| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Beukeböschke Meerssen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0938.TAMOP22a03017-VG01 |
Aan de Gansbaan en de Kerksteeg in Meerssen stonden vroeger arbeiderswoningen en een jongensschool. Deze gebouwen zijn in de tweede helft van de jaren 70 van de vorige eeuw gesloopt om naast de al aanwezige gymzaal een basisschool te kunnen bouwen.
Inmiddels staat de gymzaal leeg en vervult het schoolgebouw niet meer de functie van school, maar zijn er tijdelijk vluchtelingen uit Oekraïne gehuisvest.
Omdat er in Meerssen dringend behoefte is aan doorstroming op de woningmarkt, wil het gemeentebestuur op de plek van de voormalige basisschool en gymzaal levensloopbestendige appartementen bouwen. Vooral oudere inwoners zijn toe aan een kleinere, bij voorkeur gelijkvloerse woning, die dichtbij winkels en voorzieningen ligt. Op de ontwikkelingslocatie Gansbeek/Beukeböschke wordt daarom een nieuw appartementengebouw met maximaal 49 appartementen met bijbehorende half-verdiepte parkeervoorziening gerealiseerd.
Het voormalig geldende 'Bestemmingsplan Meerssen', vastgesteld op 19 september 2024, onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan gemeente Meerssen, staat nieuwe woningen binnen deze ontwikkelingslocatie niet toe. Om de realisatie van de nieuwbouw Beukeböschke op deze locatie mogelijk te maken, wordt het omgevingsplan van de gemeente Meerssen gewijzigd. Hiervoor wordt een TAM-IMRO omgevingsplan opgesteld en in procedure gebracht.
In voorliggende motivering wordt aangegeven waarom dit TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld en welke afwegingen hebben plaatsgevonden in het kader van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' volgens de Omgevingswet (hierna: Ow).
De ontwikkelingslocatie ligt ten zuidoosten van het centrum van Meerssen. De zuidzijde van het ontwikkelingsgebied grenst aan het spoor Maastricht - Valkenburg.
Figuur 1.1: locatie Beukenböschke ten zuiden van het centrum van Meerssen, oranje omkaderd
Aan de westzijde grenst het ontwikkelingsgebied aan het Proosdijpark. Figuur 1.2 geeft de niet gesloopte toestand weer van het plangebied.
Figuur 1.2: de gesloopte toestand van locatie Beukenböschke ten zuiden van het centrum van Meerssen, rood omkaderd (bron: Mecanoo)
Het ontwikkelingsgebied wordt omgeven door waardevolle bebouwing en plekken, zoals de Basiliek en de Proostenkelder.
Figuur 1.3: waardevolle bebouwing en plekken rondom plangebied (bron: Mecanoo)
Het ontwikkelingsgebied omvat de volgende kadastrale percelen:
Figuur 1.4: ontwikkelingsgebied rood omkaderd (bron: Kadastrale kaart)
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. De huidige situatie wordt beschreven aan de hand van het bestaande gebruik en aanwezige bebouwing in het ontwikkelingsgebied. De toekomstige situatie beschrijft het initiatief voor het ontwikkelingsgebied, het initiatief en de strijdigheden met het omgevingsplan. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe participatie heeft plaatsgevonden en hoe hiermee rekening is gehouden bij de planvorming. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 en 5 het project getoetst aan relevant beleidskader en aan relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van het planvoornemen. Uiteindelijk volgt in hoofdstuk 7 de slotconclusie.
Binnen het ontwikkelingsgebied staat in de huidige situatie nog een basisschool met schoolplein en een gymzaal. De basisschool wordt de laatste jaren gebruikt voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen.
Figuur 2.1: aanzicht basisschool vanaf Gansbaan in westelijke richting (bron: Google Streetview, juni 2023)
Figuur 2.2: aanzicht gymzaal vanaf de Kerksteeg in zuidelijke richting (bron: Google Streetview, mei 2019)
Groen
Binnen het ontwikkelingsgebied is waardevol groen aanwezig aan de noordzijde en in een westelijk gesitueerd hoekje van het terrein.
Figuur 2.3: waardevol groen (bron: Mecanoo)
Parkeren
Op dit moment zijn er 2 privé-parkeerplaatsen voor het voormalige schoolgebouw en 6 openbare parkeerplaatsen bij de gymzaal aanwezig. Daarnaast is er in de directe omgeving aan de Gansbaan sprake van 10 openbare parkeerplaatsen en wordt er ook geparkeerd bij de Vredeskapel.
Ter plaatse van het ontwikkelingsgebied gelden de regels van het 'Bestemmingsplan Meerssen' als onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan Meerssen. De relevante regels die op het ontwikkelingsgebied van toepassing zijn worden hierna opgesomd.
Figuur 2.4: uitsnede 'Bestemmingsplan Meerssen', vastgesteld op 19-09-2024 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Maatschappelijk
Deze gronden zijn bestemd voor religieuze doeleinden, onderwijs en educatie, waaronder mede begrepen sportbeoefening, sociaal-culturele doeleinden, gezondheidszorg, zorgwoningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen en groenvoorzieningen. Alsmede ook voor wonen, met dien verstande dat het uitsluitend 'bestaand wonen' betreft (artikel 17.1.1). Het betreft de gebruiksactiviteiten die ter plaatse zijn toegestaan.
Onder het gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van de grond anders dan voor: tuin en/of groenvoorziening, speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen, opslagdoeleinden.
Voor wat betreft de ruimtelijke bouwactiviteiten gelden de volgende bepalingen:
Er is bovendien een binnenplanse bevoegdheid opgenomen voor het afwijken van de bouwregels ten behoeve van:
Groen
De gronden aangewezen als 'Groen' zijn bestemd voor openbare groenvoorzieningen, religieuze doeleinden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, duurzaam bodem- en waterbeheer, nutsvoorzieningen en de daarbij behorende voorzieningen en bouwwerken (artikel 14.1.1). Het betreft de gebruiksactiviteiten die ter plaatse zijn toegestaan.
Voor wat betreft de ruimtelijke bouwactiviteiten gelden de volgende bepalingen:
Bovendien kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van het realiseren van parkeervoorzieningen mits dit niet leidt tot een onevenredige inbreuk op de groenstructuur en mits dit verantwoord is vanuit oogpunt van verkeersveiligheid (artikel 14.5).
Wonen
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in woningen met de daarbij behorende voorzieningen en bouwwerken bij bovengenoemde functies en doeleinden, zoals erven, tuinen, verharding, wegen, paden, kunstwerken en beplanting (artikel 31.1.1 sub aj.). Het betreft de gebruiksactiviteiten die ter plaatse zijn toegestaan.
Waarde - Archeologie
Deze gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen en/of terreinen, een en ander overeenkomstig de 'Archeologische beleidskaart' (Archolrapport 134) (artikel 38.1.1). Een omgevingsvergunning voor het verstoren van de bodem wordt uitsluitend verleend als voldaan wordt aan de regels in de artikelen 38.2.2 en 38.2.3 (artikel 38.2.1).
Geluidzone - spoor
Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het toestaan van een geluidsgevoelig object binnen deze zone, met dien verstande dat de geluidsbelasting vanwege spoorweglawaai aan de gevels van de te realiseren objecten niet hoger mag zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verleende hogere grenswaarde (artikel 57.2).
Milieuzone - bodembeschermingsgebied
Ter plaatse van deze gronden is duurzaam behoud van kwetsbare functies en waarden als bijzondere bescherming van de bodem noodzakelijk. Het streven is naar een kwaliteit van bodem, grondwater en landschap die voldoet aan de eisen die de aanwezige bijzondere biotische, abiotische en cultuurhistorische waarden stellen. Daarbij dient rekening gehouden te worden met dan wel afstemming te worden gezocht met het beleid ter zake van de Provinciale Omgevingsverordening Limburg en het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (artikel 57.4).
Veiligheidszone - leiding
Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het toestaan van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten binnen deze zone, met dien verstande dat voldaan wordt aan de normen die gelden voor het plaatsgebonden risico en als sprake is van toename van het groepsrisico, hiervoor een verantwoording plaatsvindt (artikel 57.9).
Vanaf 2023 is, middels een volumestudie (zie bijlage 1), gewerkt aan een stedenbouwkundig ontwerp, waaruit na een eerste selectie 5 varianten zijn gekomen, waarvan uiteindelijk 2 voorkeursvarianten zijn overgebleven. Optie A4 kwam als beste uit het onderzoek naar voren en heeft de naam 'Villa Rotunda' gekregen. Het beoogde volume bestaat uit 3 halve cirkelvormige gebouwen in oplopende bouwlagen die verschoven ten opzichte van elkaar zijn gepositioneerd. Het gebouw wordt maximaal 4 bouwlagen hoog op bepaalde punten. Het zuidelijk volume is opgeknipt in 2 gebouwdelen. Hierdoor hebben relatief veel appartementen een fraai uitzicht aan een of beide zijden, met name richting het Proosdijpark en de Basiliek. Door de positionering wordt een binnentuin gecreëerd die aansluiting vindt bij het park.
Figuur 2.5: situatie 'Villa Rotunda' (bron: Mecanoo)
Figuur 2.6: Vogelvlucht bouwvolumes zuid oost 'Villa Rotunda' (bron: Mecanoo)
Figuur 2.7: Perspectief vanaf Parallelweg (bron: Mecanoo)
Figuur 2.8: mogelijke uitwerking, aanzicht binnenzijde (bron: Mecanoo)
Programma
In het gebouw worden in totaal maximaal 49 appartementen gerealiseerd. 18 appartementen hebben een oppervlakte van c.a. 75 m2, 25 appartementen een oppervlakte van c.a. 90 m2 en 6 appartementen een oppervlakte van c.a. 110 m2.
Parkeren
Parkeren op maaiveld is niet wenselijk, omdat de gemeente het parkeren aan het park zoveel mogelijk wil voorkomen. Dit betekent ook geen nieuwe parkeerplaatsen ter hoogte van de huidige gymzaal en de Vredeskapel. Parkeren op maaiveld zal daarmee enkel nog aan de Gansbaan plaatsvinden.
Het merendeel van de benodigde parkeerplaatsen zal in een parkeergarage moeten worden ondergebracht. De openbare parkeerplaatsen aan de Gansbaan kunnen behouden blijven.
Er wordt een halfverdiepte parkeervoorziening gerealiseerd tegen het spoor met 75 parkeerplekken, waarvan 15 publiek toegankelijk. Door het aflopende maaiveld richting het spoor is een halfverdiepte oplossing bedacht, die voor een groot gedeelte wordt voorzien van een dak met sedumbeplanting en open bestrating in plaats van een waterdichte vloer. Het dak van de parkeergarage is op een aantal plekken opengewerkt, waardoor bomen in de vaste grond door de openingen in het dak kunnen groeien.
Figuur 2.9: Parkeeroplossing (bron: Mecanoo)
Achterpad
Voor de woningen Gansbaan 54 t/m 62 komt een achterpad vanaf de Gansbaan.
Het projectvoornemen is op een aantal onderdelen strijdig met het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Meerssen. Het betreft in grote lijnen de planologische gebruiks- en bouwactiviteiten (positionering bebouwing, hoogte bebouwing, gebruiksfunctie wonen etc.).
De beoogde activiteiten op de ontwikkelingslocatie zijn niet mogelijk op basis van het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente. Om de activiteiten mogelijk te maken binnen het ontwikkelingsgebied dient het omgevingsplan aangepast te worden. Voor de wijziging van het omgevingsplan wordt een TAM-IMRO omgevingsplan opgesteld en in procedure gebracht door de gemeente. Het vaststellingsbesluit wordt dan ook nog gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl.
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Ow en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Ow. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Ow een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Ob staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Ow de plan-mer-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-mer-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.
De plan-mer-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een planontwikkeling met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r.
De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
De mer-beoordeling is opgenomen als bijlage 2 bij deze motivering.
Uit de informatie in de aanmeldnotitie blijkt dat de planlocatie niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten. Voor de ontwikkeling zijn geen mitigerende maatregelen benodigd. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.
De Ow stimuleert vroegtijdige participatie van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. In dit hoofdstuk wordt daarom aandacht besteed aan dit onderdeel van het besluitvormingsproces.
Op 29 januari 2024 heeft in het Stella Maris College een informatiebijeenkomst plaatsgevonden voor omwonenden bij dit project, nadat op 24 januari de raad ook al was ingelicht en bijgepraat tijdens een openbare themabijeenkomst.
Tijdens de informatieavond is de volumestudie van architect Mecanoo gepresenteerd aan de aanwezigen. Daarbij werd ingegaan op de uitgangspunten voor het ontwerp, zoals het in 2023 vastgestelde Masterplan Centrum Meerssen. Daarnaast werd uitvoerig ingegaan op de historie, het hoogteverschil en de stedenbouwkundige setting van het plangebied. De 5 doorgeselecteerde varianten uit de volumestudie zijn allemaal getoond en toegelicht. Ook is aangegeven waarom 3 varianten zijn afgevallen, o.a. aan de hand van criteria als bouwmassa, stedenbouwkunde, woonkwaliteit, duurzaamheid en kosten. De twee voorkeursvarianten (Villa Rotunda en Villa Patio) zijn meer uitvoerig getoond, waarbij ook referentiearchitectuur is gepresenteerd om zo een goed beeld te krijgen van een mogelijk toekomstige situatie. Ook zijn er allerlei perspectieven getoond, bijvoorbeeld vanaf de Parallelweg, Gansbaan, het park en de Basiliek.
Na de presentatie was het woord aan de aanwezigen voor vragen. Er werden diverse vragen gesteld, waaronder over het uitzicht vanaf de Parallelweg richting de Basiliek, de kapvorm, parkeren, beperkingen door het spoor, de bouwplanning, de doelgroep, of er ook gemeenschappelijke voorzieningen komen, de kosten, bodem- en asbestonderzoek en een vraag over de hoeveelheid woningen. Ook werden er opmerkingen gegeven over de huidige parkeersituatie aan de Gansbaan. De medewerkers van de gemeente hebben op deze vragen passende antwoorden gegeven. Met betrekking tot het volume kreeg Villa Rotunda verreweg de meeste positieve reacties. Ook hebben er omwonenden interesse getoond in het project als toekomstige woonlocatie.
Nadien heeft er een gesprek plaatsgevonden met een bewoner van de Parallelweg, als vertegenwoordiger van deze straat. De bewoners hebben aangegeven dat het realiseren van 4 bouwlagen ervoor zorgt dat er geen zicht meer is op de Basiliek. Ook zijn er zorgen geuit over natuur inclusief bouwen en parkeren. De bewoners hebben voorgesteld het aantal bouwlagen aan het spoor te beperken tot 2 bouwlagen, en 3 bouwlagen aan de kerkzijde.
Ook de dorpsbouwmeester van de Adviescommissie fysieke leefomgeving is om advies gevraagd. De dorpsbouwmeester heeft een positief signaal afgegeven m.b.t. de voorkeursvariant Villa Rotunda, al zijn er ook kanttekeningen geplaatst bij de keuzes van bouwlagen in relatie tot woonkwaliteit voor de nieuwe bewoners. De dorpsbouwmeester stelde voor om het zuidelijke volume te laten bestaan uit 2 en 3 bouwlagen, en het noordelijk volume 3 en 4 bouwlagen.
Beiden adviezen/meningen zijn meegenomen bij een financiële doorrekening van het project. Daaruit is gebleken dat het realiseren van het advies van de omwonenden aan de Parallelweg zou leiden tot een financieel onhaalbaar plan.
Het college van B&W heeft vervolgens de voorkeursvariant nog eens kritisch bekeken. Zo is er opnieuw overleg gevoerd met bewoners aan de Parallelweg en Gansbaan, is er een advies ingewonnen bij Bureau Verbeek inzake de relatie met het Rijksmonumentale Proosdijpark en is overleg gevoerd met de Adviescommissie Fysieke Leefomgeving Meerssen. Daarna is een verfijnd stedenbouwkundig ontwerp ter vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraad. Bij dit verfijnd ontwerp zijn de cirkelvormige gebouwdelen een beetje in elkaar geschoven en is het zuidelijk gebouwdeel opgeknipt in 2 delen. Mede hierdoor, en door de trapsgewijze opbouw naar 4 bouwlagen richting het park, leidt dit ontwerp tot een beperkte vermindering van het uitzicht op de Basiliek. Daarnaast de financiële haalbaarheid van dit plan en het op peil houden van het voorzieningenniveau in de kern Meerssen een rol gespeeld in de afwegingen.
Op 18 augustus 2025 heeft er een inloopavond plaatsgevonden om het aangepaste ontwerp aan omwonenden te presenteren. Ook met de raad is het gesprek aangegaan. Op 8 september 2025 heeft de gemeenteraad het aangepaste stedenbouwkundig ontwerp, ook wel variant A4.D genoemd, vastgesteld.
ProRail
Ten slotte heeft er overleg plaatsgevonden met ProRail als belanghebbende. ProRail heeft laten weten dat er geen belemmeringen zijn m.b.t. het planvoornemen. De halfverdiepte parkeervoorziening is realiseerbaar op locatie, al geldt er wel een vergunningplicht omdat de bouw is voorzien in het beperkingengebied.
Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed
Ook is de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed op de hoogte gebracht over dit planvoornemen.
Waterschap
Het waterschap heeft op 11 november 2025 laten weten geen bezwaren te hebben tegen het plan. Het hemelwater zal binnen het plangebied worden opgevangen (conform de eis van 80 mm) in de vorm van een wadi in het midden van alle gebouwen. Ten opzichte van de oude situatie is er een vooruitgang van de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse.
De Veiligheidsregio en de Provincie zijn op 6 oktober 2025 gevraagd een vooroverlegreactie te geven op de ontwikkeling.
Deze paragraaf beschrijft beknopt het relevante Rijksbeleid (zoals de NOVI), provinciaal beleid (zoals de POVI), gemeentelijk beleid (zoals de GOVI) en regionaal beleid. Ook Rijks-, provinciale, waterschaps- en gemeentelijke programma's, voor zover relevant, kunnen hier worden benoemd. Beoordeeld wordt of de ontwikkeling past binnen de relevante beleidskaders.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante ruimtelijke beleidsaspecten met betrekking tot de herontwikkeling van de locatie.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kan ingespeeld worden op de grote uitdagingen voor Nederland. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief richting 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toetsing
Gezien de beperkte schaal van de ontwikkeling staat het initiatief op de ontwikkelingslocatie de doelen uit de NOVI niet in de weg. Er worden maximaal 49 woningen toegevoegd aan de woningvoorraad in het binnenstedelijk gebied door het ontwikkelen van een duurzame woonomgeving ter plaatse van de oude basisschool en gymzaal. Met het project wordt ingezet op het creëren van doorgroeimogelijkheden binnen de gemeente Meerssen. Dit sluit aan bij het principe uit de NOVI om de gespannen woningmarkt te verlichten. Het project is dan ook in lijn met de NOVI.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) is één van de vier AMvB's die invulling geven aan de Ow. Het Ob regelt onder meer welk bestuursorgaan bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen, de betrokkenheid van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming, procedures en een aantal op zichzelf staande onderwerpen zoals de milieueffectrapportage. Het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) geven aan, aan welke regels burgers en bedrijven zich moeten houden bij bepaalde activiteiten.
Het Bkl stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. In het Bkl staan dan ook regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden.
In het Bkl staan instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over:
Met behulp van de digitale voorziening 'Regels op de kaart' (Omgevingsloket) is voor de ontwikkelingslocatie bepaald welke gebiedsgerichte instructieregels uit het Bkl voor dit project relevant zijn. Uit raadpleging van 'Regels op de kaart' blijkt dat de ontwikkelingslocatie is gelegen binnen een gebied waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren. Het Bkl stelt binnen dergelijke gebieden regels aan maximale bouwhoogten van windturbines om verstoring van het radarbeeld te voorkomen. De voorgestane ontwikkeling voorziet niet in windturbines en gelet op de bouwhoogten die mogelijk worden gemaakt vormt dit project geen belemmering voor de werking van het meest nabijgelegen radarstation.
Een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking vindt hierna plaats. Voor zover verdere thematische instructieregels uit het Bkl van belang zijn voor dit plan, vindt een afweging van deze instructieregel plaats in hoofdstuk 5 van deze motivering.
Overige instructieregels uit het Bkl zijn minder relevant voor de ontwikkeling, omdat deze ofwel het schaalniveau overstijgen ofwel op een voor dit project onbelangrijk thema betrekking hebben.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling is zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand het uitgangspunt. Hiertoe wordt de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' gevolgd die is vastgelegd in Artikel 5.129g Bkl. Bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling is toepassing van de ladder vereist.
Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.
Toetsing
Op de ontwikkelingslocatie worden maximaal 49 levensloopbestendige appartementen mogelijk op de plek van een voormalige basisschool en gymzaal.
Het tijdelijke omgevingsplan is vertrekpunt bij de beoordeling of iets een nieuwe stedelijke ontwikkeling is. Op de locatie zijn nu géén woningen toegestaan. In dit geval is er sprake van een stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied en moet de behoefte worden verantwoord.
Beschrijving woningbehoefte
De behoefte aan woningen blijkt uit diverse bronnen die hierna worden behandeld.
Woondeal Limburg (maart 2023)
De regionale woondeals zijn onderdeel van de Nationale Woon- en Bouwagenda dat erop gericht is om het woningtekort op te lossen door 900.000 nieuwe woningen te bouwen tot 2030. In Limburg komen er 26.550 woningen bij, waarvan het grootste deel in de sociale huur, de middenhuur en de betaalbare koop.
De ambitie om in Zuid-Limburg via herstructurering en transformatie kwalitatieve woningen toe te voegen aan de voorraad is groot. Een impuls om deze ambitie te verwezenlijken is belangrijk, waarbij aandacht nodig is voor de specifieke opgaven die spelen in de grensregio's van Nederland. Binnen Zuid-Limburg is er sprake van drie verschillende subregio 's. De Zuid-Limburgse subregio 's hebben ieder hun eigen specifieke opgaven. Meerssen maakt deel uit van de subregio Maastricht-Heuvelland.
Maastricht-Heuvelland is een populaire plek om te wonen voor onder meer kenniswerkers uit de euregio, studenten, senioren en jongeren. De verwachting is dat de populariteit van deze subregio aanhoudt en toeneemt, mede door de groei van de universiteit, bruisende stadscentra, de wens van senioren en jongeren om in hun omgeving te blijven wonen en de buitenlandse migratie.
De vraag naar woningen in de regio komt helaas niet altijd overeen met het aanbod. Bestaande woningen moeten daarom worden verduurzaamd of levensloopgeschikt worden gemaakt. De transformatie- en herstructureringsopgave is onmogelijk om te realiseren zonder nieuwbouw. Nieuwbouw kan zorgen voor doorstroming, snellere verduurzaming, betere menging van woning typologieën en goedkopere woonproducten.
Op basis van de prognoses en programmeringen van Maastricht-Heuvelland is er sprake van een behoefte aan minimaal 12.000 woningen, waarvan 4.365 tijdelijke woningen voor de periode 2022-2030. Deze behoefte is gebaseerd op de groei van de universiteit Maastricht (ongeveer 3% per jaar), maar ook stijgende migratie, behoefte aan tijdelijke woonruimtes en de huidige krapte op de woningmarkt.
Zuid-Limburg bouwt in de eerste termijn van 2022 tot en met 2024, 7.849 woningen, waarvan 5.640 (72% %) in het betaalbare segment. In de opmaat naar én gedurende de tweede termijn van 2025 tot en met 2030 voeren de partijen, daar waar de kwaliteit in relatie tot de behoefte dat vraagt, wijzigingen door in de planvoorraad op een zodanige wijze dat minimaal 2/3 betaalbaar wordt gerealiseerd. Deze zullen dan ook in de daadwerkelijke realisatie vanaf 2025 landen.
In de subregio Maastricht-Heuvelland gaat het in de eerste periode om het toevoegen van 4.794 woningen, terwijl er harde plancapaciteit is voor 2.356 woningen. In de tweede periode moeten 9.201 woningen worden toegevoegd, terwijl er harde plancapaciteit is voor 346 woningen. Maastricht heeft veruit de grootste woningbehoefte en opgave.
Onderhavig project is met een aantal van maximaal 49 woningen opgenomen in de plancapaciteitsmonitor Limburg.
Woonvisie Leefbare en vitale kernen Gemeente Meerssen 2021-2026 (juni 2021)
De woonvisie vormt de basis voor het woonbeleid van de gemeente. In de visie wordt uitgelegd waar de gemeente in 2026 op het gebied van wonen wil staan met een doorkijk naar 2030. In de komende jaren staat de gemeente voor forse uitdagingen, zoals o.a. de veranderende samenstelling van de bevolking (vergrijzing en ontgroening) en de verduurzaming van de woningvoorraad. Het grootste deel van de woningen die nodig zijn in 2030 is al gebouwd. Het is belangrijk om woningen toe te voegen die aanvullend zijn aan de huidige voorraad en de doorstroming te bevorderen, zodat alle huishoudens kunnen wonen zoals ze wensen.
De gemeenteraad van Meerssen heeft op 14 december 2023 de Woonvisie Leefbare en vitale kernen bijgesteld. Deze bijstelling heeft betrekking op het punt van woningbouwontwikkelingen in alle kernen van de gemeente Meerssen mogelijk te maken. Het Uitvoeringsprogramma Woningbouw 2024 is ook vastgesteld. In dit geactualiseerde uitvoeringsprogramma worden de uitdagingen beschreven en acties die de gemeente de komende jaren neemt in haar woningbouwbeleid. Zoals de criteria van de Beleidsregel “Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021” aangeven, ligt de prioriteit van woningbouw bij inbreidingslocaties. Dit zorgt voor verdichting van het bestaand bebouwd gebied. Het streven is daarbij naar een goed woon- en leefklimaat. Het beoogde planvoornemen is een inbreidingsplan en sluit aan bij de prioriteit van inbreidingslocaties.
De belangrijkste thema's op hoofdlijnen:
Met dit project wordt specifiek invulling gegeven aan de behoefte aan levenssloopbestendige duurzame nultredenwoningen voor de ouder wordende inwoners. Nieuwbouw is hiermee een kwalitatieve aanvulling, waarmee ook de doorstroming wordt bevorderd.
Woonbehoefteonderzoek Meerssen (juni 2023)
De regio Maastricht Heuvelland voerde afgelopen jaar een regionaal woonbehoefteonderzoek uit. Hierin onderzocht de regio aan hoeveel en welke soort woningen er behoefte is. Gemeente Meerssen voerde een dergelijk behoefteonderzoek uit om per woonkern te bekijken aan welke soort woningen er in Bunde, Geulle, Meerssen, Rothem en Ulestraten behoefte is.
In de regionale 'Woondeal' zijn hogere bouwambities uitgesproken daar waar volgens de beleid neutrale woningbehoefteonderzoeken vraag naar is. Dit komt doordat gemeenten los van hun eigen behoefte ook bij moeten dragen aan de huidige landelijke woningnood. De gemeente Meerssen wil komende jaren minstens 150 -met ambitie tot 500 wooneenheden- toevoegen in een mix van verschillende woningcategorieën (bron: bestuursakkoord 2022-2026). Meer (betaalbare) woningen zijn nodig voor senioren én jongeren die graag in hun eigen dorpskern blijven wonen. Daar waar nog ruimte is voor kwaliteitsverbetering en vernieuwing wil de gemeente dit in alle woonkernen mogelijk maken.
De kwantitatieve woningbehoefte is relatief beperkt in Meerssen. Er wordt een licht dalende huishoudensontwikkeling voor de gemeente Meerssen verwacht tot 2033 (-355 tot -105 huishoudens). Dit betekent dat de gemeente Meerssen licht in huishoudens krimpt, wanneer het de hoge migratie-instroom uit de laatste paar jaar vasthoudt. In alle kernen sprake is van een sterke ontgroening (minder huishoudens in de jongere doelgroepen) en een sterke vergrijzing (meer huishoudens in de oudere doelgroepen). Deze grote verschuivingen in de komende tien jaar leiden ertoe dat er een sterke kwalitatieve woningbehoefte (en dus transformatieopgave) wordt verwacht. De sterke vergrijzing heeft tot gevolg dat er in alle kernen een kwalitatieve behoefte is aan meer nultredenwoningen. Het aantal alleenstaanden en stellen ouder dan 65 jaar neemt in de periode 2023 tot 2033 met 360 tot 470 toe.
Door de toevoeging van nultredenwoningen worden de woonwensen van ouderen vervuld en kan doorstroming op gang komen waarmee jonge huishoudens zoals gezinnen in de bestaande woningvoorraad bediend kunnen worden. Veel van de bestaande woningen in de gemeente Meerssen voldoen namelijk al aan hun wensen. Ze komen echter slechts zeer beperkt beschikbaar. Dit initiatief geeft daar invulling aan met nultredenwoningen specifiek gericht op senioren, waardoor de doorstroming in de kern Meerssen op gang kan komen.
Er liggen met name plannen voor de bouw van nultredenwoningen. Dit sluit goed aan op waar de komende jaren naar verwachting behoefte aan is. Deze woningen bevinden zich op dit moment grotendeels nog wel in zachte nieuwbouwplannen. Dit betekent dat het de gemeente de komende tijd aangelegen is deze plannen hard te maken om ook daadwerkelijk in deze behoefte te kunnen voorzien.
Deze woningen zijn met name gepland in het sociale huursegment. Aan dit segment bestaat nog een lichte behoefte. Wel kan verdere segmentering van de nultredenwoningen gewenst zijn om ook aan te sluiten op de woonwensen van ouderen met een hoger en midden inkomen. Daar wordt met dit plan invulling aan gegeven.
De ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Er is sprake van een grote woningbehoefte, specifiek voor 65-plussers. In deze behoefte wordt op een binnenstedelijke transformatielocatie voorzien.
Het voornemen op de ontwikkelingslocatie voorziet niet in strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI, maar draagt globaal bij aan de prioriteiten 'ruimte voor klimaatadaptatie' en 'sterke en gezonde steden en regio's'. Daarnaast is door middel van de ladder voor duurzame verstedelijking aangetoond dat er behoefte is aan deze nieuwe woningen.
De Omgevingsvisie Limburg is op 1 januari 2024 in werking getreden. De Omgevingsvisie Limburg is een strategische en lange termijnvisie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie Limburg kijkt echter breder dan enkel naar de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat de visie ook ingaat op onderwerpen als gezondheid en veiligheid, economie en sociale aspecten. Dit in onderlinge samenhang en met oog voor de internationale context waarin Limburg zich bevindt. Een nieuwe omgevingsvisie ligt op moment van schrijven ter inzage.
De Ow gaat uit van het zoeken naar de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving waarin we leven, wonen, werken, leren en onze vrije tijd besteden. Het maken van afwegingen wordt gedaan op basis van onderstaande Limburgse principes:
Wonen
De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Conjuncturele ontwikkelingen en migratiestromen beïnvloeden vraag en aanbod op de woningmarkt. Daarnaast zien we dat de woonvraag verandert waardoor het woningaanbod niet altijd aansluit op de vraag. Daardoor is er op korte termijn een vraag naar woningen voor specifieke doelgroepen en lokaal een overschot aan incourante plannen en woningen. Voor zover (harde en zachte) planvoorraad voorziet in de mogelijkheid om woningen te bouwen waar niet langer behoefte aan is, zal de Provincie in overleg met de gemeenten onderzoeken hoe deze planvoorraad aangepakt kan worden. Hiertoe is al in POL2014 een oproep gedaan aan gemeenten, die Limburg breed nog niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Het gevolg is dat woningbouwplannen waaraan dringend behoefte bestaat, niet kunnen worden toegevoegd vanwege een te grote voorraad aan niet meer actuele plannen die niet meer aansluiten bij de behoefte.
Volgens de huidige prognoses kunnen we ongeveer vanaf 2030 overschotten in de woningvoorraad verwachten. Lokaal zijn die er nu al of ontstaat dit overschot juist later. Getalsmatig zijn er voldoende woningen en liggen er meer dan genoeg plannen klaar. Kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds divers wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Daarnaast is er behoefte aan passende, en mogelijk tijdelijke, huisvesting voor bijvoorbeeld internationale werknemers, vluchtelingen, statushouders en woonurgenten.
Limburg kent daarnaast een relatief oude, incourante woning- en planvoorraad. Deze woningen moeten toekomst- en levensloopbestendig en verduurzaamd worden. Denk hierbij aan bijvoorbeeld isoleren, het plaatsen van zonnepanelen en woningen van het gas halen. Dit leidt tot sloop- en/of herstructureringsopgaven in centra, buurten, wijken, dorpen en het buitengebied, om daarmee de woningvoorraad up-to-date en passend bij de woonbehoefte te maken. Bovendien dragen we hiermee bij aan het verbeteren van de sociaaleconomische en gezondheidssituatie van de inwoners en het voorkomen van segregatie.
De betaalbaarheid van woningen blijft een belangrijk aandachtspunt. Voor sommige doelgroepen nemen kansen op de woningmarkt af. Dit komt door stijgende huurprijzen en hoge inkomenseisen, lossere arbeidsrelaties, passend toewijzen, hogere studie- schulden, strengere hypotheekeisen en weinig doorstroming.
Wat betreft onze ambitie is het succes van de woningmarkt onlosmakelijk verbonden met de sociaaleconomische- en gezondheidssituatie van de inwoners in de steden en dorpen en het voorkomen van segregatie. Door het in balans brengen van vraag en aanbod kunnen we een tekort aan woningen voor bepaalde doelgroepen voorkomen. Daarnaast heeft dit een positief effect op ongewenste leegstand met de bijbehorende ondermijnings- en leefbaarheidsproblemen.
Toetsing
De woningbouw op de ontwikkelingslocatie ligt binnen het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling beoogt het creëren van een appartementencomplex aan het historische park van Meerssen. Deze nieuwe appartementen zorgen ervoor dat de doorstroom binnen de gemeente op gang komt, waardoor er woningen vrijkomen voor woningzoekenden. Dit sluit aan bij de Limburgse ontwikkelprincipes.
Met de ontwikkeling worden maximaal 49 woningen toegevoegd aan de woningvoorraad. Dit sluit aan op de lokale behoefte.
Op 1 januari 2024 is de 'Omgevingsverordening Limburg' in werking getreden. In de 'Omgevingsverordening Limburg' staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van de provincie juridische binding te geven.
Bij het opstellen van deze omgevingsverordening is aandacht besteed aan het in de Ow geformuleerde subsidiariteitsbeginsel (art. 2.3 Ow). Dit houdt kort gezegd in dat de bevoegdheden uit de Ow op een zo laag mogelijk decentraal niveau worden uitgeoefend: primair door de gemeenten. De provincie stelt zich daarom terughoudend op bij het opstellen van direct werkende regels in de omgevingsverordening en kiest bij voorkeur voor het regelen van onderwerpen door middel van instructieregels aan gemeenten.
Figuur 4.1: uitsnede verbeelding 'Omgevingsverordening Limburg' (bron: omgevingswet.overheid.nl/ regels-op-de-kaart)
In de 'Omgevingsverordening Limburg' zijn instructieregels opgenomen voor het realiseren van woningen.
Artikel 12.1 Instructieregels nieuwe planvoorraad wonen
De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat:
Toetsing
De ontwikkelingslocatie is gelegen binnen het werkingsgebied 'Landelijke kernen' in de regio Zuid-Limburg. Voor de beoogde woningbouw dient het plan getoetst te worden aan de instructieregels uit artikel 12.1. Uit paragraaf 4.3.1 blijkt dat het plan getoetst is aan de provinciale omgevingsvisie en dat rekening gehouden is met de hoofdstukken 3 en 5 van deze omgevingsvisie. De behoefte van de beoogde woningen is onderbouwd in paragraaf 4.2.2. Daaruit blijkt ook dat de woningen binnen de regio Limburg Zuid zijn afgestemd, zie mede paragraaf 4.4. De ontwikkeling is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring.
Figuur 4.2: uitsnede plancapaciteitsmonitor Limburg, plannaam Kerksteeg (Locatie Gansbeek) (bron: Plancapaciteitsmonitor Limburg)
Volgens de 'Plancapaciteitsmonitor Limburg' ligt op de ontwikkelingslocatie een toevoeging van 50 woningen. Het realiseren van woningen binnen stedelijk gebied voldoet aan de instructieregels van de 'Omgevingsverordening Limburg'.
In Limburg zijn er drie woonregio’s te onderscheiden binnen de Woondeal, te weten Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. Afgesproken is dat in Limburg minimaal 26.550 nieuwe woningen gebouwd worden met een ambitie voor 20.000 extra. Het gaat hierbij om een productie van ongeveer 3.000 woningen per jaar. Landelijk, provinciaal en in de regio gaat 2/3 van de nieuwbouw verplicht bestaan uit betaalbare woningen. Van de nieuwbouw is 40% bedoeld voor middeninkomens. Voor sociale huur geldt dat gemeenten in de nieuwbouw een been moeten bijtrekken om op 30% te komen, als ze nu een lager aandeel hebben, terwijl gemeenten die al (ruim) boven het gemiddelde zitten meer moeten bouwen voor de middeninkomens.
De komende tijd worden de bouwplannen voor Limburg verder uitgewerkt. Gemeenten, regio, provincies en het Rijk werken samen met woningbouwcorporaties en marktpartijen om dit proces te versnellen. De Provincie Limburg ondersteunt gemeenten hierbij door partijen aan elkaar te verbinden, kennis te delen en te ondersteunen.
Toetsing
In paragraaf 4.2.2 is aangetoond dat de ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Er is sprake van een grote woningbehoefte, specifiek voor 65-plussers. In deze behoefte wordt op een binnenstedelijke transformatielocatie voorzien.
De ontwikkeling op de locatie past binnen het provinciaal beleid en de daarin geformuleerde opgaven.
De 'Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL)' is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal, vanuit het besef dat ruimtelijke ontwikkelingen in één gemeente directe invloed hebben op andere gemeenten. Ook erkennen gemeenten met deze gemeenschappelijke aanpak, dat onderlinge concurrentie, zeker met de huidige bevolkingsontwikkeling en de ambities die Zuid-Limburg als kennisregio heeft, leidt tot negatieve effecten die uiteindelijk ten koste gaan van de kracht van de regio. Een overschot aan woningen is niet in het gezamenlijke belang, want dat kan negatieve gevolgen hebben voor de bestaande woningvoorraad, met alle gevolgen van dien voor leefbaarheid, doorstroming en betaalbaarheid.
Doel van deze visie is het creëren van een excellent woon- en leefklimaat in Zuid-Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. Dit is een voorwaarde voor het benutten van de economische potentie van de regio, een ambitie die Zuid-Limburg hoog in het vaandel heeft.
De SVWZL bevat een driedelige opgave voor gemeenten, namelijk het verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een overschot, het terugdringen van de (ongewenste) planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave en het toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de SVWZL. Echter, deze drie opgaven kunnen niet altijd één-op-één in de tijd gelijklopen.
Toetsing
In paragraaf 4.2.2 is aangetoond dat de ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Er is sprake van een grote woningbehoefte, specifiek voor 65-plussers. In deze behoefte wordt op een binnenstedelijke transformatielocatie voorzien.
In de regio Zuid-Limburg gold voor enige tijd een compensatieverplichting voor nieuwe woningbouwplannen. Dit betekende dat wanneer woningen aan de voorraad werden toegevoegd dit tegelijkertijd door sloop van andere woningen gecompenseerd moest worden. Hierdoor kon leegstand voorkomen worden. Sinds er sprake is van een kentering op de woningmarkt van Zuid-Limburg is ook deze regeling ter discussie gesteld. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat begin 2021 de Beleidsregel “Ruim baan voor goede woningbouwplannen 2021” is vastgesteld. Met deze beleidsregel kunnen goede woningbouwplannen zonder compensatie worden gerealiseerd. Het volgende wordt onder een goed woningbouwplan verstaan:
Toetsing
In de gemeente Meerssen is er een dringende behoefte aan doorstroming op de woningmarkt. Het huidige gebruik van het beoogde initiatief voor tijdelijke huisvestiging van Oekraïense ontheemden zal elders plaatsvinden, zodat er zorgvuldig gebruik wordt gemaakt van de planlocatie. Het oude schoolgebouw is niet meer instaat voor hergebruik.
Het initiatief draagt bij aan een verbetering van de leefbaarheid.
In het regionaal overleg is beoogd plan voorgelegd. Het plan is akkoord bevonden.
Het beleid ten aanzien van waterbeheer is op rijksniveau onder meer vastgelegd in het Nationaal Waterplan en op provinciaal niveau in het Provinciaal Waterplan Limburg 2022-2027 en de Omgevingsverordening Limburg. Het waterschap beleid ten aanzien van waterbeheer is onder meer vastgelegd in het 'Waterbeheerplan 2022-2027'. Belangrijke uitgangspunten zijn het streven naar een goede waterkwaliteit, het tegengaan van verdroging, het afkoppelen van hemelwater van de riolering en het bevorderen van infiltratie van water in de bodem. Daarnaast geldt de Keur van Waterschap Limburg, waarin regels, uitgangspunten en overwegingen zijn opgenomen met betrekking tot het verwerken van hemelwater bij ruimtelijke projecten. Dit heeft te maken met 'waterneutraal bouwen'. Hiervan is sprake indien als gevolg van de verharding geen grotere lozing op het watersysteem wordt aangeboden dan in de situatie dat sprake is van onverhard.
In het hele beheersgebied van het waterschap, met uitzondering van het Heuvelland, wordt uitgegaan wordt van een bui van 100 mm in 24 uur. Dit betekent dat een berging/infiltratie moet worden gerealiseerd die van een zodanige omvang is dat de hoeveelheid hemelwater die op het watersysteem wordt aangeboden niet groter is dan in de onverharde situatie. Bij de omvang van de benodigde berging/infiltratie mag rekening worden gehouden met de leegloop en de infiltratie gedurende 24 uur.
Waterschap Limburg
Het 'Waterbeheerplan 2022-2027' is op 8 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van het 'Waterschap Limburg'. Met dit waterbeheerplan zet het waterschap de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe invulling gegeven wordt aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. Gestimuleerd wordt via de watertoets het afkoppelen van regenwater onderdeel van te maken van duurzaam waterbeheer in ruimtelijke plannen. Uitgegaan wordt van de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren en schoonhouden-scheiden- schoonmaken. Door klimaat- verandering worden meer heftige buien en hitte verwacht. Daarnaast is er minder acceptatie van wateroverlast door grondgebruikers, inwoners en bedrijven. Meer ruimte voor water kan bijdragen aan:
Bij afvoer en lozing van hemelwater afkomstig van nieuw aangelegd verhard oppervlak wordt het stand-still beginsel (waterneutraal bouwen) gehanteerd. Dit wil zeggen dat er bij een toename van het verhard oppervlak het debiet van de lozing uit een gebied niet toe mag nemen. Ook bij kleine ontwikkelingen vangt de initiatiefnemer zijn eigen water op.
Als infiltreren aantoonbaar niet of nauwelijks mogelijk is kan een dynamische bergings-/ infiltratievoorziening aangelegd worden met leegloopvoorziening. Om afwenteling naar benedenstrooms te voorkomen mag hiermee in Limburg maximaal 2 l/s/ha geloosd worden. Er dient boven de inhoud van de dynamische berging een waking gehanteerd te worden van minimaal 25 centimeter.
Het waterschap hanteert bij ver- en nieuwbouwplannen de volgende beleidsuitgangspunten in het kader van duurzaam omgaan met water:
Met het voornemen op de ontwikkelingslocatie wordt rekening gehouden met het waterschap beleid. Daarnaast is het gemeentelijk waterbeleid relevant. De toetsing aan het water(systeem) is opgenomen in paragraaf 5.3.
Op 2 oktober 2025 is de omgevingsvisie van de gemeente Meerssen vastgesteld: 'Meerssen, een toekomst vol kansen!'. Meerssen is een aantrekkelijke woongemeente met een unieke combinatie van kwaliteiten: het gemeenschapsgevoel, de dorpse woonmilieus, de aansprekende cultuurhistorie, de nabijheid van natuur en het aanbod van werkgelegenheid en grootstedelijke voorzieningen in de directe omgeving. Meerssen is het thuis voor inwoners en het scharnier tussen stad en land voor bezoekers.
In de omgevingsvisie worden vier strategische opgaven behandeld:
Toetsing
De gemeente Meerssen zet in op transformatie van de woningvoorraad door het herstructureren van locaties. Ook wil de gemeente lege plekken gebruiken en levensloopbestendige woningen realiseren om doorstroming te stimuleren. Er wordt gekeken naar locaties op loopafstand van het stationsgebied. De mogelijkheden voor woningbouw worden voor een deel van de kern beperkt door het beleid t.a.v. de geluids- en externe veiligheidscontouren van MAA.
Concreet wordt er gewerkt aan de volgende plannen. goed voor 200 woningen:
De laatst benoemde ontwikkeling betreft plan Beukeböschke. Het planvoornemen is dus al meegenomen in de omgevingsvisie van de gemeente Meerssen. Hiermee sluit het planvoornemen aan op de gemeentelijke omgevingsvisie.
Tijdens de raadsvergadering op 13 april 2023 heeft de gemeenteraad het bijgestelde 'Masterplan Centrum Meerssen' vastgesteld. Dit masterplan is bedoeld als inspiratie voor de verdere ontwikkeling van het centrumgebied van Meerssen.
De ontwikkelingslocatie 'Gansbeek Beukeböschke' maakt onderdeel uit van dit masterplan.
Figuur 4.3: het 'Centrumgebied Meerssen' wit omkaderd met in het zuiden de locatie 'Gansbeek Beukeböschke' (bron: Masterplan Centrumgebied Meerssen 2023, Mecanoo)
Ten zuidwesten van het park, aan de Gansbaan, liggen een voormalige basisschool (De Gansbeek) en gymzaal (Beukeböschke). De locatie waarop beide gebouwen zich bevinden, biedt mogelijkheden voor de realisatie van levensloopbestendige woningbouw (appartementen).
Figuur 4.4: Kans: Ontwikkeling locatie 'Gansbeek/Beukeböschke' (bron: Masterplan Centrumgebied Meerssen 2023, Mecanoo)
Over de ontwikkeling 'Gansbeek/Beukeböschke' is in het masterplan het volgende opgenomen:
"Tijdens de meedenkbijeenkomst over het masterplan zijn verschillende woonvormen besproken. Het idee van appartementen in de vorm van een hof werd hoog gewaardeerd vanwege het wonen in een gemeenschappelijke setting. Daarmee wordt ook voortgebouwd op het versterken van de karakteristiek van Meerssen met hofjes.
Voor de nieuwbouw is aansluiting op het gebied bij de Vredeskapel/Proostenkelder belangrijk, omdat daarmee de route vanaf het station het naar de Markt aantrekkelijker wordt. Verbindingen voor voetgangers en fietsers, evenals oriëntatie van gevels kunnen hier veel in betekenen. Dit geldt ook voor de verbinding met het Proosdijpark aan de westzijde. De historische brug over de Kerksteeg zorgt voor een voortzetting van het park aan de zuidzijde, wat om een duidelijke voortzetting of beëindiging vraagt. Het hoogteverschil van 2 meter (noord naar zuid) biedt eveneens kansen voor de landschappelijke aansluiting.
Door de nieuwbouw zullen meer parkeerplaatsen nodig zijn. Realiseren van deze parkeerplaatsen op maaiveld is niet gewenst. Omdat de gemeente parkeren aan het park zoveel mogelijk wil voorkomen, betekent dit ook geen nieuwe parkeerplaatsen ter hoogte van de huidige gymzaal en de Vredeskapel. Parkeren op maaiveld zal daarmee enkel nog aan de Gansbaan plaatsvinden. Het merendeel van de parkeerplaatsen zal in een parkeergarage moeten worden ondergebracht. De openbare parkeerplaatsen aan de Gansbaan kunnen blijven.
De locatie 'Gansbeek/Beukeböschke' wordt een aantrekkelijke nieuwe woonomgeving en onderdeel van het centrum. Nieuwe appartementen zorgen ervoor, dat enerzijds een grote groep inwoners een nieuwe plek in het centrum krijgt, waardoor anderzijds als resultaat huizen vrijkomen voor andere inwoners, bijvoorbeeld starters. Het potentieel van deze prachtige locatie aan de rand van het Proosdijpark wordt benut, waarbij verbindingen met het park, het plein rond de Vredeskapel en de Gansbaan worden verbeterd."
Figuur 4.5: schetsontwerp ontwikkeling locatie 'Gansbeek/Beukeböschke' (bron: Masterplan Centrumgebied Meerssen 2023, Mecanoo)
Toetsing
Na de volumestudies heeft de beoogde ontwikkeling een andere vorm gekregen, maar het nieuwe ontwerp voldoet nog steeds aan de uitgangspunten, te weten:
De ontwikkeling past daarmee binnen hetgeen beschreven en vastgesteld is in het 'Masterplan Centrumgebied Meerssen'.
Op 21 maart 2024 is de woonvisie van de gemeente Meerssen vastgesteld. Het doel van deze woonvisie is dat inwoners goed kunnen wonen in Meerssen, zowel jong als oud. De gemeente maakt de woonwensen en woningbehoeften van haar inwoners zoveel mogelijk binnen de gemeentegrenzen mogelijk. Dit doet de gemeente met aandacht voor de bestaande woningvoorraad, met nieuwbouw gericht op kwalitatieve behoeften en doorstroming, en met een actieve aanpak van woningtypes waar in de toekomst geen of onvoldoende behoefte aan is. De gemeente staat open voor instroom van huishoudens van buiten. De gemeente monitort ontwikkelingen en stuurt bij wanneer dat nodig of wenselijk is.
De belangrijkste thema’s op hoofdlijnen:
Het Uitvoeringsprogramma Wonen, vastgesteld in december 2024, is een uitwerking van de Woonvisie. De ontwikkeling aan de Gansbaan is als zachte plancapaciteit opgenomen in het Uitvoeringsprogramma Wonen. In het programma staat dat de prioriteit van woningbouw ligt bij inbreidingslocaties en dat nieuwbouw altijd in kwalitatieve woningbehoefte moet voorzien. De voorkeur gaat dus uit naar het toevoegen van betaalbare en levensloopbestendige woningen, boven andere type woningen die in beperktere mate gebouwd worden.
Toetsing
De beoogde ontwikkeling op de locatie voorziet in de realisatie van maximaal 49 levensloopbestendige appartementen met een unieke ligging in het Proosdijkpark. De ontwikkeling draagt bij aan een doorstroom in de woningmarkt. Ouderen die graag in deze mooie appartementen willen wonen laten vaak grondgebonden gezinswoningen achter, waardoor deze beschikbaar komen voor bijvoorbeeld jonge gezinnen.
In paragraaf 4.2.2 is aangetoond dat de ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Er is sprake van een grote woningbehoefte, specifiek voor 65-plussers. In deze behoefte wordt op een binnenstedelijke transformatielocatie voorzien.
Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29).
Heeft de gemeente geen welstandsnota en ook geen beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken? Dan gelden de regels in de bruidsschat niet. De regel geldt ook niet bij een bouwwerk of in een gebied dat de gemeente als welstandsvrij heeft aangewezen.
Beoordeling van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Artikel 22.29, lid 1, onder b bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets.
Repressief welstand
De excessenregeling ziet erop toe dat gemeenten een eigenaar kan verplichten om aanpassingen aan het bouwwerk te verrichten waarmee de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand wordt opgeheven. Onder de Ow gebeurt dit met een maatwerkvoorschrift (art. 22.4 BS). De excessenregeling is (met name) van toepassing op bestaande situaties en is minder relevant voor het beoordelen van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Er heeft een adviesoverleg met de dorpsbouwmeester plaatsgevonden om de concept volumestudie van Mecanoo te bespreken. De dorpsbouwmeester heeft diverse opmerkingen gemaakt, die zijn verwerkt in de definitieve versie van de volumestudie.
Er bleven uiteindelijk er 2 varianten over, waarvan 1 variant de voorkeur kreeg, zowel bij de dorpsbouwmeester, de omwonenden, het bestuur en ambtelijk.
De uiteindelijk geselecteerde ontwikkelaar zal een bouwplan moeten indienen bij de adviescommissie fysieke leefomgeving (welstand, waarin ook de dorpsbouwmeester plaatsneemt).
M.b.t. het park: dit is een Rijksmonument. De ontwikkelingslocatie ligt buiten de begrenzing van dit aangewezen Rijksmonument. In het kader van de monumentale waarde van het park is advies ingewonnen bij Bureau Verbeek, om ervoor te zorgen dat het stedenbouwkundig ontwerp geen aantasting van het landschapspark teweeg brengt, zie bijlage 14. Met name de zichtlijnen vanaf het park naar de nieuwbouw hebben invloed op het park, en met name op dit punt zal er dus afstemming moeten plaatsvinden.
De dorpsbouwmeester is vanaf de volumestudie al bij dit project betrokken. Het uiteindelijke bouwplan zal in een latere fase door de adviescommissie fysieke leefomgeving worden getoetst.
Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
Gezondheidsbescherming
Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming.
Aanvullend is het goed om kort in te gaan op de volgende gezondheidsrisico's:
Geitenhouderijen
Op basis van verschillende onderzoeken (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO)) is aangetoond dat er verhoogde gezondheidsrisico's (verhoogde kans op longontsteking) zijn wanneer in de nabijheid (1,5 tot 2 kilometer) van een geitenhouderij wordt gewoond. Dit moet in overweging worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen
Op basis van de notitie 'Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxinen toetsingskader 1.0' van Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) kan worden beoordeeld of er sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Dit is met name het geval bij omschakeling naar, nieuwvestiging of uitbreiding van dergelijke bedrijven. Voor de omgekeerde werking (realisatie van een kwetsbaar object zoals een woning in de omgeving van een dergelijke veehouderij) kan gebruik worden gemaakt van de afstandsbepaling uit het toetsingskader. Op basis daarvan kan worden bepaald of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot endotoxinen. Geadviseerd wordt om bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een veehouderij is gelegen, de genoemde afstandsbepaling toe te passen. Als uit blijkt dat niet voldaan kan worden aan de afstand dan, wordt geadviseerd negatief te besluiten op de ontwikkeling.
Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Als gevolg van die afweging kan het nodig zijn om een spuitvrije zone aan te houden tussen gevoelige functies zoals woningen en percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt.
Gezondheidsbevordering
Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheid bevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie.
Gezondheidsbescherming
Gelet op de gestelde normen is er voor géén enkel omgevingsaspect (bijv. bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geurhinder) een belemmering aanwezig voor woningbouw op de ontwikkelingslocatie.
Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (volgens een nader onderzoek) is een aanvaardbaar geluid binnenniveau gewaarborgd. Dit staat beschreven in paragraaf 5.7.
Geitenhouderijen
De dichtstbijzijnde geitenhouderij is op een afstand van bijna 5,5 kilometer van de ontwikkelingslocatie gevestigd.
Endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen
De dichtstbijzijnde vleeskuikenshouderij ligt op 2 kilometer afstand van de ontwikkelingslocatie.
Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen
De ontwikkelingslocatie ligt in het centrum van Meerssen op voldoende afstand van agrarische gronden met daarop van toepassing zijnde spuitzones.
Door de ruimte afstanden tot bovenstaande bronnen treden er géén gezondheidsrisico's op binnen de ontwikkelingslocatie.
Gezondheidsbevordering
Uitzicht op groen
Alle appartementen hebben een buitenruimte aan de buitenzijde van het gebouw met uitzicht op groen. Op de begane grond hebben de appartementen een buitenruimte aan het park.
Bewegen
De hof sluit aan op een openbare wandelroute door het Proosdijpark en richting het centrum.
De ontwikkelingslocatie ligt op slechts 5 minuten lopen van het station van Meerssen. Op minder dan 3 minuten is de markt van Meerssen te voet te bereiken.
In het planvoornemen is voldoende rekening gehouden met gezondheid.
Rijk
Besluit kwaliteit leefomgeving
Nederland leeft met water. Dat betekent dat bij bouwen rekening gehouden moet worden met water. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit een instructieregel (artikel 5.37) die is opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl.
Op basis van artikel 5.37 vervalt de term 'watertoets'. Met ingang van de Ow vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' deze term. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Water en bodem sturend
In de kamerbrief 'water en bodem sturend' van 25 november 2022 formuleert het Rijk een aantal uitgangspunten om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening. Dat zorgt ervoor dat de inwoners ook in een Nederland met een veranderend klimaat kunnen blijven leven, wonen en werken. Naast de keuze 'waar' te bouwen is er ook invulling gegeven aan de vraag 'hoe' een gebied klimaatbestendig kan worden ingericht of bebouwd. Daartoe hebben de samenwerkende overheden en externe partijen een landelijke maatlat voor een groen klimaat adaptieve gebouwde omgeving opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de thema's wateroverlast, droogte, hitte, gevolgbeperking overstromingen, biodiversiteit en bodemdaling bij nieuwbouw. Voor de juridische borging van de groene maatlat denkt het Rijk aan een instructieregel in het Bkl of meer specifieke regelgeving in het Bbl.
Waterschap Limburg
Waterschapverordening
In paragraaf 4.5 staat het beleid van het waterschap beschreven.
Gemeente Meerssen
Vanaf 18 april 2025 geldt de 'Verordening Fysieke Leefomgeving 2025' van de gemeente Meerssen. De verordening bevat alle regels van de gemeente met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Met het oog op het beperken van wateroverlast wordt in de gemeente geen hemelwater vanaf nieuwe gebouwen in een openbaar riool geloosd, tenzij een hemelwaterberging is aangebracht en in stand gehouden, met uitzondering van nieuwe gebouwen waarbij sprake is van (een toename van) een bebouwd oppervlak (horizontaal gemeten) van minder dan 100 m². De minimale capaciteit is 80 liter per m² (bui die valt in 120 minuten) bij een toename van het verhard oppervlak (horizontaal gemeten) gelijk of meer dan 100 m². Het in de hemelwaterberging opgevangen water wordt bij voorkeur hergebruikt of geïnfiltreerd. Is beide niet mogelijk dan kan vertraagd worden afgevoerd naar het gemeentelijk riool.
Huidige situatie
In de huidige situatie is de ontwikkelingslocatie bebouwd met een voormalige basisschool en gymzaal.
Bodem en grondwater
De ontwikkelingslocatie grenst aan een grondwaterbeschermingsgebied, maar maakt hier geen onderdeel van uit, zie onderstaande figuur 5.1. Ook maakt de locatie geen onderdeel uit van een waterwingebied. Vanwege de ligging binnen de bebouwde kom is de locatie niet gekarteerd. Ten zuiden van de ontwikkelingslocatie bestaat de bodem uit kalkloze ooivaaggronden; bestaande uit lichte zavel. Op basis van beschikbare literatuur is de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) gelegen op ongeveer 48,0 meter boven NAP. Het maaiveld is gelegen op ongeveer 55,0 meter boven NAP in het Noorden tot 53,0 meter boven NAP in het zuiden. Hiermee bevindt de GHG zich op een diepte van 5,0 meter beneden maaiveld en dieper.
Figuur 5.1: ontwikkelingslocatie (rood omlijnd) ten opzichte van grondwaterbeschermingsgebieden
Waterkwantiteit
Binnen de ontwikkelingslocatie zijn op geen watergangen aanwezig die in beheer zijn bij het waterschap. De locatie valt ook buiten de beschermingszone van watergangen, zie onderstaande figuur 5.2. In het Proostdijpark bevindt zich een vijver die in verbinding staat met de Watervalderbeek.
Figuur 5.2: ontwikkelingslocatie (rood omlijnd) ten opzichte van oppervlaktewateren
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Binnen de ontwikkelingslocatie of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de 'Kaderrichtlijn Water'. Er bevinden zich geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van de ontwikkelingslocatie.
Veiligheid en waterkeringen
De ontwikkelingslocatie bevindt zich niet binnen de kern- en beschermingszone van waterkeringen. De gehele locatie ligt binnendijks.
Wateroverlast bij regen
De Watervalderbeek kan bij hevige buien zorgen voor overlast in de omgeving en dan met name binnen de gebieden ter plaatse van de beek en overkluizing van de beek, zie onderstaande figuur. In het zuiden van het plangebied kan bij een regenbui T=100 ongeveer 25 cm aan water blijven staan.
Figuur 5.3: Waterdiepte bij hevige regenbui (bron: Wateroverlast_M&M_Stresstest_T100)
Afvalwaterketen en riolering
De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. De riolering (en de weg) Gansbaan wordt vernieuwd. Dit herinrichtingsproject loopt van de Herkenberg tot aan de Hoekweg. De realisatie van dit project is voorzien in 2025 en er wordt voorafgaande ook een waterleiding vervangen.
Toekomstige situatie
In de toekomstige situatie zijn maximaal 49 appartementen beoogd. Het beoogde volume bestaat uit 3 gebouwen in oplopende bouwlagen die verschoven ten opzichte van elkaar zijn gepositioneerd. Om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte wordt een halfverdiepte parkeervoorziening gerealiseerd tegen het spoor. Ongeveer 300 m2 van de garage komt onder het zuidelijk gelegen gebouw te liggen.
Bodem en grondwater
De voorgenomen ontwikkeling heeft geen significante gevolgen voor de bodem en het grondwater. Het grondwater is gelegen op een diepte van maximaal 5,0 meter beneden maaiveld. Uit de Klimaateffectatlas blijkt ook dat er tot 2050 geen bodemdaling wordt verwacht.
Waterkwantiteit
Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater. Om te voorkomen dat wateroverlast ontstaat, moet volgens de 'Verordening Fysieke Leefomgeving' van de gemeente Meerssen ter compensatie extra waterberging worden gerealiseerd als het bebouwd oppervlak met meer dan 100 m2 toeneemt.
In de huidige situatie bestaat de verharding uit ongeveer 4.400 m2. In de toekomstige situatie bestaat de totale verharding uit ongeveer 4.570 m2. Met de ontwikkeling is er daarom sprake van een toename van ongeveer 170 m2 aan verharding:
Tabel: verharding
| Gebouw | 2.120 m2 |
| Rijbaan | 300 m2 |
| Voetpad | 355 m2 |
| Verharding | 295 m2 |
| Parkeergarage 300 m2 ligt onder gebouw (40%-50% sedum dak) |
(1.800 m2 - 300 m2) 1.500 m2 |
| 4.570 m2 |
Omdat de toename meer dan 100 m2 is, dient er hemelwaterberging te worden gerealiseerd met een minimale capaciteit van 80 mm per m2. De te realiseren waterberging is 80 mm x 4.570 m2 = 365 m3.
De parkeergarage krijgt voor 40%-50% een sedum dak met een bergingscapaciteit van 30 mm per m2. Dit betekent dat het sedum dak minimaal 40% x 1.500 m2 x 30 mm = 180 m3 water kan bufferen. Om de restant van de waterbergingsopgave, zijnde 180 m3 (365 m3 - 180 m3) en het hemelwater afkomstig van de toekomstige bebouwingen te bergen is in de binnentuin tussen de drie nieuwe gebouwen de aanleg van een meerdere bovengrondse voorzieningen (wadi's) beoogd. Bij bovengrondse en groene voorzieningen is het functioneren inzichtelijker, beter te onderhouden en het draagt bij aan een groene leefomgeving. Met de positionering van de wadi's tussen de gebouwen wordt een landschappelijke inpassing gecreëerd die aansluiting vindt bij het park.
Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag dat bij een (potentiële) voorziening hoort, is navolgend een dergelijk alternatief indicatief uitgewerkt.
Wanneer meerdere wadi's worden aangelegd met een diepte van 0,50 meter en een talud van 1 op 4 is, met inachtneming van een waking van 0,1 meter (waterhoogte 0,40 meter), ongeveer 840 m2 benodigd om de het restant van de waterbergingsopgave te kunnen bergen. De beschikbare bergingscapaciteit is indicatief berekend met behulp van de formule van de afgeknotte piramide. De wadi's worden doorsneden door wandelpaden. Door de wadi's middels een duiker- of lijngoot met elkaar te verbinden kan een groot robuust systeem worden verkregen. In figuur * is een mogelijke ligging van de wadi's weergegeven. Onder de wadi's kan ook een waterbergend aggregaat worden toegepast, zoals infiltratiekratten, Rockflow, lava, drainagezand of schelpen. Bij toepassing van een waterbergend aggregaat, slokop en drain kan de ruimte die bovengronds nodig is om water te bergen worden verkleind.
Hemelwater zal, indien mogelijk, zichtbaar worden afgevoerd. Daar waar dit niet mogelijk blijkt zal afvoer verbuisd plaatsvinden. Door toepassing van een aggregaat onder de wadi zoals lava, grind of infiltratiekratten kan per m2 meer water worden geborgen zodat het oppervlak van de wadi kan worden verkleind of kan worden volstaan met een geringere diepte.
De parkeervoorziening komt op het laagste punt te liggen. De parkeervoorziening is in feite een open bestrating met sedum dak. Onder de open bestrating kan ook een infiltratievoorziening worden gerealiseerd, mocht de wadi niet voldoende capaciteit hebben. Dit in combinatie met het sedum dak, de wadi (met overstort op Proosdijvijver) en een mogelijkheid tot overstorten op het gemeentelijk rioolstelsel (er gaat een riool onder het spoor door naar Parallelweg).
Figuur 5.4: Situering wadi tussen gebouwen
Bij de vergunningverlening wordt de waterbergingsopgave volledig gedimensioneerd en klimaat adaptief uitgewerkt. Bij de landschappelijke inpassing van de wadi en toepassing van nieuwe bomen is het belangrijk om rekening te houden met de wisselende waterstand. In de meeste gevallen is de bodem droog, maar er zijn ook periodes waarin de bodem juist nat tot zeer nat kan zijn. Daarom boom- en plantsoorten zowel tegen droogte kunnen als goed bestand zijn tegen natte omstandigheden. Een zorgvuldige plantkeuze draagt bij aan een gezonde bodem en een gevarieerd bodemleven. Dit versterkt op zijn beurt de biodiversiteit en zorgt voor een aantrekkelijk en natuurlijk uiterlijk van de wadi.
Lediging
De ledigingscapaciteit of ledigingstijd wordt naast de doorlatendheid van de bodem mede bepaald door het infiltratieoppervlak van een voorziening. De ledigingstijd is de tijd die nodig is om een hemelwatervoorziening te ledigen wanneer het volledig gevuld is.
In mei 2024 is een doorlatendheidsonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 11. De conclusie luidt als volgt:
Op basis van de huidige bodemopbouw en meetresultaten is infiltratie plaatselijk op ongeveer 0,50 m -mv naar verwachting goed mogelijk. Echter is de bodemopbouw zeer heterogeen. Siltige zandlagen zijn niet geschikt voor infiltratie. Daarom is infiltratie op een gedeelte van de locatie in beginsel lastig. Verder zijn er plaatselijk vanaf 0,2 m -mv leemlagen aanwezig waarin infiltratie niet of nauwelijks mogelijk is.
Op basis van de resultaten van het doorlatendheidsonderzoek en aanwezige bodemopbouw infiltratie slechts beperkt mogelijk geacht. Vanuit de toekomstige hemelwatervoorziening zal water vertraagd worden afgevoerd op vijver in het Proostdijpark. De vertraagde afvoer dient afgestemd te worden op de landelijke afvoernorm en mag niet meer bedragen dan 1,5 l/s/ha. Het beschreven systeem is dusdanig robuust dat een situatie waarbij 80 mm neerslag valt geborgen kan worden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt kan overtollig water met slokop overstorten richting de openbare ruimte en de vijver in het Proostdijpark.
Het definitieve ontwerp en dimensionering van het hemelwatersysteem wordt tijdens het verdere planproces nader uitgewerkt.
Waterkwaliteit
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang gedurende de aanlegfase om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken.
Waterveiligheid
De mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving.
Afvalwaterketen en riolering
Volgens de 'Leidraad Riolering' en het vigerend waterschap beleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Momenteel is de ontwikkelingslocatie aangesloten op het gemeentelijke rioleringssysteem. Gezien de beperkte toename van afvalwater door de ontwikkeling, zal het huidige gemeentelijke rioolstelsel dit kunnen opvangen. De riolering (en de weg) Gansbaan wordt vernieuwd. Dit herinrichtingsproject loopt van Herkenberg tot aan de Hoekweg. De realisatie van dit project is voorzien in 2025 en er wordt voorafgaande ook een waterleiding vervangen.
Klimaatadaptatie
Het maaiveld bevindt zich op hoogte van 55,0 meter boven NAP in het noorden tot 53,0 meter boven NAP in het zuiden. Met name de lagergelegen delen van de ontwikkelingslocatie kunnen gevoelig zijn voor wateroverlast als gevolg van af stromend hemelwater vanuit de omgeving. Hier dient bij het ontwerp rekening mee gehouden te worden. Door in het zuidelijke deel van de ontwikkelingslocatie te werken met lokale hoogteverschillen kan overtollig hemelwater vanuit de omgeving worden opgevangen waardoor lokale wateroverlast kan worden verminderd. Daarnaast is vanwege de grote hoeveelheid groen in de directe omgeving van de ontwikkelingslocatie de kans op hittestress beperkt.
Vanwege de toename aan verharding moet er ongeveer 365 m3 aan waterberging gerealiseerd worden. Door het creëren van voldoende waterberging, een vertraagde leegloop en calamiteiten afvoer richting de vijver in het Proostdijpark worden geen negatieve effecten verwacht op de waterhuishouding.
Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Ow en het Bkl stellen geen regels op dit gebied. De omgevingsvisies van provincie Limburg (zie hoofdstuk 10) en 'Nota parkeerbeleid Meerssen 2022-2025' gaan wel op deze aspecten in. Naast het provinciaal en het gemeentelijk beleid bieden de CROW-richtlijnen een belangrijk kader voor de beoordeling van de aspecten verkeer en parkeren. Aangezien het richtlijnen betreft, kan er onderbouwd worden afgeweken. Daarvoor is specifiek op de ontwikkeling van toepassing zijnde toegesneden informatie van belang.
In beginsel worden de aspecten verkeer en parkeren beoordeeld volgens het STOMP principe. STOMP staat voor: Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobility as a Service (MaaS) en ten slotte de Privéauto. Het STOMP principe gaat ervanuit dat de voetgangers en fietsers de belangrijkste verkeersdeelnemers zijn die binnen de ontwikkeling gefaciliteerd dienen te worden, daarna volgt het openbaar vervoer en de deelmobiliteitsvoorzieningen en als laatste wordt de privéauto gefaciliteerd. Het toepassen van het STOMP principe draagt bij aan een duurzame gebiedsontwikkeling, daarom is dit principe belangrijk om mee te nemen in de beoordeling. Dit principe is vergelijkbaar met de 'Ladder van Verdaas' die de provincie stimuleert in haar omgevingsvisie.
Voetganger
De ontwikkelingslocatie ligt in het centrum van Meerssen. Diverse bestemmingen zijn gelegen binnen loopafstand vanaf de projectlocatie. Enkele belangrijke voorbeelden zijn het park gelegen direct aan de projectlocatie, het treinstation (400 meter), huisarts (400 meter) kerk (100 meter) diverse horecavoorzieningen op de Markt (150 meter) en diverse winkels op de Beekstraat en Gasthuisstraat (200-400 meter).
De kwaliteit van de voetpaden is niet overal optimaal. De Gansbaan is aan beide zijden voorzien van voetpaden, echter deze zijn (op sommige stukken veel) smaller dan de door de CROW geadviseerde 2 meter (ontwerpwijzer voetgangers). Er zijn stroken waar het voetpad slechts 1 meter breed is. Ook is het voetpad niet altijd voorzien van op- en afritten bij kruisingen, zie onderstaande figuur 5.3. Dit maakt het voetpad slecht bruikbaar voor mensen met bijvoorbeeld een rolstoel.
Figuur 5.5: kruising zonder op- of afritten voor voetgangers op de Gansbaan
De markt is uitgevoerd als shared space. Dit houdt in dat de verschillende verkeersdeelnemers gemengd worden afgewikkeld, waarbij de inrichting stimuleert dat voetgangers de hoofdverkeersdeelnemers zijn en auto's en fietsers te gast zijn. Voor de auto is bovendien het parkeeraanbod op de markt beperkt en is er geen doorgaand verkeer mogelijk, waardoor de omvang van het gemotoriseerd verkeer hier zeer beperkt is. Bovendien worden de Markt, Kerkstraat en Kerksteeg autovrij gemaakt in 2026.
Fiets
De ontwikkelingslocatie is op 200 meter van knooppunt 105 van het fietsknooppuntennetwerk gelegen, zie onderstaande figuur. Het centrum van Maastricht is binnen 8 kilometer bereikbaar. Tot Rothem is de route voorzien van fietssuggestiestroken op een weg met snelheid remmende maatregelen voor autoverkeer. Vanaf Rothem is de route naar Maastricht voorzien van vrij liggende fietspaden.
Voor recreatief fietsen zijn er in Zuid-Limburg heel veel mogelijkheden, waarbij wel vaak veel reliëf moet worden overwonnen.
Figuur 5.6: fietsknooppunten in Meerssen
Openbaar Vervoer
Vanaf station Meerssen vertrekken zowel stoptreinen als sneltreinen. Hiermee kunnen Maastricht, Valkenburg en Heerlen 4x per uur bereikt worden. Ook vertrekken er directe treinen naar Kerkrade, Aken en Luik.
Bij het treinstation is ook een busstation waar diverse buslijnen halteren. De locatie is daarmee uitstekend per openbaar vervoer ontsloten.
MaaS
Op het treinstation zijn ov-fietsen te huur. Ander deelvervoer wordt in Meerssen niet aangeboden.
Auto
Automobilisten kunnen in 3 minuten oprit 2 op de A79 bereiken, vanaf waar bestemmingen als Maastricht en Heerlen snel bereikbaar zijn. Voor automobilisten met een bestemming in het noorden is het sneller om oprit 51 van de A2 te gebruiken. De route hiernaartoe kost 6 minuten.
Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW-publicatie 744 (Parkeerkencijfers 2024). Voor het juiste kencijfer wordt een ligging 'centrum' aangehouden. Volgens de classificatie van het CBS is gebruik gemaakt van de kencijfers voor een 'weinig stedelijk' gebied. De kencijfers kennen een bandbreedte. Er is gekozen voor het midden van de bandbreedte. Dit is gedaan omdat het autobezit in Meerssen, ten opzichte van gemeenten in Nederland met een vergelijkbare stedelijkheidsgraad gemiddeld (CBS). In onderstaande tabel is de berekening van de verkeersgeneratie op weekdagen weergegeven.
Omdat de gymzaal en school al gedurende lange tijd niet meer voor deze functie in gebruik zijn, is er niet gesaldeerd met deze voormalige functies.
Tabel: verkeersgeneratie weekdagen
| type | aantal | kengetal | verkeersgeneratie | ||
| appartementen 75-100 m² | 43 | 5,8 | 249,4 | ||
| appartementen >100 m² | 6 | 7,2 | 43,2 | ||
| totaal | 49 | 292,6 | |||
Op weekdagen bedraagt deze 293 motorvoertuigen per etmaal. Om de verkeersgeneratie op werkdagen te berekenen moet de weekdaggeneratie vermenigvuldigd worden met 1,11. Het resultaat hiervan is 322 motorvoertuigen per werkdagetmaal.
Met behulp van Google maps is onderzocht via welke route het gemotoriseerd verkeer de belangrijke bestemmingen het snelst kan bereiken. Op basis hiervan is ingeschat welk gedeelte van de verkeersgeneratie gebruikt maakt van de diverse ontsluitingswegen van de beoogde ontwikkeling. Het grootste deel van het verkeer zal gebruik maken van de snelste route naar de A79. Een ander belangrijk deel zal van of naar de A2 rijden. De route naar de A2 is vanwege eenrichtingsverkeer op de Beekstraat anders dan de route vanaf de A2. Ulestraten is bereikbaar via de Humcoverstraat, Haasdal en Schimmert via de Korte Raarberg. In de onderstaande figuur is de beoogde verkeerstoedeling weergegeven.
Figuur 5.7: verkeerstoedeling op werkdagen
Als bron voor verkeersintensiteiten is gebruik gemaakt van het CIMLK, monitorjaar 2030. Van de wegen waarop de beoogde ontwikkeling verkeer afwikkelt zijn alleen intensiteiten bekend op de Houthemerweg en de Bunderstraat/Beekstraat. Van de Herkenberg is een inschatting gemaakt op basis van de bekende intensiteiten op de aansluitende wegen en van de wegenstructuur Van de overige straten zijn de intensiteiten onbekend, maar op basis van de wegenstructuur wordt aangehouden dat de intensiteiten op deze wegen dermate laag is dat de beoogde verkeerstoename probleemloos kan worden opgevangen. Zie onderstaande tabel en figuur 5.8 voor een overzicht van de intensiteiten.
Tabel: overzicht intensiteiten op ontsluitingswegen
| wegvak | autonome intensiteit | planbijdrage | % planbijdrage | ||
| Herkenberg GOW | 5500 | 175 | 3,2% | ||
| Herkenberg ETW | 250 | 239 | 95,6% | ||
| Houthemerweg | 9287 | 159 | 1,7% | ||
| Beekstraat | 3685 | 64 | 1,7% | ||
Figuur 5.8: verkeersintensiteiten in Meerssen (bron: CIMLK)
Op zowel de Houthemerweg, Herkenberg tussen de rotonde en het spoor, als de Beekstraat is de toevoeging van de beoogde ontwikkeling op het verkeer minder dan 5%, en gaat hiermee onmerkbaar op in het heersend verkeersbeeld. De verkeersafwikkeling loopt hiermee geen gevaar.
Op het gedeelte van de Herkenberg dat is ingericht als een erftoegangsweg is de rijbaanbreedte beperkt tot 2,8 meter in verband met de aanwezigheid van ingetekende parkeervakken. Gezien het aantal adressen wat afwikkelt op dit wegvak is te verwachten dat de intensiteit hier ongeveer verdubbelt en zou uitkomen op ongeveer 500 mvt/etmaal op werkdagen. Deze intensiteit is ook met de beperkte wegbreedte van dit wegvak zonder problemen af te wikkelen, gezien de diverse uitwijkmogelijkheden en de beperkte lengte van dit wegvak van 230 meter.
Langzaam verkeer
De straten in de omgeving van de beoogde ontwikkeling wikkelen weinig autoverkeer af. Het autoverkeer heeft er bovendien met 30km/h een lage maximumsnelheid. De zeer smalle straten, korte rechtstanden en vele objecten op en direct naast de rijbaan maakt deze maximumsnelheid dragen bij aan de handhaving van de maximumsnelheid. Lopen van en naar de beoogde ontwikkeling is veilig. Op korte afstand is zowel ten oosten als ten westen van de beoogde ontwikkeling een vrij liggend fietspad te bereiken. Fietsen van en naar de beoogde ontwikkeling is veilig.
Auto
Het snelwegennet is vanaf de beoogde ontwikkeling in korte afstand te bereiken. De routes naar de snelwegen kennen geen grote veiligheidsknelpunten en zijn voorzien van passende en geloofwaardige maximumsnelheden. De intensiteiten op deze wegen zijn passend. Omdat de beoogde ontwikkeling een verwaarloosbare extra hoeveelheid verkeer op deze wegen toevoegt brengt deze daar geen verandering in. De veiligheid van het autoverkeer is gewaarborgd.
Auto
De parkeerbehoefte is bepaald op basis van de “Nota parkeerbeleid Meerssen 2022-2025'. Voor de appartementen is de norm voor 'koop, appartement, duur' en 'koop, appartement midden' in het gebied 'centrum' gekozen. Deze norm bedraagt 1,6 en 1,4 parkeerplaats per woning, inclusief 0,3 parkeerplaats per woning voor bezoekers.
In onderstaande tabel wordt weergegeven hoeveel parkeerplaatsen voor de beoogde ontwikkeling benodigd zijn.
Tabel: Parkeerbehoefte
| Aantal appartementen | Norm | Benodigde parkeerplaatsen | |
| Koop, app., midden | 18 | 1,4 | 25,2 |
| Koop, app., duur | 31 | 1,6 | 49,6 |
| Totaal | 49 | 74,8 |
Er zijn in totaal 75 parkeerplaatsen benodigd, waarvan er minimaal (49 x 0,3=) 15 publiek toegankelijk moeten zijn. In de parkeergarage worden 75 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan er 15 publiek toegankelijk zijn, zie figuur 2.9.
Met de parkeerbehoefte van de oude functie kan niets verrekend worden. De parkeernota schrijft voor dat slechts binnen 1 jaar na het stoppen van de oude functie dit mogelijk is. Bovendien wordt als laatste gebruik het tijdelijk gebruiken van een pand in afwachting van de definitieve nieuwe functie expliciet uitgesloten als functie om mee te verrekenen.
De parkeervoorziening zal worden gedimensioneerd op het woonprogramma, waardoor de parkeereis kan worden opgelost op eigen terrein.
Fiets
Voor appartementen met een fietsenberging bedraagt de parkeernorm 2-3 plaatsen per woning. Dat betekent dat er tussen de 98 en 147 fietsparkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Per woning moet daarvan tussen de 0,5 en 1 voor bezoekers beschikbaar zijn en dus openbaar toegankelijk. In totaal betekent dat van de fietsenstallingsplaatsen er 25 tot 49 openbaar toegankelijk moeten zijn.
De half-verdiepte parkeervoorziening bevat ook bergingen, o.a. voor de opslag van minimaal 2 fietsen per appartement. In de openbare ruimte zullen fietsstallingsvoorzieningen worden gerealiseerd om minimaal 24 fietsen te kunnen stallen, zoals bijvoorbeeld fietsnietjes.
De beoogde ontwikkeling is goed bereikbaar, zowel te voet, per fiets als met het openbaar vervoer en per auto. De ontwikkeling brengt de afwikkeling van het verkeer niet in gevaar. De ontwikkeling van appartementen zorgt voor draagvlak voor voorzieningen in Meerssen zonder veel onduurzame mobiliteit te veroorzaken van en naar deze voorzieningen. De beoogde ontwikkeling is ook veilig bereikbaar en verslechtert de verkeersveiligheid niet.
De parkeereis wordt op eigen terrein opgelost, voor zowel auto's als fietsen. Voor auto's wordt een halfverdiepte parkeergarage met 75 parkeerplaatsen gerealiseerd.
Soortenbescherming
De activiteit waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd en die mogelijke gevolgen heeft voor verblijfsplaatsen van beschermde dieren of planten, is een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten.
Voor de aanvraag om een omgevingsvergunning is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de activiteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig. Voor sommige flora- en fauna-activiteiten is een omgevingsvergunning nodig.
In alle gevallen geldt de specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die er kort samengevat op neerkomt dat maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal).
Quickscan
Om te onderzoeken welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna is een quickscan uitgevoerd, zie bijlage 7. De conclusie uit de quickscan luidt als volgt:
Algemene in bomen en opgaande vegetatie broedende vogels
In de bomen en opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Omgevingswet begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van de vegetatie toch leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield
Huismus: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf
In de daken van de te slopen basisschool broeden mogelijk jaarlijks huismussen. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Voordat het gebouw wordt gesloopt, dient daarom eerst het voorkomen van huismusnesten volgens het 'Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2023)' te worden onderzocht. Hierbij wordt voor de huismus uitgegaan van 2 ochtendbezoeken in de periode 1 april–15 mei.
Voor elk nest dat verloren gaat, dienen er meerdere alternatieve nestlocaties voor de huismus in de nieuwe situatie te worden gerealiseerd (BIJ12, 2023). Dat kan door het plaatsen van nestkasten. Huismussen hebben de tijd nodig om aan nieuwe nestplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (minimaal 3 maanden voor de start van de werkzaamheden). Om vertraging te voorkomen is het daarom verstandig om vooruitlopend op de onderzoeksresultaten al een 8-tal hout betonnen huismusnestkasten (type NK SA 01 Nestkast ovaal, vivarapro.nl) aan niet te slopen gebouwen binnen 200 meter van de ontwikkelingslocatie op te hangen. Dit dient te gebeuren onder begeleiding van een deskundige.
Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf
De te slopen basisschool en gymzaal bevatten mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van deze gebouwen kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven volgens het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoek ronden nodig:
Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient er een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van de ontwikkelingslocatie te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten tegen nabijgelegen gebouwen op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2024). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 8 vleermuiskasten op te hangen van types als VK WS 02 en VK MP 05 (te bestellen bij vivarapro.nl), Beaumaris maxi (te bestellen bij vivara.nl) of VMT1, VMT1a, VMTH1 (te bestellen bij unitura.nl). Dit dient te gebeuren aan niet te slopen panden binnen een straal van 200 meter van de ontwikkelingslocatie (BIJ12, 2024), onder begeleiding van een deskundige. Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloopwerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen.
Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Ter plaatse van ontwikkelingslocatie komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Ow zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde andere beschermde soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten voor is verkregen (deze soorten zijn opgenomen in Bijlage X van de Omgevingsverordening Limburg; Provinciale Staten van Limburg, 2023). Wel geldt altijd de zorgplicht (artikel 11.27 Bal); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten de projectlocatie worden verplaatst.
Nader onderzoek
Naar aanleiding van de quickscan bestond de mogelijkheid dat er een gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger aanwezig konden zijn, evenals nesten van de huismus. Dit is middels het aanvullend fauna-onderzoek onderzocht, zie bijlage 8.
Binnen het plangebied
In het plangebied zijn geen huismusnesten of vleermuisverblijven gevonden.
Buiten het plangebied
Net buiten het plangebied zijn geen huismusnesten of vleermuisverblijven waargenomen. Wel werden kort na zonsondergang/voor zonsopgang gedurende vrijwel alle onderzoeksrondes meerdere gewone dwergvleermuizen waargenomen. Deze vlogen niet uit in het plangebied en moeten dus een verblijf net buiten het plangebied hebben, maar in ieder geval in Meerssen.
Conclusie nader onderzoek
In het plangebied bevinden zich geen huismusnesten of vleermuisverblijven. Bij de sloop van de bebouwing hoeft dus geen rekening te worden gehouden met beschermde natuurwaarden. Er hoeft dus geen omgevingsvergunning Flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd.
Het aspect ecologie vormt géén belemmering voor de beoogde ontwikkeling op de locatie.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland.
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Ow legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.
Houtopstanden (bos)
Mocht de activiteiten op de ontwikkelingslocatie gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen.
Gebiedsbescherming
De ontwikkelingslocatie vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland ligt ten oosten van de ontwikkelingslocatie op ongeveer 265 meter. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Geuldal dat op ongeveer 500 meter zuidelijk is gesitueerd. Vanwege deze afstanden zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op voorhand uitgesloten.
Figuur 5.9: Natuurnetwerk Nederland ten opzichte van de ontwikkelingslocatie (bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten)
Figuur 5.10: Natura 2000-gebied Geuldal ten opzichte van de ontwikkelingslocatie (bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten)
Om stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden door emissies van de aanleg- en gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is hiervoor een onderzoek uitgevoerd.
De berekeningen met AERIUS Calculator (2025) voor de bouwfase zijn opgenomen in Bijlage 4. De berekeningen met AERIUS Calculator (2025) voor de gebruiksfase zijn opgenomen in Bijlage 5. De berekende stikstofdepositie is ecologisch onderbouwd in een ecologische voortoets. Deze is opgenomen als Bijlage 6. In de ecologische voortoets is geconcludeerd dat de stikstofdepositie als gevolg van de bouw en het gebruik van de appartementen niet leidt tot meetbare gevolgen voor de samenstelling, structuur en functie van vegetatietypen die behoren tot de habitattypen in deze Natura 2000-gebieden. De hoeveelheid stikstof die als gevolg van de het project aan de habitattypen wordt toegevoegd is dermate gering dat meetbare veranderingen in biomassa van planten niet op zullen treden. Ook effecten van verzuring die kunnen leiden tot veranderingen in de groei van planten zijn uitgesloten. Daarom is uitgesloten dat de bouw en het gebruik van de appartementen leidt tot significante gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden. De toelichting op de stikstofberekeningen en de ecologische voortoets is opgenomen in Bijlage 3.
De beoogde herontwikkeling is uitvoerbaar in het kader van de Omgevingswet.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat geluidgevoelige functies (zoals woningen) niet aan te veel geluidbelasting worden blootgesteld. Geluid kan afkomstig zijn van (spoor)wegen, industrieterreinen en andere activiteiten. In deze paragraaf wordt ingegaan op geluid afkomstig van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrieterreinen. In de volgende paragraaf komt geluid vanwege activiteiten aan bod.
In een omgevingsplan of bij het toepassen van een omgevingsplanactiviteit moet worden getoetst of het geluid van wegverkeer aanvaardbaar is. Het geluid is in ieder geval aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens artikel 5.78t van het Bkl. Het geluid mag hoger zijn dan de standaardwaarde als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen en de overschrijding van de standaardwaarden zoveel mogelijk wordt beperkt.
Tabel
De toets wordt in eerste instantie beperkt/afgebakend door het geluidaandachtsgebied behorend bij de omliggende wegen. Dit is het gebied waar de standaardwaarde kan worden overschreden. Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen.
Bepalen aandachtsgebied
Bij nieuwe ontwikkelingen nabij een geluidbron moet worden onderzocht of het project is gelegen binnen het aandachtsgebied van de geluidbron. De omvang van geluidaandachtsgebieden dient te worden berekend volgens Bijlage IVc bij artikel 3.5 van de Omgevingsregeling. Daarbij is van belang dat lokale spoorwegen die zijn aangewezen bij omgevingsverordening, rijkswegen, provinciale wegen, hoofdspoorwegen en industrieterreinen een geluidproductieplafond (GPP) hebben. Voor lokale wegen is bepaald dat de basisgeluidemissie (BGE) uiterlijk 2026 moet zijn vastgesteld. Het geluidsaandachtsgebied wordt bepaald aan de hand van een GPP dan wel BGE.
Op basis van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling geldt er overgangsrecht voor gevallen waarin nog geen BGE is vastgesteld. In dergelijke gevallen strekt het aandachtsgebied zich (aan weerzijden van de weg) tot de volgende afstand gemeten vanaf de rand van de (spoor)weg:
De GPP van rijkswegen, provinciale wegen, hoofdspoorwegen en industrieterreinen zijn verzameld en raadpleegbaar in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG).
Voor wegverkeerslawaai is de ontwikkeling gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de gemeentewegen Parallelweg, Stationsstraat, Markt, Kerksteeg, Herkenberg en de Gansbaan.
Voor spoorweglawaai is de ontwikkeling gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de hoofdspoorweg Maastricht-Valkenburg.
Daarom is een akoestisch onderzoek wegverkeers- en spoorweglawaai uitgevoerd, zie bijlage 9. Dit onderzoek is nog gebaseerd op het verouderde ontwerp, zie figuren hieronder.
Voor de gemeentewegen geldt dat het geluid op de gevels van de nieuwe appartementen de standaardwaarde van 53 dB nergens overschrijdt. Daarom kan worden geconcludeerd dat het geluid op de nieuwe appartementen ten gevolge van deze geluidbronsoort aanvaardbaar is.
Figuur 5.11: Oude ontwerp getoetst in wegverkeerlawaai onderzoek (Bron: Tritium)
Voor de spoorweg Maastricht-Valkenburg geldt dat de standaardwaarde voor spoorweglawaai van 55 dB enkel ter plaatse van de zuidgevel van het zuidelijke appartementengebouw wordt overschreden. De grenswaarde wordt echter niet overschreden. Om te voorzien dat het geluid op de nieuwe appartementen aanvaardbaar is, is nader onderzoek gedaan naar de toepassing van geluidbeperkende maatregelen, de aanwezigheid van geluidluwe gevels, het gecumuleerde geluid en het gezamenlijk geluid.
Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het spoorwegverkeer tot de standaardwaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Op het toepassen van raildempers, stillere bakken of een verlaging van de snelheid kan de initiatiefnemer van het bouwplan geen invloed uitoefenen. Met het aangepaste bouwontwerp kan de minimale afstand tot de spoorweg iets vergroot worden, zie onderstaande figuur. Het perceel biedt echter niet de mogelijkheid de afstand dusdanig te vergroten dat de standaardwaarde niet wordt overschreden.
Figuur 5.12: Rekenresultaten geluidbelasting spoorwegverkeer (Bron: Tritium)
Aangezien voor onderhavige appartementen in het zuidelijke appartementengebouw de standaardwaarde wordt overschreden dient het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel te worden betrokken. Uit de rekenresultaten blijkt dat de gehele noordgevel van het zuidelijke appartementengebouw geluidluw is. Als er met de indeling van de plattegronden rekening wordt gehouden dat voor ieder appartement tenminste één verblijfsruimte met een te openen deel aan deze geluidluwe zijde wordt gerealiseerd, geldt dat voor alle appartementen de aanwezigheid van een geluidluwe gevel is gewaarborgd.
Voor onderhavige appartementen bedraagt het gezamenlijk geluid 63 dB. Door middel van een aanvullend onderzoek bij de bouwaanvraag ter bepaling van de geluidwering van de gevels dient te worden aangetoond dat aan de voornoemde nieuwbouweis kan worden voldaan. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (in overeenstemming met een nader onderzoek) is vervolgens een aanvaardbaar geluid binnenniveau gewaarborgd. Dit is geborgd in de regels van dit TAM-omgevingsplan.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat geluidgevoelige functies (zoals woningen) niet aan te veel geluidbelasting worden blootgesteld. In deze paragraaf komt geluid vanwege activiteiten aan bod.
Bij een nieuwe ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het geluid van activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Dat geldt voor het toestaan van activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen, maar ook andersom ook voor het mogelijk maken van geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Van belang is dat enerzijds de geluidbelasting ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is en blijft, anderzijds dat de gebruiksruimte van activiteiten in beginsel ongemoeid wordt gelaten.
Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk:
In Artikel 5.65 Bkl zijn voor geluid door activiteiten, anders dan door specifieke activiteiten zoals windturbines of militaire activiteiten, standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor het toelaatbare geluid op een geluidgevoelig gebouw en in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze waarden zijn van toepassing op nieuwe geluid belastende activiteiten, maar omgekeerd ook op het toevoegen van nieuwe geluidgevoelige objecten nabij een geluid belastende activiteit.
Het project voorziet in de realisatie van nieuwe woningen. Woningen zijn geluidgevoelige objecten. Met dit project worden géén geluidbelastende activiteiten met gebruiksruimte mogelijk gemaakt.
De nieuwe woningen komen op ongeveer 100 meter van een hondenvoederfabriek ten zuiden van het spoor. In dit bedrijf worden activiteiten met gebruiksruimte uitgevoerd. In de vergunning van dit bedrijf zijn echter geen maatwerkvoorschriften opgenomen waarin een hogere geluidbelasting op omliggende woningen wordt toegestaan. Daarom zijn de naastgelegen woningen van het bedrijf maatgevend. In de huidige situatie wordt daarom al rekening gehouden met de bestaande woningen die op kortere afstand van het geluid belastende bedrijf liggen. Het bedrijf zal door de komst van de nieuwe woningen op de planlocatie niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt.
Er is geen sprake van geluidhinder door activiteiten op de geluidgevoelige woningen. Dit omgevingsaspect vormt daarmee géén belemmering voor het voornemen op de planlocatie.
Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeer aantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.
In Afdeling 2.2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden, stikstofdioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) mogelijk overschrijdingen verwacht. Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer een (wijziging van het) omgevingsplan activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide dan wel fijnstof in de buitenlucht, de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2.2 in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
| Stof | norm | ingangsdatum | |
| Jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide NO2 | 40 µg/m3 | 1-1-2015 | |
| Jaargemiddelde grenswaarde fijnstof PM10 | 40 µg/m3 | 1-6-2011 | |
| Daggemiddelde grenswaarde fijnstofPM10 | max. 35 dagen/jaar > 50 µg/m3 | 1-6-2011 | |
Een wijzigingsbesluit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen als:
Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten
Het Bal bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten. Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, en ook een zogenaamde zorgplicht. Deze verplicht bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven worden geacht preventieve maatregelen te nemen.
De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl.
Dit project voorziet in het realiseren van woningen (49 in totaal). Er wordt een 'gebouw met een woonfunctie mogelijk gemaakt. In artikel 5.54 Bkl is bepaald dat een dergelijke activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als het gaat om:
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 49 woningen. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkeling draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht.
Dit is ook aangetoond door middel van de NIBM-tool. De resultaten daarvan zijn opgenomen in onderstaande figuur. Daarbij is de input uit paragraaf 5.4 gebruikt voor de toename van het aantal verkeersbewegingen. Binnen de ontwikkelingslocatie is geen sprake van structurele bevoorrading door vrachtwagens. Het effect op de luchtkwaliteit blijft ruim onder de grens voor NIBM. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Figuur 5.13: resultaten NIBM-tool (versie 23-04-2022)
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van de ontwikkelingslocatie gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit 2022. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Beekstraat, ten noorden van de ontwikkelingslocatie. Uit het CIMLK blijkt dat in 2023 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen in de monitoringsronde 2023 en monitoringsjaar 2025; 13,3 µg/m³ voor NO2, 14,1 µg/m³ voor PM10 en 7,8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Met de beperkte toename van luchtverontreinigende stoffen zoals berekend met de NIBM-tool wordt nog steeds (ruimschoots) voldaan aan de grenswaarden en is dus ook geen sprake van een project dat in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.
Figuur 5.14: de luchtkwaliteit in de nabijheid van de ontwikkelingslocatie (bron: Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit)
Het aspect luchtkwaliteit vormt géén belemmering voor de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie. Ter plaatse van de ontwikkelingslocatie is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen, industrie, horeca en (andere) milieubelastende activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geur veroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt.
Vanwege de inwerkingtreding van de Ow zijn alle geldende bestemmingsplannen binnen een gemeente gezamenlijk het tijdelijke deel van het omgevingsplan geworden, totdat de gemeente één nieuw gebiedsdekkend omgevingsplan vaststelt. Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan hoort ook de geurverordening, mits de gemeente deze heeft vastgesteld. Tot slot behoort ook de zogenaamde bruidsschat tot het tijdelijke deel omgevingsplan. De bruidsschat bevat onder andere regels over geur door het houden van dieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuivering technische werken en geur door het bereiden van voedingsmiddelen.
In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl). Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl).
De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een geur belastende activiteit. Wel maakt het plan woningen mogelijk, die volgens het Bkl geurgevoelig zijn. Hierna wordt dan ook getoetst of geur van activiteiten in de omgeving van invloed is op het woon- en klimaat ter plaatse van het plangebied en of geur belastende activiteiten met gebruiksruimte eventueel in hun belangen worden geschaad.
Geurbelasting agrarische bedrijven
In de bruidsschat (regels die het Rijk als onderdeel van het Invoeringsbesluit Ow automatisch toevoegt aan elk gemeentelijk omgevingsplan) zijn bepalingen over geur van veehouderijen opgenomen die in ieder geval in acht moeten worden genomen, tenzij de gemeente over een geurverordening (eveneens deel van het omgevingsplan) beschikt. Gemeente Meerssen beschikt niet over een geurverordening.
De planlocatie ligt ook op ruime afstand van een agrarisch bedrijf met vee. Hieronder volgen de kortste afstanden tot agrarische bedrijven met vee:
Figuur 5.15: agrarische activiteiten ten opzichte van de ontwikkelingslocatie
In artikel 22.3.12 van de bruidsschat is bepaald dat tussen een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en een veehouderij met landbouwhuisdieren waarvoor bij wet geen geuremissiefactor geldt (zoals melkvee en paarden), een vaste afstand van 100 meter moet worden aangehouden. Hier wordt ruimschoots aan voldaan.
Voor veehouderijen met landbouwhuisdieren waarvoor bij wet wel een geuremissiefactor is vastgesteld gelden volgens artikel 22.3.10 van de bruidsschat geen vaste afstanden maar waarden (ouE/m³ als 98-percentiel). De geurbelasting van een dergelijke veehouderij op een geurgevoelig object binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij en binnen de bebouwde kom, mag maximaal 3 ouE/m³ bedragen. Gelet op de bovengenoemde afstanden tot veehouderijen met landbouwhuisdieren waarvoor een emissiefactor is vastgesteld (o.a. kippen, varkens, geiten en vleesrundvee) is geurhinder vanwege een individuele veehouderij niet te verwachten. Aangezien binnen 2 kilometer slechts 1 veehouderij met zeugen en 1 met schapen bevindt, valt geurhinder binnen de ontwikkelingslocatie niet te verwachten.
Naast geur afkomstig van landbouwdieren zelf (stallen) kan geur ook voortkomen uit andere agrarische activiteiten, zoals bij het telen van gewassen in de open lucht of in gebouwen, het opslaan van stoffen en onderhouden, repareren en schoonmaken van voer- en werktuigen, het exploiteren van een veehouderij (bijv. opslaan kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen), en het behandelen van dierlijke meststoffen en het vergisten van plantmateriaal. Voor deze activiteiten geldt volgens paragraaf 5.1.4.6.4 van het Bkl een vaste afstand van veelal 100 meter in geval het geurgevoelig object is gelegen binnen de bebouwingscontour geur (wat ongeveer overeenkomt met de bebouwde kom). Voor sommige activiteiten (bijvoorbeeld het niet afgedekt opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, of opslag van mest in een mestbassin tot 350 m²) is een afstand van 50 meter voldoende. Hier wordt ruimschoots aan voldaan.
Geur van overige activiteiten
Naast voorgenoemde specifieke gevallen kan geur ook veroorzaakt worden door bijvoorbeeld een horecagelegenheid of bedrijvigheid (bijvoorbeeld voedingsmiddelenindustrie of mengvoederindustrie). Hiervoor gelden in beginsel geen landelijke regels (Bkl), maar een gemeente is vrij om hier zelfs regels over op te nemen.
De horecagelegenheden bevinden zich ten noorden van de kerk aan de markt. Mocht er al geurhinder ontstaan ter plaatse van deze ondernemingen, zal ter plaatse van de ontwikkelingslocatie hier geen hinder van ondervonden worden door de afstand en de ligging aan de andere kant van de kerk. Verder is er in de directe omgeving geen sprake van de aanwezigheid van bedrijvigheid met een mogelijk hinderaspect geur.
Dogstar Molenveldweg 12
De nieuwe woningen komen op ongeveer 100 meter van een hondenvoederfabriek ten zuiden van het spoor (Molenveldweg 12). In dit bedrijf worden activiteiten met gebruiksruimte uitgevoerd. In de vergunning van dit bedrijf zijn maatwerkvoorschriften opgenomen (zaaknummer: Z2024-00000351) waaronder op het gebied van geur. Hierin zijn voorschriften opgenomen die de overlast in de omgeving zullen verminderen. Deze maatwerkvoorschriften voorzien niet het toestaan van een hogere geurbelasting op omliggende woningen. Daarom zijn op het gebied van geurbelasting de naastgelegen woningen voor het bedrijf maatgevend. De dichtstbijzijnde woning ligt binnen 10 meter in noordwestelijke richting van het bedrijf. Het plangebied ligt op ongeveer 100 meter in noordwestelijke richting van het bedrijf. In de huidige situatie moet daarom al rekening gehouden worden met de bestaande woningen die op kortere afstand van het geur belastende bedrijf liggen. Het bedrijf zal door de komst van de nieuwe woningen op de planlocatie niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt.
Daarnaast kan ter plaatse van de nieuwe woningen een aanvaardbaar geurniveau worden gegarandeerd. In de maatwerkvoorschriften activiteitenbesluit milieubeheer (zaaknummer: 2019-204713) van het bedrijf is een beoordeling geuremissie in relatie tot het aanvaardbaar hinderniveau weergegeven. Hieruit blijkt dat met de geadviseerde maatregelen de mate van verstoring matig zal zijn op een afstand van 31 meter van het emissiepunt. Met de nieuwe maatwerkvoorschriften voor het bedrijf (zaaknummer: Z2024-00000351) is op een afstand van meer dan 100 meter van het emissiepunt is de kans op verstoring zeer gering. Ter plaatse van het plangebied is dan ook een aanvaardbare geur gegarandeerd.
Het aspect geur staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Ter plaatse van de planlocatie is sprake van een aanvaardbaar verblijfsklimaat.
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor externe veiligheid zijn regels opgenomen in het Bkl.
Plaatsgebonden risico (PR)
Het PR mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het PR ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
In hoofdstuk 4 van het Bal zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.
Groepsrisico (GR)
Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waarop kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.
Figuur 5.16: aandachtsgebieden (bron: www.aandeslagmetdeomgevingswet.nl)
Kwetsbare functies
Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen:
Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan.
Voor wat betreft de afweging ten aanzien de omgevingsmaatregelen kan rekening gehouden worden met het feit dat de hogedruk aardgasleiding ter hoogte van het plangebied gelegen is onder de asfaltverharding van de Parallelweg. Ook in het verlengde van de parallelweg ligt de buisleiding tot over een lengte van minimaal 150 meter volledig onder de verharding. Deze omstandigheden dragen maximaal bij aan het verlagen van de kans op het ontstaan van een fakkelbrandscenario. Het bevoegde gezag kan bij de bestuurlijke afweging over wat voldoende veilig is deze verlaagde kans op een ongeval betrekken.
Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, bevindt zich op korte afstand van de ontwikkelingslocatie een gasleiding met een brandaandachtsgebied en een PR10-8 contour.
Op het dichtbijgelegen spoor worden geen gevaarlijke stoffen vervoerd.
Figuur 5.17: uitsnede risicokaart, plangebied rood omkaderd (bron:
atlasleefomgeving.nl/kaarten)
Door de aanwezigheid van de hogedruk aardgasleiding is een extern veiligheidsrapport opgesteld door AVIV zie bijlage 10. De belangrijkste conclusies over de hogedruk aardgasleiding luiden:
Uiteindelijk moet de gemeente besluiten of aanvullende maatregelen nodig zijn en op welke basis om mensen binnen de aandachtsgebieden te beschermen tegen een ongewoon voorval.
Voor wat betreft de afweging ten aanzien de omgevingsmaatregelen kan rekening gehouden worden met het feit dat de hogedruk aardgasleiding ter hoogte van het plangebied gelegen is onder de asfaltverharding van de Parallelweg. Ook in het verlengde van de parallelweg ligt de buisleiding tot over een lengte van minimaal 150 meter volledig onder de verharding. Deze omstandigheden dragen maximaal bij aan het verlagen van de kans op het ontstaan van een fakkelbrandscenario. Het bevoegde gezag kan bij de bestuurlijke afweging over wat voldoende veilig is deze verlaagde kans op een ongeval betrekken.
Figuur 5.18: PR-contour van aardgasleiding (bron: AVIV)
Figuur 5.19: brandaandachtsgebied N-501-01 (bron: AVIV)
Externe veiligheid vormt géén belemmering voor de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie.
De meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen van Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR-richtlijn) vormt de basis voor het bepalen van trillingen. Het beoordelingskader voor trillinghinder door activiteiten is overgenomen uit deze richtlijn. Dit beoordelingskader staat in het Bkl.
Om trillinghinder te voorkomen, zijn er streef-, standaard- en grenswaarden voor trillingen. Overschrijding van deze waarden leidt tot een reële kans op hinder. Voordat een beoordeling of toetsing aan deze waarden kan plaatsvinden, moet de trillingsfrequentie en de trillingsintensiteit worden bepaald. Deze worden gemeten als de trillingsbron in werking is. Achteraf worden de uitkomsten omgerekend om de trillingen te toetsen aan de beoordelingscriteria. Dit gebeurt bijvoorbeeld op het einde van de werkdag of na een referentieperiode.
Daarnaast kunnen trillingen in gebouwen berekend worden met:
bronnen van trillingen zijn:
De aard van de trilling is afhankelijk van de eigenschappen van de bron:
Het nieuwe appartementengebouw komt op ongeveer 15,1 meter van het spoor te liggen en op ongeveer 180 meter van het station van Meerssen.
De trillingen afkomstig van het spoor zijn ter plaatse van de ontwikkelingslocatie gering. Dit komt omdat hier geen goederentreinen of lange treinen gebruik maken van dit spoor. Iedere trein die over dit spoor komt, stopt bij het station Meerssen. Daardoor zullen alle treinen een lage snelheid hebben ter hoogte van de ontwikkelingslocatie.
Door deze context wordt het niet noodzakelijk geacht een trilling onderzoek uit te voeren.
Trillinghinder speelt géén rol bij de beoogde ontwikkeling op de projectlocatie.
Licht
Licht kan wenselijk zijn of juist hinderlijk. Vanuit gezondheidsoogpunt is het belangrijk dat er voldoende daglicht in bouwwerken komt (daglichttoetreding). Daarnaast is ook voldoende zonlicht op gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken belangrijk. Een toename van schaduw kan ongewenst zijn. Dit is het onderwerp bezonning. Tot slot kan kunstlicht leiden tot diverse vormen van lichthinder.
Daglicht
Het is belangrijk dat er voldoende daglicht in bouwwerken aanwezig is. Daglicht is natuurlijk en wisselt voortdurend van kleur en intensiteit. De kwaliteit van een goede, met daglicht verlichte ruimte is voor iedereen herkenbaar en merkbaar. Voldoende daglicht heeft een gunstige invloed op de gezondheid van mensen; onvoldoende daglicht een ongunstige invloed.
Bezonning
Sommige plekken hebben voldoende zon nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplaatsen. Dit draagt bij aan een aangenaam verblijfsklimaat. Ook voldoende schaduw op deze plekken is wenselijk. Zodat mensen in de steeds hetere zomers ook de schaduw kunnen opzoeken.
Een toename van schaduw – door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen – kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De gemeente kan voorkomen dat er te veel schaduw ontstaat. En juist zorgen voor voldoende schaduw. Bijvoorbeeld door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan.
Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO heeft een norm voor bezonning. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm:
Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht.
De wet stelt de TNO-norm niet verplicht, maar veel gemeenten hanteren hem.
Lichthinder
Kunstmatige verlichting kan 4 soorten negatieve effecten veroorzaken. Deze werken we hieronder uit.
Hinder voor de mens
Hinder bij mensen ontstaat wanneer mensen zich niet kunnen onttrekken aan het aanwezige kunstlicht, terwijl ze daar wel behoefte aan hebben. Bijvoorbeeld om te kunnen rusten of slapen. Bij de beoordeling van lichthinder voor mensen maken overheden een afweging tussen maatschappelijke belangen (bijvoorbeeld veiligheid op straat, of bruikbaarheid sportvelden) en de hinderbeleving.
Hinder langs wegen
Langs (rijks)wegen kan licht van objecten ook leiden tot hinder en daardoor onveilige situaties. Denk bijvoorbeeld aan verlichte reclamezuilen.
Verstoring van de natuur
Nachtelijke, kunstmatige verlichting kan het gedrag van dieren (negatief) beïnvloeden. Naast mogelijke aanpassingen van de levenscyclus aan de kunstmatige verlichting, kan er sprake zijn van desoriëntatie, afstoting of aantrekking. Deze effecten kunnen leiden tot uitputting en sterfte. Ook kan kunstmatige verlichting als een barrière werken als dieren zich verplaatsen (in vaktaal: migreren). De verschillende negatieve effecten van kunstmatige verlichting hebben niet alleen een individueel effect. Kunstmatige verlichting kan ook een negatieve invloed hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van specifieke soorten.
Horizonvervuiling
Bij horizonvervuiling of donkerte bescherming gaat het om de zichtbaarheid van licht op langere afstand. Bijvoorbeeld het zichtbaar zijn van een open stal of een verlicht sportveld in een open landschap. Het gaat hierbij om grotere afstanden. Er is dan geen direct licht meer te meten van een lamp. Het licht is nog wel zichtbaar. Het gaat dan om een afstand tot 5 à 10 kilometer en boven zee tot maximaal 15 kilometer.
Windhinder
Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Ow). Wind kan hinder geven of zelfs gevaarlijk zijn. De mate van wind bepaalt ook of er sprake is van windhinder of niet. Windhinder treedt op rond hoge gebouwen. Daarbij is dan sprake van verhoogde windsnelheden. Hierdoor kan het verblijf in de directe omgeving van deze gebouwen onaangenaam of zelfs gevaarlijk zijn.
De NEN 8100 is een norm voor de beoordeling van het windklimaat. De norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) aangegeven of het windklimaat slecht, matig of goed is.
In deze norm zit een beslismodel dat aangeeft wanneer een windonderzoek nodig kan zijn:
Daglicht
Het appartementenblok is een alzijdig gebouw met een ruime binnentuin die aan twee zijden open is. De appartementen hebben allemaal aan twee zijden daglicht toetreding.
Bezonning
De ligging op de zuidhelling zorgt voor veel zonuren op de locatie. Doordat de woningen aan twee zijden naar buiten kijken, ontvangen ze de gehele dag aan een van deze kanten zonlicht. Omliggende gebouwen zorgen niet voor schaduw. Alleen het gebouw zelf zal in de winterperiode voor schaduw kunnen zorgen op delen van het gebouw op gedeeltes van de dag.
Figuur 5.20: schets bezonning ten opzichte van nieuw gebouw (bron: Mecanoo)
Lichthinder
Met dit project wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Aan de buitenkant van het gebouw zullen aan de binnenzijde de balustrades worden verlicht en zal er vanuit de woningen verlichting naar buiten schijnen. Deze verlichting heeft een lage intensiteit en zal niet op grote afstand te zien zijn. Er vindt geen lichthinder plaats door deze ontwikkeling.
Windhinder
Het gebouw wordt maximaal 4 bouwlagen hoog, deze hoogte veroorzaakt géén windhinder.
Deze ontwikkeling zorgt niet voor licht- en windhinder of windgevaar op de projectlocatie.
Uit de Ow volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Ow is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers:
Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Bkl (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Bal noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
In mei 2024 is een milieutechnisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van de ontwikkelingslocatie, zie bijlage 11.
Op basis van het vooronderzoek wordt de onderzoek locatie als <verdacht= beschouwd. Aangenomen wordt dat de grond als gevolg van gesloopte bebouwing in het verleden en het langdurige gebruik van de locatie verontreinigd is met parameters uit het NEN-pakket en asbest. Verder wordt de locatie als verdacht beschouwd op de aanwezigheid van PFAS in de grond door atmosferische depositie.
Uit de resultaten van het vooronderzoek, de veldwerkzaamheden en de uitgevoerde analyses wordt het volgende geconcludeerd:
Verkennend bodem- en asbestonderzoek
Zintuiglijk zijn in de bovengrond plaatselijk bij mengingen met kolengruis aangetroffen. Verder zijn in zowel de boven- als ondergrond bij mengingen met puin en baksteen aangetroffen. Enkele boringen zijn gestaakt op handmatig ondoordringbare lagen met grind en/of keien. Het grondwater bevindt zich dieper dan 5,5 m-mv en is daarom niet onderzocht.
Uit de resultaten blijkt dat in de grond géén sterke verontreinigingen zijn aangetoond. De signaleringsparameters voor grondwater worden eveneens niet overschreden. De grond wordt geclassificeerd van klasse landbouw/natuur tot klasse industrie.
Met betrekking tot PFAS voldoet de meest verdachte bovengrond ter plaatse aan de landelijke hergebruiksnormen voor <industrie= en de ondergrond voor "wonen/industrie".
Zintuiglijk is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Analytisch is eveneens geen asbest aangetoond.
Conclusie onderzoek
De onderzoeksresultaten vormen géén belemmering voor de voorgenomen werkzaamheden op de planlocatie.
Grondverzet en hergebruik
Als verhardingen, funderingslagen of grond worden afgegraven (bijvoorbeeld bij voor de reconstructie) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze elders niet zonder meer toepasbaar zijn. Met betrekking tot het elders hergebruiken van deze materialen zijn de regels van het Besluit Bodemkwaliteit en het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen.
Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken kan worden geconcludeerd dat de milieuhygienische kwaliteit van de bodem ter plaatse van voldoende kwaliteit is voor de beoogde functies wonen, groen en water op de ontwikkelingslocatie.
Cultureel erfgoed omvat archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap en dergelijke. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van een rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Ow opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan.
Op het hele plangebied van het 'Bestemmingsplan Meerssen' geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Volgens de Archeologische beleidskaart van de gemeente Meerssen geldt op het plangebied de 'Waardecategorie 2 Monumenten: terreinen van zeer hoge waarde'. Bij grond verstoring dieper dan 50 centimeter en groter dan 100 m2 is een archeologisch onderzoek nodig. Dat is voor deze ontwikkeling aan de orde, daarom is een archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 12. De conclusie van het onderzoek luidt als hieronder beschreven.
De planlocatie ligt binnen het Zuid-Limburgse lössgebied op de uiterste zuidwestelijke rand van het zogenaamde Centraal Plateau oftewel plateau van Schimmert. Landschappelijk ligt de ontwikkelingslocatie op de helling naar een het dal van de Geul (zuidelijk). De diepere ondergrond van het Centraal Plateau bestaat uit zeer dikke pakketten grof Maasgrind en –zand. Daarop is een pakket eolische löss (leem) afgezet. In de top van dit lösspakket is doorgaans een brikbodem ontstaan, maar op de hellingen kan deze brikbodem geërodeerd zijn dan wel afgedekt door hellingcolluvium (met een vaaggrond).
Historisch gezien ligt de planlocatie aan de zuidelijke rand van de oude kern van Meerssen. Bebouwing komt binnen deze locatie voor vanaf begin 19de eeuw, maar dit is in de noordelijke helft van deellocatie grootschalig aanwezig vanaf het tweede kwart van de 20ste eeuw. Vanaf de jaren 1980 is ook het centrale deel van de locatie bebouwd.
Op basis van de resultaten van de bureaustudie werd geconcludeerd dat voor de planlocatie een hoge en brede archeologische verwachting geldt. Uit alle periodes kunnen vindplaatsen bestaande uit nederzettingsresten, begravingen en/of off site resten verwacht worden. Hierbij moet rekening gehouden worden met een potentieel meerlaags voorkomen, namelijk in de top van het hellingcolluvium en/of eronder in de löss- en/of rivierbodem.
Het verkennend booronderzoek heeft aangetoond dat onder de bouwvoor van 10 tot 50 centimeter dikte de top van het bodemprofiel geroerd is. Het is evenwel onduidelijk of deze geroerde laag een neerslag van archeologische activiteiten zoals een leef-, cultuur- of afvallaag is dan wel dat het een gevolg is van recente bodemingrepen zonder enige archeologische relevantie. Opgemerkt wordt dat in het zuidwestelijke deel van het plangebied en rondom het schoolcomplex deze laag ontbreekt, waarschijnlijk enerzijds vanwege de laag op de helling gelegen ligging dan wel anderzijds door de inrichtingsmaatregelen die uitgevoerd zijn ten behoeve van de bouw van de school met schoolpleinen en gymzaal. Dit wekt het gevoel dat de geroerde laag mogelijk een archeologische relevantie kan bevatten. Onder deze laag zijn in situ lössafzettingen, colluviale leemafzettingen of (zandige, kleiige of leemrijke) rivierafzettingen aangetroffen.
Selectieadvies
Op basis van de resultaten van het uitgevoerde (boor)onderzoek blijft de verwachting voor archeologische vindplaatsen onveranderd hoog. De aanwezige verstoringen, maar ook het ontbreken van bodemvorming (en daarmee inzicht in de mate van eventuele aftopping van de bodem) is onvoldoende om aan te geven dat binnen de planlocatie geen behoudenswaardige vindplaatsen meer verwacht kunnen worden.
Er wordt geadviseerd om een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren.
In het noordelijke deel van de ontwikkelingslocatie is al een gravend onderzoek uitgevoerd. Geadviseerd wordt om volgens dat onderzoek behoud in situ na te streven. Indien behoud in situ niet mogelijk is, wordt een vervolgonderzoek met een opgraving (al dan niet variant begeleiding) geadviseerd.
In het centrale en zuidelijke deel van de ontwikkelingslocatie wordt een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van proefsleuven. Dit vervolgonderzoek heeft tot doel om de archeologische verwachting verder te toetsen alsook de lithogenese en opbouw van de aanwezige bodem verder te duiden.
De vervolgonderzoeken dienen uitgevoerd te worden op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen.
Bovenstaande is een selectievoorstel. De gemeente Meerssen neemt het besluit en bepaalt de eventuele vervolgmaatregelen. In alle gevallen geldt dat als bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister volgens de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11.
Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van provinciaal kaartmateriaal en oude topografische kaarten is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van de planlocatie aanwezig zijn.
In onderstaande figuur is de historische ontwikkeling van het de locatie vanaf 1894 weergegeven. In 1925 werd de jongensschool gebouwd met een aantal arbeiderswoningen. In 1977 werd een nieuwe gymzaal gebouwd. In 1991 werd de nieuwe basisschool gebouwd in lijn met de gymzaal.
Figuur 5.21: historische ontwikkeling van het de ontwikkelingslocatie (bron: topo tijdreis)
Het parkdeel 't Beukeböschke behoorde oorspronkelijk bij het Proosdijpark. Dit park werd al aangelegd in 1642 door een monnik uit Eaucourt. Het Proosdijpark is in vroegere tijden de tuin van het Proostdijkasteel geweest; de tuin was volledig gericht op het kasteel en de bijbehorende kerk, thans de Sint Bartholomeuskerk. In oktober 2009 is een Cultuurhistorische waardestelling Proosdijpark Meerssen opgesteld, zie bijlage 13.
In 2002 is het Proosdijpark, na jarenlang achterstallig onderhoud, gerenoveerd. Een wezenlijk onderdeel van het plan is het weer onderdeel van het Proosdijpark maken van het gebied, dat bekend staat als het Beukeböschke. Dit is het terrein, dat gelegen is tussen de sportzaal, de basisschool, de Kerksteeg en de spoorlijn. Dit terrein heeft een bij het Proosdijpark passende vormgeving gekregen en is via de padenstructuur en via de brug/folly verbonden met het Proosdijpark.
Ten behoeve van de ontwikkeling van het appartementengebouw worden de huidige basisschool en gymzaal gesloopt. Het nieuwe appartementengebouw wordt in twee bouwblokken gerealiseerd, waardoor een kwalitatieve groene binnenruimte ontstaat waardoor men vanaf de brug vanuit het park tussen de gebouwen door kan lopen naar de Gansbaan. De nieuwe ontwikkeling heeft qua oppervlakte veel meer groen dan de huidige situatie. Hierdoor wordt het plangebied weer onderdeel van het Proosdijpark. Aanvullend is een advies voor het Rijksmonumentale Proosdijpark opgesteld, zie Bijlage 14. Uit het advies kan het volgende geconcludeerd worden:
Met het ontwerp is zo goed mogelijk rekening gehouden met het advies. Het volume komt niet boven de bomengrens van het park, waarmee zichtlijnen worden gehandhaafd en de 'oneindigheid' van de rivier niet wordt verstoord. Daarnaast is er rekening gehouden met pleinvorming richting de Vredeskapel en de zichtlijn vanaf de follybrug.
Er wordt geadviseerd om een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren.
Het aspect cultuurhistorie vormt géén belemmering voor beoogde voornemen op de planlocatie.
Vanuit de doelen van de Ow is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen, zoals de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid.
Voor het realiseren van een toekomstbestendig plan wordt naar de volledige breedte naar het begrip duurzaamheid gekeken. Van materiaalgebruik tot sociale cohesie, en van energieverbruik tot natuurinclusiviteit. Door mens en natuur centraal te stellen wordt deze plek groener en gezonder met een positieve sociaalmaatschappelijke impact.
Het voornemen is het park te vergroten met dit bouwplan, hierdoor biedt kansen om de biodiversiteit ter plaatse van het plangebied te vergroten.
De parkeergarage wordt met bijna de helft bedekt met een sedumdak, dit draagt bij aan de waterberging in het gebied en helpt de biodiversiteit te versterken.
Er is voldoende rekening gehouden met het thema duurzaamheid bij de planuitwerking op de planlocatie.
In de Verordening fysieke leefomgeving 2025 staan in Afdeling 8.1 de regels voor Houtopstanden. Het is verboden zonder vergunning van het college een houtopstand binnen de gemeente Meerssen te vellen of te doen vellen. Een houtopstand binnen de gemeente Meerssen is een zelfstandige eenheid van één of meer bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend.
Een compensatieplan maakt deel uit van de te verlenen omgevingsvergunning of wordt toegevoegd aan de melding voor het vellen van een houtopstand binnen de gemeente Meerssen.
In het compensatieplan wordt het volgende bepaald:
Het plangebied bestaat uit een te slopen voormalige basisschool en gymzaal, te verwijderen groen, waaronder meerdere bomen, en verharding. Het gaat om circa 25 tot 30 bomen. Deze worden ten behoeve van de ontwikkeling in de toekomst gekapt.
De bomen zijn gesitueerd aan alle zijden van de huidige bebouwing. Op het terrein achter de gebouwen ligt een nieuwer deel van het Proosdijpark dat op dit moment is ingericht als speelplaats met enkele speeltoestellen. Als afscheiding tussen de speelplaats en de bebouwing zijn ongeveer 30 jaar geleden 12 lindebomen geplant. De L-vormige rij bestaat uit twee delen van 6 winterlindes (Tilia cordata). In dit gedeelte bij het Proosdijpark zijn ook Esdoorns en Paardenkastanjes aanwezig. Ten noorden van de bebouwing gaat het om Fijnsparren, Amberbomen en Winterlindes. De bomen zijn eigendom van gemeente Meerssen.
Er is onderzocht of de Lindebomen verplantbaar zijn. Ze zijn, nagenoeg allemaal verplantbaar op 2 bomen na, zie bijlage 15. Deze 2 bomen hebben bastweefsel-aantasting op de stam waardoor wordt afgeraden deze bomen te verplanten, omdat de levensverwachting als gevolg van de aantasting mogelijk ernstig wordt verminderd.
De bomen hebben nog een beperkte afmeting en de soort is relatief gemakkelijk verplantbaar. Daardoor is er in dit geval van uit gegaan dat de bomen in dit geval verplantbaar zijn met behulp van een verplantmachine met een kluitdiameter van 260 centimeter.
De nieuwe standplaats van de bomen is nog niet bekend.
In het kader van de Verordening fysieke leefomgeving zal bij de aanvraag kapvergunning een compensatieplan worden opgesteld en bijgevoegd. In het nieuwe ontwerp is veel rekening gehouden met groen, zo wordt er een groen binnenhof voorzien en een groen dak met openingen voor bomen in de volle grond. Ook wordt rekening gehouden met het cultuurhistorisch advies over de relatie met het Proosdijpark (bijlage 14). Het uitgangspunt is om de nieuwe situatie groener te realiseren dan de huidige situatie. Het compensatieplan zal tevens dienen als landschapskader voor de verdere uitwerking van dit project.
Om de bomen te kunnen verplanten dienen enkele voorbereidende werkzaamheden in de komende twee jaar uitgevoerd te worden. Deze zijn terug te vinden in bijlage 15.
Tijdens de sloopwerkzaamheden dienen de bomen bescherm te worden met een onverplaatsbaar hek tussen de slooplocatie en de bomen.
In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Dit houdt in dat:
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de nieuwbouw ontwikkeling op initiatief van de gemeente Meerssen. De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling op basis van een exploitatiebegroting, waaruit blijkt dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is.
Middels een openbare aanbestedingsprocedure zal een marktpartij gekozen worden die voor eigen rekeningen risico het bouwplan realiseert. De gemeente heeft middelen beschikbaar gesteld om het bouwplan bouwrijp te maken en zal een overeenkomst sluiten met de marktpartij. Er is een grondexploitatie vastgesteld waaruit blijkt dat de ontwikkeling financieel uitvoerbaar is.
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de realisatie van maximaal 49 woningen in de vorm van een appartementengebouw. De bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie is op grond van artikel 8.13 van het Ob aangewezen als kostenverhaal plichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaal plichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaal bijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd.
Tussen initiatiefnemer en de gemeente zal een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd is. Het toevoegen van kostenverhaalvoorschriften in de vergunning is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.
Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in de hoofdstukken 4 en 5.
Getoetst is aan het geldende beleid op diverse overheidsniveaus. Hieruit is gebleken dat het project past binnen de relevante beleidskaders en dat wordt voldaan aan instructieregels. Er heeft voor diverse omgevingsaspecten een afweging plaatsgevonden, waarbij steeds de conclusie kan worden getrokken dat het voorgenomen project niet leidt tot onacceptabele effecten op de fysieke leefomgeving.
In het participatietraject zijn meningen, aanbevelingen en adviezen naar voren gebracht. Voor zover dit geen financiële belemmering opleverde (uitvoerbaarheid) is hiermee bij de uitwerking zo goed mogelijk rekening gehouden.
Vergunningverlening kan plaatsvinden onder de voorwaarde dat:
Deze noodzakelijke voorwaarden ten aanzien van de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling worden als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden.