direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Tussen de Gasten
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1969.TPZU25UITB01-VA01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het voorliggend TAM-omgevingsplan heeft betrekking op het gebied 'Tussen de Gasten' in Zuidhorn. De gemeente Westerkwartier is voornemens op deze locatie tussen de Oostergast en het ‘oude Zuidhorn’ woningbouw te realiseren. Door de gemeente is een stedenbouwkundig plan uitgewerkt, waarbij 52 woningen worden ontwikkeld. Aan de zuidkant van het plangebied worden maatschappelijke functies gerealiseerd.

Op grond van bestemmingsplan 'Buitengebied' (vastgesteld op 24 oktober 1997), dat onderdeel is van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier, is de voorgenomen ontwikkeling niet mogelijk.

Om het voornemen mogelijk te maken, moet het (tijdelijke) omgevingsplan worden gewijzigd. De voorliggende tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) wijziging van het omgevingsplan biedt het juridisch-planologische kader voor het omzetten van de geldende bestemming. Deze motivering behandelt hiertoe alle nodige aspecten.

1.2 Ligging werkingsgebied

Het plangebied is gelegen in het noordoosten van het Groningse Zuidhorn. Het plangebied betreft het gebied 'Tussen de Gasten'. Dit gebied ligt tussen uitbreidingswijk Oostergast en het oude Zuidhorn. Aan de zuidzijde van het plangebied bevindt zich de Aviorstraat, met ten zuiden daarvan een basisschool. In het oosten wordt het plangebied begrensd door de straat 'De Nieuwe Gast', met daarachter de wijk Oostergast. In het westen grenst het plangebied aan de Rijksstraatweg. Ten noorden van het plangebied ligt een agrarisch gebied, en daar weer ten noorden daarvan ligt het Van Starkenborghkanaal. Onderstaand is het plangebied globaal aangegeven met een rode omlijning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.TPZU25UITB01-VA01_0001.png"
Figuur 1.1. Luchtfoto plangebied (bron: Google Maps, d.d. 25-07-2025)

1.3 Planologische regeling

In het grootste deel van het plangebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied', als onderdeel van het gemeentelijke omgevingsplan, van kracht. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 24 oktober 1997. Het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan de bestemming Agrarisch gebied. Tevens wordt het plangebied in de verbeelding aangeduid als 'waardevol open'. Binnen dit bestemmingsplan is het niet mogelijk het planvoornemen tot ontwikkeling te brengen.

Voor het noordelijke deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Zuidhorn - Sebastopol' (vastgesteld op 12 oktober 2015). Op basis van dit bestemmingsplan kent het noordelijke deel van het plangebied ook de bestemming 'Agrarisch'. Tevens gelden hier de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 4' en 'Waarde - Glaciale rug'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.TPZU25UITB01-VA01_0002.png"
Figuur 1.2. Kaartfragment vigerende bestemmingsplan Buitengebied, het plangebied bevindt zich in het rode kader (bron: Regels op de kaart.nl)

Verder zijn er ter plaatse van het plangebied de volgende planologische regelingen van kracht:

  • Bestemmingsplan 'Geitenhouderijen' (vastgesteld op 29 september 2021);
  • Parapluplan parkeren Westerkwartier (vastgesteld op 14 juni 2023);
  • Facetbestemmingsplan kruimelregeling (vastgesteld op 20 november 2024);
  • TAM-omgevingsplan Facetplan Archeologie, Gemeente Westerkwartier (nog in voorbereiding, in ontwerp op 17 maart 2025).

Deze planologische regelingen zijn niet relevant voor het planvoornemen.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de huidige en nieuwe situatie beschreven. In hoofdstuk 3 volgt een toetsing van het initiatief aan het geldende, relevante beleid. Vervolgens komen in hoofdstuk 4 de relevante onderzoeks- en milieuaspecten aan de orde. Hoofdstuk 5 behandelt de juridische vormgeving van het TAM-IMRO plan. Tot slot behandelt hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 7 sluit af met een eindconclusie over de evenwichtige toedeling van de nieuwe functie aan de locatie.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 De bestaande situatie

Het plangebied van dit wijzigingsbesluit ligt in de plaats Zuidhorn. In de huidige situatie is het plangebied grotendeels onbebouwd en kent het een agrarische functie. In het plangebied zijn enkele slootjes gelegen die veelal haaks staan op de Rijksstraatweg. Het plangebied is, net als grote delen van Zuidhorn, gelegen op een glaciale rug, een zandrug uit de ijstijd. Door naoorlogse woningbouw en forse infrastructurele ingrepen heeft de glaciale rug als herkenbaar element in het landschap moeten inboeten en is deze zo goed als niet meer herkenbaar.

De huidige situatie in het plangebied is weergegeven op de onderstaande afbeeldingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.TPZU25UITB01-VA01_0003.png"
Figuur 2.1. Luchtfoto huidige situatie (bron: Google Maps, d.d. 25-07-2025)

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.TPZU25UITB01-VA01_0004.png"
Figuur 2.2. Zicht op plangebied vanaf het zuiden (bron: Google Streetview, d.d. 25-07-2025)

2.2 Voorgenomen situatie

Het initiatief betreft het in gebruik nemen van de gronden ten behoeve van woningbouw. Ook zal aan de zuidkant van het plangebied een maatschappelijke functie worden gerealiseerd. Het voornemen is om 52 woningen te realiseren in het plangebied. De woningen zullen afwisselend vrijstaand, twee-onder-één-kap of als rijwoningen worden gebouwd. In totaal worden er met het planvoornemen 14 vrijstaande woningen, 2 vrijstaand geschakelde woningen, 12 sociale huur onder-/bovenwoningen, 8 sociale huur rijwoningen en 16 betaalbare koopwoningen worden gerealiseerd.

Een belangrijke ambitie voor het planvoornemen is dat het gebied wordt ontwikkeld als een groene omgeving met water, waarin samen leven en duurzaamheid centraal staan. Er is stedenbouwkundig voor gekozen het rigide karakter langs de Rijksstraatweg te behouden en het plangebied langs deze weg zo open en natuurlijk mogelijk in te vullen met een aantal vrijstaande woningen. Ook aan de oostelijke rand van het plangebied, aan de straat De Nieuwe Gast, worden 6 vrijstaande woningen gerealiseerd.

Centraal in het plangebied zullen twee blokken rijwoningen voor betaalbare koop en twee blokken rijwoningen voor huur worden gerealiseerd. Aan de noordkant van het plangebied worden tevens twee blokken beneden-boven huurwoningen gerealiseerd en is ruimte voor (geschakeld) vrijstaand wonen. Helemaal in het zuiden van het plangebied wordt een gebouw/terrein met een maatschappelijke functie mogelijk gemaakt. Circa 5.000 m2 aan totale oppervlakte is beschikbaar voor deze maatschappelijke invulling. Het plan is hier twee kinderdagverblijven te vestigen.

In de toekomstige situatie zal het plangebied goed ontsloten zijn door de Rijksstraatweg die aansluit op de N355. Parkeren zal in de toekomstige situatie zoveel mogelijk plaatsvinden op eigen terrein. Voor de rijwoningen centraal in het plangebied wordt in de openbare ruimte voldoende parkeergelegenheid aangelegd. De onderstaande figuur geeft het planvoornemen weer:

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.TPZU25UITB01-VA01_0005.png"
Figuur 2.2. De verkaveling in de toekomstige situatie (bron: gemeente Westerkwartier)

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Bij het wijzigen van het omgevingsplan gelden de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Een omgevingsplan kan alleen worden gewijzigd als sprake is van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. De volgende beoordelingsregels uit het Bkl gelden:

  • de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl;
  • de instructieregels van de provincie (provinciale omgevingsverordening);
  • eventuele instructiebesluiten van Rijk en provincie;
  • de regels die gelden voor het stellen van maatwerkregels, als het gaat om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een maatwerkregel.

Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten. Zowel Rijk als provincie hebben instructieregels. De instructieregels van het Rijk zijn opgenomen in het Bkl en die van de provincie in de omgevingsverordening.

In paragraaf 3.1 komt een toetsing aan het relevante rijksbeleid, evenals een toets aan de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl aan bod. De provinciale omgevingsverordening en het relevante provinciale beleid komen in paragraaf 3.2aan bod. Verder wordt in de paragrafen daarna een toets gedaan aan het beleid van de regio, waterschap en gemeente.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Besluit kwaliteit leefomgeving

In onderstaande tabel is een toetsing gedaan aan de thema's uit het Bkl. Gekeken is of een thema relevant is voor het project. Vervolgens werkt Hoofdstuk 4de omgevingsaspecten die relevant zijn voor de activiteit nader uit.

Thema   Paragraaf Bkl   Relevant voor besluit?   Verwijzing paragraaf H4  
Veiligheid   5.1.2   Ja   4.9  
Waterbelangen   5.1.3   Ja   4.5  
Luchtkwaliteit   5.1.4.1   Ja   4.6  
Geluid door activiteiten   5.1.4.2   Ja   4.1  
Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterrein   5.1.4.2a   Ja   4.4  
Slagschaduw van windturbines   5.1.4.4a   Nee   -  
Trillingen   5.1.4.4   Nee   -  
Bodemkwaliteit   5.1.4.5   Ja   4.3  
Geur   5.1.4.6   Ja   4.1  
Ladder voor duurzame verstedelijking   5.1.5.4   Ja   3.1.3  
Cultureel erfgoed en werelderfgoed   5.1.5.5   Ja   4.7 en 4.8  
Behoud ruimte voor autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen   5.1.6.2   Nee   -  
Behoud ruimte voor buisleidingen van nationaal belang   5.1.6.3   Nee   -  
Elektriciteitsvoorziening   5.1.7.3   Nee   -  
Rijksvaarwegen   5.1.7.4   Nee   -  
Toegankelijkheid openbare ruimte   5.1.8   Nee   -  
Voorkomen belemmeringen hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen   5.2   Nee   -  
Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool   5.2   Nee   -  
Bebouwingscontour jacht   5.2   Nee   -  
Bebouwingscontour houtkap   5.2   Nee   -  
Geluid rond luchthavens   5.1.4.3   Nee   -  
Vrije horizon kust   5.1.5.2   Nee   -  
Waddenzee en Waddengebied   5.1.5.3   Nee   -  
Landsverdediging   5.1.7.2   Nee   -  
Communicatie burgerluchtvaart   5.1.7.5   Nee   -  
Landelijke fiets- en wandelroutes   5.2   Nee   -  
Lokale spoorwegen binnen vervoerregio's   5.2   Nee   -  

Figuur 3.1. Instructieregels Bkl

3.1.2 Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht geworden. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. In zijn totaliteit kent de NOVI in totaal 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt. Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werkt het Rijk aan de vier prioriteiten:

  • 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:

  • 1. combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en
  • 3. afwentelen wordt voorkomen.

Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de afwegingsprincipes worden benut. Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak. De NOVI geeft een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie in een, gericht op het realiseren van een gezond, leefbaar, herkenbaar en economische sterk Nederland.

De beoogde ontwikkeling betreft geen ontwikkeling op rijksniveau of ligt niet in een gebied waarvoor de NOVI gerichte belangen of opgaven kent. De ontwikkeling valt daarom buiten de werking en doelstellingen van het rijksbeleid. Het rijksbeleid vormt geen belemmering voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Wettelijk kader
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als "de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is."

Als een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt rekening gehouden met:

  • a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  • b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen in die behoefte te voorzien.

Toetsing
Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast, zijn de volgende aspecten van belang:

  • 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?
  • 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw?
  • 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?
  • 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?
  • 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?

  • 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?

De eerste vraag bij de Laddertoets is of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling bepaalt men door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

Het planvoornemen heeft betrekking op de realisatie van 52 woningen. Uit jurisprudentie blijkt dat vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Daarmee is er sprake van een stedelijke ontwikkeling.

  • 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw?

De vervolgvraag is of de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw of groter beslag op de ruimte of dat er op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten ontstaan door het plan, bijvoorbeeld door een functiewijziging. Van nieuw beslag op de ruimte is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Voorziet het plan in de toevoeging van een gebouw, dan ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500 m2. Voor ontwikkelingen in de vorm van een terrein is 'in beginsel' geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m2 bedraagt.

Het plangebied is nu onderdeel van het bestemmingsplan Buitengebied (vastgesteld in 1997). Voor het plangebied is op dit moment een agrarische bestemming van toepassing. In het huidige bestemmingsplan is alleen ruimte voor grondgebonden agrarische bedrijven met daarbij behorende bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen binnen op de kaart aangewezen bebouwingsvlakken. Het nieuwe bestemmingsplan maakt de bouw van 52 nieuwe woningen met twee gebouwen voor maatschappelijke functies (kinderdagverblijven) op voorheen agrarische grond mogelijk. Het plan kan dus worden gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

  • 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?

Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan die ontwikkeling worden gemotiveerd. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen.

Het ruimtelijk verzorgingsgebied is in onderhavig plan beperkt tot de gemeente Westerkwartier en omliggende gemeenten. De woningen zullen voor het grootste gedeelte worden bewoond door de inwoners uit de gemeente of omliggende gemeenten. De beoogde kinderdagverblijven zullen voornamelijk door inwoners van Zuidhorn worden gebruikt.

  • 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?

Regionaal Woondocument Regio Groningen - Assen
In het Regionaal Woondocument (2018, zie ook paragraaf 3.3.1 voor meer achtergrond) is opgenomen dat de woningvraag in Zuidhorn aanzienlijk is. Het bestaande programma bood ruimte om te voorzien in de woningvraag tot 2022. Na 2022 dient er extra plancapaciteit te worden toegevoegd.

Woonvisie Westerkwartier 2020-2025
Ten behoeve van de Woonvisie Westerkwartier 2020-2025 is begin 2020 een woningmarktonderzoek uitgevoerd. In dit onderzoek is de kwalitatieve en kwantitatieve woonbehoefte in kaart gebracht voor de periode 2020-2030. Uit dit woningmarktonderzoek blijkt dat het Westerkwartier erg gewild is als woongemeente. De gemeente Westerkwartier moet in de periode 2020 tot en met 2029 jaarlijks netto tussen de 175 en 250 woningen toevoegen om aan de vraag te kunnen voldoen, met als zwaartepunt de eerste jaren. De bovenkant van de bandbreedte is vooral relevant voor Leek en Zuidhorn. Binnen het totaal nemen Zuidhorn (400-700) en Leek (525-750) de grootste aantallen voor haar rekening, mede door overloop uit Groningen. Volgens het woningmarktonderzoek moet onder andere Zuidhorn inspelen op de vraag en goede bestaande plannen met tempo uitwerken. Ook is er volgens het woningmarktonderzoek behoefte aan een gemengde samenstelling aan te bouwen woningen. Zowel huur als koop, zowel vrijstaande kavels als tweekappers en zowel rijen als levensloopbestendige grondgebonden woningen. Ook in het voorliggend planvoornemen zal er een variëteit aan verschillende woningtypes worden gerealiseerd. Er kan dus worden gesteld dat er behoefte is aan de voorgenomen ontwikkeling.

  • 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?

Het plangebied ligt voor een groot deel niet in bestaand stedelijk gebied. Dit blijkt uit de provinciale omgevingsverordening, waar het plangebied voor een groot deel tot het buitengebied wordt gerekend. Ook blijkt dit uit het huidige agrarische gebruik van het gebied. Echter wordt het buitengebied vrijwel geheel omringd door de bebouwde kom van Zuidhorn. Het plangebied sluit daarom goed aan bij bestaand stedelijk gebied.

Conclusie
Hoewel het plangebied dus niet gelegen is in bestaand stedelijk gebied, sluit het wel goed aan bij het bestaand stedelijk gebied. Daarnaast is geconcludeerd dat er behoefte is aan de voorgenomen ontwikkeling. Volgens de Woonvisie Westerkwartier 2020-2025 moeten er in Zuidhorn in de periode 2020 t/m 2029 400 tot 700 woningen bijkomen. Dit is niet mogelijk in het huidig bestaand stedelijk gebied van Zuidhorn. Er kan dus worden geconcludeerd dat voor het planvoornemen sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Geconcludeerd kan worden dat het project voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie provincie Groningen

Doel van de provinciale Omgevingsvisie is het aantrekkelijke woon- en leefklimaat in de provincie verder verbeteren. Het accent in het beleid ligt op het benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden, naast het beschermen van de karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen. De provincie wil ruimte bieden voor ondernemerschap om in te spelen op de dynamische ontwikkelingen. Activiteiten lopen steeds meer door elkaar heen. Dat heeft gevolgen voor het ruimtegebruik. Functies, als wonen en werken, zijn steeds minder van elkaar gescheiden. Door samenwerking met medeoverheden en andere partijen en het leveren van maatwerk wil de provincie haar doelen bereiken. Een belangrijk doel van de Omgevingsvisie is om op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarom zijn in deze Omgevingsvisie zoveel mogelijk de visies op verschillende terreinen zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het provinciale beleid voor economie, energie en cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. In deze Omgevingsvisie is al het provinciale beleid dat op een of andere manier raakt aan de fysieke leefomgeving geformuleerd en geordend in vijf samenhangende thema's en elf provinciale 'belangen':

  • 1. RUIMTE:
  • aantrekkelijk vestigingsklimaat;
  • ruimte voor duurzame energie;
  • vitale landbouw.

  • 2. NATUUR EN LANDSCHAP
  • beschermen landschap en cultureel erfgoed;
  • vergroten biodiversiteit.

  • 3. WATER
  • waterveiligheid;
  • schoon en voldoende water.

  • 4. MOBILITEIT:
  • bereikbaarheid.

  • 5. MILIEU:
  • tegengaan milieuhinder;
  • gebruik van de ondergrond.

De Omgevingsvisie is een kaderstellend document voor de uitwerking van het beleid op deelterreinen door de provincie zelf. Ook voor andere partijen (bedrijven) die iets willen dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving, biedt de Omgevingsvisie houvast. De provincie wil met de Omgevingsvisie ruimte bieden en uitnodigen. Maar uit deze Omgevingsvisie vloeien ook richtlijnen en voorschriften voort, die zijn vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening. Hiermee werkt het omgevingsbeleid (ruimtelijke ordening, water, mobiliteit en milieu) door in plannen van gemeenten en waterschappen.

3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening Groningen

De Omgevingsverordening provincie Groningen (hierna Omgevingsverordening) bevat regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. Deze regels richten zich op de thema's ruimtelijke ordening, water, infrastructuur, milieu en ontgrondingen. Hieronder zijn de artikelen weergegeven die relevant zijn voor het plangebied. Thema's die geen invloed hebben op het voornemen, worden niet aangehaald.

Wonen (paragraaf 3.4.2)
In de Omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen ten aanzien van woningbouw. Een plan dat voorziet in de bouw van nieuwe woningen moet naar aard, locatie en aantal overeenstemmen met een regionale woonvisie. De ruimtelijke ontwikkeling moet worden getoetst aan het regionaal woonbeleid, het Regionaal Woondocument Regio Groningen - Assen en de gemeentelijke woonvisie.

Vooruitlopend op deze paragrafen (3.4) kan worden geconcludeerd dat het plan aansluit bij de woonbehoefte, zoals vastgelegd in het regionaal en gemeentelijk beleid. Het plan voldoet daarmee aan het voorschrift, zoals opgenomen in afdeling 2.4 van de provinciale Omgevingsverordening.

Stedelijke ontwikkelingen in het buitengebied (artikel 3.13)
Op grond van de Omgevingsverordening kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied niet voorzien in nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In afwijking hierop kan een omgevingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken op locaties die aansluiten op stedelijk gebied en waarvoor geen locatie beschikbaar is in het stedelijk gebied of na intensivering, revitalisering en herstructurering kan worden verkregen.

Het voornemen betreft een stedelijke ontwikkeling die direct aansluit op bestaand stedelijk gebied. Er is binnen het stedelijk gebied van het dorp Zuidhorn geen locatie meer vrij om de voorgenomen woningbouwontwikkeling mogelijk te maken. Dit blijkt ook uit het 'Dorpswoonplan Zuidhorn-Briltil' (zie paragraaf 3.4.3). Uit dit dorpswoonplan blijkt dat er in Zuidhorn een behoefte is van 500-700 extra woningen tot 2030. In de periode 2030-2040 gaat het om nog eens 250-600 woningen. In het dorpswoonplan is het plangebied aangewezen inbreidingslocatie.

Glaciale ruggen (artikel 3.96)
Het gehele plangebied is gelegen op een glaciale rug. In de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen ten aanzien van de bescherming van het reliëf en de herkenbaarheid van glaciale ruggen. De regels bevatten in elk geval:

  • een verbod op het afgraven, diepploegen, egaliseren en afschuiven van de glaciale ruggen;
  • regels voor houtteelt, aanleg van bos en boomgaarden.

In een plan kan aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid worden toegekend om, als afwijking, een omgevingsvergunning te verlenen voor het afgraven, egaliseren en afschuiven van glaciale ruggen, indien de uitvoering van de werkzaamheden niet leidt tot aantasting van de herkenbaarheid van de glaciale rug. Uitgangspunt bij al het handelen, is handhaving van de glaciale rug. Echter blijkt dat door stevige ingrepen in het landschap in het verleden de glaciale rug minder goed herkenbaar is geworden. De historische landschapseigenschappen van het plangebied zijn nihil aanwezig, andere structuren zijn de toon gaan bepalen. De glaciale rug is enkel herkenbaar door het hoogteverschil in het gebied.

Bij de stedenbouwkundige invulling van het plangebied is rekening gehouden met het bestaande reliëf, te weten het hoogte verschil tussen westelijk en oostelijk deel. Dit is met name zichtbaar door de ligging van de watergangen, maar ook de beoogde vloerpeilen.

Watergangen
In het waterhuishoudkundig ontwerp is ook rekening gehouden met het handhaven van de bestaande hoogteverschillen in het landschap. De sloten zijn om deze reden naar de randen van het plan verschoven. De waterpeilen in de slootstructuur lopen geleidelijk in hoogte af van west naar oost, net als het terrein.

De westelijke watergang heeft een peil van 1,75+ NAP. Richting het oosten wordt in 2 stappen het peil verlaagd naar het peil langs de Nieuwe Gast van 0,75+NAP. Dus het hoogteverschil van 1,00 meter is beleefbaar in de aflopende wateroppervlaktes in de watergangen.

Vloerpeilen
In het plan is rekening gehouden met de bestaande hoogteverschillen in het terrein. De hoogteverschillen blijven zichtbaar en beleefbaar. De vloerpeilen van de nieuwe woningen lopen, net als het terrein, geleidelijk af van west naar oost.

De peilen van de woningen aan de westkant naast de Rijksstraatweg (3,35+ NAP) liggen 1,35 meter hoger dan de peilen aan de oostzijde naast de Nieuwe Gast (2,20+ NAP). In 4 stappen wordt dit hoogteverschil geleidelijk afgebouwd in richting van de natuurlijke glooiing. Op deze manier blijft het hoogteverschil behouden en blijft het beleefbaar.

Er kan worden geconcludeerd dat er in de stedenbouwkundige invulling van het plangebied rekening is gehouden met het bestaande reliëf. Behalve het aanwezige hoogteverschil is de glaciale rug niet goed herkenbaar meer. Om die reden is in dit plan geen aparte regel opgenomen ter bescherming van deze structuur.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Regiovisie Groningen - Assen 2030

De gemeente Westerkwartier werkt met zeven gemeenten en de provincies Groningen en Drenthe samen op het vlak van onder andere woningbouw in het kader van de Regio Groningen-Assen (RGA).

Het samenwerkingsverband heeft voor de gewenste ontwikkeling van de regio tot 2030 in 2004 een visie op hoofdlijnen vastgesteld. Deze visie is in 2013 geactualiseerd met de publicatie 'Veranderende context, blijvend perspectief, actualisatie regiovisie Groningen-Assen'.

De oorspronkelijke hoofddoelstellingen voor de Regio blijven in de geactualiseerde visie overeind. Dit betreft het benutten en uitbouwen van economische kansen en het behouden en versterken van gebiedskwaliteiten. Van die hoofddoelstellingen zijn voor de komende periode nieuwe speerpunten afgeleid, namelijk het verder ontwikkelen van het economisch kerngebied, het versterken van de interne samenhang tussen steden en regio en het behouden en versterken van de kwaliteit van stad en land.

De Regio Groningen-Assen streeft naar een gezonde economische basis, een goede bereikbaarheid, een voldoende en gevarieerd woningaanbod. In dit kader zijn ook regionale woningbouwafspraken gemaakt, die destijds vooral een taakstellend karakter hadden om de woningproductie op een hoger niveau te krijgen. In 2012 zijn er binnen de RGA afspraken gemaakt over woningbouw om ervoor te zorgen dat de vraag en het aanbod van locaties in goede balans kwam. In 2015 is besloten om onderzoek te doen naar de actuele trends en ontwikkelingen en zijn nieuwe prognoses opgesteld. Dit onderzoek bevestigde de enorme populariteit van het stedelijke wonen in Groningen. Tevens gaf het een geactualiseerd en genuanceerder beeld van de om de stad heen liggende regio.

In de Regionale woningmarktanalyse regio Groningen Assen 2017-2030, het vervolg op dit onderzoek, is de vraag gesteld of de afspraken uit 2012 - tot stand gekomen ten tijde van de economische crisis en stagnerende woningmarkt en sterk gericht op aantallen - ook niet herijkt zouden moeten worden. Deze analyse bevestigde dat de opgave op de woningmarkt anno 2017 anders is dan in 2012. In 2012 moest drastisch in het aantal nieuwbouwwoningen worden gesnoeid. De regionale woningmarktmonitor liet zien dat er in 2017 sprake was van een sterk toegenomen vraag naar woningen. De analyse leidde begin 2018 tot vaststelling van het Regionaal Woondocument Regio Groningen - Assen, waarin de actuele behoefteraming het regionale uitgangspunt is. In dit Regionaal Woondocument is per gemeente opgenomen wat de bandbreedte van de uitbreidingsbehoefte is en wat de geplande ontwikkelingen zijn.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Westerkwartier

De Omgevingsvisie van de gemeente Westerkwartier is vastgesteld in februari 2022. Hierin verwoordt de gemeente haar ambities in vier delen:

  • 1. verbonden met de omgeving, verbonden met elkaar;
  • 2. een toekomstbestendig Westerkwartier voor jong en oud;
  • 3. een bedrijvig en innovatief Westerkwartier in een sterke regio;
  • 4. een gastvrije, aantrekkelijke niet-stedelijke woongemeente.

Op basis van deze ambities zijn keuzes gemaakt door de gemeente op strategisch niveau.

In de Omgevingsvisie is aangegeven dat de gemeente inzet op groei van de voorzieningenkernen (waarvan Zuidhorn deel uitmaakt). Het gaat dan om groei op de best bereikbare plekken in de gemeente, zoals Zuidhorn.

Het planvoornemen maakt woningbouw in Zuidhorn mogelijk. Hiermee sluit het planvoornemen aan op de Omgevingsvisie Westerkwartier.

3.4.2 Woonvisie Westerkwartier

In 2021 is een nieuwe Woonvisie vastgesteld door de gemeente Westerkwartier. In de Woonvisie Westerkwartier 2020 – 2025 (en het woningmarktonderzoek dat eraan ten grondslag ligt) is een raming voor de woningbehoefte opgenomen. Deze woonvisie is ook de wettelijke basis onder nieuwe prestatieafspraken, zoals wordt voorgeschreven in de Woningwet uit 2015. De Woonvisie legt op hoofdlijnen vast wat corporaties van de gemeente mogen verwachten en wat de gemeente van corporaties vraagt. Hierna volgen kort de aandachtspunten vanuit de nieuwe Woonvisie voor de nieuwbouw in het planvoornemen.

De gemeente Westerkwartier vindt dat zij de beste woongemeente is van Nederland. Om dat te behouden en uit te bouwen, werkt de gemeente in de Woonvisie vanuit drie invalshoeken aan het wonen:

  • 1. investeren in netwerken van vitale dorpen;
  • 2. versnelde ontwikkeling langs bereikbaarheidsassen;
  • 3. meer verbinding tussen voorzieningenkernen.

Naast de drie invalshoeken heeft de gemeente Westerkwartier nog een aantal onderwerpen opgenomen in de Woonvisie, waaronder nieuwbouw. Ten aanzien van nieuwbouw zijn dit de gemeentelijke ambities:

  • groei benutten voor aantrekkelijke dorpen;
  • herontwikkeling boven uitbreiding;
  • in Leek kansen voor herontwikkeling;
  • gevarieerd ontwikkelen in Zuidhorn;
  • tempo in voorzieningen- en basisdorpen;
  • ook in kleine dorpen nieuwbouw bieden;
  • we geven richting aan bouwplannen;
  • we bieden ruimte aan kwaliteit;
  • experimentele woonvormen.

Naast deze ambities zijn er nog thema's die in de Woonvisie niet worden verbonden aan concrete doelen of ambities. Zoals een klimaatadaptieve inrichting van de ruimte, circulair bouwen en gezondheid. De gemeente Westerkwartier voorziet dat deze thema's in de komende jaren op steeds meer plekken en in steeds meer gevallen om aandacht zullen vragen. Per geval voegt de gemeente dan ambities toe aan de plannen.

Tot slot het thema 'voor iedereen betaalbaar' uit de Woonvisie. Ambities voor dit thema zijn:

  • voldoende goede sociale huurwoningen;
  • verkoop van huurwoningen is een middel;
  • sociale huur betaalbaar houden;
  • samen werken aan gezonde huishoudboekjes;
  • betaalbaar nieuwbouwen in koop;
  • aanbod vrije sector huur iets uitbreiden.

Uit de Woonvisie van de gemeente Westerkwartier 2020-2025 blijkt dat de centrumdorpen (waaronder Zuidhorn) een bovengemiddelde interesse van diverse groepen verwachten (bijzondere doelgroepen, instroom van gezinnen en jonge mensen uit Groningen). Vooral in Zuidhorn is het huidige aandeel sociale huurwoningen laag en met name het segment gezinswoningen na 1990. Als start van het overleg met de corporaties en de dorpen denkt de gemeente aan:

  • Verdichting en (vervangend) bouwen voor kleine huishoudens (jong en oud) in en rond het centrum, waarbij ook gestapeld bouwen/appartementen mogelijk is.
  • Nieuwbouw van traditionele gezinswoningen op andere locaties, in woonwijken, vooral in Zuidhorn.
  • Verkoop van een deel van de woningvoorraad is van nut op de koopmarkt waar betaalbare koopwoningen relatief schaars zijn. In deze kernen vergroot verkoop de bouwopgave op andere plekken. De gemeente werkt actief mee om locaties te vinden.

Het planvoornemen sluit aan bij deze ambities. Met het voornemen worden 52 nieuwe woningen gerealiseerd. Het planvoornemen biedt een gevarieerd aanbod aan nieuwbouw in Zuidhorn.

3.4.3 Woonplan Zuidhorn

In mei 2024 is het 'Dorpswoonplan Zuidhorn-Briltil' vastgesteld. Daarin is de woonvraag in Zuidhorn in beeld gebracht en wordt aangegeven welke stappen gezet moeten worden om te voorzien in deze woningvraag. Voor Zuidhorn/Briltil wijst onderzoek op een behoefte van 500-700 extra woningen tot 2030. In de periode 2030-2040 gaat het om nog eens 250-600 woningen. Uit het 'Dorpswoonplan Zuidhorn-Briltil' blijkt dat een grootschalige uitbreiding nodig is om de behoefte richting 2040 in te vullen. In de notitie wordt uitgegaan van een benodigde planruimte van nog eens circa 1.000 woningen tot 2040, boven op de lopende plannen. Het college wil graag versnellen.

In het dorpswoonplan wordt de ontwikkeling van 'Tussen de Gasten' expliciet genoemd als verdichtingslocatie voor woningbouw op de korte termijn. Het planvoornemen sluit daarmee aan op het dorpswoonplan.

3.4.4 Welstand

Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de Welstandsnota Gemeente Zuidhorn (2012). Voor dit planvoornemen wordt een beeldkwaliteitsplan opgesteld die als Bijlage 1 bij de regels van dit wijzigingsbesluit is opgenomen.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Bedrijven en milieuzonering

4.1.1 Wettelijk kader

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk opgenomen over geluid van activiteiten. Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat het geluid en geur van activiteiten op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Daartoe moet het omgevingsplan in beginsel hierover regels bevatten. Het gaat om 'gewoon' geluid in een stedelijke omgeving. De benodigde regels over geluid en geur zijn opgenomen in de bruidsschat. Onder de Omgevingswet kan gebruik worden gemaakt van de VNG-brochure Activiteiten en milieuzonering nieuwe stijl als hulpmiddel.

4.1.2 Onderzoek

Voor het aspect bedrijven en milieuzonering is er een separate memo opgesteld. Deze memo is als Bijlage 1 bij deze motivering gevoegd. Hieronder volgt een samenvatting:

Geluid door activiteiten
Voor de beoordeling van geluid door activiteiten wordt gebruikgemaakt van de VNG Handreiking Activiteiten en milieuzonering uit 2024. Dit is de opvolger van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. Net als de oude handreiking maakt de nieuwe handreiking onderscheid tussen twee gebiedstypen: rustig woongebied en gemengd gebied met wonen. Voor een gemengd gebied met wonen geldt geen functiescheiding met inwaartse zonering. In deze gebieden is functiemenging mogelijk tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke activiteiten. Het gaat daarbij over het algemeen om kleinschalige bedrijven die met name (productie)werkzaamheden inpandig in de dagperiode uitvoeren.

Gebiedstypering
In de huidige situatie bestaat de locatie uit agrarische grond. In de toekomstige situatie wordt direct ten noorden van de locatie een rustig woongebied ontwikkeld. Ten oosten van de locatie is in de huidige situatie al een rustig woongebied gesitueerd. Gezien de aard van het omliggend gebied wordt het gebied dan ook geclassificeerd als 'rustig woongebied'.

Beoordeling aanvaardbaar woon- en leefklimaat
In de VNG Handreiking Activiteiten en milieuzonering zijn de volgende mogelijkheden opgenomen om te beoordelen of een plan inpasbaar is in de omgeving:

  • Een beoordeling op basis van de aangepaste tabel met richtafstanden uit de VNG Handreiking Bedrijven en Milieuzonering uit 2009 die is opgenomen in bijlage A5 van het document.
  • Een onderbouwing op basis van een aantal criteria die in de VNG Handreiking staan beschreven. Deze motivatie kan ook in combinatie met de richtafstanden worden gebruikt.
  • Een berekening van het geluidniveau maken en deze beoordelen op basis van de normen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

In deze paragraaf wordt uitgegaan van de eerste mogelijkheid. Er wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden uit bijlage A5 van de VNG Handreiking Activiteiten en milieuzonering.

Hinder als gevolg van het plan
Het planvoornemen maakt de realisatie van woningen mogelijk. Woningen worden niet gezien als hinderveroorzakende gebouwen en hebben daarmee geen effect op de omliggende hindergevoelige gebouwen.

Ook wordt met het planvoornemen een maatschappelijke functie aan de zuidzijde van het plangebied gerealiseerd. Hoewel de exacte invulling nog niet definitief is, zal het hier gaan om één of twee kinderopvangen. Een 'kinderopvang' hoort op basis van de genoemde VNG Handreiking tot positie 1. Positie 1 uit de nieuwe handreiking kan gelijkgesteld worden aan de oude richtafstand van 30 m. In de directe omgeving van de locatie zijn woningen gelegen. De afstand van de kinderopvangfunctie tot de woningen zal in de toekomstige situatie ten minste 30 m bedragen. Via de verbeelding wordt deze afstand geborgd.

Hinderveroorzakende bedrijven en functies in de omgeving
Zowel woningen als de maatschappelijke functies (kinderopvang) worden aangemerkt als hindergevoelige gebouwen. Het is daarom noodzakelijk na te gaan of in de omgeving functies aanwezig zijn die potentieel geluidhinder kunnen veroorzaken:

  • Op circa 20 m ten zuiden van het plangebied bevindt zich een gemeenschappelijk gebouw met daarin twee basisscholen. Deze bedrijvigheid hoort volgens de VNG Handreiking tot positie 1. Positie 1 uit de nieuwe handreiking kan gelijkgesteld worden aan de oude richtafstand van 30 m. Wat betreft de te realiseren woningen kan aan deze richtafstand worden voldaan. De te realiseren maatschappelijke functies zijn wel gelegen binnen de richtafstand van 30 m van de basisschool. Echter zijn de te realiseren maatschappelijke functies (kinderopvang) naar aard en functie gelijk te stellen aan de functie van een kinderopvang. Er kan derhalve worden gemotiveerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
  • Op een afstand van 50 m ten westen van het plangebied is planologisch gezien een horecabedrijf toegestaan. Op dit moment staat dit terrein leeg. Horecabedrijvigheid hoort volgens de VNG Handreiking tot positie FM (functiemenging). Positie FM uit de nieuwe handreiking kan gelijkgesteld worden aan de oude richtafstand van 10 m. Hieraan kan worden voldaan. Tevens zijn voor deze locatie vergevorderde plannen voor woningbouw.
  • Op een afstand van circa 40 m ten zuiden van het plangebied zijn een aantal gebouwen met de bestemming Dienstverlening gelegen. Het gaat hier om een logopediepraktijk en een tandartsenpraktijk. Deze bedrijvigheid hoort volgens de VNG Handreiking tot positie FM (functiemenging). Positie FM uit de nieuwe handreiking kan gelijkgesteld worden aan de oude richtafstand van 10 m. Hieraan kan worden voldaan.
4.1.3 Conclusie

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft milieuzonering.

4.2 Ecologie

4.2.1 Wettelijk kader

De ecologische wet- en regelgeving is in de Omgevingswet in grote lijnen onderverdeeld in Natura 2000-activiteit (gebiedsbescherming), flora- en fauna-activiteit (soortenbescherming) en houtopstanden. De Omgevingswet regelt onder meer activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Binnen de Omgevingswet geldt, in tegenstelling tot de vroegere Wet natuurbescherming (Wnb), de specifieke zorgplicht. Onderdeel van de specifieke zorgplicht is dat de initiatiefnemer redelijkerwijs moet kunnen inschatten of een initiatief negatief effect kan hebben op Natura 2000-gebieden, beschermde flora en fauna en houtopstanden. Buiten de Omgevingswet worden een aantal (natuur)gebieden op provinciaal niveau beschermd.

4.2.2 Onderzoek

Soortenbescherming
Om de uitvoerbaarheid van het initiatief te toetsen voor het aspect ecologie, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd (een zogenaamde natuurtoets). Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is.

In 2022 is een beknopte natuurtoets uitgevoerd. Het rapport van deze natuurtoets is als Bijlage 2 bij deze motivering gevoegd. Uit deze natuurtoets kwam naar voren dat nader onderzoek naar poelkikker noodzakelijk werd geacht. Dit nader onderzoek naar de poelkikker is inmiddels uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is als Bijlage 3 bij deze motivering gevoegd. Uit het nader onderzoek is naar voren gekomen dat in het plangebied voortplantingswater en landbiotoop van poelkikker aanwezig is. Als gevolg van het dempen van de watergangen en het vergraven van de sloten in het plangebied gaat dan ook voortplantingswater van poelkikker verloren. Vanwege het voorkomen van poelkikker in het plangebied is in 2024 een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verleend. Voor deze vergunningsaanvraag is het een activiteitenplan opgesteld. Dit activiteitenplan is als Bijlage 4 bij deze motivering gevoegd.

Ten behoeve van dit planvoornemen is in 2025 opnieuw een ecologische natuurtoets uitgevoerd. Het rapport van de inventarisatie is als Bijlage 5 bij deze motivering gevoegd. Op basis van het veldbezoek en de verspreidingsgegevens kan worden geconcludeerd dat negatieve effecten op beschermde soorten, behalve de poelkikker, worden uitgesloten. Voor de poelkikker geldt dat er voldaan moet worden aan de voorwaarden uit de omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor poelkikker. Voor de overige soorten is geen omgevingsvergunning nodig, mits de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels worden uitgevoerd en de zorgplichtmaatregelen in acht worden genomen. Negatieve effecten op broedende vogels worden bij voorkeur voorkomen door buiten het broedseizoen te werken, dus buiten de periode (half februari) half maart tot half juli (eind september). Het is ook mogelijk voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het plangebied gaan broeden vanwege de continue verstoring.

Zorgplichtmaatregelen
Voor andere beschermde soorten of rode lijstsoorten is geen omgevingsvergunning nodig, mits bij uitvoering van de werkzaamheden de zorgplichten van de Omgevingswet in acht worden genomen. Dit kan door ten minste één week voorafgaand aan grondwerkzaamheden het grasland kort te maaien en bij de werkzaamheden één richting op te werken. Op die manier hebben amfibieën en grondgebonden zoogdiersoorten voldoende tijd zich te verplaatsen naar een locatie buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden.

Gebiedsbescherming
Stikstof
In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Een verdere toename van stikstof depositie kan tot een negatief effect leiden. Daarom dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling te worden onderzocht of stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor een omgevingsplan onder dezelfde omstandigheden niet kan worden gewijzigd.

Om vast te stellen of sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze AERIUS-berekening en bijbehorende bijlagen zijn als Bijlage 6 bij deze motivering gevoegd.

Uit de berekening blijkt dat er 0,00 mol/ha/jr stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Daarmee zijn nadelige gevolgen op Natura 2000-gebied vanwege stikstofdepositie uitgesloten.

Houtopstanden
Het plan leidt niet tot aantasting van beschermde houtopstanden. Het indienen van een kapmelding bij de provincie Groningen vanwege beschermde houtopstanden is niet nodig.

4.2.3 Conclusie

Uit ecologische onderzoek komt naar voren dat negatieve effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden uit de omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor poelkikker. Ook dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels te worden uitgevoerd en dienen de zorgplichtmaatregelen in acht te worden genomen. Bij de uitvoering van het planvoornemen zal worden voldaan aan deze voorwaarden.

Verder blijkt uit een AERIUS-berekening dat er als gevolg van het planvoornemen geen sprake is van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Er is daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect ecologie.

4.3 Bodem

4.3.1 Wettelijk kader

Het definitieve omgevingsplan neemt waarden op voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Deze zijn voorgeschreven in het omgevingsplan. Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem. Ook zijn de activiteiten opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal):

  • regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift;
  • regels over graven in de bodem;
  • regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico.

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

4.3.2 Onderzoek

Binnen het plangebied wordt woningbouw gerealiseerd. Daarom moet worden gemotiveerd dat de bodem hiervoor van voldoende kwaliteit is. Door Sigma Geo & Milieutechniek BV is op 30 september 2022 een milieukundig vooronderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is als Bijlage 7 aan deze motivering toegevoegd.

Het plangebied in de huidige situatie betreft een grotendeels onbebouwd en onverhard perceel grasland. Op het noordelijk deel van het plangebied loopt een met stelconplaten verharde bouwweg. Ter plaatse van de noordoosthoek van de locatie loopt een deel van een puinpad (toegangsweg naar het adres Rijksstraatweg 7). Op de onderzoekslocatie lopen van west naar oost twee bestaande sloten. Ook aan de zuidgrens en een deel van de oostgrens van het plangebied loopt een sloot.

In het verleden was, op het noordoostelijke deel van de locatie, een boerderij gevestigd. Deze voormalige boerderij is rond 1992 door brand verwoest, waarna waarschijnlijk de resten hiervan in de grond zijn verwerkt. Op oude topografische kaarten is te zien dat vanaf de Rijksstraatweg in de richting van de voormalige boerderij een pad liep. Dit pad sloot aan op de huidige Aviorstraat en de Sargasstraat. Het overige deel van de onderzoekslocatie is, voor zover bekend, niet eerder bebouwd geweest en alleen in gebruik geweest als agrarisch perceel.

Er is ten aanzien van de onderzoekslocatie geen andere informatie omtrent eventuele (voormalige) (bedrijfs)matige activiteiten op de onderzoekslocatie. Voor zover na te gaan, zijn er geen slootdempingen aanwezig op het onderzochte terreindeel en is geen informatie over (voormalige) potentieel verdachte deellocaties, (voormalige) bodembedreigende activiteiten of potentieel bodembedreigende calamiteiten ter plaatse van de onderzoekslocatie bekend.

Het vermoeden bestaat dat in de afgebrande boerderij op het noordoostelijk deel van de locatie asbesthoudend materiaal was verwerkt.

Op basis van de onderzoeksresultaten van het uitgevoerde vooronderzoek wordt geconcludeerd dat binnen het plangebied enkele bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Het betreft:

  • het deel van het erf van de voormalige afgebrande boerderij;
  • de voormalige toegangspaden naar de voormalige boerderij;
  • het deel van het huidige puinpad richting Rijksstraatweg 7 dat binnen het plangebied loopt.

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat in de directe omgeving (binnen een straal van 25 m) geen potentieel bodembedreigende activiteiten aanwezig zijn (geweest).

Gezien het voormalige bodemgebruik ter plaatse van een deel van het plangebied, alsmede het feit dat op de locatie potentieel bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, wordt geadviseerd in het kader van de beoogde functiewijziging op een de locatie een verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740 en NEN-5707 en een verkennend onderzoek asbest in puin volgens NEN-5897 uit te voeren.

Op 5 juni 2023 is door onderzoeksbureau Sigma Bouw & Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige onderzoeksrapportage is als Bijlage 8 aan dit plan toegevoegd. Alle geplaatste boringen, peilbuizen en gegraven inspectiegaten ten behoeve van het verkennend onderzoek zijn zodanig ruimtelijk verspreid over de onderzoekslocatie dat een zo representatief mogelijke indruk van de onderzoekslocatie is verkregen.

Deel erf van de voormalige afgebrande boerderij
De bovengrondmengmonsters (MM10 en MM12) bevatten een verhoogd gehalte lood (zware metalen) ten opzichte van de achtergrondwaarde. De overige bovengrondmengmonster bevatten geen van de onderzochte componenten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het grondwater bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd ten opzichte van de streefwaarde. De gemeten gehalten aan PFAS-stoffen bevinden zich onder de risicogrens voor grondwater (excl. consumptie). De plaatselijk licht verhoogd gemeten gehalten in de grond en het grondwater ter plaatse van deze deellocatie overschrijden de tussenwaarde niet zodat uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding bestaat tot het instellen van aanvullend onderzoek.

Gedempte sloot langs voormalig erf
Ondergrondmonsters (MM20) bevat een verhoogd gehalte lood (zware metalen) ten opzichte van de achtergrondwaarde en ondergrondmonsters (MM21 en MM22) bevatten naast een verhoogd gehalte lood (zware metalen) ook een verhoogd gehalte polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s, som 10) ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het grondwater bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd ten opzichte van de streefwaarde. De gemeten gehalten aan PFAS-stoffen bevinden zich onder de risicogrens voor grondwater (excl. consumptie). De licht verhoogd gemeten gehalten in de ondergrond ter plaatse van deze deellocatie overschrijden de tussenwaarde niet zodat uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding bestaat tot het instellen van aanvullend onderzoek.

Voormalig toegangspad naar de voormalige boerderij
Bovengrondmengmonster (MM16) bevat een verhoogd gehalte lood (zware metalen) ten opzichte van de achtergrondwaarde. De overige boven- en ondergrondmengmonsters bevatten geen van de onderzochte componenten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het grondwater bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd ten opzichte van de streefwaarde en/of detectiewaarde. De gemeten gehalten aan PFAS-stoffen bevinden zich onder de risicogrens voor grondwater (excl. consumptie). De plaatselijk licht verhoogd gemeten gehalten in de grond en het grondwater ter plaatse van deze deellocatie overschrijden de tussenwaarde niet zodat uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding bestaat tot het instellen van aanvullend onderzoek.

Overige deel van de locatie
Bovengrondmengmonster (MM2) bevat een verhoogd gehalte lood (zware metalen) ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het plastichoudende ondergrondmengmonster (MM18) bevat een verhoogd kobalt en nikkel (zware metalen) ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het puinhoudende ondergrondmengmonster (MM19) bevat een verhoogd lood (zware metalen) ten opzichte van de achtergrondwaarde. De overige boven- en ondergrondmengmonsters bevatten geen van de onderzochte componenten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd ten opzichte van de streefwaarde en/of detectiewaarde. De gemeten gehalten aan PFAS-stoffen bevinden zich onder de risicogrens voor grondwater (excl. consumptie). Het grondwater ter plaatse van de peilbuizen 2, 3 en 4 bevatten een verhoogd gehalte xylenen (vluchtige aromaten) ten opzichte van de streefwaarde. De gemeten gehalten aan PFAS-stoffen bevinden zich onder de risicogrens voor grondwater (excl. consumptie). Ten aanzien van het grondwater uit peilbuis 3 wordt opgemerkt dat het gehalte som PFOS de risicogrens voor grondwater ten behoeve van consumptie (9.9 ng/l) overschrijdt. De plaatselijk licht verhoogd gemeten gehalten in de grond en het grondwater ter plaatse van deze deellocatie overschrijden de tussenwaarde niet zodat uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding bestaat tot het instellen van aanvullend onderzoek.

Asbest in puin
Over het noordoostelijk deel van de locatie loopt een deel van een puinpad, het toegangspad van Rijksstraatweg 7. Het onderzoek asbest in puin heeft zich beperkt tot het met puin verharde terreindeel. Op basis van de visuele locatie-inspectie is aan het oppervlak van het met puinverharde deel van de locatie geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Er zijn tijdens het onderzoek geen matig tot sterk verhoogde gehalten in de bodem gemeten. Vervolgonderzoek naar asbest is daarom niet nodig.

Dempen watergangen
In het kader van de voorgenomen demping van (enkele) watergangen binnen het plangebied, is ter plaatse een waterbodemonderzoek uitgevoerd. In het onderzoek is beoordeeld of voorafgaand aan de demping de watergangen moeten worden opgeschoond en de kwaliteit van de waterbodem binnen het overige watersysteem moet worden beoordeeld. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 9 aan het plan toegevoegd. Het waterpeil in de watergangen bevindt zich respectievelijk op circa 0,3 m NAP (watergang A) en 0,55 m NAP (watergang B). De waterdiepte in watergang A betreft circa 0,1 m, in watergang B varieert de watergang tussen de 0,2 m in de smallere, oost-westelijk gelegen delen en circa 0,9 m in het noord-zuidelijk gelegen deel parallel aan de Nieuwe Gast. Er is geen slib aangetroffen. In de opgeboorde klei zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. In het opgeboorde materiaal zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen.

4.3.3 Conclusie

De conclusie is dat er geen nader bodemonderzoek noodzakelijk is. Er zijn wel een paar verhoogde gehalten aan PAK en lood aangetroffen waardoor sommige locaties zijn aangemerkt als klasse wonen en industrie. Bij afvoer van deze grond dient rekening te worden gehouden voor meerkosten. Verder is in 1 grondwatermonster een verhoogd gehalte aangetroffen voor PFOS, maar dit geeft geen belemmeringen. Tijdens het bouwrijp dient rekening gehouden worden met eventuele toevalsvondsten (puingaten/asbestgaten of plastic).

4.4 Geluid (door wegverkeer)

4.4.1 Wettelijk kader

De instructieregels uit afdeling 3.5 Bkl zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18, lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

4.4.2 Onderzoek

Binnen het plangebied worden woningen en maatschappelijke functies (kinderdagverblijven) mogelijk gemaakt. Er worden dus geluidgevoelige gebouwen toegevoegd. Het plangebied is gelegen in het geluidaandachtsgebied van de Rijksstraatweg en De Nieuwe Gast. Ten behoeve van het planvoornemen is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit akoestisch onderzoek is als Bijlage 10 bij deze motivering gevoegd.

Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat het maximaal berekende geluid op de geplande woningen 49 dB bedraagt. Daarmee voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB. Geluidstechnisch zijn er daarmee geen beperkingen voor de bouw van de geluidgevoelige gebouwen.

4.4.3 Conclusie

Er kan worden gesteld dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit project.

4.5 Water

4.5.1 Wettelijk kader

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels, als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening.

Het werkingsgebied van het omgevingsplan ligt binnen het beheersgebied van Waterschap Noorderzijlvest. Het beleid van Waterschap Noorderzijlvest is verwoord in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Uitgangspunten van het waterschap en alle betrokkenen bij het treffen van waterhuishoudkundige maatregelen zijn:

  • het vasthouden, bergen en afvoeren van water (trits: kwantiteit);
  • het schoon houden, scheiden en zuiveren van water (trits: kwaliteit).
4.5.2 Onderzoek

In het voortraject zijn er ten behoeve van het planvoornemen al verschillende constructieve overleggen geweest met Waterschap Noorderzijlvest. De belangen van het waterschap zijn zoveel mogelijk meegenomen in de plannen.

Via de digitale watertoets is Waterschap Noorderzijlvest (nogmaals) van dit initiatief op de hoogte gebracht. De watertoets is uitgevoerd op 28 juli 2025 en opgenomen als Bijlage 11 bij deze motivering. Het doel van de watertoets is: 'Het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'. De normale procedure is van toepassing.

Het waterschap heeft aangegeven vanwege de diverse overleggen in het voortraject geen opmerkingen of aanvullingen meer te hebben op het planvoornemen. De aandachtspunten die in Bijlage 11 staan beschreven dienen tijdens de uitvoeringsfase nader te worden uitgewerkt. Hieronder worden deze aandachtspunten nogmaals aangehaald:

Toename verhard oppervlak
Door toename van verhard oppervlak stroomt regenwater, als het wordt verzameld via kolken en goten, sneller af richting oppervlaktewater waardoor afvoeren en piekwaterstanden toenemen. Dit kan leiden tot wateroverlast. Bij een toename van het verhard oppervlak met meer dan 500 m2 is compensatie voor versnelde afvoer nodig. Om versnelde afvoer te voorkomen is afwatering op het aangrenzende maaiveld of berm een optie. Dit verkleint de watercompensatie opgave. Ook het gebruik van waterpasserende bestrating, aanleg van wadi’s en infiltratiestroken of andere voorzieningen kunnen bijdragen aan het voorkomen van versnelde afvoer. Waterschap Noorderzijlvest wil daarin graag adviseren.

Met het planvoornemen wordt voldoende watercompensatie gerealiseerd in de vorm van te realiseren wadi's en sloten (zie figuur 2.2).

Dempen van oppervlaktewater
Het dempen van oppervlaktewater kan alleen worden toegestaan als de wateraan- en afvoer niet wordt gehinderd. Daarnaast geldt bij demping dat het verlies aan waterberging (gerekend op de waterlijn) moet worden gecompenseerd binnen het peilgebied waarbinnen de demping plaatsvindt. Voor de bepaling van het te dempen wateroppervlak dient als uitgangspunt de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) het object Water.

Met het planvoornemen worden een aantal bestaande sloten in het plangebied gedempt. Het verlies aan waterberging wordt gecompenseerd d oor nieuwe sloten en wadi's te graven.

Graven en vergraven van oppervlaktewater
Het graven van nieuw oppervlaktewater ziet het waterschap doorgaans als een positieve bijdrage aan het watersysteem. Het waterschap is daarbij wel alert op de wateraan- en afvoer en wijzigingen in het waterpeil. Om die reden is het graven van nieuw oppervlaktewater vergunningplichtig.

Bij de uitvoering van het planvoornemen worden de benodigde vergunningen aangevraagd.

Geen aanvoer oppervlaktewater
In deze gebieden is het niet mogelijk om water in te laten of aan te voeren. De enige manier om water aan te ontvangen is via neerslag. Meestal betreft het de hoger gelegen delen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient dit aspect nadrukkelijk te worden meegenomen in de planuitwerking. In deze gebieden ligt het voor de hand om bv. het water te infiltreren, af te voeren naar wadi’s in plaats van open water en de combinatie te zoeken met groen/natuur. Het aanvoeren via nieuwe pompen is niet robuust en niet duurzaam, het waterschap staat daarom dit soort technische oplossingen niet toe.

Met het planvoornemen worden wadi's en sloten aangelegd waar water naar wordt afgevoerd.

Technische afstemming
Er heeft in tussentijd technische afstemming plaats gevonden met het Waterschap. Naar aanleiding hiervan is het plan aangepast en de watervergunning aangevraagd. Inmiddels is de watervergunning voor het plan verleend. De tekening welke vergund is, is hieronder weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.TPZU25UITB01-VA01_0006.png"

Figuur 4.1. Waterhuishouding

4.5.3 Conclusie

Met inachtneming van de waterparagraaf is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect water.

4.6 Luchtkwaliteit

4.6.1 Wettelijk kader

Onder de Omgevingswet toetst de Rijksoverheid minder (ruimtelijke) projecten aan de regels voor luchtkwaliteit. Ook de monitoring van de luchtkwaliteit is in een kleiner gebied nodig. Vooral in en nabij de aandachtsgebieden moeten overheden toetsen aan de rijksomgevingswaarden. Activiteiten die voor een verhoging van de concentraties zorgen binnen of nabij een aandachtsgebied, moeten aan de omgevingswaarden voldoen.

4.6.2 Onderzoek

Het plan betreft de realisatie van 52 woningen. Voor de berekening van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van CROW-publicatie 744 – Parkeerkencijfers 2024. Deze publicatie geeft naast parkeerkencijfers ook kencijfers wat betreft de verkeersgeneratie. Uitgaande van de realisatie van 52 woningen en maatschappelijke functies in de rest van de bebouwde kom in een weinig stedelijke gemeente is berekend dat de verkeersgeneratie ongeveer 1381 ritten per etmaal bedraagt (zie onderstaande tabel).

CROW-functie   Aantal   Ritten per eenheid   Totaal ritten  
Koop, vrijstaand   14   8,6   120,4  
Koop, twee-onder-een-kap   2   8,2   16,4  
Koop, tussen/hoek   16   7,8   124,8  
Huur, huis sociaal   8   5,2   41,6  
Huur, appartement (75-100 m2) sociaal   12   3,8   45,6  
Kinderopvang   2.702 m2 (BVO)   38,2 (per 100 m2)   1.032,2  
Totaal       1.381  

Figuur 4.2. Verkeersgeneratie Tussen de Gasten

Rekentool
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Informatiepunt Leefomgeving de nibm-tool 2025 ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.TPZU25UITB01-VA01_0007.png"

Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project kan derhalve worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit vanwege de toename van het verkeer is niet noodzakelijk.

Onderzoek achtergrondniveau
Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden.

Daartoe is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland 2025. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en betreffen zowel recente als toekomstige jaren. Per kilometervak worden de concentraties voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen weergegeven waarvoor Europese regelgeving bestaat. De kaarten op deze website hebben een juridisch-formele status.

De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen betreffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10). De grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10) uit de wet zijn opgenomen in de volgende tabel.

Luchtconcentratie     Norm  
NO2   jaargemiddelde concentratie
uurgemiddelde concentratie  
40 µg/m3
200 µg/m3  
PM2.5   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m3  
PM10   jaargemiddelde concentratie
24-uurgemiddelde concentratie  
40 µg/m3
50 µg/m3  

Figuur 4.3. Grenswaarden luchtconcentraties NO2, PM2.5 en PM10

Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het plangebied de gemeten en berekende achtergrondniveaus ruim onder de wettelijke normen blijven.

4.6.3 Conclusie

Het project kan worden beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.

4.7 Archeologie

4.7.1 Wettelijk kader

Voor de uitvoering van plannen en projecten moet onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden. Bij de ontwikkeling van plannen en projecten moet hier zoveel mogelijk rekening worden gehouden. Dat is de essentie van het Europese beleid. Daarmee is het behoud van archeologische resten in de bodem en bescherming van het cultureel erfgoed en landschap belangrijk. De beginselen uit het Bkl richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Bij het voornemen om een activiteit te verrichten die effect heeft op de bodem is het van belang dat een onderzoek naar archeologie (archeologisch vooronderzoek) plaatsvindt. Als uit het vooronderzoek blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

4.7.2 Onderzoek

In opdracht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) opgesteld. Deze kaart geeft de trefkans op of de verwachtingswaarde voor het aantreffen van archeologische resten in de bodem weer. Vrijwel het gehele plangebied heeft een hoge trefkans (oranje).

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.TPZU25UITB01-VA01_0008.png"
Figuur 4.4. Indicatieve kaart Archeologische Waarden (IKAW)

Tevens heeft Sweco in 2018 een archeologische quickscan opgesteld voor het plangebied. Deze quickscan is als Bijlage 12 bij deze toelichting gevoegd. Het advies naar aanleiding van deze quickscan is om in het plangebied een karterend booronderzoek uit te voeren, daar waar bodemingrepen dieper dan 0,3 m beneden het maaiveld plaatsvinden. Door onderzoeksbureau De Steekproef is op 7 oktober 2022 een inventariserend archeologisch veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 13 aan dit plan toegevoegd.

Hieruit blijkt dat het plangebied Tussen de Gasten op de oostelijke flank van de glaciale rug van Zuidhorn ligt. Het maaiveld loopt binnen het plangebied op van ongeveer 1 m boven NAP in het oosten tot 3 m boven NAP in het westen. Omstreeks het eind van het neolithicum kwam de rug geïsoleerd te liggen in een uitgestrekt veenmoeras. Vervolgens zorgde de oprukkende zeespiegel voor de ontwikkeling van kwelders rondom. Tijdens de vroege middeleeuwen zorgde de Lauwerszee via de Oude Riet voor een versterkte invloed van de zee bij het plangebied. Uit het plangebied zijn geen archeologische vondsten bekend.

In het plangebied heeft een boerderij gestaan die is afgebroken in 1982. Voorgangers van de boerderij gaan terug tot de tijd van het klooster van Aduard dat dit terrein in bezit had. De bodem in het plangebied is geroerd tot in de keileem. Er ligt een relatief dik cultuurdek van circa 0,75 m dikte dat is ontstaan door plaggenbemesting. In het oosten van het plangebied ligt een pakket zeeklei uit de vroege middeleeuwen met een maximaal vastgestelde dikte van 1 m. Onder dit pakket ligt een oude akkerlaag die dateert uit de vroege middeleeuwen of uit archeologische periodes daarvoor. Het onderzoek heeft één stuk vuursteen opgeleverd dat kenmerken vertoont van menselijke bewerking. Bij twintig van de dertig uitgevoerde boringen is middeleeuws kogelpotaardewerk gevonden.

Aangezien de bodem is geroerd tot in de keileem zullen eventuele archeologische resten uit de steentijd grotendeels verloren zijn gegaan. Daarom kan de archeologische verwachting voor die periode naar beneden toe worden bijgesteld. Archeologische sporen uit de middeleeuwen reiken doorgaans dieper, waardoor de diepere delen daarvan wel bewaard gebleven zullen zijn. De aangetroffen scherven aardewerk vormen een sterke aanwijzing voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats uit die periode. Het potentiële niveau waarop sporen uit die tijd aanwezig kunnen zijn, ligt ongeveer tussen een 0,5-1,5 m beneden maaiveld aan de basis van het cultuurdek. In het oosten van het plangebied ligt ook nog een tweede potentieel archeologisch niveau bovenin het pakket zeeklei dat binnen 0,5 m beneden maaiveld ligt.

In het inventariserend archeologisch bureau- en veldonderzoek wordt geadviseerd om het gehele plangebied nader te onderzoeken met behulp van proefsleuven.

In 2023 is door De Steekproef een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 14 bij deze motivering gevoegd.

Uit het onderzoek blijkt dat in het hele plangebied archeologische waarden aanwezig zijn. Het gaat om resten uit de midden ijzertijd tot midden romeinse tijd, late middeleeuwen, late middeleeuwen - nieuwe tijd en de nieuwe tijd en mogelijk uit het vroeg mesolithicum.

De archeologische vindplaatsen in het plangebied zijn als behoudenswaardig gewaardeerd. Er zijn resten aanwezig uit ten minste twee verschillende periodes. De vindplaatsen kunnen een grote bijdrage leveren aan de kennis van de geschiedenis van Zuidhorn en omgeving. De Steekproef adviseert daarom om de vindplaats in situ (in de grond) te behouden. Indien dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om een archeologische opgraving uit te laten voeren om de archeologische resten ex situ veilig te stellen.

De adviezen uit de rapportage van het inventariserend veldonderzoek (door middel van proefsleuven) zijn overgenomen. Naar aanleiding van de uitkomst van het proefsleuvenonderzoek is het gehele plangebied archeologisch opgegraven en daarmee vrijgegeven. Na opgraving is er in afwijking van het facetplan archeologie geen archeologische waarde meer van toepassing voor het plangebied.

4.7.3 Conclusie

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect archeologie.

4.8 Cultuurhistorie

4.8.1 Wettelijk kader

Voor de uitvoering van plannen en projecten moet onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden. Bij de ontwikkeling van plannen en projecten moet zoveel mogelijk rekening worden gehouden hiermee. Dat is de essentie van het Europese beleid. Daarmee is het behoud van archeologische resten in de bodem en bescherming van het cultureel erfgoed en landschap belangrijk. De beginselen uit het Bkl richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

4.8.2 Onderzoek

De gemeente Westerkwartier heeft in totaal 332 monumenten. De monumenten geven een beeld van de unieke en veelzijdige geschiedenis van de gemeente Westerkwartier. Op de site van de gemeente Westerkwartier is een monumentenkaart te vinden die een overzicht geeft van de 89 gemeentelijke monumenten en 243 rijksmonumenten. In of in de nabijheid van het plangebied zijn geen monumenten gelegen.

Ook is een deel van Zuidhorn; 'De Gast', aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Dit gebied bevat een uitbreiding van Zuidhorn die in de periode 1850-1940 plaatsvond langs De Gast en het noordelijke deel van de Hoofdstraat. Het gebied is op 26 oktober 2007 aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Het planvoornemen heeft geen invloed op het beschermd dorpsgezicht.

In paragraaf 2.1zijn de landschappelijke kwaliteiten van het gebied al beschreven die zijn vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening. Het plangebied is, net als grote delen van Zuidhorn, gelegen op een glaciale rug, een zandrug uit de ijstijd. Door naoorlogse woningbouw en forse infrastructurele ingrepen heeft de glaciale rug als herkenbaar element in het landschap moeten inboeten, waardoor het minder goed herkenbaar is geworden. De kwaliteiten worden door middel van dit plan niet aangetast.

4.8.3 Conclusie

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect cultuurhistorie.

4.9 Externe veiligheid

4.9.1 Wettelijk kader

Omgevingsveiligheid gaat over de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De regels voor omgevingsveiligheid zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Bkl beschrijft onder welke voorwaarden beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toegelaten zijn.

Plaatsgebonden risico
Het ruimtelijk besluit houdt rekening met de grenswaarden voor kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en locaties.

Groepsrisico
Bij het groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aandachtgebieden zijn onder te verdelen in:

  • brandaandachtsgebieden (BAG);
  • explosieaandachtsgebieden (EAG);
  • gifwolkaandachtsgebied (GAG).

De aandachtsgebieden zijn te vinden in artikel 5.12 Bkl.

Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen. Deze afstanden zijn te vinden in bijlage VII van het Bkl. Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel. Een gemeente mag hier wel om vragen om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Dat kan middels een voorschrift.

4.9.2 Onderzoek

Met het planvoornemen worden woningen en een maatschappelijk deel (kinderdagverblijven) gerealiseerd. Woningen worden aangemerkt als kwetsbare gebouwen. Kinderdagverblijven worden aangemerkt als zeer kwetsbare gebouwen. Het Portaal Atlas Veiligheid is geraadpleegd om te onderzoeken of in de nabijheid van het plangebied activiteiten zijn gelegen die een risico voor de omgevingsveiligheid kunnen veroorzaken. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van het Portaal Atlas Veiligheid weergegeven. Het plangebied is hierop globaal blauw omkaderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.TPZU25UITB01-VA01_0009.png"
Figuur 4.5. Uitsnede Portaal Atlas Veiligheid, het plangebied bevindt zich globaal in het blauwe kader (bron: Portaal Atlas Veiligheid, d.d. 28-07-2025)

Transport
Op circa 220 m ten zuidwesten van het plangebied ligt de spoorlijn Groningen-Leeuwarden (Route 510). Hierover vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied is gedeeltelijk gelegen in het gifwolkaandachtsgebied van de spoorlijn. Het plangebied ligt niet binnen het aandachtsgebied van het Van Starkenborghkanaal.

Buisleidingen
Op circa 25 m ten westen van het plangebied ligt een hogedruk aardgastransportleiding met een diameter van 8,62 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Het plangebied ligt in het brandaandachtsgebied van de gasleiding.

Ten behoeve van de realisatie van de woningen en kinderdagverblijven binnen het brandaandachtsgebied van de nabijgelegen aardgastransportleiding is door AVIV een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd om inzicht te krijgen in de externe veiligheidsrisico's. Hierbij is speciale aandacht voor de 'house burning distance' (HBD) in relatie tot de ontwikkeling. Het onderzoek naar externe veiligheid is als Bijlage 15 bij deze motivering gevoegd. Hierna volgen kort de conclusies:

Plaatsgebonden risico
Er is geen sprake van een PR10-6 contour bij aardgasleiding N-505-41. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling.

Aandachtsgebieden 

  • De planontwikkeling ligt gedeeltelijk binnen het brandaandachtsgebied (BAG) (94 m) van leiding N-505-41.
  • De planontwikkeling ligt gedeeltelijk binnen de HBD (43 m) van de leiding.
  • De ontwikkeling bestaat uit het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen (twee kinderdagverblijven) en kwetsbare gebouwen (woningen). Een van de kinderdagverblijven ligt binnen het brandaandachtsgebied. Hiervoor dient door het bevoegd gezag een brandvoorschriftengebied te worden aangewezen.

Wanneer de kinderdagverblijven buiten de HBD (House Burning Distance) blijven (maar binnen het aandachtsgebied), kan worden overwogen de verplichte bouwkundige maatregelen (i.v.m. verplichting van brandvoorschriftengebied) lichter uit te voeren en geen brandbare materialen aan de zijde van de buisleiding te plaatsen. Als een gebouw niet in brand raakt, is er geen instortingsgevaar en hoeft men dus niet te vluchten. Wanneer een gebouw buiten de houseburning distance staat, kan verantwoord worden dat ook minder zelfredzame personen (zoals kleine kinderen) voldoende tijd krijgen het gebouw te verlaten. Daarmee is bouwen buiten de house burning distance gelijkwaardig aan bouwkundige maatregelen om brand (een bepaalde tijd) tegen te houden. Een zeer kwetsbaar gebouw, zoals een kinderdagverblijf, buiten de HBD kan daarmee dus verantwoord worden bestemd.

Uit bovenstaande onderzoek van AVIV blijkt dat de HBD voor de genoemde hogedruk aardgastransportleiding op 43 meter ligt. Gebouwen die op meer dan 43 meter van de gasleiding staan, vliegen theoretisch niet in de brand. Een aantal te realiseren woningen liggen op een afstand van minder dan 43 m van de buisleiding. Het gaat hier echter niet om zeer kwetsbare gebouwen. Aanvullende bouwmaatregelen zijn voor deze woningen niet van toepassing.

Verantwoording groepsrisico

  • In hoofdstuk 5 is invulling gegeven aan artikel 5.15 Bkl. Uiteindelijk moet de gemeente op basis van haar beoordelingskader besluiten of en welke aanvullende maatregelen nodig zijn.
  • De Veiligheidsregio kan advies geven over de invulling van artikel 5.2 Bkl.

Overige risicovolle bronnen
In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen overige risicovolle bronnen gelegen.

Advies Veiligheidsregio Groningen
Door de Veiligheidsregio Groningen is ten aanzien van het planvoornemen op 1 april 2025 een veiligheidsadvies gegeven. Dit advies is als Bijlage 16 bij deze motivering gevoegd. Hierna volgen kort de conclusies.

De Veiligheidsregio Groningen adviseert het volgende:

  • Inzetten op bronmaatregelen om de gasleiding beter te beschermen tegen invloeden van buitenaf en daarmee calamiteiten te voorkomen, een voorbeeld hiervan is een signaleringslint in de bodem boven het leidingtracé.
  • Ten minste één (nood)uitgang van de gebouwen afgekeerd van de risicobronnen plaatsen, zodat ontvluchting van de risicobron af mogelijk is.
  • Gebouwen die binnen het gifwolkaandachtsgebied voorzien van manueel uitschakelbare mechanische ventilatie welke bij een externe calamiteit (toxische wolk) handmatig moet kunnen worden afgesloten zodat een veilige schuilmogelijkheid wordt gecreëerd.
  • Opnemen van de hiervoor benoemde maatregelen in het bedrijfsnoodplan en het instrueerde van het personeel.
  • Gebouwen die binnen het brandaandachtsgebied vallen dusdanig indelen dat de verblijfsruimten zo ver mogelijk van de risicobron af zitten.
  • De mogelijkheid van zeer kwetsbare gebouwen (gebruiksfuncties voor verminderd zelfredzame personen) expliciet in de planregels uit te sluiten. De volgende gebruiksfuncties worden gezien als gebruiksfuncties voor verminderd zelfredzame personen (definitie: Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), bijlage 6):
    • 1. een woonfunctie voor 24-uurszorg;
    • 2. een bijeenkomstfunctie:
      • a. voor kinderopvang; of
      • b. voor dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking;
    • 3. een celfunctie (gebruiksfunctie voor dwangverblijf van personen);
    • 4. een gezondheidszorgfunctie met een bedgebied;
    • 5. een onderwijsfunctie:
      • a. voor basisschoolonderwijs; of
      • b. voor onderwijs aan minderjarigen met een lichamelijke of geestelijke beperking.

Mocht het gebruik voor verminderd zelfredzame personen (zeer kwetsbare locaties) niet worden uitgesloten, is het verplicht de locatie als voorschriftengebied aan te wijzen (artikel 5.14 Bkl). Binnen dit voorschriftengebied gelden altijd de aanvullende bouwkundige eisen (artikel 4.90 Bbl).

Met betrekking tot buitenspelen bij de kinderdagverblijven wordt door de Veiligheidsregio Groningen aangegeven dat bescherming van personen (in deze kinderen) buiten niet wettelijk is vastgelegd, zoals binnen een gebouw dat wel het geval is. Desondanks is het advies van de Veiligheidsregio dat ook buiten het gebouw (zeer kwetsbaar gebouw) de gebruikers een mate van bescherming moeten krijgen in de vorm van het gebouw zelf. Vandaar dat de Veiligheidsregio altijd specifiek en met klem adviseert de buitenspeelplaatsen achter het gebouw ten opzichte van de risicobron te plaatsen.  

Daar waar mogelijk worden de hierboven genoemde adviezen van de Veiligheidsregio Groningen opgevolgd. In de regels van dit wijzigingsbesluit wordt de mogelijkheid van het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen binnen het brandaandachtsgebied expliciet uitgesloten. Alleen ter plaatse van de maatschappelijke functie (kinderdagverblijven) wordt dit niet expliciet uitgesloten binnen het brandaandachtsgebied. Voor deze locatie is een brandvoorschriftengebied opgenomen. Binnen deze zone gelden aanvullende bouwkundige eisen. Ook is, met betrekking tot buitenspelen, in de regels van dit wijzigingsbesluit opgenomen dat binnen het brandvoorschriftengebied een speelplaats uitsluitend gesitueerd mag worden op een plaats waar de speelplaats wordt afgescheiden van de risicobron (aardgastransportleiding) door een gebouw dat voldoet aan de aanvullende bouweisen. Hiermee wordt invulling gegeven aan een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving.

4.9.3 Conclusie

Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect externe veiligheid.

4.10 Verkeer en parkeren

4.10.1 Wettelijk kader

Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een voornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). In de CROW-publicatie nr. 744 'Parkeerkencijfers 2024' (augustus 2024) zijn vuistregels en kengetallen aangereikt om verkeerseffecten bij ontwikkelingen te bepalen.

4.10.2 Onderzoek

Verkeersafwikkeling
Het plan betreft de realisatie van 52 woningen. In paragraaf 4.6 is door middel van CROW-publicatie 744 – Parkeerkencijfers 2024 al berekend dat de verkeersgeneratie van het planvoornemen ongeveer 1335 ritten per etmaal bedraagt.

De om het plangebied liggende gebiedsontsluitingswegen, zoals de Rijksstraatweg en De Nieuwe Gast, hebben voldoende capaciteit om de verkeerstoename door de planontwikkeling aan te kunnen. Gelet op de geschatte verkeersaantrekkende werking van het plangebied hoeven voor het planvoornemen geen aanpassingen in de verkeersontsluiting te worden getroffen.

De Aviorstraat, ten zuiden van de te realiseren kinderdagverblijven, wordt ten behoeve van de verkeersveiligheid en de leefbaarheid getransformeerd tot autovrije zone. Ook wordt een verkeersplan voor de schoolzone opgesteld.

Parkeren
Naast een verkeersaantrekkende werking neemt de parkeerbehoefte in het gebied als gevolg van het planvoornemen toe. Voor de berekening van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van CROW-publicatie 744 (Parkeerkencijfers 2024: Basis voor parkeernormering). Er is daarbij voor het plangebied uitgegaan van de gemiddelde parkeernorm en een ligging in de rest van de bebouwde kom in een weinig stedelijk gebied. Uitgaande van de realisatie van 52 woningen en maatschappelijke functies is berekend dat de parkeerbehoefte ongeveer 129 parkeerplekken bedraagt (zie figuur 4.6).

Crow functie   Aantal   Gem. kengetal parkeren   Parkeerbehoefte  
Koop, vrijstaand   14   2,0   28  
Koop, twee-onder-een-kap   2   1,9   3,8  
Koop, tussen/hoek   16   1,8   28,8  
Huur, huis sociaal   8   1,1   8,8  
Huur, appartement (75-100 m2) sociaal   12   0,9   10,8  
Kinderopvang   2.702 m2 (BVO)   1,4 (per 100 m2)   37,8  
Bezoekersparkeren   52 woningen in totaal   0,2   10,4  
Totaal       128,4  

Figuur 4.6. Parkeerbehoefte Tussen de Gasten

In het plangebied zullen in totaal 72 parkeerplaatsen voor de sociale huurwoningen en de koop tussen/hoekwoningen worden gerealiseerd. Voor deze woningen zijn, gebaseerd op de parkeernormen (inclusief bezoekersparkeren), 56 parkeerplaatsen benodigd. Met de realisatie van 72 parkeerplaatsen wordt dus voldaan aan de parkeerbehoefte voor deze twee woningtypes. De vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen zullen beschikken over eigen opritten. De parkeerbehoefte zal hier dus op eigen erf worden opgelost. Voor bezoekersparkeren zullen parkeerstroken aan de openbare weg worden gerealiseerd.

Naast de Rijksstraatweg, binnen het plangebied, worden 45 parkeerplaatsen gerealiseerd ten behoeve van de kinderdagverblijven. Daarmee wordt voldaan aan de parkeernorm van 38 parkeerplaatsen. Het halen en brengen zal in de omgeving worden opgelost.

4.10.3 Conclusie

Het voornemen van dit plan leidt niet tot een onaanvaardbare verkeerstoename over de aanvoerende wegen naar het plangebied. Het planvoornemen zal bovendien niet tot negatieve invloeden op de verkeersafwikkeling in de directe omgeving van het gebied leiden.

Daarnaast wordt met het planvoornemen een voldoende parkeeroplossing geboden. Uit oogpunt van verkeerseffecten mag voorliggend plan dan ook aanvaardbaar worden geacht.

4.11 Duurzaamheid

4.11.1 Wettelijk kader

In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen". Artikel 1.3 en artikel 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en
  • b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften."

Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld. Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.

4.11.2 Onderzoek

De met het planvoornemen te bouwen woningen worden zo duurzaam mogelijk en tevens gasloos (all-electric) gebouwd. Het uitgangspunt is een woning met een goed geïsoleerde schil.

4.11.3 Conclusie

Zoals hiervoor beschreven, wordt zoveel mogelijk voldaan aan de eisen en voorwaarden van duurzaamheid. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft duurzaamheid.

4.12 Mer

4.12.1 Wettelijk kader

Een toets aan de regels over een milieueffectrapportage moet worden uitgevoerd als onderdeel van de motivering van een wijziging omgevingsplan. Op grond van bijlage V van het Omgevingsbesluit vindt een mer-beoordeling plaats bij een stedelijk ontwikkelingsproject.

4.12.2 Onderzoek

Het initiatief behoort in bijlage V in het Omgevingsbesluit tot nummer J11: 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Hiervoor geldt een mer-beoordelingsplicht. Voor het planvoornemen is daarom een notitie mer-beoordeling opgesteld. De notitie is als Bijlage 17 aan deze motivering toegevoegd. Uit de notitie blijkt dat het initiatief geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een mer-procedure noodzakelijk maakt.

4.12.3 Conclusie

Er kan worden gesteld dat de regels over een milieueffectrapportage geen belemmering vormen voor de uitvoering van dit plan.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Inleidende regels

5.1.1 Inleiding

Dit TAM-omgevingsplan vormt een alternatieve mogelijkheid om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer dit nog niet via de technische standaard kan worden gedaan. Het doel van dit TAM-plan is om te voorkomen dat planvorming (en in het bijzonder gebiedsontwikkeling) onaanvaardbare vertraging oploopt onder de Omgevingswet. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Dit gebeurt conform de inhoudelijke eisen van de Omgevingswet. De bekendmaking vindt niet plaats via publicatie naar de LVBB (Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen), maar via publicatie van het vaststellingsbesluit via DROP (Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties) in het Gemeenteblad. Het voorliggende TAM-plan is vervolgens ook direct raadpleegbaar in het DSO.

Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels van dit TAM-omgevingsplan hun juridische vorm gekregen in de vorm van functies en activiteiten. Deze paragraaf bespreekt de juridische vormgeving van het TAM-omgevingsplan.

Onder de Omgevingswet is er geen standaard zoals men dat onder de SVBP 2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) kende. Voorliggend TAM-plan wordt gemaakt conform de inhoudelijke eisen van de Omgevingswet, maar zal technisch gezien het 'oude' format hebben (IMRO).

5.1.2 Dit TAM-omgevingsplan

De regels in dit TAM-omgevingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken:

Hierna worden deze hoofdstukken puntsgewijs besproken.

5.1.3 Inleidende regels

Dit onderdeel bestaat uit 'Begripsbepalingen', 'Aanvullende begripsbepalingen', 'Toepassingsbereik', 'Meet- en rekenbepalingen' en 'Aanvraagvereisten'.

Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, in overeenstemming met normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Alle begrippen worden in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'omgevingsplan'.

Voor de meet- en rekenbepalingen is aansluiting gezocht bij andere bestemmingsplannen in de gemeente Westerkwartier. De begripsbepalingen, toepassingsbereik, meet- en rekenbepalingen en aanvraagvereisten zijn conform de inhoudelijke vereisten van de Omgevingswet opgesteld.

5.2 Functieregels

5.2.1 Functies en activiteiten

Groen
Dit TAM-omgevingsplan kent de functie Groen. Binnen deze functie zijn groenstroken, beplanting, parkeervoorzieningen, wegen, trottoirs, fiets- en voetpaden, water, bermen en in- en uitritten toegestaan. Ondergeschikte nutsvoorzieningen zijn eveneens mogelijk. De bouwregels bepalen dat gebouwen niet zijn toegestaan. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn slechts in zeer beperkte mate mogelijk.

Maatschappelijk
Binnen de functie Maatschappelijk zijn educatieve voorzieningen, kinderopvang, sportvoorzieningen, sociaal-culturele voorzieningen en evenementen toegestaan. De gronden mogen niet worden gebruikt voor horeca, tenzij het ondergeschikte horeca betreft, en niet voor detailhandel. Ook is opgenomen dat ter plaatse van 'overige zone - speelplaats uitgesloten' gronden niet mogen worden gebruikt voor een speelplaats. Daarnaast mogen gebouwen en overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

Tuin
De gronden tussen de rooilijnen van de woonfuncties en de grens van het openbaar gebied hebben de functie Tuin. Deze functie is bedoeld om het groene karakter van de wijk te versterken. Het gaat hier om tuinen die grenzen aan de openbare weg. Binnen deze strook mogen geen erfafscheidingen hoger dan 1 m worden gebouwd. Het doel is het open karakter van de tuinen te behouden en te zorgen dat afscherming alleen uit groen bestaat.

Verkeer - Verblijf
De functie Verkeer - Verblijf maakt gebruik van gronden mogelijk voor openbare wegen, straten, fiets- en voetpaden. Ook diverse voorzieningen zijn toegestaan. Net als bij de functies Groen en Tuin zijn gebouwen niet toegestaan. Wel zijn bouwwerken toegestaan, zoals lichtmasten en voorzieningen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer.

Water
Een deel van de openbare gronden heeft de functie Water. Dit betreft waterlopen, waterpartijen en waterberging. Op deze gronden zijn alleen bouwwerken toegestaan die geen gebouwen zijn, met een maximale bouwhoogte van 2 m.

Wonen - 1 en Wonen - 2
De nieuwe woningen zijn in twee functies verdeeld, afhankelijk van de hoofdvorm. Binnen Wonen - 1 gaat het om vrijstaande woningen. Binnen Wonen - 2 zijn ook twee-onder-een-kapwoningen, rijwoningen en beneden-bovenwoningen toegestaan. Daarmee sluit dit aan op het stedenbouwkundig ontwerp.

De maximale oppervlakte voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt 70 m² per hoofdgebouw. Als wordt voldaan aan de aanvullende beoordelingsregels is een grotere oppervlakte mogelijk:

  • tot 100 m² bij percelen kleiner dan 600 m²;
  • tot 150 m² bij percelen groter dan 600 m².

Deze regeling sluit aan op de gemeentelijke bijgebouwenregeling.

Binnen Wonen - 1 en Wonen - 2 zijn met wonen verenigbare functies toegestaan, onder de voorwaarden dat:

  • het bedrijfsvloeroppervlak maximaal 30% van het totale vloeroppervlak bedraagt, met een maximum van 50 m²;
  • de functie geen onevenredige hinder veroorzaakt en het woonkarakter niet aantast;
  • geen detailhandel plaatsvindt, behalve wanneer deze ondergeschikt is aan de functie;
  • de functie geen verkeersaantrekkende werking heeft die verkeersmaatregelen noodzakelijk maakt.

5.3 Algemene regels

5.3.1 Algemene regels

In dit hoofdstuk zijn algemene regels, zoals de 'Anti-dubbeltelregel', 'Regels uiterlijk en plaatsing bouwwerken', 'Algemene gebruiksregels' 'Algemene aanduidingsregels' en 'Algemene bouwactiviteiten' opgenomen. Hieronder worden enkele regels uitgelicht.

Regels uiterlijk en plaatsing bouwwerken
In Artikel 14 is een regel over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken opgenomen. Bij de beoordeling van de omgevingsvergunning voor de ruimtelijke bouwactiviteit moet worden getoetst aan de redelijke eisen van welstand.

In 22.29 onder b van het omgevingsplan (de bruidsschat) is de beoordelingsregel opgenomen dat het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid Woningwet.

Voor het plan is een beeldkwaliteitsplan opgesteld waarin de beeldkwaliteitsregels zijn opgenomen. Met de komst van de Omgevingswet kunnen welstandsregels ook in het omgevingsplan worden opgenomen. Om ervoor te zorgen dat bij de omgevingsvergunning voor de ruimtelijke bouwactiviteit wordt getoetst aan de welstandsregels in het beeldkwaliteitsplan, is in dit artikel opgenomen dat bij de beoordeling of sprake is van de redelijke eisen van welstand niet gekeken wordt naar de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid Woningwet, maar naar de beeldkwaliteitsregels die zijn opgenomen in het beeldkwaliteitsplan dat als bijlage bij de regels is gevoegd.

Brandvoorschriftengebied
Onder de Algemene aanduidingsregels worden in 16.1 gronden waar zeer kwetsbare gebouwen mogelijk worden gemaakt, die liggen in het brandaandachtsgebied van de gasleiding, aangewezen als brandvoorschriftengebied. Op grond van artikel 5.14 lid 3 Bkl is dit verplicht. Binnen dit voorschriftengebied gelden voor nieuw te bouwen gebouwen aanvullende bouwvoorschriften in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Deze aanvullende bouwvoorschriften zijn opgenomen in artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl.

In het kader van het waarborgen van de veiligheid is onder 16.1.2 een aanvullende gebruiksregel opgenomen voor de als 'overige zone - brandvoorschriftengebied' aangewezen gronden. Ter plaatse van 'overige zone - brandvoorschriftengebied' mag een speelplaats voor kinderen uitsluitend worden gesitueerd op een plaats waar de speelplaats wordt afgescheiden van de risicobron door een gebouw dat voldoet aan de aanvullende bouweisen die gelden voor gebouwen in een brandvoorschriftengebied.

Veiligheidszone - leiding
Op de gronden binnen het plangebied waar geen zeer kwetsbaar gebouwen worden voorzien, maar wel gelegen zijn binnen het brandaandachtsgebied van de gasleiding is de aanduiding 'veiligheidszone - leiding' opgenomen. Binnen dit gebied geldt een vergunningplicht voor het gebruik van gronden en bouwwerken als een zeer kwetsbaar gebouw. De omgevingsvergunning wordt verleend indien de veiligheidsregio positief heeft geadviseerd over de vestiging van een zeer kwetsbaar gebouw binnen deze zone.

5.4 Overgangsregels

5.4.1 Overgangsregels

Tot slot bevat hoofdstuk 4 de 'Overgangsregels' overgangsrecht voor bouwwerken en het functioneel gebruik.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Participatie

Wettelijk kader en intentieverklaring
Er moet worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van het wijzigingsbesluit zijn betrokken. Daarbij wordt aangegeven hoe invulling is gegeven aan het toepasselijke gemeentelijke participatiebeleid (artikel 10.2 Omgevingsbesluit). Onderstaand wordt hier verder op ingegaan. Ook wordt ingegaan op de in 2018 gesloten intentieverklaring voor het gebied Tussen de Gasten en de manier waarop met de daarin opgenomen uitgangspunten rekening is gehouden.

Toetsing - participatieproces

De gemeente Westerkwartier heeft in december 2024 het participatiebeleid "Samen werken aan onze samenleving" vastgesteld. Dit beleid vormt het kader voor participatie bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Participatie met omwonenden

Ten behoeve van het voorliggende plan is actief participatie gevoerd met de direct omwonenden. Op 17 september 2024 is tijdens een bijeenkomst met direct omwonenden het stedenbouwkundig plan voor Tussen de Gasten besproken. Naar aanleiding daarvan ontving de gemeente een brief waarin zorgen over het plan werden geuit. Met de betreffende bewoners zijn daarop meerdere verdiepende overleggen gevoerd over onderstaande onderwerpen.

  • Verkeer en parkeren ten behoeve van de kinderdagopvang.

- Zorgen over verkeersbewegingen bij halen/brengen en de locatie van parkeerplaatsen in relatie tot woonkwaliteit en verkeersveiligheid.

  • Positionering van de kinderdagopvang.

- Verzoek om varianten te verkennen vanwege nabijheid tot woningen.

  • Visualisatie van de plannen

- Behoefte aan inzicht in de ruimtelijke uitwerking en effecten.

  • Intentieverklaring

- Onderwerp van gesprek in relatie tot de gemaakte keuzes in het plan.

  • Planschade

- Onderwerp benoemd als zorgpunt door enkele bewoners.

Gezien de zorgen van bewoners lag de nadruk van de gesprekken naar de beoogde kinderopvang, specifiek de parkeeroplossing en de verkeersbewegingen. Op basis van de opgehaalde aandachtspunten is besloten de eerst beoogde parkeerplaats aan de zijweg van De Nieuwe Gast te laten vervallen en te kiezen voor één centrale parkeerplaats aan de zijde van de Rijksstraatweg voor beide voorziene kinderopvanglocaties. In het laatste overleg gaven bewoners aan dit een passende oplossing te vinden. Deze keuze is vastgelegd in het stedenbouwkundig kader en door vertaald in het TAM-omgevingsplan. Ook is, om overlast voor omwonenden aan de Nieuwe Gast te beperken, ervoor gekozen het buitenspelen aan die zijde uit te sluiten.

Inloopbijeenkomst
Ten behoeve van de ruimtelijke procedure heeft het ontwerp TAM-omgevingsplan van 17 december 2025 tot en met 27 januari 2026 ter inzage gelegen. Op 6 januari 2026 is in het gemeentehuis van Zuidhorn een inloopbijeenkomst georganiseerd. Diverse omwonenden en geïnteresseerden hebben deze bijeenkomst bezocht. Er zijn als gevolg van de inloopbijeenkomst geen nieuwe opmerkingen binnen gekomen.

Intentieverklaring

Op 8 november 2018 is met een aantal omwonenden een intentieverklaring ondertekend met betrekking tot de ontwikkeling van het gebied Tussen de Gasten. In deze verklaring zijn uitgangspunten opgenomen voor de verdere ontwikkeling van het gebied. De intentieverklaring heeft geen juridisch bindend karakter. Er kunnen dus geen planologische rechten aan worden ontleend. Desondanks is bij het opstellen van het stedenbouwkundig kader en dit omgevingsplan rekening gehouden met de concrete uitgangspunten van de intentieverklaring.

Onderstaand wordt beschreven hoe invulling is gegeven aan de uitgangspunten uit de intentieverklaring.


Ambities

De volgende ambities zijn in de intentieverklaring opgenomen:

  • 1. Groene omgeving met bewegend water
  • 2. Samen leven
  • 3. Duurzaam bouwen

In het voorliggende plan is op de volgende manier invulling gegeven aan de drie ambities uit de intentieverklaring:

  • De bestaande watergang langs De Nieuwe Gast wordt doorgetrokken, waardoor een herkenbaar straatprofiel ontstaat met een brede waterloop als centrale structuur.
  • Het plan bevat meerdere groene zones die bijdragen aan een aantrekkelijke en klimaatbestendige leefomgeving.
  • Voorzieningen maken onderdeel uit van een toekomstbestendige wijk. Daarom is ruimte opgenomen voor twee kinderdagverblijven, naast woningen voor verschillende doelgroepen.
  • De regels in het plan maken het mogelijk om een duurzame invulling te geven aan de te realiseren bebouwing met duurzame installaties en circulaire materialen.


Regels

De regels van het omgevingsplan bevatten onder andere:

  • Maximale bouwhoogtes, waarmee de schaal van de wijk wordt geborgd.
  • Bebouwingsdichtheid, zoals opgenomen in het stedenbouwkundig kader.
  • Waterhuishouding, waarvoor het plan uitgebreid is afgestemd met het waterschap om een goede afwatering te garanderen.
  • Een verkaveling die rekening houdt met de bestaande bebouwing aan de westzijde van De Nieuwe Gast.

Afspraken

  • a. Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de technische bouwvoorschriften onderdeel van het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL). Alle bouwwerken moeten aan deze landelijke regels voldoen. Dit wordt getoetst bij de aanvraag van een omgevingsvergunning.
  • b. Voor het gebied is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Dit is opgenomen als Bijlage 1 bij de regels.
  • c. Het beeldkwaliteitsplan sluit aan bij de kwaliteit en identiteit van de Oostergast. Het biedt ruimte voor variatie, maar borgt tegelijkertijd een samenhangend beeld.
  • d. Binnen de regels van het omgevingsplan is ruimte voor innovatieve oplossingen.
  • e. Binnen het plangebied mag worden gebouwd tot maximaal twee bouwlagen met kap, er wordt geen hoogbouw voorzien.
  • f. Voor De Nieuwe Gast wordt een breed straatprofiel gerealiseerd met aan beide zijden water en bebouwing. Sommige kavels worden via bruggetjes ontsloten, waarmee wordt aangesloten bij de karakteristiek van De Gast. Daarmee krijgt De Nieuwe Gast een herkenbare, eigentijdse uitstraling.
  • g. De uitgangspunten zijn niet vastgelegd in een visiekaart, maar in een vergelijkbaar document: het stedenbouwkundig kader. Dit kader vormt de basis van het omgevingsplan.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg ketenpartners

Voor dit TAM-omgevingsplan heeft vooroverleg plaatsgevonden met de provincie Groningen, de Veiligheidsregio Groningen en het Waterschap Noorderzijlvest. De vooroverlegreactie van de provincie is als Bijlage 18 bij de motivering gevoegd. De vooroverleg reactie van de Veiligheidsregio Groningen is als Bijlage 19 bij de motivering gevoegd. De gemaakte opmerkingen hebben op diverse plaatsen geleid tot aanpassing van het wijzigingsbesluit.

Het Waterschap Noorderzijlvest heeft per mail aangegeven inhoudelijk geen op- of aanmerking te hebben en daarmee in te stemmen met het plan.

Zienswijzen op ontwerp

Het ontwerp-wijzigingsbesluit heeft van 17 december 2025 tot en met 27 januari 2026 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft iedereen de mogelijkheid gehad om een zienswijze in te dienen. Tijdens de periode dat het ontwerp-omgevingsplan ter inzage heeft gelegen zijn er vijf schriftelijke zienswijzen ingediend. In de zienswijzennota worden de ingekomen zienswijzen samenvattend beschreven en voorzien van een reactie. Ook is een conclusie opgenomen of de zienswijze leidt tot een aanpassing of aanvulling van het TAM-plan. Tot slot zijn in de nota de ambtshalve wijzigingen van de gemeente in het TAM-plan samengevat.

De nota is opgenomen als Bijlage 20. De in de nota aangestipte wijzigingen zijn waar nodig doorgevoerd in het TAM-plan.

Vaststelling

Het wijzigingsbesluit is op 27 mei 2026 vastgesteld. Nadat het TAM-omgevingsplan is vastgesteld, bekendgemaakt en (de dag na bekendmaking) in werking is getreden, staat de rechtsgang open tegen het besluit.

6.3 Economische uitvoerbaarheid

In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, worden aangenomen dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.

Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, cofinanciering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit (Ob) maakt, anderszins verzekerd zijn, dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Ob.

Nadeelcompensatie
In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.

Toetsing
De gemeente is eigenaar van de gronden en zal de kavelverkoop ter hand nemen. Hiermee is er geen kostenverhaal op derden. In nadeelcompensatie kan op basis van titel 4.5 Awb worden voorzien.

Hoofdstuk 7 Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Voor de wijziging van het omgevingsplan gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat het omgevingsplan enkel mag worden gewijzigd als:

  • sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid Bkl);
  • als daarbij wordt voldaan aan de beoordelingsregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl.

Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan er in ieder geval toe leiden dat voor het gehele grondgebied van de gemeente functies evenwichtig aan locaties zijn toegedeeld. Deze taak vormt een voortzetting van het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wro, maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving. Het zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt in het omgevingsplan bereikt door activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren. Evenwichtig reguleren van activiteiten, impliceert een locatiegerichte benadering waarbij de schaarse ruimte binnen de fysieke leefomgeving op een zo goed mogelijke wijze wordt verdeeld, ingericht en benut. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet als resultante worden beschouwd van alle regels in het omgevingsplan.

Met het planvoornemen worden 52 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. In de voorgaande hoofdstukken is getoetst aan relevant beleid en zijn verrichte onderzoeken beschreven. Daarnaast is het planvoornemen getoetst aan de regels van het Bkl. Er wordt voldaan aan de standaardwaarden, zoals opgenomen in het Bkl. Er is geen aanleiding om op onderdelen hiervan af te wijken. Met het planvoornemen is dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.