direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Tussen de Gasten
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1969.TPZU25UITB01-VA01

Regels

Preambule 
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Tussen de gasten en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22ad] opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22ad] van het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22ad]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22ad]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

2.1 plan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Tussen de Gasten met identificatienummer NL.IMRO.1969.TPZU25UITB01-VA01 van de gemeente Westerkwartier;

2.2 omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Westerkwartier;

2.3 aanbouw

een gebouw dat door een scheidingsmuur is begrensd met het hoofdgebouw;

2.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.5 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

2.6 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

2.7 bebouwingspercentage

een percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

2.8 bed & breakfast

het bieden van de, ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben, welk verblijf en ontbijt moeten plaatsvinden in de woning;

2.9 bijgebouw

een gebouw dat een gebruikseenheid vormt met en dienstbaar is aan een, op hetzelfde bouwperceel gelegen, hoofdgebouw, maar daarmee niet in directe verbinding staat;

2.10 bouwen

bouwen als bedoeld in Bijlage I Omgevingswet;

2.11 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

2.12 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

2.13 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

2.14 bouwwerk

bouwen als bedoeld in Bijlage I Omgevingswet;

2.15 brandvoorschriftengebied

brandvoorschriftengebied als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

2.16 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

2.17 dakopbouw

de bovenste bouwlaag van een hoofdgebouw, waarbij de oppervlakte maximaal 30% van het basisoppervlak van het hoofdgebouw bedraagt;

2.18 erker

een hoek- of rondvormig uitgebouwd deel van een hoofdgebouw, bouwkundig bestaande uit een 'lichte' constructie met een overwegend transparante uitstraling;

2.19 evenement

een publieke activiteit bedoeld voor ontspanning en/of vermaak met een tijdelijk, plaatsgebonden karakter, die plaatsvindt in de openlucht of in tijdelijke onderkomens. Onder een evenement vallen activiteiten op het gebied van commercie, cultuur, religie, recreatie, sportieve, of daarmee gelijk te stellen activiteiten, zoals markten, braderieën, beurzen, kermissen, festiviteiten, wedstrijden, bijeenkomsten en festivals;

2.20 gebouw

gebouw als bedoeld in Bijlage I Omgevingswet;

2.21 hoofdgebouw

hoofdgebouw als bedoeld in Bijlage I Besluit bouwwerken leefomgeving;

2.22 kampeermiddel

een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, dan wel enig ander onderkomen ten behoeve van recreatief nachtverblijf, dat is bedoeld om te kunnen worden verplaatst;

2.23 kap

een dak dat voor minder dan 50% in het horizontale vlak ligt;

2.24 mantelzorg

mantelzorg als bedoeld in Bijlage I Besluit bouwwerken leefomgeving;

2.25 meetverschil

een door de feitelijke terreininrichting aanwezig verschil tussen het beloop van lijnen in het veld en een aangegeven functie- of bouwgrens;

2.26 met het wonen verenigbare functies
  • a. zakelijke en persoonlijke dienstverlening:
    het bedrijfsmatig verlenen van diensten aan bedrijven of personen zoals administratiekantoor, advocatenkantoor, reisbureau, artsenpraktijk, schoonheidssalon, kapsalon, en dergelijke, al dan niet met hieraan ondergeschikte detailhandel;
  • b. praktijkpand, praktijkruimte, kantoor, atelier:
    een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat door de indeling en inrichting bestemd is als beroeps- of bedrijfsmatige werkruimte voor medische, administratieve, artistieke, ambachtelijke en daarmee gelijk te stellen beroepen, al dan niet in combinatie met hieraan ondergeschikte detailhandel;

mits de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de ruimtelijke uitwerking of uitstraling met de woonfunctie in overeenstemming is;

2.27 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;

2.28 overkapping

elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder, dan wel met ten hoogste één wand;

2.29 peil
  • a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:
    • 1. de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. in andere gevallen:
    • 1. de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld;
  • c. indien in, op of over het water wordt gebouwd:
    • 1. het Normaal Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil);
2.30 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

2.31 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

2.32 speelplaats

een plek bedoeld voor kinderen om buiten te spelen, al dan niet met de daarbij behorende speelvoorzieningen;

2.33 uitbouw

een gebouw dat in directe verbinding staat met het hoofdgebouw en dat een uitbreiding van een ruimte in dat gebouw vormt;

2.34 voorgevel

de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie, dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt;

2.35 voorgevelrooilijn

een denkbeeldige lijn die strak loopt langs de naar de openbare weg gekeerde gevel(s) van een hoofdgebouw voor zover op dat deel van de openbare weg voorgevels zijn gericht;

2.36 weg

alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende parkeergelegenheden;

2.37 woning

een complex van ruimten, uitsluitend voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

2.38 zeer kwetsbaar gebouw

zeer kwetsbaar gebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving;

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het vierde lid, en voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. In afwijking van het eerste lid blijven de regels uit het Facetbestemmingsplan kruimelregeling (vastgesteld 20 november 2024), Parapluplan parkeren Westerkwartier (vastgesteld 14 juni 2023) en het Bestemmingsplan Geitenhouderijen (vastgesteld 29 september 2021) van overeenkomstige toepassing op de locatie Tussen de Gasten.
  • 4. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Tussen de Gasten, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand [NL.IMRO.1969.TPZU25UITB01-VA01 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van dit omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in lid 4.1 t/m 4.9.

4.1 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

4.2 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

4.3 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

4.4 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

4.5 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

4.6 de afstand tot de perceelgrens

vanaf de kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot de perceelgrens;

4.7 dakopbouwen

bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van de bouwhoogte van een bouwwerk, worden dakopbouwen als ondergeschikte bouwonderdelen aangemerkt, mits de bouwhoogte van een bouwwerk met niet meer dan 1,50 m wordt overschreden;

4.8 ondergeschikte bouwdelen

bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- of kroonlijsten en erkers buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. de functiegrens met niet meer dan 1,50 m wordt overschreden;

4.9 meetverschil

bij toepassing van het bepaalde in het plan ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken worden afwijkingen ten gevolge van meetverschillen buiten beschouwing gelaten, mits dat meetverschil, mede gelet op de aard en omvang van hierdoor toegelaten of toe te laten (bouw)werken of werkzaamheden, als van zeer beperkte betekenis kan worden aangemerkt.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 6 Groen

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de functie Groen.

6.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Groen mag gebruikt worden voor:

  • a. groenstroken;
  • b. beplanting;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. wegen, trottoirs, fiets- en voetpaden;
  • e. water en bermen;
  • f. in- en uitritten;

met daaraan ondergeschikt:

  • g. nutsvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
6.3 Bouwactiviteit
6.3.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

6.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel:

  • a. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 5,00 m bedragen.
6.4 Maatwerkvoorschriften

Er kunnen maatwerkvoorschriften worden gesteld over de plaats en afmeting van de bebouwing ten behoeve van:

  • 1. de verkeersveiligheid;
  • 2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 7 Maatschappelijk

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de functie Maatschappelijk.

7.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Maatschappelijk mag worden gebruikt voor:

  • a. educatieve voorzieningen;
  • b. voorzieningen voor kinderopvang
  • c. sportvoorzieningen;
  • d. sociaal-culturele voorzieningen;
  • e. evenementen;

met de daarbij behorende:

  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. speelvoorzieningen;
  • h. wegen, trottoirs en fiets- en voetpaden;
  • i. tuinen;
  • j. erven en terreinen;
  • k. bouwwerken.
7.3 Specifieke functieregels

Gronden en bouwwerken die op de verbeelding zijn aangewezen als Maatschappelijk mogen niet worden gebruikt voor:

  • a. een horecabedrijf, tenzij het betreft ondergeschikte horeca die ten dienste van in artikel 7.2 genoemde doeleinden;
  • b. detailhandel;
  • c. een speelplaats ter plaatse van 'overige zone - speelplaats uitgesloten'.
7.4 Bouwactiviteit
7.4.1 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. voor zover in een bouwvlak een gevellijn is aangegeven, wordt tenminste één gevel van een gebouw in de gevellijn gebouwd;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen en overkappingen bedraagt niet meer dan 50% van het bouwvlak;
  • d. de bouwhoogte van een gebouw bedraagt maximaal 8,00 m;
  • e. de bouwhoogte van een overkapping bedraagt maximaal 3,50 m;
  • f. de gezamenlijke oppervlakte van overkappingen is maximaal 350 m2.
7.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. een erf- of terreinafscheiding met een maximale bouwhoogte van 2,00 m mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. een erf- of terreinafscheiding buiten het bouwvlak heeft een maximale bouwhoogte van 1,00 m;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;
  • d. in afwijking van het bepaalde in sub c mogen speelvoorzieningen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 8,00 m, zij het dat een reclameaanduiding in de vorm van een bouwwerk nooit hoger mag zijn dan 6,00 m.
7.5 Maatwerkvoorschriften

Er kunnen maatwerkvoorschriften worden gesteld over de plaats en afmeting van de bebouwing ten behoeve van:

  • 1. de verkeersveiligheid;
  • 2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 8 Tuin

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de functie Tuin.

8.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Tuin mag worden gebruikt voor:

  • a. tuinen, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen bebouwing;

met daaraan ondergeschikt:

  • b. paden, verhardingen en parkeervoorzieningen;
  • c. groenvoorzieningen;
  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • g. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
8.3 Bouwactiviteit
8.3.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen als bedoeld in lid 4.8.

8.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. er mogen uitsluitend vlaggenmasten worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van vlaggenmasten zal ten hoogste 6,00 m bedragen.

Artikel 9 Verkeer - Verblijf

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de functie Verkeer - Verblijf.

9.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Verkeer - Verblijf mag worden gebruikt voor:

  • a. wegen en straten;
  • b. voet- en rijwielpaden;
  • c. groenvoorzieningen;
  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. speelvoorzieningen;
  • g. water;

met daaraan ondergeschikt:

  • h. tuinen en erven;

met de daarbij behorende:

  • i. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
9.3 Bouwactiviteit
9.3.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

9.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van lichtmasten mag maximaal 6,00 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag maximaal 5,00 m bedragen.
9.4 Maatwerkvoorschriften

Er kunnen maatwerkvoorschriften worden gesteld over de plaats en afmeting van de bebouwing ten behoeve van:

  • 1. de milieusituatie;
  • 2. de verkeersveiligheid;
  • 3. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 10 Water

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de functie Water.

10.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Water mag worden gebruikt voor:

  • a. waterlopen en waterpartijen;
  • b. waterberging;
  • c. bermen en beplanting;
  • d. oevers;

met daaraan ondergeschikt:

  • e. groenvoorzieningen;
  • f. nutsvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, dammen en/of duikers.
10.3 Specifieke functieregels

Gronden en bouwwerken die op de verbeelding zijn aangewezen als Water mogen niet gebruikt worden voor:

  • a. ligplaats voor (woon)schepen.
10.4 Bouwactiviteit
10.4.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

10.4.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 2,00 m bedragen.
10.5 Maatwerkvoorschriften

Er kunnen maatwerkvoorschriften worden gesteld over de plaats en afmeting van de bebouwing ten behoeve van:

  • 1. de verkeersveiligheid;
  • 2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 11 Wonen - 1

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de functie Wonen - 1.

11.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Wonen - 1 mag worden gebruikt voor:

  • a. wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor met het wonen verenigbare functies, met dien verstande dat niet meer dan 14 woningen zijn toegestaan;
  • b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;

met daaraan ondergeschikt:

  • c. groenvoorzieningen;
  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. speelvoorzieningen;
  • g. water;
  • h. wegen, straten en paden;

met de daarbij behorende:

  • i. tuinen en erven;
  • j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
11.3 Specifieke functieregels

Gronden en bouwwerken die op de verbeelding zijn aangewezen als Wonen - 1 mogen niet worden gebruikt voor:

  • a. vrijstaande bijgebouwen voor bewoning, anders dan voor mantelzorg;
  • b. wonen met verenigbare functies, zodanig dat:
    • 1. het bedrijfsvloeroppervlak ten behoeve van een met het wonen verenigbare functie meer bedraagt dan 30% van het vloeroppervlak van de gebouwen op een bouwperceel met een maximum van 50 m²;
    • 2. de functie ernstige of onevenredige hinder oplevert voor de woonomgeving en afbreuk doet aan het woonkarakter van de omgeving;
    • 3. er detailhandel plaatsvindt, tenzij het detailhandel betreft die ten dienste staat van en ondergeschikt is aan met het wonen verenigbare functies;
    • 4. de functie een zodanig verkeersaantrekkende werking heeft waardoor verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn;
  • c. een bed & breakfast.
11.4 Bouwactiviteit
11.4.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. als hoofdgebouw worden uitsluitend woningen gebouwd;
  • b. een hoofdgebouw wordt binnen een bouwvlak gebouwd;
  • c. een hoofdgebouw wordt vrijstaand gebouwd;
  • d. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt minimaal 3,00 m;
  • e. de goothoogte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal 3,50 m;
  • f. de bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal 10,00 m;
  • g. de dakhelling van een hoofdgebouw bedraagt minimaal 30° tot maximaal 60°.
11.4.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen zal per hoofdgebouw ten hoogste 70 m² bedragen;
  • b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen zullen ten minste 3,00 m achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd;
  • c. de goot- en bouwhoogte van een aan- of uitbouw of een bijgebouw zal ten hoogste de goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw bedragen, met dien verstande dat:
    • 1. de goothoogte van een aan- of uitbouw of een bijgebouw ten hoogste 3,00 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van een aan- of uitbouw of een bijgebouw ten hoogste 5,50 m bedraagt;
  • d. de afstand van aan- of uitbouwen en bijgebouwen tot de perceelgrens zal ten minste 1,00 m bedragen, tenzij het gebouw in de erfgrens wordt geplaatst.
11.4.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 3,00 m bedragen;
  • c. de oppervlakte van overkappingen zal per hoofdgebouw ten hoogste 30 m² bedragen;
  • d. overkappingen zullen achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd.
11.5 Aanvullende beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het omgevingsplan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 ook verleend als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, in de volgende gevallen:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen is ten hoogste 100 m2, mits:
    • 1. de oppervlakte van het bouwperceel niet meer is dan 600 m2:
    • 2. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen per bouwperceel niet meer is dan 200 m2;
    • 3. het bebouwingspercentage van het bouwperceel ten hoogste 50% is; of
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen is ten hoogste 70 m2, vermeerderd met 5% van de oppervlakte van het bouwperceel, mits:
    • 1. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet meer is dan 150 m2;
    • 2. en de oppervlakte van het bouwperceel tenminste 600 m2 is;
    • 3. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen per bouwperceel niet meer is dan 300 m²; of
  • c. aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd op minder dan 3 m achter de voorgevelrooilijn; of
  • d. de goot- en bouwhoogte van (gedeelten van) een aan- of uitbouw is niet meer dan de goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw, mits:
    • 1. de afstand van de aan-of uitbouw tot de perceelgrens minimaal 3 m is.
11.6 Maatwerkvoorschriften

Er kunnen maatwerkvoorschriften worden gesteld over de plaats en afmeting van de bebouwing ten behoeve van:

  • 1. de woonsituatie;
  • 2. de milieusituatie;
  • 3. de verkeersveiligheid;
  • 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 12 Wonen - 2

12.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de functie Wonen - 2.

12.2 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als Wonen - 2 mag worden gebruikt voor:

  • a. wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor het wonen verenigbare functies, met dien verstande dat niet meer dan 38 woningen zijn toegestaan;
  • b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen;

met daaraan ondergeschikt:

  • c. groenvoorzieningen;
  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. speelvoorzieningen;
  • g. water;
  • h. wegen, straten en paden;

met de daarbij behorende:

  • i. tuinen en erven;
  • j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
12.3 Specifieke functieregels

Gronden en bouwwerken die op de verbeelding zijn aangewezen als Wonen - 2 mogen niet worden gebruikt voor:

  • a. vrijstaande bijgebouwen voor bewoning, anders dan voor mantelzorg;
  • b. wonen met verenigbare functies, zodanig dat:
    • 1. het bedrijfsvloeroppervlak ten behoeve van een met het wonen verenigbare functie meer bedraagt dan 30% van het vloeroppervlak van de gebouwen op een bouwperceel met een maximum van 50 m²;
    • 2. de functie ernstige of onevenredige hinder oplevert voor de woonomgeving en afbreuk doet aan het woonkarakter van de omgeving;
    • 3. er detailhandel plaatsvindt, tenzij het detailhandel betreft die ten dienste staat van en ondergeschikt is aan met het wonen verenigbare functies;
    • 4. de functie een zodanig verkeersaantrekkende werking heeft waardoor verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn;
  • c. een bed & breakfast.
12.4 Bouwactiviteit
12.4.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. als hoofdgebouw worden uitsluitend woningen gebouwd;
  • b. een hoofdgebouw wordt binnen een bouwvlak gebouwd;
  • c. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt minimaal 3,00 m;
  • d. de goothoogte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal 6,00 m;
  • e. de bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal 10,00 m;
  • f. de dakhelling van een hoofdgebouw bedraagt minimaal 30° tot maximaal 60°, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'plat dak' de dakhelling minimaal 0° en maximaal 60° bedraagt;
12.4.2 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen zal per hoofdgebouw ten hoogste 70 m² bedragen;
  • b. aan- en uitbouwen en bijgebouwen zullen ten minste 3,00 m achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd;
  • c. de goot- en bouwhoogte van een aan- of uitbouw of een bijgebouw zal ten hoogste de goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw bedragen, met dien verstande dat:
    • 1. de goothoogte van een aan- of uitbouw of een bijgebouw ten hoogste 3,00 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van een aan- of uitbouw of een bijgebouw ten hoogste 5,50 m bedraagt;
  • d. de afstand van aan- of uitbouwen en bijgebouwen tot de perceelgrens zal ten minste 1,00 m bedragen, tenzij het gebouw in de erfgrens wordt geplaatst.
12.4.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 3,00 m bedragen;
  • c. de oppervlakte van overkappingen zal per hoofdgebouw ten hoogste 30 m² bedragen;
  • d. overkappingen zullen achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd.
12.5 Aanvullende beoordelingregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het omgevingsplan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 ook verleend als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, in de volgende gevallen:

  • a. de gezamelijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen is ten hoogste 100 m2, mits:
    • 1. de oppervlakte van het bouwperceel niet meer is dan 600 m2:
    • 2. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen per bouwperceel niet meer is dan 200 m2;
    • 3. het bebouwingspercentage van het bouwperceel ten hoogste 50% is; of
  • b. de gezamelijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen is ten hoogste 70 m2, vermeerderd met 5% van de oppervlakte van het bouwperceel, mits:
    • 1. de gezamelijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet meer is dan 150 m2;
    • 2. en de oppervlakte van het bouwperceel tenminste 600 m2 is;
    • 3. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen per bouwperceel niet meer is dan 300 m²; of
  • c. aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd op minder dan 3 m achter de voorgevelrooilijn;
  • d. de goot- en bouwhoogte van (gedeelten van) een aan- of uitbouw is niet meer dan de goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw, mits:
    • 1. de afstand van de aan-of uitbouw tot de perceelgrens minimaal 3 m is.
12.6 Maatwerkvoorschriften

Er kunnen maatwerkvoorschriften worden gesteld over de plaats en afmeting van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 13 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 14 Regels uiterlijk en plaatsing bouwwerken

In afwijking van het bepaalde in artikel 22.29 lid 1 onder b met betrekking tot het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken, geldt dat het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens het in Bijlage 1 opgenomen Beeldkwaliteitsplan Tussen de Gasten.

Artikel 15 Algemene gebruiksregels

15.1 Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

15.2 Specifieke gebruiksverboden

In aanvulling op 15.1 wordt in ieder geval strijdig als gebruik aangemerkt:

  • a. het gebruik van de gronden voor de opslag van (aan het oorspronkelijk verkeer onttrokken) voer-, vaar- en/of vliegtuigen, anders dan in het kader van de bedrijfsvoering;
  • b. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond, bodemspecie en puin en voor het storten van vuil, anders dan in het kader van de bedrijfsvoering;
  • c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  • d. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.

Artikel 16 Algemene aanduidingsregels

16.1 Brandvoorschriftengebied
16.1.1 Aanduidingsomschrijving

De als 'overige zone - brandvoorschriftengebied' aangewezen gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor de gronden aangewezen functies, mede aangewezen als brandvoorschriftengebied.

16.1.2 Specifieke gebruiksregels brandvoorschriftengebied

Ter plaatse van 'overige zone - brandvoorschriftengebied' wordt een speelplaats uitsluitend gesitueerd op een plaats waar de speelplaats wordt afgescheiden van de risicobron door een gebouw dat voldoet aan de aanvullende bouweisen die gelden voor gebouwen in een brandvoorschriftengebied.

16.2 Veiligheidszone - leiding
16.2.1 Aanduidingsomschrijving

De als 'veiligheidszone - leiding' aangewezen gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen functies, mede aangewezen voor het tegengaan van de vestiging van zeer kwetsbare gebouwen.

16.2.2 Aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken als zeer kwetsbaar gebouw.

16.2.3 Beoordelingsregels vergunningplicht

De omgevingsvergunning, bedoeld in 16.2.2, wordt verleend als hiervoor vooraf een positief advies is afgegeven door de Veiligheidsregio.

Artikel 17 Algemene bouwactiviteiten

17.1 Aanvullende beoordelingsregels algemene bouwactiviteiten

In aanvulling op 22.29 wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in 22.26 ook verleend als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, in de volgende gevallen:

  • a. bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot maximaal 10% van die maten, afmetingen en percentages; of
  • b. bij het plaatsen van straatmeubilair, zoals lichtmasten, en verkeerinstallaties met een maximum bouwhoogte van 15,00 m; of
  • c. bij het plaatsen van abri's, kunstwerken, vlaggenmasten en daarmee gelijk te stellen bouwwerken, met uitzondering van windmolens.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 18 Overgangsrecht

18.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Tussen de Gasten' aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Tussen de Gasten', mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het gestelde in sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%.
  • c. Het gestelde in sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Tussen de Gasten', maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
18.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van gronden ten dienste van de functie (of andere gebiedsaanwijzing) als bedoeld in hoofdstuk 2 dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Tussen de Gasten' en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Tussen de Gasten' strijdig gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Tussen de Gasten' strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na de inwerkingtreding van dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22ad Tussen de Gasten' voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het gestelde in sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.