| Plan: | Klokbekerweg 7 - Nieuwe natuur |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0995.BP00061-VG01 |
Initiatiefnemers hebben het plan opgevat om het huidige melkveebedrijf, gelegen aan de Klokbekerweg 7 te Lelystad, om te vormen naar een natuurboerderij. Het huidige melkveebedrijf bestaat uit circa 40,5 hectare agrarische gronden. Deze gronden worden omgevormd naar een natuurgebied waarin akker- en weidevogels intensief worden beschermd. Met een natuurboerderij, gelegen in het hart van het Rivierduingebied (circa 2500 hectare groot), worden schoonheid en eigenheid onderstreept, en krijgen de akker- en weidevogels (waarvoor de provincie zich al zo lang inzet) nog betere bescherming.
Het initiatief wordt ondersteund door de provincie Flevoland, binnen het 'Programma Nieuwe Natuur'. Met dit programma stimuleert de provincie ondernemers, bewoners, terreinbeherende organisaties en gemeenten met plannen voor de realisatie van nieuwe natuur in heel Flevoland.
Het in gebruik nemen van agrarische gronden als natuur is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2009 van de gemeente Lelystad en de eerste partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2009. Hiertoe moet een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld.
Het plangebied is gelegen in het buitengebied ten noordoosten van Lelystad. Het plangebied bestaat uit agrarische gronden, direct aansluitend aan het erf Klokbekerweg 7. Op figuur 1 is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. Het betreft de percelen G37 en G38.
Figuur 1: Ligging en begrenzing plangebied (uit het bijgevoegde projectplan Hoeve G38)
Het betreffende plangebied maakt onderdeel uit van het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2009 van de gemeente Lelystad (zoals vastgesteld op 16 februari 2010) en de eerste partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2009 (zoals vastgesteld op 18 februari 2014). Het plangebied heeft de enkelbestemming 'Agrarisch', de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - openheid' en voor een klein deel de gebiedsaanduiding 'geluidzone vliegverkeer - 1' (de noordwesthoek) en de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'. Figuur 2 bevat een uitsnede van de verbeelding (plankaart) van het bestemmingsplan Buitengebied 2009. Het in gebruik nemen van agrarische gronden als natuur is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2009 van de gemeente Lelystad en de eerste partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2009.
Figuur 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied 2009
Het bestemmingsplan 'Klokbekerweg 7 - Nieuwe natuur' bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van het plangebied weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting.
De toelichting van dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende hoofdstukken:
Hierin is eerst de huidige situatie van het plangebied beschreven, gevolgd door een beschrijving van het voorgenomen plan.
Hierin wordt ingegaan op het belangrijkste rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.
Hierin worden de relevante milieu- en omgevingsaspecten behandeld.
Hierin wordt ingegaan op de juridisch bestuurlijke aspecten; de opzet van de verbeelding en de opzet van de regels.
Hierin wordt tenslotte concluderend ingegaan op de ruimtelijke, economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Het plangebied aan de Klokbekerweg 7 te Lelystad is gelegen in het buitengebied, ten noordoosten van Lelystad en ten westen van Swifterbant. Het plangebied ligt in het hart van het Rivierduingebied. Het huidige melkveebedrijf (welke momenteel nog wordt gepacht) bestaat uit circa 40,5 hectare agrarische gronden (zie figuur 1 voor het erf en de omliggende gronden). Ook de omliggende gronden betreffen voornamelijk agrarische gronden en voor een relatief klein deel natuurgronden. De omliggende erven betreffen agrarische erven. In de directe omgeving doen 24 agrariërs aan agrarisch natuurbeheer binnen de Natuur - en Milieucoöperatie Rivierduingebied.
Het huidige plangebied en het direct omliggende gebied heeft natuurlijke, landschappelijke en archeologische waarden. Er zijn geen grote toeristische trekpleisters in de nabijheid. Het gebied ligt wel binnen een landelijk netwerk van fiets- en wandelpaden (zoals de Kuierlatten). Het bezoekerscentrum ‘de Kalverschuur’ ligt op loopafstand.
In figuren 3 tot en met 5 zijn enkele foto's van het plangebied opgenomen. Figuur 6 bevat een plattegrond van het huidige plangebied.
Figuur 3: Foto vanaf het erf naar het noordwesten
Figuur 4: Foto vanaf het erf naar het noorden
Figuur 5: Foto vanaf het erf naar het oosten
Figuur 6: Plattegrond plangebied
In deze paragraaf wordt een beknopte beschrijving gegeven van het voorgenomen plan. In Bijlage 1 van de regels van dit bestemmingsplan is het inrichtings- en beheerplan opgenomen. Initiatiefnemers hebben het plan opgevat om het huidige melkveebedrijf, gelegen aan de Klokbekerweg 7, om te vormen naar een natuurboerderij. Het huidige melkveebedrijf bestaat uit circa 40,5 hectare agrarische gronden. Deze gronden worden omgevormd naar een natuurgebied waarin akker- en weidevogels intensief worden beschermd. Het natuurgebied krijgt geen beschermde status, in de zin van 'Ecologische Hoofdstructuur' of 'Natura 2000-gebied'.
Natuurlijke inrichting
Aan de oostkant van het plangebied, langs de bestaande bosrand, worden kleinschalige akkers ingericht (op kavel G38, zie figuur 1). Een 5000 jaar oude kreekloop wordt weer zichtbaar gemaakt doordat de kreek wordt ontgraven. De vochtige kreekloop zal een grote aantrekkingskracht hebben voor vogels. Met de oever langs de kreek zal de Kuierlatten wandel-route worden uitgebreid. Halverwege zal een informatiebord worden geplaatst met de bijzonderheden van die plek zoals de vogels, het beheer, maar ook aardkundige waarden. Vanaf het pad kunnen wandelaars de vochtige kreek weerspiegeld zien in het landschap en genieten van de vogels, de natuurlijk bloeiende weides en de ouderwetse koeien. De zichtbare kreekbedding ondersteunt en versterkt het naastgelegen archeologisch reservaat. Bezoekers krijgen zo een prachtig beeld van de Swifterbant-cultuur en de rijke historie van het Rivierduingebied. De wandelroute gaat verder naar de Klokbekerweg. Vandaar zal de route langs de nevenkavel, naar de Visvijverweg lopen. De kavel daar, G37 (zie figuur 1), wordt naast weiland als kruiden- en faunarijk perceel ingericht. Langs de Klokbekerweg komen bloemen en bloem-plukstroken. Figuur 7 bevat een weergave van het inrichtingsplan, welke (goed leesbaar en op schaal) is opgenomen in Bijlage 1 van de regels van dit bestemmingsplan. Figuur 8 bevat enkele doorsnedes van het inrichtingsplan. Deze doorsnedes zijn ook opgenomen in Bijlage 1 van de regels van dit bestemmingsplan (goed leesbaar en op schaal).
Figuur 7: Weergave inrichtingsplan
Figuur 8: Weergave enkele doorsnedes van het inrichtingsplan
Plan versterkt Rivierduingebied
De projectlocatie is gelegen in het hart van het Rivierduingebied (circa 2500 hectare groot). Flevoland heeft in dit Rivierduingebied ingezet op akker- en weidevogelnatuur. Een natuurboerderij in het hart van het Rivierduingebied, zal de bestaande natuur versterken en body geven. In goede jaren is het in de omgeving van G37 en G38 een brongebied van waaruit soorten als graspieper en veldleeuwerik zich verspreiden. In mindere jaren is er in ieder geval een plek waar de populatie akker- en weidevogels terecht kan en waar jongen groot worden. Hiermee wordt het circa 2500 hectare grote gebied meer solide en wint het natuurbeheer aan belang.
Ook zal de natuurontwikkeling een ruimtelijke ‘stepping-stone’ voor de natuurontwikkeling in de hele provincie betekenen. Het kan worden gezien als een goede stap in de richting van meer particulier initiatief voor natuurbeheer, en richting een meer effectief lokaal natuurbeheer.
Inpuls weide- en akkervogelstand met agrarisch natuurbeheer
De boerderij ligt vlakbij het IJsselmeer, op de vogeltrekroute die ook de Oostvaardersplassen en Kamperhoek (onderdeel van de Ecologische Hoofdstructur) aan doet. Echter, nu staan de akker- en weidevogels weer in toenemende mate onder druk. De aantallen hollen achteruit. Wat de oorzaak is, is nog niet helemaal duidelijk, maar ook binnen het Rivierduingebied worden de aantallen van vroeger bij lange na niet gehaald. Ook op het land van de initiatiefnemers is het rustiger geworden met de vogels. Initiatiefnemers vinden het tijd voor een nieuwe stap en een nieuwe visie op het natuurbeheer: natuurbeheer ondersteund door een natuurboerderij in het hart van het werkgebied. Een natuurboerderij waar de vogels prioriteit hebben, zonder op duurzaamheid in te hoeven leveren. Met de aanleg van natuur op deze locatie zal de weide- en akkervogelstand in het hele Rivierduingebied een noodzakelijke extra impuls krijgen
Betrekken van bewoners en agrariërs
De initiatiefnemers willen de bewoners en agrariërs van Flevoland betrekken bij hun bedrijf om te laten zien dat natuurbeheer, vanuit een natuurboerderij, in een cultuurhistorisch rijk landschap goed samen kunnen gaan. Zo wil men bijvoorbeeld met de Natuurcoöperatie en het bezoekerscentrum 'De Kalverschuur' in de buurt, excursies en voorlichtingsavonden organiseren over het natuurbeheer en de natuurresultaten.
Natuurboerderij
Het huidige agrarische erf wordt omgevormd tot natuurboerderij. Vanuit dit erf worden wordt het natuurbeheer uitgevoerd (onder andere ook met 'dubbeldoel blaarkop koeien) en hier kunnen mensen worden ontvangen. Er zal kleinschalig verkoop van streekeigen en/of van het bedrijf afkomstige producten plaatsvinden binnen de bebouwing. Met betrekking tot het aantal aanwezige dieren (ten behoeve van het beheer van natuurgronden) wordt uitgegaan van maximaal 80, conform de milieuvergunning.
In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid dat betrekking heeft op het plangebied en de voorgenomen ontwikkeling beschreven. Het wordt benaderd vanuit het Rijks, provinciaal en gemeentelijk beleid. Aan het eind van elke paragraaf wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan het geldende beleid.
Het nationale beleid is in maart 2012 neergelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze visie vervangt verschillende nota's betreffende de ruimtelijke ordening, zoals bijv. de Nota Ruimte. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt geschetst hoe Nederland er in 2040 uit moet zien. Het gaat echter te ver om voor een kleinschalig bestemmingsplan als het onderhavige daar verder op in te gaan. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, hetgeen van een andere schaal en aard is dan de schaal die noodzakelijk is voor een (kleinschalig) bestemmingsplan. Gemeenten en provincies zijn, volgens de Rijksoverheid, beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren en hebben daarom in de SVIR meer bevoegdheden gekregen met betrekking tot het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid. Om deze reden, en omdat er geen relevant beleid vanuit de SVIR rechtsreeks doorwerkt op dit voorliggende plan, wordt in het kader van de opstelling van voorliggend bestemmingsplan niet nader ingegaan op het nationaal ruimtelijk beleid.
Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro wordt een aantal projecten die van Rijksbelang zijn met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. Binnen het Barro komen de volgende onderdelen aan bod:
In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijkswegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de EHS, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater, maximering van het de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer en is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. Per 1 juli 2016 zijn er nog enkele wijzigingen van de Barro van kracht geworden. Deze wijzigingen hebben geen directe invloed op het voorliggende plan. Wel is de term 'Ecologische Hoofdstructuur' gewijzigd in 'Natuurnetwerk Nederland' ('NNN').
De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro (artikel 3.1.6 lid 2) bepaalt dat voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen de treden van de ladder moet worden doorlopen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Het voorliggende plan betreft een functieverandering van agrarisch naar natuur. Agrarische gronden worden natuurlijk ingericht en het agrarische erf wordt omgevormd tot een erf van waaruit het natuurbeheer plaatsvindt. Het betreft geen stedelijke ontwikkeling in de zin van de Bro. Een verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet noodzakelijk.
Het onderhavige plan heeft verder geen betrekking op de overige benoemde onderdelen in het Barro en de Bro.
De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten. Dit betreffen de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
Voor beschermde Natura 2000-gebieden geldt dat er voor projecten en handelingen geen verslechtering van de kwaliteit van de habitats of een verstorend effect op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, mag optreden. Binnen de Natura 2000-gebieden zijn de Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied te onderscheiden. De Vogelrichtlijn (vastgesteld in 1979) is een regeling van de Europese Unie (EU) die tot doel heeft alle in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de EU te beschermen. De lidstaten van de EU zijn verplicht voor alle vogelsoorten die in hun land leven leefgebieden van voldoende grootte en kwaliteit te beschermen. De Europese Habitatrichtlijn (vastgesteld in 1992) beoogt de biologische diversiteit te waarborgen door het instandhouden van de (half)natuurlijke leefgebieden en de wilde flora en fauna. De Habitatrichtlijn is gericht op de bescherming van soorten en natuurlijke habitats. Hiervoor zijn eveneens speciale beschermingszones aangemeld. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied en deze gebieden liggen ook niet in de directe nabijheid van het plangebied. Een uitgebreide toetsing van het plan aan de wet- en regelgeving m.b.t. natuurbescherming (o.a. m.b.t. soortenbescherming) is opgenomen in paragraaf 4.1 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Hieruit blijkt dat het voorgenomen plan voldoet aan de wet- en regelgeving.
Voor luchthaven Lelystad geldt Luchthavenbesluit Lelystad. Dit besluit is vastgesteld op 12 maart 2015 en in werking getreden op 1 april 2015. Over het plangebied liggen twee zones m.b.t. een beperkingsgebied.
Op grond van artikel 10 van het Luchthavenbesluit met bijbehorende kaart in Bijlage 5d van dit besluit geldt voor dit gebied een hoogtebeperking voor 'obstakels' van 146,3 meter (zie figuur 9 voor een weergave van de kaart). Omdat de maximaal toegestane (bouw)hoogte in onderhavig bestemmingsplan veel lager is, wordt hieraan ruimschoots voldaan.
Figuur 9: Weergave kaart met hoogtebeperkingen, waarbij met rode pijl de ligging van het plangebied is aangegeven (uit het Luchthavenbesluit Lelystad).
Verder valt het plangebied op grond van artikel 13 van het Luchthavenbesluit met bijbehorende kaart in Bijlage 8 van dit besluit in het 'Laserstraalvrije gebied' ter bescherming van de vliegveiligheid. Ook dit is geen belemmering voor de realisering van onderhavig bestemmingsplan.
Relevant is nog dat het plangebied NIET ligt in het beperkingengebied in verband met vogelaantrekkende bestemmingen en grondgebruik ingevolge artikel 12 van het Luchthavenbesluit met bijbehorende kaart in Bijlage 7 van dit besluit (zie figuur 10). Het plangebied bevindt zich op ruime afstand van deze zone, te weten zo'n 8 kilometer.
Figuur 10: Weergave beperkingsgebied in verband met vogelaantrekkende werking (uit het Luchthavenbesluit Lelystad), waarbij het plangebied buiten dit beperkingsgebied ligt (plangebied is niet zichtbaar op deze kaart)
Het Luchthavenbesluit staat het voorgenomen plan daarmee niet in de weg. Overigens is voor de planologische vertaling van het Luchthavenbesluit op dit moment een ontwerpbestemmingsplan in procedure, waarin het Luchthavenbesluit een op een is vertaald.
Van vrijdag 22 juni 2018 tot en met woensdag 8 augustus 2018 liggen het ontwerp inpassingsplan en de ontwerpbesluiten ter inzage voor Windplan Blauw. Het betreft een gezamenlijk initiatief van Swifterwint B.V. en Nuon Wind Development om een windpark met bijbehorende voorzieningen te realiseren in het deelgebied Noord in de provincie Flevoland. Er worden o.a. windturbines aan de Klokbekertocht gerealiseerd. Dit op locaties net buiten het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan, aan de oostzijde. Van een windturbine valt de zone met de gebiedsaanduiding 'zone – overdraai 2' voor een klein deel binnen het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan. Hiermee wordt geregeld dat rotoren van de windturbine over de omliggende gronden mogen draaien en dat tevens een kraanopstelplaats is toegestaan met een maximum oppervlakte van 2.400 m2. Daarnaast is een bouwregel opgenomen om te voorkomen dat binnen deze zone nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Dit is niet beperkend voor het voorliggende plan.
Aan de noordzijde van het erf, en aan de noordzijde van het plangebied, lopen twee Hoogspanningsleidingen (van 150 kv) die met het ontwerp inpassingsplan 'Windpark Blauw' planologisch mogelijk worden gemaakt. Hiervoor zijn in het ontwerp inpassingsplan dubbelbestemmingen 'Leiding – Hoogspanning 150 kv' opgenomen. Deze dubbelbestemming is niet beperkend voor het voorliggende plan.
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het rijksbeleid en de wet- en regelgeving.
In het Omgevingsplan Flevoland 2006 is het integrale omgevingsbeleid van de provincie Flevoland voor de periode 2006-2015 neergelegd, met een doorkijk naar 2030. Op 7 december 2016 hebben Provinciale Staten van Flevoland besloten de partiële herziening Omgevingsplan 2006 - onderdeel natuur vast te stellen.
Beleid natuur en recreatie
Met betrekking tot natuur wordt in het Omgevingsplan Flevoland 2006 (inclusief de partiële herziening Omgevingsplan 2006 - onderdeel natuur) ingezet op het versterken van de samenhang in de Ecologisch Hoofdstructuur (EHS) / NatuurNetwerk Nederland (NNN). Doel van het NNN is de realisatie van een robuust landelijk samenhangend netwerk van natuurgebieden dat voldoende (leef-)ruimte biedt voor soorten en waarden die karakteristiek zijn voor de Nederlandse natuur, dat beleefbaar is voor mensen en dat bijdraagt aan het maatschappelijk welzijn. Hiervoor zijn ecologische verbindingen van belang. Het zijn vaak lintvormige elementen met een zodanige natuurlijke begroeiing dat verschillende diersoorten er voldoende beschutting vinden om de oversteek van het ene kerngebied naar het andere te wagen.
Daarnaast zet de provincie in op agrarisch natuurbeheer. Agrarisch natuurbeheer richt zich op het versterken van de natuurwaarden van het agrarisch gebied, doordat boeren gerichte beheersmaatregelen treffen. Voor Flevoland is jaarlijks voor netto ruim 500 hectare agrarisch natuurbeheer rijkssubsidie beschikbaar (plus 1.270 ha specifiek voor opvang van overwinterende ganzen). Dit is in verhouding tot andere provincies gering. De provincie streeft naar minimaal een verdubbeling tot 1.000 hectare agrarisch natuurbeheer en zal het rijk verzoeken de quota voor Flevoland te verhogen. Het instrument agrarisch natuurbeheer wil de provincie meer gaan inzetten ter versterking van het provinciale soortenbeleid en voor het behoud van bijzondere landschappelijke kwaliteiten. De provincie wil daarvoor vooral beheerpakketten openstellen die van belang zijn voor soorten waarvoor Flevoland een speciale verantwoordelijkheid heeft, zoals soorten van de leefgebieden 'agrarisch gebied', 'moeras' en 'kustzone'. Pakketten voor weidevogelbeheer worden niet uitgebreid, omdat Flevoland voor het voortbestaan van weidevogels in Nederland van relatief geringe betekenis is. Voor een aantal beheerpakketten is de effectiviteit mede afhankelijk van de concentratie binnen een gebied. Voor dergelijke pakketten geeft de provincie voorrang aan samenwerkingsverbanden zoals agrarische natuurverenigingen. Dit beleid werkt de provincie gebiedsgericht uit.
Tot slot is het relevant dat de provincie inzet op toeristisch-recreatieve ontwikkelingen. Deze zijn vooral kansrijk in en om natuurgebieden en in combinatie met een goede waterkwaliteit. De provincie wil toegankelijke natuurgebieden die bijdragen aan de versterking van de belevingswaarde van Flevoland.
Project sluit aan op het beleid natuur en recreatie
Het voorliggende plangebied maakt geen onderdeel uit van de EHS, maar sluit wel aan op de EHS en doelstellingen van de EHS. Het plangebied ligt vlakbij het IJsselmeer, op de vogeltrekroute die ook de Oostvaardersplassen en Kamperhoek (onderdeel van de EHS) aan doet. Kamperhoek dat door de vele trekvogels ook wel Klein Breskens wordt genoemd. De naast gelegen Noordertocht is aangewezen als ecologische verbindingszone. De vele natuurvriendelijke oevers die hier aanwezig zijn, in combinatie met brede, extensieve stroken bieden vogels en insecten nu al de ruimte. Het land is begrensd als weide- en als akkervogelbeheergebied. Het natuurlijke akkerbeheer, zoals voorzien in het voorliggende plan, in combinatie met integraal beweid grasland zal de veldleeuweriken, graspiepers, kwartels, en gele kwikstaarten bedienen. Deze vogels kunnen nu vanuit het kerngebied de aanvullende agrarische natuurstroken bij de collega-boeren bereiken. Het natuurlijke akkerbeheer, in combinatie met integraal beweid grasland door 'dubbeldoel blaarkop koeien', sluit aan op de beleidsdoelstelling voor meer agrarisch natuurbeheer. Tot slot loopt er een wandelpad langs het natuurgebied en is er (ten behoeve van de beleving van het gebied) een meetstoel (uitkijktoren) gerealiseerd.
Beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied 2008
Deze beleidsregel is op 1 juli 2008 in werking getreden. Gedeputeerde Staten heeft met deze beleidsregel willen aangeven op welke wijze zij omgaan met de uitgangspunten zoals die in het Omgevingsplan Flevoland 2006 zijn geformuleerd met betrekking tot kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied. De onderhavige beleidsregel heeft betrekking op de (voormalige) agrarische bouwpercelen in het landelijk gebied van Flevoland. Volgens de beleidsregel mag in totaal maximaal 30% van het (voormalige) agrarische bouwperceel voor deze niet-agrarische activiteiten bebouwd worden. Hier wordt in het voorliggende plan aan voldaan. Uit de planregels bij dit bestemmingsplan blijkt dat de bedrijfsbebouwing maximaal 3000 m2 mag bedragen, terwijl het bouwperceel een oppervlakte heeft van 1,3 hectare. De voorgenomen ontwikkeling vormt ook geen belemmeringen, en er ontstaat geen hinder, voor het functioneren van de naastgelegen (agrarische) bedrijven en/of activiteiten. De beleidsregel geeft aan dat niet-agrarische activiteiten die qua aard, omvang, verkeersaantrekkende werking en aantal werknemers primair thuishoren op een bedrijventerrein of industrieterrein dan wel in of aansluitend aan de bebouwde kom, niet zijn toegestaan. Dit geldt in ieder geval voor activiteiten die vallen in de milieucategorie 4 of hoger. Hier is in het voorliggende plan geen sprake van.
Het voorgenomen plan past daarmee binnen deze beleidsregel.
Beleid archeologie
Voordat de Zuiderzee ontstond, is het grondgebied van de provincie Flevoland ook al bewoond geweest. Duizenden jaren geleden hebben deze eerste inwoners van Flevoland sporen achtergelaten, die bewaard zijn gebleven in de bodem van Flevoland. Deze archeologische waarden zijn uniek. De provincie legt in haar beleid meer de nadruk op het vergroten van het maatschappelijk rendement van de archeologische monumentenzorg (bv. educatie en recreatie) en wil hiertoe belangrijke archeologische waarden behouden en hierover informeren. Dit sluit aan bij de verplichting uit het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed om archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem te behouden. In het archeologiebeleid maakt de provincie een onderscheid in Provinciaal Archeologische en Aardkundige Kerngebieden (PArK'en), archeologische aandachtsgebieden en de Top-10 archeologische locaties (zie figuur 11). Deze gebieden en locaties acht de provincie van provinciaal belang.
Figuur 11: Weergave archeologische beleidskaart (met blauwe pijl is de projectlocatie aangeduid)
Het plangebied maakt onderdeel uit van Provinciaal Archeologisch en Aardkundig kerngebied (Park), Rivierduingebied Swifterbant. Het plangebied valt binnen Top-10 archeologische locaties. Het gebied is gedefinieerd als 'Oeverwallen en rivierduinen Swifterbantcultuur'.
Archeologisch onderzoek
Gezien deze ligging, en gezien met het voorliggende plan aan de Klokbekerweg gronden worden geroerd, is archeologisch verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 2. In paragraaf 4.2 van de toelichting van dit bestemmingsplan wordt uitgebreid op het aspect archeologie, en de onderzoeksresultaten, ingegaan. Gezien de uitkomsten van het onderzoek wordt geadviseerd om geen verder onderzoek uit te voeren. Met betrekking tot het aspect archeologie zijn de gronden voor de uitvoering van dit project vrijgegeven (zie paragraaf 4.2 van de toelichting van dit bestemmingsplan).
De verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland (VFL) is op 1 september 2007 in werking getreden als vervanging van zes losse provinciale verordeningen en sindsdien enkele malen aangepast.Inmiddels is de 4e wijziging van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 vastgesteld. Er werkt geen wet- en regelgeving vanuit de verordening rechtstreeks door op dit bestemmingsplan.
De nieuwe Omgevingsvisie 'Flevoland Straks' is op 8 november 2017 vastgesteld door Provinciale Staten. Ook deze nieuwe Omgevingsvisie biedt ruimte aan ontwikkelingen als deze. Flevoland wil ruimte bieden voor ondernemingen, mensen die hun droom willen realiseren en willen bijdragen aan een duurzame toekomst van Flevoland.
De in 2014 vastgestelde toekomstvisie 'Flevoland verrassend groen' vormt de koepel voor het provinciale natuurbeleid. Uit de visie blijkt dat de provincie het bestaande natuurnetwerk als fundament voor de natuurkwaliteit wil blijven beschermen en gericht versterken. Speerpunten daarbij zijn: natte natuur, gevarieerde bosgebieden, goede verbindingen, overgangen tussen water en land en een duurzaam (natuur)beheer. Verder wil de provincie dat de bekendheid en de toegankelijkheid van de Flevolandse natuur toenemen en dat de kansen die er liggen voor bedrijvigheid in de vrijetijdssector worden benut. Ondernemers worden uitgedaagd om nieuwe ontwikkelingen op gang te brengen, waarbij de natuur wordt benut en tegelijkertijd versterkt. Ze worden geprikkeld om nieuwe ontwikkelingen te laten aansluiten op het bestaande landschapspatroon. Als overheid kiest de provincie daarbij zelf voor een uitnodigende en faciliterende rol. Dat betekent willen inspireren en ruimte bieden aan nieuwe coalities.
Vanuit deze faciliterende rol ondersteunt de provincie ook het voorliggende initiatief, via het 'Programma Nieuwe Natuur'. Met het plan wordt o.a. natte natuur gerealiseerd en natuur wordt beleefbaar gemaakt. Het plan past hiermee binnen de toekomstvisie 'Flevoland verrassend groen'.
De realisatie van het voorliggende plan past binnen het provinciale beleid en de verordening.
Het Structuurplan Lelystad 2015 is vastgesteld op 7 april 2005 en bevat een visie op de integrale leefomgeving, waarbij behalve het ruimtelijk beleid, ook bijvoorbeeld duurzaamheid, milieu en verkeer deel van uitmaken. De beleidsuitgangspunten vanuit het provinciaal beleid zijn vertaald in het structuurplan. De gemeenteraad van Lelystad heeft in januari 2014 de 'Structuurvisie Lelystad 2023' vastgesteld. Dit betreft een actualisatie van het uit 2005 daterende 'Structuurplan Lelystad 2015'.
In de beleidsdocumenten is aangegeven dat groen, water, rust en ruimte kernkwaliteiten zijn van Lelystad en waarden om te behouden en te versterken. Het voorliggende plan sluit hierop aan.
In de beleidsdocumenten wordt ook aangegeven dat het Rivierduingebied Swifterbant aangewezen is als Belvedére gebied. Het streven is om de archeologische waarde van het gebied zichtbaar en beleefbaar te maken, zodat het een echt onderdeel van de identiteit van het Rivierduingebied wordt. De gemeente Lelystad beschikt over nader beleid met betrekking tot archeologie. Dit betreft het document 'Archeologische Monumentenzorg in Lelystad'. Het beleid is vastgesteld door de gemeenteraad op 28 augustus 2008. Op de archeologische beleidsadvieskaart, die bestaat uit een maatregelenkaart en een archeologiekaart waarden en verwachtingen, is aangeduid dat het plangebied deel uitmaakt van het Provinciaal Archeologische Kerngebied Rivierduingebied. Geconcludeerd wordt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen in dit gebied archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Zonder aanvullend veldonderzoek kan hier niet beoordeeld worden of het bodemarchief hier nog aanwezig is en wat de dichtheid is van eventuele archeologische sporen en resten. Ten behoeve van het voorliggende plan is dit archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 3.2.1). Gezien de uitkomsten van het booronderzoek, waaruit blijkt dat er geen oeverwallen of rivierduinen binnen de ontgravingsdiepte die nodig is voor de sloot voorkomen, wordt geadviseerd om geen verder onderzoek uit te voeren.
Het voorliggende plan is niet in strijd met het gemeentelijke beleid. Daarnaast leidt het plan niet tot een aantasting van de archeologische waarden in het gebied.
Het voorliggende plan is getoetst aan de relevante milieu- en omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk worden de resultaten van deze toetsing beschreven en worden conclusies getrokken.
Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij soortenbescherming heeft men per 1 januari 2017 te maken met de nieuwe Wet natuurbescherming (dit was de Flora en faunawet). Bij gebiedsbescherming heeft men ook te maken met de Wet natuurbescherming (was de Natuurbeschermingswet) en met de Ecologische Hoofdstructuur/ Natuurnetwerk Nederland (EHS/NNN).
De Wet natuurbescherming richt zich o.a. op de bescherming van soorten. Hierbij wordt uitgegaan van het 'nee, tenzij'-principe. Bepaalde handelingen, waaronder ruimtelijke ingrepen waarbij beschermde soorten in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Door middel van bureauonderzoek en een terreinonderzoek is getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. De onderzoeksresultaten zijn weergegeven in de 'Quickscan flora en fauna' welke is opgenomen in de bijlagen (Bijlage 1).
In de quickscan wordt geconstateerd het voorgenomen plan naar verwachting zal leiden tot een tijdelijk beperkt verlies van leefgebied van enkele soorten van tabel 1 van de Flora- en faunawet (inmiddels de Wet natuurbescherming). Dit heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Daarnaast wordt het leefgebied voor veel van deze soorten na inrichting geschikter. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling. Een ontheffing is daarom niet noodzakelijk.
Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de wet een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden.
In het kader van de zorgplicht zijn de volgende maatregelen noodzakelijk:
Mits rekening gehouden wordt met de voorgenoemde maatregelen en werkwijze is geen overtreding van de natuurwetten aan de orde.
Natura 2000-gebieden
Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht.
Op ongeveer 1,5 kilometer afstand van het plangebied bevindt zich Natura 2000-gebied IJsselmeer (zie figuur 12). Gezien de afstand tot dit Natura 2000-gebied, de invulling van het tussenliggende gebied en de voorgenomen werkzaamheden wordt niet verwacht dat de werkzaamheden een invloed hebben op aangewezen habitattypen en -soorten. Derhalve is er geen reden om aan te nemen dat er kans is op een belemmering van de kernopgaven van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. De extensievere bedrijfsvoering heeft naar verwachting voornamelijk een positief effect op de aangewezen habitatsoorten en typen. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Figuur 12: Weergave Natura 2000-gebied (in rood gearceerd) binnen 3 kilometer van de projectlocatie (zie blauwe pijl) bron: http://www.synbiosys.alterra.nl
EHS/NNN
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk.
Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN/EHS. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN/EHS significant aantasten. Een toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Zie voor een weergave van EHS/NNN-gebied de afbeelding in figuur 13.
Figuur 13: Weergave EHS/NNN-gebied (in groen gearceerd) binnen 3 kilometer van de projectlocatie (zie blauwe pijl) bron: http://www.synbiosys.alterra.nl
Het voorgenomen plan voldoet aan de wet- en regelgeving betreffende soortenbescherming en gebiedsberscherming.
Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologisch monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Hierdoor is het Verdrag van Malta (Verdrag van Valletta) inzake de bescherming van archeologisch erfgoed in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het Verdrag van Malta gaat uit van het in de bodem bewaren van archeologische waarden op de locatie zelf (in situ). Opgravingen moeten zoveel mogelijk worden vermeden, omdat het risico bestaat dat historische informatie voor altijd verloren gaat. De achterliggende gedachte is dat de bodem zich nog steeds als de beste bewaarplaats bewezen heeft. Een andere gedachte, die hierbij speelt, is het gegeven dat latere generaties mogelijk over betere technieken van opgraven kunnen beschikken. Het verdrag wil verder bevorderen dat in een zo vroeg mogelijk stadium van ruimtelijke ordening al rekening wordt gehouden met archeologische waarden. Tenslotte gaat het verdrag uit van het beginsel 'de veroorzaker betaalt'. Dat wil zeggen dat degene die de bodem wil verstoren het archeologisch (voor)onderzoek en de eventuele opgraving zelf moet betalen. Het is van groot belang om de archeologische kwaliteiten van locaties in kaart te brengen.
Gezien de ligging van het plangebied in 'Provinciaal Archeologische Kerngebied Rivierduingebied' (zie figuur 9), is archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 2 voor het gehele onderzoeksrapport). Uit het booronderzoek blijkt dat in het traject van de toekomstige hoogwatersloot binnen de ontgravingsdiepte, zijnde 1 m-mv, Zuiderzee- en IJsselmeerafzettingen, Almere-afzettingen en Flevoafzettingen voorkomen. Stugge kleiafzettingen van oeverwallen zijn niet aangetroffen. De Almereafzettingen getuigen van een dynamisch milieu, waarin bewoning binnen het onderzoeksgebied niet mogelijk was. Daar waar de toekomstige hoogwatersloot de oude kreek gaat kruisen is vanaf 1,8 m diepte slappe klei met rietwortels aanwezig. Bij het booronderzoek zijn geen resten uit de middeleeuwen of nieuwe tijd gevonden. Gezien de uitkomsten van het booronderzoek, waaruit blijkt dat er geen oeverwallen of rivierduinen binnen de ontgravingsdiepte die nodig is voor de sloot voorkomen, wordt geadviseerd om geen verder onderzoek uit te voeren.
Het bevoegd gezag heeft de onderzoeksresultaten beoordeeld (zie Bijlage 3 voor deze beoordeling en de conclusie). Geconcludeerd is dat voor de realisatie van dit plan geen aanvullend archeologisch onderzoek nodig is. De archeologische verwachtingswaarde van het terrein blijft wel in stand. Voor nieuwe plannen in de toekomst of bij aanpassing van het huidige plan zal opnieuw getoetst moeten worden of mogelijk archeologische waarden geraakt worden en of hier voor maatregelen nodig zijn.
Met betrekking tot het aspect archeologie is het voorgenomen project uitvoerbaar.
Met de realisatie van natuur worden ook geen cultuurhistorische waarden in het gebied aangetast.
Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
Waterbeleid
De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Het Waterschap Zuiderzeeland heeft de beleidskaders nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. Het doel is te zorgen voor waterveiligheid, voldoende water en schoon water. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Watersysteem
In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.
Afvalwaterketen
Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.
Watertoets project Klokbekerweg.
Met het voorgenomen project worden een aantal ingrepen gedaan waarvoor een vergunning nodig is op grond van de Waterwet en de keur voor het gebruikmaken, wijzigen en creëren van waterstaatswerken en/of daartoe behorende beschermingszones. Dit betreffen de volgende ingrepen:
Ten behoeve van deze ingrepen is het plan afgestemd met het waterschap Zuiderzeeland en is een aanvraag om vergunning ingediend. Deze vergunning, op grond van de Waterwet en de keur voor het gebruikmaken, wijzigen en creëren van waterstaatswerken en/of daartoe behorende beschermingszones, is verleend op 25 september 2015 (zie Bijlage 4 van de toelichting van dit bestemmingsplan). Hiermee is het voorgenomen plan, betreffende het aspect water, uitvoerbaar. Nadat tegen deze vergunning bezwaar is ingediend heeft het waterschap overleg gevoerd met bezwaarde en initiatiefnemer. Dit heeft geleid tot enkele aanpassingen in het ontwerp van de inrichting van het gebied, welke ook zouden worden meegenomen in een nieuwe, ambtshalve te verlenen watervergunning. Deze nieuwe watervergunning is door het waterschap verleend op 3 oktober 2017 (zie Bijlage 5). De aanpassingen zijn reeds in het bestemmingsplan verwerkt voordat het voorontwerp ter inzage is gelegd.
Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Bij vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de gewenste ontwikkeling.
Bodemkwaliteit
In het voorliggende plan worden agrarische gronden, natuurlijk ingericht. Dit betreft geen percelen die verdacht zijn, betreffende bodemverontreinigingen. Gezien de toekomstige functie (natuur met agrarisch medegebruik) is geen reden tot nader bodemonderzoek. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.
Ontgrondingsvergunning
Het perceel G38 is provinciaal (verordening) aangeduid als 'Provinciale Archeologisch en Aardkundig Kernrandgebied'. Voor deze gebieden geldt dat er een ontgrondingsvergunning noodzakelijk is indien er dieper wordt gegraven dan 0,3 meter. In het voorliggende plan geldt dit voor de watergeulen. Hiervoor wordt een ontgrondingsvergunning aangevraagd. Gezien de uitkomsten van het archeologisch onderzoek (de grond is vrijgegeven) is er geen belemmering voor het verlenen van een ontgrondingsvergunning. De ontgrondingsvergunning is door de provincie Flevoland verleend op 13 oktober 2016 (Bijlage 6).
Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Ook is geluid van invloed op het welbevinden van mensen. Hierdoor komt het aspect geluid in veel verschillende wetten (met elk hun eigen reikwijdte) voor. Per 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. Hierin staat dat voor een bestemmingsplan inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai. Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting.
In het voorliggende geval is sprake van de realisatie van een natuurzone (met agrarisch medegebruik). Dit betreft geen geluidsgevoelige of geluidsproducerende bestemming. Een akoestisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur: 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. De inrichting van het plangebied als natuur is aan te merken als een project welke 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport. Het doel van het veiligheidsbeleid is zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken verplicht het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en op termijn ook het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) gemeenten en provincies bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet op de ruimtelijke ordening afstand te houden tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risicovolle activiteiten. Geregeld is hoe gemeenten moeten omgaan met risico's voor mensen in de omgeving van een risicobron als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in de risicobron. Afstanden die aangehouden moeten worden, worden bepaald door het plaatsgebonden risico van een risicovolle activiteit. Het ijkpunt voor het groepsrisico wordt bepaald door een oriëntatiewaarde. De externe veiligheid van risicobronnen wordt uitgedrukt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de risicobron.
Om in beeld te brengen of er in het plangebied en de directe omgeving risicobronnen aanwezig zijn, is de provinciale risicokaart geraadpleegd. Een uitsnede daarvan is weergegeven in figuur 14. In de directe omgeving van de te realiseren natuur zijn geen risicobronnen aanwezig. Aangezien de natuur geen directe toename van het aantal mensen ter plaatse veroorzaakt en er geen risicobronnen aanwezig zijn is een aanvullend onderzoek naar externe veiligheid niet noodzakelijk.
Figuur 14: Uitsnede risicokaart provincie Flevoland, met in rood aangegeven de risicobronnen en met groene pijl de projectlocatie
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen.
De realisatie van natuur heeft niet tot gevolg dat er milieubelastende of milieugevoelige functies gerealiseerd worden. Er is derhalve geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Opgemerkt wordt dat de nieuwe natuur niet leidt tot beperkingen voor bestaande bedrijven in het kader van stikstofdepositie.
Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.
Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben ook wel genoemd de 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst, deze geeft aan of er voor acitiviteiten en projecten beoordeeld moet worden of er een MER gemaakt moet worden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal:
De ontwikkeling betreft de realisatie van circa 40,5 hectare natuur. In de D-lijst van het Besluit m.e.r. is een dergelijke ontwikkeling aangemerkt als: 'Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan'. Voor deze activiteit is een drempelwaarde opgenomen. Het plan is m.e.r.-plichtig in alle gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw. Aangezien in het voorliggende plan circa 40,5 hectare natuur wordt gerealiseerd, is het plan niet m.e.r.-plichtig. Middels een aanmeldnotitie is een vormvrije m.e.r.-beoordeling aangevraagd. De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. is bijgevoegd (zie Bijlage 7).
Conclusie aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.
Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten is geconcludeerd dat er in dit geval geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de verdere planontwikkeling/ruimtelijke procedure is geen milieueffectrapport noodzakelijk conform het vigerende Besluit milieueffectrapportage. Deze aanmeldnotitie vormt de vormvrije m.e.r.
De hoofdentree tot het erf van de natuurboerderij vindt, net als in de huidige situatie, plaats over de Klokbekerweg. Deze verkeerssituatie is overzichtelijk en veilig. Parkeren, ook voor bezoekers, vindt plaats op het erf. Hiervoor is voldoende ruimte aanwezig.
In dit hoofdstuk zijn alle relevante omgevings- en milieuaspecten beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de wet- en regelgeving en uitvoerbaar is met betrekking tot milieu- en omgevingsaspecten.
Hoe gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt en wat er mag worden gebouwd staat in de regels en verbeelding. Op de verbeelding is de grens van het bestemmingsplangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende bestemmingen aangegeven. De bestemmingen worden met verschillende kleuren en letteraanduidingen weergegeven. Verder zijn aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen. Het uitgangspunt voor het nieuwe bestemmingsplan, is het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2009 van de gemeente Lelystad (zoals vastgesteld op 16 februari 2010) en de eerste partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2009 (zoals vastgesteld op 18 februari 2014). Tevens voldoet het bestemmingsplan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening, welke van kracht zijn per 1 juli 2008. Voor de bestemmingen en regels is gebruik gemaakt van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). De SVBP2012 regelt de standaardisering en uniformering van bestemmingen en regels. In het kader van de Wro is dit bestemmingsplan ook digitaal opgesteld. In dit hoofdstuk wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen voorliggend bestemmingsplan.
De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied.
Artikel 1 bevat de definities van de in de regels gebruikte begrippen, waarmee een eenduidige interpretatie van deze begrippen is vastgelegd. Hierdoor wordt onduidelijkheid voorkomen.
Artikel 2 geeft aan op welke wijze gemeten moet worden bij het beoordelen of de maatvoering in overeenstemming is met de regels.
Bij de 'Bestemmingsregels' wordt per bestemming aangegeven wat wel (of niet) mag. Hierbij wordt aangegeven hoe bestaand gemeentelijk beleid in het plan is verwerkt en op welke wijze nieuwe ontwikkelingen in het plan zijn opgenomen.
In dit bestemmingsplan gaat het met name om de bestemming 'Natuur - Voormalig agrarisch' (artikel 3). In dit bijbehorende artikel is bepaald hoe deze gronden gebruikt mogen worden en wat waar gebouwd mag worden. Ook het voormalige agrarische erf aan de Klokbekerweg 7 heeft deze bestemming gekregen, met een bouwvlak. Het voormalige agrarische bedrijf wordt hier omgevormd naar een natuurboerderij, gericht op het beheren van natuur. Hier mogen ook dieren worden gehouden, mits deze worden gehouden ten behoeve van het natuurbeheer. De bouwmogelijkheden op het erf zijn, ten opzicht van de huidige agrarische bestemming van het erf Klokbekerweg 7, ingeperkt in vergelijking met de mogelijkheden die het bestemmingsplan Buitengebied 2009 van de gemeente Lelystad (zoals vastgesteld op 16 februari 2010) en de eerste partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2009 (zoals vastgesteld op 18 februari 2014) biedt. Op basis daarvan mocht het gehele agrarische bouwblok in principe (onder voorwaarden) volgebouwd worden. In het voorliggende plan is bepaald dat de oppervlakte maximaal 3.000 m2 mag bedragen. Dit betreft een inperking in toekomstige bebouwingsmogelijkheden ten dienste van de natuurbestemming. Het betreft wel nog circa 10% meer aan oppervlakte dan er momenteel aanwezig is. De verkoop van streekeigen en/of van het bedrijf afkomstige producten wordt alleen toegestaan binnen bebouwing en met een oppervlakte van maximaal 40 m2.
In dit bestemmingsplan gaat het daarnaast om de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' (artikel 4). De gronden die een archeologische (verwachtings) waarde hebben, hebben deze dubbelbestemming gekregen. Dit conform het bestemmingsplan Buitengebied 2009 van de gemeente Lelystad (zoals vastgesteld op 16 februari 2010) en de eerste partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2009 (zoals vastgesteld op 18 februari 2014). Met betrekking tot deze bestemming zijn regels opgenomen voor bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.
Artikel 5 betreft de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding".
De algemene regels zijn regels die voor alle onderdelen van het plan van toepassing zijn. Deze algemene regels bestaan uit de anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels en overige regels.
Artikel 6 Anti-dubbeltelregel
Dit artikel regelt dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7 Algemene gebruiksregels
Dit artikel regelt enkele aspecten met betrekking tot het gebruik van gronden.
Artikel 8 Overige regels
In dit artikel is opgenomen dat wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
Artikelen 9 Overgangsrecht
Het overgangsrecht zoals dit staat in artikel 3.2.1 (bouwen) en artikel 3.2.2 (gebruik) van het Bro is hier opgenomen.
Artikel 10 Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke wijze de regels van dit bestemmingsplan moeten worden aangehaald.
Voor het maken van de verbeelding is gebruik gemaakt van de Grootschalige Basiskaart van Nederland (GBKN) voor de ondergrond. De verbeelding bevat alleen informatie die juridisch relevant is. Wat op de verbeelding staat komt terug in de planregels.
.
Dit hoofdstuk beschrijft de uitvoerbaarheid van het te ontwikkelen plan. De ruimtelijke uitvoerbaarheid, de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid wordt beschreven.
In voorgaande hoofdstukken is beschreven hoe voorgenomen project past binnen het van toepassing zijnde overheidsbeleid en de wet- en regelgeving. Geconstateerd is dat er geen omgevings- en milieukundige belemmeringen zijn. Ruimtelijk is de voorgenomen ontwikkeling daarmee uitvoerbaar.
Vooroverleg en voorontwerpbestemmingsplan
Het voorontwerpbestemmingsplan Klokbekerweg 7 – Nieuwe natuur met de bijbehorende stukken heeft van 26 september 2016 tot en met 6 november 2016 (6 weken) ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om inspraakreactie in te dienen op het voorontwerpbestemmingsplan. Ook is het voorontwerpbestemmingsplan in het kader van vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegezonden aan de desbetreffende instanties. Tegen het voorontwerpbestemmingsplan zijn in totaal 5 reacties ingediend, te weten 4 vooroverlegreacties en 1 inspraakreactie. In de 'Reactienota vooroverleg en inspraak', opgenomen in Bijlage 8 van deze toelichting, zijn deze reacties samengevat en is aangegeven wat er met deze reacties is gedaan.
De vooroverlegreacties en de inspraakreacties hebben niet geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Wel is de plantoelichting (paragraaf 3.2.1.) aangevuld met een relevante tekstpassage aangaande de 'Beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied 2008'.
Ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan met de bijbehorende stukken heeft met ingang van 5 april 2018 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze naar voren te brengen tegen het ontwerpbestemmingsplan. In de periode van terinzageligging is één zienswijze naar voren gebracht. In de 'Reactienota zienswijzen', opgenomen in Bijlage 9 van deze toelichting, is de zienswijze samengevat en is aangegeven wat er met deze zienswijze is gedaan. De zienswijze van de indiener is niet overgenomen en heeft geen aanleiding gegeven om het bestemmingsplan aan te passen.
In de toelichting van het bestemmingsplan was geen aandacht besteed aan de nieuwe Omgevingsvisie 'Flevoland Straks'. Hier is nu een korte alinea over opgenomen.
Van vrijdag 22 juni 2018 tot en met woensdag 8 augustus 2018 liggen het ontwerp inpassingsplan en de ontwerpbesluiten ter inzage voor Windplan Blauw. In paragraaf 3.1.5 van de toelichting van dit bestemmingsplan is hier aandacht aan besteed.
In beginsel is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In een exploitatieplan wordt opgenomen welke kosten met de uitvoering van het bouwplan gemoeid zijn en wie welke kosten voor zijn of haar rekening gaat nemen. Dit is opgenomen in artikel 6.12 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening. Deze verplichting geldt niet als het 'verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins is verzekerd', aldus lid 2 van dit artikel.
In onderhavig geval is het kostenverhaal anderszins verzekerd. De initiatiefnemers zullen het plan eigen kosten realiseren, waarbij het initiatief wel financieel wordt ondersteund door de provincie Flevoland binnen het 'Programma Nieuwe Natuur'.
Er zijn voor de gemeente dan ook geen kosten gemoeid, anders dan de kosten waarvoor de initiaitiefnemers leges zullen betalen. Er is daarmee geen verplichting voor de gemeente om een exploitatieplan op te stellen. De kosten die de gemeente maakt in het kader van dit plan worden verhaald op initiatiefnemer.
Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan ruimtelijk, maatschappelijk, en economisch uitvoerbaar is. De voorgenomen ontwikkeling kan dus worden gerealiseerd.