| Plan: | Peelwachter Ospel |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0946.BPPeelwachter2020-VA01 |
Het planvoornemen is om ter plaatse van een voormalig garagebedrijf/autosloperij op de splitsing Meijelsedijk/Plattepeeldijk een woningbouwontwikkeling met maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing mogelijk te maken. De woningbouwontwikkeling betreft het realiseren van 20 levensloopbestendige woningen voor (hulpbehoevenden) ouderen dan wel (oudere) jongeren in het groen als overgang naar het aangrenzende buitengebied. Een toelichting op het beoogde woonconcept is toegevoegd als Bijlage 1 aan deze toelichting. Aan de 'voorzijde' van het plangebied wordt de voormalige boerderij herbouwd in combinatie met een poortwoning. Deze bebouwing wordt aangemerkt als 'poortgebouw' en vormt de entree tot de rest van het plangebied waar de woningen in clusters worden gesitueerd. In het 'poortgebouw' komt een maatschappelijke voorziening in de vorm van een multifunctionele ruimte in combinatie met een experience centre/museum. Tevens wordt voorzien in ondergeschikte horeca ten dienste van de multifuntionele ruimte en het experience centre/museum. De multifunctionele ruimte is met name bedoeld voor het organiseren van activiteiten voor de bewoners maar ook voor omwonenden dan wel eventuele andere doelgroepen. Het experience centre/museum is bedoeld om geinteresseerden kennis te laten maken met de geschiedenis van Ospel en omgving. Het geheel wordt landschappelijke ingepast waardoor een woonomgeving in het groen ontstaat waar het prettig wonen moet zijn met voldoende uitloopmogelijkheden voor de bewoners maar ook voor de omgeving. Met het planvoornemen is daarmee sprake van een aanzienlijke kwaliteitsverbetering van deze locatie in relatie tot de omgeving en als overgang naar het aangrenzende buitengebied. Tevens wordt als onderdeel van de kwaliteitsverbetering voormalige agrarische en niet agrarische bebouwing, zowel binnen het plangebied als in de directe omgeving, gesloopt. In totaal betreft het 10.000 m2.
Het plangebied is gelegen in het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert' (vastgesteld 24 november 2009) met de bijbehorende diverse herzieningen (1e, 2e, 5e en 6e). Op basis hiervan is voor het plangebied de bestemming 'Agrarisch' en dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' in combinatie met de functieaanduidingen 'bedrijfswoning' (ter plaatse van de oude boerderij) en 'specifieke vorm van agrarisch - garagebedrijf/autosloperij'van kracht. Verder zijn van toepassing de gebiedsaanduidingen 'milieuzonering - boringsvrije zone', veiligheidszone - lpg' (gedeeltelijk) en 'wro-zone - bebouwingsconcentratie (gedeeltelijk).
De tot agrarisch bestemde gronden zijn uitsluitend bestemd voor agrarisch grond gebruik (achterste deel perceel) en garagebedrijf/autosloperij met bedrijfswoning (voorste deel perceel). De realisatie van de woningbouwontwikkeling met maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing is op basis van het thans gelden planologisch-juridisch regime niet mogelijk. Om het beoogde planvoorneem te realiseren is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk om hiermee het planvoornemen planologisch-juridisch mogelijk te maken.
Het vigerende bestemmingsplan kent geen wijzigingsbevoegdheid om medewerking te kunnen verlenen aan het beoogde planvoornemen. Derhalve is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk om dit planvoornemen planologisch-juridisch mogelijk te maken. Via een nieuw vast te stellen bestemmingsplan zullen de gebruiks- en bouwmogelijkheden ter plaatse van het plangebied zodanig gewijzigd worden dat het planvoornemen planologisch-juridisch mogelijk is qua gebruik en bouwen.
Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nederweert hebben zich bij brief van 29 april 2020 (kenmerk UIT-20-33929) in principe bereid verklaard om medewerking te verlenen aan onderhavig planvoornemen. In dat kader is onderhavig bestemmingsplan opgesteld bestaande uit een toelichting ter verantwoording van het planvoornemen met de bijbehorende regels en verbeelding als (nieuw) planologisch-juridisch kader. Als onderdeel van het planvoornemen worden de locaties waar de sloop van voormalige bedrijfsbebouwing in dit bestemmingsplan waar nodig meegenomen, waarbij de bouwmogelijkheden voor eventuele nieuwe bebouwing (na sloop) wordt wegbestemd en de gebruiksmogelijkheden beperkt tot wonen.Een uitzondering hierop vormt de slooplocatieie aan de Plattepeeldijk 22-29. Hier blijft de agrarische bedrijfsbestemming gehandhaafd in combinatie met een vormverandering van het bouwvlak.
Het plangebied is gelegen ten noord-oosten van de kern Ospel in de gemeente Nederweert en grenst hier direct aan de kern. Het plangebied grenst hier direct aan de 'uitvalsweg' (Meijelsedijk) richting Meijel in noordelijke richting. De omgeving van het plangebied bestaat enerzijds uit de woonbebouwing van de kern Ospel en anderzijds uit het aangrenzende buitengebied. De begrenzing van het plangebied bestaat uit de bestaande wegen Meijelsdijk en Plattepeeldijk alsmede het aangrenzende agrarische perceel.
De slooplocaties zijn gelegen aan de Plattepeeldijk 14 Ospel, Plattepeeldijk 22 Ospel, Plattepeeldijk 29 Ospel (waarbij stal 3 en 4 behouden blijven) en Kruisvennendijk 14 Ospel.
Luchtfoto (inclusief kadastrale gegevens) met ligging en begrenzing plangebied (rode contour)
Luchtfoto met ligging slooplocaties (rode cirkels)
De gronden binnen het plangebied zijn kadastraal bekend als gemeente Nederweert, sectie O, perceelnummer 668. De slooplocaties zijn kadastraal bekend als gemeente Nederweert, sectie O, perceelsnummers 905/906, 132, 515/587/588 en 1025/1026.
Het plangebied is gelegen in het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert' (vastgesteld 24 november 2009) met de bijbehorende diverse herzieningen (1e, 2e, 5e en 6e). Op basis hiervan is voor het plangebied de bestemming 'Agrarisch' en dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' in combinatie met de functieaanduidingen 'bedrijfswoning' (ter plaatse van de oude boerderij) en 'specifieke vorm van agrarisch - garagebedrijf/autosloperij'van kracht. Verder zijn van toepassing de gebiedsaanduidingen 'milieuzonering - boringsvrije zone', veiligheidszone - lpg' (gedeeltelijk) en 'wro-zone - bebouwingsconcentratie (gedeeltelijk).
Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert'
De tot agrarisch bestemde gronden zijn uitsluitend bestemd voor agrarisch grond gebruik (achterste deel perceel) en garagebedrijf/autosloperij met bedrijfswoning (voorste deel perceel). De realisatie van de woningbouwontwikkeling met maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing is op basis van het thans gelden planologisch-juridisch regime niet mogelijk. Om het beoogde planvoorneem te realiseren is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk om hiermee het planvoornemen planologisch-juridisch mogelijk te maken.
De slooplocaties hebben de bestemming 'Agrarisch' of de bestemming 'Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied' met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Daarnaast zijn op deze slooplocaties de functieaanduidingen 'intensieve veehouderij' of 'wonen' van toepassing. Verder zijn van toepassing de gebiedsaanduidingen 'milieuzonering - boringsvrije zone' en 'vrijwaringszone -straalpad'.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Nederweert' met ligging slooplocaties (rode cirkels)
In deze toelichting wordt de herziening van het bestemmingsplan nader onderbouwd en worden de mogelijkheden die het nieuwe onderhavige bestemmingsplan bieden, afgewogen. In de regels wordt een flexibele en globale regeling van het nieuwe bestemmingsplan gegeven en wordt duidelijk wat de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied zijn. De verbeelding betreft de visuele weergave hiervan.
Het bestemmingsplan is opgezet conform de eisen die de Wro en de gemeente Nederweert daaraan stellen. De regels zijn opgesteld conform de standaardregels SVBP2012. De verbeelding voldoet aan de meest actuele digitaliseringseisen conform IMRO2012.
Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 het planvoornemen besproken. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens ingegaan op de relevante beleidskaders van het Rijk, de provincie en de gemeente, waarbij tevens de ladder voor duurzame verstedelijking betrokken wordt. In hoofdstuk 4 komen de milieu- en omgevingsaspecten aan bod. De wateraspecten in vorm van een waterparagraaf zijn aangegeven in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 bevat de toelichting op de juridische planopzet en de planregels. Vervolgens wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op respectievelijk de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Ten slotte komt in hoofdstuk 8 de procedure aan bod.
Verder wordt in deze toelichting gesproken over enerzijds het planvoornemen en anderzijds de slooplocaties. Dit moet als volgt gelezen en geintepreteerd worden. Het planvoornemen betreft concreet de woningbouwontwikkeling met maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing. De slooplocaties betreffen enkel de herbestemming van de locaties waar voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt wordt om het planvoornemen mogelijk te maken op basis van de gemaakt afspraken over de sloopplicht hiervan.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgeving van het plangebied, het plangebied zelf en het planvoornemen binnen het plangebied. Tevens komt zowel de ontsluiting en het parkeren, als de landschappelijke inpassing aan bod.
Het plangebied is gelegen aan de 'uitvalsweg' (Meijelsedijk) van de kern Ospel richting Meijel, direct aansluitend aan de bebouwde kom. De bebouwde kom van Ospel bestaat aan deze zijde uit overwegend ruime kavels met vrijstaande woningen. De vrijstaande woningen bestaan uit 1 tot 2 bouwlagen met kap, waarbij de goot-/bouwhoogte en nokrichting varieert.
'Uitvalsweg' richting plangebied (Meijel) met woningen bebouwde kom
Aan de overzijde van het plangebied aan de Meijelsdijk zijn een drietal vrijstaande woningen en een LPG-tankstation gelegen. Dit betreffen woningen in 1 bouwlaag met kap. Het tankstation bestaat uit een overkapping met daaronder de afleverzuilen van de brandstoffen met daarachter het bedrijfsgebouw in 2 bouwlagen (plat afgedekt). Tussen de eerste twee woningen en het tankstation is een agrarisch perceel gelegen met een doorzicht naar het aangrenzende buitengebied.
Vrijstaande woningen ter hoogte van voormalig garagebedrijf/autosloperij
Vrijstaande woning en LPG-tankstation aan de Meijelsedijk
Agrarisch perceel met doorzicht
Aan de overzijde van de Plattepeeldijk staan ter hoogte van het plangebied eveneens een drietal vrijstaande woningen met aansluitend een agrarisch perceel met een doorzicht naar het aangrenzende buitengebied.
Woningen aan de Plattepeeldijk
Verderop, voorbij het plangebied, is op enige afstand een 'bebouwingscluster' gelegen met een zorgboerderij (met camperplaats) in combinatie met een kwekerij, een agrarsch bedrijf, een woning en een ezelopvang.
Het plangebied zelf bestaat uit twee delen. Het voorste deel betreft het voormalige garagebedrijf/autosloperij bestaande uit de oude boerderij (bedrijfswoning) met de voormalig bedrijfsbebouwing en bijbehorende verhardingen. Het betreft bebouwing in 1 bouwlaag met kap. Deze bebouwing staat momenteel leeg en de functie van garagebedrijf/autosloperij is komen te vervallen. Het achterste deel is thans nog in gebruik als agrarische grond.
Verder staan er aan de randen van het plangebied diverse karakteristieke bomen en aan de zijde van de Meijelseweg een bomenrij van populieren. Tijdens de storm in maart 2021 zijn een aantal bomen omgewaaid. Derhalve is deze bomenrij inmiddels gekapt in verband met het waarborgen van de veiligheid ter plaatse.
Impressie voorste deel plangebied met voormalige bedrijfsbebouwing garagebedrijf/autosloperij
Impressie achterste deel plangebied met karakteristieke bomen en bomenrij
De slooplocaties betreffen (voormalige) agraische bedrijven met agrarische bedrijfbebouwing. Op de locatie Plattepeeldijk 14 is enkel nog sprake van de functie wonen. De achtergelegen stal is niet meer in gebruik. Hetzelfd is aan de orde op de locatie Kruisvennendijk 14. Hier is ook enkel nog sprake van de functie woning. De voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is niet meer als zodanig in gebruik. De slooplocatie Plattepeeldijk 22-29 is nog als agrarisch bedrijf in gebruik. Een aantal stallen voldoen niet meer aan de eisen van deze tijd en zijn niet meer in gebruik ten behoeve van het agrarische bedrijf. Derhalve staan ze op de nominatie om te slopen.
Impressies slooplocaties
Het beoogde planvoornemen voorziet in een woningbouwontwikkeling met maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing. De stedenbouwkundige opzet van het planvoornemen voorziet in een zogenaamd 'poortgebouw' met aan de voorzijde een plein en aan de achterzijde een centrale as waaraan de woningen in clusters worden gesitueerd. Tevens voorziet de stedenbouwkundig opzet in een grote hoeveelheid groen waardoor de woningen in een groene setting worden gesitueerd en 'verloren' gegane landschapselementen worden hersteld. Hierdoor is er op het voorste deel van het plangebied sprake van een 'stenig' karakter en op het achterste deel 'groen' karakter. Het gaat daardoor van intensief naar meer extensief en ontstaat er een geleidelijke overgang tussen de bebouwde kom van Ospel en het aangrenzende buitengebied. Om in de eigen energiebehoefte te kunnen voorzien, in het kader van duurzaamheid, wordt voorzien in zonnepanelen. Deze worden bij voorkeur op het poortgebouw en woningen aangebracht. Een alternatief is het aanleggen van een zonneweide binnen het invloedsgebied van het LPG tankstation zodat dit deel van het plangebied een 'nuttige' functie krijgt. Dit is niet rechtstreeks mogelijk maar uitsluitend via afwijking zodat hiervoor eerst een ruimtelijke procedure moet worden doorlopen.
Stedenbouwkundig ontwerp met landschappelijke inpassing
'Poortgebouw' met plein
Het 'poortgebouw' vormt de entree tot het plangebied en wordt gesitueerd ter plaatse van de oude boerderij. De bebouwing zal zoveel mogelijk dezelfde 'footprint' en bouwmassa (qua bouwhoogte en kapvorm) als de huidige bebouwing hebben. Aansluitend zal, aan de zijde van de Plattepeeldijk, een poortwoning worden gesitueerd ter plaatse van de huidige naastgelegen bebouwing. Hiertussen wordt een zogenaamde poort gecreerd die toegang biedt tot het achterste deel van het plangebied, de zogenaamde as. Aan de voorzijde van het 'poortgebouw' wordt de ruimte ingericht als plein.
Door het creeren van het 'poortgebouw' met plein krijg het plangebied, komende vanuit de kern Ospel een duidelijk gezicht. Daarnaast wijzigt het aanzicht niet omdat de nieuwe bebouwing op dezelfde plek als de huidige bebouwing wordt gesitueerd.
Ook krijgt het 'poortgebouw' een belangrijke functie in de totale opzet. De nieuwe bebouwing ter plaatse van de oude boerderij wordt ingericht als maatschappelijke voorziening. Deze bestaat uit een experience center en zal bestaan uit:
De poortwoning is bedoeld voor een bewoner die kan fungeren als eerste aanspreekpunt voor de bewoners indien zij hulp nodig hebben. Hierbij kan gedacht worden aan kleine klusjes, het doen van (kleine) boodschappen dan wel begeleiden bij eventueel bezoek aan een arts of het ziekenhuis (mocht zoon of dochter hiertoe niet in de gelegenheid zijn).
As met woningen
Achter het 'poortgebouw' gaat de entree tot het plangebied over in een as met laanbeplanting. Aan deze as worden de woningen zoveel mogelijk gesitueerd. Daarnaast worden ook een aantal woningen gesitueerd aan de Plattepeeldijk. De as heeft een organisch en speels verloop verder het plangebied in. Aan de as worden de woningen zoveel mogelijk in het groen gesitueerd, waarbij een groene ruimte aan de voorzijde van de woningen wordt gecreerd. De groene ruimte gaat vervolgens over in het groen ter plaatse van het groen in de veiligheidszone van het LPG-tankstation (zie paragraaf 4.5.1). In dit groen worden tevens diverse functies (zoals volkstuinen, wandelpaden, plaggenhut, wadi's e.d.) ondergebracht.
De woningbouwontwikkeling voorziet in de realisatie van 20 woningen die gesitueerd worden in clusters met een gemeenschappelijke tuin. Het betreffen levensloopbestendige woningen met een volledig programma (woonkamer, keuken, slaapkamer, badkamer, toilet, binnenberging) op de begane grond en een eventuele verdieping met extra slaapkamer en technische ruimte. Deze woningen zijn met name bedoeld voor de doelgroep ouderen uit de kern Ospel en ook vanuit het buitengebied Ospel (de agrariër in ruste). Dit zijn ouderen die momenteel woonachtig zijn in Ospel en hier ook zelfstandig willen blijven wonen, al dan niet met ondersteuning in de vorm van zorg. De woningen zijn daarmee geschikt voor zorg.
Het plangebied wordt onsloten via de bestaande infrastructuur. Dit is enerzijds de Meijelsdijk en anderzijds de Plattepeeldijk. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de bestaande inritten aan zowel de Meijelsedijk als de Plattepeeldijk. Via een inrit worden de 'centrale' parkeerkoffers tussen en/of nabij de woningen ontsloten. Het plein aan de voorzijde als ook de as zijn verkeersluw. Deze worden ingericht als verblijfsgebied en zijn gericht op het ter plaatse verblijven en ontmoeten van de bewoners. De insteek is om hiermee een aantrekkelijke woonomgeving voor de bewoners te creëren. Het is niet de bedoeling dat hier auto's komen. Echter het plein als ook de as moet toegankelijk zijn voor auto's om indien nodig bewoners die slecht ter been zijn te kunnen oppikken en voor hulpdiensten. In dat kader is het mogelijk om het plein te bereiken vanuit de Plattepeeldijk. De as is bereikbaar via de parkeerkoffers aan zowel de zijde van de Meijelsdijk en de Plattepeeldijk.
De verkeersgeneratie van functies kan bepaald worden op basis van de CROW publicatie: 'Toekomstig bestendig parkeren'. Naast parkeernormen per functie is hierbij tevens de verkeersgenratie van de betreffende functie aangegeven. De maatgevens parameters zijn: mate van stedelijkheid, soortgebied, functie in relatie tot aantal of oppervlakte bvo. Voor de oude situatie, zijnde een voormalig garagebedrijf/autosloperij, wordt de volgende verkeersgeneratie gehanteerd:
Op basis van deze verkeersgeneratiet geldt voor de oude situatie (voormalig garagebedrijf/autosloperij) de volgende verkeersgeneratie:
Het totaal aantal verkeersbewegingen in de oude situatie komt hiermee op 137,8 verkeersbewegingen.
Voor de nieuwe situatie wordt de volgende verkeersgeneratie (weinig stedelijke gebied, rest bebouwde kom) gehanteerd:
Op basis van deze normen ten aanzien van verkeergeneratie geldt voor het planvoornemen de volgende verkeersgeneratie:
De totale verkeersgeneratie als gevolg van het planvoornemen draagt maximaal 320 verkeersbewegingen (worst case). Echter de verkeersgeneratie (worst case: 173 verkeersbewegingen) als gevolg van de multifuntionele ruimte, experience center/museum en ondergeschikte horeca is naar verwachting (zeer) beperkt omdat de multifuntionele ruimte in combinatie met ondergeschikte horece in eerste plaats bedoeld zijn voor de bewoners binnen het plangebied zelf. Deze zullen uitsluitend te voet deze voorzieningen bezoeken. Mogelijk dat een beperkt gedeelte van de bezoekers uit de omgeving dan wel de kern Ospel komt. Deze zullen overwegend met de fiets komen dan wel een beperkt gedeelt met de auto. Aangezien er geen sprake is van dagelijkse activiteiten zal dit aandeel per dag beperkt zijn. Daarnaast zullen de bezoekers van het experience center/museum overwegend uit passenten bestaan die het plangebied 'bezoeken' als onderdeel van hun fietsroute. Het aandeel bezoekers uit de directe omgeving zal hiervoor beperkt zijn.
De verkeersgeneratie als gevolg van de woningen bedraagt 147 verkeersbewegingen in de worst case situatie. Ook hiervoor geldt dat de verkeergeneratie naar verwachting lager zal zijn omdat ouderen nu eenmaal minder verkeersbewegingen maken. Uitgaande van de helft van het aantal verkeersbewegingen, zijnde 160 verkeersbewegingen ten opzichte van de worst case situatie, neemt de verkeersaantrekkende werking met ongeveer 23 verkeersbewegingen toe. Hiermee is slecht sprake van een (zeer) beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het planvoornemen. Gezien de beperktheid zal dit niet leiden tot problemen in de verkeerskundige situatie en blijft de verkeersveiligheid ter plaatse van het plangebied gewaarborgd.
Het parkeren vindt op eigen terrein (binnen het plangebied) plaats. Het noodzakelijk aantal parkeerplaatsen wordt bepaald op basis van de CROW publicatie 381: 'Toekomstig bestendig parkeren'. De maatgevende parameters hiervoor zijn: mate van stedelijkheid, soort gebied, functie in relatie tot aantal of oppervlakte bvo. Voor onderhavig planvoornemen worden op basis van weing stedelijk gebied, rest bebouwde kom voor de verschillende functies de volgende parkeernormen gehanteerd:
Op basis van deze parkeernormen geldt voor het planvoornemen de volgende parkeerbehoefte:
De totale parkeerbehoefte komt hiermee op 52 parkeerplaatsen. In het stedenbouwkundig ontwerp wordt in totaal in 52 parkeerplaatsen (bestaande uit 3 parkeerkoffers van respectivelijk 24, 17 en 11 parkeerplaatsen) voorzien. Hiermee wordt in voldoende mate voldaan aan de parkeerbehoefte binnen het plangebied.
Het plangebied vormt de overgang tussen de bebouwde kom van Ospel en het aangrenzende buitengebied, waarbij er een duidelijke begrenzing is door de Meijelsedijk en de Plattepeeldijk. Door het weg bestemmen en de sloop van de voormalige bedrijfsbebouwing van het garagebedrijf/autosloperij ontstaat er ter plaatse van het plangebied reeds een belangrijke kwaliteitsverbetering. Daarnaast wordt er in totaal ongeveer 10.000 m2 aan agrarische en niet-agrarische bedrijfsbebouwing in de directe omgeving van het plangebied gesloopt waardoor landschappelijke gezien in belangrijk mate sprake is van 'ontstening' in de omgeving.
Dit neemt niet weg dat het planvoornemen als overgang naar het aangrenzende buitengebied landschappelijk ingepast moet worden. Temeer om dat in het verleden structuurbepalende landschapselementen zijn gerooid, welke in het kader van dit planvoornemen gecompenseerd dienen te worden in de vorm van nieuw groen. Gezien de groene setting waarin de te realiseren woningen worden gesitueerd is het juist de bedoeling dat er een geleidelijke overgang ontstaat vanuit het plein met groenelementen aan de voorzijde van het 'poortgebouw' naar het meer robuuste groen richting het buitengebied. In dat kader is een groenplan als onderdeel van het stedenbouwkundig ontwerp en het bestemmingsplan opgesteld. In dit groenplan is tevens invulling gegeven aan de benodigde bergingscapaciteit voor de opvang van het hemelwater afkomstig van de te realiseren bebouwing en aan te leggen verhardingen.
Het groenplan met beplantingslijst (Bijlage 2) bestaat uit de volgende onderdelen.
Plein voorzijde 'poortgebouw'
Het plein aan de voorzijde van het 'poortgebouw' krijgt een 'stedelijk' karakter waarbij de inrichting als onderdeel van de civieltechnische uitwerking nog nader dient te worden uitgewerkt. De definitieve inrichting dient aan te sluiten met de uiteindelijke indeling van het 'poortgebouw' en de functies die hierin worden opgenomen (poortwoning, multifunctionele ruimte en experience centre/museum). De looplijnen van de bezoekers worden bepaald aan de hand van de indeling van het 'poortgebouw' , de locatie van de entree van de multifunctionele ruimte dan wel het experience centre/museum. Daarnaast zijn zaken als een eventuele terrasvoorziening, een kleinschalige fietsparkeervoorziening met oplaadpunt voor e-bikes van belang voor de definitieve inrichting.
Uitgangspunten voor de inrichting zijn:
As met eenzijdige laanbeplanting
De as door het plangebied wordt begeleid door een laanboom: Quercus palustris. Deze opgaande piramidale kroon vormt een fraaie begeleiding van de hoofdas en de kruin verkleurt in het najaar dieprood-oranje.
Parkeerkoffers
De parkeerkoffers liggen strategisch gekoppeld aan de bestaande wegen en worden grotendeels omlijst met plantsoenen van sierheesters. De overige inrichting wordt ingericht met bloemrijk- en kruidenmengsel waardoor het zicht op de auto's wordt gefilterd.
Woningen
De tuinen behorende bij de woningen worden omzoomd door lage groenblijvende hagen (Taxus baccata) en bieden zo privacy voor de bewoners. Binnen de hagen worde de tuinen ingericht met terrassen en bloeiende tuinplanten
Plantsoenen in en langs de randen
In het 'park' worden op strategische plaatsen bloemrijke heesterborders aangeplant, waardoor er een kleurrijk en gevarieerd beeld ontstaat. Het resterende deel van het 'park'-terrein als bloemrijk en kruidenrijk grasland. De wandelroute door het 'park' wordt zo begeleid met afwisselde beplantingen van bladhoudende en bloeiende heesters en bloemrijk/kruidenrijk grasland.
Langs de randen van het plangebied worden hoog opgroeiende heestergroepen aangebacht met daar tussen enkele boomvormers. Met de keuze van het assortiment is rekening gehouden met het aantal bes- en nootdragende heesters. Met deze aanplant aan de randen ontstaat er een rijk gevarieerd foerage- en verblijfsgebied voor insecten, vogels en kleine zoogdieren.
Zonnepanelen (in het groen)
Het uitgangspunt is opwekking van zonneenergie alleen voor de behoefte van het poortgebouw en de woningen. Om in deze eigen energiebehoefte te kunnen voorzien, in het kader van duurzaamheid, wordt voorzien in zonnepanelen. Deze worden bij voorkeur op het poortgebouw en woningen aangebracht.
Tevens wordt als onderdeel van het groen (in het invloedsgebied van het LPG-tankstation), door middel van een afwijkingsbevoegdheid, als altenatief de mogelijkheid geboden tot de aanleg van zonnepanelen in de vorm van een zonneweide. Dit betreft geen grootschalig zonneveld maar enkel de benodige zonnepanelen om in de eigen energiebehoefte van het poortgebouw en de woningen te kunnen voorzien. Het is hierbij nadrukkelijk niet de bedoeling om extra hoeveelheden energie te produceren voor derden. De zonnepanelen worden omkaderd door groen waardoor ze onderdeel zijn van de groene inrichting van het plangebied c.q. planvoornemen en daarbij niet zichtbaar zijn vanuit de omgeving.
Daarnaast wordt bij de nadere uitwerking van het poortgebouw en de woningen gekeken in hoeverre deze zonnepanelen op de te realiseren bebouwing kan worden aangebracht. Mocht dit voldoende zijn om in de eigen energiebehoefte te kunnen voorzien dan is de aanleg van zonnepanelen in het groen overbodig en wordt dit deel van het plangebied nader ingericht als onderdeel van het groen en het beoogde woonconcept.
Te handhaven beplanting
De boom in het midden van het terrein, waarschijnlijk een Fraxinus excelsior (Es) , is in slechte conditie. De boom is begroeid met klimop. Mogelijk heeft dit er mede toe geleid dat de boom in slechte conditie verkeert. De kroon is erg “dun” en vertoont veel dood hout. De bladzetting is eveneens erg slecht. Het behouden en integreren van de boom binnen het bouwblok en de parkinrichting vermindert de ruimtelijke kwaliteit van het plan. Door de boom te handhaven ontstaat er tevens een versnippering van de bebouwing. Derhalve is er voor gekozen om deze boom niet in te passen in het stedenbouwkundig ontwerp.
De te kappen boom zou eventueel gecompenseerd kunnen worden door de aanplant van een zware walnootboom als markant en groot groen element. Hierbij kan gedacht worden aan de locatie in de oksel van de wadi aan de noord-westkant van het pad over de wadi.
De bomen aan de randen (populierenrij, eiken aan de Plattepeeldijk) zijn van van dermate omvang en kwaliteit dat deze onderdeel zijn van de groeninrichting. Verder worden binnen het plangebied minimaal 45 bomen aangeplant en ca. 1200 st. bos- en sierplantsoen.
Daarnaast dient als onderdeel van het planvoornemen de verdwenen c.q. gerooide beplanting (landschapselementen) in het verleden gecmpenseerd te worden.
Met de beoogde landschappelijke inpassing blijft het groene karakter van het plangebied gewaarborgd en ontstaat er een geleidelijke overgang van de bebouwde kom richting het aangrenzende buitengebied. Tevens wordt hiermee voorzien in de compensatie van de verdwenen beplanting/landschapselementen. Om de landschappelijke inpassing te waarborgen is er in de regels van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Kwaliteitscommissie Weert, Nederweert , Leudal
Het planvoornemen is aan de hand van het stedenbouwkundig ontwerp met landschappelijke inpassing besproken met de kwaliteitscommissie Weert, Nederweert, Leudal (d.d. 4 februari 2021). De commissie vraagt op basis van dit stedenbouwkundig ontwerp nog aandacht voor de volgende punten:
De commissie gaat dan ook akkoord met het stedenbouwkundige ontwerp met landschappelijke inpassing mits voorgaande adviezen worden overgenomen. Het advies van de kwaliteitscommissie is verwerkt in het plan. Indien de landschappelijke inpassing wordt aangepast kan dit er toe leiden dat het plan opnieuw moet worden beoordeeld door de kwaliteitscommissie.
Het advies van de kwaliteitscommissie is alsBijlage 3 toegevoegd.
Om het planvoornemen mogelijk te maken is door de gemeente Nederweert, naast de voorwaarde van landschappelijke inpassing, ook de voorwaarde gesteld dat 10.000 m2 voormalige agrarische en niet-agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt moet worden. Dit is gebaseerd op de nota 'Kwaliteitsbijdrage Buitengebied, 1e wijziging'. Hierin wordt gesteld dat voor de uitbreiding van woongebied (per woning) 1.000 m2 aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt moet worden. Bij 20 woningen bedraagt dit opperval 20.000 m2. Echter omdat het planvoornemen voorziet in 10 sociale huurwoning is de gemeente van mening dat met 10.000 m2 sloop kan worden volstaan. De combinatie van sloop, wegbestemmen garage/sloperij, sociale huur en landschappelijke inpassing voorziet daarmee in voldoende mate in de beoogde kwaliteitsbedrage zoals bedoeld in de nota
In dat kader wordt op de volgende locaties voormalige agrarische en niet agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt:
Te slopen voormalige agrarische bedrijfsbebouwing per locatie (een overzicht van de slooplocaties is bijgevoegd als Bijlage 4)
Ter plaatse van de Meijelsedijk 2 is het planvoornemen voorzien. Om het planvoornemen planologisch-juridisch mogelijk te maken wordt voorzien in onderhavige bestemmingsplanherziening waarbij de bestemming 'Agrarisch' in combinatie met de functieaanduidingen 'bedrijfswoning' (ter plaatse van de oude boerderij) en 'specifieke vorm van agrarisch - garagebedrijf/autosloperij' wordt gewijzigd in de bestemmingen 'Gemengd', 'Verkeer' en 'Woongebied'. Hiermee worden de gebruiks- en bouwmogelijkheden van het voormalige garagebedrijf/autosloperij wegbestemd. Na sloop kan de bebouwing dan ook niet meer herbouwd worden ten behoeve van het garagebedrijfs/autosloperij.
De voormalige agrarische bedrijfsbebouwing aan de Plattepeeldijk 14 is reeds bestemd als 'Agrarisch' in combinatie met 'wonen'. Na sloop van de voormalige agrarische bebouwing is het gezien de al vigerende 'woonbestemming' niet mogelijk om deze bebouwing te herbouwen.
Aan de Plattepeeldijk 22 en 29 blijft de agrarische bedrijfsfunctie behouden. Echter het bouwvlak waarbinnen bebouwing mag worden opgericht wordt zodanig aangepast dat de te slopen voormalige agrarische bedrijfsbebouwing geen onderdeel meer is van het bouwvlak. Tevens wordt ter plaatse van het nieuwe aangepaste bouwvlak de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bouwvlak niet uitbreiden' opgenomen met als regeling dat het bouwvlak hier in de toekomst niet meer uitgebreid kan c.q. mag worden. Daarnaast wordt het bouwvlak op deze locatie van vorm veranderd zonder dat sprake is van vergroting van het vigerende bouwvlak. Deze vorm verandering is gewenst om het ter plaatse bestaande pluimveehouderij bedrijf te kunnen voorzien van wintergartens voor vrije uitloopkippen.
Voor de locatie Kruisvennendijk 14 wordt het bouwvlak zodanig vorm gegeven dat dit zich alleen beperkt tot het gedeelte van de voormalige bedrijfswoning met bijbehorende gronden (tuin/erf). Tevens wordt hieraan de aanduiding 'wonen' toegevoegd zodat de voormalige bedrijfswoning aangemerkt wordt als een reguliere woning. De gronden waar de voormalige bedrijfsgebouwen staan worden bestemd als 'Agrarisch' zonder bouwvlak, waardoor sprake is van een vergelijkbare regeling als aan de Plattepeeldijk 14.
Het te kort van 532 m2 te slopen voormalige agrarisch bedrijfsbebouwing wordt aangevuld middels aankoop van 'sloopmeters' en ten behoeve van onderhavig planvoornemen ingebracht. Om de sloop van 10.000 m2 voormalige agrarische bedrijfsbebouwing te waarborgen is er in de regels van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Daarnaast is de sloop geborgd in een anterieure overeenkomst.
Bij ieder plan vindt inkadering binnen het beleid van de overheid plaats. Door een toetsing aan rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid ontstaat een duidelijk beeld van de marges waarbinnen het bestemmingsplan wordt opgezet. De beleidsinkadering dient een compleet beeld te geven van de ruimtelijke overwegingen en het relevante planologisch beleid.
Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. De belangrijkste kaders van Rijk en de provincie Limburg worden in het kort weergegeven, omdat deze zoals gezegd randvoorwaarden geven voor het lokale maatwerk in het bestemmingsplan. Tevens komt de ladder voor duurzame verstedelijking in dit hoofstuk aan bod.
De nationale omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. Deze visie is door het rijk opgesteld in het kader van de nieuwe omgevingswet, die per 1 januari 2022 in werking treedt. Aan de hand van een toekomstperspectief is hierin de langetermijnvisie in beeld gebracht. Op nationale belangen wil het Rijk (net als nu) sturen en richting geven. Hiervoor worden de volgende vier prioriteiten onderscheiden:
Om invulling te kunnen geven aan deze vier prioriteiten hanteert het rijk de volgende drie afwegingsprincipes:
Met de NOVI wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden, waarbij wordt gestreefd naar de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De wens is om daar naar toe te groeien en een goed bereikbaar netwerk van steden en regio’s te realiseren. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Het kabinet heeft voor de korte termijn daarom een pakket aan maatregelen voorgesteld om de woningbouw een nieuwe, stevige impuls te geven. De locaties bevinden zich in het Stedelijk Netwerk Nederland. De ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden houden hun groene karakter. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd.
De opgave is daarbij om de veiligheid en gezondheid van onze leefomgeving zodanig te verbeteren dat in 2050 negatieve omgevingseffecten op onze gezondheid naar een verwaarloosbaar laag niveau zijn gebracht. Daarnaast streeft het kabinet ernaar om in 2030 te voldoen aan de huidige WHO-advieswaarden. Ook het tot een verwaarloosbaar niveau terugbrengen van omgevingsrisico's als gevolg van industriële activiteiten en transport (omgevingsveiligheid) is onderdeel van de opgave'
In dat kader wordt voortgeborduurd op de SVIR en voorziet het planvoornemen in een woningbouwontwikkeling met een maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing. Het betreft een ontwikkeling waarbij een kwaliteitsverbetering wordt gerealiseerd door het wegbestemmen van een voormalig garagebedrijf/autosloperij en de sloop van de voormalige bedrijfsbebouwing. De nieuwe woningen worden daarbij klimaatbestendig, duurzaam en natuurinclusief gerealiseerd en wordt hiermee een bijdrage geleverd aan een veilige en gezonde leefomgeving. Hiervoor wordt voorzien in een eventuele weide met zonnepanelen dan wel worden zonnepanelen op de bebouwing geplaats zodat ze daarmee zelfvoorzienend zijn. Het is hierbij nadrukkelijk niet de bedoeling om extra hoeveelheden energie te produceren voor derden. Tevens wordt een maatschappelijke voorziening gerealiseerd voor de bewoners en omwonende in combinatie met een experience center/museum. Functies worden hiermee gecombineerd. Tevens wordt door de groene setting en invulling van het plangebied die identiteit als overgang naar het buitengebied versterkt. Het planvoornemen sluit daarmee in ieder geval nadrukkelijk aan bij de afwegingsprincipes van de NOVI.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, ook wel het Barro genoemd, is met de aanvulling op 1 oktober 2012, volledig in werking getreden. Het Barro heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. Het Barro is het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid waaraan bestemmingsplannen van gemeenten moeten voldoen.
Dit betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich daarbij primair richt tot de gemeenten. Daarnaast kan het Barro aan de gemeenten opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. De volgende onderwerpen uit het Barro moeten worden vertaald in bestemmingsplannen: (1) Project Mainportontwikkeling Rotterdam, (2) Kustfundament, (3) Grote Rivieren, Waddenzee en Waddengebied, (4) Defensie, (5) Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, (6) Rijksvaarwegen, (7) Hoofdwegen en spoorwegen, (8) Elektriciteitsvoorzieningen, (9) EHS, (10) Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en de (11) uitbreidingsruimte van het IJsselmeer.
Met het inwerkingtreding van het Barro heeft er ook een wijziging plaatsgevonden van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de Bro is opgenomen dat gemeenten en provincies verplicht zijn om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen, wanneer een zodanig ruimtelijk besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. In de toelichting is in paragraaf 3.2.3 de ladder voor duurzame verstedelijking verder uitgewerkt, conform de Bro. Het plangebied en dit bestemmingsplan heeft verder geen andere directe relaties met het Barro.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. Deze Ladder is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zodat de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut. De Ladder is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid Bro). Kern van de Ladder is dat de stedelijke ontwikkeling op een locatie pas doorgang kan vinden als op regionaal niveau is aangetoond dat er daadwerkelijk een actuele behoefte aan is en dat de beschikbare ruimte in het stedelijk gebied optimaal wordt benut. Van belang daarbij is of elders in de regio een soortgelijke ontwikkeling is gepland die reeds in de behoefte kan voorzien. In juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn losgelaten. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt nu als volgt:
“De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”
De eerste en de tweede trede zijn samengevoegd en de derde trede is vervallen. De uitgebreide motivering is beperkt tot 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' buiten het bestaand stedelijk gebied. Tevens is het begrip 'actuele regionale behoefte' vervangen door het begrip 'behoefte' en wordt een nieuw onderdeel toegevoegd waarmee het mogelijk wordt een dubbele Laddertoets bij flexibele planvorming te voorkomen. Uiteindelijk zal de gewijzigde Ladder via het invoeringsbesluit van de Omgevingswet worden ingevoegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. De strekking van de Ladder blijft daarbij gelijk. De Ladder-onderbouwing zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied, maar ook met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte, én voor de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Hieronder volgt een toetsing van onderhavig planvoornemen aan de nieuwe Ladder.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling
De Ladder-onderbouwing is verplicht voor 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen'. Voordat getoetst wordt of een voorziene ontwikkeling 'nieuw' is, dient te worden getoetst of het planvoornemen kan worden aangemerkt als een 'stedelijke ontwikkeling'. De definitie van 'stedelijke ontwikkeling' is: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detialhande, woningbouwlocaites of andere stedelijke ontwikkelingen (artikel 1.1.1 lid 1 sub i van het Bro). In de definitie voor stedelijke ontwikkeling is geen ondergrens opgenomen. Hieruit zou men kunnen concluderen dat iedere stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig ook, valt binnen het toepassingsbereik van de Ladder. Echter uit vaste jurisprudentie blijkt van de Afdeling blijkt dat er wel sprake kan zijn van een voorziene ontwikkeling die te kleinschalig is om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie zijn 11 woningen (welke op één en dezelfde locatie worden gerealiseerd) het maximale aantal woningen wat door de Afdeling als te kleinschalig wordt geacht om als een stedelijke ontwikkeling te kunnen worden gekwalificeerd. Het minimale aantal woningen wat gerealiseerd moet worden (op dezelfde locatie) om als stedelijke ontwikkeling te worden gekwalificeerd is aldus 12.
Behoefte
Het planvoornemen heeft betrekking op de realisatie van 20 woningen die geschikt zijn voor (zorgbehoevende) ouderen (levensloopbestendig). Hiermee is sprake van een stedelijke ontwikkeling (buiten stedelijk gebied) en dient in het kader van de ladder niet alleen de behoefte aan de ontwikkeling op onderhavige locatie nader worden onderbouwd maar ook nader gemotiveerd dat beschikbare ruimte in de kern Ospel optimaal wordt benut.
De te realiseren woningen zijn uitsluitend bedoeld voor de 'eigen' ouderen in de kern Ospel. Dit zijn overwegend senioren die momenteel beschikken over een eigen woning in de kern Ospel en de omgeving van Ospel. Meestal is dit een grondgebonden (vrijstaande) gezinswoning op een relatief ruime kavel. Doordat deze senioren gaan verhuizen naar een kleinere levensloopsbestendige woning komt hun eigen woning vrij waardoor het realistisch is dat een doorstroming op de woningmarkt op gang komt. Hiermee komen mogelijk uiteindelijk starterswoningen vrijkomen voor jongeren in Ospel. Het planvoornemen voorziet daarmee in een tweeledige behoefte enerzijds concreet in het realiseren van woningen voor (zorgbehoevenden) ouderen) en anderzijds door de te verwachte doorstroming die zal ontstaan in het uiteindelijk vrijkomen van starterswoningen voor jongeren en ook woningen voor jonge gezinnen. De doorstroming wordt hiermee in algemene zin bevorderd. Er wordt daarmee voorzien in de woningen voor de juiste doelgroep.
De woningen worden niet gerealiseerd binnen het bestaande bebouwd gebied van de kern Ospel maar aan de rand. Het betreft een nieuwe invulling van een voormalig garagebedrijf/autosloperij. De woningen worden daarbij landschappelijk ingepast waardoor er sprake is van een kwaliteitsverbetering in relatie tot de omgeving. Het betreft een specifieke ontwikkeling voor ouderen die in hun huidige situatie de nodige ruimte gewend zijn. Hierbij kan specifiek gedacht worden aan voormalige agrariërs die graag nog wat om handen hebben en de affiniteit met het buitengebied willen behouden. Met dit planvoornemen is daarmee dan ook sprake van een win-win situatie, nameijk er worden het realiseren van levensloopbestendige woningen voor de juiste doelgroep, het vrijkomen van starterwoningen voor jongeren als gevolg van de doorstroming die op gang komt en de kwaliteitsverbetering door de nieuwe invulling van een voormalig garagebedrijf/autosloperij met landschappelijk inpassing.
Op basis van voorgaande paragrafen kan geconcludeerd worden dat er vanuit het rijksbeleid geen belemmeringen zijn met betrekking tot het planvoornemen in de vorm van een woningbouwontwikkeling met een maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing.
Op 12 december 2014 zijn door Provinciale Staten het POL 2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Zowel het POL 2014 als de Omgevingsverordening zijn op 16 januari 2015 in werking getreden.
Het POL heeft vier wettelijke functies: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeersen Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer).
In het POL komen alleen die zaken aan bod, die op provinciaal niveau van belang zijn en vragen om regionale oplossingen. Dit sluit aan bij de basisfilosofie en tevens bij de aanpak van de rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale ruimtelijke belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren.
Uitsnede en legenda POL-kaart
In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering.
De belangrijke principes in het Limburgs omgevingsbeleid zijn:
De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, worden in dit POL zeven globaal afgebakende gebiedstypen onderscheiden. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. In het bebouwd gebied gaat het om de zones “bedrijventerrein”, “stedelijk centrum” en “overig bebouwd gebied” en in het landelijk gebied gaat het om de “goudgroene natuurzone”, de “zilvergroene natuurzone”, de “bronsgroene landschapszone” en het “buitengebied”. Het plangebied van onderhavig planvoornemen is gelegen in het landelijk gebied in de zone 'buitengebied'.
De zone 'buitengebied' betreft alle gronden in het landelijk gebied zonder belangrijke natuurwaarden en vaak met een agrarisch karakter. Afhankelijk van de aanwezige functies en ligging is er in deze gebieden ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.
Met het planvoornemen is sprake van een planvoornemen waaraan concreet behoefte is en die passend is binnen het gebied. Er wordt hiermee invulling gegeven aan een locatie van een voormalig garagebedrijf/autosloperij. De voormalige bedrijfsbebouwing staat leeg en dreigt in verval te raken voor zover daar nog geen sprake van is. Met de invulling van deze locatie met woningbouw (ter vervanging van het voormalige garagebedrijf/autosloperij) wordt een kwalitatieve impuls gegeven aan het plangebied in aansluiting op de bestaande bebouwing van Ospel als uitloper van de de lintbebouwing langs de Lochtstraat (overgaand in de Meijelsedijk). Tevens wordt er met het planvoornemen invulling gegeven aan een geleidelijke overgang naar het aangrenzende buitengebied door de beoogde landschappelijk inpassing. Hierdoor is sprake van een kwalitatief samenhangend geheel. Daarnaast vindt eveneens sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing (10.000 m2) in de directe omgeving van het plangebied plaats, waardoor sprake is van 'ontstening' van het buitengebied. Deze sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is samen met de beoogde landschappelijke inpassing als voorwaardelijke verplichting opgenomen in dit bestemmingsplan.
In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op het provinciale en regionale woonbeleid en de wijze waarop het planvoornemen hier binnen past. Hoewel de gebieden die in het POL zijn aangewezen als 'buitengebied' niet primair als woongebied beoogd zijn, blijkt uit de navolgende paragrafen dat het planvoornemen aanvaardbaar is op de locatie.
Bij het POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden.
De Omgevingsverordening Limburg is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening.
Het POL 2014 zet sterk in op het zoveel mogelijk concentreren van nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied. In de omgevingsverordening komt dit tot uiting in de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 2). Daarin wordt gesteld dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Daarbij worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3 van de omgevingsverordening onderzocht. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop hieraan invulling is gegeven. Een uitwerking van de ladder duurzame verstedeling is in paragraaf 3.2.3 opgenomen.
Op grond van artikel 2.2.2 sub 2 van de Verordening dient bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de mogelijkheid van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen te worden onderzocht. Voorliggend plan ziet op de realisatie van 20 levensloopbestendige woningen met één poortwoning aansluitend aan de kern Ospel, ter plaatse van een voormalig garagebedrijf/autosloperij, om invulling te geven aan de bestaande woningbehoefte (met name senioren. Het realiseren van deze functie in leegstaande monumentale of beeldbepalende panden binnen de kern van Ospel behoort redelijkerwijs niet tot de mogelijkheden. Binnen de kern zijn geen van dergelijke panden beschikbaar.
Artikel 2.4.2 lid 2 van de verordening stelt dat 'een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg'. Genoemde structuurvisie is inmiddels ingetrokken en door de samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg geactualiseerd. De actualisatie kan worden aangehaald als 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 tot en met 2021'. De toets aan de Structuurvisie Wonen is opgenomen in 3.4.1.
Verder is het plangebied gelegen in een gebied met een boringsvrije zone. Met het planvoornemen wordt niet voorzien een boorput, bodemenergiesysteem of enige andere wijze de grond geroerd dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei. Er zijn derhalve voor het planvoornemen geen belemmeringen. Indien er voor gekozen wordt om de toekomstige woningen te voorzien van warmtepompen en hiervoor een bodemingreep noodzakelijk is tot meer dan 80 meter diepte of tot aan de Bovenste Brunssumklei dan wordt dit vier weken van tevoren schriftelijk gemeld aan gedeputeerde staten.
Voor het planvoornemen gelden vanuit de Omgevingsverordening daarmee verder geen specifieke regels.
Limburg ziet er nu heel anders uit dan dertig jaar geleden. En er blijven nieuwe ontwikkelingen komen. Om goed in te spelen op de kansen en uitdagingen is een visie nodig die zich richt op de langere termijn (2030 - 2050). Er komen allerlei onderwerpen aan bod, zoals wonen, economie, beheer van de leefomgeving en gezondheid. Zo geeft de Omgevingsvisie richting aan de manieren waarop we Limburg klaar maken voor de toekomst.
Veranderingen in de demografie en het klimaat, trends als individualisering en globalisering, maar ook technologische innovaties maken dat de Limburgse samenleving, de fysieke leefomgeving en de economie de komende decennia blijven eranderen. Ook grote transities, zoals die op het gebied van energie, de landbouw, smart mobility en circulaire economie zullen leiden tot grote veranderingen van de fysieke leefomgeving. Zowel in stedelijk als landelijk gebied.
Bovengenoemde trends en ontwikkelingen bieden onze provincie kansen maar stellen ons ook voor diverse uitdagingen. We verdelen die in een drietal hoofdopgaven:
Hoewel dit opgaven zijn die Limburg-breed spelen, verschillen de accenten per gebied en per sector. Deze accenten zijn in Omgevingsvisie weergegeven.
Een aantrekkelijke, sociale en veilige leefomgeving
Ontwikkelingen op het gebied van demografie, klimaat, energie en economie hebben impact op de samenleving. Ingewikkelde maatschappelijke uitdagingen en de decentralisaties binnen de overheid vragen om andere manieren van samenwerking tussen verschillende overheidslagen en burgers.
De meeste inwoners van Limburg zijn prima in staat hun eigen toekomst vorm te geven. Tegelijkertijd blijkt het niet voor alle Limburgers mogelijk om actief en ondernemend in het leven te staan of aansluiting te houden bij de kansen en ontwikkelingen die zich voordoen. Limburg scoort lager dan de rest van Nederland op het gebied van onder meer (arbeids)participatie, onderwijs en gezondheid. Het verder versterken van zelfredzaamheid, samenredzaamheid en gelijke (ontwikkel)kansen voor verschillende bevolkingsgroepen is daarom een belangrijk aandachtspunt.
De samenstelling van de bevolking en het aantal huishoudens verandert. Nieuwe prognosecijfers voor bevolking en huishoudens laten een afvlakking van de eerder voorspelde bevolkingsdaling zien. Voor de korte termijn is er in Limburg sprake van stabilisatie van de bevolkingsomvang; de voorspelde bevolkingsomvang in 2030 is nagenoeg gelijk aan die van 2020. Het aantal huishoudens groeit tot 2031. Op de langere termijn wordt er echter wel een bevolkingsdaling voorspeld. Voor het jaar 2050 zal er een daling ten opzichte van 2020 zijn van ongeveer 45.000-115.000 inwoners. Het aantal huishoudens neemt vanaf 2031 af tot het aantal dat gelijk is aan 2020. Deze ontwikkelingen hebben hun weerslag op de fysieke leefomgeving. In stedelijk gebied heeft dit een andere uitwerking dan in het landelijk gebied.
In het landelijk gebied, waar het plangebied deel van uitmaakt, ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s.
Uitdagingen op het gebied van veiligheid en gezondheid lopen hier als een rode draad doorheen in zowel bebouwd als landelijk gebied. Wat betreft de veiligheid speelt de ondermijnende criminaliteit, mede in relatie tot de grensligging van Limburg, een rol. Wat betreft gezondheid is de uitdaging de achterstand die Limburg heeft in te lopen en de regionale en lokale verschillen die zich ruimtelijk uiten aan te pakken.
Toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie
Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. Deze ontwikkelingen bieden kansen, maar tegelijkertijd verliezen we hierdoor banen in sectoren waar geen krapte heerst. Door alle technologische ontwikkelingen veranderen banen en ontstaan er nieuwe banen waarvoor andere vaardigheden nodig zijn.
De transitie naar een circulaire economie - een randvoorwaarde voor het behoud van welvaart en welzijn - betekent voor alle economische sectoren een omschakeling in productie- en logistieke processen. Uitdagingen hierbij zijn onder meer: de optimalisatie van de inzet van energie en grondstoffen, ketensamenwerking en het sluiten van kringlopen, en het zoeken naar andere productieprocessen en verdienmodellen.
De economie van Limburg ‘als meest internationale provincie’ is ingebed in een sterke Europese regio met veel koopkracht, arbeidspotentieel, innovatieve bedrijven, sterke kennisinstituten en een goed leef- en vestigingsklimaat. De basis voor grensoverschrijdend denken en handelen van Limburgers wordt gelegd in het verenigingsleven en in ons onderwijs. Administratieve en culturele grensbarrières maken dat de voordelen van deze ligging toch nog niet volledig worden benut. Kansen en uitdagingen hierbij zijn onder meer: het vergroten van grensoverschrijdende samenwerking, het harmoniseren van sociaal-economische spelregels, het verbeteren van (grensoverschrijdende) bereikbaarheid en aansluiting op de (inter)nationale energiehoofdstructuur en digitale netwerken.
Klimaatadaptatie en energietransitie
Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur.
Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving. Daarnaast liggen er uitdagingen in onder meer het zoeken van de balans tussen de winning van geothermie en aardwarmte en de bescherming van de grondwaterkwaliteit, het benutten van restwarmte, het energieneutraal maken van de bebouwde omgeving en de beschikking over infrastructuur voor transport en opslag van energie. Haalbaarheid, betaalbaarheid en draagvlak zijn hierbij belangrijke randvoorwaarden.
Planvoornemen
Het planvoornemen geeft met name invulling aan de eerste en derde hoofdopgave. Met het planvoornemen wordt een ontwikkeling mogelijk gemaakt die bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied. Dit betreft concreet de transformatie c.q. herontwikkeling van een locatie van een voormalig garagebedrijf/autosloperij. De voormalige bedrijfsbebouwing staat leeg en dreigt in verval te raken voor zover daar nog geen sprake van is. Met de invulling van deze locatie met woningbouw (ter vervanging van het voormalige garagebedrijf/autosloperij) wordt een kwalitatieve impuls gegeven aan het plangebied in aansluiting op de bestaande bebouwing van Ospel als uitloper van de de lintbebouwing langs de Lochtstraat (overgaand in de Meijelsedijk). Tevens wordt er met het planvoornemen invulling gegeven aan een geleidelijke overgang naar het aangrenzende buitengebied door de beoogde landschappelijk inpassing. Hierdoor is sprake van een kwalitatief samenhangend geheel. Daarnaast vindt eveneens sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing (10.000 m2) in de directe omgeving van het plangebied plaats, waardoor sprake is van 'ontstening' van het buitengebied. Deze sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, inclusief de aan te kopen sloop meters die ook verder weg gelegen kunnen zijn, is samen met de beoogde landschappelijke inpassing als voorwaardelijke verplichting opgenomen in dit bestemmingsplan.
Daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan de klimaatadaptatie en energietransitie door de woningen in het groen te realiseren c.q. te situeren. Door het verhard oppervlak te beperken, natuurlijke materialen te gebruiken in combinatie met veel groen wordt 'hittestress' tot een minimum beperkt. Tevens worden de woningen duurzaam gerealiseerd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van moderne technieken en innovaties zoals zonnepanelen, warmtepompen e.d.
Op basis van voorgaande paragrafen kan geconcludeerd worden dat er vanuit het provinciaal beleid geen belemmeringen zijn met betrekking tot het planvoornemen in de vorm van een woningbouwontwikkeling met een maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing. In dat kader is het planvoornemen ook voorbesproken met de rayonplanoloog van de provincie Limburg, waarbij ambtelijk de grondhouding positief is.
Door de 7 Midden-Limburgse gemeenten is in de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 - 2021 vastgelegd hoe dient te worden omgegaan met de actuele en te verwachten demografische en economische ontwikkelingen. De nadruk ligt hierbij op de benodigde transformatie van de bestaande woningvoorraad en de gevolgen voor de directe woonomgeving. Deze structuurvisie is de opvolger van de regionale visie voor de periode 2014 - 2017 en heeft betrekking op de periode 2018 tot en met 2021. Tevens is de visie basis voor afspraken op de middellange termijn tussen de samenwerkende gemeenten en de provincie (doorkijk 2030). De structuurvisie is op 3 juli 2019 door de gemeenteraden van de Midden-Limburgse gemeenten vastgesteld.
In de Structuurvisie 2018 wordt de lijn uit de Structuurvisie 2014 voortgezet, gericht op het maken van regionale afspraken voor het terugbrengen van de overtollige plancapaciteit. Dit mede om ruimte te creëren om medewerking te kunnen verlenen aan die concrete initiatieven waar in de huidige markt wel behoefte aan bestaat. Het beleid is gericht op het zo goed en snel mogelijk kunnen (laten) voorzien in de feitelijke woningbehoefte.
De Structuurvisie uit 2014 is herijkt naar aanleiding van de ontwikkelingen uit afgelopen jaren. In de Structuurvisie 2018 zijn speerpunten opnieuw verankerd in opgaven en zijn de bijbehorende afwegingskaders en instrumenten geactualiseerd. Uitgangspunt is regie te voeren om risico's in te perken. Hierbij wordt gekeken naar de kwantitatieve en kwalitatieve opgave en is er aandacht voor specifieke doelgroepen. In het kader van verduurzaming van de bestaande woningvoorraad wordt onder meer ingezet op het langer zelfstandig kunnen wonen.
De Structuurvisie kent een flexibiliteitsregeling die het mogelijk maakt om nieuwe plannen aan de planvoorraad toe te voegen, ook al is er kwantitatief geen ruimte meer. Het moet dan gaan om plannen die aansluiten bij het woningmarktonderzoek (voorzien in een behoefte) en de bestaande planvoorraad moet niet of onvoldoende in de behoefte kunnen voorzien. Dit is in Ospel het geval.
De Limburgse Agenda Wonen van de provincie Limburg (2020) stuurt aan op het versnellen van woningbouw voor specifieke doelgroepen zoals senioren. Dit is aanleiding geweest om de harde koppeling tussen het toevoegen van plannen en het extra saneringen van overtollige planvoorraad los te laten. De opgave om te saneren komt daarmee niet te vervallen, maar vormt geen belemmering om nieuwe kwalitatief goede plannen toe te voegen.
Verder gaat het hier om een specifiek woonconcept met een hofjesachtige inrichting gericht met als insteek een sociaal-maatschappelijke meerwaarde. Voor dergelijke innovatieve concepten geeft de Structuurvisie Wonen expliciet ruimte.
In de structuurvisie is aan gegeven dat het aantal ouderenhuishoudens in Midden-Limburg zal toenemen. Met name het aantal zelfstandig wonende 75-plussers neemt toe. Een groot deel van deze ouderen geeft aan zolang mogelijk zelfstandig te willen bijlijven wonen in hun woning (36%). De verhuisgeneigde ouderen willen het liefst naar een huurwoning, een appartement met lift of een grondgebonden seniorenwoning. De kwantitatieve woningbehoefte ouderenhuishoudens bedraagt in Nederweert 811 voor de periode 2018 tot 2030. Het woningmarktonderzoek geeft daarbij aan dat in de huursfeer met name appartementen met lift en grondgebondenwoningen in de prijsklassen huur tot € 710,-- per maand populair zijn. Ruim de helft van het aantal verhuisgeneigde huishoudens geeft aan behoefte te hebben aan levensloopbestendige woningen. Het beeld daarbij is dat mensen met een verhuiswens veelal een woning zoeken in de huidige woonkern dan wel willen verhuizen binnen de huidige gemeente. Ee substedelijke woonklimaat en/of een dorps woonklimaat al dan niet met een centrumfunctie met voorzieningen geniet daarbij regionaal bezien de voorkeur.
Kwantitatieve woningbehoefte Nederweert
De basis voor de kwantitatieve afspraken in de regionale structuurvisie 2018 tot en met 2021 zijn de prognoses van Etil voor de huishoudensontwikkeling uit 2017. Op basis daarvan mag Nederweert nog 349 woningen aan de woningvoorrraad toevoegen gerekend vanaf 1 januari 2018. Deze opgave is vergeleken met de planvoorraad per 1 januari 2018, zijnde 553 woningen. Daaruit is de overcapaciteit berekend, zijnde 204 woningen. Van deze overcapaciteit wordt komende 4 jaar 40% gereduceerd, te weten 81 woningen. In onderstaande tabel zijn de afspraken voor Nederweert samengevat.
Voor de kern Ospel is het richtcijfer te bouwen woningen 80 woningen tot huishoudenstop vanaf 1 januari 2018. Op basis van de plannen waarvan verwacht wordt dat de woningen in de periode 2018-2021 gerealiseerd worden bedraagt het aantal 68 woningen. Dit betreffen alleen grondgebonden koopwoningen merendeel bestemdvoor gezinnen, maar ook enkele seniorenwoningen. Voor de middellange termijn zijn er binnen ospel geen woningbouwplannen. Hiermee is voor de periode 2022 tot 2030 nog sprake van een kwantitatieve behoefte van 6 woningen.
Kwalitatieve woningbehoefte Nederweert
Zoals blijkt uit de kwaliteitsenvolope bestaat er binnen Nederweert en de kern Ospel nadrukkelijk behoefte aan appartementen met lift en grondgebonden seniorenwoningen. Zowel als koop (tot € 375.000,--) en in de sociale verhuur (tot € 752,--, prijspeil 2021) en middenhuur (tussen € 752,-- en € 1.000,--, prijspeil 2021. Hierin wordt niet voorzien in de beschikbare harde planvoorraad. Dit betreffen zoals aangegeven allen grondgebonden koopwoningen voor met name gezinnen.
De juiste woning op de juiste plaats voor de juiste doelgroep
De 20 woningen die met het planvoornemen gerealiseerd worden betreffen levensloopbestendige woningen voor met name ouderen, zodat deze hier zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen. Hieraan is grote behoefte in Nederweert en Ospel in het bijzonder. In de kern Ospel zijn dergelijke woning nagenoeg niet beschikbaar. Deze woningen zijn dan ook in de eerste plaats bedoeld voor de ouderen in en de omgeving van Ospel. Derhalve voorziet het planvoornemen in een concrete behoefte.
Daarnaast voorziet het planvoornemen in een maatschappelijke voorziening met onder andere een multifunctionele ruimte als onderdeel van het 'poortgebouw' Deze ruimte is bedoeld als ontmoetingsruimte van de bewoners van de woningen in het plangebied, maar ook omwonende zijn welkom. Het ontmoeten en samenzijn staat hierbij voorop. In dat kader zullen onder andere door de bewoners zelf maar ook door de initatiefnemer van het planvoornemen activiteiten georganiseerd worden. Gestreeft wordt naar 'nabuurschap'. Dit houdt in :
Goede mix van bewoners. Eventueel naast ouderen met een zorgvraag ook vitale ouderen, jongeren ouderen, oudere jongeren.
Verder voorziet het planvoornemen in de nodige groeninrichting waardoor er een aantrekkelijk omgeving wordt gecreerd. Ook hier staat het ontmoeten, samen zijn en het organiseren van activiteiten voorop.
Het planvoornemen voorziet daarmee in de huiste woning op de juiste plaats voor de juiste doelgroep in een aantrekkelijke omgeving, waarvoor behoefte is.
Tevens komen hiermee de huidige woningen van de ouderen vrij voor andere inwoners in de kern Ospel waardoor een doorstroming in de woningmarkt ontstaat.
Op basis van de structuurvisie Wonen Midden-Limburg kan geconcludeerd worden dat er vanuit het regionale beleid geen belemmeringen zijn met betrekking tot de woningbouwontwikkeling van 20 levensloopbestendige woning. Met deze woningen wordt in een concrete behoefte voorzien voor de ouderen in Ospel en omgeving. Het planvoornemen is daarbij regionaal afgestemd en akkoord bevonden. Het planvoornemen is dan ook meegenomen in de huidige planvoorraad.
De Structuurvisie Nederweert, vastgesteld op 9 november 2010, bevat een samenhangend en integraal overzicht van ruimtelijke en aanverwante ontwikkelingen en ambities binnen de gemeente Nederweert voor de periode 2010-2020. Met deze periode wordt aangesloten op de “Strategische Visie Nederweert in 2020” die de gemeenteraad op 18 december 2007 heeft vastgesteld.
Voor de verschillende gebieden binnen Nederweert zijn in de Structuurvisie paragrafen opgenomen, met daarin het beleid dat ten aanzien van deze gebieden geldt. Het plangebied is aangeduid als 'Agrarisch gebied met ontwikkelingsmogelijkheden'. In een dergelijk gebied zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk (ja, mits-principe) en dienen met name zorg te dragen voor de vitaliteit en leefbaarheid van het platteland.
Uitsnede kaart structuurvisie
Ten aanzien van de thema ‘Wonen’ is onder meer de volgende beleidsdoelstelling geformuleerd:
'Beschikbaarheid van een woning voor alle doelgroepen
Elke inwoner moet in beginsel in staat zijn in de gemeente Nederweert een passende woning te vinden. Passend ten aanzien van de aard van de woning, de bereikbaarheid van de noodzakelijke voorzieningen, maar ook ten aanzien van de betaalbaarheid. Binnen de bestaande woningmarkt, en de wijze waarop deze georganiseerd is, is het overgrote deel van de inwoners van de gemeente Nederweert in staat daarbij hun eigen keuze te maken.
Voor een aantal doelgroepen is de gemeente medeverantwoordelijk, omdat de doelgroepen binnen de mechanismen van de woningmarkt daartoe onvoldoende in staat zijn. Er zal op worden toegezien dat zowel bij de programmering van nieuwbouwwoningen als bij aanpassingen van de bestaande voorraad ook voor deze meer kwetsbare doelgroepen passende woningen beschikbaar blijven. Er is extra aandacht voor de volgende doelgroepen:
De gemeente heeft hierbij een inspanningsverplichting richting de genoemde doelgroepen, maar geen resultaatsverplichting.Dit is ook niet mogelijk, aangezien de gemeente niet zelf woningen realiseert. Dit wordt door andere partijen (woningcorporaties, ontwikkelaars e.d.) gedaan.'
Met onderhavig planvoornemen wordt met de realisatie van 20 levensloopbestendige woningen concreet invullen gegeven aan passende woningen voor een kwetsbare doelgroep, namelijk de ouderen in de kern Ospel. Daarnaast wordt met het planvoornemen invulling gegeven aan een voormalige bedrijfslocatie (garagebedrijf/autosloperij) in het buitengebied direct grenzend aan de kern Ospel. Hiermee wordt een kwalitatieve invulling gegeven aan deze vrijgekomen locatie. Door de woningbouwontwikkeling met maatschappelijke voorziening in combinatie met landschappelijke inpassing wordt eeng geleidelijke overgang naar het aangrenzende buitengebied gerealiseerd. Er is daardoor sprake van een kwaliteitsverbetering in relatie tot de directe omgeving. Hiermee past het planvoornemen binnen de Structuurvisie Nederweert.
De omgevingsvisie Buitengebied Nederweert is als voorbereiding op de nieuwe omgevingswet op ....... 2020/2021 vastgesteld. Deze omgevingsvisie geldt specifiek voor het buitengebied waar het plangebied onderdeel van uitmaakt. In de omgevingsvisie wordt beschreven hoe het staat met het buitengebied van Nederweert en vooral ook hoe het gebruik van deze ruimte in de toekomst wordt zien. En welke koers wordt gevaren. Gezamenlijk. Want in deze snel veranderende wereld wordt meer bereikt door open te staan voor elkaar en constructief samen te werken.
Het doel van de omgevingsvisie is het toewerken naar een buitengebied waar het goed wonen, werken en recreëren is. En dat vergt de komende jaren een forse kwaliteitsslag. De volgend acht hoofdopgaven worden in dit kader benoemd:
Met onderhavig planvoornemen wordt in meer of mindere mate invulling gegeven aan de hoofdopgaven 1, 2, 4, 5, 6 en 8. Met de realisatie van de woningen wordt een gezonde en veilige leefomgeving gecreëerd in het groen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de locatie van een voomalig garagebedrijf/autosloperij, waardoor sprake is van een kwaliteitsverbetering en een oplossing van de locatie. De woningen worden energieneutraal (0 op de meter) uitgevoerd. Hiervoor worden als onderdeel van het planvoornemen duurzame energievoorzieningen binnen het plangebied getroffen waardoor een bijdrage wordt geleverd aan de energietransitie, maar ook wordt een bijdrage geleverd aan de klimaatadaptatie door zoveel mogelijk gebruik te maken van natuurlijke materialen. Tevens nodigt het planvoornemen uit om te beleven en is er sprake van gastvrijheid door de activiteiten die voorziening in de maatschappelijkevoorziening en het experience centre. Dit is niet alleen voor de bewoners zelf maar ook voor de omwonenden of andere belangstellende. Er is daarmee sprake van een bijzondere woonvorm in een bijzondere omgeving, wat zal resulteren in een aantrekkelijke woonomgeving.
Op basis van voorgaande paragrafen kan geconcludeerd worden dat er vanuit het gemeentelijk beleid geen belemmeringen zijn met betrekking tot het planvoornemen in de vorm van een woningbouwontwikkeling met een maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing.
Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen.
In het kader van de voorgenomen bestemmingswijziging zal inzicht moeten worden gegeven in de bodemkwaliteit ter plaatse. Zeker omdat het plangebied in het verleden in gebruik is geweest als garagebedrijf en autosloperij. Omdat door middel van de beoogde ontwikkeling een wijziging plaatsvindt naar een gevoeligere functie (wonen), is een historisch- en verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Het historisch- en verkennend bodemonderzoek zijn respectievelijk als Bijlage 5 en Bijlage 6 bij deze toelichting toegevoegd.
Op basis van het historisch bodemonderzoek (Aelmans, rapportnummer E202485.007/HWO, 29 juni 2020) kan het volgende worden gesteld:
Onderzoeksopzet verkennend bodemonderzoek
Op basis van de onderzoeksopzet uit het historisch bodemonderzoek is een verkennend bodemonderzoek (Aelmans, rapportnummer 202485.010/HWO, 21 augustus 2020) uitgevoerd. Daarbij is de volgende onderverdeling voor het plangebied gehanteerd:
Gebouwen/opstellen
De boven- en ondergrond van de alhier geplaatste boringen is analytisch onderzocht in een viertal grondmengmonsters (nrs. 1 t/m 4). Uit de analyseresultaten van deze grondmengmonsters blijkt, dat behoudens een lichte concentratie minerale olie in de ondergrond geen specifieke verontreinigingen worden aangetroffen.
Vorenstaande impliceert dat de bovengrond van dit gebied als klasse AW2000 grond bestempeld kan worden. De ondergrond kan deels als klasse AW2000 (MM 3) en deels als klasse industrie grond (MM 4) gekwalificeerd worden.
Buitenterrein tussen en rondom de bebouwing
De boringen 14 t/m 22, 24 t/m 30, 32 & 33 zijn systematisch verdeeld over dit terreingedeelte. In de bovengrond van alhier geplaatste boringen worden diverse bodemvreemde bijmengingen aangetroffen met puin-, gravel of baksteendeeltjes.
De bovengrond van deze boringen is analytisch onderzocht in de grondmengmonsters 5, 6, 7 en 9. Uit de analyseresultaten van deze grondmengmonsters blijkt, dat licht verhoogde concentraties zink, PAK, cadmium, lood en/of kwik worden aangetroffen. Voornoemde lichte overschrijdingen zijn van dien aard dat deze geen directe belemmeringen opleveren voor de beoogde herinrichting van het perceel.
Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kunnen voornoemde bodemlagen op basis van worst case als klasse industrie grond bestempeld worden. De onderzochte bodemlagen in de grondmengmonsters 6 en 9 kunnen als klasse AW2000/wonen grond gekwalificeerd worden.
De visuele schone ondergrond onder het fundatiepakket (menggranulaat) is analytisch onderzocht in grondmengmonster 10. Uit de analyseresultaten van dit betreffende grondmengmonster blijkt, dat diverse parameters de achtergrondwaarden overschrijden. De concentratie zink overschrijdt tevens de interventiewaarde. Vanwege voornoemde overschrijding zijn de deelmonsters separaat onderzocht. Uit de analyseresultaten van deze uitsplitsing blijkt, dat slechts bij één boring (32) een verhoogde concentratie zink wordt gemeten, doch niet meer tot boven de bodemindex en/of interventiewaarden.
Vorenstaande impliceert dat voornoemde bodemlaag als klasse industrie grond bestempeld kan worden en dat de gerapporteerde concentratie zink tot boven de interventiewaarde als een fictieve analyse kan worden beschouwd.
De ondergrond van het resterende perceel is analytisch onderzocht in grondmengmonster 8. Uit de analyseresultaten van dit betreffende grondmengmonster blijkt, dat geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden overschrijden. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan deze ondergrond als klasse AW2000 grond worden bestempeld.
Olie-/vetafscheider
De boringen 101 t/m 104 zijn geplaatst rondom de afscheider. Tijdens het plaatsen van deze vier boringen zijn visueel geen specifieke verontreinigingen aangetroffen. De grond afkomstig van deze boringen is analytisch onderzocht in een viertal grondmengmonsters (11, 12, 13 en 15). Uit de analyseresultaten blijkt, dat weliswaar lichte overschrijdingen worden aangetroffen doch deze deels in het verlengde liggen van de geplaatste boringen over de rest van het perceel.
Daarnaast zijn aan de onderzijde van de olie-/vetafscheider geen verontreinigingen aangetroffen ten gevolgde van de alhier gebezigde opslag. Vorenstaande impliceert dat de tijdens eerdere onderzoeken (Tauw 1996) aangetroffen verontreinigingen met minerale olie rondom de olie-/ vetafscheider als een puntverontreiniging kan worden beschouwd.
Bovengrondse olie-/opslag
De boringen 105, 106 en 107 zijn geplaatst rondom de bovengrondse olie-opslag. De oorspronkelijke bovengrond van deze drie boringen is analytisch onderzocht in grondmengmonster 14. Uit de analyseresultaten van dit betreffende grondmengmonster blijkt, dat geen overschrijdingen worden aangetroffen.
Wasplaats
De boringen 31, 31a en 31b zijn geplaatst in de betonverharding ter plaatse van de wasplaats. Visueel is tijdens het plaatsen van deze boringen bij boring 31b een duidelijke olie-/waterreactie aangetroffen, welke analytisch (M 17) tot een sterk verhoogde concentratie minerale olie heeft geleid.
Daarnaast is ter plaatse van boring 31 nog een matig verhoogde concentratie minerale olie aangetroffen. Naar aanleiding van de visuele en analytische bevindingen worden ter plaatse van dit terreingedeelte matige tot sterke verontreinigingen aangetroffen met minerale olie waarvan de omvang middels onderhavig onderzoek niet afdoende in beeld is gebracht.
1e perceel landbouwgrond
De boringen 34 t/m 58 zijn geplaatst ter plaatse van het perceel landbouwgrond gelegen aangrenzend aan de buitenruimte tussen en rondom de bebouwing. Visueel zijn aan het aardoppervlak van dit terrein veelal bouwpuinresten aangetroffen. Naar aanleiding van de visuele bevindingen is de bovengrond analytisch onderzocht in een 4-tal grondmengmonsters (nrs. 18, 19, 20 en 21).
Uit de analyseresultaten van deze vier grondmengmonsters blijkt, dat veelal licht verhoogde concentraties met diverse zware metalen, PAK, PCB en/of minerale olie worden aangetroffen. Voornoemde concentraties overschrijden de achtergrondwaarden doch niet de bodemindex en/of interventiewaarden. Vanwege de aangetroffen lichte overschrijdingen kan de bovengrond van dit perceel landbouwgrond op basis van worst case als klasse industrie grond worden bestempeld.
De ondergrond van dit perceel is analytisch onderzocht in een tweetal grondmengmonsters
(nrs. 22 en 23). Uit de analyseresultaten van deze beide grondmengmonsters blijkt, dat geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden (AW2000) overschrijden. Op basis van indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan de ondergrond van dit perceel landbouwgrond als klasse AW2000 grond worden bestempeld.
2e perceel landbouwgrond (buiten plangebied)
De boringen 60 t/m 77 zijn geplaatst ter plaatse van het 2e perceel landbouwgrond. De bovengrond van deze boringen is analytisch onderzocht in de grondmengmonsters 25, 26 en 27. Uit de analyseresultaten van deze grondmengmonsters blijkt, dat in alle drie de grondmengmonsters licht verhoogde concentraties zink en cadmium worden aangetroffen.
Voornoemde concentraties overschrijden de achtergrondwaarden doch niet de bodemindex en/of interventiewaarden. Voornoemde concentraties overschrijden niet de maximale waarden voor de klasse wonen. Op basis van vorenstaande kan de bovengrond van dit perceel landgrond als klasse AW2000 grond bestempeld worden.
De ondergrond van dit perceel is analytisch onderzocht in de grondmengmonsters 28 en 29. Uit de analyseresultaten van deze beide grondmengmonsters blijkt, dat geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden overschrijden.
Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan de ondergrond als klasse AW2000 grond worden bestempeld.
Grondwater
In het grondwater zijn diverse lichte overschrijdingen aangetroffen met zware metalen. Voornoemde verontreinigingen kunnen veelal als gebiedseigen bestempeld worden.
Analytisch zijn geen specifieke verontreinigingen aangetroffen welke afkomstig zijn van de alhier in het verleden gebezigde bedrijfsactiviteiten.
De overschrijdingen zijn dermate marginaal dat deze als te verwaarlozen beschouwd kunnen worden en geen belemmeringen vormen voor het beoogde gebruik.
Asbest
Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek zijn zintuiglijk geen specifieke asbestverdachte materialen aangetoond. Op basis van de bevindingen van voornoemd zintuiglijk bodemonderzoek en het analytisch onderzoek kan de hypothese "onverdacht" met betrekking tot asbest worden bevestigd.
Men dient echter wel rekening te houden met het feit dat in de bebouwing mogelijk nog asbesthoudende materialen zijn toegepast. Naar aanleiding van vorenstaande is een aanvullende asbestinventarisatie conform de SCA 540 wenselijk geacht.
Toetsing hypothese
De hypothese "heterogeen diffuus verontreinigde locatie" wordt op basis van de onderzoeksresultaten bevestigd. De hypothese onverdacht met betrekking tot de percelen landbouwgrond wordt voor het 1e perceel landbouwgrond niet bevestigd. De alhier aangetroffen concentraties zijn van dien aard dat deze veelal in het verlengde liggen van de aangetroffen overschrijdingen ter plaatse van het belendende perceel.
Toetsing huidig bodemonderzoek eindsituatie
In 1996 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op onderhavig perceel. Ten behoeve van de uitvoering van dit onderzoek is het plangebied onderverdeeld in een vijftal deelgebieden.
Uit de bevindingen van voornoemde onderzoek blijkt, dat ter plaatse van de deellocaties A, B, C en D lichte overschrijdingen worden aangetroffen. Voornoemde overschrijdingen zijn middels dit onderzoek wederom aangetroffen. Voornoemde overschrijdingen vormen echter geen directe belemmeringen c.q. beperkingen voor de beoogde bouwplannen.
Ter plaatse van deellocatie E (olie-/vetafscheider) zijn in 1996 sterk verhoogde concentraties met zink, PAK en minerale olie aangetroffen. Voornoemde overschrijdingen zijn van dien aard dat deze in 2005 wederom zijn aangetroffen rondom deze put.
Tijdens de uitvoering van onderhavig onderzoek zijn zowel in de grond als grondwater rondom de olie-/vetafscheider geen sterke verontreinigingen meer aangetroffen. Vorenstaande impliceert dat de eerder aangetroffen verontreinigingen rondom de olie-/vetafscheider zich beperken tot een puntverontreiniging met beperkte omvang.
Ten tijde van de uitvoering van bodemonderzoek in 2005 zijn geen boringen geplaatst ter plaatse van het gedeelte dat momenteel in gebruik is als wasplaats. In 1996 zijn alhier wel boringen verricht doch was dit gebied destijds nog niet ingericht als wasplaats. Hierbij zijn geen specifieke verontreinigingen aangetroffen
Naar aanleiding van de bevindingen van de eerdere onderzoeken kunnen we concluderen dat met uitzondering van de aangetroffen verontreinigingen ter plaatse van de wasplaats, de overige aangetroffen overschrijdingen aansluiten bij de eerder uitgevoerde bodemonderzoeken. Voor de wasplaats is aanvullend c.q. nader onderzoek wenselijk.
De eindsituatie ter plaatse van de eerder in 1996 onderzochte deellocaties is afdoende in beeld gebracht.
Nader bodemonderzoek
Voor wat betreft het plangebied is het doelmatig om de verontreinigingen met minerale olie ter plaatse van de wasplaats nader in beeld te brengen.
Voor het overige zijn analytisch geen specifieke verontreinigingen waargenomen welke aan een aanvullend onderzoek dienen te worden onderworpen.
Om de verontreinigingen met minerale olie ter plaatse van de wasplaats nader in beeld te brengen is nader onderzoek (Aelmans, kenmerk E202485.001./HWO , 10 februari 2021, Bijlage 7) uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat sprake is van een diffuus met minerale olie verontreinigd gebied, ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten die ter plaatse hebben plaatsgevonden. Echter het onderzoek toont aan dat dat er geen sprake is van sterk verontreinigde grond, maar betekent wel dat de grond onder de betonplaat van de wasplaats dusdanig verontreinigd is dat deze grond tot een diepte van ongeveer 1,0 m-mv mogelijk ontgraven dient te worden wanneer de bestemming c.q. het gebruik ten behoeve van het planvoornemen wijzigt. Dit betekent dat een gebied van ongeveer 28 bij 18 meter moet worden gesaneerd en de verontreiniging moet worden verwijdert op grondvan artikel 13 Wbb, om daarmee te voorkomen dat de grond wordt verspreid over het terrein. Voorafgaand aan de uit te voeren bodemsanering dient een plan van aanpak opgesteld te worden dat dient te worden geacccordeerd door het bevoegd gezag.
Gezien de uitkomst van het nader onderzoek zal de aangetroffen difuse verontreiniging gesaneerd worden als onderdeel van het bouwrijp maken van het plangebied en voordat de woningbouwontwikkeling met maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd.
Resumerend kan gesteld worden dat er vanuit milieuhygënisch oogpunt voor wat betreft bodem geen belemmeringen zijn ten aanzien van de woningbouwontwikkeling met een maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing ter plaats van het plangebied, mits de verontreiniging met minerale olie ter plaatse van de wasplaats wordt gesaneerd. Het gebied van ongeveer 28 bij 18 meter wordt gesaneerd, waarbij de aangetroffen verontreiniging wordt verwijderd op grond van artikel 13 Wbb. Voorafgaand zal hiervoor een plan van aanpak worden opgesteld en ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Dit wordt door middel van een voorwaardelijke verplichting gewaarborgd.
Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van de voorgenoemde geluidsbronnen. Indien een bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien de ontwikkeling een nieuwe geluidsbron of wijziging van een bestaande geluidsbron (aanpassing weg) mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan.
Het planvoornemen voorziet in het planologisch juridisch mogelijk maken van de bouw van woningen. Een woning is een geluidgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh). In onderhavige situatie betreft het een woningbouwontwikkeling waarbij woningen worden opgericht binnen de onderzoekszone van de zoneplichtige wegen Meijelsedijk en Plattepeeldijk. In dat kader is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (Aelmans, rapportnummer M202371.003.001.001/GGO, 20 mei 2021, Bijlage 8) uitgevoerd om te bepalen of voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde (48 dB) dan wel de procedure hogere grenswaarde noodzakelijk is. Tevens wordt bezien of het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen in voldoende mate wordt gewaarborgd. Uit het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is gebleken dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Plattepeeldijk de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de beoogde woningen wordt overschreden. De geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op de Meijelsedijk overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gevels van enkele woningen met maximaal 5 dB. Echter de de maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien er overwegende bezwaren zijn de geluidbelasting door overdrachts- en bronmaatregelen terug te brengen tot de voorkeurswaarde.
In onderhavige situatie hoeft de cumulatieve geluidbelasting niet bepaald te worden omdat alleen de zoneplichtige Meijelsedijk de voorkeursgrenswaarde overschrijdt. Daar de geluidbelasting exclusief correctie artikel 110g Wet geluidhinder hoger is dan 53 dB is formeel een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevel nodig bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de 'methode Miedema'. De maximale gecumuleerde waarde, welke voornamelijk wordt bepaald door de Meijelsedijk, bedraagt 58 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie 'matig' en daarmee dient bezien te worden of maatregelen mogelijk zijn. Daar maatregelen aan de bron en overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren stuiten (zie paragraaf 4.2 van het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Bijlage 8), dient de oplossing gezocht te worden in geluidwerende maatregelen in de gevel en/of dak. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Aangezien de cumulatieve geluidbelasting hoger is dan 53 dB dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende gevelmaterialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Het plangebied is niet gelegen binnen een onderzoekszone van een spoorlijn of een geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. De spoorlijn Weert-Eindhoven is op grote afstand gelegen. Binnen de gemeente Nederweert zijn twee gezoneerde bedrijventerrein (Aan veertien, betoncentrale) aanwezig. De geluidzones van deze gezoneerde bedrijventereein liggen echter niet over het plangebied. Aan de westzijde van Ospel (Ketelaarsweg) is wel een lokaal bedrijventerrein gelegen. Op dit bedrijventerrein zijn alleen lokale bedrijven gevestigd met een maximum milieucategorie 4.1 (Global Food Group).
Er wordt geconcludeerd dat het aspect geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Wel dient er een procedure hogere grenswaarde te worden doorlopen. Deze procedure dient gelijktijdig met de procedure voor het bestemmingsplan te worden doorlopen. De aanvraag hiervoor moet bij het bevoegd gezag (gemeente) worden ingediend voordat het ontwerpbestemmingsplan in procedure gaat. Tevens dient er een gevelgeluidweringsonderzoek uitgevoerd te worden, als onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning, ter bepaling van de geluidwering van de gevel.
Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:
Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘Niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.
Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Deze 3% grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld:
Onderhavige woningbouwontwikkeling met maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing voorziet in het planologische-juridisch mogelijk maken van de bouw van 21 woningen met een maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing. Het mogelijk maken van 21 woningen valt binnen het niet in betekenende mate criterium van de Wet Milieubeheer. De verkeersgeneratie van de maatschappelijke voorziening valt hierbij weg tegen de verkeersgeneratie van het voormalig garagebedrijf/autosloperij.
Daarnaast is de maximale verkeersgeneratie (worst case) als gevolg van het planvoornemen bepaald (zie paragraaf 2.4). Deze bedraagt 320 verkeersbewegingen. Er vanuit gaande dat dit de toename is van de het aantal verkeersbewegingen zonder rekening te houden met de voormalige situatie (garagebedrijf/autosloperij) wordt op basis van de NIBM-tool bevestigd dat het planvoornemen aan te merken is als niet in betekenende mate. Hierbij is ook gerekend met een aandeel vrachtverkeer van 5%. Echter dit zal in werkelijkheid ook veel lager liggen.
Naast de invloed van het planvoornemen op de omgeving, is de luchtkwaliteit ter plaatse relevant. Met behulp van de verspreidingskaarten (Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland, Rijksdienst voor Volksgezondheid en Milieu) is inzicht verkregen in de achtergrondconcentraties fijnstof en stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied. Ter hoogte van het plangebied is sprake van de volgende waarden (2 rekenpunten):
Rekenpunten ter hoogte van het plangebied (uitsnede NSL-monitoringstool)
| Waarde plangebied ter hoogte van boerderij (microgram/m3) - 2020 (gegevens 2019) | Waarde plangebied ter hoogte van bomenrij (microgram/m3) - 2020 (gegevens 2019) | Grenswaarde (microgram/m3) | |
| NO2 | 15,953 | 15.862 | 40 |
| PM10 | 19.811 | 19,793 | 40 |
| PM2,5 | 11,383 | 11,378 | 25 |
Zoals blijkt uit voorgaande tabel wordt voor de belangrijkste luchtkwaliteitscomponenten binnen het plangebied voldaan aan de grenswaarden. Daarnaast is het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie maximaal 7,5, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De concentratie fijnstof heeft geen negatieve gevolgend voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
Verder geldt dat het plangebied niet is gelegen in de nabijheid van zware industrie. Voor fijn stof in relatie tot intensieve veehouderijen wordt verwezen naar paragraaf 4.8.1. Op basis hiervan wordt redelijkerwijs aangenomen dat ten aanzien van luchtkwaliteit qua fijn stof sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de te realiseren woningen binnen het plangebied maar ook voor de herbestemming van de slooplocatie Kruisvennendijk 14 naar (regulier) wonen.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling aangezien er wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden. De kwaliteit van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied als gevolg van geur en fijn stof afkomstig van de agrarische sector is in paragraaf 4.7 en 4.8 afzonderlijk verantwoord.
Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (o.a. van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (o.a. l.p.g.-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, waterwegen) en leidingen (o.a. aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit).
De risiconormen voor inrichtingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen rekening te houden met bepaalde eisen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn voorts regels opgenomen betreffende de veiligheidsafstanden en berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van munitiepatronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. In casu is er sprake van het oprichten van kwetsbare objecten, ex artikel 1 lid 1 sub l Bevi. Dit houdt in dat het plaatsgebonden risico als grenswaarde geldt. Dit betekent dat van deze norm niet afgeweken mag worden.
Binnen het plangebied wordt voorzien in een woningbouwontwikkeling met een maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing. Hiermee worden geen inrichtingen opgericht die aangemerkt worden als risicovolle bedrijvigheid.
Op basis van de risicokaart kan geconcludeerd worden dat op enige afstand (2,9 km en 1,4 km) van het plangebied transport van gevaarlijke stoffen (N266 en N272) plaats vindt en een hogedrukgasleiding van de Gasunie is gelegen. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van deze wegen dan wel leiding. De afstand bedraagt meer dan 200 meter. Derhalve kan voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico aan de hand van de mogelijkheden tot voorbereiding van de bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamhed van personen.
In de directe omgeving van het plangebied zijn wel enkele risicovolle objecten gelegen. Het betreft een LPG-tankstation en enkele agrarische bedrijven met bovengrondse propaantanks. Het plangebied is niet gelegen binnen het plaatsgebonden risico (10-6 contour) van deze bedrijven. Wel ligt er op basis van het vigerende bestemmingsplan (zie paragraaf 1.3) de aanduiding 'veiligheidszone - lpg' over het plangebied. Dit betreft een veiligheidszone met een straal van 110 m, zijnde de oude 10-6 contour plaatsgebonden risicocontour. Deze afstand is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Echter de veiligheidsafstanden vanuit het Revi zijn voor LPG tankstations met ondergrondse opslag gewijzigd. De maximale afstand van het plaatsgebonden risico was 110 meter en is gewijzigd naar 40 meter. Dit is echter in het vigerende bestemmignsplan qua veiligheidzone nooit aangepast. Hiermee is het plangebied (en kwetsbare objecten) niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour.
Echter het plangebied (en kwetsbare objecten) is wel gelegen binnen het invloedsgebied van 150 meter van het LPG-tankstation. Als gevolg hiervan zijn 13 woningen (als kwetsbare objecten) gelegen binnen dit invloedsgebied van het LPG tankstation. Dit betekent dat in het kader van het groepsrisico een volledige verantwoording van het groepsrisico in combinatie met een advies van de veiligheidsregio verplicht is.
Uitsnede risicokaart met plangebied (blauwe cirkel)
Uitsnede risicokaart met directe omgeving plangebied
Invloedsgebied LPG (rood: oude plaatsgebonden risicocontour 110 meter, geel: invloedsgebied 150 meter)
Vanwege de ligging nabij het LPG-tankstation is een kwantitatieve risicoanalyse (Econsultancy, rapportnummer 12790.008, d.d. 7 oktober 2021, Bijlage 9) verricht om te bepalen of er sprake is van overschrijding van de grens- en streefwaarden zoals genoemd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hiertoe wordt onder andere ook het groepsrisico bepaald. Voor de berekening van het groepsriscio is gebruik gemaakt van de LPG-tool. Voor de berekeningen is het aantal aanwezigen in drie schillen rond het vulpunt en de ondergrondse tank in kaart gebracht. Vervolgens zijn twee berekeningen gemaakt van het groepsrisico: voor de bestaande situatie en voor de toekomstige situatie met invulling van het planvoornemen. Bij deze berekeningen van het groepsrisico zijn de maatregelen van het LPG-convenant toegepast.
Uit de berekeningen blijkt dat het groepsrisico voor zowel de toekomstige situatie als de huidige situatie onder de 0,1 x oriëntatiewaarde ligt. De normwaarde bedraagt 0,0235 in de huidige situatie en 0,0371 in de toekomstige situatie. Omdat het plangebied deels binnen het invloedsgebied van het LPG-tankstation is gelegen is verantwoording van het groepsrisico conform het Bevi verplicht. Hierbij dient derhalve extra aandacht besteed te worden aan maatregelen, welke het groepsrisico kunnen verlagen en welke de zelfredzaamhed van personen binnen het plangebied verhogen. Tevens dient te worden ingegaan op de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid.
In dit kader is tevens advies ingewonnen bij de veiligheidsregio Noord Limburg, waarvan de resultaten hierna worden beschreven. Het advies d.d. 2 december 2021 is als Bijlage 10 toegevoegd aan deze toelichting. Uit het advies van de veiligheidsregio volgt dat:
Gezien de ligging binnen het invloedsgebied van een risicovolle object (LPG) moet op grond van het Bevi een verantwoording van het groepsrisco afgelegd worden over de volgende aspecten:
Ad a. Personendichtheid in het invloedsgebied van de betrokken risicobron
Ten opzichte van de huidige situatie vindt er een beperkte toename plaats van het aantal personen binnen het invloedgebied;
Ad b. De omvang van het groepsrisico
De omvang van het groepsrisico is beschreven in paragraaf 4.5.2 "Risico LPG- tankstation". Er vindt een beperkte toename plaats van de omvang van het groepsrisico. De omvang van het groepsrisico ligt zowel in de huidige als toekomstige situatie onder 0,1 x oriëntatiewaarde;
Ad c. Mogelijke maatregelen ter beperking van het groepsrisico bij de risicobron
In het kader van deze ruimtelijke procedure kunnen er geen aanvullende voorschriften (LPG-doorzet, hittewerende voorziening en verbeterde vulslang) verbonden worden aan de vergunning voor het LPG-tankstation. Dit wordt dan ook niet nader beschouwd.
Ad d. Mogelijke maatregelen ter beperking van het groepsrisico in het ruimtelijk besluit
Het schuiven met ruimtelijke elementen, waarbij de grootste personendichtheden zover mogelijk van de risicobron worden geprojecteerd, levert veiligheidswinst op. Hiermee is bij de planvorming zoveel mogelijk rekening gehouden waarbij ook stedenbouwkundige aspecten zijn betrokken;
Ad e. Voorschriften te verbinden aan de vergunning van de risicobron
In het kader van deze ruimtelijke procedure kunnen er geen aanvullende voorschriften verbonden worden aan de vergunning voor de risicobron.
Ad f. Andere mogelijkheden tot ontwikkelingen met een lager groepsrisico
Bij de planvorming is externe veiligheid beschouwd, evenals andere ruimtelijke afwegingskaders. Er kan worden gesteld dat er in redelijkheid sprake is van een "optimale" situatie. Een beschouwing van andere mogelijkheden is derhalve niet aan de orde;
Ad g. Mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst
Bij de planvorming is externe veiligheid evenals andere ruimtelijke afwegingskaders beschouwd. Er zijn geen mogelijkheden en passende maatregelen om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken;
Ad h. Mogelijkheden tot voorbereiding, bestrijding en beperking van een ramp
Ad i. Mogelijkheden van personen om zichzelf in veiligheid te brengen
Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het planvoornemen.Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour maar is wel gelegen binnen het invloedsgebied van een risicovol object (LPG tankstation). In dat kader heeft een volledige verantwoording van het groepsrisico plaatsgevonden en is advies ingewonnen bij de veiligheidsregio. Hieruit is gebleken dat het aspect externe veiligheid geen belemmering is voor de te realiseren woningen.
Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de onderstaande tabel staan de richtafstanden bij de verschillende bedrijfscategorieën weergegeven.
| Categorie |
Richtafstand (in meters) t.o.v. rustige woonwijk |
Richtafstand (in meters) t.o.v. gemengd gebied |
| 1 | 10 | 0 |
| 2 | 30 | 10 |
| 3.1 | 50 | 30 |
| 3.2 | 100 | 50 |
| 4.1 | 200 | 100 |
| 4.2 | 300 | 200 |
Richtafstanden per bedrijfscategorie
In onderhavige situatie is sprake van rustig buitengebied, wat overeenkomt met een rustige woonwijk. In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele agrarische bedrijven (pluimvee- en rundveehouderij) en een LPG-tankstation gelegen. Op basis van de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering' wordt een pluimveehouderij aangemerkt als een milieucategorie 4.1 bedrijf met een richtafstand van 200 meter (geur). Een rundveehouderij wordt aangemerkt als een milieucategorie 3.2 bedrijf met een richtafstand van 100 meter (geur). Het plangebied ligt op ongeveer 200 meter van het dichtsbijzijnde pluimveehouderij (Plattepeeldijk 25). Om uit te sluiten dat het woon- en leefklimaat van de te realiseren woningen wordt aangetast en het bedrijf zelf in zijn mogelijkheden wordt beperkt is het aspect geur en gezondheid nader onderzocht (zie Bijlage 11 en paragraaf 4.7 en 4.8). Hieruit is gebleken dat binnen het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot geur. Voor fijn stof en endotoxinen is de belasting op het plangebied lager dan de geldende toetsings- en advieswaarden. Het realiseren van de beoogde woonfunctie binnen het plangebied is daarmee toelaatbaar.
Het LPG-tankstation wordt aangemerkt als milieucategorie 3.1 bedrijf (< 1.000 m3/jaar) met een richtafstand van 50 meter (gevaar). Het plangebied is gedeeltelijk binnen deze afstand gelegen. Uit paragraaf 4.5 is gebleken dat het plangebied niet gelegen is binnen het plaatsgebonden risico (10-6 contour). Echter de te realiseren woningen worden niet binnen dit invloedsgebied gesitueerd. Dit gedeelte van het plangebied krijgt een groene inrichting. De te realiseren woningen worden daarmee ruimschoots buiten de richtafstand van het LPG-tankstation gesitueerd. Wel is de effectafstand voor zeer kwetsbare objecten (160 meter) en (beperkt) kwetsbare objecten (60 meter) van het LPG-tankstation gedeeltelijk gelegen over het plangebied. Een woning wordt aangemerkt als een (beperkt) kwetsbaar object. Echter de te realiseren woningen worden niet binnen de effectafstand van 60 meter gesitueerd. Dit gedeelte van het plangebied krijgt een groene inrichting. De te realiseren woningen worden daarmee ruimschoots buiten de richtafstand van het LPG-tankstation gesitueerd.
Omgekeerd vormen de te realiseren woningen geen belemmering voor deze agrarische bedrijven en het LPG-tankstation omdat er in de huidige situatie op kortere afstand reeds bestaande woningen zijn gelegen die maatgevend zijn voor deze bedrijven.
In het poortgebouw wordt ten behoeve van de multifunctionele ruimte waar activiteiten georganiseerd kunnen worden voor de bewoners en omwonenden en het experience centrum/museum gericht op de Ospelse geschienis een gedeelte als ondergeschikte horeca ingericht. Dit is horeca ten dienste van de functies. en beperkt tot een oppervlakte van maximaal 50 m2. Een horecagelegenheid wordt aangemerkt als milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter. De te realiseren woningen binnen het plangebied en bestaande woningen in de omgeving zijn op grotere afstand gelegen. Dit geldt ook voor de woning die onderdeel uitmaakt van ht poortgebouw aangezien deze woning aan de overzijde van de as gelegen is waardoor deze afstand van minimaal 10 meter in acht genomen kan worden.
Met het planvoornemen worden geurgevoelige objecten in de vorm van woningen opgericht binnen het plangebied. In de omgeving zijn meerdere veehouderijen aanwezig, te weten:
In dat kader dient aangetoond te worden dat er voor de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waarbij getoetst moet worden aan de achtgrond geur en voorgrond geur. Voor de achtergrondbelasting is in de bestaande gebiedsvisie uitgegaan van de volgende maximale waarden:
Uit de notitie gezondheid en veehouderij (Pouderoyen Tonnaer, rappornummer J202371.001.003.R2, 21 juli 2021/gewijzigd 20 december 2021, Bijlage 11) blijkt dat de indicatieve achtergrondbelasting in het plangebied varieert tussen de 8,1 en 9,7 ouE/m3. Dit is nog inclusief de geurbelasting van de inmiddels gestopte veehouderij Kruisvennendijk 14. Ter plaatse van de beoogde woonbestemming op Kruisvennendijk 14 wordt de indicatieve achtergrondbelasting ongeveer 4,8 ouE/m3.
Op grond van deze achtergrondbelasting in het plangebied en de classificatie zoals deze door de gemeente Nederweert wordt gehanteerd, wordt het woon- en leefklimaat ter plaatse van het planvoornemen beschouwd als 'redelijk goed' en Kruisvennendijk 14 als 'goed'. Ook is vastgesteld dat de achtergrondbelasting nergens de norm van 10ou overschrijdt, hetgeen door de GGD als advieswaarde wordt gehanteerd (zie tevens advies GGD in paragraaf 4.9). Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaarbaar woon- en leefklimaat.
Tevens is voor de afzonderlijke bedrijven nabij het plangebied de voorgrondbelasting bepaald. De indicatieve geurhindercontour van de meest nabijgelegen veehouderijven raken niet aan het plangebied. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de voorgrondbelasting binnen het plangebied zich binnen de norm van 9,0 ou bevindt. De berekende voorgrondbelasting van de dichtstbijgelegen veehouderij Plattepeeldijk 25 op het plangebied bedraagt maximaal 3,8 OU. De berekende voorgrondbelasting van de inmiddels gestopte veehouderij Kruisvennendijk 14 op het plangebied bedraagt maximaal 5,7 OU.
Voor een veehouderij met dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld (onder andere paarden en zoogkoeien) stelt de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit de minimale afstand tussen een geurgevoelig object in de bebouwde kom en een veehouderij van 100 meter. De dichtsbij gelegen veehouderij ligt op ongeveer 375 meter (Meijelsedijk 47). Dit houdt in dat gezien de afstand ook ten opzichte van deze categorie veehouderijven sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Ook omgekeerd zal het planvoornemen voor veehouderijen in de omgeving geen beperkende werking hebben. Ten aanzien van het aspect geur zijn de nieuw te realiseren woningen namelijk niet de meest bepalende woningen. Er zijn namelijk geurgevoelige objecten met dezelfde geurnorm die dichter bij de veehouderijven liggen. Concreet zijn het verblijfsobjecten aan de Plattepeeldijk (nummer 14 en 17) en Meijelsedijk.
Op grond van voorgaande bevindingen wordt geconcludeerd dat voor het aspect geur sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Omgekeerd is geen sprake van een beperkende werking voor de veehouderijen.
Zoals uit de notitie gezondheid en veehouderij is gebleken is sprake van een goed woon- en leefklimaat. De indicatieve achtergrondbelasting ligt onder de 10 OU. Dit is de streefwaarde die de gemeente Nederweert hanteert voor de bebouwde kom en tevens de gezondheidskundige advieswaarde van de GGD. Gezien de achtergrondbelasting is er geen noodzaak om de voorgrondnorm ter plaatse van het plangebied verder aan te scherpen.
De voorgrondbelasting van bestaande veehouderijen ligt ruim onder de geldende norm van 9 Ou. Aanscherping van de voorgrondnorm binnen het plangebied lijkt mogelijk tot ongeveer 4 Ou zonder dat bestaande veehouderijen hierdoor beperkt worden in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Indien de gemeente Nederweert dit wenst dient de gemeente dit zelf voor alle veehouderijen in de omgeving nader te onderzoeken en te onderbouwen in een geurgebiedsvisie.
Voor de slooplocatie Kruisvennendijk 14 geldt eveneens dat het woon- en leefklimaat is gewaarborgd omdat voldaan wordt aan de norm voor achtergrondbelasting van 9 Ou. Daarnaast komt de functie van intensieve veehouderij te vervallen waardoor dit ook een gunstig effect heeft op de omgeving en het planvoornemen zelf omdat deze geen bijdrage meer heeft aan de geurbelasting.
In aanvulling op het aspect geur is in dezelfde notitie gezondheid en veehouderij (Pouderoyen Tonnaer, rappornummer J202371.001.003.R2, 21 juli 2021/gewijzigd 20 december 2021, Bijlage 11) ook gekeken naar de aspecten fijn stof en endotoxinen in het kader van het aspect gezondheid.
De achtergrondconcentraties van fijn stof (PM10) liggen in de omgeving van het plangebied en binnen het plangebied zelf ruimschoots onder de wettelijke grenswaarden, dat wil zeggen niet meer dan 35 dagen met een daggemiddelde concentratie boven 50 ug/m3 en een jaargemiddelde concentratie die niet hoger is dan 40 ug/m3. Uit de Grootschalige Concentratiekaart Nederland volgt voor het plangebied een achtergrondconcentratie fijn stof (PM10) van 19-20 ug/m3. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat. Hierin is ook de fijnstof bijdragevan de gestopte veehouderij Kruisvennendijk 14 nog meegenomen.
Indien de fijn stof emissie van nabijgelegen veehouderijen in de toetsing wordt betrokken ontstaat er een indicatief beeld van de cumulatieve belasting door fijn stof. Hierin is ook de fijnstof bijdrage van de gestopte veehouderij Kruisvennendijk 14 nog meegenomen. Ook hier bevinden de concentratie binnen het plangebied zich met 20-24 ug/m3 weer ruimschoots onder de wettelijke grenswaarden.
Voor de omgekeerde werking geldt dezelfde conclusie als bij geur. Het mogelijk maken van een gevoelige bestemming in de vorm van woningen in het plangebied wordt niet belemmerd door de veehouderijen en omgekeerd is er geen sprake van een beperkende werking voor de veehouderijen. Dit geldt ook voor de herbestemming van de slooplocatie Kruisvennendijk 14 naar (regulier) wonen. Voor deze locatie geldt dezelfde achtgrondconcentratie fijnstof als binnen het plangebied van het planvoornemen. Door het vallen van de functie intensieve veehouderij is zelf sprake van een verbetering voor de omgeving.
Achtergrondconcentraties fijn stof (PM10) bron: GCN, RIVM 2020
Indicatieve cumulatieve belasting fijn stof (PM10) bron: GCN, RIVM 2020
Uitgangspunt van het toetsingskader is de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 eu/m3 voor endotoxinen. In het toetsingskader zijn afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Naast de individuele contouren per bedrijf moet ook de cumulatie met andere bedrijven in de omgeving betrokken worden in de beoordeling.
De concentraties endotoxinen als gevolg van de afzonderlijke bedrijven bevinden zich onder de geldende advieswaarden. De indicatieve cumulatieve belasting is in het oostelijk deel van het plangebied van de Peelwachter hoger dan de advieswaarde. Hier is voor een groot deel beplanting, de vokstuin en wadi voorzien. Echter dit betreft een kwalitatieve toetsing die niet rechtstreeks van invloed is op de ontwikkelmogelijkheden binnen het plangebied.
In het kader van de aspecten geur (paragraaf 4.7) en gezondheid (paragraag 4.8) is advies gevraagd bij de GGD Limburg-Noord (kenmerk UIT051060, d.d. 25 maart 2021, Bijlage 12). In dit advies komt de GGD tot de conclusie dat de beschreven milieufactoren (geur, fijnstof, endotoxinen) voldoen aan de gezondheidkundige advieswaarden. Met het planvoornemen kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de te realiseren woningen worden gewaarborgd. Door de GGD wordt daarbij opgemerkt dat het planvoornemen c.q. woonconcept kan bijdragen aan positieve gezondheidsaspecten (sociale cohesie, ontmoeten, bewegen e.d.). Naast het zorgen dat de schade aan de gezondheid zo laag mogelijk is kan de gezondheid ook worden bevorderd door het stimuleren van gezond gedrag en zorgen dat dit een gemakkelijke keuze is. Het levensloopbestendig woonconcept voorziet in het bevorderen van de sociale cohesie van de toekomstige bewoners. Er is gedacht aan ontmoetingsplekken en door de ligging in het buitengebied wordt het bewegen in de natuur gestimuleerd. Het planvoornemen c.q. woonconcept speelt wat betreft het bevorderen van de gezondheid van de toekomstige bewoners behendig in op de toekomst.
Daarnaast worden door de GGD een aantal aanvullende aanbevelingen/tips gegeven. Deze aanbevelingen/tips zijn voor een groot deel (met name bouwtechnische zaken) niet ruimtelijk relevant voor het bestemmingsplan. Deze krijgen wel aandacht bij de omgevingsverguning voor de activiteit bouwen en voor het overige (communicaite en sociale aspecten samen wonen) zijn deze meegenomen via een notitie woonconcept, welke onderdeel uitmaakt van de anterieure overeenkomst.
Het plangebied is niet gelegen binnen een zone of werkstrook van hoofdleidingen of kabels die planologisch bescherming behoeven. Vanuit dit aspect gelden er dan ook geen beperkingen voor de (functionele) invulling, bebouwing en het gebruik van het plangebied. In het straatprofiel van zowel de Meijelsedijk als de Plattepeeldijk liggen verder de gebruikelijke leidingen voor gas, water, telefonie/internet en electra.
Indien ten behoeve van het bouwrijp maken van het plangebied graafwerkzaamheden worden verricht zal voorafgaand hiervoor een KLIK-melding worden gedaan.
In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt:
De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten.
In 1992 is het Verdrag van Valletta (Malta) door de landen van de Europese Unie, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ (ter plekke) bewaard moeten blijven. Er dient te worden nagestreefd om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ (elders) worden bewaard.
Het Verdrag van Valletta is via de Wet op de archeologische monumentenzorg doorvertaald in met name de Monumentenwet 1988, welke aangeeft dat de gemeente bevoegd gezag is op het gebied van cultuurhistorie en archeologie.
Het beleid van de provincie Limburg, zoals deze is geventileerd in het POL, sluit hier nauw bij aan. Het POL benadrukt dat archeologische waarden planologisch behouden en beschermd moeten worden, maar streeft ook naar het creëren van condities voor inspectie en beheer. Bovendien legt het niet zozeer de nadruk op geïsoleerde archeologische waarden, maar op waarden als onderdeel van een groter geheel.
Uitsnede archeologische beleidskaart Weert en Nederweert
Het plangebied heeft binnen de ´archeologische beleidskaart Weert en Nederweert´ de categorie ´gebieden met verwachtingswaarde middelhoog (WR-Amh). Bij een omgevingsvergunning met een verstoringsdiepte dieper dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte dan 2.500 m2 geldt dan een onderzoeksplicht. Dit is in het vigerende bestemmingsplan voor het buitengebied in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' (verstoringsdiepte 40 cm, verstoringsoppervalkte 100 m2).
Aangezien het plangebied ingericht gaat worden met woningbouw met een maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing, en de daarbij behorende voorziening, zal de verstoringsdiepte en -oppevlakte mee bedragen dan is vrijgesteld. In dat kader is dan ook een archeologisch bureau- en booronderzoek (Econsultancy, rapportnummer 12790.002 (versie 2), 7 januari 2021 Bijlage 13) uitgevoerd. Uit dit archeologish onderzoek is het volgende gebleken
Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek
Uit de landschappelijke ligging op een dekzandrug maar ver van stromend water, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum ongunstig is geweest voor jagers en verzamelaars maar vanaf het Neolithicum wel geschikt voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het plangebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen vanaf het Paleolithicum al ligt er een sterke nadruk op vondsten van land-bouwsamenlevingen en nederzettingen uit de Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. De kans op het voorkomen van de archeologische resten is hoog voor de perioden Neolithicum-Nieuwe tijd maar laag voor de perioden (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de aangetroffen bodemopbouw van dien aard is dat er binnen het plangebied geen behoudenswaardige archeologische resten meer worden verwacht.
Conclusie en advies
De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek geheel bijgesteld naar laag voor alle perioden. Op grond van het bureau- en veldonderzoek wordt geadviseerd om het plangebied archeologisch vrij te geven. Op basis hiervan heeft het bevoegd gezag (gemeente Nederweert) besloten om het plangebied ook daadwerkelijk archeologisch vrij te geven, met uitzondering van de footprint van de voormalige voormalige boerderij. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeololgie' wordt ter plaatse van deze footprint gehandhaafd. Dit betekent dat als de voormalige boerderij wordt gesloopt en hiervoor bodemingrepen noodzakelijk zijn de ondergrond eers nog onderzocht moet worden op archeologische resten. .
Mochten tijdens de graafwerkzaamheden in de rest van het plangebied toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart voor Weert en Nederweert is het plangebied zelf als 'cultuurland' aangeduid. De wegen Meijelsedijk en Plattepeeldijk zijn aangeduid als wegen ouder dan 1890. Het plangebied is deels bebouwd (voorzijde) en deels onbebouwd (achterzijde). De aanwezige bebouwing aan de voorzijde betreft de voormalige agrarische bebouwing waarvan enkel de 'oude' boerderij nog enige cultuurhistorische waarde heeft. Echter deze 'oude' boerderij is niet aangemerkt als rijks- dan wel gemeentelijk monument, maar was enkel aan te merken als karakteristieke bebouwing met enige cultuurhistorische waarden. Door de jaren heen is, door talloze verbouwingen, het grootste deel van deze cultuurhistorische waarde van de karakteristieke bebouwing verloren gegaan. Van de oorspronkelijke bebouwing is weinig tot niets meer over qua cultuurhistorische waarde. Daarnaast is de bouwkundige staat van de bebouwing slecht door de jarenlange leegstand. De overige voormalige argrarische bebouwing heeft geen enkele cultuurhistorische waarden.
Voormalige 'oude' boerderij
Huidige verschijningsvorm 'oude' boerderij
Het planvoornemen voorziet dan ook niet in het handhaven van de bestaande bebouwing maar in de herbouw van de 'oude' boerderij als onderdeel van het 'poortgebouw' in combinatie met de planvorming op de 'punt' met de Meijelsedijk/Plattepeeldijk. Hiervoor zal de footprint van de oude bebouwing en de verschijningsvorm c.q. architectuur als basis dienen voor de link met het verleden. In de herbouwde boerderij zal de maatschappelijke voorziening worden gevestigd.
Het achterste deel van het plangebied was voorheen in gebruik als agrarische grond en later als autosloperij. Momenteel liggen deze gronden (overwegend) braak. Aan de zijde van de Meijelsedijk staat een markante bomenrij en in het plangebied of aan de randen daarvan (zijde Plattepeeldijk) komen enkele markante bomen voor. Tijdens de storm in maart 2021 zijn een aantal bomen van de bomenrij omgewaaid. Derhalve is deze bomenrij inmiddels gekapt in verband met het waarborgen van de veiligheid ter plaatse. De markante bomen in het plangebied of aan de randen daarvan zijn (waar mogelijk) ingepast in het planvoornemen als onderdeel van de landschappelijke inpassing.
Verder heeft het planvoornemen geen invloed op de aangrenzende wegen. Deze blijven in hun huidige vorm en inrichting bestaand. Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening gehouden worden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de natuur. In de volgende paragraaf wordt onderhavig plangebied getoetst aan het natuurbeschermingsrecht.
Het natuurbeschermingsrecht is te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura2000-gebieden. Onderhavig plangebied valt niet binnen een van de Natura2000-gebieden.
Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet ook duidelijk zijn of het betreffende plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde soorten. De soortenbescherming is vastgelegd in de 'Wet natuurbescherming'. Deze wet is de implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn voor wat betreft de soortenbescherming.
In verband met de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en dan met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. In ruimtelijke plannen mogen geen mogelijkheden worden geboden voor ruimtelijke ontwikkelingen waarvan op voorhand redelijkerwijs kan worden ingezien dat in het kader van de Wet natuurbescherming (met name op basis van de verbodsbepalingen van artikelen 8 tot en met 14) geen ontheffing zal worden verleend.
De Wet natuurbescherming deelt de soorten in drie tabellen in. Voor soorten in de eerste tabel geldt een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor soorten in tabel 2 is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk, tenzij men beschikt over of de werkzaamheden (aantoonbaar) uitvoert volgens een door het Rijk vastgestelde gedragscode. De soorten in tabel 3 zijn het strengste beschermd. Afhankelijk van het planvoornemen en de beschermde soort die in of nabij het plangebied voorkomt vindt een afweging plaats. Een aanvraag van een ontheffing is enkel noodzakelijk indien de voorgenomen activiteiten een schadelijk effect zullen hebben op de aanwezige beschermde soorten of zorgen voor een vermindering van de ecologische functionaliteit voor deze soorten. Een aanvraag is niet noodzakelijk indien de werkzaamheden dusdanig worden ingericht dat geen schade wordt toegebracht aan de beschermde soorten.
Standaard geldt voor het gehele gebied de algemene zorgplicht zoals die in de Wet natuurbescherming centraal staat (artikel 2). Dit houdt in dat voorafgaand aan de ingreep alle maatregelen genomen dienen te worden om nadelige gevolgen op flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Bovendien moeten de handelingen in logisch verband staan met het plan en geen doel op zich vormen. Deze zorgplicht geldt te allen tijde, ook indien een ontheffing of vrijstelling is verleend. In dat kader is dan ook een quickscan flora en fauna (Econsultancy, rapportnummer 12790.003, 17 september 2020, Bijlage 14) uitgevoerd.
Natura 2000-gebieden
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, de Groote Peel en Sarsven en De Banen, bevinden zich op circa 2,3 en 2,8 kilometer afstand ten noorden en zuiden van het plangebied.
Ligging plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden
Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura-2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een eventueel effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid welke door het beoogde planvoornemen binnen het plangebied plaatsvinden zijn, gezien de afstand tot deze meest nabijgelegen Natura 2000-gebied niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 200-gebieden op voorhand niet uit te sluiten. Dit is in eerste instantie onderzocht aan de hand van een aantal scenario's die in dit verband mogelijk zijn. (Pouderoyen Tonnaer, project J202371.001, 18 september 2020, Bijlage 15), te weten:
Voor de gebruiksfase is hierbij enkel uitgegaan van de verkeersgeneratie (79 verkeersbewegingen) van de te realiseren woningen.
Uit deze scenario's blijkt dat meerdere scenario's mogelijk zijn waarbij geen overschrijding plaatsvindt van de 0,00 mol/ha/jaar norm.
Indien er emissiearm wordt gebouwd dan is er zelfs een scenario mogelijk waarbij alles in één jaar gesloopt en gerealiseerd kan worden. Er zijn hierbij een aantal kanttekeningen te plaatsen. Om tot uitgangspunten te komen zijn er aannames gedaan ten aanzien van het te slopen en het te bouwen volume. Ook is het zo dat het scenario van emissiearm bouwen mogelijk niet haalbaar is omdat er geen aannemer te vinden is met moderne apparatuur om tot een gemiddelde emissie van 1 kg NOx/jaar te komen per wooneenheid.
Op basis van het voorgaande wordt (voorlopig) voorgesteld om, indien fasering mogelijk is en er op korte termijn een beoordeling stikstof gewenst is, het scenario 3 uit te werken. Daarbij kan er namelijk worden gesteld dat er een worst-case benadering is gebruikt waarbij er geen emissies aan de orde zijn. De optie om in een later stadium de notitie aan te vullen met meer specifieke gegevens van een aannemer (die vermoedelijk lager zullen liggen dan de kengetallen) wordt daarmee achter de hand gehouden als mogelijke oplossingsrichting indien dit noodzakelijk mocht blijken.
Echter is er sinds 1 juli 2021 een nieuw wettelijk kader en is op basis hiervan vervolgens een notitie beoordeling stikstof (Pouderoyen Tonnaer, project J202371.001, 16 februari 2022, Bijlage 16) uitgewerkt.
Wettelijk kader sinds 1 juli 2021
Na de PAS uitspraak van mei 2019 is er gewerkt aan een nieuw wettelijk kader om de stikstofproblematiek aan te pakken. Uitvloeisel daarvan is de Wet Stikstofreducie en Natuurherstel. Met deze wet wordt voorzien in de wettelijke verankering van de door het kabinet aangekondigde structurele aanpak van de stikstofproblematiek. De wet is op 17 december 2020 aangenomen door de Tweede Kamer en op 9 maart 2021 aangenomen door de Eerste Kamer. Op 1 juli 2021 is de wet in werking getreden.
De Stikstofwet wijzigt de Wet natuurbescherming (“Wnb”) en de Omgevingswet op een aantal punten. De desbetreffende wijzigingen voorzien – samengevat – in het volgende:
Met name het laatste punt is belangrijk voor woningbouwprojecten zoals het onderhavige project. Deze partiële vrijstelling is opgenomen in artikel 2.9a Wnb.
De vrijstelling voor bouwactiviteiten is om twee redenen partieel. Allereerst omdat de vrijstelling alleen geldt voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw, sloop en aanleg (“Realisatiefase”) en niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk, als gevolg van bijvoorbeeld bewoning, gebruik van utiliteitsbouw of verkeer dat over een weg rijdt (“Gebruiksfase”). Voor de structurele uitstoot die een project in de Gebruiksfase uitstoot, blijft de natuurvergunningplicht dus onverkort van toepassing. De vrijstelling is voorts partieel, omdat deze alleen geldt voor de gevolgen van stikstofdepositie en niet voor ándere significante gevolgen, bijvoorbeeld de verstoring van diersoorten.
Voor de onderhavige casus geldt daarmee dus dat indien er geen significante effecten ten aanzien van de emissie van stikstof zijn te verwachten in de gebruiksfase, de bouwfase buiten beschouwing kan worden gelaten (vrijgesteld) en dat een ontheffing van de Wnb voor het project niet aan de orde is. In alle scenario's is een significant stikstofeffect uitgesloten voor de gebruiksfase. Op basis van de vrijstelling zoals opgenomen in lid 2.9a Wnb blijft de bouwfase daarmee buiten beschouwing. Het is daarmee ook niet meer noodzakelijk om een van de scenario's voor de bouwfase te verankeren in de ruimtelijke procedure. De fasering voor het bouwen kan op basis van het voorgaande daarmee worden losgelaten.
Uit de berekening van de gebruiksfase volgen geen rekenresultaten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000 gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Het planvoornemen leidt in de gebruiksfase dan ook niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden. Op basis van de Wet Stikstofreductie en Natuurherstel kan gebruik worden gemaakt van de partiële vrijstelling voor bouwactiviteiten zoals opgenomen in artikel 2.9a Wnb. Voor het planvoornemen is derhalve geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming vereist.
Natuur Netwerk Nederland
De goudgroene natuurzone vormt het limburgse deel van het Nationaal Natuurnetwerk waarbinnen de provincie streeft naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Het plangebied zelfs maakt geen onderdeel uit van het Natuur Netwerk Nederland of het Provinciaal Natuurnerwerk
Het plangebied is gelegen op ongeveer 1,3 kilometer van het Natuur Netwerk Nederland. Het voorgenomen planvoornemen binnen het plangebied in combinatie met de afstand, zal er niet toe leiden dat de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuur Netwerk Nederland wordt aangetast. Vervolgonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Houtopstanden
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. De bomen binnen het plangebied vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 1.1 van de Wet natuurbescherming. Het betreft geen oppervlakte grond van tien are of meer, of een rijbeplanting die bestaat uit meer dan twintig bomen. Tevens betreft het grotendeels houtopstand gelegen op een erf, waarvoor de Wet natuurbescherming niet geldt. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. Wel geldt mogelijk de gemeentelijke kapverordening. Vooralsnog worden de bestaande bomen zoveel mogelijk ingepast in het stedenbouwkundig ontwerp. Van kappen van bomen is in eerste instantie dan ook geen sprake.
Wel worden de beschermde landschapselementen uit het bestemmingsplan 'Buitengebied', die verdwenen zijn, als onderdeel van het planvoornemen teruggebracht en gecompenseerd. Ook de kap van de 34 populieren, als gevolg van de storm in februari 2021, worden als onderdeel van het planvoornemen gecompenseerd. Dit is bij het verlenen van de noodkap (in verband met de veiligheid) ook aangegeven. Dit mogen zuilbomen zijn van een andere soort (bijvoorbeeld eik of beuk), maar moeten in dezelfde 'klassegrote' vallen. De maatvoering is 16-18 bomen, welke vrij moeten kunnen uitgroeien. De compensatie van de landschapselementen en de gekapte populieren is meegenomen in de landschappelijke inpassing van het stedenbouwkundige ontwerp (Bijlage 2).
Soorten
In onderstaande tabel is de aanwezigheid van geschikt habitat binnen het plangebied voor de verschillende soorten en soortgroepen weergegeven. In deze tabel is samengevat of het planvoornemen mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of eventuele vergunningtrajecten. Tevens is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtredingen van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Op basis van de uitgevoerde quickscan kan het volgende worden geconcudeerd:
In het stedenbouwkundige ontwerp wordt de bomenrij met populieren behouden. De zomereik met klimop wordt gekapt. Dit betekent dat hiervoor geen nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is. Wel is aanvullend ecologisch onderzoek (Econsultancy, rapportnummer 12790.007, d.d. 28 september 2021, Bijlage 17) verricht naar de eventuele functie van het plangebied voor steenuil, kerkuil, huismus, boomvalk, buizerd, sperwer en gebouwwonende vleermuizen. Uit dit aanvullend ecologisch onderzoek is gebleken dat gedurende het steenuilenonderzoek twee roestplaatsen van steenuil zijn aangetroffen, één in het voormalige autobedrijf en één in de voormalige autosloperij. Ook is er een zomer- en mogelijk (milde) winterverblijfplaats aangetroffen van de gewone dwergvleermuis, aan de zuidoostelijk gelegen gevel van de voormalige autosloperij onder een van de loshangende singels. Er zijn geen indicaties aange-troffen voor nestlocaties of vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van kerkuil, huismus, ruige dwerg-vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis tijdens het onderzoek.
Met betrekking tot de voorgenomen plannen ter plaatse is er sprake van opzettelijke beschadiging, vernieling en/of verstoring van twee roestplaatsen van steenuil en één zomer- en tevens mogelijk (milde) winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Bij de sloop van het autobedrijf en de autosloperij is dan ook sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming.
Ten behoeve van de uitvoering dient een ontheffing te worden aangevraagd bij de Provincie Limburg voor het opzettelijk beschadigen, vernielen en verstoren van één zomer- en mogelijk (milde) winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis (artikel 3.5, lid 2 en 4) en het opzettelijk beschadigen en vernielen van twee vaste roestplaatsen van de steenuil (artikel 3.1 lid 2). Daarnaast zal door het treffen van maatregelen de functionaliteit van de vaste rust- en voortplantingsplaatsen behouden moeten blijven en schade aan individuen moeten worden voorkomen. De maatregelen dienen ter onderbouwing van de ontheffingsaanvraag te worden vastgelegd in een activiteitenplan.
Het groenplan met beplantingsplan biedt daarnaast voldoende mogelijkheden om de mitigrerende maatregelen te treffen voor de hiervoor genoemde soorten. Deze zijn als onderdeel van het groenplan eenvoudig te integreren.
Beoordeeld moet worden of het planvoornemen kan leiden tot het opstellen van een milieueffectrapport (MER). Op grond van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit mer lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben (C-lijst) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (D-lijst). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen.
Een belangrijke wijziging die in het Besluit m.e.r. is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Dit is het indicatief maken van de gevaldefinities in kolom 2 in de D-lijst. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. De criteria als bedoeld betreffen:
Het plangebied, voor het deel waar de woningen met maatschappelijke zijn voorzien, heeft een oppervlakte van ongeveer 1,8 ha. Het planvoornemen voorziet op de realisatie van 20 levensloopbestendige woningen met maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing in combinatie met de sloop van (voormalige) agrarische bebouwing. Er is daarbij geen sprake van cumulatie met andere projecten bij de realisatie van de woningen met landschappelijke inpassing. De sloop van de (voormalige) woningen is onderdeel van het planvoornemen en planologisch-juridisch verankerd in dit bestemmingsplan door het weg bestemmen van de bouwmogelijkheden door het laten vervallen van het bouwvlak ter plaatse van de te slopen bebouwing.
Bij de ontwikkeling van het planvoornemen wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen. Wel zal zonne-energie opgewerkt worden door middel van het plaatsen van zonnepanelen. Tevens zal er gasloos gebouwd worden. Het eventueel toepassen van een warmtepomp met bodemopslag is hierbij wel één van de opties.
Naast het reguliere afval van de toekomstige sloopt van de bebouwing zal er geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen. Er zal zullen namelijk afvalstoffen onstaan bij de sloop van de (voormalige) agrarische bebouwing. Na de sloop zullen duurzame woningen en maatschappelijke voorziening worden gerealiseerd in combinatie met landschappelijke inpassing.
Met dit planvoornemen wordt een voormalig garagebedrijf met autosloperij weg bestemd waardoor sprake is van een kwaliteitsverbetering op deze locatie. Tijdens de sloop- en aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke inder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden. Dit zal geen nadelige gevolgen hebben aangezien het slechts om een tijdelijke situatie gaat.
Op basis van onderhavig hoofdstuk 4 (paragraaf 4.1 tot en met 4.12) en hoofdstuk 5 van deze toelichting kan worden geconcludeerd dat er geen belangrijke negatieve milieueffecten te verwachten zijn als gevolg van het planvoornemen.
| Aspect | Conclusie |
| Bodem | De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Wel dient de bodemverontreiniging ter plaatse van de wasplaats te worden gesaneerd. |
| Geluid | Ten aanzien van wegverkeerslawaai moet de noodzakelijke grenswaarde worden aangevraagd. De procedure wordt vooraf dan wel parallel aan de procedure van dit bestemmingsplan doorlopen |
| Luchtkwaliteit | Op basis van de maximale verkeersgeneratie als gevolg van het planvoornemen is het planvoornemen, op basis van de NIBM-tool, aan te merken als Niet In Betekenende Mate (NIBM). |
| Externe veiligheid | Het planvoornemen is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour (10-6). Wel zijn een aantal woningen gelegen binnen het invloedsgebied van het LPG-tankstation. In dat kader heeft er een verantwoording van het groepsrisico plaatsgevonden. Tevens is dit afgestemd met de veiligheidsregio Noord Limburg en de RUD Noord Limburg |
| Bedrijven en milieuzonering | Behoudens enkele agrarische bedrijven (zie onder geur en gezondheid) en het LPG-tankstation (zie onder externe veiligheid) zijn er geen bedrijven in de directe omgeving gelegen die van invloed zijn op het planvoornemen. Ook de beoogde ondergeschikte horeca in de maatschappelijke voorziening als de maatschappelijke voorziening vormen gezien de richtafstand van 10 meter geen belemmeringen voor zowel de bestaande woningen in de omgeving als de nieuwe woningen. |
| Geur | Uit onderzoek is gebleken is sprake van een goed woon- en leefklimaat. De indicatieve achtergrondbelasting ligt onder de 10 OU. Dit is de streefwaarde die de gemeente Nederweert hanteert voor de bebouwde kom en tevens de gezondheidskundige advieswaarde van de GGD. Gezien de achtergrondbelasting is er geen noodzaak om de voorgrondnorm ter plaatse van het plangebied verder aan te scherpen. De voorgrondbelasting van bestaande veehouderijen ligt ruim onder de geldende norm van 9 Ou. Aanscherping van de voorgrondnorm binnen het plangebied lijkt mogelijk tot ongeveer 4 Ou zonder dat bestaande veehouderijen hierdoor beperkt worden in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Er is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen |
| Gezondheid | De achtergrondconcetraties van fijn stof (PM10) liggen in de omgeving van het plangebied en binnen het plangebied zelf ruimschoots onder de wettelijke grenswaarden, dat wil zeggen niet meer dan 35 dagen met een daggemiddelde concentratie boven 50 ug/m3 en een jaargemiddelde concentratie die niet hoger is dan 40 ug/m3. Uit de Grootschalige Concentratiekaart Nederland volgt voor het plangebied een achtergrondconcentratie fijn stof (PM10) van 19-20 ug/m3. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat. Hierin is ook de fijnstof bijdragevan de gestopte veehouderij Kruisvennendijk 14 nog meegenomen. De concentraties endotoxinen als gevolg van de afzonderlijke bedrijven bevinden zich onder de geldende advieswaarden. De indicatieve cumulatieve belasting is in het oostelijk deel van het plangebied van de Peelwachter hoger dan de advieswaarde. Hier is voor een groot deel beplanting, de vokstuin en wadi voorzien. Daarnaast komt de GGD in haar advies tot de conclusie dat de beschreven milieufactoren (geur, fijnstof, endotoxinen) voldoen aan de gezondheidkundige advieswaarden. |
| Kabels en leidingen | Het plangebied is niet gelegen binnen een zone of werkstrook van hoofdleidingen of kabels die planologisch bescherming behoeven. Vanuit dit aspect gelden er dan ook geen beperkingen voor de (functionele) invulling, bebouwing en het gebruik van het plangebied. |
| Archeologie en cultuurhistorie | Op basis van archeologisch onderzoek wordt het plangebied archeologisch vrijgegeven, uitgezonderd ter plaatse van de bebouwing van de oude boerderij. Hier blijft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' gehandhaafd om eventuele archeologische resten te kunnen waarborgen c.q. beschermen. Het planvoornemen voorziet niet in het handhaven van de bestaande bebouwing maar in de herbouw van de 'oude' boerderij als onderdeel van het 'poortgebouw' in combinatie met de planvorming op de 'punt' met de Meijelsedijk/Plattepeeldijk. Hiervoor zal de footprint van de oude bebouwing en de verschijningsvorm c.q. architectuur als basis dienen voor de link met het verleden. |
| Flora en fauna | Ten behoeve van de uitvoering van het planvoornemen dient een ontheffing te worden aangevraagd bij de Provincie Limburg voor het opzettelijk beschadigen, vernielen en verstoren van één zomer- en mogelijk (milde) winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis (artikel 3.5, lid 2 en 4) en het opzettelijk beschadigen en vernielen van twee vaste roestplaatsen van de steenuil (artikel 3.1 lid 2). Daarnaast zal door het treffen van maatregelen de functionaliteit van de vaste rust- en voortplantingsplaatsen behouden moeten blijven en schade aan individuen moeten worden voorkomen. De maatregelen dienen ter onderbouwing van de ontheffingsaanvraag te worden vastgelegd in een activiteitenplan. |
Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met:
sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het besluit m.e.r. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
In het licht van het voorgaande leidt de conclusie derhalve dat voor de ontwikkeling van het plangebied op basis van het beoogde planvoornemen géén milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Het college heeft besloten dat een milieueffectrapport niet noodzakelijk is.
Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema's zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting van een bestemmingsplan aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Dit hoofdstuk kan als waterparagraaf worden beschouwd.
Door de Algemene besturen van Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei is op 14 oktober 2015 het Waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld. Dit plan is, vooruitlopend op de fusie in 2017 tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg. In het plan is vastgelegd hoe het watersysteem en waterkeringen op orde worden gebracht en gehouden.
In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de volgende afwegingsstappen doorlopen: hergebruik, infiltratie, berging, lozing op het oppervlaktewater, lozing op de riolering. Hergebruik wordt over het algemeen alleen toegepast bij grootschalige voorzieningen.
Door de beoogde realisatie van het planvoornemen neemt het verhard oppervlak toe. Naar verwachting zal het plangebied ongeveer voor de helft bebouwd en verhard worden door de realisatie van de woningbouwontwikkeling met maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing. Momenteel is het plangebied met .2.245 m2 verhard. Dit betreft de bestaande bebouwing en verhardingen. Op basis van het stedenbouwkundig ontwerp wordt de toekomstige verharding binnen het plangebied 5.590 m2. Dit betekent dat de verharding met 3.345 m2 binnen het plangebied zal toenemen
Uitgaande van een van een bergingseis van 100 mm (op basis van de keur) resulteert dit in een bergingsopgave van het hemelwater van 559 m3 (5.590 m2 x 0.1 m) bij een volledige afkoppeling van de verhardingen. Om hierin te kunnen voorzien wordt als onderdeel van de landschappelijke inpassing 2 wadi's aangelegd, die doormiddel van een verbindingssloot in extreme situaties afwateren (overstort) richt de 'randen' van het plangebied waar aangesloten wordt op de bermsloot aan de Plattepeeldijk en aan de Meijelsedijk
De 2 wadi's hebben een bergingscapaciteit van respectievelijk 480 m3 en 390 m3. De totale bergingscapaciteit komt daarmee op 870 m3. Hiermee wordt ruimschoot voldaan aan de benodigde bergingscapaciteit en is zelfs sprake van overcapaciteit. Bij het bepalen van de bergingscapaciteit van de wadi's is rekening gehouden met een talud van 1:1. Deze bergingscapaciteit wordt gerealiseerd beneden het huidige maaiveld. De wadi's hebben daarbij een diepte van 1 meter.
Situering en omvang wadi's in stedenbouwkundig ontwerp als onderdeel van de landschappelijke inpassing
Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.
De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hierbij dient te worden aangetekend dat de ondergrond (BGT/BRK) geen juridische status heeft.
De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan ‘’ zijn opgebouwd conform de door de SVBP2012 voorgeschreven systematiek en zijn gebaseerd op de regels van de vigerende SVO. De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels, en ten slotte de overgangs- en slotregels.
Begrippen
In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP2012 omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen.
Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de ‘wijze van meten’ uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de ‘wijze van meten’ worden in de SVBP2012 richtlijnen gegeven.
Bestemmingen
De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende toegestane functies direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de bouwregels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening.
De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit:
Niet alle onderdelen komen bij elke bestemming voor. Van de meest gebruikte onderdelen volgt hierna een korte toelichting.
Bestemmingsomschrijving
In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie(s) worden als eerste genoemd. Indien van toepassing, worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. De ondergeschiktheid kan worden aangegeven door de woorden ‘met daaraan ondergeschikt’. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie binnen de betreffende bestemming.
De bestemmingsomschrijving is niet alleen functioneel maar bevat, met het oog op de raadpleegbaarheid, ook inrichtingsaspecten. Zo kan er worden bepaald dat de betreffende gronden zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van de toegestane functies. Daarnaast kan in de bestemmingsomschrijving worden aangegeven dat het behoud van bepaalde karakteristieken of waarden wordt nagestreefd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan cultuurhistorische waarden.
Bouwregels
In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels weergegeven. Hierbij wordt in ieder geval een onderscheid gemaakt tussen de regeling van (hoofd)gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en daar waar van toepassing ook tussen hoofdgebouwen en aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen.
Nadere eisen
Nadere eisen kunnen worden gesteld ten behoeve van bepaalde doorgaans kwalitatief omschreven criteria, zoals een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. De nadere eisenregeling biedt de mogelijkheid om in concrete situaties in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning sturend op te treden door het opnemen van nadere eisen in de omgevingsvergunning. Nadere eisen kunnen alleen worden gesteld als er in de regels ook een primaire eis wordt gesteld. De nadere eisen moeten verband houden met deze eis. De nadere eisenregeling hoeft niet in alle bestemmingen te worden geregeld.
Afwijken van de bouwregels
Met een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van de toegestane bouwregelingen. Deze vergunning is niet bedoeld voor afwijkingen van de bouwregels, waarvan de verwachting is, dat ze veelal kunnen worden verleend. In dat geval zijn de bouwregels hierop aangepast. Voor elke afwijking wordt aangegeven waarvoor een vergunning wordt verleend, welke maximale afwijking kan worden toegestaan en meestal de situaties of voorwaarden waaronder vergunning wordt verleend. Het gaat hier om afwijkingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien de afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (de algemene regels).
Specifieke gebruiksregels
Het is verboden gronden te gebruiken en/of te laten gebruiken op een manier die in strijd is met het bestemmingsplan. In specifieke gebruiksregels kunnen bepaalde functies, in aanvulling op de bestemmingsomschrijving, nog expliciet worden genoemd als zijnde verboden gebruik.
Afwijken van de gebruiksregels
Met een omgevingsvergunning kan van de gebruiksregels in het plan worden afgeweken ten behoeve van een concrete vorm van grondgebruik. Dit mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel vergunning kan worden verleend ten behoeve van functies die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies, maar dat via afwijkingsbevoegdheden geen ‘nieuwe’ functies kunnen worden toegestaan. De afwijking dient te zien op kleinere, planologisch minder ingrijpende onderwerpen. Functiewijzigingen en grotere, ruimtelijke ingrepen dienen te worden geregeld via een wijzigingsbevoegdheid of bestemmingsplanherziening.
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden
Met een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden kunnen specifieke inrichtingsactiviteiten aan een werk of werkzaamheid worden verbonden. Onder deze inrichtingsactiviteiten valt niet het bouwen en het gebruiken. Een vergunningenstelsel wordt opgenomen om extra bescherming aan een specifieke waarde van de bestemming te bieden, zoals landschappelijke of natuurlijke waarden, ecologische waarden of de groen- en/of waterstructuur. Een vergunningenstelsel kan in specifieke en bijzondere situaties worden opgenomen in verband met bijvoorbeeld het verwijderen van waardevolle boombeplanting.
Agrarisch
De bestemming 'Agrarisch' is toegekend aan de slooplocatie Kruisvennendijk 14. Dit is conform de vigerende bestemming. Hierbij is de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' gewijzigd in de functieaanduiding 'wonen' waarbij tevens het bouwvlak is verkleind en afgestemd is op de bestaande (woon)situatie. Hierdoor is de te slopen (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing buiten het bouwvlak gelegen en als zodanig niet meer toegestaan qua gebruik en bouwen.
Ter plaatse van de agrarische bestemming in combinatie met de functieaanduiding 'wonen' is enkel een burgerwoning met bijbehorende erven en tuin toegestaan. Qua bouwmogelijkheden is een woning met bijbehorende bouwmogelijkheden toegestaan. De overige gronden die enkel agrarisch bestemd zijn, zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik, versterking van de aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige structuur, behoud van de landschapselementen, verkeersvoorzieningen, waterhuishoudingkundige doeleinden, groenvoorzieningen en extensieve dagrecreatie, inclusief semi-verharde parkeervoorzieningen.
Agrarisch - Lanbouwontwikkelingsgebied
De bestemming ter plaatse van de slooplocatie Plattepeeldijk 22/29 is de vigerende bestemming 'Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied' met de functieaanduiding 'intensieve veehouderij' gehandhaafd. Alleen het bouwvlak is verkleind waardoor de te slopen agrarische bedrijfsbebouwing buiten het bouwvlak is gelegen en als zodanig niet meer toegestaan qua gebruik en bouwen. Om te voorkomen dat het bouwvlak in de toekomst uitgebreid wordt is hier de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - uitbreiding bouwvlak niet toegestaan' opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding is bepaald dat het bouwvlak dus niet uitgebreid mag worden, zodat het niet meer mogelijk is om hier in de toekomst eventueel nog agrarische bebouwing op te richten. Wel is het bouwvlak ter plaatse van nummer 22 en 29 van vorm veranderd zonder dat sprake is van vergroting van het vigerende bouwvlak. Deze vorm verandering is gewenst om het ter plaatse bestaande pluimveehouderij bedrijf te kunnen voorzien van wintergartens voor vrije uitloopkippen.
De gebruiksmogelijkheden en bouwmogelijkheden zijn verder gelijk gebleven aan de thans vigerende situatie.
Gemengd
Het beoogde poortgebouw is bestemd als 'Gemengd' met een bijbehorend bouwvlak. Binnen deze bestemming zijn de beoogde functies toegestaan. Dit betreft maatschappelijke voorzieningen, multifunctionele ruimte, museum, ondergeschikte horeca met een maximum vloeroppervlak van 50 m2, wonen in één woning, doeleinden van openbaar nut en verkeersvoorzieningen. Daarnaast zijn ondergeschikt daaraan tuinen en erven, verhardignen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan.
Binnen het aangeduide bouwvlak mag de bebouwing opgericht worden tot een maximum toegestane goot-/bouwhoogte. Het bouwvlak mag daarbij volledig worden bebouwd. De bebouwing moet daarbij geörienteerd zijn op de naar de weg gekeerde bouwgrens in combinatie met de figuur 'gevellijn'.
Verkeer
De gronden aan de voorzijde van het poortgebouw zijn bestemd als 'Verkeer' om de inrichting als plein mogelijk te maken. Ter plaatse van deze bestemming zijn de gronden bestemd als verkeersvoorzieningen, verblijfsgebied, stallingsruimte voor fietsers, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, doeleinden van openbaar nut, waterhuishoudkundige en infiltratievoorzieningen en evenementen.
De bouwmogelijkheden zijn beperkt tot gebouwen ten behoeve van doeleinden van openbaar nut, gebouwen ten behoeve van beheer en onderhoud en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de verkeersbestemming.
Woongebied
De gronden waar de woningen met de landschappelijke inpassing zijn voorzien zijn bestemd als 'Woongebied'. Ter plaatse van deze bestemming zijn maximaal 20 woningen met bijbehorende voorzieningen en bijgebouwen toegestaan. Door middel van voorwaardelijke verplichting is bepaald dat deze woningen pas in gebruik mogen worden genomen als de landschappelijke inpassing is gerealiseerd binnen een half jaar na oplevering van de woningen en de voormalige agrarisceh bedrijfsbebouwing is gesloopt voor aanvang van de bouw van de woningen. Hiermee wordt de inpassing en de sloop planologisch-juridisch gezien gewaarborgd.
De woningen moeten als levensloopbestendige woningen worden uitgevoerd in combinatie met voorzieningen gericht op het verlenen van zorg ten behoeve van het zolang mogelijk zelfstandig kunnen wonen van ouderen. De oriëntatie van de woningen is daarbij voorzien op de aangrenzende infrastructuur dan wel de beoogde centrale as. De toegestane goot-/bouwhoogte bedraagt respectievelijk 3,5 en 8 meter.
Vanwege de beoogde flexibiliteit is een ruim bouwvlak aangegeven waarbinnen de woningen gesitueerd moeten worden. Dit bouwvlak mag voor maximaal 30 % bebouwd worden.
Waarde - Archeologie
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden ter plaatse van de footprint van de voormalige boerderij en de slooplocaties (Plattepeeldijk 22/29 en Kruisvennendijk 14) zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. Ter plaatse geldt een bouwverbod. Hiervan kan worden afgeweken ten dienste van en conform de overige voor deze gronden aangewezen bestemming(en).
Waterstaat - Beschermingszone watergang
Aan de straatzijde van de Plattepeeldijk 29 is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Beschermingszone watergang' van toepassing als beheerszone van de aanwezige watergang van het waterschap. Deze gronden zijn bestemd voor de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende watergang. In verband met de bescherming van de watergang mag op deze gronden niet gebouwd worden.
Anti-dubbeltelregel
Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering.
Algemene bouwregels
Voor het hele plangebied, en dus alle bestemmingen, gelden eveneens een aantal algemene bouwregels. Deze zijn dus niet opgenomen in de afzonderlijke bestemmingen.
Algemene aanduidingsregels
Voor het hele plangebied, en dus alle bestemmingen, gelden eveneens regels met betrekking tot de specifieke aanduidingen ‘milieuzone - boringsvrije zone', veiligheidszone - lpg' en ‘luchtvaartverkeerzone’.
Algemene afwijkingsregels
In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om met een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Aangegeven wordt van welke regel met een omgevingsvergunning afgeweken kan worden en waarvoor.
Overige regels
In de overige regels zijn regels opgenomen zoals onder andere de rangorde van de dubbelbestemmingen en regelingen omtrent parkeren.
Kwaliteitsregels
Om verzekerd te zijn van kwaliteitsverbetering worden instrumenten ingezet die erop gericht zijn om de ontwikkelingen in het agrarische gebied bij agrarischh bedrijven te combineren met benodigde kwaliteitsverbetering. Deze kwaliteitsverbetering vindt via een tweetal benaderingen plaats:
Overgangsrecht
In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en de Wabo, overgenomen.
Slotregel
Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.
Naast het toetsen van het planvoornemen aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten, dient ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Hierbij wordt gekeken naar de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomst met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeiegenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.
Omdat dit plan voorziet in een woningbouwontwikkeling met een maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing en het geheel wordt uitgevoerd door particulier initiatief kan worden gesteld dat er geen beperkingen/risico's zijn voor de grondexploitatie en financiële uitvoerbaarheid van het plan. Er zijn geen gevolgen voor de gemeentelijke financiën. Het betreft hier een private ontwikkeling waarbij het risico geheel gedragen wordt door de initiatiefnemer. Dit geldt ook voor de kwaliteitsbijdrage in de vorm van de sloop van voormalige agrarische bebouwing (oppervlakte 10.000 m2). Er is geen sprake van op de initiatiefnemer te verhalen kosten. Wel zal met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst worden gesloten. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventuele kosten niet voor rekening van de gemeente komen, maar voor rekening van de initiatiefnemer. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische en financiele uitvoerbaarheid van het project voldoende is gegarandeerd.
Het planvoornemen betreft de transformatie van een voormalige bedrijfslocatie (garage met autosloperij) naar woningbouw met een maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing. Ten behoeve van het planvoornemen wordt de voormalige bedrijfsbebouwing gesloopt en de oude boerderij gerenoveerd dan wel herbouwd in de vorm van een 'poortgebouw'. De woningbouw wordt ingepast in een groene setting. Hierdoor is sprake van een aanzienlijke kwaliteitsverbetering binnen het plangebied in relatie tot de directe omgeving. Daarnaast voorziet het planvoornemen in een concrete behoefte voor ouderen die zo lang mogelijk zelfstandig (al dan niet met zorg) willen blijven wonen in een aantrekkelijke woonomgeving. Het planvoornemen is daarbij specifiek bedoeld voor de ouderen in Ospel, die graag kleiner willen gaan wonen.
Op basis hiervan mag aangenomen worden dat tegen het planvoornemen geen doorslaggevende bezwaren bestaan. Als voorbereiding op onderhavig bestemmingsplan zijn op 23 maart 2021 een informatiebijeenkomst gehouden. Tijdens deze informatiebijeenkomsten zijn omwonenden en belangstellende geïnformeerd over het planvoornemen aan de hand van het stedenbouwkundige ontwerp en referentiebeelden met betrekking tot de beoogde inrichting van het plangebied. Tevens zijn de diverse vragen beantwoord. Uit deze bijeenkomst is gebleken dat het planvoornemen positief is ontvangen. Een verslag van informatiebijeenkomsten is als Bijlage 18 toegevoegd.
Het bestemmingsplan wordt conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen.
Het planvoornemen zal gezien het bovenstaande recht doen aan een goede ruimtelijke ordening, als bedoeld in artikel 3.1 Wro. De bestemmingswijziging betekent, na een afweging van de verschillende belangen, een aanvaardbare invulling van het plangebied.
Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure:
In het kader van deze procedure is het voor eenieder mogelijk om zijn/haar zienswijze (bij de gemeenteraad) kenbaar te maken. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen, wordt daarvan steeds melding gemaakt. Wanneer beroep wordt ingesteld, beslist uiteindelijk c.q. in hoogste instantie, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan.
Overeenkomstig artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is kennis gegeven van het voornemen tot het voorbereiden van het bestemmingsplan 'Peelwachter Ospel'. Hierbij is aangegeven dat dit bestemmingsplan een bestemmingswijziging betreft van een voormalig garagebedrijf met autosloperij ten behoeve van een woningbouwontwikkeling met een maatschappelijke voorziening en landschappelijke inpassing.
Als gevolg van de realisatie van een woningebouwontwikkeling met een maatschappelijk voorziening en landschappelijke inpassing, neemt het verhard oppervlak toe. Deze toename bedraagt meer dan 2000 m2. Dit betekent dat het bestemmingsplan in het kader van de watertoets voorgelegd dient te worden aan het Waterschap Limburg. Het bestemmingsplan is voorgelegd aan het Waterschap Limburg. Zij hebben per mail d.d. 19 juli 2021 aangegeven akkoord te zijn met de beoogde waterinfiltratie (zie paragraaf 5.3).
Volgens artikel 3.1.1 van het Bro dient de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met een aantal instanties. De provincie Limburg, Veiligheidsregio Limburg-Noord, het Waterschap Limburg en Waterleiding Maatschappij Limburg zijn via de provinciale website www.ruimtelijkinzichtlimburg.nl, dan wel via de mail, op de hoogte gebracht.
Provincie Limburg
Door de provincie Limburg zijn per mail d.d. 29 juli 2021 twee opmerkingen gemaakt met betrekking tot de beperking van het bouwblok van de intensieve veehouderij aan de Plattepeeldijk 22-29 en de mogelijkheid van een zonneweide. Deze twee opmerkingen hebben tot aanpassing van het bestemmingplan geleid die aan de opmerkingen tegemoet komen, zodat er verder geen aanleiding voor de provincie zal zijn om in de verdere procedure van het bestemmingsplan een zienswijze in te dienen.
Veiligheidsregio Limburg Noord
De veiligheidsregio heeft per brief d.d. 2 december 2021 advies uitgebracht ten aanzien van onderhavig planvoornemen. Het advies heeft betrekking op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een eventuele ramp en over de zelfredzaamhedi van personen in het invloedsgebied van de inrichting. Het advies is verwoord in paragraaf 4.5.3. Het advies zelf is bijgevoegd als Bijlage 10. Dit heeft geresulteerd in een nadere verantwoording van het groepsrisico die nader afgestemd is met de RUD Noord Limburg.
Waterschap Limburg
Door het Waterschap Limburg is in haar reactie (mail d.d. 19 juli 2021) aangegeven dat door de realisatie van de wadi's met een totale bergingscapaciteit van 870 m3 voldaan wordt aan de eis dat per m2 nieuw verhard oppervlak 100 mm hemelwater kan worden verwerkt. Er zijn verder geen opmerkingen op onderhavig plan.
Waterleiding Maatschappij Limburg
Geen reactie ontvangen
GGD
De GGD heeft in haar advies van 25 maart 2021 aangegeven dat de beschreven milieufactoren voldoen aan de gezondheidkundige advieswaarden. Met deze planontwikkeling kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gewaarborgd (zie tevens paragraaf 4.9 en Bijlage 12).
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 4 maart 2022 gedurende zes weken, dat wil zeggen tot en met 14 april 2022 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is één (pro forma) zienswijzen tegen het plan ingediend, waarbij is verzocht om een verlenging van de termijn ten behoeve van de aanvulling van de motivering. Vervolgens is een inhoudelijke zienswijze binnen de gestelde termijn ontvangen. Deze zienswijze is ongegrond verklaard en heeft derhalve niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan is echter wel op twee punten ambtshalve aangepast. Het betreft het toevoegen van de begrippen relatie en zorgverlenende dienstverlening en het toestaan van zorgverlenenden dienstverlening binnen de bestemming 'Gemengd' ten behoeve van een huisartsenpraktijk. Het bestemmingsplan is ten opzichte van het ontwerp dan ook gewijzigd vastgesteld in de raadsvergadering van 19 juli 2022.