direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Beukeböschke Meerssen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0938.TAMOP22a03017-VG01

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van appartementen op de locatie Beukeböschke in Meerssen en vormt een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) van het omgevingsplan van de gemeente Meerssen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan gemeente Meerssen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 'a' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Onderdeel omgevingsplan Meerssen
  • a. Dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Beukeböschke Meerssen is onderdeel van het omgevingsplan Meerssen.
  • b. Dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Beukeböschke Meerssen is in de plaats getreden van het voorheen ter plaatse van het Besluitgebied geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
1.2 Tijdelijk omgevingsplan-bestemmingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in artikel 1.4.

1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van het omgevingsplan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.

1.4 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Beukeböschke Meerssen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0938.TAMOP22a03017-VG01 zoals vastgelegd op ruimtelijkeplannen én regels op de kaart.

Artikel 2 Begrippen

2.1 van toepassing verklaring

Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij artikel 2.3 tot en met 2.48 een afwijkende begripsomschrijving bevat.

2.2 aanvullende begrippen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit TAM-omgevingsplan de begrippen als bedoeld in artikel 2.3 tot en met 2.48 gehanteerd.

2.3 omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Meerssen.

2.4 TAM-omgevingsplan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Beukeböschke Meerssen met identificatienummer NL.IMRO.0938.TAMOP22a03017-VG01 de gemeente Meerssen.

2.5 tijdelijk deel van het omgevingsplan

Het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a van de Omgevingswet.

2.6 aan-huis-verbonden beroep

de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar functie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die passend is bij de woonfunctie. Hieronder dienen niet te worden begrepen detailhandel, escortbedrijven of seksinrichtingen.

2.7 aan-huis-verbonden bedrijf

Het verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteit ter plaatse, in een gedeelte van de woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen kan worden uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar functie behoudt en de desbetreffende bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die passend is bij de woonfunctie. Het gaat enkel om bedrijven die niet vergunning- of meldingplichtig zijn in het kader van milieuwetgeving.

2.8 ambacht(elijke)

Het bedrijfsmatig, geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen en het installeren van goederen waarbij het accent niet ligt op massavervaardiging, alsook het verkopen en/of leveren, als ondergeschikte activiteit, van goederen die verband houden met het ambacht.

2.9 ander bouwwerk

Bouwwerken, geen gebouw zijnde.

2.10 antennedrager

Antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.

2.11 antenne-installatie

Installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.

2.12 archeologisch monument

Terrein dat op basis van de Erfgoedwet is aangewezen als beschermd archeologisch monument.

2.13 archeologische waarde

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit oude tijden.

2.14 bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.15 bestaand
  • a. bij bouwwerken: bestaand op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan;
  • b. bij gebruik: bestaand op het tijdstip van de inwerkingtreding van het omgevingsplan of het betreffende planonderdeel.
2.16 bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, en ook het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

2.17 bouwlaag (voor woningen)

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grondlaag en met uitsluiting van onderbouw/kelder en zolder.

ter verduidelijking:

bij bepaling van één bouwlaag gelden de bepalingen zoals die zijn opgenomen in het bouwbesluit en de bouwverordening of de rechtsopvolgers volgens de Omgevingswet, AMvB's en gemeentelijke Verordening fysieke leefomgeving en overige zich onder de kap bevindende ruimten met een maximale hoogte van 3,20 meter voor woningen.

2.18 bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.19 bouwperceelgrens

De grens van een bouwperceel.

2.20 bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

2.21 bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

2.22 cultuurhistorische waarde

De aan het bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt;

ter verduidelijking:

Daarbij gaat het om archeologisch, historisch-landschappelijk en/of historisch-bouwkundig waardevolle zaken, zoals die tot uitdrukking kunnen komen in archeologische elementen, bodemprofiel en reliëf (met name oude akkers), beplanting, verkaveling, slotenpatroon en bebouwing.

2.23 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop of te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen het uitstallen ten verkoop of verhuur of leasing, en ook het verkopen en/of leveren en/of bewaren van goederen aan personen die, die goederen kopen respectievelijk huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

ter verduidelijking:

Dienstverlening door een horecabedrijf, een coffeeshop en een sekswinkel worden hieronder niet begrepen.

2.24 escortbedrijf

Bedrijf gevoerd door een natuurlijk persoon, groep van personen, en/of rechtspersoon die prostitutie aanbiedt, die uitgeoefend wordt op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte of woning.

2.25 gebruiken

Het gebruiken, doen en laten gebruiken.

2.26 gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.27 geluidluwe gevel

een deel van een gevel (geveldeel) dat niet rechtstreeks wordt belast met een geluidniveau boven de standaardwaarde.

2.28 huishouden

Een alleenstaande, dan wel twee of meerdere personen waarvan er ten minste één meerderjarig is, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen voeren.

Bedrijfsmatige kamerverhuur en bijzondere woonvormen vallen niet onder het begrip 'huishouden'.

2.29 kamerbewoning (kamergewijze verhuur)

Woonvorm, waarbij sprake is van onzelfstandige woonruimte die bestaat uit één of meer verblijfsruimten, die geen eigen afzonderlijke toegang heeft en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche/bad en/of toilet) buiten die onzelfstandige woonruimte, met dien verstande dat hieronder niet wordt verstaan maatschappelijke voorzieningen in de vorm van beschermd en/of verzorgd wonen. Hieronder wordt ook verstaan studentenhuisvesting.

2.30 kelder

een overdekte, met wanden omsloten, voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot ten hoogste 0,50 meter boven de kruin van de weg, waaraan het bouwperceel gelegen is.

2.31 monumentale waarde

Waarden van zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde.

2.32 monumenten

Alle rijks- en gemeentelijke monumenten, welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde, en ook terreinen van belang wegens de aanwezigheid daar van voornoemde zaken.

2.33 nutsvoorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van de distributie van gas, water en elektriciteit, en de elektronische communicatie en ook soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, schakelkastjes, pompstations, gemalen en voorzieningen voor warmte-/koudeopslag.

2.34 onderbouw

een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1.20 meter boven peil is gelegen.

2.35 ondergronds bouwen

Het bouwen en in gebruik nemen van de ruimte onder het peil.

2.36 onzelfstandige woonruimte

Woonruimte, welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.

2.37 peil
  • a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. voor een ander bouwwerk: de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven.

ter verduidelijking:

over het algemeen kan aangenomen worden dat het peil bij bestaande bebouwing gelijk is aan de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer.

2.38 perceel

een deel van het Nederlands grondgebied van welk deel de Dienst voor het kadaster en openbare register, de begrenzing met behulp van landmeetkundige gegevens heeft vastgelegd op grond van gegevens betreffende de rechtstoestand, bestemming en het gebruik dat door zijn kadastrale aanduiding is gekenmerkt.

2.39 ruimtelijke kwaliteit

De kwaliteit van de ruimte als bepaald door de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van die ruimte.

2.40 seksinrichting

Een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotische-pornografische aard plaatsvinden.

onder seksinrichtingen worden in ieder geval verstaan:

Een (raam-)prostitutiebedrijf, een seksclub, een privé-huis, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

2.41 stedenbouwkundig beeld

ruimtelijke verschijningsvorm van de bestaande bebouwing, die wordt bepaald door de situering, de aansluitende terreinen, de bouwmassa's, de gevelindeling en de dakvormen.

2.42 verkeersveiligheid

De veiligheid voor het verkeer die wordt bepaald door de mate van overzichtelijkheid en vrij uitzicht (met name bij kruisingen van wegen en uitritten) en de (mogelijke) effecten van bebouwing en overige inrichtingselementen op de gedragingen van verkeersdeelnemers.

2.43 voorgevel

gevel van een gebouw die is gelegen aan de zijde van de openbare weg en die in ruimtelijk opzicht de voorkant van het gebouw vormt.

2.44 voorgevelrooilijn

de bouwgrens/lijn die is gelegen aan de zijde van de aan de weg gelegen perceelsgrens, die uitgezonderd toegelaten afwijkingen, bij het bouwen aan de wegzijde of de van de weg afgekeerde zijde niet mag worden overschreden;

ter verduidelijking:

onder bouwgrens valt zowel de grens van een bouwvlak als de grens van de locatie 'bijgebouwen'.

2.45 waterhuishoudkundige voorziening

Voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, gemalen, inlaten etc.

2.46 woning/wooneenheid

Een gebouw of een gedeelte van een gebouw, geschikt en bestemd voor de zelfstandige huisvesting van één huishouden.

2.47 woningsplitsing

Het bouwkundig en/of functioneel splitsen van één woning in twee of meer woningen dan wel het omzetten van één of meer wooneenheden naar één of meer woningen en/of het toevoegen van een extra woning in een bijbehorend bouwwerk.

2.48 zelfstandige woonruimte

Wooneenheid met een eigen toegang, die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat het huishouden daarbij afhankelijk is van voor bewoning noodzakelijke voorzieningen, zoals keuken, toilet en badkamer, buiten die woonruimte.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen bedoeld in artikel 22.24 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in artikel 3.1.1 tot en met artikel 3.1.9.

In aanvulling op artikel 22.24 van het omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen.

3.1 Meetregels

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

3.1.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens

Tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.

3.1.2 het bebouwingspercentage

het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. Voor zover in de verbeelding van het plan bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen.

3.1.3 de bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.1.4 de goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van een goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.1.5 de hoogte van een bouwlaag

De afstand tussen de scheidende vloerdelen gemeten van bovenkant afgewerkte vloer tot bovenkant afgewerkte vloer.

3.1.6 de inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.1.7 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk

Vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.

3.1.8 de oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.1.9 norm op locatie

Als in een regel een norm is gegeven die geldt ter plaatse van een locatie, geldt de betreffende norm per afzonderlijke locatie.

3.1.10 ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken of bestemmingsvlakken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, lichtkoepels, gevel- en kroonlijsten, en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- en/of de bestemmingsgrens met niet meer dan 0,50 meter wordt overschreden. Voor luifels, erkers en balkons geldt dat de bouw- en/of bestemmingsgrens met niet meer dan 1.00 meter wordt overschreden.

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

4.1 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden de gronden en bouwwerken in dit plan te gebruiken en/of te doen en/of het laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemming(en).

4.2 Gebruiksverbod

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het plan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van opstallen voor het beroepsmatig verlenen van diensten op het gebied van prostitutie en/of een seksinrichting en/of escortbedrijf.

4.3 Woningsplitsing

Het is verboden om:

  • a. een woning en/of kamersgewijs bewoonde woning te wijzigen (splitsen) naar twee of meer woningen;
  • b. een als woning, dan wel woongebouw bestemde woning, die legaal in gebruik is voor een andere functie dan wonen, te wijzigen (splitsen) naar twee of meer woningen.

4.4 Kamerbewoning (kamergewijze verhuur)

Kamerbewoning is verboden.

Hoofdstuk 2 Regels voor functies en activiteiten

Artikel 5 Groen

5.1 Functieomschrijving
5.1.1 Algemeen

In het voor 'Groen' aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. openbare groenvoorzieningen, zoals trapvelden, speelplaatsen, plantsoenen, waterpartijen met de daarbij behorende voet- en fietspaden en andere voorzieningen;
  • b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • c. duurzaam, bodem- en waterbeheer, tevens wateropvang/buffering en infiltratie;
  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. ondergronds parkeren in een parkeerkelder, uitsluitend ter plaatse van de locatie 'parkeergarage';
  • f. een ontsluitingsweg en parkeerplaatsen, uitsluitend ter plaatse van de locatie 'specifieke vorm van verkeer - inrit' ten behoeve van de bereikbaarheid van een ondergrondse parkeergarage;

met de daarbij behorende:

  • g. bouwwerken en voorzieningen bij bovengenoemde gebruiksactiviteiten, zoals paden, wegen, in- en uitritten, kunstwerken en beplanting.

5.1.2 Aangewezen gronden 'Waarde- Archeologie'

Voor zover de gronden ook zijn gelegen binnen de gronden aangewezen als 'Waarde - Archeologie' zijn mede de desbetreffende bepalingen van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 12.2.

5.2 Bouwregels

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden voor een aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken ook de volgende beoordelingsregels.

5.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. gebouwen, geen woning zijnde, mogen worden gebouwd;
  • b. de oppervlakte van een gebouw bedraagt ten hoogste 20 m², uitgezonderd ter plaatse van de locatie 'parkeergarage';
  • c. de bouwhoogte van een gebouw bedraagt ten hoogste 3,50 meter.

5.2.2 Ondergronds bouwen

Voor het ondergronds bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. ondergronds bouwen mag uitsluitend ter plaatse van de locatie 'parkeergarage', waarvoor een maximale bouwdiepte geldt van 5,00 meter onder peil;
  • b. ondergrondse bouwwerken worden minimaal 1,00 meter uit de perceelsgrens opgericht.

5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

In aanvulling op/in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van het omgevingsplan gelden de volgende regels voor bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

  • a. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 2,00 meter, met uitzondering van:
    • 1. lantaarnpalen, verlichting en vlaggenmasten, waarvan de bouwhoogte ten hoogste 10,00 meter bedraagt;
    • 2. een zend-/ontvangstinstallatie, uitsluitend ter plaatse van de locatie 'zend-/ontvangstinstallatie', waarvan de bouwhoogte ten hoogste 40,00 meter bedraagt;
    • 3. kunstobjecten, waarvan de bouwhoogte ten hoogste 5 meter bedraagt;
    • 4. speeltoestellen, waarvan de bouwhoogte ten hoogste 3,50 meter bedraagt.
5.3 Specifieke gebruiksregels

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de functie wordt in ieder geval verstaan het gebruik van de grond voor parkeervoorzieningen, uitgezonderd ter plaatse van de locatie 'parkeergarage'.

5.4 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen ten behoeve van het realiseren van parkeervoorzieningen mits dit niet leidt tot een onevenredige inbreuk op de groenstructuur en mits dit verantwoord is vanuit oogpunt van verkeersveiligheid.

5.5 Maatwerkregels

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen overeenkomstig de regeling zoals opgenomen in artikel 12.1.

Artikel 6 Wonen

6.1 Functieomschrijving
6.1.1 Algemeen

In het voor 'Wonen' aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wonen in woningen al dan niet in combinatie met ruimte voor aan-huis-verbonden beroepsactiviteiten, onder de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 6.6.1;
  • b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • c. nutsvoorzieningen;
  • d. groenvoorzieningen;

en ook voor:

  • e. parkeren in een parkeergarage, uitsluitend ter plaatse van de locatie 'parkeergarage';
  • f. parkeren binnen een bouwvlak, uitsluitend ter plaatse van de locatie 'bouwvlak';

met de daarbij behorende:

  • g. voorzieningen en bouwwerken bij bovengenoemde functies, zoals erven, tuinen, verharding, wegen, paden, kunstwerken en beplanting.

6.1.2 Aangewezen gronden 'Waarde - Archeologie'

Voor zover de gronden ook zijn gelegen binnen de gronden aangewezen als 'Waarde - Archeologie' zijn mede de desbetreffende bepalingen van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 12.2.

6.2 Bouwregels

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden voor een aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken ook de volgende beoordelingsregels.

6.2.1 Regels met betrekking tot bouwen

Op en onder de voor 'Wonen' aangewezen gronden is bouwen toegestaan ten dienste van de functie, waarbij ook voldaan wordt aan de volgende bepalingen:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend in het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
  • c. gebouwen worden met een plat dak afgedekt;
  • d. het maximaal aantal te bouwen woningen bedraagt 49;
  • e. het maximum toegestane aantal bouwlagen bedraagt het aantal zoals is aangeduid met de omgevingsnorm 'maximum aantal bouwlagen';
  • f. de maximale (bouw)hoogte als bedoeld in onder e. mag worden overschreden ten behoeve van ondergeschikte onderdelen van het gebouw, als schoorstenen, lichtkoepels, antennes, lift opbouwen en luchtbehandelingsinstallaties;
  • g. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag ten hoogste 3,00 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen waarvan de bouwhoogte ten hoogste 1,00 meter mag bedragen.

6.2.2 Ondergronds bouwen

Voor het ondergronds bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwdiepte bedraagt maximaal 3,00 meter onder peil, met uitzondering ter plaatse van de locatie 'parkeergarage', waarvoor een maximale bouwdiepte geldt van 5,00 meter onder peil;
  • b. ondergrondse bouwwerken worden minimaal 1,00 meter uit de perceelsgrens opgericht, met uitzondering ter plaatse van de locatie 'parkeergarage'.

6.2.3 Overige regels met betrekking tot bouwen
  • a. de maximale (bouw)hoogte als bedoeld in artikel 6.2.1, onder d. mag worden overschreden ten behoeve van ondergeschikte onderdelen van het gebouw, als schoorstenen, lichtkoepels, antennes, lift opbouwen en luchtbehandelingsinstallaties;
  • b. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag ten hoogste 3,00 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen waarvan de bouwhoogte ten hoogste 1,00 meter mag bedragen.
6.3 Overige regels met betrekking tot bouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden voor een aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken ook de volgende beoordelingsregels.

6.3.1 Gezamenlijk geluid

Ter plaatse van de locatie 'overige zone - gezamenlijk geluid' geldt dat het gezamenlijk geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw vanwege gemeentewegen en hoofdspoorwegen ten hoogste 63 dB Lden bedraagt.

6.3.2 Geluidluwe gevel
  • a. Elke woning dient te beschikken over een geluidluwe gevel.
  • b. De gevel is geluidluw als voldaan wordt aan de standaardwaarde vanwege de geluidbronsoort gemeentewegen en hoofdspoorwegen tegelijkertijd.

6.3.3 Waterberging
  • a. Met het oog op het (tijdelijk) opvangen van overtollig regenwater ter voorkoming of beperking van wateroverlast wordt bij een omgevingsvergunning bouwen van een gebouw een hemelwaterberging aangelegd en in stand gehouden, waarbij de vereiste waterbergingsopgave wordt berekend overeenkomstig de rekenregel:
    • 1. benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,08 (in m);
    • 2. de gevoeligheidsfactor bedraagt: 1.
  • b. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a. als het realiseren van de waterbergingscapaciteit redelijkerwijs niet mogelijk is.
6.4 Maatwerkregels

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen overeenkomstig de regeling zoals opgenomen in artikel 12.1.

6.5 Verboden gebruik

Het is verboden om bouwwerken te gebruiken ten behoeve van de gebruiksfunctie wonen als bedoeld in artikel 6.3.1 als de waterberging zoals bedoeld in artikel 6.3.3 niet (volledig) is aangelegd dan wel niet (volledig) in stand wordt gehouden.

6.6 Specifieke gebruiksregels
6.6.1 Aan-huis-verbonden beroep

Binnen de functie 'Wonen' is de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep in ruimten binnen de woning of in de bijgebouwen toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:

  • a. ten minste 50% van het vloeroppervlak van de woning (exclusief bijgebouwen) blijft gehandhaafd en ook bij woningen met een vloeroppervlak van minder dan 240 m² blijft een vloeroppervlak van de woning (exclusief bijgebouwen) van 100 m² behouden;
  • b. degene die de activiteiten uitvoert, dient ook de bewoner van de woning te zijn;
  • c. de activiteit zonder werknemers in dienst wordt uitgeoefend;
  • d. dit gebruik mag geen ernstige of onevenredige hinder opleveren voor het woonmilieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving;
  • e. de ruimtelijke uitstraling is in overeenstemming met de woonfunctie;
  • f. in de parkeerbehoefte wordt voorzien op eigen terrein, overeenkomstig de richtcijfers uit de 'Nota parkeerbeleid 2022-2025' (of diens rechtsopvolger);
  • g. er mag geen sprake zijn van onevenredige verkeersaantrekkende werking. De aanwezige infrastructuur moet hierop berekend zijn;
  • h. er mag geen detailhandel plaatsvinden.
6.7 Afwijken van de gebruiksactiviteit

Met een omgevingsvergunning kan een gebruiksactiviteit worden toegelaten die in strijd is met artikel 6.1.1, onder a. voor het gebruik van een deel van de woning voor een aan-huis-verbonden bedrijfsactiviteit, met dien verstande dat:

  • a. ten minste 50% van het vloeroppervlak van de woning (exclusief bijgebouwen) blijft gehandhaafd en ook bij woningen met een vloeroppervlak van minder dan 240 m² blijft een vloeroppervlak van de woning (exclusief bijgebouwen) van 100 m² behouden;
  • b. degene die de activiteiten uitvoert, dient ook de bewoner van de woning te zijn;
  • c. de activiteit zonder werknemers in dienst wordt uitgeoefend;
  • d. de activiteiten qua aard, omvang en uitstraling passen in een woonomgeving;
  • e. de ruimtelijke uitstraling in overeenstemming is met de woonfunctie;
  • f. de bedrijfsactiviteiten niet betreffen het oprichten, veranderen of in werking hebben van een vergunning- of meldingplichtige inrichting in het kader van het Bal;
  • g. er geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte en aan het bedrijf gelieerde activiteit;
  • h. in de parkeerbehoefte wordt voorzien op eigen terrein, overeenkomstig de richtcijfers van de 'Nota parkeerbeleid 2022-2025' (of diens rechtsopvolger);
  • i. er geen sprake mag zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking. De aanwezige infrastructuur moet hierop berekend zijn;
  • j. bij het verlenen van de omgevingsvergunning de bepalingen in acht worden genomen, zoals opgenomen in artikel 12.1.
  • k. aan de omgevingsvergunning de voorwaarde wordt verbonden dat de vergunning komt te vervallen als de gronden c.q. bebouwing gedurende een aaneengesloten periode van minimaal twee jaar niet meer als zodanig zijn gebruikt.

Artikel 7 Waarde - Archeologie

7.1 Functieomschrijving
7.1.1 Algemeen

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de aldaar voorkomende andere functies, mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen en/of terreinen, een en ander overeenkomstig de 'Archeologische beleidskaart' behorende bij deze regels (Bijlage 1).

7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen

Als ten behoeve van het oprichten van een bouwwerk, al dan niet in combinatie met het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 7.1.1, de bodem van gronden aangewezen voor 'Waarde - Archeologie' zal worden verstoord voor een oppervlakte en tot een diepte groter dan aangegeven in onderstaande tabel (welke maten gelden voor het oprichten van een bouwwerk en als van toepassing het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden tezamen) voor de verschillende waarde categorieën, zoals nader aangeduid in de 'Archeologische beleidskaart' behorende bij deze regels (Bijlage 1), wordt een omgevingsvergunning uitsluitend verleend als voldaan wordt aan het bepaalde in de artikelen 7.2.2 en 7.2.3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0938.TAMOP22a03017-VG01_0043.png"

7.2.2 Waardecategorie 1

Voor waarde categorie 1, zijnde een beschermd archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, dient op grond van de Omgevingswet een vergunning te worden overlegd, door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

7.2.3 Waardecategorie 2, 3, 4, 5 en 6
  • a. Voor waarde categorie 2 t/m 6 dient aan het bevoegd gezag een rapport te worden overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
  • b. De omgevingsvergunning voor het bouwen wordt uitsluitend verleend als:
    • 1. uit dit rapport blijkt dat er geen monumentale waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad of door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veilig gesteld;
    • 2. schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.
  • c. Het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften verbinden aan de vergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumentale waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties;
    • 4. als het bepaalde in sub 3 van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
  • d. Het bepaalde in onder a. t/m onder c. is niet van toepassing als de aanvraag betrekking heeft op:
    • 1. normale onderhoudswerkzaamheden;
    • 2. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
    • 3. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
    • 4. werken of werkzaamheden die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn of op grond van een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd;
    • 5. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
    • 6. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 meter bedraagt;
    • 7. gronden die door burgemeester en wethouders archeologisch zijn vrijgegeven.
7.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.2.3 met betrekking tot het laten uitvoeren van een inventariserend onderzoek en het overhandigen van een rapport over de waarde van het terrein, als een onafhankelijke deskundige het betreffende (bouw)plan heeft beoordeeld en heeft geconcludeerd dat geen archeologische waarden in het geding zijn.

7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verstoren van de bodem voor een oppervlakte en op een diepte groter dan aangegeven in de tabel in artikel 7.2.1 (waarbij deze maten gelden voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden en als van toepassing het oprichten van een bouwwerk tezamen) tenzij voor wat betreft waarde categorie 1 een specifieke diepte is toegestaan in een kennisgeving (de zg. Richtlijn vrijstelling vergunningplicht) van de Minister aan de eigenaar van het archeologisch monument ter gelegenheid van de aanwijzing van het archeologisch monument;
  • b. het aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen;
  • c. het rooien, verwijderen of aanbrengen van diepwortelende beplantingen of bomen;
  • d. het uitvoeren van grondwerk;
  • e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een andere wijze drijven van voorwerpen in de grond;
  • f. het aanbrengen van ondergrondse leidingen of andere ondergrondse constructies;
  • g. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen of bomen;
  • h. het scheuren van grasland;
  • i. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • j. het afgraven van gronden en/of het ophogen of verlagen (egaliseren) van het terrein;
  • k. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers e.d.;
  • l. het tot onder maaiveld slopen van gebouwen en andere bouwwerken of het slopen van gedeelten daarvan, anders dan voor de uitvoering van een verleende omgevingsvergunning.

7.4.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel 7.4.1 is niet van toepassing voor de werken en werkzaamheden:

  • a. waarvoor ten tijde van het in werking treden van het plan omgevingsvergunning is verleend;
  • b. welke ten tijde van het in werking treden van het plan in uitvoering waren en waarvoor tot het van kracht worden van de verordening geen omgevingsvergunning vereist was;
  • c. welke noodzakelijk zijn ten behoeve van het beheer/onderhoud van de aanwezige archeologische waarden;
  • d. normale onderhoudswerkzaamheden, tenzij het waarde categorie 1 betreft;
  • e. op gronden die door burgemeester en wethouders archeologisch zijn vrijgegeven.

7.4.3 Voorwaarden

De in artikel 7.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend:

  • a. voor waarde categorie 1, zijnde een beschermd archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 Erfgoedwet: na overlegging van een vergunning van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, vertegenwoordigd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) op grond van artikel 11 en 14 van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor inwerkingtreding van de Erfgoedwet;
  • b. voor waarde categorie 2 t/m 6: na overlegging van een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
  • c. als uit het rapport bedoeld onder b. blijkt dat er geen monumentale waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad of door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veilig gesteld;
  • d. schade door de werken of werkzaamheden kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.

7.4.4 Toepassingscriteria

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.4.1 zijn slechts toelaatbaar als door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de in artikel 7.1.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig nadelig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

7.4.5 Voorschriften aan vergunning

Het bevoegd gezag kan de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumentale waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties;
  • d. als het bepaalde onder c. van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werken of werkzaamheden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelbepaling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene bouwregels

9.1 Verbodsbepaling overschrijding bouwgrens

Het is verboden op de in het TAM-omgevingsplan begrepen gronden enig bouwwerk te bouwen, waarbij de bouwgrens wordt overschreden, uitgezonderd overschrijdingen, die volgens deze regels zijn toegestaan.

9.2 Loopbrug

Ter plaatse van 'overige zone - loopbrug' is een bouwwerk in de vorm van een bovengrondse loopbrug toegestaan ter verbinding van gebouwen ter hoogte van de eerste verdieping.

9.3 Algemene regels over bestaande afstanden en andere maten
9.3.1 Maximale maatvoering

In die gevallen dat afstanden tot, bouwhoogten, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn dan wel nog mogen worden opgericht met inachtneming van een bij of krachtens de Omgevingswet verleende omgevingsvergunning en deze meer bedragen dan voorgeschreven in de bij hoofdstuk 2 opgenomen functies, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden.

9.3.2 Minimale maatvoering

In die gevallen dat afstanden tot, bouwhoogten, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn dan wel nog mogen worden opgericht met inachtneming van een bij of krachtens de Omgevingswet verleende omgevingsvergunning en deze minder bedragen dan voorgeschreven in de bij hoofdstuk 2 opgenomen, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.

9.3.3 Heroprichting

In het geval van (her)oprichting van bouwwerken is het bepaalde in artikel 9.3.1 en artikel 9.3.2 uitsluitend van toepassing als het geschiedt op dezelfde plaats.

9.4 Gemeentelijke regels
9.4.1 Algemeen

Als en voor zover in deze regels of in de verbeelding wordt verwezen naar gemeentelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luiden op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan.

9.4.2 Bouwen en parkeernormen

Ten aanzien van bouwen en parkeernormen geldt dat:

  • a. op eigen terrein in voldoende mate in de parkeerbehoefte wordt voorzien;
  • b. de op het tijdstip van aanvraag van de omgevingsvergunning geldende parkeernorm moet worden gehanteerd volgens de 'Nota Parkeerbeleid 2022-2025' of diens rechtsopvolger.

Artikel 10 Algemene aanwijzingsregels

10.1 geluidzone - spoor
10.1.1 Verbod

Ter plaatse van aangewezen gebied 'geluidzone - spoor' mogen geen geluidsgevoelige objecten worden gerealiseerd.

10.1.2 Omgevingsvergunning

Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 10.1.1, met dien verstande dat de geluidsbelasting vanwege spoorweglawaai aan de gevels van de te realiseren objecten niet hoger mag zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verleende hogere grenswaarde.

10.2 milieuzone - bodembeschermingsgebied

Ter plaatse van het aangewezen gebied 'milieuzone - bodembeschermingsgebied' is duurzaam behoud van kwetsbare functies en waarden als bijzondere bescherming van de bodem noodzakelijk. Het streven is naar een kwaliteit van bodem, grondwater en landschap die voldoet aan de eisen die de aanwezige bijzondere biotische, abiotische en cultuurhistorische waarden stellen. Daarbij dient rekening gehouden te worden met dan wel afstemming te worden gezocht met het beleid ter zake van de Provinciale Omgevingsverordening Limburg en het Provinciaal Omgevingsplan Limburg.

10.3 veiligheidszone - leiding
10.3.1 Verbod

Ter plaatse van het aangewezen gebied 'veiligheidszone - leiding' mogen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gerealiseerd.

10.3.2 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 10.3.1, met dien verstande dat:

  • a. voldaan wordt aan de normen die gelden voor het plaatsgebonden risico;
  • b. als sprake is van toename van het groepsrisico, hiervoor een verantwoording plaatsvindt.
10.4 vrijwaringszone - spoor

Ter plaatse van het aangewezen gebied 'vrijwaringszone - spoor' mag (volgens het bepaalde in de artikelen 19 tot en met 22 van de Spoorwegwet) niet worden gebouwd en mogen geen werken of werkzaamheden worden uitgevoerd in strijd met de Spoorwegwet, zonder ontheffing door of vanwege de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels

11.1 Algemene voorwaarden bij afwijken

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de regels van het plan, dient het onderstaande in acht te worden genomen:

  • a. er wordt geen substantiële afbreuk gedaan aan het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse;
  • b. belangen van derden worden niet onevenredig nadelig geschaad of kunnen niet onevenredig nadelig geschaad worden;
  • c. er vindt geen onevenredige nadelige aantasting plaats van:
    • 1. de milieusituatie;
    • 2. het woonmilieu en de leefbaarheid ter plaatse;
    • 3. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende grond;
    • 4. de verkeersveiligheid;
    • 5. de parkeerbalans in de directe omgeving, waarbij de parkeernormen overeenkomstig de 'Nota parkeerbeleid 2022-2025' (of diens rechtsopvolger) in acht worden genomen.

Artikel 12 Overige regels

12.1 Maatwerkregels
12.1.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van:

  • a. de situering en afmetingen van bouwwerken;
  • b. de situering van parkeerplaatsen en in- en uitritten;
  • c. de situering van nutsvoorzieningen;

ten behoeve van:

    • 1. de verkeersveiligheid;
    • 2. de sociale veiligheid;
    • 3. de situering van het laden en lossen op het perceel;
    • 4. de milieusituatie, met dien verstande dat, ter voorkoming van lichthinder de sportvoorzieningen ook maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld aan de richting en de lichtuitstraling van verlichtingsarmaturen;
    • 5. een verantwoorde stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke inpassing;
    • 6. ter voorkoming van onevenredige nadelige aantasting van de omliggende waarden; en
    • 7. ter voorkoming van de onevenredige nadelige aantasting van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse; en
    • 8. ter voorkoming van onevenredige nadelige gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

12.1.2 Specifiek
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen op basis van een landschappelijk inpassingsplan (en/of stedenbouwkundig ontwerp) ten aanzien van:
    • 1. de situering, en afmetingen van bebouwing;
    • 2. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen;
    • 3. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met nieuwe bebouwing;
  • b. De in onder a. genoemde maatwerkvoorschriften mogen uitsluitend worden gesteld:
    • 1. als dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke inpassing;
    • 2. ter voorkoming van onevenredige nadelige aantasting van de omliggende waarden;
    • 3. ter voorkoming van onevenredige nadelige gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
    • 4. ter voorkoming van de onevenredige nadelige aantasting van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse; en
    • 5. voor zover van toepassing in verband met maatwerk ten aanzien van het agrarisch bouwperceel en de verbetering van de gebiedskwaliteit ten behoeve van duurzaam agrarisch grondgebruik.
12.2 Voorrangsregels
12.2.1 Strijdigheid belangen

In het geval van strijdigheid van belangen tussen aangewezen gebruiksfuncties gaat het belang van de functie 'vrijwaringszone - spoor' voor.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het voor dit omgevingsplan geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
13.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met dit omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Als het gebruik, bedoeld onder a., na het tijdstip van inwerkingtreding van dit omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voor dit omgevingsplan geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.