regels uit het Bkl worden in hoofdstukken 4 en 5 van dit plan gemotiveerd getoetst aan de activiteit.

4.2 Rijk

4.2.1 Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.

Doorwerking in plangebied
1) Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
De ontwikkeling van Woudse Erven II sluit aan bij de NOVI-prioriteit om nieuwe stedelijke uitbreidingen klimaatbestendig te realiseren. In de buurt wordt een robuust groen-blauw netwerk aangelegd, bestaande uit wadi's, groenzones en infiltratievoorzieningen, waarmee hemelwater lokaal wordt opgevangen en geborgen. De inrichting is gericht op klimaatadaptatie, het tegengaan van hittestress en het versterken van de biodiversiteit. Tevens worden in het ontwerp principes van natuurinclusief bouwen toegepast. De woningen worden duurzaam en energiezuinig gerealiseerd, in lijn met de energietransitie-doelstellingen uit de NOVI.

2) Duurzaam economisch groeipotentieel
De wijkontwikkeling draagt bij aan de regionale woningbouwopgave in de Regio Foodvalley en ondersteunt zo de economische vitaliteit van Barneveld als groeigemeente. Door toevoeging van een gevarieerd woningaanbod (betaalbaar, middelduur en duur) wordt het vestigingsklimaat versterkt en ontstaat een evenwichtige bevolkingsopbouw die de lokale economie ondersteunt.

3) Sterke en gezonde steden en regio's
De NOVI benadrukt het belang van een gezonde en leefbare woonomgeving. Woudse Erven II wordt ontwikkeld als groene, verkeersveilige en klimaatbestendige buurt met veel aandacht voor wandel- en fietsverbindingen, speelvoorzieningen en sociale ontmoetingsplekken. De inrichting stimuleert bewegen, ontmoeten en verblijf in het groen, wat bijdraagt aan een gezonde leefstijl en een sociaal sterke wijk. Daarmee sluit de ontwikkeling aan bij de NOVI-doelstelling van sterke, gezonde en aantrekkelijke woonregio's.

4) Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
De nieuwe buurt wordt gerealiseerd aansluitend op het bestaand stedelijk gebied van Barneveld en draagt bij aan de afronding van woonwijk De Burgt. Er is nadrukkelijk aandacht voor behoud en inpassing van cultuurhistorische waarden, zoals de voormalige boerderij aan de Nederwoudseweg 70 en de bijbehorende laanstructuur met eiken. Hierdoor wordt zorgvuldig omgegaan met het bestaande landschap en erfgoed. De ontwikkeling versterkt de overgang tussen het stedelijke en landelijke gebied, geheel in lijn met de NOVI-principes van zorgvuldig ruimtegebruik en behoud van landschappelijke kwaliteit.

Conclusie
De ontwikkeling van Woudse Erven II is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Nationale Omgevingsvisie. De buurt levert een bijdrage aan de realisatie van een duurzame, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving, waarbij klimaatadaptatie, natuurinclusiviteit en kwaliteit van wonen en landschap centraal staan. De ontwikkeling ondersteunt daarmee de nationale koers voor verstedelijking binnen bestaande structuren en draagt bij aan een veerkrachtige regio. Het beoogde plan is in lijn met de prioriteiten, in het bijzonder met het nationale belang om zorg te dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Dit belang is genoemd op paginanummer 46 van de NOVI en uitgewerkt op paginanummers 51-52. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan.

4.2.2 Nationaal Waterprogramma 2022-2027

Het nationaal waterprogramma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein:

  • Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering.
  • We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorzieningen tegen toenemende droogte.
  • Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

De gevolgen van klimaatverandering vergroten de huidige opgaven voor waterveiligheid, wateroverlast, zoetwater- en drinkwatervoorziening, waterkwaliteit, naerfgoed en de scheepvaart. Nederland moet zich aanpassen en klimaatadaptatie is daarbij noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het water- en bodemsysteem meegenomen als leidend principe. Daarmee zetten we, nog meer dan voorheen, in op een fysieke leefomgeving die rekening houdt met de natuurlijke eigenschappen van het bodem- en watersysteem. En met de mogelijkheden en beperkingen die dit systeem met zich meebrengt.

Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van de afweging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf (§ 5.20).

4.2.3 Instructieregels Rijk (AMvB's)

In het Bkl zijn de instructieregels van het rijk opgenomen voor het omgevingsplan. Het Bkl bevat instructieregels die zien op:

  • algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1);
  • waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2);
  • beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3);
  • beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • behoeden van de straat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
  • bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

Daarnaast bevat Afdeling 5.2 instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze instructieregels gaan over;

  • voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen;
  • lokale spoorwegen binnen vervoerregio's;
  • lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool;
  • bebouwingcontour jacht;
  • bebouwingcontour houtkap.

Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan.

Doorwerking in plangebied
In Hoofdstuk 5 wordt ingegaan op voor deze locatie van toepassing zijnde instructieregels.

4.3 Provincie

4.3.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

Algemeen
De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. De Omgevingswet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening.

4.3.1.1 Omgevingsvisie

Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 vervangt na publicatie de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer.

Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan:

  • energietransitie
  • klimaatadaptatie
  • circulaire economie
  • biodiversiteit
  • bereikbaarheid
  • economisch vestigingsklimaat
  • woon- en leefklimaat

Doorwerking in plangebied
1) Energieneutraal en klimaatbestendig Gelderland
De buurt Woudse Erven II wordt ontwikkeld met een klimaatadaptieve inrichting en energiezuinige woningen. Het fijnmazige stelsel van wadi's en groenstructuren maakt het plangebied bestand tegen hevige neerslag en draagt bij aan lokale waterberging en verkoeling. De woningen worden gasloos en voorzien van energiezuinige installaties, waarmee wordt bijgedragen aan de provinciale ambitie voor een energieneutraal en klimaatbestendig Gelderland in 2050.

2) Biodivers en aantrekkelijk landschap
De ontwikkeling versterkt de landschappelijke structuur aan de zuidzijde van Barneveld. Het stedenbouwkundig plan is natuurinclusief opgezet, met een netwerk van groenverbindingen dat soortenmigratie mogelijk maakt en de biodiversiteit vergroot. De historische boerderij aan de Nederwoudseweg 70 en het bijbehorende eikenlaantje zorgvuldig ingepast. Na de asbestsanering wordt de eikenlaan teruggebracht. Hiermee worden cultuurhistorische en landschappelijke waarden geborgd, in lijn met de Gelderse doelstelling om de identiteit en kwaliteit van het landschap te versterken.

3) Dynamisch en economisch sterk Gelderland
De wijkontwikkeling voorziet in de actuele woningbehoefte van de Regio Foodvalley en sluit aan bij de provinciale ambitie om verstedelijking te concentreren binnen of aansluitend op bestaande stedelijke gebieden. Door een gevarieerd woningaanbod te realiseren - met circa 40 % betaalbare woningen - wordt de woningdynamiek vergroot en wordt de economische vitaliteit van Barneveld als groeikern binnen het Gelderse stedennetwerk versterkt.

4) Gezond en veilig leefklimaat
Woudse Erven II wordt ingericht als een groene, verkeersluwe en leefbare woonbuurt, met veel aandacht voor voetgangers, fietsers, spelende kinderen en sociale ontmoetingsplekken. De inrichting bevordert bewegen en ontmoeting, draagt bij aan een gezonde leefstijl en zorgt voor een prettig verblijfsklimaat. De klimaatadaptieve inrichting beperkt hittestress en verbetert de luchtkwaliteit, wat aansluit bij het provinciale streven naar een gezonde leefomgeving voor alle inwoners.

Conclusie
Op themakaart 2 Ruimtelijk beleid van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is te zien dat grote zonneparken mogelijk zijn in het nog niet volgebouwde deel van woonwijk De Burgt in het zuiden van Barneveld. Ook is op de kaart de aanduiding van een Windenergie aandachtsgebied ingetekend. Het voorliggende plan voorziet niet in een groot zonnepark of in windturbines. De buurt Woudse Erven II komt in sterk verstedelijkt gebied en ligt in de nabijeheid van waardevolle landschappen. De provincie benadrukt in haar visie dat in dergelijke gebieden zorgvuldige afwegingen nodig zijn bij het toelaten van grootschalige energieprojecten. Er is geen expliciete aanwijzing in de omgevingsvisie dat De Burgt of het zuidelijk buitengebied is aangewezen voor grootschalige wind- of zonne-energie.

De ontwikkeling van Woudse Erven II is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Het plan geeft concreet invulling aan de provinciale ambities voor duurzaam ruimtegebruik, klimaatadaptief bouwen, versterking van natuur en landschap en een gezonde leefomgeving.

Door zorgvuldig in te passen binnen de bestaande structuren van De Burgt en aandacht te besteden aan landschap, erfgoed en leefkwaliteit, draagt de ontwikkeling direct bij aan een "Gaaf Gelderland": een provincie die aantrekkelijk, vitaal en toekomstbestendig blijft.

Dit plan is in lijn met de omgevingsvisie Gaaf Gelderland.

4.3.1.2 Omgevingsverordening

Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan de Omgevingsverordening er één is. Deze richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken.

De Omgevingsverordening is met ingang van 1 januari 2024 in werking getreden. De provincie actualiseert regelmatig de Omgevingsverordening. De Provinciale Staten kunnen bij omgevingsverordening regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente (instructieregels). De volgende instructieregels en instructies zijn in hoofdstuk 5 van de provinciale verordening opgenomen:

  • algemene instructieregels (Afdeling 5.1)
  • instructieregels over de natuur (Afdeling 5.2)
  • instructieregels over landschap (Afdeling 5.3)
  • instructieregels over erfgoed (Afdeling 5.4)
  • instructieregels over milieu (Afdeling 5.5)
  • instructieregels over provinciale wegen (Afdeling 5.6)
  • instructieregels over de ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en de regionale samenwerking (Afdeling 5.7)

De ontwikkeling van de nieuwe buurt Woudse Erven II is getoetst aan de relevante instructieregels uit hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland (versie 24 september 2025). Deze regels zijn van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een omgevingsplan wordt vastgesteld of herzien, zoals in dit geval.

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Woudse Erven II voldoet aan de relevante instructieregels uit hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening Gelderland. De ontwikkeling is zorgvuldig landschappelijk ingepast, draagt bij aan de woningbouwopgave en houdt rekening met klimaatadaptieve maatregelen, waarmee wordt bijgedragen aan een duurzame en toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling. Hieronder volgt een uitgebreidere uiteenzetting.

Natuur en Landschap
Met ingang van 1 januari 2024 bevat de provinciale omgevingsverordening nieuwe regels over de kwaliteit van het landschap die in héél Gelderland gelden (afdeling 5.3 van de provinciale verordening). Voorheen golden alleen regels voor een beperkt aantal gebieden in Gelderland (afdeling 5.2 Bkl). Met deze regels moet een omgevingsplan die een activiteit of ontwikkeling toelaat in de toelichting een beschrijving geven van de wijze waarop rekening gehouden wordt met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten en dan in het bijzonder de nationale landschappen. Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat:

  • a. Per saldo sprake is van versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, bedoeld in bijlage kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen;
  • b. de versterking en de uitvoering hiervan worden vastgelegd.

Het plangebied ligt binnen de Gelderse Vallei, waarvoor in de verordening specifieke kernkwaliteiten zijn benoemd, waaronder openheid, kleinschalige verkaveling en het voorkomen van visuele verstoring van het landschap. In het ontwerp van Woudse Erven II is hiermee rekening gehouden door:

  • het behoud en herstel van landschapselementen zoals de historische houtsingel;
  • de aanleg van een groen-blauwe structuur die aansluit op bestaande landschappelijke patronen;
  • een stedenbouwkundige opzet die zichtlijnen respecteert en de overgang naar het buitengebied verzacht.

Hiermee wordt voldaan aan de verplichting tot behoud en versterking van landschappelijke kernkwaliteiten, zoals voorgeschreven in artikel 5.37.

Wonen (artikelen 5.62 t/m 5.64)
De ontwikkeling van Woudse Erven II is afgestemd op de regionale woningbouwafspraken binnen de Regio Foodvalley. Het plan voorziet in een gedifferentieerd woningaanbod dat aansluit bij de lokale en regionale woningbehoefte. Daarmee wordt voldaan aan de instructieregels die eisen dat nieuwe woonlocaties bijdragen aan de realisatie van de woningbouwopgave en passen binnen de regionale programmering.

Klimaatadaptatie
In artikel 5.85 van de provinciale verordening is een bepaling opgenomen over klimaatadaptatie. Bij plannen moet hierop worden ingaan. Het artikel bepaalt dat voor zover een omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaat, de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving bevat van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:

  • waterveiligheid;
  • wateroverlast;
  • droogte; en
  • hitte.

Het plan draagt bij aan klimaatadaptatie door de integratie van waterberging, infiltratievoorzieningen en groene structuren die bijdragen aan het beperken van hittestress. Deze maatregelen zijn in overeenstemming met de provinciale instructieregels die gericht zijn op het klimaatbestendig inrichten van nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

Gebiedsaanwijzingen
De volgende gebiedsaanwijzingen gelden:

  • Gelderse streek Gelderse Vallei
  • glastuinbouw buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied

De voorgenomen ontwikkeling Woudse Erven II sluit aan bij de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen zoals opgenomen in de Streekgids Gelderse Vallei (februari 2022), en meer specifiek het deelgebied Barneveldse Beken. Dit deelgebied wordt gekenmerkt door een kleinschalig kampenlandschap met beken, erven en een afwisseling van open en besloten ruimten. De Streekgids benoemt vier kernkwaliteiten die richtinggevend zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen:

  • 1. Landschappelijke karakteristiek: Het stedenbouwkundig plan voor Woudse Erven II is gebaseerd op het bestaande kampenlandschap. De verkaveling en inrichting sluiten aan bij de historische structuur van erven, akkers en beken. Bestaande landschapselementen zoals de boerderij aan de Nederwoudseweg worden behouden en ingepast.
  • 2. Openheid, beslotenheid en ruimtebeleving: De wijk is ontworpen met zichtlijnen naar het omliggende landschap en een centrale parkzone die de beleving van ruimte versterkt. De inrichting van de Nederwoudseweg als 'auto-te-gast' straat draagt bij aan een rustige en groene woonomgeving.
  • 3. Ordenende structuren: De hoofdontsluiting via de Burgemeester Labreelaan en de parkzone vormen de ruimtelijke dragers van de wijk. Deze structuren zorgen voor een heldere opbouw van de buurt en versterken de samenhang met de omliggende wijkdelen.
  • 4. Stad-landrelatie: Woudse Erven II vormt een overgangszone tussen de kern van Barneveld en het buitengebied. De ontwikkeling draagt bij aan een geleidelijke overgang van stedelijke bebouwing naar het open landschap, zoals beoogd in de Streekgids.

Daarnaast wordt met de ontwikkeling invulling gegeven aan diverse ontwikkeldoelen uit de Streekgids, waaronder het versterken van ecologische netwerken, het zichtbaar houden van landschappelijke gradiënten en het behoud van streekeigen identiteit. De inrichting van wadi’s, groene zones en biodiversiteitsmaatregelen draagt bij aan klimaatadaptatie en natuurversterking.

Op basis van bovenstaande luidt de conclusie dat de ontwikkeling van Woudse Erven II in overeenstemming is met de Streekgids Gelderse Vallei en bijdraagt aan een kwalitatieve en toekomstbestendige ruimtelijke inrichting van het deelgebied Barneveldse Beken.

Doorwerking in plangebied
De ontwikkeling van de nieuwe buurt Woudse Erven II in het zuiden van de kern Barneveld vindt plaats binnen het beleidskader van de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland. Sinds 1 januari 2024 zijn de regels voor landschap, zoals opgenomen in de verordening en nader uitgewerkt in het document "Toepassing regels landschap omgevingsverordening Provincie Gelderland", van toepassing op het gehele grondgebied van de provincie, en daarmee ook op het plangebied van Woudse Erven II.

Bij de planvorming is het vierstappenmodel uit de handreiking toegepast. Het plangebied maakt deel uit van de Gelderse Vallei, een streek met kenmerkende landschappelijke kwaliteiten zoals openheid, zichtlijnen en kleinschalige verkavelingsstructuren. In het ontwerp van de woonwijk is nadrukkelijk rekening gehouden met deze kernkwaliteiten door het behoud en de versterking van bestaande landschapselementen, zoals de historische houtsingel en de aanleg van een centrale groen-blauwe structuur. Hiermee wordt invulling gegeven aan het provinciale uitgangspunt van ‘per saldo versterking van het landschap’ bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Het omgevingsplan sluit daarmee aan bij de doelstellingen van de omgevingsverordening en draagt bij aan een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de nieuwe woonwijk in de bestaande ruimtelijke en landschappelijke context van Barneveld-Zuid.

Het plan is in overeenstemming met de verordening. De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie.

4.3.2 Omgevingswaarde(n)

Een omgevingswaarde is één van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie.

In dit geval heeft de provincie de volgende omgevingswaarde vastgesteld die relevant is voor Barneveld:

  • Wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe (artikel 3.12 van Afdeling 3.2 van de provinciale verordening).

Voor de wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe geldt binnen het stedelijk gebied een gemiddelde kans op overstroming van:

      • a. 1:100 per jaar voor locaties waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen aanwezig zijn; en
      • b. 1:10 per jaar voor het overige gebied.

Buiten het stedelijk gebied geldt een gemiddelde kans op overstroming van 1:10 per jaar. Er geldt buiten het stedelijk gebied geen norm voor Natura 2000-gebieden (a); gebieden aangewezen op grond van artikel 2.44, tweede lid, van de Omgevingswet en gebieden (b), voor zover niet behorend tot deze onder a of b bedoelde gebieden, aangeduid als natuurtype in het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland.

Aan de omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren wordt voldaan met ingang van 1 januari 2024. De omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren zijn inspanningsverplichtingen voor het waterschap. De gemeente mag daar niet van afwijken of deze aanvullen. Dit is alleen mogelijk als de provincie dat mogelijk maakt.

Doorwerking in het plangebied
De gemeente wijkt hier niet van af en vult deze ook niet aan. Er is geen strijdigheid met deze omgevingswaarde.

4.4 Regio

4.4.1 Regionaal waterprogramma 2021-2027

In het regionaal waterprogramma worden de uitdagingen beschreven waarvoor de provincie staat, waar ze naartoe werken, en wat er de komende tijd op het gebied van water wordt bijgedragen aan de ambities gesteld in de omgevingsvisie en het coalitieakkoord. Enkele relevante ambities hieruit zijn:

  • Vestigingsklimaat: Voldoende en kwalitatief water als grondstof en/of proceswater voor landbouw en industrie.
  • Wonen: Water biedt mogelijkheden voor recreatie, schoon grondwater voor drinkwater en is onderdeel van de ruimtelijke kwaliteit.
  • Biodiversiteit: Voldoende water van voldoende kwaliteit voor planten en dieren, streven naar natuurvriendelijk beheer en doorgaan met verdrogingsbestrijding.
  • Klimaatadaptatie: Het natuurlijk systeem van bodem en water is een belangrijk ordenend principe in de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen, beschikbaarheid van water in droge periode, beschikbaarheid van water voor natuur, tegengaan hittestress, voorkomen wateroverlast en beschermen tegen overstromingen.
  • Circulaire economie: Water als (herbruikbare) grondstof door middel van het schoonhouden van het water.

Hierbij worden vanuit het waterbeleid 3 uitgangspunten aangehouden:

  • 1. Voorkomen is beter dan genezen. Het bodem- watersysteem is een belangrijke basis voor onze fysieke leefomgeving en een sleutel naar duurzaamheid en klimaatbestendigheid. We werken aan herstel en we zorgen dat nieuwe functies en nieuwe ontwikkelingen het systeem versterken.
  • 2. Als ontwikkelingen verwachte negatieve effecten hebben op het bodem- en watersysteem, verwachten we van initiatiefnemers maatregelen om die te beperken en/of te compenseren.
  • 3. Diverse grote maatschappelijke opgaven waaraan we met onze partners werken vragen om een gebiedsgerichte aanpak (vermindering stikstof en uitstoot CO2, aanpak PFAS, klimaatverandering, vergroten biodiversiteit etc.). Deze opgaven komen samen in gebieden en daardoor is een aanpak per gebied het effectiefst. Waar mogelijk proberen we hierbij gebruik te maken van innovatietechnieken en vormen van samenwerking.

Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van de weging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.20.

4.5 Waterschap

4.5.1 Blauwe Omgevingsvisie 2050

De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes:

  • 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening.
  • 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water.
  • 3. Partnerschap als watermerk.

Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond.

Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in § 5.20.

4.5.2 Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe

Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven.

Waterveiligheid
Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen.

Watersysteem
Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen.

Wonen en zuiveren
Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.

Circulaire economie
Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving.

Energietransitie
Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie.

Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van het BOP zijn beschreven in § 5.20.

4.6 Gemeente

4.6.1 Biodiversiteitsplan gemeente Barneveld

De gemeenteraad heeft in 2021 het "Biodiversiteitsplan gemeente Barneveld" vastgesteld. Hierin is onder andere aangegeven dat het behouden/verbeteren van de biodiversiteit een integraal onderdeel moet zijn van ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast heeft de raad in 2022 een puntensysteem voor natuurinclusief bouwen vastgesteld.

Door voorzieningen aan/in gebouwen te verwerken en aandacht te hebben voor de inrichting van een groene omgeving kan op dat gebied veel bereikt worden voor de biodiversiteit en de leefbaarheid. Denk hierbij aan inbouwkasten voor gebouwbewonende diersoorten (zoals vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen), het realiseren van bloemrijke/kruidenrijke gebieden, het toepassen van verschillende gebiedseigen bomen en planten op het perceel of de aanleg van een poel.

Doorwerking in plangebied
De ontwikkeling van Woudse Erven II sluit aan bij de ambities en uitgangspunten uit het Biodiversiteitsplan gemeente Barneveld (2021). In dit beleidsplan is biodiversiteit gepositioneerd als essentieel onderdeel van een gezonde, toekomstbestendige leefomgeving. Het plan benadrukt het belang van natuurinclusieve gebiedsontwikkeling, ecologisch beheer, icoonsoorten en het versterken van het groenblauwe netwerk.
Binnen het stedenbouwkundig ontwerp van Woudse Erven II is expliciet aandacht besteed aan biodiversiteit. Zo wordt ingezet op het behoud en de versterking van bestaande groenstructuren, de aanleg van wadi’s en ecologische verbindingen, en een inrichting die ruimte biedt aan soorten als huismus, steenuil en vleermuizen. Voor deze soorten zijn mitigerende maatregelen getroffen en is een ontheffing Wet natuurbescherming verleend. Hiermee wordt invulling gegeven aan de icoonsoortenbenadering uit het biodiversiteitsplan.
Daarnaast draagt het plan bij aan klimaatadaptatie en waterbeheer, onder meer door het realiseren van een robuust wadi-netwerk en het vasthouden van hemelwater in de wijk. Dit sluit aan bij de integrale benadering van biodiversiteit en klimaat uit het beleidsplan. Ook wordt het groenblauwe netwerk versterkt, waarmee verbindingen ontstaan tussen stedelijk gebied, buitengebied en omliggende natuur.
Tot slot wordt in het plan ruimte geboden voor participatie en monitoring, conform de beleidscyclus zoals opgenomen in het biodiversiteitsplan. Daarmee vormt het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Woudse Erven II een concrete vertaling van het gemeentelijk biodiversiteitsbeleid naar de fysieke leefomgeving.

De Quickscan natuurwetgeving (2022) (bijlage 18) en het Activiteitenplan beschermde soorten (2022) (bijlage 1), die deel uitmaken van de ondebouwing van dit TAM-omgevingsplan, zijn relevant.

4.6.2 Dorpsplannen en -visies

In alle dorpen in Barneveld zetten verenigingen plaatselijk belang zich actief in voor de leefbaarheid en toekomst van de dorpen en buurtschappen. Verschillende dorpen hebben in dit kader hun visie op de toekomst vastgelegd in een dorpsplan of –visie of zijn daar mee bezig. De dorpsplannen bevatten zowel een visie op de toekomst als een overzicht van concrete ideeën en wensen om de leefbaarheid van het dorp te versterken en zijn in samenspraak met veel inwoners en de gemeente tot stand gekomen. Vanuit de visie op burgerkracht ('Zelf-samen-gemeente') en netwerksamenleving is in de Strategische Visie 2030 (september 2016) ten aanzien van de dorpsplannen een voorstel opgenomen om een andere werkwijze te gaan volgen die de plannen een sterkere positie geeft. Op die manier kan recht worden gedaan aan de geleverde inspanningen en de lokaal gemaakte keuzes. Dorpsplannen hebben - waar mogelijk - een positie bij de ontwikkeling en uitvoering van gemeentelijk beleid. Dit geldt in ieder geval voor de recente dorpsplannen (die opgesteld zijn na 2016) die in samenspraak met de gemeente tot stand gekomen zijn. Deze dorpsplannen bevatten een goede weergave van de ideeën en behoeften die er leven in de kernen. De gemeente houdt daarom bij ruimtelijke plannen en –initiatieven rekening met de inhoud van het dorpsplan en kan – indien nodig – hierover in overleg gaan met Plaatselijk Belang.

Voor de woonwijk De Burgt bestaat er geen relevant dorpsplan.

4.6.3 Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020 en Warmtevisie 2021

De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') en in 2021 de Warmtevisie 2021 vastgesteld. Daarnaast zijn in 2025 de kaders voor het Energiebeleidsprogramma door de raad vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen.

Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Al vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, heeft de gemeente ingezet op de aardgasloze en energieneutrale bouw van woningen en bedrijven. In het aanstaande Energiebeleidsprogramma wordt tevens de nadruk gelegd op een netbewuste gemeente. De Warmtevisie 2021 vormt de basis voor het uitfaseren van het gebruik van aardgas, deze warmtevisie wordt in 2026 herzien onder het nieuwe Energiebeleidsprogramma. Vanuit de herziende warmtevisie in 2026 zal er ook nadruk komen te liggen op netbewustere warmteopties, zoals WKO's en kleine collectieve oplossingen, maar blijft de focus liggen op all-electric individuele oplossingen.

Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG)
Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG).

Het beleid voor zeer energiezuinige bestaande gebouwen is nog in ontwikkeling. Er is een plan voor de duurzame energievoorziening van de wijk (bijlage 26). Daarin komen de volgende punten aan de orde:

  • De energievraag zoveel mogelijk beperken door onder andere goede isolatie van de bebouwing (minimaal BENG, liever beter. Dus energieneutraal of zelfs positief).
  • Zonnepanelen op de daken.
  • Platte daken zoveel mogelijk voorzien van een groen dak.
  • Slim benutten van daglicht in het ontwerp van de woning.
  • Toepassen van luifels en overstekken voor schaduwwerking in de woning op warme zomerse dagen.
  • Toepassen robuust groen voor invloed microklimaat in de wijk (tegen hittestress), maar bij plaatsing rekening houden met zonnepanelen.
  • Toepassing van circulaire materialen in de openbare ruimte.

Netbewust bouwen
Door de elektrificatie van onze maatschappij is er netcongestie ontstaan in grote delen van ons land zo ook in Barneveld. Met deze toename in vraag en aanbod van elektriciteit moet anders worden omgegaan, we moeten netbewust gaan bouwen. Dit om ervoor te zorgen dat we in Gelderland nog aansluitingen kunnen realiseren, waardoor woningbouw, bedrijventerreinen, maatschappelijk vastgoed en de laadinfrastructuur ontwikkeld kunnen blijven worden. Dit betekent dat de belasting op het net zoveel mogelijk wordt verlaagd, de belasting zo gelijkmatig over de dag wordt verspreid en de belasting zoveel mogelijk stuurbaar is. De provincie komt met nieuwe normeringen voor netbewuste nieuwbouw, daarom vragen wij aan de ontwikkelaar hier rekening mee te houden.

Warmtepompen
Er zijn voorbeelden van geluidsoverlast veroorzaakt door warmtepompen, omdat er bij de plaatsing geen rekening gehouden is met het geluidsaspect of de warmtepomp verouderd is. Een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de warmtepomp is noodzakelijk en er moet voldaan worden aan een acceptabel geluidsniveau. Als het geluidniveau op 5 meter van warmtepomp hoger is dan 30 dB(A) of als dit het geval is bij een kortere afstand tot de buurwoning dan is het toepassen van een geluiddempende omkasting nodig. Hiervoor komen steeds meer innovaties op de markt (bijvoorbeeld in een dummy schoorsteen).

Met het oog op het beperken van geluidsoverlast en het voorkomen van netcongestie, beschouwt de gemeente bodemwarmtepompen als een positieve oplossing vanwege hun stille werking en beperkte belasting van het elektriciteitsnet. Ook een Warmte-Koude opslag (WKO) is een optie bij nieuwe gebiedsontwikkeling met betrekking tot geluidsoverlast, netcongestie en duurzame warmte.

Zonnepanelen
Gebruik van zonne-energie kan significant bijdragen aan de benodigde duurzame energieopwekking. De gemeente zet in op het zoveel mogelijk achter de meter gebruiken van zonne-energie, met gelijktijdige opwek en afname, om netcongestie te verminderen. In dit plan zijn zonnepanelen opgenomen, die direct bij de bouw worden meegenomen. De zonnepanelen zijn geïntegreerd in het ontwerp van het gebouw. Het een en ander wordt verankerd in het beeldkwaliteitsplan. 

Materialen
In het ontwerp van een woning of gebouw kan door een slim ontwerp daglicht optimaal worden benut en zodat de benodigde energie voor verlichting zo laag mogelijk is en de binnen temperatuur zo min mogelijk fluctueert. Ook kunnen groendaken aangelegd worden.

Laadpalen
Elektrisch autorijden is beter voor het milieu dan rijden op fossiele brandstoffen. Er wordt namelijk geen CO2 uitgestoten door de auto. De gemeente staat dan ook positief tegenover het plaatsen van slimme laadpalen voor elektrische voertuigen. Wel moet het laden van elektrische voertuigen zoveel mogelijk vermeden worden tijdens de piekuren om zo netcongestie te voorkomen. Bidirectioneel laden waarbij de auto kan dienen als een mogelijkheid voor energieopslag wordt gezien als meest positief gezien.

Duurzaamheid in het openbaar gebied of op eigen terrein
Er moet aandacht zijn voor energiezuinige openbare verlichting. Daarbij denken we aan een verlichtingsplan, waarbij zo weinig mogelijk lantaarnpalen worden toegepast, uitgevoerd met (dimbare) LED-lampen.

Daarnaast is het vanuit duurzaamheidsoogpunt van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden.

Klimaat
De raad heeft in 2025 het Klimaatadaptatieplan vastgesteld, een plan om de gemeente Barneveld beter voor te bereiden op de gevolgen van klimaatadaptatie. Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten is vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving paragraaf § 5.20.

Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de openbare ruimte in relatie tot de positionering van de woningen en de productie van zonne-energie op daken van woningen kan het microklimaat in de woningen en in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden.

4.6.4 Groenstructuurplan Barneveld (2011)

De doelstelling van het Groenstructuurplan Barneveld (2011) is het beschrijven van de lange termijn visie ten aanzien van de inrichting van het openbaar groen van de gemeente Barneveld om de groenstructuren in en de herkenbaarheid van de kernen te behouden, ontwikkelen en versterken. Om de gewenste groenstructuur te realiseren worden in het groenstructuurplan een aantal verbetervoorstellen gedaan.

Doorwerking in plangebied
De ontwikkeling van Woudse Erven II sluit aan bij de uitgangspunten en doelstellingen uit het Groenstructuurplan, waaronder:

  • Behouden en versterken van de groene uitstraling van de kern Barneveld: De buurt Woudse Erven II wordt landschappelijk ingepast met groene randen, robuuste groenstructuren en zichtlijnen richting het omliggende landschap. Hiermee wordt invulling gegeven aan de doelstelling om de kern visueel en ecologisch te verbinden met het buitengebied.
  • Combinatie van functies in het groen: In Woudse Erven II worden functies als waterberging, recreatie en ecologie gecombineerd in wadi’s en groenzones. Dit sluit aan bij het principe van meervoudig ruimtegebruik zoals benoemd in het Groenstructuurplan.
  • Versterken van biodiversiteit: De inrichting van de buurt biedt ruimte aan flora en fauna, onder andere door ecologische verbindingszones langs de Barneveldsebeek en natuurinclusieve inrichting van tuinen en erfafscheidingen. Hiermee wordt bijgedragen aan het vergroten van de biodiversiteit binnen de kern.
  • Recreatieve verbindingen: De wijk is ontworpen met zichtlijnen en wandelroutes die aansluiten op het toekomstige centrale park en het omliggende landschap. Dit vergroot de recreatieve waarde van het groen en draagt bij aan de leefkwaliteit.
  • Beheervriendelijk en duurzaam groen: De toegepaste groenstructuren zijn afgestemd op beheerbaarheid en levensduur, in lijn met de aanbevelingen uit het Groenstructuurplan. Er is aandacht voor groeiplaatsverbetering, toepassing van robuuste boomsoorten en een inrichting die aansluit bij het karakter van de wijk.

In het Groenstructuurplan Barneveld is specifiek aandacht besteed aan de zuidelijke uitbreidingen van Barneveld, waaronder De Burgt en Veller. Woudse Erven II vormt een vervolg en draagt bij aan het realiseren van een herkenbare, duurzame en kwalitatieve groenstructuur in dit deel van de kern.

De ontwikkeling van Woudse Erven II is daarmee in overeenstemming met de beleidsmatige uitgangspunten van het Groenstructuurplan en levert een concrete bijdrage aan het versterken van de groene identiteit van Barneveld.

4.6.5 Omgevingsvisie Barneveld 2040

In de Omgevingsvisie Barneveld 2040 (hierna: Omgevingsvisie) wordt een beeld gegeven van de toekomst van onze gemeente, welke kansen en uitdagingen er op ons pad liggen, welke ontwikkelingen bijdragen aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en welke keuzes we daarin als gemeente maken.

De raad heeft de Omgevingsvisie op 16 juli 2025 vastgesteld en op 29 augustus 2025 is de Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie zijn vijf hoofdopgaven voor Barneveld benoemd.

De Omgevingsvisie is de toekomstvisie voor de gemeente Barneveld op het gebied van wonen, werken, recreëren, natuur, duurzaamheid, mobiliteit, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid. Ingegaan wordt op belangrijke opgave van groeien en ontwikkelen en koesteren daarbij de waarden en het karakter van onze gemeente. In de Omgevingsvisie is bepaald wat belangrijk is en wat de ambities en doelen voor de fysieke leefomgeving van Barneveld zijn.

De Omgevingsvisie geeft richting aan de verdere uitwerking in omgevingsprogramma's naar concrete maatregelen en uitgangspunten. De Omgevingsvisie biedt ook houvast bij het beoordelen van plannen en initiatieven op de mate waarin deze bijdragen aan de ambities en uitdagingen van onze gemeente.

1. Gezond en toekomstbestendig Barneveld
Gezondheid en duurzaamheid zijn belangrijk voor de leefbaarheid van Barneveld. De gemeente streeft een schone en veilige omgeving na voor iedereen. Daarbij richten we ons ook op een toekomstbestendige omgeving met aandacht voor klimaat en milieu.

2. Prettig leven in vitale dorpen
Barneveld groeit. Tot 2040 komen er 8.000 nieuwe woningen bij ten opzichte van 2021. De woningen worden verdeeld over alle dorpen, met aandacht voor starters en ouderen en met voldoende goede voorzieningen. Het doel is om onze dorpen leefbaar en toegankelijk te houden voor iedereen, met focus op betaalbaarheid en doorstroom.

3. Ruimte voor ondernemerschap
Ondernemerschap is een kracht van Barneveld. De gemeente ondersteunt dan ook van harte een gezonde groei van bedrijvigheid met vestigingsmogelijkheden op de bedrijventerreinen en in vitale dorpscentra.

4. Waardevol landelijk gebied
Het buitengebied is waardevol voor Barneveld en speelt een belangrijke rol in het behoud van natuur en landschap. Dat geldt voor de natuur op de Veluwe. Maar het geldt ook voor de agrarische sector met aandacht voor natuurbehoud en minder uitstoot.

5. Bereikbaar nu en in de toekomst
Een goed bereikbare en veilige omgeving voor alle verkeersdeelnemers is essentieel voor de gemeente. De auto blijft belangrijk voor de mobiliteit. Het wegennet wordt waar nodig aangepast. Maar we richten ons ook meer op de noodzakelijke transitie naar andere vormen van mobiliteit, zoals wandelen, fietsen en gebruik van openbaar vervoer (bijvoorbeeld bij stationslocaties en in de nieuwe wijken).

Vijf gebieden en negen dorpen
De opgaven vertalen zich door naar de deelgebieden van de gemeente. Er zijn vijf deelgebieden, elk met hun eigen karakter en ontwikkelingsrichting: de Veluwe, het oostelijk buitengebied, het recreatiegebied Voorthuizen, het verstedelijkt gebied en het westelijk buitengebied. Het profiel van elk gebied is maatgevend voor de keuzes die de gemeente daarvoor maakt. Die keuzes zijn in Omgevingsvisie ook vertaald naar de negen kernen of dorpen die de gemeente Barneveld rijk is. Zo geeft de visie voor elk dorp een afgeleid beeld van de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving naar 2040.

Het plangebied ligt in het deelgebied Verstedelijkt gebied. Midden in de vallei liggen de twee grootste kernen van de gemeente, Voorthuizen en Barneveld, die onderdeel zijn van het verstedelijkt gebied, een gebied dat dichter bebouwd is. Voorthuizen en Barneveld zijn van oudsher goed ontsloten en zijn in de loop van de jaren de sterkst gegroeide kernen. Tussen de beide kernen bevindt zich het bedrijventerrein Harselaar, dat zich vanaf de jaren '70 ontwikkelde langs de A1.

Het verstedelijkt gebied kenmerkt zich door haar dynamische aard met een grote verscheidenheid aan functies en karakter. De gemeente streeft naar behoud en versterking van deze dynamiek, waarbij we zoeken naar een optimale samenhang tussen verstedelijkt gebied en de landelijke omgeving. De groeiambities van de gemeente vinden voor het overgrote deel plaats in het verstedelijkt gebied, met kansen voor zowel inbreiden als uitbreiden. De groeiambitie bestaat uit woningen en uit ruimte voor al dan niet regionale bedrijvigheid. Groei moet samengaan met gezondheid en toekomstbestendigheid, een gezonde groene groei. Om dit te bereiken geven we prioriteit aan groene gezonde randvoorwaarden in de openbare ruimte. Naast het aantal woningen neemt het aanbod aan voorzieningen toe in het verstedelijkt gebied. De groeiambitie biedt perspectief voor nieuwe voorzieningen met een functie voor de hele gemeente. In lijn met groei streeft de gemeente naar een optimale infrastructuur om het verstedelijkt gebied verkeersveilig te houden en de doorstroming te verbeteren waar nodig, bijvoorbeeld met de aanleg van een oostelijke rondweg.

Gemeente Barneveld kent een grote woningbouwopgave voor 2040. We gaan zuinig om met de beschikbare ruimte in onze kernen, door hoger te bouwen. In grote kernen vinden we vijf of zes lagen acceptabel.

Doorwerking in plangebied
De ontwikkeling van Woudse Erven II is in lijn met de volgende onderdelen van de omgevingsvisie:

  • Gezond en toekomstbestendig Barneveld: De wijk wordt klimaatadaptief ingericht met aandacht voor waterberging, biodiversiteit en een gezonde leefomgeving. De inrichting stimuleert bewegen, ontmoeting en sociaal contact, conform de maatlat ‘Gezond en Toekomstbestendig’ die de gemeente ontwikkelt.
  • Prettig leven in vitale dorpen: Woudse Erven II draagt bij aan de woningbouwopgave van Barneveld (4.000 woningen tot 2040) en biedt een gevarieerd woningaanbod, inclusief levensloopbestendige woningen. De wijk sluit aan op bestaande voorzieningen en versterkt de vitaliteit van de kern.
  • Waardevol landelijk gebied: De wijk vormt een zachte overgang tussen stedelijk gebied en buitengebied.
  • Bereikbaarheid nu en in de toekomst: De wijk is goed ontsloten en draagt bij aan een robuuste infrastructuur. Er is aandacht voor fietsverbindingen en aansluiting op het openbaar vervoer, in lijn met het STOMP-principe uit de omgevingsvisie.

De omgevingsvisie fungeert als afwegingskader voor ruimtelijke initiatieven. De ontwikkeling van Woudse Erven II is getoetst aan de ambities en doelstellingen uit de visie en levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De gebiedsgerichte uitwerking van de visie voor het verstedelijkt gebied is direct relevant voor dit plan en vormt een belangrijke basis voor de ruimtelijke keuzes en inrichting.

De ontwikkeling van Woudse Erven II is daarmee in overeenstemming met de strategische koers van de gemeente Barneveld en draagt bij aan een gezonde, veilige en toekomstbestendige leefomgeving.

4.6.6 Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en vigerend Hemelwaterplan

Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd:

  • Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater.
  • Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar.
  • De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats.
  • Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken.

Doorwerking in plangebied
De bevindingen en resultaten van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.20.

4.6.7 Woonvisie Barneveld 2025-2027, Woondeal regio FoodValley, voortgangsrapportage woningbouw en Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld 2021

In december 2025 heeft de raad van gemeente Barneveld de herijkte Woonvisie Barneveld 2025-2027 "Wonen voor jong & oud" met doorkijk tot 2030/2040 vastgesteld. In de woonvisie is een streefprogramma woningbouw opgenomen om te voorzien in de woningbehoefte van de hier woonachtige en werkzame bevolking. Er is een nieuwbouwprogramma van gemiddeld 600 woningen per jaar opgenomen, conform de ambitie in het coalitieakkoord en de Omgevingsvisie. In verband met de grote woningbouwopgaven in Nederland is in de Woondeal met het Rijk voor Barneveld tot en met 2030 een programma van circa 6.000 woningen voor Barneveld overeengekomen. Daarmee komt de programmering op gemiddeld 600 woningen per jaar. In oktober 2022 zijn de prijsklassen aangepast naar de huidige marktomstandigheden.

Voor het woningbouwprogramma hanteert de gemeente Barneveld een duidelijke verdeling van prijsklassen, gebaseerd op het prijspeil van 2025. Minimaal 66% van de nieuwbouw moet betaalbaar zijn, waarvan 30% bestaat uit sociale huurwoningen. Sociale huur valt onder een huurprijs van minder dan €900,07. Binnen de koopsector wordt onderscheid gemaakt tussen sociale koop laag (tot €280.000) en sociale koop hoog (tot €340.000). Daarnaast is er de categorie betaalbaar 1, met een maximum van €405.000, en betaalbaar 2, tot €450.000. Voor middenhuur geldt een grens van €1.184,82 per maand. Woningen boven €450.000 vallen in het duurdere segment.

In regio FoodValley zijn in verband met deze Woondeal onderlinge woningbouwafspraken gemaakt, waarbij gemeente Barneveld voor de periode 2022 t/m 2030 zo'n 5.400 woningen mag groeien. Er loopt een Verstedelijkingsstrategie Arnhem, Nijmegen, FoodValley, waarbij er in de periode 2020-2040 in FoodValley zo'n 40.000 woningen aan de voorraad moeten worden toegevoegd. Voor gemeente Barneveld zal dit een opgave van tenminste 8.000 woningen betekenen.

In regio Amersfoort loopt een soortgelijke studie, namelijk het 'Ontwikkelbeeld regio Amersfoort' en wordt een woninguitbreiding met 36.000 in 2020-2040 als opgave gezien. De woningbouw in Barneveld is hier mede input voor.

Door middel van de 'voortgangsrapportage woningbouw gemeente Barneveld' wordt jaarlijks een actueel beeld van het planaanbod voor de komende vier jaar gegeven, waarbij ook een beeld wordt geschetst van de aantallen op te leveren woningen per kern, alsmede de differentiatie van deze nieuwbouw in termen van prijsklassen, eigendomsverhouding en bouwvorm (gestapeld of grondgebonden). Ook wordt een beeld geschetst van de mate waarin voor bepaalde doelgroepen wordt gebouwd (zoals starters, ouderen of mensen met een beperking) om zo vraag en aanbod meer met elkaar in overeenstemming te brengen.

Sinds 1 januari 2018 is de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld van kracht. Deze verordening is in 2022 geactualiseerd, met als werktitel Doelgroepenverordening gemeente Barneveld 2021. Deze verordening ziet toe op sturing van de totale woningvoorraad en het bereikbaar houden van een deel van de woningvoorraad voor lage en midden inkomensgroepen. Het gaat daarbij om drie categorieën: sociale huurwoningen, sociale koopwoningen (opgesplitst in sociale koop laag tot € 280.000 en sociale koop hoog € 280.000 - € 340.000) en middendure huurwoningen (prijsgrens van € 1.184,82 in 2025). De prijzen worden jaarlijks geindexeerd.

In een omgevingsplan en overeenkomsten met marktpartijen kan voor een bepaalde minimale tijdsduur de ingebruikname van sociale huurwoningen (25 jaar), goedkope koop (1 jaar met boetebeding tot 10 jaar) en middendure huurwoningen (15 jaar) worden vastgelegd evenals de maximale hoogte van de huur- en koopprijs. Verder is een zekere prijs-/kwaliteitsverhouding geformuleerd om in relatie tot de hoogte van de huur- of koopprijs toch een minimale woninggrootte te garanderen. Daarbij is ook aangegeven dat deze drie woningcategorieën met voorrang aan bepaalde lage en middeninkomensgroepen moeten worden aangeboden om zo tot een rechtvaardige verdeling van de woningvoorraad te komen. Voor middendure huurwoningen en sociale koop hoog ligt deze inkomensgrens voor huishoudens op €70.000, voor sociale koop laag op € 60.000 en voor sociale huurwoningen is de grens vanuit de Woningwet van belang. Prijs- en inkomensgrenzen worden geïndexeerd conform de bepalingen in de verordening.

Doorwerking in plangebied 

Voor het deelgebied Groot Butzelaar (locatie Nederwoudseweg 70-72) is nog niet exact duidelijk welke type woningen gerealiseerd gaan worden. In een separate afspraak zullen gemeente Barneveld en de initatiefnemer vastleggen of de doelgroepenverordening van toepassing is op het initiatief voor het bewuste deelgebied. Dit naar aanleiding van het type woningen dat zal worden gerealiseerd. [input tekst van volkshuisvesting]

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

5.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld.

5.2 Bodem

In het kader van de procedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. De planlocatie is namelijk een bodemgevoelige locatie, zoals is aangegeven in paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl.

Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt onder andere plaats op basis van de 'Bodemkwaliteitskaart regio De Vallei 2018' en de bijbehorende 'Nota bodembeheer 2022'. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties.

In dit geval is er sprake van een mogelijk verdachte locatie.

Het veldonderzoek ten behoeve van de beoordeling van de bodemkwaliteit binnen het plangebied Woudse Erven II is uitgevoerd in de periode oktober 2022 tot en met mei 2023 door PJ Milieu B.V. (zie bijlage 5). De werkzaamheden zijn verricht conform de geldende protocollen en richtlijnen, waaronder BRL SIKB 2000 en de bijbehorende protocollen 2001, 2002, 2018 en 2003.

De locatie betreft het gebied rondom de Burgemeester Aschofflaan en Nederwoudseweg te Barneveld. Het veldwerk bestond uit handmatige en machinale boringen tot dieptes van circa 0,3 tot 3 meter minus maaiveld. De bodemopbouw bestaat overwegend uit zand met humeuze bovenlagen, lokaal leem, puin, asfalt en baksteen. Funderingen van menggranulaat, grind en baksteen zijn aangetroffen, met name onder verhardingen. Er zijn geen aanwijzingen voor dempingsmateriaal of voormalige waterbodems.

Zintuiglijke waarnemingen bevestigen de aanwezigheid van verontreinigingen, waaronder:

  • Sterke oliegeur en olie-waterreactie bij boring 601 (ondergrondse dieseltank);
  • Bijmengingen van baksteen, beton en kolen in diverse boringen;
  • Geen ongedefinieerd bouw-/sloopafval buiten de drupzones.

De monsters zijn geanalyseerd op een breed scala aan stoffen, waaronder metalen, minerale olie, PAK, PCB, PFAS, BTEX, VOCL, asbest en overige relevante parameters. De resultaten tonen:

  • Sterk verhoogde gehalten minerale olie (max. 4.200 mg/kg ds);
  • Sterk verhoogde PAK (max. 120 mg/kg ds);
  • Asbest tot 2.000 mg/kg ds in drupzones;
  • Sterk verhoogde gehalten naftaleen en kobalt in het grondwater;
  • Geen overschrijding van PFAS-achtergrondwaarden.

De omvang van de verontreiniging is als volgt vastgesteld:

  • Minerale olie: circa 30 m³ grond, waarvan 10 m³ boven interventiewaarde;
  • PAK: circa 180 m³ grond boven interventiewaarde;
  • Asbest: circa 10 m³ in drupzones.

Op basis van deze resultaten is sanering noodzakelijk voor:

  • De ondergrondse dieseltanklocatie (sublocatie A2);
  • De drupzones met asbest (sublocatie A3);
  • De PAK-verontreiniging in de berm (sublocatie C3).

Voor overige locaties geldt dat de bodemkwaliteit als 'altijd toepasbaar' is beoordeeld voor hergebruik in landbouw/natuur. De resultaten geven geen aanleiding tot aanvullend of nader onderzoek buiten de genoemde saneringslocaties.

De beoordeling is op basis van het bodemonderzoek dat is ingediend. Een bodemonderzoek kan echter nooit volledige zekerheid geven over de kwaliteit van de onderzochte bodem of het grondwater en is een momentopname. De gemeente is daarom niet aansprakelijk voor een eventuele toekomstige bodemvervuiling op de locatie. Als tijdens de aanleg of bouw alsnog verdachte stoffen in de bodem worden aangetroffen, moet dit zo snel mogelijk worden gemeld bij de Omgevingsdienst de Vallei of de gemeente. Daarnaast dient de aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc van en naar de onderzoekslocatie te voldoen aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie.

Het onderzoek naar de bodemkwaliteit is verantwoord in bijlage 5. De deskundige adviseur van Omgevingsdienst De Vallei onderschreef de conclusie die is opgenomen op paginanummer 3 van de genoemde bijlage, met de volgende kanttekeningen:

Twee van de drie druppelzones met asbest (>/= 50 mg/kg ds gewogen) en de sterke verontreiniging met minerale olie zijn in 2025 ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling gesaneerd.

Druppelzone 5 is niet gesaneerd omdat deze op Groot Butzelaar (locatie Nederwoudseweg 70-72) ligt en het asbestdak zonder goot hier ook nog ligt waardoor de kans op herverontreiniging groot.

Er is aanvullend onderzoek uitgevoerd. In 2025 heeft ter plaatse van Woudse Erven II en Woudse erven III aanvullend onderzoek plaatsgevonden (bijlage 6). Dit om een compleet beeld te verkrijgen van de (water)bodemkwaliteit binnen het plangebied. De volgende onderzoeken zijn uitgevoerd:

  • Afperkend onderzoek asbestverontreiniging toegangsweg Nederwoudseweg 66-68
  • Onderzoek nog niet onderzocht dammen
  • Onderzoek PFAS ter plaatse van een aantal eerder aangetoonde verontreinigingen (minerale olie en diverse druppelzones)
  • Verkennend waterbodemonderzoek nog niet onderzochte watergangen

Bodemonderzoek dammen
Er zijn drie dammen aangetroffen. De bodemklasse van de bovengrond betreft landbouw/natuur. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.

Bodemonderzoek PFAS
Zowel ter plaatse van de minerale olie verontreiniging als de druppelzones uit het onderzoek van PJ voldoet het gehalte PFAS aan de norm voor 'landbouw/natuur'. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.

Waterbodemonderzoek
In 4 van de 6 watergangen is een sliblaag aanwezig. De bovengrond uit de overige 2 watergangen betreft zand.

Het slib/zand uit 3 watergangen (in de weilanden) betreft landbouw/natuur en is verspreidbaar. Het slib uit de overige 3 watergangen (langs de toegangsweg en langs de Nederwoudseweg) is ook verspreidbaar maar betreft kwaliteitsklasse Industrie. Gezien de voorgenomen ontwikkeling als woonwijk en park wordt geadviseerd dit slib niet op onderhavige locatie te verspreiden maar af te voeren.

Aanvullend onderzoek asbest toegangsweg Nederwoudseweg 66-68
De asbestverontreiniging bevindt zich globaal ter plaatse van de toegangsweg, in de bermen van de toegangsweg en in het zuidelijk gelegen bosje.

De verontreiniging dient te worden gesaneerd waarvoor nog een plan van aanpak wordt opgesteld. Met de omgevingsdienst is afgesproken dat ILT is in eerste instantie het bevoegd gezag is voor de gehele asbestsanering ter plaatse van de toegangsweg.

Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.3 Cultuurhistorie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie hiervan is het behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

In het Bkl staat dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met in begrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.

Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten:

  • Archeologische waarden- en verwachtingenkaart;
  • Cultuurlandschappelijke waardenkaart;
  • Historische stedenbouwkundige waardenkaarten.

Bij cultureel erfgoed kan het ook gaan om monumenten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van de fysieke leefomgeving wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.

5.3.1 Archeologie

Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ontwikkelingen.

Het plangebied Woudse Erven II maakte in eerste instantie onderdeel uit van een groter plangebied; De Burgt. Het plangebied De Burgt kent vier verwachtingszones op de gemeentelijke Archeologische waarden- en verwachtingenkaart. Er is sprake van een lage archeologische verwachting, een middelhoge archeologische verwachting, voor een klein deel geldt een hoge archeologische verwachting en binnen het plangebied bevindt zich een historisch erf. Ter plaatse van het historische erf dient archeologisch onderzoek plaats te vinden bij planontwikkelingen groter dan 100 m². Ook de laagste waarde (meer dan 10.000 m² en dieper dan 30 cm- mv voor gebieden met een lage verwachtingswaarde) wordt overschreden aangezien de omvang van het plangebied meer dan 26 hectare bedraagt. Daarom is er archeologisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 3). Dit onderzoek is in drie fasen uitgevoerd en begin 2023 afgerond. Na de uitvoering van een bureauonderzoek en twee booronderzoeken werd besloten voor een deel van het plangebied een apart bestemmingsplan op te stellen; Woudse Erven II. Het deelgebied Woudse Erven II ligt binnen een gebied waar lage, middelhoge en hoge verwachtingsgebieden aanwezig waren. Daarnaast ligt er een historisch erf binnen dit ontwikkelgebied genaamd Groot Butzelaar. Deze boerderij blijft behouden in het toekomstige plan. Het omringende gebied is echter onderzocht.

Het bureauonderzoek is in één keer uitgevoerd voor het gehele plangebied De Burgt (waaronder ook het deel dat nu Woudse Erven II is). Het verkennend booronderzoek is uitgevoerd in drie fasen. Dit had te maken met het ontbreken van een betredingstoestemming voor het gehele plangebied. De resultaten van het bureauonderzoek en het verkennend booronderzoek van fase 1, 2 en 3 zijn samengevoegd in één rapport. Woudse Erven II bevindt zich binnen de onderzoeksgebieden van fase 1, 2 en 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0017-0001_0004.png"
Afbeelding X Fasering van het archeologisch onderzoek

Resultaten bureauonderzoek
Op basis van de aardwetenschappelijke gegevens is er in het plangebied vermoedelijk sprake van verspoeld dekzand, een dalvormige laagte en twee dekzandkopjes. De ondergrond bestaat uit dekzand van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. Hierin heeft zich grotendeels een beekeerdgrond ontwikkeld. In een kleiner deel van het plangebied kan er tevens sprake zijn van een laarpodzolgrond.

Op historisch kaartmateriaal is waar te nemen dat er twee historische erven aanwezig zijn geweest binnen het plangebied, waarvan de monumentale boerderij Groot Butzelaar en bijgebouwen nog steeds bestaan. Ter plaatse van de historische (monumentale) bebouwing geldt een hoge archeologische verwachting. De twee vermoedelijk aanwezige dekzandkopjes krijgen tevens een hoge archeologische verwachting voor alle archeologische perioden. Een lage archeologische verwachting geldt ter plaatse van de dalvormige laagte en het verspoelde dekzand. Agrarische activiteiten in het plangebied kunnen ervoor gezorgd hebben dat de bodem tot in het archeologisch niveau verstoord is geraakt. Verkennend booronderzoek dient aan te tonen of er nog sprake is van intacte bodemprofielen.

Resultaten booronderzoek fase 1
Op basis van het booronderzoek is gebleken dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzand, behorend tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. In het dekzand heeft zich voornamelijk een veldpodzol ontwikkeld. In enkele boringen is sprake van een beekeerdgrond. In de overige boringen is sprake van hoge bruine enkeerdgronden. De verwachte laarpodzolgronden zijn niet aangetroffen.

Binnen het plangebied is veelal sprake van verstoorde bodemprofielen. Het merendeel van de boringen bestaat uit een gemengde A/B-horizont als gevolg van diepploegen. In slechts negen van de drieënvijftig boringen is een intacte veldpodzol waargenomen. In vier boringen is als bijmenging sprake van grijze leem of zandige klei, welke in het veld geïnterpreteerd is als een voormalige beekafzetting (Laagpakket van Singraven). Het plangebied is deels gelegen in het beekdal van de Barneveldse beek.

Resultaten booronderzoek fase 2
De natuurlijke ondergrond in het onderzochte deel van het plangebied (fase 2) bestaat uit een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). De top hiervan is op minimaal 30 cm-mv en op maximaal 125 cm-mv waargenomen. In het dekzand heeft zich van oorsprong een veldpodzol ontwikkeld, waarvan de restanten in slechts 4 boringen nog waargenomen zijn in de vorm van een (zwak ontwikkelde) B-horizont. In enkele boringen is op het dekzand nog een (bijmenging van) zandige klei waargenomen, welke in het veld geïnterpreteerd is als een voormalige beekafzetting (Laagpakket van Singraven). Het plangebied is deels gelegen in het beekdal van de Barneveldse beek. Gezien de aanwezigheid van een beekdal mag ervan uitgegaan worden dat de aangetroffen laag een voormalige beekafzetting betreft en dat het geen bodemmateriaal betreft dat is aangevoerd van elders.

In 8 boringen is een eerdlaag waargenomen (A1-horizont). Aangenomen mag worden dat het hier niet gaat om een oude laag, maar om een (sub)recente horizont die is ontstaan als gevolg van het kweken van graszoden. Deze 8 boringen komen namelijk verspreid door het plangebied voor, en niet per definitie op de locatie van de (historische) erven. De overgang naar de onderliggende natuurlijke afzettingen is in alle gevallen scherp.

Resultaten booronderzoek fase 3
Uit de resultaten van het booronderzoek fase 3 is gebleken dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit verspoeld dekzand en löss. De bodemopbouw is in het hele onderzoeksgebied van fase 3 verstoord tot in de C-horizont als gevolg van (diep)ploegen en/of egalisatie. De twee dekzandruggen die op basis van het bureauonderzoek verwacht werden, zijn in het onderzoeksgebied niet aangetroffen. Ook zijn geen (restanten van) podzolbodems waargenomen. De bodem ter plaatse van het voormalig historisch erf Klein Butzelaar was eveneens verstoord en ook de bodem langs de grenzen van het nog aanwezige en te behouden historisch erf/de historische boerderij Groot Butzelaar was verstoord. De archeologische verwachting voor het onderzoeksgebied van fase 3 kan op basis van de verstoorde bodem worden bijgesteld naar laag, met als indicatie 'verstoord'.

Selectieadvies fase 1
Op basis van de onderzoeksresultaten van het verkennend booronderzoek tijdens fase 1 is besloten geen vervolgonderzoek uit te voeren voor de huidige onderzochte delen van het plangebied. In het plangebied is slechts in negen van de drieënvijftig boringen tijdens fase 1 een intact bodemprofiel waargenomen. De overige boringen waren allen tot in de top van de C-horizont verstoord. De kans dat met de geplande ontwikkelingen behoudenswaardige archeologische waarden verloren gaan wordt gering geacht. Tijdens fase 1 zijn de percelen op en rond de twee historische erven nog niet onderzocht. Ook de dekzandrug in het centrale deel van het plangebied viel buiten de beboorde delen van fase 1. De archeologische potentie van de historische erven en de dekzandrug in het centrale deel van het plangebied dient tijdens fase 2 of 3 te worden vastgesteld.

Samengevat kan worden gesteld dat de onderzochte delen van het plangebied Woudse Erven II van fase 1 kunnen worden vrijgegeven voor de geplande ontwikkelingen.

Selectieadvies fase 2
Op basis van de resultaten van het veldonderzoek in fase 2 is besloten om in dit deel van het plangebied geen vervolgonderzoek uit te voeren voor de huidige onderzochte delen. De ondergrond is sterk verstoord als gevolg van het diepwoelen en kweken van graszoden. De kans dat met de toekomstige bodemingrepen archeologische waarden verloren gaan, wordt gering geacht. De archeologische potentie van het nog niet onderzochte deel van het plangebied moet in fase 3 nog vastgesteld worden.

Samengevat kan worden gesteld dat de onderzochte delen van het plangebied De Woudse Erven II van fase 2 kunnen worden vrijgegeven voor de geplande ontwikkelingen.

Selectieadvies fase 3
Uit de resultaten van het veldonderzoek in fase 3 is gebleken dat de ondergrond in het hele onderzoeksgebied is verstoord tot in de C-horizont. Er zijn geen intacte (podzol)bodems aangetroffen. De kans dat bij de beoogde bodemingrepen archeologische waarden verloren gaan wordt laag ingeschat.

Samengevat kan worden gesteld dat de onderzochte delen van het plangebied De Woudse Erven II van fase 3 kunnen worden vrijgegeven voor de geplande ontwikkelingen.

Conclusie
Het plangebied Woudse Erven II bevindt zich binnen de begrenzing van een deel van het plangebied de Burgt. Dit voorgenoemde plangebied is op basis de resultaten van archeologisch onderzoek (bureau- en verkennend booronderzoek) vrijgegeven voor de geplande ontwikkelingen. Woudse Erven II kan op basis van de resultaten van het uitgevoerde archeologische onderzoek van plangebied De Burgt eveneens worden vrijgegeven voor de geplande ontwikkelingen. De historische monumentale boerderij Groot Butzelaar is nog aanwezig binnen dit plangebied. De boerderij en de monumentale gebouwen zullen worden behouden en ingepast in de geplande ontwikkelingen. Voor dit deel van het plangebied blijven (conform de archeologische beleidskaart) daarom de vrijstellingsgrenzen van 100 m2 en 30 cm-mv gelden (zie ook § 5.3.1.1).

Aanvulling op bovenstaande selectieadviezen
Wel geldt (ongeacht de vrijgave) altijd het volgende: Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed RCE) verplicht.

5.3.1.1 Historisch boerenerf

Uit de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' blijkt dat binnen de Woudse Erven II de historische en monumentale boerderij Groot Butzelaar is gelegen.

Hier blijft de onderstaande dubbelfunctie van toepassing: De dubbelfunctie 'Waarde - Archeologie 4' is toegepast bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in historische kernen en historische boerenerven (bij een oppervlakte van meer dan 100 m2). Dit is van toepassing op de monumentale boerderij, de monumentale gebouwen en het erf.

In de bestaande plannen wordt Groot Butzelaar ingepast in de ontwikkelingen.

5.3.2 Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ontwikkelingen. Volgens de genoemde waardekaart heeft het plangebied 'Woudse Erven II' geen hoge waardering (te weten waarde 1; alleen locaties met waarde 4 en 5 vragen om bescherming en/of inpassing).

Conclusie
Het aspect cultuurlandschappelijke waarden vormt geen belemmering voor dit plan.

5.3.3 Monumenten

In artikel 5.130 van het Bkl staat waar de regels met betrekking tot behoud van cultureel erfgoed over moeten gaan. Hierin is onder andere opgenomen dat (de omgeving van) monumenten beschermd moet worden door regels in het omgevingsplan.

In het plangebied is een gemeentelijke monument aanwezig (Groot Butzelaar). Het betreft het boerenerf als complex op Nederwoudseweg 68-70 in Barneveld. Dit boerenerf bestaat uit het 19de-eeuwse voorhuis van een overigens gesloopte T-boerderij en drie grote veeschuren, een laantje met eikenbomen en de erfbeplanting. Op 15 juni 2023 heeft de Monumentencommissie aangegeven dat de monumentale gebouwen niet mogen worden gesloopt, maar dat de toekenning van een nieuwe woonfunctie onder bepaalde voorwaarden denkbaar is.

De gronden waarop monumentale bebouwing aanwezig is, krijgen de dubbelfunctie Waarde - Cultureel erfgoed in de kernen. Hieraan wordt de regel verbonden dat deze monumenten niet gesloopt, verplaatst of gewijzigd mogen worden.

Conclusie
Het aspect monumenten vormt geen belemmering voor dit plan.

5.4 Duurzaamheid

In de Omgevingswet worden de aspecten duurzaamheid en natuur specifiek benoemd. De oorzaak hiervan is de klimaatveranderingen en de verslechterde staat van de natuur. Vanwege deze veranderingen zijn aanpassingen van de fysieke leefomgeving nodig. Denk hierbij aan maatregelen tegen wateroverlast (meer waterbergingsmogelijkheden), hittestress (meer groen en bomen), waterveiligheid (dijken) en droogte (beter en langer vasthouden van water).

In de omgevingsvisie kan de gemeente omgevingswaarden met betrekking tot duurzaamheid vaststellen en doorvertalen in het omgevingsplan. Bij de vaststelling moet de gemeente dan onderbouwen welke taken en bevoegdheden zij gaat inzetten om te gaan voldoen aan de opgenomen omgevingswaarde.

In het omgevingsplan zijn in artikel 22.52 energiebetreffende maatregelen opgenomen. Dit geldt voor milieubelastende activiteiten. In lid 4 van dit artikel is bepaald dat dit artikel van toepassing is. Echter is dit artikel per 1 december 2023 komen te vervallen en overgegaan naar het Bal.

Verder zijn er vooralsnog geen specifieke omgevingswaarden vastgesteld met betrekking tot duurzaamheid in de omgevingsvisie van de gemeente Barneveld. Wel is het gemeentelijk energiebeleid van toepassing, zie paragraaf 4.6.3.

Conclusie
Het aspect duurzaamheid en gezondheid vormt geen belemmering voor dit plan.

5.5 Ecologie

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang.

5.5.1 Gebiedsbescherming
5.5.1.1 Natura 2000-gebied

De Omgevingswet regelt ook de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”.

Het Bkl en ook het Bal bepalen vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere natuurgebieden en landschappen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet en 2.44 lid 5 Omgevingswet).

Op 24 maart 2000 is De Veluwe aangewezen als Vogelrichtlijngebied en op 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied. Daarmee is De Veluwe aangewezen als Natura 2000-gebied (besluit van 11 juni 2014, bekendgemaakt 26 juni 2014 en gewijzigd bij besluit van 29 september 2016). Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden. Het doel van Natura 2000 is om de soortenrijkom (biodiversiteit) in natuur in stand te houden en zo mogelijk te verbeteren. In het aanwijzingsbesluit zijn de grenzen en de instandhoudingsdoelstellingen opgenomen.

Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een Natura 2000-gebied. Gezien de afstand van ongeveer 4,5 kilometer van het plangebied Woudse Erven II tot het Natura 2000-gebied Veluwe zijn interne effecten op voorhand uit te sluiten. Directe effecten door ruimtebeslag, licht, geluid en trillingen zijn uitgesloten. Externe effecten door stikstofdepositie zijn niet op voorhand uitgesloten. Een actuele AERIUS-berekening is verplicht (art. 4.15 Omgevingsregeling) en moet voldoen aan de nieuwste rekenregels (Aerius Calculator). Intern salderen of elektrificatie kan noodzakelijk zijn om een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit te verkrijgen. Voor vrachtverkeer moeten ook stationaire emissies worden meegenomen conform de Instructie gegevensinvoer Aerius.

Negatieve effecten op het Gelders Natuurnetwerk zijn uitgesloten.

Stikstof
Het plangebied ligt niet in (de nabijheid van) een (stikstofgevoelig) Natura 2000-gebied. Het gaat hierbij dan om de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie.

Voor zowel de bouwfase (tijdens de bouw, sloop en aanleg) als voor de gebruiksfase zijn de stikstofemissies beoordeeld. Er zijn voor de locatie AERIUS-berekeningen uitgevoerd van de aangevraagde situatie (bijlage 16). Conclusie van het rapport is dat er geen effect is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Uit de uitgevoerde voortoets stikstof blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling van 160 woningen geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol N/ha/jr oplevert op stikstofgevoelige leefgebieden en habitattypen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

Hierbij dient gebruik te worden gemaakt van intern salderen. Hierin is de provinciaal verplichte vermindering van 35% aan stikstof emissies al meegenomen. Met betrekking tot stikstofdepositie kan worden opgemerkt dat er geen significante effecten zijn op Natura 2000-gebieden. De ontwikkeling betreft dus geen Natura 2000- activiteit zoals beschreven in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waardoor de aanvraag van een omgevingsvergunning niet aan de orde is. Wel dient een vergunning aangevraagd te worden bij de provincie Gelderland.

De conclusie is dat het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling van Woudse Erven II.

5.5.1.2 Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone

Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact.

In Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee natuur categorieën opgenomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) In de Omgevingsverordening (art 5.5 lid 1) staat dat nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten wordt als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. Voor de Groene ontwikkelingszone geldt dat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat (art 5.20, lid 1 en 2 van de Omgevingsverordening).

Uit § 4.3.1.2 blijkt dat het plangebied niet in het GNN of de GO ligt. Voor de toetsing wordt hiernaar verwezen.

Voor de GNN/GO geldt geen externe werking. Het plangebied ligt niet in GNN of GO, dus negatieve effecten op GNN/GO zijn op voorhand uit te sluiten.

5.5.2 Soortenbescherming

Volgens de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet vooraf zeker zijn dat Natura 2000-gebieden niet worden aangetast (artikel 10.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving - Bkl) en dat beschermde soorten niet worden verstoord (artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 Bal). De specifieke zorgplicht (artikelen 11.6 en 11.27 Bal) verplicht initiatiefnemers om nadelige gevolgen uit te sluiten op basis van objectieve gegevens. Daarnaast moet het plan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor:

1. vogels (Vogelrichtlijn);

2. strikt beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn;

3. en andere (nationale) soorten / overige soorten.

De volgende soorten zijn door de provincie vrijgesteld: aardmuis, bastaartkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspritsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos.

In het Bal (art. 11.37, 11.45 en 11.54) staat dat het verboden is om exemplaren (en eieren) van soorten (onder 1, 2 en 3 hierboven genoemd) opzettelijk te doden, vangen of te verstoren. Tevens zijn vaste rust- en verblijfplaatsen ook beschermd en mogen deze niet worden verstoord, beschadigd of vernield worden.

Om te beoordelen of er potentieel beschermde soorten in of rondom het plangebied aanwezig zijn en zij negatieve effecten van de geplande ontwikkeling en werkzaamheden ondervinden, is een quickscan / natuurtoets uitgevoerd.

Voor het plangebied Woudse Erven II is een Quickscan natuurwetgeving uitgevoerd (bijlage 18) en een activiteitenplan beschermde soorten opgesteld (bijlage 1). Deze onderzoeken zijn uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) en vormden de basis voor de ecologische onderbouwing. Daarnaast is door de provincie Gelderland in mei 2024 een ontheffing verleend voor flora- en fauna-activiteiten (zaaknummer 2022-017493). De voorschriften uit deze vergunning moeten worden nageleefd.

De quickscan en het activiteitenplan zijn ouder dan drie jaar en moeten worden geactualiseerd. Dit geldt met name voor de locatie Nederwoudseweg 70/72, waar aanvullend onderzoek naar huismus, steenuil, kerkuil, boeren- en huiszwaluw, marterachtigen en vleermuizen ontbreekt. Ook moet duidelijkheid komen over te slopen en te behouden opstallen en bomen, omdat dit bepalend is voor de ecologische beoordeling

Binnen het plangebied komen beschermde soorten voor:

  • Broedvogels (nest jaarrond beschermd): huismus, steenuil.
  • Broedvogels (nest beschermd gedurende broedperiode): boerenzwaluw en algemene soorten.
  • Vleermuizen (Habitatrichtlijnsoorten): gewone dwergvleermuis en laatvlieger.
  • Grondgebonden zoogdieren: steenmarter.

Aanvullend onderzoek bevestigde dat:

  • Het woonhuis aan Nederwoudseweg 66/68 nestplaatsen van huismus bevat.
  • Twee steenuilterritoria aanwezig zijn in de directe omgeving.
  • Het woonhuis aan Nederwoudseweg 68 functioneert als paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis; daarnaast zijn essentiële foerageergebieden en vliegroutes vastgesteld.
  • Laatvlieger foerageert in opgaand groen.
  • Een verblijfplaats van steenmarter aanwezig is.

De voorgenomen ontwikkeling (sloop, groenverwijdering, bouwrijp maken) leidt tot aantasting van nest- en verblijfplaatsen en daarmee tot een conflict met artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming (oud). Voor deze soorten is een ontheffing verleend, maar aanvullende maatregelen en actualisatie zijn vereist. De opstallen aan de Nederwoudseweg 66-68 in Barneveld zijn reeds gesloopt in 2025 conform de vergunning.

Mitigerende maatregelen

  • Plaatsing van alternatieve voorzieningen (nestkasten, vleermuiskasten, marterkasten).
  • Uitvoering van werkzaamheden buiten kwetsbare perioden.
  • Ontmoediging van gebouwen voorafgaand aan sloop.
  • Behoud van opgaand groen en aanleg van takkenhopen.
  • Voorkomen van kunstlicht bij bomenrijen en bosschages.

5.5.3 Houtopstanden

Onder de Omgevingswet is er een bebouwingscontour houtkap. Uiterlijk in 2032 moet deze contour in het omgevingsplan staan.

De bescherming van houtopstanden heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long.
Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Wanneer een houtopstand buiten de vastgestelde bebouwingscontour houtkap ligt en niet onder de uitzonderingen valt (zie artikel 11.111, tweede lid van het Bal) is deze beschermd. Voor het kappen of rooien van een beschermde houtopstand geldt een meld- en herplantplicht (bij de provincie Gelderland).

Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet. Een meld- en herplantplicht is daarom niet aan de orde.

OF

Indien aan de orde: ingaan op houtopstanden (in het kader van een herplantplicht).

5.5.4 Algemene en specifieke zorgplichten

Er gelden algemene en specifieke zorgplichten onder de Omgevingswet. De algemene zorgplichten staan in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet.
In het Bal staan specifieke zorgplichten in de artikelen 11.6 (voor Natura 2000-gebieden), artikel 11.27 en 11.28 (voor alle in het wild levende dieren en planten én ook rode lijstsoorten) en artikel 11.116 (voor houtopstanden).

Gebiedsbescherming zorgplicht, artikel 11.6 Bal
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van Natura 2000 gebieden is verplicht:

  • alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  • als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten in of nabij een Natura 2000-gebied (of bijzonder gebied) nagaat welke natuurwaarden aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op beschermd gebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen. Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen.

Soortbescherming specifieke zorgplicht, artikel 11.27 Bal
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde soorten is verplicht:

  • alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  • als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten nagaat welke beschermde soorten (vogels, vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijn soorten, nationaal beschermde soorten, rode lijst soorten) aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op de soort, hun vaste rust-of verblijfplaats en/of essentieel functioneel leefgebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen. Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen.

Houtopstanden zorgplicht, artikel 11.116 Bal
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde houtopstand is verplicht:

  • alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
  • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
  • als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteit nagaat of er een beschermde houtopstand aanwezig is en of die activiteit een negatief effect heeft op de beschermde houtopstand.

Zorgplicht
Alle in het wild levende (inheemse) dieren zijn beschermd. De werkzaamheden mogen daarom geen verstoring met zich meebrengen aan beschermde flora- en fauna. Door direct voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied en de directe omgeving te controleren op de aanwezigheid van dieren en hun de kans te bieden zich in veiligheid te brengen (of het dier in veiligheid te brengen) kunnen slachtoffers worden voorkomen.

Tevens kan invulling worden gegeven aan de zorgplicht door zorgvuldig en deskundig om te gaan met materieel, zodat geen onnodige schade wordt veroorzaakt of onnodige verstoring van flora en fauna optreedt.

Vleermuizen
Vleermuizen, hun verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes zijn beschermd. Het gebruik van (bouw- of bewakings)verlichting gedurende de schemer en nacht kan verstoring voor vleermuizen veroorzaken. Verstoring kan worden voorkomen door geen verlichting te gebruiken gedurende de schemer en nacht. Als dit toch nodig is dan dient te verlichting zo spaarzaam mogelijk te zijn. De verlichting mag geen uitstraling buiten het plangebied op groen/bomen/water hebben en moet gebundeld naar beneden gericht zijn. Bij voorkeur wordt amberkleurig licht gebruikt.

5.5.5 Conclusie

Het plan is ecologisch uitvoerbaar mits:

  • De quickscan en het activiteitenplan worden geactualiseerd.
  • Aanvullend onderzoek naar soorten wordt uitgevoerd.
  • Een actuele stikstofberekening wordt toegevoegd.
  • Voorschriften uit de verleende ontheffing worden nageleefd.
  • In de gebruiksfase wordt ingezet op natuurinclusieve maatregelen zoals nestvoorzieningen in nieuwbouw en een groen-blauwe structuur, conform gemeentelijk biodiversiteitsbeleid.

Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.

5.6 Geluid

Voor het aspect geluid gelden de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het Bkl stelt standaardwaarden en grenswaarden voor geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen. Voor wegverkeerslawaai gelden de volgende normen:

  • Rijkswegen: standaardwaarde 50 dB (Lden), grenswaarde 60 dB (Lden).
  • Gemeentelijke wegen: standaardwaarde 53 dB (Lden), grenswaarde 70 dB (Lden).
    Daarnaast schrijft het Bbl voor dat de binnenwaarde in verblijfsruimten maximaal 33 dB mag bedragen.

Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

Binnen het plan worden circa 160 woningen mogelijk gemaakt. Dit zijn geluidgevoelige gebouwen. Het projectgebied ligt binnen een aandachtsgebied van geluid. Er wordt geen onderscheid meer gemaakt in binnen en buiten de bebouwde kom. Het onderscheid is nu bronsoort te weten: gemeentewegen, provinciale wegen, rijkswegen, spoorwegen en geluidgezoneerde industrieterreinen.

Onderzoeksresultaten
Het plangebied ligt binnen het geluidaandachtsgebied van de A30 en de Burgemeester van Diepeningenlaan. Uit het akoestisch onderzoek blijkt:

  • A30 (rijksweg): hoogste geluidsbelasting 50 dB. Hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarde van het Bkl.
  • Burgemeester van Diepeningenlaan (gemeentelijke weg): hoogste geluidsbelasting 57 dB. De standaardwaarde van 53 dB wordt overschreden, maar de grenswaarde van 70 dB wordt niet overschreden.
  • Cumulatieve geluidsbelasting (Lcum): maximaal 58 dB, wat volgens de GES-score kwalificeert als matig, maar acceptabel binnen het Bkl.

Maatregelen en beoordeling
Het treffen van bron- of overdrachtsmaatregelen (zoals stil asfalt of geluidsschermen) is stedenbouwkundig niet wenselijk en technisch beperkt effectief. Om te voldoen aan de binnenwaarde van 33 dB uit het Bbl, is aanvullende gevelisolatie noodzakelijk bij woningen met een hogere geluidsbelasting. Dit wordt geborgd bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen door middel van een bouwakoestisch onderzoek.

Het rapport is beoordeeld door de geluidsdeskundige van de Omgevingsdienst de Vallei en is akkoord bevonden.

Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling (bijlage 2). De geluidsbelasting voldoet aan de grenswaarden uit het Bkl en is cumulatief acceptabel. Voor de binnenwaarde wordt aanvullende gevelisolatie toegepast waar nodig.

Het akoestisch onderzoek was niet specifiek gericht op het deelgebied Groot Butselaar (locatie Nederwoudseweg 70-72). De resultaten van het akoestisch onderzoek uit 2024 laten echter zien dat er geen sprake is van een overschrijding van de grenswaarden. Zeker ter plaatse van de waarneempunten welke op gelijke hoogte liggen met de nieuw te realiseren woningen ter plaatse van de Nederwoudseweg 70-72, voldoen alle waarden aan de standaardwaarden. Voor de vaststelling van voorliggende TAM-omgevingsplan is het niet noodzakelijk een specifiek akoestisch onderzoek uit te voeren voor deze woningen. Voor de bouw van de woningen dient nog een bouwakoestisch onderzoek uitgevoerd te worden om te onderzoeken of aanvullende gevelmaatregelen nodig zijn om de binnenwaarde van 33 dB uit het Bbl te halen. De verwachting is echter dat er geen aanvullende gevelmaatregelen benodigd zijn.

5.7 Geur

Kader 

Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt (artikel 5.92, eerste lid Bkl). Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn vastgelegd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) maakte het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Deze verordening maakt deel uit van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.

Volgens de instructieregels uit het Bkl wordt getoetst aan de geurnormen op geurgevoelige gebouwen. De definitie van geurgevoelig gebouw zoals in artikel 5.91 eerste lid Bkl, wijkt echter af van de definitie van een geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze definitie wordt tevens toegepast in de bruidsschatregels, nu onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Door de gemeente Barneveld is ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan bij inwerkingtreding van de omgevingswet. Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt (artikel 5.92, eerste lid Bkl). Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Om dit bewerkstelligen wordt bij de toetsing voor geur aangesloten bij de definitie van geurgevoelig object zoals in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en voorheen de Wgv.

Onder een 'geurgevoelig object' wordt daarom verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

Beoordeling woon- en leefklimaat

Voor het woon- en leefklimaat nabij een of meerdere veehouderij(en) is de geurbelasting veelal bepalend. Zowel de voorgrondbelasting, vanwege een nabijgelegen veehouderij, als de achtergrondbelasting, vanwege alle veehouderijen in de omgeving samen, kan een rol spelen. Als vuistregel wordt aangehouden; de voorgrondbelasting is bepalend voor de hinder als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting.

Er is een Quickscan bedrijven en milieuzonering Woudse Erven II, Barneveld (projectnummer: 3916.01, 14 november 2024) uitgevoerd. Dit rapport is beoordeeld en akkoord bevonden. Hieruit blijkt dat er geen veehouderijen binnen 100 meter afstand van het plangebied liggen. De in het plangebied gelegen veehouderijen aan de Nederwoudseweg 66/68, 70 en 86 worden beëindigd en zijn daarom niet meegenomen in de geur beoordeling. De achtergrondbelasting is berekend op de zuidelijke punten van het plangebied. Hieruit blijkt dat sprake is van een achtergrondbelasting van maximaal 4,7 ouE/m3. Daarbij is sprake van een goed woon-en leefklimaat.

Conclusie

Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

Beoordeling belemmeringen ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijen
Vanuit de geurregels in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan geldt een afstand van 100 meter tussen een veehouderij en omliggende geurgevoelige objecten. Ook geldt ter plaatse een norm voor de voorgrondbelasting van 8,0 OuE/m3.

Er liggen geen veehouderijen op korte afstand van het plangebied. De veehouderijen die buiten de 100 meter liggen betreffen kleinschalige veehouderijen. Deze zullen ook niet leiden tot overschrijding van de voorgrondnorm van 8,0 ouE/m3.

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Binnen het plangebied wordt voldaan aan de geurnormen en afstandsnormen uit het Bkl en het gemeentelijke geurbeleid. De achtergrondbelasting is acceptabel en waarborgt een goed woon- en leefklimaat. De realisatie van 160 woningen in Woudse Erven II is daarmee vanuit het oogpunt van geur aanvaardbaar.

5.8 Gezondheid

De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt.

Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen.

De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen/functies (bijvoorbeeld wonen, scholen en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer).

Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen.

De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status. De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen.

Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen.

Conclusie
Het plangebied bevindt zich in de invloedssfeer van de geitenhouderijen aan de:

  • Barneveldseweg 49 in Lunteren;
  • Brinkhofweg 36 in Lunteren.

De afstand tussen deze bedrijven en de dichtstbijzijnde nieuwe woning in het plangebied bedraagt ongeveer 1.205 meter respectievelijk 1.299 meter. De nieuwe woningen komen dus niet in het hoogste risicogebied. Wel ligt het plangebied in het gebied waarvoor een licht verhoogde risico op longontsteking geldt. Desondanks is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd in het plangebied.

Uit jurisprudentie blijkt dat het gemeentebestuur in de afweging van belangen het zwaarwegende, maatschappelijke belang van de urgente woonbehoefte mag laten prevaleren. Het is zeer belangrijk dat er voldoende woningen worden gebouwd. In gemeente Barneveld is de agrarische sector groot. Het is nu eenmaal een veedicht gebied. Het is dan ook onmogelijk om bij woningbouw overal de strengste voorzorgsrichtlijnen in acht te nemen. Anders zou de woningbouwproductie sterk afnemen. Naar ons oordeel is het verantwoord en aanvaardbaar om de bouw van circa 160 woningen mogelijk te maken nu de geitenhouderij(en) zich bevinden op een grotere afstand dan 500 meter.

5.9 Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Deze is opgenomen in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het artikel is primair bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. In artikel 8.0b Bkl is bepaald dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

De nieuwe ladder onder de Omgevingswet verschilt inhoudelijk niet van de ladder zoals deze onder het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid) luidde. Nieuw is dat 'rekening gehouden moet worden met' de ladderplicht in het omgevingsplan en bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan.

Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

Toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ladder verder te worden doorlopen. Indien dit niet het geval is, dan is de ladder niet verder van toepassing dan wel kan niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking worden voldaan.

  • 1. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling?
  • 2. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling?
  • 3. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling?
  • 4. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied?
  • 5. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?

  • 1. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling?

Uit de 'overzichtsuitspraak' d.d. 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie is aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt.
Het onderhavige ruimtelijke besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van circa 160 woningen mogelijk. De ontwikkeling is daarom gelet op de omvang als 'stedelijke ontwikkeling' te classificeren. De 'ladder voor duurzame verstedelijking' moet verder worden doorlopen. Dit met het oog op zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand.

  • 2. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling?

Van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling kan worden gesproken als uit een onderling samenhangende beoordeling blijkt dat er sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte.

In het bestemmingsplan "De Burgt - Veller e.o." (2013) dat sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet deel uitmaakt van het Omgevingsplan gemeente Barneveld heeft de raad de bestemming 'Agrarisch' toegekend aan de gronden in het deelgebied 'Woudse Erven II'. De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf en hobbymatig agrarisch gebruik. Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Woudse Erven II maakt in het deelgebied 'Woudse Erven II' de bouw van 160 woningen mogelijk. Gelet hierop is sprake van een functiewijziging en vindt tevens een vergroting van het planologische beslag op de ruimte plaats. De ontwikkeling van het deelgebied 'Woudse Erven II' van de woonwijk De Burgt in de kern Barneveld is 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. De 'ladder voor duurzame verstedelijking' moet verder worden doorlopen.

  • 3. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling?

Uit de 'overzichtsuitspraak' blijkt dat, indien sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het ruimtelijk besluit dient te worden beschreven. Het kan hierbij zowel gaan om de kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte. De beschrijving van de behoefte dient te worden gebaseerd op voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens. Het is niet in strijd met artikel 5.129g van het Bkl als voor de onderbouwing van de behoefte in het ruimtelijk besluit wordt verwezen naar één of meer onderzoeksrapporten of beleidsdocumenten.

Kwantitatieve behoefte
Uit jurisprudentie blijkt dat de behoefte aan woningen kan worden onderbouwd met gebruikmaking van regionale woningbouwafspraken. Voor de regio Foodvalley zijn deze afspraken vastgelegd in de Woondeal 2022-2030, die in 2025 is geactualiseerd. In deze Woondeal is afgesproken dat er tot en met 2030 minimaal 25.000 woningen worden gerealiseerd in de regio, waarin voor de gemeente Barneveld een opgave van 5.380 woningen is opgenomen. Van deze woningen moet 66% betaalbaar zijn (sociale huur, middenhuur en betaalbare koop tot € 405.000), en 25% sociale huur. Deze afspraken zijn in lijn met de landelijke doelstelling van het Rijk om tot 2030 circa 900.000 woningen te realiseren, waarvan twee derde betaalbaar. Alle genoemde bedragen zijn gebaseerd op prijspeil 2025 en worden jaarlijks geïndexeerd.

De provincie Gelderland heeft in het Actieplan Wonen 2025-2027 de ambitie uitgesproken om tot 2030 circa 100.000 woningen te realiseren, waarvan 45.000 woningen versneld. De gemeente Barneveld draagt hieraan bij met een lokale ambitie van gemiddeld 600 woningen per jaar, zoals verwoord in de gemeentelijke Woonvisie 2021-2025 en bevestigd in het Woningbehoefteonderzoek 2025 van Companen.

Volgens dit woningbehoefteonderzoek is er in de periode 2023-2030 een behoefte aan 3.560 extra woningen, inclusief het inlopen van het woningtekort. Voor de periode 2031-2040 is de aanvullende behoefte nog eens 4.385 woningen, waarmee de totale woningbehoefte tot 2040 uitkomt op 7.945 woningen. Deze behoefte is gebaseerd op de Gelderse Primos Trendvariant 2022 en houdt rekening met een structureel woningtekort van circa 2%.

De gemeente Barneveld heeft een grote woningbouwopgave, mede door instroom van huishoudens uit omliggende regio's en de landelijke druk op de woningmarkt. De ontwikkeling past binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma en is onderdeel van de gefaseerde uitbreiding van De Burgt.

Gelet op het regionale woningbouwprogramma, het provinciale actieplan, de nationale doelstellingen en het woningbehoefteonderzoek 2025, kan worden gesteld dat het onderhavige planvoornemen past binnen de kwantitatieve behoefte aan woningen in de gemeente Barneveld en regio Foodvalley.

Kwalitatieve behoefte
De kwalitatieve woningbehoefte in de gemeente Barneveld is in januari 2025 uitgebreid onderzocht in het Woningbehoefteonderzoek gemeente Barneveld. De uitkomsten geven een gedetailleerd beeld van de gewenste woningtypen, eigendomsvormen en prijsklassen voor verschillende doelgroepen. De kwalitatieve behoefte is gebaseerd op demografische prognoses, woonwensen, feitelijk verhuisgedrag en beleidsafspraken zoals de Woondeal.

De planontwikkeling van 'Woudse Erven II' is onderdeel van het grotere gebiedsontwikkelingsproject De Burgt en wordt uitgevoerd door een externe partij. In het verleden zijn afspraken gemaakt over de verdeling van woningsegmenten binnen het gehele plangebied. Deze verdeling sloot destijds aan bij de toen geldende segmentverdeling, maar wijkt af van de verdeling zoals die in 2024 is afgesproken met de regio in het kader van de Woondeal.

De gehanteerde verdeling wordt over het hele nog te ontwikkelen gedeelte van woonwijk De Burgt ingevuld. In het deelgebied 'Woudse Erven II ligt het accent op duurdere woningen. In latere fasen zal het accent juist liggen op betaalbare woningen, waarmee over de gehele ontwikkeling een gebalanceerde invulling ontstaat die aansluit op de regionale en lokale woningbehoefte.

Woningtypologie en eigendom
Er is een duidelijke behoefte aan grondgebonden koopwoningen in het betaalbare segment (tot € 405.000), vooral onder jonge huishoudens, starters en gezinnen.

De vraag naar koopappartementen neemt toe, zowel in het betaalbare als het middeldure segment, mede door de vergrijzing en de wens van ouderen om levensloopgeschikt te wonen.

In de sociale huursector is vooral behoefte aan appartementen en levensloopgeschikte woningen voor 1- en 2-persoonshuishoudens, zowel jong als oud.

De behoefte aan middenhuurwoningen is relatief beperkt, maar groeit door de verslechterde betaalbaarheid van koopwoningen en de regulering van de middenhuur per 1 januari 2024.

Prijssegmenten
Circa 66% van de woningbehoefte tot 2030 valt binnen het betaalbare segment (sociale huur, middenhuur en koop tot € 405.000).

De behoefte aan sociale huurwoningen bedraagt 30% van de toevoeging, conform de Woondealafspraken.

Er is ook substantiële vraag naar duurdere koopwoningen (> €405.000), vooral onder doorstromers en vestigers van buiten de gemeente.

Doelgroepen
Starters hebben moeite om de koopmarkt te betreden en zoeken betaalbare koopwoningen of middenhuur als tussenstap.

Ouderen willen vaker verhuizen naar een levensloopgeschikte woning, bij voorkeur in de koopsector. Er is ook behoefte aan geclusterde woonvormen en zorggeschikte woningen.

Gezinnen geven sterk de voorkeur aan grondgebonden koopwoningen.

Kwetsbare groepen zoals vergunninghouders, arbeidsmigranten en mensen met een zorgvraag vragen om extra sociale huurwoningen en passende woonvormen.

De woningbehoefte is breed gespreid over prijsklassen en woningtypen, maar kent een duidelijke nadruk op:

  • Betaalbare koopwoningen (tot € 405.000)
  • Sociale huurwoningen (30% van de toevoeging)
  • Levensloopgeschikte woningen en appartementen, mede door de vergrijzing
  • Woningen voor starters en jonge huishoudens, die moeite hebben om de koopmarkt te betreden

Het woningbouwproject Woudse Erven II, met 160 woningen, draagt bij aan deze opgave. De woningmix sluit aan bij de behoefte:

  • 19 sociale huurwoningen
  • 17 sociale koopwoningen
  • 44 middeldure woningen
  • 45 dure rij- en hoekwoningen
  • 6 bungalows
  • 22 twee-onder-één-kapwoningen
  • 8 vrijstaande woningen

De planontwikkeling van Woudse Erven II is onderdeel van het grotere gebiedsontwikkelingsproject De Burgt en wordt uitgevoerd door een externe partij. In het verleden zijn afspraken gemaakt over de verdeling van woningsegmenten binnen het gehele plangebied. Deze verdeling sloot destijds aan bij de toen geldende segmentverdeling, maar wijkt af van de verdeling zoals die in 2024 is afgesproken met de regio in het kader van de Woondeal.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0017-0001_0005.png"

De mix van woningtypen en prijsklassen draagt bij aan een gedifferentieerde wijk en bevordert doorstroming op de woningmarkt. De ontwikkeling past binnen de gemeentelijke woonvisie en het woningbehoefteonderzoek, en draagt bij aan het realiseren van de Woondealafspraken.

Gelet op het woningbehoefteonderzoek, de Woonvisie en de Woondeal, kan worden gesteld dat het plan 'Woudse Erven II' past binnen de kwalitatieve behoefte aan woningen in de gemeente Barneveld.

  • 4. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied?

Uit de wetstekst en de 'overzichtsuitspraak' blijkt dat indien de 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' buiten 'bestaand stedelijk gebied' is gelegen, de verantwoording in het ruimtelijke besluit een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) luidde onder sub h:
'bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.'

Of een plangebied als een bestaand stedelijk gebied kan worden aangemerkt, hangt af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het planologische regime en de aard van de omgeving. Volgens de jurisprudentie moet worden beoordeeld of het voorgaande planologische regime voor de desbetreffende locatie reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, of dat het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. De bestuursrechter beoordeelt of deugdelijk is gemotiveerd dat niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien en of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat binnen het bestaand stedelijk gebied geen geschikte locatie beschikbaar is waar de desbetreffende stedelijke ontwikkeling kan worden gerealiseerd.

Het bestemmingsplan "De Burgt - Veller e.o." (2013) maakt in het deelgebied 'Woudse Erven II' slechts een beperkt stedenbouwkundig samenstel van bebouwing, infrastructuur en groen mogelijk. Het gaat voornamelijk om agrarische gronden. Gelet daarop is het plangebied gelegen buiten het 'bestaand stedelijk gebied' van de kern Barneveld.

  • 5. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?

Realisatie van het genoemde aantal woningen door middel van inbreiding binnen de kern Barneveld ligt niet voor de hand. De kern Barneveld is relatief 'jong' en kent veel naoorlogse woningbouw. De grootste aantallen zijn vanaf de jaren zeventig gerealiseerd. Derhalve kent Barneveld weinig herstructurering en weinig (beschikbare) functieveranderingslocaties binnen de kern. Er is ook geen leegstand van bestaand vastgoed.

De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Een nadere onderbouwing is opgenomen in de bijgevoegde toets van Buro Ontwerp & Omgeving (bijlage 9).

Conclusie
De conclusie luidt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

Het deelgebied Groot Butzelaar (locatie Nederwoudseweg 70-72) is niet opgenomen in de onderbouwing (bijlage 9) met uitzondering van de twee twee-onder-een-kapwoningen. De exacte invulling van het woningbouwprogramma in het bewuste deelgebied is nog onduidelijk. Bij de uitwerking zal de initiatiefnemer moeten zorgen voor een nadere motivering/onderbouwing.

5.10 Leidingen en laagvliegroutes

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit plan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

Conclusie
Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan. Bij de Nederwoudseweg liggen NUTS-tracés, waarmee rekening gehouden dient te worden.

5.11 Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De aanvraag moet beoordeeld worden op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving.

Voor vergunningplichtige (milieubelastende) activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over:

  • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;
  • ammoniakemissies van veehouderijen;
  • geologische opslag van CO2.

Beoordeling

Het plangebied ligt binnen een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit vanwege de aanwezigheid van veehouderijen. Voor industriële bronnen en verkeer is beoordeeld dat:

  • Het project valt onder de regeling Niet In Betekenende Mate (NIBM), omdat de bijdrage aan luchtverontreiniging door het plan ruim onder de drempelwaarde van 3% van de grenswaarde blijft.
  • Gezien de achtergrondconcentraties en de beperkte verkeersgeneratie is het niet aannemelijk dat grenswaarden worden overschreden.
  • Lokale veehouderijen kunnen op kleine schaal bijdragen aan geur en luchtverontreiniging, maar de meeste bedrijven in de directe omgeving zijn gestopt of zullen stoppen. Hierdoor is de invloed op luchtkwaliteit beperkt.
  • Een aanvullend onderzoek naar luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk, tenzij het agrarisch advies anders bepaalt. In dat geval is dat advies leidend.

Fijnstof veehouderijen
In de omgeving liggen geen veehouderijen met een relevante fijn stof emissie (>500 kg per jaar). Er is daarom geen berekening gemaakt van de luchtkwaliteit. De verwachting is dat aan de rijksomgevingswaarde voor PM10 wordt voldaan.

Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. Het plan voldoet aan de wettelijke normen en draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.12 Milieueffectrapportage

Een milieueffectenrapportage (hierna: mer) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. In afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is de regelgeving rondom de mer opgenomen. In afdeling 16.4 van de Ow wordt onderscheid gemaakt in de plan-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.1) en de project-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.2). Uit Bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:

  • in kolom 1 staan de projecten opgesomd;
  • in kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is;
  • in kolom 3 staan de gevallen waarin de project-beoordelingsplicht geldt;
  • in kolom 4 staan besluiten waarvoor de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Er zijn drie sporen waarlangs de plan-mer aan de orde is:

    • 1. een plan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een mer-(beoordelings)plichtige project genoemd in Bijlage V van het Ob (artikel 16.36, lid 1 Ow);
    • 2. er is voor het plan/programma een passende beoordeling voor natuur nodig zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36, lid 2 Ow);
    • 3. een plan of programma anders dan genoemd onder punt 1, heeft mogelijk toch aanzienlijke milieueffecten (artikel 16.36, lid 4 Ow). Dit artikel is een vangnet voor activiteiten die niet genoemd zijn in Bijlage V van het Ob.

Wanneer een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of een plan maakt een kleine wijziging mogelijk, dan kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

Bij een mer-beoordeling oordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van aanzienlijke milieugevolgen aan de hand van de criteria van bijlage III bij de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling.

Ad 1 en 3: Bijlage V van het Omgevingsbesluit 
Wettelijk kader
Voor de project-mer geldt dat als de activiteit voorkomt in kolom 1 en boven de drempelwaarden uitkomt in kolom 2, een mer-plicht geldt. Als de activiteit voorkomt in kolom 1 en betrekking heeft op een geval zoals omschreven in kolom 3, geldt een mer-beoordelingsplicht. In het geval van een beoordelingsplicht is de centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog een mer-plicht.

Toetsing
In dit geval is sprake van een wijziging van het omgevingsplan voor de uitbreiding van de woonwijk De Burgt in de kern Barneveld.. Dit wordt in Bijlage V van het Omgevingsbesluit genoemd als 'benomen hoe het staat vermeld' waarbij er bij de 'aanleg, wijziging of uitbreiding' sprake is van een mer-beoordelingsplicht. De wijziging van het omgevingsplan is kaderstellend voor een project-mer-(beoordelings)plichtige activiteit, namelijk het stedelijk ontwikkelingsproject.

Inhoudelijk gaat de vormvrije mer-beoordeling in op de mogelijke aanzienlijke milieueffecten als gevolg van het initiatief. Deze effecten worden beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria opgesomd in Bijlage III van de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling, opgesplitst in drie hoofdthema's:

  • de kenmerken van het project;
  • de plaats van het project (ligging en samenhang met andere activiteiten (cumulatie));
  • de kenmerken van de potentiële nadelige gevolgen voor het milieu die het project kan hebben.

De aanmeldingsnotitie voor de vormvrije mer-beoordeling is opgenomen als bijlage…. Daaruit blijkt dat, gelet op de plaats en kenmerken van het project () er geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.

Naar aanleiding van deze conclusie is op 24 april 2025 bij besluit van college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld vastgesteld dat geen MER nodig is. Het besluit is als bijlage 4 opgenomen.

Ad 2: Passende beoordeling
Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid Ow).

Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.5) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-mer-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling is hier niet aanwezig (zie bijlage 14).

Bij interne saldering is een passende beoordeling nodig. In principe is er dan ook een mer-plicht. Omdat het hier gaat om een 'klein gebied' (<1% van het grondgebied van de gemeente) kan worden volstaan met een mer-beoordeling.

Conclusie
Voor het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Woudse Erven II is geen MER-plicht van toepassing. De vormvrije m.e.r.-beoordeling bevestigt dat de ontwikkeling van 160 woningen geen significante negatieve effecten op het milieu veroorzaakt. Het aspect milieueffectrapportage vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het omgevingsplan.

Het deelgebied Groot Butzelaar (locatie Nederwoudseweg 70-72) is niet opgenomen in de onderbouwing (bijlage 14) met uitzondering van de twee twee-onder-een-kapwoningen. De exacte invulling van het woningbouwprogramma in het bewuste deelgebied is nog onduidelijk. Zodra het aantal woningen en het programma zijn uitgewerkt, wordt beoordeeld of het noorzakelijk is om een separate project-m.e.r.-beoordeling op te stellen.

5.13 Milieuzonering

Om milieubelasting bij gevoelige gebouwen door milieubelastende activiteiten te voorkomen is een goede afstemming onder de Omgevingswet noodzakelijk. Ten aanzien van milieubelastende activiteiten geldt als uitgangspunt dat toekomstige gevoelige gebouwen niet onevenredig worden belast op gebied van milieu (geur, geluid etc.) door milieubelastende activiteiten. Woningen zijn gevoelige gebouwen.

Om dit te borgen zijn in hoofdstuk 3 van het Bal rijksregels voor milieubelastende activiteiten opgenomen. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Daarnaast heeft de gemeente regels opgenomen in het Omgevingsplan die betrekking hebben op milieubelastende activiteiten. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing.

De handreiking 'Activiteiten en milieuzonering´ (2024) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gaat uit van zones met oplopende beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit, zónder een Lijst van activiteiten bij de regels. De systematiek gaat in hoofdzaak over milieuhinderlijke activiteiten op reguliere bedrijventerreinen en andere werkterreinen, maar de handreiking geeft ook aanbevelingen voor gebieden met functiemenging. Daarnaast biedt de handreiking een hulpmiddel bij het inschatten van de benodigde milieugebruiksruimte van een activiteit.

Bij milieuzonering wordt beoordeeld of de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat hebben en of omliggende bedrijven niet onevenredig worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (editie 2009). Deze publicatie geeft richtafstanden voor milieuaspecten zoals geur, stof, geluid en gevaar, afhankelijk van de bedrijfscategorie en de gebiedstypering. Voor Woudse Erven II geldt de gebiedstypering 'rustige woonwijk'.

Uit de quickscan (bijlage 17) blijkt:

  • Rondom het plangebied liggen diverse niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen, zoals scholen, een supermarkt, een tuincentrum en een aannemersbedrijf.
  • Voor deze bedrijven zijn de richtafstanden bepaald op basis van de maatgevende bedrijfscategorie. De grootste richtafstand bedraagt 50 meter (voor aannemersbedrijf).
  • De afstand van deze bedrijven tot het plangebied varieert tussen circa 125 en 370 meter. Daarmee liggen alle nieuwe woningen buiten de richtafstanden.
  • Voor agrarische bedrijven is aanvullend gekeken naar geurhinder (zie § 5.7). Binnen 100 meter van het plangebied liggen geen veehouderijen, waardoor ook hier geen belemmeringen bestaan.

Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De nieuwe woningen liggen buiten de richtafstanden van omliggende bedrijven en instellingen. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.13.1 Spuitzonering

Het aspect spuitzonering betreft de afstand tussen gevoelige functies en agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden toegepast. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op agrarische gronden kan leiden tot blootstelling van omwonenden aan schadelijke stoffen. Dit is relevant voor de beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 2.1 Omgevingswet) en het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hoewel er geen landelijke wet- en regelgeving bestaat voor spuitvrije zones, vormt jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) een richtinggevend kader. De AbRS hanteert als vuistregel een minimale afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden toegepast. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen waardoor de kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen aanwezig is, bijvoorbeeld: woningen, tuinen, speel- en recreatievoorzieningen en maatschappelijke functies.

In het Bal wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aangemerkt als een milieubelastende activiteit. Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen gevoelige functies zoals woningen of bedrijven. Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in verband met een goed woon- en leefklimaat.

Beoordeling plangebied
Het plangebied Woudse Erven II grenst aan gronden met de functie ‘Agrarisch’. Binnen deze gronden is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen toegestaan. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van circa 160 woningen en daarmee in nieuwe gevoelige functies. Gelet op de jurisprudentie en het gemeentelijke beleid is het noodzakelijk om een spuitvrije zone van 50 meter aan te houden tussen de nieuwe gevoelige functies en de aangrenzende agrarische gronden.

Bij de ontwikkeling van Woudse Erven II worden uitsluitend nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt. Daarom is het noodzakelijk om in het omgevingsplan rekening te houden met spuitzonering.

Uitgangspunten en juridische borging

  • De spuitvrije zone bedraagt 50 meter, gemeten vanaf de grens van de gevoelige functie (waaronder tuinen) tot de perceelsgrens van de agrarische gronden.
  • Het is mogelijk die afstand van 50 meter te verkleinen als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Deze motivering moet gebaseerd zijn op een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Als de gemeenteraad onvoldoende motiveert waarom hij het aanvaardbaar acht dat in de directe nabijheid, op een afstand minder dan de 50 meter die in de jurisprudentie als vuistregel wordt gehanteerd, een burgerwoning wordt toegestaan, dan berust het planologische besluit niet op een deugdelijke motivering. Er is in dit geval geen wetenschappelijk onderbouwd model beschikbaar is dat een kleinere afstand rechtvaardigt.
  • Indien de spuitvrije zone niet op eigen terrein kan worden gerealiseerd, ligt de verantwoordelijkheid voor het verkrijgen van overeenstemming met aangrenzende grondeigenaren bij de initiatiefnemer.
  • Voor plannen van groot maatschappelijk belang, zoals deze woningbouwontwikkeling, kan de spuitvrije zone planologisch worden vastgelegd over gronden van derden, waarbij nadeelcompensatie aan de orde kan zijn. Dit is een aandachtspunt in de anterieure overeenkomst.

De spuitvrije zone wordt juridisch geborgd in de regels van het omgevingsplan. Binnen deze zone is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen verboden. Hiermee wordt aangesloten bij het voorzorgsbeginsel en wordt invulling gegeven aan de verplichting tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Conclusie
Door het opnemen van een spuitvrije zone van 50 meter wordt invulling gegeven aan het voorzorgsbeginsel en wordt een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gerealiseerd. Dit draagt bij aan de bescherming van de gezondheid van toekomstige bewoners en voorkomt juridische kwetsbaarheid van het plan.

Bij de vaststelling van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q Woudse Erven II is een zorgvuldige belangenafweging gemaakt tussen:

  • het belang van een gezond woon- en leefmilieu voor toekomstige bewoners;
  • het belang van agrariërs bij het ongestoord voortzetten van hun bedrijfsvoering.

In dit geval zijn er geen actieve agrarische bedrijven die worden gedupeerd door het instellen van de 'Milieuzone - spuitvrije zone'. In de bestaande situatie worden op de bewuste agrarische gronden geen gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Het instellen van de zone is in lijn met aanbevelingen van het RIVM en sluit aan bij jurisprudentie die de bescherming van kwetsbare functies zoals wonen vooropstelt. De spuitvrije zone met het verbod om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken zonder omgevingsvergunning is evenwichtig en proportioneel. Deze regeling voldoet aan de eisen van duidelijkheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

5.14 Natuur en landschap

Ruimtelijke inpassing en landschappelijke kwaliteit
Het stedenbouwkundig plan voor Woudse Erven II is ontworpen met respect voor de bestaande landschappelijke structuren en cultuurhistorische elementen. De voormalige boerderij aan de Nederwoudseweg 70 blijft behouden en vormt een herkenbaar ankerpunt in de nieuwe buurt. Het historische toegangspad met eikenrijen wordt ingepast en waar mogelijk versterkt, waardoor de karakteristieke beleving van het agrarische landschap behouden blijft.

Groenstructuur en natuurinclusiviteit
Binnen het plangebied wordt een robuust netwerk van groenvoorzieningen gerealiseerd. Deze groenstructuur vervult meerdere functies:

  • Ecologische verbindingen: De groene zones vormen migratieroutes voor soorten en dragen bij aan een veerkrachtig ecosysteem.
  • Biodiversiteit: Het plan stimuleert natuurinclusief bouwen door maatregelen zoals nestkasten in gevels, groene erfafscheidingen en bloemrijke wadi’s.
  • Welzijn en beleving: De groene inrichting biedt bewoners een directe relatie met natuur, wat bijdraagt aan gezondheid en leefkwaliteit.

Naast de openbare ruimte leveren ook tuinen en erfafscheidingen een bijdrage aan biodiversiteit. Hagen en klimplanten worden toegepast in samenhang met de inrichting van de openbare ruimte.

Water en klimaatadaptatie
Het plan voorziet in een netwerk van wadi’s voor infiltratie van hemelwater. Deze wadi’s zijn gedimensioneerd om piekbuien op te vangen en gekoppeld aan de hoofdwaterstructuur langs de Burgemeester Labreelaan. Hiermee wordt invulling gegeven aan klimaatadaptatie en een robuust watersysteem.

Bomen en landschappelijke elementen
De bestaande bomen rond het erf en langs het historische pad worden zoveel mogelijk behouden. Voor enkele bomen die niet ingepast kunnen worden, is verplanting voorzien. Een Bomen Effect Analyse (BEA, bijlage 7) bevestigt dat behoud van het laantje met eiken prioriteit heeft.

- hoe de landschappelijke inpassing rekening houdt met de kernkwaliteiten (zie paragraaf 4.3.1.2)

- aanwezig groen (stroken);

- bos;

- landbouwgebied

- landschappelijke inpassing

- landschappelijk waardevol groen

Conclusie
Het aspect 'Natuur en landschap' vormt geen belemmering voor het plan. Het plan versterkt de landschappelijke kwaliteit en draagt bij aan een natuurinclusieve woonomgeving. Door behoud van cultuurhistorische elementen, aanleg van een groen netwerk en toepassing van klimaatadaptieve maatregelen ontstaat een duurzame en aantrekkelijke leefomgeving.

5.15 Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de nieuwe functies de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises wordt gewaarborgd. Daarbij gaat het over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt onder andere door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige functies (risicovolle) activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.

5.15.1 Wettelijk kader

De hoofdlijnen van het wettelijk kader over externe veiligheid zijn opgenomen in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen, die van belang zijn voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de (uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verschillende milieubelastende) activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) en buisleidingen met gevaarlijke stoffen én windturbines.

Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s bij risicovolle activiteiten uit het Bal om rekening te houden met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Deze aandachtsgebieden worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Binnen de aandachtsgebieden moet bij de vergunningverlening rekening worden gehouden met het groepsrisico (aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) kunnen gelden bij het risico van brand, explosies of gifwolken). Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen gebouwen en locaties toe te laten. Deze zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. In een planontwikkeling dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan zeer kwetsbare gebouwen zijn/worden toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal:

  • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl).
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
  • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Plaatsgebonden Risico (PR) en Groepsrisico (GR)
Het plaatsgebonden risico is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Het Groepsrisico is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit. Voor een ontwikkeling binnen een aandachtsgebied moet ingegaan worden op het groepsrisico en dient het groepsrisico te worden verantwoord. Hierbij dient ingegaan te worden op de effectscenario's en dienen maatregelen te worden afgewogen. Een hulpmiddel hierbij is het handboek omgevingsveiligheid.

Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen en Plasbrandaandachtsgebied (PAG)
Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.

Voor bepaalde trajecten binnen het basisnet dient niet alleen gekeken te worden naar risicoplafonds, maar ook naar zogeheten plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.

Beleidsvisie externe veiligheid
In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.

5.15.2 Beoordeling risicobronnen

Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect.

5.15.3 Conclusie

Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.16 Ontplofbare oorlogsresten

Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog.

Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat een klein deel van het plangebied Woudse Erven II verdacht is van Ontplofbare Oorlogsresten, zijnde afwerpmunitie. De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart van gemeente Barneveld, waarop in blauw het plangebied en in rood het verdachte gebied is te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0017-0001_0006.png"
Afbeelding X Fragment OO-belastingkaart

Om risico's tijdens de ontwikkeling van Woudse Erven II en daarna te voorkomen, is in januari 2024 een opsporingsonderzoek uitgevoerd door een gecertificeerde partij (Explosive Clearance Group uit Wijchen). Dit onderzoek bestond uit:

  • Realtime oppervlaktedetectie en benaderen van significante objecten.
  • Detectie tot een diepte van 4,5 meter onder maaiveld, conform het vooronderzoek.
  • Gebruik van gevalideerde detectieapparatuur (Sensys magnetometer en Vallon metaaldetector).

Resultaten en vrijgave
Het volledige opsporingsgebied van circa 31.371 m² is onderzocht en 100% vrijgegeven tot de maximale zoekdiepte. Tijdens de opsporing zijn geen objecten aangetroffen die voldeden aan het zoekdoel. Er zijn geen ontplofbare oorlogsresten aangetroffen die moesten worden overgedragen aan de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD). Het terrein is daarmee geschikt voor reguliere uitvoering van bodemroerende werkzaamheden.Grondwerkzaamheden kunnen verder regulier worden uitgevoerd zonder verder onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten.

Het gehele verdachte gebied is vrijgegeven tot de maximale indringingsdiepte (4.5 m-mv) van gebruikte afwerpmunitie. De opsporingswerkzaamheden en de vrijgave zijn beschreven in het Proces-Verbaal van Oplevering met documentcode 406-022-PVvO-02, d.d. 22 januari 2024 (bijlage 10).

Door opsporing en vrijgave is het verdachte gebied uit het historisch vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 komen te vervallen.

Conclusie
Het aspect 'Ontplofbare Oorlogsresten' vormt geen belemmering voor het plan.Indien tijdens werkzaamheden toch een verdacht object wordt aangetroffen, geldt het protocol voor spontane vondsten zoals opgenomen in het onderzoeksrapport: direct stoppen met werkzaamheden en melding bij de EODD.

5.17 Toegankelijkheid openbare ruimte

Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe ontwikkeling met gevolgen voor de inrichting van de openbare ruimte, dan moet in het omgevingsplan rekening gehouden worden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking (artikel 5.162 Bkl).

In dit plan wordt hier op de volgende manier rekening mee gehouden. Voor voetgangers worden langs de meeste wegen voetpaden aangebracht. Deze zijn van voldoende breedte. Bij zijwegen of oversteekplaatsen kunnen voetgangers op hetzelfde niveau oversteken, bijvoorbeeld door aanwezige kruispuntplateaus. Waar geen kruispuntplateau aanwezig is worden voetgangersafritjes verlaagd zodat op een toegankelijke manier kan worden overgestoken.

5.18 Trilling

Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

Er is geen sprake van een plan dat een activiteit mogelijk maakt dat trillingen veroorzaakt. Daarnaast zijn de nieuw geprojecteerde gevoelige objecten ook niet gelegen in de nabijheid van potentiële trillingsbronnen.

Conclusie
Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.

5.19 Verkeer

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties hoort ook het goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast moeten er voldoende parkeerplaatsen voor de functie van de beoogde ontwikkeling aanwezig zijn.

Ontsluiting en verkeersveiligheid
Het plangebied wordt voor gemotoriseerd verkeer hoofdzakelijk ontsloten op de rotonde Burgemeester van Diepeningenlaan (maximumsnelheid 50 km/uur). Vanaf de Burgemeester van Diepeningenlaan kan de hoofdwegenstructuur (Scherpenzeelseweg - A30) worden bereikt. Aan de noordoostzijde worden de wegen in het plangebied aangesloten op de bestaande wegenstructuur van De Burgt (Boswei en Nederwoudseweg). Hierdoor is het plangebied vanuit meerdere richtingen bereikbaar voor gemotoriseerd verkeer. De wegen binnen het plan worden ingericht als wegen met een hoofdzakelijke verblijfsfunctie waarbij percelen direct worden ontsloten op de wegen binnen het plangebied. De inrichting van de wegen sluit aan bij de maximumsnelheid van 30 km/uur.

Aan de westzijde van het plangebied, tussen de rotonde en de Nederwoudseweg wordt een vrijliggend fietpad gerealiseerd. Dit fietspad maakt onderdeel uit van een doorgaande fietsverbinding die door de wijk De Burgt wordt gerealiseerd en het plangebied voor fietsers ontsluit richting het centrum van Barneveld.

Parkeren
Uitgangspunt is de Nota Parkeernormen. Voor de woonfuncties wordt binnen dit plangebied voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein en in het openbare gebied.

Toekomstige verkeersgeneratie
Het Verkeersmodel Regio Foodvalley 2040 geeft een prognose van de verkeersintensiteit per weg voor het jaar 2040. In het verkeersmodel zijn alle beoogde ruimtelijke ontwikkelingen tot 2040 opgenomen, zowel binnen als buiten de gemeente Barneveld. Hiertoe behoren ook de verschillende deelplannen binnen De Burgt zoals Woudse Erven II. Ook is het doortrekken van de Van Diepeningenlaan in het model 2040 opgenomen. In het prognosemodel 2040 is te zien dat de totale verkeersintensiteit op de Van Diepeningenlaan naar verwachting circa 6.500 mvt/werkdagetmaal gaat bedragen en die op de toegangswegen naar Woudse Erven II circa 600 mvt/werkdagetmaal. Gelet op de functie en de capaciteit van deze wegen is de intensiteit op deze wegen passend en acceptabel. De bereikbaarheid van dit plan is daarmee voldoende gewaarborgd. Ter informatie is hieronder een uitsnede van het verkeersmodel opgenomen voor dit deelgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0017-0001_0007.png"Afbeelding x Uitsnede verkeersmodel

Verkeersgeneratie Groot Butselaar
Om de verkeersgeneratie van de ontwikkeling ter plaatse van het deelgebied Groot Butselaar (locatie Nederwoudseweg 70-72) te bepalen, is gebruik gemaakt van de CROW publicatie Parkeerkencijfers 2024. In de onderstaande tabel is de verkeersgeneratie van het plan voor de verschillende type woningen opgenomen. Hierbij wordt uitgegaan van een verstedelijkingsgraad 'weinig stedelijk' en het gebiedstype 'rest bebouwde kom'. De aanname is dat binnen de bestaande bebouwing van de Nederwoudseweg 70-72 negen appartementen kunnen worden gerealiseerd. Daarnaast bevindt zich nog een monumentale schuur los van de ontwikkeling van de Nederwoudseweg 70-72 waar tevens woningen kunnen worden gerealiseerd.

Hier kunnen naar verwachting twee appartementen worden gerealiseerd. Dit zal echter nader worden uitgewerkt. Worst-case is uitgegaan dat alle appartementen in de vrije sector koop worden aangeboden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0017-0001_0008.png"

Met de voorgenomen ontwikkeling aan de Nederwoudseweg 70-72 is dus in theorie sprake van een toename van 81,6 verkeersbewegingen als gevolg van de mogelijke realisatie van de woningen ter plaatse van deze locatie. Het kan zijn dat er uiteindelijk sprake is van minder verkeersbewegingen, indien de appartementen niet (allemaal) in de vrije sector koop worden aangeboden. Het kan ook zijn dat er uiteindelijk sprake is van meer verkeersbewegingen, indien er toch meer woningen worden gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing. De nieuwe verkeersstructuur binnen Woudse Erven II is echter ruim voldoende om de verkeersgroei als gevolg van de ontwikkeling aan de Nederwoudseweg 70-72 te kunnen verwerken, ook als dit wat hoger uitvalt dan de hierboven berekende 81,6 verkeersbewegingen. Bovenstaande berekening toont echter aan dat er geen belemmering wordt verwacht vanuit het aspect verkeer.

Parkeren Groot Butselaar
Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Om de parkeerbehoefte vast te stellen, is gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen uit 2020 van de gemeente Barneveld. In het parkeerbeleid is vastgelegd dat het plangebied zich in de 'rest bebouwde kom' in een 'matig stedelijk' gebied bevindt.

Voor het bestaande woonhuis wordt in de toekomstige situatie uitgegaan van een parkeerbehoefte van twee parkeerplaatsen. Deze twee parkeerplaatsen zullen op het erf worden gerealiseerd en worden aangeduid als zijnde parkeerplaatsen voor de bestaande woning. Voor de twee woningen, welke worden uitgevoerd als twee-onder-een-kapwoningen, geldt dat deze zijn meegenomen in de parkeerbehoefte en parkeerbalans voor de gehele Woudse Erven II.

Voor de overige nieuw te realiseren woningen binnen de bestaande opstallen zal, op het moment dat de exacte gebiedsindeling wordt vastgesteld, conform de gemeentelijke parkeernota worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen binnen het erf. Dit aspect zal in een later stadium worden beoordeeld.

Conclusie
Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor dit plan.

5.20 Weging van het waterbelang

Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen.

De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Deelgebied Groot Butselaar
Om het waterbelang zorgvuldig mee te wegen, is voor het perceel aan de Nederwoudseweg 70-72 afzonderlijk onderzocht op welke wijze de benodigde waterberging gerealiseerd moet worden.

Allereerst is berekend hoeveel m3 waterberging er noodzakelijk is voor dit perceel. Gezien de exacte indeling van het projectgebied nog niet is uitgekristaliseerd, is een inschatting gemaakt. Er wordt uitgegaan van een benodigde berging, bij een eis van 60 mm berging per m2, van circa 130 m3. Hierbij zijn reële inschattingen gemaakt voor de inrichting van het perceel.

Een mogelijkheid om deze benodigde berging op te vangen is de greppel rondom het perceel aan de Nederwoudseweg 70-72. In de greppel rondom dit perceel kan, voor het gedeelte dat niet is toegeschreven aan afwatering openbaar gebied, maximaal circa 50 m3 water geborgen worden. De rest van de benodigde berging is lastiger te realiseren. Doordat de GHG is vastgesteld op bestaand maaiveld, en de ontwikkeling op perceel bestaande bebouwing betreft waarbij het maaiveld dus gelijk blijft aan de bestaande situatie, is het niet mogelijk om boven GHG een infiltrerende waterberging te creëren. Omdat het om een bestaand perceel gaat, wordt voorgesteld de aanvullende waterberging niet op het perceel zelf te realiseren, maar deze, conform de situatie bij de overige woningen langs de Nederwoudseweg, af te voeren naar het bestaande slootstelsel.

Voor de twee-onder-een-kapwoning aan de oostzijde van het terrein van het perceel aan de Nederwoudseweg 70-72 wordt voorgesteld deze aan te sluiten op het vloerpeil van het noordelijk gelegen bouwblok 15. In tegenstelling tot andere onderdelen van de ontwikkeling op het perceel gaat het hier om nieuwbouw, waardoor de vereiste drooglegging leidend is. Het is daardoor niet mogelijk deze woningen op hetzelfde vloerpeil te realiseren als de bestaande bebouwing, aangezien daarmee niet aan de benodigde drooglegging kan worden voldaan.

Hoofdstuk 6 Juridisch aspecten

6.1 Wijziging omgevingsplan

6.1.1 Omgevingsplan van rechtswege

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van gemeente Barneveld van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van de artikelen 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

6.1.2 Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

afbeelding "i_NL.IMRO.0203.TAMOP0017-0001_0009.png"

6.1.3 Werkingsgebied

Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de locatie (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen (zie Artikel 1 en Artikel 2).

Daarnaast is er een toepassingsbereik-bepaling opgenomen in het plan waarmee geregeld wordt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels (Artikel 3). Een TAM-omgevingsplan zorgt er namelijk niet automatisch voor dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen. Ook is een plankaart van het wijzigingsgebied van het plan niet direct onderdeel van het omgevingsplan. Daarvoor zijn er in dit plan ook bepalingen opgenomen die dit borgen.

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.xx zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

6.2 Artikelsgewijze toelichting functies

6.2.1 Terugkerende thema's
6.2.1.1 Mantelzorg

In het voorliggende plan is voor zowel woningen, als bedrijfswoningen een afwijkingsmogelijkheid opgenomen waarmee een tweede zelfstandige wooneenheid voor mantelzorg mogelijk wordt gemaakt. De afwijkingsmogelijkheid is gekoppeld aan onder andere een sloopeis. De voorwaarden staan beschreven in de activiteit bouwen, in stand houden en gebruik van bouwwerken (en gronden). Mantelzorg is niet toegestaan binnen 'functie recreatiewoning in het buitengebied' en 'functie wonen in een voormalige recreatiewoning'. Ook wordt mantelzorg niet mogelijk gemaakt in woningen die een toegestane maximale inhoud hebben van 350 m3.

6.2.1.2 Aan huis verbonden beroepen of kleinschalig bedrijf, bed & breakfast

Binnen zowel woningen, kleine woningen, woongebouwen als bedrijfswoningen is onder voorwaarden een aan huis verbonden beroep of kleinschalig bedrijf en/of bed & breakfast bij recht toegestaan. Bij de relevante functies staan de voorwaarden beschreven.

Een aan huis verbonden beroep of kleinschalig bedrijf is niet toegestaan binnen 'functie recreatiewoning in het buitengebied' en 'functie wonen in een voormalige recreatiewoning'. Bed & breakfast is niet mogelijk binnen de 'functie recreatiewoning in het buitengebied' en 'functie wonen in een voormalige recreatiewoning', gelet op het kleinschalige oppervlak van de woning.

De bewoner van de woning mag in de woning een aan huis verbonden beroep, kleinschalig bedrijf (bijvoorbeeld een praktijk- of kantoorruimte) en/of bed & breakfast uitoefenen. In totaal mag hiervoor worden gebruikt maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning, met een maximum van 60 m2. Bij een kleine woning geldt een maximum van 35 m2. De oppervlakte is beperkt om te garanderen dat deze functies ondergeschikt zijn en blijven aan de hoofdfunctie wonen. Om overlast en hinder te voorkomen zijn activiteiten waarvoor een melding of vergunning op basis van de milieuwetgeving vereist is, niet toegestaan. De gemeente wil met deze voorwaarden voorkomen dat er nieuwe bedrijven ontstaan in het buitengebied. Via een afwijking van de gebruiksregels mag een aan huis verbonden beroep of bedrijf en bed & breakfast ook in een bijgebouw worden gerealiseerd.

Ter voorkoming van het ontstaan van een zelfstandige wooneenheid wordt geen keukenblok toegestaan in een bed & breakfast. Een keukenblok wordt niet noodzakelijk geacht voor een bed & breakfast, omdat de verzorging van bed & breakfast zich beperkt tot logies en ontbijt. Ook wordt hiermee de kans op permanente bewoning tegengegaan.

6.2.1.3 Paardrijbakken

Bij de woning is een paardrijbak (onoverdekte rijbak) voor privé- en hobbymatig gebruik door de bewoners toegestaan.

De afmeting van de paardrijbak bedraagt maximaal 20 bij 40 meter. De paardrijbak is toegestaan binnen de locatie waaraan de functie is toebedeeld en/of functiegebieden waarin een woning of een bedrijfswoning is toegestaan. Een paardrijbak is onder voorwaarden ook toegestaan aansluitend aan het functiegebied waarin de woning zich bevindt. Een paardrijbak die aansluitend aan een functiegebied wordt gerealiseerd ligt in de functie 'agrarische bedrijven'. De voorwaarden die gelden voor een paardrijbak in de functie 'agrarische bedrijven' staan dan ook vermeld in de regels over het gebruik van grond als paardrijbak in het buitengebied.

De paardrijbak moet achter de voorgevelrooilijn worden aangelegd. Om hinder naar buren te voorkomen of te beperken is de minimale afstand tussen de paardrijbak en een woning van een derde minimaal 50 meter. Via een afwijking van de bouwregels is het mogelijk de paardrijbak voor de voorgevelrooilijn te plaatsen. Voorwaarde is dat de belangen van gebruikers/eigenaars van aanliggende gronden niet onevenredig worden geschaad en dat er geen onevenredige aantasting van de milieusituatie plaatsvindt. Hieronder wordt in ieder geval verstaan dat het woon- en leefklimaat (geur, geluid, stof en dergelijke) niet verslechtert en dat wordt voldaan aan de geldende milieuregels. Ook moet rekening worden gehouden met de aanwezige landschapswaarden.

6.2.1.4 Zonnecollectoren

Op basis van nationale wetgeving is het mogelijk om zonnecollectoren op daken te plaatsen. In het buitengebied van de gemeente Barneveld wil de gemeente ook het plaatsen van zonnecollectoren op maaiveld in (beperkte vorm) mogelijk maken. Dit wordt gedaan om een mogelijkheid te bieden voor situaties waarin het plaatsen zonnecollectoren op het dak niet gewenst is. Hierbij kan gedacht worden aan monumentale gebouwen en/of gebouwen met een rieten dak.

Het voorliggende plan biedt mogelijkheden om met voorwaarden bij recht zonnecollectoren te realiseren. Daarnaast bevat het plan een mogelijkheden voor het bouwen van zonnecollectoren op onbebouwde agrarische grond aansluitend aan een functievlak voor bijvoorbeeld de functie 'Wonen'. Hierbij worden eisen gesteld aan zowel de plaats van de zonnecollectoren als de landschappelijke inpassing van deze zonnecollectoren. Bij agrarische bedrijven geldt dat het plan flexibiliteitsbepalingen bevat waarmee de vorm en/of de grootte van de functie kan worden aangepast, die ook kan worden gebruikt voor het plaatsen van zonnecollectoren. Wat betreft de bouwregels worden zonnecollectoren beschouwd als overige bouwwerken geen gebouw zijnde. Dit betekent onder andere dat zonnecollectoren buiten een bouwvlak maximaal 3 meter hoog mogen zijn.

6.2.1.5 Kleine woning

Op sommige locaties staan nog voormalige noodwoningen. In het verleden is een deel van deze woningen gelegaliseerd. Deze woningen hebben de functie 'kleine woning' gekregen. Voor deze woningen is een afwijkende maatvoering opgenomen in de bouwbepalingen. De inhoud van deze woningen mag niet meer bedragen dan 350 m3. De goot- en nokhoogte van de woning bedraagt maximaal 3,5 respectievelijk 6 meter. Bij de kleine woning is 40 m2 bijgebouwen toegestaan. Vervangende nieuwbouw is toegestaan, de woning moet dan wel op dezelfde plek worden teruggebouwd. Onder voorwaarden is een andere plek voor de kleine woning toegestaan. Ook kan de kleine woning onder voorwaarden worden vergroot, als er ook overtollige bebouwing wordt gesloopt.

6.2.1.6 Recreatief medegebruik

Niet alle dagrecreatieve activiteiten vinden plaats op een vaste locatie. Wandelen, fietsen, skeeleren en paardrijden kan in het gehele plangebied. In de functies ('agrarische bedrijven', 'paardenhouderij' en 'natuur in buitengebied'/'natuur in kernen'') is het extensieve recreatieve medegebruik bij recht toegestaan. Deze activiteiten zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving. Activiteiten als boerengolf, paintball en gemotoriseerde sporten (zoals quads, crossmotoren en dergelijke) zijn niet toegestaan om zo de verstoring in de genoemde (natuur)gebieden beperkt te houden.

6.2.1.7 Normaal beheer, onderhoud en gebruik

Voor werken en werkzaamheden die bij het normale onderhoud, gebruik en beheer behoren, is geen omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) nodig. Onder normaal beheer, onderhoud en gebruik wordt verstaan beheer, onderhoud en gebruik die gelet op de toegekende functie, regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer, een goed onderhoud en een goed gebruik van de gronden en van de gebouwen die tot de betreffende functies behoren.

Bij de functie agrarische bedrijven zijn dat bijvoorbeeld werkzaamheden die inherent zijn aan de productie op basis van de huidige cultuur/productiewijze van het bedrijf (veehouderij, akkerbouw, et cetera). Het betreffen werkzaamheden die als onderdeel van de bedrijfsvoering met regelmaat (periodiek, bijvoorbeeld jaarlijks) worden uitgevoerd. Echter, voor werkzaamheden op het agrarisch bouwvlak (of een ander bebouwd perceel, zoals bij een woning of een bedrijf) geldt voor sommige werken of werkzaamheden wel het vereiste van een omgevingsvergunning. Het gaat dan vooral om ingrepen die de archeologische waarden kunnen verstoren of die een grote landschappelijke impact kunnen hebben, zoals het aanleggen van aarden wallen. Het is wel van belang dat andere regelingen zich niet verzetten tegen een ingreep, zoals bijvoorbeeld een beheersovereenkomst. Ook moeten soms ontheffingen op basis van de regels met betrekking tot natuur en natuuractiviteiten (BKL en Bal) worden verleend. Dit soort wettelijke verplichtingen zijn altijd van toepassing, onafhankelijk van de regeling in dit plan.

6.2.1.8 Mestplaten en spuitzones

Door het realiseren van een mestplaat of door het aanplanten van gewassen kan iemand proberen een plan voor dorpsuitbreiding of het realiseren van een geur- of hindergevoelige functie te frustreren.

Mestplaten

Het opslaan van agrarische meststoffen (zoals bij een mestplaat) vindt op ten minste 100 m afstand tot een geurgevoelig object dat binnen de bebouwde kom is gelegen plaats. Bij een kortere afstand zal moeten worden aangetoond een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd voor geur- of hindergevoelige functies.

Spuitzone gewassen

Er zijn geen wettelijke bepalingen voor minimaal aan te houden afstanden tussen de gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. In het kader van een ruimtelijke ontwikkeling moet een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen plaats vinden, het milieubelang niet uitgezonderd. De aan te houden afstand tussen de gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen gevoelige objecten dient zodanig gekozen te zijn dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse aanwezig zal zijn.

Een planologische keuze die zit op een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruik, wordt in het algemeen niet onredelijk geacht. Dit brengt echter met zich dat de raad een kortere afstand in een bepaalde situatie toereikend kan achten om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen.

Voor zowel mestplaten als spuitzones geldt dat in de nabijheid van beoogde uitbreidingsgebieden dergelijke zaken niet bij recht mogelijk zijn.

Anderzijds gaat het om zaken die in het kader van de regulier bedrijfsvoering van agrarische bedrijven een legitieme plek hebben. Voor het overgrote deel van het buitengebied is er geen belang om dergelijke zaken vergunningsafhankelijk te maken. Dit geldt ook voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij de teelt van gewassen als gras en maïs. Dergelijke gewassen zijn gemakkelijk vervangbaar of de teelt ervan duurt kort. Dan is er in veel mindere mate sprake van een conflict met de belangen van dorpsuitbreiding.

Een mogelijk conflict speelt vooral bij houtachtige gewassen, die min of meer structureel op een locatie aanwezig zijn. De regeling wordt daarom beperkt tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ten behoeve van houtachtige gewassen, waaronder begrepen struiken en heesters.

In het plan is een kernrandzone opgenomen. Dit betreft een zone rondom bestaande woonkernen en bedrijventerreinen van 250 meter, en ook zoekzones voor stedelijke ontwikkelingen. Er zijn specifieke regels opgenomen voor de ontwikkeling van agrarische bedrijven in die zone. Door dit begrip op te rekken kunnen alle gebieden worden afgedekt waar risicogevende ontwikkelingen zich kunnen voordoen.

In de regels zijn begrippen opgenomen voor agrarische bedrijfsstoffen en gewasbeschermingsmiddel en is het begrip kernrandzone aangepast. Bij de functie 'agrarische bedrijven' en 'paardenhouderij' is een verbod voor gebruik opgenomen dat het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen in de kernrandzone niet is toegestaan. Er is ook een artikel opgenomen die het onder bepaalde voorwaarden wel mogelijk maakt.

6.2.2 Functie Agrarisch - Onbebouwd

In de functieomschrijving van deze functie is het toegestane gebruik benoemd. Het betreft het agrarisch grondgebruik zoals het houden van vee en het verbouwen van gewassen. Ondergeschikt aan het hoofdgebruik zijn onder meer toegelaten extensief recreatief medegebruik. Hieronder vallen de wandel- en fietspaden, wegwijzers, bankjes enz.en landschapselementen zoals houtwallen, en paden. Vervolgens worden de voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding geregeld, zoals stuwen, bruggen en/of dammen en dergelijke. Dit is geen uitputtende opsomming van de toegelaten gebruiksdoelen.

Het plaatsen van voorzieningen, omschreven als 'bouwwerken geen gebouwen zijnde' ten behoeve van het agrarisch gebruik geregeld. Het gaat hierbij om het plaatsen van weidepalen, hekken en afrasteringen.

Binnen de functie is agrarisch grondgebruik voor kwekerijen (vollegrondsteelt) toegestaan. Opgemerkt wordt dat bij waardevolle landschappen hiervoor eerst een 'omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' verleend moet worden (voorheen: aanlegvergunning).

Op de gronden met de functie 'Agrarisch - Onbebouwd' is hobbymatig agrarisch gebruik ook toegestaan.

6.2.3 Functie groen in kernen/ groen in buitengebied

Verspreid over de gemeente komen groensingels voor. Een deel hiervan is waardevol (oude houtwallen) of is op basis van een ruimtelijke procedure aangelegd. De functie 'groen in kernen/ groen in buitengebied' is opgenomen ten behoeve van de instandhouding van de groensingels en nieuwe groensingels. Nieuwe groensingels zijn ter versterking van de landschappelijke waarde en hebben een afschermende functie. Groensingels zijn vaak waardevol voor de natuur omdat ze leefgebied en schuilgelegenheid bieden voor vogels en andere dieren. Binnen de functie zijn toegestaan opgaande beplanting met de daarbij behorende bouwwerken (geen gebouwen en overkappingen zijnde), werken, paden en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Om werken of werkzaamheden uit te kunnen voeren, kan een vergunning vereist zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om ingrepen als het vergraven van terreinen, het verbreden of verharden van paden of ingrepen die leiden tot een wijziging in de waterhuishouding of waterstand. Normaal onderhoud en de aanleg van nieuw groen valt niet onder de vergunningplicht.

6.2.4 Functie verkeer in de kernen/ in het buitengebied

De functie 'verkeer in de kernen/ in het buitengebied' betreft de aanwezige interregionale, interlokale en lokale verharde en onverharde wegen. Voor de rijkswegen is op de verbeelding het maximaal aantal stroken aangegeven. Daarnaast is de functie voor spoorwegen opgenomen voor de spoorwegen. Voet- en fietspaden, bermen, faunapassages, ongelijkvloerse kruisingen en waterhuishoudkundige voorzieningen maken ook onderdeel uit van de functie. De functie is toegekend voor het gebied tussen de bermsloten. Binnen de functie zijn parkeer- en groenvoorzieningen mogelijk. Door middel van de gebruiksregels worden onverharde wegen beschermd. Het is namelijk strijdig gebruik om onverharde wegen te verharden.

Langs de wegen zijn bij de verkeersfunctie behorende gebouwen en bouwwerken meebestemd of aangeduid. Het gaat dan om bushokjes, palen, masten, matrixborden boven de snelweg en geluidschermen.

6.2.5 Functie wonen in de kernen/ in het buitengebied

Algemeen
De functie 'wonen in de kernen/ in het buitengebied' is toegekend aan de bestaande, legale woningen. Binnen een functiegebied is maximaal één woning toegestaan. Een uitzondering geldt op de locatie die in de functieregels is aangewezen voor een maximaal aantal woningen, want daar geldt als maximaal aantal woningen het aantal genoemd in de functieregels. Ook geldt een uitzondering ter plaatse van de regel waar een woongebouw is toegestaan, want daar geldt dat in plaats van één woning er één woongebouw is toegestaan dat twee wooneenheden omvat of dat meerdere wooneenheden omvat indien de functieregels een maximum aantal wooneenheden aangeven. Een woning is bedoeld voor de huisvesting van één huishouden. Dit betekent dat kamerverhuur niet zondermeer is toegestaan behalve als dit specifiek is aangeduid.

Binnen de functie 'wonen in de kernen/ in het buitengebied' is het mogelijk om kamerverhuur toe te staan, daar waar de functieregels aangeven dat dit passend is. Volgens de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur Gemeente Barneveld is de minimale maatvoering hiervoor 18 m2.

Binnen de functie zijn het hoofdgebouw en eventueel aangebouwde en/of vrijstaande bijgebouwen opgenomen.

Omzetting van een monumentaal gebouw in een woning
Om monumentale gebouwen in stand te kunnen houden (denk aan de hoge onderhoudskosten) is het mogelijk om het gebouw om te zetten in een woongebouw. Binnen dat woongebouw kunnen twee of meer woningen worden toegestaan. Voorwaarde voor de splitsing is dat de cultuurhistorische waarde behouden blijft. Dit zal via de omgevingsvergunning op basis van de gemeentelijke Erfgoedverordening Barneveld (zowel gemeentelijke monumenten als rijksmonumenten) worden gegarandeerd. Andere vormen van woningsplitsing (anders dan via functieverandering of mantelzorg) worden niet toegestaan.

Hobbymatig houden van vee
In de gebruiksregels is bepaald dat het hobbymatig houden van vee is toegestaan, zowel binnen de functie wonen als binnen de functie agrarische bedrijven. Steeds meer burgers in het buitengebied houden op hobbymatige wijze dieren. Het gaat vaak om schapen, geiten, kippen en paarden. Bij het houden van paarden speelt daarnaast mee dat een paardrijbak gewenst is om te kunnen paardrijden. Het beweiden van vee en het aanleggen van een paardrijbak zijn mogelijk op gronden met de functie agrarische bedrijven, waarbij geldt dat een paardrijbak direct moet grenzen aan het betreffende functievlak met de functie wonen of een andere functie waarin een woning of een bedrijfswoning is toegestaan.

6.2.6 Dubbelfuncties en dubbelfunctie gebiedswaarden

In het plangebied liggen een aantal gasleidingen, rioolleidingen en een hoogspanningsverbinding. Deze leidingen lopen door andere functies heen. Deze leidingen zijn daarom bestemd door middel van de dubbelfuncties 'Leiding - Gas', 'Leiding - Hoogspanning' en 'Leiding - Riool'. Doel van de functies is om de leidingen in het plan op een goede manier te regelen, onder andere om deze te beschermen.

6.2.6.1 Functie archeologische monumenten in de kernen / in het buitengebied

In alle gebieden die (nog) niet zijn vrijgegeven na archeologisch onderzoek of waar is besloten tot behoud in situ is een functieaanduiding voor archeologie toegepast. Specifieke regels hiervoor zijn toegepast op specifieke locaties. Hieronder vallen 6 soorten regels;

  • regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een lage verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 10.000 m2).
  • regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 2.000 m2).
  • regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een hoge verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 250 m2).
  • regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in historische kernen en historische boerenerven (bij een oppervlakte van meer dan 100 m2).
  • regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, voor niet zichtbare terreinen met archeologische waarde.
  • regels voor zichtbare terreinen met archeologische waarde bij elke bouwdiepte.

6.2.6.2 Functie cultureel erfgoed in de kernen

Met deze functieaanduiding wordt een regeling getroffen ter bescherming van het cultureel erfgoed dat op deze plek aanwezig is. In de voorrangsregeling is aangegeven hoe de regels van het plan zich tot elkaar verhouden. Wordt er op gronden gebouwd die een deze functie hebben, dan dient men zich aan de regels te houden die deze functie geeft. Er zijn regels opgenomen die, onder voorwaarden, het met een omgevingsvergunning toestaan om hiervan af te wijken.

6.2.7 Gebiedsgebonden geluidnorm

De gebiedsaanduiding ‘gebiedsgebonden geluidnorm’ legt een maximaal gezamenlijk geluidniveau vast voor een specifiek gebied. Dit is nodig om te waarborgen dat geluidsgevoelige gebouwen, zoals woningen, een aanvaardbaar binnenklimaat hebben. De normering sluit aan bij het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), waarin de binnenwaarde van 33 dB voor geluidsgevoelige ruimten is vastgelegd. Door deze regel op te nemen, wordt geborgd dat bij nieuwe bouwplannen een akoestisch onderzoek en gevelberekening verplicht zijn om de naleving van deze binnenwaarde aan te tonen.

Motivering

  • Evenwichtige toedeling van functies: Het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat is een kernwaarde van de Omgevingswet. Geluid is een belangrijke omgevingskwaliteit die invloed heeft op gezondheid en comfort.
  • Voorkomen van strijdigheid met Bbl: Zonder deze regel bestaat het risico dat woningen worden gebouwd op locaties met hoge geluidbelasting, waardoor niet aan de wettelijke binnenwaarde wordt voldaan.
  • Flexibiliteit en duidelijkheid: Door het opnemen van een gebiedsaanduiding en een maximale geluidnorm op de verbeelding, is voor initiatiefnemers en het bevoegd gezag duidelijk welke eisen gelden en hoe deze moeten worden aangetoond.

Hoofdstuk 7 Financiële uitvoerbaarheid

7.1 Kostenverhaal

Onder de Omgevingswet (Ow) is kostenverhaal verplicht bij bepaalde (bouw)activiteiten die mogelijk worden op grond van een nieuw toegedeelde functie (artikel 13.11 Ow jo. artikel 8.13 Omgevingsbesluit). Het is verboden een kostenverhaalsplichtige activiteit te verrichten voordat de verschuldigde kosten zijn betaald (artikel 13.12 Ow). Er geldt tot die tijd dus een bouwverbod.

De gemeente kan op grond van artikel 13.13 Ow een overeenkomst aangaan met degene die kosten is verschuldigd. Als deze overeenkomst wordt gesloten voorafgaand aan de planologische maatregel is dat een anterieure overeenkomst.

In dit geval is het wettelijk verplicht kosten te verhalen op de initiatiefnemers. Dit is gebeurd door met elk van deze initiatiefnemers een anterieure overeenkomst te sluiten. Hierin zijn onder meer aanvullende zekerheden gesteld voor de betaling, waardoor het verbod als bedoeld in artikel 13.13 Ow niet geldt.

Omdat het kostenverhaal hiermee anderszins is verzekerd met alle eigenaren in het plangebied is het niet nodig kostenverhaalsregels op te nemen in het omgevingsplan. De initiatiefnemers zullen voor eigen rekening en risico de activiteit ten uitvoer brengen. Het gaat in dit geval om een concreet plan met tijdvak.

Hoofdstuk 8 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld. Conform artikel 10.2 Omgevingsbesluit en artikel 16.29 Omgevingswet heeft het college op DATUM en DATUM in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennisgegeven van de manier waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiden worden betrokken en is het voornemen om het voorliggende TAM-omgevingsplan voor te bereiden aangekondigd. Aangegeven is verder dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het omgevingsplan opgestart (artikel 16.30 Ow).

8.1 Participatie

Bij het opstellen van een (wijziging)omgevingsplan moet onder de Omgevingswet aangetoond worden hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij het plan zijn betrokken (artikel 10.2 Omgevingsbesluit). Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit, zodat vroegtijdig de knelpunten, belangen en verbeterpunten worden gesignaleerd.


Participatie met bestuursorganen en ketenpartners
Bij de voorbereiding van het plan is het in het kader van participatie voorgelegd aan:

  • Waterschap Vallei en Veluwe
  • Omgevingsdienst De Vallei (OddV)
  • Provincie Gelderland
  • Veiligheids- en gezondheidsregio Gelderland-Midden (bijvoorbeeld onderdeel Brandweer Gelderland-Midden)

Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang.

Er kan worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding.

Gelet op de brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft geen vooroverleg plaatsgevonden, aangezien de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) geen adviserende en coördinerende rol meer heeft met betrekking tot de advisering over de voorbereiding van een gemeentelijke ruimtelijke plannen. Nu er sprake is van een gemeentelijk ruimtelijk plan, waarbij er geen nationale rijksbelangen aan de orde zijn en de betrokken rijksdiensten niet als direct belanghebbende zijn aan te merken, behoeft het plan niet voor vooroverleg naar de ILT opgestuurd te worden.


Participatie met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties
De participatie met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties voor plannen binnen de gemeente Barneveld is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld en is in werking getreden.

Het beleid onderscheidt drie sporen:

  • Participatie bij ruimtelijke initiatieven;
  • Participatie bij initiatieven van de overheid;
  • Participatie bij initiatieven vanuit de gemeenschap.

In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder:

  • 1. Meeweten | informeren
  • 2. Meedenken | raadplegen
  • 3. Meewerken | adviseren
  • 4. Meebepalen | co-creatie

In dit geval is spoor 1 Participatie bij ruimtelijk initiatieven van het beleid relevant. Bij spoor 1 is de initiatiefnemer (de projectontwikkelaar) verantwoordelijk voor de participatie. Het niveau waarop de omgeving van de voorgenomen ontwikkeling moet worden betrokken bij het plan is ingestoken op trede 1 'Meeweten | informeren' en waar mogelijk op trede 2 'Meedenken | raadplegen' van de participatieladder. De initiatiefnemer heeft overleg gevoerd met omwonenden en een participatieverslag opgesteld (bijlage 13).

Voor het deelgebied Groot Butselaar (locatie Nederwoudseweg 70-72) geldt dat de initiatiefnemer een participatietraject zal opzetten om omwonenden en andere belanghebbenden te informeren en te betrekken bij de verdere ontwikkeling van de locatie. Dit participatieproces vindt plaats los van de bredere wijziging van het omgevingsplan, waarvoor reeds een participatietraject is doorlopen.

8.2 Zienswijzen

Het TAM-omgevingsplan heeft – tezamen met de overige ontwerpstukken – van .... tot en met …2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn … reacties ingediend.

Deze reacties hebben wel/niet geleid tot aanpassing van het besluit. De Nota Zienswijzen is als bijlage .. bij het besluit gevoegd.

[Nota Zienswijzen toevoegen als PDF bij de Bijlagen bij de motivering]

8.3 Coördinatieregeling

Afdeling 3.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat over de coördinatie van de behandeling van samenhangende besluiten. Het regelt een uniforme procedure voor de voorbereiding, totstandkoming en rechtsbescherming (bezwaar en beroep) van besluiten.

[Let op: dit kan aan de orde zijn bij vergunning voor een wateractiviteit].

De gevraagde besluiten (TAM-omgevingsgsplan, omgevingsvergunning voor activiteit P.M. [ benoem hier ook het andere te coördineren besluit, zoals de wateractiviteit) worden gecoördineerd voorbereid. Dit betekent dat het ontwerpTAM-omgevingsplan en de ontwerp-omgevingsvergunning gelijktijdig voor een termijn van zes weken ter visie worden gelegd.