direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan BIC Noord - ASML en wegenstructuur
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voorliggend plan betreft het TAM-omgevingsplan BIC Noord - ASML en wegenstructuur van de gemeente Eindhoven, waarmee voor de locatie “BIC Noord” de planologische mogelijkheid wordt geboden om te komen tot een ASML campus en waarmee tevens de benodigde aanpassingen aan de lokale wegenstructuur binnen de gemeente Eindhoven mogelijk worden gemaakt.

Deze ontwikkeling is niet passend binnen het vigerende Omgevingsplan. Dit is de reden waarom voor deze locatie een separaat, ontwikkelingsgericht TAM-omgevingsplan opgesteld moet worden.

Het doel van het opstellen van onderhavig TAM-omgevingsplan is om de transformatie van de locatie tot ASML bedrijfscampus mogelijk te maken. De bebouwing en inrichting van de locatie worden uitgevoerd binnen de kaders van het in deze motivering nader beschreven VOSP BIC Noord met inachtneming van voor de locatie en de omliggende wegenstructuur opgestelde DOSP, bestaande uit:

  • DOSP wegenstructuur (Bijlage 2 regels);
  • DOSP beeldkwaliteitsplan bebouwing (BKP) (Bijlage 1 regels);
  • DOSP landschapsplan ASML buitenruimte (Bijlage 3 regels).

Aldus worden concreet beschreven de opwaardering van de wegenstructuur in en nabij de locatie alsook de groeninvulling / groencompensatie en worden beeldkwaliteitseisen vastgelegd voor de thans nog niet concreet te duiden ASML bedrijfsbebouwing op BIC Noord.

1.2 Besluitgebied

De oppervlakte van de locatie bedraagt circa 100 ha, waarvan circa 35 ha als uitgeefbare grond van een bedrijfsbestemming zal worden voorzien met een maximale hoeveelheid bebouwing in m2 BVO, een maximaal aantal te realiseren parkeerplaatsen voor motorvoertuigen (conform specifiek opgenomen parkeernormering) en een hiertoe opgenomen bouwvlak.

De bestaande groene omgeving wordt versterkt en hierbij grotendeels ongewijzigd bestemd.

Tevens zal de plaatselijke wegenstructuur in en buiten de locatie worden aangepast om de ontwikkeling mogelijk te maken. De aanpassingen van wegen binnen de gemeente Eindhoven (binnen en buiten de locatie) zijn opgenomen in dit TAM-omgevingsplan. De aanpassingen aan de (op- en afritten van de) A58 en aan de wegenstructuur binnen de gemeenten Best en Oirschot, waaronder de aanleg van een nieuwe tunnel onder de A58, worden opgenomen separate besluiten, waarbij sprake is van toepassing van de coördinatieregeling uit de Omgevingswet. Hierdoor ontstaat een samenhang tussen dit TAM-omgevingsplan en de binnen de gemeenten Oirschot en Best te doorlopen procedures.

De diverse gronden zijn zowel particulier - als gemeentelijk eigendom.

Onderstaande afbeelding geeft de ligging van de locatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0001.png"

afbeelding: locatie en omgeving

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0002.png"

afbeelding: verbeelding locatie en wegenstructuur

Onderstaande afbeelding geeft een weergave van de in het kader van dit TAM-omgevingsplan aan de orde zijnde aanpassingen aan de plaatselijke wegenstructuur in en buiten de locatie in Eindhoven, Best en Oirschot, zoals deels opgenomen in dit TAM-omgevingsplan (voor grondgebied Eindhoven) en deels in twee BOPA's voor gronden in Best en Oirschot gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0003.png"

afbeelding: weergave aanpassingen wegenstructuur Best, Eindhoven en Oirschot

1.3 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de TAM-omgevingsplan.

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk-functionele situatie alsmede van de beoogde ontwikkeling.

Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving en analyse van de beoogde ontwikkeling.

In hoofdstuk 4 wordt aan het huidige omgevingsplan getoetst.

Hoofdstuk 5 bevat een beschrijving van het proces en participatietraject.

In hoofdstuk 6 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven.

In hoofdstuk 7 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving.

In hoofdstuk 8 komt de economische uitvoerbaarheid aan de orde.

In hoofdstuk 9 wordt de juridisch opzet beschreven.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

In dit hoofdstuk wordt de huidige ruimtelijke en functionele situatie beschreven, ook in relatie tot de omgeving en wordt ingegaan op de voorgeschiedenis van het BIC.

2.1 Huidige situatie

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de locatie in haar directe omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0004.png"

afbeelding: locatie en directe omgeving

In het bestemmingsplan “Buitengebied Eindhoven 2023” (vastgesteld 25-03-2025) wordt ten aanzien van het gedeelte van het Eindhovense buitengebied waarvan de locatie een onderdeel uitmaakt het volgende opgemerkt :

Door alle infrastructuur heeft dit gebied een geïsoleerde ligging. Het karakter van het gebied wordt dan ook grotendeels bepaald door de A2 die het gebied doorkruist, het Beatrixkanaal en het landgoed Wielewaal. In het noordelijk gedeelte van dit deelgebied (de Nieuw Achtse heide) bevinden zich nog agrarische gronden. Deze hebben een open en relatief grootschalig karakter. Er zijn twee agrarische bedrijven aanwezig binnen dit plangebied. Het betreft een glastuinbouwbedrijf en een fruitteeltbedrijf. Nabij het knooppunt Batadorp bevinden zich enkele kleinschalige bossen met enige natuurwaarden. De genormaliseerde beek Ekkersrijt doorkruist dit deelgebied ten zuiden van het knooppunt Batadorp en vormt iets zuidelijker deels de westgrens van het deelgebied. Het zuidelijk gedeelte heeft een bosrijker karakter. Naast het landgoed en de golfbaan Welschap, waarvan delen tevens in gebruik zijn als waterwingebied, omvat dit gedeelte ook recreatieve en openbare functies, zoals sportpark de Herdgang, twee openbare parken en een internationale school in het voormalig defensie-complex de Contant Rebecque kazerne. Het gebied vormt een belangrijke schakel in de ecologische verbinding tussen het buitengebied en het stadsgebied. Via doorgaande recreatieve voorzieningen wordt de stad verbonden met het Groene Woud.

In dit deelgebied komen met name naald- en gemengde bossen voor (landgoed Wielewaal). Deze bossen zijn van belang als leefgebied voor diverse vogelsoorten (onder meer kleine bonte specht, boomklever, havik, bos- en ransuil). Daarnaast bevindt zich in het gebied nog wat loofbos en jonge bosaanplant. Dankzij de vele voor de fauna aantrekkelijke biotopen en de in vele delen nog voorkomende betrekkelijke rust is dit gebied ook voor de fauna van grote betekenis. De soortenrijke vogelstand omvat veel broedvogels. In de beplanting langs het Beatrixkanaal broeden o.a. kleine bonte en groene specht en wielewaal. Speciale vermelding verdient de “Bomkrater” (paddenpoel) vanwege het voorkomen van diverse amfibieën (alpenwatersalamander, kleine watersalamander, groene en bruine kikker) en libellensoorten. De kanaalzone van het Beatrixkanaal is het ecologisch meest waardevolle gebied vanwege de zeer bijzondere milieuomstandigheden (steile hellingen, variatie in lemigheid en wisselende grondwatersituatie). Plaatselijk stroomt schoon kwelwater uit in de taluds, waardoor zeldzame vegetaties zijn ontstaan. Naast een aantal orchideesoorten (rietorchis, gevlekte orchis, grote keverorchis en welriekende nachtorchis) waren of zijn de taluds en oevers een groeiplaats voor onder andere blauwe knoop, geelhartje en trilgras. Al is deze waarde de laatste tientallen jaren sterk verminderd door verruiging en verbossing. De opgaande beplanting bestaat uit uiteenlopende soorten, zoals eik, wilg, berk, meidoorn, vlier en kamperfoelie.

Het kanaal is van groot belang voor een meer regionale ecologische samenhang t.b.v. migratie voor allerlei planten- en diersoorten (dagvlinders, libellen, moerasvogels, kleine zoogdieren). Langs de Ekkersrijt, zijwaterloop van de Dommel, komen loofbosjes en ruigten voor.

De locatie is reeds jaren voorzien als ontwikkelingsgebied voor de BIC Campus, bestaande uit diverse deelgebieden, die gefaseerd tot ontwikkeling kunnen worden gebracht.

Het deze locatie waar thans in het noordelijke deel de ASML campus is voorzien in aansluiting op de ontwikkeling van de BIC campus in het zuidelijke deel, e.e.a. zoals in deze motivering zal worden uiteengezet.

In het bestemmingsplan “Weginfrastructuur omgeving Eindhoven Noordwest, Oirschot en Best” (vastgesteld Eindhoven 06-06-2017, vastgesteld Oirschot 20-06-2017, vastgesteld Best 12-07-2017) wordt ten aanzien van de wegenstructuur rondom BIC, waarvan thans een gedeeltelijke aanpassing aan de orde is, het volgende opgemerkt:

2.1.1 Aanleiding en genomen besluiten

De gemeenten Best, Eindhoven en Oirschot hebben het voornemen de bestaande infrastructuur in het noordwestelijk deel van Eindhoven en de aangrenzende delen van Best en Oirschot aan te passen en nieuwe weginfrastructuur aan te leggen (figuur 1.1). De aanpassing van de weginfrastructuur is noodzakelijk vanwege de bestaande problemen met de bereikbaarheid van economisch belangrijke functies (luchthaven Eindhoven en luchthavengebied, bedrijventerreinen Westfields en Goederendistributiecentrum Acht (GDC Acht), andere werk- en woongebieden) in het gebied. De bereikbaarheidsknelpunten nemen de komende jaren toe als gevolg van de autonome groei en als gevolg van de verdere ontwikkeling van Eindhoven Airport en het luchthavengebied.

De aanpak van de infrastructuur is tevens gerelateerd aan de Gebiedsontwikkeling Brainport Park, die onder andere voorziet in de ontwikkeling van Brainport Industries Campus (BIC) en in maatregelen om het Groene Raamwerk te versterken. De Gebiedsontwikkeling Brainport Park (eerder bekend onder de naam Landelijk Strijp) komt onder andere voort uit de Structuurvisie Eindhoven. Een belangrijk onderdeel van de gebiedsontwikkeling is het gefaseerd ontwikkelen van de Brainport Industries Campus, die ruimte moet gaan bieden aan hoogwaardige bedrijvigheid in de high-tech maakindustrie.

2.1.2 Nut, noodzaak en doelen

Nut en noodzaak: 3 redenen

De noodzaak tot het aanpassen van de infrastructuur heeft meerdere redenen:

  • 1. in de bestaande situatie is er onvoldoende doorstroming van het verkeer op de belangrijke onderdelen van het wegennet in het noordwesten van Eindhoven;
  • 2. het mogelijk maken van het groene raamwerk (in het bijzonder de groene corridor Eindhovensedijk - Oirschotsedijk);
  • 3. garanderen van de bereikbaarheid van de luchthaven, de bestaande bedrijventerreinen en BIC.

Toelichting punt 1

In de bestaande situatie is al sprake van onvoldoende doorstroming van het verkeer op belangrijke onderdelen van het wegennet in het noordwesten van Eindhoven. In de toekomstige situatie neemt de kwaliteit van de verkeersafwikkeling verder af. Dit blijkt uit de resultaten van de verkeersmodellen waarin de referentiesituatie is doorgerekend (in het kader van het MER voor de gebiedsontwikkeling Brainport Park). De referentiesituatie is de situatie die in 2020 en (verder doorkijkend) in 2030 zal ontstaan als wordt uitgegaan van de 'autonome ontwikkeling'. Dit houdt in dat rekening is gehouden met alle ruimtelijk-economische ontwikkelingen en de daaraan gerelateerde toename van de hoeveelheid verkeer, maar zonder aanpassingen van het wegennet. Uit de verkeersanalyses blijkt dat het voornaamste knelpunt wordt gevormd door de Anthony Fokkerweg, de aansluiting van deze weg op de N2 en de capaciteit van de N2 bij de aansluiting. Uit de doorrekening blijkt dat deze problemen zich in 2020 voordoen (tabel 1.1). In 2030 is de ernst van de knelpunten op de Anthony Fokkerweg verder toegenomen.

Gezien het belang van de Anthony Fokkerweg (en de aansluitende delen van de N2) voor de bereikbaarheid van de economische belangrijke werkgebieden in de westflank van Eindhoven (luchthaven Eindhoven en daar gesitueerde bedrijventerreinen, GDC Acht, Westfields) zijn maatregelen aan de infrastructuur noodzakelijk. (…)


Toelichting punt 2

Onderdeel van de gebiedsontwikkeling Brainport Park is de aanpassing van het groene raamwerk. De ambitie is om het derde stadspark van Eindhoven te creëren door het versterken van natuur- en landschapsontwikkeling, creëren van recreatiemogelijkheden en het wegnemen van barrières. Om deze ambitie te realiseren is een herverdeling van het verkeer en daarmee aanpassing van de infrastructuur nodig.

Toelichting punt 3

De verbetering van de infrastructuur is tevens nodig voor het garanderen van de bereikbaarheid van het noordwesten van Eindhoven in het algemeen, met als specifieke onderdelen de luchthaven, GDC Acht, BIC, en Westfields, zowel op de korte als de lange termijn.


Doelen

De voorgenomen ontwikkeling kent vanuit de bestaande situatie ten aanzien van de bereikbaarheid en gezien de autonome ontwikkeling daarin de volgende doelen:

  • borgen goede bereikbaarheid van Luchthaven Eindhoven (inclusief bedrijventerreinen bij de luchthaven);
  • borgen goede bereikbaarheid van bedrijventerreinen GDC Acht en Westfields;
  • mogelijk maken Groen Raamwerk (o.a. door afsluiten van Oirschotsedijk voor doorgaand autoverkeer);
  • mogelijk maken goede HOV verbinding (o.a. door gebruik Landsard uitsluitend voor HOV).


Voor de beoogde toekomstige ontwikkeling van de Brainport Industries Campus is aanvullend als doel gesteld:

  • mogelijk maken goede ontsluiting van de twee delen van de (toekomstige) BIC.


Een belangrijk middel om de bestaande en toekomstige knelpunten op te lossen is het ontlasten van dit gebied (en met name de Anthony Fokkerweg en de aansluiting op de N2/A2) door meer verkeer naar de aansluiting A58 Best te sturen en de aansluiting op de N2 te ontlasten. Dit geldt zowel voor 'autonoom' verkeer (van de bestaande stedelijke gebieden rekening houdend met een intensivering van het gebruik en dus een groei van de hoeveelheid verkeer ten opzichte van de bestaande situatie) als voor verkeer dat door BIC wordt gegenereerd.

Omdat de nieuwe infrastructuur ook structurerend werkt op de gebiedsontwikkeling en onderdeel wordt van de kaders waarbinnen de verdere ontwikkeling plaatsvindt, zijn de gebiedsontwikkeling en de ontwikkeling van de infrastructuur in één m.e.r. onderzocht. De doelen van zowel de bereikbaarheid als gebiedsontwikkeling zijn relevant bij de afweging van de tracévarianten.

De nu aan de orde zijnde optimalisering van de lokale wegenstructuur dient dezelfde doelen als in deze toelichting beschreven, rekening houdende met het gebruik door ASML van het gebied BIC Noord en wordt nader beschreven in de paragrafen 3.2.8 en 7.10 van deze motivering.

2.2 Voorgeschiedenis BIC

2.2.1 Historie van het gebied

Prehistorie

Het plangebied ligt op een overgangszone van een rug (Oirschotse Heide) en het beekdal van de Ekkersrijt. Tijdens de ijstijden kwam het landijs niet tot aan deze regio maar de wind zette er zand- en leemlagen af. Zo ontstond het dekzandlandschap met de brede, west-oost lopende, Midden-Brabantse rug. Dit uitgestrekte en licht golvende landschap bestond afwisselend uit dekzandruggen, beekdalen en hoogveentjes. In de bronstijd (1500-850 v Chr) moet de waterloop van de Ekkersrijt zeer belangrijk zijn geweest, getuige de vele vondsten zoals grafheuvels en urnenvelden die in de nabije omgeving ervan zijn gedaan.

Middeleeuwen

In de middeleeuwen, rond de 8e en 9e eeuw, ontstonden de dorpen in de regio, zo ook de nederzetting bij Acht. Voor de vroege landbouwers in dit gebied was het gebrek aan mest een groot probleem. Tot aan de uitvinding van kunstmest kwam die van de eigen dieren op het bedrijf. De akkers werden bemest met een mengsel van stalmest, bosstrooisel en heideplaggen. Er bestond een wankel evenwicht tussen de hoeveelheid bouwland en het oppervlak aan heide. Door het afplaggen van de heidevelden en intensief verkeer kon de heide zodanig beschadigen dat herstel niet meer mogelijk was met onbedwingbare zandverstuivingen tot gevolg. Om te voorkomen dat boeren zich op de kwetsbare heidevelden gingen vestigen werden er regels voor gebruiksrechten en -plichten van de dorpsbewoners vastgesteld. In graslanden in het beekdal, de beemden, haalde men het wintervoer voor het vee en werd hout geoogst. Veel van de beekdalen waren tot in de Late Middeleeuwen (1200-1450) nog gemeenschappelijk boerenbezit. Gaandeweg werden de beekdalen opgedeeld en daardoor veranderde het gemeenschappelijk bezit langzaam in privaat bezit. Boeren kregen eigen percelen toegewezen en het opgaand hout werd schaarser. Hout op de kavelranden werd om die reden gespaard en regelmatig gehakt omdat loofbossen steeds schaarser werden. Vermoedelijk zijn deze gebieden al in de middeleeuwen vanuit het dorp Acht ontgonnen.

Nieuwe tijd

In de Nieuwe tijd (1450-1800) werden al stukken van de gemeenschappelijke woeste gronden, de gemeint, ter ontginning uitgegeven maar deze dekzandvlakten waren niet aantrekkelijk voor gebruik en het merendeel van de heide bleef onontgonnen. Kenmerkend voor Acht zijn de kleinschalige vroege heideontginningen die vaak regelmatig van vorm waren. Een voorbeeld is de strokenverkaveling achter de erven van Nieuw Acht, ten zuiden van de Mispelhoefstraat.

In de 18e eeuw werd geëxperimenteerd met aanplant van naaldbossen om het stuifzand vast te leggen en ook om de bodem beter bruikbaar maken voor de landbouw. De bossen kregen een rabatstructuur: langwerpige ophogingen die tussen greppels liggen, bedoeld om bij te dragen aan de ontwatering.

Alleen de meest geschikte gronden, die niet te droog en niet te nat waren, werden tot landbouwgrond ontgonnen. Aanvankelijk werden deze percelen met naaldhout beplant, om vervolgens als bouwland te dienen. Ook werden er in deze tijd nieuwe zand- en veenpaden aangelegd die de kleine dorpen in het gebied met elkaar verbonden. De kronkelende wegen maakten plaats voor rechte wegen met rechte bospercelen. Langs nieuwe wegen werden eikenlanen aangeplant en greppels werden gegraven om vochtige bospercelen te ontwateren.

19e eeuw

De kampontginningen in dit gebied bestonden tot in de 19e eeuw uit kleinschalige erven, afgewisseld met akkerland met kavelrandbeplanting, bospercelen en grasland.. Bij de erven lagen boomgaardjes. Geleidelijk ontwikkelde zich de naaldhoutteelt voor de mijnbouw. Al voor 1900 nam de hoeveelheid naaldhoutbebossingen explosief toe.

Deze situatie blijft vanaf ontginning tot de komst van kunstmest na WO-I nagenoeg onveranderd. Andere ontwikkelingen zijn de schaalvergroting, uitvinding van kunstmest en rationalisering van de landbouw. De ondergrond werd steeds minder belangrijk en men kon gaan akkeren in de beekdalen en koeien laten grazen op de akkers. Het gebied direct rondomDe Mispelhoef en de Hurk is ontgonnen, terwijl het plangebied zelf nog onderdeel uitmaakt van het heidegebied. Begin 1800 heette de beek Eikenreit of Kleine Run en stroomde langs Eikenreit, Eikkenrijt of Ekkersrijt, een gehucht in Son met 8 huizen en 40 inwoners. De waterloop Ekkersrijt is waarschijnlijk grotendeels uitgegraven.

Moderne ontwikkelingen 

De heideontginning is door de aanleg van het Beatrixkanaal, Eindhoven Airport en de A2 versnipperd geraakt. Op slechts een klein gedeelte ter hoogte en ten noorden van het plangebied is nog wat van het orthogonaal gestructureerde landschap over. In de laatste decennia is het gebied geïsoleerd komen te liggen, is de maat en de schaal van de verkavelingen vergroot en is het verrommeld. Alleen op het op het niveau van enkele structuurlijnen en het agrarisch grondgebruik bestaan nog parallellen met de kwaliteiten zoals die een halve eeuw geleden. De openheid die het gebied vanaf de ontginning kenmerkt is samen met de verspreide bosjes in grote lijnen wel bewaard gebleven. In de huidige situatie zijn de lijnen van laanbeplanting voorzien.

Huidige situatie

De kampontginningen zijn in de afgelopen eeuw ingrijpend gewijzigd. De belangrijkste aantasting daarbij vormde de doorsnijding door de A2. Desondanks zijn beide kampontginningen nog herkenbaar. De kampontginningen lopen vloeiend door aan de beide zijden van de autosnelweg. De afrit 29 en de bebouwing langs de A2 zijn in de tussenliggende heideontginning gerealiseerd, niet op de kampen zelf. De loop van de Ekkersrijt is door de aanleg van de A58, het vliegveld Eindhoven en de uitbreiding van Woensel gewijzigd.

2.2.2 Eindhoven Noordwest

Eindhoven Noordwest (voorheen : genaamd Brainport Park) is een groot groen en landelijk gebied in de periferie van het stedelijk gebied in het noordwesten van Eindhoven. Het gebied van circa 1.400 hectare groot is nu reeds een plek om te wonen, te werken en te recreëren in een groene omgeving.

Brainport Park bestaat grofweg uit twee delen:

  • In het noordelijke deel van Brainport Park is de ontwikkeling van Brainport Industries Campus (BIC) voorzien.
  • Het zuidelijke deel - aangeduid als het Lichtbos - is een overwegend groen gebied met diverse andere functies, zoals de Campus Internationale School, het trainingscomplex van PSV (de Herdgang), GGzE medisch centrum De Grote Beek en de Philips Fruittuin.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0005.png"
afbeelding: Eindhoven Noordwest

2.2.3 Campusconcept en parklandschap

Het gebied voor de ontwikkeling van BIC is ongeveer 200 hectare groot en wordt in grote lijnen begrensd door het Beatrixkanaal, de A2/E25 en de Anthony Fokkerweg. Het plan is om het gebied zodanig te ontwikkelen dat er een verhouding ontstaat tussen 60% landschap en 40% uitgeefbare clusters. Dwars door het gebied loopt de Groene Corridor (Oirschotsedijk) die het nationaal landschap Het Groene Woud verbindt met de gebieden Strijp R, - T en - S en de binnenstad van Eindhoven.

Vanuit die verbinding is het gebied tevens verbonden met de omliggende gemeenten, waaronder Oirschot, Veldhoven en Best. De Oirschotsedijk verdeelt BIC in een zuidelijk en noordelijk deel. Ten zuiden van de Oirschotsedijk is ruimte voor 25 hectare voor clusterontwikkeling, die wordt ingevuld met BIC 1 en BIC 2. Ten noorden van de Oirschotsedijk ligt een gebied van 35 hectare dat uit uitgeefbare clusters bestaat waar (grotendeels) ASML zich zou kunnen vestigen.

Fundamenteel voor de keuze om juist op deze plek de campus te realiseren is dat de waarden van het campusconcept en die van het parklandschap elkaar juist kunnen versterken. De ambities voor het derde stadspark van Eindhoven liggen in de wisselwerking tussen natuurwaarden en gebruikswaarden. Voor een groot gedeelte bestaat de omgeving van de totale BIC uit natuur die onderdeel is van het Natuur Netwerk Brabant. Op bepaalde plekken wordt deze structuur versterkt, bijvoorbeeld met de ecologische verbindingszone Ekkersrijt, de kanaalzone en langs de Landsard. Andere grote delen van de campus worden ingericht als een landschap waar droge en natte natuur zorgen voor biodiversiteit en waar waterbekkens regenwater opvangen.

Met de campus wil de gemeente de volgende doelstellingen voor het campus landschap bereiken:

  • creëren van een vernieuwende toekomstgerichte omgeving waarin synergie ontstaat tussen kenniswerkers, studenten, stedelingen en de groene ruimte;
  • versterken van structuren voor natuur en recreatie;
  • creëren van een innovatief vestigingsklimaat in combinatie met het herstellen en versterken van de groene structuren en landschap. Dat landschap is onderdeel van de grote groene wig die het centrum van Eindhoven verbindt met het buitengebied;
  • geven van betekenis van het landschap (als onderdeel van de groene wig) voor het functioneren van Brainport in het algemeen en de hightech bedrijven en kennis- en onderwijsinstellingen in het bijzonder;
  • vergroten van de bekendheid van Brainport door het creëren van een showcase en belevingspark op het gebied van technologie en innovatie voor het publiek (nieuwe recreatieve bestemming);
  • bieden van een publieksaantrekkelijke omgeving;
  • versterken van de betrokkenheid van de inwoners van de regio met hightech industrie;
  • aantrekkelijk maken van de hightech industrie voor jongeren en talenten, stimulans voor de werkgelegenheid in de regio.

Met de ontwikkeling van de Brainport Industries Campus wordt naast de gebouwde ontwikkeling ook natuurontwikkeling gestimuleerd. Kenmerkend is de landschappelijke inrichting rondom de geclusterde bedrijven tot een parkgebied waar zowel werknemers als bezoekers (mens en dier) zich welkom en prettig voelen.

2.2.4 Brainport Industries Campus (BIC)

Brainport Industries Campus (BIC) is bestemd voor kennisintensieve bedrijven in de toelever- en maakindustrie.

Het gebied ligt strategisch aan de genoemde uitvalswegen A2/E25, A50 en A58. Bovendien is het geprojecteerd tussen de Luchthaven Eindhoven en bedrijventerrein Eindhoven Airport aan de westzijde van de locatie en agrarische gebied met bos en een crematorium met daarachter het logistieke bedrijventerrein Goederendistributiecentrum Acht aan de oostzijde van de locatie. Ten westen van de locatie loopt het Beatrixkanaal dat recentelijk is opgewaardeerd naar vaarklasse 3.

Ondanks de aanwezigheid van deze zware functies en infrastructuur kent het gebied grote landschappelijke kwaliteiten. Naast bepalende groenstructuren vinden we in het gebied ook beekloop de Ekkersrijt. De locatie van BIC ligt midden in één van de drie stadsparken die Eindhoven rijk is. Naast de Karpen en de Genneper Parken is Brainport Park het derde stadspark van Eindhoven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0006.png"
afbeelding: stadsparken Eindhoven

Fundamenteel voor de keuze om juist op deze plek in het noordwesten van het Brainport Park de campus te realiseren is dat de waarden van het campusconcept en die van het parklandschap elkaar juist kunnen versterken. De ambities voor het derde stadspark van Eindhoven liggen in de wisselwerking tussen natuurwaarden en gebruikswaarden. Met de campus wil de gemeente de volgende doelstellingen voor het Brainport Park bereiken.

  • Creëren van een vernieuwende toekomstgerichte omgeving waarin synergie ontstaat tussen kenniswerkers, studenten, stedelingen en de groene ruimte.
  • Creëren van een innovatief vestigingsklimaat in combinatie met het herstellen en versterken van het groene landschap.
  • Geven van betekenis van het parkgebied voor het functioneren van Brainport in het algemeen en de hightech bedrijven en kennis- en onderwijsinstellingen in het bijzonder.
  • Vergroten van de bekendheid van Brainport door het creëren van een showcase en belevingspark op het gebied van technologie en innovatie voor het publiek (nieuwe recreatieve bestemming).
  • Bieden van een publieksaantrekkelijke omgeving.
  • Versterken van de betrokkenheid van de inwoners van de regio met hightech.
  • Aantrekkelijk maken van de hightech industrie voor jongeren en talenten, stimulans voor de werkgelegenheid in de regio.
  • Versterken van verbindingen voor natuur en recreatie.


afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0007.png"

afbeelding: BIC Cluster 1 (zuidelijk) en BIC Cluster 2 (noordelijk) masterplankaart BIC

Inmiddels is het 1e cluster van BIC fase 1 tot stand gebracht. De oppervlakte van dit cluster bedraagt ca. 8 hectare (inclusief parkeergarage). In de ruimtelijke procedure BIC fase 1 cluster 1 is uitgegaan van een fsi van 1,5, hiermee kon in dit cluster circa 100.000 m2 bvo gerealiseerd worden. Het bebouwingspercentage van dit cluster komt hierbij op 85%. De bebouwingshoogte van dit cluster is maximaal 20 meter.

BIC fase 1 cluster 2 gaat uit van een vergelijkbare FSI (van 1,5) op basis van circa 17 ha ontwikkelruimte waarvan 88% uitgeefbaar is. Inmiddels is ook sprake van een onherroepelijk bestemmingsplan voor het 2e cluster van BIC fase 1. Het wordt globaal omsloten door het Beatrixkanaal, de Landsard, de A2/E25, A50, A58 en de Anthony Fokkerweg. Een klein deel van dit plangebied ligt in het noordelijk deel van BIC ten zuiden van de beek de Ekkersrijt en ten oosten van het Beatrixkanaal.

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

In dit hoofdstuk komt aan de orde de beoogde ontwikkeling ook in relatie tot de omgeving met hierbij de landschappelijke en stedelijke opzet. Op basis hiervan wordt duidelijk wat het programma is en de ruimtelijke uitstraling en inpassing hiervan in de omgeving.

3.1 ASML op BIC, onderbouwing op hoofdlijnen

3.1.1 Strategische agenda Brainport Gemeente Eindhoven

Het internationale succes van Brainport is gebaseerd op nabijheid, korte lijnen tussen industriële wereldspelers en hoogstaande kennis- en onderwijsinstellingen in combinatie met een focus op deeptech-ondernemerschap van MKB en grote bedrijven. Daarnaast wordt er in Brainport Eindhoven goed samengewerkt aan belangrijke thema's. Dat kan zijn op zakelijk gebied maar zeker ook op sociale onderwerpen zoals huisvesting, leefomgeving en welzijn.

De unieke kennis van wereldspelers zoals ASML, DAF, VDL, Philips, Thermo Fisher Scientific, Signify en NXP vormt een innovatief en hecht ecosysteem samen met ruim 7.000 bedrijven, kennisinstellingen en overheden in de Hightech Systemen & Materialen (HTSM). Er wordt samengewerkt aan nieuwe technologieën, toekomstig verdienvermogen en internationale waardeketen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0008.png"
afbeelding: schematische weergave Brainport Eindhoven

3.1.2 De gewijzigde rol van de hightech maakindustrie

Brainport Industries Campus (BIC) is bestemd voor kennisintensieve bedrijven in de toelever- en maakindustrie. Voor deze bedrijven is onderlinge samenwerking, het delen van faciliteiten en een stimulerende omgeving voor het aantrekken en behouden van personeel cruciaal. BIC is de plek die bijdraagt aan het realiseren van deze toekomststrategie.

Al langer is een trend zichtbaar dat de toeleverende bedrijven steeds meer verantwoordelijk worden voor grote delen van de productieketen en daarom activiteiten overnemen van de OEM'ers (Original equipment manufacturer via de 'open supply chain', waarbij toeleveranciers de rol van technologiepartner krijgen en de OEM'ers in Brainport - zoals ASML - zich meer richten op hun kernactiviteiten aan het begin van de keten (R&D) en het einde daarvan (marketing, sales & services). Deze rolverdeling en samenwerking versterkt iedereen.

Dit betekent dat deze productieketen niet meer in opeenvolgende stappen werkt. Voorheen waren mechanica, elektronica, software en design gescheiden werelden. Maar baanbrekende innovatie vereist optimale samenwerking tussen al deze disciplines waardoor ze ook andere verantwoordelijkheden en rollen krijgen.

Omdat de toeleversector steeds belangrijker wordt in innovatie zal die ook steeds vaker al betrokken raken in de beginfase - bij onderzoek en ontwikkeling dus. Daarbij geldt dat OEM'ers steeds hogere eisen stellen aan de keten - zoals optimale efficiëntie, kritische massa en het kunnen opereren in dezelfde systemen en met dezelfde hoge kwaliteitseisen voor faciliteiten (zoals cleanrooms). Het kunnen delen van faciliteiten is hierbij uiterst belangrijk.

3.1.3 ASML op hoofdlijnen

Als een van de weinige bedrijven ter wereld maakt ASML lithografiemachines waarmee chips kunnen worden gemaakt. Deze chips worden gebruikt in smartphones, computers, auto's, vliegtuigen en huishoudelijke apparaten die dagelijks worden gebruikt door mensen overal ter wereld. Ongeveer 85 procent van alle chips op de wereld is door een ASML-machine gegaan tijdens het productie proces.

ASML maakt dus geen producten die consumenten gebruiken, en zelfs geen onderdelen daarvan, maar levert de apparatuur waarmee computerchips kunnen worden gemaakt. Chips bepalen de technologische vooruitgang in ons dagelijkse leven. De voortdurende ontwikkeling van chips maakt vooruitgang mogelijk in bijvoorbeeld de gezondheidszorg, defensie, energieopwekking, voedselvoorziening, duurzaam transport, virtueel samenwerken, leren, veiligheid etc.

ASML heeft in Nederland meer dan 20.000 medewerkers in dienst grotendeels in de Brainport-regio. In het hightech ecosysteem zijn er nog eens 50.000 banen als gevolg van de aanwezigheid van ASML. ASML is momenteel het meest succesvolle bedrijf van Nederland en het is van zeer groot belang voor de lokale, regionale en nationale economie.

Hoewel de meeste klanten van ASML in Azië en Amerika zitten, zoekt het bedrijf naar mogelijkheden om uit te breiden in de Brainport-regio. ASML heeft vestigingen over de hele wereld, maar het onderzoek en de productie zijn te vinden in Nederland. Dat heeft vooral te maken met de intensieve manier waarop ASML samenwerkt met haar gespecialiseerde hightech toeleveranciers. Veel van deze bedrijven zijn gevestigd in de Brainport-regio. Veel onderdelen van een ASML-machine worden door deze bedrijven gemaakt en komen naar ASML, waar de onderdelen bij elkaar worden gebracht en de machine in elkaar wordt gezet.

Voor ASML is het belangrijk dat de medewerkers op korte afstand van elkaar zitten. De innovatie en fabricage van (inmiddels diverse) ASML-machines is voortdurend in ontwikkeling en daarom liggen de verschillende ASML bedrijfsgebouwen op korte afstand van elkaar. Het merendeel bevindt zich op de campus in Veldhoven. Die nabijheid is noodzakelijk voor de benodigde uitwisseling van kennis en ideeën. Innovatie gebeurt altijd in hechte samenwerking en zo behoudt ASML de technologische voorsprong.

De totstandkoming van een ASML machine kent drie stadia : "onderzoek", "ontwikkeling" en "productie", waarbij bovendien sprake is van zowel evolutie alsook revolutie van ideeën.


Research : nieuwe oplossingen voor de uitdagingen behorende bij de steeds toenemende verkleining en verfijning worden "ontdekt" c.q. "uitgevonden".


Development : vervolgens dient te worden bezien of en zo ja op welke wijze de ontdekkingen zo kunnen worden vormgegeven en verfijnd dat kan worden gekomen tot een te produceren onderdeel of product.


Production : tenslotte dient te worden gekomen tot het feitelijk vervaardigen van de onderdelen c.q. de machines om te komen tot een voor de klanten van ASML voldoende deugdelijk bruikbaar product : "de chip-machine".


Deze drie stadia kennen verschillende technische werkvelden, zoals mechanica, elektriciteit, licht, optische techniek etc. Al deze werkvelden zijn met elkaar verweven en dienen nauw samen te werken om hun bijdrage te kunnen leveren aan het geheel.

Samenwerken is en blijft dus heel belangrijk voor ASML. Specialisten van verschillende disciplines werken samen om ideeën om te zetten in concrete oplossingen. De veelheid aan technische disciplines die nodig is om een ASML machine te kunnen ontwikkelen en maken zorgt ervoor dat er veel medewerkers nodig zijn bij zowel ASML als de toeleveranciers.

ASML maakt meerdere soorten machines en dat is ook een reden waarom er veel mensen werken. ASML's meest geavanceerde machines trekken de meeste aandacht, maar er blijft veel vraag naar "oudere" modellen (die nog steeds zeer geavanceerd zijn) omdat deze nodig blijven voor het maken van minder complexe chips. Niet iedere toepassing heeft een ingewikkelde chip nodig en dus heeft de chipfabrikant ook behoefte aan de verschillende soorten machines van ASML.

Ook de oudere ASML machines worden nog steeds verbeterd op basis van nieuwe technologie en inzichten. Dit betekent dat een ASML technicus het ene moment werkzaam kan zijn aan de nieuwste machine terwijl vervolgens zijn aandacht en inzet wordt gevraagd voor de oplossing van een vraagstuk bij een machine van meerdere jaren oud.

Nieuwbouw voor ASML kan voor een deel nog in Veldhoven worden gerealiseerd, maar invulling van de totale ruimtevraag op basis van de voorziene groei van het bedrijf zou leiden tot een overconcentratie van ASML op de Run in Veldhoven. De omvang van ASML aldaar leidt zowel intern (omvang bedrijfsterrein Run 7000 en Run 1000) alsook extern (verkeer) tot een intensivering van grondgebruik die de grenzen van een optimale bedrijfsvoering overschrijdt met ook diverse externe gevolgen van dien.

Daarom is gekozen om een onderverdeling te maken van de productiecapaciteit tussen Veldhoven en Eindhoven. Hiermee kan de toekomstige expansie op een voor ASML alsmede voor de omgeving "werkbare" wijze vorm en inhoud worden gegeven.

3.1.4 De gevolgen van ASML op BIC

Op eerste gezicht lijkt de komst van ASML naar BIC geen logische ontwikkeling omdat het terrein bedoeld was voor de high-tech MKB maakindustrie. Zoals hiervoor echter uiteenzet is steeds meer sprake van een wisselwerking tussen toeleverancier en OEM.

ASML is hiervan in Brainport het meest in het oog springende voorbeeld, waarbij de technische werkvelden (zoals mechanica, elektriciteit, licht, optische techniek etc.) inmiddels samenwerken in een "tweerichtingsverkeer".


De toeleverancier zorgt er voor dat de onderdelen van de ASML machines worden gemaakt en dus de ASML machine kan worden gebouwd, maar ASML draagt in grote mate bij aan de verdere ontwikkeling van de (kwaliteit van de) toeleveranciers. Dit is de manier om de technische ontwikkeling in de vele technische werkvelden om te zetten in verbeteringen van de ASML-machine.

Deze wisselwerking heeft baat bij de nabijheid van ASML en toeleveranciers en vormt ook de kerngedachte van het BIC concept. Ook de toeleveranciers worden versterkt door de komst van ASML naar BIC. Hierdoor wordt dus niet alleen ASML geholpen met een vestigingsplaats in Brainport, maar wordt ook het ecosysteem van BIC versterkt door de (nog verder) toenemende (mogelijkheden van) interdisciplinaire samenwerking, gezamenlijk (duurzaam) ruimtegebruik, verhoogde efficiency, kennisdeling, kennisontwikkeling en innovatie en dus de aantrekkingskracht van de locatie en de regio.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0009.png"


afbeelding: ASML in relatie tot haar omgeving

Onderstaande passage uit het bestemmingsplan voor BIC 2 maakt duidelijk dat de komst van ASML naar BIC Noord materieel geen trendbreuk oplevert, maar juist bijdraagt aan alle doelstellingen die voor BIC als hoogwaardige "hightech-omgeving" zijn gesteld.

Voor de steeds grotere rol van de hightech maakindustrie in het proces van idee tot eindproduct zijn de volgende aspecten van belang:

  • a. interdisciplinaire samenwerking - het concept;
  • b. gezamenlijk (duurzaam) ruimtegebruik;
  • c. verhoogde efficiency;
  • d. kennisdeling, kennisontwikkeling en innovatie;
  • e. aantrekkingskracht van de locatie.

a. interdisciplinaire samenwerking - het concept

Brainport Industries Campus is een katalysator voor innovatie en groei. Het nieuwe ecosysteem bestaat uit een 'open supply chain' waarin ondernemend wordt samengewerkt aan innovatieve oplossingen. Die sterkere nadruk op innovatie en samenwerking binnen een community vraagt om een omgeving met geheel andere waarden. Zo'n omgeving stimuleert (toevallige) ontmoetingen, kennisdeling en community vorming, en kent een aangename en inspirerende omgeving.

b. gezamenlijk (duurzaam) ruimtegebruik

Wat gezamenlijk (duurzaam) ruimtegebruik betreft is het van belang, dat om op het gewenste hightech niveau te kunnen presteren, moet kunnen worden beschikt over vaak zeer kostbare faciliteiten als laboratoria, cleanrooms, testopstellingen en geavanceerde logistieke faciliteiten. Door het gebruik hiervan met meerdere partijen samen te doen, is een voldoende kosteneffectieve inzet hiervan mogelijk en komen aldus faciliteiten beschikbaar die voor individuele bedrijven (financieel) onbereikbaar zijn. Deze kosteneffectiviteit geldt ook voor het gezamenlijk gebruik van vergaderplekken, kantinefaciliteiten en opleidingsruimten. Gecombineerd met een modulaire opzet van de bedrijfsspecifieke productieruimten kan aldus in BIC individueel ruimtebeslag worden aangepast aan wisselende behoefte aan personeel, ruimte en machinepark. Het is deze combinatie van ruimtegebruik die wordt samengevat in het begrip "fabriek van de toekomst".

c. verhoogde efficiency en zuinig ruimtegebruik

De verhoogde efficiency is een belangrijk extra voordeel van de noodzakelijke nabijheid van bedrijven ten behoeve van voormelde noodzakelijke interdisciplinaire aanpak. Dit zie je terug in het ontwerp van BIC cluster 2. De lessen uit cluster 1 zijn doorvertaald naar een schaalbaar en flexibel concept. Dit concept bestaat uit een modulaire opzet, ruimtelijke vertaald in stripes, die de fabriekshallen ruimtelijk markeren. Deze markering maakt dat BIC cluster 2 ook qua architectuur uniek is in zijn soort en daarmee los van het programmatische een hele eigen uitstraling en aantrekkingskracht zal hebben op zijn gebruikers en omgeving.

De vorm het het ruimte beslag van BIC cluster 2 maakt de dat deze fabriek zeer efficiënt en zuinig kan omgaan met het ruimtegebruik -behoefte van haar gebruikers. Dit wordt versterkt door de nabijheid van bedrijven met daar waar nodig een hoge mate van reinheid (clean-rooms) kan een forse kostenbesparing worden bereikt in de keten van bewerken, reinigen, inpakken, uitpakken, verder bewerken, reinigen, inpakken etc.. De producten zijn bovendien vaak kostbaar en uniek, zodat door het delen van de logistieke zone/magazijn alsmede personeel, binnen een beveiligde omgeving aanzienlijke kostenbesparing gerealiseerd wordt, hetgeen noodzakelijk is om binnen de gewenste prijsstelling te kunnen opereren.

Door het gebruik van diverse gezamenlijke voorzieningen binnen BIC is bovendien sprake van zuinig ruimtegebruik, resulterend in extra ruimte voor ruimtelijke kwaliteit.

d. kennisdeling, kennisontwikkeling en innovatie

Wat kennisdeling betreft hebben traditionele bedrijven de natuurlijke neiging om hun informatie niet of nauwelijks te delen. Door de gewijzigde rol van de hightech maakindustrie is het van belang dat de diverse toeleveranciers hun gezamenlijke verantwoordelijkheid nemen en middels uitwisseling en afstemming van kennis en kunde kunnen komen tot het gewenste niveau van hun producten. Hiertoe is nabijheid ook een voorwaarde om tot een innovatief netwerk te kunnen komen.

Vanuit de optiek van kennisontwikkeling en innovatie is scholing van belang (techniekstudenten maar ook werkenden) aan de hand van de ter plaatse aanwezige "state of the art" technieken en met de mensen die hiermee feitelijk werkzaam zijn. Dit brengt grote voordelen ten opzichte van het meer traditionele onderwijs met veelal middels afgeschreven machines van een vorige generatie. De op BIC gevestigde bedrijven en onderwijs-/kennisinstellingen maken gezamenlijk gebruik van voor individueel gebruik te kostbare faciliteiten waarmee ook experimenteren en doorontwikkeling van bestaande producten wordt gestimuleerd. Het doel is om een zo innovatief mogelijk netwerk te creëren waarbij innovatie kan ontstaat uit de kruisbestuiving die bedrijven en scholieren 'vanzelfsprekend' aangaan. Om dat te bewerken zullen we het proces van gesloten naar open innovatie moeten doorbreken. Met BIC cluster 1 is dit gelukt. Met BIC cluster 2 wordt ingezet op een succesvol vervolg. De stap van open innovatie naar een innovatief netwerk, zie onderstaande afbeelding ter verduidelijking. De nabijheid van kennisdragers en het delen van voorzieningen wordt doorgetrokken in het tweede cluster.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0010.png"

afbeelding: innovatie van toen naar nu van open supply chain naar open supply network


e. aantrekkingskracht van de locatie

De aantrekkingskracht van de locatie in de vorm van de campusontwikkeling is van belang voor het kunnen ontwikkelen, aantrekken en behouden van de benodigde hoog gekwalificeerde mensen. Hiertoe is niet alleen de directe werkomgeving in gebouwvorm van belang, maar ook de groene omgeving waarin deze gebouwen worden gepositioneerd.

Ook hierin onderscheidt de campus zich van de traditionele bedrijfsomgeving met bovendien de wisselwerking van het gebruik van een in te richten (openbaar) stadspark in relatie tot de showcase (de clusters) als katalysator voor toekomstig personeel.

3.1.5 ASML binnen de bestaande BIC kaders

Om de meeste geavanceerde chipmachine te kunnen ontwikkelen is nauwe samenwerking tussen vele partners nodig. ASML ontwikkelt de nieuwste technologie in nauwe samenwerking met partners binnen de Brainport regio. Dit zijn uiteraard lange termijn relaties die ervoor zorgen dat de regio in staat is om innovaties te versnellen. Daarnaast biedt dit hechte netwerk een veelheid aan kennis in vele verschillende disciplines, wat ook weer bijdraagt aan de aantrekkingskracht van de regio.

Onderstaand figuur laat zien hoe met verschillende partners gewerkt wordt aan het tot stand komen van de nieuwste machines waarin al deze technologieën samenkomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0011.png"
afbeelding: ASML en haar partners

Voornamelijk de toeleveranciers (suppliers) en onderzoekpartners (research partners) van ASML komen uit de Brainport regio. Enkele van deze leveranciers behoren tot de eerste bewoners van de Brainport Industries Campus. Een voorbeeld hiervan is KMWE dat werkt aan de fabrieken van de toekomst voor speciale hightech toepassingen. Begin 2023 heeft KMWE een 3D printfabriek geopend in BIC waarmee een speciaal onderdeel van de ASML machine kan worden gemaakt. Zo'n 3D printfabriek levert daarmee een belangrijke bijdrage aan de productie van de chipmachines. Andere werkgebieden die belangrijk zijn, zijn bijvoorbeeld metaalbewerking, lasertechniek en software ontwikkeling. Hieraan werken weer andere belangrijke Brainport toeleveranciers van ASML, zoals VDL en Prodrive. Naast deze gerenommeerde bedrijven werkt ASML ook veel met innovatieve start-ups. Gezien de duizenden verschillende onderdelen en technologieën waarmee de nieuwste chipmachines worden opgebouwd zal deze vraag naar toeleveranciers en innovatieve ideeën alleen maar toenemen. Samenwerking in deze technologieën is daarom van cruciaal belang.

Dat is ook de redenen dat ASML inzet op het borgen en verspreiden van kennis. Dit belang heeft er mede voor gezorgd dat ASML in 2023 de "ASML Academy" in BIC heeft geopend. Omdat onderwijs en onderzoekpartners van ASML, zoals Summa College, Fontys, TU Eindhoven en TNO al vaste bewoners van BIC zijn zorgt dit voor extra borging van die kennis. Het Summa College richt zich bijvoorbeeld op het opleiden van studenten voor de technische arbeidsmarkt en biedt een breed scala aan opleidingen en trainingen. Ook voor het Summa College is het belangrijk om een brug te slaan tussen onderwijs en bedrijfsleven. In oktober 2022 is daarom een pilot begonnen tussen technisch arbeidsmarktspecialist Technicum, het Summa College en ASML. In deze pilot zijn 12 medewerkers van het Technicum voor 2 jaar bij ASML gaan werken waarbij ze 1 dag per week op locatie les krijgen van docenten van het Summa College. Naast deze pilot biedt ASML ook vele technische stageplekken aan.

3.1.6 BIC-mix

Tussen de gemeente Eindhoven en ASML is afgesproken, dat niet het gehele gebied van BIC Noord direct voor ASML beschikbaar komt.

Een gebied ten noorden van BIC 2 wordt gereserveerd voor een nader in te vullen ontwikkeling. Deze zou kunnen omvatten een verdere uitbreiding van het ASML bedrijfsterrein, maar ook een invulling zoals BIC 1 / BIC 2 of een combinatie van beiden : de "BIC-mix".

Dit gebied is geen onderdeel van de uitgifte in erfpacht aan ASML en geen onderdeel van dit TAM-omgevingsplan, maar in de onderbouwing van het ASML bedrijfsterrein op de locatie wordt wel deugdelijk rekening gehouden met (het mogelijk houden van) de toekomstige invulling van dit gebied en met het mogelijk houden van een verbinding via dit gebied tussen de BIC campus en het ASML bedrijfsterrein, e.e.a. zoals in deze motivering beschreven.

3.1.7 Conclusie

ASML is een bedrijf waar veel technische werkvelden samenkomen. Met de komst van ASML naar BIC wordt een substantieel deel van het belangrijkste bedrijf binnen Brainport naar het gebied gebracht.

Deze ontwikkeling zal in belangrijke mate bijdragen aan de doelstelling van het BIC als een plek waar hightech, maakbedrijven en kennisinstellingen samenwerken en waar high-tech leveranciers hun rol en positie in ontwikkelingen en productie kunnen versterken en aldus fors bijdragen aan het functioneren van Brainport als geheel.

3.2 Stedelijke en landschappelijke opzet

3.2.1 De kaders op hoofdlijnen van het gebied BIC

Alvorens de ontwikkeling van BIC Noord te beschrijven is het goed om aandacht te geven aan de vier belangrijkste kaders waarbinnen deze ontwikkeling plaats gaat vinden.

Het landschap in BIC Noord wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van afwisseling tussen open en besloten landschappen. Rondom de uitgeefbare gronden is sprake van groene gebieden, ecologische verbindingen en NNB gebieden de grotendeels onaangetast zullen blijven. In Hoofdstuk 7 paragraaf 7.12 wordt beschreven welke invloed op deze gebieden zal ontstaan en welke compensatie hierbij aan de orde is.

Wat water betreft wordt het gebied doorsneden door de Ekkersrijt, die uitmondt op het ten westen gelegen Beatrixkanaal. De Ekkersrijt vormt onderdeel van de EHS en heeft aan de oostzijde een zone van 20 meter breed die onbebouwd moet blijven. Als onderdeel van de ontwikkeling van BIC Noord zal ook aan de westzijde een dergelijke zone van 30 meter breed worden geborgd en gerealiseerd, waardoor versterking van de EHS plaatsvindt. Door aanpassingen aan de Ekkersrijt ten zuiden van de locatie ontstaat alternatieve waterbergingsruimte. De inrichting van de (bij de bedrijfsgebouwen behorende) buitenruimte van de ASML campus wordt afgestemd op de inrichting van de zone's aan beide zijden van de Ekkersrijt en geborgd in het DOSP landschapsplan ASML buitenruimte (bijlage 4 regels).

In hoofdstuk 7 paragraaf 7.13 wordt het aspect water beschreven in aanvulling op de beschrijving van de ecologische versterking van de Ekkersrijt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0012.png"

afbeelding: hoofdindeling landschap BIC afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0013.png"

afbeelding: water in BIC

Qua infrastructuur wordt de BIC Campus ontsloten aan de oostzijde door de nieuwe Dirk Noordhoflaan die aansluit op de Spottersweg en aan de westzijde direct op de Spottersweg, waarbij – door de inrichting van de wegenstructuur - aankomst en vertrek van ASML verkeer alleen van en naar westelijke richting mogelijk zal zijn. Doel daarvan is het verkeer zo snel als mogelijk naar het hoofdwegennetwerk te geleiden. De ontsluiting van het aan de oostzijde van de A2 gelegen bestaande bedrijventerrein GDC verloopt in de huidige - en in de nieuwe situatie deels tevens via de Dirk Noordhoflaan.

Veiligheidszones bevinden zich onder de aanvlieg- en opstijgroutes van Airport Eindhoven ter bescherming van het publiek. Deze zone's overlappen het BIC gebied en zijn onderverdeeld in contouren PR 10'5 en PR 10'6 die betrekking hebben op het aantal mensen wat zich ter plaatse mag verblijven. Elders in deze motivering worden de beperkingen voor BIC Noord als gevolg van deze zone's nader besproken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0014.png"

afbeelding: wegenstructuur BIC

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0015.png"

afbeelding: veiligheidszone's airport

3.2.2 Het ASML bedrijfsterrein, de aanvankelijke opzet : vier clusters

Uitgangspunt voor het ASML bedrijfsterrein op BIC Noord is reeds vernoemd in par. 2.2.3.

Het gebied voor de ontwikkeling van BIC is ongeveer 200 hectare groot. Het plan is om de Brainport Industries Campus zodanig te ontwikkelen dat er een verhouding ontstaat tussen 60% landschap en 40% uitgeefbare clusters. Dwars door het gebied loopt de Groene Corridor (Oirschotsedijk) die het nationaal landschap Het Groene Woud verbindt met de gebieden Strijp R, - T en - S en de binnenstad van Eindhoven.

Dit uitgangspunt leidde tot de vaststelling dat voor de locatie BIC Noord kon worden gekomen tot vier clusters uitgeefbare grond, omdat het gebied van oost naar west doorkruist wordt door de Dirk Noordhoflaan en van noord naar zuid doorkruist wordt door de Ekkersrijt.

De Ekkersrijt zal – zoals hiervoor reeds aangegeven - als onderdeel van de ontwikkeling aan de westzijde worden voorzien van een extra ecologische zone, waarbij de mogelijkheid ontstaat van enkele overbouwingen om de diverse onderdelen van het ASML bedrijfsterrein inpandig te kunnen verbinden, van enkele loopbruggen en halfverharde looppaden van beperkte omvang alsmede in het meest noordelijk deel een brug om een ontsluitingsweg rondom het ASML bedrijfsterrein mogelijk te maken.

De huidige Dirk Noordhoflaan is echter een wat meer uitdagende component in het gebied, omdat hierdoor geen inpandige verbindingen mogelijk zijn tussen de voorziene ASML cleanrooms in het westelijke gedeelte van de locatie ten noorden en ten zuiden van deze openbare weg. Om die reden is het noodzakelijk om tot een voldoende aansluitende ASML campus op BIC noord te kunnen komen de bestaande Dirk Noordhoflaan te verplaatsen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0016.png"

afbeelding: voorbeeld van oorspronkelijke planopzet BIC Noord

De noodzaak van de verplaatsing van de Dirk Noordhoflaan wordt nader uiteengezet in paragraaf 3.2.4. “de bouwvolumes” en in paragraaf 7.10 “verkeer en parkeren”, met als conclusie dat de bestaande Dirk Noordhoflaan verplaatst dient te worden naar de zuidkant van de ASML campus, als onderdeel van de opwaardering van de lokale wegenstructuur om zo de vestiging van maximaal 17.000 ASML werknemers mogelijk te maken met een “reservering” van 3.000 mensen in het resterende BIC-mix gebied.

Het thans aan de orde zijnde TAM-omgevingsplan ziet enkel op de ASML campus (en de bijbehorende verkeersmaatregelen binnen de gemeente Eindhoven) en aldus op maximaal 17.000 werknemers aldaar, maar in de onderbouwing hiervan wordt wel rekening gehouden met een toekomstige invulling van het BIC-mix gebied met voornoemde 3.000 arbeidsplaatsen (nader op hoofdlijnen te duiden in paragraaf 3.2.8 “de invulling van BIC-mix en de verbinding tussen de gebiedsdelen”).

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0017.png"

afbeelding: schematische weergave verplaatsing Dirk Noordhoflaan

3.2.3 nieuwe opzet: twee clusters

De verplaatsing van de Dirk Noordhoflaan leidt ertoe, dat twee aaneengesloten gebieden ontstaan, die als uitgeefbare gronden beschikbaar komen voor de ontwikkeling van de ASML campus, ten oosten en ten westen van de Ekkersrijt.

Beide gebieden zullen worden voorzien van een specifiek op ASML toegesneden bestemming “bedrijf”, een maximale hoeveelheid bebouwing in m2 BVO, een maximaal aantal parkeerplaatsen (gebaseerd op de in dit TAM-omgevingsplan met inachtneming van de gewenste modal split opgenomen parkeernormen) en zijn aldus binnen deze kaders bruikbaar voor de vestiging van de specifieke ASML bedrijvigheid op de locatie.

Op onderstaande afbeelding zijn beide “uitgeefbare gronden” weergegeven, die voor maximaal 80% mogen worden bebouwd en verhard. Beide gebieden zullen hiertoe worden voorzien van een bouwvlak, waardoor de randen van beide gebieden geen bebouwing zullen krijgen (en hiermee ook afstand tot omliggende “natuur” wordt geborgd).

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0018.png"

afbeelding: indicatieve weergave BIC Noord in twee uitgeefbare gebieden

3.2.4 de bouwvolumes

De invulling van BIC Noord als ASML bedrijfsterrein kent een aantal hoofdbestanddelen:

  • 1. de bedrijfskantoren
  • 2. de cleanrooms (al dan niet met bedrijfskantoren)
  • 3. het logistieke gebouw (samenhangend met 2.)
  • 4. de gebouwde parkeervoorzieningen (samenhangend met 1. en 2.)
  • 5. de verbindingen over de Ekkersrijt
  • 6. de touchpoints


waarbij verder van belang zijn:

  • de gefaseerde ontwikkeling van de locatie
  • de invulling van onbebouwd gebied binnen de bedrijfsbestemming
  • de invulling van groene / ecologische gebieden buiten de bedrijfsbestemming
  • de verbinding met gebied BIC-mix en BIC zuid


De hoofdopzet

De invulling van BIC Noord kent - zoals hiervoor uiteengezet - twee delen : ten oosten en ten westen van de Ekkersrijt. Het oostelijke terreindeel (tussen Ekkersrijt en de A2) zal worden bebouwd met (voornamelijk) ASML bedrijfskantoren en een gebouwde parkeervoorziening. In het westelijk deel zijn ASML cleanrooms annex eventueel bedrijfskantoren, de logistieke ruimten en een gebouwde parkeervoorziening voorzien. Onderstaande afbeelding geeft een indicatie van een mogelijke invulling van het gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0019.png"
afbeelding: impressie mogelijke invulling ASML campus BIC Noord

De beeldkwaliteit van de gebouwen

In het gebied BIC Noord wordt ASML de mogelijkheid geboden om te komen tot een (gefaseerde) ontwikkeling van haar bedrijfsvoering in de Brainportregio. Deze ontwikkeling zal worden beïnvloed door de keuzes die binnen ASML worden gemaakt ten aanzien van de concrete bedrijvigheid die in Veldhoven zal blijven, de bedrijvigheid die in Eindhoven vorm en inhoud wordt gegeven en de bedrijvigheid elders in de wereld.

Deze keuzes hebben invloed op de fasering van de ontwikkeling, op de concrete snelheid hiervan alsmede op de exacte omvang en vormgeving van de te realiseren gebouwen. Dit laatste wordt tevens beïnvloed voor wat betreft de ASML cleanrooms door de omvang van de (toekomstige) machines die aldaar zullen worden gebouwd. Middels dit TAM-omgevingsplan wordt aldus de basis gelegd voor een nader te concretiseren gebruik van de locatie als ASML bedrijfsterrein als onderdeel van de totale bedrijvigheid van ASML als wereldmarktleider in haar werkterrein.

Hierdoor is op voorhand geen concreet programma noch een tijdspad vast te leggen ten aanzien van de bebouwing die op deze locatie wordt voorzien, te meer omdat met het verstrijken van de tijd eisen ten aanzien van (een deel van) deze bebouwing kunnen wijzigen indien de hierbij relevante aspecten van de ASML machines zich zouden wijzigen.

Om toch invulling te kunnen geven aan het ambitieniveau voor dit gebied aansluitend aan de BIC campus en om op voorhand genoegzaam comfort te geven ten aanzien van de uiteindelijke invulling van de locatie zijn er een aantal beeldkwaliteits-/referentie criteria opgesteld voor de diverse gebouwen:

  • criteria / referenties (bedrijfs)kantoren
  • criteria / referenties cleanroomomgeving (al dan niet met bedrijfskantoren)
  • criteria / referenties logistieke bebouwing
  • criteria / referenties gebouwde parkeervoorzieningen


die als DOSP beeldkwaliteitsplan (BKP) als Bijlage 1 bij de regels zijn opgenomen tezamen met een verwijzing in de regels, zodat toetsing hieraan kan plaatsvinden bij omgevingsvergunningaanvraag c.q. - verlening.

Hiermee wordt aan ASML een "vrijheid in gebondenheid" geboden, waarmee op voorhand voldoende concreet het niveau van de bebouwing wordt geborgd, zonder dat ASML op voorhand "gebouwkeuzes" moet maken die nu nog niet te maken zijn.

Op hoofdlijnen is ten aanzien van de bebouwing wel het volgende op te merken:


de (bedrijfs)kantoren

ASML bedrijfskantoren zijn min of meer vergelijkbaar met een reguliere high-tech bedrijfskantorenomgeving. Wel is het zo dat ASML wenst te werken met een open kantooromgeving waar de verschillende technische disciplines elkaar eenvoudig "weten te vinden", waardoor hoogbouw wordt beperkt tot enkele verdiepingen (en op BIC geen torens worden nagestreefd zoals het bekende grijze ASML hoofdkantoor in Veldhoven).

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0020.png"
afbeelding: impressie bedrijfsgebouwen ASML

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0021.jpg"

afbeelding: impressie bedrijfsgebouwen ASML

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0022.png"

afbeelding: impressie bedrijfsgebouwen ASML

de cleanrooms

De “cleanrooms” van ASML vormen een zeer hoogwaardige volstrekt stof- en trillingsvrije omgeving, waarin de uiterst gevoelige “chip-machines” van ASML ontwikkeld en vervaardigd kunnen worden. Doordat deze machines steeds groter werden om de toenemende mate van verkleining en verfijning van chip-productie op voldoende snelheid mogelijk te maken was het de afgelopen periode zo dat de ASML bedrijfsgebouwen steeds omvangrijker werden.

Kenmerkend voor deze cleanrooms is dat hierbij sprake is van relatief beperkte hoeveelheden werknemers die hierin werkzaam zijn aan de ontwikkeling en fabricage van de ASML machines.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0023.png"

afbeelding: impressie cleanroomgebouw ASML

De cleanrooms van ASML worden (vanuit de huidige stand van de ASML techniek bezien) om diverse (technische) redenen ontworpen zoals ze reeds geruime tijd in Veldhoven aanwezig zijn. Dit leidt tot een concrete hoogtevraag die afhankelijk is van de omvang van de (huidige en toekomstige) ASML-machines.

De huidige ASML cleanrooms bestaan uit:

  • "de cabin" (de ruimte waar de machine wordt gemaakt) en
  • de directe omgeving hiervan, bestaande uit:
    • 1. de "subfab" (de ruimte waarin de hulpapparatuur staat die nodig is om een ASML-machine te laten functioneren);
    • 2. het luchtplenum (de ruimte met de ventilatiekanalen, de doorvoer van elektrische kabels en andere buizen en leidingen om cabin en subfab voldoende "clean" te krijgen (door aan- en afvoer van lucht) en van stroom en vloeistoffen en gassen te voorzien);
    • 3. de techniekruimte (de ruimte met hierin de gebouwgebonden installaties en de gebouwconstructie voor de benodigde stabiliteit van de gebouwen, dit vanwege o.a. de kranen van 20.000 - 40.000 kg hefkracht).

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0024.png" afbeelding : schematische doorsnede ASML cleanroom

Voor de meest recente bestaande ASML-gebouwen leidt dit tot een bouwhoogte van circa 20 meter. Aannemelijk is (dit blijkt uit een vergelijking met het verleden) dat ASML-machines in de toekomst groter zullen worden, waardoor de gebouwen waarin deze zullen worden gemaakt ook hoger moeten worden. Het is hiervoor dat – met inachtneming van de te respecteren bouwhoogten vanwege de nabijheid van Eindhoven Airport – voor de locatie BIC Noord is gekozen voor een basishoogte van deels 30 meter en deels 40 meter, rekening houdende met de belangen van het vliegverkeer op Eindhoven Airport.

Verder is denkbaar dat technische vraagstukken en keuzes rondom de ASML machines aanleiding geven tot een andere gebouwindeling, waarbij bepaalde randvoorzieningen op een alternatieve wijze worden vormgegeven, zodat hiermee op een alternatieve wijze rekening moet worden gehouden bij de vormgeving van de gebouwen. Aldus wordt uitgegaan van een bebouwingsmogelijkheid die allerlei (technisch ingegeven) keuzes achteraf mogelijk maakt binnen concrete kaders : bouwvlak, bebouwingspercentage en bouwhoogte.

Belangrijk voor de ontwikkeling van BIC Noord is wel dat de cleanroomomgeving inpandig verbonden moet zijn ook met het logistiek centrum waarin de aanvoer van onderdelen en modules en de afvoer van machines zal gaan plaatsvinden. Dit betreft de zogenaamde “aorta”.

Onderstaande afbeelding geeft een weergave van de huidige ASML-campus in Veldhoven. Alle “fabrieken” binnen het ASML-terrein kennen een op de millimeter nauwkeurig begane grondpeil ten opzichte van elkaar en ten opzichte van het logistiek centrum (het oranje gebouw aan de westzijde).

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0025.jpg"

afbeelding: bestaande ASML-campus te Veldhoven medio 2023

Hierdoor is transport van de zeer gevoelige ASML-machines mogelijk vanuit de cleanrooms naar het logistiek centrum (c.q. de vrachtwagens die voor het vervoer naar de klanten zorgen) via voormelde “aorta”. De huidige ASML-machine is een constructie van in totaal circa 100.000 kg, die op te delen is in meerdere modules met een gewicht van 20.000 – 40.000 kg. Deze modules worden vanuit de cleanroom verplaatst richting de speciale containers voor de plaatsing in vrachtwagens en uiteindelijk vliegtuigen richting de klant.

Vanwege de uitermate grote verfijning van de techniek, is sprake van een zeer hoge gevoeligheid van de machines en dus ook van de modules. Tijdens het vervoer van cleanroom naar container zijn de modules aangesloten op hun “life-support-systeem” om alles schoon en bedrijfsgereed te houden. Ook in de containers en in de vrachtwagens en vliegtuigen is een zeer grote mate van voorzichtigheid aan de orde om de machine in goede staat bij de klant te krijgen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0026.jpg"

afbeelding: ASML-machine

Vanwege gevoeligheid en gewicht is het niet mogelijk om de route van cleanroom naar vrachtwagen te laten verlopen via een hellingshoek of om hierbij te werken met liftconstructies en wordt binnen ASML dus gewerkt met voormelde aorta, waarmee alle relevante ruimten in de hyper schone omgeving met elkaar verbonden zijn. Totdat de module uiteindelijk “veilig” in container en vrachtwagen is geborgd kan iedere trilling fataal zijn.

Dit alles verklaart waarom binnen ASML gewerkt wordt met één peil voor alle fabrieken op de campus. Aldus is het niet mogelijk om in het westelijk deel van BIC Noord te komen tot een cleanroomomgeving die wordt doorsneden door de Dirk Noordhoflaan.

het logistieke gebouw

Het te realiseren logistiek gebouw in het westelijk deel van de locatie BIC Noord kan qua functioneren het beste worden uitgelegd door een vergelijking met het bestaande logistieke gebouw 5L op de Run 7000 in Veldhoven.

Onderstaand een afbeelding van de begane grond van dit gebouw qua functies:

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0027.png"


afbeelding: functie indeling logistiek gebouw ASML Veldhoven

en qua goederenstromen:

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0028.png"

afbeelding: goederenstromen logistiek gebouw ASML Veldhoven


Op de verdieping is deels sprake van vloerdelen in gebruik voor opslag, deels als techniekruimte en overigens van vrije bouwhoogte van opslagruimten op de begane grond:

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0029.png"

afbeelding: eerste verdieping logistiek gebouw ASML Veldhoven

Qua opslag is sprake van:

  • opslag van onderdelen benodigd voor de vervaardiging van de ASML machines,
  • opslag van gereedschappen en aanverwant benodigd voor de vervaardiging van de machines,
  • opslag van ASML machines voorafgaand aan transport.

Het zijn ook deze functies die op BIC Noord - in een nader uit te werken vormgeving - onderdeel gaan vormen van de in het westelijke deel te realiseren logistieke omgeving.

de gebouwde parkeervoorzieningen

De gebouwde parkeervoorzieningen zijn te vergelijken met de gebouwde parkeervoorzieningen op het ASML terrein in Veldhoven en worden nader besproken in paragraaf 7.10. “verkeer en parkeren”.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0030.png"

afbeelding: parkeervoorzieningen “oud” (rechts) en “nieuw” in Veldhoven

de verbindingen over de Ekkersrijt : overbouwingen en verbindingen op maaiveld

Kenmerkend voor de invulling van het gebied zijn niet alleen de inpandige verbindingen tussen logistiek centrum en cleanroomomgeving onderling (de aorta), maar zijn ook de inpandige verbindingen tussen westelijk en oostelijk deel van de locatie.

Deze inpandige verbindingen doorkruisen aldus (de zone van) de Ekkersrijt en kunnen enkel worden gerealiseerd op verdiepingshoogte, waardoor ruimte ontstaat op de begane grond om de landschapskwaliteit te maximaliseren. De groene verbinding wordt hiermee niet onaanvaardbaar verstoord. Deze verbindingen kennen geen verblijfruimten, zijn aldus redelijk beperkt van omvang (breedte / hoogte) en bevinden zich op 1e of 2e verdieping. Hiertoe zullen in de regels een minimale en een maximale bouwhoogte worden opgenomen alsmede de bepaling dat maximaal vier van dergelijke verbindingen mogelijk zijn. Ondersteunende voorzieningen (pijlers) zijn mogelijk in de ecologische zone links en rechts van de Ekkersrijt om hiermee de realisatie technisch mogelijk te maken.

Tenslotte kunnen deze verbindingen tevens omvatten een leidingen tracé voorzover dit voor het functioneren van de diverse ASML gebouwen noodzakelijk is.

Op onderstaande afbeeldingen is een indicatie gegeven van de vormgeving hiervan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0031.png"

afbeelding: impressie vormgeving inpandige verbindingen

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0032.png" afbeelding: impressie inpandige verbindingen over EVZ Ekkersrijt


Naast de overbouwingen zal op vier manieren sprake zijn van een doorkruising van de Ekkersrijt. Dit betreft:

  • 1. de nieuwe Dirk Noordhoflaan (als doorgaand verkeersroute)
  • 2. de bestaande Dirk Noordhoflaan (als langzaam verkeersroute ASML terrein)
  • 3. de noordelijke brugverbinding (als onderdeel van rondweg)
  • 4. maximaal drie halfverharde looproutes incl. brugverbindingen op maaiveld

de touchpoints

Een onderdeel van de ASML campus kan worden gevormd door de zogenaamde touchpoints, in de regels gedefinieerd als “een gebouw, gedeelte van gebouw of onbebouwde ruimte waar uitwisseling van kennis en/of ideeën kan plaatsvinden tussen werknemers van op de locatie gevestigde bedrijf of bedrijven en derden e.e.a. in de vorm van voor gezamenlijk gebruik geschikte ruimten en/of diensten dan wel waar aan derden inzicht kan worden gegeven in openbare bedrijfsprocessen die op de locatie plaatsvinden.”

De gemeente Eindhoven en ASML erkennen het belang van touchpoints in BIC om de interactie tussen de verschillende gebruikers en bezoekers van BIC te stimuleren, waarbij in aanvulling op zomogelijk in BIC 1 en BIC 2 te realiseren touchpoints ASML welwillend staat tegenover de realisatie van een of meerdere touchpoints binnen de ASML campus. De locatiekeuze kan worden afgestemd op de toekomstige locatie van een HOV halte in of nabij de ASML campus dan wel op het ter plaatse te realiseren campuspad.

Het recht over en het eigendom van de touchpoints ligt bij ASML. ASML zal de realisatie van de touchpoints laten meegroeien met de ontwikkeling van de ASML campus en uitgangspunt hierbij is een omvang van 5% van het totaal aantal gerealiseerde m2 BVO ASML bedrijfsruimte (inclusief touchpoints in de buitenruimte / aan het campuspad / binnen de beveiligde ASML schil), wat vergelijkbaar is met eerdere BIC ontwikkelingen.

Touchpoints kunnen omvatten:

  • shared services: ontvangst met horeca, ondersteunende diensten en presentatiemogelijkheden zoals exposities en experiences, en/of
  • shared facilities: vergaderruimtes en gedeelde projectruimtes om professionele ontmoetingen te faciliteren, en/of
  • bedrijfspresentatieruimte(n).


De touchpoints fungeren aldus als herkenbare ontmoetingsplekken, waar door de juiste combinatie van functies en activiteiten een dynamische omgeving ontstaat aantrekkelijk voor werknemers, professionals en publiek. Door activiteiten te combineren ontstaat draagvlak voor ondersteunende voorzieningen zoals horeca en vergadermogelijkheden, waardoor een touchpoint nog aantrekkelijker wordt.

Touchpoints kennen een verschillende omvang. Idee is om binnen de ASML campus te komen tot een wat groter touchpoint gelegen op het kruispunt van het campuspad met het centrale plein in het hart van de ASML campus, ter hoogte van de brug over de Ekkersrijt in de vorm van een openbare ontmoetingsplek, zomogelijk voorzien van een gebouw met 'eat en meet' faciliteiten.

Tevens is denkbaar een touchpoint vergelijkbaar met het in Veldhoven aanwezige "experience-centre" van ASML, dat nu ongeveer 40.000 bezoekers per jaar heeft al dan niet voorzien van een mobiliteitshub met gedeelde horeca- en vergadervoorzieningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0033.png"
afbeelding: ASML experience centre

Tenslotte kan worden gekomen tot wat kleinere touchpoints binnen de gebouwen toegankelijk voor genodigden. Hierin kunnen conferenties worden gehouden, schoolprogramma's worden georganiseerd en samengewerkt met de toeleveranciersketen.

3.2.5 de fasering

Vanwege de omvang van deze ontwikkeling is een gefaseerde invulling van de locatie uitgangspunt voor ASML. Belangrijk voor de ontwikkeling is het realiseren van de kaders waarbinnen de verdere invulling van de locatie (telkens in delen) verder vorm kan krijgen.

Onderdeel van deze fasering is de verplaatsing van de Dirk Noordhoflaan (tot ingebruikname waarvan uiteraard de bestaande wegenstructuur beschikbaar blijft) alsmede met inrichting van de Ekkersrijtzone inclusief campuspad.

Op de uitgeefbare gronden zal - na uitgifte hiervan in erfpacht door de gemeente Eindhoven aan ASML - naar verwachting worden gestart met bebouwing op thans in eigendom van de gemeente Eindhoven zijnde gronden ten zuiden van de bestaande Dirk Noordhoflaan, waarbij cleanrooms / logistiek alsmede bedrijfskantoren / parkeren de eerste invulling van de locatie zal vormen.

Parkeren op een verhard maaiveld in omvang afgestemd op de in fasen te realiseren bedrijfsbebouwing is mogelijk doch maximaal voor 5 jaar en qua aantal parkeerplaatsen maximaal 50% van de toegestane hoeveelheid in respectievelijk het oostelijk- en westelijk deel. Hierdoor kan er door ASML voor worden gekozen om gebouwde parkeervoorzieningen (deels) later te bouwen qua omvang aangepast aan het op enig moment al dan niet aanwezig zijn van een HOV - / Brainportlijnverbinding met halte in dan wel direct aansluitend aan de locatie en feitelijk voldoende vervoerscapaciteit.

Vervolgens kan het ASML bedrijfsterrein (gefaseerd) worden uitgebreid, waarbij verbindingen over de Ekkersrijt in de vorm van maximaal vier loopbruggen en drie bruggen en halfverharde paden op maaiveld de twee delen van de campus verbinden.

Onderdeel van deze verdere invulling van de locatie is de realisatie van de benodigde aanpassingen aan de wegenstructuur, waarvan de tijdige uitvoering in de regels van dit TAM omgevingsplan is beschreven en geborgd.

Bij verlening van een omgevingsvergunning zal tevens worden vastgelegd welk bijbehorend buitenterrein (behorend bij de vergunde bedrijfsruimte) een definitieve invulling zal krijgen conform DOSP landschapsplan ASML buitenruimte (Bijlage 3 bij de regels) om hiermee enerzijds de gefaseerde invulling van het gebied mogelijk te maken en anderzijds de gebouwen wel direct in hun uiteindelijke groene setting te positioneren.

Gebiedsdelen die niet direct voor invulling in aanmerking komen zullen worden voorzien van een sober doch doelmatige groeninrichting om hiermee een langdurig beeld van een fors bouwterrein (met name vanaf de A2) te voorkomen. Deze gebiedsdelen komen mogelijk ook beschikbaar voor tijdelijk alternatief gebruik, e.e.a. in overleg met de gemeente Eindhoven nader vorm te geven.

3.2.6 de landschappelijke inpassing binnen de bedrijfsbestemming

Naast de (vormgeving van de) gebouwen is voor de invulling van het gebied BIC Noord ook van belang de kwaliteit van de onbebouwde ruimte op de locatie.

Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen de invulling van de onbebouwde ruimte binnen de gronden met de bestemming “Bedrijf” (onderwerp van deze paragraaf 3.2.6.) en de groeninvulling van de omliggende gronden van de locatie met de bestemming “Natuur-1” (onderwerp van paragraaf 3.2.7.).

Binnen de voor “Bedrijf” bestemde gronden zal sprake zijn van zowel bebouwing alsook onbebouwde gronden. Deze laatste gronden kennen voor een deel verharding zoals gebruikelijk op een bedrijfsterrein en deels een groene invulling.

Ook voor dit onderdeel kan voorafgaand aan vaststelling van het TAM-omgevingsplan op detailniveau geen concrete duidelijkheid worden gegeven, omdat de (invulling van de) buitenruimte uiteraard samenhangt met de locatiekeuze, omvang en aard van de te realiseren bedrijfsbebouwing.

Om invulling te kunnen geven aan het ambitieniveau voor deze onbebouwde bedrijfsgronden zijn een aantal beeldkwaliteits-/referentie criteria opgesteld in het DOSP landschapsplan ASML buitenruimte, dat als bijlage 4 bij de regels is opgenomen tezamen met een verwijzing in de regels, zodat toetsing hiervan kan plaatsvinden bij omgevingsvergunningverlening.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0034.jpg"


afbeelding: impressie buitenruimte ASML campus

De buitenruimtes zijn ontworpen voor diverse activiteiten en bevorderen biodiversiteit, waardoor ze bijdragen aan de levenskwaliteit van ASML werknemers en bezoekers. Er wordt een onderscheid tussen openbaar en ASML gerelateerde buitenruimtes vanwege veiligheid. BIC is opgezet met het oog op inclusiviteit, waarbij fiets- en wandelpaden de verbondenheid met de omgeving onderstrepen en een actieve levenswijze ondersteunen. Buiten de beveiligingszone van ASML is het gebied daar waar mogelijk open voor publiek.

De architectuur nodigt uit tot interactie en communicatie tussen medewerkers. Daar waar mogelijk zullen de toekomstige bouwvolumes zich richten naar de Ekkersrijt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0035.png"

afbeelding: impressie buitenruimte / Ekkersrijt

Afhankelijk van de wensen c.q. eisen van ASML kunnen gebouwen of gebouwclusters worden voorzien van een beveiligingsschil, die zowel op gebouwniveau dan wel in de open ruimte kan worden vormgegeven. Hierbij geldt een voorkeursvolgorde, waarbij eerst wordt gekeken naar beveiliging op gebouwniveau, vervolgens indien gewenst tussen gebouwen onderling waardoor een beveiligde tussenruimte ontstaat. Alleen indien vanwege naar de mening van ASML bestaande veiligheidsredenen een aanvullende beveiligingsschil noodzakelijk is zal rondom de ASML campus worden gekomen tot nader vorm te geven hekwerken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0036.png"

afbeelding: schematische weergave fysieke beveiliging ASML campus

De beveiligde schil is functioneel, maar vormt geen dissonant in het landschap. Het hekwerk wordt als een herkenbaar element ontworpen voor de verschillende delen van de campus en wordt zoveel mogelijk geïntegreerd met het landschap en de architectuur.

3.2.7 de landschappelijke inpassing buiten de bedrijfsbestemming

Naast de kwaliteit van de onbebouwde ruimte binnen de voor “bedrijf” bestemde gronden is van belang de landschappelijke inpassing van de ontwikkeling van BIC Noord op de omliggende gronden.

Hierbij is niet alleen aan de orde de (mate van) compensatie voor de ontwikkeling van de locatie, maar ook voor de hiermee samenhangende wijzigingen aan de lokale wegenstructuur.

De beleidsmatige kaders van de landschappelijke inpassing als hier bedoeld worden elders in deze motivering beschreven. Deze paragraaf 3.2.7. bevat een beschrijving op hoofdlijnen van wat er feitelijk op de locatie zal worden uitgevoerd buiten de voor “bedrijf” bestemde gronden. Hierbij is een onderscheid te maken tussen de opwaardering van:

  • de ontwikkeling van de Ekkersrijt
  • compensatie in het noordelijke gebiedsdeel van de locatie
  • de financiële (LIR) bijdrage aan gemeente

De ontwikkeling van de Ekkersrijt

Deels wordt de bestaande bestemming van de Ekkersrijt als “Natuur -1” gehandhaafd conform het Omgevingsplan gemeente Eindhoven c.q. bestemmingsplan “Buitengebied Eindhoven 2023”. Dit betreft de beek de Ekkersrijt en de oostelijk hiervan gelegen zone met een breedte van 20 meter en een hierop aansluitend campuspad. Om tot een kenbare regeling te komen is het wel nodig om deze bestemming en aanduiding in dit TAM-omgevingsplan over te nemen en aldus opnieuw vast te leggen in de vorm zoals thans aan de orde in combinatie met de uitbreiding van 30 meter breed aan de westzijde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0037.png"

afbeelding: impressie (oostelijke zone) Ekkersrijt medio 2024

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0038.png"

afbeelding: bestemming Ekkersrijt c.a. in BP BIC cluster 1

In dit TAM-omgevingsplan wordt tevens de ten westen van de Ekkersrijt liggende strook grond met een breedte van 30 meter onderdeel van deze natuurbestemming, met als doel om aan beide zijden van de Ekkersrijt een forse ecologische structuur tot stand te kunnen brengen.

De vormgeving hiervan wordt door de gemeente Eindhoven verzorgd aan de hand van de kaders zoals opgenomen in de hier als Bijlage 10 opgenomen onderzoek van Antea Group “Natuurtoets gebiedsbescherming in BIC Noord, beschermde gebieden NNB” d.d. 3 februari 2026. Aldus zullen deze gronden met een vigerende “agrarische” bestemming worden voorzien van de gebiedsaanduiding “natuur-1” en aldus kunnen worden ingezet in het kader van compensatiemaatregelen, e.e.a. zoals beschreven in voormeld onderzoek van Antea Group.

Ter borging van de uitvoering van de hierin beschreven maatregelen is dit onderzoek eveneens aangehecht als Bijlage 4 bij de regels, waardoor verwijzing in een in de regels opgenomen voorwaardelijke verplichting mogelijk is :

Artikel 7.3 Specifieke regels over gebruik

a. Het is verboden de gebouwen of gronden voor bedrijf in gebruik te nemen of te laten nemen als binnen 3 jaar na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan de natuurcompensatie zoals beschreven in Bijlage 4 bij deze regels niet is gerealiseerd en nadien in stand wordt gehouden.

Compensatie in het noordelijke gebiedsdeel van de locatie

In het noordelijke deel van de locatie van dit TAM-omgevingsplan is gelegen een gebied dat voor versterking in aanmerking komt, c.q. waar compensatiemaatregelen kunnen worden genomen. Dit betreft het driehoekig gebied in het noordelijk deel van de locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0039.png"

afbeelding: noordelijk deel locatie in bestemmingsplan Buitengebied Eindhoven 2023

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0040.png"

afbeelding: noordelijk deel locatie in TAM omgevingsplan

Een financiële (LIR) bijdrage aan gemeente

Omdat op de locatie niet voldoende ruimte kan worden gevonden voor alle (beleidsmatig noodzakelijke) groencompensatie (LIR) zal sluitstuk van de groeninvulling een (financiële) bijdrage zijn aan fondsvorming ten behoeve van nader vorm te geven groenontwikkelingen in overeenstemming met gemeente Eindhoven en/of Provincie Noord Brabant.

In de regels van dit TAM-omgevingsplan zijn hierover afspraken vastgelegd. Uitgangspunt is dat moet worden geborgd dat sprake is van voldoende landschappelijke kwaliteitsverbetering (zoals opgenomen in de Ovr Noord Brabant) bij ingebruikname van gronden en gebouwen.

Met de Provincie is besproken dat een voldoende hoogwaardige invulling van de bij ASML gebouwen behorende buitenterrein (op basis van de hiertoe in de regels opgenomen voorwaardelijke verplichting met bijbehorende bijlage “DOSP landschapsplan ASML buitenruimte”) kan worden gezien als landschappelijke kwaliteitsverbetering als hier bedoeld.

Omdat sprake is van een gefaseerde gronduitgifte en gefaseerde ontwikkeling van de locatie kan niet op voorhand worden vastgesteld op welke wijze de invulling van het bijbehorend buitenterrein op de locatie zal plaatsvinden. Om toch op voorhand tot voldoende borging van dit aspect te komen wordt gewerkt met financiële fondsvorming, waarbij het normatieve LIR bedrag gerelateerd aan de omvang van de gronduitgifte in een specifiek gemeentelijke fonds wordt voldaan. Vervolgens kunnen vanuit dit fonds uitkeringen worden gedaan aan ASML indien en voorzover sprake is van een voldoende kwalitatieve invulling van in gebruik genomen delen van de locatie. Dit is aldus in de regels van dit TAM-omgevingsplan opgenomen :

Artikel 7.2 Specifieke regels over gebruik

  • 5. Het is per aanvraag omgevingsvergunning verboden de gebouwen en/of gronden die deel uitmaken van de aanvraag omgevingsvergunning voor bedrijf in gebruik te (laten) nemen als de landschappelijke kwaliteitsverbetering als bedoeld in artikel 5.11 Ovr Noord Brabant niet (gefaseerd) is gerealiseerd binnen twee jaar na onherroepelijk worden van de verleende omgevingsvergunning en nadien duurzaam in stand wordt gehouden dan wel een met deze landschappelijke kwaliteitsverbetering overeenkomend bedrag is gestort in een hiertoe per moment van vaststelling van dit TAM omgevingsplan opgericht gemeentelijk fonds.

  • 6. Uit het gemeentelijke fonds kunnen bijdragen (terug) worden ontvangen indien invulling van het ASML buitenterrein zoals beschreven in bijlage 4 opgenomen “DOSP landschapsplan ASML buitenruimte”, voldoet aan de eisen en uitgangspunten voor de landschappelijke kwaliteitsverbetering als bedoeld in artikel 5.11 Ovr Noord Brabant, waarbij de hoogte van de bijdrage vervolgens afhankelijk is van de omvang en kwaliteit van de landschappelijke kwaliteitsverbeteringen van het buitenterrein.

Mocht het fonds uiteindelijk een overschot bevatten kunnen deze gelden elders worden ingezet voor groenontwikkeling conform toepasselijk beleid.

3.2.8 de invulling van BIC-mix en de verbinding tussen de gebiedsdelen

De invulling van de BIC-Mix gronden is momenteel nog niet bekend, waarbij echter wel in (de onderzoeken behorende bij) dit TAM-omgevingsplan voor BIC Noord rekening is gehouden met de invulling van BIC-mix (welke dan ook) met maximaal 3.000 arbeidsplaatsen.

In het BIC gebied is een speciale rol weggelegd voor het campuspad, de verbindende route door de gehele BIC Campus. Dit is de hoofdroute voor voetgangers die zich tussen de gebiedsdelen verplaatsen en deze verbinding staat centraal in de ambitie voor samenwerking, innovatie en kruisbestuiving in het gebied. Het campuspad loopt van BIC I, via BIC II, naar BIC-mix en vervolgens over de ASML campus via de verbindingszone bij de Ekkersrijt. Onderstaande afbeelding geeft een idee van de ligging van het campuspad en de hierbij van belang zijnde hoofdontsluitingspunten van de deelbebouwing in het gebied. Voor BIC-mix is de ligging hiervan aan de noordwest zijde ingegeven door de locatie van de toekomstige bebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0041.png"

afbeelding : BIC-mix als onderdeel BIC afbeelding : campuspad BIC

Het BIC Mix-gebied, met een oppervlakte van 12,14 hectare is gedeeltelijk gesitueerd binnen de veiligheidszones van Eindhoven Airport, net als een deel van het BIC Noord-gebied. Binnen dit gebied zijn beperkingenzones geïdentificeerd op basis van vliegveiligheidscontouren.

De verdeling van het BIC-Mix gebied zou als volgt kunnen zijn:

  • Zone I (groen): 2,10 ha ligt buiten de 10-6 contour en kan maximaal 2.229 werknemers huisvesten (berekening: 3.000 - 771).
  • Zone II (bruin): 7,71 ha valt binnen de 10-6 contour met een capaciteit voor 771 werknemers.
  • Zone III (rood): 0,61 ha bevindt zich binnen de 10-5 contour en is niet bestemd voor werknemers, maar kan worden gebruikt voor groenvoorzieningen en infrastructuur.


afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0042.png"

afbeelding : hoofdindeling gebied BIC-mix

Rekening houdend met voormelde contouren is in het BIC-Mix gebied een gebouwvolume denkbaar voor 3.000 arbeidsplaatsen, zoals op onderstaande afbeelding indicatief weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0043.png"

afbeelding : voorbeeld van invulling gebied BIC-mix

Aard en omvang van deze bebouwing is thans nog niet te duiden en ook vanwege het aspect “ladderonderbouwing” is hierover niets inhoudelijks te melden. Bovendien moet de keuze voor de concrete invulling (ASML of BIC of BIC-mix) nog worden gemaakt, welke keuze eerst aan de orde is, indien een concrete ruimtebehoefte voor deze locatie kan worden vastgesteld.

Aldus wordt thans in abstracto uitgegaan van een invulling van BIC-mix met 3.000 arbeidsplaatsen, waarmee in de relevante onderzoeken behorende bij dit TAM-omgevingsplan rekening wordt gehouden (o.a. verkeer). Verdere vormgeving of invulling van dit gebied valt buiten de scope van dit TAM-omgevingsplan.

Deze paragraaf 3.2.7. is enkel onderdeel van de motivering om aan te geven dat op termijn een zinvolle invulling van BIC-mix en hierbij een verbinding tussen het ASML bedrijfsterrein / BIC-mix en het BIC 1 en BIC 2 terrein mogelijk is.

De concrete invulling van het BIC-mix gebied (zowel qua gebruik als bebouwing) zal op termijn worden vormgegeven tegen de achtergrond van de hiertoe tussen de gemeente Eindhoven en ASML gemaakt afspraken en afhankelijk van de behoefte van ASML dan wel van toekomstige BIC gebruikers.

3.3 De verkeersmaatregelen

3.3.1 De verkeersmaatregelen op hoofdlijnen

Indien een activiteit zorgt voor verkeer moet worden aangetoond wat het effect is van de activiteit op bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. De aanleg van de thans aan de orde zijnde aanvullende wegenstructuur genereert geen extra verkeer. Dit verkeer wordt gegenereerd door de ontwikkeling van het gebied BIC Noord.

In dit TAM-omgevingsplan BIC Noord - ASML en wegenstructuur is een maximaal aantal parkeerplaatsen opgenomen voor de ontwikkeling van ASML op BIC Noord op basis waarvan door Antea Group de toename van het aantal verkeersbewegingen is bepaald en is aangetoond, dat de bestaande wegenstructuur niet voldoet voor deze toename c.q. de voor de ASML campus.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0044.png"

afbeelding : verkeersmaatregelen BIC Noord (mint groene weergave)

Voor de onderbouwing van de verkeerseffecten van BIC Noord kan worden verwezen naar het document van Antea Group : “Achtergrondrapportage verkeer Gebiedsontwikkeling ASML, wegenstructuur BIC Noord” d.d. 2 februari 2026 (hier Bijlage 2) , waarna hier wordt verwezen.

In deze rapportage is als conclusie opgenomen :

In het kader van de voorgnomen gebiedsontwikkeling in BIC Noord zijn met het BBMA verkeersmodel en een dynamisch verkeersmodel in PTV Vissim diverse analyses gedaan om de verkeersdoorstroming en benodigde infrastructurele maatregelen inzichtelijk te maken en verschillende vragen gedurende het proces van totstandkoming van het plan te beantwoorden.

2030

Uit de berekeningen blijkt dat in 2030 een uitgebreid maatregelenpakket nodig is om in de ochtend- en avondspitsperiode tot een voldoende niveau van verkeersdoorstroming voor gemotoriseerd verkeer te komen. Delen van het huidige netwerk voldoen in de autonome situatie niet. De (geoptimaliseerde) ontwerpen die uit de verkeersberekeningen blijken, zijn in Bijlage 4 opgenomen. Bij verdere uitwerking hiervan richting de realisatiefase is hierbij nog optimalisatie mogelijk. Het verschuiven van de Dirk Noordhoflaan naar een nieuw tracé als gevolg van het voornemen, heeft daarbij geen negatief effect op de ontsluitingsfunctie daarvan voor bedrijventerrein GDC (ten oosten van A2/N2) door het niet toestaan van het gebruik van deze route door verkeer van/naar BIC Noord (vanuit/naar P-oost).

Uit een robuustheidsanalyse (2030) met nog hogere verkeersgeneratie dan in de beoogde plansituatie BIC Noord blijkt dat, na het treffen van de in Bijlage 4 beschreven maatregelen, de (aansluitingen van) het hoofdwegennet A58 en A2/N2 maatgevend zijn voor de verkeersafwikkeling in het gebied. Bij een hogere verkeersbelasting lopen deze aansluitingen vast, waardoor een hogere verkeersgeneratie als uitgangspunt voor BIC Noord (of als gevolg van een andere ontwikkeling in de directe omgeving daarvan) niet wenselijk is. Overigens lopen de rijkswegen in de autonome situatie in 2030 al vast zonder structurele maatregelen.

In Figuur 9-1 zijn de bevindingen van de drie onderzochte scenario's voor 030 schematisch weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0045.png"

2040 

Op veel locaties op de Spottersweg en Erica vindt in de plansituatie 2040 een vergelijkbare verkeersbelasting als in 2030 plaats. Er is vrijwel geen doorgaand verkeer op de Spottersweg aanwezig: uit selected link analyses blijkt dat dit hoogstens enkele honderden mvt/etmaal bedraagt. Dit alles leidt niet tot eventuele terugschaling van maatregelen zoals voorzien voor 2030.


Op de A. Fokkerweg ten westen van de N2 is een toename te zien. De (op dit moment bekende) toekomstige plannen voor de capaciteit van de toe- en afritten van de A58 (aansluiting Best) en N2 (aansluiting A. Fokkerweg) zijn onvoldoende om de toekomstige verkeersvraag te verwerken. Dit maakt eventuele verdere uitbreiding van het OWN niet doeltreffend, aangezien er geen goede uitwisseling kan plaatsvinden met de hoofdwegen. Ondanks verdere uitbreidingen van OWN zou het OWN alsnog vast staan in de spitsperioden door terugslag vanaf de toeritten.


Plausibiliteit gebruikte verkeersmodellen

De verkeersprognoses die zijn gebruikt voor onderzoeken naar de fasering van maatregelen én de in de eindsituatie benodigde maatregelen (BBMA v2022 mét correcties zoals in verkeersonderzoek BIC II al doorgevoerd) zijn plausibel en geven een realistischer beeld van toekomstprognoses dan BBMA v2024 in het studiegebied. In BBMA v2024 zit namelijk een aanzienlijke overschatting van verkeer van/naar de luchthaven.


Voor het onderzoek naar de verkeerssituatie in 2040 (BBMA v2024), is de standaard prognose van de verkeersgeneratie van de luchthaven gereduceerd met 25%. Op basis van de tellingen was een (nog) grotere reductie passend geweest. Een verder gereduceerde verkeersgeneratie had geleid tot een gunstiger beeld van noodzakelijke maatregelen in het jaar 2040, namelijk minder of zelfs geen aanvullingen op het VO.


Fasering maatregelen wegenstructuur

Uit de berekening van de autonome situatie blijkt dat een aantal maatregelen in de autonome situatie 2030 al getroffen moeten worden. Deze zijn in de eerste fase van de ASML ontwikkeling dus al nodig om ook het aanvullende verkeer van en naar het plan te faciliteren. De eerste fase kan in twee subfasen worden onderverdeeld door eerst de noordelijke maatregelen te realiseren (met tijdelijk verlichte rijrichting van/naar het noorden bij kruispunt Dirk Noordhoflaan-Spottersweg) en aansluitend de zuidelijke (waarna de tijdelijke maatregel opgeheven kan worden).


Vanaf circa 7.500 mvt/etmaal is het aan te raden de nieuwe Dirk Noordhoflaan met 2x2 profiel aan te leggen, omdat de huidige Dirk Noordhoflaan dan zijn capaciteit benadert. Op dat moment zijn ook de overige maatregelen in het netwerk nodig om de tweede fase van de ASML campus mogelijk te maken.


Het wijzigen van de verdeling van de capaciteit van de parkeergarages van de ASML campus (oost en west) heeft, tot een maximum van 3.000 parkeerplaatsen aan oostzijde, geen impact op de fasering.

Door Antea Group zijn aldus de locaties beschreven waar maatregelen getroffen dienen te worden ten opzichte van de huidige infrastructuur in geval van de komst van zowel ASML alsook BIC-Mix en aldus een toevoeging van 20.000 arbeidsplaatsen in BIC Noord, in welk geval alle beschreven maatregelen nodig zijn.

Naast de verplaatsing van de Dirk Noordhoflaan en de bouw van de parkeergarages moet er aldus in de nabijheid van de locatie (op grondgebied van gemeenten Eindhoven, Oirschot en Best) worden gekomen tot opwaardering van diverse onderdelen van de lokale verkeersstructuur.

Om deze verkeersmaatregelen te kunnen realiseren zijn - van noord naar zuid bezien - aan de orde:

  • 1. BOPA aanpassing wegenstructuur Best
    • a. aanpassing A58 de afrit 7 Best noordzijde (kruispunt Ringweg - A58)
    • b. aanpassing Ringweg (kruispunt Ringweg - Erica)
  • 2. BOPA aanpassing wegenstructuur Oirschot
    • a. verbreding tunnel Erica onder de A58
    • b. aanpassing Erica op grondgebied Oirschot
    • c. aanpassing A58 de afrit 7 Best zuidzijde
    • d. aanpassing kruispunt Erica / Spottersweg
    • e. verbreding van de Spottersweg naar 2x2, grondgebied Oirschot
  • 3. Opname in TAM omgevingsplan aanpassing wegenstructuur in Eindhoven
    • a. verbreding van de Spottersweg naar 2x2, grondgebied Eindhoven
    • b. verplaatsing van de Dirk Noordhoflaan
    • c. uitbreiding kruispunt Spottersweg - Luchthavenweg
    • d. vverbreding A Fokkerweg tussen Flight Forum en aansluiting N2
    • e. uitbreiding aansluiting N2 op A Fokkerweg (en verbreding viaduct A2/N2)
    • f. verbreding Spottersweg midden naar 2x2 (tussen verlegde DNH laan en Luchthavenweg
    • g. diverse kleine uitbreidingen opstelstroken kruispunten


afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0046.png"

afbeelding : gemeentegrenzen en verkeersmaatregelen BIC Noord

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0047.png"

afbeelding : weergave verkeersmaatregelen BIC Noord

De verkeersmaatregelen in Best en Oirschot worden vervat in een tweetal BOPA's. De maatregelen binnen de gemeente Eindhoven en zijn aldus onderdeel van dit TAM-omgevingsplan BIC Noord - ASML).

Reeds bij de eerste ingebruikname van bedrijfsgebouwen zijn diverse verkeersmaatregelen in Best en Oirschot aan de orde, zoals opgenomen in onderstaande afbeelding :

In de regels van dit TAM-omgevingsplan is een specifiek op de uitvoering van de verkeersmaatregelen toegesneden voorwaardelijke verplichting opgenomen:

Artikel 7.3 Specifieke regels over gebruik

d. Het is verboden het aantal m² bvo’s zoals weergegeven in onderstaande tabel voor bedrijf in gebruik te nemen of te laten nemen voorafgaand aan de realisatie van de verkeersmaatregelen bestaande uit de aanpassingen van het omliggende wegennet, zoals weergegeven in onderstaande tabel en nader omschreven in Bijlage 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0048.png" e. In afwijking van het in sub d bepaalde is het toegestaan een maximale hoeveelheid van 125.000 m² bvo’s in gebruik te nemen indien:

    • 1. de in de in bovenstaande tabel weergegeven en in Bijlage 2 nader omschreven benodigde maatregelen aan het omliggende wegennet als bedoeld onder 1.1 tot en met 1.3 zijn opgeleverd gereed voor gebruik, en;
    • 2. de in bovenstaande tabel weergegeven en in Bijlage 2 nader omschreven benodigde maatregelen aan het omliggende wegennet als bedoeld onder 1.4 en 1.5 in uitvoering zijn genomen, en;
    • 3. tot moment van oplevering en ingebruikname van de onder b. bedoelde maatregelen sprake is van afwikkeling van verkeer als weergegeven in Bijlage 2 

Aldus dienen in de eerste fase van de ontwikkeling van de locatie (bebouwing tot 247.000 m2) de in fase 1 aan de orde zijnde verkeersmaatregelen te worden genomen. De maatregelen 1.1 tot en met 1.5 dienen in de praktijk echter gefaseerd te worden uitgevoerd, omdat bij een gelijktijdige uitvoering van de maatregelen 1.1 tot en met 1.3 enerzijds en 1.4 en 1.5 anderzijds het gebied c.q. bestaande locaties in het gebied niet of onvoldoende bereikbaar zullen zijn.

Hierdoor is een opeenvolgende uitvoering van werkzaamheden in fase 1 aan de orde, die aldus door de gemeente Eindhoven in opdracht zal worden gegeven. De betreffende werkzaamheden worden wel ononderbroken aansluitend uitgevoerd.

Op het moment dat de werkzaamheden 1.1 tot en met 1.3. (de noordelijke ontsluiting van BIC Noord richting A58) zijn uitgevoerd en de uitvoering van de maatregelen 1.4 en 1.5 aan de orde zijn (de zuidelijke ontsluiting van BIC Noord richting Eindhoven) is voor een verkeersgeneratie overeenkomend met 125.000 m2 bebouwing in BIC Noord voldoende ruimte via de nieuwe wegenstructuur in noordelijke richting na de uitgevoerde werkzaamheden 1.1 tot en met 1.3.

Deze tijdelijke situatie gedurende de direct opvolgende uitvoering van de maatregelen 1.4 en 1.5. is - in combinatie met enkele maatregelen ter sturing van de verkeersstromen in de tijdelijke situatie - voldoende aanvaardbaar om in BIC Noord alsdan het gebruik van maximaal 125.000 m2 BVO bedrijfsgebouwen (met de bijbehorende verkeersgeneratie) toe te staan. Aldus is in de regels opgenomen en hiermee voldoende geborgd.

Gezien de samenhang tussen bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de gronden in het TAM-omgevingsplan BIC-Noord - ASML en de hiermee samenhangende verkeers-maatregelen in en buiten Eindhoven is gekozen voor de toepassing van de in de Ow opgenomen coördinatieregeling, waardoor alle besluitvorming van de diverse overheden op een gecoördineerde wijze gelijktijdig zal plaatsvinden (en hiertegen een samenhangende rechtsbescherming ontstaat), waardoor sprake is van ETFAL op dit onderdeel.

Tussen de gemeente Eindhoven en ASML zijn afspraken gemaakt over de (kostenverdeling van de) uitvoering van de optimalisatie van de bestaande wegenstructuur. Tevens zijn afspraken gemaakt met de Rijkswaterstaat en met de gemeenten Best en Oirschot, in wiens grondgebied deze wegen deels zijn gelegen.

3.3.2 De verkeersmaatregelen in Eindhoven op de locatie

De Dirk Noordhoflaan wordt verplaatst in zuidelijke richting en krijgt via een nieuwe brug over het Kanaal een nieuwe aansluiting op de Spottersweg met een 2x2 configuratie. Verkeerskundig leidt dit niet tot een grote wijziging van verkeersstromen omdat het een relatief beperkte verschuiving betreft van de bestaande verbinding tussen de ondertunneling van de A2 naar de Spottersweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0049.png"

afbeelding : schematische weergave bestaande en nieuwe Dirk Noordhoflaan

De locatie van de nieuwe Dirk Noordhoflaan vormt geen onoverkomelijke verkeerskundige belemmeringen en sluit goed aan bij het bestaande landschap.

De capaciteit van de nieuwe weg is groter dan de huidige capaciteit. De nieuwe weg zal bestaan uit twee dubbele rijstroken tot aan de toegang van de oostelijke parkeergarage plus een reservering voor een aparte HOV dubbele rijstrook, terwijl de huidige weg uit één dubbele rijstrook bestaat.

De nieuwe Dirk Noordhoflaan sluit aan de oostzijde aan op de bestaande weginfrastructuur richting GDC. De bestaande tunnel onder de A2/N2 blijft behouden. De oost-westelijke ontsluiting van BIC en GDC blijft aldus behouden. Verkeer van en naar GDC maakt even veel gebruik van de Dirk Noordhoflaan in de nieuwe ligging, als bij de huidige ligging.

Tijdens de realisatie van de nieuwe DNH laan blijft de bestaande wegenstructuur beschikbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0050.png"

afbeelding : impressie nieuwe Dirk Noordhoflaan westzijde

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0051.png"

afbeelding : impressie nieuwe Dirk Noordhoflaan oostzijde

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0052.png"

afbeelding : impressie nieuwe Dirk Noordhoflaan met ruimte voor EVZ / Ekkersrijt

De huidige Dirk Noordhoflaan is zorgvuldig ingepast in het bestaande landschap. Voor de nieuwe Dirk Noordhoflaan is er dezelfde ambitie middels een ruimtereservering voor het aanleggen van een groene berm. De exacte invulling van dit landschap in combinatie met het infrastructurele element van de Dirk Noordhoflaan wordt in het inrichtingsplan bepaald. Hieronder een illustratieve weergave.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0053.png"

afbeelding : schematische weergave nieuwe Dirk Noordhoflaan met HOV

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0054.png"

afbeelding : schematische weergave nieuwe Dirk Noordhoflaan zonder HOV

3.3.3 De verkeersmaatregelen in Eindhoven buiten de locatie

De overige verkeersmaatregelen binnen de gemeente Eindhoven betreffen de maatregelen 1.4, 1.5 en de benodigde maatregelen in fase 2:

  • 1.4 : uitbreiding kruispunt Spottersweg - Luchthavenweg
  • 1.5 : verbreding A Fokkerweg tussen Flight Forum en aansluiting N2
  • 2.1 : verbreding Spottersweg zuid naar 2x2 (tussen Luchthavenweg en Fligt Forum)
  • 2.2 : uitbreiding aansluiting N2 op A Fokkerweg (en verbreding viaduct A2/N2)
  • 2.3 : Verbreding Spottersweg midden naar 2x2 (tussen verlegde DNH laan en Luchthavenweg
  • 2.4 : Diverse kleine uitbreidingen opstelstroken kruispunten
  • 2.5 : Verlegging DNH Laan


In de eerste fase van de ontwikkeling van de ASML campus op BIC Noord (de verkeersgeneratie samenhangend met het gebruik van 0 - 247.000 m2 Bvo) zijn onderstaande twee verkeersmaatregelen in Eindhoven noodzakelijk, waarvan de oplevering dient plaats te vinden voorafgaand aan ingebruikname van ASML bebouwing met een omvang groter dan 125.000 m2, zoals hiervoor uiteengezet.


Maatregel 1.4 : uitbreiding kruispunt Spottersweg – Luchthavenweg

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0055.png"

Maatregel 1.5 : verbreding A Fokkerweg tussen Flight Forum en aansluiting N2

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0056.png"

In de opvolgende tweede fase van de ontwikkeling van de ASML campus op BIC Noord (de verkeersgeneratie samenhangend met het gebruik van 247.000 – 428.400 m2 Bvo) zijn onderstaande aanvullende verkeersmaatregelen in Eindhoven noodzakelijk, waarvan de oplevering dient plaats te vinden voorafgaand aan ingebruikname van de betreffende ASML bebouwing.

Maatregel 2.1 : verbreding Spottersweg zuid naar 2x2 (tussen Luchthavenweg en Fligt Forum)

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0057.png"

Maatregel 2.2 : uitbreiding aansluiting N2 op A Fokkerweg (en verbreding viaduct A2/N2)

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0058.png"

Maatregel 2.3 : Verbreding Spottersweg midden naar 2x2 (tussen verlegde DNH laan en Luchthavenweg

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0059.png"

Maatregel 2.4 : Diverse kleine uitbreidingen opstelstroken kruispunten

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0060.png"

Maatregel 2.5 : Verlegging DNH Laan

Dit onderdeel is besproken in paragraaf 3.3.2. De verlegging van de Dirk Noordhoflaan is weliswaar ingegeven door de wens c.q. noodzaak van(uit) ASML om tot een aaneengesloten cleanroom-bebouwing te kunnen komen (verbinding met aorta), maar is toch als verplichting opgenomen in dit TAM-omgevingsplan, omdat het niet mogelijk is de gehele verkeersgeneratie vanuit 6.538 parkeerplaatsen c.q. twee grote parkeergarage's via de bestaande Dirk Noordhoflaan richting Spottersweg af te wikkelen.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan omgevingsplan

4.1 Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Ter plaatse van de locatie vigeert het van rechtswege verkregen "Omgevingsplan gemeente Eindhoven", in werking vanaf 2 januari 2024. Onderliggend ruimtelijk kader voor de locatie en de wegenstructuur betreffen diverse voormalige bestemmingsplannen van de gemeente Eindhoven.

  • Buitengebied Eindhoven 2023, vastgesteld 25-03-2025;
  • Weginfrastructuur omgeving Eindhoven-Noordwest, Oirschot en Best;
  • Luchthaven Eindhoven e.o.;
  • Bedrijventerrein Eindhoven Airport;
  • Paraplubestemmingsplan waterberging;
  • Paraplubestemmingsplan parkeren, kamerbewoning en woningsplitsing 2021;
  • Paraplubestemmingsplan Archeologie 2023.


Onderstaande afbeelding geeft de ligging van de locatie op een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan Buitengebied Eindhoven 2023.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0061.png"

afbeelding : uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Buitengebied Eindhoven 2023”


afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0062.png"

afbeelding : uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Weginfrastructuur omgeving Eindhoven-Noordwest, Oirschot en Best”

De gronden ter plaatse van de locatie hebben in het van rechtswege verkregen "Omgevingsplan gemeente Eindhoven" c.q. voormelde onderliggende bestemmingsplannen de volgende (dubbel)bestemmingen:

  • agrarisch
  • groen
  • natuur -1
  • natuur -2
  • verkeer
  • wonen
  • dubbelbestemming Waarde Archeologie 5
  • dubbelbestemming Waarde Archeologie 7
  • dubbelbestemming Waterstaat - waterbergingsgebied
  • dubbelbestemming Waarde natuur
  • gebiedsaanduiding overige zone - behoud en herstel watersystemen
  • gebiedsaanduiding overige zone - attentiezone waterhuishouding
  • gebiedsaanduiding Veiligheidszone - invloedsgebied
  • gebiedsaanduiding Veiligheidszone - luchtvaart
  • gebiedsaanduiding Vrijwaringszone weg

4.2 Strijdigheden met omgevingsplan

Voorliggend planvoornemen, nader toegelicht hoofdstuk 3, is niet passend binnen het van rechtswege verkregen omgevingsplan, omdat binnen de vigerende functionele gebiedsaanwijzingen niet zijn toegestaan:

  • de vestiging van het bedrijf ASML
  • de verplaatsing en uitbreiding van de bestaande openbare wegenstructuur
  • aantasting NNB
  • beperking waterbergend vermogen

Om het plan te kunnen realiseren, dient het omgevingsplan gewijzigd te worden.

Hierbij wordt zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de meest recente planologische inzichten vanuit de gemeente Eindhoven voor de locatie, e.e.a. zoals vervat in het bestemmingsplan “Buitengebied Eindhoven 2023” en het “Paraplubestemmingsplan Archeologie 2023”.

De gronden bestemd voor de vestiging van ASML zullen de op actuele VNG gegevens gebaseerde staat van inrichtingen worden voorzien van de functionele gebiedsaanwijzing “bedrijf” ten behoeve van “bedrijven en activiteiten gericht op de vervaardiging van machines en apparaten op het gebied van geavanceerde lithografische systemen en andere aanverwante machines, behorende tot de milieucategorie 3 tot en met 4.2., met een productieoppervlakte groter dan 2000 m²”.

De functionele gebiedsaanwijzingen “Natuur-1”, “Verkeer”, “Verkeer-Verblijfsgebied”, "Groen", “Waarde - Archeologie 3”, “Waarde - Archeologie 4”, “Waarde - Archeologie 5”, “Waarde - Archeologie 7”, “Waarde - Ecologische verbindingszone”, “Waarde - Waterstaat waterbergingsgebied” en “Waterstaat-Water” alsmede de diverse gebiedsaanduidingen worden gerespecteerd c.q. opgenomen. De bestemming “agrarisch” komt te vervallen.

Zoals aangegeven bij de beschrijving van de met de ontwikkeling van BIC Noord samenhangende verkeersmaatregelen in deze motivering zal het bestaande lokale wegennet in de gemeente Eindhoven op onderdelen worden aangepast, waarvoor de grondslag tevens in dit TAM-omgevingsplan wordt opgenomen.

4.3 Medewerking opheffen strijdigheid

Gelet op de ruimtebehoefte van ASML, de aansluiting van de locatie op de locaties van BIC 1 en BIC 2 en daarmee op de ontwikkeling van het gebied ten westen van de A2 als een zone van hoogwaardige Brainport bedrijvigheid , het gegeven dat de ontwikkeling aansluit en rekening houdt met de structuren van het gebied (lagenbenadering) en gelet op het feit dat de ontwikkeling past binnen diverse beleidsdocumenten van de diverse overheden, is het gemeentebestuur bereid om het omgevingsplan te wijzigen om daarmee de voorgestane ontwikkeling mogelijk te maken.

4.4 Wijze van toedeling functies omgevingsplan

In voorliggend TAM-omgevingsplan krijgen de gronden de functionele gebiedsaanwijzingen “bedrijf”, “groen”, “natuur-1”, “Verkeer”, “Verkeer-Verblijfsgebied”, “Leiding-Gas”, “Leiding-leidingstrook”, “Waarde Archeologie 4”, “Waarde Archeologie 5”, “Waarde Archeologie 7”, “Waarde Ecologische verbindingszone”, “Waarde Waterstaat–waterbergingsgebied” en “Waterstaat-Water” alsmede de diverse gebiedsaanduidingen. Hierdoor wordt gegarandeerd dat de gronden uitsluitend voor de in hoofdstuk 3 beschreven doeleinden wordt gebruikt en worden aanwezige waterstaatkundige en archeologische waarden beschermd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0063.png"

afbeelding : verbeelding locatie en aanpassing wegenstructuur in Eindhoven

Hoofdstuk 5 Voorbereiding, participatie en procedure

5.1 Voorbereiding

In de fase voorafgaand aan dit Tam-omgevingsplan hebben gemeente Eindhoven en ASML in vele besprekingen en overleggen samengewerkt aan zowel de ruimtelijke kaders alsook de bijbehorende privaatrechtelijke afspraken, leidende tot het VOSP BIC Noord en de Anterieure Overeenkomst BIC Noord. Hierin zijn opgenomen de kaders voor de ontwikkeling van de locatie alsmede de uitgifte in erfpacht van de gronden na totstandkoming van het TAM omgevingsplan. Onderdeel hiervan is ook (een doorkijk naar) de toekomstige invulling van het gebied BIC Mix, zijnde een resterende gedeelte van BIC Noord dat ofwel een onderdeel wordt van de BIC ontwikkeling, dan wel een onderdeel wordt van de ASML Campus of een mengvorm hiervan zal inhouden.

Omdat een groot deel van de infrastructurele aanpassingen zich in de gemeente Oirschot en Best bevinden worden afspraken gemaakt over de benodigde ruimtelijke procedures in beide gemeenten. Hierbij zijn tevens afspraken met Rijkswaterstaat aan de orde vanwege de aanpassingen aan de afritten van de A58 en de realisatie van een nieuwe tunnel onder deze Rijksweg.

5.2 Vooroverleg

In het kader van het TAM omgevingsplan en de bijbehorende BOPA's wegenstructuur heeft in het voortraject onderstaand vooroverleg plaatsgevonden.

  • 1. Waterschap De Dommel: regulier overleg en sinds zomer 2025 wekelijks overleg over de waterparagraaf voor de ontwikkeling van de ASML-campus ter plaatse van BIC Noord en voor de wegenstructuur in de drie gemeenten. Op 16 oktober 2025 is de instemming van het waterschap ontvangen voor het gehele onderdeel weginfra.
  • 2. Trefpunt Groen Eindhoven: TGE heeft 23 mei 2025 en aanvullend 22 augustus 2025 een reactie gegeven over het VOSP BIC Noord (incl. wegenstructuur). De reactie van TGE is in de basis positief, maar zij geeft wel een aantal aanbevelingen over de verdere uitwerking, o.a. over de HOV-routing, het campuspad, inpassing poelen en een verbinding tussen de NNB gebieden die aan de Oirschotsedijk (in Eindhoven) liggen. Zij krijgen een schriftelijke reactie hierover en we gaan in gesprek met TGE.
  • 3. Provincie: een afstemmingsoverleg over deze ontwikkeling in april 2025, en 20 augustus 2025 en 25 september 2025. Tijdens het eerste overleg is meer hoog over een overzicht gegeven van deze ontwikkeling en stand van zaken. Toen is vooral ingezoomd op de natuuraspecten die bij deze ontwikkeling spelen. Daarna zijn het Voorlopig Ontwerp Stedenbouwkundig Plan (VOSP ASML op BIC Noord, d.d. 29-04-2025) en de 'natuurtoets gebiedsbescherming' gestuurd aan de provincie en hebben zij gereageerd met betrekking tot de aspecten cultuurhistorie / erfgoed, water&bodem, energie en natuur. Tijdens het overleg van 20 augustus 2025 zijn vooral de natuurtoets gebiedsbescherming besproken en de aspecten water&bodem, kwaliteitsverbetering landschap en energie. Er is toen een aantal aandachtspunten benoemd door de provincie die worden betrokken in het vervolg van het proces. Tijdens het overleg van 25 september 2025 is gesproken over het op een verantwoorde wijze inpassen van de EVZ in relatie tot de ASML-campus en de inpassing van het openbaar toegankelijke campuspad. De tijdens dit overleg gemaakte opmerkingen van de provincie hebben geleid tot aanvullingen in de regels van het TAM omgevingsplan.
  • 4. Rijkswaterstaat: Vanaf begin mei was er direct contact met RWS. Onderwerp van gesprek is de realisatie van de nieuwe onderdoorgang A58 en het bouwen in vrijwaringsgebied van de A58. Vanaf week 35 is er wekelijks overleg met de projectmanager van RWS. I&W is ambtelijk akkoord met keuze voor een BOPA voor de tunnel Erica en met beschikbaarstelling van capaciteit voor de (technische) voorbereiding en uitwerking van de onderdoorgang.
  • 5. Defensie: Over het mogelijke programma van ASML op BIC Noord in relatie tot de hoogtebelemmeringen vanwege de luchthaven Eindhoven is overleg en afstemming geweest met Defensie.
  • 6. Veiligheidsregio Brabant Zuidoost: Nadat het onderzoek Omgevingsveiligheid voor deze ontwikkeling is opgeleverd, is dit overleg opgestart. Vervolgens is in week 35 een toelichting gegeven op dit onderzoek aan verschillende personen van de veiligheidsregio. De veiligheidsregio heeft d.d. 1 september 2025 een 'pre-advies' gegeven met een aantal aandachtspunten. Dit betreft onderzoek naar samenwerkingsverband om Veiligheidsregio goed te positioneren in deze ontwikkeling, concretisering van maatregelen, inzicht restrisico's, afstemming bereikbaarheid en bluswatervoorziening, kaders voor kwetsbare functies en risicovolle activiteiten binnen plangebied.
  • 7. Tennet: sinds week 34 direct overleg vanwege de 150kV kabel net ten zuiden van de A58 waar de nieuwe onderdoorgang komt te liggen.

5.3 Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van het wijzigen/afwijken van het omgevingsplan. Dit komt omdat een omgevingsplan niet alleen invloed heeft op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. In dit hoofdstuk zal hier verder op worden ingegaan.

Verloop van het participatietraject

In 2024 heeft ASML met de gemeente Eindhoven afspraken gemaakt over een mogelijke nieuwe campus op BIC Noord. Deze afspraken zijn dit voorjaar verder uitgewerkt in een voorlopig ontwerp : het Voorlopig Ontwerp Stedenbouwkundig Plan (VOSP).

Na verzending van een informatiebrief op 7 mei 2025 aan een door de gemeente Eindhoven aangegeven doelgroep is op 21 en 22 mei 2025 door ASML in 6 tijdsvakken met 119 omwonenden, bedrijven, ondernemers en andere stakeholders gesproken over het VOSP. De gemeente Eindhoven was met medewerkers vanuit verschillende expertises aanwezig om vragen te beantwoorden en het gesprek aan te gaan. In verschillende themahoeken konden bezoekers in eigen tempo en naar eigen informatiebehoefte zich laten informeren en in gesprek gaan over het VOSP. Het VOSP inclusief toelichting is ook op de website asml.com/en/asml-dichtbij/bicnoord geplaatst waarbij de mogelijkheid is gegeven om een online reactieformulier in te vullen of een 1-op-1 gesprek aan te vragen. Aan het einde van de inloopbijeenkomsten is feedback gevraagd over de avond, waartoe 58 bezoekers het beschikbare formulier hebben ingevuld.

Na de participatie in mei is het voorlopige ontwerp (VOSP) in overleg met de gemeenten en met inachtname van de informatie zoals in het participatieproces opgehaald verder uitgewerkt tot een concretere weergave van de aanpassingen aan de wegen, de kaders voor bebouwing en gebruik van de locatie, de wijzigingen aan natuur en landschap en de compensatie hiervoor. Deze verdere uitwerking vormt de basis voor onderhavig TAM-omgevingsplan.

Van 28 juli t/m 24 augustus 2025 was het mogelijk om te reageren op de verdere uitwerking van de plannen. Dat kon tijdens de inloopbijeenkomsten, via een online reactieformulier, of in 1-op-1 contact. Alle informatie hierover was online te vinden op de website asml.com/en/asml-dichtbij/bicnoord. Op 20 en 21 augustus 2025 is - op vergelijkbare wijze als tijdens de VOSP participatie - door ASML in 6 tijdsvakken met 191 omwonenden, bedrijven, ondernemers en andere stakeholders gesproken over de verdere uitwerking van de plannen. De gemeenten Eindhoven, Best en Oirschot waren met medewerkers vanuit verschillende expertises aanwezig om vragen te beantwoorden en vanuit hun rol het gesprek aan te gaan. In verschillende themahoeken konden bezoekers zich laten informeren en in gesprek gaan over de de plannen. Aan het einde van de inloopbijeenkomsten is feedback gevraagd over de avond., waartoe 79 bezoekers het beschikbare formulier hebben ingevuld.

Van dit participatieproces en alle reacties is een participatieverslag opgesteld met hierin een weergave van de ontvangen opmerkingen en de reactie vanuit ASML op de diverse thema's. Het “participatieverslag TAM plan” is hier als Bijlage 23 opgenomen.

De diverse reacties zijn vervolgens daar waar mogelijk – gezien het ruimtelijk kader van deze documenten - meegenomen de verdere uitwerking en afronding van het TAM-omgevingsplan en de BOPA's.

Uit de gegeven reacties tijdens de twee participatieronden is gebleken dat er vanuit de omgeving met name behoefte bestaat om duidelijkheid te krijgen over de maatregelen ten aanzien van bereikbaarheid en/of de wegenstructuur, behoud dan wel compensatie van groen/natuur en de positie en uitstraling van de diverse gebouwen op de nieuw te bouwen campus.

Dit heeft er mede toe geleid dat deze drie belangrijke uitgangspunten voor de toekomstige ontwikkeling heel concreet omlijnd zijn vastgelegd in de diverse documenten. De participatie zoals hiervoor beschreven heeft er met name mede toe geleid, dat de drie belangrijkste uitgangspunten voor deze ontwikkeling heel concreet omlijnd in de diverse documenten zijn vastgelegd.

  • In de eerste plaats zijn de noodzakelijke aanpassingen aan de wegenstructuur bindend gekoppeld aan de ingebruikname van ASML gebouwen en dus verplicht uitgevoerd voorafgaand aan de komst van ASML verkeer in het gebied.
  • Vervolgens zijn de compensatiemaatregelen voor de aantasting van de natuur ter plaatse niet alleen in de regels geborgd, maar is bovendien een concreet bindend kader vastgelegd en in de regels geborgd voor de ASML buitenruimte, waarmee een uniek groen campusterrein zal ontstaan in het verlengde van de ontwikkelingen BIC 1 en BIC 2.
  • Tenslotte is wat de ASML campus betreft tot stand gekomen een Beeldkwaliteitsplan voor de toekomstige gebouwen, waarmee ASML op basis van “vrijheid in gebondenheid” kan komen tot invulling van beide campusdelen met enerzijds een hoogwaardige gebouwvormgeving en - positionering en anderzijds voldoende ruimte om de gebouwen vorm te geven binnen de technische randvoorwaarden van de ASML bedrijfsvoering.

De belangstellenden worden verder op de hoogte gehouden van ontwikkelingen rondom de planvorming op de website “asml.com/en/asml-dichtbij/bicnoord”.

5.4 Procedure TAM omgevingsplan

Het voorliggend plan betreft een zogenaamd TAM-plan. TAM staat voor 'Tijdelijke Alternatieve Maatregel'. Via het TAM wordt de mogelijkheid geboden om voor urgente gebiedsontwikkelingen het omgevingsplan te wijzigen via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen.

Het ontwerp-plan en op termijn het vaststellingsbesluit door de raad worden via DROP (Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties) in het Gemeenteblad gepubliceerd en het met IMRO vormgegeven plandeel wordt op de site Ruimtelijke Plannen geplaatst. Via de overbruggingsfunctie zijn deze TAM-plannen dan ook direct in de DSO Viewer via het Omgevingsloket te raadplegen.

Het ontwerp-plan en de daarbij behorende stukken zijn gedurende een periode van zes weken (14 november 2025 t/m 29 december 2025) ter inzage gelegd (artikel 3:11 Awb). Binnen deze termijn had eenieder de mogelijkheid een zienswijze in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. De zienswijzen zijn beantwoord in de 'Nota van Zienswijzen en ambtshalve wijzigingen', welke nota deel uitmaakt van het besluit tot vaststelling van het TAM-omgevingsplan.

Hoofdstuk 6 Visie en beleid op de locatie

In dit hoofdstuk wordt het beleid dat relevant is voor de activiteit toegelicht getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het beleid van Rijk, provincie, waterschap en gemeente. Beleid dat niet relevant is voor de ontwikkeling is niet in dit hoofdstuk opgenomen.

6.1 Rijksbeleid en instructieregels

6.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De NOVI is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. De diverse opgaven kunnen niet meer los van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.

In de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten.

  • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • Sterke en gezonde steden en regio's;
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.


De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken om het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.

De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Nadat de Omgevingswet in werking is getreden geldt deze omgevingsvisie dan ook als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.

Relatie met voorliggende ontwikkeling

Een opgave in de NOVI is het realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie alsmede het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat.. Dit TAM-omgevingsplan maakt het mogelijk om op de locatie te komen tot een ASML campus in aansluiting op het bestaande BIC 1 en het te realiseren BIC 2, zoals in hoofdstuk 2 beschreven. De ladder voor duurzame verstedelijking is hierna beschreven in hoofdstuk 6. De NOVI krijgt doorwerking op lagere beleidsniveaus. De relevante beleidsstukken op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau zijn in de navolgende paragrafen getoetst. Op rijksniveau geen belangen benoemd die rechtstreeks van invloed zijn op de locatie.

Conclusie

Het plan voldoet aan de ambities uit de NOVI c.q. geeft invulling aan de opgaven van de NOVI.

6.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)

De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's), met hierin regels voor het praktische uitvoeren van de wet.

  • 1. Het Omgevingsbesluit (Ob);
  • 2. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
  • 3. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
  • 4. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Voor de volgende onderwerpen gelden er Rijksinstructieregels.

  • Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2 Bkl).
  • Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3 Bkl).
  • Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4 Bkl).
  • Bschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (paragraaf 5.1.5 Bkl).
  • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (paragraaf 5.1.6 Bkl).
  • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (paragraaf 5.1.7 Bkl).
  • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8 Bkl).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen.

Relatie met voorliggende ontwikkeling

Ten aanzien van dit project wordt in hoofdstuk 6 getoetst aan de volgende instructieregels uit het Bkl, waaruit volgt dat voldaan wordt aan de instructieregels opgenomen in het Bkl.

Waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl), nader toegelicht in paragraaf 6.8;

Beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl), nader toegelicht in paragraaf 6.10;

Beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl), nader toegelicht in de paragrafen 6.3, 6.4, 6.5, 6.6, 6.7, 6.10, 6.13 en 6.14.

Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl), nader toegelicht in de paragrafen 6.1, 6.11 en 6.12.

Conclusie

Het plan geeft invulling aan de instructieregels opgenomen in het Bkl.

6.1.3 Rijksbeleid water

Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied en technische maatregelen die kunnen worden ingezet. Hierbij geldt als voorkeursvolgorde : vasthouden, bergen en afvoeren.

Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij nieuwe projecten.

Om aan te geven hoe wordt omgegaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) met hierin de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de Rijkswateren en -vaarwegen. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren. Daarnaast worden in beeld gebracht de raakvlakken tussen water en andere thema's als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid.

Relatie met voorliggende ontwikkeling

Het NWP 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Gezien de kleinschaligheid van het initiatief en het gegeven dat de locatie niet in de aangewezen gebieden van het Rijk zijn gelegen, zullen de Rijksbelangen hieromtrent niet worden aangetast. Bovendien zijn de belangrijkste thema's hieruit doorvertaald naar het provinciaal- en waterschapsbeleid.

Conclusie

Het plan leidt niet tot strijdigheid met Rijksbeleid Water.

6.1.4 Luchthavenbesluit

Luchthaven- en beperkingengebied

Een vastgesteld luchthavengebied (artikel 8.5, WLV) geldt als luchthavengebied als bedoeld in artikel 8.15, lid 2, Wet luchtvaart, zoals dat luidt na inwerkingtreding van de Ow. Een vastgesteld beperkingengebied (artikel 8.5, WLV) geldt als beperkingengebied als bedoeld in artikel 8.15, lid 2, Wet luchtvaart, zoals dat luidt na inwerkingtreding van de Ow. Dit staat in artikel 4.89 Invoeringswet Ow.

In 2009 is de Wet luchtvaart gewijzigd. Naar aanleiding hiervan is een nieuw luchthavenbesluit voor Eindhoven vastgesteld. Dit is op 26 september 2014 vastgesteld en met ingang van 1 november 2014 in werking getreden. In het luchthavenbesluit zijn het terrein van de luchthaven (het luchthavengebied), de gebruiksmogelijkheden (openstellingstijden, de geluidsruimte voor het militaire luchtverkeer en het burgerluchtverkeer, en het maximum aantal recreatieve vliegbewegingen per jaar) en het beperkingengebied vastgelegd.

Relatie met voorliggende ontwikkeling

De locatie ligt volledig in beperkingengebied rond Vliegbasis Eindhoven. Voor dit TAM-omgevingsplan is derhalve dit beperkingengebied van belang, bestaande uit:

  • 1. de geluidszone: binnen deze zone gelden regels voor het bouwen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen;
  • 2. de obstakelbeheergebieden: hier gelden maximaal toelaatbare hoogtes voor objecten;
  • 3. het vogelbeheersgebied: binnen dit gebied gelden regels voor een bestemming of gebruik dat vogels aantrekt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0064.png"

afbeelding : ligging locatie (rode cirkel) in relatie tot luchthaven Eindhoven

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0065.png" afbeelding : kaart beperkingengebied – Vliegbasis Eindhoven

De geluidzone

Rond luchthaven Eindhoven liggen verschillende geluidzones. Er geldt een Ke geluidzone voor vliegtuiglawaai en een dB(A) geluidzone voor grondgebonden geluid van de luchthaven (industrielawaai).

Binnen de in het luchthavenbesluit Eindhoven opgenomen 35 Ke geluidszone mogen geen nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen worden gerealiseerd (aldus Besluit militaire luchthavens). Een gebouw met een reguliere onderwijsfunctie wordt in dit kader aangemerkt als ander geluidsgevoelig gebouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0066.png"

afbeelding : 50 en 55 dB(A) contour grondgebonden geluid

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0067.png"

afbeelding : KE-geluidzones

De locatie ligt binnen beide geluidzones. Zowel de geluidzone voor vliegtuiglawaai als de geluidzone voor industrielawaai legt beperkingen op aan het realiseren van geluidgevoelige objecten. Op de locatie worden geen geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt. De geluidcontouren leggen daarom geen beperkingen op aan deze ontwikkeling.

De obstakelbeheergebieden

Obstakelbeheergebieden zijn gebieden waarin hoogtebeperkingen gelden in verband met de veiligheid van het vliegverkeer en/of de werking van (navigatie)apparatuur die op en rond een luchthaven staat.

Op grond van artikel 2 lid 3 Luchthavenbesluit Eindhoven liggen er rond de luchthaven twee obstakelbeheergebieden:

  • een obstakelbeheergebied vanwege de vliegfunnel en inner horizontal en conical surface (IHCS);
  • een obstakelbeheergebied vanwege het instrument landingssysteem (ILS).

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0068.png"

afbeelding : weergave obstakelbeheervlakken funnel / IHCS alsmede ILS

Op grond van het luchthavenbesluit is op de gronden binnen de obstakelbeheergebieden artikel 16 van het Besluit militaire luchthavens van toepassing. Dit artikel bepaalt, kort gezegd, dat de maximale toelaatbare hoogte van (nieuwe) objecten in overeenstemming moet zijn met de hoogtes die gelden voor de obstakelbeheergebieden.

Hoogtebeperkingen vliegfunnel / IHCS (geen afwijking mogelijk)

De locatie ligt binnen het obstakelbeheergebied van de vliegfunnel/IHCS. De locatie ligt deels in het oplopende vlak in het verlengde van de start- en landingsbaan, deels in het oplopende vlak aan de zijkant van de start- en landingsbaan en deels in het platte vlak van het IHCS (het inner horizontal surface).

Het Besluit militaire luchthavens biedt geen mogelijkheid voor afwijking van het obstakelbeheergebied vanwege de vliegfunnel/IHCS.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0069.png" afbeelding : obstakelbeheergebieden voor de vliegfunnel en IHCS

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0070.png"

afbeelding : Schematische weergave obstakebeheervlakken funnel/IHCS

Hoogtebeperkingen ILS (afwijking mogelijk na toetsing bouwplan)

De locatie ligt volledig binnen het obstakelbeheergebied van de ILS:

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0071.png"

afbeelding: ILS-verstoringsgebied

Het instrument landing system (ILS) is een radionavigatiesysteem waarmee in de luchtvaart een precisienadering van een landingsbaan kan worden uitgevoerd. Het is een naderingssysteem dat de piloot een nauwkeurig beeld geeft van de positie van zijn toestel ten opzichte van de ideale koerslijn en daalhoek naar een landingsbaan. ILS maakt landingen bij (zeer) slechte zichtcondities en automatische landingen mogelijk.

Voor een doorsnijding van een obstakelbeheergebied vanwege het ILS of vanwege een aanwezige radar is wél een afwijking mogelijk. Doorsnijding van het obstakelbeheervlak van het ILS wordt toegestaan indien uit een daartoe uitgevoerd onderzoek blijkt, dat de beïnvloeding van het instrument landingssysteem onderscheidenlijk het radarbeeld uit oogpunt van de veiligheid van het luchtverkeer aanvaardbaar is. In zo'n onderzoek wordt gedetailleerd getoetst of een bouwplan verstorend is voor het ILS of de radar. Dit is onder andere afhankelijk van plaatsing, hoogte, vormgeving en materiaalgebruik van een object en vergt dus telkens een nieuwe afweging.

Locatie versus obstakelbeheergebieden

Onderstaande afbeelding geeft een weergave van de locatie in relatie tot beide obstakelbeheergebieden.

Uit deze weergave blijkt dat de voorgestane ASML bebouwing met een op de verbeelding aangegeven maximale bouwhoogte van deels 30 meter en deels 40 meter boven maaiveld (maaiveldhoogte in de locatie ligt op circa 19 meter + NAP) niet leidt tot een strijdigheid met de te respecteren hoogtebeperkingen vanwege funnel en IHCS (blauw = “take off climb” en rood = “approach surface”).

Wat betreft de werking van het ILS kan uit de afbeelding wordt afgeleid dat vanwege de maaiveldhoogte van circa 19 meter + NAP bebouwing vanaf 21 meter hoogte in noordelijke richting oplopend tot 30 / 40 meter dient te worden getoetst.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0072.png"

afbeelding: locatie met obstakelbeheervlakken funnel/IHCS en ILS

Het vogelbeheergebied

Rond luchthaven Eindhoven ligt een vogelbeheersgebied. In dit gebied zijn niet toegestaan:

  • oppervlaktewateren met een oppervlakte van meer dan 3 hectare;
  • natuurbeschermingsgebieden en vogelbeschermingsgebieden;
  • vishouderijen met extramurale bassins;
  • extramurale opslag of verwerking van organisch materiaal;
  • afvalwaterzuiveringsinstallaties.

In afwijking hiervan kan dit gebruik worden toegestaan als een verklaring van geen bezwaar is afgegeven indien aan de hand van een door de aanvrager in te dienen fauna-effectstudie is aangetoond dat een grondgebruik of een bestemming niet leidt tot een toename van het risico op vogelaanvaringen voor het luchtverkeer.

Het Luchthavenbesluit Eindhoven bevat geen definitie voor 'natuurbeschermingsgebied'. In de locatie wordt aan bepaalde gronden een natuurbestemming gegeven. Dit betreft echter gronden die in de huidige situatie al als bos/natuur in gebruik zijn.

Binnen de bedrijfsbestemming zijn geen bedrijven beoogd die hier op grond van het Luchthavenbesluit niet mogen worden gevestigd. Dit wordt allereerst in de regels geborgd door de beperking tot een concrete bedrijfsvoering zoals bij ASML aan de orde is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0073.jpg"

afbeelding vogelbeheersgebied (=lichtgroen) en luchthavengebied

(=donkergroen) uit het Luchthavenbesluit Eindhoven

Anderzijds is in de regels opgenomen dat oppervlaktewateren met een oppervlakte van meer dan 3 hectare, natuurbeschermingsgebieden, vogelbeschermingsgebieden, vishouderijen met extramurale bassins, extramurale opslag of verwerking van organisch materiaal en afvalwaterzuiveringsinstallaties als strijdig gebruik worden aangemerkt. Behoudens een verklaring van geen bezwaar van de Minister van Defensie nadat is aangetoond dat het gewenste grondgebruik niet leidt tot een toename van het risico op vogelaanvaringen voor het luchtverkeer van en naar de luchthaven Eindhoven.

Conclusie

Het luchthavenbesluit staat de uitvoering van de ASML campus op BIC Noord niet in de weg.

6.1.5 Bakens luchthaven Eindhoven en radarverstoringsgebied vliegbasis Volkel

Bij het bepalen van de maximaal toegestane bouwhoogten moet ook rekening worden gehouden met de bakens van luchthaven Eindhoven en het radarverstoringsgebied van vliegbasis Volkel.

Bakens luchthaven Eindhoven

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0074.png"

afbeelding : hoogtebelemmeringen bakens nabij luchthaven Eindhoven.

Blauwe lijnen= VDF. Rode lijnen= NDB

Op en nabij de luchthaven Eindhoven zijn bakens aanwezig om de richting van het vliegverkeer (zowel horizontaal als verticaal) te kunnen volgen:

  • een VDF baken: Vertical Directional Finder. Dit is een hulpmiddel voor de luchtverkeersleiding om de richting te kunnen bepalen van het vliegtuig waarmee op dat moment wordt gecommuniceerd.

De toetsingsgebieden liggen voor VDF geheel over de locatie, maar hebben gezien de maximaal toegestane bouwhoogte geen consequenties.

Radarverstoringsgebied Volkel

Om het ongestoord functioneren van radar- en communicatieapparatuur op de vliegbasis Volkel te waarborgen ligt er rond deze vliegbasis een cirkel met een straal van 50 nautische mijl (=27,8 km), gemeten vanaf de positie van de radar. Binnen dit radarverstoringsgebied moet voor ieder obstakel hoger dan 65 meter worden berekend of er verstoring van de radar optreedt. Onderhavig plangebied ligt niet binnen dit radarverstoringsgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0075.jpg"

afbeelding : Uitsnede uit kaart hoogtebelemmeringen als gevolg van luchthaven Eindhoven. Blauwe lijnen- arcering= radarverstoringsgebied van vliegbasis Volkel

6.1.6 Outer-horizontal

Met de “outer-horizontal” moet rekening worden gehouden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Hoge objecten door de “outer-horizontal” kunnen leiden tot aanpassing van de vliegprocedures wat het, bijvoorbeeld, minder goed mogelijk maakt om het vliegverkeer van- en naar Eindhoven te spreiden. Deze “outer-horizontal” heeft een radius van 15 km rondom het midden van de start- en landingsbaan en ligt op een hoogte van 150 meter boven maaiveld (gerelateerd aan de baan).

Objecten hoger dan 150 meter zijn toelaatbaar indien aangetoond is dat deze geen impact hebben op het vliegverkeer. Op de hieronder ingevoegde kaart is aangegeven binnen welke gebieden hoogbouw/windturbines kansrijk (=groen gekleurd), kansarm (= oranje gekleurd) of onmogelijk (=rood gekleurd) zijn. In de oranje gekleurde gebieden kan vooraf advies worden gevraagd bij de luchtverkeersleiding van de vliegbasis of de hoogbouw/winturbines op die locatie mogelijk worden geacht.

Door middel van dit TAM-omgevingsplan worden geen objecten hoger dan 150 meter mogelijk gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0076.png"

Uitsnede uit kaart Outer horizontals luchthavens Oost Brabant

6.1.7 Veiligheid luchthaven Eindhoven

Voor externe veiligheid rond luchthavens geldt geen wettelijk kader. In het Luchthavenbesluit Eindhoven zijn geen risicocontouren vastgelegd rond de luchthaven. Rond luchthavens is sprake van ruimtelijk interimbeleid, dat is opgesteld door het voormalige ministerie van VROM.

Dit interimbeleid is beschouwd in het bestemmingsplan voor BIC cluster 1 fase 1 en het daaraan ten grondslag liggende MER en is ook opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Eindhoven 2023'. In de bijbehorende rapportage 'Risicobeschouwing Buitengebied - 2017', geeft de Omgevingsdienst het volgende aan over het bouwen binnen risicocontouren van de luchthaven:

In een brief van 28 oktober 2009 van het (voormalig) Ministerie van VROM is het ruimtelijke interimbeleid voor externe veiligheid voor de luchthaven Eindhoven opgenomen. In de bijlage van deze brief staan de voorwaarden opgenomen waaraan een gemeente zich moeten houden binnen de 10-6 en 10-5 plaatsgebonden risicocontouren van luchthaven Eindhoven. Dit beleid betekent dat:

  • er geen objecten mogen worden geprojecteerd in de 10-5 PR-contour waar mensen verblijven;
  • voor zogenoemde 'pijplijnplannen' (voor gemeente Eindhoven zijn dat BIC en GDC Acht Noord) binnen de 10-6 PR-contour geldt een personendichtheid van 100 personen per hectare (richtwaarde) waarbij de bebouwing zo laag mogelijk wordt gehouden;
  • functies voor groepen beperkt zelfredzame mensen, grote publiekstrekkers en evenementen worden uitgesloten.

Vastgesteld kan worden dat zowel de PR 10-5 als de PR 10-6 contour over de locatie van BIC Noord ligt. Op basis van het interimbeleid gelden voor een deel van BIC Noord dus strenge restricties, namelijk dat daar geen objecten mogen worden gebouwd waar mensen verblijven (10-5 contour).

Voor het deel van het terrein dat binnen de PR 10-6 contour valt, geldt voor wat betreft personendichtheid een richtwaarde van 100 personen per hectare. Dit deel zal geen bebouwing kennen met een intensief gebruik.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0077.png"

Afbeelding : PR 10-5 en PR 10-6 contouren BIC Noord

6.1.8 Conclusie rijksbeleid

Zoals in deze paragraaf is beschreven en in hoofdstuk 6 nader is uitgewerkt passen de activiteiten binnen de doelstellingen en het beleid en de regels van het Rijk.

6.2 Provinciaal beleid

6.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

Op 14 december 2018 heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050).

De Omgevingsvisie kent één basisopgave: "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd:

  • 1. werken aan de Brabantse energietransitie,
  • 2. werken aan een klimaatproof Brabant,
  • 3. werken aan een slimme netwerkstad,
  • 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Voor ieder van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Maar ook een concreet tussendoel: waar moeten we in 2030 op zijn minst staan om dat lange termijn doel te halen? De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.

Analyse en conclusie

Dit TAM-Omgevingsplan heeft betrekking op een activiteit ondersteunend aan de concurrerende duurzame economie, doordat ASML de mogelijkheid wordt gegeven haar high-tech bedrijvigheid in de Brainport-regio verder uit te breiden en daarmee een belangrijke economische motor te blijven van de Brainportregio waarbij bovendien wordt bijgedragen aan een klimaatproof Brabant en past aldus binnen de Brabantse Omgevingsvisie

Het plan geeft invulling aan hoofdopgaven van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

6.2.2 Omgevingsverordening Noord-Brabant

Vanuit de Ow moet de provincie naast een omgevingsvisie ook een omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. Op 1 januari 2024 is de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant (Ovr) tegelijk met de Ow in werking getreden.

In de Ovr staan regels voor:

  • 1. Burgers en bedrijven en andere initiatiefnemers: dit zijn de zogenaamde algemene (rechtstreeks werkende) regels die betrekking hebben op activiteiten. Deze regels (hoofdstuk 3) bevatten voorwaarden om zo'n activiteit te verrichten, of hiervoor een melding of vergunning nodig is en bevatten mogelijkheden voor maatwerk.
  • 2. Bestuursorganen van de overheid (zoals gemeenten en waterschappen): dit zijn de zogenaamde instructieregels (hoofdstuk 4 en 5). Met deze regels kan de provincie een opdracht geven aan gemeenten over onderwerpen die in het omgevingsplan (of BOPA) moeten worden opgenomen of aan het waterschap over de manier waarop ze hun bevoegdheden en taken uitvoeren.

Rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven

In hoofdstuk 3 van de Ovr zijn voor de volgende thema's rechtstreekse regels opgenomen: grondwater (-bescherming en -onttrekking), stortplaatsen, ontgrondingen, stiltegebied, natuur, varend ontgassen en provinciale wegen. De meeste van deze regels waren voorheen opgenomen in de Provinciale milieuverordening, de Verordening wegen, de Verordening ontgrondingen en de Verordening natuurbescherming.

Algemene regels voor activiteiten

Deze regels in hoofdstuk 3 zijn rechtstreeks van toepassing op de activiteiten die met dit omgevingsplan mogelijk worden gemaakt.

Specifieke regels voor werkingsgebieden

Daarnaast zijn volgens kaart 1 van de Ovr binnen de locatie de volgende werkingsgebieden van toepassing waarvoor specifieke rechtstreekse regels gelden:

  • beperkingen veehouderij;
  • diep grondwaterlichaam;
  • geen attentiezone waterhuishouding.

Beperkingen veehouderij

Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks werkende regels ten aanzien van bestaande huisvestingssystemen voor een veehouderij. Binnen dit werkingsgebied geldt een uitzondering voor stoppende veehouderijen. Binnen de locatie zijn geen veehouderijen aanwezig of toegestaan. Om die reden is dit werkingsgebied niet relevant

Diep grondwaterlichaam

Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks werkende regels ten aanzien van milieubelastende activiteiten. Binnen dit werkingsgebied is het verboden om milieubelastende activiteiten (conform artikel 3.11 Ow, te weten onconventionele winning van koolwaterstoffen) te verrichten. Binnen de locatie is geen sprake van een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.11 Ow. Om die reden is dit werkingsgebied niet relevant.

Geen attentiezone waterhuishouding

Omdat de locatie is gelegen buiten de Attentie waterhuishouding is een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.19 Bal niet vereist.

Instructieregels

De instructieregels betreffen de regels in de Ovr waarmee in het omgevingsplan en de besluitvorming door de gemeente rekening gehouden moet worden. Een omgevingsplan mag niet in strijd met de instructieregels worden vastgesteld. Alle regels in de Ovr hebben een gebied waar ze van toepassing zijn. Soms gelden de regels voor de gehele provincie, soms specifiek voor bepaalde werkingsgebieden.

Onderstaand wordt ingegaan op de instructieregels uit hoofdstuk 5 Ovr die voor deze ontwikkeling en voor dit plangebied aan de orde zijn. Hierbij wordt de volgorde aangehouden van de betreffende paragrafen in de Ovr.

Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 5.1.2)

De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Een omgevingsplan geeft bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit (artikel 5.7).

Bij de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit gaat het zowel om het beschermen van waarden als het bijdragen aan de ontwikkeling van waarden en functies in een gebied. Deze zorgplicht omvat een aantal basisprincipes:

  • zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 5.8)
  • toepassing van de lagenbenadering (artikel 5.9)
  • meerwaardecreatie (artikel 5.10)

Zorgvuldig ruimtegebruik (art 5.8)

  • 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:
    • a. een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag;
    • b. de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling;
    • c. bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
    • d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel, en;
    • e. splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan.
  • 2. Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder hoofdstuk 5 van de omgevingsverordening opgenomen voorwaarden.

Analyse en conclusie

Voorliggend initiatief betreft de ontwikkeling van een ASML bedrijfsterrein aansluitend aan gronden in (huidig en toekomstig) gebruik als BIC (bedrijfs)locatie. Voor een toetsing aan de voorwaarden voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het Landelijk gebied wordt verwezen naar de toetsing onder artikel 5.56 Ovr.

In paragraaf 6.1 is middels een ladderonderbouwing de behoefte naar deze ontwikkeling op deze locatie aangetoond en is aangetoond dat de ontwikkeling op de voorgenomen locatie passend wordt geacht. De bebouwing wordt op een zorgvuldige wijze binnen de locatie gesitueerd, waarbij rekening wordt gehouden met en wordt uitgegaan van de bestaande stedenbouwkundige, landschappelijke en natuurlijke waarden.

Met voorliggend initiatief wordt verder invulling gegeven aan de ontwikkeling van de high-tech BIC locatie, waarbij op een zorgvuldig wijze beslag wordt gelegd op de ruimte in het buitengebied van Eindhoven. De voorgenomen ontwikkeling is hiermee in zoverre in lijn met artikel 5.8 Ovr. Voor het overige wordt verwezen naar de toelichting onder artikel 5.56 Ovr.

Toepassing van de lagenbenadering (art 5.9)

  • 1. Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in:
    • a. welke effecten een ontwikkeling heeft op de lagen afzonderlijk, de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd, en;
    • b. hoe negatieve effecten worden voorkomen.
  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden:
    • a. de ondergrond, zoals het bodem- en watersysteem, aardkundige- en archeologische waarden;
    • b. de netwerklaag, zoals natuurnetwerk, energienetwerk, infrastructuur inclusief waterwegen, en een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer, en;
    • c. de bovenste laag, zoals cultuurhistorische- en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing , de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op lucht, milieu, veiligheid en een gezonde leefomgeving.
  • 3. Bij het actief benutten van de factor tijd wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de lagen, het verleden, de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen door de gewenste ontwikkeling en de toekomstwaarde van de ontwikkeling vanuit het perspectief van duurzaamheid en toekomstbestendigheid.

Analyse en conclusie

Voor de toepassing van de lagenbenadering wordt verwezen naar de beschrijving van de huidige en toekomstige situatie in hoofdstuk 2. Voor deze ontwikkeling is zorgvuldig rekening gehouden met de aanwezige waarden en functies (inclusief de wederzijdse effecten) binnen en rondom de locatie. Met het plan is aangesloten op de waarden en bestaande structuren uit de directe omgeving.

In hoofdstuk 6 van deze motivering worden de effecten van het plan op onder andere de bodem, het grondwater, archeologische waarden, infrastructuur, natuurnetwerk, water, cultuurhistorische waarden en landschappelijke waarden beschreven. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot nadelige effecten. De aanwezige waarden en structuren in en om de locatie dienen bij de verdere uitwerking in acht te worden genomen.

Meerwaardecreatie (art 5.10)

  • 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:
    • a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, en;
    • b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.
  • 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap, kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.

Analyse en conclusie

De meerwaarde wordt met dit plan gecreëerd door:

  • het realiseren van een bedrijfsterrein voor ASML, zijnde het belangrijkste bedrijf in de Brainport regio;
  • het realiseren van hoogwaardige bedrijfsbebouwing die ingepast wordt in het landschap, waardoor er een kwalitatief hoogwaardige bedrijfsomgeving met omliggend verblijfsgebied ontstaat;
  • de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit in de vorm van het realiseren van landschapselementen, die bijdragen aan het landschapstype én de ecologie;

De voorgenomen ontwikkeling is hiermee in overeenstemming met artikel 5.10 Omgevingsverordening.

Versterken van de omgevingskwaliteit (paragraaf 5.1.3)

Deze paragraaf van de Omgevingsverordening bevat diverse maatwerkmogelijkheden waarmee de mogelijkheid wordt geboden om vanwege specifieke omstandigheden een uitzondering te maken op het bestaande beleid.

Op voorliggend plan zijn de artikelen 5.11 (kwaliteitsverbetering landschap) en 5.12 (ontwikkelingsrichting) van toepassing.

Kwaliteitsverbetering landschap (artikel 5.11)

  • 1. Een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.
  • 2. Het omgevingsplan onderbouwt dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, bedoeld in artikel 5.12, en dat de uitvoering is geborgd door:
    • a. financiële, juridische en feitelijke vastlegging in het plan, of;
    • b. nakoming van de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 6.2 Regionaal samenwerken.
  • 3. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan de volgende aspecten omvatten:
    • a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing;
    • b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land;
    • c. het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken;
    • d. het wegnemen van verharding;
    • e. het slopen van bebouwing;
    • f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant of een ecologische verbindingszone, of;
    • g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.
  • 4. Als toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onder b, wordt een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds verzekerd en wordt over de besteding van dat fonds periodiek verslag gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 6.2 Regionaal samenwerken.

Analyse

Op de locatie wordt een duurzame en gezonde ASML campus in een groene omgeving mogelijk gemaakt. Met als uitgangspunt het voor BIC bekende "Kwaliteitsboek Brainport Industries Campus" is gekomen specifiek voor BIC Noord tot de in deze motivering beschreven kaders waarbinnen ASML als hoogwaardig bedrijf kan uitbreiden en functioneren.

Een gezonde werkomgeving is een schone, biodiverse en klimaatadaptieve groenblauwe omgeving, een omgeving die een gezonde levensstijl stimuleert, een omgeving die sociale interactie faciliteert en stimuleert en een omgeving die ruimte biedt aan innovatie. De ontwikkeling van BIC Noord is dan ook een integratie van de gebouwde omgeving en infrastructuur met de natuurlijke omgeving.

De groene omgeving draagt in belangrijke mate bij aan een gezonde werkomgeving en vitale medewerkers. Al deze aspecten maken integraal onderdeel uit van het ontwerp van BIC Noord zoals uitgewerkt in deze motivering.

De uitgangspunten vanuit de Ovr ten aanzien van de kwaliteitsverbetering leiden in het concrete geval tot een bijdrage gebaseerd op de uitgifteprijs van de te bebouwen gronden.

Het door Antea Group uitgevoerde onderzoek naar compensatie van de directe NNB aantasting (vanwege de verplaatsing van de Dirk Noordhoflaan) leidde tot de conclusie dat volledige NNB-compensatie op of nabij de locatie mogelijk is, zodat aanvullende NNB compensatie fondsvorming niet aan de orde is.

Dit laatste geldt niet voor de invulling van voormelde LIR-bijdrage aan landschappelijke kwaliteitsverbetering, die niet op de locatie buiten de bedrijfsbestemming vorm en inhoud kan worden gegeven in aanvulling op de NNB compensatie. De bijdrage zal worden gestort in een (door de gemeente Eindhoven nader te duiden) groenfonds, waaruit door deze overheden nader te bepalen maatregelen kunnen worden gefinancierd.

Als onderdeel van dit TAM-omgevingsplan is (als bijlage bij de regels) een DOSP landschapsplan ASML buitenruimte voor de buitenruimte van het ASML terrein opgesteld. Dat geeft een kader voor de inrichting van de ASML buitenruimte, behorend bij de diverse op te richten gebouwen en is afgestemd op de door de gemeente Eindhoven te verzorgen landschappelijke kwaliteitsverbetering van de bestaande en nieuwe EVZ zone naast de Ekkersrijt waarmee de ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast.

Via de planregels van dit TAM-omgevingsplan is het beeldkwaliteitsplan / landschapsplan voor de buitenruimte van het ASML terrein en de bijdrage in het landschapsinvesteringsfonds (LIR) geborgd. Deze LIR bijdrage zal worden voldaan in de vorm van storting door ASML van de normatief bepaalde bijdrage (1,7 miljoen euro) in een hiertoe te benoemen gemeentelijk fonds, waaruit conform afspraak met de Provincie door ASML bijdragen (terug) kunnen worden ontvangen indien de (gefaseerde) inrichting van het ASML buitenterrein voldoet aan DOSP landschapsplan ASML buitenruimte. Deze bijdragen kan enkel worden besteed aan fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit (landschappelijke maatregelen), en kan dus niet worden ingezet voor de bedrijfsfunctionele gebruiksbuitenruimte van ASML (grasveldjes, pauze-/ ontmoetingsplekken, terrassen, enz.).

Deze maatregelen voor landschappelijke kwaliteitsverbetering en de maatregelen voor natuurcompensatie vallen niet samen, het zijn verschillende onderdelen.

Ook vanwege de weguitbreidingen ten koste van het landschap zijn maatregelen nodig gericht op kwaliteitsverbetering van het landschap. Om die reden is in artikel 10.3 opgenomen dat ter plaatse van de gronden die zijn aangewezen als 'Verkeer' de maatregelen, zoals vermeld in Bijlage 5 bij de regels, binnen 3 jaar na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan gerealiseerd moeten zijn en in stand moeten worden gehouden. Het gaat om maatregelen als gevolg van het verleggen van de Dirk Noordhoflaan naar het zuiden, het aanleggen van extra rijstroken op de Spottersweg en de Anthony Fokkerweg, waarbij ook de aansluitingen worden aangepakt. De maatregelen worden in samenhang met de kwaliteit van het landschap bekeken. In de inpassingsvisie (bijlage 6) staan de leidende principes voor het defniiteve ontwerp en de verdere uitvoering.

Conclusie

Met de landschappelijke inpassing, de verzekerde kwaliteitsbijdrage en de juridische borging voldoet het plan aan artikel 5.11 Ovr.

Ontwikkelingsrichting (art 5.12)

  • 1. Een omgevingsplan dat de uitbreiding mogelijk maakt van een bestaande activiteit of dat een nieuwe functie of activiteit toedeelt in Landelijk gebied, bevat een onderbouwing dat die ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Een ontwikkelingsrichting wordt opgesteld met toepassing van de basisprincipes, bedoeld in Paragraaf 5.1.2 , en gaat in ieder geval in op de volgende aspecten:
    • a. welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving;
    • b. welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving , de te beschermen waarden, bedoeld in Afdeling 5.2, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
    • c. cp welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap, en;
    • d. op welke wijze de sloop van leegstaande of overtollige bebouwing wordt gerealiseerd.
  • 2. Bij het opstellen van een ontwikkelingsrichting worden deskundigen betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.

Analyse en conclusie

Op basis van de inhoud van de motivering behorende bij onderhavig TAM-omgevingsplan is de conclusie dat de voorgestane ontwikkeling op deze locatie aanvaardbaar is en past in de ontwikkelingsrichting van het gebied. De wijze waarop de versterking van de omgevingskwaliteit plaatsvindt, is beschreven onder de toetsing van artikel 5.11 Ovr.

Over het plan heeft afstemming plaatsgevonden met de provincie. In overeenstemming met de Ovr is onderbouwd dat het plan past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied.

Basis op orde (afdeling 5.2)

Afdeling 5.2 bevat instructieregels ten aanzien van de volgende specifieke thema's waarvan voor dit TAM-omgevingsplan van belang zijn:

  • voorkomen grondwaterverontreiniging (paragraaf 5.2.2);
  • Natuur Netwerk Brabant (paragraaf 5.2.5);
  • Aardkundige, cultuurhistorische en groenblauwe waarden (paragraaf 5.2.6).

Voorkomen grondwaterverontreiniging (paragraaf 5.2.2)

Dit aspect wordt bij de verdere uitwerking en uitvoering betrokken.

Natuur Netwerk Brabant (paragraaf 5.2.5)

Het Natuur Netwerk Brabant (hierna: NNB) betreft de benaming voor de gebieden die voorheen werden gerekend tot de zogenoemde 'Ecologische Hoofdstructuur (EHS)'. Het NNB, waarvan de begrenzing is geactualiseerd, heeft tot doel om te komen tot een robuust netwerk van natuurgebieden inclusief de verbindingen daartussen.

Gemeenten zijn verplicht de op de kaart opgenomen NNB in hun omgevingsplannen op te nemen. Een omgevingsplan dat is gelegen binnen een NNB moet strekken tot bescherming, behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de betreffende gebieden.

In dit TAM-omgevingsplan is het NNB bestemd als 'Natuur - 1', op basis waarvan deze gronden onderdeel (gaan) uitmaken van de ecologische hoofdstructuur in het kader van compensatiemaatregelen in de ecologische hoofdstructuur. Deze compensatiemaatregelen zien zowel op de realisatie van de bedrijfsbestemming op de locatie alsook de hiermee samenhangende aanpassingen aan de lokale wegenstructuur.

Aardkundige, cultuurhistorische en groenblauwe waarden (paragraaf 5.2.6)

Ter plaatse van beek de Ekkersrijt op de locatie is sprake van Groenblauwe Waarden, zodat van toepassing is:

Artikel 5.46 Groenblauwe waarden

Een omgevingsplan ter plaatse van Groenblauwe waarden:

  • a. strekt tot het behoud, het herstel of de duurzame ontwikkeling van het bodem- en watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken, biodiversiteit en landschappelijke waarden en kenmerken;
  • b. bevat een beschrijving van de ecologische-, landschappelijke- en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied;
  • c. stelt regels ter bescherming van de ecologische-, landschappelijke- en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; en
  • d. bepaalt dat de toedeling van een functie of activiteit gepaard gaat met een positieve bijdrage aan het versterken van biodiversiteit en de bescherming en ontwikkeling van ecologische-, landschappelijke- en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied.

Onderhavig omgevingsplan brengt geen wijziging ten aanzien van de beek de Ekkersrijt, zodat kan worden verwezen naar het voorheen bestaande planologisch regime.

Klimaat (afdeling 5.3)

Voor het onderhavige plangebied betreffen de instructieregels daarnaast een aantal specifieke thema's. Ter plaatse van de locatie zijn is het thema “regionale waterberging” en “reservering waterberging” van toepassing. Hierop wordt nader ingegaan in 7.13 Water, paragraaf 7.13.3.

Ontwikkeling van stedelijke functies en mobiliteit (afdeling 5.5)

Artikel 5.55 betreft een Duurzame stedelijke ontwikkeling binnen bestaand Stedelijk gebied. Dit artikel is hier niet van toepassing. De locatie is geheel gelegen binnen Landelijk Gebied waarop artikel 5.56 van toepassing is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0078.png"

afbeelding : OV Noord Brabant uitsnede kaart 5 (landelijk gebied)

Artikel 5.56 Afwijkende regels stedelijke ontwikkeling

  • 1. In afwijking van Artikel 5.55, eerste lid, aanhef, kan een omgevingsplan voorzien in een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen, ter plaatse van Landelijk gebied als:
    • a. binnen Stedelijk gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is;
    • b. transformatie van cultuurhistorisch waardevol of ander geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort;
    • c. dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12;
    • d. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afdeling 6.2;
    • e. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting is afgestemd op de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving, waaronder de met deze verordening te beschermen en te ontwikkelen waarden, en;
    • f. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting houdt rekening met een duurzame afronding van het Stedelijk gebied.
  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een planmatige ontwikkeling ten behoeve van een samenhangende stedelijke structuur, die voorziet in de reguliere opvang van de woon- of werkbehoefte van een kern maar die vanwege de omvang niet als stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt.
  • 3. Artikel 5.8, eerste lid onder a, is niet van toepassing op dit artikel.

Analyse en conclusie

De locatie is gelegen binnen het werkingsgebied Landelijk Gebied. In (paragraaf 6.1 van) de motivering van dit plan is middels een ladderonderbouwing de vraag van ASML naar bedrijfsterrein in de regio aangetoond en is met zowel het nationaal, provinciaal als gemeentelijk beleid aangetoond dat de ontwikkeling op de voorgenomen locatie passend wordt geacht. De bedrijfsgebouwen worden op een zorgvuldige wijze binnen de locatie gesitueerd. Er is hierbij rekening gehouden met en uitgegaan van de bestaande stedenbouwkundige, landschappelijke en natuurlijke waarden.

Aan de voorwaarden van artikel 5.56 Ovr wordt voldaan. Het voorliggende plan, waarmee wordt voorzien in een duurzame stedelijke ontwikkeling voor een specifieke vorm van high-tech bedrijvigheid binnen Landelijk gebied, past binnen de Ovr.

Op de locatie zijn verder de volgende werkingsgebieden vanuit de verordening van toepassing:

Beperkingen grootschalige logistiek

Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks werkende regels ten aanzien van grootschalige logistiek. Binnen de locatie is geen grootschalige logistiek toegestaan. Om die reden is dit werkingsgebied voor dit plangebied niet relevant.

Stalderingsgebied

Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks werkende regels ten aanzien van dierenverblijven. Binnen de locatie is de oprichting van dierenverblijven niet toegestaan. Om die reden is dit werkingsgebied voor dit plangebied niet relevant.

Norm wateroverlast stedelijk gebied

Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks werkende regels ten aanzien van waterberging. Binnen de locatie wordt voldoende ruimte gereserveerd om te kunnen voldoen aan de vereiste waterberging (nader toegelicht in paragraaf 6.11).

Wijziging omgevingsverordening

Als gevolg van dit Tam-omgevingsplan is op onderdelen een wijziging van de Ovr aan de orde, te weten:

  • Aanpassing grenzen NNB
  • Vervallen “regionale waterberging” en “reservering waterberging”

Onder de Ovr is achteraf herbegrenzen het uitgangspunt geworden. Bjj de meeste locaties is het zo geregeld dat de ontwikkeling plaats mag vinden als aan de afwijkregels in de Ovr voldaan is. Een voorbeeld is het Natuur Netwerk Brabant. Hierin mag via een ruimtelijke procedure een ontwikkeling mogelijk gemaakt worden die strijdig is met natuurwaarden, mits aan de voorwaarden in de Ovr voldaan wordt, waaronder een voldoende en goed geborgde compensatie. De wijziging van het omgevingsplan is daardoor op het moment van vaststellen niet strijdig met de Ovr, ondanks de ligging in het NNB. Na inwerkingtreding van de wijziging verwerken wij deze in de eerst mogelijke kaartaanpassingsronde (waarbij het NNB verwijderd wordt).

Deze kaartaanpassingsrondes vinden twee keer per jaar plaats. Het ontwerp van de eerste ronde ligt in mei/juni ter inzage en deze wijziging ligt in september voor aan GS ter vaststelling. Het ontwerp van de tweede ronde gaat in december ter inzage en vaststelling vindt plaats het volgende jaar aan het einde van het eerste kwartaal.

Tijdens de terinzagelegging van het ontwerp (6 weken) kan iedereen een zienswijze indienen.

Met de Provinciale overheid is in het kader van bestuurlijk vooroverleg over de ontwikkeling van de ASML campus op BIC Noord de wijziging van de Omgevingsverordening en de in het kader hiervan voorgestelde compensatiemaatregelen besproken, waarbij werd geconcludeerd dat de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan in combinatie met de uitvoering van de voorgestelde compensatiemaatregelen niet leidden tot strijdigheid met de Omgevingsverordening.

Conclusie Ovr

Zoals in bovenstaande paragrafen is beschreven past het initiatief, de ontwikkeling van het ASML bedrijfsterrein op BIC Noord, binnen de Omgevingsverordening.

6.2.3 De Brainport Principles

In de loop van 2020 zijn er kwaliteitscriteria geformuleerd voor nieuwe werklocaties in het Stedelijk Gebied Eindhoven. Deze kwaliteitseisen, die op 2 juli 2020 door het portefeuillehoudersoverleg Economie zijn vastgesteld, zijn opgedeeld in 2 soorten: de Brainport Principles en de Kwaliteitscriteria.

De 'Brainport Principles voor werklocaties' zijn basiskwaliteitseisen voor nieuwe ontwikkelingen. Op basis van die kwaliteitscriteria worden de ontwikkellocaties geprioriteerd. Voorop staat dat sprake is van evenwicht in vraag en aanbod, zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin. Als Brainport principles zijn te noemen:

  • 1. Passende beeldkwaliteit - we stellen eisen aan de kwaliteit van bedrijfsvastgoed. Uiteraard zijn er verschillen tussen binnenstedelijke bedrijventerreinen (hoge kwaliteitseisen) en functionele bedrijventerreinen (minder hoge kwaliteitseisen).
  • 2. Duurzame werklocaties - werklocaties in het SGE lopen voorop op de thema's duurzaam, gezond, bereikbaar en klimaatadaptief. Concreet betekent dit dat nieuwe terreinen zoveel mogelijk energiepositief moeten zijn, dat ze indien mogelijk bijdragen aan de circulaire economie, voldoende groen en water herbergen, en op alle terreinen maatregelen zijn toegepast die de biodiversiteit bevorderen. Daarnaast dient de OV potentie maximaal te worden benut op nieuwe locaties.
  • 3. Georganiseerde werklocaties - bij nieuw te ontwikkelen locaties stellen we voorwaarden aan collectiviteit in de vorm van verplicht parkmanagement of een BIZ (Bedrijven Investering Zone).
  • 4. Aantrekkelijk en gevarieerd werkmilieu - nieuwe locaties bieden ruimte voor bedrijvigheid van verschillende schaalgroottes en verschillende economische activiteiten, en mogelijkheid om voorzieningen te realiseren. Uiteraard zijn er verschillen tussen typen terreinen. Binnenstedelijke werklocaties vragen een ander voorzieningenniveau dan een grootschalig functioneel terrein. Er zijn uiteraard uitzonderingen, denk aan clustering van logistieke bedrijven of thematische terreinen.
  • 5. Invloed voor bedrijven - terreinen worden vraaggericht ontwikkeld. We sluiten zo goed mogelijk aan bij de vraag van bedrijven. Vraag en aanbod worden structureel gemonitord. Er is geen sprake van kwantitatief en kwalitatief overaanbod. De eindgebruiker is bij de gronduitgifte al goed in beeld.
  • 6. Benutting regionale schaalniveau - werklocaties kunnen een lokaal tot bovenregionaal verzorgingsgebied hebben. Een regionaal bedrijventerrein in een gemeente kan daarom ook de vraag vanuit buurgemeenten en zelfs buurregio's bedienen.

Het plan geeft invulling aan deze principes. In de locatie wordt op een markante locatie in Brainport invulling geven aan de ruimtebehoefte van ASML als belangrijkste actor in de hoogwaardige maakindustrie, waarbij – zoals ook in de cluster 1 fase 1 en fase 2 BIC – op een exemplarische wijze een uiterst moderne bedrijfsomgeving tot stand wordt gebracht.

Uit overige – op het VOSP gebaseerde - paragrafen in deze motivering blijkt dat het een duurzame ontwikkeling betreft, waarmee de omgevingskwaliteit, het gebruik van duurzame energie, duurzame mobiliteit en economie wordt bevordert, en rekening wordt gehouden met klimaatverandering.

6.2.4 Conclusie provinciaal beleid en provinciale regels

Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het initiatief en het plan binnen de doelstellingen, beleid en regels van de provincie Noord-Brabant.

6.3 Waterschap De Dommel

Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd. Ook onder de Ow is dit proces vastgelegd maar dan onder de noemer 'weging van het waterbelang'.

6.3.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027

Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving.

Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.

We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:

  • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt
  • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan
  • Wat schoon is moet schoon blijven

We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur.

De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij:

  • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied.
  • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied.
  • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

6.3.2 Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024

Door de ingang van de Omgevingswet per 1 januari 2024 vervangt de Waterschapsverordening Waterschap De Dommel de Brabant Keur. De Waterschapsverordening is een verordening met de wettelijke regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van oppervlaktewaterlichamen (beken, sloten en rivieren), waterkeringen, bergingsgebieden, grondwater en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen, etc.). In de Waterschapsverordening wordt specifieker gekeken naar de regelgeving voor verschillende soorten gebieden en activiteiten.

De Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024 verbiedt het zonder vergunning afvoeren van hemelwater ontstaan door een toename aan verhard oppervlak naar oppervlaktewater. Vrijstelling voor het genoemde verbod wordt gegeven indien de waterparagraaf van het omgevingsplan na 1 januari 2019 schriftelijke goedkeuring heeft gekregen van het waterschap en de maatregelen daarvan zijn uitgevoerd, of de toename aan verhard oppervlak een maximale hoeveelheid van 500 m2 bedraagt en/of de toename aan verhard oppervlak alleen bestaat uit een groen dak.

De rekenregel voor minimale compensatie luidt:

  • Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor (uitgaand van 1) x 0,06 (in m).

De compensatie dient dan wel aan de volgende eisen te voldoen:

  • De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG);
  • De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van minimaal 4 cm te hebben;
  • Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het
    oppervlaktewaterlichaam te voorkomen.

Ten aanzien van het onttrekken van grondwater in het kader van tijdelijke bronbemaling geldt het verbod om zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken of te infiltreren in een beschermd gebied niet indien:

  • De te onttrekken hoeveelheid grondwater maximaal 70 m³ per uur en niet langer dan 5 dagen op een locatie plaatsvindt;
  • De te onttrekken hoeveelheid maximaal 50.000 m³ per maand is;
  • De onttrekking niet langer duurt dan 6 maanden en het onttrokken water volledig wordt
    teruggebracht in de bodem.

Hydrologisch neutraal ontwikkelen

Voor het zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast. Hydrologisch neutraal ontwikkelen hanteert hierbij de volgende voorkeursvolgorde voor het omgaan met regenwater binnen een plan:

1. Hergebruiken;

2. Vasthouden: in de bodem laten trekken;

3. Vasthouden: bergen in een voorziening en langzaam afvoeren richting oppervlaktewater;

4. Weg laten stromen naar het oppervlaktewater;

5. Weg laten stromen naar het riool.

6.3.3 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de regels van de Waterschapsverordening voor het afvoer van hemelwater

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 Maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt of er sprake is van afkoppelen. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de regels van de Waterschapsverordening voor het afvoeren van hemelwater''. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m².

Relatie met voorliggende ontwikkeling

Uit de rapportages van Royal Haskoning die als Bijlage 17 en Bijlage 15 bij deze motivering zijn opgenomen blijkt dat aan het uitgangspunt van Hydrologisch neutraal ontwikkelen in voldoende mate kan worden voldaan.

6.3.4 Conclusie

De activiteit past binnen het beleid van het waterschap.

6.4 Gemeentelijk beleid

6.4.1 Omgevingsvisie Eindhoven

Eindhoven staat voor grote ambities en opgaven. De regio trekt mensen uit binnen- en buitenland die hier graag komen wonen en werken. Tussen 2022 en 2040 komen er in Eindhoven 40.000 woningen en 36.000 arbeidsplaatsen bij. Een stad die groeit, heeft ruimte nodig voor woningen, voorzieningen, groen, verkeer, klimaatmaatregelen en de energietransitie. De ruimte in Eindhoven is beperkt. Daarom moeten we goede keuzes maken en slim met de ruimte omgaan.

Samen met de stad heeft de gemeente Eindhoven de omgevingsvisie Eindhoven opgesteld. De omgevingsvisie Eindhoven helpt te bepalen hoe we de ambities en opgaven een plaats kunnen geven binnen Eindhoven. Het is een integrale visie die de hoofdrichting van de ruimtelijke ontwikkeling van Eindhoven voor de lange termijn bepaalt en die doorwerking krijgt in diverse omgevingsprogramma's en het omgevingsplan. De omgevingsvisie richt zich op het jaar 2040.

De omgevingsvisie beschrijft in de ambitie wat we bereikt willen hebben voor 2040. Daarnaast beschrijft de omgevingsvisie in de opgaven aan welke opgaven we moeten werken om de ambitie te bereiken. Als laatste beschrijft de omgevingsvisie door middel van verstedelijkingsprincipes hoe we de ambitie gaan bereiken.

Op 26 november 2024 is de omgevingsvisie Eindhoven vastgesteld door de gemeenteraad.

 

Ambitie

In 2040 is Eindhoven, binnen haar stadsgrenzen, gegroeid naar een compacte, gezonde, groene stad met een wereldse uitstraling. Het is plezierig om er te wonen, met veel groen, goede voorzieningen en prettige wijken. De stad is slim ingedeeld, met verdichting rondom (H)OV-knooppunten en omgeven door parken en groene ruimtes voor ontmoeting, beweging en ontspanning. Ondanks de verdichting voelt de stad aangenaam en natuurlijk aan. Eindhoven heeft zich ontwikkeld naar een slimme, gezonde duurzame stad voor iedereen. Stevig verbonden met de Brainportregio en de verdere omgeving.

Dit vertaalt zich in de volgende integrale ambitie:

Eindhoven is de stad waar de toekomst gemaakt wordt, met een goede balans tussen onze unieke economie, ecologie en welzijn.

De integrale ambitie is opgedeeld in vier deelambities, die niet los van elkaar kunnen worden gezien. De vier deelambities zijn in evenwicht en vullen elkaar aan en vormen samen de integrale ambitie. Ze zijn:

  • Eindhoven als toekomstbestendige stad: een klimaatadaptieve, gezonde, biodiverse en duurzame stad.
  • Eindhoven als stad voor iedereen: een sociale, inclusieve en gastvrije stad.
  • Eindhoven als hart van de Brainportregio: een innovatieve economische wereldspeler waar iedereen mee doet.
  • Eindhoven als stad in ontwikkeling: een veranderende stad met oog voor eigenheid en historie.

Hoe werken we aan de ambitie?

Eindhoven is in trek om in te wonen en te werken. Het is een prettige, compacte, groene, leefbare en innovatieve stad die steeds in verandering is. De Brainporteconomie zorgt voor een prettig werkklimaat, met een goede samenwerking tussen bedrijven, onderwijs en overheid. Bedrijven willen zich hier graag vestigen, huidige bewoners willen hier blijven wonen en nieuwe inwoners willen hier graag komen wonen.

Door de groei van de stad is er meer behoefte aan woningen, ruimte om je door de stad te verplaatsen, groen, water, voorzieningen, energie en ruimte om te werken. Maar de ruimte in de stad is schaars. Dit zorgt ervoor dat we slim om moeten gaan met de ruimte die we hebben. Het combineren van verschillende functies in één gebied, zoals wonen, werken, groen en voorzieningen heeft veel voordelen. We behalen ruimtewinst en verbeteren de kwaliteit en levendigheid van die gebieden.

Dit vraagt om randvoorwaarden voor de verstedelijking. Deze randvoorwaarden zijn uitgewerkt in zes verstedelijkingsprincipes. De verstedelijkingsprincipes zijn integraal en geven inzicht in de wijze waarop de verschillende stedelijke opgaven in samenhang tot elkaar opgepakt worden. Ze zijn noodzakelijk om de ruimtelijke ambities van Eindhoven waar te maken.

De verstedelijkingsprincipes zijn:

  • De groene hoofdstructuur is leidend voor de gezonde ontwikkeling van de stad.
  • Voldoende ruimte voor energievoorziening is noodzakelijk.
  • Eindhoven is een compacte stad waar nabijheid en meervoudig ruimtegebruik het uitgangspunt zijn.
  • De mobiliteit zorgt voor een verbonden, ruimte-efficiënte en gezonde stad.
  • De Brainporteconomie krijgt ruimte op bestaande en nieuwe economische toplocaties.
  • De ruimtelijke structuur van de stad blijft herkenbaar en we voegen hoogwaardige architectuur toe.

Welke opgave hebben we om de ambitie te bereiken?

De kenmerken van de bestaande stad, de ambitie van Eindhoven en trends en ontwikkelingen leiden samen tot een aantal stedelijke opgaven. Deze opgaven ontstaan uit het verschil tussen de stad van nu en de stad die we in 2040 willen zijn. De opgaven zijn stadsbreed, langjarig en dragen bij aan het realiseren van de ambitie. Ze geven richting aan de ontwikkeling van onze stad.

De stedelijke opgaven zijn allemaal even belangrijk en moeten in samenhang met elkaar worden opgepakt. De stedelijke opgaven zijn:

  • Eindhoven wordt klimaatneutraal.
  • Eindhoven vergroent en wordt gezonder met oog voor mens en dier.
  • Eindhoven bouwt door aan een vitale stad met ruimte voor iedereen en meerdere centra.
  • Eindhoven investeert in leefbare, sociale en veilige wijken.
  • Eindhoven biedt ruimte aan een sterke, concurrerende en duurzame Brainporteconomie.
  • Eindhoven werkt aan duurzame mobiliteit en bereikbaarheid: vlot, veilig en schoon.
  • Eindhoven werkt aan een levendige stad met goede basis- en topvoorzieningen.

Samen met de stad werken wij aan de stedelijke opgaven. We zoeken de samenwerking op met onze ketenpartners (bijvoorbeeld Waterschap, ODZOB, Veiligheidsregio en GGD), bedrijfsleven, overheden (rijk, provincie, SGE en MRE), inwoners, ondernemers, onderwijsinstellingen, welzijnsorganisaties, woningcorporaties, ontwikkelaars en belangenorganisaties.

Locatie

Dit omgevingsplan is gericht op de ontwikkeling van BIC Noord. Naast de unieke combinatie van bedrijven, kennis- en onderwijsinstellingen en voorzieningen gevestigd en voorzien op BIC fase 1 en fase 2 draagt de vestiging van ASML op BIC Noord bij aan de waarde van de campus. BIC is onderdeel van het derde stadspark van de stad: Brainport Park. In combinatie met het uitstekende bereikbaarheidsprofiel van de locatie betekent dit een kans om de wereldwijde voorsprong van Brainport op alle fronten te versterken.

Het omgevingsplan is in lijn met de uitgangspunten van de omgevingsvisie.

6.4.2 Interimstructuurvisie 2009

In december 2009 is de Interimstructuurvisie 2009 door de gemeenteraad van Eindhoven vastgesteld. Met de Interimstructuurvisie 2009 geeft de gemeenteraad invulling aan de ambitie om Eindhoven door te ontwikkelen in zijn kwalitatief hoogwaardige combinatie van wonen, werken en groen. De nadruk ligt daarbij ook op leefbaarheid en bereikbaarheid.

Als kerngemeente van Brainport Zuidoost Brabant stuurt Eindhoven aan op het bieden van ruimte aan een krachtige ontwikkeling van deze economische kernzone, een hoge kwaliteit van de leefomgeving en aandacht voor sociale betrokkenheid en ondernemend burgerschap tot op buurtniveau. Op deze wijze geeft de raad invulling aan het begrip duurzame ruimtelijke kwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0079.png"

afbeelding : ruimtelijke hoofdstructuur Interimstructuurvisie Eindhoven

De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in een kaart die inzicht biedt in de ontwikkelingen ten opzichte van de ruimtelijke hoofdstructuur. De kaart geeft de ontwikkelingen aan binnen de hoofdstructuur. De locatie is in bovenstaande afbeelding globaal aangeduid met een rode cirkel.

De onderdelen van de ruimtelijke hoofdstructuur vormen een raamwerk waarnaar het grondgebruik zich richt. De hoofdstructuur ligt grotendeels vast, in fysieke en/of beleidsmatige zin. Het gaat op hoofdlijnen om onderdelen als de hoofdwegenstructuur, spoorlijnen, waterlopen, het bebouwde gebied en de Groene Hoofdstructuur. De kaart geeft ook nieuwe, te ontwikkelen onderdelen van de hoofdstructuur aan, voortvloeiend uit vastgesteld beleid. Voor de evenwichtige doorontwikkeling van Eindhoven zijn deze essentieel. Voorgenomen ontwikkelingen zijn gearceerd of met een onderbroken lijn aangegeven. De locatie (zie rode pijl in onderstaande kaartweergave) ligt in een dergelijk transformatiegebied.

De Interimstructuurvisie is het resultaat van de integratie van de ruimtelijk relevante raadsprogramma's die tot medio 2009 zijn vastgesteld. Dit is onder andere verbeeld in een kaart die inzicht biedt in de verdeling van het actuele en gewenste grondgebruik. In onderstaande afbeelding is de kaart 'Gebruik van de ruimte' uit de Interimstructuurvisie opgenomen. De locatie is globaal aangeduid met een rode cirkel. De locatie is aangeduid als “werken”.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0080.png"

afbeelding : gebruik van de ruimte Interimstructuurvisie Eindhoven

Relatie met voorliggende ontwikkeling

De locatie is deels gelegen in een transformatiegebied bestemd voor werken. Het plan past in zoverre binnen de Interimstructuurvisie. Een deel van de locatie is gelegen binnen “gebruiksgroen” : Groengebieden, veelal behorende tot de Groene Hoofdstructuur, waarin op voorwaarde van het behoud van de natuur- en landschapskwaliteiten uiteenlopende (groen)recreatieve functies kunnen zijn ondergebracht, zoals maneges, golfbanen, uitloopgebieden, parken, volkstuinen. Verder landbouw, kleinschalige aan het buitengebied gebonden bedrijven (incl kleinschalige horeca), extensieve sportgebieden. In zoverre is de ontwikkeling niet in overeenstemming met dit beleidsdocument uit 2009, dat echter inmiddels is aangevuld met meer concrete op de ontwikkeling van BIC gebaseerde gemeentelijke documenten.

6.4.3 Beleidsregel 'Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen', Parapluplan waterberging en WKA

Beleidsregel 'Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen'

Het klimaat verandert. Dat heeft gevolgen voor Eindhoven. We krijgen onder andere te maken met meer en hevigere buien, langere perioden van droogte en meer hitte(stress). Om in de toekomst prettig te wonen en te werken in onze groeiende stad, is het noodzakelijk nú maatregelen te nemen. De beleidsregel Klimaatrobuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen' biedt daar concrete handvaten voor. De beleidsregel is een uitwerking van het vigerende Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) en het vastgestelde Klimaatplan 2016-2020, met de ambitie om in 2020 als gemeente klimaatrobuust te handelen en in 2050 als stad klimaatrobuust te zijn.

De beleidsregel zorgt er voor dat gemeente Eindhoven per direct klimaatrobuust handelt bij het ontwerp, de inrichting en de realisatie van projecten en dit ook bij private partijen afdwingt per 2019. Dat doet de gemeente met privaatrechtelijke grond- en vastgoedtransacties en publiekrechtelijk middels het opnemen van de beleidsregel in nieuwe en gewijzigde bestemmingsplannen (en omgevingsplannen). Daarbij wordt getoetst aan de criteria voor klimaatrobuustheid, zoals opgenomen in de bijlagen van de beleidsregel. Het uitgangspunt van deze criteria is het voorkomen van wateroverlast, droogte en hittestress door de voorkeursvolgorde “vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater” te hanteren. Groene maatregelen dragen daar aan bij en voorkomen tevens hittestress.

Concreet bestaat de beleidsregel uit:

  • 1. De klimaatadaptatie labels worden het nieuwe monitoringsinstrument om inzichtelijk te maken hoe ver de gemeente is verwijderd van de ambitie om in 2050 als gehele stad klimaatrobuust ingericht te zijn. Daarbij wordt op buurtniveau gevisualiseerd wat het risico op wateroverlast, droogte en hittestress is en op straatniveau in hoeverre de openbare ruimte klimaatrobuust is ingericht.
  • 2. Een nieuwe (her)inrichting van een straat of ruimtelijke ontwikkeling in de openbare ruimte voldoet minimaal aan label B op basis van de uitgangspunten. Label A behalen is optioneel. De programmaleider Water kan daar beargumenteerd van afwijken, als:
    • a. andere maatschappelijke belangen zwaarder wegen en we de risico's en schade die daardoor ontstaan accepteren. In dit geval is het wel vereist dat de nieuwe (her)inrichting of ruimtelijke ontwikkeling minimaal 1 label beter scoort dan de uitgangssituatie;
    • b. als het doelmatiger is de klimaatadaptatie opgave voor deze ontwikkeling in het omliggende gebied op te vangen. In dit geval is het wel vereist dat de nieuwe (her)inrichting of ruimtelijke ontwikkeling minimaal 1 label beter scoort dan de uitgangssituatie. Daarnaast moet de compenserende maatregel maximaal 3 jaar na deze afweging gerealiseerd kunnen zijn.
  • 3. Conform het Klimaatplan 2016-2020 is de gehele stad in 2050 klimaatrobuuster, dus ook een groot deel van de private ruimte moet dan klimaatrobuust zijn. Zodra de gemeente Eindhoven in de juridische positie is om eisen te stellen aan klimaatrobuustheid zal ze dat dan ook doen bij inwerking treden van het GRP 2019-2022. Dit geldt:
    • a. bij bouwaanvragen die het bodem- en watersysteem kunnen beïnvloeden en nieuwe of gewijzigde bestemmingsplannen (en omgevingsplannen);
    • b. bij initiatieven waarin de gemeente een grondpositie heeft, wordt het instrumentarium van de Nota Grondbeleid 2017-2021 ´Koersen op Waarden' gebruikt om klimaatrobuustheid als harde randvoorwaarde te stellen. Deze nota geeft aan dat duurzaamheid één van de vier centrale waarden is in het grondbeleid.
  • 4. Uitzondering op regel 3, waarbij de gemeente geen aanvullende eisen aan klimaatrobuustheid kan stellen, zijn:
    • a. initiatieven die passen binnen geldende bestemmingsplannen.
    • b. in het geval dat er al afspraken zijn gemaakt en/of vergunningen zijn verstrekt. Samenhangend met het beginsel van behoorlijk bestuur worden verleende vergunningen gerespecteerd.
    • c. bijzondere situaties, zoals verbouwingen van monumenten, om maatschappelijke desinvestering te voorkomen.
  • 5. De Prestatieafspraken met de Woningbouwcorporaties worden ingezet om bij nieuwbouw en verbouwing in de sociale woningbouw klimaatrobuustere woningen en percelen te realiseren conform bijlage 1 van deze beleidsregel.
  • 6. Als er geen gemeentelijke grondpositie is en het klimaatrobuust bouwen niet in strijd is met het bestemmingsplan, zal de gemeente de initiatiefnemer stimuleren tot klimaatrobuust bouwen door middel van goede argumenten.

BIC Noord wordt gasloos en de gebouwen energieneutraal. Alle energie die nodig is duurzaam en, waar mogelijk, lokaal opgewekt. De opbrengsten van overproductie dragen bij aan de business case voor bedrijven in het gebied. Door middel van de waterberging en afvoer, wordt de natuurlijke waterhuishouding van het gebied versterkt. BIC II gaat gasloos opereren. Collectieve voorziening voor warmte en koude zorgt dat het gebouw efficiënter functioneert. Door de gebruiksdata te analyseren en daarmee piekvermogens te reduceren kan BIC fase 1 cluster 2 ten volle profiteren van het schaalvoordeel op zowel warmte als elektra.

Daarnaast spant initiatiefnemer zich in zoveel mogelijk waarde te bieden op de overige duurzaamheidsambities van de gemeente Eindhoven. In afstemming met de gemeente zorgt initiatiefnemer ervoor dat duurzaamheidsmaatregelen geïmplementeerd worden bij de verdere planontwikkeling en realisatie (waaronder gasloos bouwen, CO2-vermindering, energieneutraliteit).

Paraplubestemmingsplan waterberging 2020

De gemeente heeft voor haar gehele grondgebied een integrale, regeling in voorbereiding. Daartoe is het 'Paraplubestemmingsplan waterberging 2020' inmiddels vastgesteld. In dat parapluplan wordt geregeld dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen vast dient te staan dat wordt voorzien in een waterberging of andere maatregelen die bijdragen aan de klimaatbestendigheid.

De inhoud van de waterberging en de omvang van de andere maatregelen worden vastgesteld met toepassing van de beleidsregel "Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen" behorende bij de bijlage uit het Gemeentelijk Rioleringsplan Eindhoven 2019-2022 met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode kan worden gewijzigd en aan de hand van die nieuwe beleidsregels wordt bepaald of er sprake is van voldoende bijdrage aan de klimaatbestendigheid.

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning nadere eisen stellen ten aanzien van de maatvoering van de waterberging, indien dit, gelet op de feitelijke omstandigheden, noodzakelijk is.

Water- en Klimaatadaptatie Aanpak (WKA) 2023-2026

Het Water- en klimaatadaptatie Aanpak (WKA) verantwoordt aan de inwoners van Eindhoven de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. In het WKA 2023-2026 wordt aangegeven op welke wijze er omgegaan wordt met de zorgplichten rondom afval-, hemel- en grondwater. Hiervoor zijn in het plan activiteiten opgenomen enerzijds gericht op het beheer en onderhoud en anderzijds op het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel.

Speerpunt van het WKA is het inspelen op de klimaatverandering welke extreme regenbuien, langdurige droogteperiodes en hittestress met zich meebrengt. Hiervoor zijn uitgangspunten, richtlijnen en ontwerpnormen uit het klimaatplan 2016-2020 en de hierin benoemde beleidsregel ´Klimaat robuust (her)inrichten en ruimtelijk ontwikkelen´ nader uitgewerkt. Concreet betekent dit dat voor het aspect water bij nieuwe ontwikkelingen tot max. 75 mm berging gerealiseerd dient te worden over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied. Daarbij kan de waterbergingseis gereduceerd of verhoogd worden naargelang de hoeveelheid groen of grijs binnen datzelfde plangebied. Dit om overlast van hittestress, verdroging en biodiversiteit te beperken. Om initiatiefnemers te ondersteunen heeft de gemeente een website ontwikkeld waar de benodigde waterberging kan worden berekend en voorbeelden zijn beschreven om invulling te geven aan de waterklimaatopgave.

Relatie met voorliggende ontwikkeling

Bij de ontwikkeling van de ASML bedrijfsterrein wordt rekening gehouden met deze eisen en maatregelen, zodat wordt voldaan aan het paraplubestemmingsplan en de beleidsregel. De desbetreffende bepalingen zijn in de planregels vertaald.

6.4.4 Bedrijvigheid

Op 15 maart 2016 heeft de gemeenteraad de Bedrijventerreinennota met de titel 'Aan de slag voor waardevolle locaties' vastgesteld. Deze is gepubliceerd op 2 november 2016. Met deze nota wordt richting gegeven aan het beleid voor en de ontwikkelingsrichting van de bedrijventerreinen. De nota heeft betrekking op de 16 grootste (>5 ha) bedrijventerreinen van Eindhoven, inclusief campussen. De helft van de werkgelegenheid in Eindhoven en de regio hangt samen met deze 16 bedrijventerreinen. Daarmee zijn de terreinen een heel belangrijke pijler onder Brainport, de tweede economische motor van Nederland en een van de meest prominente hightech centra van Europa. Veel Brainport (gerelateerde) bedrijvigheid en economische clusters zijn op deze bedrijventerreinen - en die in de regio - gevestigd.

Doel van de nota is de grote waarde die de terreinen hebben naar de toekomst toe te borgen en verder te vergroten. Dit in het belang van het functioneren van de bedrijven en de welvaart en het welzijn van de inwoners in Eindhoven en Brainport. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met het brede palet aan economische activiteiten en daarmee samenhangende wensen en eisen die aan de bedrijventerreinen in Eindhoven worden gesteld.

Het plangebied

In de nota worden de bedrijventerreinen van Eindhoven verdeeld in vier typen terreinen. Onderhavig plangebied is aangewezen als campus als onderdeel van de BIC Campus, zoals de HTC en TU/e.

6.4.5 Conclusie

Uit deze motivering blijkt dat sprake is van een zorgvuldige belangenafweging en duurzame ruimtelijke verstedelijking, die past binnen de hoofdlijnen van het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 7 Fysieke leefomgeving en milieu

7.1 Ladder van duurzame verstedelijking

7.1.1 Algemeen

De toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Artikel 5.129g Bkl (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand):

  • 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, en detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
  • 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:
    • a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
    • b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor:
    • a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en
    • b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid.
  • 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.1.2 Beoordeling

Duidelijk is dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein. Aldus is de laddertoets van toepassing op de vestiging van ASML op BIC, e.e.a. indien sprake is van een “nieuwe” stedelijke ontwikkeling.

Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

Het Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling zijn wel lijnen uitgezet. : de Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' en 'substantieel' is. Voor wonen is de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bij andere stedelijke functies in de vorm van een terrein is de ondergrens 500 m2. Dus met een ruimtebeslag van minder dan 500 m2 is er 'in beginsel' geen stedelijke ontwikkeling. Bij toevoeging van een gebouw ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500 m2.

Zoals gesteld geldt de Laddertoets alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dus worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is of met andere woorden of het ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan het geldende omgevingsplan toestaat.

De Afdeling geeft hierover aan:

Bij de beantwoording van de vraag of een stedelijke ontwikkeling een nieuwe stedelijke ontwikkeling behelst, moet in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre de activiteit, in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan (…)

Een bestemmingsplan dat bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar ten opzichte van het voorgaande planologische regime niet voorziet in een groter planologisch beslag op de ruimte en niet voorziet in een functiewijziging, voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro (…).

Onbenutte planologische mogelijkheden die in het voorgaande bestemmingsplan bij recht waren voorzien dienen in de vorenbedoelde vergelijking te worden betrokken. Dit betekent dat deze onbenutte planologische mogelijkheden in een nieuw plan mogen worden opgenomen, zonder dat hoeft te worden voldaan aan de in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro genoemde eisen (…)

Een plan dat bij recht voorziet in een stedelijke ontwikkeling, maar ten opzichte van hetgeen het voorgaande plan bij recht, in combinatie met een afwijkingsbevoegdheid mogelijk maakte, niet in relevante mate voorziet in meer of andere planologische mogelijkheden, voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. (…)

Het is evident dat bij de ontwikkeling van het ASML bedrijfsterrein op BIC Noord een substantieel nieuw en groter beslag op de ruimte plaatsvindt omdat in aanzienlijke mate bebouwing mogelijk wordt gemaakt die ter plaatse thans niet mogelijk is. Deze ontwikkeling is dus een “nieuwe” stedelijke ontwikkeling, waardoor laddertoets aan de orde is.

Op grond van het vorenstaande komen zes vragen aan de orde:

  • 1. Wat is de ruimtebehoefte van ASML;
  • 2. Waarom kan ASML niet volstaan met haar vestiging in Veldhoven;
  • 3. Waarom kan ASML niet elders worden gevestigd buiten de regio;
  • 4. Waarom kan ASML niet elders worden gevestigd in de regio;
  • 5. Waarom kan ASML niet onderdeel worden van BIC 2;
  • 6. Wat is het gevolg van de vestiging van ASML op BIC.

Waarbij de eerste vier vragen specifiek zien op de toepassing van artikel 5.129g Bkl en de laatste vragen invulling geven aan een ruimer – maar in het kader van etfal wel relevant - beoordelingskader.

1. Wat is de ruimtebehoefte van ASML?

De halfgeleiderindustrie waarvan ASML onderdeel is, behaalde in 2020 een omzet van pakweg ruim vierhonderd miljard euro. Naar verwachting zal de vraag naar halfgeleiders ofwel “chips” in de komende jaren flink doorgroeien, vanwege onder automotive, kunstmatige intelligentie, iot-devices, edgecomputing en de cloud, de 5G-infrastructuur alsmede datacentra om alle data te verwerken en op te slaan. De jaarlijkse groei van de halfgeleiderindustrie als geheel wordt geschat op ongeveer 7 % procent, waarbij verschillende segmenten vragen om verschillende soorten chips.

ASML maakt zelf geen chips, maar is toonaangevend op het gebied van geavanceerde lithografische systemen. Het bedrijf doet onderzoek naar, ontwikkelt, ontwerp, bouwt, verkoopt en onderhoudt de machines die essentieel zijn voor de fabricage van chips.

De halfgeleiderindustrie kenmerkt zich door een kort cyclisch karakter (twee tot vier jaar), zowel in de marktomstandigheden als in de techniek. Het bijhouden en met name entameren van technische ontwikkelingen is derhalve essentieel voor de continuïteit van ASML. Het bedrijf voorziet voor de komende jaren zowel het aantal geleverde machines, alsook de verwerkingscapaciteit van haar machines sterk te verhogen, zodat hiermee aan de mondiale vraag naar chips kan worden voldaan. Daarbij concentreert ASML zich niet alleen op de geavanceerde EUV-machines, maar ook op de lithografiesystemen voor de “eenvoudigere” DUV-lithografie.

Tijdens de investor days in november 2024 is onderstaande prognose gepresenteerd, waarmee wordt aangegeven dat een omzet van 28 miljard in 2024 in 2030 zal stijgen tot een omzet van 44 tot 60 miljard in 2030.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0081.png"

presentatie ASML november 2024

Omdat de wereld verder digitaliseert moet ASML meegroeien. Om dit allemaal mogelijk te maken, moet de productiecapaciteit van lithografiemachines efficiënter worden. Machines voor DUV moeten 10 procent sneller geproduceerd gaan worden en de productielijnen moeten worden uitgebreid. EUV-scanners moeten zelfs 35 procent sneller gemaakt worden.

Naast de internationale vestigingen van ASML in diverse landen is het hoofdvestiging van ASML gevestigd aan de Run 1000 en Run 7000 in Veldhoven. Dit bedrijfsterrein zal in 2030 circa 40 ha omvatten.

Om te kunnen komen tot een toename van de omzet van 28 miljard naar 44 tot 60 miljard wordt een tweede ASML bedrijfsterrein noodzakelijk geacht van 30 – 35 ha, waar maximaal 17.000 ASML werknemers een werkplek gaan vinden. De locatie BIC Noord voldoet met een bruikbaar oppervlakte van circa 33 ha aan deze voorwaarde.

Tussenconclusie 1:

De ruimtebehoefte van ASML zal de komende jaren dienovereenkomstig substantieel toenemen, waarbij het bedrijf de facto in omvang wordt verdubbeld. De exacte hoeveelheid m2 bouwvolumes en de onderverdeling hierbij tussen cleanroomgebouwen en bedrijfskantoorgebouwen zijn nog niet te duiden.

Wel is duidelijk dat de vraag naar chips en dus naar de ASML machines zeer fors zal blijven toenemen en dat om aan deze vraag te kunnen voldoen ongekende inspanningen en investeringen nodig zijn, die als een vliegwiel voor de Brainport regio Eindhoven kunnen werken. De hiermee samenhangende ruimtevraag is evident : Om te kunnen komen tot de voorziene groei van ASML is een verdubbeling van de omvang van het bedrijf noodzakelijk, waaruit een ruimtebehoefte resulteert van circa 30 - 35 ha.

2. Waarom kan ASML niet volstaan met haar vestiging in Veldhoven?

Het is objectief bezien niet mogelijk dat ASML haar toekomstige ruimtevraag invult binnen de gemeente Veldhoven, waarbij op de Run 1000 sprake is van een bedrijfs-kantoor-omgeving en op de Run 6000/7000 van een bedrijfs-cleanroom-omgeving.

Verdere uitbreiding in Veldhoven kan weliswaar gevonden worden in het gebied van de Run 7000 tussen het bestaande ASML bedrijfsterrein en de Heerseweg, door enige herontwikkeling en verdere intensivering het bestaande ASML bedrijfsterrein op de Run 6000 alsmede door verdere invulling van de Run 1000.

Hiermee kan echter geen voldoende stabiele basis worden gevonden voor een de facto verdubbeling van omzet (en dus productie) van de ASML machines. Het voor ASML beschikbare bedrijfsterrein aan de Kempenbaan is simpel gesteld niet groot genoeg om te komen tot een verdubbeling in omvang van het bedrijf ASML.

Als dit fysiek al mogelijk zou zijn (quod non) dan zou hierdoor een bedrijfsmilieu ontstaan met dusdanig intensieve bebouwing en gebruik dat hiermee niet langer een voldoende optimaal bedrijfsklimaat kan worden gerealiseerd. Ook de toename van verkeer zou - ook bij toepassing van de modal split formule - leiden tot weinig wenselijke intensivering van het lokale verkeer ter plaatse.

Tussenconclusie 2:

De invulling van de volledige toekomstige ruimtebehoefte van ASML in Veldhoven leidt – voorzover dat al mogelijk zou zijn - niet tot een optimale en evenwichtige bedrijfsomgeving van een voldoende omvang voor de noodzakelijke uitbreidingscapaciteit.

3. Waarom kan ASML niet worden gevestigd elders buiten de regio?

Om deze vraag te beantwoorden zijn twee aspecten van belang:

  • het functioneren van het bedrijf ASML enerzijds en
  • de samenwerking tussen ASML en toeleveranciers anderzijds.

ASML op hoofdlijnen

Een ASML machine wordt in een cleanroom gefabriceerd c.q. geassembleerd. Dit betreft een zwaar geconditioneerde ruimte, waarin reinheid, luchtvochtigheid, luchtdruk, temperatuur (exact 21 graden) etc. binnen zeer nauwkeurige parameters wordt gegarandeerd. De lucht in een cleanroom is 10.000 x schoner dan de buitenlucht.

Kern en doel van de ASML activiteiten blijft het steeds verder verfijnen van hun machines waardoor de verkleining ook steeds verder toeneemt. Dit verklaart de toename van de complexiteit van de taak waarvoor ASML zich gesteld ziet. Om de nieuwere machines en op termijn ook toekomstige machines te kunnen blijven uitvinden en vervolgens ook realiseren is steeds meer menselijke denkkracht noodzakelijk.

Naast een toename van ASML personeel is ook de juiste positionering van het ASML personeel een belangrijke factor. Bedoeling is dat de bedrijfs(kantoor)ruimten op zo kort mogelijk afstand van elkaar worden gerealiseerd, waarbij ook de afstand tot cleanrooms zo klein mogelijk is. Het is hierdoor dat de benodigde uitwisseling van kennis en gedachten wordt bevorderd zodat de gecombineerde inzet hiervan leidt tot het behouden van de technische voorsprong die ASML wereldleider heeft gemaakt.

De reden voor en het belang van de centralisatie is relatief eenvoudig uit te leggen . De totstandkoming van een ASML machine kent drie stadia : “research”, “development” en “production”, waarbij bovendien sprake is van zowel evolutie alsook revolutie van ideeën.

  • Research : nieuwe oplossingen voor de uitdagingen behorende bij de steeds toenemende verkleining en verfijning worden “ontdekt” c.q. “uitgevonden”.
  • Development : vervolgens dient te worden bezien of en zo ja op welke wijze de ontdekkingen zo kunnen worden vormgegeven en verfijnd dat kan worden gekomen tot een te produceren onderdeel of product.
  • Production : tenslotte dient te worden gekomen tot het feitelijk vervaardigen van de onderdelen c.q. de machines om te komen tot een voor de klanten van ASML voldoende deugdelijk bruikbaar product : “de chip-machine”.

De drie stadia van totstandkoming kennen verschillende technische werkvelden, zoals mechanica, elektriciteit, licht, optische techniek etc.. Al deze werkvelden zijn met elkaar verweven en dienen nauw samen te werken om hun bijdrage te kunnen leveren aan het geheel. Hiertoe moeten op een bestendige manier allerlei specialisten in diverse stadia samenwerken om ideeën te transformeren tot een maakbare en bruikbare werkelijkheid.

De extra reden voor de grote hoeveelheid technische ASML werknemers is te verklaren door het feit dat ASML een range aan machines maakte en maakt, waarbij ook de “oudere” modellen voor vele doeleinden nog prima bruikbaar zijn. Niet iedere toepassing behoeft immers de meest moderne chips, zodat lang niet alle klanten de noodzaak kent om de meest vooruitstrevende ASML machine aan te schaffen. Ook de oudere machines kennen echter een proces van evolutie, waarbij latere kennis en kunde wordt ingezet om deze machines te verbeteren of verfijnen. Dit betekent dat een ASML technicus het ene moment werkzaam kan zijn aan de nieuwste machine terwijl vervolgens zijn aandacht en inzet wordt gevraagd voor de oplossing van een vraagstuk bij een machine van meerdere jaren oud.

De ASML technici / ontwikkelaars zijn dus niet gebonden zijn aan een bepaalde activiteit maar werken vaak (modulair) aan meerdere producttypes en generaties. Het is hiertoe zeer bevorderlijk als zij op een maximale afstand van circa 30 minuten inzetbaar zijn in meerdere ASML gebouwen om aldus optimaal te kunnen samenwerken in een netwerk van collega's.

Aldus is het gehele bedrijf ASML samen te vatten als een verzameling van unieke technische talenten die op diverse werkvelden in verschillende stadia van ontwikkeling doende zijn met een veelvoud aan ASML machines. Om dit alles mogelijk te maken dienen de afstanden tussen de verschillende medewerkers zo klein mogelijk te zijn.

De rol van de toeleveranciers

ASML heeft vestigingen over de hele wereld, maar het onderzoek en de productie zijn te vinden in Nederland. Dat heeft vooral te maken met de intensieve manier waarop ASML samenwerkt met haar gespecialiseerde hightech toeleveranciers. Veel van deze bedrijven zijn gevestigd in de Brainport-regio. Veel onderdelen van een ASML-machine worden door deze bedrijven gemaakt en komen naar ASML, waar de onderdelen bij elkaar worden gebracht en de machine in elkaar wordt gezet.

Om een chipmachine te kunnen ontwikkelen is nauwe samenwerking tussen vele partners nodig. ASML ontwikkelt de nieuwste technologie in nauwe samenwerking met partners binnen de Brainport regio. Dit zijn lange termijn relaties die ervoor zorgen dat de regio in staat is om innovaties te versnellen. Daarnaast biedt dit hechte netwerk een veelheid aan kennis in vele verschillende disciplines, wat ook weer bijdraagt aan de aantrekkingskracht van de regio. Onderstaand figuur laat zien hoe met verschillende partners gewerkt wordt aan het tot stand komen van de nieuwste machines waarin al deze technologieën samenkomen.

 afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0082.png"

afbeelding : schematische weergave partners in ASML proces

Gezien de duizenden verschillende onderdelen en technologieën waarmee de nieuwste chipmachines worden opgebouwd zal deze vraag naar toeleveranciers en innovatieve ideeën alleen maar toenemen. Samenwerking in deze technologieën is daarom van cruciaal belang. Hierdoor zal de vestiging van ASML op BIC ook stimulerend en sturend werken voor de verdere ontwikkeling en invulling van BIC 2 en mogelijk op termijn het BIC-mix gebied.

Tussenconclusie 3:

Gezien de interne werkwijze van ASML en de (noodzaak tot) samenwerking met diverse bestaande toeleveranciers bestaat er een noodzaak om de projectdoelstelling te realiseren in de brainport-regio c.q. in de directe nabijheid van de hoofdvestiging in Veldhoven.

4. Waarom kan ASML niet worden gevestigd elders in de regio?

Het antwoord op deze vraag is ook tweeledig.

Zoals bij de beantwoording van vraag 3. beschreven is de nabijheid van een tweede ASML bedrijfsterrein ten opzichte van de bestaande campus in Veldhoven van belang om tot uitwisseling van de diverse disciplines te kunnen komen.

Simpel gesteld : “in geval van een opsplitsing van het bedrijf moet de tweede campus niet te ver weg zijn gelegen. De reistijd tussen beide campussen moet kort zijn”.

Vervolgens heeft de nieuwe ASML bedrijfsterrein een bepaalde omvang. Het bedrijf kan niet in meerdere delen worden opgeknipt om aldus in de regio verdeeld te worden geplaatst. De bedrijfskantooromgeving dient ook nabij de cleanroomomgeving gesitueerd te zijn vanwege de samenhang en kruisbestuiving van “research”, “development” en “production”. Hierdoor is een onderverdeling van het bedrijf in twee delen als enige oplossing aan de orde, waardoor de tweede campus een bepaalde omvang dient te hebben.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0083.png"

afbeelding : ligging ASML Campus EHV en VHV

Tussenconclusie 4:

Zowel door de nabijheid ten opzichte van de Run in Veldhoven en gezien de omvang van het beschikbare terrein is BIC de enige optie voor een tweede campus van ASML in de Brainportregio, welke geschiktheid wordt gecomplementeerd door de centrale ligging aan de A58 / A2.

5. Waarom kan ASML niet worden gevestigd als onderdeel van BIC 2?

ASML kan (behoudens wellicht ondersteunende onderdelen zoals ook in BIC 1 aanwezig) geen onderdeel worden van BIC 2 omdat de opzet van BIC 2 hiertoe niet geëigend is.

BIC 2 kan worden gekenmerkt als een “high-tech-bedrijfsverzamelgebouw” van 225.000 m2 bvo en een bebouwingshoogte van max. 20 meter, waarbinnen diverse (kleinere) bedrijven samenkomen in een collectieve omgeving die hun samenwerking stimuleert.

Voor BIC 2 is gekomen tot een schakeling van lineair georganiseerde fabrieken: de 'stripes' die zo in het landschap zijn gelegd, dat de impact op de omgeving zo klein mogelijk is en er een gevarieerd beeld ontstaat met een kleinere schaal van de fabriek. Deze stripes zijn gebaseerd op een moduulmaat overeenkomstig BIC cluster 1 fase 1, gerelateerd aan de gewenste flexibiliteit van de fabrieken van verschillende grootte. Alle fabrieken grenzen hiermee zowél aan de centrale ontsluiting als aan het landschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0084.png"

afbeelding : BIC fase 2

Binnen het ontwerp van het totaal zijn 3 stripes “uitgenomen” ten gunste van landschap en logistiek. Hierdoor wordt het grotere geheel opgeknipt in 4 gebouwen wat ook fasering mogelijk maakt. Deze vormgeving van de bebouwing middels “stripes” met een standaard breedte van 25 m1 en schuine daken is ruimtelijk kennelijk erg belangrijk en de drager van het concept van deze fase van BIC. In de regels is e.e.a. zeer stringent vastgelegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0085.png"

afbeedling: ontwerp BIC 2 afbeelding: fasering BIC 2

Binnen dit concept is een ASML bedrijfsterrein zoals op BIC voorzien niet realiseerbaar, omdat deze een ruimtevraag kent (de combinatie van cleanroom- en bedrijfskantooromgeving) die niet inpasbaar is in bovenomschreven concept, waarbij bovendien geen sprake meer zou zijn van een diversiteit aan bedrijven en dus een meerwaarde voor de doelgroep van BIC.

Deze meerwaarde kan wel worden gerealiseerd door de aanwezigheid van een volwaardige ASML bedrijfsterrein naast de BIC campus, waardoor juist een verdere samensmelting van de Original Equipment Manufacturer (OEM) ASML en de brainport toeleveranciersketen kan plaatsvinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0086.png"

afbeelding : DOSP BIC 2 maatvoering stripes

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0087.png"

afbeelding : indicatieve weergave ASML bedrijfsterrein op BIC Noord

Aldus is het zowel in het belang van ASML (zie vragen 1. 2. en 3.) alsook in het belang van de verdere ontwikkeling van het BIC concept dat het ASML bedrijfsterrein in het noorden van het gebied tot ontwikkeling komt, waarbij op termijn het middengebied “BIC-mix” op termijn ofwel zal worden ingevuld met een verdere ontwikkeling van ASML dan wel een verdere ontwikkeling van het BIC concept of beiden, e.e.a. afhankelijk van de concrete ruimtevraag van ASML en de hierbij resterende ruimte voor aanvullende BIC ontwikkeling.

Tussenconclusie 5:

De vestiging van ASML op BIC 2 is niet mogelijk binnen de ruimtelijke kaders die in het nieuwe bestemmingsplan van BIC 2 zijn opgenomen.

6. Wat is het gevolg voor de regio van de vestiging van ASML op BIC?

Het gevolg voor de Brainportregio van de vestiging van ASML op BIC is substantieel.

In het verstedelijkingsakkoord Stedelijke Gebied Eindhoven, Visie van november 2021 hebben de partijen afspraken gemaakt over verschillende onderwerpen om de groei van de regio te accommoderen. De voornoemde groei van ASML binnen deze regio van circa 18.000 arbeidsplaatsen naar circa 40.000 arbeidsplaatsen is geprognotiseerd binnen het kader 'werken en voorzieningen' waar gesproken wordt gesproken om het aantal arbeidsplaatsen te laten groeien naar 72.000 arbeidsplaatsen.

Zoals hiervoor aangegeven kan ASML komen tot een intensievere groei in uitsluitend Veldhoven als alternatief voor een beperktere groei in Veldhoven in combinatie met de vestiging van ASML op BIC Eindhoven. Dit lijkt echter geen te prefereren ontwikkeling.

Doordat ASML op BIC tot een tweede bedrijfsterrein komt kan het BIC niet meer volledig uitgroeien in de oorspronkelijk hiervoor bedachte opzet en omvang. BIC zal dus uiteindelijk bestaan uit BIC 1 (bestaand), BIC 2 (bestemd en in ontwikkeling) en BIC-mix (invulling nader te bepalen).

Inmiddels kan worden geconstateerd dat de OEM'ers in Brainport, met ASML voorop, zich steeds meer richten op hun kernactiviteiten aan het begin van de keten (R&D) en het einde daarvan (marketing, sales & services). Het “denken” (in bedrijfskantoren) en het “maken” (in cleanrooms) kan dus zowel beiden bij ASML plaatsvinden dan wel deels bij ASML en deels bij haar toeleveranciers.

De toeleverende industrie is meer en meer verantwoordelijk voor de gehele productieketen. Belangrijk daarbij is dat de keten niet meer in opeenvolgende stappen werkt. Voorheen waren mechanica, elektronica, software en design gescheiden werelden. Maar baanbrekende innovatie vereist optimale samenwerking tussen alle disciplines. Deze op innovatie gerichte samenwerking binnen de keten is uniek in de wereld.

Dit zo zijnde draagt de komst van ASML naar BIC zonder twijfel bij aan de verdere invulling van BIC 1, BIC 2 en mogelijk ook BIC-mix, omdat hiermee immers een belangrijke schakel wordt gevormd voor het nieuwe samenwerken tussen OEM (ASML) en de diverse toeleveranciers en daarmee voor het functioneren van de BIC en de Brainportregio als geheel.

Tussenconclusie 6:

De vestiging van ASML op BIC zorgt enerzijds voor een doordachte invulling van de ruimtebehoefte van ASML en anderzijds voor een evenwichtige verdere ontwikkeling van BIC die passend is bij de omvang van de high-tech industrie in de Brainport-regio.

7.1.3 Conclusie

Met de vestiging van ASML op BIC wordt voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hiertoe is in deze paragraaf aangegeven de behoefte aan deze stedelijke ontwikkeling en gemotiveerd waarom elders (zowel binnen als buiten stedelijk gebied) niet in deze behoefte kan worden voorzien.

Het initiatief voldoet aan het Bkl voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.

7.2 M.e.r.-beoordeling

7.2.1 Algemeen

De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.

Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.

De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r.

De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.

7.2.2 Toetsing

De beoogde ontwikkeling moet worden aangemerkt als een industrieterrein en staat genoemd onder J10 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In deze bijlage zijn voor deze activiteit geen indicatieve drempelwaarden meer benoemd. Dit betekent dat het bevoegd gezag ten behoeve van de besluitvorming over wijziging van het Omgevingsplan in alle gevallen dient te bepalen of het initiatief leidt tot aanzienlijke milieugevolgen en er aanleiding is tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure.

Kernvraag is hoe om te gaan met de mer-plicht in het kader van de realisatie van het ASML bedrijfsterrein op BIC Noord. Voor het gehele Brainport Industries Campus (BIC) is in 2015 een gecombineerde plan-/project MER opgesteld. Het daaraan gekoppelde ruimtelijk besluit was het bestemmingsplan voor de realisatie van cluster 1. Daarna is in 2017 een Aanvulling op het MER voor de benodigde infrastructuur om heel BIC en het noordwesten van Eindhoven te kunnen ontsluiten, opgesteld. Tot slot is in 2024 een plan-mer beoordeling uitgevoerd voor cluster 2.

Aanvulling bestaande mer

Voor BIC is dus al een volledige mer doorlopen voor het hele terrein. Voor twee besluiten is echter apart aandacht aan mer besteed (infrastructuur en invulling cluster 2). Ook is de invulling door ASML mogelijk verschillend, wat ook wel kan leiden tot andere/meer milieueffecten dan in 2015 onderzocht is. Duidelijk is dat sprake is van enkele aspecten die maken dat MER wel (aanvullend) beschouwd moet worden:

  • enkele thema's ontbreken in het oorspronkelijke MER uit 2015;
  • bepaalde thema's (mobiliteit, geluid, stikstof) kennen een hoge veranderdynamiek en omvatten (wellicht significante) verschillen met de beschouwingen in het MER uit 2015;
  • de ASML ontwikkeling omvat een invulling van meerdere clusters;
  • de ASML ontwikkeling dient vergeleken te worden met de BIC bedrijfsinvulling die als uitgangspunt is genomen bij de MER in 2015;
  • er is veel (politiek-maatschappelijke) aandacht voor de ontwikkeling.

Verder is het zo, dat als voor een plan, vanwege niet uit te sluiten effecten op Natura 2000, een Passende Beoordeling gemaakt moet worden, een plan-mer-verplichting geldt. In de wet is echter een bepaling opgenomen dat als alleen vanwege een passende beoordeling een plan-m.e.r.-plicht van toepassing is in sommige gevallen een plan-m.e.r.-beoordeling mag worden uitgevoerd. Er moet sprake zijn van een klein gemeentelijk gebied of een kleine wijziging van een plan waarvan het bevoegd gezag eerder beoordeeld heeft dat die geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Duidelijk is dat sprake is van een klein gebied in relatie tot het totale oppervlakte van de gemeente Eindhoven.

Aldus is besloten om in het kader van onderhavig TAM-omgevingsplan om te komen tot een Aanvulling op het milieueffectrapport (2015). Hiermee worden de genoemde aandachtspunten voldoende geborgd en geeft ook voldoende zwaarte aan het te nemen besluit in relatie tot mer, waarbij de Passende Beoordeling geheel onderdeel zal zijn van de effectbeschrijvingen en -beoordelingen.

Het doel van de Aanvulling is drievoudig:

  • Het goed meenemen van het belang van de fysieke leefomgeving bij de besluitvorming.
  • Inzicht bieden in mogelijke beschouwde alternatieven (scenario's en varianten).
  • Het procedureel (wettelijk) goed doorlopen van de juridische verplichtingen rondom mer.

Voor dit project is aldus tot een Aanvulling MER gekomen, neergelegd in het document “Aanvulling MER, BIC Noord, inclusief wegenstructuur” d.d. 6 februari 2026 hier in Bijlage 5 opgenomen. Als conclusie wordt door Antea Group aangegeven:

De ontwikkeling van BIC Noord en bijbehorende wegenstructuur is een ontwikkeling met (licht) negatieve effecten op verschillende onderwerpen. Om deze reden is in 2015 een mer-procedure doorlopen om het milieubelang vroegtijdig en volwaardig een plek te geven. Die mer-procedure biedt de juridische grondslag voor alle bestemmingsplan- dan wel omgevingsplanwijzigingen die in het Brainport Park opgesteld zijn. Zo ook voor de ontwikkeling van BIC Noord.

Deze aanvulling voorziet in een toets of de effecten die optreden als gevolg van BIC Noord afdoende beschreven zijn in het MER. Voor alle onderdelen van het beoordelingskader kan geconcludeerd worden dat de effecten van BIC Noord vallen binnen de bandbreedte van effecten die in het MER (2015) beschreven zijn .

Bovenstaande conclusie betekent niet dat er geen negatieve effecten optreden. Per thema worden door Antea Group de relevante effecten beschreven en de hierbij van toepassing zijnde mitigerende/compenserende maatregelen. Verwezen wordt naar bijlage 5.

7.2.3 Conclusie

Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

7.3 Bedrijven en milieuzonering

7.3.1 Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect milieubelastende activiteit.

Bij de beoordeling van deze ontwikkeling is aan de orde of:

  • een “milieubelastende activiteit” (mba) mogelijk wordt gemaakt en hoe deze zich verhoudt tot (gevoelige bestemmingen) in de omgeving van de locatie, of (vice versa)
  • sprake is van een gevoelige bestemming en hoe deze zich verhoudt tot (mba's in) de omgeving van de locatie, of
  • sprake is van een beperkingengebiedactiviteit.

Milieubelastende activiteit

In de Ow is geen sprake meer van 'inrichtingen', zoals in het Activiteitenbesluit en de Wm. In plaats daarvan is sprake van '(milieubelastende) activiteiten'. Het begrip “milieubelastende activiteit” (mba) is als volgt gedefinieerd (bijlage bij artikel 1 Omgevingswet) :

“activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”.

Het Bal wijst in hoofdstuk 3 een aantal mba's aan waarvoor het Rijk algemene regels stelt. Daarnaast zijn er regels over mba's die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. (bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, getiteld “Milieubelastende activiteiten”). Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 instructieregels voor het omgevingsplan over milieu c.q. “Mba's”.

Mba's zijn niet in alle gevallen aan de orde. In deze paragraaf is dus aan de orde of het Bkl, Bal of Bbl instructieregels bevatten die relevant zijn voor het project.

Milieuzonering

Op basis van milieuzonering kan worden bepaald of er voldoende ruimtelijke scheiding is tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009.

In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied.

Beperkingengebiedactiviteit

Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object (wegen, spoorwegen, luchthavens of waterstaatswerken) kan verstoren. Ter bescherming gelden beperkingen die het bevoegd gezag aanwijst.

Om de functie van het werk of object te beschermen, gelden er beperkingen in een aangewezen gebied daaromheen. Het bevoegd gezag wijst dat gebied op kaart aan. De beperkingen gelden voor activiteiten in dit gebied (het beperkingengebied). De beperkingen kunnen een vergunningplicht inhouden, of bestaan uit algemene regels.

De hoofdstukken 6 tot met 10 van het Bal bevatten voorschriften voor speciale gebieden in beheer bij het Rijk, bijvoorbeeld op en rond rijkswegen en luchthavens. Dit zijn beperkingengebiedactiviteiten. Hierbij is de Minister vrijwel altijd bevoegd gezag. Voor een beperkingengebiedactiviteit bij een burgerluchthaven van regionale betekenis is de provincie het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen. Het dagelijks bestuur van een vervoerregio is het bevoegd gezag voor een beperkingengebiedactiviteit bij een lokale spoorweg binnen een vervoerregio (artikel 9.3 van het Bal). Voor een lokale spoorweg buiten een vervoerregio is de provincie bevoegd gezag (artikel 9.4 Bal).

7.3.2 Analyse

Omgevingstype

Voorliggend TAM-omgevingsplan richt zich op de ontwikkeling van het gebied BIC Noord als ASML campus. Er is voor onderhavig gebied een milieuzonering bepaald rekening houdend met de ligging nabij de snelweg A2/N2 en het Eindhoven Airport alsmede aansluitend aan het gebied BIC Zuid. Derhalve is voor het gebied de klassificering 'Gemengd gebied' aangehouden.

Staat van bedrijfsactiviteiten

Het beleid van provincie en regio is er op gericht dat bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 goed in te passen zijn in gemengde stedelijke gebieden en/of woonwijken. Dergelijke bedrijven worden met dit TAM-omgevingsplan ook niet mogelijk gemaakt.

In dit plangebied is ervoor gekozen bedrijvigheid in de milieucategorie 3.1 en 3.2. niet bij recht mogelijk te maken, waarbij - door de expliciete beschrijving in de regels van enkel de categorie 4 bedrijfsvoering van ASML - uitsluitend bij recht de vestiging van het bedrijf ASML mogelijk wordt gemaakt. Aldus behoeft enkel de bedrijfsvoering van ASML te worden beoordeeld en getoetst in het kader van ETFAL.

Wat de inrichting van ASML betreft is vanwege de omvang hiervan sprake van een inrichting milieucategorie 4. Bestudering van de op actuele VNG gegevens gebaseerde staat van inrichtingen leidt tot de indeling van ASML als bedrijf gericht op de vervaardiging van machines en apparaten met een oppervlakte groter dan 2000 m² (SBI 2008 indeling 27, 28, 33).

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0088.png"

afbeelding : uitsnede VNG bedrijvenlijst

Blijkens bovenstaande uitsnede uit de bedrijvenlijst is ASML een bedrijf in de categorie 4.1., waarvan de hinderafstanden bedragen geur 50 meter, stof 30 meter, geluid 200 meter, gevaar 30 meter. Aan deze afstandsnormen wordt met dit TAM-omgevingsplan voldaan. Het meest nabij gelegen (materieel) (geluid)gevoelige object “Vakantiehuis de Sprinkhaan” voor bijzondere doelgroepen is gelegen op ruim 240 meter van de grens van de locatie aan de overzijde van het kanaal.

Overige bedrijvigheid in milieucategorie 4 is niet toegestaan ter voorkoming van eventuele milieuhinder in de toekomst. Mocht op enig moment toch de vraag opkomen om in de locatie een ander bedrijf (uit categorie 3 of 4) te mogen vestigen, dan kan dit middels een een Bopa aan de hand van een concrete toetsing van dit bedrijf en met hiertoe de voor derden bestaande rechtsbeschermingsmogelijkheden.

Beperkingenzones

In de locatie is sprake van een aantal beperkingenzone, om hiermee het functioneren te borgen van van het kanaal, de Rijksweg A2/N2 alsmede van Eindhoven Airport.

Genoemd kunnen worden:

  • Attentiezone waterhuishouding

Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van de waterhuishouding en de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant.

  • Vrijwaringszone – weg (A2/N2)

Op deze gronden zijn geen nieuwe bouwwerken toegestaan, behoudens voorzover daarvoor een positief advies van de wegbeheerder is afgegeven. Het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden zoals bestaande uit het ophogen van gronden of het aanbrengen van ondergrondse (infrastructurele) leidingen die een toekomstige uitbreiding van de Rijksweg kunnen belemmeren kunnen uitsluitend plaatsvinden na een positief advies daarover van de wegbeheerder:

  • Veiligheidszone – invloedsgebied (A2/N2)

Op deze gronden zijn geen nieuwe gebouwen toegestaan die zijn bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van groepen verminderd zelfredzame personen. Daartoe behoren in ieder geval (psychiatrische) ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen, basisscholen, sociale werkplaatsen, of gebouwen of gedeelten daarvan bestemd voor dagopvang van minderjarigen. Het wijzigen van bestaande gebouwen voor het gebruik voor verminderd zelfredzame personen is eveneens niet toegestaan.

  • Veiligheidszone – luchtvaart (Eindhoven Airport)

Op deze gronden zijn geen nieuwe objecten toegestaan waar(in) mensen verblijven.

  • Veiligheidszone - luchtvaart 2 (Eindhoven Airport)

Op deze gronden zijn niet toegestaan nieuwe gebouwen bestemd voor het verblijf van verminderd zelfredzame personen, en/of grote publiekstrekkers en evenementen en/of onderwijsgebouwen en/of hybride leeromgevingen.

Deze zone's zijn allen conform het bestemmingsplan Eindhoven Buitengebied 2023 op de verbeelding van onderhavig TAM-omgevingsplan ongewijzigd opgenomen en in de regels beschreven en geborgd.

7.3.3 Conclusie

Ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.4 Geluid

7.4.1 Algemeen

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen en activiteiten enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.

Geluid door (spoor) wegen en industrieterreinen

De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen de omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Bkl. Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl).

Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden:

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0089.png"

Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluid-beperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde.

Luchtvaarlawaai

De Wet luchtvaart regelt onder andere dat grenswaarden moeten worden vastgesteld voor de maximaal toegelaten geluidbelasting door landende en opstijgende luchtvaartuigen. Deze geluidsbelasting wordt uitgedrukt in Kosteneenheden (Ke). De nadere regelgeving over de geluidsbelasting staat in het Besluit militaire luchthavens. De grenswaarde voor de maximaal toelaatbare geluidsbelasting voor het burgerluchtverkeer en voor het militaire luchtverkeer is in beginsel 35 Ke. Deze grenswaarde geldt voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en voor stand- en ligplaatsen.

Geluid op industrieterreinen : GPP's

Voorheen en tot ze omgezet zijn tot industrieterreinen met geluidproductieplafonds worden  gezoneerde industrieterreinen beoordeeld volgens de Wet geluidhinder. Rond het industrieterrein werd een zone vastgesteld waarbinnen alleen onder voorwaarden woningen gebouwd mogen worden. Op de zonegrens geldt een maximale geluidsbelasting van alle bedrijven samen van Letmaal = 50 dB(A).

Onder de Ow wordt de huidige geluidsruimte omgerekend van etmaalwaarde op zonepunten naar jaargemiddelde geluidproductieplafonds (gpp's) in Lden en Lnight op referentiepunten (grp's). Voor een nieuw bedrijventerrein waarop 'activiteiten kunnen worden verricht, die in aanzienlijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken' moeten conform artikel 2.11a Ow gpp's worden vastgesteld.

Deze activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken als bedoeld in artikel 2.11a Ow zijn aangewezen in artikel 5.78b lid 1 Bkl en betreffen:

  • a. dde activiteiten, bedoeld in bijlage VIII bij het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • b. het gelijktijdig in gebruik hebben van een of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren met een gezamenlijk geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 MW of meer, waarbij bij het bepalen van het gezamenlijk vermogen buiten beschouwing blijven:
    • 1. elektromotoren en verbrandingsmotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder;
    • 2. elektromotoren en verbrandingsmotoren die tijdelijk aanwezig zijn;
    • 3. elektromotoren die in een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een woonfunctie voor dat gebouw worden gebruikt; en
    • 4. elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; en
  • c. het gebruiken van niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer.

Voorheen werden de bedrijven waar dergelijke activiteiten worden uitgevoerd ook wel aangeduid als 'grote lawaaimaker', 'A-inrichting' of 'artikel 41 Wet geluidhinder-inrichting'. In de Ow is het begrip 'inrichting' vervangen door het begrip 'activiteit'. De aangewezen inrichtingen zijn hierbij zoveel mogelijk een-op-een geconverteerd naar aangewezen activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Het begrip 'grote lawaaimaker' kan hierbij nog wel worden gebruikt.

Geluid op industrieterreinen : beperking via omgevingsvergunning van LAr,LT

Een aangewezen activiteit kan zodanig wordt uitgevoerd dat er weinig (voor de omgeving relevant) geluid ontstaat.

Het is - op basis van artikel 5.78b lid 2 Bkl - in dergelijke gevallen mogelijk om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een 'grote lawaaimaker' op een locatie toe te laten zonder dat gpp's hoeven te worden vastgesteld als via die omgevingsvergunning gewaarborgd is dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van het geluid op 50 m afstand van de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, niet meer bedraagt dan de standaardwaarden als bedoeld in onderstaande tabel 5.65.1.

 afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0090.png"

afbeelding: tabel 5.65.1

Als een 'grote lawaaimaker' aldus aan specifieke geluidregels gebonden is, wordt die activiteit niet langer aangemerkt als een activiteit die in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken. Zowel de waarden uit die tabel als het afstandscriterium van 50 meter zijn ontleend aan het voorheen geldende Activiteitenbesluit milieubeheer.

Als er geen andere grote lawaaimakers op de locatie toegelaten zijn, vervalt hiermee de verplichting om gpp's vast te stellen. Voor het geluid van de activiteiten op dat terrein gelden dan de instructieregels van paragraaf 5.1.4.2 “Geluid door activiteiten” van het Bkl. De omgeving van het bedrijventerrein wordt dan niet door geluidproductieplafonds beschermd, maar door de geluidregels die op grond van de instructieregels in het omgevingsplan zijn opgenomen.

7.4.2 Gemeentelijk beleid

Met ingang van 22 februari 2024 heeft de gemeente Eindhoven haar beleid “Geluidbeleid – Geluid in geluidaandachtsgebieden” ingevoerd. Het beleid is op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht zelfbindend, en beschrijft in essentie de wettelijke beoordelingssystematiek van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In aanvulling op het Besluit kwaliteit leefomgeving heeft zij de volgende beleidsregels voor zichzelf geformuleerd.

Aanleg nieuwe verkeersweg, lokale spoorweg zonder geluidproductieplafonds of wijziging daarvan

(artikelen 17 t/m 22)

(artikel 20) Geluid hoger dan de norm (hoogste van standaardwaarde/heersende waarde), doch niet hoger dan de grenswaarde, is vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen toegestaan indien:

  • Geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de hoogste van de twee waarden te voldoen; de overschrijding van de hoogste van de twee waarden door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde; en
  • Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

(artikel 21) Het geluid wordt aanvaardbaar geacht wanneer uit onderzoek blijkt dat het gecumuleerde geluid aanvaardbaar is. Specifieke beoordelingsregels voor de aanvaardbaarheid zijn niet pgenomen, en daarmee aldus aan het o rdeel van het college. Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid wordt in elk geval betrokken of:

  • Er minimaal één geluidluwe gevel aanwezig is;
  • Er compenserende maatregelen worden getroffen.

Indirecte akoestische effecten van veranderend verkeer (artikelen 23 t/m 27)

(artikel 25) Het geluid wordt aanvaardbaar geacht wanneer uit onderzoek blijkt dat het gecumuleerde geluid aanvaardbaar is. Specifieke beoordelingsregels voor de aanvaardbaarheid zijn niet opgenomen, en daarmee aldus aan het doordeel van het college. Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid wordt in elk geval betrokken of:

  • Er minimaal één geluidluwe gevel aanwezig is;
  • Er compenserende maatregelen worden getroffen.

Indirecte akoestische effecten van wijziging in overdracht van geluid (artikel 28)

Een wijziging in de overdracht van geluid in een geluidaandachtsgebied, waardoor geluidgevoelige gebouwen die als gevolg van deze wijziging op basis van onderzoek, een naar het oordeel van het bevoegd gezag significante toename van geluid ondervinden, wordt toegestaan, als:

  • 1. de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 6 niet wordt overschreden;
  • 2. overschrijding van de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in artikel 6 wordt aanvaardbaar geacht indien maatregelen worden getroffen om toename van het geluid te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken; of
  • 3. geluidwerende maatregelen worden getroffen om te voldoen aan een binnenwaarde overeenkomstig artikel 16.

7.4.3 Toetsing

Geluid door (spoor) wegen, industrieterreinen en luchtvaartlawaai

Wegverkeerslawaai

De locatie is gelegen in de directe nabijheid van de A2/N2 en van wegen waar een snelheidsregime geldt van 50 km per uur..

In het plangebied en in de nabijheid van het nieuwe tracé van de Dirk Noordhoflaan zijn geen geluidgevoelige gebouwen gelegen. Voor de te nemen verkeersmaatregelen in Eindhoven, Best en Oirschot is door Antea Group wel onderzoek gedaan naar de geluidsaspecten hiervan. De uitkomsten hiervan zijn hier opgenomen in de rapportage “Akoestisch onderzoek BIC-Noord, inclusief wegenstructuur”, hier opgenomen als Bijlage 4.

Na een beschrijving van relevante wetgeving en beleid worden door Antea Group de verkeersmaatregelen en de te beschouwen adressen beschreven. Uit de berekeningen blijkt dat als gevolg van een combinatie van de te wijzigen wegen, de aanleg van nieuwe wegen, en de verkeersgroei die hiermee te verwachten valt, evenals de verwachte autonome verkeersgroei, bij verschillende geluidgevoelige gebouwen in het studiegebied een geringe overschrijding van de geluidnorm optreedt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0091.png"

afbeelding: toetspunten waar een overschrijding van de geluidnorm optreedt als gevolg van de geluidbronsoort gemeentewegen

Antea Group geeft een weergave van de betroffen adressen, welk geluid is geprognosticeerd, en welke geluidreductie benodigd is om alsnog aan de geluidnorm te kunnen voldoen. Er is hierbij geen overschrijding van de grenswaarde en beschrijft in hoofdstuk 5 van de rapportage welke geluidmaatregelen mogelijk en nodig zijn. Ook wordt ingegaan op het gecumuleerd geluid (van andere relevante geluidsbronnen in de omgeving).

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de benodigde geluidreductie om te kunnen voldoen aan de geluidnorm varieert van 0,01 t/m 2,46 dB (decibel). Dit is onafhankelijk van welke maatregel wordt gekozen (bron/overdracht/gevel). Bij elke maatregel is de vraag in hoeverre dit effect heeft op de beleving van de mensen die er wonen. De laagst waarneembare geluidssterkte voor mensen bedraagt tussen de 0 en 10 decibel. Op de landelijke decibelschaal zijn geluidniveaus tussen de 50 en 60 decibel te vergelijken met het geluid van een normale woonwijk overdag (buiten) en een normaal gespreksniveau. De waarneming van de geluidssterkte is weliswaar altijd subjectief en ook afhankelijk van het eigen gehoor, maar in principe kan worden gesteld dat pas bij een toename van ongeveer 10 dB een verdubbeling van de waargenomen geluidssterkte optreedt. Van een verdubbeling van de geluidssterkte is hier geen sprake.

Algemeen

Het plaatsen van een scherm of geluidswal kan - naast dat dit vaak stedenbouwkundig/ landschappelijk niet inpasbaar is - voor een andere beleving zorgen bij bewoners. De ervaring leert dat bewoners die naast een geluidsscherm of geluidswal wonen vaak het gevoel krijgen dat er een barrière opgetrokken wordt tussen hun en de “buitenwereld”. Dit kan leiden tot bezwaren bij de bewoners tegen de komst van een geluidsscherm met als gevolg vertraging in het project. Daarnaast zijn geluidsschermen gevoelig voor vandalisme. Denk hierbij aan graffiti. Uit onderzoek naar stiller asfalt blijkt dat stiller asfalt vaak een kortere levensduur heeft dan gewoon asfalt. Ook bij gladheidsbestrijding levert het type wegdek dat voor stiller asfalt wordt gebruikt vaker problemen op. Ook kan er bij aansluiting op een bestaande weg met asfalt een toename van het geluid ontstaan. Dit wordt mede veroorzaakt door de “knip” die men hiervoor moet maken in het asfalt.

Bronmaatregelen

In Eindhoven gaat het over bronmaatregelen aan de Anthony Fokkerweg, Spottersweg, Landsard en De Schakel.

Anthony Fokkerweg

Om aan de geluidnorm te kunnen voldoen is een geluidreductie benodigd van ten minste 0,83 dB. Het toepassen van een stiller wegdek levert een reductie op van 1,04 dB. De initiële aanlegkosten hiervan bedragen indicatief € 2.762.776. Deze investering geldt voor in totaal 16 woningen. Voor een relatief klein aantal woningen is dit een forse investering. Omdat de kosten van aanleg en onderhoud hiervan niet op wegen tegen de te bereiken geluidsreductie die wordt nagestreefd kan deze geluidbeperkende maatregel hiermee als niet financieel doelmatig worden beschouwd. Daarnaast is de Anthony Fokkerweg een weg met een zeer hoge verkeersintensiteit. Hierdoor is het stiller asfalt extra kwetsbaar en maakt het minder geschikt voor de aanleg ervan. Bovendien is geluidsreducerend wegdek niet altijd inpasbaar op kruispuntvlakken en rotondes. Door wringingskrachten van optrekkend en afremmend verkeer wordt het relatief zwakkere geluidsreducerend asfalt sneller kapotgereden.

Spottersweg en Landsard / Rijtackerweg

Om aan de geluidnorm te kunnen voldoen is een geluidreductie benodigd van ten minste 2,52 dB. Toepassen van een stiller wegdek levert een reductie op van 3,50 dB bij de Spottersweg en 1,97 dB aan de Landsard. De initiële aanlegkosten hiervan bedragen gezamenlijk indicatief € 1.130.034. Deze investering geldt voor in totaal 5 woningen, te weten 4 aan de Landsard en 1 aan de Rijtackerweg. Voor een relatief klein aantal woningen is dit een forse investering. Omdat de kosten van aanleg en onderhoud hiervan niet op wegen tegen de te bereiken geluidsreductie die wordt nagestreefd kan deze geluidbeperkende maatregel hiermee als niet financieel doelmatig worden beschouwd. Bovendien is de Spottersweg een weg met een hoge verkeersintensiteit. Hierdoor is het stiller asfalt extra kwetsbaar en maakt het minder geschikt voor de aanleg ervan. Ook hier geldt dat geluidsreducerend wegdek niet altijd inpasbaar is op kruispuntvlakken en rotondes. Door wringingskrachten van optrekkend en afremmend verkeer wordt het relatief zwakkere geluidsreducerend asfalt sneller kapotgereden.

Voor de woning aan de Rijtackerweg 15 bedraagt het vervangen van het asfalt alleen al € 90.178. Alleen voor deze woning is dit een forse investering. Omdat de kosten van aanleg en onderhoud hiervan niet op wegen tegen de te bereiken geluidsreductie die wordt nagestreefd kan deze geluidbeperkende maatregel hiermee als niet financieel doelmatig worden beschouwd.

De Schakel

Om aan de geluidnorm te kunnen voldoen is een geluidreductie benodigd van ten minste 0,70 dB. Toepassen van een stiller wegdek levert een reductie op van 1,19 dB. De initiële aanlegkosten hiervan bedragen indicatief € 152.064. Alleen voor deze woning is dit een forse investering. Omdat de kosten van aanleg en onderhoud hiervan niet op wegen tegen de te bereiken geluidsreductie die wordt nagestreefd kan deze geluidbeperkende maatregel hiermee als niet financieel doelmatig worden beschouwd. Het gaat hierbij om de locatie De Schakel 33.

Overdrachtsmaatregelen

In Eindhoven gaat het over overdrachtsmaatregelen aan de Anthony Fokkerweg, Spottersweg, Landsard en De Schakel.

Overdrachtsmaatregelen vangen het geluid op tussen de bron en de woning. Ze zijn effectief op de begane grond, maar nauwelijks op hogere verdiepingen, tenzij ze zeer hoog worden uitgevoerd. Dit maakt geluidsschermen kostbaar en vaak stedenbouwkundig ongewenst. Daarnaast blokkeren ze vaak het uitzicht van bewoners wat op bezwaren kan stuiten. Bovendien betekent het in de praktijk vaak dat wanneer woningen via een weg worden ontsloten, je een onderbreking in de overdrachtsmaatregel moet maken, waardoor het geluidafschermende effect lokaal sterk afneemt. Dit heeft een ongunstige werking op de kosten-batenverhouding. In de praktijk worden geluidsschermen vaak toegepast in situaties waar de geluidsbelastingen hoog zijn en veel woningen aanwezig zijn. In die situaties kan een geluidsscherm een goede oplossing zijn. Voor de woningen in Eindhoven geldt dat het niet om grote aantallen woningen aan hoog geluidsbelaste locaties gaat.

Voor dit gebied van Eindhoven (Eindhoven Noord-West) geldt dat voor de wegenstructuur in 2017 een Challange Inpassingsvisie is opgesteld. In die visie zijn de randvoorwaarden voor in passing van de wegenstructuur in het landschap van Eindhoven Noordwest opgenomen. Centraal daarin is het gebruiken van bestaande landschappelijke (historische) structuren, het beleefbaar maken en behouden van de verschillende landschapstypen en ruimte maken voor flora en fauna. In zijn algemeenheid geldt voor het gebied Eindhoven Noordwest dat het plaatsen van geluidwerende voorzieningen in de vorm van schermen of geluidwallen niet past binnen deze voor het landschap vanuit stedenbouwkundig oogpunt gewenste inrichting.

Anthony Fokkerweg, Spottersweg en Landsard, Rijtackerweg en De Schakel

De kosten voor de bouw van een geluidsscherm of geluidswal zijn ongeveer gelijk aan de kosten voor het uitvoeren van een bronmaatregel. De lengte waarlangs een scherm of wal moet worden gebouwd is ongeveer gelijk aan de afstand waarvoor bij een bronmaatregel het wegdek moet worden vervangen. Gelet op het beperkte aantal woningen dat met een geluidsscherm of geluidswal tegen het geluid bescherming behoeft (16 aan Anthony Fokkerweg en 5 aan Landsard/Rijtackerweg), is een overdrachtsmaatregel een dure maatregel (qua kosten vergelijkbaar met bronmaatregel) voor een relatief klein aantal woningen. Los van de hiervoor aangegeven stedenbouwkundig/landschappelijke bezwaren, is ook daarmee vanuit de kosten/baten verhouding geen sprake van een doelmatige oplossing. Ten aanzien van de woning aan De Schakel geldt bovendien dat een geluidswal of scherm per definitie niet mogelijk is, omdat het geluid afkomstig is van de weg via welke de woning wordt ontsloten.

Onderzoek geluidwering gevels en maatregelen

Eindhoven heeft geluidbeleid vastgesteld. Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het geluid dient deze beleidsregel in acht genomen te worden.

Anthony Fokkerweg (woningen Tegenbosch)

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er een maximale reductie nodig is van 0,83 dB . ten opzichte van de heersende waarde. De maximale waarde is 61 dB, welke waarde hoger is dan de standaardwaarde maar de grenswaarde van 70dB niet overschrijdt. Daarmee is de toename van geluid in beginsel niet onaanvaardbaar. Gelezen het geluidbeleid zal aanvullend onderzoek worden gedaan naar de geluidwerendheid van de gevels van de betreffende woningen. Indien daaruit blijkt dat de binnenwaarde zoals genoemd in artikel 4.103 van het Bbl niet wordt gehaald, zullen geluidwerende gevelmaatregelen worden uitgevoerd.

Spottersweg en Landsard / Rijtackerweg

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er een maximale reductie nodig is van 2,52 dB ten opzichte van de heersende waarde. De maximale waarde is 56 dB, welke waarde hoger is dan de standaardwaarde maar de grenswaarde van 70dB niet overschrijdt. Daarmee is de toename van geluid in beginsel niet onaanvaardbaar. Gelezen het geluidbeleid zal aanvullend onderzoek worden gedaan naar de geluidwerendheid van de gevels van de betreffende woningen. Indien daaruit blijkt dat de binnenwaarde zoals genoemd in artikel 4.103 van het Bbl niet wordt gehaald, zullen geluidwerende gevelmaatregelen worden uitgevoerd.

De Schakel

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat een maximale reductie nodig is van 0,7 dB ten opzichte van de heersende waarde. De maximale waarde is 54 dB, welke waarde 1dB hoger is dan de standaardwaarde maar de grenswaarde van 70dB niet overschrijdt. Daarmee is de toename van geluid in beginsel niet onaanvaardbaar. Gelezen het geluidbeleid zal aanvullend onderzoek worden gedaan naar de geluidwerendheid van de gevels van de betreffende woning. Indien daaruit blijkt dat de binnenwaarde zoals genoemd in artikel 4.103 van het Bbl niet wordt gehaald zullen geluidwerende gevelmaatregelen worden uitgevoerd.

Gelet op de beperkte toename van geluid, het feit dat de grenswaarden niet worden overschreden alsmede het feit dat na vaststelling van het omgevingsplan onderzoek naar de geluidwerendheid van de gevels van de woningen zal worden uitgevoerd, kan deze als aanvaardbaar worden beschouwd binnen het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Railverkeerslawaai

De locatie ligt niet in de nabijheid van spoorverbindingen, zodat geen rekening gehouden hoeft te worden met een geluidaandachtsgebied dienaangaande.

Eindhoven Airport : Industrielawaai

Ten oosten van de locatie BIC Noord ligt op enige afstand de luchthaven Eindhoven. Op het luchtvaartterrein worden vliegtuigmotoren beproefd na (correctief) onderhoud of reparaties en aldus is het luchtvaartterrein een inrichting die in belangrijke mate geluidshinder kan veroorzaken en daarom een gezoneerd industrieterrein op grond van de Wet geluidhinder. Binnen de omliggende geluidszone zijn bestaande woonbestemmingen en andere bestaande geluidsgevoelige bestemmingen slechts aanvaardbaar indien de geluidsbelasting aan de gevel aan de wettelijke grenswaarden voldoet. De locatie van onderhavig TAM-omgevingsplan is niet gelegen in de geluidzone als hiervoor bedoeld.

Eindhoven Airport : Luchtvaartlawaai

De ligging van de Ke contouren is opgenomen in het luchthavenbesluit Eindhoven. Binnen de 35 Ke contour zijn geen geluidgevoelige objecten (woningen en andere geluidgevoelige gebouwen, alsmede standplaatsen voor woonwagens en ligplaatsen voor woonboten) toegestaan. De locatie van onderhavig TAM-omgevingsplan ligt binnen deze vastgestelde geluidszone (35 Ke-contour). Omdat het omgevingsplan geen nieuwe woningen of andere nieuwe geluidgevoelige ontwikkelingen binnen deze geluidzone mogelijk maakt is deze contour niet op de verbeelding opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0092.png"

afbeelding: cumulatieve Ke-contouren cfr. luchthavenbesluit Eindhoven met locatieaanduiding (rode pijl)

Geluid op industrieterreinen : De ASML campus op BIC Noord

Het bedrijf ASML dat in dit plan mogelijk wordt gemaakt kan op termijn mogelijk worden gezien als een 'grote lawaaimaker' als in deze paragraaf bedoeld vanwege het op enig moment gezamenlijk geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 MW of meer als onderdeel van haar bedrijfsvoering op BIC Noord.

Zolang door ASML vanwege de fasering van de nieuwe activiteiten de grens van 15MW geïnstalleerd motorisch vermogen nog niet worden overschreden (en ASML dus geen grote lawaaimakers is) wordt het geluid van de ASML bedrijfsvoering beoordeeld op de gevels van de dichtstbij gelegen woningen (op minimaal 200 m van de begrenzing van locatie waar de activiteit wordt verricht) en is er geen enkele reden voor de veronderstelling, dat hierbij niet aan de normstelling kan worden voldaan.

Kenmerkend voor de bedrijfsvoering van ASML is immers dat deze zodanig wordt uitgevoerd dat er weinig (voor de omgeving relevant) geluid ontstaat, enerzijds vanwege de aard van de activiteiten, maar ook omdat deze geheel inpandig worden uitgevoerd in de in deze motivering beschreven hoogwaardige cleanroom-omgeving. De overige bedrijfs(kantoor)activiteiten onderscheiden zich op het aspect geluid niet van een regulier kantorengebruik.

Het is derhalve thans niet nodig om voor het toelaten van ASML op BIC Noord invulling te geven aan de verplichting om gpp's vast te stellen voor dit bedrijfsterrein. Om dit rechtens mogelijk te maken wordt in de regels van dit TAM-omgevingsplan geborgd, dat (voor het geval dat op termijn ASML wel als “grote lawaaimaker” moet worden gezien) het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van het geluid van een activiteit als bedoeld artikel 2.11a Ow en artikel 5.78b lid 1 Bkl op 50 m afstand van de begrenzing van de locatie waar deze activiteit wordt verricht, niet meer bedraagt dan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.65.

7.4.4 Conclusie

Ten aanzien van het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.5 Luchtkwaliteit

7.5.1 Algemeen

Onder de Ow moet in navolgende situaties aandacht worden besteed aan de (verandering in) luchtkwaliteit:

  • Het project of de activiteit ligt binnen een aandachtsgebied;
  • Er is een decentrale omgevingswaarde vastgesteld;
  • Het project of de activiteit kan effect binnen een aandachtsgebied hebben;
  • Een aanvraag omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;
  • De aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of het wijzigingen van een tunnel (tenminste 100 meter langer);
  • De aanleg van een auto(snel)weg.

In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan de milieubelastende activiteiten genoemd waarvoor een toets aan de (rijks)omgevingswaarden gedaan moet worden. Een toetsing aan de (rijks)omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

Hiervan is sprake als de toename van de jaargemiddelde concentraties in de buitenlucht van zowel NO2 als PM10 niet meer bedraagt dan 3% van de rijksomgevingswaarde voor die stoffen. Dit komt voor beide stoffen overeen met een maximale toename van de jaargemiddelde concentraties met 1,2 ìg/m3.

Er zijn 2 mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorieën blijft. Onder deze standaard categorieën NIBM vallen kantoren, woonwijken, het telen van gewassen en het aanleggen of wijzigen van een spoorwegemplacement. Dit moet dan wel onder een bepaalde getalsmatige omvang blijven. Voor kantoren geldt bijvoorbeeld maximaal 200.000 m2.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.

7.5.2 Toetsing

NIBM

De voorgenomen ontwikkeling van BIC Noord met 17.000 fte aan arbeidsplaatsen en verschillende infrastructurele aanpassingen valt niet geheel onder de standaard categorieën zoals opgenomen in de Ow, zodat berekeningen zijn gemaakt van de maximale toename van de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 met de NIBM-tool, zoals uiteengezet in de memo “luchtkwaliteit” van Antea Group d.d. 23 oktober 2025 (hier opgenomen als bijlage 5).

Dit leidt tot de conclusie dat zelfs in 2025 bij volledige invulling van het gebied de NIBM grens niet wordt overschreden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0093.png"

Achtergrondconcentraties

Om aan te tonen dat na de ontwikkeling van BIC Noord wordt voldaan aan de vastgestelde omgevingswaarden is de huidige concentratie ter plaatse opgezocht in het CIMLK.3 Door hier de worstcase extra concentraties tgv de ontwikkeling bij op te tellen kan getoetst worden of wordt voldaan aan de omgevingswaarden.

De totale worstcase bijdrage voldoet zowel aan de huidige omgevingswaarden voor luchtkwaliteit als aan de nieuwe waarden uit de EU-richtlijn.

Conclusie

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0094.png"

Antea Group concludeert:

Uit de resultaten van de NIBM-tool volgt dat de maximale bijdrage van de voorgenomen ontwikkeling aan de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 in alle fasen minder is dan 1,2 ìg/m3. In de eindfase is ook aangetoond dat ruim wordt voldaan aan de huidige omgevingswaarden en de waarden uit de nieuwe EUrichtlijn.

Op basis hiervan is aannemelijk dat de voorgenomen ontwikkeling niet zorgt voor een overschrijding van de huidige of toekomstige omgevingswaarden. Hierdoor kan een uitgebreid onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit achterwege blijven en staat de luchtkwaliteit verdere besluitvorming niet in de weg.

7.5.3 Conclusie

Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.6 Geur

7.6.1 Algemeen

In diverse sectoren kan geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:

  • bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen;
  • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven).

Aanvaardbare geurhinder

De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.

De gemeente Eindhoven heeft nog geen normen voor geurhinder opgenomen in het permanente omgevingsplan. Om te bepalen of sprake is van aanvaardbare geurhinder hanteert de gemeente de Beleidsregel industriële geur als toetsingskader. In de beleidsregel zijn normen opgenomen voor gebiedstypen. Onderstaande tabel bevat de normen:

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0095.png"

Geurhinder door activiteiten

Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijk) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, gelden regels uit de Bruidsschat.

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal. De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.

7.6.2 Toetsing

Onderstaand afbeelding geeft weer de achtergrondbelasting geur van alle veehouderijen:

 afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0096.png"

afbeelding: achtergrondbelasting geur deel buitengebied Eindhoven (incl. locatie)

Overal op de locatie is de achtergrondbelasting kleiner dan 3 ouE/m3. Dat komt overeen met een zeer goed leefklimaat. De bedrijfsvoering van ASML kent geen relevante geuremissies.

7.6.3 Conclusie

Ten aanzien van het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.7 Bodem

7.7.1 Algemeen

Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers:

  • 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie);
  • 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies);
  • 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen).

Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodem-gevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.

Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

7.7.2 Toetsing

Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, vaststaat dat een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem.

Duidelijk is tevens dat door middel van onderhavig omgevingsplan geen sprake is van een planologische wijziging naar een 'meer gevoelige' bestemming, nu feitelijk sprake is van een wijziging van voornamelijk agrarisch gebruik naar gebruik als bedrijfsterrein. Aldus mag voor het gehele plangebied ervan worden uitgegaan, dat geen sprake is van een mate van verontreiniging die de totstandkoming van dit omgevingsplan in de weg staat.

In het kader van de verkoop van voor gebruik geschikte uitgeefbare grond op de locatie en de realisatie van de aanpassingen aan de wegenstructuur wordt verder door de gemeente Eindhoven gezorgd voor een onderzoek naar de gesteldheid van bodem en grondwater. Dit is opgenomen in de rapportage van Antea Group “Historisch bodemonderzoek” d.d. 21 oktober 2025, hier opgenomen als Bijlage 1. 

De uitkomst van dit onderzoek is dat op verschillende delen van de locatie sprake is van vervuiling van de bodem waar in het kader van de gronduitgifte c.q. vergunningverlening aandacht aan moet worden besteed, e.e.a. zoals in voormelde rapportage beschreven.

Antea Group geeft aan:

Naar aanleiding van de resultaten van het bodemonderzoek kan worden vastgesteld of en waar (sanerende) maatregelen benodigd zijn. Op basis van de beschikbare stukken die in het historisch bodemonderzoek zijn ingezien blijkt dat binnen de ontwikkellocatie mogelijk diverse verontreinigingen met zware metalen, PAK, PCB en/of asbest aanwezig zijn. Aangezien deze verontreinigingen met eenvoudige saneringsmaatregelen te verwijderen zijn dan wel middels het aanbrengen van leeflagen geïsoleerd kunnen worden, hebben deze verontreinigingen geen negatieve invloed op de voorgenomen ontwikkelingen tot bedrijventerrein, natuur dan wel de wegenstructuur. De verontreinigingen vormen daarmee geen belemmering voor de te nemen ruimtelijke besluiten.

De aard en/of omvang van deze verontreiniging is aldus niet dusdanig dat hierdoor de realisatie van de ontwikkeling zou worden belemmerd of onmogelijk zou worden. Door de afspraak dat de gemeente Eindhoven zorgt voor bouwrijpe en geschikte grond is ook voldoende aannemelijk dat tijdig eventueel benodigde (sanerings-) maatregelen worden uitgevoerd.

7.7.3 Conclusie

Ten aanzien van het aspect bodem is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.8 Omgevingsveiligheid

7.8.1 Algemeen

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar.

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.

Groepsrisico

Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers.

Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0097.png"

afbeelding: aandachtsgebieden (bron: www.aandeslagmetdeomgevingswet.nl)

Kwetsbare functies

Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen:

  • Hoeveel personen zijn in dat gebouw c.q. op die locatie gelijktijdig aanwezig?
  • Wat is de aanwezigheidsduur van die personen?
  • In hoeverre zijn die personen in staat zichzelf in veiligheid te brengen bij een incident.

Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan.

7.8.2 Toetsing

Functies op de locatie

In dit TAM-omgevingsplan worden geen zeer kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt. Wel is sprake van kwetsbare gebouwen c.q. locatie(s) omdat op de locatie de mogelijkheid ontstaat tot realisatie van forse volume aan (bedrijfs)kantoren en touchpoints met bijbehorende buitenruimte. De ASML cleanroomomgeving (voorzover geen sprake van is van verbinding met of nabijheid van bedrijfskantoren) kan worden gezien als een beperkt kwetsbare gebouwen c.q. locatie(s).

Risicobronnen / aandachtsgebieden

In de omgeving van de locatie bevinden zich drie voor de locatie relevante risicobronnen, de luchthaven Eindhoven Airport, de Rijksweg A2 en de hogedruk aardgastransportleiding Z-506-01. Daarnaast zijn nieuwe risicobronnen toegestaan (onder voorwaarden) binnen het plangebied c.q. het ontwikkelgebied van ASML in BIC Noord .

Luchthaven Eindhoven

Om te voldoen aan het ruimtelijk interim beleid voor Luchthaven Eindhoven zijn de 10-5/jaar-contour en de 10-6/jaar contour in relatie tot de locatie in kaart gebracht. In dit beleid is opgenomen dat er geen objecten mogen worden geprojecteerd in de 10-5/jaar-contour waar mensen verblijven. Daarnaast geldt voor zogenoemde 'pijplijnplannen' dat erbinnen de 10-6/jaar-contour een personendichtheid van 100 personen per hectare (richtwaarde) geldt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0098.png"

afbeelding : 10-5/jaar-contour (zwart; 0,9 ha) en 10-6/jaar-contour (blauw; 6,3 ha)

Deze contouren zijn weergegeven in bovenstaande afbeelding. In dit TAM-omgevingsplan worden geen objecten mogelijk gemaakt binnen de 10-5/jaar-contour. Voor de bebouwing binnen de 10-6/jaar-contour geldt een personendichtheid van 100 personen per hectare (richtwaarde). Zeer kwetsbare gebouwen, onderwijsgebouwen en/of hybride leeromgevingen, grote publiekstrekkers en evenementen worden in de regels uitgesloten.

Rijksweg A2

Er geldt verschillende nationale en internationale wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen om ervoor te zorgen dat de kans op een ongeval en het vrijkomen van deze stoffen zo klein mogelijk is. Er bestaat wet- en regelgeving voor vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, oftewel het Basisnet. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven buiten de Ow bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Alle artikelen over de ruimtelijke ordening gaan over naar de Omgevingswet.

Ter hoogte van het plangebied hebben de Rijkswegen een PR 10-6-contour. De plangrens valt binnen deze contour. Vanwege de ligging binnen de PR 10-6-contour van de activiteit gelden er beperkingen met betrekking tot het plangebied. Binnen de 10-6/jaar-contour (welke als grenswaarde fungeert) mogen geen nieuwe (zeer) kwetsbare gebouwen gerealiseerd worden. Voor beperkt kwetsbare gebouwen geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Dat betekent dat die functies in principe niet zijn toegestaan, maar dat het bevoegd gezag met een goede motivatie mogelijk kan afwijken.

De plaatsgebonden risicocontour reikt niet tot aan de ontwikkeling van BIC Noord/ASML het snijdt alleen een stuk van de plangrens. Hier zijn (zeer) kwetsbare gebouwen of locaties niet mogelijk. Binnen de gebieden die vallen binnen de plaatsgebonden risicocontour wordt de verkeerssituatie aangepast. Deze activiteit heeft geen kwetsbaarheidsniveau en leidt derhalve niet tot beperkingen binnen het plangebied.

Wat betreft het GR zijn het “brandaandachtsgebied”, “explosieaandachtsgebied” en “gifwolkaandachtsgebied” voor het plangebied weergegeven op onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0099.png"

afbeelding : ligging van plangebied binnen de aandachtsgebieden

Het plangebied is gelegen binnen het brandaandachtsgebied van de Rijksweg A2, maar deze ligt niet over het bouwvlak van het ontwikkelgebied van ASML.

Het explosieaandachtsgebied komt overeen met de in het bestemmingsplan “Buitengebied Eindhoven 2023” opgenomen “veiligheidszone – invloedgebied”. Deze zone is in dit TAM-omgevingsplan eveneens opgenomen als “veiligheidszone – aandachtsgebied”.

 afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0100.png"

afbeelding : weergave bestaande veiligheidszone – invloedgebied

In het omgevingsplan van de gemeente Eindhoven zijn aandachtsgebieden niet aangewezen als voorschriftengebieden. Voor de in dit TAM-omgevingsplan mogelijk gemaakte functies geldt hierdoor de eis van artikel 4.90 lid 1 Bbl niet.

Echter in dit TAM-omgevingsplan is de locatie deels (wederom) aangewezen als “veiligheidszone – aandachtsgebied”, waardoor op de gronden binnen deze zone zeer kwetsbare gebouwen niet zijn toegestaan. Bovendien geldt ter plaatse van deze zone dat beperkt kwetsbare gebouwen, beperkt kwetsbare locaties, kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties uitsluitend zijn toegestaan nadat de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost hierover heeft geadviseerd op basis van artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de bescherming van de groepen mensen in deze gebouwen en op deze locatie is verantwoord conform artikel 5.15 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Wat betreft de bescherming van personen buiten gebouwen geldt een verplichting om in omgevingsplannen rekening te houden met de mogelijkheden om branden, rampen of crises te voorkomen, te beperken en te bestrijden.

Bij het bouwen van gebouwen in het gifwolkaandachtsgebied wordt aanbevolen om rekening te houden met het scenario gifwolk bijvoorbeeld door het plaatsen van afsluitbare ventilatieopeningen en/of het plaatsen van afsluitbare mechanische ventilatie en een toegankelijk bedieningssysteem. Conform artikel 4.124 lid 4 Bbl heeft een mechanisch ventilatiesysteem een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Bij het scenario gifwolk is het advies namelijk om ramen en deuren te sluiten en om binnen te blijven. Door de gebouwen te voorzien van afsluitbare ventilatieopeningen, afsluitbare mechanische ventilatie en een toegankelijk bedieningssysteem kunnen de gebouwen gebruikt worden als schuilplaatsen.

Voor meer maatregelen wordt verwezen naar het door het RIVM opgestelde Handboek Omgevingsveiligheid (https://www.rivm.nl/omgevingsveiligheid/handboek/toelichtingen-kernbegrippen/maatregelen) en de door het RIVM opgestelde Maatregelenwiki (https://www.maatregelenwiki.nl/).

Aardgasbuisleiding (Z-506-01)

Het zuidelijke deel van het plangebied valt binnen het brandaandachtsgebied van de buisleiding. Ook kruist de buisleiding door een deel van het plangebied heen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0101.png"

Afbeelding ligging van het brandaandachtsgebied (rood) en belemmeringengebied (roze) van de buisleiding.

De buisleiding heeft ter hoogte van de doorkruising van het plangebied een belemmeringen- gebied, waar geen bebouwing mag plaatsvinden. Verharding van het oppervlak is wel toegestaan voor verkeersinfrastructuur. Dit dient wel met Gasunie te worden afgestemd.

De ontwikkeling BIC Noord/ASML valt buiten het brandaandachtsgebied en het belemmeringengebied. Binnen de gebieden die vallen binnen het brandaandachtsgebied van de buisleiding wordt de verkeerssituatie aangepast. Deze activiteit heeft geen kwetsbaarheidsniveau en leidt derhalve niet tot beperkingen binnen het plangebied.

Beoordeling groepsrisico A2

Onder de Omgevingswet is het niet meer verplicht om een groepsrisicoberekening uit te voeren. Om te kunnen komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van dit TAM-omgevingsplan is in de hier als Bijlage 7 opgenomen rapportage van Antea Group “BIC-Noord, inclusief wegenstructuur, Beschouwing omgevingsveiligheid”, d.d. 23 januari 2026). Onderstaande risicobeschouwing is mede gebaseerd op deze rapportage van de Antea Group.

Rijksweg A2

  • De plangrens ligt deels binnen de PR 10-6-contour van de Rijksweg. Dit betreft enkel het deel van het plangebied waar de verkeerssituatie wordt aangepast, dit betreft geen (beperkt) kwetsbaar gebouw of locatie. De ontwikkeling van BIC Noord - ASML ligt buiten de PR 10-6-contour. Er wordt daarmee voldaan aan de norm- en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico.
  • De plangrens ligt binnen het brandaandachtsgebied van de Rijksweg. Dit betreft enkel het deel van het plangebied waar de verkeerssituatie wordt aangepast, dit betreft geen (beperkt) kwetsbaar gebouw of locatie. De ontwikkeling van BIC Noord - ASML ligt buiten het brandaandachtsgebied.
  • De plangrens en de ontwikkeling van BIC Noord - ASML ligt binnen het explosie- en gifwolkaandachtsgebied van de Rijksweg.
  • 1. In dit kader is in de regels bepaald dat (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties uitsluitend zijn toegestaan nadat de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost hierover heeft geadviseerd op basis van artikel 5.2 van het Bkl en de bescherming van de groepen mensen in deze gebouwen en op deze locaties is verantwoord conform artikel 5.15 Bkl.
  • 2. Daarnaast kunnen aanvullende bouwkundige maatregelen van toepassing zijn binnen de aandachtsgebieden (bij toewijzing van een voorschriftengebied binnen een aandachtsgebied). Het plangebied is niet op voorhand aangewezen als voorschriftengebied. De afwegingsruimte ligt hierbij primair bij het bevoegd gezag, met uitzondering van zeer kwetsbare gebouwen (zoals gebouwen bestemd voor het verblijf van jonge kinderen). Voor zeer kwetsbare gebouwen binnen het aandachtsgebied gelden de aanvullende bouwkundige maatregelen (of gelijkwaardige maatregelen) altijd. Binnen het plangebied worden er geen zeer kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt, er is dus geen sprake van een verplicht voorschriftengebied.

  • Het is onder de omgevingswet niet meer verplicht om een groepsrisicoberekening uit te voeren. Echter, om een volledig beeld te vormen is er een worst-case groepsrisicoberekening uitgevoerd op basis van globale ontwikkelvlakken in de rapportage Omgevingsveiligheid BIC Noord (Antea Group, 20-10-2025). Uit de groepsrisicoberekening blijkt dat het groepsrisico van de A2 in de toekomst toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. Het groepsrisico neemt toe van 0,00008 naar 0,00371 (37,1 procent van de oriëntatiewaarde). Dit betekent dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.

Luchthaven Eindhoven

  • Het plangebied ligt voor een deel binnen de PR 10-5-contour en PR 10-6-contour van Luchthaven Eindhoven.
    • 1. Er mogen geen objecten gerealiseerd worden waarin mensen verblijven in de 10-5/jaar-contour. Voor de bebouwing binnen de PR 10-6-contour geldt een personendichtheid van 100 personen per hectare (richtwaarde). Zeer kwetsbare gebouwen, onderwijsgebouwen en/of hybride leeromgevingen, grote publiekstrekkers en evenementen dienen te worden uitgesloten binnen de PR 10-6-contour.
    • 2. De ontwikkeling BIC Noord - ASML maakt geen verblijfsobjecten mogelijk binnen de 10-5/jaar-contour. De gebieden waar de verkeerssituatie wordt aangepast valt well binnen de 10-5/jaar-contour, deze functies hebben echter geen kwetsbaarheidsniveau en zijn toegestaan.

Nieuwe risicobronnen binnen het plangebied

Binnen het plangebied zijn nieuwe activiteiten met omgevingsveiligheidsrisico's niet uitgesloten. Het is de wens om de flexibele invulling van het plangebied te behouden, maar daarnaast wel de risico’s voor te beschermen gebouwen zo veel mogelijk te beperken. Door middel van het aanwijzen van een risicogebied externe veiligheid kan de gemeente de ruimte voor de risicovolle activiteiten borgen, maar ook (beperkt) kwetsbare gebouwen beschermen. Er is dan ook voor gekozen om dit risicogebied externe veiligheid aan te wijzen in het omgevingsplan. Dit wordt gedaan op basis van artikel 5.16 en 5.17 van het Bkl. Het mogelijk maken van nieuwe activiteiten met omgevingsveiligheidsrisico’s is verbonden aan een aantal regels:

• Nieuwe activiteiten met externe veiligheidsrisico’s zijn uitsluitend toegestaan voor zover de plaatsgebonden risicocontour (10-6/jaar) ligt binnen de ‘veiligheidszone - risicogebied’.

• Nieuwe activiteiten met externe veiligheidsrisico’s zijn uitsluitend toegestaan voor zover het brand- en explosieaandachtsgebied ligt binnen de ‘veiligheidszone - risicogebied’.

• In afwijking van het bepaalde in lid 2 mag het brand- en explosieaandachtsgebied tot (geprojecteerde) zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperkt kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties liggen.

Daarnaast zijn er regels opgesteld voor het beschermen van nieuwe (beperkt en zeer) kwetsbare gebouwen:

1. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Veiligheidszone - aandachtsgebied ' zijn:

a. Nieuwe zeer kwetsbare gebouwen verboden;

b. beperkt kwetsbare gebouwen, beperkt kwetsbare locaties, kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties uitsluitend toegestaan nadat de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost hierover heeft geadviseerd op basis van artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de bescherming van de groepen mensen in deze gebouwen en op deze locaties is verantwoord conform artikel 5.15 Besluit kwaliteit leefomgeving.

2. Binnen de ‘veiligheidszone - risicogebied’ zijn geen zeer kwetsbare gebouwen toegestaan.

3. Binnen de ‘veiligheidszone - risicogebied’ zijn geen beperkt kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperkt kwetsbare locaties en kwetsbare locaties toegestaan

4. In afwijking van het bepaalde in lid 3 mogen beperkt kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperkt kwetsbare locaties en kwetsbare locaties binnen de ‘veiligheidszone - risicogebied’ worden gebruikt als aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

a. bedrijven en activiteiten gericht op de vervaardiging van machines en apparaten op het gebied van geavanceerde lithografische systemen en andere aanverwante machines, behorende tot de milieucategorie 3 tot en met 4.2., met een productieoppervlakte groter dan 2000 m²;

b. met de bedrijfsactiviteiten samenhangende kantooractiviteiten;

c. touchpoint(s).

Samenhang nieuwe risicovolle activiteiten en andere activiteiten in ontwikkelgebied.

Binnen het plangebied worden nieuwe risicobronnen niet uitgesloten en mogelijk zijn er in de toekomst activiteiten met externe veiligheidsrisico's noodzakelijk binnen het gebied. Dit levert in principe geen belemmering op, omdat de meeste gebouwen een functionele binding zullen hebben met de risicovolle activiteit. Het betreft immers één bedrijf (ASML). Dit geldt niet zonder meer voor de zogenoemde “touch points”. Kort samengevat kunnen touch points worden omschreven als gebouwen, gedeelte van gebouwen of onbebouwde ruimte waar uitwisseling van kennis en/of ideeën kan plaatsvinden tussen werknemers van op de locatie gevestigde bedrijf of bedrijven en derden. Deze gebouwen zullen niet met zekerheid een functionele binding hebben met een toekomstige risicovolle activiteit, maar zijn wel noodzakelijk voor het gebied. Dit zou in de toekomst een conflict kunnen opleveren, als een nieuwe risicovolle activiteit een plaatsgebonden risicocontour heeft die valt over een (geprojecteerde) gebouw of locatie waar een touch point is voorzien/gevestigd. Het Besluit kwaliteit leefomgeving biedt de mogelijkheid om dit toch toe te staan. Dit kan door een risicogebied aan te wijzen. Binnen een risicogebied kunnen risicovolle activiteiten met een plaatsgebonden risicocontour en (beperkt) kwetsbare gebouwen en/of (beperkt) kwetsbare locaties naast elkaar komen te liggen. Dit kan alleen als het noodzakelijk is voor het gebied.

Noodzaak touch points in BIC Noord

Een van de drijfveren voor de ontwikkeling van de Brainport Industries Campus (BIC) is het zich internationaal presenteren of zichtbaar maken aan de buitenwereld. In BIC kunnen producten en innovaties gepresenteerd worden aan bedrijven, kennisinstituten en onderwijs. Ook toevallige passanten of inwoners uit de regio Eindhoven kunnen kennis maken met de bedrijvigheid. De begrippen openheid en toegankelijk is een belangrijke terugkerende eigenschap van BIC. Bovenstaande draagt bij aan een andere drijfveer van BIC, namelijk het binden, boeien, leren en behouden van talent. Jongeren en studenten kunnen op BIC kennis maken met en enthousiast raken van de high tech maakindustrie. Werknemers kunnen elkaar ontmoeten en van elkaar leren (kruisbestuiving).

Het maken van een showcase en ontmoetingsplekken heeft het meeste effect als deze zo dicht mogelijk bij de bedrijven worden gerealiseerd en integraal onderdeel uit maken van de campus. Deze locaties kunnen herkenbare adressen worden voor bezoekers en werknemers van de campus. Op BIC cluster 1 en BIC cluster 2 is in het zogenoemde atrium, binnen het fabriekscluster, ruimte gereserveerd voor ontmoeten, presenteren en een inkijk gegeven op de fabrieksvloer. Dit atrium maakt onderdeel uit van het campuspad, een route die centraal door de campus loopt, en de fabrieksclusters met elkaar verbind.

Voor BIC Noord, waar de ontwikkellocatie van ASML is voorzien, is gekozen voor touchpoints als ontmoetingsplekken en waar activiteiten kunnen worden georganiseerd voor bezoekers en werknemers. Deze touchpoints liggen aan of nabij het campuspad om zo een goede en herkenbare verbinding te maken met andere fabrieksclusters en ontmoetingsplekken op BIC.

Gelet op bovenstaande overwegingen is in dit geval het gehele ontwikkelgebied voor ASML als een risicogebied aangewezen. De noodzakelijke touch points en nieuwe risicovolle activiteiten kunnen hiermee naast elkaar komen te liggen en conflicteren niet met elkaar.

Groepsrisicoberekening

In de bij voormelde rapportage (Antea Group “BIC-Noord, inclusief wegenstructuur, Beschouwing omgevingsveiligheid”, d.d. 23 januari 2026) behorende bijlage 1 “omgevingsveiligheid BIC Noord” is een worst-case groepsrisicoberekening uitgevoerd op basis van globale ontwikkelvlakken en de voor het betreffende wegvlak aan de orde zijnde relevante transportintensiteit (4421 wagens GF3 (brandbaar gas) per jaar). In onderstaande figuur is het berekende groepsrisico van de Rijksweg ter hoogte van de locatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0102.png"

afbeelding : weergave groepsrisico locatie rijksweg A2

Uit deze weergave blijkt dat het groepsrisico van de A2 in de toekomst toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. Het groepsrisico neemt toe van 0,00008 naar 0,00371 (37,1 procent van de oriëntatiewaarde). Dit betekent dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Deze toename in groepsrisico valt te verklaren door de worst case invulling van het plangebied. Nadere toelichting van de uitgangspunten is opgenomen in voormelde bijlage 6 bij de motivering van dit TAM-omgevingsplan.

Ten aanzien van de risicobeschouwing kan het onderstaande worden geconcludeerd.

Rijksweg A2

  • Het plangebied ligt deels binnen de PR 10-6-contour van de Rijksweg. Dit betreft enkel het deel van het plangebied waar de verkeerssituatie wordt aangepast en dit betreft geen (beperkt) kwetsbaar gebouw of locatie. De ontwikkeling van BIC Noord/ASML ligt buiten de PR 10-6-contour. Er wordt daarmee voldaan aan de norm- en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico.
  • Het plangebied ligt binnen het brandaandachtsgebied van de Rijksweg. Dit betreft enkel het deel van het plangebied waar de verkeerssituatie wordt aangepast en dit betreft geen (beperkt) kwetsbaar gebouw of locatie. De ontwikkeling van BIC Noord/ASML ligt buiten het brandaandachtsgebied.
  • Het plangebied ligt binnen het explosie- en gifwolkaandachtsgebied van de Rijksweg.
    • 1. Vanwege de ligging in het explosie- en gifwolkaandachtsgebied dient conform artikel 5.15 van het Bkl het bevoegd gezag in het omgevingsplan te beschouwen hoe groepen mensen beschermd worden en of deze bescherming afdoende is.
    • 2. Daarnaast kunnen aanvullende bouwkundige maatregelen van toepassing zijn binnen de aandachtsgebieden (bij toewijzing van een voorschriftengebied binnen een aandachtsgebied). De afwegingsruimte ligt hierbij primair bij het bevoegd gezag, met uitzondering van zeer kwetsbare gebouwen (zoals gebouwen bestemd voor het verblijf van jonge kinderen). Voor zeer kwetsbare gebouwen binnen het aandachtsgebied gelden de aanvullende bouwkundige maatregelen (of gelijkwaardige maatregelen) altijd. Binnen het plangebied worden er geen zeer kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt, er is dus geen spraken van een verplicht voorschriftengebied.

Luchthaven Eindhoven

Het plangebied ligt voor een deel binnen de PR 10-5-contour en PR 10-6-contour van Luchthaven Eindhoven. Er mogen geen objecten worden gerealiseerd in de 10-5/jaar-contour waar mensen verblijven. Voor de bebouwing binnen de PR 10-6-contour geldt een personen- dichtheid van 100 personen per hectare (richtwaarde). Zeer kwetsbare gebouwen, onderwijsgebouwen en/of hybride leeromgevingen, (functies voor) grote publiekstrekkers en evenementen worden uitgesloten binnen de PR 10-6-contour.

Hogedruk aardgastransportleiding Z-506-01

De ontwikkeling BIC Noord/ASML valt buiten het brandaandachtsgebied en het belemmeringengebied van de buisleiding. Binnen de gebieden die vallen binnen het brandaandachtsgebied van de buisleiding wordt de verkeerssituatie aangepast. Deze activiteit heeft geen kwetsbaarheidsniveau en leidt derhalve niet tot beperkingen binnen het plangebied.

7.8.3 Verantwoording groepsrisico

Voor wat betreft de verantwoording van het groepsrisico zijn van belang:

  • scenario's;
  • bronmaatregelen;
  • zelfredzaamheid en
  • bestrijdbaarheid.

7.8.3.1 Scenario's

De locatie ligt binnen het invloedsgebied van twee transportroutes gevaarlijke stoffen (weg). Bij deze risicobronnen kan een plasbrand, een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) of een toxisch scenario optreden. Gezien de afstand tot de locatie zijn enkel het BLEVE-scenario en het toxisch scenario relevant.

BLEVE-scenario

Een koude BLEVE ontstaat wanneer de tankwagen met brandbaar gas bezwijkt waardoor er plotseling gas kan ontsnappen, dat na ontsteking ontploft. Een warme BLEVE ontstaat door een (plas)brand in de nabijheid van een tankwagen met bijvoorbeeld LPG. Door de hitte van de brand loopt de druk in een tankwagen hoog op, terwijl de sterkte van de metalen wand afneemt. Hierdoor kan de wand het begeven en de tank ontploffen.

Toxisch scenario

Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tank (weg- of spoorvervoer) lek raakt en toxische stoffen ontsnappen. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving uit kan waaien. Bij een deel van de aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment.

Vliegtuigongeval

Door de nabijheid van Eindhoven Airport kan de locatie worden blootgesteld aan de gevolgen van een vliegtuigongeval. Vanuit externe veiligheid worden geen specifieke maatregelen getroffen om de gevolgen van een vliegtuigongeval te beperken. Wel dragen algemene maatregelen zoals risico- en crisiscommunicatie ook bij aan het optimaliseren van de externe veiligheid in relatie tot het optreden van een vliegtuigongeval.

7.8.3.2 Bronmaatregelen

De meest effectieve veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen aan de risicobron zelf. In het kader van het Basisnet zijn diverse veiligheidsmaatregelen aan de weg getroffen. Deze maatregelen gelden ook als uitgangspunt voor de risicoberekening. De gemeente is niet bevoegd om aanvullende bronmaatregelen te eisen (voor zover dit technisch gezien al mogelijk zou zijn).

7.8.3.3 Zelfredzaamheid

Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario.

Gerichte risicocommunicatie met gebruikers en bezoekers van de faciliteiten in BIC (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke manier hieraan invulling kan worden gegeven.

Op de website van Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost staan onder 'Gevaarlijke stoffen' instructies over wat te doen bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het is aanbevelingswaardig om in instructies voor de gebruikers van de panden op te hangen die betrekking hebben op het handelingsperspectief bij een incident met gevaarlijke stoffen. Deze maatregel kan door de exploitant (en eventuele samenwerking met de Veiligheidsregio) worden uitgewerkt.

Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een BLEVE

In het geval van een 'koude' BLEVE is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen (die zich onbeschermd buiten bevinden) in de directe omgeving slachtoffer worden. Buiten de 150 meter is schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Echter, een koude BLEVE kan plaatsvinden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde.

Bij een warme BLEVE is er in principe tijd om te vluchten tot buiten het invloedsgebied van de weg en daar te schuilen (er is eerst brand en daarna volgt pas een explosie).

De zelfredzaamheid kan worden verhoogd als het bevoegd gezag het stappenplan van de provincie Noord-Brabant doorloopt. Dit komt aan de orde als er (beperkt) kwetsbare gebouwen of (beperkt) kwetsbare locaties worden aangevraagd en voor vergunningverlening een verantwoording conform art. 5.15 Bkl moet plaatsvinden op basis van artikel 22.3 van het TAM-omgevingsplan.

Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een toxisch scenario

Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang.

In geval van een calamiteit met toxische stoffen op de weg is het van belang dat de bebouwing bescherming biedt. Van belang daarbij is dat - in dat geval - de (eventueel aanwezige) mechanische ventilatie centraal afgesloten kan worden (via een noodschakelaar). Dit voorkomt dat bij het optreden van een incident de ramen en deuren gesloten zijn, maar toch toxische stoffen via de ventilatie (versneld) tot het gebouw toetreden. Het is een goedkope maatregel die bij een calamiteit met giftige stoffen zeer effectief kan zijn.

Onder de Ow dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Bbl).

Vluchtwegen afstemmen op externe veiligheid

Een calamiteit met gevaarlijke stoffen bij één van de risicobronnen zal vrijwel direct worden opgemerkt door de directe omgeving. Personen in de omgeving zijn daarbij direct gealarmeerd. Vervolgens dienen de interne vluchtwegen in het gebouw zodanig gesitueerd te zijn dat het mogelijk is aan de risicoluwe zijde te ontvluchten. Bij een dreigende BLEVE op de A2 is dat richting het westen. Dit kan worden beoordeeld in het kader van artikel 22.3 van het TAM-omgevingsplan. Bij de situering/vergunning van nieuwe gebouwen binnen het explosie-aandachtsgebied van de snelweg zal worden beoordeeld hoe op een goede manier invulling kan worden gegeven aan vluchten.

Beperkt zelfredzame groepen

Binnen de locatie worden geen specifieke functies mogelijk gemaakt die de aanwezigheid van groepen beperkt zelfredzame personen faciliteren.

7.8.3.4 Bestrijdbaarheid

Bij bestrijdbaarheid dient rekening gehouden te worden met de volgende aandachtspunten :

BLEVE scenario

Belangrijk voor een ongeval met brandbare gassen (in combinatie met brandbare vloeistoffen) is dat de brandweer zo snel mogelijk ter plaatse van de calamiteit is, zodat de gevolgen van de 'warme' BLEVE bestreden kunnen worden. Tussen de calamiteit en de expansie zit, een korte periode, waarbinnen de brandweer de tijd heeft om de wagon te koelen en de druk weggenomen kan worden. De brandweer heeft hier voor langere periode voldoende bluswatercapaciteit voor nodig (primaire, secundaire en eventueel tertiaire bluswatervoorziening). De directe effecten van een 'koude' BLEVE zijn niet te bestrijden, omdat bij een calamiteit met enkel brandbare gassen de tankwagen meteen expandeert, maar secundaire branden dienen wel bestreden te worden.

Toxisch scenario

Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. De Veiligheidsregio heeft aparte protocollen voor het bestrijden van incidenten met gevaarlijke stoffen op de weg.

Bereikbaarheid

De brandweer Eindhoven een kazerne aan de Avignonlaan 7 en de luchthavenweg 7. De locatie is goed bereikbaar voor de brandweer.

7.8.4 Advies veiligheidsregio

Ten aanzien van de verantwoording van het groepsrisico stelt de gemeente Eindhoven in het kader van de ruimtelijke procedure de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost in de gelegenheid advies uit te brengen, dat is vervat in het schrijven van 1 september 2025 en 5 december 2025 aan het College van B&W van gemeente Eindhoven. Laatstgenoemd advies is hier opgenomen als Bijlage 8.

1. Volgens de VRBZO zou in de beschouwing en de regels (art. 22/23) zijn vastgelegd dat toekomstige risicovolle activiteiten en nieuwe (beperkt) kwetsbare functies binnen aandachtsgebieden altijd aan de VRBZO worden voorgelegd voor advies.

Standpunt gemeente ad. 1: Ter plaatse van het explosieaandachtsgebied van de snelweg A2 in het plangebied is de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone-aandachtsgebied' opgenomen. Binnen deze aanduiding ter plaatse van het gebruiksdoel 'Bedrijf' zijn nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties uitsluitend toegestaan nadat de Veiligheidsregio Brabant Zuid-Oost (VRBZO) hierover heeft geadviseerd op basis van artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de bescherming van de groepen mensen in deze gebouwen en op deze locaties is verantwoord conform artikel 5.15 Bkl. Voor zover risicovolle activiteiten binnen het gebruiksdoel 'Bedrijf' worden gesitueerd dienen deze aan de VRBZO te worden voorgelegd voor advies op grond van de wettelijke regeling (art. 4.33 Omgevingsbesluit).

2. Een definitieve keuze moet nog gemaakt worden over de toe te passen maatregelen. In de motivering wordt gesteld dat het groepsrisico “met inachtneming van de opgesomde maatregelen” aanvaardbaar wordt geacht. In de beschouwing omgevingsveiligheid wordt echter aangegeven dat het bevoegd gezag de opgesomde punten “kan” gebruiken en dat “mogelijk” aanvullende bouwkundige maatregelen nodig zijn.

Verzocht wordt om:

A. een helder overzicht van maatregelen die het bevoegd gezag daadwerkelijk overneemt (bouwkundig, organisatorisch en installatietechnisch);

B. het overzicht te delen met de VRBZO, omdat inzicht in aanwezige voorzieningen cruciaal is voor: de operationele voorbereiding, inzetstrategie bij incidenten (onlosmakelijke samenhang met zelfredzaamheid) en veiligheid van hulpverleners.

C. Voorstel om de restrisico's kort te beschrijven in de motivering. Hierdoor versterkt de bestuurlijke afweging en de voorbereiding voor VRBZO.

Standpunt gemeente ad. 2. Het is in het ontwikkelgebied van BIC Noord wenselijk om een flexibele invulling te behouden, maar daarnaast de risico's voor te beschermen gebouwen en locaties zo veel mogelijk te beperken. Hierdoor zijn de bedoelde maatregelen nu nog niet bekend. Bij de verdere invulling van het plan wordt advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Dit zal met de aanvraag voor een omgevingsvergunning worden bepaald conform artikel 22 van het TAM-omgevingsplan. Concrete maatregelen worden dan bepaald en vastgelegd in de vergunning of op een andere manier.

3.VRBZO vraagt bij de verdere uitwerking van de wegenstructuur en bluswatervoorzieningen en de verdere inrichting van het terrein wordt aangesloten bij de 3 kernwaarden van de GHOR, toegankelijkheid van zorg, zelfredzaamheid van aanwezigen en fysieke veiligheid & de witte keten.

Concreet betekent dit dat bij de verdere planuitwerking en vergunningverlening ten minste de volgende randvoorwaarden worden toegepast:

Bereikbaarheid terrein
- Geen doodlopende wegen zonder keerlus of keermogelijkheid voor voertuigen van hulpdiensten.
- Minimale rijbaanbreedte van 3,5 meter voor brandweer en ambulance.

Toegang tot gebouwen
- Hoofdingang en nooduitgangen geschikt voor brancardtransport (minimaal 1,20 m breed).
- Geen exclusieve toegang via trappen; een lift of hellingbaan moet beschikbaar zijn voor brancardtransport.

Interne routing
- Gangen en deuren die voldoen aan minimale breedtes voor brancard en rolstoel.
- Geen obstakels die snelle evacuatie belemmeren.

Verder wijst de VRBZO op dat bij de planuitwerking en vergunningverlening:

- de Interregionaal Adviesleidraad Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid (november 2025) als uitgangspunt wordt genomen;
- VRBZO (afdeling Planvorming) gedurende de ontwikkeling en realisatie van de wegenstructuur actief wordt betrokken.
- De HOV-busbaan zoveel mogelijk vrij van regulier verkeer blijft, zodat deze bij calamiteiten maximaal als snelle route voor hulpdiensten benut kan worden.

Standpunt gemeente ad. 3: In dit TAM-omgevingsplan is een zogenoemd 'risicogebied externe veiligheid' vastgelegd waarbinnen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties onder voorwaarden naast elkaar kunnen worden gesitueerd. Voor nieuwe risicovolle activiteiten zal voor de omgevingsvergunning van de milieubelastende activiteit (MBA) invulling moeten worden gegeven aan artikel 8.10a Bkl (groepsrisico-verantwoording). Ook is de adviesrol van de VRBZO bij toekomstige risicovolle activiteiten geborgd op grond van het Omgevingsbesluit (art. 4.33).

Voor nieuwe gebouwen binnen het explosieaandachtsgebied van de snelweg zal moeten worden voldaan aan artikel 22, lid 3 van het TAM-omgevingsplan. Hiermee wordt invulling gegeven aan artikel 5.15 Bkl c.q. wordt rekening gehouden met het groepsrisico. Gelet op de hiervoor genoemde regels en systematiek met betrekking tot het ontwikkelgebied van ASML wordt het groepsrisico verantwoord geacht.

Bij de wegenstructuur is de Veiligheidsregio als stakeholder opgenomen in het KES-traject (Klant Eisen Specificatie). Op korte termijn zal het eerste gesprek gaan plaatsvinden.

In het kader van de beoordeling van de planuitwerkingen bij artikel 22 van het TAM-omgevingsplan of in het kader van artikel 4.33 Omgevingsbesluit bij risicovolle activiteiten worden de drie kernwaarden van de GHOR in acht genomen.

Met dit advies zal in het kader van de omgevingsvergunningverlening voor de invulling van de locatie deugdelijk rekening worden gehouden.

7.8.5 Conclusie

Het aspect externe veiligheid levert geen belemmering op. Voor een nadere invulling van het terrein binnen het explosieaandachtsgebied van de snelweg zal bij de omgevingsvergunning invulling worden gegeven aan de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid. Bij nieuwe risicovolle activiteiten geldt volgens artikel 8.10a Bkl de verantwoordingsplicht.

Gelet op het vorenstaande en met inachtneming van de opgesomde maatregelen wordt het GR aanvaardbaar geacht en is ten aanzien van het aspect omgevingsveiligheid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.9 Trilling

7.9.1 Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Ow. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl zijn ten behoeve van de bescherming van de gezondheid en het milieu instructieregels opgenomen ter voorkomen en beperking van trillingshinder. Het toepassingsbereik van de instructieregels is gekoppeld aan een combinatie van trillingsgevoelige gebouwen én aan op locatie toegelaten activiteiten. Dit houdt in dat in het omgevingsplan dient te worden gewaarborgd dat activiteiten die daarin worden toegestaan niet leiden tot onaanvaardbare trillingen met een frequentie van 1 tot 80 Hz in een trillingsgevoelige ruimte, in een trillingsgevoelig gebouw. De instructieregels voor trillingen uit het Bkl zijn echter niet van toepassing op doorgaand verkeer, spoorwegen en vaarwegen.

Om de mogelijke trillingshinder door railverkeer in kaart te brengen kan worden uitgegaan van de SBR-richtlijn B, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en/of de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillingshinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde voor Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Dat binnen een zone van 100 meter tot het spoor rekening gehouden moet worden met trillingen betekent niet dat er binnen deze zone altijd maatregelen nodig zijn.

In de bruidsschat – die onderdeel is van het tijdelijke omgevingsplan - zijn regels opgenomen voor milieubelastende activiteiten met een trillingsemissie. De regels bieden trillingsgevoelige gebouwen bescherming tegen trillingen in het frequentiebereik van 1 tot 80 Hz, veroorzaakt door een activiteit op een locatie.

7.9.2 Toetsing

Railverkeer : Vanwege afstand tot de spoorlijn Eindhoven – Boxtel is geen sprake van een te verwachten trillingsniveau vanwege met name railverkeer.

Vliegveld : Vanuit het vliegveld kan sprake zijn van trillingshinder door vliegtuigen of helikopters. Dit wordt meegenomen bij de invulling van het plangebied, waarbij ASML een eigen verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van eventueel noodzakelijke bouwkundige maatregelen om de invloed van trillingen tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

Militaire voertuigen : Door de verplaatsing van de Dirk Noordhoflaan naar het zuiden zal geen sprake zijn van militaire voertuigen die de locatie doorkruisen. Ook hier heeft ASML een eigen verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van eventueel noodzakelijke bouwkundige maatregelen om de invloed van trillingen tot een aanvaardbaar niveau te beperken. ASML heeft op dit onderdeel specifieke ervaring vanwege de ligging van haar bedrijfsterrein in Veldhoven direct aan de A67, waar vergelijkbare verkeersbewegingen kunnen optreden. Van onaanvaardbare hinder is op dit onderdeel niets bekend.

7.9.3 Conclusie

Ten aanzien van het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.10 Verkeer en parkeren

7.10.1 Verkeer: beleidskaders

Het Masterplan Mobiliteit 2050 'Wij gaan vooruit' is in maart 2024 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin zijn de hoofdlijnen van het mobiliteitsbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2050) vastgelegd. Met een concrete uitwerking voor de komende jaren (t/m 2026) en een doorkijk naar 2030. Deze visie vormt het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeers- en mobiliteitsopgaven. In de volgende paragrafen zijn de essentiële elementen beschreven.

Masterplan Mobiliteit 2050

Het Masterplan Mobiliteit streeft naar een toekomst waarin wij in verbinding zijn met elkaar, waarin er vrijheid is voor iedereen om te gaan en staan waar ze willen en op welke manier ze dat willen, waarin we ruimte maken voor elkaar en de veelzijdigheid van de stad, waar het veilig is voor jong en oud. Een stad waar de lucht schoon is en waar we gezond oud kunnen worden. Een stad waar het fijn is om te zijn en waar we kunnen ontspannen.

Voetgangersverkeer

De gemeente Eindhoven wil meer aandacht schenken aan de voetganger in de stad. Daarvoor is een tweetal routenetwerken voor de voetgangers benoemd in het 'Masterplan Mobiliteit 2050'. Routes om actief te verplaatsen en routes om ontspannen te bewegen.

Openbaar vervoer

Het vervoer per spoor en het netwerk van hoogwaardige busverbindingen vormt volgens het Masterplan Mobiliteit 2050 het kernnetwerk voor het openbaar vervoer. Voor het busnetwerk wordt vervolgens uitgegaan van twee netwerken: een Hoogwaardig Openbaar Vervoer netwerk (HOV-netwerk) en een netwerk van ontsluitende buslijnen.

Autoverkeer

Het wegennetwerk is in Masterplan Mobiliteit 2050 geactualiseerd. Dit bestaat uit de volgend indeling in hoofdwegen: Randweg A2/N2, Ring en regionale bundelroute, Radialen buiten de ring, Radialen binnen de ring. Daarmee is een robuust wegennetwerk gedefinieerd voor de hoofdontsluiting voor autoverkeer. Dit zijn ook de wegen waar een maximum snelheid van tenminste 50 km/u gehandhaafd zal blijven in de toekomst. Een onderliggend netwerk van gebiedsontsluitingswegen zorgt voor de verder ontsluiting van de diverse stadsdelen en wijken. Op enkele uitzonderingen na zullen deze uit oogpunt van leefbaarheid en veiligheid in de toekomst allemaal een maximum snelheid van 30 km/u kennen.

Hubs

Hubs vormen de verbindende schakels in de verplaatsingen. Het zijn de plekken waar verschillende vervoerwijzen samenkomen en mensen kunnen overstappen. Voor de mobiliteitstransitie zijn verplaatsingen met een of meer overstappen essentieel. Mobiliteitshubs in Eindhoven hebben vooral drie functies; het aanbieden van deelmobiliteit, het faciliteren van de overstap van de ene op de andere vervoerwijze en tot slot het (op afstand) parkeren van de (eigen) auto. Hubs hebben in Eindhoven verschillende verschijningsvormen op allerlei schaalniveaus.

Verkeersgeneratie

Aan de hand van CROW-kencijfers is de verkeersgeneratie in de huidige en toekomstige situatie bepaald. De verkeersgeneratie betreft de optelsom van de aankomende en vertrekkende ritten. Binnen de kencijfers wordt onderscheid gemaakt naar stedelijkheid en ligging van de ontwikkeling.

Verkeersafwikkeling

Aan de hand van de cijfers die volgen uit de berekening van de verkeersgeneratie moet worden bekeken welke consequenties dit heeft op de verkeersafwikkeling op het huidige en eventueel aangepaste wegennet. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling van de locatie niet past binnen de bestaande infrastructuur, zodat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn, die hierna in deze motivering worden beschreven.

7.10.2 Verkeer: toetsing

Verkeer algemeen : doelstelling “modal-split”

Uitgangspunt bij de verkeerskundige benadering alsmede de parkeerbehoefte voor de BIC campus is een onderverdeling van verkeersstromen, de zogenaamde “model-split”. Hierin wordt uitgegaan van 50% gebruik van de auto, 30% openbaar vervoer en 20% gebruik van de fiets. Om tot deze verkeersmodaliteit te kunnen komen zullen aanvullende investeringen in met name openbaar vervoer nodig zijn. Om tot een verdere beperking van het autoverkeer te kunnen komen tot een door de gemeente Eindhoven beleidsmatig gewenste verdeling van 1/3 auto, 1/3 HOV en 1/3 fiets zullen tevens investeringen in voormelde Hubs van belang zijn in combinatie met een verkeersinfrastructuur van deze Hubs naar de BIC locatie om het gebruik hiervan voldoende aantrekkelijk (lees : borging snelle bereikbaarheid) te maken. De totstandkoming van aanvullend openbaar vervoer en voormelde Hubs valt buiten de scope van dit TAM-omgevingsplan, zodat in het kader van ETFAL moet worden uitgegaan van een vooralsnog realistische verdeling van verkeersstromen (50-30-20).

Autoverkeer : de uitgangspunten voor een opwaardering

Om te komen tot een zinvolle opwaardering van de verkeersstructuur in en nabij het plangebied wordt bij de beoordeling van de noodzakelijke maatregelen uitgegaan van zowel de invulling van het ASML bedrijfsterrein op BIC Noord (met maximaal 17.000 werknemers) alsook een invulling van BIC-mix als beschreven in paragraaf 3.2.8. (met maximaal 3.000 arbeidsplaatsen).

Dit leid tot een (gezamenlijke) verkeersgeneratie iets meer dan 15.000 mvt/etmaal, die is berekend op basis van 7.692 auto's/parkeerplaatsen (aan de hand van modal split en 1,3 persoon per auto) voor zowel het ASML bedrijfsterrein (6.538 pp) alsook het BIC-mix gebied ( 1.142 pp).

Autoverkeer : de nieuwe Dirk Noordhoflaan

De bestaande Dirk Noordhoflaan doorkruist het gebied en maakt hierdoor inpandige verbindingen onmogelijk tussen de ASML cleanrooms ten noorden en ten zuiden van deze openbare weg. Het belang van deze inpandige verbindingen en daarmee de noodzaak tot verplaatsing van de Dirk Noordhoflaan is beschreven in paragraaf 2.4.4. “de bouwvolumes”.

De beschrijving van de nieuwe Dirk Noordhoflaan is opgenomen in paragraaf 3.3. bij de beschrijving van de diverse verkeerskundige maatregelen.

Autoverkeer : de parkeergarages / parkeervoorzieningen

In het plangebied zal worden gekomen tot ASML parkeergarages. Het westelijke gebied wordt ontsloten op huidige aansluiting Spottersweg/Dirk Noordhoflaan, waarbij deze aansluiting als VRI blijft bestaan. Het oostelijke gebied en de toekomstige BIC-mix locatie worden ontsloten op nieuwe Dirk Noordhoflaan. Deze verkeerstromen zullen verkeerskundig naar het westen worden geleid richting de vernieuwde Spottersweg en aldus niet richting GDC / de Schakel.

Parkeervoorzieningen, voor zover het betreft invalideparkeerplaatsen, parkeerplaatsen voor hulpdiensten, taxi's en voor fietsverkeer alsmede tijdelijke parkeervoorzieningen vooruitlopend op de realisatie van een gebouwde parkeervoorziening mogen voor een periode van maximaal vijf jaar buiten een gebouwde parkeervoorziening worden gerealiseerd, waarbij het maximaal aantal parkeerplaatsen 50% bedraagt van de conform de regels toegestane aantallen.

Autoverkeer : opwaardering lokale verkeersstructuur rondom plangebied

Zoals in paragraaf 3.3 aangegeven is door Antea Group aangetoond, dat de bestaande wegenstructuur niet voldoende is voor de voorgestane invulling van de locatie. Om te borgen dat de nieuwe verkeersstructuur ook daadwerkelijk en voldoende tijdig wordt gerealiseerd is in de regels van het TAM omgevingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin is bepaald, dat afhankelijk van de toename van het bouwvolume (c.q. de hiermee samenhangende verkeersgeneratie) op de locatie sprake moet zijn van het gefaseerd realiseren van de diverse verkeersmaatregelen zoals beschreven in Bijlage 2 bij deze motivering en op basis hiervan opgenomen in het DOSP wegenstructuur (Bijlage 3 bij de regels bij dit TAM omgevingsplan).

Op basis van het bovenstaande zijn tussen de gemeente en ASML afspraken gemaakt over de (kostenverdeling van de) uitvoering van de optimalisatie van de bestaande wegenstructuur in de nabijheid van BIC. Hiermee is de financiële onderbouwing in het kader van dit TAM-omgevingsplan voldoende afgehecht.

OV en looptijden

Het bestaande openbaar vervoer in de nabijheid van BIC is weergegeven op onderstaande afbeelding en bestaat uit buslijnen, waarvan de haltes op grotere afstand zijn gelegen van de toekomstige ASML campus.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0103.jpg"

afbeelding: bestaand openbaar vervoer

In aanvulling hierop is het BIC-gebied momenteel toegankelijk via HOV3, een hoogwaardige openbaarvervoerslijn die het centrum van Eindhoven met de BIC Campus verbindt. Vanaf het busstation Woensel (HOV2) loopt HOV3 via de Huizingalaan, Marathonloop, bedrijventerrein GDC en de Brainport Industries Campus (BIC) naar Eindhoven Airport, waar ook HOV1 reeds van het nieuwe busstation gebruik maakt.  De nieuwe HOV 3 lijn (Hoogwaardig Openbaar Vervoer) verzorgt een zeer frequente en snelle verbinding met Station Eindhoven Centraal en Eindhoven Airport. De HOV halte op BIC is gepositioneerd tussen BIC 1 en BIC 2. Onderzocht wordt of een aanvullende verbinding met BIC Noord ASML Campus kan worden gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0104.png"

afbeelding : HOV netwerk Eindhoven in relatie tot BIC

Daarnaast zijn er twee volgende HOV-lijnen in de planning, de HOV 4 en de tangentiële/ Brainportlijn tussen Best en Veldhoven. Drie opties zijn voorgesteld voor de nieuwe
Brainportlijn. Optie 0 - de basisvariant - voorziet niet in een halte op BIC Noord, waardoor deze niet bijdraagt aan de OV ontsluiting van dit gebied. De komst van ASML noodzaakt een andere positionering van de Brainportlijn om de komst van maximaal 20.000 werknemers (on site) en een goede modal split te ondersteunen.

Er zijn momenteel twee tracés in onderzoek; een westelijk en een oostelijk tracé. Het tracé in het oostelijk deel ligt in het noorden mogelijk dicht op/over de vrijwaringszone van de A2/N2 en een bouwveld in het plangebied van het TAM-omgevingsplan. De keuze tussen optie 1 en optie 2 is nog niet gemaakt; beide opties worden in het kader van de MIRT verkenning verder uitgewerkt. De exacte locatie voor de HOV-halte op de campus is nu nog niet vast te stellen. Het is echter essentieel dat deze halte buiten de beveiligde zone van ASML geplaatst wordt, terwijl deze ook zo centraal mogelijk op de campus moet liggen.

De keuze voor het HOV tracé is mede afhankelijk van de regionale keuze die wordt gemaakt voor de Brainportlijn en kan daarom nu nog niet worden gemaakt. Gezien het belang van een goede HOV ontsluiting van het te ontwikkelen gebied en het belang van de bebouwingsmogelijkheden van ASML, heeft de gemeente met ASML afgesproken nader te overleggen over de invulling van het oostelijk deel van het plangebied dat ter plekke een HOV verbinding (en eventuele halte) en bebouwing van ASML mogelijk zijn. Om het belang van het OV te onderstrepen, kan ASML pas een vergunning voor technisch bouwen (ook als die onderdeel is van een ander besluit) aanvragen voor de bebouwing (Opstalontwikkeling, infrastructuur en HOV tracé) op het moment dat de gemeente en ASML schriftelijk overeenstemming hebben bereikt over voormelde invulling van het oostelijk deel van het plangebied.

Zowel de gemeente Eindhoven als ASML streven ernaar dat in of nabij direct aansluitend aan het plangebied een HOV verbinding wordt aangelegd; de Brainportlijn. Het tracé van die HOV verbinding (Brainportlijn) wordt mede bepaald door de Provincie Noord-Brabant en de omliggende gemeenten.

De gemeente en ASML erkennen het gezamenlijke belang bij goed werkend openbaar vervoer van en naar de nieuwe ASML-campus. Goed werkend openbaar vervoer wordt mede bepaald door de frequentie van het aangeboden vervoer, de capaciteit van het openbaar vervoer en de afname (inclusief herkomst) van het openbaar vervoer. Het is daarmee van belang om de capaciteit van het openbaar vervoer regelmatig af te stemmen op het aantal medewerkers op de campus door afspraken tussen de vervoerder(s) en ASML. De ontwikkeling van de campus zal gefaseerd plaatsvinden, waarmee het aantal medewerkers en daarmee de vraag naar goed OV stapsgewijs zal toenemen.

De gemeente heeft in dat verband met ASML afgesproken dat:

  • de gemeente zorgt ervoor dat op het moment van opening (dus na bouwkundige oplevering) van de eerste fase van ASML een (tijdelijke) bushalte met keervoorziening aanwezig is waar de reguliere buslijn(en) die over de huidige Dirk Noordhoflaan rijden kunnen halteren (de zogenoemde HOV3-lus). Daarbij wordt er naar gestreefd deze bushalte zo veel als mogelijk te realiseren op de locatie waar het definitieve busstation is voorzien, als wordt gekozen voor de oostelijke route.
  • Er zullen voldoende voorzieningen aanwezig moeten zijn om comfortabel gebruik te maken van het aanwezige OV (bijvoorbeeld overkapping, OV-oplaadpunt, etc.). De gemeente zal in overleg treden met de provincie over voldoende capaciteit van het OV om de gewenste modal split zo spoedig mogelijk te realiseren.
  • De gemeente heeft daarbij aandacht voor de interne verkeersstructuur en zal deze zodanig inrichten dat het OV in de eindsituatie zo min mogelijk hinder ondervindt van andere verkeersstromen (zoals verkeerslichten, kruisingen, etc.)
  • De gemeente draagt er ook zorg voor dat er in de eindsituatie voldoende halteplaatsen en bijbehorende voorzieningen kunnen worden aangelegd. Daartoe dienen de gemeente en provincie te worden betrokken in het ontwerpproces waarbij uiteindelijk de provincie een doorslaggevende stem heeft in de wijze waarop het OV doelmatig en maximaal effectief gebruik kan maken van het aan te leggen busstation.
  • Om een evenwichtig aanbod van OV te kunnen blijven garanderen zal de gemeente x per jaar een overleg initiëren tussen, ASML, de provincie, de vervoerder en de gemeente om het actuele en voorziene gebruik versus de beschikbare capaciteit en frequentie van het (H)OV te bespreken en waar nodig zowel vraag als aanbod tijdig bij te kunnen sturen.

De provincie erkent het belang van tijdig opschalen van de capaciteit en frequentie van het openbaar vervoer. De nu reeds aanwezige omliggende (waaronder vrij liggende (H)OV-) infrastructuur maakt dit voor de eerste fase technisch reeds mogelijk en inpasbaar. Daarnaast vraagt dit om tijdig inzicht in herkomst en gebruik van woon-werkverkeer door ASML, zodat - gezien de (wettelijke) verdeling van taken tussen de verschillende betrokken partijen - ASML, de Gemeente, de provincie en de vervoerder tijdig afspraken kunnen maken over deze opschaling. Dat geldt ook voor de vervolgfasen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0105.png"

afbeelding : HOV netwerk Eindhoven in relatie tot BIC

Fietsverkeer

De gemeente Eindhoven wil het gebruik van de fiets stimuleren. In het 'Masterplan Mobiliteit 2050' is een fietsnetwerk opgenomen dat bestaat twee soorten fietsroutes. In volgorde van belangrijkheid: doorfietsroutes en stadroutes.

BIC Campus is uitstekend verbonden met het fietsnetwerk in Eindhoven. De Slowlane, een fietsroute rondom Eindhoven, loopt langs het gebied en biedt toegang tot de locatie. Daarnaast is de Groene Corridor een belangrijke route die van het centrum van Eindhoven naar Oirschot loopt. Vanaf de Groene Corridor zijn er twee aftakkingen van de fietsroute die toegang geven tot BIC Noord. Zij komen voor de nieuwe Dirk Noordhoflaan samen en lopen over het Campuspad naar het noorden. De BIC-mix en ASML Campus zullen aangehaakt worden op dit fietspad.

Binnen het campusgebied is een netwerk van secundaire fietspaden voorzien. Het gebruik van de fiets wordt gestimuleerd door hoogwaardige, inpandige fietsenstallingen op te nemen bij de entrees van de gebouwen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0106.png"

afbeelding : fietsstructuur BIC campus

In de memo “impact van de ontwikkeling van BIC Noord op het langzaam verkeer” (Bijlage 3 bij deze motivering) wordt het fietsnetwerk beoordeeld in de huidige en toekomstige situatie. In de huidige situatie zijn er al enkele aandachtspunten gesignaleerd betreffende de breedte van het fietspad langs de Landsardseweg en de Slowlane richting Best (onderdoorgang A58). De ontwikkeling van BIC Noord zorgt, met name in de spits, in de eindsituatie voor een aanzienlijke toename van het aantal fietsers op de Slowlane en Groene Corridor. Voor een aantal fietspaden in de omgeving van BIC Noord heeft dit tot gevolg dat in de (worst case) spits het comfortniveau van fietsers afneemt: in de drukste uren van de dag is het mogelijk dat snellere fietsers minder gemakkelijk langzamere fietsers kunnen inhalen. De veiligheid op de fietspaden blijft wel acceptabel.

Door in de komende jaren goed te monitoren hoe de fietsstromen zich ontwikkelen, kunnen maatregelen tijdig worden afgestemd op de werkelijke situatie en kan een veilige, comfortabele en toekomstbestendige infrastructuur voor langzaam verkeer worden gegarandeerd.

Het opheffen van het fietspad langs de Spottersweg, tussen de Eindhovensedijk en de Luchthavenweg, wordt in de toekomst als acceptabel beschouwd. Hoewel de route nu hoofdzakelijk door recreanten wordt gebruikt, blijven de intensiteiten laag en zijn de alternatieve routes via de Slowlane kwalitatief hoogwaardig. De extra reistijd voor de meeste fietsers blijft beperkt tot ongeveer een minuut en vormt geen wezenlijke belemmering.

Expeditie- en calamiteitenverkeer, bereikbaarheid hulpdiensten

Vrachtverkeer voor BIC Noord kan laden en lossen in westelijk gedeelte van het gebied nabij het logistiek centrum. Rondom het ASML bedrijfsterrein is een ontsluitingsroute voorzien voor expeditie- en calamiteitenverkeer / hulpdiensten, waarvoor ruimtereservering is opgenomen (door beperking van het bouwvlak).

7.10.3 Parkeren : Beleidskader, Nota parkeernormen

Fietsparkeren

In de Nota Parkeernormen 2024 zijn eveneens de fietsparkeernormen opgenomen. Naast voldoende in omvang hangt het succes van een fietsenstalling sterk af van de kwaliteit, de bruikbaarheid, sociale veiligheid en het comfort ervan. Daarvoor gelden in Eindhoven eisen op grond van de beleidsregel Kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen, die in de regels als uitgangspunt wordt genomen en aldus geborgd.

Autoparkeren

De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte efficiënt gebruiken. Daarom wordt er ingezet op ruimte-efficiënt en omgevingsvriendelijk vervoer. Meer lopen, fietsen, openbaar vervoer en gebruik van deelmobiliteit en minder gebruik van de auto. Deze mobiliteitstransitie is in het belang van een bereikbare en leefbare stad.

De “Nota Parkeernormen 2024” is opgesteld om de door de gemeente Eindhoven gewenste mobiliteitstransitie te kunnen sturen. De parkeernormering heeft betrekking op het parkeren van auto's en fietsen. In de systematiek wordt echter ook ingezet op duurzame alternatieve vervoerswijzen. Dit is onder meer uitgewerkt in de vorm de verplichte reductie bij HOV en het stimuleren van deelmobiliteit en mobiliteitshubs (minder parkeerplaatsen bij stations en HOV-haltes en bij gebruik van deelvervoer voor bewoners. Daarnaast wordt gestreefd naar het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit in plaats van aanleg van nieuwe parkeerplaatsen.

7.10.4 Parkeren: toetsing

Fietsparkeren

Voor BIC Noord mag wat betreft de toepassing van de fietsparkeernorm uit worden gegaan van een arbeidsintensieve bedrijfslocatie (maakindustrie)/bezoekersextensief met hierbij voor ASML een bedrijfsspecifieke (maatgesneden) benadering :

Fietsparkeernormen parkeerplaatsen per 100 m2 b.v.o.

personeel bezoekers

1.0 0

Deze parkeernorm is geborgd in de regels.

De fietsenstallingen worden dicht bij de entrees van de gebouwen gepositioneerd. Er moet voldaan worden aan de kwaliteitseisen voor inpandige fietsenstallingen

Autoparkeren

Voor BIC Noord mag wat betreft de toepassing van de autoparkeernorm ook uit worden gegaan van een arbeidsintensieve bedrijfslocatie (maakindustrie)/bezoekersextensief met hierbij voor ASML een bedrijfsspecifieke (maatgesneden) benadering. De Nota Parkeernormen 2024 geeft de mogelijkheid van specifieke afspraken bij gebiedsontwikkelingen :

Ruimtelijke ontwikkelingen in de stad zijn er van groot tot klein en de ruimtelijke context van plannen kan sterk verschillen. Met name (grotere) gebiedsontwikkelingen binnen de gemeente kunnen vragen om anders om te gaan met de invulling van de parkeereis. Gebiedsontwikkelingen kenmerken zich door de schaal van de planvorming, samenvoeging van meerdere bouwplannen en/of (her)inrichting van een groter gebied inclusief de openbare ruimte. Door de schaal en bundeling kan het (ruimte)gebruik van parkeren en mobiliteitsdiensten gemaximaliseerd worden. Het kan zowel gaan om nieuwe gebiedsontwikkelingen als om (grotere) sloop-nieuwbouw of herstructurerings-projecten. Bij dergelijke ontwikkelingen kan door de initiatiefnemer(s) in samenwerking met de gemeente een gebieds- of ontwikkelkader voor het betreffende gebied worden opgesteld, waarin onder 16 meer een specifieke aanpak voor de bereikbaarheid van het gebied wordt vastgelegd. In een mobiliteitsvisie worden, in samenspraak met de ontwikkelende partijen, de uitgangspunten vastgelegd om te voorzien in de (toekomstige) parkeereis, gericht op een bijdrage aan de mobiliteitstransitie en het voorkomen van parkeeroverlast. De afwijkende uitgangspunten en/of parkeernormen worden voor de betreffende gebiedsontwikkeling dan in het omgevingsplan vastgelegd.

In het gebied BIC Noord zullen in totaal 17.000 mensen werkzaam kunnen zijn in een bouwvolume van 428.400 m2 bvo. Opgenomen is een parkeernorm per 100 m2 bvo op basis van een “modal split benadering” waarbij 50% van de vervoerbewegingen geschiedt per individuele auto (1,3 personen per auto) en de overige vervoersbewegingen via openbaar vervoer en de fiets.

autoparkeernormen parkeerplaatsen per 100 m2 bvo

 

    • 1. motorvoertuigen zonder HOV 1,6 - 2.0
  • motorvoertuigen met HOV

25 % mobiliteitsreductie 1,2 - 1.5

  • motorvoertuigen met brainportlijn

33 % mobiliteitsreductie 1,0 - 1.3

Conform Nota Parkeernormen 2024 van de gemeente Eindhoven wordt een reductie toegepast op de parkeernormen binnen 400 meter van een HOV halte dan wel Brainportlijn halte. Een Brainportlijnhalte leidt tot een grotere reductie dan een HOV halte vanwege de grotere vervoerscapaciteit van deze openbare vervoersmodaliteit.

Vanaf het moment dat sprake is van een dergelijke HOV / Brainport halte is aan de orde een mobiliteitsreductie in de parkeernormering van 25% respectievelijke 33%. Deze mobiliteitsreductie is voor het gebied BIC Noord echter eerst van toepassing op het moment dat de betreffende halte aanwezig is in of direct aansluitend aan de locatie (ter plaatse van de nieuwe DNH laan dan wel oostelijk van de locatie).

Tussen Eindhoven en ASML zijn aanvullende afspraken gemaakt over de toepassing van de parkeernorm indien en voor zover zou blijken dat op enig moment sprake is van onvoldoende beschikbare (H)OV capaciteit.

De mobiliteitsreductie geldt conform afspraak tussen ASML en gemeente Eindhoven voor zowel bestaande - als nieuw te realiseren gebouwen, waarbij wel is afgesproken dat bestaande parkeerplaatsen in gebouwde voorzieningen ongewijzigd mogen worden gebruikt ook voor zover boven-normatief aanwezig. Hergebruik van delen van deze gebouwde parkeervoorzieningen kan aan de orde zijn indien ASML hiertoe besluit, doch is niet verplicht.

Deze uitgangspunten leiden (cijfermatig bezien) tot maximaal 8.658 parkeerplaatsen in geval van maximale bebouwing van de locatie zonder HOV reductie. Een met dit aantal parkeerplaatsen overeenkomende hoeveelheid verkeer is ter plaatse echter niet mogelijk en kan ook met de in het kader van dit TAM omgevingsplan aan de orde zijnde verkeersmaatregelen niet voldoende deugdelijk worden afgewikkeld.

Aldus is gekomen (op basis van de verkeerscapaciteit na gefaseerde uitvoering van de aan de orde zijnde verkeersmaatregelen) tot de regel dat het maximaal aantal parkeerplaatsen 6.538 bedraagt, met inachtneming waarvan het maximaal aantal parkeerplaatsen in het westelijk bouwvlak 4.650 bedraagt en het maximaal aantal parkeerplaatsen in het oostelijk bouwvlak 3.000 bedraagt (de som van beide delen mag dus niet meer zijn dan het totaal).

Feit is verder dat op basis van de zogenaamde “Beethovendeal” forse geldstromen beschikbaar zijn om te komen tot onder meer aanpassing van de wegenstructuur om de Brainportregio beter bereikbaar te maken. Enkel in het geval dit heeft geleid tot een feitelijke uitbreiding van de Rijkswegenstructuur en enkele aanpassingen aan het onderliggende wegennet (of indien ASML heeft aangetoond dat bestendig mag worden uitgegaan van een lagere spitsintensiteit) kan dit leiden tot de vaststelling dat vanuit BIC Noord aanvullende verkeersstromen mogelijk zijn, waarbij alsdan de ruimte ontstaat om het maximaal aantal parkeerplaatsen in het gebied te verhogen. Hiertoe zal vervolgens alleen kunnen worden overgegaan, indien de gewenste modal-split alsdan niet mogelijk is vanwege het tijdig uitblijven van een HOV voorziening van voldoende omvang en frequentie.

Alleen indien aan het bovenstaande is voldaan ontstaat de mogelijkheid om middels een BOPA te komen tot een vergroting van het aantal ASML parkeerplaatsen tot maximaal 8.658 parkeerplaatsen. Hiervan is dus sprake indien cumulatief is voldaan aan onderstaande voorwaarden:

  • de noodzaak hiertoe is aangetoond (gerelateerd aan de oppervlakte bebouwing en het al dan niet aanwezig zijn van een objectief bezien aanvaardbare HOV voorziening), en
  • de afwikkeling van de hierdoor aan de orde zijnde extra verkeersbewegingen op een verkeerskundig aanvaardbare wijze kan plaatsvinden, vanwege
    • 1. aanpassingen aan het Rijkswegennet (A2 / N2) en het onderliggende wegennet in de nabijheid van de locatie, of
    • 2. doordat sprake is van een bestendigd afwijkend spitspercentage waardoor de afwikkeling van de hierdoor aan de orde zijnde extra verkeersbewegingen op een verkeerskundig aanvaardbare wijze kan plaatsvinden.
7.10.5 Conclusie verkeer en parkeren

Conclusie is dat als onderdeel van deze ontwikkeling wordt gekomen tot een voldoende opwaardering van de lokale verkeersstructuur alsmede in voldoende mate in parkeerplaatsen worden voorzien, e.e.a. conform actueel gemeentelijk beleid nader uitgewerkt ten behoeve van deze concrete ontwikkeling.

Bij de vergunningverlening zal getoetst worden aan de normen zoals aanzien van het aspect parkeren geborgd in de regels van dit TAM-omgevingsplan.

Ten aanzien van het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.11 Groen

7.11.1 Groenbeleidsplan

In januari 2017 is een actualisatie van het Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is, welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. De doelen van het Groenbeleidsplan 2017 zijn:

  • richting geven aan ontwikkelingen en ambities formuleren;
  • faciliteren van de ontwikkeling van Eindhoven als gezonde, klimaatadaptieve en groene stad om zo de vitaliteit en het welzijn van haar bewoners naar een hoger plan te kunnen brengen;
  • aanknopingspunten bieden voor beheer en inrichting;
  • groen en groenontwikkelingsmogelijkheden voor Eindhoven duurzaam veiligstellen waar het moet en flexibiliteit bieden waar het kan;
  • partners in de stad inspireren en stimuleren: inwoners, bedrijfsleven, kennis- en onderwijsinstellingen en overheid.

Het Groenbeleidsplan 2017 blijft van kracht tot de gemeenteraad anders beslist; het streven is een geldigheid van 10 jaar of langer. Het plan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd.

In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatie-fonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig.

Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in onderstaande kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0107.png"

afbeelding : ruimtelijke strategieënkaart groenbeleidsplan 2017

beoordeling

Dit omgevingsplan is gelegen binnen de strategie “Integrale ontwikkeling groen/rood”. Het betreft hier ontwikkelingslocaties. Het accent ligt op behoud en integrale ontwikkeling van zowel groene functies als van woon- en werkgebieden. Er wordt op structuurvisieniveau een verweving van stad en natuur nagestreefd, waarbij de rode ontwikkeling de kosten van de groene ontwikkeling draagt.

Beleidsregel groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen

De beleidsregel groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven is op 18 juni 2024 door het college van B&W Eindhoven vastgesteld en gaat over compensatie van bestaand groen, verkoop/beheer gemeentelijk groen en het toevoegen van nieuw groen bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Dit is verankerd in onder andere het Groenbeleidsplan 2017 (zoals hiervoor uitgewerkt) en het programma Water- en Klimaatadaptatie Aanpak. Ingevolge het beleidsstuk Water- en klimaatadaptatie Aanpak gemeente Eindhoven 2023-2026 is in de rekentool klimaatadaptatie geïmplementeerd dat minimaal 10% van het Bruto Vloeroppervlak (BVO) in geval van bedrijven en bedrijfsgebouwen aan groen moet worden gerealiseerd.

Beoogd wordt groen oppervlak dat zo veel mogelijk bijdraagt aan de functies van groen - in onderhavig plangebied zijnde landschappelijk inheems groen - zoals beschreven in het Groenbeleidsplan 2017 . Nieuw is de introductie van weegfactoren voor verschillende kwaliteitsniveaus groen en een regeling om, indien fysiek aanbrengen van groen onvoldoende mogelijk is, de groenopgave (deels) in te vullen met een bijdrage aan het groencompensatiefonds.

Beoordeling plan

In de regels is geborgd dat bij omgevingsvergunningverlening zal worden getoetst aan hetgeen is opgenomen in bijlage 4 regels “DOSP landschappelijke inpassing ASML buitenruimte”.

De natuurcompensatie voor de ontwikkeling van de ASML campus inclusief de aanpassingen verkeersstuctuur is opgenomen als onderdeel van de beschrijving van de Provinciale verordening in paragraaf 6.2.2.

7.11.2 Beleid bomen

In de Verordening Bomen 2024 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij wordt ook gezorgd voor de compensatie van te kappen bomen. De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen.

Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig als:

  • het vellen van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter;
  • het snoeien van meer dan 30% van het kroonvolume of wortelgestel van een boom of houtopstand;
  • het verplanten van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter;
  • voor het eerst kandelaberen van een boom of houtopstand met een stamomtrek van minimaal 45 centimeter;
  • het vellen van een boom of houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht;
  • het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte boom of houtopstand, of delen ervan, met een plantenziekte voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden.

Verdere details zijn te vinden in de Verordening bomen 2024 en de nadere uitwerking daarvan in de nadere regels.

Groene kaart

Er is een groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven:

  • Groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur);
  • Groenarme gebieden;
  • Centrumgebied;
  • bebouwingscontour houtkap als bedoeld in artikel 5.165b Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • gemeentelijke waardevolle bomen en monumentale bomen.

De informatie op de groene kaart is nodig om:

  • te duiden waar de waardevolle bomen staan;
  • te duiden waar de monumentale bomen staan; Inzicht te geven in de Bebouwingscontour houtkap;
  • inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële compensatie aan de orde is; het centrumgebied en de groenarme gebieden (zie Nadere regels compensatieplicht).

Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers.

Compensatieplicht bomen

Door het kappen van bomen gaat groen verloren. Het weggevallen groen moet in beginsel worden gecompenseerd. Aan een omgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand (bomen) kunnen voorschriften worden verbonden. Onder andere kan een compensatieplicht worden opgelegd. In de Nadere regels Verordening bomen 2024 is bepaald wanneer een compensatieplicht ontstaat en hoe die wordt bepaald.

Nadere regels compensatieplicht

De verordening is uitgewerkt in Nadere regels compensatieplicht. Het college mag op basis van de Verordening bomen 2024 compensatie opleggen zoals uitgewerkt in de 'Nadere Regels compensatieplicht'. Beoordeling plan

Beoordeling

Wanneer op de locatie sprake is van activiteiten met betrekking tot kappen en compensatie van bomen, is de bescherming van bomen niet geregeld in dit TAM-omgevingsplan. De bomenverordening 2024 is in die gevallen van toepassing, tenzij zoals ten aanzien van onderhavige plangebied de Ow van toepassing is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0108.png"

afbeelding : globale weergave (bomen op) locatie

Vastgesteld kan worden dat de meeste bomen in het gebied behouden zullen blijven, doordat de bestemming “bedrijf” wordt beperkt tot de gronden gelegen buiten de vigerende “Natuur-1” en “Natuur-2” bestemmingen, welke in dit TAM-omgevingsplan ongewijzigd worden overgenomen.

De gronden bestemd voor “bedrijf” kennen aldus een hoeveelheid bomen, die normaliter in het kader van de uitgifte in erfpacht van bouwrijpe grond gezien de definitie van dit begrip in de regels) aan ASML door de gemeente Eindhoven worden gekapt, om tot bouwrijpe gronden te kunnen komen voorafgaand aan uitgifte hiervan. Voorafgaand aan deze kap zal in overleg worden bezien of bepaalde bomen inpasbaar zijn in de op dat moment bij ASML bekende invulling van de locatie, zodat niet onnodig bomen worden gekapt, die ook onderdeel zouden kunnen worden van de door ASML gewenste landschappelijke inpassing van de ASML buitenruimte. Door de gemeente Eindhoven wordt tenslotte zorggedragen voor een passende compensatie voor de te amoveren bomen conform eigen gemeentelijk beleid en van toepassing zijnde overige wet- en regelgeving.

Bij de vaststelling van het bebouwingsvlak is ervoor gekozen om afstand te houden tot de omliggende “natuur-bestemmingen”, om hiermee op voorhand de invloed van toekomstige bouwwerkzaamheden op omliggende bomen te minimaliseren. Dit betekent dat werkzaamheden naar verwachting buiten de kroonprojecties van bodem tot kroon zullen blijven. Met uitzondering van de locatie waar de nieuwe Dirk Noordhofflaan het Beatrixkanaal kruist.

In deze motivering wordt in paragraaf 7.12 verder ingegaan op de invloed van de ontwikkeling op omliggende NNB gronden en de mogelijkheid tot beperking hiervan.

7.11.3 Conclusie

Ten aanzien van het aspect groen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.12 Natuur

7.12.1 Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming Natura 2000

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van LNV (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, momenteel Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur LVVN) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Ow legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke waarden van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen kan het plan alleen worden vastgesteld indien aan drie voorwaarden wordt voldaan:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.

Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland

Op nationaal niveau zijn gebieden aangewezen om te worden beschermd in het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur EHS. In de provincie Noord-Brabant te boek als Natuurnetwerk Brabant (NNB). De bescherming van het NNB is geregeld in de Omgevingsverordening (Ovr.) in artkel 5.30 t/m 5.40.

Soortenbescherming

Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als wel om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het NNN. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving ('passieve bescherming'), maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren ('actieve bescherming').

Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 Bal wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

7.12.2 Analyse gebiedsbescherming

Gebiedsbescherming : natura 2000 gebieden

Vastgesteld kan worden dat de locatie op geruime afstand ligt van Natura 2000-gebieden. Gezien deze afstand tot deze gebieden gebieden en de ligging van de locatie wordt er geen (in)directe aantasting van instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden verwacht, met uitzondering van de gevolgen van aan de ontwikkeling toe te rekenen stikstofdepositie.

Gebiedsbescherming natura 2000 : Stikstofdepositie

Bij ontwikkelingen buiten Natura 2000 gebieden moet het effect hiervan op deze natuurgebieden worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Conform de Ow mag de stikstofdepositie op deze gebieden niet toenemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0109.png"

afbeelding: ligging plangebied (rode pijl) t.o.v. Natura 2000 gebieden

Om de effecten van het plan op de omliggende Natura 2000-gebieden te bepalen heeft Antea Group een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat sprake is van stikstofdepositie op een aantal Natura 2000 gebieden in een straal van 25 km rondom de locatie. Vervolgens is de mate van aantasting van deze betroffen gebieden vastgesteld.

Gezien het belang van de uitbreiding van ASML is vervolgens toepassing gegeven aan artikel 10.24 Bkl (passende beoordeling plannen Natura 2000):

  • 1. Een plan als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn wordt alleen vastgesteld, als uit de passende beoordeling, bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid, van de wet, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.
  • 2. In afwijking van het eerste lid kan, als uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het plan toch worden vastgesteld, als is voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • a. er zijn geen alternatieve oplossingen;
    • b. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
    • c. het plan bevat de nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
  • 3. In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder b, geldt, als het plan significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, de voorwaarde dat het plan nodig is vanwege:
    • a. argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, met de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; of
    • b. andere dwingende redenen van groot openbaar belang, als de procedure van artikel 10.6d van het Omgevingsbesluit is toegepast.

De hiertoe opgestelde “Passende Beoordeling / ADC toets” omvattende een weergave van de mate van aantasting en de wijze van compensatie is opgenomen als bijlage 8 bij deze motivering. Op basis hiervan kan worden gekomen tot afgifte door het bevoegd gezag van een omgevingsvergunning, wat in de regels van dit TAM-omgevingsplan als voorwaarde is opgenomen. Hiermee is het aspect “stikstofdepositie” geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.

Gebiedsbescherming : NNB gebieden en EVZ

In de beschouwing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB), wordt tevens de Ecologische Verbindingszone (EVZ) betrokken. Het NNB vormt de kerngebieden en moet qua oppervlakte en kwaliteit in stand worden gehouden. De EVZ draagt bij aan verbinding en behoud van samenhang tussen de NNB gebieden en is met name gericht op de uitwisseling tussen populaties van soorten tussen de gebieden.

De provincie Noord-Brabant heeft voor de bescherming van NNB zorggedragen, door deze gebieden op te nemen in de provinciale ruimtelijke verordeningen door daarin te bepalen, dat die in de door de gemeente vast te stellen bestemmings- c.q. omgevingsplannen moeten worden beschermd.

In onderstaande afbeeldingen zijn weergegeven NNB en EVZ binnen en in de directe nabijheid van de locatie:

 afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0110.png"

afbeelding : NNB gebieden in en nabij locatie

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0111.png"

afbeelding: EVZ gebied in locatie

In dit TAM-omgevingsplan is het NNB bestemd als 'Natuur - 1' en 'Natuur Netwerk Brabant- ecologische verbindingszone' (de Ekkersrijt en het Beatrixkanaal), e.e.a. zoals ook opgenomen in het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Eindhoven 2023”. 

Uitgangspunt is verder dat bestemmings- c,q. omgevingsplannen geen mogelijkheden mogen bieden voor ruimtelijke ontwikkelingen die (per saldo) een significante aantasting tot gevolg hebben van de wezenlijke waarden en/of kenmerken en/of een significante vermindering van de oppervlakte van NNB gebieden en/of van de samenhang tussen deze gebieden. Alleen als sprake is van een groot openbaar belang én er geen reële alternatieven zijn én mits de negatieve effecten worden gecompenseerd kan van dit uitgangspunt worden afgeweken.

Hierbij is mogelijk sprake van effecten door 'externe werking' in de vorm van verstoring door mechanische effecten, optische verstoring, verstoring door trilling, verstoring door licht, verstoring door geluid, verdroging, verontreiniging, versnippering en oppervlakteverlies. De storingsfactoren kunnen onderverdeeld worden in directe effecten en indirecte effecten. Bij aantasting van het oppervlak van bestaand NNB is sprake van directe aantasting. Bij een toename van verstoring door invloeden uit de omgeving is sprake van indirecte effecten.

Gebiedsbescherming: De directe effecten op de NNB in en buiten de locatie

De ontwikkeling van de ASML campus in BIC Noord grenst deels aan bestaande NNB. Deze NNB betreft bosgebied. Zoveel als mogelijk worden bestaand omliggende groen gerespecteerd en is aldus de aantasting van het NNB zo gering als mogelijk.

Samenhangend met de ontwikkeling van ASML in BIC Noord is de aanpassing van de lokale wegenstructuur gelegen tussen het plangebied en de A58. Om het gebruik van de locatie voor 17.000 werknemers en een toekomstig gebruik van het zuidelijk gelegen gebied “BIC-mix” voor 3.000 werknemers mogelijk te maken is aanpassing van deze wegenstructuur noodzakelijk in aanvulling op de verplaatsing van de bestaande Dirk Noordhoflaan. Aldus is in het kader van dit TAM-omgevingsplan ook gekomen tot een analyse gebiedsbescherming voor voormelde wegenstructuur buiten de locatie en wordt deze analyse en voorgestelde compensatie een onderdeel van zowel de TAM-IMRO procedure als de procedures binnen de gemeenten Oirschot en Best, waar deze wegenstructuur is gelegen.

De ontwikkeling van de ASML campus valt zoveel als mogelijk buiten NNB, behoudens:

  • de verplaatsing van de Dirk Noordhoflaan, en
  • de doorkruising van de EVZ (Ekkersrijt) met een rondweg en met loopbruggen.

Directe effecten op de NNB : wegenstructuur, mate van aantasting en compensatie

De beoogde ontwikkeling van ASML in BIC Noord leidt als gevolg van de daarvoor benodigde aanpassingen van de infrastructuur tot een aantasting van het NNB. Dit ruimtebeslag betreft met name effecten in de NNB-zone nabij de aansluiting A58, de Dirk Noordhoflaan, de Spottersweg en de Anthony Fokkerweg. Daarnaast betekent de aanleg van het campuspad dat er een strook van 10 meter van de in 2022 aangelegde EVZ afgaat op de oostoever van de Ekkersrijt (bestaande uit 5 meter breedte pad en 5 meter restruimte i.v.m. inpassing die niet EVZ-waardig wordt beschouwd). De EVZ wordt verschoven en wordt in totaal 50 meter breed.

De oppervlakten zijn weergegeven in onderstaande afbeelding en tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0112.jpg"

afbeelding: ruimtebeslag wegennet NNB

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0113.png" tabel: ruimtebeslag wegennet NNB

Het ruimtebeslag en de locatie van de beheertypen is nader beschreven in de rapportage “Natuurtoets gebiedsbescherming in BIC Noord” d.d. 3 februari 2026 van Antea Group, waarin ook de compensatieopgave is uitgewerkt. Deze rapportage is als Bijlage 10 bijgevoegd.

Voor de compensatie geldt een oppervlaktetoeslag die afhankelijk is van de ontwikkeltijd van de verloren gegane vegetatie. Voor de bos-typen wordt een ontwikkeltijd van 25-100 jaar aangehouden (toeslag 2/3), voor de overige typen een ontwikkeltijd van 5-25 jaar (toeslag 1/3).

De compensatieopgave is per beheertype berekend volgens onderstaande tabel.

De locatie van de beheertypen is weergegeven op een kaart die als bijlage 1 is opgenomen in voormelde rapportage van Antea Group.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0114.png"

tabel: compensatieopgave

Voor de berekende oppervlakte NNB-aantasting van 3,4 hectare geldt, bij het toepassen van een beheertype-afhankelijke toeslag, een compensatie-opgave van 4,82 hectare; dit is inclusief het ruimtebeslag van het campuspad in de EVZ.

De totale compensatie-opgave bedraagt aldus 4,82 hectare, waarbij de keuze bestaat tussen fysieke compensatie ('nieuwe natuur') of financiële compensatie. Fysieke compensatie is het meest wenselijk omdat dan de compensatie dichtbij de aantasting kan worden bereikt, maar moet uiteraard wel redelijkerwijs mogelijk zijn.

Fysieke compensatie dient plaats te vinden onder de voorwaarden uit de Ovr Noord-Brabant. Zomogelijk op locaties die aansluiten bij de bestaande NNB en deze versterken. Ook kan de compensatie worden ingevuld door realisatie van een Ecologische Verbindingszone (EVZ).

Binnen het onderhavige plangebied vormt de EVZ Ekkersrijt een potentieel zeer geschikte locatie voor realisatie van de compensatie-opgave, of tenminste een deel daarvan. Daarnaast kan het driehoekig perceel ten noorden van het plangebied langs de Oude Bestse Ploegstraat als zoekgebied voor de compensatie worden beschouwd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0115.png"

afbeelding: zoekgebied NNB compensatie

De oppervlakte van bovengenoemde twee compensatielocaties bedraagt 4,99 hectare. Dit is ruim voldoende voor de compensatie-opgave van 4,82 hectare. De wijze van invulling hiervan wordt nader beschreven in voormelde rapportage van Antea Group.

De planologische procedure voor aanpassing van de NNB-begrenzing betreft in de onderhavige situatie een herbegrenzing op basis van saldobenadering (artikel 5.35 Ovr).

De Ovr omschrijft toepassing van artikel 5.35 als volgt: 'Bij de saldobenadering is er sprake van een combinatie van onderling samenhangende plannen, projecten of handelingen waarvan één of enkele van die plannen, projecten of handelingen afzonderlijk een negatief effect hebben op het Natuur Netwerk Brabant, maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een verbetering van de kwaliteit of kwantiteit van het Natuur Netwerk Brabant als geheel (Lid 1).

..//..

Eén van de voorwaarden om de saldobenadering te kunnen toepassen, is dat de activiteiten onderdeel uitmaken van een gebiedsvisie. Dit kan een provinciale of gemeentelijke gebiedsvisie zijn. Hiermee wordt geborgd dat een combinatie van activiteiten onderlinge samenhang vertoont. Daardoor is ook verzekerd dat toepassing van de saldobenadering de kwaliteit van het NNB daadwerkelijk verbetert (Toelichting art. 5.35).

Bij het voornemen is sprake van een combinatie van onderling samenhangende handelingen waarvan één of enkele afzonderlijk een negatief effect hebben op het NNB, maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een verbetering van de kwaliteit of kwantiteit van het NNB als geheel. Dit komt in het voornemen tot uiting door ruimtebeslag in bestaand NNB enerzijds, en compensatie door realisatie van de EVZ Ekkersrijt en nieuw NNB anderzijds.

Door de gecombineerde uitvoering van onderling samenhangende plannen/handelingen is netto sprake van een verbetering van de kwaliteit en kwantiteit als geheel.

  • Voor het aan te tasten NNB is voorliggend toetsingsrapport opgesteld. Daarbij wordt de compensatie-opgave verwerkt in een inrichtingsplan voor de EVZ Ekkersrijt. De resterende opgave wordt vertaald naar inrichting van percelen in de nabijheid van het plangebied, gericht op versterking van de actuele en potentiële waarden van het NNB. Door de gekozen locaties van compensatie en de daarbij passende inrichting blijft het NNB zoveel mogelijk aaneengesloten en draagt uitbreiden van bestaande NNB bij het functioneren van de natuur netwerk.
  • De inrichting van de compensatielocaties streeft naar behoud -en waar mogelijk versterking- van de biotopen van de soorten die momenteel in het gebied functioneel leefgebied hebben. Daarmee ontstaat een herschikking van functies die per saldo leiden tot tenminste gelijkblijvende ecologische functionaliteit.
  • Het plan wordt landschappelijk ingepast in de omgeving.
  • Voor de landschappelijke inpassing wordt separaat een uitgangspuntendocument opgesteld waarin de landschap en landschapsecologie voor de buitenruimte richtinggevend zijn voor de uitwerking van Voorlopig Ontwerp naar Definitief Ontwerp van het stedebouwkundig plan (VOSP naar DOSP).
  • Ten behoeve van de compensatie-opgave wordt het gebied deels open, deels door aanplant van bos ingericht. Een belangrijk deel van de compensatie-opgave wordt gerealiseerd in de inrichting van de westelijke oever van de Ekkersrijt als EVZ.

Gebiedsbescherming : De indirecte effecten op de NNB: algemeen

De agrarische functie wordt vervangen door gebruik als bedrijventerrein met bijbehorende storingsinvloeden. Het planvoornemen leidt aldus tot een toename van de verstoring in de direct aangrenzende delen van het NNB.

Aan de orde kunnen zijn de volgende indirecte effecten bij de activiteit bedrijventerrein:

  • mechanische effecten (verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten);
  • optische verstoring (verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen of voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem.)
  • verstoring door trilling;
  • verstoring door licht;
  • verstoring door geluid;
  • verontreiniging;
  • verdroging.

Effecten van verontreiniging en verdroging zijn niet aan de orde en kunnen dus in de effectbepaling buiten beschouwing blijven, aangezien er vanuit mag worden gegaan dat de werkzaamheden tijdens de aanleg en de beoogde vorm van het gebruik niet zullen leiden tot nieuwe bronnen van verontreiniging of onttrekking van water uit het gebied..

De overige genoemde indirecte storingsfactoren (mechanische effecten, optische verstoring, trilling, geluid en licht) kunnen zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase optreden. In de aanlegfase hangen deze effecten samen met het gebruik van gemotoriseerd materieel dat nodig is voor de bouw.

In de gebruiksfase hangen de meeste van deze effecten samen met de toename in verkeersstromen en bewegingen in het gebied (optische verstoring door verkeersbewegingen, licht, geluid en trilling van (vracht)verkeer). Mechanische effecten kunnen in de gebruiksfase ook optreden als door de inrichting van het gebied meer mensen het bosgebied betreden. Daarnaast kan verlichting van de bedrijfspanden ook voor lichtverstoring zorgen.

Wat betreft de storingsfactor geluid kan er weliswaar sprake zijn van een verandering in de piekbelasting (bijvoorbeeld door de aanwezigheid van vrachtverkeer), echter is deze storingsfactor, gezien de ligging van het gebied, niet van wezenlijke invloed op de kwaliteit van het aanwezige NNB. De locatie grenst vrijwel direct aan Eindhoven Airport (andere zijde van het kanaal en de Spottersweg). Dit heeft als gevolg dat er met grote regelmaat laagvliegend luchtverkeer over het gebied trekt. Aan de noordoostzijde grenst de locatie vrijwel direct aan de A2/N2. Daarmee heeft het gebied reeds te maken met een bestaande geluidsbelasting.

Bij beschermde natuur die (overwegend) uit bosgebied bestaat, wordt de 42 dB-contour doorgaans als grenswaarde gehanteerd om te bepalen of sprake is van effecten door geluid. Gezien de ligging van het gebied ten opzichte van de omgeving wordt deze grenswaarde in de referentiesituatie reeds overschreden. Een verdere toename van deze verstoring door geluid leidt niet tot significante verslechtering van de kwaliteit van het NNB op basis van de wezenlijke kenmerken en waarden. De geluidsverstoring als gevolg van de ontwikkeling kunnen zodoende buiten beschouwing worden gelaten.

Voor de locatie worden aldus relevant bevonden mechanische effecten, optische verstoring, trilling en licht. De hiervoor genoemde vormen van indirecte verstoring treden voornamelijk gezamenlijk op, en zijn dus moeilijk apart van elkaar te onderscheiden op aard en ernst van de effecten.

Indirecte effecten op de NNB : ASML campus op BIC Noord

Gebruik van de locatie als ASML campus leidt potentieel tot verstoring van de huidige en te ontwikkelen biotopen. Relevante verstoringsbronnen zijn:

  • optische verstoring vanwege de zichtbaarheid van mensen langs de NNB en mensen die de Ekkersrijt passeren of die langs de randen anderszins zichtbaar zijn;
  • lichtverstoring door verkeer kan leiden tot verstoring van foerageergebied van vleermuizen alsook vliegroutes, die medebepalend zijn voor de functionele samenhang met verblijfplaatsen elders buiten het directe plangebied;
  • lichtverstoring vanuit de bebouwing nabij de NNB en EVZ;
  • versnippering van de EVZ door kruisingen op maaiveld, zoals een fietspad of een shuttle-bus verbinding.

Effecten van licht en optische verstoring kunnen worden voorkomen door het aanhouden van een gepaste afstand tot het NNB, al dan niet in combinatie met afscherming van de storingsbronnen. Doorgaans is een afstand van 30 meter afdoende om effecten van verstoring te voorkomen. Afstand kan kleiner indien verstoringsbronnen worden beperkt dan wel geheel afwezig zijn (blinde muren).

Effecten van lichtverstoring kunnen worden voorkomen door beperking aan de bron: voorkómen van uitstraling naar de EVZ toe (armaturen) of door afscherming van de lichtbronnen. Langs wegen kunnen schermen of anti-verblindingsschildjes worden toegepast om zijwaartse uitstraling van koplampen te beperken c.q. voorkomen.

Optische verstoring vanuit loopbruggen die de Ekkersrijt kruisen kan worden voorkomen door gebruik van éénzijdig doorzichtig glas: gebruikers hebben zicht op de natuurzone maar omgekeerd zijn de mensen vanuit de EVZ in de loopbrug niet zichtbaar. De nachtelijke verlichting moet als maatwerk worden uitgevoerd voor de juiste verhouding tussen (sociale) veiligheid, uitstraling en zichtbaarheid.

Versnippering van de doorlopende ecologische verbinding in de EVZ kan worden voorkomen door de kruisingen te onthouden van verlichting (i.v.m. vleermuizen) en gelijkvloerse kruisingen te voorzien van een ecoduiker met passeermogelijkheid voor kleine zoogdieren (looprichel).

In de rapportage “Natuurtoets gebiedsbescherming in Project ASML BIC Noord” d.d. 6 februari 2026 van Antea Group (hier Bijlage 10) is het navolgende opgenomen:

M.b.t. overige verstoring:

1. Geen verstoring:

  • Bij het aanhouden van een storingsvrije bufferzone van 30 meter tussen het planvoornemen en de begrenzing van het NNB zijn er geen beperkingen aan de inrichting van de ontwikkelvelden als kantoren of cleanrooms met bijbehorende infrastructuur;
  • Een verstoringsvrije bufferzone van 30 meter rond het NNB behelst een zone die landschappelijk is ingericht en waarbinnen geen verstorende activiteiten worden ontplooid. De aard van de inrichting en eventuele niet-verstorende activiteiten is onderwerp van nadere uitwerking en toetsing.
  • In het planvoornemen is een verstoringsvrije ruimte van 30 meter het uitgangspunt. Mocht in de verdere planuitwerking onverhoopt sprake zijn van ontwikkelingen of activiteiten binnen de 30 meter zone, dan worden daarvoor alsdan passende maatregelen genomen om de effecten te voorkomen, te mitigeren of te compenseren.

2. Potentiële verstoring door 'externe werking':

  • Bij een bufferzone kleiner dan 30 meter is mogelijk sprake van verstoring van de NNB en dient deze te worden getoetst in het kader van de (in Noord Brabant verplichte) toetsing van externe werking rond het NNB. De toetsing wordt uitgevoerd aan de hand van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB ter plaatse;
  • Externe effecten kunnen worden voorkómen of beperkt door inpassing of afscherming (mitigatie);
  • Externe effecten die niet kunnen worden voorkomen of gemitigeerd, leiden tot opgave voor compensatie van het kwaliteitsverlies. Deze compensatie kan worden ingevuld door kwalitatieve fysieke maatregelen (zoals biotoopverbetering) of door een compensatie-opgave van 1/3 van de verstoorde oppervlakte.

Geen bufferzone buiten de EVZ

De breedte van de EVZ van 50 meter biedt ruimte voor een robuuste ecologische verbinding. Binnen deze breedte worden biotopen ontwikkeld voor de eerder benoemde doelsoorten. Om ervoor te zorgen dat de verbindingszone optimaal kan functioneren dient verstoring van de biotopen voor de doelsoorten te worden beperkt. Een bufferzone, zoals toegekend langs het NNB, is langs de EVZ echter niet nodig. Het feit dat de EVZ komt te liggen in een stedelijke ontwikkeling is vertaald naar een breedte van ruim 50 meter (in plaats van een breedte van 25 meter in landelijk gebied). Daarmee ontstaat een robuuste zone die vanwege de breedte en de daarin te ontwikkelen biotopen weinig hinder zal ondervinden van een campuspad langs de buitenrand.

Omdat de EVZ echter direct grenst aan het campuspad en om te voorkomen dat gebruikers van het campuspad de EVZ gaan gebruiken als onderdeel van de publieke ruimte, is in de regels (Artikel 11 Verkeer - Verblijfsgebied) bepaald, dat bij de aanleg van het campuspad aan de zijde waar deze grenst aan de functie 'Natuur-1' een zodanige groenvoorziening moet worden aangelegd dat daarmee een bufferzone wordt gecreëerd die een directe toegang tot de aangrenzende gronden verhinderd.

Het is mede op basis van deze advisering dat binnen de functieaanduiding “Bedrijf” is gekomen tot een bouwvlak dat in het westelijk gelegen bouwvlak op 20 meter afstand is gelegen van de NNB, waarbij in de regels is opgenomen de bepaling dat bebouwing en het gebruik daarvan binnen 30 meter afstand tot de NNB, niet zijnde EVZ, alleen mogelijk is na beoordeling van de effecten hiervan op de NNB en borging van een passende compensatie van aangetoonde effecten.

Indirecte effecten op de NNB: wegenstructuur

Het gebruik van de nieuwe weg door gemotoriseerd verkeer leidt tot een toename van geluid en uitstraling van licht in de NNB en het buitengebied.

Wat verstoring door geluid betreft is hiervoor reeds beschreven dat dit op deze locatie niet als relevante storingsfactor kan worden gezien. Een verdere (beperkte) verhoging van de geluidsverstoring als gevolg van het gebruik van de nieuwe weginfrastructuur leidt in ecologische zin niet tot een wezenlijk aanvullend negatief effect. De gevolgen van geluidsverstoring door wegverkeer kunnen verder buiten beschouwing worden gelaten.

Wat verstoring door licht betreft kan worden vastgesteld dat op en in de nabijheid van de locatie sprake is van druk bereden snelwegen van de A58 en A2/N2, en lokale ontsluitingswegen vanuit bestaand industrieterrein (DGC Acht, Westfields) die in de avond en nacht lichtuitstraling geven vanwege het autoverkeer en wegverlichting. Er is dus geen sprake van een donker gebied. Het gebruik van de nieuwe weg zal wel leiden tot een lokale toename van lichtverstoring in de nieuw doorsneden delen van het NNB. Dit geldt met name voor kruisingen met het Beatrixkanaal. Vanwege het reeds gedeeltelijk verlichte karakter van het huidige NNB zal het effect van de nieuwe lichtbronnen beperkt zijn. Het effect kan worden beperkt door de aanplant van struweel in de aangrenzende bosrand. Een dergelijk aanplant is onderdeel van de gemeentelijke plannen voor landschappelijke inpassing van de weg.

Indirecte effecten op Driehoeksbos

Het zogenoemde Driehoekbos betreft geen NNB en de ecologische waarde hiervan is laag. Wel kent het bescherming als 'Groen' vanuit de gemeente Eindhoven. De in het bestemmingsplan “Buitengebied Eindhoven 2023” opgenomen bestemming wordt in dit TAM-omgevingsplan ongewijzigd overgenomen.

Langs de zuidrand van het driehoeksbos is een bomenrij aanwezig waarvan enkele bomen een gemeentelijk beschermde monumentale status hebben. Voorzover deze bomen moeten worden gekapt om de gronden als fiscaal bouwrijp bouwterrein aan ASML te kunnen verkopen en leveren zal de gemeente hierbij haar eigen beleid volgen t.a.v. compensatie. Indien bomen worden gekapt in het bosperceel, geldt de herplantplicht vanuit 'beschermde houtopstanden' vanuit de Ow.

Vooralsnog zijn er in het driehoeksbos geen essentiële -en daarmee beschermde- functies voor soorten waargenomen en is de ecologische kwaliteit gering, mede in verband met het intensieve gebruik en verstoring van de afgelopen jaren. Het bos biedt mogelijkheden voor ecologische verbetering om geschikte biotopen te creëren voor amfibieën (landbiotoop), marterachtigen, eventuele verblijfplaatsen en foerageergebied vleermuizen.

Beschermde houtopstanden

Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom “boswet”. Grotere houtopstanden in het plangebied vallen daarmee onder het beschermingsregime van de Ow. In het plangebied zijn bomen aanwezig. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden worden houtopstanden aangetast. Een nadere toetsing beschermde houtopstanden is daarom noodzakelijk. In deze nadere toetsing wordt bepaald of eventuele vervolgstappen noodzakelijk zijn. Mogelijke vervolgstappen bij kap van bomen zijn: een melding houtkap (op basis van Bal/Ow) of - bij kleinere houtopstanden - een omgevingsvergunning houtkap (gemeentelijke beleid). Ook kan het noodzakelijk zijn een Boom Effect Analyse (BEA) op te stellen, waarbij wordt getoetst in hoeverre bomen in de invloedssfeer daadwerkelijk negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden ondervinden.

Voor zover bomenkap plaatsvindt geschiedt deze in het kader van het bouwrijp leveren van gronden door de gemeente aan ASML. De te nemen stappen worden aldus door de gemeente Eindhoven verzorgd.

Ecologie en waterberging

De waterbergingsopgave voor het planvoornemen wordt binnen het gebied opgelost. De opvang, tijdelijke berging en infiltratie van water gerelateerd aan ASML bebouwing zal in beginsel op eigen terrein worden opgelost.

Voorzover opvang, tijdelijke berging en infiltratie ten dele in de groengebieden en ecologische zones - zoals de NNB en de EVZ Ekkersrijt zou worden gerealiseerd, is dit in beginsel goed te combineren met de natuurwaarden, maar mag niet ten koste gaan van de ecologische doelen in deze gebieden.

Om te voorkomen dat uitzonderlijke situaties kunnen leiden tot schade aan de ecologische waarden, worden de volgende randvoorwaarden benoemd:

  • de waterkwaliteit van water dat in de natuurgebieden wordt geleid mag niet vervuild zijn met chemische (afstroom stoffen) of fysische (afval) verontreiniging vanuit de oorspronkelijke opvanglocatie;
  • de hoeveelheid op te vangen en te bergen water die zal leiden tot een tijdelijke peilstijging in de lager gelegen gebieden, mag niet leiden tot een peilstijging > 30 cm t.o.v. het actuele waterpeil.

7.12.3 Analyse soortenbescherming

Wat betreft het onderzoek soortenbescherming is sprake van twee onderzoeken door Antea Group betreffende enerzijds het plangebied en anderzijds de locaties van de aan te passen wegenstructuur.

Soortenbescherming : ecologische beoordeling plangebied

Om een indruk te verkrijgen van de (mogelijk) aanwezige beschermde planten- en diersoorten binnen het onderzoeksgebied heeft Antea Group een ecologische beoordeling uitgevoerd, zoals opgenomen in de rapportage “ASML BIC Noord, Natuurtoets soortenbescherming” d.d. 25 februari 2025, welke hier als Bijlage 11 is opgenomen.

Geconcludeerd wordt dat :

Binnen het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Ow) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: broedvogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en insecten. In tabel 3.1 zijn de conclusies ten aanzien van deze beschermde soorten opgenomen. De onderbouwing van de conclusies zijn beschreven in paragraaf 2.3 van voorliggende natuurtoets. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht.

De beschrijving van het nader onderzoek wordt door Antea Group in haar rapportage uiteengezet, alsook de maatregelen om in concreto invulling te geven aan de algemene zorgplicht.

Vervolgens is door Antea Group gekomen tot een nader onderzoek, zoals opgenomen in de rapportage “Ecologisch nader onderzoek ASML BIC Noord” d.d. 20 oktober 2025, hier als Bijlage 12 opgenomen. Dit onderzoek leidde tot onderstaande vervolgstappen:

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0116.png"

Als conclusie wordt door Antea Group aangegeven :

In Tabel 4.1 is aangegeven dat schadelijke handelingen van artikel 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor een aantal soorten niet kan worden voorkomen. Voor deze schadelijke handelingen is een omgevingsvergunning flora- en fauna- activiteit noodzakelijk. Ten behoeve van de omgevingsvergunningaanvraag wordt een activiteitenplan opgesteld waarin wordt omschreven hoe effecten gemitigeerd en/of gecompenseerd worden. Aangezien het redelijk algemeen voorkomende soorten betreft worden er geen belemmeringen gezien in de vergunbaarheid. Derhalve staat het aspect ecologie soortbescherming de uitvoerbaarheid van het planologisch ruimtelijk besluit niet in de weg.

Geadviseerd wordt om tijdig te starten met het opstellen van een activiteitenplan. De reguliere vergunningsprocedure heeft een doorlooptijd van 8 weken (exclusief 6 weken ter inzage). Het bevoegd gezag kan echter ook oordelen dat het gaat om wezenlijke milieueffecten. In dat geval is niet de reguliere maar de uitgebreide procedure van toepassing. Deze heeft een termijn van 6 maanden.

Veel mitigerende maatregelen hebben betrekking op specifieke periode waarin werkzaamheden al dan niet uitgevoerd kunnen worden. Ook kan er sprake zijn van een gewenningsperiode ten aanzien van compenserende maatregelen. Dit houdt in dat de compenserende maatregelen een bepaalde tijd aanwezig moeten zijn voordat gestart mag worden met de werkzaamheden. Dit kan grote invloed hebben op de uitvoeringsplanning. Ook daarom is het aan te bevelen om op tijd te starten met het opstellen van het Activiteitenplan.

Voor de uitvoering van het planvoornemen dient aanvullend een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. In een ecologisch werkprotocol staat omschreven welke maatregelen getroffen worden om effecten op de beschermde soorten te voorkomen, in lijn met het activiteitenplan. Ook staat erin hoe te handelen als deze effecten toch optreden.

Soortenbescherming : de locaties van de aan te passen wegenstructuur

Om een indruk te verkrijgen van de (mogelijk) aanwezige beschermde planten- en diersoorten binnen het onderzoeksgebied heeft Antea Group een ecologische beoordeling uitgevoerd, zoals opgenomen in de rapportage “Ecologisch nader onderzoek ASML Infrastructuur, Nader onderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten, d.d. 20 oktober 2025, hier als bijlage 12 is opgenomen.

In onderstaande afbeelding is het onderzoekgebied van dit onderzoek opgenomen:

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0117.png"

afbeelding: onderzoeksgebied noord

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0118.png" afbeelding: onderzoeksgebied zuid

Het onderzoeksgebied is nadrukkelijk groter genomen dan het plangebied om zo zicht te krijgen op soorten die mogelijk niet in het plangebied verblijven, maar wel een essentieel deel van hun leefgebied in het plangebied hebben. Een inschatting van de zone rondom de inrichting is 75 meter, gebaseerd op de verstoringsafstand tot jaarrond beschermde nesten. Dit betekent niet dat het (wel of niet) voorkomen van alle soorten in het onderzoeksgebied vlakdekkend in beeld is gebracht.

Bij het bepalen van benodigde vervolgonderzoeken en de effectbepaling van het voornemen wordt ervanuit gegaan dat aanwezige natuurwaarden binnen het plangebied allemaal verloren gaan. Dit is een worst case benadering, waarbij op basis van de uiteindelijk gevonden beschermde soorten de plannen zoveel mogelijk worden aangepast om effecten op beschermde soorten te voorkomen. De uiteindelijke effectbepaling met een inschatting van de vergunningplicht wordt daarna gemaakt.

Het onderzoek leidde tot onderstaande vervolgstappen:

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0119.png"

Geconcludeerd wordt door Antea Group:

In Tabel 4.1 is aangegeven dat schadelijke handelingen van artikel 11,37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor een aantal soorten niet kan worden voorkomen. Voor deze schadelijke handelingen is een omgevingsvergunning flora- en fauna- activiteit noodzakelijk. Ten behoeve van de omgevingsvergunningaanvraag wordt een activiteitenplan opgesteld waarin wordt omschreven hoe effecten gemitigeerd en/of gecompenseerd worden. Aangezien het met name redelijk algemeen voorkomende soorten betreft worden er geen belemmeringen gezien in de vergunbaarheid. Derhalve staat het aspect ecologie soortbescherming de uitvoerbaarheid van het planologisch ruimtelijk besluit niet in de weg. Voor de zeldzamere of moeilijker te compenseren vogels met jaarrond beschermde nesten (buizerd en wespendief) en de winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis zijn randvoorwaarden voor de uitvoering van het planvoornemen opgenomen om belemmeringen in de vergunbaarheid te voorkomen.

Geadviseerd wordt om tijdig te starten met het opstellen van een activiteitenplan. De reguliere vergunningsprocedure heeft een doorlooptijd van 8 weken (exclusief 6 weken ter inzage). Het bevoegd gezag kan echter ook oordelen dat het gaat om wezenlijke milieueffecten. In dat geval is niet de reguliere maar de uitgebreide procedure van toepassing. Deze heeft een termijn van 6 maanden.

Veel mitigerende maatregelen hebben betrekking op specifieke periode waarin werkzaamheden al dan niet uitgevoerd kunnen worden. Ook kan er sprake zijn van een gewenningsperiode ten aanzien van compenserende maatregelen. Dit houdt in dat de compenserende maatregelen een bepaalde tijd aanwezig moeten zijn voordat gestart mag worden met de werkzaamheden. Dit kan grote invloed hebben op de uitvoeringsplanning. Ook daarom is het aan te bevelen om op tijd te starten met het opstellen van het Activiteitenplan.

Voor de uitvoering van het planvoornemen dient aanvullend een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. In een ecologisch werkprotocol staat omschreven welke maatregelen getroffen worden om effecten op de beschermde soorten te voorkomen, in lijn met het activiteitenplan. Ook staat erin hoe te handelen als deze effecten toch optreden.

Soortenbescherming : relatie onderzoek tot vaststelling TAM plan

De door Antea Group in het kader van de soortenbescherming genoemde vervolgstappen zullen met inachtneming van geldende regelgeving worden uitgevoerd voordat planinvulling kan plaatsvinden dan wel onderdeel zijn van de verdere invulling van de locatie.

Uitgangspunt conform vaste jurisprudentie van de Raad van State is dat het soortenbeschermingsregime (in de Wnb) aan de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat :

11.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1386, onder 5.1), komen de vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en, zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet niet af aan het uitgangspunt dat de raad het plan niet heeft mogen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoering van het plan in de weg staat.

In het kader van de uitvoerbaarheid van ook een omgevingsplan moet dus voldoende aannemelijk zijn, zoals ook door Antea Group in de rapportages wordt aangegeven, dat eventueel benodigde vergunningen voor effecten op leefgebieden verleend kunnen worden. De voorwaarden voor dergelijke vergunningen zijn (relatief) eenvoudig te realiseren.

Door Antea Group wordt aangegeven dat een eventueel benodigde omgevingsvergunning kan worden verleend indien er geen andere bevredigende oplossing is (alternatievenafweging), sprake is van een geldig wettelijk belang conform Habitatrichtlijn en er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Op grond van het vorenstaande en het vaststaande belang bij een tweede ASML bedrijfscampus kan worden geconcludeerd dat het aspect soortenbescherming vaststelling en uitvoerbaarheid van dit omgevingsplan niet in de weg staat.

7.12.4 Conclusie

Ten aanzien van het aspect natuur is – met inachtneming van het in deze paragraaf en bijbehorende bijlagen bepaalde - er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.13 Water

7.13.1 Algemeen (wettelijk kader / beleid)

Rijk

Nederland leeft met water. Dat betekent dat bij bouwen rekening gehouden moet worden met water. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit een instructieregel (artikel 5.37) die is opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Op basis van artikel 5.37 vervalt de term 'watertoets'. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' deze term. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.

In de kamerbrief 'water en bodem sturend' van 25 november 2022 formuleert het Rijk een aantal uitgangspunten om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening. Dat zorgt ervoor dat de inwoners ook in een Nederland met een veranderend klimaat kunnen blijven leven, wonen en werken. Naast de keuze 'waar' te bouwen is er ook invulling gegeven aan de vraag 'hoe' een gebied klimaatbestendig kan worden ingericht of bebouwd. Daartoe hebben de samenwerkende overheden en externe partijen een landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de thema's wateroverlast, droogte, hitte, gevolgbeperking overstromingen, biodiversiteit en bodemdaling bij nieuwbouw. Voor de juridische borging van de groene maatlat denkt het Rijk aan een instructieregel in het Bkl of meer specifieke regelgeving in het Bbl.

Provincie

De Ovr Noord-Brabant bevat instructieregels voor waterschappen en gemeenten. In hoofdstuk 5 Ovr staan de instructieregels voor gemeenten. Voor het thema 'water' zijn de volgende artikelen van belang :

In artikel 5.7 wordt voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit toepassing gegeven aan de lagenbenadering. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het principe 'water een bodem sturend'. Het is een keuze van het kabinet om bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dit principe is vertaald in diverse randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen.

In artikel 5.16 tot en met artikel 5.18 worden de grondwatervoorraden beschermd. Daardoor blijft waterwinning voor menselijke consumptie mogelijk.

Artikel 5.41 en 5.42 gaan in op de bescherming van de waterhuishouding en behoud en herstel van watersystemen. Doel van de attentiezone waterhuishouding is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels tegen te gaan. Het werkingsgebied 'Behoud en herstel watersystemen' is gebaseerd op het Regionaal waterprogramma en gebaseerd op waterlopen met de functie waternatuur, (natte) ecologische verbindingszones en gebieden die in de reconstructie- en gebiedsplannen zijn aangeduid als 'ruimte voor beek- en kreekherstel'. Uitgangspunt voor de begrenzing door de gemeente in het omgevingsplan is een breedte van ten minste 25 meter aan weerszijden van de waterloop.

Om de ruimte voor oppervlaktewater te behouden zijn artikel 5.49 en 5.50 opgesteld. Een waterloop heeft ruimte nodig om bij langdurige neerslag water te kunnen afvoeren. Daarbij treedt het water uit zijn 'bakje' en overstroomt de omgeving. Hier dient rekening mee te worden gehouden bij bouwactiviteiten. Binnen regionale waterberging (artikel 5.49) gelden meer beperkingen dan in de reserveringsgebieden waterberging, omdat deze gebieden concreet nodig zijn om wateroverlast tegen te gaan. Binnen reservering waterberging (artikel 5.50) is een afweging mogelijk. De onderbouwing van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bevat hiervan de verantwoording. In beide gevallen geldt bij het opnemen van een regeling in het omgevingsplan dat betrokkenheid van de waterschappen, als primair verantwoordelijk bestuursorgaan voor de inrichting van de waterbergingsgebieden, nodig is.

Waterschap

Het waterschap gaat niet over ruimtelijke ordening. Uit artikel 5.37 van het Bkl volgt dat de gemeente de opvattingen van de waterbeheerder moet betrekken bij het vaststellen van het omgevingsplan.

Op basis van het uitgangspunt 'water en bodem sturend' kan de rol van het waterschap in de ruimtelijke ordening wellicht wijzigen. In de Waterschapsverordening De Dommel 2024 bevat artikel 2.2 een verbod op afvoer van water zonder vergunning op een oppervlaktewaterlichaam.

Op basis van de beleidsregel 'Hydrologische uitgangspunten bij de regels van de Waterschapsverordening voor het afvoeren van hemelwater' geldt dat het waterschap heeft ingestemd met de waterparagraaf in het bestemmingsplan. Dat betekent dat de rekentool klimaatadaptie opgave leidend is bij elke nieuwe ontwikkeling.

Gemeente Eindhoven

De gemeente Eindhoven heeft drie wettelijke zorgplichten (inzameling en transport van afval-, hemel- en grondwater). Daarnaast zijn in het Water- en Klimaatadaptatie Aanpak (WKA) taken beschreven voor het oppervlaktewater en water gerelateerde klimaatadaptatie opgaven.

De water gerelateerde klimaatadaptatie opgaven zijn verder uitgewerkt in waterregels. Deze regels binden derden aan de doelen van dit beleid. De regels voor waterberging zijn zo opgesteld dat vergroening op privaat terrein bij nieuwbouw wordt gestimuleerd en beloond. Hoe groener een plangebied wordt ingericht hoe lager de waterbergingseis in millimeters wordt. Ook ontwikkelingen in groenarme buurten worden op deze manier gestimuleerd.

De gemeente Eindhoven heeft de rekentool klimaatadaptatie opgave ontwikkeld waarmee initiatiefnemers eenvoudig kunnen nagaan wat de omvang van de klimaatadaptatie maatregelen moet zijn, op basis van een aantal gegevens van hun initiatief en de locatie. Ook de vergroeningsopgaven zijn opgenomen in de rekentool.

Rijk en provincie zetten in op water en bodem sturend maken. In Eindhoven zijn Watervisiekaarten opgesteld om hier invulling aan te geven. Deze watervisiekaarten zijn richtinggevend bij elke ruimtelijke transitie binnen de gemeente Eindhoven en vormen een onderlegger voor het Omgevingsplan.

Toelichting rekentool

De gemeente Eindhoven maakt bij de beoordeling van de voor een nieuwe ontwikkeling in een plangebied voorgestelde maatregelen gebruik van een rekentool. Deze rekentool klimaatopgave, beschikbaar op rekentool.eindhovenduurzaam.nl, maakt het een ontwikkeling mogelijk interactief haar plangebied en de te nemen maatregelen te beschrijven en te controleren of aan de gemeentelijke eisen wat betreft waterberging en vergroening wordt voldaan. Bovendien kan een afschrift van de beschrijving van het plangebied en de keuze van de maatregelen met voorbeelden voor de verdere uitwerking gedownload worden om bijgevoegd te worden bij de eventuele watertoets of aanvraag van de omgevingsvergunning.

De werking van de rekentool kan worden aangepast aan nieuwe inzichten en de uitkomst van de laatste versie van de tool is maatgevend.

Principewerking van de rekentool

De rekentool klimaatopgave vraagt de klimaatrobuuste maatregelen te specificeren die zijn voorzien in het ontwerp binnen het plangebied en, waar nodig, hoe groot de oppervlakken zijn waar deze worden toegepast. Hieruit berekent de tool welk deel van het regenwater van een bui binnen het plangebied geborgen moet worden (de waterbergingsopgave, het grijze deel) en welk deel de klimaatrobuuste maatregelen zelf voor hun rekening nemen (het groene deel). Daarna kunnen nog extra maatregelen toegevoegd worden. Het doel is dat alle maatregelen bij elkaar de totale waterbergingsopgave (berging van al het water van een bui) van het plangebied voor hun rekening nemen.

De specificatie van maatregelen en oppervlakken vindt interactief plaats: de tool laat direct het effect van deze specificaties zien op de daaruit afgeleide totale waterbergingsopgave; daarnaast laat de tool op een aantal manieren visueel zien wat de individuele groene en grijze bijdrage van een maatregel is.

Vóór elke maatregel staat in de tool een i-symbool; door daarop te klikken wordt meer informatie over die maatregel gegeven zoals specifieke uitvoeringseisen en links naar achtergrondinformatie.

De tool doorloopt hierbij vier stappen:

  • 1. Wat zijn de kerngegevens van het project?
  • 2. Welke klimaatrobuuste maatregelen worden binnen het plangebied gerealiseerd?
  • 3. Hoe lost u de resterende waterbergingsopgave op?
  • 4. Download het resultaat. Als een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, voeg dit resultaat dan, inclusief uitwerking, bij die aanvraag.

7.13.2 Beschrijving watersysteem huidige situatie

In het kader van onderhavige waterparagraaf c.q. de wateropgave behorende bij de ontwikkeling van de locatie BIC Noord is gekomen tot

  • 1. de rapportage van Haskoning Nederland BV “Waterparagraaf gebiedsontwikkeling ASML BIC-Noord” d.d. 11 september 2025;
  • 2. de rapportage van Haskoning Nederland BV “Compensatie waterberging Ekkersrijt BIC-Noord”, d.d. 18 augustus 2025;
  • 3. de rapportage van Haskoning Nederland BV “Compensatie waterberging gecombineerd plan”, d.d. 14 oktober 2025;
  • 4. de rapportage van Antea Group “Wateropgave Infra BIC-noord, Bepaling en invulling van de wateropgave” d.d. 24 september 2025;
  • 5. de rapportage van Antea Group “Hydrologisch onderzoek Ekkersrijt Infra Bic-Noord Infra Bic-Noord Oppervlaktewatermodellering” d.d. 24 september 2025;
  • 6. de rapportage van Antea Group “Weging van het waterbelang BIC-noord, inclusief wegenstructuur” d.d. 20 oktober 2025.

allen bijgevoegd als bijlagen bij deze motivering (zoals hierna nader te duiden).

De bestaande situatie van het plangebied wordt in voormelde rapportages beschreven, waarnaar mag worden verwezen.

7.13.3 Watersysteem toekomstige situatie: vervallen regionale waterberging

Het aspect water in het kader van dit TAM-omgevingsplan kent drie hoofdaspecten:

  • het verplaatsen van de situering regionale waterberging en de hiermee samenhangende compensatieopgave;
  • de waterbergingsopgave samenhangend met de invulling van de ASML campus
  • de waterbergingsopgave samenhangend met de wijzigingen aan de lokale wegenstructuur

Het eerste van deze aspecten wordt in deze paragraaf besproken. Het tweede en derde aspect zijn onderwerp van de opvolgende paragraaf 7.13.4.

De reden voor verplaatsing van de situering (borging van de) regionale waterberging

De ontwikkeling van de locatie door ASML als campus is niet goed verenigbaar met het gebruik van delen van de locatie als waterbergingsgebied. Hoewel ophoging van het terrein en bedrijfsbebouwing ter plaatse niet volledig onmogelijk zijn, is het voor de ontwikkeling van de ASML campus van belang om op voorhand duidelijkheid te hebben dat een alternatief voorhanden is voor de bergingsgebieden, zodat deze kunnen worden verplaatst buiten het ontwikkelgebied van ASML in onderhavig TAM-omgevingsplan (en dus ook in de TAM-omgevingsverordening Noord Brabant).

Om de planologische borging van deze waterbergingen te kunnen laten vervallen ter plaatse van de toekomstige ASML-campus, moet worden aangetoond dat de belangen die hiermee worden beschermd niet onevenredig worden getroffen ten opzichte van de doelen die hiermee worden gediend. Deze doelen betreffen de ontwikkeling van de ASML bedrijfsterreinen zonder hierbij te worden beperkt door de (bouw)beperkingen die voortvloeien uit het betreffende waterbergingsgebied. Qua belangen is aan de orde dat de effecten van de voorgenomen ophoging en bebouwing binnen de bergingsgebieden zijn te mitigeren door technisch en financieel haalbare maatregelen elders binnen het plangebied. Deze belangen van de regionale waterberging zijn in de regels geborgd (artikel 7.3 sub j en Artikel 18).

Regionale waterberging in TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant

In de locatie BIC-Noord treden in de huidige situatie overstromingen vanuit de Ekkersrijt op. Een deel van het BIC-noord gebied is aangemerkt in de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant als “regionale waterberging” (artikel 5.49). Dit zijn gebieden die in hoogwatersituaties die gemiddeld vaker dan eens per 10 jaar voorkomen, onder water staan.

Daarnaast zijn delen van de locatie in de TAM-omgevingsverordening Noord Brabant aangemerkt als “reserveringsgebied waterberging” (artikel 5.50). Dit zijn gebieden die extra (aanvullend op de regionale waterbergingsgebieden) onder water komen te staan in geval van een hoogwatersituatie met een frequentie van eens per 100 jaar, onder aanname van een veranderd klimaat in 2050.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0120.png"

afbeelding: regionale waterberging / reservering waterberging locatie

TAM-omgevingsverordening Noord Brabant

De artikelen 5.49 en 5.50 TAM-omgevingsverordening Noord Brabant luiden als volgt :

Artikel 5.49 Regionale waterberging

Lid 1

Een omgevingsplan ter plaatse van Regionale waterberging:

  • a. strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied;
  • b. bepaalt dat bouwactiviteiten zijn toegestaan ten dienste van de waterberging met een maximale bouwhoogte van 2 meter; en
  • c. stelt beperkingen aan het ophogen van gronden en het aanbrengen of wijzigen van kaden, voor zover deze activiteiten niet worden uitgevoerd in het kader van normaal beheer en onderhoud.

Lid 2

Een omgevingsplan kan een andere bouwactiviteit toelaten, dan die bedoeld in het eerste lid, onder b, of een nieuwe gebruiksactiviteit toestaan, als is aangetoond dat het waterbergend vermogen van het gebied niet wordt belemmerd.

Lid 3

In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan ter plaatse van Regionale waterberging een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk maken als:

  • a. reële alternatieven voor de bouw- of gebruiksactiviteit ontbreken;
  • b. in het omgevingsplan vervangende maatregelen zijn opgenomen die borgen dat het waterbergend vermogen van het gebied gelijk blijft; en
  • c. uit overleg met het waterschap blijkt dat hiertegen geen bezwaren bestaan.

Artikel 5.50 Reservering waterberging

Lid 1

Een omgevingsplan ter plaatse van Reservering waterberging strekt mede tot behoud van het waterbergend vermogen van dat gebied.

Lid 2

Als een omgevingsplan voorziet in de ontwikkeling van een gebruiks- of bouwactiviteit, bevat het omgevingsplan een onderbouwing van de wijze waarop de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft.

Lid 3

In afwijking van het tweede lid kan een omgevingsplan ter plaatse van Reservering waterberging een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk maken als:

  • a. reële alternatieven voor die bouw- of gebruiksactiviteit ontbreken;
  • b. in het omgevingsplan vervangende maatregelen zijn opgenomen die borgen dat het waterbergend vermogen van het gebied gelijk blijft; en
  • c. uit overleg met het waterschap blijkt dat hiertegen geen bezwaren bestaan.

Deze regels in de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant zijn gericht op het beperken van functies en activiteiten die ten koste kunnen gaan van het waterbergend vermogen van het gebied. Binnen “regionale waterberging” gelden meer beperkingen dan in de “reserveringsgebieden waterberging”.

Betrokkenheid van de waterschappen, als primair verantwoordelijk bestuursorgaan voor de inrichting van de waterbergingsgebieden, is nodig. Ook de Waterschapsverordening van Waterschap de Dommel bevat regels t.a.v. beide typen bergingsgebieden. Artikel 4.2 van de Waterschapsverordening stelt dat het in de bergingsgebieden zonder omgevingsvergunning verboden is om maaiveld op te hogen, waterkerende constructies aan te brengen of aan te passen of bouwwerken aan te brengen of te wijzigen. Zowel ophoging van het maaiveld alsook de realisatie van een bouwvlak voor aanzienlijke hoeveelheden bedrijfsbebouwing is aan de orde in het kader van de ontwikkeling van de ASML campus in het gebied.

Regionale waterberging in bestemmingsplan Buitengebied Eindhoven 2023

Voormelde regels van de TAM-omgevingsverordening Noord Brabant hebben een “vertaling” gekregen in het bestemmingsplan “Buitengebied Eindhoven 2023” door middel van de voor 'Waterstaat - Waterbergingsgebied' aangewezen gronden. Deze gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van het waterbergend vermogen van het regionale waterbergingsgebied en reservering waterbergingsgebied, met de daarbij behorende bouwwerken. In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel voor de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0121.png"

afbeelding: bestemming “waterstaat-waterbergingsgebied” locatie bestemmingsplan Buitengebied Eindhoven 2023

Op deze gronden mogen blijkens artikel 39 van het bestemmingsplan “Buitengebied Eindhoven 2023” uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de waterberging. Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning hiervan afwijken voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en) mits het waterbergend vermogen van de gronden niet wordt aangetast. Alvorens burgemeester en wethouders beslissen op een daartoe strekkende omgevingsvergunning winnen zij advies in van het waterschap.

Het is op grond van voormeld artikel 39 bovendien verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden), op of in de gronden met de bestemming 'Waterstaat - Waterbergingsgebied' onder andere te komen tot het ophogen van gronden. Deze vergunning kan slechts worden verleend als door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het waterbergend vermogen van de gronden. Alvorens burgemeester en wethouders beslissen op een daartoe strekkende omgevingsvergunning wordt advies ingewonnen bij het waterschap.

De onderbouwing voor het verplaatsen van de (borging van de) regionale waterberging

Omdat ASML bebouwing op deze gronden thans in beginsel aan de orde is, is deze (regionale) waterberging niet verenigbaar met de ontwikkeling van de locatie als ASML campus, waartoe zowel ophoging alsook de vastlegging van een fors bouwvlak onderdeel is van de ontwikkeling.

Zoals hierna in paragraaf 7.13.4 beschreven zijn ten aanzien van de wateropgave voortkomend uit de bebouwing en verharding van de locatie maatregelen voorzien (berging op daken en tijdelijke berging op maaiveld), waarmee al het hemelwater op beide bouwblokken en het extra verharde oppervlak van de verlegde Dirk Noordhoflaan binnen de bouwblokken en het tracégebied van de verlegde Dirk Noordhoflaan kan worden opgevangen. Al het hemelwater wordt pas geruime tijd na de hoogwaterpiek afgevoerd naar het grondwater en/of de Ekkersrijt.

Door Royal Haskoning is - met inachtneming van voormelde uitgangspunten – onderzocht op welke wijze kan worden gekomen tot het laten vervallen van de regionale waterberging en reserveringsgebied waterberging op de locatie van de voorziene ASML campus, wat ook een feitelijk gevolg zal zijn van de ophoging van het aan ASML uit te geven bedrijfsterrein.

De uitwerking hiervan is opgenomen in de rapportages: "

  • “Waterparagraaf gebiedsontwikkeling ASML BIC-Noord”, d.d. 11 september 2025, hier opgenomen als Bijlage 14
  • “Compensatie waterberging Ekkersrijt BIC-Noord”, d.d. 18 augustus 2025, hier opgenomen als Bijlage 15 
  • “Compensatie waterberging gecombineerd plan”, d.d. 14 oktober 2025, hier opgenomen als Bijlage 16 

Haskoning geeft aan in de rapportage “Compensatie waterberging Ekkersrijt BIC-Noord” wat betreft de wateropgave oppervlaktewater:

De implementatie van de bouwblokken ASML1 en ASML2 hebben een klein maar merkbaar effect op de afvoergolf en daarmee de waterstanden. In deze rapportage wordt alleen de T100 situatie nader uitgelegd. Deze situatie bleek maatgevend gedurende het onderzoek. Doordat de bouwblokken niet overstromen, stroomt er sneller meer water richting de A2. Hier stijgt het water tot grotere hoogte voordat de bergingsruimte ten noorden van ASML1 wordt benut. In de referentiesituatie wordt dit gebied al eerder benut en kan water ook vanuit meerdere richtingen naar dit gebied stromen. De hogere waterstand die eerder ontstaat door de ASML-blokken zorgt voor een hoger piekwaterstand bovenstrooms van het gebied van ± 1 cm.

Doordat er minder ruimte is voor het water, stijgt de waterstand ter hoogte van de A2 tot 17,77m +NAP. In de referentiesituatie is dit 17,75m +NAP. Deze verhoging van 2 cm werkt door tot benedenstrooms van de A2. Het implementeren van de bouwblokken zorgt daardoor benedenstrooms voor een verhoging van de piekwaterstand van ± 2 cm en een toename van ± 0,05 m3/s piekdebiet

en komt met onderstaande oplossingsrichtingen

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0122.png"

Wat de wateropgave oppervlaktewater betreft concludeert Royal Haskoning in de rapportage “Waterparagraaf gebiedsontwikkeling ASML BIC-Noord”:

  • Door de ophoging van het maaiveld van de bouwblokken ASML1 en ASML2 tot 18,50 m +NAP is er geen overstromingsrisico tot minimaal de T=100 hoogwatersituatie; uitgaande van het huidige klimaat is er dan nog circa 60 tot 80 marge tussen de piekwaterstand en het maaiveld. Ook in het meest extreme klimaatscenario blijft het overstromingsrisico ruimschoots minder dan eens per 100 jaar.
  • Delen van bouwblokken ASML1 en ASML2 zijn in de Provinciale Omgevingsverordening Noord-Brabant aangemerkt als waterbergingsgebied en reserveringsgebied waterberging. Na ophoging en bebouwing zijn deze niet meer inzetbaar voor waterberging. Nadelige effecten als gevolg van het wegvallen van deze waterberging zijn volledig te compenseren door:
    • 1. Het realiseren van een regelbare knijpconstructie in de ingang van de duiker van de Ekkersrijt onder de Randweg Eindhoven en de A2;
    • 2. Verhogingen van piekwaterstanden stroomopwaarts van BIC-noord kunnen technisch worden gecompenseerd door de volgende aanpassingsmaatregelen in de Ekkersrijt vanaf de uitstroom van het sifon onder het Beatrixkanaal tot circa 150 m stroomafwaarts van het uitstroompunt: • Verlagen van de bodem van de Ekkersrijt met 15 cm of;
    • 3. Verbreden van de Ekkersrijt met een overstromingszone van 60 m breed. Deze verbreding is mogelijk in het bosperceel aan de noordzijde van de Ekkersrijt of in een akkerlandperceel aan de zuidzijde van de Ekkersrijt.
  • De watergang die zorgt voor leegloop van bergingsvoorzieningen in BIC1 en BIC2, die nu parallel aan de huidige Dirk Noordhoflaan naar de Ekkersrijt loopt, krijgt een aangepast tracé zuidelijk langs het nieuwe tracé van de Dirk Noordhoflaan naar de Ekkersrijt. De dimensies van de afgeleide waterloop komen overeen met die van de huidige watergang.

Wat de wateropgave oppervlaktewater betreft concludeert Royal Haskoning aanvullend in het document “Compensatie waterberging Ekkersrijt BIC-Noord”

  • In het BIC-noord gebied treden in de huidige situatie overstromingen vanuit de Ekkersrijt op. In dit gebied is ASML voornemens twee bouwblokken te realiseren. De geplande nieuwe inrichting van het BIC-noord terrein voorziet in een aanzienlijke ophoging van het maaiveld in bestaande bergingsgebieden, waardoor zonder aanvullende maatregelen ongewenste verhogingen van piekwaterstanden stroomafwaarts en stroomopwaarts van BIC-noord kunnen optreden.
  • In de T100 situatie heeft de geplande inrichting een afwentelend effect op waterstanden en afvoeren. Benedenstrooms van BIC-noord zijn verhogingen van de piekwaterstanden te verwachten van circa 2 cm en een toename van 0,05 m3/s op piekdebiet. Bovenstrooms van BIC-noord worden piekwaterstandsverhogingen van circa 1 cm berekend.
  • Accepteren van de effecten (Variant 1) is beleidsmatig ongewenst. Daarnaast kan een kleine stijging van de waterstand benedenstrooms tot wateroverlast problemen leiden vooral indien er meer ontwikkelingen dergelijke effecten veroorzaken. Daarom zijn er verschillende oplossingsrichtingen onderzocht om verhogingen van piekwaterstanden stroomafwaarts en stroomopwaarts van BIC-noord te voorkomen.
  • Het knijpen (tijdelijk, stuurbaar of permanent verkleinen van de diameter) van de ingang van de duiker onder de A2 heeft wel het gewenste nivellerende effect. Hierdoor wordt het gebied ten noorden van de bouwblokken beter benut als overstromingsgebied en is er geen verhoging van de piekwaterstanden te verwachten in benedenstroomse richting. Dit heeft wel tot gevolg dat de waterstand stroomopwaarts van BIC-noord meer opstuwt. Dit effect kan technisch worden gecompenseerd door 15 cm verlaging van de bodem van de Ekkersrijt bovenstrooms (Variant 2) of het verbreden van de Ekkersrijt bovenstrooms (Variant 3). Het verbreden van de Ekkersrijt kan aan de noordzijde (Variant 3A) in het bosperceel of aan de zuidzijde (Variant 3B) in het akkerland perceel.
  • Het is mogelijk om met technisch haalbare oplossingen de ongewenste effecten van de bouwblokken op de bestaande overstroming te voorkomen. Op basis hiervan is te motiveren om in het TAM-IMRO bestemmingsplan (en daarmee de TAM Omgevingsverordening) de dubbelfunctie waterberging te laten vervallen, voor zover deze overlappen met de te bebouwen deelgebieden binnen de geplande gebiedsontwikkeling ASML BIC-noord.
  • Voor een eventueel ontwerp is het nodig om de onderzochte oplossingen verder uit te detailleren en uit te werken. De nu uitgevoerde berekeningen geven onderbouwing aan het TAM-IMRO bestemmingsplan maar voor de verdere planuitwerking is verdere detaillering en optimalisatie gewenst. Het is aan te bevelen om de hoeveelheid maaiveldverlaging (in termen van locatie, areaal en diepte afgraving) verder te detailleren en te fijnregelen.
  • Dit onderzoek is uitgevoerd met het uitgangspunt dat de berekende overstroming zoals in de figuren weergegeven ook in de toekomst beschikbaar blijven voor overstroming.
  • Het Sobek-model is voor dit project sterk verfijnd en verbeterd. Ondanks deze verbeteringen heeft het huidige modelinstrument een betrouwbaarheid van circa 1 cm in relatieve zin. Waterschap de Dommel werkt de komende jaren aan een gefaseerde vervanging van de bestaande Sobek-modellen van alle beken in het beheergebied door nieuwe D-Hydro-modellen. Voor de Ekkersrijt was dit nieuwe D-Hydro model nog niet beschikbaar. Aanbevolen wordt om -indien mogelijk- voor de verdere gedetailleerde berekeningen te wachten tot het Waterschap het nieuwe D-Hydro model beschikbaar heeft.

Aanvullend concludeert Royal Haskoning in de rapportage “Compensatie waterberging gecombineerd plan” voor wat betreft de wateropgave oppervlaktewater van ASML BIC-Noord, BIC MIX, BIC 1, BIC 2 en de campus(fiets)paden en wegenstructuur binnen plangebied:

  • Het compenseren van de waterbergingsopgave voor de bouwblokken van ASML is gerapporteerd in het rapport “Compensatie waterberging Ekkersrijt BIC-Noord” (kenmerk: BJ9434-WM-RP-250801-1300) van 18 augustus 2025. Naast het ophogen van de bouwblokken van ASML zijn ook andere ontwikkelingen voorzien binnen het plangebied, namelijk BIC MIX, BIC1, BIC2 en campus(fiets)paden en wegenstructuur. Deze ontwikkelingen hebben eveneens een invloed op het waterbergingsvraagstuk binnen het totale plangebied omdat er meer water op de Ekkersrijt wordt afgevoerd en verschillende delen van het plangebied worden opgehoogd. Daarom is in overleg met ASML, de gemeente Eindhoven en Waterschap de Dommel een gecombineerd plan doorgerekend. Het plangebied van de studie, de ruimtelijke modelscope en modeluitgangspunten zijn hetzelfde als bij de studie van BIC-Noord.
  • Uit de modelberekeningen blijkt dat als gevolg van het gecombineerde plan een afwenteling in boven- en benedenstroomse richting van respectievelijk circa 4 en circa 3 cm op de maximale waterstanden wordt berekend. Hierbij wordt een deel van het geplande campus(fiets)pad anders aangelegd dan in de plannen voorzien zodat nadelige effecten minder groot worden.
  • Het compenseren van de afwenteling bleek een complexe puzzel waarbij uiteindelijk twee varianten zijn vastgesteld waarmee nadelige hydraulische effecten buiten de ASML campus volledig zijn te compenseren. De effecten in benedenstroomse richting worden in beide varianten gerealiseerd door een (regelbare)knijpconstructie in de duiker onder de A2 aan te brengen. De effecten in bovenstroomse richting kunnen met een combinatie van maatregelen worden gecompenseerd waarbij in beide varianten het verdiepen van de Ekkersrijt met 20 cm is opgenomen. Variant 1 gaat verder uit van een hydraulisch neutraal fietspad (bijv. “op palen”) door het beekdal van de Ekkersrijt en een 2-fasenprofiel in het zuidelijke deel met afgraven van de 2e fase tot 17,55 m +NAP. Variant 2 gaat uit van een fietspad door het beekdal van de Ekkersrijt dat strak tegen het oostelijke bouwblok van ASML is gepositioneerd zodat de doorstroming van het beekdal zo min mogelijk wordt geblokkeerd. Daarnaast is aanvullend een 2-fasenprofiel in het zuidelijk deel nodig waarbij wordt afgegraven tot 17,20 m +NAP.
  • Het aanleggen van amfibieënpoelen heeft lokaal bij de poelen effect waardoor waterstanden en stroomsnelheden toenemen. Op de toetslocatie bovenstrooms is slechts een waterstand verhogend effect van 1 cm berekend. Dit effect past in de door oplossingsvariant 2 gecreëerde ruimte en heeft daarom geen gevolgen voor de opgave van het gecombineerde plan. Dit is aangetoond voor poelen met een keringhoogte van 18,0 m +NAP (piekwaterstand die gemiddeld ongeveer eens per 100 jaar optreedt). Hierbij hoeft de zuidwestelijke poel niet verplaatst te worden en kan beschermd worden met keringen tot een hoogte van 18,05 m +NAP. Benedenstrooms is op de toetslocatie geen effect op de piekwaterstand berekend.

Het vorenstaande betekent dat de geplande ophoging en bebouwing van de bestaande regionale bergingsgebieden ter plaatse van de ASML campus met technische compensatiemaatregelen mogelijk is. In dat kader is ten zuiden van de verlegde Dirk Noordhoflaan in een concreet gebied ter plaatse van de functie Natuur - 1 een nieuwe dubbelbestemming “Waarde - Waterstaat waterbergingsgebied” opgenomen. Hierdoor kan de bestaande dubbelbestemming “Waterstaat – Waterbergingsgebied” ter plaatse van de ASML campus komen te vervallen.

Door middel van een analyse met een hydraulisch model voor de Ekkersrijt zijn de effecten van het wegvallen van de functie van de overlappende waterbergingsgebieden op de piekwaterstanden in de Ekkersrijt gekwantificeerd. Ophogen van de bouwblokken ASML1 en ASML2 en het tracé van de verlegde Dirk Noordhoflaan zorgt voor verhoging van de piekwaterstanden in een T=100 hoogwatersituatie van circa 2 cm in de Ekkersrijt stroomafwaarts van de Randweg Eindhoven en A2 en circa 1 cm in de Ekkersrijt stroomopwaarts van de onderdoorgang onder het Beatrixkanaal. Vanwege het intensieve ruimtegebruik en de zeer beperkte marges in het afwateringssysteem kunnen deze stijgingen wel impact hebben op de functies in het stroomopwaarts en stroomafwaarts gelegen gebied en zijn er maatregelen nodig om de verwachte stijgingen te voorkomen.

Om hieraan uitvoering te geven is ervoor gekozen om verhogingen van de T=100 piekwaterstanden in het gebied stroomafwaarts van de Randweg Eindhoven en de A2 te voorkomen door het knijpen (verkleinen van de diameter) van de ingang van de duiker onder de A2 (met een regelbare voorziening). Door zo'n knijpconstructie wordt het gebied ten noorden van de bouwblokken beter benut als overstromingsgebied en wordt er geen verhoging van de piekwaterstanden in benedenstroomse richting berekend. Dit heeft wel tot gevolg dat de waterstand stroomopwaarts van BIC-noord circa 2 cm meer opstuwt.

De waterstandsverhoging stroomopwaarts van BIC-noord zal worden gecompenseerd door het verlagen van de bodem van de Ekkersrijt met 20 cm van de uitstroom van het sifon onder het Beatrixkanaal tot circa 250 m stroomafwaarts van het uitstroompunt. Daarnaast wordt het fietspad tegen het oostelijk bouwblok aangelegd en wordt het 2-fasen profiel tussen de Ekkersrijt en zogenoemd BIC-mix afgegraven tot 17,20 m.+NAP.

De hiervoor genoemde noodzakelijke maatregelen zijn geborgd in de regels (artikel 7.3, sub j).

7.13.4 Watersysteem toekomstige situatie: waterberging ASML campus

Naast het vervallen van de regionale waterberging en de hiermee samenhangende compensatieopgave is voor wat betreft het aspect water in het kader van dit TAM-omgevingsplan van belang de waterbergingsopgave samenhangend met de invulling van de ASML campus, die in deze paragraaf 6.11.4. wordt besproken.

Wat betreft de waterbergingsopgave samenhangend met de invulling van de ASML campus is Royal HaskoningDHV gekomen tot een beoordeling van de hemelwateropgave en het voorkomen van grondwateroverlast. De uitwerking hiervan is opgenomen in het rapport “Waterparagraaf gebiedsontwikkeling ASML BIC-Noord” d.d. 11 september 2025), hier bijgevoegd als Bijlage 14.

Belangrijk kader hierbij is het ophogen van het maaiveld tot gemiddeld 18,50 m +NAP. Voor alle ASML gebouwen wordt uitgegaan van een bouwpeil van 19,00 m +NAP (50 cm boven het maaiveld na ophoging). Direct grenzend aan de gebouwen is de maaiveldhoogte hoger, namelijk 10 à 20 cm onder het bouwpeil (18,80-18,90 m +NAP). Nader te bepalen niet bebouwde delen die verder van de gebouwen af liggen krijgen een maaiveldhoogte die enkele decimeters lager ligt dan het gemiddelde maaiveldniveau. In deze laagste delen kan tijdens neerslagpieken het meeste hemelwater worden opgevangen.

Wat betreft de overstromingsrisico's vanuit de Ekkersrijt is vastgesteld dat in de hoogwatersituatie die eens in de 100 jaar voorkomt (T=100 hoogwater) de piekwaterstand in de Ekkersrijt varieert tussen circa 17,70 en 18,10 m +NAP. Aldus liggen na voormelde ophoging van het maaiveld liggen de piekwaterstanden bij T=100 nog circa 60 tot 80 cm onder maaiveld.

Wat de wateropgave hemelwater betreft concludeert Royal Haskoning:

  • De extra hemelwaterafvoer van de verharde delen van de bouwblokken ASML1 en ASML2 wordt opgevangen door:
    • 1. de hemelwaterafvoer van de helft van de verharde oppervlakte op te vangen in groenblauwe daken;
    • 2. hemelwater op te vangen in de niet-bebouwde delen van de bouwblokken. Uitgaande van een opgehoogd maaiveld van gemiddeld 18,50 m +NAP, een bouwpeil van 19,00 m +NAP en een waakhoogte van 15 cm kan hier een waterschijf worden geborgen van maximaal 350 mm.
  • Door deze maatregelen kan de volledige bergingsopgave van 75 mm worden opgevangen binnen de bouwblokken.
  • Doel is om de leegloop van het geborgen hemelwater te laten plaatsvinden door infiltratie en laterale afstroming via het grondwater.
  • Door de ophoging van het maaiveld te realiseren met goed doorlatend en goed gesorteerd materiaal, zal het overgrote deel van het opgevangen hemelwater na afloop van de bui in de bodem infiltreren en sterk vertraagd, via het opgebrachte grondlichaam, afgevoerd worden naar de Ekkersrijt. Het hemelwater dat hier infiltreert, wordt via de bodempassage gezuiverd alvorens het als kwelwater tot afvoer komt in de Ekkersrijt.
  • Voorkomen moet worden dat de infiltratie en laterale afstroming van het hemelwater wordt belemmerd door lokale “opduikingen” en verdichting van de oorspronkelijke toplaag. Belangrijk is dat het opgebrachte grondlichaam over de volledige oppervlakte van de bouwblokken een minimale dikte heeft. Wellicht is het hiervoor nodig om voorafgaand aan het opbrengen van het grondlichaam de bestaande bodem lokaal te verlagen en/of te egaliseren. Het risico op verdichting van de toplaag van de oorspronkelijke bodem is te beperken door het grondwerk zoveel mogelijk onder droge omstandigheden uit te voeren en eventueel voorafgaand aan het opbrengen van het grondlichaam grondverbetering van de oorspronkelijke toplaag toe te passen.
  • Veiligheidshalve dienen binnen de bouwblokken ook overloop- en leegloopvoorzieningen boven maaiveld te worden gerealiseerd, voor het geval de infiltratie en afstroming via het grondwater onvoldoende of te traag blijkt.
  • Gezien het kapitaalintensieve karakter van de voorgenomen bedrijfsactiviteiten streeft ASML naar een aanzienlijk grotere hoeveelheid hemelwaterberging dan het beleidsuitgangspunt van 75 mm. Door de voorgestelde maatregelen kan tot 125 mm aan neerslag binnen de bouwblokken ASML1 en ASML2 worden opgevangen. In het huidige klimaat komt een dergelijke neerslagsom gemiddeld eens per (circa) 500 jaar voor. In het meest extreme klimaatscenario voor het jaar 2100 neemt de herhalingstijd af tot ongeveer 100 jaar.
  • Verdere optimalisatie van de hemelwateropvang binnen de bouwblokken (tot meer dan 125 mm) is mogelijk door delen van de niet-bebouwde ruimte minder op te hogen en door berging onder maaiveld te optimaliseren door goed doorlatend materiaal te gebruiken voor de ophoging, eventueel gecombineerd met grindkoffers.

Wat de wateropgave grondwater betreft concludeert Royal Haskoning:

  • Door de ophoging van de bouwblokken tot 18,50 m +NAP en uit te gaan van een bouwpeil van 19,00 m +NAP wordt volledig voldaan aan de wateropgave t.a.v. grondwater.
  • De geplande ophoging zorgt voor meer dan voldoende drooglegging voor de gebouwen, inclusief eventuele verdiepte technische ruimtes onder de cleanrooms.

Door de ophoging zijn geen drainagemaatregelen nodig en worden grondwaterstandsverlagingen in en rondom de bouwblokken voorkomen. In de opgebrachte grondlichamen kan zich zelfs extra grondwater opbouwen (opbolling), waardoor ten opzichte van de huidige situatie enige stijging van grondwaterstanden is te verwachten, zowel binnen de bouwblokken als in de blauwgroene zone langs de Ekkersrijt. Vanwege de ruime drooglegging binnen de bouwblokken zal dit geen problemen m.b.t. grondwateroverlast geven.

7.13.5 Watersysteem toekomstige situatie: waterberging gewijzigde wegenstructuur

Naast het vervallen van de regionale waterberging en de waterbergingsopgave samenhangend met de invulling van de ASML campus is van belang de waterbergingsopgave vanwege de wijziging van de lokale wegenstructuur vanwege de BIC Noord ontwikkeling.

Het in opdracht van de gemeente Eindhoven opgemaakte rapport van Antea Group “Wateropgave Infra BIC-noord, Bepaling en invulling van de wateropgave” d.d. 24 september 2025 is hier opgenomen als Bijlage 14 en bevat - na de eerdere uitwerking van de voorgenomen wegenstructuur - de bepaling van de benodigde bergingsopgave voor water (zowel betreffende de toename van verharding als de compensatie van eerdere aangelegde berging die door de nieuwe wegenstructuur komt te vervallen) inclusief de mogelijke ruimtelijke invulling van de bergingsopgave (rekening houdende met de ligging van de gebieden zodat het water ook kan afwateren op de daarvoor bedoelde voorziening).

Deze tweede en derde stap zijn in deze rapportage en de bijbehorende ontwerptekeningen met dwarsprofielen uitgewerkt. De wateropgave en de voorgenomen invulling hiervan zijn in dit rapport beschreven per deelgebied. Deze uitwerking is in overleg met gemeente Eindhoven tot stand gekomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0123.png"

afbeelding: deelgebieden waterberging wijziging wegenstructuur

Een beschrijving van de compensatieopgave wordt gevolgd door een oplossing per deelgebied. Als conclusie wordt door Antea Group aangegeven:

Uit de analyse blijkt dat de wateropgave voor de uitbreiding van de wegenstructuur kan worden ingepast. Het ontwerp voorziet in een totaal verhard oppervlak van ca. 142.000 m². In dit ontwerp wordt een nieuwe bergingscapaciteit van circa 12.145 m³ gerealiseerd. Daarmee wordt in de toekomstige situatie een berging van gemiddeld 85 mm per m² verhard oppervlak bereikt. Hierbij is enkel gekeken naar de verhouding tussen het verhard oppervlak en de bergingscapaciteit. Dit geeft een vertekend (positief) beeld, omdat hierbij ook waterlopen en bergingen worden gecompenseerd, die voor een groter gebied een compensatie geven dan alleen de hier aangegeven verharding.

Op het moment dat de wateropgave en invulling hiervan per deelgebied wordt bekeken blijkt dat niet voor elk deelgebied de invulling toereikend is. In Tabel 3-1 is een overzicht weergegeven van de deelgebieden, wateropgave en de bergingscapaciteit. (…)

Bij 4 delen wordt de bepaalde wateropgave (nog) niet volledig ingevuld. Dit zijn:

Deelgebieden W02, KW01 (A+B);

Deelgebieden W04 en B03.2;

Deelgebieden W09, W10 en KW03;

Deelgebieden W16, W17, W18 en KW05.

Deze conclusie leidt – na een nadere beschrijving van de 4 delen en de in te vullen resterende wateropgave - tot onderstaande vervolgstappen:

Vervolgstappen VO-waterhuishouding

Deze rapportage beschrijft de huidige stand van zaken en moet worden gezien als een tussenstap richting het definitieve VO. Voor de uitwerking van het VO moeten nog acties ondernomen worden om de waterhuishouding concreet vorm te geven en in te passen. Zo moeten:

  • De resultaten van inmetingen verwerkt worden voor het nauwkeurig bepalen van de wateropgave uit de te komen vervallen bergingsvoorzieningen;
  • De benodigde technische voorzieningen berekend en uitgewerkt worden om de afwaterende oppervlakten op de bergingsvoorzieningen aan te sluiten;
  • De wijze van en (technische) voorzieningen die nodig zijn om de bergingen tijdig weer beschikbaar te hebben. Denk hierbij aan de benodigde infiltratiecapaciteit en wijze van vertraagde afvoer.

De hiertoe noodzakelijke maatregelen zullen – als onderdeel van de realisatie van de wegenstructuur als hier bedoeld - onder verantwoordelijkheid van de gemeente Eindhoven worden gerealiseerd, zodat verdere publiekrechtelijke borging niet aan de orde is.

7.13.6 Watersysteem toekomstige situatie: effecten oppervlaktewatersysteem

Naast het vervallen van de regionale waterberging, de waterbergingsopgave samenhangend met de invulling van de ASML campus en de waterbergingsopgave samenhangend met de wijziging van de lokale wegenstructuur vanwege de BIC Noord ontwikkeling is onderzoek gedaan naar de effecten van de wegenstructuur op het oppervlaktewatersysteem.

De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in het in opdracht van de gemeente Eindhoven opgemaakte rapport van Antea Group “Hydrologisch onderzoek Ekkersrijt Infra Bic-Noord, Oppervlaktewatermodellering, d.d. 20 oktober 2025, hier opgenomen als Bijlage 18.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0124.png"

afbeelding: onderzoeksgebied effecten wegenstructuur op oppervlaktewater

De vraagstelling betreft de effecten van de wegenstructuur op het oppervlaktewatersysteem. De omgang met afstromend wegwater is dus geen onderdeel van dit onderzoek. Voor de hydrologische effecten is het gebied tussen de Landsardseweg en de kruising van de Ekkersrijt met het Beatrixkanaal relevant. Hier loopt de Ekkersrijt, een A-watergang, langs de wegenstructuur. In de overige gebieden is er geen raakvlak tussen de nieuwe wegenstructuur en A-watergangen. In onderstaande figuur is het onderzoeksgebied met een rood kader aangegeven.

De hydrologische analyse is uitgevoerd met een modelberekeningen op basis van een 1D/2D SOBEK-model. In voormeld onderzoeksdocument van bureau Ante zijn zowel de technische onderbouwing als de resultaten van deze modellering gepresenteerd.

Antea Group concludeert:

Het hydrologisch onderzoek van de herinrichting van de wegenstructuur in het gebied Ekkersrijt laat zien dat de voorgestelde aanpassingen een neutraal tot positief effect hebben op de waterhuishouding. Uit de modelberekeningen blijkt dat de waterstanden tijdens een extreme neerslaggebeurtenis met een herhalingstijd van 100 jaar (T100) circa 9 centimeter afnemen. Dit effect wordt voornamelijk veroorzaakt door de verbeterde doorstroming van de Ekkersrijt in combinatie met de aanleg van een dubbelzijdig onderhoudspad.

Op basis van de huidige inzichten wordt geconcludeerd dat het ontwerp ruimtelijk goed inpasbaar is en naar verwachting ook effectief functioneert bij T1- en T10-scenario's, mits de instroom vanuit de Ekkersrijt naar de driehoek tijdig kan plaatsvinden. Dit betreft een nadere uitwerking in het detailontwerp.

Het onderzoek bevestigt de dubbelfunctie van het terrein tussen de Spottersweg, Dirk Noordhoflaan en het Beatrixkanaal. Dit gebied vervult in de huidige situatie een rol als waterberging voor zowel ter compensatie van toename verharding als voor regionale berging. Daarnaast voert het deels de hemelwaterafvoer (HWA) van de huidige infrastructuur hier af. In de toekomstige situatie blijft deze functie behouden en wordt het gebied tevens ingezet om de extra wateropgave als gevolg van de uitbreiding van de wegstructuur en de ontwikkeling van Westfields op te vangen. Zowel in de referentiesituatie als in het basisscenario treedt hier periodiek inundatie op door instroom vanuit de Ekkersrijt.

De analyse van de inundatiegebieden laat zien dat deze grotendeels overeenkomen met de huidige situatie. De belangrijkste verandering treedt op in het gebied tussen de Spottersweg, Dirk Noordhoflaan en het Beatrixkanaal, waar de bergingscapaciteit toeneemt. Deze uitbreiding levert een belangrijke bijdrage aan een robuustere en toekomstbestendige waterhuishouding.

Wel is vastgesteld dat de huidige berekende overstroomgebieden op enkele punten afwijken van de door de Provincie Noord-Brabant in de Omgevingsverordening aangewezen regionale waterbergings- en reserveringsgebieden. Bij de verdere optimalisatie van het ontwerp verdient het daarom aanbeveling om deze verschillen expliciet af te stemmen met het waterschap en de provincie, zodat zowel de lokale als de regionale wateropgaven op elkaar worden afgestemd. Het is essentieel om het terrein tussen de Spottersweg, Dirk Noordhoflaan en het Beatrixkanaal als regionaal waterbergingsgebied en als reserveringsgebied voor waterberging te nemen in het beleid.

Driehoek

De driehoek blijkt een strategisch belangrijk gebied voor waterberging, met een dubbelfunctie voor zowel afstromend wegwater als voor instromend water uit de Ekkersrijt. In de toekomst kan hier mogelijk een derde functie aan worden toegevoegd door de opvang van water afkomstig van Westfields. Hoewel deze functie nog onzeker is, laat de analyse zien dat de potentiële bergingscapaciteit van de driehoek toereikend is om aan de gezamenlijke wateropgaven te voldoen.

Bij volledige ontgraving tot aan de GHG (NAP +17,01 m) kan een bergingsvolume van circa 17.000 m³ worden gerealiseerd (ca. 2,4x keer de huidige bergingscapaciteit). Dit volume is voldoende om de huidige opgaven en een potentiële toekomstige claim vanuit Westfields op te vangen.

Omdat de gehanteerde grondwaterstand gebaseerd is op een peilbuis op 500 meter afstand en een conservatieve inschatting vormt, wordt aanbevolen om een peilbuis binnen de driehoek te plaatsen. Dit maakt het mogelijk om de lokale grondwaterstand nauwkeuriger vast te stellen en het ontwerp verder te onderbouwen en te optimaliseren

Optimalisatie aan ontwerp

Rekening houdend met de verschillende functies van de driehoek (tussen Spottersweg, het Beatrixkanaal en de Dirk Noordhoflaan) om een UO-ontwerp van de uitbreiding van de weg af te ronden, is het aanbevolen om de benodigde diameter van de voorgestelde duiker tussen de bergingsvoorzieningenverder op een later moment te bepalen. Ook de kruinhoogte van de stuw moet worden geoptimaliseerd, zodat de verschillende functies van het gebied voor de scenario's T1, T10 en T100 gegarandeerd kunnen worden.

Eventueel kan ook het onderhoudspad van de Ekkersrijt in de herinrichting worden geoptimaliseerd.

7.13.7 Weging van het waterbelang

Op basis van de hiervoor beschreven onderzoeken van Bureau Haskoning en Antea Group is laatstgenoemde gekomen tot een samenvattende beschouwing terzake de weging van het waterbelang, zoals neergelegd in de rapportage ”Weging van het waterbelang BIC-noord, inclusief wegenstructuur” d.d. 20 oktober 2025, zoals hier opgenomen als Bijlage 19.

Antea Group schrijft hierover:

“De 'weging van het waterbelang' is een instrument waarbij de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerders met elkaar in gesprek brengt in een vroeg stadium. De waterbeheerders voor de projectlocatie zijn de gemeente Eindhoven, gemeente Best, gemeente Oirschot, Waterschap De Dommel, provincie Noord-Brabant en Rijkswaterstaat.

In deze rapportage wordt het proces beschreven en op welke wijze het ontwerp voor BIC-noord tot stand is gekomen. Zo is beschreven hoe de diverse partijen betrokken zijn of worden binnen het ontwerpproces, zijn de uitgevoerde onderzoeken en bijbehorende conclusies beschreven en worden nog uit te voeren stappen nader toegelicht. In deze rapportage is uitgegaan van het ontwerp zoals het op dit moment (september 2025) bekend is voor de volledige ontwikkeling van BIC-noord, inclusief wegenstructuur.

Het doel van deze rapportage is inzichtelijk te maken wat de voorgenomen ontwikkeling is, hoe de toekomstige situatie voor 'water' wordt ingericht en welke onderzoeken hieraan ten grondslag liggen.“

Voor een beschrijving van de bestaande situatie, wetgeving en beleid alsmede van de voorgestane ontwikkeling van de locatie wordt verwezen naar de als Bijlage 19 opgenomen rapportage. Uit de conclusies zoals in de rapportage opgenomen op de onderdelen “watersysteem", “grondwater”, “hemelater”, “waterkwaliteit”, “waterveiligheid” en “natuur” blijkt niet van belemmeringen welke van invloed zijn op de vaststelling van onderhavig TAM-omgevingsplan. Wel is sprake van nadere uitwerkingen binnen de locatie en ten aanzien van de wegenstructuur, welke ofwel in de regels van dit TAM-omgevingsplan zijn geborgd, dan wel onderdeel zijn van de door de gemeente Eindhoven uit te voeren werkzaamheden.

7.13.8 Afvalwater

De ontwikkeling van BIC Noord leidt tot een toename van het afvoerwater. Als uitgangspunt is gehanteerd het realiseren op de locatie van een ASML campus met bedrijfsgebouwen en kantoren in dezelfde afvalwaterverhouding zoals bestaand in Veldhoven. Dit leidt tot de volgende cijfers:

  • 1.000.000 m3 (drink)water in / 8600 hr *3 (die piekbelasting) = 348 piek
  • Ongeveer helft van het water is verdamping: 514.000 m3 à dan 58,7 m3/uur à piek verbruik 175 m3/uur

De toekomstige afvoer is aldus maximaal 175 m3/hr.

Het DWA- stelsel van BIC Noord kan, via een persleidingensysteem, naar de rotonde Mispelhoefstraat – Schakel afwateren, vanaf hier wordt het water middels het vrijvervalstelsel van GDC Acht-zuid afstromen naar de RWZI.

Bij decentrale zuivering van het afvalwater dient de kwaliteit van het effluent water bij lozing op de Ekkersrijt of het Beatrixkanaal te voldoen aan de lozingsnormen in de aan te vragen vergunning. Omdat het gaat om een nieuwe lozing, worden deze normen waarschijnlijk bepaald met de immissietoets. De uitkomst is dan afhankelijk van de achtergrondconcentratie en KRW eisen van vervuilende stoffen, waarbij stikstof en fosfor het meest bepalend zullen zijn, en van het volume en de doorstroming van het ontvangende water. Lozingsnormen voor het Beatrixkanaal zullen naar verwachting minder streng zijn dan voor de Ekkersrijt.

7.13.9 Conclusie

Ten aanzien van het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.14 Archeologie

7.14.1 Algemeen (Wettelijk en beleidsmatig karakter)

Nationaal beleid

Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld wanneer andere belangen zwaarder wegen, dan moeten de waarden worden opgegraven en daarmee ex situ worden behouden. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente het bevoegd gezag op het gebied van archeologie en cultuurhistorie. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In het omgevingsplan houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden door het stellen van regels. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie. Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop de archeologische (te verwachten) waarden in de ondergrond zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.

Gemeentelijk beleid
De gemeente Eindhoven beschikt, als invulling van haar verantwoordelijkheid volgens de Erfgoedwet, over een eigen Archeologische verwachtingen- en waardenkaart. Met deze kaart wil de gemeente het ondergronds cultureel erfgoed van Eindhoven behouden door behoedzame ontwikkeling en beheer.

De geactualiseerde Archeologische verwachtingen- en waardenkaart (vastgesteld op 21 juni 2022) wordt beschouwd als een bureauonderzoek op gemeentelijk schaalniveau en geldt vanaf het moment van vaststelling als onderlegger voor het omgevingsplan.

Op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart zijn de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeentegrenzen aangegeven door middel van categorieën (de categorieën 1 tot en met 8). Ter bescherming van de archeologische waarden worden deze (met uitzondering van categorie 8) op de verbeelding opgenomen als Waarde – Archeologie. Hieraan zijn per categorie regels gekoppeld. Deze regels geven aan wanneer archeologisch onderzoek verplicht is. (Bouw)werkzaamheden die binnen de in de regels vermelde oppervlakten én diepte vallen worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Hierdoor kunnen bij ruimtelijke ordeningsprocedures sneller beslissingen worden genomen en kan de archeologie in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen.

Archeologisch kader

De van oorsprong hoger gelegen oude bouwlanden met een dik plaggendek, waaruit een groot deel van het gemeentelijk grondgebied bestond, blijken een goed geconserveerd bodemarchief te herbergen. Maar ook andere landschappelijke eenheden - zoals de nattere beekdalen en de flanken daarvan, de vennen of het 'restveen' - blijken vaak een waardevol archeologisch gegevensbestand te bevatten. Het gemeentelijk bodemarchief geeft blijk van een bewoningsgeschiedenis van duizenden jaren en herbergt archeologische resten daterend uit de (late) prehistorie, de Romeinse tijd, de vroege middeleeuwen, de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat geschreven bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken.

Een bijzondere betekenis heeft de historische kern van Eindhoven, die als stad al in de loop van de late middeleeuwen een belangrijke regionale economische en bestuurlijke rol vervulde. Daarnaast kent de gemeente uit deze periode een aantal (verdwenen) hoeven, kasteeltjes, kerken, (water)molens en dergelijke die zowel archeologisch en cultuurlandschappelijk van hoge waarde zijn. Archeologische waarnemingen binnen en ook buiten de van oorsprong laatmiddeleeuwse historische kernen bieden mogelijkheden om meer te weten te komen over de ontstaansgeschiedenis, ontwikkeling en bewoningsdynamiek tussen de plattelandsdorpen en de stad in wording en kunnen daarmee een verrijking vormen voor de lokale en regionale geschiedenis. Daarnaast zijn in de gemeente resten van ondergronds militair erfgoed te verwachten. In de Tweede Wereldoorlog lag hier bijvoorbeeld een militair vliegveld ('Fliegerhorst Eindhoven') en de gemeente maakte deel uit van het operatieterrein 'Market Garden' van het geallieerde bevrijdingsleger.

Meldingsplicht toevalsvondsten

De wettelijke meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten geldt altijd (artikel 5.10 en 5.11 Erfgoedwet 2016). Mochten tijdens grondwerkzaamheden (vermoedelijke) archeologische resten (vondsten, muurwerk, grondsporen et cetera) worden aangetroffen, dan dienen deze direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en bij de (afdeling Omgevingskwaliteit) gemeente Eindhoven. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden.

7.14.2 Toetsing

Om eventuele verstoringen op te sporen, zijn in het kader van de totstandkoming van het inmiddels onherroepelijk “Paraplubestemmingsplan Archeologie 2023” (vastgesteld 23-01-2024) gegevens over nieuwbouw, afgravingen en ander grondverzet verzameld en in kaart gebracht. De diepte tot waarop is afgegraven of geëgaliseerd bepaalt mede of aan een zone geen archeologische verwachting of een archeologische waarde is toegekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0125.png"

afbeelding: waarden archeologie en bijbehorende criteria

Op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart zijn de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeentegrenzen aangegeven door middel van categorieën (de categorieën 1 tot en met 8). Hieraan zijn per categorie regels gekoppeld. Deze regels geven aan wanneer archeologisch onderzoek verplicht is. (Bouw)werkzaamheden die binnen de in de regels vermelde oppervlakten én diepte vallen worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Hierdoor kunnen bij ruimtelijke ordeningsprocedures sneller beslissingen worden genomen en kan de archeologie in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0126.png"

afbeelding: waarden archeologie op locatie

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0127.png"

afbeelding: waarden archeologie wegenstructuur

Categorie 4 betreft gebieden met een hoge archeologische verwachting, specifiek de bufferzones rondom historische dorpskernen en buurtschappen van Eindhoven. De historisch bekende erven en gehuchten zijn overgenomen van de kadasterkaart van 1832. In de randzone van deze bekende bebouwing is naar alle waarschijnlijkheid sprake van activiteitenzones die samenhangen met deze historisch bekende bewoning. Hieronder vallen verder ook de crashsites van vliegtuigwrakken en de terreinen waar een complex aan sporen uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig kunnen zijn.

Categorie 5 betreft gebieden met een hoge archeologische verwachting. Hieronder vallen die delen van de gemeente waar, op basis van de in het model gebruikte aantallen, met grote waarschijnlijkheid archeologische resten verwacht kunnen worden; het gaat hierbij hoofdzakelijk om de hoger gelegen dekzandruggen, maar ook de hoge verwachtingszones rond oude vennen en voorden. Het grootste deel van alle bekende archeologische vindplaatsen in Eindhoven bevindt zich in deze zones. Ook de bij de verschillende archeologische onderzoeken bekend geworden vindplaatsen zijn veelal gelegen in zones met een hoge archeologische verwachting.

Categorie 7 omvat gebieden met een lage archeologische verwachting. Binnen deze zones kunnen wel archeologische waarden aangetroffen worden. Echter, op basis van de geomorfologie en de bodemkundige kenmerken van het terrein (beekdal, veldpodzol, vlakvaaggronden, e.d.) of vanwege het verwachte incidentele en extensieve gebruik van de zones (depositielocaties, veeweiden, grondstofwinning e.d.), is de trefkans laag. Recente inzichten wijzen er ook op dat vooral beekdalen in een zeer dunne spreiding bijzondere vondsten kunnen bevatten, welke echter wegens hun geringe aantal meestal alleen bij grootschalige werkzaamheden aangetroffen zullen worden.

Op basis van het “Paraplubestemmingsplan Archeologie 2023” (vastgesteld 23-01-2024) kent de locatie (zoals ook overgenomen in het bestemmingsplan “Buitengebied Eindhoven 2023”) twee dubbelbestemmingen, deels “Archeologie-5” en grotendeels “Archeologie-7” en kent de aan te passen wegenstructuur deels de dubbelbestemmingen “Archeologie-4”, “Archeologie-5” en “Archeologie-7”.

Om het aspect archeologie voldoende te borgen bij de uitvoering van dit TAM-omgevingsplan zullen de voormalige dubbelbestemmingen “Archeologie-4”, “Archeologie-5” en “Archeologie-7” als waarde “Archeologie-4”, “Archeologie-5” en “Archeologie-7” op de locatie en ter plaatse van de aan te passen wegenstructuur behouden blijven en hiertoe als waarden worden opgenomen.

Bureauonderzoek Archeologie Antea Group

Door Antea Group is voor zowel de invulling van de locatie BIC Noord alsook voor de werkzaamheden aan de wegenstructuur in de gemeenten Best, Oirschot en Eindhoven gekomen tot een onderzoek op het onderdeel Archeologie, zoals neergelegd in de rapportage “Bureauonderzoek voor het plangebied BIC Noordwest, gemeenten Eindhoven, Oirschot en Best”, d.d. 20 oktober 2025. Deze rapportage bevat een zevendelig advies (nader geduid op de bijbehorende advieskaart) waarmee bij de uitvoering van werkzaamheden rekening gehouden moet worden. Deze rapportage is hier opgenomen als Bijlage 20. Voor zover van toepassing zal bij de uitvoering van werkzaamheden met dit advies rekening worden gehouden.

7.14.3 Conclusie

Ten aanzien van het aspect archeologie is aldus sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.15 Cultuurhistorie

De geschiedenis van de locatie is beschreven in paragraaf 2.2.1 van deze motivering.

De cultuurhistorische waarden zijn onderscheiden in de volgende thema's:

  • Stedenbouwkundige structuren: historische stedenbouwkundige structuur en de aan historische wegen gerelateerde bebouwing. Tevens zijn beschermde stads- en dorpsgezichten hier te vinden. De wegen en paden binnen gemarkeerde gebieden zijn niet nader aangeduid, maar zij worden wel geacht deel uit te maken van de structuur.
  • Weg en waterstructuren: de historische wegenstructuren waarbij onderscheid is gemaakt tussen die voor 1900 en na 1900 zijn aangelegd. Daarnaast zijn de rivieren, beken en kanalen hierin opgenomen.
  • Landschappelijke en groenstructuren: inclusief agrarische nederzettingen.
  • Archeologische verwachtingsgebieden: gebieden die voorkomen op de Archeologische Verwachtingskaart.
  • Rijks- en gemeentelijke monumenten.

Op de locatie gelden de volgende regelingen op het gebied van cultuurhistorie:

  • de cultuurhistorische waardenkaarten van gemeente Eindhoven en gemeente Best
  • het bestemmingsplan

Cultuurhistorische waardenkaart Eindhoven

De cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart bestaat uit twee deelwaardenkaarten waarop staat aangegeven wat belangrijk is voor de herkenbaarheid van de historische ontwikkeling van Eindhoven:

De waardenkaart historisch cultuurlandschap

Hierop zijn aangegeven en gewaardeerd de historische landschappelijke gebieden (incl. historische nederzettingslocaties) en elementen (landschapselementen infrastructuur, waterstaat, opgaand groen, religie en funerair erfgoed en reliëf.

Op de waardenkaart historisch cultuurlandschap zijn de waarderingen aangegeven van:

  • de landschappen en nederzettingen in het buitengebied
  • de landschappen en nederzettingen in het stedelijk gebied
  • de elementen (vlak, lijn en punt) in het buitengebied
  • de elementen (vlak, lijn en punt) in het stedelijk gebied

Voor de waardering zijn de landschappen en nederzettingen op drie criteria beoordeeld: Gaafheid, Herkenbaarheid en Zeldzaamheid.

De waardenkaart historische stedenbouw en erfgoed

Hierop zijn aangegeven de beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, gemeentelijke archeologische monumenten, cultuurhistorisch waardevolle objecten, historisch waardevolle kunstwerken, historische wegen en waterlopen, historisch-stedenbouwkundige structuren en waardevol aangelegd groen en bomen

Om te bepalen welke gebieden en structuren als historisch waardevol kunnen worden gekwalificeerd, zijn de onderstaande selectiecriteria gebruikt:

  • 1. Stadshistorische betekenis: als uiting van of kennisbron voor de historische ontwikkeling van de stad;
  • 2. Architectonische en/of stedenbouwkundige betekenis;
  • 3. Situationele waarde: historisch-ruimtelijke, structurele, esthetische en/of functionele samenhang van geomorfologie, verkaveling, bebouwing, wegenstructuur, openbare ruimte, groenelementen en/of water;
  • 4. Authenticiteit: herkenbaarheid en/of gaafheid van de oorspronkelijke karakteristiek.

Bestemmingsplan buitengebied Eindhoven 2023- deelgebied west

Dit gebied wordt begrensd door de Rijksweg A2 en het Beatrixkanaal. Ook de gronden gelegen tussen de Oirschotsedijk, Anthony Fokkerweg en Rijksweg A2 maken hiervan deel uit.

In het bestemmingsplan “Buitengebied Eindhoven 2023” hebben enkele locaties de locatie de dubbelbestemming 'Waarde-Cultuurhistorie – 2'. Dit betreft historische weg- en waterlopen en de historisch waardevolle landschappelijke- en groenstructuren met historisch-landschappelijke waarden.

Het bestemmingsplan “Buitengebied Eindhoven 2023” raakt op drie onderdelen de locatie van voorliggend TAM-omgevingsplan:

  • 1. De brug van de Oirschotsedijk over het Beatrixkanaal. Een historische waterloop met hoge waarde, geflankeerd met een doorgaande houtsingel van zeer hoge waarde;
  • 2. De brug van de Anthony Fokkerweg over het Beatrixkanaal. Een historische waterloop met hoge waarde, geflankeerd met een doorgaande houtsingel van zeer hoge waarde;
  • 3. Het gebied langs de Anthony Fokkerweg ten zuiden van het viaduct over de A2. Een oude heideontginning met een hoge waarde. Deze kampontginning is 'gefossiliseerd' en gaat onder bebossing schuil.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0128.jpg"

afbeelding: uitsnede bestemmingsplankaart buitengebied Eindhoven 2023- dubbelbestemming Waarde- Cultuurhistorie – 2. De locaties die het plangebied raken zijn met geel omcirkeld

In de bestemmingsplannen “Bestemmingsplan Wegenstructuur omgeving Eindhoven-Noordwest, Oirschot en Best”, “Bestemmingsplan Brainport Industries campus – (cluster 1)” en “Bestemmingsplan Tegenbosch” zijn geen cultuurhistorische waarden opgenomen.

Beschrijving van de belangrijkste cultuurhistorische waarden in het TAM-omgevingsplan

Waardering van het Historisch cultuurlandschap (Waardekaart Eindhoven)

Op de waardenkaart zijn de onderstaande historische landschappen aangegeven:

  • De gedeelten van het plangebied met de kwalificatie 'Buitengebied met hoge waarde:
    • 1. Oude Heideontginning in het buitengebied (A1)
    • 2. De brugopgangen ten oosten van het Beatrixkanaal (A2)
  • De gedeelten van het plangebied met de kwalificatie 'Buitengebied middenwaarde. Het gebied bestaat uit Jonge Heideontginningen en betreft droge landbouwontginning. Het landschap is als zodanig gewaardeerd met een middenwaarde. Dat wil zeggen dat er geen beschermingsregime op zit maar dat de landschapskarakteristieken wel moeten worden meegenomen in de planvorming:
    • 1. Jonge heideontginning in het buitengebied (B)

Op de waardenkaart zijn de onderstaande lijn-elementen met de volgende kwalificaties aangegeven:

  • Opgaand groen in buitengebied met zeer hoge waardering (a)
    • 1. Structurerende bomenrij/houtsingel/houtwal langs Beatrixkanaal, aaneengesloten beplanting
  • Waterstaatkundige werken in buitengebied met hoge waardering (b)
    • 1. Gedeelten van de Ekkersrijt, beek van voor 1832
    • 2. Beatrixkanaal
  • Infrastructuur in buitengebied met hoge waardering (b)
    • 1. De landweg De Nieuwe Achtse Heide (vanaf de A2/N2 tot aan de Ekkersrijt) is als oude, onverharde weg met begeleidend groen hoog gewaardeerd
    • 2. Beatrixkanaal: Waterstaat in buitengebied.
  • Infrastructuur in buitengebied met midden waardering (c)
    • 1. Landweg Ekkersrijt, aangelegd tussen 1832-1953

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0129.jpg"

afbeelding: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Eindhoven & Best met projectie van het plangebied (met zwart omkaderd)

Waardering van de historische stedenbouw en erfgoed (waardenkaart Eindhoven)

Op de waardenkaart historische stedenbouw en erfgoed is af te lezen:

  • de beek de Ekkersrijt is aangeduid als een historische waterloop (d)

Woensel werd aan de noordzijde begrensd door de Sonse Loop en de Ekkersrijt die de grens met Best vormde. De Ekkersrijt volgt op een aantal plaatsen nog het historisch beloop van voor 1832.

  • een gedeelte van het Beatrixkanaal: (b)

Het Beatrixkanaal is aangeduid als historische waterloop -structuur en werd aangelegd als werkverschaffingsproject in de jaren 1935-1940 om een verbinding met het Wilhelminakanaal tot stand te brengen. Gevarieerde beplanting op de kaden aan weerszijden van het kanaal tussen Strijp en de kruising met de A58. Het geheel is een gave historische structuur en heeft ook ecologische waarde.

  • historische landschappen (C)

Mispelhoef/Den Hurk langs de Anthony Fokkerlaan. Restant van een ontginningsgebied rond oorspronkelijk middeleeuwse hoeven, die behoorden tot het akkercomplex van Nieuw Acht, waarvan de structuur deels nog herkenbaar is in de verkaveling. Nadat het gebied in bezit was gekomen van Anton Philips bleef het als landbouwgrond in gebruik.

  • verspreid in het plangebied staan enkele monumentale bomen
    • 1. Zomereiken in het gebied bij de Ekkersrijt
    • 2. Beuken bij de brug over het Beatrixkanaal bij de Rein Welschenlaan.

Cultuurhistorische waardenkaart Gemeente Best

Het noord-westelijk gedeelte van het plangebied, ten westen van de beek Ekkersrijt, is in 2021 van de gemeente Best overgedragen aan de gemeente Eindhoven om ontwikkelingen in dit gebied mogelijk te maken. Eindhoven wil hier aan de Ekkersrijt nieuwe natuur aanleggen als compensatie voor groen dat verdwenen is bij de bouw van de eerste fase van BIC aan de Landsard / Rijtackerweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0130.png"

afbeelding: uitsnede cultuurhistorische waardenkaart gemeente best

In deze paragraaf zijn de cultuurhistorische waarden voor dit gebied opgenomen die eerder door de gemeente Best voor dit gebied zijn vastgesteld. De gemeente Eindhoven heeft deze waarden overgenomen en (nog) niet op de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven verwerkt.

De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Best geeft een overzicht van de aanwezige cultuurhistorische waarden, die voor een belangrijk deel de cultuurhistorische karakteristiek bepalen of inzicht geven in de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

Op de cultuurhistorische waardenkaart zijn de punten, lijnen en vlakken aangegeven die een hoge cultuurhistorische waarde bezitten, alsook de wettelijk beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten. De verschillende cultuurhistorische waarden zijn onderscheiden naar punt, lijn en vlak en naar de volgende waarden. In het plangebied zijn de volgende waarden van toepassing : Historisch groen en Historische geografie.

Historisch groen

Deze groenelementen en structuren zijn meestal omwille van de functionaliteit ontstaan, bijvoorbeeld houtwallen, ontginningsbossen en bomenrijen. Vaak worden deze nu als natuur beschouwd. Daarnaast zijn er ook groenelementen die uit esthetische/culturele overwegingen zijn aangelegd zoals diverse lanen en bepaalde solitaire bomen.

Op de cultuurhistorische waardenkaart wordt onderscheid gemaakt tussen historische groenstructuren (vlakken) en monumentale bomen (punten). Indien er meerdere monumentale bomen bij elkaar staan en een geheel vormen als laan of groep opgaande bomen zijn zij opgenomen als historische groenstructuur (vlak). Onder historisch groen vallen in Best monumentale bomen, laanbeplantingen, bos, hakhout en opgaande bomen.

Historische geografie

Historische geografie is de ruimtelijke neerslag van de aanpassingen die de mens in de loop der eeuwen heeft gedaan aan de natuurlijke omgeving. Voorbeelden zijn oude akkercomplexen, landgoederen, ontginningssystemen, patronen van wegen en waterlopen. Deze kaartlaag bevat een selectie van de gebieden die deze historisch groei nog goed illustreren. Hieronder vallen de lijnen en vlakken zoals akkers, heidegebieden, perceelgrenzen, lokale en doorgaande wegen, gegraven waterlopen en grondstofwinning.

Een groot gedeelte van Best bestond in het zuiden uit hooggelegen uitgestrekte heidevelden en in het noorden uit laaggelegen hooilanden en moeras. De gehuchten gaan terug op middeleeuwse hoeven, die de kleinschalige ontginningen ter hand hebben genomen. Op de hoogste delen van de heidevelden kwamen zandverstuivingen voor. Met name het gebied tussen Best en Acht en nabij de grens met Son stond hierom bekend.

Door modernisering en schaalvergroting in de landbouw, door verdroging vanwege ontwatering en door ingrepen van de ruilverkaveling is het landschap drastisch gewijzigd. Het onderscheid hoog-laag dat in het bodemgebruik akker - wei tot uiting kwam, ging grotendeels verloren. Uitbreiding van woonwijken, bedrijfsterreinen en infrastructuur zorgde er verder voor dat de landschappelijke indeling van Best volledig verdween.

Conclusie en aanbevelingen

Door onder andere de schaalvergroting, isolatie en verrommeling is het oorspronkelijke landschap vervaagd. Het landschap van het beekdal van de Ekkersrijt is zijn openheid aan het verliezen en heeft niet meer het karakter van hooiland. Het landschap heeft op cultuurhistorisch gebied een middelmatige waarde meegekregen.

De nog aanwezige historische infrastructuur als de landweg 'de nieuwe Achtse Heide' heeft een hoge waarde aanduiding maar is de inbedding in het landschap kwijt. De weg is nu nog een afgesloten relict van een oude route en is geen oriëntatiepunt meer in het landschap.

Het is belangrijk om de nog aanwezige waarden van het oorspronkelijke landschap te herkennen en zo mogelijk te versterken. Uit de samenstelling van alle nog aanwezige cultuurhistorische waardevolle elementen in het plangebied zijn hoofdzakelijk nog grote lijnen uit te zetten. Dit betreft de openheid van het landschap in relatie tot de bebossing en laanbeplantingen.

Er is een aantal elementen die de moeite zijn om te bewaren en/of te versterken:

  • De openheid van het landschap en natuurontwikkeling langs de beek Ekkersrijt

De hoogwaardig groene vormgeving van het gebied aan weerzijde van de Ekkersrijt is in deze motivering en bijbehorende bijlagen uitvoerig beschreven en vormt een dragend onderdeel van deze locatie.

  • Open 'hooiland in het middengebied aan weerskanten van de Dirk Noordhoflaan

Dit betreft alleen het grondgebied van Eindhoven aan de oostzijde van de Ekkersrijt en niet het voormalige gebied van de gemeente Best aan de westzijde van de Ekkersrijt.

In de regels van dit TAM-omgevingsplan worden twee bij de nader vorm te geven invulling van het oostelijk deel van de locatie te respecteren 25 meter brede bebouwingsvrije zones opgenomen, zodat zichtlijnen blijven bestaan vanaf de Rijksweg N2 / A2 naar de Ekkersrijt. Op deze wijze zal de openheid van het hooiland kenbaar blijven is geen sprake van een onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarde van het gebied.

  • De waardevolle beplanting langs het Beatrixkanaal dient te worden beschermd.

Op basis van de Ovr Noord-Brabant heeft deze beplanting een bescherming door de aanduiding Natuur Netwerk Brabant (NNB). Alleen onder strenge voorwaarden en met inachtneming van de compensatieopgave is een ontwikkeling toegelaten in deze waardevolle groene structuren. Met voorliggend TAM-omgevingsplan wordt de ontwikkeling van de ASML campus volledig buiten de NNB gerealiseerd. Daar waar NNB aantasting plaatsvindt voor de noodzakelijke verkeersmaatregelen wordt dit volledig gecompenseerd. Dit is nader uitgewerkt in een natuurtoets gebiedsbescherming en wordt in de regels van het TAM-omgevingsplan geborgd. Gelet op de beperkte mate van aantasting, de noodzaak hiertoe en de voldoende mate van geborgde compensatie is geen sprake van een onevenredig aantasting van deze beplanting langs het Beatrixkanaal.

  • Extra aandacht voor de monumentale bomen.

Voor de aan ASML uit te geven bouwrijpe gronden wordt bezien in hoeverre de op het terrein aanwezige bomen kunnen worden behouden. Dit geldt met name ook voor de waardevolle bomen en de monumentale bomen zoals thans aanwezig op de locatie, waarvan door de gemeente een locatieweergave aan ASML is verstrekt en waarmee ASML zoveel als redelijkerwijs mogelijk in haar planvorming rekening zal houden. Het vellen van bomen wordt zoveel als mogelijk voorkomen, als deze ook onderdeel zouden kunnen worden van de door ASML gewenste landschappelijke inpassing van de ASML buitenruimte. Voor zover in het plangebied sprake is van aantasting van bomen worden deze conform gemeentelijk beleid gecompenseerd.

  • Geen aantasting van het landschap Mispelhoef/Den Hurk ten zuidoosten van het viaduct Anthony Fokkerweg / A2.

Volgens de waardering is dit een restant van een ontginningsgebied rond oorspronkelijk middeleeuwse hoeven, die behoorden tot het akkercomplex van Nieuw Acht, waarvan de structuur deels nog herkenbaar is in de verkaveling. Het plangebied ten zuidoosten van het viaduct Anthony Fokkerweg/A2 is nu ingericht als bos en daarom is op deze gronden geen sprake meer van een herkenbare structuur van de verkaveling.

7.15.1 Conclusie

Met inachtneming van het vorenstaande is ten aanzien van het aspect cultuurhistorie sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.16 Duurzaamheid

7.16.1 Algemeen

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen.

Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is.

1. Reductie van CO2

Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: bekend als het Klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door in 2016 de 'Klimaatverordening040' vast te stellen. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en met 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

Aardgasloze verwarming

Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Sinds 1 juli 2018 moeten kleinverbruikers, zowel nieuwe woningen als nieuwe bedrijven, 'aardgasloos bouwen'.

In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad bovendien vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en daarom nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.

Duurzame mobiliteit

Om de vereiste 95% reductie in uitstoot van CO2 in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad te behouden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen, smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.

Warmte- en energiebesparing

Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in gebruik van energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz.

Duurzame energie opwekking

Naast de reductie van CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.

2. Circulaire Economie

Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.

Duurzame materialen

Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.

Geen afval

Doelstelling is 0% restafval te hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.

Flexibel en demontabel bouwen

Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.

Deeleconomie / as a service concepten

De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik) van het product bij de leverancier.

3. Natuur

Biodiversiteit

Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.

Oppervlakte groen

We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.

4. Sociale basisbehoeften

The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie, gezonde lucht, bodem en water, beperkte geluidsoverlast, externe veiligheid, openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen, bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).

Klimaatadaptatie

Extreme regen- en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven klimaatrobuust handelt en dat de hele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde: gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.

Gezonde verstedelijking

Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte.

Participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen

We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit kan tot meer draagvlak en betere eindresultaten leiden. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.

5. Specifiek Eindhovens

Daarnaast zijn er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.

6. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.

7.16.2 Toetsing

ASML ESG

ASML zet zich in voor een duurzamere samenleving en ziet de toenemende digitalisering als een kans om de maatschappij duurzamer te maken. Hierbij speelt de semi-conductor industrie een cruciale rol door het fabriceren van krachtige, betaalbare en energiezuinige microchips. Echter, de ontwikkeling, productie en opzet van locaties voor deze microchips vereisen aanzienlijke hoeveelheden energie en grondstoffen.

Om de negatieve impact op het klimaat en de omgeving te verminderen, heeft ASML zich gecommitteerd aan de principes van het Parijs Klimaatakkoord van 2015 en is een van de oprichtende leden van SEMI (Semi Conductor Climate Consortium).

ASML benadert ESG (Environmental, Social, Governance) via negen kernthema's, waarbij specifieke acties en doelstellingen worden ondernomen binnen elk gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0131.png"

afbeelding: De 9 thema's van de Environment Social en Governance principes van ASML

Milieu (Environmental):

  • Energie-efficiëntie: Verbetering van energiebeheer en -gebruik.
  • Waterbeheer: Minimale waterconsumptie en efficiënt watergebruik.
  • Afvalbeheer: Reductie van afvalproductie en bevordering van recycling.
  • CO2-reductie: Doelstelling om in 2040 CO2 neutraal te zijn in operaties en productie, inclusief de toeleveringsketen.
  • Circulaire Economie: Optimalisatie van het gebruik en hergebruik van grondstoffen in werk- en productieprocessen.

Sociale aspecten (Social):

  • Diversiteit en Inclusie: Bevorderen van diversiteit binnen de organisatie.
  • Medewerkerontwikkeling: Investeringen in opleidingen en carrièreontwikkeling.
  • Veilige werkomgeving: Zorgen voor een veilige en gezonde werkomgeving voor alle medewerkers.
  • Sociale Agenda: Onze maatschappelijke activiteiten zijn onderdeel van ons duurzaamheidsbeleid.

De Brainport regio groeit en deze groei brengt veel werkgelegenheid en kansen met zich mee. Tegelijkertijd zijn er ook een aantal uitdagingen. Samen met maatschappelijke organisaties, gemeentes, en bedrijven zetten we ons traditiegetrouw gezamenlijk in om deze uitdagingen op te pakken met een sociale agenda. ASML is een van deze bedrijven met vaak een voortrekkersrol. Denk aan financiële hulp voor cultuur- en sportevenementen, meer dan 140 medewerkers uit het bedrijfsleven die voor de klas staan, budgetcoaches voor mensen in financiële nood, duizenden bedrijfsvrijwilligers die zich inzetten voor maatschappelijke organisaties, de ondersteuning van basis- en middelbare scholen bij lesprogramma's, techniekpromotie en faciliteiten voor beroeps- en hoger onderwijs. Maar ook het mogelijk maken dat kinderen gratis muzieklessen ontvangen, naar het theater de Schalm kunnen, en het lostrekken van vastgelopen betaalbare woning projecten.

Governance:

  • Transparante bedrijfsvoering: Handhaving van een duidelijke en verantwoordelijke bedrijfsstructuur.
  • Hoge ethische normen: Streng beleid op ethisch handelen en integriteit, wat het vertrouwen van investeerders en belanghebbenden versterkt.

Beperken CO2 uitstoot, een Paris proof ontwikkeling

ASML heeft zich gecommitteerd aan het beperken en uiteindelijk volledig compenseren van de eigen CO2-uitstoot, inclusief die van de gehele supply chain die betrokken is bij het werk- en productieproces, tegen 2040. Dit proces is stapsgewijs onderverdeeld volgens de bijgevoegd roadmap. De eerste mijlpaal (Scope 1 & 2) is het volledig net zero beheren van de vastgoedportefeuille en het net-zero fabriceren tegen 2025.

Klimaatbeheersing

Voor de ASML-Campus betekent dit dat klimaatbeheersing en de warmwatervoorziening gasloos worden geregeld. De klimaatvoorziening voor het gehele terrein zal voornamelijk worden verzorgd door een Warmte Koude Opslag (WKO) systeem, eventueel ondersteund door een energiegrid. Dit systeem is al toegepast op de locatie Veldhoven. Het energiegrid is een ringleiding die de restwarmte van het productieproces opvangt en hergebruikt voor de verwarming van kantoren en andere ruimtes. Nadat het water zijn warmte heeft afgegeven, wordt het teruggeleid naar de productieruimten om de machines te koelen. Op de locatie Veldhoven is dit grid sinds 2023 in gebruik. Bij volledige capaciteit wordt verwacht dat het grid jaarlijks ongeveer 69 terajoules aan energie bespaart en de CO2-uitstoot met 3,8 kiloton vermindert, wat gelijkstaat aan de uitstoot van ongeveer 1.760 huishoudens, aldus Nicolas Lallemant, ASML's Corporate Real Estate Sustainability Program Manager.

Verkeer en Mobiliteit

De beperking van de CO2-uitstoot omvat ook het verminderen van autogebruik. Dit wordt gestimuleerd door carpoolen en het gebruik van fietsen en openbaar vervoer. De door de gemeente geplande Hoogwaardige Openbaar Vervoerslijn langs de locatie zal hieraan bijdragen. De ontwikkeling van hoogwaardig openbaar vervoer zal de, door de gemeente gewenste, transitie van een 50-30-20 model (forenzen met de auto - OV - f iets) naar een 33-33-33% model (auto - OV - fiets) mogelijk maken. De ASML Smart App voor verkeer draagt nu al bij aan duurzamer reizen door opties voor carpoolen, de kortste reisroute naar de locatie en een parkeerreserveringssysteem aan te bieden.

Smart Campus

Een andere app die door ASML is ontwikkeld, maakt deel uit van het 'Smart Campus' concept op de locatie De Run 1000. Met deze app kunnen vergaderruimtes worden geboekt en kunnen gebruikers individueel de temperatuur van hun werkplekken regelen. Het centrale 'Smart Campus' systeem reageert op de aanwezigheid van mensen en reguleert op die manier licht, lucht en warmte.

Elektrisch Bouwen

Ook tijdens het constructieproces kan de uitstoot van CO2 worden beperkt door het gebruik van elektrische voertuigen en apparatuur. Dit laatste voorbeeld is onderdeel van Scope 3 in de roadmap, waarbij ASML haar supply chain en dus ook de contracterende partijen voor de uitvoering van de bedrijfsgebouwen, verplicht stelt CO2 neutraal te werken.

Circulaire ambities

Het onderdeel “Environment” omvat een tweede thema : circulaire economie met hierbij onderstaande vier begrippen:

Prevent Waste

ASML gaat onderzoeken hoe prefabricage en modulair bouwen effectief kunnen bijdragen aan het voorkomen van verspilling tijdens de bouw. Deze methoden, die niet alleen de efficiëntie van het bouwproces verbeteren maar ook zorgen voor duurzamer gebruik van materialen, worden verder geanalyseerd op hun potentieel om kosten en materiaalafval te verminderen. Deze onderzoeksinspanningen zijn onderdeel van ASML's toewijding aan duurzaamheid.

Extend the lifecyle

ASML zal ook strategieën implementeren om de levensduur van gebouwen te verlengen door tijdens het ontwerpproces flexibiliteit te integreren. Dit omvat het creëren van ruimte voor toekomstige aanpassingen en transformaties, essentieel in een wereld waar de behoeften van gebruikers en technologische mogelijkheden voortdurend evolueren. Een effectieve manier om deze flexibiliteit te waarborgen is door te kiezen voor modulair en demontabel bouwen. Hierdoor kunnen verschillende onderdelen van het gebouw eenvoudig worden aangepast, vervangen of herconfigureerd, waardoor het gebouw kan meegroeien met veranderende gebruikerseisen zonder ingrijpende verbouwingen.

Reuse resourse

Bij de ontwikkeling van hun campus past ASML strategieën toe om het CO2-budget te minimaliseren, waaronder het gebruik van materialen met een lage embodied CO2. Ze overwegen ook het gebruik van biobased materialen die tijdens hun groei CO2 uit de atmosfeer opnemen, wat bijdraagt aan een netto verlaging van de CO2-uitstoot. Daarnaast zet ASML in op het hergebruiken van bouwmaterialen met een hoog gerecycled aandeel om de vraag naar nieuwe grondstoffen te verminderen en de afvalproductie te beperken, wat de circulaire economie bevordert.

Recycle

Een ander belangrijk aspect is de losmaakbaarheid van gebouwen, waarbij materialen zijn ontworpen voor eenvoudige demontage en hergebruik in de toekomst. Dit verhoogt de circulariteit en vermindert de ecologische impact van bouwprojecten.

Sociale duurzaamheid

ASML zet zich in voor een WELL-gecertificeerde werkomgeving die de gezondheid en het welzijn van medewerkers prioriteert. Het ontwerp van hun moderne werkplekken focust op inclusiviteit en diversiteit, met aandacht voor de uiteenlopende behoeften van het personeel. Belangrijke ontwerpelementen omvatten het maximaliseren van natuurlijk licht en het bieden van uitzichten. De werkplekken zijn zo ontworpen dat er voldoende daglicht is en een variëteit aan ruimtes, van stille zones tot open gebieden die samenwerking stimuleren. Daarnaast bevorderen kwalitatieve ontmoetingsplekken, zowel binnen als buiten, sociale interactie en versterken ze de teamdynamiek.

De diversiteit in de werkomgeving strekt zich uit van stille ruimtes voor geconcentreerd werk tot meer open ruimtes die samenwerking en creativiteit ondersteunen. Het integreren van groene elementen zoals planten of toegang tot buitenruimtes draagt bij aan een verbeterde mentale gezondheid en stressvermindering, wat de werkplek niet alleen aangenamer maar ook gezonder maakt. Het bieden van gelegenheden om te ontspannen of te socialiseren, is essentieel voor het welzijn van medewerkers. Functionaliteit en routing naar de ontspanningsruimten worden zo gesitueerd dat alle medewerkers er gebruik van kunnen maken.

Voor de locatie in Veldhoven heeft ASML een bedrijfsmilieuplan ontwikkeld dat de groenbeleving op de campus bevordert, door een transitie van een 'harde' naar een 'zachte', groene inrichting. Deze aanpak, die positief is ontvangen binnen ASML, is nu de standaard voor toekomstige ontwikkelingen en draagt bij aan zowel de gezondheid van de medewerkers als de biodiversiteit in de omgeving.

7.16.3 Conclusie

Ten aanzien van het aspect duurzaamheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.17 Privaatrechtelijke belemmeringen

7.17.1 Algemeen

Uit jurisprudentie blijkt dat eigendomsverhoudingen uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet van doorslaggevende betekenis zijn. Hieraan kan slechts betekenis toekomen, indien privaatrechtelijke verhoudingen van een dusdanig evident belemmerende aard zijn dat in verband daarmee de realisering van de ontwikkeling niet aannemelijk is. In het kader van ETFAL is een gelijke benadering aan te houden.

7.17.2 Toetsing

Van privaatrechtelijke belemmeringen als bedoeld onder 7.17.1. is op of nabij de locatie geen sprake.

7.17.3 Conclusie

Ten aanzien van het aspect privaatrechtelijke belemmeringen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.18 Kabels, leidingen en straalpaden

7.18.1 Algemeen

Planologisch relevante leidingen dienen in het TAM-omgevingsplan te worden bestemd. Tevens moeten relevante zones worden aangegeven, waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Daarnaast moeten optisch vrije paden in het omgevingsplan worden opgenomen.

7.18.2 Toetsing

Binnen de locatie liggen geen hoofdtransportleidingen en straalpaden die vanuit ruimtelijk oogpunt relevant zijn voor verwerking in het omgevingsplan. Binnen de locatie bevinden zich geen onder- of bovengrondse hoogspanningsleidingen. Ook in de nabijheid van de locatie ontbreken dergelijke leidingen.

Overige leidingen

Bij een aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt getoetst of het te bouwen bouwwerk aan de regels van het omgevingsplan voldoet. Alleen die delen van buis- en leidingenstelsels die als bouwwerk aan te merken zijn, kunnen hieronder vallen. De ondergrondse buis- en leidingenstelsels vallen niet onder deze vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Deze buisleidingen zijn namelijk vergunning vrij op basis van artikel 22.27, onder h van de bruidsschat. Aldus zijn dergelijke leidingen in het gehele plangebied toegestaan.

7.18.3 Conclusie

Ten aanzien van het aspect kabels, leidingen en straalpaden is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.19 Niet gesprongren explosieven

7.19.1 Algemeen

De gemeente Eindhoven beschikt over kaarten met de gebieden die verdacht zijn op het voorkomen van nge's (niet gesprongen explosieven). In deze gebieden dient voorafgaand aan grondverzet explosieven onderzoek uitgevoerd te worden, in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse (PRA) of een detectie onderzoek. Wanneer op basis van onderzoek nge's worden aangetroffen worden deze geruimd.

7.19.2 Toetsing

In het kader van de verkoop van de gronden door de gemeente Eindhoven aan ASML wordt onderzoek uitgevoerd zodat de verkochte gronden als bouwrijpe gronden kunnen worden geleverd.

Dit onderzoek heeft geleid tot de rapportage van Antea Group “Onderzoek ontplofbare oorlogsresten conflictperiode”, d.d. 21 oktober 2025, waarin zowel uit te geven gronden alsook de gronden betreffende de aanpassing wegenstructuur zijn beschouwd. De rapportage van dit onderzoek is hier opgenomen als Bijlage 21.

afbeelding "i_NL.IMRO.0772.023BICNoordASML-0301_0132.png"

afbeelding: weergave onderzoeksgebied

Uit het bronnenmateriaal blijkt dat een deel van het onderzoeksgebied verdacht is voor

  • militaire infrastructuur, in de vorm van wapen- en geschutopstellingen. Deze delen zijn verdacht op kleinkalibermunitie, hand- en geweergranaten, en munitie voor granaatwerpers, in gedumpte en achtergelaten toestand. De gebieden zijn verdacht tot 2 m-mv.
  • afwerpmunitie in de vorm van submunitie 4 lb. t/m 20 lb., brisantbommen 250 t/m 1000 lb., 40 lb. fragmentatiebommen, brisantbommen 100 lb. t/m 500 lb. GP, 100 lb. GP Brisant, en brisantbommen 50 t/ 500 kilo, allen in afgeworpen toestand. Deze zijn aan te treffen tot 4 m-mv.

Dit betreft uitsluitend gronden die onderdeel zijn van de aanpassingen wegenstructuur.

Antea Group adviseert en concludeert:

Advies:

Er is sprake van verschillende verdachte gebieden binnen het onderzoeksgebied. Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor het ruimtelijk besluit. Binnen de verdachte gebieden dienen vervolgwerkzaamheden te worden uitgevoerd voordat werkzaamheden in het gebied kunnen plaatsvinden. Indien ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn, dienen deze voor de werkzaamheden te worden verwijderd. Hiermee wordt geborgd dat het aspect geen risico vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. De geadviseerde vervolgstappen staan onderstaand beschreven.

Binnen verdacht gebied OO

Binnen een deel van het onderzoeksgebied is sprake van een verdacht gebied OO naar aanleiding van oorlogshandelingen gedurende de Tweede Wereldoorlog. Antea Group adviseert om binnen dit deel van het onderzoeksgebied vervolgwerkzaamheden aangaande OO uit te laten voeren. Antea Group adviseert het laten opstellen van een Risicoanalyse OO conform de CS-VROO. De risicoanalyse bestaat uit het vaststellen van de verdachte bodemlaag, het bepalen van de risico's met betrekking tot de mogelijk achtergebleven OO in relatie tot de geplande werkzaamheden en het opstellen van een advies waarmee deze risico's kunnen worden teruggebracht tot een acceptabel niveau. Een belangrijk onderdeel van het vaststellen van de Verdachte bodemlaag is het uitvoeren van een analyse van de naconflict periode. Hierin worden naoorlogse grondroeringen en ontgravingen onderzocht binnen het verdachte gebied. Ook zullen reeds uitgevoerde detectieonderzoeken onder de loep genomen worden. Dit kan leiden tot de verkleining van het verdachte gebied OO.

In de Risicoanalyse OO wordt tevens een doorkijk gegeven naar eventuele vervolgwerkzaamheden aangaande OO. Ter plaatse van locaties waar naoorlogs weinig grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden, of waarvan wordt gesteld dat het risico aangaande OO groot wordt geacht, wordt gericht advies aangaande opsporing door een gecertificeerd opsporingsbedrijf gegeven. In deze rapportage kunnen tevens reeds uitgevoerd detectieonderzoeken worden verwerkt.

Zaken als urgentie of tijdsdruk kunnen een reden zijn om de geadviseerde risicoanalyse niet te laten opstellen, maar direct over te gaan op veldwerkzaamheden aangaande OO. Denk hierbij aan het laten begeleiden van de geplande werkzaamheden door een gecertificeerd bedrijf of het laten detecteren (en vervolgens interpreteren, benadering, veiligstellen) van het onderzoeksgebied. Het direct overgaan naar veldwerkzaamheden wordt veelal aangeraden wanneer het laten opstellen van een risicoanalyse geen toegevoegde waarde biedt voor het project. In overleg met de opdrachtgever kunnen de kosten en baten van een risicoanalyse ten opzichte van directe opsporing tegen elkaar afgewogen worden.

Binnen onverdacht gebied OO

Voor een deel van het onderzoeksgebied is geen sprake van een verdacht gebied OO. Binnen dit deel van het onderzoeksgebied hoeft bij de voorgenomen werkzaamheden geen rekening gehouden te worden met het aantreffen van OO. Mocht echter tijdens werkzaamheden spontaan een OO aangetroffen worden, dan dient het protocol 'Spontaan aantreffen Ontplofbare Oorlogsresten' aangehouden te worden. Deze is als bijlage bij dit rapport gevoegd.

Indien OO worden aangetroffen binnen het onderzoeksgebied, is dit nieuwe feitelijke informatie. Als deze situatie zich voordoet, moet in overleg met een ter zake deskundige worden vastgesteld of sprake is van een incident of dat er aanleiding is de werkwijze aan te passen.

Met het vorenstaande zal in bij de realisatie van de betreffende wegwerkzaamheden, die door c.q. in opdracht van de gemeentelijke overheid dienen te worden uitgevoerd alsmede bij de invulling van het gebied BIC Noord (zijnde onverdacht gebied) deugdelijk rekening worden gehouden.

7.19.3 Conclusie

Ten aanzien van het aspect nge's is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.20 Gezondheid

7.20.1 Algemeen

Gezondheid is geen specifiek thema in de Ow, ondanks dat het bieden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving tot de maatschappelijke doelen van de wet behoort. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Anderzijds kunnen een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn.

In de volgende artikelen van de Ow staan de regels over de gezonde fysieke leefomgeving:

  • In artikel 1.3 Ow staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.
  • In artikel 3.3 Ow staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgbeginsel en andere milieubeginselen.
  • In artikel 2.1 lid 4 Ow is vermeld dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid.
  • In artikel 5.32 van Ow is opgenomen dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan weigeren wanneer deze zou leiden tot (mogelijk) ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid en in artikel 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en artikelen 8.101 en 8.102 van het Bkl staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan wijzigen of intrekken in het kader van het treffen van passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid.

De GGD geeft een praktische invulling aan dit kader door middel van verschillende kernwaarden met bijbehorende gezondheidsadviezen. De GGD heeft gezondheidskundige advieswaarden voor de thema's luchtkwaliteit, geur, geluid, bodem, elektromagnetische velden (straling), veehouderijen en akkerbouw.

De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.

7.20.2 Analyse

Op de ASML Campus gaat een gezonde innovatieve werkomgeving hand in hand met natuur en ontspanning. Een gezonde werkomgeving is een schone, biodiverse en klimaatadaptieve groenblauwe omgeving, een omgeving die een gezonde levensstijl stimuleert, een omgeving die sociale interactie faciliteert en stimuleert en een omgeving die ruimte biedt aan innovatie. Al deze aspecten maken integraal onderdeel uit van de toekomstige ASML Campus.

ASML legt de nadruk op de kwaliteit van de werkomgeving. Belangrijke thema's die hierbij aan bod komen, zijn gedetailleerd beschreven in het “ASML Work Experience Book”:

  • Een gastvrije en vriendelijke omgeving: Dit concept is gericht op het creëren van een atmosfeer waarin zowel medewerkers als bezoekers zich welkom en gewaardeerd voelen.
  • Gezondheid en welzijn: Dit thema onderstreept het belang van zowel de fysieke als de mentale gezondheid van medewerkers, wat essentieel is voor hun welzijn en productiviteit.
  • Duurzaamheid: het streven is een drastische reductie van de ecologische impact van de organisatie. Alle gebouwen worden ontworpen met Breeam Excellent en nemen de Well ontwerp principes in acht.

Een van de uitgangspunten voor de inrichting van de locatie is dat een groene werkomgeving een positieve invloed heeft op de gezondheid van werknemers. Door gebouwensembles te clusteren kan elk gebouw een hoogwaardige verbinding maken met het landschap, ontstaan zichtlijnen tussen de gebouwen en wordt bovendien de verbondenheid tussen het ASML-terrein en omliggende natuurgebieden versterkt.

De gebouwen zelf worden ontworpen om functioneel, flexibel, doelmatig en comfortabel te zijn, ter ondersteuning van het welzijn van de medewerkers. De campus biedt een dagelijkse werkplek die aangenaam en professioneel is, maar ook inspirerend en stimulerend, met voldoende ruimte voor creativiteit en sociale interactie.

Daglicht en groen in de werkomgeving spelen een cruciale rol in het welzijn van werknemers. Onderzoek toont aan dat een omgeving met voldoende natuurlijk licht en groene elementen stress kan verminderen en de productiviteit kan verhogen. Door het strategisch gebruik van atria en beplanting worden niet alleen aangename en uitnodigende verblijfsruimten gecreëerd, maar wordt ook daglicht diep in het gebouw geïntroduceerd.

De buitenruimte van het ASML-terrein is zorgvuldig ontworpen om een diversiteit aan functies te bieden, met talrijke plekken om te ontmoeten en te verblijven. Deze ruimte functioneert als een sociaal verlengstuk van de werkplek en is strategisch ingericht om onderling contact en samenkomst te stimuleren. Dit draagt bij aan het creëren van een levendige gemeenschap waarin interactie en samenwerking worden gefaciliteerd, wat essentieel is voor een dynamische werkomgeving.

Een groene omgeving draagt bij aan een gezonde levensstijl, en het plan voorziet dan ook in uitgebreide mogelijkheden voor sport en beweging. Er zijn faciliteiten beschikbaar voor zowel groepsactiviteiten als individuele oefeningen, wat de gebruikers van het terrein aanmoedigt om actief te blijven. Deze objecten voor sport worden strategisch geplaatst in de groene zones.

7.20.3 Conclusie

Ten aanzien van het aspect gezondheid is aldus sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 8 Financiële haalbaarheid

8.1 Algemeen

Met dit omgevingsplan wordt de mogelijkheid geboden voor bouwactiviteiten in de locatie. Hiervoor maakt de gemeente kosten, zoals voor het wijzigen van dit omgevingsplan, voor de aanleg van openbare voorzieningen en voor nadeelcompensatie. De gemeente is verplicht de gemaakte kosten te verhalen op een initiatiefnemer als deze nieuwe bouwactiviteiten wil uitvoeren (artikel 13.11 Ow). Dit kostenverhaal kan privaatrechtelijk of publiekrechtelijk worden geregeld. Het privaatrechtelijk kostenverhaal heeft de voorkeur boven het publiekrechtelijk kostenverhaal. Bij privaatrechtelijk kostenverhaal sluiten de gemeente en de initiatiefnemer van de bouwactiviteit een overeenkomst. Deze overeenkomst wordt gesloten voor dat de gemeente besluit tot wijziging van de functie van de grond.

Is het niet mogelijk om een overeenkomst te sluiten, dan past de gemeente de regeling van het publiekrechtelijk kostenverhaal toe. Publiekrechtelijk kostenverhaal vindt plaats bij:

  • 1. Het publiekrechtelijk toelaten van kostenverhaalplichtige activiteiten en
  • 2. Er geen overeenkomst met de initiatiefnemer is gesloten.

Bij publiekrechtelijk kostenverhaal wordt het kostenverhaal geregeld in het omgevingsplan. De gemeente mag de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan drie criteria: profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Ook moet de locatie het kostenverhaal kunnen dragen. Dat houdt in dat er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.De gemeente verhaalt de kosten op basis van de kostenverhaalregels in het plan. Zolang de kostenverhaalsbijdrage door initiatiefnemer niet is betaald, is het verboden om de bouwwerkzaamheden uit te voeren.

Er vindt geen kostenverhaal plaats bij bouw op gronden die door gemeente zijn verkocht of in erfpacht zijn uitgegeven. De kosten worden dan verrekend in de verkoopprijs van de grond of in de erfpachtcanon.

8.2 Kostenverhaal BIC Noord

Op de te ontwikkelen gronden binnen de locatie heeft de gemeente een voorkeursrecht gevestigd. Op dit moment heeft de gemeente nog niet alle gronden in eigendom.

Met ASML is gekomen tot een anterieure overeenkomst tevens omvattende gronduitgifte in erfpacht. Gezien de zeer specifieke functie binnen de bestemming bedrijf is een geslaagd beroep op zelfrealisatie door nog niet onteigende grondeigenaren niet aannemelijk, maar de facto niet onmogelijk.

Daarom bevat het omgevingsplan kostenverhaalregels (hoofdstuk 8 van de regels) waarmee de kosten op initiatiefnemers kunnen worden verhaald. Voor een toelichting op de exploitatieopzet en de kostenverhaalregels wordt verwezen naar Bijlage 22 deze motivering.

De Ow biedt een specifieke grondslag voor het opnemen van regels over kostenverhaal in het omgevingsplan. Die regels kunnen en moeten worden opgenomen als bouwactiviteiten worden toegelaten waarvoor kostenverhaal noodzakelijk is die niet anders verzekerd zijn.

De Ow schrijft voor dat een omgevingsplan bij kostenverhaal met tijdvak (waar in dit omgevingsplan sprake van is) het volgende moet bevatten:

  • aanwijzing kostenverhaalsgebied
  • per kostenverhaalsgebied:
    • 1. het tijdvak
    • 2. een bepaling van de kostensoorten waarvan het gebied ten dele profijt heeft en die naar evenredigheid worden toegerekend
    • 3. een raming van de kosten
    • 4. een raming van de opbrengsten van alle daarin gelegen gronden
    • 5. regels over de verdeling van de kosten over aangewezen activiteiten
    • 6. regels over de eindafrekening van de kosten

Hoofdstuk 8 van de regels bevat de regels met betrekking tot het kostenverhaal. De in dit hoofdstuk opgenomen regels zijn gegroepeerd. De eerste groep betreft algemene regels. Deze algemene regels worden door de gemeente in beginsel bij elk kostenverhaalsgebied op dezelfde wijze toegepast. Vervolgens zijn opgenomen de kostenverhaalsregels die specifiek van toepassing zijn op het “Kostenverhaalsgebied BIC Noord - ASML”.

8.3 Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie gaat over de schade die de gemeente rechtmatig veroorzaakt bij bijvoorbeeld vergunningverlening. De basisregeling voor nadeelcompensatie staat in titel 4.5 van de Awb. In deze titel staan grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over de toekenning van nadeelcompensatie. Omdat deze regeling niet zonder meer kan worden toegepast op besluiten uit de Ow voorziet de Ow in een regeling voor nadeelcompensatie in de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk 15.

Afdeling 1 van hoofdstuk 15 wijst een aantal besluiten of maatregelen aan, die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De belangrijkste zijn:

  • 1. het (gemeentelijk) omgevingsplan;
  • 2. een omgevingsvergunning;
  • 3. een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en;
  • 4. rechtstreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap.

In projecten van derden bedingt de gemeente via een anterieure overeenkomst of schadevergoedingsovereenkomst, dat de initiatiefnemer van het plan uiteindelijk verantwoordelijk is voor de kosten met betrekking tot de schade/ nadeelcompensatie. Op grond van de Ow zal de gemeente naast de netto uit te keren schadevergoeding ook de met de schadevergoeding samenhangende kosten verhalen op de initiatiefnemer. Hierbij kan gedacht worden aan de wettelijke rente, de deskundigenkosten van de aanvrager en de kosten van het bestuursorgaan bestaande uit bijvoorbeeld de ambtelijke kosten, eventuele onderzoekskosten en kosten voor de schadecommissie.

Met ASML is gekomen tot een anterieure overeenkomst tevens omvattende gronduitgifte in erfpacht, waarin ook het aspect nadeelcompensatie is geregeld, waarbij de kosten met betrekking tot de schade/ nadeelcompensatie onderdeel zijn van de door ASML te betalen grondprijs (voor als bedrijfsterrein bestemde grond) en aldus niet separaat op ASML zullen worden verhaald.

Hoofdstuk 9 Artikelsgewijze toelichting

Tot 1 januari 2024 golden in gemeenten meerdere bestemmingsplannen waarmee ontwikkelingen mogelijk werden gemaakt. Vanaf 1 januari 2024 heeft iedere gemeente één omgevingsplan voor het gehele grondgebied. Dit omgevingsplan bestaat onder andere uit alle voor 1 januari 2024 geldende bestemmingsplannen (die op termijn moeten worden omgezet naar het nieuw deel van het omgevingsplan), beheersverordeningen, uitwerkings- en wijzigingsplannen en de Bruidsschat..

Het omgevingsplan stelt regels over de fysieke leefomgeving en geeft aan welke activiteiten wel of niet worden toegestaan en welke regels gelden voor activiteiten. Het omgevingsplan van de gemeente is digitaal raadpleegbaar via het Omgevingsloket.

Na de inwerkingtreding van de Ow vervallen een aantal regels op rijksniveau. Deze regels worden overgeheveld naar het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Deze zogeheten bruidsschat is opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan. Gemeenten kunnen deze regels (gewijzigd) overnemen in het nieuw deel van het omgevingsplan.

Het omgevingsplan kan gewijzigd worden. Vanaf de inwerkingtreding van de Ow dient een wijziging van het omgevingsplan te voldoen aan de eisen van de Ow en deze dient te worden gedaan via STOP-TPOD. STOP-TPOD is de afkorting van de Standaard voor officiële publicaties (STOP) en Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

Het is, gelet op de grote veranderingen van de Ow en de nog niet altijd werkende techniek, mogelijk om gebruik te maken van de tijdelijke maatregel voor het wijzigen van het omgevingsplan. Er is voor 2024 en 2025 een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) genomen zodat het omgevingsplan van de gemeente wel gewijzigd kan worden met gebruik van de 'oude' bestemmingsplan software 'Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO). TAM-IMRO is door de Minister in 2021 beschikbaar gesteld om urgente gebiedsontwikkeling niet te laten vertragen.

TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die hun omgevingsplan nog niet kunnen of willen wijzigen in STOP. Een TAM-omgevingsplan kan eruit zien als een bestemmingsplan, maar deze kan er ook al uitzien als een omgevingsplan. Bij het TAM-omgevingsplan behoort ook een plankaart. Het TAM-omgevingsplan wordt gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl en wordt automatisch doorgestuurd naar het Omgevingsloket. Het TAM-omgevingsplan is juridisch onderdeel van het omgevingsplan, maar ziet eruit als een losstaand plan.

Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk (22a) toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22d van het omgevingsplan.

Dit plan is een TAM-omgevingsplan ten behoeve van het realiseren van een ASML campus in het gebied BIC Noord. Een ASML campus op deze locatie is in strijd met het ter plaatse geldende omgevingsplan waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden.

Toelichting op de planregels

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen geeft het toepassingsbereik van dit TAM-omgevingsplan, de relevante begripsbepalingen alsmede meet- en rekenbepalingen in aanvulling op de meet- en rekenbepalingen uit artikel 1.8 van het omgevingsplan.

Hoofdstuk 2 Gebruiksdoel van gronden en bouwwerken (regels over gebruik) heeft betrekking op het gebruiksdoel en het gebruik van gronden en bouwwerken en beschrijft allereerst de toegestane ondergeschikte vormen van gebruik alsmede middels een vangnetbepaling het op de locatie niet toegestane strijdig gebruik. Daarna komen aan de orde de diverse functies, zijnde Bedrijf, Groen, Natuur-1, Verkeer, Verkeer – verblijfsgebied, Leiding - Gas, Leiding – Leidingstrook alsmede de verschillendgebieden met een "nevenfunctie-status" : Waarde – Archeologie – 4, Waarde – Archeologie – 5, Waarde – Archeologie – 7 en Waarde – Ecologische verbindingszone, Waarde Waterstaat – Waterbergingsgebied en Waterstaat-Water.

Hoofdstuk 3 Overige regels over het gebruik van gronden en bouwwerken is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken en beschrijft de functie c.q. gebruiks- beperkingen van deze gronden. Dit betreft : Overige zone – belemmeringenstrook, Veiligheidszone – aandachtsgebied, Veiligheidszone – risicogebied, Veiligheidszone – luchtvaart, Veiligheidszone - luchtvaart 2 en geeft daarnaast waarden voor geluid waaraan activiteiten binnen de functie Bedrijf dienen te voldoen alsmede Algemene beoordelingsregels gebruiksactiviteiten.

Hoofdstuk 4 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken bevat Beoordelingsregels, vergunningvoorschriften en aanvraagvereisten. Hierbij komen aan de orde : beoordelingsregel parkeerplaatsen, maatvoering (fiets)parkeervoorzieningen, aanvraagvereisten beoordeling normering auto's en fietsen, de groenopgave , de waterberging, stikstof, bodemkwaliteit en beeldkwaliteit en een beoordelingsregel voor overbouwingen.

Hoofdstuk 5 Ruimtelijke regels over bouwwerken is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bevat regels over bouwwerken. Na een vangnetbepaling ruimtelijke regels bouwwerken, komen aan de orde regels voor Bouwwerken ten behoeve van de diverse functies als opgenomen in hoofdstuk 2.

Hoofdstuk 6 Aanlegactiviteiten is van toepassing op het verrichten van een omgevingsplanactiviteit voor een aanlegactiviteit. Achtereenvolgens komen aan de orde vergunningplichtige aanlegactiviteiten ter plaatse van Waarde – Natuur-1, Verkeer-verblijfsgebied, Leiding-Gas, Leiding-leidingstrook de diverse archeologie functies, de diverse overige zone's en de vrijwaringszone weg.

Hoofdstuk 7 Algemene regels beschrijft de anti-dubbeltelregel en de algemene mogelijkheid om bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van de ruimtelijke regels over bouwwerken

Hoofdstuk 8 Kostenverhaalsregels bevat de regels betreffende het kostenverhaal.

Hoofdstuk 9 Overgangsregels beschrijft het overgangsrecht.

Het TAM-omgevingsplan wordt gecompleteerd door de diverse bijlagen.