direct naar inhoud van Regels
Plan: Klokbekerweg 7 - Nieuwe natuur
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0995.BP00061-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

Het bestemmingsplan Klokbekerweg 7 - Nieuwe natuur, met identificatienummer NL.IMRO0995.BP00061-VG01 van de gemeente Lelystad;

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO0995.BP00061-VG01 met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 agrarische bedrijvigheid

bedrijvigheid, geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in:

  • a. akker- en tuinbouw: de teelt van gewassen op open grond; daaronder niet begrepen bosbouw, sierteelt en fruitteelt;
  • b. fruitteelt: de teelt van fruit op open grond;
  • c. grondgebonden veehouderij: het houden van vee (nagenoeg) geheel op open grond, waaronder begrepen de teelt van ruwvoedergewassen; onder grondgebonden veehouderij wordt hier in ieder geval verstaan: het houden van melkrundvee;
  • d. intensieve veehouderij: agrarische bedrijvigheid bestaande uit fokkerij, houderij en/of mesterij van vee, zoals varkens, kalveren en pluimvee, niet zijnde melkveehouderij, die functioneel geheel of overwegend niet afhankelijk is van de ter plaatse bij het agrarisch bedrijf behorende grond als productiemiddel en die plaatsvindt zonder of nagenoeg zonder weidegang;
  • e. glastuinbouw: de teelt van tuinbouwgewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen;
  • f. paardenfokkerij: het fokken van veulens en de opfok van jonge paarden met de daaraan verbonden basistraining tot een leeftijd van 2 à 3 jaar;
  • g. kwekerij: het telen, kweken en verzorgen van bomen, heesters, struiken, planten en bloemen of tuinbouwzaden, al dan niet met behulp van kassen en al dan niet gecombineerd met de handel in boomkwekerijgewassen en vaste planten en niet zijnde detailhandel;
1.6 ander bouwwerk

een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

1.7 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.8 bebouwingspercentage

de oppervlakte van de bebouwing binnen een bouwvlak, of binnen een bestemmingsvlak indien daarbinnen geen bouwvlak voorkomt, uitgedrukt in een percentage van de oppervlakte van dat vlak;

1.9 bestaand
  • a. met betrekking tot bebouwing: de bebouwing als aanwezig ten tijde van het in ontwerp ter visie leggen van het plan;
  • b. met betrekking tot gebruik: het gebruik ten tijde van het rechtskracht verkrijgen van het plan;
1.10 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.11 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.12 bijbehorend bouwwerk

een vrijstaand, of aangebouwd, niet voor bewoning bestemd gebouw, behorende bij de woning of het hoofdgebouw op hetzelfde bouwvlak;

1.13 boogkas

een transparante afdekking van gewassen met een hoogte kleiner dan 1 m;

1.14 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.15 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.16 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.17 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel;

1.18 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. Een bouwvlak wordt aan de zij- en achterzijde omsloten door een erfsingel;

1.19 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.20 erf

het bouwvlak (met aansluitende erfbeplanting) tot aan het hart van de (denkbeeldige) erfsloot, plus de daarbij behorende gronden gelegen tussen het bouwvlak en de weg;

1.21 erfsingel

een strook beplanting van ten minste 6 m breed, danwel ten minste 3 m breed ingeval van een direct aangrenzend erf, dat is verplicht als begrenzing van het erf;

1.22 extensieve openluchtrecreatie

vormen van recreatief medegebruik van het agrarisch en/of natuurgebied door middel van al dan niet aangelegde en aanwezige voorzieningen, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruime, zoals wandel-, ruiter- en fietspaden, vis- en picknickplaatsen en strandjes;

1.23 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.24 grondgebonden agrarisch bedrijf

een veehouderij-, akkerbouw-, tuinbouw- of fruitteeltbedrijf, dat functioneel geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van de ter plaatse bij het bedrijf behorende grond als agrarisch productiemiddel;

1.25 kas

pstallen van glas of ander lichtdoorlatend materiaal, boog- en tunnelkassen en schermhallen met een hoogte van 1 m of meer boven het maaiveld;

1.26 natuurboerderij

bedrijvigheid, geheel of overwegend gericht op natuurbeheer, waaronder begrepen het houden van dieren die nodig zijn voor natuurbeheer;

1.27 overkapping

een bouwwerk, al dan niet aangebouwd aan een gebouw of een ander bouwwerk en bestaande uit een slechts van boven afgesloten of afgedekte ruimte, dat:

  • a. bij plaatsing voor de voorgevelrooilijn, geen tot de constructie zelf behorende wanden heeft, en
  • b. bij plaatsing achter de voorgevelrooilijn, maximaal drie wanden heeft waarvan er maximaal twee tot de constructie behoren;
1.28 peil
  • a. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aan het bouwwerk aansluitende afgewerkte maaiveld;
1.29 seksinrichting

een inrichting, bestaande uit een of meer voor publiek toegankelijke, besloten ruimten, waarin bedrijfsmatig of op een daarmee vergelijkbare wijze, seksuele handelingen worden verricht;

1.30 tunnelkas

een bouwwerk voorzien van een bedekking van lichtdoorlatend kunststof, met een hoogte groter of gelijk aan 1 m, ten behoeve van het kweken en telen van gewassen;

1.31 voorgevelrooilijn

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw, of indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt.

Artikel 2 Wijze van meten

bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de afstand tot de (zijdelingse) bouwperceelgrens

vanaf het dichtstbijzijnde punt van een (hoofd)gebouw tot de (zijdelingse) bouwperceelgrens;

2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.3 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.4 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.5 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.6 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Natuur - Voormalig agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur - Voormalig agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende danwel daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden;
  • b. de uitoefening van een natuurboerderij, uitsluitend binnen een bouwvlak, en gericht op het beheren van natuur;
  • c. watergangen, sloten, beken, poelen en andere waterpartijen;
  • d. extensieve openluchtrecreatie, voor zover de onder a en c bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • e. extensief agrarisch medegebruik, voor zover de onder a en c bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • f. natuurvoorlichting en -educatie;
  • g. kleinschalig duurzaam opwekken van energie ten behoeve van de ontwikkeling en beheer van natuur;
  • h. half- en onverharde wegen;

met daaraan ondergeschikt:

  • i. de verkoop van streekeigen en/of van het bedrijf afkomstige producten.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Toegestane bouwwerken binnen bouwvlak

Binnen het bouwvlak op de gronden als bedoeld in lid 3.1 mag uitsluitend worden gebouwd de bij een natuurboerderij behorende bebouwing en onder die bebouwing zijn begrepen ten hoogste één woning zijnde de bedrijfswoning, en daarbij behorende gebouwen.

3.2.2 Toegestane bouwwerken buiten bouwvlak

Op en in de gronden als bedoeld in lid 3.1, mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. gebouwen voor sanitair en beheer;
  • b. andere bouwwerken, waaronder niet begrepen;
    • 1. bouwwerken voor mestopslag, sleufsilo's en andere silo's;
    • 2. tunnelkassen;
    • 3. antennemasten.

3.2.3 Bouwen binnen bouwvlak

Voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in sublid 3.2.1, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de afstand van gebouwen tot het hart van de sloot mag niet minder dan 8 m bedragen, tenzij bebouwing op minder dan 8 m uit het hart van de sloot is gebouwd, dan dient te worden gebouwd in het verlengde van de bestaande bebouwing;
  • b. bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd 5 m achter het verlengde van de voorgevelrooilijn van de betreffende bedrijfswoning;
  • c. de maximale toegestane oppervlakte van bedrijfswoningen bedraagt 200 m² per bedrijfswoning;
  • d. de gezamenlijke oppervlakte van bij een zelfde bedrijfswoning behorende bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 100 m² bedragen;
  • e. de verkoop van streekeigen en/of van het bedrijf afkomstige producten is alleen toegestaan binnen bebouwing en met maximale toegestane oppervlakte van 40 m2;
  • f. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen ten behoeve van een natuurboerderij mag niet meer dan 3.000 m² bedragen;
  • g. de goothoogte en hoogte van gebouwen en de hoogte van andere bouwwerken mogen niet meer bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:

  Max. goothoogte   Max. bouwhoogte  
bedrijfsgebouwen   8,5   15  
bedrijfswoningen   -   10  
bijbehorende bouwwerken   3   6  
bouwwerken voor mestopslag   -   7,5  
voedersilo's   -   30  
antennemasten   -   20  
erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn   -   1  
overige erf- en terreinafscheidingen   -   2  
onerige andere bouwwerken, binnen bouwvlak   -   4m  

3.2.4 Bouwen buiten bouwvlak

Voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in sublid 3.2.2 onder b, gelden de volgende bepalingen:

  • a. van gebouwen mag de oppervlakte niet meer dan 25 m² en de bouwhoogte niet meer dan 3 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van andere bouwwerken mag niet meer dan 1,5 m bedragen, waarbij geldt dat er per bestemmingsvlak maximaal 1 uitkijktoren van maximaal 4 meter is toegestaan;
  • c. de afstand van de weg-as tot gebouwen en andere bouwwerken bedraagt minimaal 30 meter, gemeten loodrecht uit de as van de weg,

3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Extra zelfstandige woonruimte

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.1 ten behoeve van het bouwen van binnen een zelfde bouwperceel ten hoogste één zelfstandige woonruimte, in of aan een bedrijfswoning, indien daarvoor dringende sociale redenen bestaan en vooraf vaststaat dat het tijdelijke huisvesting betreft.

Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van de betreffende bedrijfswoning en de bedoelde woonruimte mag niet meer dan 200 m² bedragen;
  • b. de goothoogte en bouwhoogte van de bedoelde woonruimte mogen niet meer bedragen dan die van de betreffende bedrijfswoning, met dien verstande dat de bouwhoogte niet hoger mag zijn dan 10 m;
  • c. op geen van de gevels van de bedoelde woonruimte mag, bij voltooiing, de geluidbelasting vanwege een weg de ter plaatse toegestane grenswaarde krachtens de Wet geluidhinder overschrijden;
  • d. de verbouwing dient op een zodanige wijze te geschieden, dat de extra zelfstandige woonruimte in of aan de betreffende bedrijfswoning, bij beëindiging van de tijdelijke huisvesting, ongedaan kan worden gemaakt.
3.3.2 Bouwen niet voor bewoning bestemde gebouwen ten dienste van de bestemming

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 3.2.4 ten behoeve van het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen ten dienste van de bestemming mits:

  • a. de noodzaak daarvan is aangetoond, en
  • b. de in lid 3.1 bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast.

Hierbij dienen de volgende bepalingen in acht te worden genomen:

  • c. het aantal gebouwen mag per oppervlakte-eenheid van 25 ha van gronden als bedoeld in lid 3.1, ten hoogste 1 bedragen;
  • d. de oppervlakte van gebouwen mag niet meer dan 30 m² bedragen, en
  • e. de goothoogte respectievelijk hoogte mag niet meer dan 3,5 m respectievelijk 6 m bedragen.

3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Voorwaardelijke verplichting

De voor 'Natuur – Voormalig agrarisch' aangewezen gronden mogen niet worden gebruikt voor de in artikel 3.1 onder b, d, e, f en i genoemde functies, indien:

  • a. niet binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan de aanleg van de inrichtingsmaatregelen conform het in Bijlage 1 van de regels opgenomen inrichtings- en beheerplan is gerealiseerd en deze niet in stand worden gehouden;  
  • b. niet is voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, waarbij in ieder geval dient te worden voldaan aan de gemiddelde parkeernormen zoals opgenomen in de CROW-publicatie nummer 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' en dat indien deze publicatie gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging;
  • c. In afwijking van het bepaalde onder b kan het bevoegd gezag:
    • 1. met maximaal 10% afwijken van de toe te passen parkeernorm, indien dit naar het oordeel van het bevoegd gezag in individuele gevallen tot niet bedoelde en onaanvaardbare normen leidt;
    • 2. een andere parkeernorm hanteren indien gewijzigde inzichten of beleid dit rechtvaardigen.

3.5 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in

3.4.1 onder a indien in plaats van de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in Bijlage 1 van de regels andere inrichtingsmaatregelen worden getroffen, met dien verstande dat:

  • a. de inrichtingsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in Bijlage 1 opgenomen inrichtingsmaatregelen en voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke en natuurlijke waarden waarvoor de in Bijlage 1 genoemde maatregelen zijn bepaald;
  • b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden.

3.5.1 Afwegingskader

Een in genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. de mate waarin de belangen van gebruikers en/of van eigenaren van de aanliggende gronden kunnen worden geschaad;
  • b. de mate waarin de uitvoerbaarheid is aangetoond, waaronder begrepen de toelaatbaarheid op het gebied van milieu, externe veiligheid, waterhuishouding, ecologie en archeologie;
  • c. de mate waarin de landschappelijke en natuurlijke inpasbaarheid is aangetoond;
  • d. de mate waarin de verkeerssituatie wordt beïnvloed, waaronder begrepen de gevolgen voor de infrastructuur.

Artikel 4 Leiding - Hoogspanningsverbinding

 

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Leiding - Hoogspanningsverbinding" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor hoogspanningsverbinding met daarbij behorende voorzieningen.

4.2 Bouwregels

Op de gronden als bedoeld in lid 4.1, mogen, in afwijking van het overigens in deze regels bepaalde ten aanzien van het bouwen op en in deze gronden, uitsluitend andere bouwwerken ten behoeve van de betreffende leiding worden gebouwd.

4.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen, na advies te hebben ingewonnen van de leidingbeheerder, met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2, ten behoeve van het bouwen overeenkomstig het ten aanzien van de betreffende, andere bestemming bepaalde, mits daardoor de veiligheid van mens, dier en goederen en de goede werking van de hoogspanningsverbinding niet in gevaar worden gebracht.

Artikel 5 Waarde - Archeologie

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en) (basisbestemming), mede bestemd voor bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

5.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.2.1 Vergunningplicht

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in sublid 5.2.2 , zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de in lid 5.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van graafwerkzaamheden, het roeren en omwoelen van gronden;
  • b. het verlagen van de bodem en afgraven van gronden,
  • c. het graven of anderszins aanbrengen van watergangen en waterpartijen;
  • d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  • e. het ophogen en egaliseren van gronden.

5.2.2 Uitzonderingen op verbod

Het in sublid 5.2.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden:

  • a. in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • b. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • c. werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden conform het in Bijlage 1 van de regels opgenomen inrichtings- en beheerplan.

5.2.3 Toelaatbaarheid werken en werkzaamheden

De werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden als bedoeld in sublid 5.2.1 , zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. door die werken of werkzaamheden, danwel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, danwel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en
  • b. vooraf door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

5.2.4 Nadere eisen

In geval van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op en in mede voor "Waarde - Archeologie" aangewezen gronden:

  • a. dient in het belang van de archeologische monumentenzorg door aanvrager van de bouwvergunning een rapport te worden overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, en
  • b. kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan de vergunning de volgende verplichtingen worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

5.3 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie", het bestemmingsplan te wijzigen zodanig dat:

  • a. de dubbelbestemming naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval wordt verwijderd, voorzover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van opgravingen, daartoe aanleiding geeft;

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene gebruiksregels

7.1 Vormen van verboden gebruik

Een verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, is in ieder geval ook het gebruik van:

  • a. de voor “Natuur – Voormalig agrarisch” aangewezen gronden voor de in artikel 3.1 onder b, d, e en f genoemde functies in in strijd met artikel 3.4.1.
  • b. gronden en bouwwerken als of ten behoeve van een seksinrichting;
  • c. onbebouwde gronden:
    • 1. als stand- of ligplaats van kampeermiddelen, en andere onderkomens;
    • 2. als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten;
    • 3. voor het beproeven van voertuigen, voor het racen of crossen met motorvoertuigen of bromfietsen en voor het beoefenen van de modelvliegtuigsport;
    • 4. voor militaire oefeningen met rups- en andere zware voertuigen.

een en ander tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden.

7.2 Voorzieningen ten behoeve van riolering

Een verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, is in ieder geval niet het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van de riolering, zoals voorzieningen voor Individuele Behandeling van Afvalwater en helofytenfilters.

Artikel 8 Overige regels

8.1 Werking wettelijke regelingen

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 9 Overgangsrecht

9.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sublid a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het sublid a. met maximaal 10%.
  • c. Sublid a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
9.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet, behoudens voor zover uit de Richtlijn 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaand gebruik.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sublid a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in sublid a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Sublid a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 10 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

'Regels van het bestemmingsplan 'Klokbekerweg 7 - Nieuwe natuur'

Behorend bij het besluit van de gemeenteraad d.d. 11-09-2018.