Stedelijk gebied; Veegplan 2023-3    

Toelichting     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

Dit hoofdstuk bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 1.1), de begrenzing van het plangebied (paragraaf 1.2), de aanpak van de totstandkoming van het plan (paragraaf 1.3) en een leeswijzer (paragraaf 1.4).

1.1 Aanleiding     

Het voorliggende plan maakt deel uit van het proces zoals dat in de gemeente Bronckhorst wordt doorlopen bij het opstellen, het in procedure brengen en het vaststellen van bestemmingsplannen. De basis voor dit proces is dat er halfjaarlijks twee bestemmingsplannen in procedure worden gebracht. Eén voor Stedelijk gebied (de kernen) en één voor Landelijk gebied (het buitengebied). In deze zogeheten 'veegplannen' worden nieuwe initiatieven en ambtshalve aanpassingen gebundeld in één bestemmingsplan. Op basis van ontwikkelplannen voor individuele initiatieven wordt een overleg- en inspraakprocedure gevoerd. Daarna worden de individuele ontwikkelplannen samengevoegd tot een veegplan. Het veegplan wordt vanaf de ontwerpfase in procedure gebracht. De individuele initiatieven en ambtshalve aanpassingen door de gemeente vormen elk een planonderdeel van het veegplan.

Voorliggend plan is de 16 herziening van het bestemmingsplan Stedelijk gebied Bronckhorst (NL.IMRO.1876.BP01047-VG01) dat op 31-3-2016 door de raad van Bronckhorst is vastgesteld.

1.2 Plangebied     

Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan omvat ontwikkelingen op de volgende locaties:

Zelfstandige initiatieven:

1. Ludger ong. Wichmond

2. Schoolstraat 1 Hoog-Keppel

3. Willibrordusplein ong. Drempt


Aanpassingen op initiatief van de gemeente:

1. Aaltenseweg 4 Hengelo

2. Bergstraat 1 Zelhem

3. Bronkhorsterweg 4 Steenderen

4. Doetinchemseweg 71 Zelhem

5. Hofstraat 10 Halle

6. Iekink 15 Hengelo

7. Industriepark Zelhem

8. J.F. Oltmansstraat 3, 3a en 3B Steenderen

9. Ruurloseweg 36B Hengelo

10. Smidsstraat 16 Zelhem

11. Zutphen-Emmerikseweg 14A-14B Toldijk

12. Zutphenseweg 1D Vorden

1.3 Aanpak     

1.3.1 Algemeen     

De gemeente Bronckhorst werkt sinds medio 2015 volgens een zogeheten 'veegplansystematiek' (zie ook paragraaf 1.1). Individuele ontwikkelplannen worden gebundeld tot één veegplan welke vanaf de ontwerpfase in procedure wordt gebracht. Overleg en inspraak vindt vooraf plaats aan de hand van de individuele plannen. De individuele plannen zijn aan de hand van vooraf gestelde standaarden qua inhoud en vorm opgesteld. Dit kan in opdracht zijn van particuliere initiatiefnemers (inwoners, instellingen, bedrijven), professionele initiatiefnemers (ontwikkelaars) of de gemeente zelf. Door het stellen van heldere kaders qua inhoud en vorm, is er sprake van uniformiteit. Dit komt de leesbaarheid van het plan ten goede. Maar maakt het samenvoegen van de individuele plannen tot één veegplan ook eenvoudiger. Met name bij de opzet van de plantoelichting van ontwikkelplannen en veegplannen is daarmee rekening gehouden. De planopzet is vastgelegd in het gemeentelijke Handboek ruimtelijke plannen Bronckhorst (zie paragraaf 1.3.2).

Onderdeel van het bestemmingsplanproces zoals dat in Bronckhorst is ingericht, is dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan de verantwoordelijkheden voor de inhoud van dat plan en het voeren van overleg en inspraak bij de initiatiefnemer of de gemeente kunnen liggen. Dit is afhankelijk van het soort initiatief. Bij een zogeheten A-plan is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor inhoud en proces. Bij een B-plan is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de inhoud en de gemeente voor het proces. Bij een C-plan is de gemeente verantwoordelijk voor inhoud en proces. De in dit veegplan opgenomen planonderdelen betreffen de volgende plantypen:

1.3.2 Handboek ruimtelijke plannen Bronckhorst     

Het Handboek ruimtelijke plannen Bronckhorst vormt de basis voor het opstellen van digitale bestemmingsplannen binnen de gemeente Bronckhorst. Doel van het handboek is om de herkenbaarheid en daarmee de raadpleegbaarheid van de bestemmingsplannen te vergroten. Dit geschiedt door de digitale en analoge opzet, vormgeving en inhoud te standaardiseren. Dit draagt bij aan een efficiënter en eenduidige ontwikkeling van ruimtelijke plannen. Over de vorm en opzet hoeft niet meer te worden nagedacht, deze is in het handboek duidelijk voorgeschreven. De inhoud blijft uiteraard maatwerk en kan per plan verschillen. Alle afspraken die in het handboek zijn vastgelegd dienen bij het vervaardigen van alle ruimtelijke plantypes, waarvoor de digitale verplichting geldt, te worden nageleefd.

Het handboek is niet bedoeld als extra standaard, maar als hulpmiddel bij het (laten) vervaardigen, interpreteren en beoordelen van (digitale) ruimtelijke plannen. Het handboek sluit aan bij de verplichtingen die voortvloeien uit de Wro, het Bro, de RO Standaarden 2012 en de Werkafspraken RO Standaarden, waarin is voorgeschreven dat ruimtelijke plannen in elk stadium van de procedure digitaal vervaardigd, raadpleegbaar en beschikbaar dienen te zijn. Het digitale exemplaar is het authentieke plan. De analoge exemplaren zijn enkel een afgeleide daarvan, oftewel het digitale plan is leidend. Voorliggend bestemmingsplan is conform het handboek opgesteld.

1.4 Leeswijzer algemeen     

De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd.


Hoofdstuk 1 Inleiding

Dit hoofdstuk bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 1.1), de begrenzing van het plangebied (paragraaf 1.2), de aanpak van de totstandkoming van het plan (paragraaf 1.3) en een leeswijzer (paragraaf 1.4).


Hoofdstuk 2 Planonderdelen

In dit hoofdstuk worden de planonderdelen, die deel uitmaken van dit bestemminsplan, toegelicht. Deze planonderdelen zijn Ludger ong. Wichmond (paragraaf 2.1), Schoolstraat 1 Hoog-Keppel (paragraaf 2.2), Willibrordusplein ong. Drempt (paragraaf 2.3) en Aanpassingen op initiatief van de gemeente (paragraaf 2.4). Elke paragraaf bevat de ruimtelijke onderbouwing van het betreffende planonderdeel. Per onderdeel wordt telkens een inleiding gegeven, een beschrijving van het initiatief en de uitvoerbaarheid. Bij de uitvoerbaarheid wordt ingegaan op toetsing aan het beleidskader, omgevingsaspecten, volkshuisvestelijke aspecten, economische aspecten, maatschappelijke aspecten, overleg en inspraak en wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is. De laatste paragraaf geeft een toelichting op de bestemmingen per planonderdeel.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het algemene ruimtelijke beleidskader weergegeven. De paragrafen bevatten samenvattingen van het rijksbeleid (paragraaf 3.1), provinciaal beleid (paragraaf 3.2), regionaal beleid (paragraaf 3.3) en gemeentelijk beleid (paragraaf 3.4).

Hoofdstuk 4 Juridische aspecten algemeen

In dit hoofdstuk worden de juridische aspecten van het plan toegelicht. Na een algemene aspecten (paragraaf 4.1) wordt er stilgestaan bij de opbouw van de regels (paragraaf 4.2) en de inhoud van de regels, zoals de wijze van bestemmen (paragraaf 4.3).

Bijlagen bij planonderdeel Schoolstraat 1 Hoog-Keppel, Bijlagen bij planonderdeel Schoolstraat 1 Hoog-Keppel en Bijlagen bij planonderdeel Willibrordusplein ong. Drempt

Hierin zijn diverse bijlagen bij de plantoelichting opgenomen.

Hoofdstuk 2 Planonderdelen     

Het voorliggende plan maakt deel uit van het proces zoals dat in de gemeente Bronckhorst wordt doorlopen bij het opstellen, het in procedure brengen en het vaststellen van bestemmingsplannen. In dat proces worden de voorontwerpen van individuele particuliere initiatieven en gemeentelijke plannen in een halfjaarlijkse cyclus samengevoegd tot één (ontwerp)bestemmingsplan Stedelijk gebied (bebouwde kom) en één bestemmingsplan Landelijk gebied (buitengebied). Deze zogeheten 'veegplannen' worden als ontwerp in procedure gebracht. Voorafgaan heeft per individueel planonderdeel overleg en inspraak plaatsgevonden.

Dit hoofdstuk geeft in de paragrafen 2.1, 2.2, 2.3 en 2.4 de ruimtelijke onderbouwing van het betreffende planonderdelen. Het bevat per planonderdeel een inleiding, een beschrijving van het initiatief en de uitvoerbaarheid.

2.1 Ludger ong. Wichmond     

2.1.1 Inleiding     

2.1.1.1 Aanleiding     

De gemeente Bronckhorst is voornemens de braakliggende kavels in uitbreidingswijk De Wogt te Wichmond te benutten voor woningbouw. Voorheen zijn deze kavels, als onderdeel van de derde fase van uitbreidingswijk De Wogt braak blijven liggen bij een gebrek aan vraag naar deze woningen. Aangezien de vraag naar woningen de laatste jaren is toegenomen, zijn de locaties aan Ludger in Wichmond weer in beeld gekomen om te gebruiken als woningbouwlocaties. Op basis van het geldende bestemmingsplan is het realiseren van woningen op deze locaties echter niet toegestaan. Om deze ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. Deze toelichting vormt de onderbouwing voor het wijzigen van het geldend bestemmingsplan.

2.1.1.2 Plangebied     

Het plangebied van onderhavig initiatief is opgedeeld in een aantal afzonderlijke deelgebieden langs Ludger te Wichmond. Het betreft de kadastrale percelen gemeente Vorden, sectie S, nummer 1206 (gedeeltelijk) en nummer 1208 (gedeeltelijk). Onderstaande afbeelding geeft de ligging van de vier losse deelgebieden weer.

verplicht

Ligging deelgebieden in kern Wichmond (rood omlijnd en genummerd)

De deelgebieden hebben de volgende oppervlaktes:

  • Deelgebied I: 1.157 m2
  • Deelgebied II: 1.378 m2
  • Deelgebied III: 674 m2
  • Deelgebied IV: 768 m2

Alle deelgebieden zijn gelegen aan Ludger. Deelgebied I is omsloten door andere burgerwoningen aan Ludger en de ten noorden gelegen Hackforterweg. Deelgebied II grenst ten westen aan een aantal rijwoningen langs Ludger, ten noorden aan de burgerwoning Hackforterweg 42 en ten oosten aan een wandelpad tussen Ludger en de Hackforterweg.

Deelgebied III grenst ten oosten aan het perceel Ludger 27 en ten westen aan een braakliggend terrein, momenteel in gebruik als weide. Ten noorden van dit deelgebied ligt het perceel behorende bij de burgerwoning Hackforterweg 44. Tot slot is deelgebied IV gelegen aan de keerlus in het uiterste oostelijke deel van de uitbreidingswijk De Wogt. Het deelgebied ligt tussen de ten noorden gelegen burgerwoning Ludger 29 en ten zuiden gelegen bosschage behorende bij de Baakseweg 16. Ten oosten grenst het deelgebied aan een groenstrook en de daarachter liggende agrarische percelen behorende tot het buitengebied van Bronckhorst.

2.1.1.3 Vigerende planologische situatie     

Tot de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan geldt binnen het plangebied het bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied; Veegplan 2017-2’. Dit bestemmingsplan is op 26 oktober 2017 door de gemeenteraad van Bronckhorst vastgesteld. Op basis van dit bestemmingsplan hebben de deelgebieden behorende tot het plangebied de bestemming ‘Wonen’. De deelgebieden hebben tevens verschillende archeologische dubbelbestemmingen, te weten:

  • Deelgebied I: ‘Waarde Archeologische verwachting 1’ en ‘Waarde Archeologische verwachting 2'
  • Deelgebied II: ‘Waarde Archeologische verwachting 1’, ‘Waarde Archeologische verwachting 2’ en ‘Waarde Archeologische verwachting 3’
  • Deelgebied III: ‘Waarde Archeologische verwachting 3’
  • Deelgebied IV: ‘Waarde Archeologische verwachting 3’

Tot slot heeft elk deelgebied de functieaanduiding ‘groenvoorziening’. De beoogde ontwikkeling is in strijd met de geldende bestemmingen, omdat het bouwen van burgerwoningen in strijd is met de ter plekke geldende functieaanduiding ‘groenvoorziening’. Planologische medewerking kan tot stand komen op basis van een bestemmingsplanherziening. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.

Daarnaast geldt het bestemmingsplan ‘Parapluplan archeologie’. Het parapluplan blijft na inwerkintreding van dit bestemmingsplan ongewijzigd van kracht. Onderstaande afbeelding geeft de verbeelding van het geldende bestemmingsplan weer.

verplicht

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Stedelijk gebied; Veegplan 2017-2' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

2.1.1.4 Leeswijzer     

Hoofdstuk 2 Planonderdelen

Dit hoofdstuk geeft in paragraaf 2.1 Ludger ong. Wichmond de ruimtelijke onderbouwing van dit specifieke planonderdeel. Het bevat de inleiding van het planonderdeel (paragraaf 2.1.1), de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.1.2) en de uitvoerbaarheid van dit planonderdeel (paragraaf 2.1.3).

Paragraaf 2.1.1 Inleiding

Deze paragraaf bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 2.1.1.1), een beschrijving van het plangebied (paragraaf 2.1.1.2), de vigerende planologische situatie (paragraaf 2.1.1.3) en deze leeswijzer (paragraaf 2.1.1.4).

Paragraaf 2.1.2 Initiatief

In deze paragraaf wordt het initiatief toegelicht. Hierbij wordt ingegaan op de bestaande situatie (paragraaf 2.1.2.1), de randvoorwaarden voor het initiatief (paragraaf 2.1.2.2) en de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.1.2.3).

Paragraaf 2.1.3 Uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Het betreft de toetsing van het beleidskader (paragraaf 2.1.3.1), omgevingsaspecten (paragraaf 2.1.3.2), volkshuisvestelijke aspecten (paragraaf 2.1.3.3), economische aspecten (paragraaf 2.1.3.4), maatschappelijke aspecten (paragraaf 2.1.3.5) en overleg en inspraak (paragraaf 2.1.3.6). Per uitvoerbaarheidsaspect wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is op dat aspect. De laatste paragraaf (2.1.3.7) geeft een eindconclusie over de uitvoerbaarheid van het plan.

Paragraaf 2.1.4 Juridische aspecten planonderdeel

In deze paragraaf wordt een juridische toelichting gegeven op de in dit planonderdeel voorkomende bestemmingen.

Bijlagen bij planonderdeel Ludger ong. Wichmond

Hierin zijn diverse bijlagen bij de plantoelichting van dit planonderdeel opgenomen.

2.1.2 Initiatief     

Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de omgeving van het plangebied en de huidige situatie binnen het plangebied.

2.1.2.1 Bestaande situatie     

2.1.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis     

De kern Wichmond kent zijn oorsprong als geschenk voor de 8e-eeuwse missionaris Liudger. Hij ontving in 794 van graaf Wrachar, die in Brummen verbleef, een stuk grond langs de IJssel. In de schenkingsoorkonde komt reeds de naam Wichmond voor, geschreven als ‘Withmundi’, wat betekent ‘wijde mond’. Het gaat in dit geval om de monding van de Baakse Beek in de IJssel.

Het oorspronkelijke dorp met kerk werd dichter bij de IJssel gesticht dan de huidige kern. Na herhaaldelijke overstromingsschade werd de kerk in 1583 opgeheven en werd het dorp enkele kilometers oostelijker hersticht. In de huidige kern is daarom ook geen historische kern. Wel is onder meer de straat waaraan het plangebied is gelegen vernoemd naar de stichter van de kern Wichmond, Ludger.

verplicht verplicht

Ontwikkeling Wichmond (links circa 1920, rechts heden) (bron: www.topotijdreis.nl)

2.1.2.1.2 Ruimtelijke structuur     

In Wichmond bestaat de historische structuurdrager uit de 2 kruisende bebouwingslinten aan de noordzijde: Hackforterweg en Dorpsstraat – Vierakkersestraatweg. In de Dorpsstraat werd het beeld bepaald door afwisseling in vorm en functie, wonen en voorzieningen. Door bedrijfsbeëindigingen en functieveranderingen in de laatste 15 jaren, zijn veel niet-woonfuncties aan de Dorpsstraat verdwenen. In de Vierakkersestraatweg wordt het beeld bepaald door vrijstaande woningen en voorzieningen op grote percelen en aan weerszijden van de Hackforterweg door vrijstaande en dubbele woningen op kleinere percelen.

Uitbreiding van de kern Wichmond heeft voornamelijk in oostelijke richting plaatsgevonden na 1940. De uitbreidingswijk De Wogt is de grootste uitbreiding hiervan.

verplicht

Deelgebied 2, gezien vanaf de Ludger kijkend in noordelijke richting

verplicht

Wadi tussen deelgebied 2 en 3, gezien vanaf de Ludger

verplicht

Deelgebied 3 gezien vanaf de Ludger kijkend in noordelijke richting

verplicht

Deelgebied 4 gezien vanaf de Ludger kijkend in oostelijke richting

2.1.2.1.3 Functionele structuur     

Wichmond heeft voornamelijk een woonfunctie. Aan de Dorpsstraat, ten noorden van de kruising met de Baakseweg, zijn verschillende niet-woonfuncties gesitueerd, waaronder een basisschool, de N.H.-kerk en een café/restaurant. Aan de Vierakkersestraatweg in het uiterste noordwesten van de kern bevindt zich ook een R.K.-kerk, evenals de bijbehorende pastorie en een verenigingsgebouw dat tevens dienst doet als café.

De belangrijkste ontsluitende wegen zijn de doorgaande Vordenseweg – Baakseweg tussen Baak in zuidwestelijke richting en Vorden in noordoostelijke richting (N316). De Vierakkersestraatweg – Beeklaan verbindt de kern met Zutphen in noordwestelijke richting en de Lankhorsterweg verbindt de kern met Hengelo in zuidoostelijke richting. De Beeklaan heeft de ontsluitende functie van de Dorpsstraat overgenomen, waardoor de Dorpsstraat de directe verbinding met de omgeving heeft verloren. Alle overige wegen in de kern hebben een verblijfsfunctie.

Wichmond ligt in het overgangslandschap tussen enken en IJssel, ten noorden van de Vordenseweg. Het cultuurhistorische groen is beeldbepalend in het dorp. Vooral de monumentale bomenlanen en bossen bij de landgoederen bepalen de groene sfeer. Langs de belangrijkste wegen, de Baakseweg en de Beeklaan – Lankhorsterstraat, komen bomenlanen voor. Binnen de kern is het openbaar groen vooral ingevuld met gecultiveerd groen. Dit wordt veroorzaakt door de geringe omvang van de groenstroken. Aan de oostzijde van de kern, aan de Ludger, is een evenementenweide gelegen. Deze groene plek is een belangrijke ontmoetingsplaats en versterkt het landelijke karakter van de kern.

2.1.2.2 Randvoorwaarden     

2.1.2.2.1 Stedenbouwkundige eisen     

Ten aanzien van de ruimtelijk-stedenbouwkundige uitgangspunten vindt voor de wijze van bestemmen in dit bestemmingsplan aansluiting plaats bij de bestemmingsregels en uitgangspunten in het geldend bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied; Veegplan 2021-1’. Tevens is het door de gemeente vastgestelde handboek (zie ook paragraaf 1.3.2) van toepassing.

Ten aanzien van de invulling van de ontwikkeling zijn voornamelijk de uitgangspunten van belang uit de gemeentelijke (en regionale) Woonvisie en de Ladder voor duurzame verstedelijking. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. In paragraaf 2.1.3.2.12 wordt nader op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie in het kader van voorliggende ontwikkeling ingegaan.

2.1.2.2.2 Beeldkwaliteitseisen     

Bouwplannen worden getoetst door de welstandscommissie van het Gelders Genootschap. De welstandscommissie toetst aan de welstandsnota, bestaande uit algemene en bijzondere criteria die gelden bij de beoordeling van aanvragen inzake omgevingsvergunning, onderdeel bouwen. De eisen in de geldende Welstandsnota is bepalend voor de beeldkwaliteit voor de locatie.

Kenmerken nieuwe stads- en dorpsgebieden

Op basis van de kaartbeelden van de Welstandsnota van de gemeente Bronckhorst blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de zone nieuwe stads- en dorpsgebieden.

verplicht

Ligging plangebied binnen nieuwe stads- en dorpsgebieden

Naast de historische gegroeide bebouwing 'langs oude wegen' zijn vanaf 1950 bij haast alle in het gebied voorkomende kernen planmatige uitbreidingen gemaakt. De omvang en het groeitempo verschilt sterk van elkaar. Deze uitbreidingen dragen veelal de stedenbouwkundige kenmerken van de vooroorlogse 'tuindorpen': symmetrische straatprofielen met voortuinstroken en woningen in twee bouwlagen met langskap, vrijstaand, als twee-onder-één-kap of in rijtjes. De straten zijn zorgvuldig ontworpen en hebben een informeel groen karakter. De karakterverschillen door de jaren heen hebben een beperkte invloed op de openbare weg, met uitzondering van enkele woongebieden uit de jaren ’80, die juist een grillig stratenpatroon vertonen met weinig doorgaande wegen. De architectuur richt zich naar verschillende perioden, maar dit leidt alleen in de grotere kernen als Hengelo, Vorden en Zelhem tot duidelijk verschillende buurten. Hoe hoger het groeitempo des te uniformer de architectuur per periode. Na 1990 worden de kavels snel kleiner en de woningen groter. Woningen in groepjes of rijtjes krijgen een individueler gezicht en er wordt uit alle voorgaande perioden ‘geciteerd'. Om de samenhang in architectuur te bevorderen is beeldregie, soms in combinatie met meer standaardisatie, onvermijdelijk.

Waarden nieuwe stads- en dorpsgebieden

De verschillende wijken met planmatige woningbouw worden elk gewaardeerd om hun eigen specifieke kenmerken. De kwaliteit van de wijk wordt onder andere bepaald door de inrichting van de openbare ruimte, het groene karakter en de maat en schaal van de bebouwing. Maar ook het ruimere individuele of juist knusse collectieve karakter en de mogelijkheden om in te spelen op de huidige woonwensen verhogen de belevingswaarde.

Criteria nieuwe stads- en dorpsgebieden

Onderstaande welstandscriteria gelden specifiek voor dit gebied en voor zover ze niet in strijd zijn met de in het betreffende bestemmingsplan aangegeven bouwmogelijkheden. Uitgangspunt is dat ieder ontwerp blijk geeft van een basaal vakmanschap, zoals uiteengezet is in de algemene welstandscriteria (zie paragraaf 3.4.8 Welstandsnota). Als een bouwplan niet aan de specifieke welstandscriteria voldoet, kan een nadere beoordeling plaatsvinden op basis van de algemene welstandscriteria.

De welstandscriteria altijd hanteren in combinatie met de beschreven kenmerken. Nieuwbouw dient passend te zijn in het karakter van de omgeving. Wijzigingen en aan- en bijgebouwen passend bij het hoofdgebouw of het bouwblok. Ingrepen als erkers, dakkapellen, erfafscheidingen, carports en schuurtjes kunnen het beeld snel verstoren. Goede standaardoplossingen [trendsetters] voor veel voorkomende kleine bouwplannen zijn aan te bevelen. Bij nieuwe aanvragen dienen eerdere vergunde wijzigingen in de omgeving mee te worden bekeken.

Aan de buitenzijde van woongebieden waar deze aan waardevol landschap grenst, dient speciaal gelet te worden op de hoofdkleur en materiaal. Deze dient zich te voegen naar het landschap en in het algemeen rustig en 'natuurlijk' te zijn.

2.1.2.2.3 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing     

De kern Wichmond is omzoomd door groene hoofdstructuur. Ook ligt de locatie aan de rand van Nationaal landschap Graafschap, nabij Gelders Natuur Netwerk en Groene ontwikkelzone. Met name aan de achterzijde van het meest oostelijke deelgebied (IV) zijn volwassen bomen gesitueerd; er mag niet gegraven worden in de kroonprojectie/wortelzone van deze bomen. Dit geldt overigens ook voor de overige bomen in het plangebied. Het bouwvlak voor de woningen zal daartoe op deze locatie verder aan de voorzijde van het perceel worden gelegd.

De wadi centraal tussen de deelgebieden vormt, conform het voor deze wijk ontworpen stedenbouwkundig plan, een bewust ontworpen groene wig met een doorzicht naar de Hackforterweg. Om recht te doen aan dit stedenbouwkundig ontwerp dienen de woningen aan weerszijden van de wadi (deelgebied II en III) voorzien te zijn van voldoende beeldkwaliteit.

2.1.2.3 Planbeschrijving     

2.1.2.3.1 Gewenste ontwikkeling     

De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de invulling van de nog braakliggende percelen langs de Ludger in Wichmond. Deze percelen zijn, ten tijde van de economische crisis in 2008, niet bebouwd vanwege de teruglopende vraag naar woningen destijds.

2.1.2.3.2 Bebouwing en stedenbouwkundige opzet     

Onderstaand wordt per deelgebied kort beschreven hoe invulling aan elk deelgebied wordt gegeven.

Deelgebied I

Op deze locatie zijn 5 rijwoningen voorzien, geschikt voor starters en jonge gezinnen. De woningen worden in dezelfde rooilijn gebouwd als de bestaande rijwoningen ten oosten van dit deelgebied aan Ludger. Het deelgebied wordt ontsloten via het bestaande wandelpad vanaf de Ludger.

Deelgebied II

Ten westen van de wadi is een cluster van 5 woningen beoogd, bestaande uit twee twee-onder-een-kap woningen en 3 rijwoningen. De twee-onder-een-kapwoningen zijn georiënteerd op de Ludger en liggen qua voorgevelrooilijn iets verder richting de straatkant dan de naastgelegen rij aan de Ludger 11. De 3 rijwoningen zijn georiënteerd op de wadi, waardoor recht wordt gedaan aan deze bewust ontworpen groene wig. De woningen liggen, ten opzichte van de twee-onder-een-kap woningen iets verder terug van de Ludger, zodat aan de straatzijde ruimte is voor groen- en/of parkeervoorzieningen.

Deelgebied III

Ten oosten van de wadi zijn 2 geschakelde woningen beoogd; hiervoor is gekozen aangezien de bebouwing rond de keerlus aan de Ludger voornamelijk bestaat uit vrijstaande woningen en rijwoningen derhalve in dit bebouwingsbeeld niet passend worden geacht. De vorm van het deelgebied, met een breedte van 11 meter, laat de realisatie van twee vrijstaande woningen niet toe.

De woning grenzend aan de wadi zal deels georiënteerd worden op deze groene wig. Hierdoor is de woning met de garage aan de naastgelegen woning geschakeld.

Deelgebied IV

Het meest oostelijke deelgebied betreft een kavel ten behoeve van een vrijstaande levensloopbestendige woning geschikt voor senioren.

Onderstaande afbeelding is een voorbeeld van een stedenbouwkundige opzet welke gepresenteerd is aan de omgeving in het kader van de omgevingsdialoog. Deze stedenbouwkundige opzet wordt uitgewerkt naar een verkavelingspatroon en inrichtingsplan voor de openbare ruimte. De reacties vanuit de omgevingsdialoog worden daarin meegenomen.

verplicht

Concept stedenbouwkundige ontwerpschets woningen Ludger

2.1.2.3.3 Verkeer en parkeren     

Uitgangspunten

Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling, evenals een eventuele toename van de verkeersgeneratie. Hiertoe worden de ‘Parkeernormen Gemeente Bronckhorst’ en de publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie 317 (oktober 2012)’ van het CROW aangehouden.

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten:

  • Stedelijke zone: rest bebouwde kom;
  • Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk;
  • Functie: ‘wonen’.

Parkeren

Voor het aspect parkeren dient voldaan te worden aan de normen gesteld in de beleidsregels ‘Parkeernormen Gemeente Bronckhorst’. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de volgende relevante uitgangspunten:

  • De toe te voegen parkeervraag wordt altijd op “eigen” terrein gerealiseerd. Pas wanneer hier onvoldoende ruimte voor beschikbaar is wordt gezocht naar plek binnen de openbare ruimte.
  • Bij woningen wordt de beschikbare ruimte op eigen terrein verrekend volgens de tabel ‘Parkeren op eigen terrein’.
  • Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt altijd naar boven afgerond.
  • Hengelo, Vorden en Zelhem zijn weinig stedelijk, alle overige gebieden zijn niet stedelijk.

De ligging van het plangebied in de kern Wichmond maakt dat de omgeving als niet stedelijk wordt gekarakteriseerd. Er is hierbij uitgegaan van koopwoningen, gezien de hogere parkeernorm voor deze woningtypen. Op deze manier wordt uitgegaan van het worst-case scenario. Voor de beoogde omgevingstypen gelden derhalve de volgende parkeerkencijfers:

  • Koop, vrijstaand (2,7): 3 woningen * 2,7 = 8,1
  • Koop, twee-onder-een-kap (2,6): 2 woningen * 2,6 = 5,2
  • Koop, tussen/hoek (2,4): 8 woningen * 2,4 = 19,2

De totale ontwikkeling langs de Ludger leidt derhalve tot een parkeervraag van 33 (32,5) parkeerplekken.

Langs de Ludger, ten zuiden van de bestaande rijwoningen en deelgebieden I en II, is voldoende ruimte om te voorzien in parkeerplekken in de openbare ruimte. Onderstaande schets laat zien dat voorzien kan worden in 36 parkeervakken langs de Ludger. Op welke wijze de daadwerkelijke invulling voor parkeren zal plaatsvinden dient in de aanlegfase nader te worden bepaald en afgestemd.

verplicht

Mogelijke inpassing parkeerruimte langs Ludger

Verkeer

Aan de hand van de kengetallen van het CROW (nr. 381, Toekomstbestendig parkeren – van parkeerkencijfers naar parkeernormen d.d. december 2018) is de verkeersgeneratie in de bestaande en beoogde situatie berekend. Hierbij is uitgegaan van ligging in gebiedstype ‘rest bebouwde kom, niet stedelijk’.

Bestaande situatie

In de bestaande situatie heeft het plangebied geen verkeersaantrekkende werking.

Beoogde situatie

In de beoogde situatie zijn de volgende woningen (inclusief bijbehorende verkeersbewegingen) binnen het plangebied aanwezig:

  • Koop, vrijstaand (8,2): 3 woningen * 8,2 = 24,6
  • Koop, twee-onder-een-kap (7,8): 2 woningen * 7,8 = 15,6
  • Koop, tussen/hoek (7,4): 8 woningen * 7,4 = 59,2

De totale verkeersgeneratie in de beoogde situatie bedraagt hiermee 99,4 verkeersbewegingen per dag.

Ontsluiting

Het plangebied is ontsloten via de Ludger en Lindeselaak. In beide gevallen is het plangebied ontsloten in noordwestelijke richting naar de Hackforterweg. Vanaf de Hackforterweg is in zuidelijke richting, via de Beeklaan, de Baakseweg te bereiken. Deze gebiedsontsluitingsweg vormt in noordoostelijke richting de verbinding naar Vorden en in zuidwestelijke richting naar Baak. Via de Hackforterweg is in noordelijke richting de Vierakkerseweg bereikbaar. Deze weg vormt de ontsluiting van Wichmond in noordelijke richting. De Vierakkerseweg sluit aan op de N314 richting Zutphen.

Aangezien het plangebied in meerder richtingen ontsloten is, zal het totale aantal verkeersbewegingen zich verspreiden over deze richtingen. Naar verwachting zullen de meeste verkeersbewegingen plaatsvinden richting de ten zuiden gelegen Baakseweg. Uitgaande van een verdeling van 70% van de bewegingen richting de Baakseweg en 30% via de Hackforterweg/Vierakkerseweg kan uit worden gegaan van een toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het planvoornemen van 69,6 verkeersbewegingen naar de Baakseweg en 29,8 verkeersbewegingen in noordelijke richting via de Hackforterweg/Vierakkerseweg. Tot slot zullen de extra verkeersbewegingen vanaf het plangebied verspreid over de dag plaatsvinden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de toename van het aantal verkeersbewegingen geen probleem zal vormen voor de bestaande infrastructuur in de omgeving.

2.1.3 Uitvoerbaarheid     

2.1.3.1 Toetsing aan beleidskader     

Het voornemen past binnen de beleidskaders zoals beschreven in hoofdstuk 3 van deze toelichting. Hierna worden enkele belangrijke aspecten nader toegelicht.

Rijksbeleid

Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de structuurvisie. Wat betreft de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt opgemerkt dat de Ladder van toepassing is bij ‘nieuwe stedelijke ontwikkelingen’ (3.1.6 Bro). Het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt in Bro 1.1.1 als volgt gedefinieerd:

“stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.”

Met voorliggend plan worden 13 woningen toegevoegd. Daarom wordt gesteld dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ vereist.

Behoefte

In de Woonvisie 2019-2025 heeft de gemeente Bronckhorst beschreven hoe de uitbreiding van de woningvoorraad er in kwantitatieve en kwalitatieve zin uit zou moeten zien. Op basis van de verwachte huishoudensontwikkeling verwacht de gemeente dat tot 2025 minimaal 400 en maximaal 550 nieuwe woningen nodig zijn binnen de gemeente om te voorzien in de vraag.

Uit cijfers van de meest recente woonmonitor voor de Achterhoek blijkt dat de netto plancapaciteit (peildatum 1-1-2020) onvoldoende is om in de vraag te voorzien: er zijn harde plannen voor circa 40 woningen en zachte plannen voor nog eens 120 woningen. Er is derhalve sprake van een forse additionele behoefte. De beoogde 13 woningen aan de Ludger in Wichmond kunnen, in kwantitatieve zin, in deze behoefte voorzien.

In de Woonvisie beschrijft de gemeente Bronckhorst tevens voor welke groepen binnen de samenleving met name toevoeging van nieuwe woningen gewenst is; de prioritaire groepen. Tot deze prioritaire groepen behoren zowel starters, die in de huidige krappe woningmarkt moeite hebben met het vinden van een betaalbare woning, als de senioren, die geen geschikte levensloopbestendige woning kunnen vinden en daardoor grotere gezinswoningen vasthouden. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van 8 rijwoningen, 2 twee-onder-een-kapwoningen en 3 vrijstaande woningen, waarvan er 2 geschakeld zijn. Met name de rijwoningen zijn geschikt voor starters. Daarnaast zullen de twee-onder-een-kapwoningen naar verwachting in het middeldure prijssegment terecht komen; ook deze woningklasse is onder de prioritaire segmenten geschaard conform de Woonvisie.

Met de realisatie van voorliggend plan wordt voorzien in de behoefte aan woningen voor prioritaire groepen en derhalve is het plan ook in kwalitatieve zin passend binnen de woningbehoefte van Bronckhorst.

Binnen of buiten bestaand stedelijk gebied

Het plangebied is op dit moment gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied; Veegplan 2017-2’ en behoort daarmee tot de bebouwde kom van de kern Wichmond. Hierdoor is er sprake van bestaand stedelijk gebied. Daarnaast gaat het om de ontwikkeling van een inbreidingslocatie. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan de voorkeursvolgorde voor verstedelijking (inbreiding voor uitbreiding).

Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er sprake is van een behoefte en een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Hiermee voldoet het voornemen aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’.

Provinciaal beleid

De voorgenomen ontwikkeling van 13 woningen is niet in strijd met de Ladder voor duurzame verstedelijking en derhalve ook niet in strijd met de beginselen van de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik. Het plan ligt niet binnen het Gelders Natuurnetwerk of een Groene Ontwikkelingszone.

Ten aanzien van voorliggend bestemmingsplan zijn de regels met betrekking tot het onderwerp ‘wonen’ uit de omgevingsverordening relevant. In de verordening wordt voor ‘wonen’ aangegeven dat nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts zijn toegestaan wanneer het plan passend is binnen het vigerende vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma of de vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio, in voorliggend geval de Achterhoek.

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van 13 woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Met de bouw van de woningen wordt er invulling gegeven aan een aantal braakliggende terreinen binnen de kern Wichmond die reeds een woonbestemming kennen en in eerdere plannen hiervoor ook bestemd waren. Het plan draagt derhalve bij aan de woningbouwopgave van de gemeente Bronckhorst. Het plan is tevens passend binnen de Regionale woonagenda Achterhoek.

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het provinciaal beleid uit de Omgevingsvisie en past binnen de regelgeving van de Omgevingsverordening.

Regionaal beleid

Binnen het regionaal beleid is met name de regionale woonvisie en -monitor voor de Achterhoek van belang. Naast de vigerende woonvisie is er inmiddels ook een geactualiseerde versie van de woonagenda in omloop, te weten de 'Regionale Woonagenda 2023-2030'. In deze woonagenda worden aan het voornemen om meer betaalbare woningen te realiseren concrete afspraken verbonden. Zo wordt de landelijke afspraak gehanteerd dat bij nieuwbouw ten minste 60% van de te realiseren woningen in het betaalbare segment moet vallen (28% sociale huur en 32% betaalbare koop tot maximaal € 355.000,-). Voor het plan aan de Ludger te Wichmond kan aan dit uitgangspunt worden voldaan gelet op de te realiseren woningtypen. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling passend is binnen de laatste woningbouwprognoses conform de regionale woonvisie en -monitor.

Gemeentelijk beleid

Voorliggend initiatief geeft invulling aan diverse braakliggende percelen binnen de kern Wichmond middels de bouw van rijwoningen, tweekappers en geschakelde woningen. Het plangebied heeft reeds een woonfunctie. Met het plan wordt voorzien in een aantoonbare actuele behoefte aan woningen voor starters en grondgebonden woningen in het middeldure segment. Het initiatief is derhalve in overeenstemming met het gemeentelijk woonbeleid conform de Woonvisie.

Ten aanzien van andere gemeentelijk relevante thema’s, zoals klimaat, water en cultuurhistorie, wordt in de navolgende paragrafen verder ingegaan op de wijze waarop binnen het plan met deze thema’s wordt omgegaan.

2.1.3.2 Omgevingsaspecten     

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

Hieronder worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Achtereenvolgend wordt ingegaan op de thema’s Duurzaamheid, Bodem, Geluid, Luchtkwaliteit, Geur, Bedrijven en milieuzonering, Externe veiligheid, Water, Archeologie en cultuurhistorie, Flora en fauna, Verkeer en Leidingen.

2.1.3.2.1 Milieu-effectrapportage     

De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 5 rijwoningen op een plangebied van circa 0,24 ha. Hiermee blijft onderhavig initiatief ruimschoots onder de drempelwaarde voor woningbouwlocaties (m.e.r.-plicht bij locaties vanaf 2.000 woningen) en kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Toetsing en conclusie

Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 ([D 11.2] de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling bevat immers maximaal 13 nieuwe woningen. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

Bij besluiten ten aanzien waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn:

  1. kenmerken van het project;
  2. plaats van het project;
  3. kenmerken van de potentiële effecten.

In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in dit hoofdstuk van deze toelichting. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.

2.1.3.2.2 Duurzaamheid     

De energietransitie, klimaatadaptatie en circulaire economie zijn duurzaamheidsthema's die een steeds belangrijkere plaats krijgen in ruimtelijke ordening. Nederland wil inmiddels in 2050 energieneutraal, klimaatadaptief en circulair zijn.

Met onderhavig plan wordt voorzien in 13 nieuwbouwwoningen. De beoogde woningen zullen worden gerealiseerd op basis van de meest actuele en strenge duurzaamheidseisen die zijn vastgelegd in het Bouwbesluit. Tevens zullen de woningen gasloos worden opgeleverd, waardoor een bijdrage aan de energietransitie wordt geleverd. Verder duurzaamheidsmaatregelen zullen door de ontwikkelende partij worden geconcretiseerd.

Bij het ontwerp van de woningen kan op de volgende wijze met het thema duurzaamheid rekening worden gehouden:

  • Duurzaam en energiezuinig ontwerpen;
  • Goede verhouding tussen open en dichte geveldelen creëren, waardoor een evenwicht van economisch aantrekkelijke energiebesparing en comfortabele woonkwaliteiten zoals een licht interieur en een ruim uitzicht ontstaat;
  • Treffen van bouwkundige en installatietechnische maatregelen welke bijdragen aan een comfortabel binnenklimaat in zowel zomer als winter;
  • Toepassing van individuele, gebalanceerde ventilatie met hoog rendement van warmteterugwinning en ventilatoren met laag verbruik;
  • Gasloos bouwen (verplicht sinds 1 juli 2018) en toepassen van zonnepanelen;
  • Verwerking hemelwater op eigen terrein (infiltratiekratten, groene daken, infiltratie in bodem);
  • Natuurinclusief bouwen (voorkomende soorten meenemen in het ontwerp van woningen);
  • Een prettige leefomgeving is bovendien een gezonde leefomgeving wat betreft bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluid en externe veiligheid (onderbouwing hiervan volgt in dit hoofdstuk).

2.1.3.2.3 Bodem     

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht.

Greenhouse Advies BV heeft in het kader van voorliggende ontwikkeling een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies voorkomend uit dit onderzoek zijn hieronder opgenomen. De volledige onderzoeksrapportage is in Bijlage 1 van deze toelichting opgenomen. Daarnaast is, ten behoeve van een waargenomen verontreiniging van het grondwater, een tweetal peilbuizen herbemonsterd. De bevindingen en het advies naar aanleiding van deze herbemonstering zijn vervat in een briefrapportage. Deze briefrapportage is als Bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen.

Onderzoeksresultaten

Vooronderzoek

Uit het vooronderzoek blijkt dat de percelen vanaf 1900 tot nu een agrarisch gebruik hebben gehad. Uit eerder uitgevoerde onderzoeken blijkt dat er lokaal lichte verontreinigingen in de grond of het grondwater aanwezig zijn. Daarnaast zijn er geen bijzonderheden uit het vooronderzoek naar boven gekomen.

Veldonderzoek

De bovengrond van de bodem bestaat tot circa 0,75 meter diepte uit humeus, matig siltig zand. Onder het humeuze zand bevindt zich een laag niet-humeus zwak siltig zand tot op een diepte van circa 3,0 meter, de maximaal onderzochte diepte. Op enkele plaatsen zijn sporen van baksteen aangetroffen. Het grondwater is tijdens het veldonderzoek aangetroffen op een diepte van circa 1,30 meter beneden maaiveld.

Chemisch onderzoek

Uit de analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd:

Deelgebied 1

  • In zowel de boven- als ondergrond is geen van de onderzochte parameters verhoogd aangetoond boven de desbetreffende achtergrondwaarden.
  • De boven- en ondergrond voldoen indicatief aan de bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde.
  • In het grondwater is een lichte verontreiniging aangetoond van barium, koper cadmium en nikkel. Alle overige onderzochte parameters zijn in het grondwater niet verhoogd aangetoond boven de desbetreffende streefwaarden.

Deelgebied 2

  • In zowel de boven- als ondergrond is geen van de onderzochte parameters verhoogd aangetoond boven de desbetreffende achtergrondwaarden.
  • De boven- en ondergrond voldoen indicatief aan de bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde.
  • In het grondwater is een lichte verontreiniging aangetoond van barium. Alle overige onderzocht parameters zijn in het grondwater niet verhoogd aangetoond boven de desbetreffende streefgrondwaarden.

Deelgebied 3

  • In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen met koper en lood aangetoond. Alle overige onderzochte parameters zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de desbetreffende achtergrondwaarden. In de ondergrond zijn geen van de onderzochte parameters verhoogd aangetoond ten opzichte van de desbetreffende achtergrondwaarden.
  • Voor de parameters koper en lood voldoet de bovengrond indicatief aan de bodemkwaliteitsklasse Wonen. De ondergrond voldoet indicatief aan de klasse Achtergrondwaarde.
  • In het grondwater is een lichte verontreiniging aangetoond van zink, een matige verontreiniging van barium en kobalt, en een sterke verontreiniging van nikkel aangetoond. Alle overige onderzochte parameters zijn in het grondwater niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de desbetreffende streefwaarden.

Deelgebied 4

  • In zowel de boven- als ondergrond zijn geen van de onderzochte parameters verhoogd aangetoond boven de desbetreffende achtergrondwaarden.
  • De boven- en ondergrond voldoen indicatief aan de bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde.
  • In het grondwater is een lichte verontreiniging aangetoond van barium en kobalt, en een sterke verontreiniging van nikkel. Alle overige onderzochte parameters zijn in het grondwater niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de desbetreffende streefwaarden.

Op basis van het aantreffen van verontreinigingen in de grond en het grondwater dient de hypothese ‘locatie is onverdacht’ formeel verworpen te worden.

Advies

Naar aanleiding van de analyseresultaten is een nader onderzoek voor deelgebieden 1 en 2 niet noodzakelijk. Deze deelgebieden zijn op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik.

De sterke en matige verontreinigingen aan nikkel, barium en kobalt in grondwater overschrijden het criterium voor nader onderzoek. Geadviseerd wordt om de peilbuizen 17 en 23 nogmaals te bemonsteren en te analyseren. Sterke en matige verontreinigingen kunnen namelijk veroorzaakt worden door het zogenaamde plaatsingseffect. Bij herbemonstering kan dit beoordeeld worden.

Herbemonstering peilbuizen 17 en 23

Op 4 februari 2022 zijn de bovengenoemde peilbuizen herbemonsterd. Onderstaand zijn de conclusies van deze herbemonstering weergegeven. De begeleidende brief is als Bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen.

Op basis van een herbemonstering van de peilbuizen 17 en 23 in deelgebieden 3 en 4 kan worden geconcludeerd dat sprake is van sterke verontreiniging van het grondwater door nikkel. Er is geen duidelijke bron aan te wijzen voor de verontreiniging. Van nature kan in zandgronden hoge concentraties nikkel worden aangetroffen. Door een relatief lage pH van zandgronden leidt dit tot het oplossen van nikkel in het grondwater, waardoor de norm van nikkel kan worden overschreden in het grondwater.

Omdat er geen duidelijke bron aanwezig is en in nabijgelegen peilbuizen 2 en 6 geen verhoging aan nikkel is aangetroffen in het grondwater kan de verontreiniging worden gezien als een natuurlijk incident. De omvang van de grondwaterverontreiniging met nikkel is nog onbekend. Het is niet waarschijnlijk dat de verontreiniging risico’s met zich meebrengt waardoor deze spoedeisend wordt.

Geadviseerd wordt om geen bemaling toe te passen (waardoor de verontreiniging wordt onttrokken). Wanneer er echter wel bemaling wordt toegepast moet dit worden gezien als een sanerende handeling en dient dit met het bevoegd gezag (provincie Gelderland) gecommuniceerd te worden.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘bodem’, met inachtneming van het bovengenoemde, geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.1.3.2.4 Geluid     

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het aanvragen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. De beoogde woningen zijn aan te merken als geluidsgevoelige objecten.

Beoordeling

Wegverkeerslawaai

Ingevolge de Wgh hebben alle wegen een zone waarbinnen een akoestisch onderzoek verplicht is. De breedte van de zone, aan weerszijde van de weg, is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (binnenstedelijk of buitenstedelijk). In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat deze zones niet gelden voor:

  • wegen die zijn aangeduid als woonerf (art. 74.2);
  • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art. 74.2).

In de Wgh worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidbelasting op de gevels van geluidsgevoelige gebouwen die liggen binnen de geluidszone van een weg. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting vanwege wegverkeer bedraagt 48 dB.

De afstand wordt gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook van de weg tot

de gevel van het gebouw. Ten zuiden van het plangebied is de Baakseweg gelegen. Deze weg bestaat uit twee rijstroken en is gelegen in het buitengebied. Derhalve heeft de Baakseweg een geluidszone van 250 meter conform de Wgh. De deelgebieden aan Ludger liggen binnen deze geluidszone en dus is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd naar het effect van de Baakseweg op de beoogde woningen aan Ludger. De uitkomsten van het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai zijn hieronder kort beschreven. De volledige onderzoeksrapportage is als Bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen.

Uit de berekeningen van de geluidsbelasting ter plekke van de geprojecteerde gevels blijkt dat sprake is van een belasting van maximaal 47 dB. Er vindt daarmee geen overschrijding plaats van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt ten aanzien van hinder door wegverkeerslawaai geen belemmeringen voor de realisatie plan.

Industrielawaai

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 13 woningen ter plekke van vier braakliggende percelen aan Ludger te Wichmond. Hiermee worden geen functies gerealiseerd die mogelijk voor geluidhinder zorgen voor geluidgevoelige functies in de omgeving van het plangebied. Anderzijds vormen de beoogde woningen wél geluidgevoelige functies in het kader van de Wgh. In de omgeving is één bestemming gesitueerd welke mogelijk voor geluidhinder kan zorgen. Ten noorden van de deelgebieden aan de Hackforterweg 31 ligt een bedrijfsbestemming met functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – meubelmakerij’. Conform het geldende bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied Bronckhorst’ is op deze locatie een meubelmakerij toegestaan van milieucategorie 3.2 Voor deze milieucategorie geldt een richtafstand van 100 meter. De deelgebieden II, III en IV liggen binnen deze richtafstand.

Hiertoe is door Econsultancy een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd naar het effect van de meubelmakerij aan de Hackforterweg 31 op de beoogde woningen en de invloed van het plan op de bedrijfsvoering van de meubelmakerij. De bevindingen van dit onderzoek zijn hieronder beschreven. De rapportage is als Bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen.

De meubelmakerij is een type B inrichting, welke volledig onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit valt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient getoetst te worden aan de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (verder: publicatie). Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bronckhorst heeft geen geluidbeleid vastgesteld met betrekking tot industrielawaai.

Op basis van de berekende geluidbelastingen wordt geconcludeerd dat het plan de meubelmakerij niet in de (toekomstige) bedrijfsvoering belemmert. Op basis van de emissiekentallen voor categorie 3.2 inrichtingen kunnen overschrijdingen van de richtwaarden voor een rustige woonwijk optreden. De richtwaarden uit stap 3 voor een rustige woonwijk worden niet overschreden.

In de praktijk beperken de bestaande geluidgevoelige bestemmingen aan de Hackforterweg de bedrijfsvoering al dusdanig dat voor een representatieve bedrijfssituatie van de meubelmakerij geen overschrijdingen zullen optreden. In beide gevallen kan desondanks gesteld worden dat er sprake is van een acceptabel akoestisch woon- en leefklimaat.

Verder zijn er geen bedrijfsbestemmingen in de omgeving van het plangebied gesitueerd die mogelijk voor geluidshinder kunnen zorgen.

Railverkeerslawaai

De Wet geluidhinder biedt in het ruimtelijk spoor tevens bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen tegen spoorweglawaai. Daarbij gaat het om nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs spoorwegen en om bestaande geluidsgevoelige bestemmingen bij de aanleg/wijziging van spoorwegen.

Er zijn geen spoorwegen gesitueerd in de omgeving van het plangebied aan de Ludger te Wichmond. De dichtstbijzijnde spoorweg is de spoorlijn Zutphen-Winterswijk ten noordwesten van het plangebied. Deze spoorlijn is gelegen op circa 4 kilometer afstand van het plangebied en veroorzaakt derhalve geen hinder voor onderhavig initiatief. Een onderzoek ‘railverkeerslawaai’ is niet noodzakelijk.

Conclusie

Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.1.3.2.5 Luchtkwaliteit     

Algemeen

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichts bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ug/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Zo staat een grenswaarde van 3% gelijk aan bijvoorbeeld de bouw van circa 1500 woningen met één ontsluitingsweg.

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

Zodra een ontwikkeling zich voordoet, die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk kan worden gemaakt, wordt op dat moment het aspect luchtkwaliteit onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

Situatie plangebied

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang (13 woningen) van voorliggende ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens zijn de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN & GDN) geraadpleegd. Hieruit blijkt dat ten aanzien van zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, fijn stof, lood, benzeen en koolmonoxide in de lucht, geen grenswaarden worden overschreden in de omgeving van het plangebied (peiljaar 2020). Derhalve kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied aan de Ludger.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.1.3.2.6 Geur     

Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit.

De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) moet voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom ligt, en
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

Situatie plangebied

De realisatie van woningen aan de Ludger zorgt ervoor dat geurgevoelige objecten (volgens de Wet geurhinder en veehouderij) worden mogelijk gemaakt. De geurbelasting op de beoogde woningen mag in dit geval niet meer dan 3,0 ouE/m3 zijn. Tevens zijn voor bepaalde agrarische activiteiten richtafstanden voor geur opgenomen in de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’.

De agrarische activiteiten die voor geurhinder bij geurgevoelige objecten kunnen zorgen zijn genoemd in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit. De uitvoerder van de betreffende agrarische activiteiten is verantwoordelijk voor het voorkomen van geurhinder bij geurgevoelige objecten. Het dichtstbijzijnde agrarisch bouwvlak is gelegen aan de Lankhorsterstraat 1, ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 290 meter van de deelgebieden II, III en IV en 320 meter van deelgebied I. Voor de activiteiten binnen dit agrarisch bouwvlak (fokken en houden van melkvee) is een minimale richtafstand van 100 meter vastgesteld conform de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Het plangebied valt dus niet binnen de richtafstand voor geur.

Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden omliggende agrarische bedrijven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wat betreft geuremissie niet (verder) in de bedrijfsvoering belemmerd.

Conclusie

Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.1.3.2.7 Bedrijven en milieuzonering     

Algemeen

Het is gebruikelijk om voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid gebruik te maken van de afstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, 2009). Andersom is deze publicatie te gebruiken voor het verantwoord inpassen van bedrijvigheid in een woon- of werkomgeving. De publicatie geeft informatie over de milieukenmerken van vrijwel alle voorkomende bedrijfstypen. Het biedt daarmee een hulpmiddel om ruimtelijke ordening en milieu op elkaar af te stemmen.

Uitgangspunt is dat de in de bedrijvenlijst genoemde afstanden gelden tussen enerzijds de perceelsgrens van het bedrijf en anderzijds de gevel van de woning. De richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. Dit kan zowel een rustige woonwijk als een rustig buitengebied zijn. Indien een activiteit plaatsvindt in een gebied waar meerdere functies naast elkaar voorkomen is er sprake van een gemengd gebied. Voor deze gebieden kunnen kleinere richtafstanden worden gehanteerd, de richtafstand voor een rustig woongebied kan met één stap kan worden verlaagd. De genoemde richtafstanden zijn indicatief. Afwijken van deze indicatieve richtafstanden is mogelijk indien de afwijking wordt gemotiveerd.

Het kan zo zijn dat specifieke wet- en regelgeving andere afstanden voorschrijft. Deze gaan dan voor de afstanden uit de VNG-publicatie. Te denken valt aan de Wet geurhinder en veehouderij, het Activiteitenbesluit of het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Situatie plangebied

Met de beoogde toevoeging van woningen binnen het plangebied aan de Wethouder Campermanstraat worden gevoelige objecten toegevoegd aan de omgeving. Daarom moet in de omgeving worden nagegaan of er mogelijk bedrijven of inrichtingen aanwezig zijn die invloed hebben op de ontwikkelingen. Onderstaande tabel geeft de bedrijven in de omgeving weer, inclusief richtafstanden voor de verschillende relevante milieuaspecten.

verplicht

Om te bepalen of het bovengenoemde bedrijf hinder kan veroorzaken voor de beoogde ontwikkeling, dient het omgevingstype te worden vastgesteld. Wanneer sprake is van een gemengd gebied (waarbij woonfuncties worden afgewisseld met andere voorzieningen), kunnen de richtafstanden conform de lijst van de VNG met één afstandsstap verkleind worden.

Het plangebied is gelegen in een woonwijk. Hoewel op circa 35 meter ten zuiden van deelgebied IV de Baakseweg gelegen is, komen voornamelijk woonbestemmingen rond het plangebied voor en kan de omgeving van het plangebied worden gekarakteriseerd als rustig woongebied. Daarmee ligt het plangebied binnen de richtafstanden voor geluid ten aanzien van het bedrijf aan de Hackforterweg 31. In paragraaf 2.1.3.2.4 is echter reeds onderbouwd dat ter plekke van het plangebied sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat, aangezien andere, reeds bestaande woningen maatgevend zijn voor geluid afkomstig van dit bedrijf. Daarmee is verder onderzoek niet noodzakelijk.

Voor het overige zijn er geen bedrijven of inrichtingen in de omgeving van het plangebied gesitueerd die voor hinder kunnen zorgen.

Conclusie

Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.1.3.2.8 Externe veiligheid     

Algemeen

Voor de beoordeling van het aspect externe veiligheid gelden de volgende kaders:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi);
  • Besluit externe veiligheid transportroutes;
  • Regeling basisnet;
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb).

Daarnaast kunnen het Activiteitenbesluit en Vuurwerkbesluit van belang zijn.

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) staan regels over de veiligheidsafstanden en over de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Uitgangspunt voor deze circulaire is de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Deze circulaire heeft betrekking op het beleid van de ministers van Infrastructuur en Milieu en van Veiligheid en Justitie over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving. Voor de uitwerking en toepassing van de risiconormen

is zoveel mogelijk aangesloten bij Bevi en Revi.

Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geeft onder andere veiligheidsafstanden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen aan. De normstelling is in lijn met het Bevi. De risicoafstanden en de manier van risicoberekening zijn opgenomen in het Revi.

Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu adviseert om voor standaard buisleidingen met aardolieproducten de afstanden aan te houden uit het RIVM rapport Risicoafstanden voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen K1K2K3 (augustus 2008). Voor afwijkende gevallen en andere brandbare chemische vloeistoffen zijn berekeningen nodig. Voor het berekenen van risico’s van ondergrondse gasleidingen ('hogedruk aardgastransportleidingen') is het computerprogramma CAROLA beschikbaar.

Situatie plangebied

Middels onderstaande uitsnede van de risicokaart Nederland zijn de volgende aspecten van externe

veiligheid onderzocht:

  • risicovolle inrichtingen;
  • transport over weg, water en spoor;
  • hogedrukaardgastransportleidingen en K1-, K2- en K3 brandstofleidingen;
  • bovengrondse hoogspanningslijnen.

verplicht

Uitsnede risicokaart (omgeving plangebied rood omcirkeld) (bron: www.risicokaart.nl)

Risicovolle inrichtingen

In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig.

Risicovol wegtransport en transport via spoor- en waterwegen

In de omgeving van het plangebied zijn geen wegen, spoorwegen of waterwegen aanwezig waarover risicovol transport plaatsvindt.

Risicovolle (buis)leidingen

Ten westen van het plangebied zijn drie aardgasleidingen van Gasunie (NEN 3650-leidingen) gesitueerd. De leidingen liggen op circa 1,3 kilometer van het plangebied en vormen daarom geen risico voor ontwikkelingen binnen het plangebied.

Conclusie

Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.1.3.2.9 Water     

Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Ruimtelijke plannen moeten voorzien zijn van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Het waterschap kijkt of in een plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies.

De watertoets is op 3 maart 2022 uitgevoerd via www.dewatertoets.nl. Op basis hiervan heeft het waterschap Rijn en IJssel een wateradvies uitgebracht. De watertoets is als Bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen.

Advies Waterschap

Beoordeling

Uit de ingevoerde gegevens in de digitale watertoets blijkt dat het plan waterschapsbelangen raakt; derhalve is de korte procedure van toepassing.

Beheer en onderhoud

De voorgenomen ontwikkelingen vormen geen belemmering voor het reguliere beheer en onderhoud van het watersysteem. Het oppervlaktewaterpeil wordt binnen gewenste of vastgestelde marges gehandhaafd. Wijzigingen aan het watersysteem en werkzaamheden in de keurzone dienen met een watervergunning te worden uitgevoerd.

Klimaatadaptatie

Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd wordt het watersysteem zwaarder belat en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Uitgangspunt is dat (nieuwe) ontwikkelingen minimaal hydrologisch neutraal zijn of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie.

Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak toe met circa 940 m2. Er zijn binnen de deelgebieden geen mogelijkheden om bestaand verhard oppervlak af te koppelen van het rioolstelsel. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen - afvoeren behandeld. In het kader van het voormalige stedenbouwkundig plan voor de woonwijk rond de Ludger in Wichmond is reeds voorzien in een wadi tussen de deelgebieden II en III met een oppervlakte van circa 747 m2. In dit plan was reeds rekening gehouden met de invulling van de deelgebieden behorende tot het plangebied. Hiertoe wordt het hemelwater ter plaatse geborgen in deze waterbergende voorziening.

Waterkwaliteit

Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Bij het ontwerp van de woningen wordt geen gebruik gemaakt van uitloogbare materialen, zoals lood, koper, zink en zacht OVC, waardoor de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlakte- en grondwater voorkomen wordt.

Conclusie

Het plan dient in het kader van vooroverleg voorgelegd met de uitgevoerde watertoets aan het Waterschap Rijn en IJssel voorgelegd. Er zijn vanuit het waterschap geen opmerkingen.

2.1.3.2.10 Archeologie en cultuurhistorie     

Archeologie

Algemeen

Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

De gemeente Bronckhorst heeft op 28 november 2013 het parapluplan archeologie vastgesteld. Op basis van dit plan hebben de deelgebieden verschillende dubbelbestemmingen.

verplicht

Uitsnede Parapluplan archeologie (deelgebieden rood omlijnd) (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

De deelgebieden hebben de volgende archeologische dubbelbestemmingen:

  • Deelgebied I: ‘Waarde - Archeologische verwachting 1’ en ‘Waarde - Archeologische verwachting 2'
  • Deelgebied II: ‘Waarde - Archeologische verwachting 1’, ‘Waarde - Archeologische verwachting 2’ en ‘Waarde - Archeologische verwachting 3’
  • Deelgebied III: ‘Waarde - Archeologische verwachting 3’
  • Deelgebied IV: ‘Waarde - Archeologische verwachting 3’

Voor de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting 1’ geldt dat binnen gebieden met deze aanduiding bij aanvraag voor een omgevingsvergunning een archeologisch onderzoek verplicht is voor het oprichten van bouwwerken groter dan 250 m2. Een onderzoek is in dat geval noodzakelijk om vast te stellen of er mogelijk archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn.

Waarde – Archeologische verwachting 2

Voor de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting 2’ geldt dat binnen gebieden met deze aanduiding bij aanvraag voor een omgevingsvergunning een archeologisch onderzoek verplicht is voor het oprichten van bouwwerken groter dan 1.000 m2. Een onderzoek is in dat geval noodzakelijk om vast te stellen of er mogelijk archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn.

Waarde – Archeologische verwachting 3

Voor de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting 3’ geldt dat binnen gebieden met deze aanduiding bij aanvraag voor een omgevingsvergunning een archeologisch onderzoek verplicht is voor het oprichten van bouwwerken groter dan 5.000 m2. Een onderzoek is in dat geval noodzakelijk om vast te stellen of er mogelijk archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn.

Ten behoeve van de deelgebieden III en IV is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk, aangezien beide deelgebieden een oppervlakte kleiner dan 5.000 m2 beslaan. Voor de overige twee deelgebieden, I en II, is in theorie, op basis van het parapluplan archeologie, verder archeologisch onderzoek noodzakelijk.

In maart 2006 is het plangebied door RAAP Archeologisch Adviesbureau echter reeds onderzocht op voorkomende archeologische waarden in de bodem ten behoeve van de bouw van 20 woningen in het gebied aan de Hackforterweg/Baakseweg. Het onderzoeksrapport is als Bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. Naar aanleiding van het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd:

‘Op grond van het onderzoek kan worden gesteld dat in het plangebied, ondanks de middelmatige tot hoge archeologische verwachting, naar alle waarschijnlijkheid geen archeologische vindplaatsen voorkomen. Naar verwachting zal er als gevolg van de geplande werkzaamheden dan ook geen verstoring van archeologische vindplaatsen optreden. Derhalve worden geen aanbevelingen voor vervolgonderzoek gedaan. De geplande ingrepen kunnen, voor zover het archeologische waarden betreft, zonder beperkingen worden uitgevoerd.’

Op basis van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat de deelgebieden archeologisch vrij zijn gegeven en verder archeologisch onderzoek derhalve niet noodzakelijk is. De archeologische dubbelbestemmingen in het vigerend bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied; Veegplan 2017-2’ ter plekke van de deelgebieden komen hiermee te vervallen in dit bestemmingsplan.

Conclusie

Het aspect ‘archeologie’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Cultuurhistorie

Algemeen

De gemeente Bronckhorst heeft een structuurvisie cultuurhistorie opgesteld om bestaande cultuurhistorische waarden binnen de gemeentegronden beter te kunnen beschermen en waarborgen binnen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Situatie plangebied

Op onderstaande uitsnede van de verbeelding behorende bij de structuurvisie cultuurhistorie is te zien dat het plangebied aan de Ludger is gelegen in een ‘cultuurhistorisch kansgebied’.

verplicht

Uitsnede Structuurvisie cultuurhistorie Bronckhorst (plangebied rood omlijnd) (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Voor gebieden met deze aanduiding geldt de volgende ontwikkelrichting ten aanzien van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen:

In deze gebieden is cultuurhistorie een inspirerende leidraad, en biedt het volop kansen voor ontwikkelingen met kwaliteit. De cultuurhistorische hoofdstructuur, die vaak bestaat uit wegen, waterlopen en beplantingen, is de structuur waaraan ontwikkelingen worden opgehangen. In de jonge ontginningen zijn de rechte wegen en waterlopen de structuur waarin ontwikkelingen worden ingepast. Ontwikkelingen kunnen zo de cultuurhistorische structuren versterken, waardoor de omgeving aantrekkelijker wordt. De schaal van het landschap bepaalt welke functie waar past. Zo past grootschalige landbouw prima in de grootschalige jonge ontginningen.

De voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een verdere invulling van de uitbreidingswijk De Wogt, door middel van ontwikkeling van braakliggend terrein. Met het voorgenomen plan worden geen cultuurhistorische waarden geschaad. Verder bevinden zich in of in de directe omgeving van het plangebied geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten.

Conclusie

Het aspect ‘cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.1.3.2.11 Flora en fauna     

Algemeen

Juridisch kader Wet natuurbescherming (Wnb)

Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De wet regelt soortenbescherming en gebiedsbescherming.

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wnb heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden.

Soortenbescherming

Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten:

  • soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);
  • soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);
  • andere soorten (artikel 3.10).

Gebiedsbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland.

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit.

Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is krachtens de Wnb verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000- gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2).

Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.

Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:

  • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;
  • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;
  • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
  • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee;
  • alle Natura 2000-gebieden.

Conform artikel 1.12 van de Wnb dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Situatie plangebied

Quickscan Flora en fauna

Gras Advies heeft in het kader van de ontwikkeling aan de Ludger te Wichmond een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het doel van de quickscan is het inzichtelijk brengen van eventuele wettelijk beschermde planten- en diersoorten in en direct rondom het plangebied. Daarnaast is de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden onderzocht. Op basis van deze soorten- en gebiedsinformatie worden er uitspraken gedaan over mogelijke effecten van de voorgenomen ontwikkeling en eventuele noodzakelijke vervolgonderzoeken. De rapportage van de quickscan flora en fauna is als Bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen.

Natura 2000-gebied

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken op circa 3 kilometer afstand van het plangebied en wordt hiervan gescheiden door agrarisch gebied en de bebouwde kom van Wichmond. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 9 km) van het plangebied. Het plangebied is niet direct zichtbaar vanuit omliggende Natura 2000-gebieden. Van optische verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Gelet op de ligging van het plangebied en de beperkte impact van de ingreep, kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid op voorhand worden uitgesloten. Een substantieel, negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op de stikstofemissie en daarmee op Natura 2000-gebieden is niet aannemelijk, maar is middels een AERIUS-berekening nader onderzocht. Er is geen sprake van significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden, het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde gebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland betreft het Natura 2000-gebied Rijntakken en enkele percelen direct aangrenzend aan het plangebied. Aangezien het plangebied buiten de begrenzing van het NNN ligt en de provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Gelderland geen bepalingen ten aanzien van externe werking kent, is nadere toetsing ten aanzien van NNN niet noodzakelijk.

Houtopstanden

Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom. Daarmee is het onderdeel Houtopstanden van de Wet natuurbescherming niet van toepassing op het plangebied.

Kleine marterachtigen

Een deel van het plangebied is geschikt als foerageergebied voor kleine marterachtigen (hermelijn, bunzing en wezel). Daarnaast zijn de aanwezige bosschages en braamstruwelen geschikt als verblijf- en/of nestplaats. Deze soorten zijn beschermd conform de Wet natuurbescherming ‘andere soorten’ en vallen binnen de provincie Gelderland niet onder de categorie ‘vrijgestelde soorten’. Er zijn geen waarnemingen bekend van kleine marterachtigen in de directe omgeving van het plangebied. Nader onderzoek is noodzakelijk om het mogelijke gebruik van het gebied door hermelijn, wezel en bunzing vast te stellen. Een nader onderzoek naar kleine marterachtigen en/of een ontheffingsaanvraag is benodigd.

Vleermuizen

In het gebied zijn bomen met holtes aangetroffen die groot genoeg en geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied kan daarom niet worden uitgesloten. Indien er bomen met holtes gekapt gaan worden is nader onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen benodigd. Indien de bomen niet gekapt gaan worden, en tijdens de werkzaamheden en het toekomstig gebruik geen felle, nachtelijke verlichting op de bomen wordt gericht in de voor vleermuizen actieve periode (april t/m oktober) is van een negatief effect geen sprake en is nader onderzoek naar beschermde boombewonende vleermuizen en/of een ontheffingsaanvraag niet benodigd.

Vogels

Het plangebied is (onderdeel van) een leefgebied voor diverse zangvogels. Het is aannemelijk dat zangvogels de bosschages in het plangebied gebruiken als broedlocatie. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk, onder voorwaarde dat er buiten het broedseizoen om gewerkt wordt, of eventuele nesten in de bosschages tijdens het broedseizoen niet verstoord worden. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli, afhankelijk van de weersomstandigheden. Eerdere en latere broedgevallen zijn ook beschermd conform de Wet natuurbescherming.

Zorgplicht

De aannemer behoudt te allen tijde zijn of haar zorgplicht: ‘’De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. In praktijk betekent dit het a) voorkomen, b) beperken en c) ongedaan maken van schadelijke handelingen voor de natuur.”

Stikstofdepositie

De voorgenomen ontwikkeling resulteert mogelijk in een verandering van stikstofemissie en -depositie. Om te onderzoeken of er sprake is van een significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie, is een berekening van verandering in stikstofemissie en -depositie vereist. Hiertoe heeft Gras Advies een AERIUS-berekening uitgevoerd en dit verwerkt in een rapportage. Het rapport is als Bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen.

Conclusie

Er is voor de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot stikstofdepositie derhalve geen vergunning Wet natuurbescherming onderdeel Gebiedsbescherming benodigd.

Conclusie

Bij het uitvoeren van de quickscan flora & fauna is vastgesteld dat deelgebied I en IV mogelijk geschikt leefgebied vormen voor kleine marterachtigen. Daartoe dient nader onderzocht te worden of deze deelgebieden daadwerkelijk gebruikt worden door kleine marterachtigen. Uit het aanvullend onderzoek dient te blijken dat deelgebieden I en IV geen leefgebied vormen voor kleine marterachtigen alvorens gestart kan worden met de beoogde werkzaamheden.

Met inachtneming van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘flora en fauna’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.1.3.2.12 Verkeer     

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. In dit geval wordt voor wat betreft de parkeerbehoefte aangesloten bij de uitgangspunten en normen als vastgesteld in de 'Parkeernormen Gemeente Bronckhorst'. Deze parkeernormen zijn geënt op de meest recente landelijke parkeerkencijfers op basis van de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Voor de verkeersgeneratie wordt aangesloten bij de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (december 2012)’. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.

In paragraaf 2.1.2.3.3 is reeds nader ingegaan op de aspecten verkeer en parkeren.

2.1.3.2.13 Leidingen     

Onder- of bovengrondse transportleidingen zijn niet aanwezig in of in de buurt van het plangebied. Een onderzoek is derhalve niet nodig.

2.1.3.2.14 Klimaatadaptatie     

Algemeen

Omdat het Nederlandse klimaat aan verandering onderhevig is, is het van belang dat bij ruimtelijke ontwikkelingen het aspect klimaatadaptatie wordt meegenomen. Relevante onderwerpen hierin zijn waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Hierin heeft het aspect klimaatadaptatie belangrijke raakvlakken met het aspect water.

Toetsing

Ter beoordeling van het aspect klimaatadaptatie is de Atlas voor de Leefomgeving geraadpleegd. Per deelaspect is een beoordeling van mogelijke risico’s gemaakt en zijn oplossingen beschreven.

Waterveiligheid

Onderstaand kaartbeeld toont een uitsnede van het thema ‘Maximale waterhoogte bij een dijkdoorbraak’. Voor nagenoeg alle deelgebieden geldt dat er een maximale waterhoogte van 0,5 tot 1 meter te verwachten is bij een overstroming ten gevolge van een dijkdoorbraak.

Een eventuele overstroming zal worden veroorzaakt door een dijkdoorbraak in de waterkeringen bij de ten westen gelegen IJssel. Binnen onderhavig initiatief zijn niet veel mogelijkheden om de eventuele gevolgen van een dergelijke dijkdoorbraak tegen te gaan behoudens voldoende mogelijkheden voor evacuatie. Het plangebied is via meerdere routes ontsloten en biedt daarmee voldoende gelegenheid om in oostelijke richting hoger gelegen gronden te bereiken.

verplicht

Kaartuitsnede waterveiligheid (bron: Atlas voor de Leefomgeving)

Wateroverlast

Onderstaand kaartbeeld toont een uitsnede van het thema ‘Water op straat na extreme regenbui’. Uit de kaartgegevens blijkt dat er ter plekke van de deelgebieden geen sprake is van wateroverlast. Met de realisatie van de beoogde woningen zal het verhard oppervlak binnen de deelgebieden echter toenemen. Ten behoeve van de voorheen beoogde ontwikkeling van de wijk is reeds een wadi aangelegd die voorziet in voldoende waterberging. Mocht er meer waterberging benodigd zijn ten gevolge van het uitvoeren van onderhavig plan, dan kan deze wadi worden uitgebreid.

verplicht

Kaartuitsnede wateroverlast (bron: Atlas voor de Leefomgeving)

Droogte

Onderstaand kaartbeeld toont een uitsnede van het thema ‘Waterbergend vermogen ondergrond’. Uit de kaartgegevens blijkt dat het waterbergend vermogen binnen de deelgebieden varieert tussen circa 100 tot 500 mm. Het gebruik van de gronden ten behoeve van de beoogde functie (‘Wonen’) betreft een gebruik dat slechts in beperkte mate afhankelijk is van droogte. Daarnaast is er in de omgeving voldoende gelegenheid voor het infiltreren en vasthouden van hemelwater in de bodem in groenzones rond de woningen en ter plekke van de bestaande wadi. Hiermee wordt het grondwater in natte perioden aangevuld, waardoor het tekort aan grondwater in droge periodes daarom geringer zal zijn.

verplicht

Kaartuitsnede droogte (bron: Atlas voor de Leefomgeving)

Hitte

Tot slot geeft onderstaand kaartbeeld een uitsnede weer van het thema ‘Gevoelstemperatuur tijdens een zomerse dag’. Uit deze gegevens blijkt dat ter plekke van de deelgebieden sprake is van een gevoelstemperatuur van maximaal 41 graden; dit is vergelijkbaar met de gevoelstemperatuur bij omliggende woningen. Aangezien er voldoende groen in de omgeving aanwezig blijft dat voor verkoeling zal zorgen wordt er geen hinder verwacht door hittestress ten gevolge van het planvoornemen.

verplicht

Kaartuitsnede hitte (bron: Atlas voor de Leefomgeving)

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘klimaatadaptatie’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

2.1.3.3 Volkshuisvesting     

In paragraaf 3.4.3 van deze plantoelichting is het gemeentelijke woonbeleid beschreven. Daar is aangegeven dat er sprake is van druk op de woningmarkt en dat vraag en aanbod onvoldoende op elkaar aansluit. In de woonvisie wordt onder meer een aantal prioritaire bevolkingsgroepen en woningtypen benoemd.

Om starters de mogelijkheid te geven om in de gemeente Bronckhorst te kunnen blijven wonen, vormt deze groep een belangrijke prioritaire groep in het woonbeleid. Binnen de gemeente Bronckhorst zijn de mogelijkheden voor starters om een woning te kopen op dit moment te beperkt. De 8 rijwoningen in de voorgenomen ontwikkeling zijn passend bij deze groep en voorzien daarmee in nieuw woningaanbod voor starters.

Daarnaast vormt het toevoegen van een aantal tweekappers en geschakelde woningen een uitbreiding van het aanbod van doorstromers. Jonge gezinnen hebben in de huidige markt moeite om geschikte woonruimte te vinden, waardoor ze vaak gebonden blijven aan hun starterswoning. Met het realiseren van bovengenoemde woningen wordt een mogelijkheid voor deze groep geboden in het middeldure segment. Hierdoor kan de toevoeging van deze woningtypen leiden tot doorstroming op de woningmarkt.

Het bouwprogramma van voorliggende ontwikkeling past binnen het beleid in de gemeentelijke (en regionale) Woonvisie. Met voorliggende ontwikkeling wordt bijgedragen aan het verbeteren van de doorstroming op de woningmarkt en het realiseren van betaalbare woonruimte voor starters in de kern Wichmond.

2.1.3.4 Economisch     

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan, behalve wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

De bestemmingsplanwijziging is geïnitieerd door de gemeente. De kosten voortvloeiende uit de verdere ontwikkeling van het plangebied komen voor rekening van de ontwikkelende partij. Met de initiatiefnemers wordt een anterieure overeenkomst gesloten waarin tevens het risico op planschade is meegenomen. Hiermee is het kostenverhaal voor de gemeente volledig verzekerd. Dit brengt met zich mee dat de vaststelling van een exploitatieplan op grond van artikel 6.12 Wro achterwege kan blijven.

2.1.3.5 Maatschappelijk     

Een actueel, helder en overzichtelijk bestemmingsplan vormt de basis voor een geloofwaardig ruimtelijk beleid. Met een actueel plan en een goede handhaving van het hierin vastgelegde beleid kunnen de kwaliteiten van het gebied worden beschermd en ruimtelijke ontwikkelingen beter worden gestuurd. Zowel burgers als de uitvoeringsambtenaar moeten snel inzicht krijgen in wat er wel of niet in bepaalde omstandigheden is toegestaan. Ook draagvlak is van essentieel belang voor de handhaving. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan wordt gezocht naar een breed maatschappelijk draagvlak. Burgers en overige belanghebbenden krijgen uitgebreid de gelegenheid om in het kader van de inspraakprocedure invloed uit te oefenen op de inhoud van het plan.

2.1.3.6 Overleg en inspraak     
2.1.3.6.1 Overleg     

Ten behoeve van het plan is de digitale watertoets uitgevoerd. Deze is opgenomen in Bijlage 5 van deze plantoelichting. Het advies volgend hieruit is het doorlopen van de korte procedure, welke volgens de watertoets behelst dat de standaardwaterparagraaf wordt toegevoegd en verder in de toelichting van het bestemmingsplan wordt aangegeven hoe er met water in het plangebied wordt omgegaan. Dit is opgenomen in paragraaf 2.1.3.2.9 Water.

Deze ontwikkeling bestaat uit 12 woningen of meer, waartoe het plan als een nieuwe stedelijke ontwikkeling kan worden gerekend. Derhalve is het plan besproken met de Provincie Gelderland. De provincie heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben, dat het plan voldoet aan het geldende woonbeleid en niet formeel hoeft worden voorgelegd in het kader van vooroverleg.

2.1.3.6.2 Inspraak     

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of en op welke wijze inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In dit geval heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden met omwonenden van het plangebied. De reactienota met een weergave van de omgevingsdialoog en de gemeentelijke reactie is opgenomen in Bijlage 9 bij de toelichting op dit planonderdeel.

2.1.3.7 Conclusie     

Geen van de onderzochte omgevingsaspecten levert beperkingen op voor de uitvoering van het voorliggende bestemmingsplan. Dit geldt ook voor volkshuisvesting en de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

2.1.4 Juridische aspecten planonderdeel     

In deze paragraaf komen de juridische aspecten aan bod die betrekking hebben op de bestemmingen die voorkomen in dit specifieke planonderdeel. De algemene juridische aspecten zijn opgenomen in Hoofdstuk 4.

2.1.4.1 Bestemmingsregels     

2.1.4.1.1 Verkeer     

Artikel 5 Verkeer

Deze bestemming richt zich op het openbare gebied. Binnen deze bestemming kunnen meerdere doeleinden worden onderscheiden, zoals ontsluitingswegen, voet- en fietspaden, parkeer-, groen- en verblijfsvoorzieningen. Gelet op het openbare karakter van deze bestemming bevinden zich hier ook openbare voorzieningen en vinden activiteiten als evenementen en markten (standplaatsen voor kramen, stallen en voertuigen voor het aanbieden van goederen of diensten) plaats.

Het groen dat geen onderdeel uitmaakt van de hoofdgroenstructuur volgens het groenstructuurplan van de gemeente Bronckhorst (maar wel een ruimtelijke functie vervult) is bestemd als 'Verkeer'.

Garageboxen zijn tevens onder deze bestemming gebracht door middel van de aanduiding 'garage'. Enkel ter plaatse van deze aanduiding zijn garageboxen toegestaan, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m.

Om na verkoop van zogeheten 'overhoekjes' en openbaar groen door de gemeente aan particulieren, deze delen te kunnen gebruiken als tuin, is in de bestemmingsbeschrijving 'tuinen' opgenomen. Hier gelden geen bouwmogelijkheden anders dan vergunningsvrije bouwwerken.

Om terrassen ten behoeve van horeca-activiteiten in de openbare ruimte mogelijk te maken is voor bepaalde gebieden de aanduiding 'terras' opgenomen. Terrassen zijn uitsluitend daar toegelaten. Omdat deze delen van de bestemming in eigendom zijn van de gemeente, kunnen terrassen daar alleen worden gerealiseerd als de exploitant kan beschikken over deze gronden met toestemming van de gemeente.

Bepaalde (invals)wegen van de kern beschikken over een mooie lanenstructuur. Daar waar een fraaie lanenstructuur aanwezig is, is de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - lanenstructuur' opgenomen teneinde aan te geven dat hier de aanwezige laanstructuur behouden dient te blijven.

2.1.4.1.2 Wonen     

Woningen zijn ondergebracht in de bestemming 'Wonen'. Voor regulering van de woonfunctie kan deels verwezen worden naar paragraaf 4.2.2.

Het hoofdgebouw (de woning, al dan niet met aan- en uitbouwen) kunnen worden gerealiseerd binnen het op de verbeelding aangegeven 'bouwvlak'. Deze bouwvlakken zijn, in tegenstelling tot de voorgaande plannen, niet per hoofdgebouw strak om de bestaande bebouwing getrokken, maar betreffen bouwstroken waarbinnen meerdere woningen liggen.

Bij het bepalen van de bouwvlakken worden de volgende uitgangspunten gehanteerd.

  1. zoveel mogelijk bestaande rechten respecteren, tenzij er ruimtelijk-stedenbouwkundige argumenten zijn om te beperken
  2. geen doublures met de toekomstige regels voor vergunningvrij bouwen
  3. ruimte creëren voor de toekomst
  4. toekomstige afwijkingsprocedures voorkomen
  5. rekening houden met belangen belendende bestemmingen/bebouwing
  6. rekening houden met het algemeen ruimtelijk beeld

De woningen worden als volgt gereguleerd. In beginsel worden aaneengesloten bouwvlakken gehanteerd. Woningen van eenzelfde categorie (vrijstaand, twee-aaneen, aaneengebouwd, gestapeld) die naast elkaar gesitueerd zijn, worden zoveel mogelijk in één bouwvlak geplaatst. Daarbij worden in de regel rechthoekige bouwvlakken gehanteerd. Er kunnen stedenbouwkundige redenen zijn om hier van af te wijken. Voor de situering en grootte van het bouwvlak gelden de volgende uitgangspunten:

woningtype min. afstand zijdelingse perceelgrens voetnoot: De afstand tot de zijdelingse perceelgrens geldt alleen voor 'tussensituaties' en 'eindsituaties', die niet op een hoek liggen, bij 'hoeksituaties' gelden andere uitgangspunten  diepte bouwvlak max. oppervlakte min. afstand achterste perceelgrens
vrijstaand [vrij] 5m (eindsituatie)
3m (tussensituatie)
15m 200m2 8m
twee-aaneen [tae] 3m 12m 150m2 8m
aaneengebouwd [aeg] bestaande bebouwing bestaande maat
met afwijking 10m voetnoot: Bij aaneengebouwde woningen wordt de bestaande maat gehanteerd. Het wordt ook mogelijk om, zoals bij vrijstaand en twee-aaneen, het hoofdgebouw aan de achterzijde uit te breiden middels binnenplanse afwijking. Daarbij kan sprake zijn van de schaduwwerking. Aan deze afwijkingsbevoegdheid worden criteria gesteld ter voorkoming van onevenredige hinder voor omwonenden door schaduwwerking of in verband met privacy. 
- 8m
gestapeld bestaande maat bestaande maat - -

Hoewel er door het hanteren van ruime bouwvlakken fysiek ruimte is voor de bouw van een extra woning, is daarvoor geen planologische ruimte. In de planregels is opgenomen dat het bestaand aantal woningen niet mag worden vermeerderd. Dit vanwege het regionale en gemeentelijke woonbeleid (zie paragraaf 3.4.3). Daar waar op grond van het woonbeleid nog ruimte is voor het realiseren van nieuwe woningen, is op de betreffende locaties de aanduiding 'maximum aantal woningen' opgenomen.

De plaatsing van bijbehorende bouwwerken als aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen is in de planregels verbaal beschreven. Alleen in enkele situaties waar dat op stedenbouwkundige gronden gewenst is, is er een aanduiding 'bijgebouwen' toegepast. Bijbehorende bouwwerken zijn ook binnen het bouwvlak mogelijk. De maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op een bouwperceel is 120 m².

Voor kleinere percelen zouden de bouwmogelijkheden voor hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken kunnen leiden tot een ongewenste dichtheid aan bebouwing. Daarom is er per bouwwijze een maximum bebouwingspercentage van het bouwperceel opgenomen, te weten 30% voor vrijstaande woningen, 40% voor twee-aaneen woningen (halfvrijstaand) en 50% voor aaneengebouwde woningen (rijwoningen).

Binnen de woonfunctie worden onder voorwaarden nevenactiviteiten toegelaten in het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken, die qua functie hieraan ondergeschikt zijn. Deze aan huis verbonden activiteiten bestaan uit een aan huis verbonden beroep, een aan huis verbonden bedrijf, internetverkoop en bed & breakfast. Bij een aan huis verbonden beroep en aan huis verbonden bedrijf is het uitgangspunt dat de activiteiten qua aard, omvang en uitstraling past in een woonomgeving. Bij een bedrijf geldt aanvullend dat deze vermeld moet zijn in de activiteiten in de bijgevoegde Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging. Omdat de functiemengingslijst een algemene lijst is waarnaar in meerdere bestemmingen wordt verwezen, is niet zonder meer iedere in de lijst vermelde activiteit toegelaten. Leidend is dat de activiteit past in de woonomgeving. Verder zijn er enkele kwalitatieve en kwantitatieve voorwaarden gesteld en is detailhandel als hoofdactiviteit niet toegestaan.

Bij internetverkoop gaat het om een vorm van detailhandel dat op essentiële punten afwijkt van de traditionele detailhandel in winkels. Waar die traditionele detailhandel nu in bestemmingsplannen wordt uitgesloten vanwege haar (ruimtelijke) uitstraling en effecten op de omgeving, kan internetverkoop juist vanwege de aard en uitstraling van de activiteiten wel worden toegelaten.

Bij een bed & breakfast-accommodatie geldt dat er maximaal 2 gastenkamers mogen worden gebruikt ten behoeve van bed & breakfast. Door deze bepaling is het mogelijk binnen de grenzen van het bestemmingsplan initiatieven te ontplooien ter bevordering van het toerisme.

Een gedeelte van de woning mag onder voorwaarden als afhankelijke woonruimte worden gebruikt. Daarmee is het mogelijk om ruimten binnen de woning in te richten om een naaste te kunnen verzorgen uit het oogpunt van mantelzorg Een belangrijke voorwaarde is echter wel dat er geen sprake mag zijn van woningsplitsing. Hiervoor zijn geen regels in het bestemmingsplan opgenomen omdat het landelijke Besluit omgevingsrecht (Bor) reeds in voorziet in een vergunningvrije mogelijkheid.

Om het gebruik van gronden uitsluitend voor parkeren te garanderen, is daar waar nodig op de verbeelding en in de regels de functieaanduiding 'parkeerterrein' opgenomen.

2.1.4.1.3 Waarde     

De archeologische waarden worden beschermd door middel van dubbelbestemmingen welke zijn gebaseerd op de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Bronckhorst. Deze artikelen zijn inhoudelijk hetzelfde van opbouw, maar verschillen onderling in archeologische waarden en de regels die daar mee samenhangen. 'Waarde - Archeologie' staat voor gebieden met een bekende zeer hoge of hoge archeologische waarde. 'Waarde - Archeologische verwachting 1' staat voor een hoge verwachtingswaarde. 'Waarde - Archeologische verwachting 2' staat voor een middelhoge verwachtingswaarde. 'Waarde - Archeologische verwachting 3' staat voor een voor een lage verwachtingswaarde.

Ter bescherming van deze waarden zijn bouwregels, gebruiksregels en een omgevingsvergunningstelsel opgenomen met daarbij een onderzoeksverplichting. Het bestemmingsregime is afhankelijk van de aangetoonde waarde en de hoogte van de verwachting. De onderzoeksverplichting vervalt als er reeds onderzoeksgegevens bekend zijn of op andere wijze voldoende informatie beschikbaar is over de aanwezigheid van archeologische waarden. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders, als onderzoeksgegevens daartoe aanleiding geven, de dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk kunnen laten vervallen of deze kunnen omzetten van een verwachtingswaarde naar een aangetoonde waarde.

2.2 Schoolstraat 1 Hoog-Keppel     

2.2.1 Inleiding     

2.2.1.1 Aanleiding     

Het voorliggende plan maakt deel uit van het proces zoals dat in de gemeente Bronckhorst wordt doorlopen bij het opstellen, het in procedure brengen en het vaststellen van bestemmingsplannen. De basis voor dit proces is dat er halfjaarlijks twee bestemmingsplannen in procedure worden gebracht. Eén voor Stedelijk gebied (de kernen) en één voor Landelijk gebied (het buitengebied). In deze zogeheten 'veegplannen' worden nieuwe initiatieven en ambtshalve aanpassingen gebundeld in één bestemmingsplan. Op basis van ontwikkelplannen voor individuele initiatieven wordt een overleg- en inspraakprocedure gevoerd. Daarna worden de individuele ontwikkelplannen samengevoegd tot een veegplan. Het veegplan wordt vanaf de ontwerpfase in procedure gebracht. De individuele initiatieven en ambtshalve aanpassingen door de gemeente vormen elk een planonderdeel van het veegplan.

De initiatiefnemer is voornemens twaalf levensloopbestendige appartementen te realiseren aan de Schoolstraat Hoog-Keppel. Omdat het realiseren van woningen niet mogelijk is binnen het vigerende bestemmingsplan is het noodzakelijk binnenplans af te wijken, zodat wonen en woningen realiseren binnen de huidige bestemming mogelijk wordt.

2.2.1.2 Plangebied     

De projectlocatie ligt aan de Schoolstraat 1 in Hoog-Keppel en staat kadastraal bekend als (kadastrale) gemeente Keppel, sectie C, nummer 1920. Onderstaande figuur toont een figuur met de begrenzing van het plangebied. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

verplicht

Begrenzing plangebied

2.2.1.3 Vigerende planologische situatie     

Ter plaatse van het overgrote deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Stedelijk gebied Bronckhorst" dat is vastgesteld op 31 maart 2016 door de gemeenteraad van Bronckhorst. Onderstaande figuur toont het huidige planologische regime.

verplicht

Planologisch regime

Het plangebied kent de bestemming 'Maatschappelijk' met bouwvlak. In de regels van de bestemming 'Maatschappelijk' is bepaald dat wonen uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wonen' 'bedrijfswoning' of 'gestapeld'. Ter plaatse van de aanduiding 'wonen' is maximaal één woning toegestaan, met uitzondering van hoofdgebouwen waar ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan reeds meerdere woningen niet wederrechtelijk aanwezig zijn. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is maximaal één bedrijfswoning toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' zijn maximaal 22 gestapelde woningen toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal woningen' mag het aantal woningen niet meer bedragen dan aangegeven. Het bestaande aantal woningen mag niet worden vermeerderd.In het huidige beleid is geen van deze aanduidingen aanwezig.

Verder geldt er een archeologische dubbelbestemming voor het gehele plangebied, de voor 'Waarde - Archeologische verwachting 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

2.2.1.4 Leeswijzer     

Hoofdstuk 2 Planonderdelen

Dit hoofdstuk geeft in paragraaf 2.2 Schoolstraat 1 Hoog-Keppel de ruimtelijke onderbouwing van dit specifieke planonderdeel. Het bevat de inleiding van het planonderdeel (paragraaf 2.2.1), de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.4.2) en de uitvoerbaarheid van dit planonderdeel (paragraaf 2.2.3).

Paragraaf 2.2.1 Inleiding

Deze paragraaf bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 2.2.1.1), een beschrijving van het plangebied (paragraaf 2.2.1.2), de vigerende planologische situatie (paragraaf 2.2.1.3) en deze leeswijzer (paragraaf 2.2.1.4).

Paragraaf 2.2.2 Initiatief

In deze paragraaf wordt het initiatief toegelicht. Hierbij wordt ingegaan op de bestaande situatie (paragraaf 2.2.2.1), de randvoorwaarden voor het initiatief (paragraaf 2.2.2.2) en de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.2.2.3).

Paragraaf 2.2.3 Uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Het betreft de toetsing van het beleidskader (paragraaf 2.2.3.1), omgevingsaspecten (paragraaf 2.2.3.2), volkshuisvestelijke aspecten (paragraaf 2.2.3.3), economische aspecten (paragraaf 2.2.3.4), maatschappelijke aspecten (paragraaf 2.2.3.5) en overleg en inspraak (paragraaf 2.2.3.6). Per uitvoerbaarheidsaspect wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is op dat aspect. De laatste paragraaf (2.2.3.7) geeft een eindconclusie over de uitvoerbaarheid van het plan.

Paragraaf 2.2.4 Juridische aspecten planonderdeel

In deze paragraaf wordt een juridische toelichting gegeven op de in dit planonderdeel voorkomende bestemmingen.

Bijlagen bij planonderdeel Schoolstraat 1 Hoog-Keppel

Hierin zijn diverse bijlagen bij de plantoelichting van dit planonderdeel opgenomen.

2.2.2 Initiatief     

2.2.2.1 Bestaande situatie     
2.2.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis     

2.1.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis

Hoog-Keppel is oorspronkelijk ontstaan als brinkdorp op een rivierduin langs de Oude IJssel. De eerste bebouwing heeft plaatsgevonden op de kruising van twee wegen; de Burg. Vrijlandweg en de Burg. van Panhuysbrink, deze wegen zijn ook nog als historische linten herkenbaar. Karakteristiek is de kerk, zowel door de verhoogde ligging als de bouwmassa. De toren dateert uit de twaalfde eeuw en de kerk uit de vijftiende eeuw.

Andere historische bebouwing ligt langs de uitloper van de Burgemeester Vrijlandweg en de Monumentenweg en vormt en de zuidelijke bebouwing langs de Hessenweg. De laatste uitbreiding is tot stand gekomen in de jaren 1960. Nadien zijn slechts incidenteel open gaten ingevuld. Deze ontwikkeling heeft ertoe geleidt dat het huidige Hoog-Keppel hoofdzakelijk uit woonbebouwing bestaat.

verplicht

verplicht

verplicht

Hoog-Keppel omstreeks 1908, 1955 en 1995

2.2.2.1.2 Ruimtelijke structuur     

De eerste bebouwing in Hoog-Keppel is ontstaan rondom de aansluiting tussen de Burg. Vrijlandweg en de Burg. van Panhuysbrink. Hierdoor is er een brink ontstaan. Een uitloper van de Burgemeester Vrijlandweg en de Monumentenweg vormt een bebouwingslint waarvan het historisch karakter herkenbaar is. Dit geldt ook voor de zuidelijke bebouwing langs de Hessenweg.

Traditionele blokverkaveling

Er is enkel een naoorlogse uitbreiding tot stand gekomen in de jaren 1960. Deze woningbouw is de vinden aan de Brinkenhorst, de A.G. Noijweg en aan de Schoolstraat. De bouwvorm bestaat voornamelijk uit vrijstaande woningen en twee-aaneengebouwde woningen.

Individuele woningbouw

De recente uitbreidingen bevinden zich aan de oostzijde van de kern. Deze uitbreiding bestaat hoofdzakelijk uit individuele woningbouw. Het zijn vaak gevarieerde woningen in een of twee bouwlagen met kap op eigen kavels. Het groen overheerst en de architectuur is nauwelijks zichtbaar.

verplicht

Luchtfoto Hoog-Keppel

2.2.2.1.3 Functionele structuur     

Algemeen

Hoog-Keppel heeft voornamelijk een woonfunctie. In de kern zijn enkele dienstverlenende en verzorgende functies gevestigd waaronder een apotheek. Daarnaast kent de kern een aantal recreatieve functies waaronder Tennispark De Drieslag, een therapeutisch zwembad en een openlucht recreatiezwembad. Ten noordoosten van de kern ligt de Keppelse golfclub (buiten het plangebied).

Verkeersstructuur

De ontsluitingsweg van Hoog-Keppel op een wat groter schaalniveau is de Rijksweg (N317), welke op geringe afstand ten zuiden van de kern is gelegen. Belangrijke ontsluitingswegen binnen de kern zelf zorgen voor een lokale ontsluiting in vijf richtingen. In noordelijke richting door de Prinsenweg; in oostelijke richting door de A.G. Noijweg; in zuidoostelijke richting door de Monumentenweg; in zuidelijke richting door de Burg. Vrijlandweg en in noordwestelijke richting door de Dubbeltjesweg. De Monumentenweg heeft een ontsluitende functie, de overige wegen hebben een verblijfsfunctie. Op de navolgende afbeelding is de hoofdwegenstructuur weergegeven.

verplicht Hoofdwegenstructuur Hoog-Keppel

Groenstructuur

Hoog-Keppel wordt gekenmerkt door groene voortuinen en weinig laanbeplanting. In het straatbeeld zijn ook enkele kleine groenstroken te vinden tussen de weg en de voortuinen van de woningen. De woningen aan de randen van het dorp hebben vrij uitzicht op het landschap. Bij de kerk is een parkje gelegen met speeltoestellen. Door de geringe bebouwingsdichtheid en de aanwezige laanbeplanting is Hoog-Keppel een dorp met een groene structuur. Aan de rand van de kern zijn recreatieve voorzieningen te vinden. Verder bestaat de omgeving van het dorp uit weilanden en akkers die worden begrenst door bossen.

verplicht

Groenstructuur Hoog-Keppel

2.2.2.2 Randvoorwaarden     
2.2.2.2.1 Stedenbouwkundige eisen     

Het plangebied aan de Schoolstraat behoort tot het gebiedstype 'nieuwe stads- en dorpsgebieden'. In de welstandsnota van de gemeente Bronckhorst zijn onder andere de volgende stedenbouwkundige randvoorwaarden voor dit gebied opgenomen:

  • Bij (vervangende) nieuwbouw is de positie en de oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend.
  • Nieuwbouw sluit aan bij de ritmiek en het gevelbeeld van de bestaande bebouwing in de omgeving.
  • De panden zijn met de voorgevel georiënteerd op de openbare ruimte.
  • De bestaande schaal van de bebouwing in de omgeving is het uitgangspunt bij uitbreiding en vervanging van de bebouwing.
  • Het aantal bouwlagen en de kapvorm zijn afgestemd op de bouwhoogte en de bouwmassa van de belendende bebouwing.
  • Bij- en aanbouwen blijven duidelijk ondergeschikt aan de hoofdmassa. Bij aanpassingen blijft de hoofdvorm herkenbaar.
  • De bestaande kaprichting en kapvorm zijn richtinggevend.

Voor dit initiatief zijn voorgaande stedenbouwkundige randvoorwaarden uit de welstandsnota doorvertaald in een schetsontwerp. Dit schetsontwerp wordt toegelicht in paragraaf 2.2.2.3.

2.2.2.2.2 Beeldkwaliteitseisen     

In navolging van de stedenbouwkundige randvoorwaarden zijn in de welstandsnota ook criteria opgenomen voor de beeldkwaliteitseisen van individuele bebouwing. In het vervolg van voorliggend initiatief zal op basis van situatietekening een concreet bouwplan voor de twaalf appartementen worden ontwikkeld waarbij de beeldkwaliteitseisen van het welstandsbeleid in acht worden genomen. Het Gelders Genootschap zal het bouwplan in het kader van omgevingsvergunningaanvraag voor het bouwen beoordelen op basis van de criteria uit de welstandsnota.

Onderstaande figuur toont een impressie van de woningontwerpen. De woningen passen naar schaal en uiterlijk bij het dorpse karakter van Hoog-Keppel.

verplicht

Impressie toekomstige appartementencomplex

2.2.2.2.3 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing     

Het plangebied wordt ruimtelijk en landschappelijk ingepast op basis van de gemeentelijke stedenbouwkundige criteria zoals opgenomen in subparagraaf 2.2.2.2.1. Daarvoor is een situatietekening gemaakt. In navolgende paragraaf 2.2.2.3 wordt het schetsontwerp toegelicht.

Ten behoeve van de ruimtelijke inpassing wordt gepoogd de groene structuren zo veel mogelijk te behouden. Daarnaast is de initiatiefnemer voornemens de beeldbepalende bomen te behouden en te zorgen voor voldoende groen.

2.2.2.3 Planbeschrijving     

De initiatiefnemer is voornemens het voormalige schoolgebouw te slopen en hiervoor in de plaats één complex met daarin twaalf levensloopbestendige appartementen te realiseren in de bebouwde kom van de kern van Hoog-Keppel.Ook worden bijbehorende voorzieningen zoals parkeerplaatsen gerealiseerd en wordt er infrastructuur aangelegd. Er is ruimte voor voldoende groen en er wordt ingezet op duurzame bouw. Door bebouwing toe te voegen binnen het plangebied wordt een open plek in een woonwijk op logische wijze opgevuld.

Om dit plan doorgang te laten vinden is het nodig af te wijken van het vigerende beleid. Het plangebied kent reeds de bestemming 'Maatschappelijk' met bouwvlak. Wonen is toegestaan, mits hier een aanduiding voor aanwezig is. Dit is in het vigerende beleid niet het geval. Als de bestemming wordt gewijzigd naar 'Wonen' is wonen wel toegestaan en zouden de twaalf appartementen gerealiseerd kunnen worden. Voorliggend plan voorziet in de herziening van het bestemmingsplan om deze wijziging door te voeren.

2.2.3 Uitvoerbaarheid     

2.2.3.1 Toetsing aan beleidskader     

In het rijks- en provinciale beleid, waaronder de omgevingsverordening Gelderland, zijn geen specifieke beleidsuitgangspunen en/of regels opgenomen ter plaatse van het plangebied. De ruimtelijke impact van het plan is daarnaast beperkt. Het rijks- en provinciale beleid staat voorliggend initiatief niet in de weg.

De gemeente Bronckhorst geeft in de Woonvisie 2019 - 2025 (zie ook 3.4.3) aan dat de woningvoorraad beperkt en gericht uitgebreid kan worden met woningen die aansluiten bij de concrete en aantoonbare behoefte. Deze behoefte bestaat uit starterswoningen en grondgebonden koopwoningen voor senioren. De woningen uit voorliggend plan betreffen levensloopbestendige appartementen voor vijftigplussers. Daarnaast worden de woningen duurzaam gerealiseerd. Het initiatief sluit daarmee aan op de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwbehoefte binnen de gemeente.

De gemeente Bronckhorst heeft haar beleid voor parkeren vastgesteld in de 'beleidsregels 'Parkeernormen Gemeente Bronckhorst' (zie ook 3.4.16). Uitgangspunt is dat parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Het plan voorziet in de realisatie van twaalf appartementen, hiervoor dienen parkeerplaatsen te worden aangelegd. Voor een woning (koop, appartement, midden) geldt een parkeernorm van gemiddeld 1,9. De ontwikkeling heeft daarmee een parkeervraag van (12 * 1,9 =) 22,8 parkeerplaatsen. Het initiatief voorziet in de realisatie van voldoende parkeerplaatsen en voldoet daarmee aan het beleid.

Gesteld wordt dat het initiatief past binnen het beleidskader zoals genoemd in Hoofdstuk 3 Beleidskader.

2.2.3.2 Omgevingsaspecten     

2.2.3.2.1 Milieu-effectrapportage     

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt.

Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij projecten die kleiner zijn dan de drempelwaarden uit lijst C en D beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook deze projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is.

Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. Voor deze toets wordt ook wel de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.

Op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. weer gewijzigd. Bij deze wijziging is een nieuwe procedure opgenomen voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.- beoordeling aan de orde is, moet:

  • Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld.
  • Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden.
  • De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen.

Beoordeling

In het kader van voorliggend plan is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. In de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling is aangetoond dat het planvoornemen geen significant nadelige effecten heeft voor het milieu. De aanmeldnotitie wordt ter beoordeling voorgelegd aan het bevoegd gezag, de gemeente Bronckhorst. Gesteld wordt dat het initiatief geen nadelige effecten heeft voor het milieu. De m.e.r. kan later nog aangevuld worden op basis van het nadere ecologische onderzoek.

Conclusie

Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.

 

2.2.3.2.2 Duurzaamheid     

Het aspect duurzaamheid wordt in het plan geïncorporeerd door in te zetten op duurzame bouw. Doordat gebruik wordt gemaakt van een inbreidingslocatie is er sprake van duurzaam ruimtegebruik. Daarnaast worden de woningen gasloos gerealiseerd. In het kader van toekomstbestendigheid wordt daarnaast geïnvesteerd in de aanleg van groen door middel van vergroening van de buitenruimte. Het toevoegen van groen zorgt voor een verkoelend effect tijdens warme dagen en komt het woon- en leefklimaat ten goede. Gesteld wordt dat het initiatief daarmee in lijn is met het beleid van de gemeente Bronckhorst, het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

2.2.3.2.3 Bodem     

In het kader van de beoogde realisatie van gevoelige objecten, de woningen, dient te worden onderzocht of de bodem geschikt is voor de uitoefening van deze functie.

Onderzoek

In opdracht van de initiatiefnemer is een bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied aan de Schoolstraat 1 in Hoog-Keppel. De aanleiding voor het onderzoek was de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herontwikkeling van de locatie. De rapportage behorende bij het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 11.

Het doel van het onderzoek was het bepalen van de bodemkwaliteit op de locatie en daarmee mogelijke

verontreinigingen in grond en grondwater te signaleren welke mogelijk consequenties zouden kunnen hebben voor de geplande planologische procedure, aanvraag omgevingsvergunning en de geplande herontwikkeling van de locatie.

De bodemopbouw van de onderzoekslocatie betreft matig grof en matig tot sterk siltig zand, waarbij de bovengrond plaatselijk zwak tot matig humeus is. In de ondergrond zijn plaatselijk humeuze bodemlagen aanwezig, evenals lagen veen en zandige leem. In de bodem zijn plaatselijk sporen roest, sporen grind of laagjes veen aangetroffen. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. Op het maaiveld en in de opgeboorde grond zijn op indicatieve wijze geen asbestverdachte materialen waargenomen.

Ten aanzien van de onderzoekslocatie wordt de hypothese ‘onverdachte locatie’ op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek niet geheel bevestigd. In de bovengrond liggen de aangetoonde gehaltes PCB en PAK boven de achtergrondwaarde, in de ondergrond bestaande uit veen is een gehalte kobalt boven de achtergrondwaarde aangetoond. Het grondwater bevat licht verhoogde concentraties barium en zink. De indicatie van de te verwachten bodemkwaliteitsklasse betreft voor de boven- en ondergrond ‘AW’ (overal toepasbaar).

De Omgevingsdienst heeft het onderzoek beoordeeld en gesteld dat er aanvullend bodemonderzoek gedaan moet worden met betrekking tot een tank in de bodem die een potentiële verontreiniging teweeg heeft gebracht.

Conclusie

Voordat de omgevingsvergunning verleend kan worden, zal eerst aanvullend bodemonderzoek gedaan moeten worden. Dit is opgenomen als voorwaardelijke verplichting in artikel 6.4.2 van de bij dit bestemmingsplan horende regels.

2.2.3.2.4 Geluid     

Als een gemeentebestuur via het bestemmingsplan de bouw van geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk maakt, is er sprake van een ‘nieuwe situatie’ in de zin van de Wet geluidhinder. Indien een geluidsgevoelige bestemming, zoals een woning die binnen de geluidszone van een weg wordt geprojecteerd, moet een akoestisch onderzoek uitgevoerd worden naar de geluidsbelasting afkomstig van die weg. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek verricht welke is bijgevoegd als Bijlage 12.

Onderzoek

Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Voor de Monumentenweg kan vanwege het ontbreken van een zone formeel geen hogere waarde worden vastgesteld. Voor de appartementen dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd.

Conclusie

Bij het aanvragen van de omgevingsvergunning bouwen is het aanleveren van het nadere onderzoek naar vijf van de twaalf appartementen noodzakelijk om een goed woon- en leefklimaat te garanderen.

2.2.3.2.5 Luchtkwaliteit     

De Europese Unie wil dat de lucht overal schoon genoeg is om de gezondheid van de mensen zo goed mogelijk te beschermen. Daarom heeft de Europese Unie normen gesteld voor de concentraties van vervuilende stoffen in de lucht. Luchtverontreiniging is afkomstig van verschillende bronnen. Denk bijvoorbeeld aan het gemotoriseerde verkeer, industriële en agrarische inrichtingen en achtergrondconcentraties van verontreinigende stoffen.

De Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit zijn in Nederland uitgewerkt in de volgende wet- en regelgeving:

  1. Wet milieubeheer
  2. Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007
  3. NIBM
  4. Besluit gevoelige bestemmingen

Wet milieubeheer

In de Wet milieubeheer (Wm) is hoofdstuk 5 (titel 5.2) de landelijke wetgeving voor luchtkwaliteit weergegeven. In bijlage 2 van deze titel zijn de grenswaarden aangegeven waaraan moet worden voldaan voor wat betreft de luchtkwaliteit. In artikel 5.16 is de toets voor de luchtkwaliteit weergegeven. In dat artikel is bepaald dat ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling het volgende moet worden getoetst in het kader van luchtkwaliteit:

  • dat de ontwikkeling niet leidt tot het overschrijden of het waarschijnlijk overschrijden van de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wm, en;
  • dat de ontwikkeling per saldo niet zorgt voor een verslechtering van de luchtkwaliteit, en;
  • dat de ontwikkeling alleen 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan een toename van de luchtverontreiniging, en;
  • dat de ontwikkeling niet in strijd is met een vastgesteld programma (het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen).


Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007

De regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 bevat voorschriften voor het meten en berekenen van de concentratie, en depositie, van luchtverontreinigende stoffen. De regeling legt onder andere de standaardrekenmethoden vast waarmee de gevolgen van ruimtelijke plannen voor de luchtkwaliteit worden berekend. Veel regels uit de Rbl volgen uit de Europese richtlijn voor luchtkwaliteit uit 2008.


Toetsing aan de grenswaarden is niet op alle plekken nodig. De twee criteria zijn:

  1. Kunnen op die plek mensen komen (toepasbaarheidsbeginsel)?
  2. Hoe lang worden hoeveel mensen op die plek blootgesteld (blootstellingscriterium)?

Ook als een project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeft geen toets plaats te vinden aan de grenswaarden luchtkwaliteit.

Niet in betekenende mate bijdragen

De toets aan het besluit 'Niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) heeft betrekking op projecten of activiteiten waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Leidt een project tot een toename voor NO2 en PM10 die lager is dan de NIBM-grens, dan is het toetsen van het project aan de grenswaarden luchtkwaliteit niet nodig en kan het project zonder verdere maatregelen doorgaan. Wel moet het project nog voldoen aan het Besluit gevoelige bestemmingen en er moet sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. De uitvoeringsregels voor NIBM staan in de algemene maatregel van bestuur (AMVB) 'Niet in betekenende mate bijdragen' en de Regeling 'Niet in betekenende mate bijdragen'. In bijlage 5 van de Regeling NIBM zijn vier gebieden opgenomen waarop de Regeling NIBM niet van toepassing is omdat daar structureel een hoge waarde heerst. Dit zijn delen van de gemeenten Asten, Nederweert, Deurne en Barneveld.

Volgens het Besluit NIBM is sprake van een NIBM-project als het project of de activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Of een project een NIBM-project betreft, kan op twee manieren worden bepaald. Het project kan getoetst worden aan de categorieën van gevallen die zijn vastgesteld, of er kan een berekening plaatsvinden:

In regeling NIBM zijn de volgende getalsmatige categorieën van gevallen vastgesteld, om te bepalen of sprake is van een NIBM-project:

Woningbouwlocaties; 3% criterium ligt bij:

  • 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg
  • 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling

De berekening of de activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijnstof en stikstofdioxide kan ook worden uitgevoerd als een project de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM overschrijdt. Het is dan mogelijk om alsnog via berekeningen aannemelijk te maken dat de 3% grens niet wordt overschreden. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn.

Besluit gevoelige bestemmingen

Naast de luchtverontreiniging die door het project zelf wordt veroorzaakt, waarbij het criterium 'Niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) een rol speelt, gaat het om de luchtkwaliteit van het gebied zelf. Er moet worden uitgesloten dat men niet wordt blootgesteld aan een slechte luchtkwaliteit in de toekomst. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen' is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.


Het Besluit gevoelige bestemmingen beperkt substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg. De zone wordt gemeten vanaf de rand van de weg. Voorgaande is enkel toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. Het totaal aantal mensen dat behoort bij een gevoelige bestemming mag niet toenemen als de grenswaarden voor PM10, PM2,5 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. Bij uitbreiding van bestaande gevoelige bestemmingen mag het totale aantal blootgestelden eenmalig met maximaal 10% toenemen. Is de dreigende normoverschrijding niet aan de orde, dan is er geen bouwverbod voor gevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszones.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt plaats volgens bepalingen in de Wet milieubeheer (Wm). De basis voor de luchtkwaliteitstoets staat in titel 2 van hoofdstuk 5 Wm. De luchtkwaliteitseisen zelf staan in bijlage 2 van de Wm. Zoals aangegeven zijn in Nederland alleen stikstofoxide en fijn stof (PM10 en PM2,5) relevant voor de beoordeling van de luchtkwaliteit.

Stikstofdioxide (NO2)

De WHO heeft per september 2021 een nieuwe advieswaarde van 10 microgram per kuub gedefinieerd. De wettelijke jaargemiddelde concentratie ligt met 40 microgram per kuub daar aanzienlijk boven.

 

Fijn stof (PM10)

Fijn stof draagt volgens de huidige inzichten bij aan ruim 75% van alle ziektelast van milieufactoren. Daarnaast is van fijn stof bekend dat er ook significant schadelijke effecten zijn op de gezondheid beneden de wettelijke grenswaarde van 40 microgram per kuub. De WHO heeft per september 2021 een nieuwe scherpe advieswaarde van 15 microgram per kuub gedefinieerd (eerder gold 20).

Fijner stof (PM2,5)

Fijner stof (PM2,5) is een nog belangrijkere schadelijke component van fijn stof. De WHO hanteerde een advieswaarde van 10 microgram per m³ maar heeft deze nu bijgesteld naar 5 microgram per kuub. De wettelijke jaargemiddelde concentratie ligt met 25 microgram per kuub daar aanzienlijk boven.

De volgende grenswaarden voor deze stoffen zijn derhalve gesteld:

Stof Soort norm Concentratie Status
NO2 Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ Grenswaarde
NO2 Uurgemiddelde (max max. 18 keer per jaar worden overschreden) 200 µg/m³* Grenswaarde
NO2 Jaargemiddelde 10 µg/m³ WHO advieswaarde
PM10 Jaargemiddelde 40 µg/m³ Grenswaarde
PM10 Jaargemiddelde 15 µg/m³ WHO advieswaarde
PM10 Daggemiddelde 50 µg/m³31,3 µg/m³ (jaargemiddeld)** Grenswaarde
PM2,5 Jaargemiddelde 25 µg/m³ Grenswaarde
PM2,5 Jaargemiddelde 20 µg/m³ Indicatieve grenswaarde (EU)
PM2,5 Jaargemiddelde 5 µg/m³ WHO advieswaarde

* Van toepassing voor wegen waarvan tenminste 40.000 motorvoertuigen per etmaal gebruik maken.

** De daggemiddelde grenswaarde is voor PM10 belangrijker dan de jaargemiddelde norm van 40 µg/m³. De daggemiddelde norm komt namelijk neer op 31,3 µg/m³ jaargemiddeld.

Conclusie

Onderhavig plan komt niet in de buurt van de grenswaarde van 1500 woningen, er worden slechts twaalf appartementen gebouwd. Het plan draagt daarom 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. De Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 is niet van toepassing omdat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Daarnaast moet worden uitgesloten dat de luchtkwaliteit geen negatieve invloed heeft op de toekomstige bewoners. Op de RIVM website https://data.rivm.nl/apps/gcn/ kunnen voor het gebied rondom Hoog-Keppel de jaargemiddelde concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 worden afgelezen voor de jaren 2022 en 2030:

Stof Concentratie in 2022 Concentratie in 2030
Stikstofoxide 10-15 microgram/m3 <10 microgram/m3
Fijn stof (PM10) 14-16 microgram/m3 <14 microgram/m3
Fijn stof (PM2,5) 8-10 microgram/m³ 6-8 microgram/m³

Geconcludeerd kan dan ook worden dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de voor alle stoffen geldende grenswaarden. Op basis hiervan kan worden gesteld dat het plan voldoet aan de eisen die worden gesteld in de Wet milieubeheer ten aanzien van luchtkwaliteit.

Ten aanzien van de effecten van het project voor de luchtkwaliteit, als ten aanzien van de effecten van de luchtkwaliteit op het woon- en leefklimaat, voldoet het project ruimschoots aan de Nederlandse en Europese regelgeving in dit kader.

2.2.3.2.6 Geur     

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader s als volgt:

  • voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object;
  • voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand voor veehouderijen ten opzichte van geurgevoelige objecten.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object (zoals een woning) in vier situaties, deze zijn weergegeven in de volgende tabel.

binnen bebouwde kom buiten bebouwde kom
concentratiegebieden 3,0 (in ou/m3) 14,0 (in ou/m3
niet concentratiegebieden 2,0 (in ou/m3) 8,0 (in ou/m3)

Geurnormen Wet geurhinder en veehouderij

Voor veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld geldt op grond van artikel 4 van de wet een minimumafstand ten opzichte van een geurgevoelig object. Binnen de bebouwde kom is deze minimumafstand 100 meter en daarbuiten 50 meter. Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar gelden ook deze minimumafstanden.

Verder moet op grond van artikel 5 van de Wgv een minimale afstand tussen de gevel van een geurgevoelig object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden. Deze afstand bedraagt ten minste 50 m voor objecten binnen de bebouwde kom en ten minste 25 m voor objecten buiten de bebouwde kom.

Beoordeling

In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven gevestigd met een geurcontour die raakt aan het woongebied. Ten aanzien van de aanwezige bedrijven gelden de richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Op basis van deze systematiek wordt ook rekening gehouden met geurhinder.

Conclusie

Zoals aangetoond wordt aan de richtafstanden voldaan. Zodoende is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

2.2.3.2.7 Bedrijven en milieuzonering     

Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'.

VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering”

Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode).

De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering (waaronder een onderzoek naar de feitelijke milieubelastende activiteiten) kan hiervan worden afgeweken.

Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhindergevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.).

Tabel 4.1: Richtafstanden en omgevingstype

verplicht

Beoordeling

Type gebied: rustige woonwijk

Hoog-Keppel bestaat vooral uit een woonbestemming. Gelet op deze definitie uit de VNG brochure kan de omgeving van de Schoolstraat getypeerd worden als een 'rustige woonwijk'. Dergelijke gebieden kunnen niet worden gekenmerkt als gemengd gebied. De richtafstanden kunnen derhalve niet met één stap worden verkleind.

Milieubelastende activiteit of milieuhindergevoelige functie

De te realiseren woningen betreffen geen milieubelastende activiteiten. Er hoeft derhalve niet te worden getoetst of omliggende milieugevoelige functies last ondervinden van de woningen als milieubelastende activiteit. Er dient wel te worden beoordeeld of ter plaatse van de woningen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat' en of omliggende milieubelastende functies in de bedrijfsvoering worden belemmerd.

Nabijgelegen milieubelastende activiteiten

Om te kunnen beoordelen of in het plangebied ter plaatse van de te realiseren woningen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat' en of omliggende milieubelastende functies in de bedrijfsvoering worden belemmerd zijn hieronder in tabel 4.2 de relevante nabijgelegen milieubelastende activiteiten weergegeven.

Tabel 4.2: richtafstanden activiteiten in de omgeving

Adres Omschrijving cf. systematiek VNG-richtlijn Richtafstand (m) Werk. afstand (m) Milieu bepalend aspect
Monumentenweg 30 Sporthal 50 195 Geluid
Monumentenweg 32 Zwembad: niet overdekt 200 225 Geluid
Monumentenweg 34 Zwembad: overdekt 50 220 Geluid
Hessenweg 8 Veldsportcomplex (met verlichting) 50 68 Geluid

De afstanden zijn gemeten vanaf de grens van het bouwvlak van het bedrijf tot aan de woningen in onderhavig plangebied. In de tabel zijn ook de afstanden voor geur opgenomen. Voor geur is echter niet de VNG-publicatie leidend maar de Wet geurhinder en veehouderij welke in de volgende paragraaf is beoordeeld. Voor de overige milieuaspecten worden de richtafstanden niet overschreden.

Conclusie

In het kader van bedrijven en milieuzonering worden geen richtafstanden overschreden. Het aspect milieuzonering zorgt niet voor een belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.

2.2.3.2.8 Externe veiligheid     

Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een lpg-tankstation, en de mobiele bronnen, zoals een tankwagen. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de aanwezigheid van stationaire en mobiele bronnen in het plangebied.

Stationaire bronnen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken of lpg-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij kwetsbare objecten zoals bijvoorbeeld huizen, ziekenhuizen of scholen. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is - op enkele onderdelen na - op 27 oktober 2004 in werking getreden.

Bij het zwembad aan de Monumentenweg 32 bevindt zich een opslagtank voor de opslag van natriumhypochloriet (=chloorbleekloog). Hoewel dit in het kader van Bevi geen risicovolle inrichting is, zijn aan de opslag en handling van chloorbleekloog wel gevaarsaspecten verbonden. Volgens de Leidraad Risico-Inventarisatie gevaarlijke stoffen is sprake van een potentieel risicovolle inrichting. Het invloedsgebied 1% letaal ligt volgens de Leidraad op 60 meter vanaf de opslag voor chloorbleekloog. Dit gebied ligt (nagenoeg) volledig op het terrein van het zwembad en valt niet over het plangebied. Binnen een straal van 580 meter rondom de opslag kunnen mensen gewond worden door chloorgassen. Het plangebied ligt in dit effectgebied; dit heeft echter geen consequenties voor het plan.

Mobiele bronnen

Wegen

In de Nota Vervoer gevaarlijke stoffen (2005) wordt een Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen aangekondigd, dat naar verwachting in 2013 wordt voorzien van een wettelijke basis. Op dit moment wordt het beleidskader nog gevormd door de circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen en de Nota Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen. De circulaire is een operationalisering en verduidelijking van het beleid uit de nota. Op basis van deze beleidsstukken gelden normen voor het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Het PR is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer van gevaarlijke stoffen. Wat betreft het PR geldt ten opzichte van woningen (kwetsbare objecten) een grenswaarde van 10-6 per jaar. Het GR is de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute.

Het GR geeft de aandachtspunten op een transportroute aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarmee rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de transportroute. Wat betreft het GR is de oriëntatiewaarde bij het vervoer van gevaarlijke stoffen per transportsegment gemeten per kilometer per jaar:

10-4 voor een ongeval met ten minste 10 dodelijke slachtoffers;

10-6 voor een ongeval met ten minste 100 dodelijke slachtoffers;

10-8 voor een ongeval met ten minste 1.000 dodelijke slachtoffers.

Er zijn er geen relevante spoorlijnen en wegen aanwezig rondom en in het plangebied. Dit aspect is dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.

Buisleidingen

Voor ruimtelijke plannen waarin hogedrukaardgasleidingen met een externe veiligheidscontour zijn opgenomen of plannen voor gebieden in de omgeving van hogedrukaardgasleidingen is sinds 1 januari 2011 het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van dit besluit dienen plannen te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Deze kans mag volgens het Bevb 10-6 zijn, dat wil zeggen de kans op een dodelijk slachtoffer door een ongeval met gevaarlijke stof mag maximaal één op de miljoen per jaar zijn. Deze PR wordt weergegeven met een risicocontour rondom de aardgasleiding. Binnen deze risicocontour mogen geen kwetsbare objecten (woning, ziekenhuis, recreatieterrein, school en andere gebouwen waar grote aantallen personen een groot deel van de dag aanwezig zijn) worden gerealiseerd. Van deze richtwaarde kan gemotiveerd worden afgeweken indien sprake is van een bijzonder planologisch, economisch of maatschappelijk belang.

Het GR voor buisleidingen is gedefinieerd als de kans per jaar en per kilometer transportleiding dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportleiding in een keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval met die transportleiding. Het GR kan worden uitgedrukt in een logaritmische grafiek, de FN-curve. Voor de toetsing van het GR geldt geen wettelijke norm, maar een oriënterende waarde. Met het GR wordt invulling gegeven aan het idee dat niet alleen de kans op een ongeval een rol speelt bij de beoordeling van risico's (deze wordt uitgedrukt door het PR), maar ook de effecten en eventuele maatschappij ontwrichtende gevolgen daarvan. Voor het GR geldt een verantwoordingsplicht indien er kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied van de buisleiding liggen. In het geval van buisleidingen is dat het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het GR van de buisleiding tot de grens waarbinnen de letaliteit van die personen 1% is.

De beoogde woningen liggen niet binnen de 10-6 contour (plaatsgebondenrisico) van de dichtstbijzijnde buisleiding. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het groepsrisico niet zal toenemen.

Conclusie

Voorliggend plan maakt nieuwe kwetsbare objecten, de appartementen, mogelijk. Omdat de woningen niet binnen de invloedssfeer van (spoor)wegen en gevaarlijke inrichtingen ligt, vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

2.2.3.2.9 Water     

Om het aspect water te toetsen is de digitale watertoets uitgevoerd. De uitkomst van de watertoets is bijgevoegd als Bijlage 13. Het plangebied ligt deels in Buitenbeschermingszone 1 van de primaire kering, welke ter hoogte van de N317 ligt. Het plangebied ligt ver genoeg van de kering om geen directe invloed hierop te hebben bij een ontwikkeling aan maaiveld zoals hier beoogd. De verandering met betrekking tot de afvoer van afvalwater is beperkt aangezien de school al aangesloten was op het bestaande riool.Deze leidingen kunnen voor de beoogde ontwikkeling ook worden gebruikt. De omgang met hemelwater is anders dan voorheen, omdat het plan voorziet in een toename van verharding. Het gaat in dit geval om een plan met een relatieve kleine oppervlakte, waarbij twee situaties van belang zijn. De eerste situatie betreft de wijziging van onverhard naar verhard (het gedeelte weg naar parkeerterrein en parkeerterrein in het noorden van plan). Hiervoor geldt een bergingsnorm van 80 mm. De tweede situatie betreft de wijziging van verhard naar verhard (het appartementencomplex in plaats van de school). Hiervoor geldt een bergingsnorm van 20 mm. Het Waterschap Rijn en IJssel heeft aangegeven dat de beoogde ontwikkeling zonder al te grote problemen gerealiseerd kan worden, omdat er rond de parkeerplaats een aardige strook grond overblijft die onverhard is. Gezien het regenwater van de vuilwaterriolering wordt afgekoppeld worden geen problemen bij de DWA-afvoer voorzien.

Ten behoeve van de waterhuishouding is een waterhuishoudkundige analyse uitgevoerd. Het gehele rapport is te vinden in Bijlage 14. Gezien de resultaten van onderhavige analyse worden er met de voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied geen negatieve gevolgen verwacht voor de waterhuishouding ter plaatse.  

2.2.3.2.10 Klimaat     

Algemeen

Omdat het Nederlandse klimaat aan verandering onderhevig is, is het van belang dat bij ruimtelijke ontwikkelingen het aspect klimaatadaptatie wordt meegenomen. Relevante onderwerpen hierin zijn waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Hierin heeft het aspect klimaatadaptatie belangrijke raakvlakken met het aspect water.

Onderzoek

Ter beoordeling van het aspect klimaatadaptatie is de klimaateffectatlas geraadpleegd. Per deelaspect is een beoordeling van mogelijke risico's gemaakt en zijn oplossingen beschreven.

Waterveiligheid

Onderstaande figuur toont een uitsnede van de 'Maximale waterdiepte bij een overstroming' kaart. Uit de kaart volgt dat ter plaatse van het plangebied geen noemenswaardige overstroming plaats zal vinden. Geconcludeerd wordt dat waterveiligheid geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

verplicht verplicht

Kaartuitsnede waterveiligheid

Wateroverlast

Onderstaande figuur toont een uitsnede van de 'Water op straat na extreme regenbui' kaart. Uit de kaart volgt dat ter plaatse van het plangebied geen noemenswaardige wateraccumulatie plaats zal vinden. Bovendien blijft ten behoeve van waterberging een groene strook behouden waarin water kan infiltreren. Deze ontwikkelingen zijn beschreven in 2.2.3.2.9. Geconcludeerd wordt dat wateroverlast geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

verplicht verplicht

Kaartuitsnede wateroverlast

Droogte

Onderstaande figuur toont een uitsnede van de 'Waterbergend vermogen ondergrond' kaart. Uit de kaart volgt het waterbergend vermogen van de ondergrond ter plaatse van het plangebied vrij groot is. Het gebruik van de gronden ten behoeve van de bestemming 'Maatschappelijk' betreft geen gebruik dat in beperkte mate afhankelijk is van droogte. Doordat hemelwater binnen het plangebied verwerkt wordt, wordt het grondwater aangevuld in natte perioden. In perioden van droogte zal het tekort aan grondwater daarom gering zijn. Geconcludeerd wordt dat droogte geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

verplicht verplicht

Kaartuitsnede droogte

Hitte

Onderstaande figuur toont een uitsnede van de 'Gevoelstemperatuur tijdens een zomerse dag' kaart. Uit de kaart volgt de temperatuur op een dergelijke dag, in de bestaande situatie, circa 40 graden zal zijn. Dit is vergelijkbaar met de te verwachten temperatuur in omliggende tuinen van bestaande woningen. Ter plaatse van bomen is de verwachte temperatuur lager. De beoogde groene inrichting van het plangebied biedt ten tijde van hitte verkoeling. Geconcludeerd wordt dat hitte geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

verplicht verplicht

Kaartuitsnede hitte

Conclusie

Het aspect klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

2.2.3.2.11 Archeologie en cultuurhistorie     

Archeologie

Met het voornemen tot woningontwikkeling is er in 2022 een bureauonderzoek en verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd in het plangebied, dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 15. De boorstaten zijn bijgevoegd als Bijlage 16.

Conform het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' geldt voor het plangebied de archeologische verwachtingswaarde 'Archeologische verwachting 1'. Voor deze gronden geldt dat voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 250 m2 een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Met voorliggend plan wordt deze drempelwaarde overschreden.

Gesteld wordt dat het, gelet op de reeds uitgevoerde archeologische onderzoeken zeer onwaarschijnlijk is dat de met de beoogde ontwikkeling gemoeide werkzaamheden zullen leiden tot de ontdekking of verstoring van archeologisch waardevolle vondsten. Het plangebied is reeds uitgebreid onderzocht. De met de ontwikkkeling van de woningen gepaarde roering van de ondergrond zal niet leiden tot een aantasting van archeologische waarden. Vanwege het ontbreken van intacte bodems worden er geen intacte behoudenswaardige archeologische vindplaatsen meer verwacht in het plangebied. Vervolgonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De Omgevingsdienst Apeldoorn heeft dit beaamd in hun beoordeling.

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.

Cultuurhistorie

Binnen het plangebied zijn geen (rijks)monumenten gelegen. Gesteld wordt dat het initiatief geen afbreuk doet aan het aspect cultuurhistorie.

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van voorliggend plan.

2.2.3.2.12 Flora en fauna     

Algemeen

In het kader van de Wet natuurbescherming moet worden onderzocht of het initiatief geen significant negatieve effecten heeft voor plaatselijk mogelijke aanwezige flora en fauna. Derhalve is een Quickscan Ecologisch Onderzoek uitgevoerd, de bijbehorende rapportage is bijgevoegd als Bijlage 17.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent. Een negatief effect van stikstof op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, is op basis van het uitgevoerde onderzoek uitgesloten. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.

Stikstofdepositie

De huidige wetgeving inzake stikstofdepositie in relatie tot het behoud van Natura 2000-gebieden bestaat uit de Wet Natuurbescherming, Wet stikstofreductie en natuurverbetering, Besluit natuurbescherming, Spoedwet Aanpak Stikstof, jurisprudentie, provinciale beleidsregels en de tussentijds uitgebrachte beslisboom van het BZK. De Aerius berekening wordt altijd uitgevoerd aan de hand van de Aerius handleidingen, de bijbehorende factsheets en de 'instructie gegevensinvoer voor AERIUS-calculator 2019A' van Bij12. Voor de input van materieel wordt het TNO-rapport 2020 R11528 “Onderbouwing AERIUS emissiefactoren voor wegverkeer, mobiele werktuigen, binnenvaart en zeevaart” met bijbehorende spreadsheet “TNO-getallen voor AERIUS 2020 v9 mobiele werktuigen” gehanteerd. Stikstofdepositie, zoals berekend doormiddel van de Aerius-calculator, komt voor in de vormen NOx (stikstofoxiden) en NH3 (ammoniak) en zijn afkomstig van verschillende bronnen. Zo is NOx hoofdzakelijk afkomstig van verbrandingsprocessen en is NH3 hoofdzakelijk afkomstig van veehouderijen. Mogelijke bronnen binnen deze berekening zijn: Voertuigbewegingen, bebouwing en gebruik van gas en de inzet van materieel tijdens de realisatiefase. Voor het meten is een depositieonderzoek uitgevoerd (Bijlage 18). De berekeningen voor de gebruiks- en aanlegfase die in de Aerius-calculator zijn ingevoerd, zijn te vinden al respectievelijk Bijlage 19 en Bijlage 20.

Uit de berekening volgt dat de stikstofdepositie tijdens zowel de gebruiksfase als de realisatiefase niet meer bedraagt dan 0,0 mol/ha/j. De ontwikkeling heeft geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.

Soortenbescherming

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats.

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridische beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet (opzettelijk) gedood worden. Om te voorkomen dat grondgebonden zoogdieren of amfibieën gedood worden, mogen ze weggevangen of verjaagd worden. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een Gedragscode. Indien gekozen wordt om te werken volgens een Gedragscode, dient voldaan te worden aan de gestelde eisen en voorwaarden. Eén van de voorwaarden is, dat gewerkt moet worden buiten de kwetsbare periode.

Uit het ecologisch onderzoek (Bijlage 21) blijkt dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen of steenmartens en geen nesten van huismussen, gierzwaluwen sperwers of ransuilen aanwezig zijn in het onderzoeksgebied.

Conclusie

Vervolgonderzoek met betrekking tot flora en fauna kan vanaf maart tot en met september plaatsvinden. Met de gemeente is afgesproken dat op basis van de quickscan de ruimtelijke procedure opgestart kan worden, maar de vergunning niet eerder zal worden afgegeven alvorens dit onderzoek en de hierbij behorende maatregelen zijn opgesteld.

2.2.3.2.13 Verkeer     

Algemeen

Het planvoornemen zal gepaard gaan met een toename aan verkeersbewegingen naar de omgeving. Beoordeeld dient te worden of de verkeerswegenstructuur berekend is op de toename die met het planvoornemen zal ontstaan en dat de omgeving geen last ondervindt van dit verkeer.

 

Onderzoek

Het plangebied kent in de huidige situatie geen verkeersaantrekkende werking als zijnde braakliggend terrein. In de beoogde situatie worden twaalf woningen toegevoegd, er wordt dan derhalve meer verkeer gegenereerd. Om de verkeersgeneratie als gevolg van het onderhavig initiatief te berekenen kan gebruik worden gemaakt van kencijfers van de CROW publicatie '381'.

De woningen worden vallen onder de categorie 'Koop, appartement, midden'. Het plangebied wordt aangemerkt als 'rest bebouwde kom', de gemeente Bronckhorst wordt beschreven als 'niet stedelijk'. Bij een gemiddelde van 6,0 vervoersbewegingen per woning per etmaal, worden door twaalf woningen 72 bewegingen per dag gegenereerd. De bestaande wegen kunnen dit extra verkeer eenvoudig verwerken en het omliggende wegennetwerk wordt niet onevenredig belast. Als gevolg van het initiatief vindt geen afwenteling van negatieve verkeerseffecten op de omgeving plaats.

Conclusie

Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

2.2.3.2.14 Leidingen     

In het kader van het wijzigingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

Onderzoek

Aardgastransportleidingen

In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen.

Hoogspanningsleidingen

In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen.

Rioolleidingen

De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering.

Watertransportleidingen

In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen.

Straalverbindingen

In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen .

Kabels en niet planologisch relevante leidingen

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verlichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Het is onwaarschijnlijk dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling bestaande kabels en leidingen moeten worden verwijderd dan wel omgelegd.

Conclusie

Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

2.2.3.3 Volkshuisvesting     

In paragraaf 3.4.3 Woonbeleid van deze plantoelichting is het gemeentelijke woonbeleid beschreven. In het gemeentelijke woonbeleid en het bijbehorende afwegingskader geeft de gemeente aan dat er ruimte is om de woningvoorraad beperkt en gericht uit te breiden met woningen die aansluiten bij de concrete en aantoonbare woonbehoefte. Binnen de gemeente is er onder andere behoefte aan levensloopbestendige woningen. Vanuit kwaliteit- en kwantitatief oogpunt sluit voorliggend plan daarmee in voldoende mate aan bij de voorwaarden en criteria uit het woonbeleid en bijbehorend afwegingskader.

2.2.3.4 Economisch     

De plankosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten die door de gemeente gemaakt

worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Hiertoe wordt een anterieure overeenkomst afgesloten met het bevoegd gezag. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van het initiatief zeker gesteld.

2.2.3.5 Maatschappelijk     

Voorliggend initiatief betreft de realisatie van twaalf appartementen. Gelet op de huidige krapte op de woningmarkt wordt daarmee voorzien in een acute vraag naar huisvesting. Vanuit een maatschappelijk oogpunt wordt derhalve voorzien in de maatschappelijke behoefte.

2.2.3.6 Overleg en inspraak     
2.2.3.6.1 Overleg     

In het kader van artikel 3.1.1 Bro is overleg gevoerd met Waterschap Rijn en IJssel. Daaruit is gebleken dat er geen bezwaren tegen het initiatief zijn.

Het plan is besproken met de Provincie Gelerland. Er is sprake van een provinciaal belang ten aanzien van de thema's Wonen en Klimaatadaptatie. Echter vanwege de kleinschaligheid en ligging binnen de bebouwde kom, heeft de provincie aangegeven dat het plan niet in het kader van vooroverleg hoeft worden voorgelegd.

Bij dit planonderdeel zijn geen rijksbelangen betrokken.

2.2.3.6.2 Inspraak     

In het kader van inspraak heeft op dinsdag 29 maart 2022 een eerste inloopbijeenkomst voor omwonenden plaatsgevonden. De tweede inloopbijeenkomst heeft plaatsgevonden op donderdag 16 maart 2023. Hiervoor zijn omwonenden schriftelijk uitgenodigd.Ook hebben er in maart en april 2022 diverse individuele gesprekken bij omwonenden thuis plaatsgevonden.


Tijdens en na de inloopbijeenkomsten en individuele afspraken zijn er vragen gesteld en opmerkingen geplaatst. Deze zijn tijdens de inloopbijeenkomst, en nadien voornamelijk per mail maar ook telefonisch, beantwoordt. Daar waar mogelijk hebben we het ontwerp aangepast om tegemoet te komen aan bezwaren dan wel wensen. De opmerkingen hadden vooral betrekking op de invulling, het type woning, het waarborgen en verhogen van 'privacy' van omwonenden en situering van de inrit. Dit laatste met name met betrekking tot de verlichting van voertuigen.

In 2020 en 2021 heeft de initiatiefnemer afspraken met de gemeente gemaakt over de invulling. Deze afspraken zijn vervolgens vastgelegd in een Koopovereenkomst. De invulling is ongewijzigd gebleven. Voor wat betreft 'privacy' zijn de zijgevels, en dan met name de indeling en raampartijen, aangepast. Ook is de uitstraling van de balkons aangepast om zodoende meer privacy te creëren en zullen er nabij de linkerzijgevel leibomen worden geplaatst om de privacy te verhogen. De inrit wordt anders, -niet haaks op de weg maar met een bocht richting de Schoolstraat-, gesitueerd. Ook zal er in overleg met de (landschaps)architect een opstand gesitueerd worden, deze zal het licht tegen moeten houden of opvangen, in die zin dusdanig dat de overburen van de inrit minimaal tot geen last zullen hebben van verlichting van voertuigen.

Gesteld wordt dat de omgeving voldoende is betrokken bij de ontwikkeling en hun belangen in overweging zijn meegenomen in de planvorming.

2.2.3.7 Conclusie     

In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft overleg met betrokken instanties en de omgeving plaatsgevonden. De tijdens deze sessies gedeelde belangen zijn in voldoende mate meegenomen in de planvorming. Gesteld wordt dat de ontwikkeling in het kader van overleg en inspraak uitvoerbaar is.

2.2.4 Juridische aspecten planonderdeel     

In deze paragraaf komen de juridische aspecten aan bod die betrekking hebben op de bestemmingen die voorkomen in dit specifieke planonderdeel. De algemene juridische aspecten zijn opgenomen in Hoofdstuk 4.

2.2.4.1 Bestemmingsregels     

NB: Dit zijn standaardteksten uit de bestemmingsplannen 'Stedelijk gebied Bronckhorst' (BP01047-VG01) en 'Landelijk gebied Bronckhorst' (BP01048-VG01). Deze teksten kunnen naar gelieve afhankelijk van de inhoud van het plan worden aangepast, mits daarmee een juiste weergave wordt gegeven van de bestemmingsregels binnen de door de gemeente gegeven kaders

2.2.4.1.1 Verkeer     

Artikel 5 Verkeer

Deze bestemming richt zich op het openbare gebied. Binnen deze bestemming kunnen meerdere doeleinden worden onderscheiden, zoals ontsluitingswegen, voet- en fietspaden, parkeer-, groen- en verblijfsvoorzieningen. Gelet op het openbare karakter van deze bestemming bevinden zich hier ook openbare voorzieningen en vinden activiteiten als evenementen en markten (standplaatsen voor kramen, stallen en voertuigen voor het aanbieden van goederen of diensten) plaats.

Het groen dat geen onderdeel uitmaakt van de hoofdgroenstructuur volgens het groenstructuurplan van de gemeente Bronckhorst (maar wel een ruimtelijke functie vervult) is bestemd als 'Verkeer'.

Garageboxen zijn tevens onder deze bestemming gebracht door middel van de aanduiding 'garage'. Enkel ter plaatse van deze aanduiding zijn garageboxen toegestaan, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m.

Om na verkoop van zogeheten 'overhoekjes' en openbaar groen door de gemeente aan particulieren, deze delen te kunnen gebruiken als tuin, is in de bestemmingsbeschrijving 'tuinen' opgenomen. Hier gelden geen bouwmogelijkheden anders dan vergunningsvrije bouwwerken.

Om terrassen ten behoeve van horeca-activiteiten in de openbare ruimte mogelijk te maken is voor bepaalde gebieden de aanduiding 'terras' opgenomen. Terrassen zijn uitsluitend daar toegelaten. Omdat deze delen van de bestemming in eigendom zijn van de gemeente, kunnen terrassen daar alleen worden gerealiseerd als de exploitant kan beschikken over deze gronden met toestemming van de gemeente.

Bepaalde (invals)wegen van de kern beschikken over een mooie lanenstructuur. Daar waar een fraaie lanenstructuur aanwezig is, is de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - lanenstructuur' opgenomen teneinde aan te geven dat hier de aanwezige laanstructuur behouden dient te blijven.

2.2.4.1.2 Wonen     

Woningen zijn ondergebracht in de bestemming 'Wonen'. Voor regulering van de woonfunctie kan deels verwezen worden naar paragraaf 4.2.2.

Het hoofdgebouw (de woning, al dan niet met aan- en uitbouwen) kunnen worden gerealiseerd binnen het op de verbeelding aangegeven 'bouwvlak'. Deze bouwvlakken zijn, in tegenstelling tot de voorgaande plannen, niet per hoofdgebouw strak om de bestaande bebouwing getrokken, maar betreffen bouwstroken waarbinnen meerdere woningen liggen.

Bij het bepalen van de bouwvlakken worden de volgende uitgangspunten gehanteerd.

  1. zoveel mogelijk bestaande rechten respecteren, tenzij er ruimtelijk-stedenbouwkundige argumenten zijn om te beperken
  2. geen doublures met de toekomstige regels voor vergunningvrij bouwen
  3. ruimte creëren voor de toekomst
  4. toekomstige afwijkingsprocedures voorkomen
  5. rekening houden met belangen belendende bestemmingen/bebouwing
  6. rekening houden met het algemeen ruimtelijk beeld

De woningen worden als volgt gereguleerd. In beginsel worden aaneengesloten bouwvlakken gehanteerd. Woningen van eenzelfde categorie (vrijstaand, twee-aaneen, aaneengebouwd, gestapeld) die naast elkaar gesitueerd zijn, worden zoveel mogelijk in één bouwvlak geplaatst. Daarbij worden in de regel rechthoekige bouwvlakken gehanteerd. Er kunnen stedenbouwkundige redenen zijn om hier van af te wijken. Voor de situering en grootte van het bouwvlak gelden de volgende uitgangspunten:

woningtype min. afstand zijdelingse perceelgrens voetnoot: De afstand tot de zijdelingse perceelgrens geldt alleen voor 'tussensituaties' en 'eindsituaties', die niet op een hoek liggen, bij 'hoeksituaties' gelden andere uitgangspunten  diepte bouwvlak max. oppervlakte min. afstand achterste perceelgrens
vrijstaand [vrij] 5m (eindsituatie)
3m (tussensituatie)
15m 200m2 8m
twee-aaneen [tae] 3m 12m 150m2 8m
aaneengebouwd [aeg] bestaande bebouwing bestaande maat
met afwijking 10m voetnoot: Bij aaneengebouwde woningen wordt de bestaande maat gehanteerd. Het wordt ook mogelijk om, zoals bij vrijstaand en twee-aaneen, het hoofdgebouw aan de achterzijde uit te breiden middels binnenplanse afwijking. Daarbij kan sprake zijn van de schaduwwerking. Aan deze afwijkingsbevoegdheid worden criteria gesteld ter voorkoming van onevenredige hinder voor omwonenden door schaduwwerking of in verband met privacy. 
- 8m
gestapeld bestaande maat bestaande maat - -

Hoewel er door het hanteren van ruime bouwvlakken fysiek ruimte is voor de bouw van een extra woning, is daarvoor geen planologische ruimte. In de planregels is opgenomen dat het bestaand aantal woningen niet mag worden vermeerderd. Dit vanwege het regionale en gemeentelijke woonbeleid (zie paragraaf 3.4.3). Daar waar op grond van het woonbeleid nog ruimte is voor het realiseren van nieuwe woningen, is op de betreffende locaties de aanduiding 'maximum aantal woningen' opgenomen.

De plaatsing van bijbehorende bouwwerken als aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen is in de planregels verbaal beschreven. Alleen in enkele situaties waar dat op stedenbouwkundige gronden gewenst is, is er een aanduiding 'bijgebouwen' toegepast. Bijbehorende bouwwerken zijn ook binnen het bouwvlak mogelijk. De maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op een bouwperceel is 120 m².

Voor kleinere percelen zouden de bouwmogelijkheden voor hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken kunnen leiden tot een ongewenste dichtheid aan bebouwing. Daarom is er per bouwwijze een maximum bebouwingspercentage van het bouwperceel opgenomen, te weten 30% voor vrijstaande woningen, 40% voor twee-aaneen woningen (halfvrijstaand) en 50% voor aaneengebouwde woningen (rijwoningen).

Binnen de woonfunctie worden onder voorwaarden nevenactiviteiten toegelaten in het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken, die qua functie hieraan ondergeschikt zijn. Deze aan huis verbonden activiteiten bestaan uit een aan huis verbonden beroep, een aan huis verbonden bedrijf, internetverkoop en bed & breakfast. Bij een aan huis verbonden beroep en aan huis verbonden bedrijf is het uitgangspunt dat de activiteiten qua aard, omvang en uitstraling past in een woonomgeving. Bij een bedrijf geldt aanvullend dat deze vermeld moet zijn in de activiteiten in de bijgevoegde Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging. Omdat de functiemengingslijst een algemene lijst is waarnaar in meerdere bestemmingen wordt verwezen, is niet zonder meer iedere in de lijst vermelde activiteit toegelaten. Leidend is dat de activiteit past in de woonomgeving. Verder zijn er enkele kwalitatieve en kwantitatieve voorwaarden gesteld en is detailhandel als hoofdactiviteit niet toegestaan.

Bij internetverkoop gaat het om een vorm van detailhandel dat op essentiële punten afwijkt van de traditionele detailhandel in winkels. Waar die traditionele detailhandel nu in bestemmingsplannen wordt uitgesloten vanwege haar (ruimtelijke) uitstraling en effecten op de omgeving, kan internetverkoop juist vanwege de aard en uitstraling van de activiteiten wel worden toegelaten.

Bij een bed & breakfast-accommodatie geldt dat er maximaal 2 gastenkamers mogen worden gebruikt ten behoeve van bed & breakfast. Door deze bepaling is het mogelijk binnen de grenzen van het bestemmingsplan initiatieven te ontplooien ter bevordering van het toerisme.

Een gedeelte van de woning mag onder voorwaarden als afhankelijke woonruimte worden gebruikt. Daarmee is het mogelijk om ruimten binnen de woning in te richten om een naaste te kunnen verzorgen uit het oogpunt van mantelzorg Een belangrijke voorwaarde is echter wel dat er geen sprake mag zijn van woningsplitsing. Hiervoor zijn geen regels in het bestemmingsplan opgenomen omdat het landelijke Besluit omgevingsrecht (Bor) reeds in voorziet in een vergunningvrije mogelijkheid.

Om het gebruik van gronden uitsluitend voor parkeren te garanderen, is daar waar nodig op de verbeelding en in de regels de functieaanduiding 'parkeerterrein' opgenomen.

2.2.4.1.3 Waarde     

De archeologische waarden worden beschermd door middel van dubbelbestemmingen welke zijn gebaseerd op de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Bronckhorst. Deze artikelen zijn inhoudelijk hetzelfde van opbouw, maar verschillen onderling in archeologische waarden en de regels die daar mee samenhangen. 'Waarde - Archeologie' staat voor gebieden met een bekende zeer hoge of hoge archeologische waarde. 'Waarde - Archeologische verwachting 1' staat voor een hoge verwachtingswaarde. 'Waarde - Archeologische verwachting 2' staat voor een middelhoge verwachtingswaarde. 'Waarde - Archeologische verwachting 3' staat voor een voor een lage verwachtingswaarde.

Ter bescherming van deze waarden zijn bouwregels, gebruiksregels en een omgevingsvergunningstelsel opgenomen met daarbij een onderzoeksverplichting. Het bestemmingsregime is afhankelijk van de aangetoonde waarde en de hoogte van de verwachting. De onderzoeksverplichting vervalt als er reeds onderzoeksgegevens bekend zijn of op andere wijze voldoende informatie beschikbaar is over de aanwezigheid van archeologische waarden. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders, als onderzoeksgegevens daartoe aanleiding geven, de dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk kunnen laten vervallen of deze kunnen omzetten van een verwachtingswaarde naar een aangetoonde waarde.

2.3 Willibrordusplein ong. Drempt     

2.3.1 Inleiding     

2.3.1.1 Aanleiding     

De gemeenteraad van Bronckhorst heeft de ambitie uitgesproken de komende jaren de woningbouwproductie te willen verhogen. De gemeente zet in op woningbouw in alle kernen en in het buitengebied. Daarnaast heeft de gemeente enkele grotere uitbreidingslocaties aangewezen bij de kernen Zelhem, Vorden, Hummelo, Hengelo en Steenderen. Deze grotere locaties zijn bedoeld om de woningbouw verder te versnellen.

In de kern Achter-Drempt is een woningbouwplan ontwikkeld in nauwe samenwerking met de Dorpsraad. Het doel is het leveren van echt lokaal maatwerk, toegesneden op de concrete lokale behoefte in Achter-Drempt. Op basis van dat maatwerk is deze planherziening opgesteld om de bouw van c.a. 32 woningen planologisch mogelijk te maken.

In dit woningbouwplan zijn ook een nieuwe ontsluiting en een nieuwe parkeervoorziening opgenomen voor de multifunctionele accommodatie 't Hessenhuus en de voetbalvereniging HC'03.

2.3.1.2 Plangebied     

Het beoogde plangebied ligt in de kern Achter-Drempt. Het plangebied bestaat uit twee samenhangende delen: een perceel grasland en een bestaand en als zodanig bestemd parkeerterrein.

verplicht

Globale ligging plangebied I Globale ligging plangebied II

Rondom het plangebied zijn diverse bestaande functies zoals wonen, een kerk, een rioolgemaal, MFA 't Hessenhuus en een voetbalvereniging. Het plangebied is onbebouwd en ligt ingeklemd tussen de bestaande kern en de voetbalvereniging. Het plangebied grenst daarbij aan drie zijden aan bestaande stedelijke functies zodat er in stedenbouwkundig opzicht sprake is van een inbreidingslocatie. Het is voor Achter-Drempt een logische plek om woningen te realiseren.

2.3.1.3 Vigerende planologische situatie     

Het plangebied valt onder de werking van het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst'. In dat plan heeft het plangebied de enkelbestemmingen 'Verkeer' en 'Agrarisch'. Een deel van het perceel met de bestemming 'Agrarisch' heeft de functieaanduiding 'ontsluiting'. Aan deze functieaanduiding is geen planregel gekoppeld, zodat het doel van deze functieaanduiding onzeker is. Verder heeft het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'.

verplicht

Het geldende bestemmingsplan laat de bouw van woningen niet toe. Het bestemmingsplan bevat ook geen flexibiliteitsbepaling op grond waarvan deze woningbouw alsnog mogelijk gemaakt kan worden. Er is daarom gekozen voor een herziening van het bestemmingsplan.

2.3.1.4 Leeswijzer     

Hoofdstuk 2 Planonderdelen

Dit hoofdstuk geeft in paragraaf 2.3 Willibrordusplein ong. Drempt de ruimtelijke onderbouwing van dit specifieke planonderdeel. Het bevat de inleiding van het planonderdeel (paragraaf 2.3.1), de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.3.2) en de uitvoerbaarheid van dit planonderdeel (paragraaf 2.3.3).

Paragraaf 2.3.1 Inleiding

Deze paragraaf bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 2.3.1.1), een beschrijving van het plangebied (paragraaf 2.3.1.2), de vigerende planologische situatie (paragraaf 2.3.1.3) en deze leeswijzer (paragraaf 2.3.1.4).

Paragraaf 2.3.2 Initiatief

In deze paragraaf wordt het initiatief toegelicht. Hierbij wordt ingegaan op de bestaande situatie (paragraaf 2.3.2.1), de randvoorwaarden voor het initiatief (paragraaf 2.3.2.2) en de beschrijving van het inititiatief (paragraaf 2.3.2.3).

Paragraaf 2.3.3 Uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Het betreft de toetsing van het beleidskader (paragraaf 2.3.3.1), omgevingsaspecten (paragraaf 2.3.3.2), volkshuisvestelijke aspecten (paragraaf 2.3.3.3), economische aspecten (paragraaf 2.3.3.4), maatschappelijke aspecten (paragraaf 2.3.3.5) en overleg en inspraak (paragraaf 2.3.3.6). Per uitvoerbaarheidsaspect wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is op dat aspect. De laatste paragraaf (2.3.3.7) geeft een eindconclusie over de uitvoerbaarheid van het plan.

Paragraaf 2.3.4 Juridische aspecten planonderdeel

In deze paragraaf wordt een juridische toelichting gegeven op de in dit planonderdeel voorkomende bestemmingen.

Bijlagen bij planonderdeel Willibrordusplein ong. Drempt

Hierin zijn diverse bijlagen bij de plantoelichting van dit planonderdeel opgenomen.

2.3.2 Initiatief     

2.3.2.1 Bestaande situatie     
2.3.2.1.1 Ontstaansgeschiedenis     

Achter-Drempt heet waar het ligt: achter Drempt. Achter-Drempt is ontstaan uit een kerk en een school. Langs de Zomerweg is een lint ontstaan van boerderijen en arbeiderswoningen. De Rooms-Katholieke Kerk vormt vanwege zijn massa een markant element tussen de relatief kleinschalige bebouwing. Een ander karakteristiek gebouw is Boerderij 'het Hoefken' dat een tijd lang dienstdeed als R.K. schuilkerk. Aan het eind van de 19e eeuw kwam hiervoor een neogotisch exemplaar gewijd aan Willibrordus in de plaats, dat in 1936 werd vervangen door het huidige gebouw. 

Kenmerkend voor veel kleine kernen in Bronckhorst is dat deze zicht ontwikkeld hebben als lintbebouwing langs oude wegen. In Achter-Drempt zien we dit beeld ook. De kern bestond lange tijd enkel uit een kerk met begraafplaats, een school en wat lintbebouwing langs de Zomewerg. Vanaf 1950 zijn bij haast alle in het gebied voorkomende kernen planmatige uitbreidingen gemaakt. Het dorp Achter-Drempt is pas in de jaren '60 van de vorige eeuw echt tot ontwikkeling gekomen. In eerste instantie door een verdichting van de lintbebouwing aan de Zomerweg en het vormen van een nieuw lint langs de Molenweg.

verplicht

Kaartbeeld 1960, bron: Topotijdreis.nl Kaartbeeld 2000, bron: Topotijdreis.nl

De omvang en het groeitempo verschilt sterk van elkaar. Deze uitbreidingen dragen veelal de stedenbouwkundige kenmerken van de vooroorlogse 'tuindorpen': symmetrische straatprofielen met voortuinstroken en woningen in twee bouwlagen met langskap, vrijstaand, als twee-onder-één-kap of in rijtjes. De straten zijn zorgvuldig ontworpen en hebben een informeel groen karakter. De karakterverschillen door de jaren heen hebben een beperkte invloed op de openbare weg, met uitzondering van enkele woongebieden uit de jaren '80, die juist een grillig stratenpatroon vertonen met weinig doorgaande wegen. Ook in Achter-Drempt zien we een dergelijke ontwikkeling. In de late jaren '80 van de vorige eeuw wordt de wijk rond de nieuwe weg Strengsche Veld ontwikkeld. Deze weg heeft kenmerken van een woonerf. De wijk bestaat uit dichte bebouwing met relatief kleine tuinen en weinig openbaar groen. De weg Strengsche Veld heeft kenmerken van een woonerf. Het parkeren vindt deels informeel plaats langs deze weg en er zijn geen stoepen. Dit past ook bij het dorpse karakter.

In het plangebied zelf heeft tot circa 2014 een schoolgebouw gestaan op de plek waar nu het bestaande parkeerterrein is gesitueerd. Het terrein erachter is altijd als grasland in gebruik geweest.

verplicht

Luchtfoto 2013, bron" Topotijdreis.nl Luchtfoto 2014, bron: Topotijdreis.nl

2.3.2.1.2 Ruimtelijke structuur     

Het dorp heeft een eigen gezicht door een lange ontstaansgeschiedenis en ieder huis is daarin een herkenbare schakel. Opvallend is dan ook de gevarieerde bebouwing en de landelijke profilering van het dorpslint evenals de groene aankleding van tuinen en erven. De naoorlogse uitbreidingen van het dorp bevinden zich vooral zuidoostelijk van de Zomerweg en bestaan uit rijwoningen, 2-onder-1-kapwoningen en individuele woningbouw.

2.3.2.1.3 Functionele structuur     

Achter-Drempt is in hoofdopzet een woonkern gelegen in het buitengebied. De functiemenging in deze kern is zeer beperkt. Verspreid over de kern komen enkele niet-woonfuncties voor zoals een horeca, detailhandel in fietsen, een kerk en een voetbalvereniging. Nabij de kern staat een veevoerfabriek. In de op grond van dit bestemmingsplan te realiseren woonwijk zal geen sprake zijn van functiemenging, anders dan aan huis verbonden activiteiten zoals een aan huis verbonden beroep.

De verkeersstructuur bestaat uit twee historische linten (Zomerweg, de Molenweg en een deel van de Hulsevoortseweg). Het dorp is met de provinciale weg N314 verbonden via de Zomerweg. Daar is in de (late) jaren '80 van de vorige eeuw de weg Strengsche Veld aan toegevoegd bij de realisatie van een nieuwe woonwijk. De nu te realiseren woonwijk kent eenzelfde opzet als die bij het Strengsche Veld. De weg loopt door het plangebied en ontsluit op die manier alle nieuwe woningen.

2.3.2.2 Randvoorwaarden     
2.3.2.2.1 Stedenbouwkundige eisen     

Als we kijken naar de gemeente Bronckhorst, dan zien we dat de architectuur zich richt naar verschillende perioden, maar dit leidt alleen in de grotere kernen als Hengelo, Vorden en Zelhem tot duidelijk verschillende buurten. Hoe hoger het groeitempo des te uniformer de architectuur per periode. Na 1990 worden de kavels in de gehele gemeente snel kleiner en de woningen groter. Woningen in groepjes of rijtjes krijgen een individueler gezicht en er wordt uit alle voorgaande perioden 'geciteerd'. Om de samenhang in architectuur te bevorderen is beeldregie, soms in combinatie met meer standaardisatie, onvermijdelijk.

Zomerweg
Langs de Zomerweg wordt de lintbebouwing voortgezet. Bij voorkeur in de vorm van vrijstaande woningen. De gevels van deze woningen richting zich naar de Zomerweg.

Nieuwe toegangsweg
Door het plangebied loopt een weg waaraan de woningen liggen. De woningen richten zich met de voorgevel naar deze weg. Deze weg loopt rond zodat een goede ontsluiting verzekerd is. De weg krijgt een informeel karakter (zonder stoep), vergelijkbaar met de bestaande weg Strengsche Veld.

De toegangsweg die de aansluiting vormt met de Zomerweg krijgt een laan-achtig karakter. Dit zodat deze weg duidelijk herkenbaar is als de toegangsweg voor zowel de nieuwe woonwijk als het achtergelegen voetbalveld en de MFA.

Bestaande bomenrijen
De bestaande bomenrijen in het midden en aan de zijkanten van het plangebied blijven behouden als robuuste groenstructuur. Daarbij is het uiteraard mogelijk om individuele bomen te beoordelen en eventueel te verwijderen of te vervangen.

Houtwal
De houtwal aan de zuidzijde van het plangebied blijft behouden als robuuste groenstructuur en vormt een groene overgang naar het buitengebied.

3-30-300 regel
De gemeente Bronckhorst hanteert de 3-30-300 regel bij nieuwbouwplannen. De 3-30-300 regel houdt in dat bewoners minimaal 3 bomen moeten kunnen zien vanuit huis, een wijk voor minimaal 30% uit bladerdek moet bestaan en er geldt een maximale afstand van 300 meter tot een park of groene ruimte. Voor het bouwplan Achter Drempt is dit inzichtelijk gemaakt:

3 bomen vanuit huis

Voor iedere woning zijn er in het bouwplan Achter Drempt minimaal 3 bomen zichtbaar. Voor een weergave wordt hiervoor verwezen naar de bijgevoegde kaart.

30% bladerdek

Oppervlakte totale plangebied: 14451 m2

Oppervlakte bladerdek bestaande bomen: 5019 m2

Oppervlakte bladerdek nieuwe bomen: 1320 m2

Totale percentage: 43,86%

De wijk bevat een bedekking van in totaal bijna 44%. Daarmee wordt ruim voldaan aan de 30% bladerdek regel.

300 meter groene ruimte

Aan de zuidzijde van het plangebied is agrarische gebied (weiland) aanwezig. Bij de voetbalkantine aan de noordzijde van het plangebied is een openbaar toegankelijke ruimte aanwezig. In het plangebied zijn meerdere groene zones voor opvang van water aanwezig. Er wordt daarmee voldaan aan de 300 meter groene ruimte regel.

Een en ander is opgenomen in het stedenbouwkundig plan zoals opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan in Bijlage 22 bij deze toelichting.

2.3.2.2.2 Beeldkwaliteitseisen     

Als het gaat om de beeldkwaliteitseisen voor de te realiseren woningen, dan is de welstandsnota daarvoor het toetsingskader. Het plangebied valt in het gebiedstype 'nieuwe stads- en dorpsgebieden'. In het vervolg van voorliggend initiatief zullen op basis van schetsontwerpen concrete bouwplannen voor de woningen worden ontwikkeld waarbij het welstandsbeleid in acht worden genomen. De analyse van de ruimtelijke structuur leidt tot de conclusie dat een duidelijk thema nauwelijks sprake is voor dit plangebied, met uitzondering van de woningen die liggen aan de Zomerweg. De woningen aan de Zomerweg vormen een inbreiding van de reeds aanwezige lintbebouwing (in aansluiting op de woningen met de huisnummers 13 en 13a).

Het Beeldkwaliteitsplan in Bijlage 22 bij deze toelichting wordt als aanvulling op de Welstandsnota gelijktijdig met dit bestemmingsplan door de raad vastgesteld..

2.3.2.2.3 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing     

De kern Achter-Drempt ligt in een open gebied rond de Oude IJssel nabij het meer kleinschalige landschap richting Hoog Keppel. Het plangebied wordt in de huidige situatie aan de zuidzijde begrenst door een houtwal. Daarnaast staat er in het midden van het plangebied een bomenrij. Hierdoor ontstaat als het ware een kamerstructuur direct grenzend aan de bestaande kern. Deze kamerstructuur is al langere tijd zichtbaar in het landschap. De bestaande houtopstanden aan blijven behouden. Het woningbouwplan maakt gebruik van deze kamerstructuur. De houtwal aan de zuidzijde vormt een groene overgang naar het buitengebied. Vanuit het buitengebied gezien zorgt dit voor een groene dorpsrand doordat het directe zicht op de achtertuinen wordt ontnomen. Dit plan is daarmee een uitbreiding van de bestaande kern die zich voegt naar een bestaande en herkenbare begrenzing in het landschap.

2.3.2.3 Planbeschrijving     

2.3.3 Uitvoerbaarheid     

2.3.3.1 Toetsing aan beleidskader     

Het initiatief past volledig binnen het beleidskader zoals genoemd in Hoofdstuk 3. Voor een specifieke toelichting per relevant beleidskader wordt verwezen naar het volgende hoofdstuk. Hieronder zijn de planspecifieke punten voor dit woningbouwplan weergegeven.

Het plangebied grenst aan drie zijden aan bestaande stedelijke functies. Het plangebied valt ook onder de werking van het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst'. Tot slot valt het plangebied in de welstandsnota onder het stedelijke gebied en het gebiedstype 'nieuwe stads- en dorpsgebieden. Het plangebied maakt daarmee zowel feitelijk, stedenbouwkundig als juridisch deel uit van het bestaande stedelijke gebied van de kern Achter-Drempt. Omdat het plangebied in bestaand stedelijk gebied is gelegen, heeft de gemeente veel beleidsruimte om de programmatische opgave voor woningbouw in te vullen.

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het gestelde in de SVIR en het Barro.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Uit jurisprudentie blijkt dat een woningbouwplan die voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro.

Met betrekking tot het realiseren van woningen zijn onder meer de uitspraken ABRvS 27 augustus 2014. ECLI:NL: RVS:2014:3223, ABRvS 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2077 en ABRvS 16 september 2015, ECLI:RVS:2015:2921 van toepassing. Uit deze uitspraken blijkt dat het realiseren van respectievelijk 4, 7 en 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. In dit geval worden er meer 11 dan woningen gerealiseerd. Dit betekent dat nadere motivering t.b.v. ladder noodzakelijk is. Zie hiervoor de onderbouwing in paragraaf 2.1.3.3.
 

Besluit m.e.r.

Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen activiteiten mogelijk die in het Besluit m.e.r. worden vermeld of die de geldende drempelwaarden enigszins benaderen.

Omgevingsvisie en provinciale verordening

Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsvisie en -verordening Gelderland heeft uitgewezen dat het plangebied geen provinciale belangen raakt. In meer algemene zin geldt daarentegen wel dat voorliggend plan een bijdrage levert aan het realiseren van de provinciale ambities ten aanzien van de woon- en leefomgeving. Met de voorgenomen woningbouwontwikkeling wordt immers ingespeeld op een lokale behoefte én wordt aardgasloos ontwikkeld. Ook is rekening gehouden met klimaatadaptatie.

Klimaatadaptatie
In het plangebied worden verlaagde groenzone's (wadi's) aangelegd die het hemelwater van de daken van de woningen kunnen opvangen. De HWA wordt afgekoppeld van het riool, zodat het gemeentelijk riool wordt ontlast t.o.v. de huidige situatie. Zodra het plan verder wordt uitgewerkt kunnen er ook uitvoeringstekeningen worden opgesteld voor water, riool, bestrating e.d. Voor hemelwater opvang is rekening gehouden met buiten van T = 100 + 10%. Dit is conform het beleid van het waterschap. De woningen worden allemaal BENG gebouwd en hemelwater op eigen perceel geborgen. Het bestaande groen in het plangebied blijft mogelijk behouden. De 3-30-300 regel kan worden nageleefd. De bestaande bomenrij aan de zuidzijde en in het midden van het plangebied blijven staan. Op een enkele boom na die op een woonkavel terecht komt waar nu een woning op is geprojecteerd. Verder worden er nieuwe bomen aangeplant in het plangebied. Het parkeren wordt aangelegd met half-open-verharding. Langs de wegen wordt aan een enkele zijde een stoep gerealiseerd. Andere zijden kunnen groen blijven.
De beoogde wensen voor het bouwplan sluiten aan bij hetgeen gesteld in de Omgevingsvisie. Daarmee vormen de Omgevingsvisie en -verordening geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

Regionaal en gemeentelijk beleid

Voor het regionale en gemeentelijke beleid op het gebied van wonen wordt verwezen naar paragraaf 2.1.3.3 van deze toelichting. Voor het overige leveren het regionale en het gemeentelijke beleid geen aandachtspunten op voor dit plangebied en dit woningbouwplan.

Omgevingsvisie 2035

Vorenstaand plan is getoetst aan de Omgevingsvisie 2035. Het plan past binnen de gestelde doelen en ambities.

Groenstructuurplan

Vorenstaand plan is getoetst aan het Groenstructuurplan. Het plan past binnen de gestelde uitgangspunten.

Speelruimteplan

Vorenstaand plan is getoetst aan het Speelruimteplan. Het plan vindt aansluiting bij het speelruimteplan.

2.3.3.2 Omgevingsaspecten     

2.3.3.2.1 Milieu-effectrapportage     

Het thema 'milieueffectrapportage' (verder kortweg m.e.r.) kan voor bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen op vier manieren van belang zijn, te weten een m.e.r.-plicht, een m.e.r.-beoordelingsplicht of een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Welke van deze viervarianten aan de orde is, is afhankelijk van de hetgeen in het bestemmingsplan of met de omgevingsvergunning mogelijk wordt gemaakt.


De eerste variant is een verplichting en m.e.r. te doorlopen op grond van artikel 7.2 Wet milieubeheer gelezen in samenhang met onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Kort gezegd geldt er een m.e.r.-plicht wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt genoemd in kolom 1 van het voornoemde onderdeel C en tevens de drempelwaarde uit kolom 2 wordt overschreden. De activiteiten die door de onderhavige omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt komen niet voor in kolom 1 van onderdeel C. Zodoende is er geen sprake van een m.e.r.-plicht.


De tweede variant betreft plannen waarvoor op grond van artikel 7.2a lid 1 Wet milieubeheer een passende beoordeling moet worden gemaakt. Het gaat dan om een passende beoordeling in de zin van artikel 2.8 lid 2 van de Wet natuurbescherming. Deze bepalingen betreffen de bescherming van Natura 2000-gebieden. Indien een passende beoordeling moet worden gemaakt, dan geldt er ook een m.e.r.-plicht. Voor dit project is er geen sprake van een plicht tot het uitvoeren van een passende beoordeling in de zin van de Wet natuurbescherming zodat deze tweede variant niet aan de orde is.


De derde variant betreft de m.e.r.-beoordelingsplicht. Deze m.e.r.-beoordelingsplicht is, kort gezegd, aan de orde wanneer het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning activiteiten mogelijk maakt die genoemd worden in kolom 1 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage en tevens de drempelwaarde uit kolom 2 wordt overschreden. Dit bestemmingsplan maakt activiteiten mogelijk die vallen onder categorie D11.2 van het voornoemde onderdeel D. De drempelwaarde van 2.000 woningen uit kolom 2 wordt echter niet overschreden. Derhalve geldt er voor dit project ook geen m.e.r.-beoordelingsplicht.


De vierde variant is de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze variant is aan de orde wanneer het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning een activiteit mogelijk maakt die weliswaar genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, maar deze activiteit de drempelwaarde uit kolom 2 niet overschrijdt. Zoals hiervoor aangeven is dit zo voor dit project. Op grond van artikel 2 lid 5 Besluit milieueffectrapportage is de vormvrije m.e.r.-beoordeling niet geheel vorm vrij. De vereisten voor deze notitie volgen uit artikel 7.16 lid 2 Wet milieubeheer. Met van een beoordelingsbesluit door het college van burgemeester en wethouders op grond van deze aanmeldnotitie zal worden voldaan aan de gestelde vormvereisten. Dit besluit moet daarbij genomen zijn voordat het ontwerp bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd.


Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen (project)m.e.r. noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een (project)m.e.r.-worden uitgevoerd.


In dit geval is de conclusie dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn en dat daarmee het doorlopen van een m.e.r.-procedure achterwege moet blijven. In de aanmeldnotitie die als Bijlage 23 bij deze toelichting is gevoegd wordt deze conclusie nader onderbouwd.

2.3.3.2.2 Duurzaamheid     

Bij de nieuwbouw zal voldaan worden aan de duurzaamheidsmaatregelen zoals opgenomen in het Bouwbesluit en zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van duurzame materialen. Daarnaast zullen de woningen gasloos worden gerealiseerd. Tenslotte zal het hemelwater ter plaatse van het plangebied worden geïnfiltreerd in de bodem doormiddel van infiltratie kratten en een overloop IT-riool.

Conclusie

Het plan voldoet aan het beleid op het gebied van duurzaamheid.

2.3.3.2.3 Bodem     

Een bestemmingsplan dat voorziet in bouw- en/of inrichtingsmogelijkheden dient een reëel beeld te geven van de bodemkwaliteit van de gronden waarop het initiatief betrekking heeft. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.

Toetsing

Om inzicht te kunnen krijgen in de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied is een zogenoemd 'vooronderzoek' uitgevoerd. Dit onderzoek is weergegeven in een rapportage van 25 maart 2022 (zie Bijlage 24 en Bijlage 25). In het onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgelegd. Behalve de chemische kwaliteit is tevens de aanwezigheid van asbest in de bodem onderzocht.

Voor wat betreft de chemische kwaliteit was de hypothese dat geen verontreiniging wordt verwacht ten opzichte van de bodemkwaliteitskaart is bevestigd. Er zijn enkel lichte verhogingen aan zware metalen in zowel de grond als het grondwater aangetoond. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter in voldoende mate de milieuhygiënische situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Er is derhalve geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek.

Voor het thema asbest was de gestelde hypothese dat de bovengrond onverdacht is op het voorkomen van asbest. Deze hypothese is bevestigd. In de bovengrond is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek.

Conclusie

Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor het toekennen van de bestemming Wonen alsmede het feitelijke gebruik dat binnen die bestemming is toegelaten.

2.3.3.2.4 Geluid     

De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1):

  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh):
    1. een verzorgingstehuis;
    2. een psychiatrische inrichting;
    3. een kinderdagverblijf.

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wgh worden geregeld, zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. De Wgh stelt dat in principe de geluidsbelasting op geluidsgevoelige ruimten niet de 48 dB mag overschrijden. Als nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen.

Voorliggend plan voorziet in het wijzigen van de bestemming naar de bestemming 'Wonen'. Het plan voorziet daarmee in de realisatie van 32 grondgebonden woningen, geluidgevoelige objecten.

Beoordeling

Als een ontwikkeling in een zone valt zoals aangegeven in de Wet geluidhinder, moet akoestisch worden aangetoond dat aan de grenswaarden in deze wet wordt voldaan. Wordt niet voldaan aan deze grenswaarden, dan hebben Burgemeester en Wethouders onder voorwaarden de mogelijkheid hogere grenswaarden vast te stellen. Hierbij wordt een procedure doorlopen die aan de eisen van de Wet geluidhinder moet voldoen.

De Wet geluidhinder gaat o.a. in op railverkeerslawaai, industrielawaai, wegverkeerslawaai (> 30 km/uur wegen). In de nabijheid van het plangebied zijn wegen > 30 km/uur gelegen. Een nader akoestisch onderzoek is uitgevoerd om te beoordelen of wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. De resultaten en conclusie van het onderzoek zijn in de opeenvolgende alinea's weergegeven.

Resultaten

Het voornemen bestaat om woningen op een planlocatie aan de Zomerweg in Achter-Drempt te realiseren. De planlocatie bevindt zicht direct naast sportcomplex HC'03 met kantine en dorpshuis 't Hessenhuus (verder HC'03).

Door middel van een akoestisch onderzoek is de haalbaarheid van de woningbouw naast HC'03 en ''t Hessenhuus onderzocht (zie Bijlage 26). Ter plaatse van de nieuwe woningen dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het geluid. Anderzijds mag HC'03 en 't Hessenhuus niet worden belemmerd in haar activiteiten vanwege de komst van nieuwe woningen.

Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de woningen niet zonder meer kan worden voldaan aan de grens- en richtwaarden voor geluid. Er is sprake van overschrijdingen:

- Op trainingsavonden en bij gebruik van 't Hessenhuus is in de avondperiode sprake van overschrijdingen van de richtwaarden voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus. De maatgevende geluidsbron is het geluiduitstralende dak van 't Hessenhuus vanwege het afspelen van versterkte achtergrondmuziek en het gebruik van de installaties.

- Op wedstrijddagen is in de dagperiode sprake van overschrijdingen van de richtwaarde voor het maximale geluidsniveau. De maatgevende geluidsbron is de scheidrechters fluit.

- De grenswaarden volgens het Activiteitenbesluit worden niet overschreden.

Door middel van het toepassen van geluidsschermen op de erfgrenzen van de woningen aan de westzijde van het plangebied kunnen de overschrijdingen in de dagperiode worden weggenomen.

De overschrijdingen van de richtwaarde voor de geluidsniveaus in de avondperiode kunnen worden weggenomen door het plaatsen van een geluidsscherm. Uit een verkennende berekening blijkt dat een geluidsscherm met een hoogte van 6,5 meter langs de zuidelijke erfgrens van de HC'03 en 't Hessenhuus nodig is om te kunnen voldoen aan de richtwaarde.

Een afscherming met een hoogte van 6,5 meter is op deze locatie landschappelijk ongewenst en is bovendien zeer kostbaar. Daarom kan, volgens stap 3 van de VNG-systematiek worden uitgegaan van een 5 dB(A) ruimere richtwaarde. Aan deze richtwaarde (45 dB(A) in de avondperiode) kan zonder maatregelen worden voldaan. Ook wordt voldaan aan de grenswaarden volgens het Activiteitenbesluit. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat, ook zonder een hoge afscherming, bij de nieuw te realiseren woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen mogelijk is en dat de activiteiten van HC'03 en 't Hessenhuus kunnen worden gerespecteerd.

Conclusie

Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig initiatief.

2.3.3.2.5 Luchtkwaliteit     

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichts bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ug/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Zo staat een grenswaarde van 3% gelijk aan bijvoorbeeld de bouw van circa 1500 woningen met één ontsluitingsweg;

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten op-zichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. Zodra een ontwikkeling zich voordoet, die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk kan worden gemaakt, wordt op dat moment het aspect luchtkwaliteit onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

Om te kunnen beoordelen wat de invloed van dit initiatief is op de luchtkwaliteit, is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. In dit geval is de invloed op de voertuigbewegingen per woning op de luchtkwaliteit van belang. Omdat de woningen gasloos zullen worden uitgevoerd, is voor dit aspect gekeken naar het autogebruik door de toekomstige bewoners. Hierbij is uitgegaan van 10 voertuigbewegingen per woning per dag. Bij 32 woningen betekent dit 300 voertuigbewegingen per dag. Uit de NIBM-tool blijkt dat de bijdrage van deze extra verkeersbewegingen niet in betekenende mate is.

De luchtkwaliteit in het plangebied is momenteel goed. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarden. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat voor de woningen.

Conclusie

Er bestaat dan ook geen aanleiding voor nader onderzoek en het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit initiatief.

2.3.3.2.6 Geur     

Voor het aspect geur zijn twee geurbronnen onderzocht: een rioolgemaal en een in het bestemmingsplan opgenomen agrarisch bouwvlak (zie Bijlage 27). Voor het rioolgemaal geldt een richtafstand geldt van 30 meter t.o.v. voor geur gevoelige objecten in de omgeving. Aan die richtafstand wordt voldaan (zie ook paragraaf 2.3.3.2.7 Bedrijven en milieuzonering). Ook is er overleg gevoerd met de gemeente Bronckhorst en het waterschap Rijn en IJssel over dit specifieke gemaal en de door de VNG gegeven richtafstand. Uit dit overleg volgt dat het voldoen aan de richtafstand voldoende is om geurhinder te voorkomen. In de verbeelding is hiervoor een geurcirkel opgenomen. Het plaatsen van extra geurfilters op het gemaal wordt niet aangeraden. Als het gaat om de geur uit de veehouderij dan is van belang dat de nieuwe woningen gevoelig zijn voor geurhinder. Op grond van het geldende bestemmingsplan is binnen het agrarische bouwvlak uitsluitend een grondgebonden veehouderij toegelaten. Op grond van de Wet geluidhinder moet er een afstand van 100 m worden aangehouden tussen de nieuwe woningen en het geuremissiepunt binnen de veehouderij. Hierbij is uitgegaan van de gevel van de bestaande stal t.o.v. de gevels van de nieuwe woningen. Aan de afstand van 100 m wordt voldaan.

Conclusie

Voor dit onderdeel is daarom geconcludeerd dat er geen belemmeringen zullen optreden voor veehouderijen in de omgeving en dat het woon- en leefklimaat voor het initiatief zelf ook niet in het geding is.

2.3.3.2.7 Bedrijven en milieuzonering     

Functie Bepalend aspect Richtafstand Werkelijke afstand
Kerk geluid 30 m meer dan 40 m
Voetbalveld geluid 50 m 50 m
Rioolgemaal geur 30 m 30 m
MFA geluid 10 m 30 m
Horeca geur en geluid 10 m meer dan 100 m

Het tweede aspect is de invloed die de nieuwe woningen zouden kunnen hebben op voor hinder gevoelige objecten in de omgeving. Nu er aan de richtafstanden wordt voldaan, staat vast dat de functies in de omgeving niet gehinderd worden in hun huidige (ontwikkel)mogelijkheden als gevolg van dit project. Er is ook geen reden om aan te nemen dat in dit specifieke geval van een grotere afstand uitgegaan zou moeten worden dan de door de VNG gegeven richtafstanden.

Conclusie

Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van de functies in de omgeving zijn er op basis van de richtafstanden uit de VNG-publicatie geen milieu-ruimte-conflicten te verwachten. Zo ook niet ten aanzien van lichthinder (zie Bijlage 34). Het initiatief vormt geen belemmering voor bestaande functies in de omgeving en het woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen is niet in het geding.

2.3.3.2.8 Externe veiligheid     

Bepaalde maatschappelijke activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van de risico's bij de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid of het nieuw vestigen van dergelijke activiteiten kan beperkingen opleggen aan de omgeving, doordat veiligheidsafstanden tussen risicovolle activiteiten en bijvoorbeeld woningen nodig zijn. Als het gaat om de bronnen van veiligheidsrisico's kan onderscheiden worden tussen stationaire bronnen (zoals een LPG-vulpunt) en mobiele bronnen (zoals het vervoer van gevaarlijke stoffen per vrachtauto).

Beide bronnen zijn in beeld gebracht voor dit project. Bij het beoordelen hiervan is gebruik gemaakt van de Signaleringskaart voor externe veiligheid, waarbij tot een afstand van 4 kilometer is gekeken. Hierbij is onder meer gekeken naar de ligging van hogedrukgasleidingen, wegen en inrichtingen zoals tankstations. Ter plekke van het plangebied wordt voldaan aan de eisen van de externe veiligheid en van een goede ruimtelijke ordening.

Conclusie

Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een risicobron. Ook is het initiatief in zichzelf geen nieuwe risicobron met een (potentiële) invloed op de omgeving. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig initiatief.

2.3.3.2.9 Water     

Voor het thema water spelen twee onderwerpen: het rioolgemaal en omgang met hemelwater. Voor het rioolgemaal betreft het voldoende afstand houden van geurgevoelige bebouwing en terreinen (30 meter vanaf het hart van het gemaal) en de bereikbaarheid van het rioolgemaal voor het waterschap.

Het tweede onderwerp betreft de omgang met hemelwater. Hiervoor wordt de trits 'infiltreren, bergen en afvoeren' gebruikt. Dit betekent dat het de voorkeur heeft om hemelwater (regen) ter plaatse in de bodem te laten infiltreren. Pas wanneer dit niet lukt wordt het water (tijdelijk) geborgen in het oppervlaktewater en als ook dat niet meer toereikend is wordt het water afgevoerd naar een plek buiten het plangebied.

In het plangebied zijn ruim voldoende mogelijkheden om af te koppelen zodat ook het hemelwater dat op de nieuwe verharding valt (wegen, woningen) direct in de bodem kan infiltreren. In en om het plangebied worden ook hemelwaterinfiltratievoorzieningen aangelegd. Dus ook als het gaat om hemelwater zijn er geen relevante effecten te verwachten als gevolg van dit initiatief. Voor het plangebied is de digitale watertoets doorlopen welke is te vinden in Bijlage 28 bij de toelichting van dit plan.

Riolering en afvalwaterketen

Huishoudelijk afvalwater voor de nieuwe woningen wordt geloosd op het gemeentelijk rioleringssysteem. De bestaande capaciteit van de gemeentelijke riolering dient dit op te kunnen vangen. In het plangebied wordt nieuwe riolering aangelegd.

Wateroverlast (oppervlaktewater)

Hemelwater afkomstig van verhard oppervlak (daken of verharding) wordt op de bodem opgevangen en geïnfiltreerd in de bodem conform het beleid van het Waterschap Rijn en IJssel. Hiervoor is in de nieuwe situatie in het plangebied voldoende onverhard oppervlak voor beschikbaar. Uitgegaan wordt van bui T = 100 + 10%. Voor de aanleg van de nieuwe parkeerplaatsen wordt half-open-verharding toegepast. Ook kan hemelwater nog extra worden vastgehouden door toepassing van bijvoorbeeld infiltratiekratten of een daarmee vergelijkbare oplossing. De hemelwaterberekening voor het plangebied laat zien dat wordt voldaan aan de gestelde eisen van het waterschap (zie ook bijgevoegde waterparagraaf/watertoets bij toelichting).

Rioolgemaal

Ten aanzien van het rioolgemaal is er een planregel opgenomen om te borgen dat er geen geurgevoelige gebouwen en terreinen worden gerealiseerd binnen 30 m vanaf het hart van het gemaal. Om de toegang tot het rioolgemaal voor groter materieel te waarborgen worden er geen aanpassingen aan de toegang en bermen naar het rioolgemaal doorgevoerd.

Inrichting en beheer

Op of aangrenzend aan het plangebied zijn geen watergangen aanwezig in het beheer van het waterschap.

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

2.3.3.2.10 Archeologie en cultuurhistorie     

Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet 2016, uitgewerkt in het Besluit Erfgoedwet archeologie, is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.

Het gemeentelijk archeologisch beleid heeft een vertaling gekregen in het bestemmingsplan Stedelijk gebied Bronckhorst. De gronden van het plangebied hebben hierin de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'. Dit betekent dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 250 m2 een rapport van een archeologisch onderzoek overlegd dient te worden, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. 

Tevens moeten op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.

Toetsing

Voor het plangebied zijn een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is weergegeven in een rapport d.d. 8 maart 2022 en bij deze toelichting gevoegd als Bijlage 29. De op basis van het bureauonderzoek verwachtte bodemtypen zijn in het plangebied aanwezig (terrasvlakte, beddingzand, hoogvloedleem en een ooivaaggrond). De hoge en middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen vanaf het Neolithicum tot en met de Tweede Wereldoorlog is echter niet bevestigd met het onderzoek. Vanwege het ontbreken van archeologisch relevante lagen en het feit dat de ondergrond ontstaan is in een nat en dynamisch milieu achten wij vervolgonderzoek niet noodzakelijk.

In of nabij het plangebied komen geen (gebouwde) gemeentelijke of Rijksmonumenten voor. Ook is er geen sprake van andere beschermde cultuurhistorische waarden zoals een beschermd dorpsgezicht. Het thema cultuurhistorie vormt dan ook geen belemmering voor dit initiatief en vraagt ook geen nader onderzoek.

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Op grond van de resultaten van het onderzoek is het opnemen van een dubbelbestemming met als doel het beschermen van niet ontdekte archeologische waarden ook niet noodzakelijk.

Het bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek is ten tijd van het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan, nog niet door de regio-archeoloog van de Omgevingsdienst Achterhoek is beoordeeld. Daardoor is er door de Gemeente Bronckhorst nog geen selectiebesluit genomen. In het ontwerpbestemmingsplan zijn de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' daarom nog wel opgenomen. Als ten tijde van vaststelling van het plan een selectiebesluit is genomen, kan met een gewijzigde vaststelling de dubbelbestemming komen te vervallen.

2.3.3.2.11 Flora en fauna     

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming regelt onder andere de bescherming van de Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen op grond van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Daarnaast is het Gelders Natuurnetwerk (GNN) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. Op basis van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) zijn zeer kwetsbare gebieden aangewezen. Deze gebieden kunnen nadelige invloed ondervinden als de uitstoot van ammoniak op de gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom de gebieden aangewezen als buffer, om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken.

De nieuwe activiteiten die in het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt leiden (mogelijk) tot een geringe hoeveelheid stikstofemissie. Deze stikstofemissie kan worden veroorzaakt door een beperkt aantal verkeersbewegingen als gevolg van de bouw de woningen en het gebruik van de woningen. Voor het plan is daarom voor het onderdeel gebiedsbescherming een aparte stikstofbeoordeling opgenomen in het kader van de gebiedsbescherming.

Stikstofbeoordeling in het kader van gebiedsbescherming

Het doel van de stikstofbeoordeling is het in beeld brengen en beoordelen van de effecten van de stikstofuitstoot ten gevolge van de activiteiten die nodig zijn ter realisatie van het woningbouwplan in Achter Drempt.

In het kader van voorgenomen ontwikkeling zijn is een AERIUS-berekening uitgevoerd ten aanzien van de stikstofdepositie als gevolg van het voornemen. Deze bestaan uit een berekening voor de aanlegfase en een berekening voor de gebruiksfase. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 31, Bijlage 33, Bijlage 35 en Bijlage 36 van deze toelichting. Hierna wordt het rekenresultaat besproken.

Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat de activiteit in de gebruiksfase leidt tot een NOx-emissie van 5,8 kg/jaar en een NH3-emissie van 0,3 kg/jaar. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de gebruiksfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden.

Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.

In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen die een beschermde status hebben op grond van de Wet natuurbescherming. Dit zijn de Natura 2000-gebieden. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld, waarbij per gebied specifieke kenmerken worden beschermd. Een initiatief mag geen significant negatieve invloed hebben op die specifieke kenmerken van een natuurgebied en daarmee op de instandhoudingsdoelstellingen. Deze negatieve invloed kan voortkomen uit verstoring (b.v. door wandelaars) of door de uitstoot van stoffen zoals stikstof.

In dit geval ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op circa 1,5 kilometer afstand. Op die afstand zijn significante effecten door verstoring als gevolg van dit initiatief uitgesloten. Als het gaat om de uitstoot van stoffen (met name stikstof) is een specifiek onderzoek uitgevoerd. Het gaat om een onderzoek met behulp van het voorgeschreven programma Aerius (Uitgevoerd door Natuurbank Overijssel op 14 april 2023).

Conclusie stikstofbeoordeling

Als gevolg van de ontwikkel- en gebruiksfase vindt er een toename van emissie NOx en NH3 plaats, gedurende de ontwikkel- en gebruiksfase. De toename NOx en NH3 leidt echter niet tot toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen Vergunning Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.

Gelders natuurnetwerk (GNN)

Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In voorliggend geval gaat het om het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In of in de directe nabijheid van de NNN (of GNN) geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Het Gelders Natuurnetwerk (GNN), is als onderdeel van het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het GNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Planspecifiek
Het plangebied behoort niet tot het Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan de provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone (geen externe werking).

Soortenbescherming

Op grond van de Wet natuurbescherming is een groot aantal plant- en diersoorten beschermd. Bij ruimtelijke plannen en ingrepen moet worden bepaald of er beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn én of er nadelige effecten optreden voor die soorten. Degene die de feitelijke werkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren heeft hierbij een zorgplicht. Indien er nadelige effecten optreden, dan kunnen de handelingen niet worden uitgevoerd voordat hiervoor een ontheffing is verkregen van het daarvoor bevoegde gezag. Dat bevoegde gezag is meestal het college van Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het plangebied ligt. Om die ontheffing te kunnen verkrijgen moet aannemelijk gemaakt worden dat de negatieve effecten op de beschermde soorten worden weggenomen. Dit door het nemen van mitigerende maatregelen.

Quickscan Flora en Fauna
Door Natuurbank Overijssel is een quickscan natuurwaarden onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is weergegeven in een rapport d.d. 4 maart 2022 (zie Bijlage 30). De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Echter bezetten beschermde amfibie- en grondgebonden zoogdiersoorten een vaste (winter)rust- of voortplantingsplaats in de omliggende houtsingels. Er vinden geen werkzaamheden plaats in deze houtsingels waardoor er geen beschermde amfibieën en grondgebonden zoogdieren gedood worden en er geen vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats beschadigd of vernield wordt. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied.

Conclusie

Het uitgevoerde onderzoek laat zien dat er geen negatieve effecten verwacht worden op aanwezige soorten in het plangebied. Het aspect flora en fauna is hiermee uitvoerbaar.

2.3.3.2.12 Verkeer     

Voor de beperking van verkeersonveiligheid en overlast door wegverkeer, is het van belang om het verkeer te concentreren op de daarvoor bedoelde verkeersaders met een duurzaam veilige inrichting. Daardoor kunnen verblijfsgebieden zo worden ingericht dat de rust, variatie en kleinschaligheid van het landschap behouden blijft.

Met inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK op 28 november 2014 is bepaald dat stedenbouwkundige voorschriften, waaronder ook het parkeren, geregeld moeten worden in het bestemmingsplan. Hierdoor moeten regels voor parkeren worden toegevoegd in bestemmingsplannen en beheersverordeningen.

Op 1 november 2014 is het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Vanaf dat moment is het mogelijk om in de regels van een bestemmingsplan een koppeling te maken met beleidsregels. Hierdoor kan net als in de bouwverordening is gedaan, een flexibele regeling voor parkeren worden opgenomen in een bestemmingsplan. De gemeente Bronckhorst heeft parkeernormen vastgesteld in haar beleidsregels Parkeren. Voor het plan Achter Drempt is daarom een parkeerberekening gemaakt die het aantal benodigde parkeerplaatsen laat zien.

In het plangebied zijn in de openbare ruimte 107 plekken opgenomen. Daarmee wordt voldaan aan de parkeernorm. De 107 plekken worden (vanwege het nog lopende pachtcontract voor het kermisterrein) in uitvoering gefaseerd aangelegd. Met gemeente Bronckhorst zijn hierover afspraken gemaakt. Zie Bijlage 37 Parkeren voor nadere toelichting.

Conclusie

Er wordt voldoende in de parkeerbehoefte voorzien.

2.3.3.2.13 Leidingen     

In het plangebied ligt een bestaande gemeentelijke rioolleiding en een bijbehorend pompgemaal. Het waterschap Rijn en IJssel is eigenaar en beheerder van dit pompgemaal. In de stedenbouwkundige opzet gaan we uit van het verleggen van de leidingen. Uiteraard doen we dit in nauw overleg met de gemeente en het waterschap Rijn en IJssel.

verplicht

Ligging rioolleiding op basis van data pdok.nl

Het pompgemaal kan in zijn huidige uitvoering leiden tot geuroverlast op te realiseren woningen. Dit kan op twee manieren worden opgelost. De eerste oplossing is het aanhouden van een afstand van 30 meter tussen het pompgemaal en de nieuwe woningen. Dit op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' en uitgaande van het gebiedstype 'rustige woonwijk'. De tweede oplossing is het doen van een technische aanpassing (plaatsen van een filter) aan het pompgemaal waardoor de uitstoot van geur beperkt wordt en een kleinere afstand dan 30 meter aangehouden worden.

Het waterschap heeft aangegeven er de voorkeur aan te geven de richtafstand zoveel mogelijk in acht te nemen en niet uit te gaan van het plaatsen van een (extra) filter. In de stedenbouwkundige opzet is daarom de richtafstand van 30 m toegepast. Het gebied tussen de woningen en het gemaal zal worden benut als openbare ruimte, onder meer in de vorm van parkeerplekken voor auto's. De richtafstand wordt vastgelegd in een geurcirkel in de plankaart.

Conclusie

Het thema kabels en leidingen vormt geen belemmering voor het onderhavige plan. Daar waar nodig zullen bestaande leidingen worden verplaatst en nieuwe leidingen worden aangelegd.

2.3.3.3 Volkshuisvesting     

In de Omgevingsvisie Gelderland staat dat de provincie afspraken wil maken met de regio's over het bereiken van een goede balans tussen vraag en aanbod. In het Actieplan Wonen van de provincie Gelderland is geconstateerd dat er sprake is van een woningnood en dat een versnelling van de woningbouw noodzakelijk is. Met name als het gaat om het aanbod in de goedkopen en het middensegment. De provincie heeft tot doel om in de periode tot 2025 45.000 woningen te (laten) realiseren in de provincie. Het doel voor 2030 is de bouw van 80.000 nieuwe woningen. Het centrale sturingsmiddel van de provincie is de Omgevingsverordening. In de omgevingsverordening is aangegeven dat er regionale woonagenda's worden opgesteld door de regio's die vervolgens door het college van Gedeputeerde Staten worden vastgesteld. Deze regionale woonagenda's gelden op grond van de Omgevingsverordening vervolgens als toetsingskader voor bestemmingsplannen waarin woningbouw mogelijk wordt gemaakt.

De Regio Achterhoek heeft de Regionale Woonagenda Achterhoek 2015-2025 opgesteld. Deze is door het college van Gedeputeerde Staten vastgesteld. Deze Regionale Woonagenda is naar aanleiding van de ontwikkelingen op de woningmarkt van de afgelopen jaren geactualiseerd in juni 2019 door de vaststelling van het document 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw in de Achterhoek'. Dankzij deze actualisatie is er meer ruimte voor de nieuwbouw van woningen. Op grond van het regionale beleid is het mogelijk om nieuwe woningen te realiseren (meer dan op grond van de oorspronkelijke woonagenda). Ook wordt de bouw in kleine kernen mogelijk gemaakt. Er wordt een mismatch gesignaleerd tussen de vraag en het aanbod op de woningmarkt. Het doel is deze mismatch op te lossen door:

  • te bouwen voor aantoonbare behoefte (invullen van kwalitatieve tekorten)
  • beperken van nieuwbouw van woningtypen waar een overschot is of dreigt
  • tegelijkertijd ruimtelijke knelpunten op te lossen, vooral leegstaand vastgoed.

De nieuwbouwmogelijkheden worden strategisch ingezet om de voornoemde punten invulling te geven. Voor de kleine kernen en het buitengebied moet de 'aantoonbare behoefte' inzichtelijk worden gemaakt met 'namen en rugnummers'. Daarbij is het van belang dat er geen alternatief beschikbaar is in de bestaande voorraad. Onder meer collectieve initiatieven ('van onderop') hebben een streepje voor.

Het regionale beleid is mede gebaseerd op het AWLO. De meest recente analyse is van december 2021. De analyse laat zien dat de bevolkingsontwikkeling is omgeslagen naar groei. Er vertrekken minder jongeren uit de regio en jonge huishoudens en gezinnen van buiten de regio vestigen zich in de Achterhoek. Daarbij stijgt het aantal vacatures in de regio. De instroom van jongere huishoudens en daarmee van mensen die deelnemen aan het arbeidsproces is dan ook nodig. Ook loopt de druk op de woningmarkt op. Om te voorkomen dat die druk verder oploopt zijn meer woningen nodig. Een koper kan gemiddeld kiezen uit 1,5 woningen (in Bronckhorst is dat 2,0) terwijl dit op een woningmarkt met een normale druk 6 a 7 woningen is.

Bijzondere aandacht is nodig voor betaalbare woningen. Door de stijgende huizenprijzen kunnen bijvoorbeeld starters moeilijk toetreden tot de koopwoningmarkt. Ook is er een tekort aan levensloopgeschikte woningen. Dit is een van de redenen dat ouderen die zouden willen verhuizen dit niet doen. Er zijn in de koopsector meer voor ouderen geschikte woningen nodig. Verder blijft de uitvoering van plannen c.q. de bouw van woningen achter.

In het AWLO van 2021 wordt een toenemen woningbehoefte geconstateerd. De cijfers uit 2019 die ten grondslag lagen aan de kwalitatieve criteria zijn weer achterhaald. De woningbehoefte in de Achterhoek neemt op basis van de jongste cijfers in de periode tot 2030 toe met 4.800 woningen. Dit cijfer moet daarbij gezien worden als een minimum op basis van de trend van de afgelopen jaren.


In de gemeentelijke Woonvisie Bronckhorst 2019-2025 (verder kortweg 'woonvisie' genoemd) is aangegeven dat de Regionale Woonagenda uit 2015 niet meer actueel is en dat er daarom een aanleiding is om zowel het lokale als het regionale woonbeleid te actualiseren. De woonvisie legt de focus op drie thema's:

  1. Passend aanbod;
  2. Duurzaamheid;
  3. Wonen en zorg.

Onder 'passend aanbod' wordt verstaan dat het aanbod aansluit bij de kwalitatieve behoefte en de financiële mogelijkheden van mensen. In de woonvisie werden ten tijde van de vaststelling in 2019 een inhaalslag op de koopwoningmarkt en stijgende woningprijzen gesignaleerd. Deze trend heeft zich sindsdien flink doorgezet. In mei 2021 is het woonbeleid van de gemeente geactualiseerd. Hierbij zijn de mogelijkheden voor woningbouw verruimd op de volgende punten:

  • Meer woningen, ca. 650 woningen: zowel koop als (sociale) huur
  • Meer mogelijkheden voor doorstromers
  • Meer flexibiliteit bij woningbouwplannen in bestaande stenen
  • Meer ruimte voor collectieve woonvormen
  • Ook bouwen aan de randen van kernen

In december 2021 is het woonbeleid opnieuw geactualiseerd. Dit mede op basis van de uitkomsten van het AWLO 2021. De woningbouwopgave voor de periode tot 2030 is daarbij verhoogd naar circa 1.700 tot 2.200 woningen. Daarbij gaat de gemeente ervan uit dat de plancapaciteit circa 130% moet zijn van de werkelijke vraag (dus circa 2.200 tot 2.800 woningen). Daarbij is aangegeven dat er momenteel circa 250 woningen in de pijplijn zitten (harde en zachte plancapaciteit), waarvan er in december 2021 circa 100 zijn gerealiseerd. De prioritaire segmenten zijn ook bijgesteld:

  • Betaalbare woningen voor starters
  • Levensloopbestendige woningen voor senioren
  • Woningen voor doorstromers/ gezinnen: vooral grondgebonden
  • Sociale huurwoningen: grondgebonden en appartement
  • Middenhuur, vooral als tijdelijke woonoplossing
  • Flexibele/ tijdelijke woonvormen, o.a. voor statushouders

Toetsing

Binnen de provincie Gelderland is er behoefte aan het toevoegen van 80.000 woningen in de periode tot 2030. De provincie zet daarbij in op het realiseren van 45.000 woningen in de periode tot en met 2025. Deze opgave is voor de Achterhoek vertaald in een regionale bouwopgave die in belangrijke mate is gebaseerd op het AWLO. Binnen dat regionale kader hebben de individuele gemeenten hun kwantitatieve opgave bepaald. Voor de gemeente Bronckhorst betekent dit de bouw van 1.700 tot 2.200 woningen in de periode tot 2030. Daarbij is woningbouw in ieder kern mogelijk, waarbij de gemeente inzet op enkele grotere locaties bij de grotere kernen zoals Zelhem, Hengelo en Vorden. Het bouwen van circa 30 woningen past binnen deze kwantitatieve opgave.

Wat betreft de kwalitatieve opgave geldt voor de kleine kernen dat gebouwd moet worden voor een actuele concrete behoefte: namen en rugnummers. Voor dit plan is daarom nauw samengewerkt met (een werkgroep van) de Dorpsraad Drempt. Hoewel het plan dus gerealiseerd wordt door een ontwikkelaar, is het wel een plan met sterke wortels in de lokale gemeenschap. Op basis van een lokale enquête is een kopersgroep in beeld gebracht. Het gaat daarbij om mensen die een binding hebben met Achter-Drempt. Dit omdat ze er al wonen, of in het verleden naar elders zijn verhuisd en graag terug willen keren. De vraag vanuit deze groep is divers. Mede daarom wordt er ook een divers aanbod gecreëerd in dit plan. We bouwen naar behoefte. Daarbij dragen we er zorg voor dat ook de prijzen van met name de betaalbare woningen aansluiten bij de financiële mogelijkheden van dat deel van de kopersgroep.

Naast het belang van maatwerk is het ook van belang dat er geen reële alternatieven zijn in het bestaande aanbod. Het actuele koopwoningaanbod in Achter-Drempt bestaat uit één koopwoning (de naastgelegen woning stond te koop maar is verkocht onder voorbehoud). Het gaat om een ruime twee-onder-een-kap (158 m2 woonoppervlak) met een vraagprijs van €495.000,00. In het nabijgelegen Drempt staat ook één woning te koop (andere woningen op zijn verkocht onder voorbehoud of onder bod). Het gaat om een kleine vrijstaande woning (91 m2 woonoppervlak) met een vraagprijs van €495.000,00. Er zijn momenteel geen huurwoningen beschikbaar in Achter-Drempt. Er zijn dan ook geen reële alternatieven voor de actuele concrete woonwensen in het bestaande aanbod.

Het woningbouwprogramma bestaat uit de volgende woningen en woningtypen:

6 Vrijstaande woningen

10 twee-aan-één geschakelde woningen

16 rijwoningen

Totaal: 32 woningen

In het voorjaar van 2022 is de Nationale woon- en bouwagenda bekend geworden. Dit is geldend en voor dit plan relevant beleid. Echter, was deze woon- en bouwagenda nog niet bekend bij de opstart van dit initiatief (november 2021). Het woningbouwprogramma voor deze locatie past daarom slechts ten dele past binnen het gevraagde programma van het rijk (2/3 betaalbaar, met daarvan de helft sociale huur). Bovendien stuurt het rijksprogramma op het doel op betaalbare woningen passend bij de daadwerkelijke woningbouwbehoefte te realiseren. Dit plan sluit volledig aan bij de daadwerkelijke woningbouwbehoefte in Achter Drempt. Dit in nauw overleg met de dorpsraad.

Conclusie

Het aspect volkshuisvesting is daarmee uitvoerbaar.

2.3.3.4 Economisch     

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

De kosten voortvloeiende uit de ontwikkeling komen voor rekening van initiatiefnemers. Met initiatiefnemers wordt een anterieure overeenkomst gesloten waarin tevens het risico op planschade is meegenomen.

Conclusie

Het kostenverhaal voor de gemeente is anderszins verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan op grond van artikel 6.12 Wro achterwege kan blijven.

2.3.3.5 Maatschappelijk     

Een actueel, helder en overzichtelijk bestemmingsplan vormt de basis voor een geloofwaardig ruimtelijk beleid. Met een actueel plan en een goede handhaving van het hierin vastgelegde beleid kunnen de kwaliteiten van het gebied worden beschermd en ruimtelijke ontwikkelingen beter worden gestuurd. Zowel burgers als de uitvoeringsambtenaar moeten snel inzicht krijgen in wat er wel of niet in bepaalde omstandigheden is toegestaan. Dit bijvoorbeeld daar waar het gaat om het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Conform de wettelijke procedure wordt dit bestemmingsplan na besluitvorming door het college ter visie gelegd en heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijze naar voren te brengen.

Participatie

Voorafgaand aan de inzage van het ontwerp heeft een uitgebreid participatietraject plaatsgevonden met onder andere de dorpsraad van Achter Drempt. Hiertoe zijn participatieverslagen overlegd met gemeente.

2.3.3.6 Overleg en inspraak     
2.3.3.6.1 Overleg     

Vooroverleg heeft plaatsgevonden met het Waterschap Rijn en Ijssel en provincie Gelderland.

Waterschap

Heeft schriftelijk aangegeven geen opmerkingen op het plan te hebben wanneer de besproken onderwerpen zoals o.a. aangegeven in de waterparagraaf worden meegenomen.

Provincie Gelderland

De provincie constateert dat dit plan past binnen de provinciale en regionale woningbouwafspraken. Het provinciaal belang is voldoende meegewogen in het plan.

2.3.3.6.2 Inspraak     

Voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan is een participatieproces doorlopen. Dit project vindt zijn oorsprong in een participatieproces dat geïnitieerd is door de Dorpsraad Drempt. Aan de hand van een enquête en een informatieavond heeft de dorpsraad de woonbehoefte binnen de kern gepeild. Hieruit bleek dat er een heel diverse behoefte aan nieuwe woningen bestaat binnen Achter-Drempt: van starters en doorstromers naar senioren. Naast de behoeften van de mensen die al in de kern wonen, signaleren wij ook een behoefte bij zogenaamde 'terugkomers. Dat zijn (jonge) mensen die nu elders wonen omdat er geen passende woning beschikbaar was in Achter-Drempt. Zij willen graag weer terugkeren vanwege de binding die ze hebben en voelen met de kern. Vanuit de dorpsraad is de samenwerking gezocht met Output Projecten BV om het woningbouwplan verder vorm te geven.

Naast de algemene behoeften van de kern Achter-Drempt is er ook aandacht voor de directe buren van het plangebied. Op de eerste plaats zijn dat de twee direct aanwonenden op de adressen Zomerweg 11, 13 en 13a. De bewoner van Zomerweg 13 is tevens de voormalige eigenaar van het plangebied. Met hem zijn wij in goed overleg over het te ontwikkelen plan en de grondaankoop. Ook de bewoner van Zomerweg 13a grenst direct aan het plangebied. Wij hebben binnen de stedenbouwkundige opzet gezocht naar een oplossing die het minst ingrijpend is voor deze bewoner. Dit door het deel van het plangebied dat direct grenst aan zijn tuin een groene functie te geven. Bij de verdere ontwikkeling van het plan wordt dit met hem afstemt en onderzocht of de ideeën aansluiten bij zijn wensen.

De andere buren met wiens belangen wij rechtstreeks rekening hebben gehouden, zijn 't Hessenhuus en de voetbalvereniging HC'03. De wens om een directere verbinding te realiseren met de kern en het creëren van een betere parkeeroplossing zijn geïntegreerd in de stedenbouwkundige opzet. Het goede overleg met het Hessenhuus en de voetbalvereniging worden voortgezet bij de verdere uitwerking van dit plan.

2.3.3.7 Conclusie     

Gelet op de onderbouwing in paragraaf 2.3.3, past het plan binnen het beleidskader en is het plan ten aanzien van omgevingsaspecten en economisch en maatschappelijk uitvoerbaar.

2.3.4 Juridische aspecten planonderdeel     

In deze paragraaf komen de juridische aspecten aan bod die betrekking hebben op de bestemmingen die voorkomen in dit specifieke planonderdeel. De algemene juridische aspecten zijn opgenomen in Hoofdstuk 4.

2.3.4.1 Bestemmingsregels     

NB: Dit zijn standaardteksten uit de bestemmingsplannen 'Stedelijk gebied Bronckhorst' (BP01047-VG01) en 'Landelijk gebied Bronckhorst' (BP01048-VG01). Deze teksten kunnen naar gelieve afhankelijk van de inhoud van het plan worden aangepast, mits daarmee een juiste weergave wordt gegeven van de bestemmingsregels binnen de door de gemeente gegeven kaders

2.3.4.1.1 Verkeer     

Artikel 5 Verkeer

Deze bestemming richt zich op het openbare gebied. Binnen deze bestemming kunnen meerdere doeleinden worden onderscheiden, zoals ontsluitingswegen, voet- en fietspaden, parkeer-, groen- en verblijfsvoorzieningen. Gelet op het openbare karakter van deze bestemming bevinden zich hier ook openbare voorzieningen en vinden activiteiten als evenementen en markten (standplaatsen voor kramen, stallen en voertuigen voor het aanbieden van goederen of diensten) plaats.

Het groen dat geen onderdeel uitmaakt van de hoofdgroenstructuur volgens het groenstructuurplan van de gemeente Bronckhorst (maar wel een ruimtelijke functie vervult) is bestemd als 'Verkeer'.

Garageboxen zijn tevens onder deze bestemming gebracht door middel van de aanduiding 'garage'. Enkel ter plaatse van deze aanduiding zijn garageboxen toegestaan, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m.

Om na verkoop van zogeheten 'overhoekjes' en openbaar groen door de gemeente aan particulieren, deze delen te kunnen gebruiken als tuin, is in de bestemmingsbeschrijving 'tuinen' opgenomen. Hier gelden geen bouwmogelijkheden anders dan vergunningsvrije bouwwerken.

Om terrassen ten behoeve van horeca-activiteiten in de openbare ruimte mogelijk te maken is voor bepaalde gebieden de aanduiding 'terras' opgenomen. Terrassen zijn uitsluitend daar toegelaten. Omdat deze delen van de bestemming in eigendom zijn van de gemeente, kunnen terrassen daar alleen worden gerealiseerd als de exploitant kan beschikken over deze gronden met toestemming van de gemeente.

Bepaalde (invals)wegen van de kern beschikken over een mooie lanenstructuur. Daar waar een fraaie lanenstructuur aanwezig is, is de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - lanenstructuur' opgenomen teneinde aan te geven dat hier de aanwezige laanstructuur behouden dient te blijven.

2.3.4.1.2 Wonen     

Woningen zijn ondergebracht in de bestemming 'Wonen'. Voor regulering van de woonfunctie kan deels verwezen worden naar paragraaf 4.2.2.

Het hoofdgebouw (de woning, al dan niet met aan- en uitbouwen) kunnen worden gerealiseerd binnen het op de verbeelding aangegeven 'bouwvlak'. Deze bouwvlakken zijn, in tegenstelling tot de voorgaande plannen, niet per hoofdgebouw strak om de bestaande bebouwing getrokken, maar betreffen bouwstroken waarbinnen meerdere woningen liggen.

Bij het bepalen van de bouwvlakken worden de volgende uitgangspunten gehanteerd.

  1. zoveel mogelijk bestaande rechten respecteren, tenzij er ruimtelijk-stedenbouwkundige argumenten zijn om te beperken
  2. geen doublures met de toekomstige regels voor vergunningvrij bouwen
  3. ruimte creëren voor de toekomst
  4. toekomstige afwijkingsprocedures voorkomen
  5. rekening houden met belangen belendende bestemmingen/bebouwing
  6. rekening houden met het algemeen ruimtelijk beeld

De woningen worden als volgt gereguleerd. In beginsel worden aaneengesloten bouwvlakken gehanteerd. Woningen van eenzelfde categorie (vrijstaand, twee-aaneen, aaneengebouwd, gestapeld) die naast elkaar gesitueerd zijn, worden zoveel mogelijk in één bouwvlak geplaatst. Daarbij worden in de regel rechthoekige bouwvlakken gehanteerd. Er kunnen stedenbouwkundige redenen zijn om hier van af te wijken. Voor de situering en grootte van het bouwvlak gelden de volgende uitgangspunten:

woningtype min. afstand zijdelingse perceelgrens voetnoot: De afstand tot de zijdelingse perceelgrens geldt alleen voor 'tussensituaties' en 'eindsituaties', die niet op een hoek liggen, bij 'hoeksituaties' gelden andere uitgangspunten  diepte bouwvlak max. oppervlakte min. afstand achterste perceelgrens
vrijstaand [vrij] 5m (eindsituatie)
3m (tussensituatie)
15m 200m2 8m
twee-aaneen [tae] 3m 12m 150m2 8m
aaneengebouwd [aeg] bestaande bebouwing bestaande maat
met afwijking 10m voetnoot: Bij aaneengebouwde woningen wordt de bestaande maat gehanteerd. Het wordt ook mogelijk om, zoals bij vrijstaand en twee-aaneen, het hoofdgebouw aan de achterzijde uit te breiden middels binnenplanse afwijking. Daarbij kan sprake zijn van de schaduwwerking. Aan deze afwijkingsbevoegdheid worden criteria gesteld ter voorkoming van onevenredige hinder voor omwonenden door schaduwwerking of in verband met privacy. 
- 8m
gestapeld bestaande maat bestaande maat - -

Hoewel er door het hanteren van ruime bouwvlakken fysiek ruimte is voor de bouw van een extra woning, is daarvoor geen planologische ruimte. In de planregels is opgenomen dat het bestaand aantal woningen niet mag worden vermeerderd. Dit vanwege het regionale en gemeentelijke woonbeleid (zie paragraaf 3.4.3). Daar waar op grond van het woonbeleid nog ruimte is voor het realiseren van nieuwe woningen, is op de betreffende locaties de aanduiding 'maximum aantal woningen' opgenomen.

De plaatsing van bijbehorende bouwwerken als aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen is in de planregels verbaal beschreven. Alleen in enkele situaties waar dat op stedenbouwkundige gronden gewenst is, is er een aanduiding 'bijgebouwen' toegepast. Bijbehorende bouwwerken zijn ook binnen het bouwvlak mogelijk. De maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op een bouwperceel is 120 m².

Voor kleinere percelen zouden de bouwmogelijkheden voor hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken kunnen leiden tot een ongewenste dichtheid aan bebouwing. Daarom is er per bouwwijze een maximum bebouwingspercentage van het bouwperceel opgenomen, te weten 30% voor vrijstaande woningen, 40% voor twee-aaneen woningen (halfvrijstaand) en 50% voor aaneengebouwde woningen (rijwoningen).

Binnen de woonfunctie worden onder voorwaarden nevenactiviteiten toegelaten in het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken, die qua functie hieraan ondergeschikt zijn. Deze aan huis verbonden activiteiten bestaan uit een aan huis verbonden beroep, een aan huis verbonden bedrijf, internetverkoop en bed & breakfast. Bij een aan huis verbonden beroep en aan huis verbonden bedrijf is het uitgangspunt dat de activiteiten qua aard, omvang en uitstraling past in een woonomgeving. Bij een bedrijf geldt aanvullend dat deze vermeld moet zijn in de activiteiten in de bijgevoegde Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging. Omdat de functiemengingslijst een algemene lijst is waarnaar in meerdere bestemmingen wordt verwezen, is niet zonder meer iedere in de lijst vermelde activiteit toegelaten. Leidend is dat de activiteit past in de woonomgeving. Verder zijn er enkele kwalitatieve en kwantitatieve voorwaarden gesteld en is detailhandel als hoofdactiviteit niet toegestaan.

Bij internetverkoop gaat het om een vorm van detailhandel dat op essentiële punten afwijkt van de traditionele detailhandel in winkels. Waar die traditionele detailhandel nu in bestemmingsplannen wordt uitgesloten vanwege haar (ruimtelijke) uitstraling en effecten op de omgeving, kan internetverkoop juist vanwege de aard en uitstraling van de activiteiten wel worden toegelaten.

Bij een bed & breakfast-accommodatie geldt dat er maximaal 2 gastenkamers mogen worden gebruikt ten behoeve van bed & breakfast. Door deze bepaling is het mogelijk binnen de grenzen van het bestemmingsplan initiatieven te ontplooien ter bevordering van het toerisme.

Een gedeelte van de woning mag onder voorwaarden als afhankelijke woonruimte worden gebruikt. Daarmee is het mogelijk om ruimten binnen de woning in te richten om een naaste te kunnen verzorgen uit het oogpunt van mantelzorg Een belangrijke voorwaarde is echter wel dat er geen sprake mag zijn van woningsplitsing. Hiervoor zijn geen regels in het bestemmingsplan opgenomen omdat het landelijke Besluit omgevingsrecht (Bor) reeds in voorziet in een vergunningvrije mogelijkheid.

Om het gebruik van gronden uitsluitend voor parkeren te garanderen, is daar waar nodig op de verbeelding en in de regels de functieaanduiding 'parkeerterrein' opgenomen.

2.3.4.1.3 Waarde     

De archeologische waarden worden beschermd door middel van dubbelbestemmingen welke zijn gebaseerd op de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Bronckhorst. Deze artikelen zijn inhoudelijk hetzelfde van opbouw, maar verschillen onderling in archeologische waarden en de regels die daar mee samenhangen. 'Waarde - Archeologie' staat voor gebieden met een bekende zeer hoge of hoge archeologische waarde. 'Waarde - Archeologische verwachting 1' staat voor een hoge verwachtingswaarde. 'Waarde - Archeologische verwachting 2' staat voor een middelhoge verwachtingswaarde. 'Waarde - Archeologische verwachting 3' staat voor een voor een lage verwachtingswaarde.

Ter bescherming van deze waarden zijn bouwregels, gebruiksregels en een omgevingsvergunningstelsel opgenomen met daarbij een onderzoeksverplichting. Het bestemmingsregime is afhankelijk van de aangetoonde waarde en de hoogte van de verwachting. De onderzoeksverplichting vervalt als er reeds onderzoeksgegevens bekend zijn of op andere wijze voldoende informatie beschikbaar is over de aanwezigheid van archeologische waarden. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders, als onderzoeksgegevens daartoe aanleiding geven, de dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk kunnen laten vervallen of deze kunnen omzetten van een verwachtingswaarde naar een aangetoonde waarde.

2.4 Aanpassingen op initiatief van de gemeente     

2.4.1 Inleiding     

2.4.1.1 Aanleiding     

In deze paragraaf worden de aanpassingen op initiatief van de gemeente toegelicht die onderdeel uitmaken van dit bestemmingsplan. Het gaat om inpassing van omgevingsvergunningen, huisnummerbesluiten en aanpassingen in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), de verkoop van openbaar groen en ander gemeentegrond en de correcties van omissies van het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' (31-3-2016 vastgesteld) en de daarop volgende veegplannen.

Als er een omgevingsvergunning is verleend met afwijking van het bestemmingsplan, er een omgevingsvergunning is ingetrokken en/of huisnummers voor bestaande vergunde woningen toegekend of ingetrokken en/of aanpassingen plaatsvinden in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), dan worden deze ingepast in een veegplan als deze onherroepelijk en gerealiseerd zijn.

Met enige regelmaat wordt openbaar groen en andere gemeentegronden verkocht. Voor deze gronden zijn overeenkomsten gesloten en als ontbindende voorwaarde opgenomen dat de akte pas passeert nadat het bestemmingsplan onherroepelijk is. Deze verkochte gronden kunnen worden ingepast in een veegplan.

In het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' blijken soms onvolkomenheden te staan die na het vaststellen van het plan in de praktijk naar voren komen. Deze onvolkomenheden kunnen in een het worden in een veegplan hersteld.

In paragraaf 2.4.2 wordt de motivatie gegeven voor het meenemen in dit veegplan.

2.4.1.2 Plangebied     

Het betreft verschillende locaties in het stedelijk gebied. Hieronder de diverse plangebieden (rood omlijnd):

1. Aaltenseweg 4 Hengelo

Het rood omlijnde gedeelte betreft de locatie waarvoor de verkoop van gemeentegrond van toepassing is.

verplicht

Afbeelding: Ligging plangebied

2. Bergstraat 1 Zelhem

Het rood omlijnde gedeelte betreft de locatie waarop de omgevingsvergunning van toepassing is.

verplicht

Afbeelding: Ligging plangebied

3. Bronkhorsterweg 4 Steenderen

Het rood omlijnde gedeelte betreft de locatie waarop de omgevingsvergunning van toepassing is.

verplicht

Afbeelding: Ligging plangebied

4. Doetinchemseweg 71 Zelhem

Het rood omlijnde gedeelte betreft de locatie waarop de omgevingsvergunning van toepassing is.

verplicht

Afbeelding: Ligging plangebied

5. Hofstraat 10 Halle

Het rood omlijnde gedeelte betreft de locatie waarvoor de verkoop van gemeentegrond van toepassing is.

verplicht

Afbeelding: Ligging plangebied

6. Iekink 15 Hengelo

Het rood omlijnde gedeelte betreft de locatie waarvoor de verkoop van gemeentegrond en de correctie van toepassing zijn.

verplicht

Afbeelding: Ligging plangebied

7. Industriepark Zelhem

Het rood omlijnde gedeelte betreft de locatie waarop de aanpassing van toepassing is.

verplicht

Afbeelding: Ligging plangebied

8. J.F. Oltmansstraat 3, 3a en 3B Steenderen

Het rood omlijnde gedeelte betreft de locatie waarvoor de verkoop van gemeentegrond van toepassing is.

verplicht

Afbeelding: Ligging plangebied

9. Ruurloseweg 36B Hengelo

Het rood omlijnde gedeelte betreft de locatie waarvoor de verkoop van gemeentegrond van toepassing is.

verplicht

Afbeelding: Ligging plangebied

10. Smidsstraat 16 Zelhem

Het rood omlijnde gedeelte betreft de locatie waarop de correctie van toepassing is.

verplicht

Afbeelding: Ligging plangebied

11. Zutphen-Emmerikseweg 14A-14B Toldijk

Het rood omlijnde gedeelte betreft de locatie waarop de omgevingsvergunning van toepassing is.

verplicht

Afbeelding: Ligging plangebied

12. Zutphenseweg 1D Vorden

Het rood omlijnde gedeelte betreft de locatie waarop de aanpassing van toepassing is.

verplicht

Afbeelding: Ligging plangebied

2.4.1.3 Vigerende planologische situatie     

1. Aaltenseweg 4 Hengelo

Deze locatie heeft in het vigerende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' de bestemming 'Verkeer' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'.

2. Bergstraat 1 Zelhem

Deze locatie heeft in het vigerende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' de bestemmingen 'Verkeer' en 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'. Het tevens vigerende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied; Veegplan 2022-1B' bevat aanpassingen ten aanzien van de bouwregels van de bestemming 'Wonen' en het begrip 'woondoeleinden'.

3. Bronkhorsterweg 4 Steenderen

Deze locatie heeft in het vigerende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' de bestemming 'Detailhandel', de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1', een bouwvlak, de functieaanduiding 'bedrijfswoning', een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 11 en 6 meter ter plaatse van de bedrijfswoning en respectievelijk 5 en 3 meter ter plaatse van het winkelpand.

4. Doetinchemseweg 71 Zelhem

Deze locatie heeft in het vigerende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' de bestemming 'Kantoor', de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1', een bouwvlak en een maximale bouwhoogte van 6,5 meter.

5. Hofstraat 10 Halle

Deze locatie heeft in het vigerende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' de bestemming 'Verkeer' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'.

6. Iekink 15 Hengelo

Deze locatie heeft in het vigerende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' de bestemming 'Verkeer' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3'.

7. Industriepark Zelhem

Deze locatie heeft in het vigerende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied; Veegplan 2022-1A' de bestemmingen 'Bedrijventerrein' en 'Verkeer', de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1', een bouwvlak, een maximale bouwhoogte van 12 meter, een bebouwingspercentage van 80% en de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1'.

8. J.F. Oltmansstraat 3, 3a en 3B Steenderen

Deze locatie heeft in het vigerende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' de bestemming 'Verkeer' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.

9. Ruurloseweg 36B Hengelo

Deze locatie heeft in het vigerende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' de bestemming 'Groen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'.

10. Smidsstraat 16 Zelhem

Deze locatie heeft in het vigerende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' de bestemming ‘Centrum’, de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', een bouwvlak, een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 10 meter en een functieaanduiding 'horeca van categorie 1'.

11. Zutphen-Emmerikseweg 14A-14B Toldijk

Deze locatie heeft in het vigerende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' de bestemming 'Wonen', de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 2', een bouwvlak, een bouwaanduiding 'twee-aaneen' en een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 7 meter. Het tevens vigerende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied; Veegplan 2022-1B' bevat aanpassingen ten aanzien van de bouwregels van de bestemming 'Wonen' en het begrip 'woondoeleinden'.

12. Zutphenseweg 1D Vorden

Deze locatie heeft in het vigerende bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' de bestemming ‘Centrum’, de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - molenbiotoop', een bouwvlak, een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 7 en 10 meter en de functieaanduidingen 'horeca van categorie 1' en 'specifieke vorm van kantoor - kantoor op de verdieping'.

2.4.1.4 Leeswijzer     

Hoofdstuk 2 Planonderdelen

Dit hoofdstuk geeft in paragraaf 2.4 Aanpassingen op initiatief van de gemeente de ruimtelijke onderbouwing van dit specifieke planonderdeel. Het bevat de inleiding van het planonderdeel (paragraaf 2.4.1), de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.4.2) en de uitvoerbaarheid van dit planonderdeel (paragraaf 2.4.3).

Paragraaf 2.4.1 Inleiding

Deze paragraaf bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 2.4.1.1), een beschrijving van het plangebied (paragraaf 2.4.1.2), de vigerende planologische situatie (paragraaf 2.4.1.3) en deze leeswijzer (paragraaf 2.4.1.4).

Paragraaf 2.4.2 Initiatief

In deze paragraaf wordt het initiatief toegelicht. Hierbij wordt ingegaan op de beschrijving van het initiatief (paragraaf 2.4.2.1).

Paragraaf 2.4.3 Uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Het betreft de toetsing van het beleidskader (paragraaf 2.4.3.1), omgevingsaspecten (paragraaf 2.4.3.2), volkshuisvestelijke aspecten (paragraaf 2.4.3.3), economische aspecten (paragraaf 2.4.3.4), maatschappelijke aspecten (paragraaf 2.4.3.5) en overleg en inspraak (paragraaf 2.4.3.6). Per uitvoerbaarheidsaspect wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is op dat aspect. De laatste paragraaf (2.4.3.7) geeft een eindconclusie over de uitvoerbaarheid van het plan.

Paragraaf 2.4.4 Juridische aspecten planonderdeel

In deze paragraaf wordt een juridische toelichting gegeven op de in dit planonderdeel voorkomende bestemmingen.

2.4.2 Initiatief     

2.4.2.1 Planbeschrijving     

1. Aaltenseweg 4 Hengelo

Hier is een deel van openbare ruimte verkocht als tuingrond bij de aangrenzende woning. Dit wordt bij de tuin getrokken. De gewijzigde situatie is ingepast in dit bestemmingsplan. Bij deze gronden is de bestemming 'Verkeer' gewijzigd naar 'Wonen'. De bestaande dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' blijft ongewijzigd.

2. Bergstraat 1 Zelhem

Op 20 december 2021 is een omgevingsvergunning verleend in afwijking van het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' voor het verbouwen en vergroten van een supermarkt en het aanleggen van nieuwe parkeerplaatsen. Deze vergunning is in onderhavig bestemmingsplan ingepast door ter plaatse van de uitbreiding de bestemming 'Verkeer' te wijzigen in 'Centrum', het bouwvlak uit te breiden met een bouwhoogte van 7 meter en de functieaanduidingen 'supermarkt' en 'horeca van categorie 1'. Dit aansluitend aan de bestemmingsregeling van het bestaande pand. Ter plaatse van de nieuwe parkeerplaats is de bestemming 'Wonen' gewijzigd in 'Verkeer'. De bestaande dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en de bestemmingsregeling van het bestaande pand blijven ongewijzigd.

3. Bronkhorsterweg 4 Steenderen

Op 15 december 2020 is een omgevingsvergunning verleend in afwijking van het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' voor het wijzigen van het gebruik van een woon-/winkelpand als particuliere woning. Deze vergunning is in onderhavig bestemmingsplan ingepast door de bestemming 'Wonen' met de bouwaanduiding 'vrijstaand' op te nemen ter vervanging van de bestemming 'Detailhandel'. Het bouwvlak is aangepast, conform de uitgangspunten voor bouwvlakken bij vrijstaande woningen ter plaatse van de bestaande bedrijfswoning. De functieaanduiding 'bedrijfswoning', het overige gedeelte van het bouwvlak en de daar aanwezige maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 5 meter, zijn verwijderd. De bestaande dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en de maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 11 meter ter plaatse van de bestaande woning blijven ongewijzigd.

4. Doetinchemseweg 71 Zelhem

Op 31 januari 2022 is een omgevingsvergunning verleend in afwijking van het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' voor het wijzigen van het gebruik van een kantoorpand als particuliere woning. Deze vergunning is in onderhavig bestemmingsplan ingepast door de bestemming 'Wonen' met de bouwaanduiding 'vrijstaand' op te nemen ter vervanging van de bestemming 'Kantoor'. De bestaande dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1', het bouwvlak en de maximale bouwhoogte van 6,5 meter blijven ongewijzigd.

5. Hofstraat 10 Halle

Hier is een deel van openbare ruimte verkocht als tuingrond bij de aangrenzende woning. Dit wordt bij de tuin getrokken. De gewijzigde situatie is ingepast in dit bestemmingsplan. Bij deze gronden is de bestemming 'Verkeer' gewijzigd naar 'Wonen'. De bestaande dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' blijft ongewijzigd.

6. Iekink 15 Hengelo

Hier is een deel van openbare ruimte verkocht als tuingrond bij de aangrenzende woning. Dit wordt bij de tuin getrokken. De gewijzigde situatie is ingepast in dit bestemmingsplan. Ook is er reeds jaren geleden een strook grond verkocht aan deze woning en betrokken bij de tuin. Dit is echter niet opgenomen in eerdere bestemmingsplannen. Dit wordt gecorrigeerd in dit bestemmingsplan. Bij deze gronden is de bestemming 'Verkeer' gewijzigd naar 'Wonen'. De bestaande dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' blijven ongewijzigd.

7. Industriepark Zelhem

Op 24 april 2022 is het bestemmingsplan Stedelijk gebied; Veegplan 2022-1A vastgesteld. Onderdeel van dat bestemmingsplan was de herstructurering van bedrijventerrein 'Industriepark' in Zelhem. Daarbij is de weg (Industriepark) verlegd en verbreed, zodat de bereikbaarheid, de verkeersveiligheid en de stenige en beperkte uitstraling van het bedrijventerrein kunnen worden verbeterd. Bij de uitvoering van het plan en uitruil van grond tussen gemeente en derden, blijkt dat het tracé van de weg net iets anders moet komen te liggen dan aanvankelijk beoogd. Dit vergt een beperkte planaanpassing, welke in onderhavig veegplan wordt gecorrigeerd. Het gedeelte waar de weg afbuigt, is de bestemming 'Verkeer' 10 meter in westelijke richting verlegd. Op de plek van de aanvankelijk beoogde weg heeft de bestemming 'Bedrijventerrein' gekregen. Het bouwvlak is, conform de uitgangspunten voor bedrijventerreinen, op 5 meter van de bestemming 'Verkeer' (het openbaar gebied) gelegd. Op het bouwvlak is een maximale bouwhoogte van 12 meter en een bebouwingspercentage van 80% opgenomen. Op de bestemming 'Bedrijventerrein' ten westen van de bestemming 'Verkeer' is de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' opgenomen. Een en ander zoals dit reeds in dit gedeelte van het bedrijventerrein geldt. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' blijft onveranderd.

8. J.F. Oltmansstraat 3, 3a en 3B Steenderen

Hier is een deel van openbare ruimte verkocht als tuingrond bij de aangrenzende woningen nummers 3 en 3b en voorerf bij de aangrenzende centrumbestemming nummer 3a. Dit wordt bij voorerven van de aangrenzende panden getrokken. De gewijzigde situatie is ingepast in dit bestemmingsplan. Bij deze gronden is de bestemming 'Verkeer' gewijzigd naar 'Wonen' bij nummers 3 en 3b en 'Centrum' bij nummer 3a. De bestaande dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' blijft ongewijzigd.

9. Ruurloseweg 36B Hengelo

Hier is een deel van openbare ruimte verkocht als tuingrond bij de aangrenzende woning. Dit wordt bij de tuin getrokken. De gewijzigde situatie is ingepast in dit bestemmingsplan. Bij deze gronden is de bestemming 'Groen' gewijzigd naar 'Wonen'. De bestaande dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' blijft ongewijzigd.

10. Smidsstraat 16 Zelhem

Hier is sprake van bestaande vergunde woonruimten op de begane grond. Binnen de bestemming 'Centrum' zijn bestaande situaties van bewoning op de begane grond in het geldende bestemmingsplan aangegeven met de functieaanduiding 'wonen'. Deze aanduiding is hier abusievelijk niet opgenomen. Deze omissie wordt gecorrigeerd in dit bestemmingsplan. De aanduiding 'wonen' is alsnog opgenomen. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', het bouwvlak, een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 10 meter en een functieaanduiding 'horeca van categorie 1' blijven ongewijzigd.

11. Zutphen-Emmerikseweg 14A-14B Toldijk

Op 21 juni 2021 is een omgevingsvergunning verleend in afwijking van het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied Bronckhorst' voor het splitsen van een halfvrijstaande woning. Deze vergunning is in onderhavig bestemmingsplan ingepast door de bouwaanduiding 'twee-aaneen' te vervangen door 'aaneengebouwd'. De bestaande bestemming 'Wonen', de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 2', het bouwvlak en de maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 en 7 meter, blijven ongewijzigd.

12. Zutphenseweg 1D Vorden

op 19 november 2020 is vergunning verleend voor het realiseren van 8 appartementen op de verdieping van dit pand in het centrum van Vorden. Binnen de bestemmingsplansystematiek wordt in de bestemming 'Centrum' het aantal gerealiseerde woningen niet met een maatvoering aangegeven. Het bestaand aantal woningen is toegelaten en mag niet worden vermeerderd. De verleende vergunning hoeft dus niet worden ingepast in een bestemmingsplan. Echter met het realiseren van de appartementen, wordt er geen invulling meer gegeven aan de functie kantoor op de verdieping. Kantoren op de verdieping zijn enkel toegelaten, waar dit met de functieaanduiding 'specifieke vorm van kantoor - kantoor op de verdieping' is aangegeven. Dat is hier het geval. Deze aanduiding wordt in onderhavig plan van de verbeelding verwijderd. De bestemming ‘Centrum’, de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - molenbiotoop', het bouwvlak, de maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 7 en 10 meter en de functieaanduidingen 'horeca van categorie 1', blijven ongewijzigd.

2.4.3 Uitvoerbaarheid     

2.4.3.1 Toetsing aan beleidskader     

Toetsing aan beleid heeft reeds plaatsgevonden bij eerdere besluitvorming of is, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, niet in het geding.

2.4.3.2 Omgevingsaspecten     

Omgevingsaspecten zijn reeds betrokken en onderzocht bij eerdere besluitvorming of zijn, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, niet in het geding.

Bij Ruurloseweg 36B in Hengelo is sprake van verkoop van gemeentelijk groen dat in de hoofdgroenstructuur ligt en in het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Groen' heeft.

De hoofdgroenstructuur is een samenhangend geheel van groene punten, linten en vlakken die bepalend zijn voor de beleving en uitstraling van de gemeente. Hieronder vallen:

  • Bomenstructuren die een belangrijke bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente, lange lijnen, historische lijnen, verbindingsschakels.
  • De groenvoorzieningen die onvervangbaar zijn en een bijzondere bijdrage leveren aan de kwaliteit, identiteit en belevingswaarde van de stad.
  • De groenvoorzieningen die een belangrijke natuurwaarde hebben.
  • Groenstroken die door hun omvang en/of ligging bijdrage aan de samenhang van de totale groenstructuur.

De hoofdgroenstructuur moet zowel kwalitatief als kwantitatief in stand worden gehouden. Bij het opstellen van het groenstructuurplan zijn een aantal uitgangspunten gehanteerd voor het benoemen van de hoofdgroenstructuur. Als eerste hebben we gekeken naar de grootte. De percelen moeten ten minste 500 m2 groot zijn. Vervolgens moeten ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke structuur en onderlinge samenhang hebben.

De strook grond aan de achterzijde van Ruurloseweg 36B in Hengelo, die is verkocht aan de eigenaar van de woning om bij de tuin te betrekken, voldoet niet aan bovengenoemde criteria en is niet van wezenlijke waarde voor de hoofdgroenstructuur. Verkoop van dit perceel doet geen afbreuk aan kwaliteit en/of de samenhang in de hoofdgroenstructuur.

2.4.3.3 Volkshuisvesting     

Volkshuisvestingsaspecten zijn reeds betrokken en onderzocht bij eerdere besluitvorming of zijn, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, niet in het geding.

2.4.3.4 Economisch     

Economische aspecten zijn reeds betrokken en onderzocht bij eerdere besluitvorming of zijn, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, niet in het geding. Van een toewijsbare claim op planschade zal redelijkerwijs van geen sprake zijn.

2.4.3.5 Maatschappelijk     

Maatschappelijke aspecten zijn reeds betrokken en onderzocht bij eerdere besluitvorming of zijn, gelet op de aard en omvang van de planologische wijziging, niet in het geding.

2.4.3.6 Overleg en inspraak     
2.4.3.6.1 Overleg     

Er zijn, gelet op de aard van het plan, geen belangen van andere overheden in het geding. Voorafgaand overleg is dan ook niet gevoerd.

Het ontwerp van het bestemmingsplan wordt bij aanvang van de procedure toegezonden aan de Provincie Gelderland en het Waterschap Rijn en IJssel.

2.4.3.6.2 Inspraak     

Ten aanzien van de omgevingsvergunningen die in dit plan zijn ingepast, hebben belanghebbenden de mogelijkheid gehad om bezwaar te maken tegen de verleende vergunningen. Tegen deze vergunningen is geen bezwaar gemaakt. Gelet op de aard van het plan, zijn voor het overige geen belangen van derden in het geding. Er is daarom geen inspraak gevoerd.

2.4.3.7 Conclusie     

Het plan is, gelet op beleid, omgevingsaspecten, volkshuisvesting, economisch en maatschappelijk uitvoerbaar.

2.4.4 Juridische aspecten planonderdeel     

In deze paragraaf komen de juridische aspecten aan bod die betrekking hebben op de bestemmingen die voorkomen in dit specifieke planonderdeel. De algemene juridische aspecten zijn opgenomen in Hoofdstuk 4.

2.4.4.1 Bestemmingsregels     
2.4.4.1.1 Bedrijven     

Voor de bestemming 'Bedrijventerrein' is het uitgangspunt dat de vigerende regeling zoveel mogelijk is overgenomen, met onder meer de vigerende bouwhoogtes en bebouwingspercentages. Met betrekking tot de milieucategorieën is waar mogelijk aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan. Hierbij is zoveel mogelijk zonering toegepast op basis van bestaande perceelsgrenzen.

Nieuwbouw van bedrijfswoningen is binnen deze bestemming in principe niet toegestaan. De op het bedrijventerrein aanwezige bedrijfswoningen zijn aangeduid als 'bedrijfswoning'. Enkel ter plaatse van deze aanduidingen is een bedrijfswoning toegestaan.

Voor gebouwen geldt dat deze op minimaal 3 m van de zijdelingse perceelsgrens dienen te worden gebouwd. Het bevoegd gezag kan hiervan afwijken indien het bestaande bedrijfsgebouw reeds is gelegen op een kortere afstand en alsdan tot uiterlijk de bestaande afstand tot de zijdelingse perceelsgrens. Daarnaast dient voldaan te worden aan de overige voorwaarden zoals opgenomen in 3.4.2.

Detailhandel is slechts in beperkte mate toegelaten. Het betreft detailhandelsactiviteiten die de voorzieningen in centrumgebieden niet aantast, zoals internetverkoop, detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit in ter plaatse vervaardigde of bewerkte producten. Daarnaast geldt dat bestaande niet-wederrechtelijke detailhandelsactiviteiten mogen worden voortgezet. Detailhandel in volumineuze goederen, dat niet past in centrumgebieden, is enkel met een afwijking van het bestemmingsplan toegelaten.

Zelfstandige kantoren zijn niet toegelaten maar enkel als onderdeel van de toegelaten bedrijven. De reeds aanwezige zelfstandige kantoren mogen worden voortgezet en zijn met een aanduiding op de kaart aangegeven.

2.4.4.1.2 Centrum     

'Centrum' is een verzamelbestemming waarbinnen vele functies in de centrumgebieden zijn ondergebracht, die onderling ook uitwisselbaar zijn. Zo zijn onder meer (ambachtelijke) bedrijven, detailhandel, dienstverlening, cultuur en ontspanning, maatschappelijk, horeca en wonen toegestaan binnen deze bestemming. Door een algemene bestemming voor deze gronden op te nemen wordt het uitwisselen van functies vergemakkelijkt, wat de levendigheid van het centrum ten goede komt. Voor diverse functies zijn echter wel verdere regels opgenomen, die zorgen voor een nadere regulering.

Voor horeca is het uitgangspunt dat lichte horeca (categorie 2) zoals cafetaria, lunchroom, broodjeszaak, overal is toegestaan. Uit de masterplannen voor de centra van Hengelo en Vorden vloeit voort dat de doelstelling is om zwaardere horeca (categorie 1) als hotels, cafés en restaurants te concentreren 'rond de kerk'. Daarom is in deze gebieden deze vorm van horeca aangeduid op de kaart in die gebieden waar dit wordt toegelaten. In andere centrumgebieden zijn horeca van categorie 1 en 2 direct toegelaten omdat daar deze doelstelling vanuit een masterplan niet geldt. Mogelijk dat in de toekomst deze doelstelling ook voor andere centrumgebieden gaat gelden, dan kan ook daar dezelfde systematiek gaan gelden. De zwaarste horeca (categorie 3) zoals zaalaccommodaties en discotheken zijn alleen toegelaten daar waar dat op de kaart is aangeduid.

Voor detailhandel is bepaald dat het vloeroppervlak van detailhandelsvestigingen niet meer mag bedragen dan 1500 m². Dit sluit aan bij provinciaal beleid.

Supermarkten zijn aangeduid als 'supermarkt' en zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van deze aanduiding. Deze aanduiding is onder meer opgenomen vanwege de verkeersaantrekkende werking van dergelijke detailhandel, door supermarkten op bepaalde locaties vast te leggen kan deze overlast beperkt worden.

Voor terrassen geldt dat deze uitsluitend zijn toegelaten aan de naar de openbare weg gekeerde zijde van een horecabedrijf. Daar waar reeds op andere plekken terrassen aanwezig zijn, zijn deze toegelaten en aangeduid op de kaart. Daarmee handhaven we de huidige situatie.

De woonfunctie is gelet op de bedrijvigheid enkel toegestaan op de verdieping, met dien verstande dat er een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen teneinde wonen ook op de begane grond toe te staan. In enkele panden vindt er al bewoning op de begane grond plaats. Deze woningen zijn op de verbeelding aangeduid met als 'wonen'.

Commerciële activiteiten op de begane grond zijn in eerste aanleg enkel toegelaten in combinatie met de bestaande woningen op de etage(s). Dit om te voorkomen dat het centrumgebied na winkelsluitingstijd 'leegloopt' en er geen levendigheid meer is. Daar waar reeds sprake is van commerciële ruimte zonder wonen, is deze situatie bij recht toegelaten. Het bestaande aantal woningen is toegestaan en mag niet worden vermeerderd. Dit vanwege het regionale en gemeentelijke woonbeleid (zie paragraaf 3.4.3). Daar waar op grond van het woonbeleid nog ruimte is voor het realiseren van nieuwe woningen, is op de betreffende locaties de aanduiding 'maximum aantal woningen' opgenomen.

2.4.4.1.3 Verkeer     

De bestemming 'Verkeer' richt zich op het openbare gebied. Binnen deze bestemming kunnen meerdere doeleinden worden onderscheiden, zoals ontsluitingswegen, voet- en fietspaden, parkeer-, groen- en verblijfsvoorzieningen. Gelet op het openbare karakter van deze bestemming bevinden zich hier ook openbare voorzieningen en vinden activiteiten als evenementen en markten (standplaatsen voor kramen, stallen en voertuigen voor het aanbieden van goederen of diensten) plaats.

Het groen dat geen onderdeel uitmaakt van de hoofdgroenstructuur volgens het groenstructuurplan van de gemeente Bronckhorst (maar wel een ruimtelijke functie vervult) is bestemd als 'Verkeer'.

Om na verkoop van zogeheten 'overhoekjes' en openbaar groen door de gemeente aan particulieren, deze delen te kunnen gebruiken als tuin, is in de bestemmingsbeschrijving 'tuinen' opgenomen. Hier gelden geen bouwmogelijkheden anders dan vergunningsvrije bouwwerken. Bepaalde (invals)wegen van de kern beschikken over een mooie lanenstructuur. Daar waar een fraaie lanenstructuur aanwezig is, is de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - lanenstructuur' opgenomen teneinde aan te geven dat hier de aanwezige laanstructuur behouden dient te blijven.

2.4.4.1.4 Wonen     

Woningen zijn ondergebracht in de bestemming 'Wonen'. Voor regulering van de woonfunctie kan deels verwezen worden naar paragraaf 4.2.2.

Het hoofdgebouw (de woning, al dan niet met aan- en uitbouwen) kunnen worden gerealiseerd binnen het op de verbeelding aangegeven 'bouwvlak'. Deze bouwvlakken zijn, in tegenstelling tot de voorgaande plannen, niet per hoofdgebouw strak om de bestaande bebouwing getrokken, maar betreffen bouwstroken waarbinnen meerdere woningen liggen.

Bij het bepalen van de bouwvlakken worden de volgende uitgangspunten gehanteerd.

  1. zoveel mogelijk bestaande rechten respecteren, tenzij er ruimtelijk-stedenbouwkundige argumenten zijn om te beperken
  2. geen doublures met de toekomstige regels voor vergunningvrij bouwen
  3. ruimte creëren voor de toekomst
  4. toekomstige afwijkingsprocedures voorkomen
  5. rekening houden met belangen belendende bestemmingen/bebouwing
  6. rekening houden met het algemeen ruimtelijk beeld

De woningen worden als volgt gereguleerd. In beginsel worden aaneengesloten bouwvlakken gehanteerd. Woningen van eenzelfde categorie (vrijstaand, twee-aaneen, aaneengebouwd, gestapeld) die naast elkaar gesitueerd zijn, worden zoveel mogelijk in één bouwvlak geplaatst. Daarbij worden in de regel rechthoekige bouwvlakken gehanteerd. Er kunnen stedenbouwkundige redenen zijn om hier van af te wijken. Voor de situering en grootte van het bouwvlak gelden de volgende uitgangspunten:

woningtype min. afstand zijdelingse perceelgrens voetnoot: De afstand tot de zijdelingse perceelgrens geldt alleen voor 'tussensituaties' en 'eindsituaties', die niet op een hoek liggen, bij 'hoeksituaties' gelden andere uitgangspunten  diepte bouwvlak max. oppervlakte min. afstand achterste perceelgrens
vrijstaand [vrij] 5m (eindsituatie)
3m (tussensituatie)
15m 200m2 8m
twee-aaneen [tae] 3m 12m 150m2 8m
aaneengebouwd [aeg] bestaande bebouwing bestaande maat
met afwijking 10m voetnoot: Bij aaneengebouwde woningen wordt de bestaande maat gehanteerd. Het wordt ook mogelijk om, zoals bij vrijstaand en twee-aaneen, het hoofdgebouw aan de achterzijde uit te breiden middels binnenplanse afwijking. Daarbij kan sprake zijn van de schaduwwerking. Aan deze afwijkingsbevoegdheid worden criteria gesteld ter voorkoming van onevenredige hinder voor omwonenden door schaduwwerking of in verband met privacy. 
- 8m
gestapeld bestaande maat bestaande maat - -

Hoewel er door het hanteren van ruime bouwvlakken fysiek ruimte is voor de bouw van een extra woning, is daarvoor geen planologische ruimte. In de planregels is opgenomen dat het bestaand aantal woningen niet mag worden vermeerderd. Dit vanwege het regionale en gemeentelijke woonbeleid (zie paragraaf 3.4.3). Daar waar op grond van het woonbeleid nog ruimte is voor het realiseren van nieuwe woningen, is op de betreffende locaties de aanduiding 'maximum aantal woningen' opgenomen.

De plaatsing van bijbehorende bouwwerken als aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen is in de planregels verbaal beschreven. Alleen in enkele situaties waar dat op stedenbouwkundige gronden gewenst is, is er een aanduiding 'bijgebouwen' toegepast. Bijbehorende bouwwerken zijn ook binnen het bouwvlak mogelijk. De maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op een bouwperceel is 120 m².

Voor kleinere percelen zouden de bouwmogelijkheden voor hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken kunnen leiden tot een ongewenste dichtheid aan bebouwing. Daarom is er per bouwwijze een maximum bebouwingspercentage van het bouwperceel opgenomen, te weten 30% voor vrijstaande woningen, 40% voor twee-aaneen woningen (halfvrijstaand) en 50% voor aaneengebouwde woningen (rijwoningen).

Binnen de woonfunctie worden onder voorwaarden nevenactiviteiten toegelaten in het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken, die qua functie hieraan ondergeschikt zijn. Deze aan huis verbonden activiteiten bestaan uit een aan huis verbonden beroep, een aan huis verbonden bedrijf, internetverkoop en bed & breakfast. Bij een aan huis verbonden beroep en aan huis verbonden bedrijf is het uitgangspunt dat de activiteiten qua aard, omvang en uitstraling past in een woonomgeving. Bij een bedrijf geldt aanvullend dat deze vermeld moet zijn in de activiteiten in de bijgevoegde Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging. Omdat de functiemengingslijst een algemene lijst is waarnaar in meerdere bestemmingen wordt verwezen, is niet zonder meer iedere in de lijst vermelde activiteit toegelaten. Leidend is dat de activiteit past in de woonomgeving. Verder zijn er enkele kwalitatieve en kwantitatieve voorwaarden gesteld en is detailhandel als hoofdactiviteit niet toegestaan.

Bij internetverkoop gaat het om een vorm van detailhandel dat op essentiële punten afwijkt van de traditionele detailhandel in winkels. Waar die traditionele detailhandel nu in bestemmingsplannen wordt uitgesloten vanwege haar (ruimtelijke) uitstraling en effecten op de omgeving, kan internetverkoop juist vanwege de aard en uitstraling van de activiteiten wel worden toegelaten.

Bij een bed & breakfast-accommodatie geldt dat er maximaal 2 gastenkamers mogen worden gebruikt ten behoeve van bed & breakfast. Door deze bepaling is het mogelijk binnen de grenzen van het bestemmingsplan initiatieven te ontplooien ter bevordering van het toerisme.

Een gedeelte van de woning mag onder voorwaarden als afhankelijke woonruimte worden gebruikt. Daarmee is het mogelijk om ruimten binnen de woning in te richten om een naaste te kunnen verzorgen uit het oogpunt van mantelzorg Een belangrijke voorwaarde is echter wel dat er geen sprake mag zijn van woningsplitsing. Hiervoor zijn geen regels in het bestemmingsplan opgenomen omdat het landelijke Besluit omgevingsrecht (Bor) reeds in voorziet in een vergunningvrije mogelijkheid.

Om het gebruik van gronden uitsluitend voor parkeren te garanderen, is daar waar nodig op de verbeelding en in de regels de functieaanduiding 'parkeerterrein' opgenomen.

2.4.4.1.5 Waarde     

De archeologische waarden worden beschermd door middel van dubbelbestemmingen welke zijn gebaseerd op de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Bronckhorst. Deze artikelen zijn inhoudelijk hetzelfde van opbouw, maar verschillen onderling in archeologische waarden en de regels die daar mee samenhangen. 'Waarde - Archeologie' staat voor gebieden met een bekende zeer hoge of hoge archeologische waarde. 'Waarde - Archeologische verwachting 1' staat voor een hoge verwachtingswaarde. 'Waarde - Archeologische verwachting 2' staat voor een middelhoge verwachtingswaarde. 'Waarde - Archeologische verwachting 3' staat voor een voor een lage verwachtingswaarde.

Ter bescherming van deze waarden zijn bouwregels, gebruiksregels en een omgevingsvergunningstelsel opgenomen met daarbij een onderzoeksverplichting. Het bestemmingsregime is afhankelijk van de aangetoonde waarde en de hoogte van de verwachting. De onderzoeksverplichting vervalt als er reeds onderzoeksgegevens bekend zijn of op andere wijze voldoende informatie beschikbaar is over de aanwezigheid van archeologische waarden. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders, als onderzoeksgegevens daartoe aanleiding geven, de dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk kunnen laten vervallen of deze kunnen omzetten van een verwachtingswaarde naar een aangetoonde waarde.

2.4.4.1.6 Molenbiotoop     

In Artikel 12 Algemene bouwregels zijn, vanwege de nabijgelegen molens, bepalingen opgenomen die betrekking hebben op het bouwen binnen de invloedssfeer van een molen ('Vrijwaringszone - molenbiotoop'). Binnen de molenbiotoop gelden beperkingen voor bouwwerken en beplanting die de windvang van de molen negatief kunnen beïnvloeden. Binnen 100 meter rond de molen geldt de onderste punt van de verticaal staande wiek als maximale hoogte en van 100 tot 400 meter rond de molen maximaal 1/100 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen, gerekend van de onderste punt van de verticale staande wiek. Het bevoegd gezag kan hiervan afwijken door middel van een omgevingsvergunning als dit uit stedebouwkundig oogpunt wenselijk en aanvaardbaar is en er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding van de molenbiotoop.

Hoofdstuk 3 Beleidskader     

In dit hoofdstuk wordt het algemene ruimtelijke beleidskader weergegeven. De paragrafen bevatten samenvattingen van het beleid het rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid.

3.1 Rijksbeleid     

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)     

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050.

In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten:

  • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • duurzaam economisch groeipotentieel
  • sterke en gezonde steden en regio's
  • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

Een van de nationale belangen is het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. Vitale functies in de maatschappij zijn afhankelijk van een betrouwbare toelevering en uitwisseling van energie. Voor iedereen moet deze energie betaalbaar zijn. Energie moet veilig worden opgewekt, gewonnen, getransporteerd, opgeslagen en gebruikt. Met betrekking tot 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' is in de NOVI aangegeven dat de transitie naar hernieuwbare energie meer ruimte vraagt voor transport, distributie, conversie en opslag van energie, zowel boven- als ondergronds. In plaats van enkele relatief grote 'puntbronnen' (centrales) en transport van energie in één richting zal sprake zijn van meerdere, vaak decentrale en sterk in grootte verschillende bronnen (zon-, wind- en bodemenergie) en tweerichtingsverkeer (gebruik en productie) van energie.

Duurzaam economisch groeipotentieel

In het kielzog van de COVID-19-pandemie werken we hard om de gevolgen voor onze economie zoveel als mogelijk te beperken. Dat vraagt op de korte termijn om ongekende overheidsingrepen en investeringen. De kunst is om interventies en investeringen ook ten goede te laten komen aan onze ambitie voor de lange termijn: het duurzaam en circulair maken van onze economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van onze leefomgeving. Bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra houden we naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, de aansluiting op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk rekening met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. We zetten daarbij in op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors.


Sterke en gezonde steden en regio's

Met de NOVI bouwen we aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. We werken aan de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Daar willen we naartoe groeien en een goed bereikbaar netwerk van steden en regio’s realiseren. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Het kabinet heeft voor de korte termijn daarom een pakket aan maatregelen voorgesteld om de woningbouw een nieuwe, stevige impuls te geven. De locaties bevinden zich in het Stedelijk Netwerk Nederland. De ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden houden hun groene karakter. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd. De COVID-19 crisis onderstreept extra het grote belang van een goede inrichting van de openbare ruimte.

Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

De stikstofproblematiek raakt zowel het landelijk gebied als diverse economische sectoren zwaar. De waarde van onze natuur, het landschap én de toekomst van de landbouw staan onder druk. Daarbij is verbetering van de biodiversiteit niet alleen een ecologische, maar nadrukkelijk ook een economische uitdaging, die op de korte termijn om een doortastende aanpak vraagt. Houdbare oplossingen vragen echter tijd. Voor de lange termijn werken we daarom aan geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied, onder meer gericht op kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap. Dit draagt bij aan een landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland.

De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda vindt u onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma’s op de verschillende beleidsterreinen. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd.

Met de NOVI presenteert het Rijk een integrale, op samenwerking gerichte aanpak. Een gebiedsgericht afwegingskader en sturende visie in één, waarbinnen we gezamenlijk optimaal kunnen werken aan het behoud van een gezond, leefbaar en economische sterk Nederland

3.1.2 Structuurvisie Ondergrond     

De Structuurvisie Ondergrond (juni 2018) richt zich op duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond waarbij benutten en beschermen met elkaar in balans zijn. Het is een gezamenlijke visie van de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK).
De belangrijkste elementen van de Structuurvisie Ondergrond:

  • Veel aandacht voor veiligheid en het tijdig betrekken van de omgeving bij nieuwe activiteiten in de ondergrond.
  • Provincies hebben het voortouw bij het aanwijzen van gebieden voor drinkwaterwinning.
  • In deze kabinetsperiode geen opsporingsvergunningen voor nieuwe gasvelden op land. Aardgaswinning uit bestaande kleine velden is nog enige tijd nodig.
  • Zoveel mogelijk benutten van potenties voor geothermie.
  • De winning van schaliegas wordt uitgesloten, ook na deze kabinetsperiode.
  • CO2-opslag op zee. Nu geen CO2-opslag op land, wel mogelijkheden op land onderzoeken.

De opgave

De ondergrond is van groot belang voor onze energievoorziening en grondwater is de belangrijkste bron voor onze drinkwatervoorziening. De ruimte in de diepe ondergrond lijkt eindeloos en conflicten tussen de verschillende vormen van gebruik doen zich tot op heden nauwelijks voor. Maar als er naar de ambities voor de energievoorziening en drinkwatervoorziening op de langere termijn wordt gekeken, dan is het wenselijk een visie te ontwikkelen op het gebruik van de ondergrond, om ‘botsingen’ in de toekomst te voorkomen.

Nederland beschikt over grote voorraden grondwater waaruit een uitstekende kwaliteit drinkwater word bereid. Om ook in de toekomst te kunnen voldoen aan de toenemende vraag naar schoon grondwater voor de drinkwatervoorziening, is het nodig geschikte grondwatervoorraden te identificeren en ‘aan te wijzen’ als reservebron voor de toekomst. Deze grondwatervoorraden moeten bovendien worden beschermd tegen mogelijke verontreinigingen.

De fossiele energiebronnen aardgas en olie leveren tot op heden het leeuwendeel van onze energie. Met het oog op de klimaatproblematiek is inmiddels een transitie in gang gezet waarbij fossiele energiebronnen in toenemende mate worden vervangen door CO2-arme energiebronnen, waaronder geothermie en bodemenergie.

Bovendien is er discussie over CO2-opslag in de ondergrond en de winning van schaliegas.

De drinkwatervoorziening en mijnbouwactiviteiten, zoals de winning van aardgas, olie, geothermie en opslag van stoffen in de ondergrond, zijn van nationaal belang. Deze structuurvisie bevat het strategische beleid voor deze nationale belangen. De opgave daarbij is het zoeken naar een goede balans tussen beschermen en benutten van grondwater voor de drinkwatervoorziening en het bieden van ruimte voor mijnbouwactiviteiten voor de energievoorziening.

Duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond

De ondergrond kan in principe worden benut voor nieuwe activiteiten, mits dit veilig en zorgvuldig gebeurt. De leidraad hierbij is de doelstelling: ‘Duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond, waarbij benutten en beschermen met elkaar in balans zijn.’ Deze doelstelling is uitgewerkt in een aantal uitgangspunten voor de vormgeving van beleid voor de ondergrond. Tevens worden twee manieren van ‘denken en doen’ gepresenteerd waarmee samenhangend beleid kan worden gerealiseerd, waarbij activiteiten in de diepe ondergrond, in de ondiepe ondergrond en op de bovengrond op elkaar worden afgestemd: driedimensionale (3D) ordening en de watersysteembenadering.

Typering van de structuurvisie
Deze structuurvisie bevat het nationale ruimtelijk beleid voor de ondergrond, specifiek gericht op de nationale belangen ‘drinkwatervoorziening’ en ‘mijnbouwactiviteiten’. Deze structuurvisie richt zich op toekomstige ontwikkelingen en nieuwe activiteiten in de diepe ondergrond en niet op de bestaande problematiek. Het doel hiervan is risico’s van nieuwe activiteiten en problemen in de toekomst zoveel mogelijk te beperken. Daarbij wordt rekening gehouden met de huidige situatie. Deze structuurvisie doet geen beleidsuitspraken over nut en noodzaak van nieuwe activiteiten in de diepe ondergrond. Dat gebeurt binnen bestaande beleidskaders voor de drinkwatervoorziening en de energievoorziening. De structuurvisie richt zich op de ruimtelijke inpassing van nieuwe activiteiten waarvan na maatschappelijk en politiek debat is vastgesteld dat deze gewenst of noodzakelijk zijn.

Deze structuurvisie gaat grotendeels over ontwikkelingen die nog onzeker zijn. De structuurvisie beoogt duidelijkheid te geven over hoe het Rijk afwegingen maakt als zich ontwikkelingen voordoen op het gebied van de drinkwatervoorziening of de energievoorziening. De structuurvisie geeft handvatten en overwegingen voor de besluitvorming hierover op alle schaalniveaus. Het Rijk maakt in de structuurvisie alleen beleidsmatige keuzes over de wenselijkheid van het toestaan of uitsluiten van activiteiten in bepaalde gebieden als dat nu nodig is voor zaken van nationaal belang. Dat kan het geval zijn wanneer een specifieke functie een onacceptabel effect heeft op de kwaliteit van de leefomgeving of een te groot risico met zich meebrengt voor de veiligheid van de bewoners in bepaalde gebieden. Een keuze kan ook nodig zijn als de potentieel geschikte ruimte voor een specifieke gewenste functie schaars is en er concurrentie dreigt van andere functies. In deze structuurvisie is maar een beperkt aantal keuzes gemaakt, in de vorm van ‘uitsluitingen’. Reserveringen voor specifieke functies zijn nu niet noodzakelijk. Dat kan in de toekomst mogelijk veranderen.

Samenwerken met het oog op nationale belangen

Het ‘dienen’ van een nationaal belang is niet exclusief een aangelegenheid van het Rijk. Vrijwel altijd zal het gaan om een samenspel tussen verschillende overheden, waarbij elke overheid een eigen rol en verantwoordelijkheid heeft. Bij de belangenafweging en besluitvorming over toekomstig activiteiten in de ondergrond is het essentieel dat alle overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties samenwerken, met oog voor de veiligheid en belangen van burgers. De wijze waarop het ministerie van Economische Zaken en Klimaat samen met alle betrokken partijen invulling geeft aan energieprojecten in het kader van de energietransitie en de omgeving daarbij betrekt, wordt aangeduid met de term ‘omgevingsparticipatie’. Dit proces wordt samen met de regio vormgegeven, aan de hand van vijf uitgangspunten, waaronder het vroegtijdig betrekken van de omgeving, het zoeken naar gemeenschappelijke belangen en het delen van informatie.

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening     

De wetgever heeft in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), ter waarborging van nationale en provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) respectievelijk provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen.
Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies, zoals natuur in het natuurnetwerk Nederland, of met het vrijwaren van functies. Dat betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

Rijksvaarwegen

De IJssel is een rijksvaarweg gelegen in de gemeente Bronckhorst. Bij de vaststelling van bestemmingsplannen moet rekening gehouden met de belangen van rijksvaarwegen. Belemmeringen voor de doorvaart van de scheepvaart (breedte, hoogte, diepte), zichtlijnen van bemanning, navigatieapparatuur, contact met bedienings- en begeleidingsobjecten, toegankelijkheid voor hulpdiensten en het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg moeten worden voorkomen.

Grote rivieren

De IJssel, gelegen in de gemeente Bronckhorst, behoort tot een van de grote rivieren. In rivierbedden mogen alleen nieuwe bestemmingen worden opgenomen als een veilig en doelmatig gebruik van de rivier gewaarborgd blijft, de afvoercapaciteit niet wordt belemmerd, wijzigingen in de waterstand zo gering mogelijk is en de ecologische toestand van de rivier niet verslechtert. Eventuele effecten op de waterstand of het bergend vermogen, worden gecompenseerd en deze compensatie wordt in het bestemmingsplan vastgelegd.

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden waar de natuur voorrang heeft. Het natuurnetwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het natuurnetwerk kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur.

Bij provinciale verordening worden de gebieden en de wezenlijke kenmerken hiervan aangewezen. Er worden regels gesteld om er voor te zorgen dat een bestemmingsplan geen activiteiten mogelijk maakt die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden. Dit is opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland (zie paragraaf 3.2.2).

Bovenstaand beschermingsregime is niet van toepassing als er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd.

Daarnaast biedt het Barro de mogelijkheid om onder voorwaarden de begrenzing te wijzigen ten behoeve van een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van het natuurnetwerk. Maar ook ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling en ten behoeve van de toepassing van bovenstaand beschermingsregime.

Primaire waterkeringen buiten het kustfundament

Voor primaire waterkeringen buiten het kustfundament zijn regels opgenomen. De IJssel in de gemeente Bronckhorst kent dergelijke waterkeringen. In bestemmingsplannen deze waterkering vastgelegd en beschermd. Dit geldt ook voor gronden in een beschermingszone volgens de Waterwet. In de geldende bestemmingsplannen in de gemeente Bronckhorst, zijn waterkeringen en beschermingszones opgenomen. Een herziening van het bestemmingsplan mag geen belemmeringen opleveren voor het onderhoud, de instandhouding of de versterking van de primaire waterkering.

3.1.4 Ladder van duurzame verstedelijking     

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is per 1 oktober 2012 als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Dit artikel bepaalt dat een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies gebaseerd dient te zijn op een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en op een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Per 1 juli 2017 is de 'nieuwe' ladder in werking getreden. Hiermee heeft de wetgever gepoogd een aantal knelpunten die in de praktijk zijn gesignaleerd, zoveel mogelijk op te lossen.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en om overprogrammering te voorkomen. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Voor iedere nieuwe stedelijke ontwikkeling (binnen en buiten bestaand stedelijk gebied) moet de behoefte worden beschreven in de plantoelichting. Uitgangspunt is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien dat niet mogelijk is, dan dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Daarbij kunnen de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden een rol spelen. De behoefte wordt onderbouwd en afgewogen op het niveau van het verzorgingsgebied van de ontwikkeling. Dit betekent dat de aard en omvang van de ontwikkeling bepalend zijn voor de reikwijdte van de beschrijving van en het overleg over de behoefte, waarvan de resultaten ook zijn opgenomen in de beschrijving.

Bij de Ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit het Bro gehanteerd: “bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.”

Het beter benutten van het bestaand stedelijk gebied kent randvoorwaarden en een concurrerende ruimtevraag die wordt opgelost door maatwerk te bieden binnen de kaders die wet- en regelgeving stellen. Uitgangspunt hierbij is een goede ruimtelijke ordening gericht op een duurzame ruimtelijke kwaliteit. Met de huidige maatschappelijke opgaven op o.a. het gebied van klimaat en energie is het duidelijk dat er meerdere claims liggen op de ruimte binnen bestaand stedelijk gebied. Deze claims moeten onderling afgewogen worden om tot zorgvuldig ruimtegebruik en een duurzame ruimtelijke kwaliteit te komen. Het transparant en helder motiveren is de essentie van het werken aan een duurzame verstedelijking.

De Ladder moet ook worden toegepast bij globale en flexibele bestemmingsplannen, op een moment dat de ontwikkeling nog niet concreet is. Ook een wijzigings- of uitwerkingsplan moet aan de Ladder worden getoetst. In zo’n geval kan dus sprake zijn van een dubbele laddertoets. In de Omgevingswet is al meegenomen dat het zwaartepunt van de te verrichten onderzoeken ligt op het moment dat ontwikkelingen meer concreet zijn. Vooruitlopend op de Omgevingswet kan bij het (globale) bestemmingsplan worden bepaald dat de laddertoets zich niet richt op de toelichting bij het bestemmingsplan, maar eerst op de toelichting bij het wijzigings- of uitwerkingsplan. De gemeenteraad kan er dus voor kiezen om de laddertoets door te schuiven, maar hoeft dit niet te doen. Het eventueel doorschuiven van de laddertoets laat onverlet dat het (globale) bestemmingsplan ter ruimtelijke onderbouwing een toelichting moet bevatten. Er geldt dus een onderzoeksplicht bij het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht in een (globaal) bestemmingsplan. Wel wordt aangenomen dat de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan dat voorziet in de mogelijkheid van een wijzigings- of uitwerkingsplan, wat globaler kan worden gemotiveerd.

Provincies hebben de bevoegdheid om in hun verordening op de Ladder in het Bro aanvullende regels te stellen, mits deze niet strijdig zijn met het Bro. Bij het geven van aanvullende regels moeten provincies uitgaan van de Bro-definities en prudent omgaan met de vraag of er nog wel behoefte is om aanvullende regels te stellen.

3.1.5 Modernisering Monumentenzorg     

De opvattingen over de omgang met monumenten zijn sterk veranderd. Gebieden worden belangrijker dan individuele gebouwen. Ook de inzichten over de organisatie van de monumentenzorg zijn anders. Het systeem is daarom aangepast aan de ontwikkelingen van deze tijd. De Directie Erfgoed & Kunsten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling van deze modernisering.

Cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening

Cultureel erfgoed krijgt een belangrijke plaats binnen de ruimtelijke ordening. Met de visie Kiezen voor karakter toont het kabinet zijn verantwoordelijkheid voor een goede omgang met onroerend cultureel erfgoed van nationale betekenis bij integrale ruimtelijke afwegingen.

Vijf prioriteiten

Het kabinet kiest voor de komende jaren vijf prioriteiten in het gebiedsgerichte erfgoedbeleid:

  1. werelderfgoed: samenhang borgen, uitstraling vergroten;
  2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren;
  3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: focus op groei en krimp;
  4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie, ecologie;
  5. wederopbouw: tonen van een tijdperk.

Bestemmingsplan
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Dit betekent dat de rol die gemeenten, provincies en de rijksoverheid hebben in de erfgoedzorg verandert. In oktober 2010 stuurden de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de steunpunten een brief over de ondersteuning op dit gebied aan de gemeenten.

Besluit ruimtelijke ordening
In 2010 is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. De Rijksdienst helpt gemeenten hiermee met de Handreiking erfgoed en ruimte. In deze handreiking staat hoe gemeenten zo'n inventarisatie en analyse kunnen uitvoeren. Ook wordt aangegeven op welke wijze gemeenten cultuurhistorische waarden kunnen opnemen in een bestemmingsplan.

Krachtiger en eenvoudigere regels
Minder regels, kortere procedures en structureel meer financiële middelen zorgen voor een duurzame instandhouding van rijksmonumenten. Deze regels hebben betrekking op vergunningen, subsidie en kwaliteit

Vergunning

De monumentenvergunning wordt onderdeel van de omgevingsvergunning (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Ook wordt bepaald welke werkzaamheden zonder vergunning kunnen worden uitgevoerd.

Subsidie

Het aanvragen van een Brim-subsidie is in 2011 nog verder vereenvoudigd. De minister heeft structureel extra middelen beschikbaar gesteld voor zowel reguliere instandhouding als incidentele restauraties.

Kwaliteit

De Rijksdienst staat de restauratiesector bij in het uitwerken van normen om de kwaliteit van restauraties te borgen. Het behoud en de overdracht van vakkennis vormen onderdeel van dat project.

Herbestemming

Monumenten die hun functie verliezen, komen vaak leeg te staan. Belangrijke cultuurhistorische waarden gaan dan verloren. Herbestemming van gebouwen, complexen en structuren kan dit tegengaan. Bij de modernisering van de monumentenzorg is herbestemming een essentieel onderwerp. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in 2010 een Nationaal Programma Herbestemming in het leven geroepen. Bovendien ondersteunt de Rijksdienst het programma met geld en medewerkers. Een groot aantal organisaties werkt verder aan een gezamenlijke agenda van activiteiten om herbestemming te stimuleren. Deze Nationale Agenda Herbestemming bestrijkt het brede veld van herbestemming. In deze Nationale Agenda Herbestemming wordt ingezet op:

  • het bevorderen van de praktijk van herbestemming;
  • het ontwikkelen en verspreiden van kennis over herbestemming;
  • het inhoudelijk, politiek en publiek agenderen van het onderwerp.

Het opzetten van een kennisinfrastructuur
De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is binnen de monumentenzorg het kenniscentrum bij de rijksoverheid. Daarnaast zijn er nog veel instanties die kennis hebben van het erfgoed. Kennis op academisch niveau, vakinhoudelijke en operationele kennis en ervaring in de praktijk. De Rijksdienst heeft hierbij een stimulerende en verbindende rol.

Om uitwisseling van kennis mogelijk te maken, is een goed functionerende kennisinfrastructuur nodig. Daaromheeft de Rijksdienst het programma Kennisinfrastructuur Modernisering Monumentenzorg (KIMOMO) opgezet. Met dit informatiesysteem voorziet de Rijksdienst de erfgoedsector van digitale informatie. Het programma KIMOMO liep van januari 2010 tot en met december 2013.

3.1.6 Nationaal Water Programma 2022-2027     

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is vastgesteld op 18 maart 2022. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen.

Opgaven

Er liggen de volgende grote opgaven voor het waterdomein:

  • Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering
  • We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte.
  • Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen.

Inhoudelijke thema’s

Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van:

  • klimaatadaptatie;
  • waterveiligheid;
  • zoetwater en waterverdeling;
  • waterkwaliteit en natuur;
  • scheepvaart;
  • de functies van de rijkswateren.

Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij kijken we naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast laten we de raakvlakken zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat ons nu en in de toekomst te wachten staat.

Wettelijke bijlagen bij het NWP

Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. Deze zijn als wettelijke bijlagen opgenomen.

Op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) worden elke 6 jaar Stroomgebiedbeheerplannen (SGBP’s) opgesteld voor de Nederlandse delen van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems. Hierin staan de doelen, het waterkwaliteitsbeeld en de maatregelen om de waterkwaliteit verder te verbeteren.

Het Overstromingsrisicobeheerplan (ORBP) beschrijft de doelen en maatregelen van het overstromingsrisicobeheer in Nederland.

Het Programma Noordzee combineert onder meer de opgave voor windenergie op de Noordzee met natuurontwikkeling (vergroten biodiversiteit), duurzame visserij en ruimte voor de scheepvaart. Onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie worden maatregelen genomen om de milieutoestand van de Noordzee te verbeteren.

3.1.7 Waterbeleid van de 21e eeuw     

De kern van het Waterbeleid 21e eeuw is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Het water de ruimte geven betekent dat in het landschap en in de stad ruimte gemaakt wordt om water op te slaan. Daarmee worden problemen in andere, lager gelegen gebieden voorkomen.

Het Waterbeleid 21e eeuw breekt met de traditie van zoveel mogelijk pompen en zo snel mogelijk lozen. De waterbeheerders hebben samen gekozen voor een drietrapsstrategie, die uitgaat van het principe dat een overvloed aan water wordt opgevangen waar deze ontstaat. Dat betekent dat het water niet meer zo snel mogelijk afgevoerd wordt, maar dat het water zolang mogelijk wordt vastgehouden onder andere in de bodem. Is vasthouden niet meer mogelijk, dan bergen de waterbeheerders het in gebieden die daarvoor zijn uitgekozen. Door het water zo lang mogelijk vast te houden wordt tevens verdroging voorkomen De strategie vasthouden, bergen, afvoeren betekent ook dat het water meer dan nu de kans krijgt om langzaam in de grond te zakken. Zo bestrijden we het watertekort. Pas als het niet anders kan, wordt het water afgevoerd.

In het kader van het actualiseren van bestemmingsplannen betekent dit dat het aanbeveling verdient om ook in het bestaand stedelijk gebied ruimte te reserveren voor waterberging; bijvoorbeeld door deze mogelijkheid toe te voegen aan een bestemming 'Groen'.

3.1.8 Natuurbescherming     

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze nieuwe wet vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving. Het geeft invulling aan de decentralisatieafspraken die het Rijk met de provincies heeft gemaakt in het Bestuursakkoord natuur en in het Natuurpact. Het brengt ook vereenvoudiging ten opzichte van het bestaande stelsel, onder meer door een betere aansluiting op het Europese recht en op het omgevingsrecht. Slechts één wet en minder regels maakt de regelgeving omtrent natuurbescherming overzichtelijker en wordt het makkelijker om de wet toe te passen.


Rolverdeling Rijk, provincie en gemeente
De provincies bepalen wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. De gemeenten komen, net als onder de geldende wetgeving, bij de uitvoering in beeld als de aanvrager van een natuurvergunning of -ontheffing wil aanhaken bij een door de gemeente te verlenen omgevingsvergunning; de inhoudelijke natuurtoets wordt (ook) dan uitgevoerd door de provincie, die een verklaring van geen bedenkingen aan de gemeente moet afgeven.
Voor burgers en bedrijven is het belangrijk dat zij makkelijk en snel weten of een activiteit met mogelijke schade voor de natuur is toegestaan. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning bij de gemeente wordt net als voorheen getoetst aan de Wet Natuurbescherming. Het blijft mogelijk om bij de provincie een aparte natuurvergunning aan te vragen.

Gebiedsbescherming

Wat betreft gebiedsbescherming vervalt de bescherming van de Beschermde natuurmonumenten, maar verandert er voor Natura 2000 weinig. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is gebaseerd op internationale verplichtingen. Die veranderen niet en daarom zal vanaf 2017 op de dezelfde manier worden getoetst als nu het geval is.

Bescherming van dieren en planten
Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Sommige diersoorten zijn kwetsbaar, zoals vleermuizen en mussen. Een goede natuurbescherming is belangrijk. Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat u werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

De lijsten met beschermde soorten zijn aangepast. Zo is een aantal soorten planten, insecten en vissen voortaan niet meer beschermd. De Wet natuurbescherming brengt het aantal beschermingsregimes terug.
De beschermde status van soorten kan per provincie gaan verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaawaterbeleidl beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden.

Bescherming van bosopstanden

De regels van de huidige Boswet zijn grotendeels onveranderd opgenomen in de Wet natuurbescherming. Zo zijn de ‘bebouwde kom Boswet’, melding en herplantplicht hetzelfde. Wel is er een aantal vrijstellingen opgenomen van de herplantplicht, zoals bij maatregelen opgenomen in een ontheffing of vergunning, of via een goedgekeurde gedragscode.


Jacht om schade te beperken
Er mag worden gejaagd wanneer dieren schade veroorzaken of om te beheren. Provincies, grondeigenaren, dieren- of natuurorganisaties en jagers maken samen vooraf een faunabeheerplan. Daarin staat op welke en op hoeveel dieren gejaagd mag worden. Na het jachtseizoen moeten de jagers volgens de nieuwe wet laten weten welke dieren zijn afgeschoten. Dit zorgt voor beter inzicht in de jacht.

3.1.9 Externe veiligheid     

Externe veiligheid beschrijft de externe risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transport (weg, spoor, water en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.


Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans om te overlijden op een bepaalde plaats ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR is op de kaart van het gebied weer te geven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar PR-contour (die als wettelijk grenswaarde fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten komen.


Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR is weer te gegeven in de fN-curve: een grafiek waar de kans (f) is afgezet tegen het aantal slachtoffers (N). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. De 1% letaliteitgrens vormt doorgaans de grens van het invloedsgebied (tenzij anders bepaald). Dit is de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

Op inrichtingen en transport is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Dit wordt in de navolgende paragrafen nader toegelicht.

3.1.9.1 Besluit externe veiligheid Inrichtingen     

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is op 27 oktober 2004 van kracht geworden en regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) staan regels over de veiligheidsafstanden en over de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De gemeentelijke beleidsvisie op externe veiligheidbeleid voor inrichtingen is opgenomen in paragraaf 3.4.18.

3.1.9.2 Besluit externe veiligheid buisleidingen     

Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het Bevb regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten.
Gemeenten zijn verplicht om bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening te houden met het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het PR is de 10-6 contour de grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het GR moet worden verantwoord binnen het invloedsgebied van de buisleiding. Voor een aantal installaties, zoals bijvoorbeeld lpg tankstations, pgs 15 kluizen en ammoniak koelinstallaties, gelden vaste afstanden voor het plaatgebonden risico en het invloedsgebied. Voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet een berekening worden gemaakt om de plaatsgebonden risicocontour en het invloedsgebied te kunnen bepalen. Daarnaast wordt in elk bestemmingsplan ruimte gereserveerd voor onderhoud aan de leiding door een belemmerende strook van minimaal 5,0 m aan weerszijden van de leiding met een bouwverbod en een omgevingsvergunningstelsel.

3.1.9.3 Besluit externe veiligheid transportroutes     

Het Besluit externe veiligheid transportroutes, inwerking getreden op 1 april 2015, betreft milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen over transportroutes. Het besluit bevat de uitwerking van de ruimtelijke component van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Doel van dit besluit is het waarborgen van een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Verder maakt het besluit de kans op een ramp met veel slachtoffers inzichtelijk en biedt het regels voor het afwegen van het risico ten opzichte van de ruimtelijke ontwikkelingen.

3.1.10 M.e.r.-beoordeling     

Bijna alle activiteiten die mensen ondernemen hebben milieugevolgen. Voor activiteiten die nadelige milieugevolgen kunnen hebben, kan het vereist zijn dat een milieu-effectrapportage moet worden opgesteld. De procedure voor de milieu-effectrapportage is geregeld in de Wet milieubeheer. De uitvoeringsregels staan in het Besluit m.e.r.

In het Besluit m.e.r. staan de verschillende activiteiten, besluiten en overheidsplannen waarvoor het verplicht is een milieu-effectrapportage te maken. Hierdoor wordt het milieubelang volwaardig meegewogen in de besluitvorming.

In het Besluit m.e.r. (gewijzigd 1 april 2011) wordt onderscheid gemaakt in de volgende typen m.e.r.:

  • m.e.r.-plicht;
  • m.e.r.-beoordelingsplicht;
  • vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht.

In het Besluit m.e.r. zijn de activiteiten, plannen en besluiten genoemd waarvoor een m.e.r. in alle gevallen verplicht is als een bepaalde drempelwaarde wordt overschreden. Voor deze activiteiten moet een milieu-effectrapportage worden opgesteld.

In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn de activiteiten, plannen en besluiten genoemd waarvoor een m.e.r. in alle gevallen verplicht is als een bepaalde drempelwaarde wordt overschreden. Voor deze activiteiten moet een milieu-effectrapportage worden opgesteld.

Onderdeel B van de bijlage bij het Besluit m.e.r. bevat activiteiten die qua omvang onder de in onderdeel C genoemde drempel blijven. Voor deze situaties moet eveneens in alle gevallen als een bepaalde drempelwaarde wordt overschreden, per geval door middel van een m.e.r.-beoordeling worden vastgesteld of een milieu-effectrapportage moet worden opgesteld.

De drempelwaarden in onderdeel D zijn indicatief. Om te beoordelen of voor een activiteit een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt kan niet alleen volstaan worden met het raadplegen van de drempelwaarden in onderdeel D. Er moet sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 een extra stap doorlopen worden om na te gaan of er een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Dit wordt ook wel aangeduid met de term 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'.

3.2 Provinciaal beleid     

Op 19 december 2018 stelden Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsvisie en geactualiseerde Omgevingsverordening vast. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving (zie 3.2.1). In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd (zie 3.2.2). Met de Omgevingsvisie en -verordening loopt de provincie vooruit op de Omgevingswet. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening. Latere aanpassingen zijn, indien van toepassing, in de navolgende paragrafen verwerkt.

3.2.1 Omgevingsvisie     

De omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie Gaaf Gelderland beschrijft de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn. Deze zijn onderverdeeld in zeven thema’s, te weten energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving.

Doelstellingen, ambitie en visie

De provincie verwoordt de doelstellingen, de ambitie en de visie als volgt:

Deze Omgevingsvisie gaat over ‘Gaaf Gelderland’. ‘Gaaf’ is een woord met twee betekenissen. ‘Gaaf’ betekent ‘mooi’ en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard! Maar ‘Gaaf’ verwijst ook naar dat wat ‘cool’ en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard! Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in onze Gelderse Omgevingsvisie. Wij benoemen wat voor ons van waarde is en wat we willen beschermen. En: we geven richting aan wat we willen en ook moeten veranderen en ontwikkelen. Zo kunnen we met overtuiging en in vertrouwen de provincie doorgegeven aan volgende generaties. Een Gelderland van en voor ons allemaal en voor de kinderen van de toekomst.

Willen we Gelderland in de toekomst ‘gaaf’ houden, dan moeten we daar nu wat voor doen. We staan voor stevige uitdagingen. De wereld verandert ingrijpend en snel. Er zijn grote, grensoverschrijdende ontwikkelingen die ook Gelderland raken. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, verdere verstedelijking in combinatie met krimp, toenemende mobiliteit op de weg en in de lucht, digitalisering, internationalisering. Uitdagingen die om antwoorden vragen. Daar hebben we elkaar voor nodig: inwoners, bedrijven, organisaties, overheden. De vraagstukken van nu zijn te groot en te ingewikkeld om los van elkaar aan te pakken. Niemand heeft de oplossing alleen in handen. Samen de krachten bundelen. Dat vraagt een andere rolinvulling, ook van ons. Steeds weer en meer samen met partners optrekken op basis van gelijkwaardigheid. En, waar dat kan en nodig is, het initiatief en de ruimte aan anderen laten. Of zelf de handschoen oppakken en doorpakken.

Om samen stappen te zetten, hebben we een gezamenlijke horizon nodig: een gedeeld vergezicht, een gedeelde ambitie dat dient als leidraad voor ons handelen. In onze Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ beschrijven wij dit vergezicht: het beeld op de toekomst. Dit beeld is het resultaat van vele vruchtbare gesprekken met partners: inwoners, ondernemers, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties, overheden. Een vergezicht dat het accent legt op wat wij samen belangrijk vinden. Een vergezicht dat tot de verbeelding spreekt en uitnodigt en aanspoort tot actie. En: dat ons helpt bij het gesprek over de keuzes die te maken zijn bij het vinden van concrete oplossingsrichtingen.

Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal. Dat is het streven. Dat is waar wij aan willen werken. Dit doen wij door bij de uitoefening van onze taken de focus te leggen op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities – op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en op het woon- en leefklimaat – geven wij hier richting aan. En door vier 'spelregels’ of ‘DOE-principes’ – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geven we hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen wij werken en afwegingen maken.

Welke afwegingen we van geval tot geval maken? Graag nodigen wij u uit om met ons hierover in gesprek te gaan: over de keuzes die gemaakt moeten worden, de prioriteiten die we daarbij stellen en de acties die wij samen inzetten. En: om afspraken te maken en deze vast te leggen in uitvoeringsprogramma’s waar we samen – ieder vanuit zijn of haar kracht en verantwoordelijkheid – aan werken. Zo geven we invulling aan de Gelderse Omgevingsvisie en realiseren we ons wensbeeld. Als koersen wijzigen en droombeelden veranderen, dan gaan wij opnieuw met u in gesprek en passen desgewenst de Gelderse Omgevingsvisie aan. De weg naar de toekomst is immers geen rechte lijn. Maar het begin van de toekomst is nu!

Ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer

Een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving gaat sinds 2014 op in de Omgevingsvisie. Dit gaat over planfiguren voor ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Daarbij zijn gebieden en functies aangewezen. Deze blijven voortbestaan onder deze omgevingsvisie. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura-2000 gebieden en van bijzondere natuurgebieden. Andere kaarten en functiebeschrijvingen uit de oude Omgevingsvisie Gelderland hebben een uitvoerend of informerend karakter en worden daarom overgeheveld naar programma’s of andere beleidsdocumenten, zoals het Regionaal Waterprogramma, de Handreiking Plussenbeleid en de Beleidslijn Windenergie.

Ruimtelijk beleid

Al sinds 2014 is de ruimtelijke ontwikkeling van Gelderland een maatschappelijke opgave met verantwoordelijkheden voor overheden, organisaties en partners. De provincie draagt op een toekomstbestendige manier bij, met beleid dat een duurzame economische structuur in de provincie en regio’s versterkt en dat richting geeft aan de vestigingsmogelijkheden en milieugebruiksruimte voor bedrijven. Het provinciaal belang is gelegen in het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit. Onze klimaatbestendigheid wordt vergroot, de mogelijkheden om zonne- en windenergie op te wekken zijn in kaart gebracht (zie themakaart) en onze natuur- en landschappelijke kwaliteit blijft behouden. De provincie zet zich in voor vitale steden en dorpen en voor een duurzame verstedelijking, gericht op versterking van de stedelijke netwerken, gecombineerd met aandacht voor de vitaliteit van kleine kernen en dorpen. De kwalitatieve regionale opgave voor wonen is van provinciaal belang, net als het belang dat bij locaties met een bovenlokaal ontwikkelpotentieel die potenties benut worden. Het beleid voorziet in provinciale kaders voor het terugdringen van leegstand en overcapaciteit in gemeentelijke plannen en voor zorgvuldige locatie-afwegingen op regionaal niveau, waarbij de ladder voor duurzame verstedelijking wordt ingezet. Voor wonen en werken geldt een regionale aanpak die gericht is op een gezonde en veilige woonomgeving, waarin mensen zich met elkaar verbonden voelen en die goed bereikbaar is en goede voorzieningen heeft. Voor ontwikkelingen in de niet grondgeboden landbouw hanteert de provincie het ‘plussenbeleid’. Daarmee geeft de provincie veehouders de ruimte om hun bedrijf te ontwikkelen, maar onder voorwaarden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en bij het beheer van terreinen wil de provincie dat aandacht wordt besteed aan onder andere het risico op natuurbranden.

Waterbeleid

De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar. De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden.

Milieubeleid

Een gezonde en veilige leefomgeving is de hoofdzaak van het milieubeleid. Dit vraagt om provinciaal beleid dat zorgt voor goede milieukwaliteit en veilige ruimtelijke keuzes. Gezondheidsschade, onacceptabele risico's en onaanvaardbare geur- en geluidhinder moeten worden voorkomen. Er wordt voldaan aan milieukwaliteitseisen. Spoedeisende bodemverontreiniging wordt gesaneerd. Ook is het van belang om op toekomstige ontwikkelingen te anticiperen, met name vanwege de energietransitie en klimaatverandering. Vooral in het stedelijk gebied kunnen de gevolgen hiervan van invloed zijn op de gezondheid. De provincie streeft naar een op gezondheid gericht benadering van de kwaliteit van de leefomgeving en het milieu.

Natuur- en landschapsbeleid

De provincie spant zich in voor een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden en behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap. Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) worden beschermd tegen aantasting van de kernkwaliteiten: dat zijn de natuurwaarden, de potentiële waarden en de omgevingscondities. Het GNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Het uitgangspunt is dat in het GNN geen nieuwe initiatieven plaatsvinden, behalve ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor geen alternatieven bestaan. In de GO is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De ecologische verbindingszones maken deel uit van de GO, evenals de weidevogelgebieden en de rustgebieden voor winterganzen. De provincie treft maatregelen vanwege de bescherming, de instandhouding of het herstel van biotopen, leefgebieden, een gunstige staat van instandhouding en het Natuurnetwerk Nederland. De provincie beschermt de achttien Natura2000 gebieden die in het GNN liggen. Verder richt het beleid zich op behoud van de basiskwaliteit van landschappen in Gelderland. Voor de landschappen van bovenregionale waarde geldt een beschermingsregiem met kernkwaliteiten en met een juridisch vangnet in de verordening, zodat de provincie in gesprek kan komen indien het provinciaal belang in het geding raakt.

Verkeers- en vervoerbeleid

De provincie streeft naar een veilige, betrouwbare en duurzame mobiliteit, als hoofdzaak van het verkeers- en vervoersbeleid. Dit wordt benaderd als een systeem waarin verschillende mobiliteitsnetwerken op elkaar inwerken, ook over provinciegrenzen heen, ter ondersteuning van een sterke economie, welvaart en welzijn. Hierbij houden wij rekening met de kwaliteit van de leefomgeving, de doorstroming binnen elk netwerk en verkeersveiligheid. De provincie heeft specifiek aandacht voor de wisselwerking en knooppunten in het systeem en gaat uit van drie principes: voorkomen, benutten en bouwen. Dit gebeurt op basis van een meerjaren-investeringsagenda en met een regionale aanpak. Via die aanpak wordt het provinciaal beleid afgestemd op het beleid van het rijk en de gemeenten. Het beleid richt zich ook op een goede regionale ontsluiting over water en ontwikkelingen van de luchtvaart.

3.2.2 Omgevingsverordening     

De omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking van het beleid uit de Omgevingsvisie in regels. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. Voor de niet-grondgebonden landbouw stuurt de verordening op een 'plussenbeleid' (bovenwettelijke maatregelen) bij uitbreidingen. Een en ander volgens door de gemeenten/regio's nader uit te werken beleidskaders.

3.3 Regionaal beleid     

3.3.1 Algemeen     

Op het terrein van de ruimtelijke ordening en volkshuisvesting heeft de Regio Achterhoek geen structurele overgedragen taak. Sinds september 2008 worden deze taken door de gezamenlijke gemeenten zelf opgepakt. Bestuurlijk en ambtelijk aanspreekpunt voor dit werkterrein ligt bij respectievelijk de gemeente Aalten en Bronckhorst.

3.3.2 Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012     

De gemeenteraden van Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk hebben in hun vergaderingen van april/mei 2012 de 'Regionale structuurvisie Achterhoek 2012' vastgesteld. De gemeenteraad van Montferland heeft de visie niet formeel vastgesteld, maar daaraan wel instemming betuigd, omdat Montferland voor ruimtelijk ordening tevens deel uitmaakt van de Stadsregio.

De Regionale structuurvisie is een actualisatie van de visie uit 2004. Er is gekozen voor een actualisatie, omdat in de Achterhoek zich een aantal belangrijke en ingrijpende economische en maatschappelijke ontwikkelingen voordoen, zoals:

  • energietransitie en het inspelen op de gevolgen van de klimaatveranderingen;
  • bevolkingsverandering, krimp, vergrijzing en ontgroening;
  • de veranderingen in de landbouw en het landelijk gebied;
  • positionering van de Achterhoek in (inter)nationaal perspectief.


Deze ontwikkelingen zullen gevolgen hebben voor de manier waarop er nu gewoond, geleefd en gewerkt wordt in de Achterhoek. Ze hebben ook invloed op de wijze waarop geld verdiend wordt in de regio. Wijzigingen hierin kunnen ruimtelijke consequenties hebben. De geactualiseerde visie geeft richting aan het regionaal ruimtelijk beleid om de transitieopgaven goed te kunnen faciliteren. Dit door belangrijke ruimtelijke thema’s te agenderen en hierop afstemming tussen gemeenten te zoeken. Het doel is, dat de Achterhoek ook in de toekomst een vitale, regionale economie heeft en een zeer prettige omgeving blijft om in te wonen en te recreëren.


De visie sluit aan bij de Agenda 2020 van Regio Achterhoek en de provinciale regioverkenningen. Inhoudelijk beschrijft de structuurvisie:

  • Samenwerking op volkshuisvesting, bedrijfsvestigingen en functieveranderingsbeleid
  • Bereikbaarheid van de regio, zowel fysiek als digitaal
  • Balans tussen bestaande en nieuwe kwaliteiten in de landbouw/het landschap
  • Innoveren van de maakindustrie en landbouw en het verduurzamen van productieprocessen en energievoorziening
  • Ruimtelijk wordt de 'ja, mits' benadering leidend.

Deze visie is geen blauwdruk voor hoe het allemaal zou moeten. Respect voor het Achterhoekse landschap staat voorop, maar het ruimtelijk beleid mag innovatieve en duurzame ontwikkelingen niet in de weg staan. Van belang is om flexibel te blijven.

3.3.3 Regionale Detailhandelsvisie     

Door de Kamer van Koophandel, MKB Nederland, Provincie Gelderland en de regio Achterhoek is een Regionale Detailhandelsvisie voor de Regio Achterhoek opgesteld. In deze visie staan, kijkend naar de huidige situatie, (toekomstige) ontwikkelingen en bestaande beleidsstukken, het toekomstbeeld van de winkelstructuur in de Achterhoek centraal. De visie maakt strategische keuzen en geeft beleidsstandpunten. Het beleid is gericht op optimalisering van de bestaande detailhandelsstructuur. De dynamiek in vraag en aanbod wordt ingezet in de bestaande winkelgebieden. De belangrijkste doelstellingen daarbij zijn: geen uitbreiding van het aantal detailhandelsconcentraties, voortzetten en versterken van de bestaande hiërarchie in de verzorgingsstructuur, versterking van de koppositie van de binnensteden van Doetinchem en Winterswijk t.o.v. Twente, KAN en Duitsland, compacte winkelcentra in een omgeving met hoge verblijfswaarde, regionale toetsing bij initiatieven met gemeenteoverschrijdende effecten, versterking van het bestaande woonthemacentrum in Doetinchem. Verder is er sprake van terughoudend beleid ten aanzien van perifere en grootschalige detailhandel, is flankerend beleid vanuit andere beleidssectoren noodzakelijk om de leefbaarheid van dorpen en kernen te stimuleren door behoud van voorzieningen, het bevorderen van samenwerking tussen recreatie/toerisme en detailhandel en is er geen plaats voor het realiseren van een Factory Outlet Center. Initiatieven in de regiogemeenten worden getoetst aan de regionale visie. Initiatieven met gemeente overschrijdende effecten worden ter toetsing aan de Regio Achterhoek voorgelegd. Er vindt periodiek regionaal overleg plaats.

3.3.4 Regionaal programma Bedrijventerreinen Regio Achterhoek     

De regio Achterhoek wil de kansen benutten die samenwerking op het vlak van bedrijventerreinen biedt. Zij kijkt hierbij naar de regionale marktsituatie, de kwaliteiten van de regio en de bestuurlijke ambitie. In het Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB, concept) geeft de regio een nadere uitwerking van vraag en aanbod, regulering van het aanbod, segmentering, programmering van de herstructurering, grondprijs, implementatie van de SER-ladder en monitoring. Het RPB biedt het kader voor concrete werk- en projectafspraken tussen de regiogemeenten.

De regio Achterhoek wil de kwaliteit van leven en wonen hoog houden. Voldoende en passende banen zijn daarbij onmisbaar. De werkgelegenheid zit grotendeels op bedrijventerreinen. Deze bedrijventerreinen moeten vitaal zijn en blijven, kwaliteit speelt hierin een steeds belangrijkere rol. De vraag naar bedrijventerreinen zal de komende tien jaren structureel lager liggen dan in voorgaande decennia. Er is vooral ruimte nodig voor de opvang van de vervangingsvraag.


Afspraken

Binnen de regio en subregio's zijn afspraken gemaakt over de toekomst van bedrijventerreinen. De gemeente Bronckhorst participeert in de subregio West-Achterhoek. De gemeenten in West-Achterhoek werken samen rondom A18 Bedrijvenpark en het EBT in Montferland.

De vraag in West-Achterhoek is 109,8 hectare aan bedrijventerreinen in de periode 2009-2023. Een overaanbod dreigt. Voor de gemeente Bronckhorst geldt dat De Vinkenkamp en Steenderdiek B harde plannen zijn en doorgang zullen vinden. Winkelskamp Oost en Dambroek Zuid betreffen zachte plannen. Voor Dambroek Zuid wordt in de periode 2010-2015 de behoefte nader bekeken.

Subregio West-Achterhoek pakt de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen samen op met de herstructurering van oude bedrijventerreinen. Binnen de gemeente Bronckhorst hebben de volgende terreinen een transformatieopgave: het HAVO-terrein, het buitengebied en de kleine kernen. Bij de transformatie van deze terreinen kan gebruik gemaakt worden van het HRT-fonds, waarin positieve opbrengsten van de ontwikkeling van het A18 Bedrijvenpark en het EBT Montferland en gelden van de provincie zijn opgenomen.

De regiogemeenten stimuleren Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO), energiebesparing en gebruik van duurzame energie bij bedrijven.

Monitoring moet uitwijzen of aanpassing van de gemaakte afspraken nodig en mogelijk is.

3.3.5 Watervisie 2030     

Het Waterschap Rijn en IJssel (WRIJ) heeft op 7 mei 2013 de Watervisie 2030 vastgesteld.

Nederland is een delta. Zonder dijken, sloten, stuwen en gemalen, is Nederland grotendeels onbewoonbaar. Al in de middeleeuwen ontstonden er daardoor waterschappen die er voor zorgden dat het land niet om de haverklap overstroomde en het water op een gecontroleerde manier naar zee stroomde. Dat waterbeheer vraagt permanent onderhoud. WRIJ beheert het water in Noordoost Gelderland en een klein deel van Overijssel. Dat doet het WRIJ al meer dan 700 jaar. Daardoor konden steden groeien, werden gronden geschikt voor landbouw en is laatste halve eeuw ook de kwaliteit van het water sterk verbeterd.

Maar omstandigheden veranderen voortdurend. Zoals klimaatverandering en veranderende sociaaleconomische omstandigheden. Ook komen, dankzij steeds geavanceerdere computers, nieuwe technieken beschikbaar. WRIJ ziet deze veranderende omstandigheden als dé uitdagingen voor de toekomst, omdat deze de vorm en inhoud van het waterbeheer direct raken. Hoe gaat WRIJ daarmee om en wat betekenen deze voor het waterbeheer in deze regio?

Samen met andere overheden, bedrijven en kennisinstellingen werkt WRIJ aan de toekomst. De manier waarop deze dat wil doen, staat in de Watervisie 2030. Water is daarbij het verbindende element in die samenwerking.


Een multischalig waterschap
WRIJ is en blijft een regionaal werkende overheid die staat voor een deskundige en betrouwbare uitvoering van zijn taken. De samenwerking met medeoverheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties is uitgebouwd, om doelen beter te kunnen bereiken of om kosten te beheersen. Daarvoor kennen betrokken partijen elkaars doelen en belangen en wisselen deze die in regelmatige dialogen uit. Kostenstijgingen worden door WRIJ ook beperkt door slimmer of duurzamer te werken en door, waar dit verantwoord is, taken aan anderen over te laten. De uitvoering van de ene taak vergt een ander schaalniveau van samenwerken dan een andere taak, voor WRIJ geen doel, omdat de gebiedsnabijheid -het werken in en dichtbij de stroomgebieden- wordt gekoesterd. WRIJ toont meerwaarde door de kennis en ervaring als gebiedsbeheerder maximaal te benutten, zowel in de stroomgebieden als daarbuiten.


Hoogwaterveiligheid op niveau
Het doel is en blijft een robuuste en kosteneffectieve bescherming van de regio tegen hoogwater. De opgave om grotere hoeveelheden water veilig op de Rijn en IJssel te kunnen opvangen is aanzienlijk. De aanpassingen die daarvoor nodig zijn, heeft WRIJ in 2030 voor een deel uitgevoerd, samen met de partners in het nationale Deltaprogramma. Voor de rivierdijken worden verschillende beschermingsniveaus gehanteerd, omdat het ene gebied een hogere bescherming vraagt dan het andere gebied. WRIJ werkt met nieuwe soorten dijken en betrekt gebiedspartijen, andere overheden, ondernemers en burgers meer bij de bescherming van de binnendijkse gebieden.


Helder regionaal waterbeheer
In 2030 wordt het regionale watersysteem klimaatbestendig beheerd en onderhouden. We kennen de risico's op wateroverlast en weten in welke gebieden extreme buien en droogte negatieve gevolgen hebben. In samenwerking met agrariërs, terreinbeheerders en gemeenten werken we aan maatregelen om die extremen op te vangen. Ook werken we samen aan een verbeterslag in de waterkwaliteit. Waar er risico's en knelpunten blijven, geven we dit aan. Als gebiedsbeheerder hebben we nieuwe allianties met ondernemers en burgers en stimuleren we hen om van de stroomgebieden een verdienlandschap te maken: een gebied waar economisch gewin en waterbeheer hand in hand gaan.


Stoffen winnen uit de waterketen
In 2030 blijft het zuiveren van afvalwater met oog op de volksgezondheid de belangrijkste taak. Op basis van de modernste zuiveringstechnieken halen we schadelijke stoffen uit het water, voordat dit teruggaat in het milieu of verder wordt benut. De meeste zuiveringsinstallaties draaien in 2030 op energie die uit het afvalwater wordt opgewekt. Ook in het regionale watersysteem zijn kansen op we er zoveel mogelijk uit en deze worden opnieuw gebruikt. We stimuleren het scheiden van schadelijke stoffen aan de bron. De partners in de hele waterketen werken nauw samen in gebiedsverbanden, die zijn afgestemd op de kansen en mogelijkheden in het betreffende gebied.

3.3.6 Waterbeheerprogramma 2022-2027     

Het Waterschap Rijn en IJssel (WRIJ) heeft op 13 januari 2022 het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld.

Aanleiding

Het waterbeheerprogramma (WBP) is een belangrijk instrument, waarmee WRIJ aangeeft welke beleidsdoelen het nastreeft, welke inspanningen het pleegt om dat beleid te realiseren en welke financiële middelen daarmee gemoeid zijn. De sturende werking ervan wordt mede bepaald door de mate waarin doelen en maatregelen geconcretiseerd worden. Voor het overgrote deel zijn de langetermijndoelen voor de beleidsthema’s al vastgesteld; het WBP geeft aan hoe WRIJ in de planperiode met deze doelen aan de gang gaat en waar WRIJ in 2027 denkt te staan. Gedurende de looptijd van het WBP kan/zal tussentijds bepaald worden of er aanleiding is het WBP te actualiseren; dit is aan de orde als koers of de kaders significant wijzigen.

WRIJ in uw omgeving
WRIJ zorgt voor het water in uw omgeving. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt WRIJ bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht en is continu in beweging. Dat doet WRIJ door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en stevige dijken. WRIJ doet dit met diepgewortelde vaken gebiedskennis en verbinden beleid én uitvoering. WRIJ werkt met een ondernemende houding, gericht op maatschappelijk toegevoegde waarde, in samenwerking met de partners en inwoners in de Achterhoek, de Liemers en Overijssel, wendbaar en gebied-nabij. De beleidsdoelen worden in samenwerking met netwerkpartners opgesteld (open planvorming) en gebiedsgericht vertaald naar haalbare wateropgaven en programmaopdrachten (gebiedsprocessen). De programmaopdrachten worden in samenwerking met de betrokkenen in het gebied doorgezet naar uitvoering (co-creatie).

Wat komt er op ons af?

De wereld om ons heen is blijvend in verandering en die veranderingen lijken ook steeds sneller te gaan. Toenemende risico’s met betrekking tot droogte en wateroverlast, een groeiende vraag naar woningen, de natuur- en milieuopgaven zoals stikstofdepositie, maar ook de nieuwe mogelijkheden met onder andere informatietechnologie zien wij op ons afkomen. WRIJ zien dat de samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vragen om nauwe samenwerking met onze partners (zoals gemeenten en provincies), inwoners en bedrijven. Het betreft het samenwerken aan wateropgaven die WRIJ nu in beeld heeft en wateropgaven die de komende periode nog worden uitgewerkt. Hoe WRIJ dat de komende zes jaar wil gaan doen samen met de omgeving, dat wordt beschreven in dit WBP.

Wat gaat WRIJ doen in de periode tot aan 2027?

Ondanks dat er veel verandert in en rond het water, blijven de kerntaken van WRIJ in ieder geval:

  • het peilbeheer van grond- en oppervlaktewater
  • het onderhouden en beheren van de waterkeringen en watergangen
  • het transporteren en zuiveren van afvalwater
  • het verbeteren van de waterkwaliteit
  • de vergunningverlening, toezicht en handhaving.


Daarbovenop is voor de periode 2022-2027 als belangrijkste speerpunt de opgave om het gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt WRIJ toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering. Er wordt gebiedsbreed geïnvesterd in een toename van de veerkracht, anticiperend op de nieuwe inzichten over de snelheid van klimaatverandering richting 2050. Hiervoor gaat WRIJ het volgende doen:

  • Integrale aanpak, samen met omgevingspartners, om te komen tot een nieuwe inrichting, zowel van het watersysteem als het gebied/gebruik, landelijk en stedelijk.
  • Voorraadbeheer actief oppakken op Achterhoeks plateau en verder brengen in de Landgoederenzone Baakse Beek (mogelijk verbreden), o.a. drainagebasis groter gebied omhoog.
  • Gebiedsbrede aanpak stedelijk gebied (programmatisch).
  • Intensiveren inzet van de voorbereidende trajecten (verkenningen, inrichten processen) voor structurele/integrale/brede systeem- en gebiedsaanpassingen.
  • Intensiveren no-regret in het gehele gebied; sneller, op eigen initiatief en breder ‘elke druppel de grond in’.
  • Agenderende rol richting omgevingspartners bij benoemen complexe keuzes om transities watersysteem te realiseren.
  • Verbreden aanpak focusgebieden: gebiedsbrede aanpak in lopende (of extra) gebieden vanuit thema’s Gezonde Leefomgeving & Klimaatrobuust Gebied samen.
  • Kwaliteitsverbetering stedelijk water door andere inrichting van de openbare ruimte.
  • Water op Maat: realisatie van hergebruik effluent bij de 4 KRW-rioolwaterzuiveringen.

Voor dit WBP heeft WRIJ diens werkzaamheden weergegeven in onderstaande vier thema’s.

Klimaatrobuust gebied
De ambitie is om richting 2050 wendbaar invulling te geven aan het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem. Dit doet WRIJ in combinatie met aanpassingen in gebruik en inrichting van de omgeving, zodat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.

Veilig gebied
De bescherming tegen hoog water is een randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken in het gebied. WRIJ zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst, door dagelijks beheer van keringen en door continu inzicht in de keringen. WRIJ voert het beheer op een duurzame wijze uit en werkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. De ambitie is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar wordt ingespeeld op ontwikkelingen. Daarnaast heeft WRIJ een sterke adviesrol in de ruimtelijke ordening en zijn is het een sterke partner in de calamiteitenbestrijding.

Circulaire Economie en Energietransitie
WRIJ wil in het uitvoeren van de primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil WRIJ in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin de taken klimaatneutraal worden uitgevoerd. Hiervoor moeten zoveel mogelijk de grondstofbehoefte worden beperkt en ervoor worden gezorgd dat er geen sprake is van waardevermindering van grondstoffen. De afvalstromen moeten zo klein mogelijk zijn. En bovenal: WRIJ moet met diens werkwijze zorgen voor 95% minder emissie van broeikasgassen.

Gezonde leefomgeving
WRIJ zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het streven is naar dat water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico’s oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. WRIJ verwacht met deze plannen de woon-, werk- en leefomgeving van de Achterhoek, Liemers en Overijssel nog toekomstbestendiger te maken.

3.4 Gemeentelijk beleid     

3.4.1 Omgevingsvisie Bronckhorst 2035     

De Omgevingsvisie Bronckhorst 2035 is op 24 februari 2022 vastgesteld. De kern van de visie is:

verplicht

Onze karakteristieke gemeenschappen en landschappen staan er in 2035 nóg beter voor. En hoe ziet het er dan uit in 2035?

Onze dorpen en buurtschappen ontwikkelen zich, elk op hun eigen manier. Passend bij hun karakter en identiteit. Alle inwoners doen mee en dragen bij aan hun gemeenschap. Activiteiten, cultuur en tradities floreren.

Er is ruimte om te ondernemen voor onze toonaangevende, technologische en ambachtelijke ondernemingen. Bronckhorst staat op de kaart als ontwikkelaar van gezonde en innovatieve agrofood producten. De banen die onze ondernemers creëren zorgen voor interessant en passend werk. Er zijn voldoende woningen om in de eigen gemeenschap te blijven wonen. In de dorpen of binnen 20 minuten fietsen vinden we de basisvoorzieningen om prettig te leven. Onze leefomgeving stimuleert meedoen, bewegen en ontmoeten.

Inwoners en bezoekers genieten van prachtige, veelzijdige landschappen. Kenmerkende groenstructuren, bomen, andere landschapselementen en ons rijke erfgoed zijn verder versterkt. Het natuurlijke systeem is op orde en veerkrachtig. De kwaliteit van bodem, water en lucht zijn goed en het landschap is in staat de effecten van het veranderende klimaat op te vangen. Boeren voeren er een gezonde bedrijfsvoering met zorg voor de omgeving en oog voor dierenwelzijn.

Zo gaven we invulling aan de vele opgaven die de komende vijftien jaar op ons afkomen. Bronckhorst zal veranderen. Er komen woningen, bedrijven en locaties voor de opwek van hernieuwbare energie. Gemeenschappen en landschappen veranderen mee, zoals ze al eeuwen mee veranderen. En zo wordt Bronckhorst de komende jaren alles bij elkaar twee keer zo mooi. Deze bovenstaande ambities vertaalden we in concrete doelen voor 2035. Deze doelen helpen ons bij het formuleren van concrete acties. En het al dan niet ondersteunen van initiatieven van inwoners. We monitoren de komende jaren in hoeverre we deze doelen bereiken en of we eventueel moeten bijsturen met nieuwe acties.


Samengevat zien onze ambitie en concrete doelen voor 2035 er als volgt uit:

verplicht

verplicht

3.4.2 Kernenbeleid     

Op 1 januari 2005 zijn vijf gemeenten samengevoegd tot 1 nieuwe gemeente. Voor de herindeling had bijna ieder dorp een eigen gemeentehuis en gemeentebestuur in de nabije omgeving. De wethouders waren bekenden en ook de meeste ambtenaren woonden in het dorp. Zij maakten deel uit van de gemeenschap en waren daardoor vanzelfsprekend op de hoogte van wat er leefde in hun dorp. Zaken die de dorpsbewoners dwars zaten werden bijvoorbeeld op informele wijze, tijdens de wekelijkse sportavond, besproken of men liep even het gemeentehuis binnen om navraag te doen hoe het met de voortgang van een bepaald project stond. Sinds de herindeling bestrijkt de gemeente nu een groot gebied, waardoor de afstand tussen de burger en de gemeente in zowel sociaal als fysiek opzicht groter is geworden. De contacten met het gemeentebestuur verlopen via formelere procedures en de gemeente moet haar aandacht verdelen over ruim 40 kernen en buurtschappen. Vanaf 1 januari 2010 is het convenant dorpsbelangenorganisaties en gemeenten van kracht.

Het kernenbeleid verschaft in het convenant duidelijkheid over de wijze waarop de gemeente omgaat met de kernen. Het kernenbeleid van de gemeente Bronckhorst wordt beschreven in de volgende twee doelstellingen:

  • Het behouden van de bestaande korte lijnen in de relatie tussen burger en bestuur. Door deze korte communicatielijnen met de burgers kan een beter draagvlak worden gecreëerd voor het gemeentelijk beleid binnen het dorp.
  • De leefbaarheid en vitaliteit van de kernen in de gemeente Bronckhorst in stand houden en verbeteren. De kernen in Bronckhorst hebben allemaal een eigen identiteit, meestal gekenmerkt door een rijk verenigingsleven en grote sociale betrokkenheid. Zowel de gemeente als de burgers willen dit graag in stand houden.

3.4.3 Woonbeleid     

De raad van Bronckhorst heeft op 18 juli 2019 de lokale woonvisie 'Ruimte voor wonen in Bronckhorst' 2019-2025 vastgesteld. De vorige woonvisie van Bronckhorst is in 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Deze was gebaseerd op de regionale woonagenda die in 2015 is opgesteld en vastgesteld door de Achterhoekse gemeenten, woningcorporaties en provincie Gelderland. Dit beleid is niet meer actueel. Ten opzichte van een paar jaar geleden bevindt de gemeente Bronckhorst nu in een periode van economische groei en is - mede als gevolg daarvan - de druk op de woningmarkt enorm toegenomen. De gemeente ziet daarnaast dat vraag en aanbod onvoldoende op elkaar aansluiten. Ook is de energietransitie nog hoger op de agenda komen te staan. Tot slot ziet de gemeente in de samenleving steeds meer behoefte aan nieuwe (collectieve) woonvormen. De hierboven genoemde ontwikkelingen en opgaven die daarmee samenhangen, vormen de aanleiding om het lokale en regionale woonbeleid te actualiseren.

Op 27 mei 2021 heeft de gemeenteraad ingestemd met de actualisatie van de woonvisie. Hiermee komt er nog meer ruimte voor goede woningbouwplannen. De speerpunten uit de woonvisie blijven overeind. De gemeente geeft prioriteit aan het toevoegen van toekomstbestendige woningen in een betaalbaar segment en het benutten van inbreidingslocaties en bestaand vastgoed. Met de actualisatie van de woonvisie is het aantal te realiseren woningen verhoogd en daarnaast meer mogelijk voor doorstromers, collectieve woonvormen, flexibiliteit in bestaand vastgoed en bouwen aan de randen van dorpen. Burgemeester en wethouders hebben, ter uitwerking van bouwen aan de randen van dorpen, in elk van de kernen Hengelo, Hummelo, Steenderen, Vorden en Zelhem een locatie aangewezen waar uitbreiding aan de kernrand kan plaatsvinden. Daarmee wordt in deze kernen niet op andere locaties meegewerkt aan uitbreiding van de kern of bouwen in de kernrand. In de overige kernen zijn op voorhand geen uitbreidingsgebieden aangewezen. In deze kernen worden initiatieven op zichzelf beoordeeld aan woonbeleid en ruimtelijk beleid.

Bij het opstellen van nieuw beleid baseert de gemeente zich op trends en ontwikkelingen, maar houdt tegelijkertijd rekening met de onzekerheden in de maatschappij. De wereld om ons heen blijft in snel tempo veranderen en daarom is het moeilijk om ver in de toekomst te kijken. De ontwikkeling van de bevolking door geboorte en sterfte is redelijk goed te voorspellen, maar dit geldt niet voor de invloed van migratiestromen. Daarnaast zijn ook factoren als economische groei, consumentvertrouwen, aanscherping van hypotheekeisen en toewijzingsregels bij de sociale huur van invloed. Bij wijzigingen zullen er verschuivingen optreden op de woningmarkt. Daarom gaat de gemeente uit van adaptief beleid. Dit is beleid dat de gemeente kan aanpassen op basis van nieuwe inzichten en ontwikkelingen. Aan de andere kant moet is de gemeente zich ervan bewust dat een woning een statisch 'product' is en woningen meestal voor minimaal 50 jaar gebouwd worden.

Kaders

Het coalitieprogramma 'Gewoon Doen' 2018-2022 benoemt vier grote opgaven:

• Dienstbare overheid: open en uitnodigend

• Duurzaamheid vanuit realisme

• Kwaliteit van de leefomgeving

• Proactief inspelen op demografische veranderingen

In het coalitieprogramma is daarnaast specifiek aandacht voor de kansen die jongeren en ouderen hebben op de woningmarkt, betaalbaarheid, de verduurzamingsopgave, woningsplitsing en experimenten met nieuwe woonvormen. Deze thema's komen terug in deze lokale woonvisie.

Ook in regionaal verband wordt er - samen met de provincie Gelderland - gewerkt aan een goed woonklimaat in de Achterhoek. Sinds 2019 gebeurt dit onder de vlag van "8RHK Ambassadeurs" en aan de thematafel Wonen en Vastgoed in het bijzonder. In opdracht van de thematafel wordt ook de regionale woonvisie geactualiseerd. De lokale woonvisie hangt hier nauw mee samen. Daarom zijn de uitgangspunten voor de nieuwe regionale woonvisie doorvertaald in deze lokale woonvisie voor Bronckhorst.

Monitoring en onderzoek

Om in te kunnen spelen op nieuwe trends en ontwikkelingen, is (regel)ruimte en flexibiliteit in beleid nodig. Daarnaast is monitoring essentieel. Jaarlijks vindt lokaal en regionaal uitgebreide monitoring plaats van de ontwikkelingen op de woningmarkt (huur en koop). Ook tussentijds wordt gebruik gemaakt van cijfers die inzicht geven in de woningmarkt. Een keer per vier jaar wordt er (regionaal) onderzoek gedaan naar de kwantitatieve en kwalitatieve woonbehoefte. Voor deze lokale woonvisie is onder andere gebruik gemaakt van het regionaal woonwensen- en leefbaarheidonderzoek dat in 2017/ 2018 is uitgevoerd. Het volgende onderzoek wordt uitgevoerd in 2021. De lokale woonvisie kan worden bijgesteld, als nieuwe onderzoeken en inzichten hier aanleiding voor geven. Het is dynamisch document.

Drie hoofdthema's

Bronckhorst heeft veel verschillende dorpen en een enorm buitengebied. Ieder dorp of gebied is uniek en heeft eigen karakteristieke kenmerken en kwaliteiten. De gemeente wil dat Bronckhorst als geheel een aantrekkelijk woongebied is en blijft, zowel voor de huidige inwoners als voor mensen van buiten de gemeente. Dit betekent dat de gemeente op het behouden en versterken van de bestaande (woon)kwaliteiten in de kernen en het buitengebied, zoals het landelijk wonen in een groene omgeving. Daar waar nodig voegt Bronckhorst kwaliteit aan de woningvoorraad en woonomgeving toe. Bronckhorst streeft dan ook naar een woningvoorraad die duurzaam, betaalbaar en divers is, passend bij de huidige en toekomstige woonbehoefte van de inwoners van Bronckhorst.

In deze woonvisie ligt de focus op drie thema's:

  1. Passend aanbod De (bestaande) woningvoorraad sluit aan bij de behoefte van (potentiële) inwoners, zowel in prijs, kwaliteit als in aantallen. (Bronckhorst speelt in op de woonbehoefte van huidige én toekomstige generaties.)
  2. Duurzaamheid De woningvoorraad is duurzaam en toekomstbestendig. (Bronckhorst zet in op het wooncomfort van mensen en geven de verduurzaming een impuls.)
  3. Wonen en zorg Iedereen die zorg of ondersteuning nodig heeft, kan zo lang mogelijk zelfstandig wonen óf kan terecht in een passende woonzorgvoorziening. (Bronckhorst investeert in een veilige en gezonde woning en woonomgeving.

Uitbreiding woonvoorraad

De gemeente Bronckhorst constateert een kwalitatieve mismatch tussen vraag en aanbod op de woningmarkt. Tegelijkertijd verwacht Bronckhorst gelet op de demografische ontwikkelingen - dat op langere termijn minder en andere woningen nodig zijn. Transformatie van bestaande woningen heeft daarom prioriteit. Omdat het aantal huishoudens volgens de prognoses de komende jaren nog licht toeneemt en Bronckhorst de mismatch wil oplossen, voegt Bronckhorst tot 2025 ook nog gericht woningen toe aan de voorraad.

Kwaliteit

Bronckhorst wil sturen op kwaliteit en staart zich niet blind op getallen. Wél houdt de gemeente rekening met de effecten op langere termijn. Daarom wil de gemeente dat elke woning die nog wordt toevoegd, invulling geeft aan een kwalitatieve opgave. Kortom: Bronckhorst wil de juiste woning voor de juiste doelgroep op de juiste plek.

Om invulling te geven aan een kwalitatieve opgave, wil de gemeente primair woningen toevoegen die:

  • voorzien in de aantoonbare woonbehoefte van groepen mensen waar nu onvoldoende aanbod voor is op de reguliere woningmarkt;
  • de doorstroming op de woningmarkt bevorderen;
  • een impuls geven aan de verduurzaming van de woningvoorraad;
  • duurzame woonkwaliteiten of -concepten toevoegen aan de bestaande woningvoorraad die nu nog niet of onvoldoende in Bronckhorst aanwezig zijn.

Kwantiteit

Het streven is om minimaal voldoende woningaanbod te realiseren voor de lokale woonbehoefte. ABF Research heeft in 2018 (in opdracht van de regio Achterhoek) vijf scenario's opgesteld van hoe het aantal huishoudens zich tot 2025 zou kunnen ontwikkelen.

Op basis van de verwachte huishoudensontwikkeling gaat het minimale scenario voor Bronckhorst uit van circa 400 woningen die tot 2025 nog nodig zijn om te voorzien in de behoefte; het maximale scenario gaat uit van circa 550 woningen.

De prognoses zijn geen absolute waarheid, maar geven een trend/richting aan. Met het oog op de verwachte huishoudensdaling op langere termijn, is de gemeente Bronckhorst in de vastgestelde woonvisie in 2019 uitgegaan van een woningbouwopgave van 400 woningen extra tot 2025 als richtgetal.

De afgelopen jaren is de krapte op de woningmarkt fors toegenomen, zowel in de koop als (sociale) huur. Niet alleen inwoners uit Bronckhorst zelf zoeken een woning, vaak het liefst in eigen dorp. Ook steeds meer woningzoekenden uit andere delen van het land oriënteren zich op het oosten. Bronckhorst is een aantrekkelijk gebied om te wonen, o.a. vanwege het landschap, de unieke woonkwaliteiten, werkgelegenheid en ligging. Daarom heeft de raad op 27 mei 2021 ingestemd met het voorstel om de woningbouwopgave te verhogen naar ca. 500 woningen tot 2025. Het gaat hierbij zowel om koop- als (sociale) huurwoningen.

Op basis van de daadwerkelijk aantoonbare behoefte in de kernen en het buitengebied en behoefteonderzoek voor specifieke doelgroepen (zoals arbeidsmigranten), maar ook door monitoring en trendanalyse kan de hierboven genoemde richting worden bijgesteld.

De uitgangspunten van de woonvisie

Waar voegt de gemeente toe?

De woonbehoefte is het grootst in de grotere kernen, zoals Vorden, Hengelo en Zelhem. De gemeente Bronckhorst constateert in deze kernen de grootste mismatch tussen vraag en aanbod.

Ook in veel kleine kernen en het buitengebied is er een woonbehoefte die niet altijd in het bestaande woningaanbod kan worden ingevuld. Daarom is er ook ruimte om, op basis van een aantoonbare behoefte, woningen in de kleine kernen en het buitengebied toe te voegen. Hier gaat het vooral om transformatie van bestaand vastgoed en woningsplitsing, waarbij Bronckhorst de landschappelijke kwaliteiten en de mogelijkheden voor bedrijven in het buitengebied wil waarborgen.

Hoe gaat de gemeente toevoegen?

Transformatie van bestaand (leegstaand) vastgoed heeft de voorkeur. Hierbij gaat het zowel om verbouw/ herbestemming als nieuwbouw na sloop. Ook is ruimte voor woningsplitsing en nieuwbouw. De gemeente bouwt kiest vooral voor projecten die qua omvang en kwaliteit passen bij de identiteit, uitstraling en stedenbouwkundige structuur van de kern of het gebied. Inbreiding gaat boven uitbreiding. Hierbij wordt rekening gehouden met de opgaven op het gebied van klimaatadaptatie en hittestress.

Voor wie voegt de gemeente toe?

Uitgangspunt is dat Bronckhorst woningen toevoegt voor mensen met een aantoonbare woonbehoefte die niet in de bestaande woningvoorraad kan worden ingevuld. Op basis van de uitkomsten van het AWLO (2017) en de gesprekken die zijn gevoerd, onderscheidt Bronckhorst de volgende prioritaire doelgroepen:

  • Starters: jongeren tussen 18 en 35 jaar en jonge gezinnen tot 40 jaar met een beperkt budget, die niet eerder eigenaar van een woning zijn geweest;
  • Ouderen die graag de stap willen maken van koop naar huur of naar een kleinere, betaalbare en levensloopgeschikte koopwoning;
  • Huishoudens die net teveel verdienen voor een sociale huurwoning, maar relatief weinig mogelijkheden hebben op de koopmarkt (lagere middeninkomens);
  • Mensen in een kwetsbare positie, zoals mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben.

Wat voegt de gemeente toe?

Woningen die voor meerdere doelgroepen geschikt zijn en daarmee ook op langere termijn duurzaam inzetbaar zijn. De gemeente onderscheidt de volgende prioritaire segmenten:

  • Betaalbare grondgebonden koopwoningen voor starters (< € 225.000,-)
  • Grondgebonden koopwoningen in het middeldure prijssegment, ten behoeve van de doorstroming (indicatief: € 225.000,- tot € 300.000,-)
  • Sociale huurwoningen (tot de liberalisatiegrens < € 752,33 prijspeil 2021)
  • Middeldure huurwoningen (indicatief: < €900,-)
  • Woonzorgaanbod (intramuraal/ begeleid wonen)

Met de actualisatie van de woonvisie (2021) is daarnaast meer ruimte gecreëerd voor woningbouwplannen voor doorstromers en meer maatwerk mogelijk qua doelgroep en (prijs)segment bij transformatie van bestaand vastgoed.

Tijdelijke huisvesting

Als aanvulling op de opgave om te voorzien in voldoende reguliere (permanente) huisvesting, is er ook een opgave op het gebied van tijdelijke huisvesting. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om arbeidsmigranten die voor een bepaalde periode in Bronckhorst verblijven voor werk. Huisvesting die specifiek voor deze doelgroep wordt gerealiseerd, is enkel bedoeld voor tijdelijke bewoning. Als arbeidsmigranten zich permanent in Bronckhorst willen vestigen, dan kunnen zij terecht in reguliere woningen.

Woningsplitsing

Algemene voorwaarden

Als basis gelden bij woningsplitsing (binnen en buiten de bebouwde kom) standaard de volgende voorwaarden:

  • Er wordt voorzien in een concrete woonbehoefte. De aanvraag moet daarom door de huidige en toekomstige bewoners gezamenlijk worden ingediend bij de gemeente.
  • Er vindt verevening plaats. Hieronder valt bijvoorbeeld een bijdrage aan het Fonds Bovenwijks, verduurzamingsmaatregelen of een extra bijdrage aan landschappelijke inpassing.

Specifieke criteria landelijk gebied

Daarnaast geldt nog een aantal specifieke ruimtelijke criteria, waarbij onderscheid is gemaakt tussen buiten of binnen de bebouwde kom. Hieronder worden de specifieke ruimtelijke criteria voor buiten de bebouwde kom weergegeven:

  1. woningsplitsing beperkt zich tot het eenmalig creëren van één extra woning binnen de bestaande contouren van een hoofdgebouw, waar reeds een verblijfsobject met een woonfunctie aanwezig is;
  2. beide woningen hebben na splitsing een gezamenlijke maximale inhoud van 750 m³. Indien en voorzover het hoofdgebouw ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van het plan een grotere inhoud heeft dan 750 m³, geldt de grotere inhoud als maximum;
  3. elke woning heeft na splitsing recht op 100 m² aan bijgebouwen en het meerdere wordt gesloopt tenzij meer bij recht op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Indien sprake is van monumentale bijgebouwen vervalt het recht op 100 m2 extra bijgebouwen;
  4. waardevolle bouwvormen en karakteristieke elementen van een gemeentelijk of rijksmonument en eventuele (monumentale) bijgebouwen dienen gehandhaafd te blijven;
  5. woningsplitsing mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- of leefklimaat en van de in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  6. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; de initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen;
  7. er wordt voldaan aan de voorwaarden zoals deze zijn opgenomen in de, op het moment van toepassen van deze afwijkingsbevoegdheid, geldende Woonvisie 2019 - 2025.

3.4.4 Wonen en zorg     

Op 25 februari 2014 stelde het college van Bronckhorst het 'Beleid- en uitvoeringsplan Wonen en Zorg' vast. Via het beleid- en uitvoeringsplan wil de gemeente een visie op wonen en zorg bieden zoals deze werd aangekondigd in de 'Structuurvisie Bronckhorst' (zie paragraaf 3.4.1). Daarnaast wil de gemeente de visie operationaliseren door nadere definities te stellen, zoals in geval van woonzorggebieden, of het vaststellen van acties, zoals het zoeken van samenwerking met de eerstelijnszorg.

Het beleid- en uitvoeringsplan kent diverse uiteenlopende onderwerpen en beleidsvisies. De onderwerpen met ruimtelijke relevantie zijn hieronder samengevat.


Woningvoorraad

De bestaande woningvoorraad past niet bij de toekomstige samenstelling van de bevolking. Daarnaast worden er de komende jaren nog maar zeer beperkt nieuwbouwwoningen toegevoegd. Tussen de zeven Achterhoekse gemeenten is afgesproken dat er fors wordt geschrapt in de plancapaciteit (zie paragraaf 3.4.3).

De gemeente Bronckhorst wil zorgen voor een gedifferentieerd aanbod aan kwalitatief en kwantitatief voldoende woningen die voldoen aan de bestaande en toekomstige vraag. 'De juiste woning op de juiste plaats' is hierbij uitgangspunt. Dit wil zeggen dat er voldoende woningen zijn, nu en in de toekomst, die zo goed mogelijk aansluiten bij wat mensen willen. Er is echter weinig sturing in de nog toe te voegen woningbouw mogelijk. Daar waar sturing bij nieuwbouw nog enigszins mogelijk is, wordt ingezet op toekomstbestendige woningen. Kansen moeten echter vooral gezocht worden in de bestaande woningvoorraad.

De huidige en toekomstige generatie ouderen blijft steeds langer actief en blijft zo lang mogelijk thuis wonen. Daarnaast is er de ontwikkeling scheiden van wonen en zorg. Gevolg is, dat er een groeiende behoefte is aan zorg aan huis en toegankelijke woningen voor mensen met een beperking in hun dagelijkse doen en laten. Dit alles heeft grote consequenties voor de bestaande woningvoorraad. De bestaande woningvoorraad is hier grotendeels niet geschikt voor.

De bestaande woningen zullen aangepast moeten worden. De woningen moeten 'geschikt' gemaakt worden. De meningen over wanneer een woning daadwerkelijk geschikt genoemd kan worden lopen uiteen. Wanneer gesproken wordt over een geschikte woning, is er veelal sprake van maatwerk.

In de prestatieafspraken met de corporaties is opgenomen dat we samen onderzoeken wat we verstaan onder een geschikte woning en hoe we hiermee om zullen gaan in de praktijk. Het volledig aanpassen van alle (corporatie)woningen heeft geen zin. Veel van de in de woning aangebrachte voorzieningen zullen in de meeste gevallen niet worden gebruikt, omdat veel ouderen zich tot op hoge leeftijd nog prima kunnen redden. De investering staat dan niet in verhouding tot de opbrengst ervan.


Woonzorggebieden

Door extramuralisering zijn zorgaanbieders steeds meer gaan inspelen op de mogelijkheden om zorg bij mensen thuis te brengen. Mensen kunnen daardoor langer in hun eigen vertrouwde omgeving blijven wonen. Er is een aantal groepen inwoners waarvoor het van belang is dat zij dicht bij de voorzieningen wonen. Daarnaast kiest ook een deel van de inwoners bij het ouder worden voor een aangepaste woning in de nabijheid van de voorzieningen.

De gemeente wil daarom in de vijf grote kernen: Hengelo, Hummelo, Steenderen, Vorden en Zelhem, woonzorggebieden realiseren. Een woonzorggebied is een kern waar ouderen en mensen met een beperking zo zelfstandig mogelijk kunnen wonen en deelnemen aan de samenleving. Binnen deze gebieden is sprake van wonen, welzijn en zorg op maat variërend van aangepaste woningen tot 24 uurs-zorg. In de gebieden worden de voorzieningen zoveel mogelijk geclusterd. Door deze clustering wordt versnippering voorkomen. Hierdoor wordt in deze gebieden een versterkt en hoogwaardig aanbod gerealiseerd.

Definitie van een woonzorggebied: een (deel van een) kern, waarin optimale condities zijn geschapen voor wonen met zorg. De bewoners van het totale woonzorggebied zijn in principe een dwarsdoorsnede van de samenstelling van de plaatselijke bevolking.

Een woonzorggebied is een gewoon gebied waarin de zorg beslist niet domineert, waar sprake is van integrale zorg en dienstverlening en waar overwegend levensloopgeschikte woningen en woonomgeving met een goed voorzieningenniveau aanwezig zijn.

Als woonzorggebied wordt de totale bebouwde kom van de de kernen gerekend, met uitzondering van de bedrijventerreinen. Er wordt gekozen voor de totale (woon)kern om te voorkomen dat woningen 'net buiten de werkingsgebied van het beleid valt' of dat zorgaanbod gaat domineren in een gebied.

De zorg- en dienstverlening binnen deze gebieden is niet overal gelijk. Dit is afhankelijk van de kansen en mogelijkheden die zich voordoen in de verschillende gebieden. Rondom de verzorgings- en verpleeghuizen is het niveau van zorg en dienstverlening hoger dan in de rest van de kern.

Bij het aanmerken van de woonzorggebieden is aansluiting gezocht bij de bestaande verzorgings- en verpleeghuizen.

Ouderen worden gestimuleerd om dicht bij de voorzieningen in de woonzorggebieden te gaan wonen. Met de forse toename van het aantal ouderen is het niet reëel om er vanuit te gaan dat alle ouderen daar ook gehuisvest kunnen worden omdat daar op termijn onvoldoende woningen beschikbaar zullen zijn.

Mensen hebben de keuze om dicht bij de voorzieningen in een woonzorggebied te gaan wonen. Met name voor ouderen kan dit een bewuste keuze zijn. Er is echter een aantal groepen inwoners waarvoor het wel van belang is dat zij in de woonzorggebieden wonen. Dit zijn onder meer mensen met dementie, de groep die onder de psychogeriatrie (pg) valt. Voor het exploiteren van intensieve zorgplaatsen is een bepaald volume nodig. Organisaties hebben elkaar nodig om de gewenste zorg en ondersteuning te kunnen bieden. De intensieve zorgplaatsen wil de gemeente daarom concentreren in de woonzorggebieden. Deze intensieve zorgplaatsen zijn een goede basis voor de zorginfrastructuur in de kern en het gebied dat bij de kern hoort. Door clustering van deze intensieve zorgplaatsen met andere voorzieningen wil de gemeente een versterkt en hoogwaardig aanbod realiseren in de vijf kernen. Woonvoorzieningen voor mensen met een beperking wil de gemeenten ook concentreren in de vijf grote kernen. Het gaat om mensen die niet zelfstandig initiatief kunnen nemen en/of niet in staat zijn het vervoer te regelen. Door deze mensen dicht bij de voorzieningen te huisvesten, worden zij geprikkeld en in staat gesteld deel te nemen aan het maatschappelijk leven.

In en woonzorggebied streeft de gemeente ernaar dat de volgende voorzieningen aanwezig zijn:

  • intensieve zorgplaatsen voor de verschillende groepen;
  • 24-uurs zorg op afroep;
  • informatie- en adviesfunctie;
  • zoveel mogelijk nultredenwoningen;
  • welzijns- en ondersteuningsdiensten;
  • huisarts, tandarts, apotheek in een gezondheidscentrum met eventueel andere zorg- en welzijnsdiensten;
  • aandacht voor:

- openbare ruimte rolstoeltoegankelijk en sociaal veilig;

- slim gebruik van vrijkomende gebouwen;

- goed gladheidbeleid.

De huisarts, tandarts en apotheek behoren tot de basisvoorzieningen in een gebied. Huisartsen zoeken steeds meer de samenwerking en samenhang met andere zorgverleners. Op meerdere locaties in de gemeente is een HOED (Huisartsen onder één dak). In een aantal gevallen zijn meerdere zorg- en welzijnsfuncties hieraan gekoppeld en is sprake van een gezondheidscentrum.

De clustering van voorzieningen in een HOED of gezondheidscentrum kan er toe bijdragen dat de gezondheidszorg minder kwetsbaar is. De zorgvragen nemen toe en er is schaarste aan mensen en middelen. De zorg moet zo doelmatig mogelijk georganiseerd worden. De nadruk ligt op vraag gestuurde zorg en dit betekent inspelen op wat zorgvragers belangrijk vinden en rekening houden met hun daadwerkelijke behoeften en de wijze waarop zij hun leven willen inrichten. Er is bij de eerstelijnszorgverleners een groeiende wens naar werkbare zorg. Door een combinatie van toenemende werklast en andere beroepsoriëntatie (normale werkdagen, parttime werken) ontstaat bij huisartsen, verloskundigen en andere vrije beroepsgroepen meer behoefte aan onderlinge samenwerking en facilitaire ondersteuning. Een deel van hen wil liever geen eigen bedrijf meer runnen.

De gemeente stimuleert de ontwikkeling van samenwerking en samenhang van zorg- en welzijnsfuncties (bijvoorbeeld in de vorm van een gezondheidscentrum) in de vijf woonzorggebieden.

Wonen en zorg in het buitengebied

Zorg en welzijn houden niet op bij de grenzen van de woonzorggebieden. Ook het buitengebied maakt gebruik van de zorg- en ondersteuningsinfrastructuur die in de woonzorggebieden aanwezig is. Met buitengebied wordt het hele gebied buiten de vijf woonzorggebieden bedoeld, dus ook de kleine kernen. De mate waarin zorg en ondersteuning in het buitengebied geboden kunnen worden, zal echter op een lager niveau liggen dan in de vijf woonzorggebieden. Hierbij wordt opgemerkt dat burgers een eigen verantwoordelijkheid hebben in de keuzes die zij maken en de gevolgen van die keuzes. Als mensen met een grote zorgvraag ervoor kiezen in het buitengebied te gaan (of te blijven) wonen, kan dit in de toekomst betekenen dat een eigen bijdrage wordt gevraagd om de hogere kosten die de levering van zorg in het buitengebied met zich meebrengt te dekken.

Woonzorgvoorzieningen in het buitengebied zijn niet op voorhand uitgesloten. Er geldt een 'ja, mits principe'. Dit houdt in: willen (zorg)organisaties zich in het buitengebied vestigen, dan wil de gemeente daaraan medewerking verlenen op voorwaarde dat er zich geen negatieve consequenties voordoen voor de cliënten of de voorgestane concentratie van wonen en zorg in de woonzorggebieden.

3.4.5 Masterplannen en centrumvisie     

3.4.5.1 Masterplan Hengelo Centrum     

Het Masterplan Hengelo Centrum is aan te merken als een nadere uitwerking van de 'Structuurvisie bebouwd gebied' en als opvolger van de 'Structuurvisie Hengelo-Kom', en geeft een kaderstellende ruimtelijke visie waaraan eventuele ontwikkelingsplannen voor de verschillende locaties in het centrum van Hengelo moeten gaan voldoen.

Met het masterplan wil de gemeente een proces in gang zetten om het centrum compacter te maken en kwalitatief te versterken, en zodoende de levendigheid te handhaven.

De volgende (primaire) opgaven zijn gesteld:

1. het compacter maken van het centrum aan de Noordzijde (Raadhuisstraat);

2. het verbeteren van de verblijfskwaliteit rondom de Sint Remigiuskerk (horecaconcentratie);

3. het ontwikkelen van betere looproutes (circuit Raadhuisstraat - Kerkstraat - Spalstraat);

4. het geven van een nieuwe functie aan de gemeentehuis-locatie;

5. het compacter maken van het centrum aan de zuidzijde (Spalstraat, Welkoop en Aldi);

De secundaire opgaven zijn:

6. het geven van een nieuwe functie aan door het compacter maken vrijkomende locaties;

7. het voorkomen en tegengaan van leegstand;

8. het niet verder laten toenemen van woonfuncties op de begane grond in het centrum;

9. het verhogen van de beeldkwaliteit in het centrum (zowel bebouwing als openbare ruimte).

In het Masterplan zijn enkele concrete locaties benoemd, en is een voorbeelduitwerking gegeven. Per locatie wordt inzicht gegeven in de bestaande waarden en kwetsbaarheden, de knelpunten en beperkingen, maar vooral ook op de kansen, die de beoogde ontwikkeling kan bieden. Het gaat hierbij om de volgende locaties:

  1. locatie huidige Plus en Albert Heijn
  2. locatie gemeentehuis
  3. locatie Schoolstraat
  4. locatie hoek Ruurloseweg - Bleekstraat
  5. locatie Raadhuisstraat - Horecaplein
  6. locatie Rabobank
  7. locatie Hoek Spalstraat - Raadhuisstraat

verplicht

3.4.5.2 Masterplan Vorden Centrum     

Het Masterplan Vorden centrum is een actualisatie van de Centrumvisie 2003 en geeft een kaderstellende ruimtelijke visie, waaraan eventuele ontwikkelingsplannen voor de verschillende locaties in het centrum van Vorden zouden moeten voldoen.

De volgende actiepunten kunnen als taakstellend worden beschouwd:

  • Versterken van het voorzieningenapparaat:
    1. door uitbreiding en nieuwvestiging van detailhandel en horeca;
    2. door aanleg van extra parkeervoorzieningen.
  • Versterken van de wervingskracht van het centrummilieu:
    1. door verhoging van de ruimtelijke kwaliteit van straat- en dorpsbeeld;
    2. door verbetering van het verblijfsklimaat in de openbare ruimte.
  • Versterken van de woonfunctie in het centrumgebied, waardoor de gewenste functiemenging duurzaam is gewaarborgd (sociale controle, leefbaarheid);
  • Uitplaatsen van storende functies, sloop van bedrijfsgebouwen en opname van nutteloos geworden verhardingen;
  • Opwaarderen van de binnenhoven, waardoor de algemene woonkwaliteit en leefbaarheid voor de omwonenden wordt verbeterd;
  • Doorkoppelen van langzaamverkeersrelaties, waardoor een grotere mate van doorkruisbaarheid van het centrumgebied ontstaat. Dit versterkt het openbare karakter van de buitenruimte en draagt zo bij tot sociale veiligheid.

In het Masterplan zijn enkele concrete locaties benoemd. Per locatie wordt inzicht gegeven in de bestaande waarden en kwetsbaarheden, de knelpunten en beperkingen, maar vooral ook op de kansen, die de beoogde ontwikkeling kan bieden. Het gaat hierbij om de volgende locaties:

  1. Zutphenseweg 32
  2. Schoolstraat - Smidstraat
  3. Zutphenseweg 1 t/m 3f
  4. Kerkstraat 13
  5. Dorpsstraat - Molenweg
  6. Raadhuisstraat - Het Hoge
  7. Zutphenseweg 26
  8. Raadhuisstraat 1
  9. Dorpsstraat 42
  10. Zutphenseweg 2, 4, 6, 8 en 10
  11. Raadhuisstraat 4 en 6

verplicht

3.4.5.3 Ontwikkelingsvisie Centrum Zelhem en Halle     

In de Ontwikkelingsvisie Centrum Zelhem en Halle is de ambitie voor beide kernen geformuleerd en zijn belangrijke uitgangspunten voor de ontwikkeling opgesteld. Op basis van de visie wil de gemeente afgewogen beslissingen kunnen nemen over belangrijke ontwikkelingen in de kernen. Er is in Zelhem een redelijk voorzieningenniveau. De detailhandel functioneert goed, ondernemers en consumenten zijn redelijk goed te spreken over het winkelaanbod. Knelpunten liggen vooral rond de verkeers- en verblijfsfunctie rond de Markt, de inrichting van het centrum, de kleine omvang van enkele winkelbranches (m.n. supermarkten) en de inpassing van schaalvergroting in het overwegend kleinschalige centrum. Doelstellingen voor het centrum van Zelhem zijn het versterken van de functie als aantrekkelijk koop- en toeristisch centrum, verbeteren van de verblijfskwaliteit en verkeersveiligheid en herontwikkeling van structuurbepalende locaties. Het streefbeeld is een compact centrumgebied met een compleet voorzieningenaanbod, concentratie van detailhandel en aanverwante functies in het centrumgebied, ruimte voor schaalvergroting en verplaatsing (m.n. supermarktbranche), de Markt als middelpunt en rustpunt in het centrum met een betere functionele ondersteuning (horeca, terrassen, groen), een hogere verblijfskwaliteit met een veilige en comfortabele inrichting en een goede bereikbaarheid met voldoende parkeervoorzieningen. Een en ander is vertaald in een plan van aanpak. Initiatieven worden getoetst aan de ontwikkelingsvisie.

3.4.6 Economisch beleid     

Op 22 juni 2006 heeft de gemeenteraad het beleid voor economische ontwikkeling van Bronckhorst 'Kansen benutten in Bronckhorst' 2006 - 2010 vastgesteld. Dit beleidsdocument geeft richting aan de gewenste economische ontwikkeling van de gemeente Bronckhorst. De centrale doelstelling van het beleid luidt als volgt: 'De gemeente Bronckhorst werkt aan een duurzame evenwichtig en vitale economische ontwikkeling van Bronckhorst, waarbij gebruik gemaakt wordt van aanwezige kwaliteiten. In de zin van rust en ruimte wordt gestreefd naar behoud en versterking van de werkgelegenheid en een regelmatige ontwikkeling van de werkgelegenheid in kansrijke sectoren als recreatie en toerisme, (niet) commerciële dienstverlening.'

Nijverheid is een stabiele economische sector van betekenis. De trend is dat het aantal arbeidsplaatsen licht daalt als gevolg van globalisering. Veel investeringen waardoor arbeidsproductiviteit stijgt. Door specialisatie en aansluiting op kennis- en innovatiecentra kan de sector zich handhaven in nichemarkten.

Bereikbaarheid is een absolute voorwaarde voor deze en andere sectoren. Enerzijds moet de aantakking op het regionale en rijkswegennet verbeterd worden, anderzijds moeten ook de wegen binnen de gemeente een goede doorstroming van het vrachtverkeer mogelijk maken. In samenspraak met omliggende gemeenten zal gezocht worden naar oplossingen voor verbetering van de regionale ontsluiting.

Daarnaast is bereikbaarheid via snelle en toekomstvaste telecommunicatieverbindingen een absolute voorwaarde om een concurrerende positie te kunnen blijven houden.

Het bedrijfsleven is gebaat bij een vitale samenleving. Met name een verbetering van het woningaanbod voor jongeren zal meer jongeren aan de gemeente binden, waardoor de benodigde verjonging van het werknemersbestand kan optreden.

3.4.7 Monumenten, archeologisch en cultuurhistorisch beleid     

De gemeente Brockhorst kent een Erfgoedverordening waarin de aanwijzing en bescherming van gemeentelijke monumenten is geregeld en waarin het archeologiebeleid is vastgelegd. In september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet verplicht de raad om bij vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden en daarvoor regels op te nemen. De Wamz wijst het bestemmingsplan aan als planmodel waarin de archeologische waarden en verwachtingen moeten worden geborgd. Instrument daarvoor is de archeologische waarden- en verwachtingskaart.

De gemeente Bronckhorst heeft een archeologische waarden- en verwachtingskaart en een archeologische beleidskaart. De archeologische waarden- en verwachtingskaart is een kaart waarop bekende archeologische vindplaatsen en terreinen staan die door de provincie en de rijksoverheid zijn geoormerkt als terreinen met een archeologische status. Daarnaast geeft de archeologische waarden- en verwachtingskaart een vlakdekkend en zo gedetailleerd mogelijk overzicht van de archeologische verwachtingen binnen de gemeente. Op de hier vanaf geleide beleidsadvieskaart zijn aan de verschillende verwachtingszones uitvoeringsgerichte adviezen voor het gemeentelijk AMZ (Archeologische MonumentenZorg)–beleid gekoppeld. Deze kaarten samen bieden daarmee zowel inzicht in de bestaande archeologische toestand van het landelijke en het bebouwde gebied van de gemeente alsmede een handvat voor een zorgvuldige omgang met archeologische waarden in de ruimtelijke ordening conform de Wamz en de Wro. Op 11 juli 2013 heeft de gemeenteraad middels wijziging van de erfgoedverordening het meest actuele archeologiebeleid vastgesteld. Dit beleid is gebaseert op de regionale nota 'Archeologie met beleid - Afwegingskader voor het archeologiebeleid in de Achterhoek'.

De inbreng van cultuurhistorie in ruimtelijk beleid was één van de belangrijkste pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in 2009. Het verankeren van de bescherming van cultuurhistorische waarden in ruimtelijke regelgeving is daarbij een belangrijk uitgangspunt. Per 1 januari 2012 is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgelegd dat in de ruimtelijke ordening "rekening wordt gehouden met aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten". Historische (stede)bouwkunde en historische geografie moeten worden meegenomen in de belangenafweging. Het gaat niet meer alleen om het beschermen van tot monument aangewezen panden en objecten en archeologische waarden, maar ook om andere waardevolle objecten en structuren. Concreet betekent dit dat gemeenten de cultuurhistorie als vast onderdeel mee gaan nemen in structuurvisies, met een doorwerking ervan in bestemmingsplannen.

De gemeente Bronckhorst heeft een cultuurhistorische gebiedsbeschrijving gemaakt om inzichtelijk te krijgen wat de cultuurhistorische waarden in de gemeente zijn. Met deze cultuurhistorische beschrijving geeft de gemeente inzicht in de ontstaansgeschiedenis van het gemeentelijk grondgebied en in de bijbehorende cultuurhistorische waarden. In het bijbehorende SWOT-analyse is aangegeven wat op dit vlak de sterke en zwakke punten zijn en waar kansen en bedreigingen liggen. De beschrijving is bruikbaar voor het inpassen in diverse beleidsstukken. Daarnaast is het behulpzaam bij het ontwikkelen van een visie op toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen rondom de cultuurhistorische waarden. De doelgroep van dit project is tweeledig. Enerzijds zijn de resultaten bedoeld als bruikbare instrumenten voor de bestuurders en ambtenaren van de gemeente Bronckhorst. Anderzijds is het uiteindelijk de burger binnen gemeente Bronckhorst die gebaat is bij een degelijke cultuurhistorische beschrijving en aanvullende beleidsnotities. Omdat de gemeente Bronckhorst een groot belang hecht aan de bijdrage van cultuurhistorie aan de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente, en om de cultuurhistorische kenmerken en kansen te verankeren in beleid, koos de gemeente ervoor om cultuurhistorisch beleid vast te leggen in een thematische structuurvisie cultuurhistorie. De structuurvisie geeft input bij de onderbouwing van de omgang met cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplan. In de structuurvisie is de gemeente verdeeld in de volgende drie gebieden, hetgeen de basis vormt van het gemeentelijke cultuurhistorische beleid:

  • Cultuurhistorisch vrije gebieden
    1. geen leidraad vanuit cultuurhistorie voor ontwikkelingen
    2. cultuurhistorie als vrije inspiratie
    3. gemeente vraagt niets en biedt enthousiasme en welwillendheid
  • Cultuurhistorische kansgebieden
    1. cultuurhistorie als kans en inspirerende leidraad
    2. cultuurhistorie levert een bijdrage aan ontwikkelingen en de ontwikkelingen versterken de cultuurhistorie
    3. gemeente faciliteert en inspireert
  • Cultuurhistorische topgebieden
    1. cultuurhistorie als uitgangspunt
    2. ontwikkeling versterkt cultuurhistorie
    3. gemeente faciliteert, stimuleert en werkt mee

Naast deze drie gebieden zijn tevens cultuurhistorische ensembles en hotspots omschreven. Het gaat om cultuurhistorische structuren en elementen die op het schaalniveau van de gemeente van belang zijn. Ze geven karakter en kleur aan de deelgebieden en kunnen als inspiratie of leidraad dienen bij ontwikkelingen.

De Structuurvisie cultuurhistorie Bronckhorst is op 31 oktober 2013 door de raad vastgesteld en op 9 januari 2014 in werking getreden.

3.4.8 Welstandsnota     

De herziening van de Woningwet, die 1 januari 2003 in werking is getreden, heeft ondermeer als doel, het inzichtelijk maken van de beoordeling van de aanvragen voor bouwplannen door de welstandscommissie. Die beoordeling zelf is niet veranderd en betreft 'de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in zijn omgeving, van het bouwwerk op zichzelf en van de toegepaste details, materialen en kleuren'. Nieuw is de vaststelling van de nota door de gemeenteraad.

De welstandsnota bevat de criteria die gelden bij de beoordeling van bouwplannen door de welstandscommissie. De reden voor dit nieuwe beleidsinstrument is én de gemeenteraad én de burger te betrekken bij het welstandsbeleid, zodat dit beleid voor een ieder inzichtelijk wordt.

De formulering luidt, dat de plannen moeten voldoen 'aan redelijke eisen van welstand'. Thans is het al lang niet meer zo dat overal op dezelfde wijze naar de plannen wordt gekeken; eerst wordt de aanvraag al getoetst aan het bestemmingsplan; in nieuwe plangebieden bepalen daarnaast beeldkwaliteitplannen waaraan de bouwplannen moeten voldoen. In beschermde stads- en dorpsgezichten wordt speciaal gelet op het historische kader. Wat 'redelijk' is voor welstand, hangt dus af van het kader waarbinnen de plannen worden getoetst.

De nota brengt samenhang in die toetsingskaders en de daarbij behorende criteria en presenteert deze overzichtelijk en inzichtelijk. Met vaststelling van de welstandsnota door de gemeenteraad kan de welstandsbeoordeling alleen nog maar gebaseerd worden op de criteria die in de welstandsnota worden genoemd.

3.4.9 Reclamebeleid     

Op 9 september 2008 hebben B en W het definitieve beleid vastgesteld voor het plaatsen van permanente reclame-uitingen in de gemeente. Hiermee willen zij de beeldkwaliteit in Bronckhorst verhogen en aantasting van de architectuur voorkomen. Een rustig en overzichtelijk straatbeeld verhoogt de beeldkwaliteit en creëert een toegankelijke en veilige openbare ruimte voor bezoekers, bewoners en hulpdiensten. Daarnaast biedt dit beleid rechtszekerheid voor ondernemers, die hun bedrijf op de kaart willen zetten, door duidelijke richtlijnen te stellen. Het nieuwe reclamebeleid staat in verband met de Welstandsnota en is afgestemd op de functie van de verschillende delen van de gemeente (gebiedsgerichte benadering), die hierin is opgenomen. In het ene gebied mag meer dan in het andere.

Richtlijnen
De gemeente maakt in het reclamebeleid onderscheid in algemene en gebiedsgerichte richtlijnen. Alle reclame-uitingen moeten aan de algemene richtlijnen voldoen. Het gaat hierbij om functioneel, technische eisen (reclame-objecten moeten een verband hebben met de activiteiten van het bedrijf, het gebruikte materiaal moet deugdelijk zijn etc.), verkeersveiligheidseisen (er mag geen overlast zijn voor gebruikers van nabijgelegen onroerend goed, er mag geen sprake zijn van uitzichtbelemmering etc.) en welstandsaspecten (eisen ten aanzien van het uiterlijk van het reclameobject; de uiting moet bij voorkeur een verrijking zijn van gevels en de openbare ruimte/nabije omgeving etc). Ook geldt dat alle reclame-uitingen op eigen terrein moeten worden geplaatst. Voor de gebiedsgerichte richtlijnen is het uitgangspunt dat de reclame moet passen binnen de functie van het karakter van een gebied. Zo verdienen historische centra een extra bescherming en zijn er op bedrijven- en kantoorterreinen meer mogelijkheden voor reclame.

Veel bedrijven hebben een huisstijl en/of huiskleuren die zij willen gebruiken in hun reclame-uitingen. Deze spelen geen overwegende rol in de beoordeling van de aanvraag om een vergunning voor reclameobjecten.

Gebieden
De gemeente onderscheidt op haar grondgebied onder andere de volgende gebieden: bebouwde kom, bedrijventerreinen, sportterreinen, buitengebied (buiten de bebouwde kom), beschermde stads- en dorpsgezichten en monumenten. Per gebied zijn regels opgesteld voor reclame-uitingen. Voor het buitengebied geldt bijvoorbeeld in principe dat alle reclame-objecten ontoelaatbaar zijn. Om ondernemers in het buitengebied echter niet te benadelen, zijn enkele reclamevormen toegestaan onder bepaalde voorwaarden:

  • reclameborden moeten een direct verband hebben met de activiteiten, die de ter plaatse gevestigde ondernemer op dat perceel uitoefent;
  • in totaal zijn maximaal twee reclameobjecten toegestaan per onderneming.

Verwijsborden
Het is moeilijk te bepalen waar bewegwijzering eindigt en reclame begint. De gemeente ontwikkelt beleid om de vraag naar verwijsborden te kunnen reguleren en wil een uniform bewegwijzeringsysteem voor heel Bronckhorst realiseren. Op dit moment is alleen een keuze gemaakt in toeristische bewegwijzering. Het overige bewegwijzeringsbeleid is nog in ontwikkeling. Om niet alle vormen van verwijzing naar een onderneming te verbieden, is in het nieuwe reclamebeleid voor een tussenoplossing gekozen. Op het moment dat de beleidsnota met regels voor bewegwijzering in werking treedt, komt dit onderdeel hierover in het reclamebeleid te vervallen. Volgens het reclamebeleid geldt voorlopig dat voor nieuwe aanvragen voor bewegwijzering alleen een tijdelijke vergunning afgegeven kan worden.

Overgangsregeling
In Bronckhorst staan, net zoals elders in ons land, veel reclame-objecten. De vergunningen voor deze permanente reclame-uitingen blijven van kracht totdat een eigenaar zijn reclameborden wil vervangen. Dan geldt het nieuwe reclamebeleid. Het nieuwe beleid is nu al wel van kracht voor alle nieuwe aanvragen die binnenkomen. Deze worden hieraan getoetst. Reclame-objecten die zonder vergunning zijn geplaatst, zijn in principe illegaal en moeten verwijderd worden.

Handhaving
In 2007 is de hele gemeente in beeld gebracht op panoramafoto's. Op de foto's zijn alle aanwezige reclame-uitingen vanaf de verharde rijweg zichtbaar, voor zover openbaar en redelijkerwijs toegankelijk. Deze foto's zijn voor de gemeente de nulsituatie. Van de reclame-uitingen die op de foto's zichtbaar zijn, wordt uitgezocht of ze met een vergunning zijn geplaatst. Niet vergunde objecten zijn niet toegestaan en moet de eigenaar verwijderen. Voor vergunde objecten die niet voldoen aan de nieuwe reclameregels geldt zoals aangegeven de overgangsregeling. De gemeente zet handhaving in om toe te zien op het naleven van de regels rond reclame-uitingen.

Relatie met ander gemeentelijk beleid 
Naast de regels in het reclamebeleid, kunnen voor het al dan niet vergunnen van reclame-uitingen, bepaalde voorschriften die zijn opgenomen in gemeentelijke bestemmingsplannen van kracht zijn. Deze gaan vóór op de regels in het reclamebeleid. Verder vormt het reclamebeleid dus een aanvulling op de Welstandsnota.

3.4.10 Groenstructuurplan     

Het "Groenstructuurplan voor het openbaar groen" heeft tot doel om vanuit een gezamenlijke visie de gewenste groenstructuur en de gewenste kwaliteit van het groen vast te leggen en zowel kwantitatief als kwalitatief in stand te houden. Het in 2008 vastgestelde groenstructuurplan heeft een looptijd van 15 jaar en fungeert als toetsingskader voor het behouden, verwerven en afstoten van het groen. Het plan is ontwikkeld op basis van de ambities van de verschillende sleutelfiguren (onder andere ambtelijk apparaat, burgers, bestuur) in het openbaar groen. Samen hebben zij de inhoud bepaald. Het geeft een kader voor ontwerpen, inrichtingsvoorstellen en beheerplannen, levert randvoorwaarden voor de beleids- en beheerplannen voor alle deelproducten en behartigt het openbaar groen in de dorpen en de kernen in de gemeente, inclusief de sportcomplexen en begraafplaatsen die in de dorpen of kernen liggen of er aan grenzen. Tevens bevat het een aantal uitgangspunten voor het bereiken van de doelstelling.

3.4.11 Samen voor biodiversiteit     

Bronckhorst kent een prachtig buitengebied met een grote variatie in landschappen. De natuur is overal om ons heen te vinden. Maar de natuur is aan het veranderen. De diversiteit gaat hard achteruit. Het aantal soorten en de verspreiding ervan neemt af, tegelijkertijd zien we het aantal plaagsoorten toenemen. En het besef groeit dat de biodiversiteit van levensbelang is voor ons. De gemeente Bronckhorst ziet het keren van de achteruitgang als een essentiële taak om samen met inwoners op te pakken. Daarom heeft de raad van Bronckhorst op 31 oktober 2019 het beleidsplan 'Samen voor biodiversiteit' vastgesteld.


Lange termijn
De verbetering van de biodiversiteit vraagt om een lange termijn visie. Dit is een verandering van denken en handelen. Het herstel van het ecosysteem is een proces waar soms jaren van investering aan vooraf gaat. Dit vraagt van gemeente en samenleving om investering, vertrouwen en geduld. We richten ons daarom op vier sporen;

  • verankering van het thema biodiversiteit in het gemeentelijk beleid (ruimtelijke processen)
  • verankering van het thema biodiversiteit in het gemeentelijk beheer (beheer)
  • vergroten van bewustwording en handelen (communicatie en participatie)
  • activiteiten die bijdragen aan het vergroten van de biodiversiteit (projecten)


Huidige trend: verarming van de biodiversiteit
De toenemende druk op het gebruik van de buitenruimte, veranderingen in het klimaat en veranderingen in beheer hebben de laatste decennia een verarming van de biodiversiteit teweeg gebracht. Insecten verdwijnen, een groot aantal vogelsoorten neemt af en plantensoorten verdwijnen. Landschapselementen en akkerranden die voorheen vaak een onderdeel vormde van de agrarische bedrijfsvoering staan onder druk. Tegelijkertijd zien we het aantal ongewenste exotische invasieve soorten toenemen. Ook zien we een verstoring van het ecologisch evenwicht, bijvoorbeeld door de overlast van de eikenprocessierups.


Keer de trend om: Samen voor biodiversiteit!
Het herstel van de variatie aan soorten, ecosystemen en landschappen is van belang voor een rijke natuur en is de basis van ons welzijn. Ook economisch zijn wij afhankelijk van een gezond ecosysteem. Biodiversiteit gaat ons allemaal aan. Met dit plan zetten we de volgende stap om de inzet op het behoud en herstel van de biodiversiteit te vergroten, een structureel karakter te geven en zo de natuurwaarde meetbaar te versterken. Samen met bewoners, ondernemers en bedrijven geven we vanuit de gemeente Bronckhorst richting in een verbetering van de biodiversiteit en het natuurinclusief denken en doen. Dit doen we volgens het principe van 'behouden, versterken en verbinden van leefgebieden'.

De Soortenatlas die bij het biodiversiteitsplan hoort geeft focus aan de vier sporen van het biodiversiteitsplan.

3.4.12 Speelruimteplan     

Het Speelruimteplan Gemeente Bronckhorst maakt op basis van demografische ontwikkelingen keuzes voor vermindering van het aantal speelplaatsen en -plekken. Doel is een passen en aantrekkelijke speelruimte die goed verdeeld is over de Bronckhorster jeugd.
De landelijke gehanteerde richtlijn voor speelplekken in plattelandsgemeentes is 1 speelplek per 30 tot 100 kinderen. Uit de analyse van onze speelruimte blijkt dat Bronckhorst volgens deze richtlijn ruim bedeeld is wat betreft speelvoorzieningen. Terwijl in Bronckhorst een afname van het aantal kinderen wordt verwacht. Bronckhorst heeft gemiddeld 2,8 speelplekken per 100 kinderen. Wij streven naar het gemiddelde van 1 plek per 100 kinderen als basisniveau voor speelvoorzieningen. Concreet betekent dit voor wijken of dorpen met:

  • minder dan ca. 30 kinderen geen traditionele speelplek maar informele speelruimte;
  • tussen de ca. 30 tot 100 kinderen een kleine speelplek;
  • rond de 100 kinderen een centrale speelplek, met iedere ca. 50 kinderen extra, een kleine speelplek extra.

Het basisniveau speelvoorzieningen realiseren we in 6 jaar. Van de 95 speelplekken (2013) vallen er 36 buiten het basisniveau. Deze plekken hebben geen functie meer en worden ingericht als openbaar groen. Op 31 van de te behouden speelplekken verminderen we het aantal toestellen door een toestel op termijn niet meer te vervangen. Op 12 speelplekken plaatsen wij toestellen bij en maken de groene omgeving rond de speelplek ook geschikt voor spelen.

3.4.13 Landschapsontwikkelingsplan Bronckhorst, Lochem en Zutphen     

Op 25 juni 2009 heeft de raad van Bronckhorst het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) voor het buitengebied vastgesteld. Dit beleidsplan is door de gemeenten Bronckhorst, Lochem en Zutphen gezamenlijk opgesteld. Het doel van het LOP is om een stimuleringskader te bieden voor het landelijke gebied en de gewenste initiatieven te ondersteunen, wat moet leiden tot verder behoud en versterking van het landschap. Hierbij wordt rekening gehouden met bestaande plannen. Het LOP is uitgewerkt in de gemeentelijke structuurvisie Bronckhorst 2012 dat als basis voor bestemmingsplannen dient.

Conform het landschapsbeleid geldt onder meer een zorgvuldige landschappelijke inpassing als voorwaarde voor ontwikkelingen in het buitengebied, onder meer functieverandering, uitbreidingen van bebouwing, bedrijventerreinen en wegenaanleg. Daarbij dient gelet te worden op de vormgeving van nieuwe bebouwing, de situering van nieuwe gebouwen ten opzichte van de reeds bestaande gebouwen en de wijze waarop de nieuwe gebouwen zich verhouden tot de ruimere omgeving in het betreffende landschapstype. Dit doel wordt door de aanleg van streekeigen beplanting gerealiseerd en leidt tot een verhoging van de landschappelijke kwaliteit.

3.4.14 Kwaliteitskader Nationaal Landschap De Graafschap     

Kansen voor ontwikkeling

Het noordelijke deel van de gemeente Bronckhorst maakt deel uit van Nationaal Landschap De Graafschap. Een van rijkswege aangewezen kleinschalig waardevol landschap van oeverwallen langs de IJssel, veel historie en een mozaïek van landgoederen en oude ontginningen. Nationaal Landschap De Graafschap strekt zich tevens uit over delen van de gemeenten Zutphen, Lochem en Berkelland.

De provincie Gelderland heeft de kernkwaliteiten van de nationale landschappen vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland (zie paragraaf 3.2.2). Ruimtelijke ontwikkelingen in het nationaal landschap zijn mogelijk mits de kernkwaliteiten worden behouden en versterkt. Het ‘Ja, mits-principe’. Ook de gemeente Bronckhorst wil dit bijzondere landschap behouden en ontwikkelen en ziet hierbij een belangrijke rol voor de bewoners, initiatiefnemers en gebruikers van het gebied.

Op 29 juni 2017 heeft de raad van Bronckhorst het 'Kwaliteitskader Nationaal Landschap De Graafschap' vastgesteld. Dit kwaliteitskader is de uitwerking van de kernkwaliteiten naar het gebied van de gemeente Bronckhorst. Het geeft aan wat de hoe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de kernkwaliteiten van het landschap. Het biedt kansen voor de initiatiefnemer en de omgeving. Belangrijk daarbij is het proces. Kwaliteit maak je samen. Dit kader geeft houvast bij de planvorming en de afweging zodat vooraf duidelijk is wat de ambities zijn voor het landschap en hoe de initiatiefnemer met een ruimtelijke ontwikkeling een meerwaarde kan bieden voor de kernkwaliteiten van het nationaal landschap.

Doelstelling landschap

Vanuit de provinciale verordening is de doelstelling het behouden en versterken van de landschappelijke kernkwaliteiten. De landschapsvisie ambieert het behoud van het unieke karakter van het gebied door het benadrukken van contrasten tussen openheid en geslotenheid van landschap en het realiseren van een fijnmazig patroon voor flora en fauna.


Status

Het kwaliteitskader is als beleidsregel van toepassing op binnenplanse en buitenplanse planologische procedures. De toetsing aan dit kader maakt onderdeel uit van een integrale beoordeling en afweging van diverse belangen, zoals ruimtelijk beleid, milieu, landschap, ecologie en economie. Het proces om tot de uitwerking van de kernkwaliteiten te komen en hoe om te gaan met initiatieven, sluit aan bij werkwijze in Bronckhorst, zoals beschreven in het Bronckhorster bestemmingsplanproces, en de intenties van de Omgevingswet. Dat betekent meer burgerparticipatie en eigen verantwoordelijkheid.

Werkwijze voor initiatieven

Iedere ruimtelijke ontwikkeling in het nationaal landschap heeft in meer of mindere mate invloed op het landschap maar niet voor iedere ontwikkeling wordt de toets aan het kwaliteitskader verplicht gesteld. Er kunnen wat dat betreft twee soorten ontwikkelingen worden onderscheiden:

Ontwikkelingen die binnen het bestemmingsplan passen.

Deze ontwikkelingen worden geregeld met een aanvraag omgevingsvergunning. Een bijdrage aan het nationaal landschap, middels het naleven van de ambities en het toepassen van bouwstenen zoals omschreven in dit toetsingskader, gebeurt op basis van vrijwilligheid. Het kader is wel van toepassing op een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, of van werkzaamheden, geen bouwwerk zijnde (aanlegvergunning), als deze op grond van het bestemmingsplan nodig is in verband met landschappelijke kwaliteiten.

Ontwikkelingen die niet binnen het bestemmingsplan passen.

Deze ontwikkelingen kunnen mogelijk worden gemaakt via een afwijkingsbevoegdheid, wijzigingsbevoegdheid of een bestemmingsplanherziening. In het ‘Handboek ruimtelijke plannen Bronckhorst’ staat beschreven hoe de gemeente omgaat met dergelijke plannen en welke plancategorieën ze onderscheiden. Als een initiatief het nationaal landschap ligt is dit afwegingskader van toepassing en moet het navolgende stappenplan worden doorlopen.

Stappenplan

Het kwaliteitskader bevat een stappenplan. Dit stappenplan laat zien hoe om te gaan met ruimtelijke initiatieven in het nationaal landschap in 9 stappen. Hiermee weten initiatiefnemers en omwonenden wat ze moeten en kunnen doen om de juiste ontwikkelingen in het gebied mogelijk te maken. Het geeft aan hoe met dit kwaliteitskader, initiatiefnemer en gemeente samen met het gebied tot plannen komen die bijdragen aan de (kern)kwaliteiten van het nationale landschap en de ruimtelijke initiatieven.

3.4.15 Verkeersbeleid     

Op 28 juni 2007 heeft de gemeenteraad het Gemeentelijk Verkeer en Vervoerplan (GVVP) vastgesteld. Dit plan geeft zodanig sturing aan de ontwikkeling van de mobiliteit dat de kwaliteit van zowel de bereikbaarheid, de leefbaarheid als de verkeersveiligheid in de gemeente wordt gewaarborgd.

Het GVVP is van cruciaal belang omdat hierin de toekomstige beleidskaders voor de gemeente Bronckhorst zijn vastgelegd. Er is onderscheid gemaakt in de volgende thema's:

  • Verkeersveiligheid: eenduidige inrichting van wegen volgens de duurzaam veilig filosofie.
  • Bereikbaarheid: definiëren van verkeersaantrekkende locaties (woon, werk of bijvoorbeeld recreatieve locaties), benoemen van routes tussen hoofdwegen en deze verkeersaantrekkende locaties, beschrijven van bereikbaarheidsniveaus, prioriteren van locaties.
  • Leefbaarheid: benoemen van kwetsbare gebieden en robuuste wegen, beschrijven van acceptabele grenzen voor intensiteit, milieu en geluid en benoemen van voorwaarden.

3.4.16 Parkeerbeleid     

Op 16 december 2013 hebben burgemeester en wethouders de 'beleidsregels 'Parkeernormen Gemeente Bronckhorst' vastgesteld. Deze beleidsregels zijn op 25 december 2013 in werking getreden. De beleidsregels bevatten parkeernormen die dienen als toetsingskader voor het opstellen van ruimtelijke plannen en waar initiatiefnemers van ruimtelijke activiteiten aan moeten voldoen.

De parkeernormen geven aan hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn voor een bepaalde functie. Het kan gaan over woningen, kantoren en supermarkten maar bijvoorbeeld ook over een camping of een manege. Iedere functie heeft een eigen parkeernorm. De normen die in deze beleidsregels zijn opgenomen komen uit publicatie "kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie" van het CROW. Niet alle functies zijn opgenomen in de beleidsregels. Voor functies die niet in de beleidsregels staan hanteren wij als uitgangspunt de maximale norm uit de CROW publicatie 'kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie'.

De parkeernormen worden gebruikt om praktische en wettelijke redenen. Praktisch is het handig om met elkaar af te spreken hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn per functie. Op deze manier kan de gemeente van te voren toetsen of een nieuw of aangepast plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen. Hiermee wordt achteraf getouwtrek en mogelijke parkeeroverlast in de toekomst voorkomen. Wettelijk gezien vloeit het gebruik en toepassen van parkeernormen voort uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Binnen de Wro speelt het bestemmingplan een centrale rol. Hierdoor verdwijnen de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening. Een eis voor voldoende parkeergelegenheid is zo'n stedenbouwkundige bepaling. Nu deze niet meer middels de bouwverordening worden geregeld, moeten de parkeernormen op een andere manier vastgesteld worden. Het vastleggen in beleidsregels, als toetsingskader voor het opstellen van ruimtelike plannen en beoordeling van verzoeken om medewerking aan ruimtelijke ontwikkelingen, is een goed instrument voor dit doel.


Bij nieuwe ontwikkelingen of functieveranderingen moet gekeken worden naar het benodigde aantal parkeerplaatsen voor de nieuwe situatie. Is er sprake van een geheel nieuwe situatie dan moet de berekende parkeervraag in zijn geheel toegevoegd worden. Wanneer er sprake is van een functieverandering dan moet het verschil in parkeervraag tussen oude en nieuwe situatie worden toegevoegd. Vraagt de nieuwe functie om minder parkeerplaatsen dan hoeven de, eventueel, te veel aanwezige parkeerplaatsen niet verwijderd te worden.

3.4.17 Milieubeleid     

De gemeente Bronckhorst kende een Milieubeleidsplan 2009-2012. Dit beleidsplan geldt niet meer. Een milieubeleidsplan is niet verplicht en om deze reden is er geen nieuwe meer opgesteld. de gemeente Bronckhorst handelt echter nog wel volgens dit beleid.

Het Milieubeleid van de gemeente Bronckhorst komen allerlei milieu-aspecten aan de orde. Bijvoorbeeld wat de gemeente nu doet en in de toekomst van plan is met belangrijke onderwerpen als afval, klimaat, bodem, geluid, lucht, openbaar groen, externe veiligheid en landschap. Dit milieubeleid geeft de ambities en de richting aan die wordt gevolgd voor wat betreft het te voeren gemeentelijk milieubeleid.

In het milieubeleid worden verbanden gelegd tussen de diverse thematische beleidsplannen. Voor veel onderwerpen is al beleid vastgesteld, zoals afval, klimaat, groen, bodem en geluid. Dit beleid is verwerkt en waar nodig aangescherpt. Er zijn duidelijker doelen opgenomen en maatregelen om die te bereiken. Nieuwe onderwerpen in het milieubeleid zijn een nagenoeg afvalloze maatschappij door nog betere scheidingsmogelijkheden en afval als grondstof voor nieuwe producten en de mogelijkheid van subsidie voor energiebesparende maatregelen bij particuliere woningen.

Duurzaamheid en leefbaarheid zijn actuele thema's en met een aantal maatregelen die in het plan zijn opgenomen zet de gemeente zich hiervoor in. Het verminderen van afval en het bijdragen aan het tegengaan van klimaatsverandering zijn aangegeven als de belangrijkste uitgangspunten. Leefbaarheid richt zich hierbij op de korte termijn, hier en nu, de mensen in hun leefomgeving. Duurzaamheid richt op de langere termijn, de volgende generatie en kijkt over de grenzen heen. Het doel van het milieubeleid is een bijdrage leveren aan het creëren van een gezonde, prettige en duurzame leefomgeving voor nu en in de toekomst.

Ruimtelijke ordening richt zich op de inrichting van de leefomgeving. Als gevolg hiervan heeft ruimtelijke ordening vele raakvlakken met de in dit milieubeleid genoemde thema's (bijvoorbeeld Externe Veiligheid en Geluid). Ten aanzien van ruimtelijke ordening zijn als ambitie en doelstelling opgenomen een duurzame inrichting van de schaarse grond, harmonie tussen de diverse functies en het handhaven daarvan. Om deze doelstellingen te kunnen bereiken zullen de volgende activiteiten worden uitgevoerd:

  • In een vroeg stadium van de ruimtelijke planvorming wordt inzicht verkregen in de gevolgen voor milieu, duurzaamheid en natuur.
  • Elk ruimtelijk plan/besluit wordt voorzien van een afgewogen keuze ten aanzien van milieuaspecten (geluid, lucht, externe veiligheid, bodem, flora en fauna en waterhuishouding).
  • Toepassen van de afstandcriteria voor externe veiligheid, geluid, geur en lucht.
  • Onderzoeken in hoeverre de bestemmingsplannen voldoen aan de normen met betrekking tot externe veiligheid (risicovolle planologische situaties worden zoveel mogelijk voorkomen en de gewenste veiligheidsituatie wordt planologisch vastgelegd).
  • Onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om duurzaamheid te integreren in bestemmingsplannen.

Met het milieubeleid wordt bij het uitoefenen van gemeentelijke taken, waaronder ruimtelijke ordening, rekening gehouden.

3.4.18 Beleidsvisie Externe Veiligheid Inrichtingen     

Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) van kracht geworden. In het BEVI zijn risiconormen opgenomen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijke vastgelegd. Het besluit verplicht het bevoegd gezag op grond van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Tevens beperkt het besluit het totale aantal personen dat zich in de directe omgeving van een risicovol bedrijf mag bevinden. Gemeenten moeten de normen uit het besluit naleven bij het opstellen en wijzigen van bestemmingsplannen en het verlenen van omgevingsvergunningen. Tevens moet de brandweer om advies worden gevraagd. Afstemming tussen de drie taakvelden ruimtelijke ordening, milieu en rampenbestrijding is zodoende van groot belang.

Het Beleid externe veiligheid inrichtingen heeft betrekking op het beheersen van risico's die ontstaan bij het gebruik en de opslag van gevaarlijke stoffen. Het beleid besteedt aandacht aan de onderwerpen waar de gemeente Bronckhorst bevoegdheden of instrumenten heeft via de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Wet milieubeheer. Het Beleid externe veiligheid inrichtingen heeft geen betrekking op het beheersen van risico's die ontstaan bij het vervoer en transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor of door buisleidingen.

Voor de totale gemeente Bronckhorst heeft de gemeenteraad op 25 september 2008 een Beleidsvisie Externe Veiligheid Inrichtingen vastgesteld. De ambitie van de gemeente is om “de gemeente Bronckhorst in subjectieve en objectieve zin veiliger te maken in samenwerking met alle partners”. De belangrijke beleidskeuzes zijn als volgt:

Plaatsgebonden risico

In aansluiting op de ambitie is het plaatsgebonden risico het minimale beschermingsniveau die aan personen geboden moet worden. Gezien het wettelijke kader en de kosten die een passende oplossing met zich meebrengt, is het niet realistisch om de risico's voor de reeds aanwezige beperkt kwetsbare objecten, gelegen binnen de gestelde norm, te beperken. Binnen de gemeente Bronckhorst wordt de hoogst mogelijke bescherming van de kwetsbare objecten gegeven zonder de bestaande knelpunten direct te saneren.

Bescherming nog te realiseren beperkt kwetsbare objecten: Beperkt kwetsbare objecten zijn binnen de richtwaarde toegestaan. Er wordt gestreefd (bij beslissingen Wet op de Ruimtelijke Ordening of Wet milieubeheer ) om de risico's zoveel mogelijk te beperken en eventueel te saneren. Nieuwe nog te realiseren beperkt kwetsbare objecten worden binnen de gestelde richtwaarde niet toegestaan.

Groepsrisico

De visie van de gemeente Bronckhorst is om de gemeente in subjectieve en objectieve zin veiliger te maken. Bij deze visie sluit de beleidsmogelijkheid toename van het groepsrisico is niet toegestaan het meest aan. In deze situatie kunnen er geen nieuwe onveilige situaties ontstaan en zullen reeds aanwezige onveilige situaties worden bevroren.

Een zeer groot nadeel is, dat deze visie voor bedrijven waarvoor het beleid van toepassing is een grote beperking oplegt. Reeds bestaande bedrijven kunnen door het hanteren van de deze ambitie niet meer uitbreiden en nieuwe (externe veiligheidrelevante) bedrijven kunnen zich niet binnen de gemeente vestigen. Daarnaast leidt deze ambitie ertoe dat er binnen de invloedssfeer van de inrichting geen planontwikkeling mogelijk is. Het realiseren van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten is niet mogelijk en het veranderen van bestemmingen is alleen nog mogelijk indien dit geen negatieve gevolgen heeft voor de risico's. Daarnaast is het de vraag of de algemene visie van de gemeente Bronckhorst strikt toegepast moet worden voor alle gebieden van de gemeente.

Om de algemene visie van de gemeente Bronckhorst te volgen en tegemoet te komen aan de nadelen, wordt een gebiedsgerichte benadering toegepast die onderscheidt maakt in:

Ruimte voor wonen: woongebieden, landelijk gebied, gemengd wonen en werken

Voor de woongebieden, het landelijk gebied en gemengd wonen en werken biedt de gemeente Bronckhorst de maximale bescherming aan (beperkt) kwetsbare objecten, ook als dit ten koste gaat van de ontplooiingsruimte van bedrijven. Voor deze gebieden is een toename van het groepsrisico niet toegestaan. Bij een beoordeling van een planontwikkeling of een aanvraag voor een Wet milieubeheer vergunning kan blijken dat het aantal personen in een invloedsgebied toeneemt maar dat de kans op een calamiteit of door een vergroting van de zelfredzaamheid de risico's ter plaatse afnemen. Het is in die situaties niet logisch om deze veranderingen niet door te voeren. In die gevallen is een toename van het groepsrisico toegestaan tot de oriëntatiewaarde onder de voorwaarde dat de risico's worden verbeterd ten opzichte van de dan geldende situatie ten gevolge van pro-actieve of preventieve maatregelen.

Ruimte voor bedrijvigheid: bedrijven en industrieterreinen

Voor de gebieden waarvoor een bestemmingsplan is vastgesteld met de bestemming bedrijventerrein c.q. industrieterrein wordt gestreefd naar een optimale combinatie van gewenste ruimtelijke en economische ontwikkelingen. Daarbij zijn er mogelijkheden om te wonen en te werken waarbij bedrijven de mogelijkheid hebben om zich te vestigen en activiteiten te ontplooien. Voor dit gebied “ruimte voor bedrijvigheid” legt het hanteren van de algemene visie een ongewenst grote beperking op. Om deze reden mag in deze gebieden het groepsrisico toenemen tot aan de oriëntatiewaarde.

Bij een beoordeling van een planontwikkeling of een aanvraag voor een Wet milieubeheer vergunning kan blijken dat het aantal personen in een invloedsgebied toeneemt tot boven de oriëntatiewaarde maar dat de kans op een calamiteit of door het vergroten van de zelfredzaamheid de risico's ter plaatse afnemen. Het is in die situaties niet logisch om deze veranderingen niet door te voeren. In die gevallen is een toename van het groepsrisico toegestaan tot boven de oriëntatiewaarde onder de voorwaarden:

  1. De risico's moeten ten gevolge van pro-actieve of preventieve maatregelen worden verbeterd ten opzichte van de dan geldende situatie.
  2. Binnen de invloedssfeer van de inrichting mogen uitsluitend nieuwe beperkt kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet binnen de invloedsfeer van de inrichting worden gerealiseerd.
  3. De oriëntatiewaarde mag worden overschreden. Het totaal aantal personen dat zich in de invloedssfeer bevindt in kwetsbare objecten mag de oriëntatiewaarde niet overschrijden. Een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het aantal personen in kwetsbare objecten is niet toegestaan.

3.4.19 Geluidsbeleid     

De gemeente Bronckhorst heeft in concept een geluidnota opgesteld. In deze nota wordt het grondgebied van Bronckhorst verdeeld in een aantal zogenaamde gebiedstypen. Voor elk gebiedstype wordt een bepaalde geluidskwaliteit nagestreefd door het hanteren van gebiedspecifieke streef-, grens- en plafondwaarden. Op deze wijze kunnen bepaalde activiteiten vanwege hun geluidproductie wel of niet toegelaten worden in een bepaald gebied. Het geluidbeleid is op deze wijze een ordenend instrument.

De gemeente wil dit beleid toepassen op alle inrichtingen die onder de Wet milieubeheer vallen. Voor de inrichtingen onder de werkingsfeer van het zogeheten Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) is de toepassing alleen mogelijk indien de gebiedstypen met hun geluidwaarden zijn vastgelegd in een verordening, overeenkomstig artikel 2.19. van genoemd besluit. Dit artikel is echter nog niet in werking getreden waardoor de gemeente haar beleidsvisie verwoord in de geluidsnota vooralsnog niet in de praktijk kan brengen. Om deze reden is de gemeente nu nog gehouden de bestaande wet- en regelgeving toe te passen.

3.4.20 Duurzaamheidsbeleid     

Op 28 maart 2019 heeft de gemeenteraad de "Routekaart Energieneutraal Bronckhorst 2030" vastgesteld. Gelijktijdig is besloten om het "Koersdocument Duurzame energie in de Achterhoek; zichtbaar, merkbaar, onmiskenbaar" vast te stellen en om deel te nemen aan het “Fonds stimulering energietransitie Achterhoek” en ten behoeve van de oprichting en het beheer van dit fonds een stichting op te richten en een fondsbeheerder aan te stellen.

Routekaart

Het einddoel is dat de gemeente Bronckhorst in 2030 net zoveel duurzame energie opwekt als deze in totaal aan energie verbruikt. Het energieverbruik vermindert met 45% ten opzichte van het verbruik in 2015. De rest van de energie die wel wordt verbruikt, komt in zijn geheel uit duurzame (lokale) bronnen.

Het doel 2030 energieneutraal staat vast. Met deze Routekaart stelt Bronckhorst tevens twee tussendoelen vast.

  • Doel 2022: 15% schone energieopwekking en 10% besparing energieverbruik
  • Doel 2026: 45% schone energieopwekking en 25% besparing energieverbruik
  • Doel 2030: 100% schone energieopwekking en 45% besparing energieverbruik

In de Routekaart is gekozen voor een combinatie van duurzaam opwekken van stroom en het winnen van warmte uit diverse bronnen. Bronckhorst zet nadrukkelijk in op alle mogelijk duurzame bronnen. Diverse scenario's van een goed gebalanceerde energiemix zijn mogelijk.

Om de doelstelling te halen is verbreding van de samenwerking met inwoners en ondernemers noodzakelijk. Ook de dorpsbelangenorganisaties, energiecooperaties en maatschappelijke organisaties in Bronckhorst hebben een cruciale rol in de energietransitie. Zij krijgen een rol in een "Raad van Inspiratie" om hen te betrekken bij de uitvoering van de Routekaart. Alle partijen dragen immers bij aan deze verandering.

De gemeente neemt een belangrijke rol op zich door te informeren, stimuleren, faciliteren en zelf het goede voorbeeld te geven. Draagvlak en draagkracht staan daarbij centraal, omdat de gemeente graag wil dat de stappen op de Routekaart voor iedereen haalbaar en betaalbaar zijn.

De Routekaart schept een kader, die voor uitvoering nader uitgewerkt zal worden:

  • Het streven naar inzet van alle geschikte daken voor het opwekken van zonne-energie.
  • Het streven naar kleinere zonneparken op land (rond 2 ha) die goed ingepast kunnen worden en een groot zonneveld (>10 ha), zodat Liander de infrastructuur hierop kan aanpassen.
  • Het uitdagen van initiatiefnemers om zich maximaal in te zetten voor een meervoudig grondgebruik, met landbouw, natuur of andere geschikte doeleinden.
  • De keuze voor windmolens in clusteropstelling en geen medewerking aan solitaire windmolens. Om het aantal zoveel mogelijk te beperken, is het streven gericht op grotere efficiente varianten.
  • Bij windmolens is lokale participatie en eigendom van burgers en bedrijven een randvoorwaarde. Partijen werken gelijkwaardig samen in de ontwikkeling, bouw en exploitatie, zoals uitgesproken in het klimaatakkoord.
  • Gezien het verdienmodel van grootschalige opwek moet de opbrengst zoveel mogelijk ten goede komen aan de lokale omgeving.
  • Kleine windmolens voor eigen gebruik zijn, met uitzondering van woonwijken, toegestaan tot twee per perceel op het bouwblok.
  • Minimaal 50% lokaal eigendom van zonnevelden en windenergie. Deze eigendomsverdeling (50% van de productie voor de lokale omgeving) is een harde eis voor medewerking.
  • Een inspanningsverplichting voor de participatie in de planvorming van omwonenden van energieprojecten.
  • Een inspanningsverplichting voor de participatie in de financiele revenuen van een zonnepark of windproject door de mogelijkheid van individueel mede-eigenaarschap en door een omgevingsfonds. Het omgevingsfonds wordt door de initiatiefnemers met een redelijk bedrag gevuld. Een lokaal bestuur kan met deze bijdrage investeren in de leefbaarheid van de directe omgeving of in duurzame projecten.

Koersdocument

Het Koersdocument is de basis waarop initiatieven voor duurzame energieopwekking worden getoetst en deze ruimtelijk worden ingepast. Het biedt inwoners en lokale initiatieven en ondernemers de mogelijkheid om mee te doen en mee te kunnen beslissen bij projecten voor duurzame energieopwekking in hun buurt. Daarnaast geeft het initiatiefnemers een handelingsperspectief waarmee zij projecten voor duurzame energieopwekking tot ontwikkeling kunnen brengen in de gemeente Bronckhorst. Het Koersdocument draagt daarmee bij aan het intensiveren van de beweging naar een energieneutraal Bronckhorst in 2030. Met dit Koersdocument wordt een zeer belangrijke stap gezet om invulling te gegeven aan de Routekaart.

Aanjaagfonds

Het Aanjaagfonds dient als aanjager en financieel middel voor lokale initiatieven. Met dit fonds kan de ontwikkelkosten van lokale (Achterhoekse) inwoners initiatieven voor duurzame energieopwekking worden voorgefinancierd en wordt de slagingskans van deze projecten vergroot. Bij de ontwikkelkosten vallen ondermeer de kosten voor de MER, vergunningen, technisch ontwerp, financieel en juridisch). Het is een fonds waar de lokale initiatieven gebruik van kunnen maken en bij realisatie van duurzame energieprojecten zij het weer terug moeten storten in het Aanjaagfonds.


Samenhang Routekaart, Koersdocument en Aanjaagfonds

De Routekaart is een realistisch en daadkrachtig plan om samen met alle betrokkenen aan de slag te gaan met de energietransitie. De Routekaart beschrijft de weg naar Bronckhorst energieneutraal in 2030 en vormt de start voor de uitvoering. Het Koersdocument en het Aanjaagfonds zijn instrumenten om invulling te geven aan het behalen van de doelstelling. Het Koersdocument is de basis waarop we initiatieven voor duurzame energieopwekking willen toetsen en ruimtelijk willen inpassen. Het biedt inwoners, lokale initiatieven en ondernemers de mogelijkheid om mee te doen en mee te beslissen bij projecten voor duurzame energieopwekking in hun buurt. Het Aanjaagfonds is een instrument die voor lokale initiatieven het financieel mogelijk maakt om duurzame energieprojecten te realiseren. We helpen hen daarmee om een versnelling in de duurzame energieopwekking op gang te brengen.

3.4.21 Waterbeleid     

De gemeente Bronckhorst sluit ten aanzien van waterhuishouding aan op het rijksbeleid, zoals vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027 (zie paragraaf 3.1.6) en het Waterbeleid voor de 21e eeuw (zie pargraaf 3.1.7) en het beleid van het Waterschap Rijn en IJssel (WRIJ) ten aanzien van integraal waterbeheer, zoals vastgelegd in de Watervisie 2030 (zie paragraaf 3.3.5) en het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (zie paragraaf 3.3.6).

3.4.22 Prostitutiebeleid     

Met ingang van 1 oktober 2000 is tengevolge van wijziging van zedelijkheidswetgeving de opheffing van het algemene bordeelverbod in werking getreden. Met de opheffing van dit verbod is een einde gekomen aan het illegale karakter van deze prostitutiebedrijven. De verwachting bestaat dat van deze wetswijziging een sanerende werking uitgaat en uiteindelijk zal leiden tot een betere regulering van de prostitutiebranche.

Ondanks het feit dat deze bedrijvigheid in Bronckhorst momenteel niet voorkomt, is de opheffing van het bordeelverbod voor de gemeente aanleiding geweest om de eventuele vestiging en exploitatie van de aan de seksindustrie gelieerde bedrijven/activiteiten planologisch nader te reguleren.

In de bestemmingsplannen van Bronckhorst is de vestiging van een sexinrichting in eerste aanleg uitgesloten. Middels een wijzigingsbevoegdheid kan onder voorwaarden het vestigen van maximaal één seksinrichting in een daarvoor aangwezen zone worden toegelaten. Bij het bepalen van die zone is rekening gehouden met de uitstraling die een sexinrichting heeft naar de omgeving.

3.4.23 Handhavingsbeleid     

Op grond van de huidige rechtspraak is het college van burgemeester en wethouders niet alleen bevoegd maar zelfs verplicht om tot handhaving over te gaan. Het college heeft een handhavingsbeleid opgesteld waarin gemotiveerd wordt aangegeven welke doelen het zichzelf stelt bij de handhaving en welke activiteiten het daartoe zal uitvoeren. Het handhavingsbeleid is gebaseerd op een analyse van de problemen die zich naar het oordeel van het college kunnen voordoen op basis van prioritering en de benodigde en beschikbare financiële en personele middelen.

Het beleid richt zich op de zogenaamde preventieve en repressieve vormen van handhaving. Onder deze vormen van handhaving wordt het volgende verstaan.

Preventieve handhaving Preventief handhaven is gericht op het voorkomen van overtredingen. Onderzoeken hebben aangewezen dat veel overtredingen vaak onbewust plaatsvinden. Goede voorlichting, via brochures, voorlichtingsbijeenkomsten, herhaalde informatie in het gemeentelijke nieuwsbulletin, actieve benadering doelgroepen etc. kunnen er toe leiden dat overtredingen worden voorkomen.

Repressieve handhaving Deze vorm van handhaving ziet op het beëindigen van de overtreding door het inzetten van sanctiemiddelen. Bestuursdwang en een dwangsom zijn de meest voorkomende instrumenten die de gemeente tot haar beschikking heeft. Voordat deze instrumenten worden ingezet kan in overleg met de overtreder vaak een oplossing bereikt worden. In dat kader wordt er een belangenafweging gemaakt tussen het belang van de overtreder en het algemeen belang.

Gedogen Het is niet altijd mogelijk, nodig of zelfs wenselijk dat tegen elke vorm van overtreding van een beleidsregel wordt opgetreden. Niet mogelijk, omdat soms teveel overtredingen worden begaan om daartegen op te treden; niet nodig omdat steekproefsgewijs controles en sancties een preventief effect kunnen hebben; niet wenselijk omdat er andere zwaarwegende belangen kunnen zijn die zich tegen handhaving verzetten. Er is/wordt ten aanzien van bestemmingsplannen geen algemeen gemeentelijk gedoogbeleid ontwikkeld.

 

De handhaving van c.q. het toezicht op de ruimtelijke ordening is aangestuurd vanuit het handhaafprogramma 2008 van de gemeente Bronckhorst. Het toezicht vindt onder meer plaats vanuit de thema’s permanente bewoning, klachten verzoeken om handhaving en eigen constateringen.

Wanneer een overtreding wordt geconstateerd wordt via een vaste werkwijze opgetreden. Deze werkwijze is vastgelegd in de nota “Sanctiestrategie Fysieke Leefomgeving’. Voordat wordt gecorrigeerd wordt eerst de legalisatiemogelijkheid onderzocht.

Hoofdstuk 4 Juridische aspecten algemeen     

In dit hoofdstuk komen de algemene juridische aspecten aan bod. De juridische aspecten die betrekking hebben op de bestemmingen die voorkomen in het specifieke planonderdeel zijn opgenomen in Hoofdstuk 2 Planonderdelen in de paragrafen PM, PM en 2.4.4.

4.1 Algemeen     

Dit bestemmingsplan is opgesteld overeenkomstig de RO Standaarden zoals opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Het plan voldoet aan het Informatiemodel ruimtelijke ordening 2012 (IMRO2012), de Standaard toegankelijkheid ruimtelijke instrumenten 2012 (STRI2012), het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening Planteksten 2012 (IMROPT2012), de Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012), de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012 (PRBP2012) en de Praktijkrichtlijn Analoge Bestemmingsplankaart (PRABPK2012).

Het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan bestaat uit de regels en de verbeelding tezamen.

Uitgangspunt voor de regels en de verbeelding is het handboek van de gemeente Bronckhorst, welke gebaseerd is op de SVBP2012 en de PRABPK2012. Daarnaast bevat het plan regels die de Wet ruimtelijke ordening voorschrijft. De basis voor de verbeelding zijn de Basisregistratie Grootschalige Topgrafie (BGT) en de Basisregistratie Kadaster (BRK).

De gemeente Bronckhorst kent een bibliotheek met standaardregels voor de diverse bestemmingen. Deze regels zijn in eerste instantie van toepassing voor alle locaties waar deze bestemmingen voorkomen. Met aanduidingen op de verbeelding in relatie tot de regels wordt maatwerk geleverd daar waar dat noodzakelijk of gewenst is. Zoals in paragraaf 1.1 en 1.3.1 is toegelicht, is onderhavig plan een herziening van de totaalplan voor landelijk gebied. Om qua structuur en opbouw van de regels geen verschillen te krijgen tussen het totaalplan en het veegplan, is er voor gekozen om de gehele bestemmingsregeling in het veegplan op te nemen. Dus ook onderdelen die in het veegplan niet van toepassing zijn maar wel voorkomen in het totaalplan. Eventuele maatwerkbepalingen ten behoeve van planonderdelen in het veegplan zijn aan de planregels toegevoegd.

4.2 Opbouw regels     

4.2.1 Algemeen     

De regels zijn opgedeeld in vier hoofdstukken:

Hoofdstuk 1 bevat Inleidende regels waarin de onderdelen Begrippen en Wijze van meten zijn opgenomen. Deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels.

Hoofdstuk 2 bevat Bestemmingsregels waarin de diverse bestemmingen zijn opgenomen. De artikelen met de bestemmingen hebben een min of meer vaste opbouw.

Hoofdstuk 3 bevat Algemene regels, die van algemeen belang zijn voor het plan.

Hoofdstuk 4 bevat tenslotte Overgangs- en slotregels.

4.2.2 Bebouwing     

In het bestemmingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen (hoofd)gebouwen en bijbehorende bouwwerken, zoals bijgebouwen, aan- en uitbouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voor de situering en maatvoering van bouwwerken is het belangrijk dat er regels zijn opgenomen met betrekking tot:

Bouwwijze

Uitgangspunt van het bestemmingsplan is dat de bestaande situatie op een goede manier dient te worden gereguleerd. Doelstelling is dat het centrum en de woonwijken in hun karakter gehandhaafd blijven. Dit betekent dat de bouwwijze voor woningen is vastgelegd. Op de verbeelding is aangeduid of binnen het bouwvlak vrijstaande, twee-aaneen (halfvrijstaand), aaneengebouwde of gestapelde woningen (appartementen) zijn toegestaan.

Goot- en bouwhoogte

De maximale goot- en/of bouwhoogte van (hoofd)gebouwen is aangegeven binnen het bouwvlak op de plankaart. De goot- en bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt in de regels gereguleerd. De wijze van meten van de de goothoogte van een bouwwerk en de de bouwhoogte van een bouwwerk is in de Inleidende regels bepaald. Bij het bepalen van de goothoogte wordt onderstaande tekening gehanteerd:

verplicht

Situering gebouwen
Teneinde de situatie eenduidig te kunnen reguleren, is de bebouwing gezoneerd. Voor de zonering van woningen wordt verwezen naar paragraaf 4.3, waarin de regeling van deze bestemming is uitgewerkt. Voor de overige bestemmingen wordt de bebouwing gereguleerd door het opnemen van een 'bouwvlak' waarbinnen gebouwen zijn toegestaan.

Bebouwingspercentage

Bij de regeling van andere dan woonfuncties, is zowel voor de situering van de gebouwen als voor het toegestane bebouwingspercentage, uitgegaan van de vigerende regeling. Dit betekent dat in de regels is opgenomen voor welk deel het bebouwingspercentage geldt. Het kan voorkomen dat een bebouwingspercentage geldt voor het gehele bouwperceel (zie formulering in betreffende bestemming), en niet voor uitsluitend de gronden gelegen binnen het bouwvlak.

Voorerfgebied, achtererfgebied en zijerfgebied

Voor de toegelaten bijbehorende bouwwerken is de positie ten opzichte van het hoofdgebouw van belang. Voor het bepalen van de positie van bijbehorende bouwwerken wordt aansluiting gezocht bij de begrippen achtererfgebied en voorerfgebied uit het Besluit omgevingsrecht welke op 1 november 2014 in werking is getreden. Daar is het begrip zijerfgebied aan toegevoegd.

Achtererfgebied

Deze definitie gaat uit van een denkbeeldige lijn, waarachter het achtererfgebied zich bevindt. De lijn loopt door het hoofdgebouw, op 1 m achter de voorkant. Daar, op 1 meter achter het snijpunt van de voorgevel met de zijgevel, komt de lijn uit de zijgevel van het hoofdgebouw. In standaardsituaties loopt de lijn vervolgens buiten het hoofdgebouw verder, evenwijdig aan het openbaar toegankelijk gebied. Het gaat hier om het openbaar toegankelijk gebied dat grenst aan het perceel waarop zich het hoofdgebouw bevindt. In het merendeel van de situaties grenst dit openbaar toegankelijk gebied alleen aan de voorzijde van een perceel. Bij hoofdgebouwen die langs schuine wegen staan of in een bocht in de weg, zal ook de lijn evenwijdig met die schuine weg of de bocht in de weg 'meelopen'.

In hoeksituaties zal de lijn uit de zijgevel, vanaf het punt op 1 meter achter de voorkant, evenwijdig meelopen met het openbaar toegankelijk gebied dat aan de zijkant van het perceel is gelegen. Bij rechthoekige verkavelingen zal de lijn in zo’n geval direct langs de zijgevel en in het verlengde daarvan, verder naar achteren lopen. Deze begrenzing valt veelal samen met de zijgevelrooilijn, die in hoeksituaties wordt aangemerkt als voorgevelrooilijn.

Ook bij hoeksituaties kunnen zich echter schuine wegen of bochten in de weg voordoen. Ook kan er sprake zijn van vaarwater of ander openbaar toegankelijk gebied dat niet evenwijdig met de zijgevel van het hoofdgebouw loopt. De hoofdregel blijft dat ook in die gevallen de lijn evenwijdig met de schuine weg of de bocht in de weg (of het schuinliggende andere openbaar toegankelijk gebied) meeloopt. Er kunnen dan gevallen ontstaan waarbij een deel van een zijerf, dat gekeerd is naar openbaar toegankelijk gebied, onder het achtererfgebied komt te vallen.

In de definitie is bepaald dat de lijn niet opnieuw het hoofdgebouw kan doorkruisen en evenmin in het erf achter het hoofdgebouw kan komen. Hiermee wordt bereikt dat het erf dat is gelegen achter het hoofdgebouw, altijd volledig tot het achtererfgebied zal behoren. Onder omstandigheden kan dat tot gevolg hebben dat de lijn aan de zijkant van het hoofdgebouw, niet evenwijdig met de begrenzing van het openbaar toegankelijk gebied loopt, maar langs de zijgevel van het hoofdgebouw en in het verlengde daarvan naar de achterste perceelgrens loopt. Uitgangspunt in dit verband is dat het erf achter het hoofdgebouw zich bevindt tussen de denkbeeldige lijnen die gelegen zijn in het verlengde van de zijgevels van het hoofdgebouw. Met deze uitleg zal in de meeste situaties helder zijn welk deel van het erf zich achter het hoofdgebouw bevindt. Niet te ondervangen is dat in een enkele bijzondere situatie, bij bijzondere architectuur, een andere benadering gekozen moet worden om aan te sluiten bij de bedoelingen van de regeling dat zich achter het hoofdgebouw een deel van het achtererfgebied bevindt. Bij de ronde 'vuurtorenwoning' ontbreken er voor-, zij- en achtergevels en kan wellicht gekozen worden voor het tekenen van een denkbeeldig vierkant rondom het hoofdgebouw (met daarbinnen diagonale lijnen tussen de hoekpunten) om het achtererfgebied goed te bepalen.

Om te bepalen welke zijde van een hoofdgebouw als voorkant moet worden aangemerkt, wordt in de jurisprudentie een aantal aanknopingspunten gehanteerd. Voor het bepalen van de voorgevel van een gebouw kan primair worden afgegaan op de ligging van de voorgevelrooilijn zoals die door een bestemmingsplan of bouwverordening wordt bepaald. Als dan nog twijfel bestaat zal de feitelijke situatie doorslaggevend moeten worden geacht. Mede gebaseerd op jurisprudentie zijn daarbij de volgende aanknopingspunten genoemd: de systematiek van huisnummering (de plaats waar de brievenbus is aangebracht, waar zich het huisnummer bevindt of aan welke wegzijde het gebouw of perceel is geadresseerd), de zijde van het gebouw waar zich de voordeur of hoofdingang bevindt en de plaats waar de hoofdontsluiting van het perceel zich bevindt.

Aanvullend kan opgemerkt worden dat de voorkant van het hoofdgebouw wordt gevormd door de gevel die bepalend is voor de hoofdmassa van het hoofdgebouw. Ondergeschikte aan- of uitbouwen, zoals erkers of uitgebouwde vestibules, blijven dus buiten beschouwing bij het bepalen van de voorgevel. In de regel geldt als voorgevel het geveldeel aan de voorkant met de grootste oppervlakte. De hoofdmassa van het hoofdgebouw kan aan de voorzijde ook bepaald worden door meer dan één geveldeel. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als de hoofdmassa van een hoofdgebouw L-vormig of T-vormig is. In zo’n geval bestaat de voorkant van het hoofdgebouw uit meer geveldelen. Bij dergelijke situaties, waar de voorgevel verspringt, kan de lijn die bepalend is voor het achtererfgebied, in een knik evenwijdig met deze geveldelen meelopen.

Aan- en uitbouwen die zich aan een zijgevel van een hoofdgebouw bevinden, spelen in beginsel geen rol bij het bepalen van de voorgevel. Alleen in geval een dergelijke aan- of uitbouw een uitbreiding vormt van de hoofdmassa van het hoofdgebouw, wordt het geveldeel aan de voorkant van die desbetreffende uitbreiding mede aangemerkt als voorgevel. Dat zal echter alleen aan de orde zijn indien sprake is van een geheel in de architectuur van de hoofdmassa van het hoofdgebouw geïntegreerde uitbreiding die alle bouwlagen van het hoofdgebouw betreft.

Verder ligt het voor de hand om bij het bepalen van de voorgevel van een hoofdgebouw alleen uit te gaan van de boven de grond gelegen bouwmassa. Kelders of geheel onder de grond gelegen souterrains blijven in die uitleg dus buiten beschouwing bij het bepalen van het achtererfgebied.

 

Voorerfgebied

Onder voorerfgebied wordt het erfdeel verstaan dat geen onderdeel uitmaakt van het achtererfgebied. Het gaat hier dus om het voorerf en de delen van het zijerf die naar openbaar toegankelijk gebied zijn gekeerd dan wel op minder dan 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw zijn gelegen.

Zijerfgebied

Het begrip 'zijerfgebied' komt niet uit het Besluit omgevingsrecht, maar is in dit bestemmingsplan afgeleid van het de definitite van het voorerfgebied. Zijerfgebied komt voor in hoeksituaties met het openbaar toegankelijk gebied waar het voorerfgebied op meer dan 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw ligt. Het zijerfgebied is het deel van het voorerfgebied dat zich bevindt aan de zijkant van het hoofdgebouw en op meer dan 1 meter van de voorkant van een hoofdgebouw ligt.

In onderstaande tekening is ter verduidelijking een aantal situaties weergegeven. Ook enkele lastige hoeksituaties zijn daarbij weergegeven (zie de woning linksboven en de woning rechtsonder), waarin te zien is dat de denkbeeldige lijn aan de zijkant van het hoofdgebouw niet evenwijdig loopt met openbaar toegankelijk gebied, maar langs en vervolgens in het verlengde van de zijgevel.

verplicht

verplicht

4.3 Inhoud regels     

4.3.1 Inleidende regels     

In Hoofdstuk 1 van de planregels zijn de volgende Inleidende regels opgenomen.

4.3.1.1 Begrippen     

In Artikel 1 Begrippen is een aantal begrippen nader gedefinieerd teneinde onduidelijkheid te voorkomen. Voor een gedeelte van de begrippen is aansluiting gezocht bij de SVBP2012, de rest is afkomstig uit het handboek Bronckhorst en zijn in de gemeente gebruikelijke definities. De begrippen achtererfgebied, voorerfgebied en zijerfgebied worden nader toegelicht in paragraaf 4.2.2.

4.3.1.2 Wijze van meten     

In Artikel 2 Wijze van meten is aangegeven op welke wijze gemeten moet worden bij het beoordelen of de maatvoering in overeenstemming is met de regels.

In dit plan wordt de inhoud van een bouwwerk gemeten vanaf de bovenkant van de beganegrondvloer. In de bestemmingsplannen Stedelijk gebied Bronckhorst in 2016 (NL.IMRO.1876.BP01047) en Landelijk gebied Bronckhorst in 2017 (NL.IMRO.1876.BP01048) was dit ook het geval. Echter is dit destijds niet goed verwerkt in de bibliotheek die de basis vormt voor bestemmingsplannen en weijzingsplannen die daarna in procedure zijn gekomen. In die planen wordt onterecht uitgegaan van de onderkant van de beganegrondvloer. In voorliggend plan wordt het nu dus wel correct opgenomen. Alle voorgaande plannen worden gecorrigeerd bij de volgende veegplanronde.

4.3.2 Algemene regels     

In Hoofdstuk 3 van de planregels zijn de volgende Algemene regels opgenomen.

4.3.2.1 Anti-dubbeltelregel     

In Artikel 11 Anti-dubbeltelregel wordt geregeld dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning is meegenomen niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning mag worden meegenomen. Deze regel is rechtstreeks overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening.

4.3.2.2 Algemene bouwregels     

In Artikel 12 Algemene bouwregels zijn bepalingen opgenomen die betrekking hebben op het bouwen binnen de invloedssfeer van een molen (Vrijwaringszone - molenbiotoop). Het bevoegd gezag kan hiervan afwijken door middel van een omgevingsvergunning na een besluit hogere grenswaarde geluidhinder. Tevens is een bepaling opgenomen waarmee grotere maatvoeringen die afwijken van het plan en die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan reeds aanwezig zijn, zijn toegelaten.

4.3.2.3 Algemene gebruiksregels     

In Artikel 13 Algemene gebruiksregels zijn activiteiten opgenomen die voor alle bestemmingen als strijdig gebruik worden aangemerkt. Het gaat onder meer om het gebruik van gronden en bouwwerken voor het opslaan van materialen anders dan ten behoeve van de bestemming. Hierdoor wordt voorkomen dat opslag ontstaat van materialen die een negatieve uitstraling heeft op de omgeving. Voorzover opslag plaatsvindt in het kader van de bedrijfsvoering is deze toegestaan. Ook het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting, hiermee wordt voorkomen dat gebouwen worden aangewend voor prostitutiedoeleinden. Verder het gebruik van een recreatiewoning, of een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van permanente bewoning. Het gebruik van gronden of bouwwerken waarbij niet wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de 'Beleidsregels parkeernormen Bronckhorst'. Dit laatste is aan een voorwaardelijke verplichting gekoppeld waarbij een gewijzigd gebruik binnen een bestemming pas mag plaatsvinden als is voldaan aan de beleidsregels.

4.3.2.4 Algemene aanduidingsregels     

Artikel 14 Algemene aanduidingsregels kent diverse algemene aanduidingsregels.

Met de 'Overige zone - gemengde functies' wordt geregeld dat ter plaatse van die aanduiding, behalve de daar aanwezige bestemmingen, tevens kleinschalige bedrijven, detailhandel, dienstverlening en kantoren zijn toegelaten. Deze regeling is specifiek opgenomen voor het dorpscentrum van Steenderen. Daar zijn centrumfuncties beperkt aanwezig, maar biedt deze regeling wel de nodige flexibiliteit.

4.3.2.5 Algemene afwijkingsregels     

In Artikel 15 Algemene afwijkingsregels zijn de volgende afwijkingsmogelijkheden opgenomen.

Overige zone - gemengde functies

Ten behoeve van de algemene aanduidingsregel binnen de 'overige zone - gemengde functies' is er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om bedrijven toe te staan uit een hogere categorie als deze qua aard, omvang en uitstraling passen in een woonomgeving en er uit milieuoogpunt bestaat geen bezwaar bestaat.

Camperovernachtingsplaatsen

Er is een algemene afwijkingsmogelijkheid opgenomen ten behoeve van het toelaten van camperovernachtingsplaatsen. Camperovernachtingsplaatsen zijn mogelijk en wenselijk omdat daarmee wordt voorzien in een toenemende behoefte aan overnachtingsplaatsen voor kampeerauto's (campers) buiten reguliere kampeerterreinen. In Bronckhorst wordt tot nu toe alleen gelegenheid geboden op twee openbare plekken in Zelhem en Hengelo (elk 2 plaatsen), op een particulier terrein in Steenderen (8 plaatsen) en bij enkele campings waar speciale plekken op het terrein beschikbaar zijn voor deze vorm van verblijfsrecreatie, veelal op het parkeerterrein. Met deze mogelijkheid wordt het aantal verblijfsrecreatieve mogelijkheden in de gemeente vergroot (vergroting diversiteit in aanbod). Een specifieke doelgroep wordt gestimuleerd een bezoek te brengen aan de gemeente. Een bepaalde groep kampeerautogebruikers kiest specifiek voor een overnachtingsplaats en maakt geen gebruik van een camping. Een bepaalde groep kampeerautogebruikers zal, ondanks de komst van een camperovernachtingsplaats, toch specifiek voor een camping kiezen omdat zij gebruik wensen te maken van de daar aanwezige faciliteiten.

Er worden voorwaarden gesteld aan o.a. bereikbaarheid, maximale verblijfsduur, aantal plaatsen, (eenvoudige) inrichting en voorzieningen, parkeren, landschappelijke inpassing en omgevingsaspecten.

De VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' kent geen specifieke richtafstanden voor een dergelijke voorziening. Voor kampeerterreinen en vakantiecentra e.d. (met keuken) geldt een richtafstand van 50 meter (i.v.m. geluid) tot aan de gevels van woningen van derden. Van een dergelijke richtafstand kan gemotiveerd worden afgeweken.

Op de voorziening is een informatiebord aanwezig met de spelregels die gelden voor gebruikmaking van het terrein. Het bord bevat verder de namen en adressen van één of meer direct in de buurt gelegen (mini)campings waarnaar wordt verwezen als camperovernachtingsplaats vol is. De voorziening is bij voorkeur gesitueerd nabij een dorpskern of een attractie. Dit met het oog op horeca- en middenstandbezoek in verband met de economische spin-off. De voorziening is eigenlijk een soort van speciale parkeerplaats voor campers, waarop in de camper mag worden overnacht. Van verblijfsrecreatie, zoals op een camping, is eigenlijk geen sprake.

Afwijking van maatvoeringen

afwijkingsmogelijkheid van 10% van de in de regels gegeven maten en normen met betrekking tot het bouwen. Deze afwijkingsmogelijkheid zal slechts bij hoge uitzondering worden toegepast. Het is niet de bedoeling dat bouwplannen hier op worden ontworpen. Voor het beschermd stadsgezicht van het stadje Bronkhorst geldt dat deze mogelijkheid alleen kan worden toegepast ten behoeve van het behoud en/of herstel van een gebouw als cultuurhistorisch monument.

4.3.2.6 Overige regels     

In Artikel 17 Overige regels zijn overige algemene regels opgenomen die niet kunnen worden ondergebracht bij een van de voorgaande algemene regels.

In artikel 17.1 Voorrangsregels is een voorrangsbepaling opgenomen. Daarin is geregeld dat in het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en een dubbelbestemming, het belang van de dubbelbestemming voor gaat. Tevens is opgenomen dat ten aanzien van de onderlinge relatie tussen de dubbelbestemmingen de ene dubbelbestemming geldt voor de andere geldt. Daarbij weegt het belang van dubbelbestemmingen die de veiligheid regelen het zwaarst. Hierin zijn enkel dubbelbestemmingen opgenomen die een beperking ten aanzien van het bouwen met zich meebrengen.

4.3.3 Overgangs- en slotregels     

In Hoofdstuk 4 van de planregels zijn de volgende Overgangs- en slotregels opgenomen.

4.3.3.1 Overgangsrecht     

In Artikel 18 Overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bestaande zaken en rechten die niet in overeenstemming zijn met de overige regelingen in dit bestemmingsplan. De regels voor het overgangsrecht zijn overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening, waarin standaard overgangsrecht voor bestemmingsplannen is opgenomen.

4.3.3.2 Slotregel     

Artikel 19 Slotregel bevat de titel van het bestemmingsplan.

4.3.4 Bijlagen bij de regels     

In de Bijlagen bij de regels zijn enkele bijlagen opgenomen waarnaar in de planregels wordt verwezen. Zo bevat dit bijlagen ten aanzien van bedrijfsactiviteiten in verband met aan huis verbonden activiteiten en toegelaten (neven)functies, een overzicht van monumenten en standaardregels ten behoeve van wijzigingsbevoegdheden voor omzetting van enkele (dubbel)bestemmingen naar een andere (dubbel)bestemming.

Regels     

Onderhavig plan is een herziening van het totaalplan voor stedelijk gebied (zie paragraaf 4.1 van de plantoelichting). Om qua structuur en opbouw van de regels geen verschillen te krijgen tussen het totaalplan en dit plan, is er voor gekozen om de gehele bestemmingsregeling in dit plan op te nemen. Dus ook onderdelen die in dit plan niet van toepassing zijn maar wel voorkomen in het totaalplan.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels     

Artikel 1 Begrippen     

1.1 Plan     

Het bestemmingsplan Stedelijk gebied; Veegplan 2023-3 met identificatienummer NL.IMRO.1876.VPS2303-VG01 van de gemeente Bronckhorst.

1.2 Bestemmingsplan     

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 Aanbouw     

Een bijbehorend bouwwerk, zijnde een gebouw dat als afzonderlijke ruimte aan het hoofdgebouw is aangebouwd, dat architectonisch ondergeschikt is aan, maar in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw.

1.4 Aanduiding     

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.5 Aanduidingsgrens     

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 Aaneengebouwde woning     

Een blok van meer dan twee-aaneengebouwde woningen inclusief de van dit blok deel uitmakende eind- of hoekwoningen.

1.7 Aan huis verbonden activiteit     

Een aan huis verbonden beroep, een aan huis verbonden bedrijf, internetverkoop en bed & breakfast.

1.8 Aan huis verbonden beroep     

Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch, cosmetisch of hiermee gelijk te stellen gebied, daaronder niet begrepen prostitutie, dat door zijn beperkte omvang in een woning, in bijbehorende bouwwerken en de bij de woning behorende gronden, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend.

1.9 Aan huis verbonden bedrijf     

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, dan wel het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk, en waarvan de omvang van de activiteiten zodanig is, dat de activiteiten in een woning, in bijbehorende bouwwerken en de bij de woning behorende gronden, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend. Daaronder niet begrepen prostitutie of een seksinrichting.

1.10 Aardkundige waarden     

De aan een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het aanwezig zijn van bijzondere aardkundige verschijnselen, zoals steilranden en bodemtypen.

1.11 Achtererfgebied     

Erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.

1.12 Afhaalhoreca     

Een horecabedrijf dat tevens is gericht op de verkoop van ter plaatse bereide etenswaren voor het nuttigen elders.

1.13 Agrarische activiteiten     

Het voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren en/of telen van gewassen.

1.14 Agrarisch bedrijf     

Een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren en/of telen van gewassen.

1.15 Agrarische gebouwen     

Gebouwen ten dienste van agrarisch bedrijf niet zijnde een bedrijfswoning.

1.16 Algemene wet bestuursrecht     

Wet van 4 juni 1992, Stb. 315, houdende algemene regels van bestuursrecht, zoals deze luidt op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan.

1.17 Ammoniakbuffergebied     

Het gebied zoals bedoeld in de Omgevingsverordening Gelderland.

1.18 Archeologisch deskundige     

De regionaal (beleids)archeoloog of een andere door het college van Burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg.

1.19 Archeologisch onderzoek     

Onderzoek (bureauonderzoek en/of boren en/of geofysisch onderzoek en/of graven en/of begeleiden) verricht door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK/SIKB), beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 45 van de Monumentenwet 1988, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de Erfgoedwet, en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie.

1.20 Archeologische verwachting     

De aan een gebied toegekende hoge, middelmatige of lage verwachting in verband met de kennis en wetenschap van de in dat gebied te verwachten overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden.

1.21 Archeologische waarden     

De aan gebieden toegekende waarden in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden.

1.22 Bebouwing     

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.23 Bebouwingsgebied     

Achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw.

1.24 Bebouwingspercentage     

Het percentage van gronden, nader bepaald in de regels, dat ten hoogste mag worden bebouwd.

1.25 Bed & breakfast     

Een kleinschalige vorm van logiesaccommodatie, waarbij één of meerdere gastenkamers aanwezig zijn en waarbij de gastenkamers geen eigen kookgelegenheid hebben en waarbij er een gemeenschappelijke ruimte is waar de gasten een door de ondernemer bereide maaltijd (ontbijt) kunnen nuttigen.

1.26 Bedrijfsmatige exploitatie recreatiebedrijven     

Het via een bedrijf/stichting of ander rechtspersoon voeren van een zodanig beheer/exploitatie, dat de recreatiebedrijven daadwerkelijk worden gebruikt voor recreatieve doeleinden en waarbij tevens sprake is van verhuur van de recreatieverblijven ten behoeve van een wisselend gebruik.

1.27 Bedrijfswoning     

Een woning, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is.

1.28 Begane grondbouwlaag     

De onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder.

1.29 Beschermd dorpsgezicht     

Gebied dat ingevolge artikel 35 van de Monumentenwet 1988, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de Erfgoedwet, als zodanig door het bevoegd gezag is aangewezen ter bescherming van cultuurhistorische en archeologische waarden.

1.30 Beschermd stadsgezicht     

Gebied dat ingevolge artikel 35 van de Monumentenwet 1988, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de Erfgoedwet, als zodanig door het bevoegd gezag is aangewezen ter bescherming van cultuurhistorische en archeologische waarden.

1.31 Bestaand     

  1. Bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan legaal aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen;
  2. bij gebruik: het legale gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
  3. bij bouwvlak: de oppervlakte van het bouwvlak op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.

1.32 Bestemmingsgrens     

De grens van een bestemmingsvlak.

1.33 Bestemmingsvlak     

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.34 Bestrijdingsmiddelen     

Middelen die gebruikt worden om parasieten, onkruiden, schimmels en ongedierten in de land- en tuinbouw te bestrijden.

1.35 Bevi-inrichtingen     

Inrichtingen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.36 Bijgebouw     

Een bijbehorend bouwwerk, zijnde een gebouw, dat ten dienste staat van een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw al dan niet aan het hoofdgebouw gebonden, zoals een berging, hobbyruimte, dierenverblijf of garagebox en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.37 Bijbehorend bouwwerk     

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.

1.38 Boomkwekerij     

Het telen van laan- en sierbomen, vruchtbomen en/of heesters.

1.39 Bos     

Elk terrein waarop bosbouw wordt uitgeoefend, zijnde het geheel van bedrijfsmatig handelen en activiteiten gericht op de duurzame instandhouding en ontwikkeling van bestaande en nieuwe bossen ten behoeve van (één of meerdere van de functies) natuur, houtproductie, landschap, milieu (waaronder begrepen waterhuishouding) en recreatie.

1.40 Bouwen     

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.41 Bouwgrens     

De grens van een bouwvlak.

1.42 Bouwperceel     

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.43 Bouwperceelgrens     

De grens van een bouwperceel.

1.44 Bouwvlak     

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.45 Bouwwerk     

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.46 Bouwwijze     

De wijze van bouwen van een hoofdgebouw, te onderscheiden in vrijstaande woningen, twee-aaneengebouwde woningen, aaneengebouwde woningen en gestapelde woningen.

1.47 Café     

Een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar-dancing, dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenfunctie het verstrekken van kleinere etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid.

1.48 Camperovernachtingsplaats     

Een parkeerplaats op particulier terrein, geheel of gedeeltelijk ingericht met voorzieningen, welke een goede en stevige ondergrond biedt voor een kampeerauto (camper) en die gedurende een beperkt aantal nachten wordt gebruikt als verblijfsplaats.

1.49 Caravan     

Een niet-omgevingsvergunningplichtige ruimte, niet zijnde een gebouw (waaronder een stacaravan), in de vorm van een aanhangwagen, gefabriceerd, ingericht en bestemd voor het genieten van recreatief verblijf elders en bedoeld om achter een personenauto voortbewogen te worden;

1.50 Carport     

Een overdekte stallingsruimte die dient als stallingsplaats voor een motorvoertuig, die geen eigen wanden of deuren heeft en waarvan de begrenzing wordt gevormd door gebouwen en/of ondersteuningen van het dak.

1.51 Chalet     

Een permanent aanwezig gebouw, geen recreatiewoning of stacaravan, in één bouwlaag, grotendeels uitgevoerd in hout, bestemd om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar bewoond te worden uitsluitend voor recreatieve doeleinden.

1.52 Conferentiecentrum     

Een bedrijf(sgedeelte), gericht op het bedrijfsmatig bieden van gelegenheid tot het houden van onder andere (informatie- en andere) bijeenkomsten, vergaderingen, congressen en conferenties met ondergeschikt de daarbij behorende voorzieningen.

1.53 Conferentieoord     

Een onderneming, gericht op het bedrijfsmatig bieden van gelegenheid tot het houden van onder andere (informatie- en andere) bijeenkomsten, vergaderingen, congressen, conferenties en recepties, met ondergeschikt de daarbij behorende voorzieningen.

1.54 Cultuur en ontspanning     

Het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten gericht op cultuur en ontspanning, zoals concerten, evenementen en tentoonstellingen, met uitzondering van een bordeel, casino, (raam)prostitutie en seksinrichting.

1.55 Cultuurhistorische waarde     

De aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of gebied heeft gemaakt.

1.56 Daggasten     

Personen die als gast en/of bezoeker van de verblijfsrecreatieve voorziening niet overnachten binnen de grenzen van de inrichting.

1.57 Detailhandel     

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en waarbij een showroom en/of verkoopruimte ter plaatse aanwezig is; horeca-activiteiten zijn hieronder niet begrepen.

1.58 Detailhandel in eigen vervaardigde en/of voortgebrachte producten     

Het verkopen van producten, die door het toegelaten bedrijf zijn voortgebracht, geteeld of vervaardigd.

1.59 Detailhandel in streekeigen geproduceerde (agrarische) producten     

Het verkopen van plaatselijk gekweekte of vervaardigde producten op een agrarisch bedrijf, al dan niet in combinatie met een nevenfunctie, aan personen die deze producten kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.60 Detailhandel in volumineuze goederen     

Detailhandel in auto's, boten, caravans, grove bouwmaterialen, keukens, sanitair en woninginrichting waaronder meubels.

1.61 Dienstverlening     

Dienstverlening door een bedrijf met uitsluitend of in hoofdzaak een verzorgende taak met een publieksgerichte functie zoals wasserette, kapsalon, schoonheidssalon, autorijschool, videotheek, uitzendbureau, reisbureau, bank, postkantoor, makelaarskantoor, fotoatelier (inclusief ontwikkelen), kopieerservicebedrijf, schoenreparatiebedrijf, reparatiebedrijf voor muziekinstrumenten, cateringbedrijf, alsmede naar aard en uitstraling overeenkomstige bedrijven.

1.62 Diepploegen     

Het omzetten van de grond, gemeten vanaf peil met een diepte van minimaal 0,80 m, ten behoeve van het agrarisch gebruik.

1.63 Discotheek/bar-dancing     

Een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse waarbij het doen beluisteren van (overwegend mechanische) muziek en het gelegenheid geven tot dansen een wezenlijk onderdeel vormt.

1.64 Ecologische verbindingszones     

Stelsel van landschapselementen, dat wordt aangelegd om de verbinding tussen bestaande natuurgebieden te versterken.

1.65 Educatieve doeleinden     

Het overbrengen of verkrijgen van informatie in al dan niet opvoedkundige of onderwijskundige zin in welke strekt ter verwerving van kennis.

1.66 Erf     

Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

1.67 Erfgoedwet     

Wet van 9 december 2015, Stb. 2015, 511, houdende bundeling en aanpassing van regels op het terrein van cultureel erfgoed, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan.

1.68 Evenement     

Een één- of meerdaagse activiteit, gerelateerd aan de identiteit van de (doelgroep van de) camping, welke inclusief toegestane op- en afbouwtijd maximaal één week duurt, waarbij het aantal daggasten de 230 overschrijdt.

1.69 Evenemententerrein     

Een terrein dat gebruikt wordt voor jaarlijks terugkerende één- of meerdaagse festiviteiten met bijbehorende voorzieningen, zoals parkeerplaatsen en tijdelijke bouwwerken.

1.70 Extensief agrarisch grondgebruik     

Gebruik van grond als schraal grasland of graanakker (m.u.v. mais).

1.71 Extensief recreatief medegebruik     

Die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, paardrijden, boerengolf en fietsen.

1.72 Extensiveringsgebied     

Ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk zal worden gemaakt.

1.73 Galerie     

Een (culturele) voorziening ten behoeve van het tentoonstellen en het verkopen van kunst.

1.74 Gebouw     

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.75 Gelders Natuurnetwerk (GNN)     

Een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang, zoals bedoeld in de Omgevingsverordening Gelderland.

1.76 Gelieerde bedrijven     

Bedrijven waarvan de vestiging ter plaatse uitsluitend een activiteit uitoefent die ten dienste staat van de ter plaatse gevestigde aardappelverwerkende industrie.

1.77 Geluidzoneringsplichtige inrichtingen     

Bedrijven en/of inrichtingen welke zijn genoemd in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit Wet milieubeheer (Staatsblad 1993, 50).

1.78 Gestapelde woning     

Een woning deel uitmakend van één gebouw waarin meerdere woningen, boven en/of naast elkaar zijn ondergebracht.

1.79 Gevoelige bestemmingen in een magneetveldzone     

Woningen met bijbehorende erven alsmede scholen, crèches en kinderopvangplaatsen met bijbehorende buitenspeelruimten, conform het voorzorgsbeleid.

1.80 Glastuinbouwbedrijf     

Een agrarisch bedrijf waarbij het telen van gewassen in kassen plaatsvindt.

1.81 Groene Ontwikkelingszone (GO)     

Zone, zoals bedoeld in de Omgevingsverordening Gelderland, die bestaat uit gebieden met andere bestemmingen dan natuur die ruimtelijk verweven zijn met het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en daar functioneel mee samenhangen en waarin wordt ingezet op versterking van die samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden.

1.82 Groepsaccommodatie     

Een permanent aanwezig gebouw, geen stacaravan of trekkershut zijnde, bestemd om uitsluitend door minimaal 12 personen, die het hoofdverblijf elders hebben, gedurende een gedeelte van het jaar uitsluitend te worden bewoond in het kader van weekend- en/of verblijfsrecreatie.

1.83 Groepskamperen     

Het tijdelijk kamperen, buiten specifiek daarvoor ingerichte en/of geëxploiteerde kampeerterreinen, in groepsverband ten behoeve van eigen doeleinden door groepen of verenigingen met doelstelling van sociale, culturele, educatieve of wetenschappelijke aard, gedurende een korte, aaneengesloten periode.

1.84 Grondgebonden (veehouderij)bedrijf     

  1. Een melkveehouderijbedrijf dat beschikt over voldoende cultuurgrond om de dieren op het eigen bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen voor het benodigde voer te voorzien volgens de voorwaarden die door het Rijk zijn voorgeschreven in de Wet verantwoorde groei melkveehouderij en in de AMvB grondgebonden groei melkveehouderij.
  2. Een agrarisch bedrijf, niet zijnde een grondgebonden melkveehouderijbedrijf, dat gericht is op het ontwikkelen van activiteiten waarbij de productie voor meer dan 50 procent afhankelijk is van het producerend vermogen van de grond waarover het bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen kan beschikken.

1.85 Groothandel     

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan instellingen of personen ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit.

1.86 Guest house     

Een gebouw dat is vormgegeven en ingericht op een zodanige wijze dat het uitsluitend kan worden gebruikt voor overnachtende gasten. Hierin is geen permanente bewoning toegestaan.

1.87 Haantjesbraderij     

Een bedrijf gericht op het bereiden van gevogelte voor consumptie.

1.88 Hervestiging     

De vestiging van een van elders te verplaatsen niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of niet-grondgebonden veehouderijtak op een bestaand agarische bouwperceel.

1.89 Hoofdfunctie     

Een functie of functies waarvoor het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt blijkens de bestemmingsomschrijving.

1.90 Hoofdgebouw     

Een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst zijn.

1.91 Hotel/motel     

Een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per nacht) met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie ter plaatse en/of de verhuur van een zaalruimte voor feesten en partijen.

1.92 Horecabedrijf     

Een bedrijf, gericht op het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bieden van nachtverblijf;

de horecabedrijven zijn in drie categorieën te onderscheiden:

  1. categorie 1: vormen van horeca-activiteiten waar in hoofdzaak maaltijden, (alcoholische) dranken en/of logies worden verstrekt en waarvan de exploitatie doorgaans in de avonduren plaatsvindt, zoals een café, restaurant, hotel en pension;
  2. categorie 2: vormen van kleinschalige horeca-activiteiten die qua exploitatievorm aansluiten bij winkelvoorzieningen, waar naast kleinere etenswaren in hoofdzaak alcoholvrije dranken worden verstrekt, en waarvan de exploitatie zowel overdag als in de avonduren plaatsvindt, zoals een lunchroom, broodjeszaak, ijssalon, cafetaria, snackbar, afhaalhoreca, automatiek;
  3. categorie 3: vormen van horeca-activiteiten waarbij in hoofdzaak alcoholische drank wordt verstrekt en waarvan de exploitatie doorgaans in de avonduren plaatsvindt, een aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt en een grote druk op de openbare orde met zich meebrengt, zoals bar-dancings, discotheken, nachtclubs, alsmede horeca met zaalaccommodatie.

1.93 Houtproductie     

Het voortbrengen van hout op bedrijfsmatige wijze door een mede daarop afgestemd duurzaam beheer van bos.

1.94 Hoveniersbedrijf     

Een bedrijf gericht op het kweken en verkopen van planten en siergewassen en het aanleggen en onderhouden van tuinen en andere groenvoorzieningen.

1.95 Huishouden     

Eén of meer personen die sociaal en economisch een eenheid vormen.

1.96 Internetverkoop     

Een specifieke vorm van detailhandel, waarbij:

  1. de te verkopen goederen uitsluitend via internet worden getoond en aangeboden;
  2. de transactie via internet tot stand komt;
  3. opslag van goederen plaatsvindt (op de bedrijfslocatie zelf of elders);
  4. op de bedrijfslocatie geen sprake is van enige fysieke vorm van uitstalling ter verkoop, een showroom, of van verkoop, betaling en/of het afhalen van goederen én
  5. de uitlevering van verkochte goederen aan kopers geschiedt per post of bezorgdienst.

1.97 Jaarplaats     

Dat terreingedeelte dat bestemd is voor het plaatsen van een kampeermiddel dat gedurende het hele jaar aanwezig mag zijn, alsmede voor exclusief gebruik door de gebruikers van dat kampeermiddel.

1.98 Jachthaven     

Haven met de daarbij behorende grond waar overwegend gelegenheid wordt gegeven voor het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van recreatie- of pleziervaartuigen.

1.99 Kantoor     

Een verblijfsruimte die door haar aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard zonder baliefunctie.

1.100 Kampeermiddelen     

  1. Een tent, tentwagen, een kampeerauto of caravan;
  2. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelten daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde.

1.101 Kampeerseizoen     

De periode tussen 15 maart en 31 oktober.

1.102 Kap     

Een geheel of gedeeltelijke niet horizontale dakconstructie gevormd door ten minste twee schuin hellende dakschilden met een helling van elk ten minste 15° en ten hoogste 75°.

1.103 Kas     

Een agrarisch gebouw waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas en ander lichtdoorlatend materiaal.

1.104 Kelder     

Een overdekte, met wanden omsloten, voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot ten hoogste 1 m boven de gemiddelde, bestaande hoogte van het aan het gebouw grenzende terrein.

1.105 Kleine windturbines     

Op de grond bevestigde windturbines met een ashoogte van maximaal 25 meter.

1.106 Kleinschalige horecavoorziening     

Een horecavoorziening, die uitsluitend tot hoofddoel heeft het verstrekken van niet-alcoholische dranken en versnaperingen.

1.107 Kleinschalig kampeerterrein     

Een terrein met daarbij behorende voorzieningen, zonder jaarstandplaatsen, ter beschikking gesteld voor het houden van mobiele kampeervoertuigen en/of tenten gedurende het kampeerseizoen.

1.108 Landschappelijke inpassing     

Een zodanige vormgeving en inpassing dat deze optimaal is afgestemd op bestaande danwel nog te ontwikkelen ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische landschapskwaliteiten.

1.109 Landschappelijke waarde     

De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur.

1.110 Loon(werk)bedrijf     

Een bedrijf dat – voornamelijk met behulp van verplaatsbare werktuigen – diensten verleent aan agrarische bedrijven, hetzij in verband met de bodemcultuur, hetzij ter uitvoering van grondwerkzaamheden waarbij beperkte grondopslag op het bedrijfsterrein mogelijk is.

1.111 Luifel     

Afdak of overkapping met een diepte van tenminste 1 m, aan of bij een gebouw, al of niet ondersteund.

1.112 Maatschappelijke voorzieningen     

Voorzieningen ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, onderwijs met bijbehorende sport- en gymnastieklokalen, (kinder)dagopvang, opvoeding, cultuur, lichamelijke en/of geestelijke volksgezondheid.

1.113 Manege     

Een gebruiksgerichte, dienstverlenende paarden- en ponyhouderij, waarbij het doel is het geven van gelegenheid om met paarden en/of pony's binnen en/of buiten het betreffende perceel te rijden en het daaruit genereren van inkomsten.

1.114 Mestbewerking     

Technische handelingen met mest, waaruit mestproducten voortkomen die in de Nederlandse landbouw worden afgezet met een hogere acceptatiegraad dan normale drijfmest (voorbeelden: mestscheiding en mestvergisting).

1.115 Mestopslagplaats     

Een bouwwerk waar mestopslag plaatsvindt van één of meerdere agarische bedrijven.

1.116 Mestvergistingsinstallatie     

Installatie voor de opwekking van energie door middel van vergisting van mest of andere organische producten.

1.117 Mestverwerking     

Technische handelingen met mest, waaruit producten voortkomen die buiten de Nederlandse landbouw worden afgezet (bijvoorbeeld mestverbranding, productie van mestkorrels ten behoeve van export of afzet via tuincentra).

1.118 Mini-windturbines     

Windturbines die op gebouwen worden geplaatst met een maximale hoogte van 3 m gemeten vanaf het dakvlak.

1.119 Mobiele kampeervoertuigen     

Een tentwagen, een kampeerauto of een caravan (geen stacaravan zijnde), die uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar gebruikt wordt uitsluitend voor recreatieve doeleinden.

1.120 Monumenten     

Rijks- en gemeentelijke monumenten, welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde, alsmede terreinen van belang wegens de aanwezigheid daar van voornoemde zaken.

1.121 Natte natuur     

Bos en natuurterreinen waar de kwaliteit van deze terreinen vraagt om een goede grondwatersituatie en eventueel een kwelstroom van voldoende mate van kwaliteit.

1.122 Natuurbeschermingswet 1998     

Wet van 25 mei 1998, Stb. 1998, 403, houdende nieuwe regelen ter bescherming van natuur en landschap, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan.

1.123 Natuurkampeerterrein     

Een natuurkampeerterrein is een eenvoudig terrein, waar slechts beperkte (sanitaire) voorzieningen voor kampeerders zijn toegelaten. Het is een al dan niet aaneengesloten kampeerterrein dat gelegen is in een bos- of natuurgebied met een minimale grootte van 25 ha. Er zijn ten hoogste 40 plaatsen voor kampeermiddelen en het terrein mag gedurende het gehele jaar geopend zijn. Het kampeermiddel mag ten hoogste 6 weken aaneengesloten op het terrein aanwezig zijn.

1.124 Natuurwaarde     

De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

1.125 Nevenfunctie     

Activiteiten die in ruimtelijke en bedrijfseconomische zin een ondergeschikt bestanddeel vormen van de hoofdfunctie.

1.126 Niet-grondgebonden veehouderijbedrijf     

Een veehouderijbedrijf waarvan de agrarische productie voor het grootste deel afkomstig is uit de niet-grondgebonden veehouderijtak(ken).

1.127 Niet-grondgebonden veehouderijtak     

Onderdeel van een agrarisch bedrijf dat beschikt over onvoldoende cultuurgrond om de dieren op het eigen bedrijf in de omgeving van de bedrijfsgebouwen voor meer dan 50 procent van het benodigde voer te voorzien.

1.128 Niet-zelfstandig kantoor     

Een onderdeel van een bedrijf, dat andere bedrijfsactiviteiten als inkomstenbron heeft en waarvoor het kantoor uitsluitend een ondersteunende functie heeft.

1.129 Nutsvoorzieningen     

Voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, bemalinginstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

1.130 Omgevingsvergunning     

Een vergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.131 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

Een vergunning als bedoeld in artikel 3.3 onder a van de Wet ruimtelijke ordening.

1.132 Omgevingsverordening Gelderland     

De omgevingsverordening van de provincie Gelderland, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan.

1.133 Omschakeling naar een niet-grondgebonden veehouderij     

Het geheel of gedeeltelijk omzetten en/of uitbreiden van een grondgebonden agrarisch bedrijf in een niet-grondgebonden veehouderij.

1.134 Ondergeschikte bouwdelen     

Bouwdelen van beperkte afmetingen, die buiten het gebouw uitsteken, zoals schoorstenen, windvanen, dakoverstekken (< 1 m), balkons (< 5 m2), erkers (<7 m3), dakkapellen (< 7 m3) en liftschachten.

1.135 Ondergronds     

Onder peil.

1.136 Onderkomens     

Voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van recreatief buitenverblijf voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken.

1.137 Ondersteunende horeca     

Een horecavoorziening binnen een bestemming, waarvan de functie een andere dan horeca is, maar waar men ten behoeve van de hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren.

1.138 Ontgrondingenwet     

Wet van 27 oktober 1965, Stb. 1965, 509, houdende regelen omtrent de ontgrondingen, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan.

1.139 Openbaar toegankelijk gebied     

Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

1.140 Overbouwing     

Een aan- of uitgebouwd bouwdeel, dat gelegen is op minimaal 2,5 m boven peil, dat geen grotere hoogte heeft dan het aangrenzende bouwdeel, dat uitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel en dat geen rechtstreekse verbinding heeft met het aansluitend afgewerkte terrein.

verplicht

1.141 Overig bouwwerk     

Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.142 Overkapping     

Een bijbehorend bouwwerk, zijnde een bouwwerk, geen gebouw zijnde met één dakvlak en maximaal één gesloten wand.

1.143 Paardenfokkerij     

Agrarische activiteiten bestaande uit het fokken van paarden en/of pony's.

1.144 Paardenhandel     

Activiteiten met als doel het bedrijfsmatig in- en doorverkopen van paarden en pony's op het perceel en het daaruit genereren van inkomsten.

1.145 Paardenhouderij     

Een dienstverlenende paarden- en/of ponyhouderij waarbij het doel is het bedrijfsmatig stallen, trainen en africhten van paarden en/of pony's op het perceel en het daaruit genereren van inkomsten.

1.146 Pand     

De kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.

1.147 Peil     

  1. Voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang aan een weg grenst, mits het gebouw op een afstand van niet meer dan 20 m van die weg is gelegen: maximaal 35 cm boven de kruin van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  2. in andere gevallen bij gebouwen: de gemiddelde bestaande hoogte van het aan het gebouw grenzende terrein;
  3. voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde bestaande hoogte van het aan het bouwwerk grenzende terrein.

1.148 Pergola     

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bestaande uit een open constructie van twee of meer palen, die onderling met elkaar verbonden zijn.

1.149 Permanente bewoning     

Gebruik van (een deel van) een gebouw als hoofdwoonverblijf.

1.150 Plat dak     

Een dak met een dakhelling van minder dan 15º.

1.151 Plattelandswoning     

Een bij een agrarisch bedrijf behorende woning of voorheen bij een bedrijf behorende woning die als bedrijfswoning en/of door een derde bewoond mag worden, in de zin van artikel 1.1a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.152 Plussenbeleid     

Beleid dat kwaliteitsvoorwaarden geeft voor het ruimtelijk beleid van gemeenten die een uitbreiding van de niet-grondgebonden veehouderijtak mogelijk willen maken.

1.153 Pod     

Een gebouw met een eenvoudige constructie, uitsluitend bestemd voor recreatief nachtverblijf met een maximale opprvlakte van 16 m2.

1.154 Recreatieappartement     

Een recreatiewoning deel uitmakend van één gebouw waarin meerdere recreatiewoningen, boven en/of naast elkaar zijn ondergebracht.

1.155 Recreatieve voorziening     

Een kleinschalige, niet-bedrijfsmatige voorziening met een dagrecreatief karakter, zoals zwembad of tennisbaan.

1.156 Recreatiewoning     

Een permanent aanwezig gebouw, geen chalet en stacaravan zijnde, bestemd om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar bewoond te worden uitsluitend voor recreatieve doeleinden.

1.157 Rijstroken     

Als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.

1.158 Seksinrichting     

Een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang als zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.159 (sleuf)silo     

Een bouwwerk – geen mestopslagplaats zijnde – voor het opslaan van agrarische producten ten behoeve van de veehouderij en/of kuilvoer.

1.160 Sociaal-culturele voorzieningen     

Voorzieningen voor het uitoefenen van culturele, sociale en levensbeschouwelijke activiteiten.

1.161 Sociale koopwoning     

Koopwoning met een koopprijs vrij op naam van ten hoogste het bedrag van €200.000 waarbij de instandhouding voor de in een gemeentelijke verordening omschreven doelgroep voor een in de verordening vastgesteld tijdvak van tenminste een jaar en ten hoogste tien jaren na ingebruikname.

1.162 Staande mestopslagtank     

Een opslag welke een grotere hoogte dan diameter heeft met een maximale diameter van 4 meter.

1.163 Stacaravan     

Een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen, dat mede, gelet op de afmetingen, niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen over grote afstanden als aanhangsel van een auto te worden voortbewogen, bestemd om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar bewoond te worden, uitsluitend voor recreatieve doeleinden.

1.164 Supermarkt     

Een detailhandelsbedrijf met een winkelvloeroppervlak van meer dan 500 m² en een grote verscheidenheid aan artikelen, merendeels levensmiddelen, waarbij sprake is van zelfbediening door de klanten.

1.165 Teeltondersteunende kassen     

Kassen, waarin producten worden geteeld die een ondergeschikt bestanddeel vormen van de totale agrarische bedrijfsactiviteit.

1.166 Teeltondersteunende voorzieningen     

Ondersteunende voorzieningen ten behoeve van vollegronds groente-, fruit-, bloemen-, en boomteelt, te onderscheiden in de volgende categorieën:

  1. laag/tijdelijk:
    teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van max. 1,50 m, uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 8 maanden, bijvoorbeeld insectengaas, afdekfolie en lage tunnels;
  2. laag/permanent:
    teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van max. 1,50 m en met een permanent karakter, bijvoorbeeld containervelden;
  3. hoog/tijdelijk:
    teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van min. 1,50 m en maximaal 2 m. uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 8 maanden, bijvoorbeeld menstoegankelijke wandelkappen, schaduwhallen en hagelnetten;
  4. hoog/permanent:
    teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van min. 1,50 en maximaal 3,50 m met een permanent karakter, bijvoorbeeld stellingenteelt (bakken in stellingen, regenkappen) en teeltondersteunende kassen;
  5. overig:
    vraatnetten, boomteelthekken.

1.167 Trekkershut     

Een gebouw met een eenvoudige constructie, uitsluitend bestemd voor recreatief nachtverblijf zonder sanitaire voorzieningen.

1.168 Tuincentrum     

Een bedrijf dat is gericht op het telen en voornamelijk verkopen van planten en siergewassen, alsmede het verkopen en leveren van andere goederen en materialen voor het aanleggen, onderhouden en verfraaien van tuinen.

1.169 Twee-aaneengebouwde woning     

Een blok van maximaal twee-aaneengebouwde woningen, waarvan de hoofdgebouwen aan elkaar gekoppeld zijn.

1.170 Uitbouw     

Een bijbehorend bouwwerk, zijnde een als vergroting van het hoofdgebouw gebouwd gebouw, hetwelk door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en daar in architectonisch opzicht ondergeschikt aan is, maar in functioneel opzicht wel deel uitmaakt van dat hoofdgebouw.

1.171 Verkoopvloeroppervlak     

De oppervlakte van een ruimte, die uitsluitend gebruikt wordt voor het verkopen van producten, niet zijnde de ruimte voor opslag of het vervaardigen/ bewerken van producten.

1.172 Volwaardig agrarisch bedrijf     

Een agrarisch bedrijf met zodanig omvang en/of structuur dat redelijkerwijs verwacht mag worden, dan wel aantoonbaar is, dat tenminste één persoon een volledige dagtaak heeft met het beheer van het bedrijf, de verzorging van het vee en de bewerking van het land.

1.173 Voorerfgebied     

Erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied.

1.174 Voorgevel     

De naar architectuur, indeling en/of uitstraling meest gezichtsbepalende gevel(s) van een hoofdgebouw, (doorgaans) gekeerd naar de weg of het openbaar gebied.

1.175 Voorgevelrooilijn     

De lijn die gelijk loopt aan voorgevel(s) van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan. (Van een hoofdgebouw gelegen op de hoek van twee straten moeten beide gevels van het hoofdgebouw, gelegen aan de straatkant, gezien worden als voorgevel).

1.176 Voormalig agrarisch bedrijf     

Bij een voormalig agrarisch bedrijf is na de terinzagelegging van de ontwerp-bestemmingsplannen Buitengebied Hengelo/Vorden 2005, Buitengebied Zelhem 2011 en Buitengebied Steenderen / Hummelo en Keppel de agrarische bestemming gewijzigd in een woonbestemming.

1.177 Voorzorgsbeleid     

Het advies van de toenmalige Staatssecretaris van VROM d.d. 3 oktober 2005, kenmerk SAS/2005183118 en aanvullende brief van de toenmalige Minister van VROM d.d. 4 november 2008 (DGM/2008105664)) met betrekking tot gezondheidsaspecten van elektromagnetische velden.

1.178 Vrijstaande woning     

Een woning die geheel vrij staat ten opzichte van andere bebouwing.

1.179 Waterbergingsgebied     

Een krachtens de Wet ruimtelijke ordening voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan,dat dient ter verruiming van de bergingscapacitieit van een of meer watersystemen.

1.180 Waterwet     

Wet van 29 januari 2009, Stb. 2009, 107, houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan.

1.181 Weg     

Alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.

1.182 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht     

Wet van 6 november 2008, Stb. 2008, 496, houdende regels inzake een vergunningstelsel met betrekking tot activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving en inzake handhaving van regelingen op het gebied van de fysieke leefomgeving (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan.

1.183 Wet geluidhinder     

Wet van 16 februari 1979, Stb. 1979, 99, houdende regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan.

1.184 Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten     

Wet van 7 februari 2008, Stb. 2008, 120, houdende regels over de informatie-uitwisseling betreffende ondergrondse netten, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan.

1.185 Wet milieubeheer     

Wet van 13 juni 1979, Stb. 1979, 442, houdende regelen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op het gebied van de milieuhygiëne, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan.

1.186 Wet natuurbescherming     

Wet van 16 december 2015, Stb. 2016, 34, houdende regels ter bescherming van de natuur, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan.

1.187 Wet ruimtelijke ordening     

Wet van 20 oktober 2006, Stb. 2006, 566, zoals gewijzigd bij de Wet van 24 mei 2007, Stb. 2007, 271 (grondexploitatie), inclusief de door de Tweede Kamer op 1 januari 2008 aanvaarde wijzigingen in het kader van de Invoeringswet (TK 2007-2008, 30 938, A), zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan.

1.188 Woning     

Een complex van ruimten, inclusief aan- en uitbouwen, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

1.189 Woningwet     

Wet van 29 augustus 1991, Stb. 1991, 439, tot herziening van de Woningwet, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan.

1.190 Woondoeleinden     

Het bewonen van een woning.

1.191 Woongebouw     

Een gebouw, dat uit meerdere naast elkaar en/of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen (appartementen) bestaat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd.

1.192 Woonschip     

Een vaartuig of drijvend voorwerp, dat uitsluitend of hoofdzakelijk als woning wordt gebruikt en daartoe is ingericht.

1.193 Woonwagen     

Een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een woonwagenstandplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst.

1.194 Zijerfgebied     

Het voorerfgebied aan de naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van een hoofdgebouw.

1.195 Zorghotelkamer     

Een gelegenheid voor tijdelijke overnachting in combinatie met zorg al dan niet ten behoeve van recreatief verblijf.

1.196 Zorginstelling     

Een complex met zorgwoningen gecombineerd met zorg- en welzijnsvoorzieningen en waarbij tevens ter ondersteuning van deze functie kleinschalige, ondergeschikte detailhandel, dienstverlening en/of horeca kan voorkomen.

1.197 Zorgwoning     

Een gebouw of zelfstandig gedeelte van een gebouw dat bedoeld is voor de huisvesting van een persoon die niet zelfstandig kan wonen en die voortdurend of nagenoeg voortdurend geestelijke en/of lichamelijke verzorging behoeft.

Artikel 2 Wijze van meten     

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 De afstand van een gebouw tot de perceelsgrens     

De afstand van een gebouw tot de perceelsgrens wordt bepaald door het buitenwerks meten van de kortste afstand van een gevel van het gebouw tot de perceelsgrens.

2.2 De dakhelling     

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.3 De goothoogte van een bouwwerk     

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord, of daarbij gelijk te stellen constructiedeel.

2.4 De inhoud van een bouwwerk     

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.5 De bouwhoogte van een bouwwerk     

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.6 De oppervlakte van een bouwwerk     

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.7 De bruto vloeroppervlakte (bvo)     

De oppervlakte van een ruimte of een groep van ruimten, gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen.

2.8 De hoogte van een windturbine     

Vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels     

Artikel 3 Bedrijventerrein     

Onderhavig plan is een herziening van het totaalplan voor stedelijk gebied (zie paragraaf 4.1 van de plantoelichting). Om qua structuur en opbouw van de regels geen verschillen te krijgen tussen het totaalplan en dit plan, is er voor gekozen om de gehele bestemmingsregeling in dit plan op te nemen. Dus ook onderdelen die in dit plan niet van toepassing zijn maar wel voorkomen in het totaalplan.

3.1 Bestemmingsomschrijving     

3.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. bedrijven;
  2. bedrijfswoningen;
  3. detailhandel;
  4. kantoor;
  5. sportcentrum;
  6. praktijkruimte voor fysiotherapie;
  7. zend- en ontvangstinstallaties;
  8. kazerne voor hulpdiensten;
  9. ontsluitingswegen;
  10. voet- en fietspaden;
  11. groenvoorzieningen;
  12. nutsvoorzieningen;
  13. parkeervoorzieningen;
  14. geluidswerende voorzieningen;
  15. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en waterberging.

één en ander met de bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 3.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

3.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

Voor de bestemming 'Bedrijventerrein' gelden de volgende regels:

a Bedrijfsctiviteiten     

Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bedrijven toegestaan voorzover deze voorkomen in categorie 1, 2, 3.1. en 3.2. van de bij de regels behorende Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten, alsmede vergelijkbare bedrijven of bedrijven in een hogere milieucategorie na het verlenen van omgevingsvergunning op grond van 3.6.1, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding:

  1. 'bedrijven tot en met categorie (nummer categorie)' slechts bedrijven zijn toegestaan tot maximaal de aangegeven categorie;
  2. 'specifieke vorm van bedrijventerrein - betonmortelcentrale' een betonmortelcentrale is toegestaan;
  3. 'specifieke vorm van bedrijf - autobedrijf' uitsluitend een autobedrijf is toegestaan uit categorie 2 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  4. 'specifieke vorm van bedrijventerrein - melkproductenbedrijf' een bedrijf in melkproducten is toegestaan uit categorie 4.2 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  5. 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kunststofverwerking' een kunststofverwerkend bedrijf is toegestaan uit categorie 4.1 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  6. 'specifieke vorm van bedrijventerrein - slachterij' een slachterij is toegestaan uit categorie 3.2 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  7. 'specifieke vorm van bedrijventerrein - metaalbewerkende industrie' metaalbewerkende industrie is toegestaan uit categorie 3.2 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  8. 'specifieke vorm van bedrijventerrein - papier- en kartonverwerkende industrie' papier- en kartonverwerkende industrie is toegestaan uit categorie 3.2 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  9. 'specifieke vorm van bedrijventerrein - metaalwerken' een bedrijf in metaalwerken is toegestaan;
  10. 'specifieke vorm van bedrijventerrein - straalbedrijf' een straalbedrijf is toegestaan;
  11. 'specifieke vorm van bedrijventerrein - transportbedrijf' een goederenwegvervoerbedrijf is toegestaan uit categorie 3.2 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  12. 'verkooppunt motorbrandstoffen met LPG' een verkooppunt motorbrandstoffen met LPG uitsluitend aldaar is toegestaan, waarbij een LPG-vulpunt uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'vulpunt lpg';
  13. 'specifieke vorm van bedrijventerrein - voorwaardelijke verplichting' het gebruik ten behoeve van deze bestemming alleen is toegestaan, indien gelijktijdig de aangrenzende groenzone binnen de bestemming 'Groen' conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd beplantings- en beheerplan in stand wordt gehouden.
b Kantoren     

Voor kantoren geldt het volgende:

  1. uitsluitend niet-zelfstandige kantoren zijn toegestaan;
  2. in afwijking van het bepaalde onder 1 geldt dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kantoor' zelfstandige kantoren zijn toegestaan.
c Detailhandel     

Detailhandel is uitsluitend toegestaan in de vorm van:

  1. internetverkoop
  2. detailhandel als ondergeschikte nevenfunctie in ter plaatse vervaardigde of bewerkte producten;
  3. detailhandel in volumineuze goederen, uitsluitend na het verlenen van een omgevingsvergunning op grond van 3.6.2;
  4. detailhandel in landbouwvoertuigen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - landbouwvoertuigen';
  5. detailhandel in (grove) bouwmaterialen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - bouwmarkt';
  6. bestaande niet-wederrechtelijke detailhandelsactiviteiten.
d Dienstverlening     

Dienstverlening is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening'.

e Sportcentrum     

Voor het sportcentrum geldt het volgende:

  1. een sportcentrum is uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'sportcentrum' toegestaan;
  2. binnen het sportcentrum is ondersteunende horeca en een schoonheidssalon toegestaan.
f Praktijkruimte     

Een praktijkruimte voor fysiotherapie is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'praktijkruimte'.

g Zend- en ontvangstinstallatie     

Een zend- en ontvangstinstallatie is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'zend/ontvangstinstallatie'.

h Parkeren     

Voor parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing bij het bouwen en het wijzigen van het toegelaten gebruik van gronden en gebouwen zoals opgenomen in 3.1.1.

i Buitenopslag     

Voor buitenopslag geldt dat dit uitsluitend is toegestaan achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw.

3.2 Bouwregels     

3.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

3.2.2 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal hetgeen in het 'bouwvlak' met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  3. de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal hetgeen in het 'bouwvlak' met de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' mogen de daar aanwezige gronden tot maximaal het aangegeven bebouwingspercentage worden bebouwd;
  5. de afstand van gebouwen tot de naar de weg gekeerde perceelsgrens bedraagt minimaal 5 m;
  6. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 3 m.
3.2.3 Bedrijfswoningen     

Voor bedrijfswoningen gelden, naast het bepaalde in 3.2.2, de volgende regels:

  1. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  2. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - 2 bedrijfswoningen' zijn twee bedrijfswoningen toegestaan;
  3. de goot- en bouwhoogte van de bedrijfswoning bedragen maximaal 6 m respectievelijk 9 m.
3.2.4 Ondergrondse gebouwen     

Voor het bouwen van ondergrondse gebouwen gelden de volgende regels:

  1. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse gebouwen, dan wel maximaal 1 m daarbuiten;
  2. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag ondergronds.
3.2.5 Ondergeschikte bouwdelen     

Overschrijding van het 'bouwvlak' is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, zoals een overstek, overkapping en balkons, mits het bouwdeel ondergeschikt is en een diepte heeft van maximaal 1,5 m.

3.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 m;
  2. de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten en verkeerregelinstallaties bedraagt maximaal 8 m;
  3. de bouwhoogte van een zend- en ontvangstinstallatie bedraagt maximaal 55 m;
  4. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt binnen het 'bouwvlak' maximaal 4 m;
  5. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt buiten het 'bouwvlak' maximaal 3 m.

3.3 Nadere eisen     

  1. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de inrichting en situering van parkeervoorzieningen;
  2. Nadere eisen kunnen uitsluitend worden gesteld indien zulks noodzakelijk is:
    1. voor een verantwoorde en evenwichtige stedenbouwkundige inpassing en ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit;
    2. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
    3. ter bevordering van de verkeers-, sociale en brandveiligheid.

3.4 Afwijken van de bouwregels     

3.4.1 Omgevingsvergunning bebouwingspercentage     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder d voor het verhogen van het bebouwingspercentage met maximaal 10%, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de noodzaak hiertoe vloeit voort uit de aard van de bedrijvigheid;
  2. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van belangen van derden of van landschappelijke waarden in de omgeving.
3.4.2 Omgevingsvergunning afstand zijdelingse perceelsgrens     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder f teneinde een kleinere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. het bouwen op een kortere afstand van de zijdelingse perceelsgrens is uitsluitend toegestaan bij de verbouw en/of uitbreiding van een bestaand bedrijfsgebouw, voor zover het bestaande bedrijfsgebouw reeds is gelegen op een kortere afstand en alsdan tot uiterlijk de bestaande afstand tot de zijdelingse perceelsgrens;
  2. de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving wordt niet onevenredige aangetast, dit houdt in ieder geval in dat het algemene (bestaande) straatbeeld van openheid op hoofdlijnen gehandhaafd moet blijven;
  3. de hoogte van het gebouw binnen 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt maximaal de hoogte van het bestaande bedrijfsgebouw(gedeelte) in dat gebied;
  4. er zijn geen belemmeringen voor woon- en leefmilieu;
  5. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  6. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  7. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing;
  8. het bevoegd gezag kan bij het verlenen van de vergunning nadere eisen te stellen omtrent de inrichting van het terrein en met name omtrent de inrichting en situering van parkeervoorzieningen;
  9. er zijn geen belemmeringen op het gebied van brandpreventie.
3.4.3 Omgevingsvergunning hoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.6 teneinde een hogere bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de grotere hoogte is noodzakelijk voor een doelmatiger gebruik van de aan de grond gegeven bestemming;
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 20 m;
  3. de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving wordt niet onevenredige aangetast;
  4. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast.

3.5 Specifieke gebruiksregels     

3.5.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het plan wordt in ieder geval begrepen:

  1. bedrijfsactiviteiten anders dan voorgeschreven in 3.1.2 onder a;
  2. opslag-, stort- en/of lozingsplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voorzover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond en opstallen;
  3. geluidzoneringsplichtige inrichtingen, met uitzondering van bestaande geluidzoneringsplichtige inrichtingen;
  4. Bevi-inrichtingen, met uitzondering van bestaande Bevi-inrichtingen;
  5. zelfstandige bewoning van een bijbehorend bouwwerk.

3.6 Afwijken van de gebruiksregels     

3.6.1 Omgevingsvergunning Staat van Bedrijfsactiviteiten     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1.2 onder a jo. 3.5.1, teneinde bedrijven toe te staan die niet voorkomen op de bij de regels behorende Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten, danwel bedrijven in een hogere categorie, maar die qua aard, omvang en invloed op het milieu gelijk te stellen zijn aan de genoemde bedrijven, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. er zijn geen belemmeringen voor woon- en leefmilieu;
  2. het betreft geen geluidzoneringsplichtige inrichting;
  3. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast en de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
  4. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  5. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing.
3.6.2 Omgevingsvergunning volumineuze detailhandel     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1.2 onder c teneinde detailhandel in volumineuze goederen toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. uit onderzoek dient te blijken dat het vanwege ruimtebeslag of verkeersoverlast onmogelijk of ongewenst is de desbetreffende vestiging ruimtelijk in te passen in bestaande winkelgebieden;
  2. er zijn geen belemmeringen voor woon- en leefmilieu;
  3. bij het verlenen van omgevingsvergunning begrenst het bevoegd gezag het maximaal toegestane vloeroppervlak, met dien verstande dat het verkoopvloeroppervlak niet meer mag bedragen dan 4.000 m²;
  4. het verkoopvloeroppervlak mag in ieder geval nooit meer bedragen dan 60% van de oppervlakte van het betreffende bouwperceel;
  5. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  6. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing.
  7. het bevoegd gezag kan bij het verlenen van de vergunning nadere eisen te stellen omtrent de inrichting van het terrein en met name omtrent de inrichting en situering van parkeervoorzieningen.

3.7 Wijzigingsbevoegdheid     

3.7.1 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 4     

Burgemeester en wethouders de bestemming 'Bedrijventerrein', voor zover gelegen binnen de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 4', wijzigen in de bestemming 'Bedrijventerrein - Aardappelverwerkende industrie', mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. er zijn geen belemmeringen voor woon- en leefmilieu;
  2. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast en de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
  3. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  4. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing.

Artikel 4 Centrum     

Onderhavig plan is een herziening van het totaalplan voor stedelijk gebied (zie paragraaf 4.1 van de plantoelichting). Om qua structuur en opbouw van de regels geen verschillen te krijgen tussen het totaalplan en dit plan, is er voor gekozen om de gehele bestemmingsregeling in dit plan op te nemen. Dus ook onderdelen die in dit plan niet van toepassing zijn maar wel voorkomen in het totaalplan.

4.1 Bestemmingsomschrijving     

4.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor centrumvoorzieningen in de vorm van:

  1. bedrijf;
  2. cultuur en ontspanning;
  3. detailhandel;
  4. dienstverlening;
  5. groen;
  6. horecabedrijf;
  7. maatschappelijke voorzieningen;
  8. zorginstellingen;
  9. wonen;
  10. nutsvoorzieningen;
  11. terrassen;
  12. verkeer;
  13. parkeervoorzieningen;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 4.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

4.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

Voor de bestemming 'Centrum' gelden de volgende regels:

a Algemeen     
  1. centrumfuncties, met uitzondering van horeca en maatschappelijk, zijn uitsluitend toegestaan in combinatie met wonen op de verdieping(en) boven de begane grondbouwlaag, met dien verstande dat dit niet geldt voor centrumfuncties waar ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan geen woning op de verdieping(en) was;
  2. centrumfuncties, met uitzondering van wonen alsmede horeca- en maatschappelijke functies als niet-zelfstandig onderdeel van de functie op de begane grond, zijn uitsluitend toegestaan op de begane grondbouwlaag van het hoofdgebouw, met dien verstande dat:
    1. in afwijking van het voorgaande en het bepaalde onder 1 ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - detailhandel op de verdieping' detailhandel op de verdieping is toegestaan;
    2. in afwijking van het voorgaande en het bepaalde in onder 1 ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van kantoor - kantoor op de verdieping' kantoren op de verdieping zijn toegestaan;
    3. centrumfuncties in de kelder toegestaan zijn als niet-zelfstandig onderdeel van de functie op de begane grond.
b Bedrijf     

Voor bedrijven geldt dat binnen deze bestemming uitsluitend ambachtelijke bedrijven uit categorie A en B van de bij de regels behorende Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging zijn toegestaan, alsmede vergelijkbare bedrijven of bedrijven in een hogere categorie na omgevingsvergunning op grond van 4.6.1.

c Detailhandel     

Voor detailhandel geldt het volgende:

  1. een supermarkt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt';
  2. ondersteunende horeca binnen een detailhandelsvestiging is toegestaan tot maximaal 25% van de hoofdfunctie met een maximale vloeroppervlakte van 25 m², behoudens omgevingsvergunning op grond van 4.6.2;
  3. het verkoopvloeroppervlak per detailhandelsvestiging mag niet meer dan 1.500 m² gaan bedragen.
d Horecabedrijf     

Voor horecabedrijven geldt het volgende:

  1. binnen deze bestemming zijn uitsluitend horecabedrijven uit horecacategorie 2 toegestaan;
  2. in aanvulling op het bepaalde onder 1 zijn ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie 1' horecabedrijven uit horecacategorie 1 en 2 toegestaan;
  3. in aanvulling op het bepaalde onder 1 zijn ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 3' horecabedrijven uit horecacategorie 1, 2 en 3 toegestaan;
  4. terrassen zijn uitsluitend toegestaan aan de naar de openbare weg gekeerde zijde(n) van het horecabedrijf;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'terras' zijn tevens terrassen toegestaan.
e Zorginstelling     

Een zorginstelling is uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'zorginstelling' toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal zorgwoningen' is maximaal het aangegeven aantal zorgwoningen toegestaan.

f Wonen     

Voor wonen geldt het volgende:

  1. maximaal het aantal woningen is toegestaan dat ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan reeds niet wederrechtelijk aanwezig was, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal woningen', ten hoogste het aangegeven aantal woningen is toegestaan;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a geldt dat wonen op de begane grondbouwlaag is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wonen'.
g Aan huis verbonden activiteit     

Het gebruik van een woning, een bijbehorend bouwwerk en bij de woning behorende gronden voor de uitoefening van een aan huis verbonden activiteit wordt geacht overeenkomstig de bestemming te zijn, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in een woonomgeving;
  2. de eigenaar van de aan huis verbonden activiteit is tevens de bewoner van de woning;
  3. de woonfunctie blijft de hoofdfunctie en de uitoefening van het aan huis verbonden bedrijf is hieraan ondergeschikt;
  4. het geheel blijft het uiterlijk van een woning behouden;
  5. opslag is uitsluitend binnen bebouwing toegestaan;
  6. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse;
  7. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing;
  8. bij een aan huis verbonden beroep en een aan huis verbonden bedrijf mag maximaal 40% van de bruto vloeroppervlakte (bvo) worden gebruikt tot een maximum van 50 m²;
  9. bij een aan huis verbonden bedrijf zijn alleen activiteiten toegestaan die vallen in de categorie A van de bij de regels behorende Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging;
  10. bij bed & breakfast is er sprake van maximaal 2 gastenkamers;
  11. detailhandel is enkel toegelaten in de vorm van internetverkoop en een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met de aan huis verbonden activiteit.
h Nutsvoorziening     

Ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' zijn uitsluitend nutsvoorzieningen toegestaan.

i Parkeren     

Voor parkeren geldt het volgende:

  1. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' is uitsluitend een parkeerterrein toegestaan;
  2. het gestelde in 13.2 is van toepassing bij het bouwen en het wijzigen van het toegelaten gebruik van gronden en gebouwen zoals opgenomen in 4.1.1.

4.2 Bouwregels     

4.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

4.2.2 Hoofdgebouwen     

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  1. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal hetgeen in het 'bouwvlak' met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  3. de goot- en bouwhoogte bedragen maximaal hetgeen in het 'bouwvlak' met de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' mogen de daar aanwezige gronden tot maximaal het aangegeven bebouwingspercentage worden bebouwd;
  5. voor zover een gevellijn is opgenomen wordt de voorgevel van het hoofdgebouw binnen het bouwperceel gesitueerd in de bouwgrens ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn'.
4.2.3 Bijbehorende bouwwerken     

Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk gelden de volgende regels:

  1. bijbehorende bouwwerken mogen ter plaatse van het 'bouwvlak', achtererfgebied en zijerfgebied worden gebouwd;
  2. de goothoogte en bouwhoogte bedragen maximaal 4 meter respectievelijk 6 meter;
  3. buiten het 'bouwvlak' bedraagt de bebouwde oppervlakte per bouwperceel maximaal 120 m2;
  4. in zijerfgebied gelden de volgende aanvullende regels:
    1. ingeval op een belendend perceel, grenzend aan het zijerfgebied, een hoofdgebouw aanwezig is:
      • in het zijerfgedeelte, dat ligt op minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw op dat belendend perceel, bedraagt de goot- en bouwhoogte maximaal 4 m respectievelijk 6 m;
      • in het resterende zijerfgedeelte bedraagt de goot- en bouwhoogte maximaal 2 m respectievelijk 3 m;
    2. ingeval op een belendend perceel, grenzend aan het zijerfgebied, geen hoofdgebouw aanwezig is:
      • in het zijerfgedeelte, dat ligt op minimaal 3 m vanaf het openbaar toegankelijk gebied, bedraagt de goot- en bouwhoogte maximaal 4 m respectievelijk 6 m;
      • in het resterende zijerfgedeelte bedraagt de goothoogte en bouwhoogte maximaal 2 m respectievelijk 3 m.
  5. buiten het 'bouwvlak' en buiten het achtererfgebied, gelden de volgende aanvullende regels:
    1. de diepte bedraagt maximaal 1,5 m;
    2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3,5 m;
    3. de breedte bedraagt maximaal 60% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw;
    4. de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied bedraagt minimaal 1,5 m.

in afwijking van het gestelde onder b geldt in hoeksituaties dat bij een aangebouwd bijbehorend bouwwerkeen grotere bouw- en/of goothoogte is toegestaan, mits:

  1. de omvang en vormgeving van het bijbehorend bouwwerk ondergeschikt blijven aan die van het hoofdgebouw en het hoofdgebouw als zodanig duidelijk herkenbaar blijft;
  2. het bijbehorend bouwwerk minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw staat;
  3. de gewenste openheid van de tussenruimten (tuinen) tussen het hoofdgebouw op dit perceel en die op aansluitende percelen gewaarborgd blijft;
  4. het bijbehorend bouwwerk niet staat vóór de voorgevels van hoofdgebouwen op aansluitende percelen ‘om de hoek’.
4.2.4 Ondergrondse gebouwen     

Voor het bouwen van ondergrondse gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  1. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse gebouwen, dan wel maximaal 1 m daarbuiten;
  2. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag ondergronds.
4.2.5 Nutsvoorzieningen     

Voor nutsvoorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 m;
  2. de bebouwde oppervlakte bedraagt maximaal 20 m².
4.2.6 Ondergeschikte bouwdelen     

Overschrijding van het 'bouwvlak' is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, zoals een overstek, overkapping en balkons, mits het bouwdeel ondergeschikt is en een diepte heeft van maximaal 1,5 m.

4.2.7 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt buiten het 'bouwvlak' maximaal 1 m;
  2. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen bedraagt binnen het 'bouwvlak' maximaal 2 m;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt binnen het 'bouwvlak' maximaal 4 m.

4.3 Nadere eisen     

  1. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van parkeervoorzieningen;
  2. Nadere eisen kunnen uitsluitend worden gesteld indien zulks noodzakelijk is:
    1. voor een verantwoorde en evenwichtige stedenbouwkundige inpassing en ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit;
    2. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
    3. ter bevordering van de verkeers-, sociale en brandveiligheid.

4.4 Afwijken van de bouwregels     

4.4.1 Omgevingsvergunning uitbreiding bebouwing     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.2 teneinde bebouwing toe te staan buiten de aanduiding 'bouwvlak', mits voldaan wordt aan het volgende:

  1. er is geen commerciële ruimte meer beschikbaar in het aangrenzende 'bouwvlak';
  2. de bebouwing wordt uitsluitend gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1';
  3. de totale oppervlakte bedraagt maximaal 150 m2;
  4. de hoogte bedraagt maximaal 4,5 m;
  5. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing.

4.5 Specifieke gebruiksregels     

4.5.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het plan wordt in ieder geval begrepen:

  1. het gebruik van gronden en/of opstallen voor bedrijfsactiviteiten anders dan voorgeschreven in 4.1.2 onder b;
  2. opslag-, stort- en/of lozingsplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voorzover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond en opstallen;
  3. het gebruik van (bedrijfs)woningen voor bedrijfsactiviteiten;
  4. geluidzoneringsplichtige inrichtingen;
  5. Bevi-inrichtingen;
  6. zelfstandige bewoning van bijbehorend bouwwerken.

4.6 Afwijken van de gebruiksregels     

4.6.1 Omgevingsvergunning Staat van Bedrijfsactiviteiten (functiemenging)     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.1.2 onder b. jo 4.5, teneinde bedrijven toe te staan die niet voorkomen op de bij de regels behorende Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging, danwel bedrijven in een hogere categorie, maar die qua aard, omvang en invloed op het milieu gelijk te stellen zijn aan de genoemde bedrijven, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. er zijn geen belemmeringen voor woon- en leefmilieu;
  2. het betreft geen geluidzoneringsplichtige inrichting;
  3. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  4. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  5. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing.
4.6.2 Omgevingsvergunning ondersteunende horeca     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.1.2 onder c, teneinde een vloeroppervlak van maximaal 40 m² voor ondersteunende horeca toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de detailhandelsfunctie blijft op het perceel als hoofdfunctie in stand en het voorgestane medegebruik is een ondergeschikte toevoeging hieraan;
  2. het pand blijft het uiterlijk van een detailhandelsbedrijf behouden;
  3. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  4. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing.
4.6.3 Omgevingsvergunning oppervlakte aan huis verbonden beroep en bedrijf     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.1.2 onder g onder 8, teneinde een oppervlakte van meer dan 50 m2 toe te staan voor een aan huis verbonden beroep en een aan huis verbonden bedrijf, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. het pand blijft het uiterlijk van een woning behouden;
  2. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  3. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing;
4.6.4 Omgevingsvergunning bed & breakfast     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.1.2 onder g onder 10, teneinde een bed & breakfast voorziening in maximaal 3 kamers als nevenfunctie toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. een bed & breakfast is enkel in de woning of in een bijbehorend bouwwerk toegestaan;
  2. er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de bed & breakfast plaats;
  3. permanente bewoning of huisvesting van tijdelijke werknemers is niet toegestaan;
  4. de cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
  5. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  6. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing.

4.7 Wijzigingsbevoegdheid     

4.7.1 Wijziging wonen op begane grond     

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door gronden aan te duiden met de aanduiding 'wonen', teneinde op de begane grond een woning toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. gebruik van de begane grond door de functies detailhandel, dienstverlening, horeca of maatschappelijke doeleinden is redelijkerwijs binnen afzienbare tijd niet mogelijk;
  2. vastgelegd wordt hoeveel woningen er in totaal zijn toegestaan;
  3. het initiatief moet passen binnen het gemeentelijk kwalitatief woonprogramma c.q. gemeentelijke woonvisie;
  4. de woning vormt geen belemmering voor bedrijfsactiviteiten in de omgeving;
  5. de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving wordt niet onevenredige aangetast;
  6. er bestaan voor woon- en leefmilieu geen belemmeringen;
  7. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast;
  8. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  9. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing;
  10. het bevoegd gezag kan bij het verlenen van de vergunning nadere eisen te stellen omtrent de inrichting van het terrein en met name omtrent de inrichting en situering van parkeervoorzieningen;
  11. de geluidbelasting vanwege het wegverkeer van geluidsgevoelige gebouwen is niet hoger dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een reeds verkregen hogere grenswaarde ten tijde van het ter visie leggen van het ontwerp van het plan.
4.7.2 Wijziging supermarkt     

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door gronden aan te duiden met de aanduiding 'supermarkt', teneinde op de begane grond een supermarkt toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving wordt niet onevenredige aangetast;
  2. er zijn geen belemmeringen voor woon- en leefmilieu;
  3. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast;
  4. de bevoorradingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  5. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  6. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing;
  7. het bevoegd gezag kan bij het verlenen van de vergunning nadere eisen te stellen omtrent de inrichting van het terrein en met name omtrent de inrichting en situering van parkeervoorzieningen.

Artikel 5 Verkeer     

Onderhavig plan is een herziening van het totaalplan voor stedelijk gebied (zie paragraaf 4.1 van de plantoelichting). Om qua structuur en opbouw van de regels geen verschillen te krijgen tussen het totaalplan en dit plan, is er voor gekozen om de gehele bestemmingsregeling in dit plan op te nemen. Dus ook onderdelen die in dit plan niet van toepassing zijn maar wel voorkomen in het totaalplan.

5.1 Bestemmingsomschrijving     

5.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. wegen;
  2. voet- en fietspaden;
  3. pleinen;
  4. verblijfsgebieden;
  5. parkeervoorzieningen;
  6. garageboxen;
  7. groenvoorzieningen;
  8. tuinen;
  9. sport- en speelvoorzieningen;
  10. nutsvoorzieningen;
  11. terrassen;
  12. straatmeubilair;
  13. beeldende kunstwerken;
  14. geluidswerende voorzieningen;
  15. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  16. behoud, beheer en/of herstel van lanenstructuren;
  17. behoud, beheer en/of herstel van het beschermd stadsgezicht;

één en ander met bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 5.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

5.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

Voor de bestemming 'Verkeer' gelden de volgende regels:

a Plein     

Ter plaatse van de aanduiding 'plein' zijn de gronden bestemd voor een plein met de bijbehorende voorzieningen, zoals een muziekkoepel.

b Lanenstructuur     

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - lanenstructuur' zijn de gronden bestemd voor het behoud, beheer en/of herstel van de aanwezige lanenstructuur.

c Parkeren     

Ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' zijn uitsluitend parkeer- en groenvoorzieningen toegestaan.

d Groenvoorzieningen     

Ter plaatse van de aanduiding 'groen' zijn uitsluitend groenvoorzieningen toegestaan.

e Garageboxen     

Garageboxen zij uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'garage' en zijn uitsluitend bestemd voor de stalling van voertuigen en berging als medegebruik.

f Nutsvoorzieningen     

Nutsvoorziening zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' toegestaan.

g Terras     

Terrassen zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'terras' toegestaan.

5.2 Bouwregels     

5.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken , geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

5.2.2 Garageboxen     

De bouwhoogte van garageboxen bedraagt maximaal 3 m.

5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen ten behoeve van tuinen bedraagt maximaal 1 m;
  2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 4 m;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - top-herkenningspunt' maximaal 4,5 m;
  4. in afwijking van het gestelde onder b bedraagt de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor zover gelegen in de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd stadsgezicht' maximaal 1 m.

Artikel 6 Wonen     

Onderhavig plan is een herziening van het totaalplan voor stedelijk gebied (zie paragraaf 4.1 van de plantoelichting). Om qua structuur en opbouw van de regels geen verschillen te krijgen tussen het totaalplan en dit plan, is er voor gekozen om de gehele bestemmingsregeling in dit plan op te nemen. Dus ook onderdelen die in dit plan niet van toepassing zijn maar wel voorkomen in het totaalplan.

6.1 Bestemmingsomschrijving     

6.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. woondoeleinden;
  2. aan huis verbonden activiteit;
  3. sociaal-culturele voorzieningen;
  4. praktijkruimte voor lichamelijke en/of geestelijk gezondheidszorg;
  5. molen;
  6. kantoor;
  7. detailhandel;
  8. recreatiewoning;
  9. dierenverblijf;
  10. beheer, behoud en het herstel van een waterrad;
  11. opslag;
  12. nutsvoorzieningen;
  13. groenvoorzieningen;
  14. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  15. wegen;
  16. voet- en fietspaden;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 6.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

6.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingomschrijving     

Voor de bestemming 'Wonen' gelden de volgende regels:

a Aan huis verbonden activiteit     

Het gebruik van een woning, een bijbehorend bouwwerk en bij de woning behorende gronden voor de uitoefening van een aan huis verbonden activiteit wordt geacht overeenkomstig de bestemming te zijn, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in een woonomgeving;
  2. de eigenaar van de aan huis verbonden activiteit is tevens de bewoner van de woning;
  3. de woonfunctie blijft de hoofdfunctie en de uitoefening van het aan huis verbonden bedrijf is hieraan ondergeschikt;
  4. het geheel blijft het uiterlijk van een woning behouden;
  5. opslag is uitsluitend binnen bebouwing toegestaan;
  6. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  7. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing;
  8. bij een aan huis verbonden beroep en een aan huis verbonden bedrijf mag maximaal 40% van de bruto vloeroppervlakte (bvo) worden gebruikt tot een maximum van 50 m²;
  9. bij een aan huis verbonden bedrijf zijn alleen activiteiten toegestaan die vallen in de categorie A van de bij de regels behorende Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging;
  10. bij bed & breakfast is er sprake van maximaal 2 gastenkamers;
  11. detailhandel is enkel toegelaten in de vorm van internetverkoop en een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met de aan huis verbonden activiteit.
b Sociaal-culturele voorzieningen     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'cultuur en ontspanning' zijn sociaal-culturele voorzieningen toegestaan.

c Praktijkruimte voor lichamelijke en/of geestelijke gezondheidszorg     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - zorg 1' is op de begane grond een praktijkruimte voor lichamelijke en/of geestelijke gezondheidszorg toegestaan. Detailhandel is niet toegestaan, behoudens als ondergeschikte nevenactiviteit in producten die functioneel gerelateerd zijn aan de praktijkruimte voor lichamelijke en/of geestelijke gezondheidszorg.

d Kantoor     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘kantoor‘ is een kantoor toegestaan.

e Detailhandel     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' is detailhandel toegestaan;

f Recreatiewoning     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning' is een recreatiewoning toegestaan.

g Dierenverblijf     

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende oppervlakte bijgebouwen' is een dierenverblijf met een maximale oppervlakte van 200 m² ten behoeve van het houden van dieren toegestaan, met dien verstande dat:

  1. het dierenverblijf als vrijstaand bijgebouw bij de woning dient te worden aangemerkt;
  2. degene die gebruiker is van de woning, ook degene is die de dieren houdt;
  3. het gebruik naar aard en omvang ondergeschikt moet zijn aan de woonfunctie.
h Waterrad     

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - waterrad' zijn de gronden bestemd voor het beheer, behoud en het herstel van het aanwezige waterrad.

i Opslag     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'opslag' is opslag toegestaan, met dien verstande dat opslag uitsluitend binnen bebouwing is toegestaan.

j Nutsvoorziening     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' is een nutsvoorziening toegestaan.

k Afschermend groen     

Ter plaatse van de aanduiding 'groen' zijn uitsluitend afschermende groenvoorzieningen toegestaan.

l Groenvoorziening     

Ter plaatse van de aanduiding 'groenvoorziening' zijn openbare groen- en speelvoorzieningen toegestaan.

6.2 Bouwregels     

6.2.1 Algemeen     

Voor het bouwen gelden de volgende algemene regels:

  1. uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming;
  2. het bebouwingspercentage voor gebouwen bedraagt:
    1. bij vrijstaande woningen maximaal 30%;
    2. bij twee-aaneen woningen maximaal 40%;
    3. bij aaneengebouwde woningen maximaal 50%;
    4. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' maximaal het aangegeven bebouwingspercentage, waarbij het bouwvlak ten hoogste tot het aangegeven bebouwingspercentage mag worden bebouwd.
6.2.2 Hoofdgebouwen     

Voor hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  1. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' in de naar de weg gekeerde grens van het 'bouwvlak';
  2. het bestaande aantal woningen mag niet worden vermeerderd, met dien verstande dat in afwijking van het voorgaande ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal woningen' ten hoogste het aangegeven aantal woningen is toegestaan;
  3. de bouwhoogte bedraagt maximaal hetgeen ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  4. de goot- en bouwhoogte bedragen maximaal hetgeen ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  5. voor de bouwwijze van hoofdgebouwen geldt het volgende:
    1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan;
    2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' zijn uitsluitend twee-aaneengebouwde woningen toegestaan;
    3. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' zijn uitsluitend aaneengebouwde woningen toegestaan;
    4. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' zijn uitsluitend gestapelde woningen toegestaan;
    5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - patiowoning' zijn uitsluitend patiowoningen toegestaan;
    6. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' zijn aaneengebouwde, twee-aaneen danwel vrijstaande woningen toegestaan;
    7. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' zijn twee-aaneen danwel vrijstaande woningen toegestaan;
  6. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt:
    1. bij vrijstaande en twee-aaneen woningen minimaal 3 m;
    2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geschakeld' éénzijdig minimaal 3 m;
  7. de oppervlakte van het hoofdgebouw bedraagt:
    1. bij vrijstaande woningen maximaal 200 m2;
    2. bij twee-aaneen woningen maximaal 150 m2;
  8. voor zover een gevellijn is opgenomen wordt de voorgevel van het hoofdgebouw binnen het bouwperceel gesitueerd in de bouwgrens ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn';
  9. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - sociale koopwoning' bedraagt het percentage sociale koopwoningen 100%.
6.2.3 Bijbehorende bouwwerken     

Voor een bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  1. bijbehorende bouwwerken mogen ter plaatse van het 'bouwvlak', achtererfgebied en zijerfgebied worden gebouwd;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bijbehorende bouwwerken' geen bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd;
  3. de goothoogte en bouwhoogte bedragen maximaal 3 m respectievelijk 5 m;
  4. buiten het 'bouwvlak' mag de bebouwde oppervlakte per bouwperceel maximaal 120 m2 bedragen;
  5. in afwijking van het bepaalde onder d geldt dat op het bouwperceel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende oppervlakte bijgebouwen' de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak maximaal 275 m² mag bedragen;
  6. in zijerfgebied gelden de volgende aanvullende regels:
    1. ingeval op een belendend perceel, grenzend aan het zijerfgebied, een hoofdgebouw aanwezig is:
      • in het zijerfgedeelte, dat minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw op dat belendend perceel ligt, bedragen de goot- en bouwhoogte maximaal 3 m respectievelijk 5 m;
      • in het resterende zijerfgedeelte bedragen de goot- en bouwhoogte maximaal 2 m respectievelijk 3 m;
    2. ingeval op een belendend perceel, grenzend aan het zijerfgebied, geen hoofdgebouw aanwezig is:
      • in het zijerfgedeelte, dat minimaal 3 m vanaf het openbaar toegankelijk gebied ligt, bedragen de goot- en bouwhoogte maximaal 3 m respectievelijk 5 m;
      • in het resterende zijerfgedeelte bedragen de goot- en bouwhoogte maximaal 2 m respectievelijk 3 m;
  7. buiten het 'bouwvlak' en buiten het achtererfgebied, gelden de volgende aanvullende regels:
    1. de diepte bedraagt maximaal 1,5 m;
    2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3,5 m;
    3. de breedte bedraagt maximaal 60% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw;
    4. de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied bedraagt minimaal 1,5 m.
  8. in afwijking van het gestelde onder c geldt in hoeksituaties dat bij een aangebouwd bijbehorend bouwwerk een grotere bouw- en/of goothoogte is toegestaan, mits:
    1. de omvang en vormgeving van het bijbehorend bouwwerk ondergeschikt blijven aan die van het hoofdgebouw en het hoofdgebouw als zodanig duidelijk herkenbaar blijft;
    2. het bijbehorend bouwwerk minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw staat;
    3. de gewenste openheid van de tussenruimten (tuinen) tussen het hoofdgebouw op dit perceel en die op aansluitende percelen gewaarborgd blijft;
    4. het bijbehorend bouwwerk niet staat vóór de voorgevels van hoofdgebouwen op aansluitende percelen ‘om de hoek’.
6.2.4 Ondergrondse gebouwen     

Voor ondergrondse gebouwen gelden de volgende regels:

  1. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse gebouwen, dan wel maximaal 1 m daarbuiten;
  2. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag ondergronds.
6.2.5 Ondergeschikte bouwdelen     

Overschrijding van het 'bouwvlak' is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, zoals een overstek, overkapping en balkons, mits het bouwdeel ondergeschikt is en een diepte heeft van maximaal 1,5 m.

6.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt buiten het 'bouwvlak' maximaal 1 m, met dien verstande dat pergola's zijn toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 3 m;
  2. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen in achtererfgebied bedraagt maximaal 2 m;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m;
  4. in afwijking van het bepaalde onder c geldt dat op een bouwperceel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - hooiberg toegestaan' de goothoogte, de bouwhoogte en oppervlakte van een hooiberg bij een woning, voor zover gelegen achter de naar de weg gekeerde gevel, respectievelijk maximaal 6 m, 9 m en 36 m² bedragen.

6.3 Afwijken van de bouwregels     

6.3.1 Omgevingsvergunning bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.6 onder a teneinde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toe te staan met een bouwhoogte van maximaal 2 m, mits de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van de aangrenzende bouwpercelen niet onevenredig worden geschaad.

6.3.2 Omgevingsvergunning bouwwijze hoofdgebouwen     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - afwijkingsgebied 3' afwijken van het bepaalde in 6.2.2 onder e teneinde hoofdgebouwen toe te staan met een afwijkende bouwwijze dan op de verbeelding is aangeduid, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. de afwijkende bouwwijze die kan worden toegestaan betreft de afwijking van bouwwijze 'aaneengebouwd' naar de bouwwijze 'gestapeld';
  2. er vindt geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken plaats;
  3. er vindt geen onevenredige schaduwwerking en inbreuk op de privacy van aangrenzende gronden plaats;
  4. er vindt geen onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving plaats;
  5. er wordt voldaan aan de voorwaarden zoals deze zijn opgenomen in de, op het moment van toepassen van deze afwijkingsbevoegdheid, geldende Woonvisie 2019 – 2025;
  6. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing;
  7. ten aanzien van hemelwaterberging geldt de Verordening op de afvoer van hemelwater gemeente Bronckhorst 2022.
6.3.3 Omgevingsvergunning toegelaten aantal woningen     

Het bevoegd gezag kan door middel het verlenen van een omgevingsvergunning ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - afwijkingsgebied 4' afwijken van het in 6.2.2 onder b teneinde een afwijkend aantal woningen toe te staan dan op de verbeelding is aangeduid, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. er vindt geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken plaats;
  2. er vindt geen onevenredige schaduwwerking en inbreuk op de privacy van aangrenzende gronden plaats;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving plaats.
  4. er wordt voldaan aan de voorwaarden zoals deze zijn opgenomen in de, op het moment van toepassen van deze afwijkingsbevoegdheid, geldende Woonvisie 2019 – 2025.
  5. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing;
  6. ten aanzien van hemelwaterberging geldt de Verordening op de afvoer van hemelwater gemeente Bronckhorst 2022.

6.4 Specifieke gebruiksregels     

6.4.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het plan wordt in ieder geval begrepen het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten.

6.4.2 Voorwaardelijke verplichting Schoolstraat 1 Hoog-Keppel     

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - voorwaardelijke verplichting 4' geldt dat gebruik ten behoeve van woondoeleinden overeenkomstig de bestemming 'Wonen' uitsluitend is toegestaan indien:

  1. bij het aantreffen van een ondergrondse olietank onder het bestaande gebouw Schoolstraat 1 nader bodemonderzoek overeenkomstig NEN5740-VEP-OO wordt uitgevoerd om aan te tonen dat de bodemkwaliteit ter plaatse geschikt is voor woondoeleinden;
  2. de resultaten van het bodemonderzoek schriftelijk in een rapportage ter beoordeling worden overgelegd aan de Omgevingsdienst Achterhoek;
  3. de Omgevingsdienst Achterhoek heeft bevestigd dat de bodemkwaliteit ter plaatse van de locatie van de ondergrondse tank voldoet aan de beoogde functies in de bestemming 'Wonen';
  4. de ondergrondse tank en toebehoren overeenkomstig de daarvoor geldende Wet- en regelgeving wordt verwijderd en wordt afgevoerd naar een erkend verwerker.

6.5 Afwijken van de gebruiksregels     

6.5.1 Omgevingsvergunning oppervlakte aan huis verbonden beroep en bedrijf     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.1.2 onder a sub 8, teneinde een oppervlakte van meer dan 50 m2 toe te staan voor een aan huis verbonden beroep en een aan huis verbonden bedrijf, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. het pand blijft het uiterlijk van een woning behouden;
  2. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse;
  3. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing;
6.5.2 Omgevingsvergunning bedrijfsactiviteiten     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.1.2 onder a jo. 6.4.1, teneinde bedrijven toe te staan die niet voorkomen in categorie A van de bij de regels behorende Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging, danwel bedrijven in een hogere categorie, maar die qua aard, omvang en invloed op het milieu gelijk te stellen zijn aan de genoemde bedrijven, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast;
  2. het betreft geen geluidzoneringsplichtige inrichting;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken plaats;
  4. er vindt geen onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving plaats;
  5. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  6. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing.
6.5.3 Omgevingsvergunning bed & breakfast     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.1.2 onder a sub 10, teneinde een bed & breakfast voorziening in maximaal 3 kamers als nevenfunctie toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. een bed & breakfast is enkel in de woning of in een bijbehorend bouwwerk toegestaan;
  2. er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de bed & breakfast plaats;
  3. permanente bewoning of huisvesting van tijdelijke werknemers is niet toegestaan;
  4. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse;
  5. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing.

6.6 Wijzigingsbevoegdheid     

6.6.1 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 3     

Burgemeester en wethouders kunnen op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 3' de aanduiding 'bouwvlak' opnemen ten behoeve van de bouw van 1 vrijstaande woning, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. het initiatief moet passen binnen het gemeentelijk kwalitatief woonprogramma c.q. gemeentelijke woonvisie;
  2. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  3. de woning dient te passen binnen de stedenbouwkundige structuur van de omgeving.

Artikel 7 Waarde - Archeologie     

7.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van archeologische waarden in de bodem.

7.2 Bouwregels     

7.2.1 Algemeen     

Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:

  1. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 50 m2 dient de aanvrager een rapport van archeologisch onderzoek te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld;
  2. indien uit onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan;
  3. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld; het onder b bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
7.2.2 Advies archeoloog     

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in 7.2.1 onder a, winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

7.2.3 Uitzondering bouwregels     

Het bepaalde in 7.2.1 onder a geldt niet indien:

  1. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
  2. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 50 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
  3. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

7.3 Nadere eisen     

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

7.4.1 Vergunningplicht     

Onverminderd het in de Erfgoedwet bepaalde is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m;
  2. grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 50 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen;
  3. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  6. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  7. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
7.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht     

Het in 7.4.1 opgenomen verbod geldt niet:

  1. voor werken en werkzaamheden die niet dieper reiken dan 0,4 m onder het bestaande maaiveld;
  2. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  3. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik;
  4. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  5. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het plan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  6. ingeval op grond van de Erfgoedwet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn;
  7. indien is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn, hetgeen moet blijken uit een rapport van archeologisch onderzoek, danwel andere beschikbare informatie.
7.4.3 Beoordelingscriteria     

Ten aanzien van de in 7.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria:

  1. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen; in het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld; indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de erkend archeoloog zonodig een opgraving plaats te vinden;
  2. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
7.4.4 Voorwaarden aan vergunning     
  1. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
  2. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in 7.4.1 winnen zij advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

7.5 Wijzigingsbevoegdheid     

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.

Artikel 8 Waarde - Archeologische verwachting 1     

8.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

8.2 Bouwregels     

8.2.1 Algemeen     

Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:

  1. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 250 m2 dient de aanvrager een rapport van archeologisch onderzoek te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld;
  2. indien uit onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan;
  3. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld; het onder b bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
8.2.2 Advies archeoloog     

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in 8.2.1 onder a, winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

8.2.3 Uitzondering bouwregels     

Het bepaalde in 8.2.1 onder a geldt niet indien:

  1. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
  2. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 250 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
  3. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

8.3 Nadere eisen     

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

8.4.1 Vergunningplicht     

Onverminderd het in de Erfgoedwet bepaalde is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m;
  2. grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 250 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen;
  3. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  6. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  7. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
8.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht     

Het in 8.4.1 opgenomen verbod geldt niet:

  1. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  2. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik;
  3. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  4. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het plan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  5. ingeval op grond van de Erfgoedwet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn;
  6. indien is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn, hetgeen moet blijken uit een rapport van archeologisch onderzoek, danwel andere beschikbare informatie.
8.4.3 Beoordelingscriteria     

Ten aanzien van de in 8.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria:

  1. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen; in het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld; indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de erkend archeoloog zonodig een opgraving plaats te vinden;
  2. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
8.4.4 Voorwaarden aan vergunning     
  1. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
  2. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in 8.4.1 wint deze advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

8.5 Wijzigingsbevoegdheid     

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door:

  1. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is;
  2. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' te wijzigen in 'Waarde - Archeologie', indien uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn.

Artikel 9 Waarde - Archeologische verwachting 2     

9.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden de bodem.

9.2 Bouwregels     

9.2.1 Algemeen     

Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:

  1. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 1.000 m2 dient de aanvrager een rapport van archeologisch onderzoek te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld;
  2. indien uit onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan;
  3. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld; het onder b bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
9.2.2 Advies archeoloog     

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in 9.2.1 onder a, winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

9.2.3 Uitzondering bouwregels     

Het bepaalde in 9.2.1 onder a geldt niet indien:

  1. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
  2. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 1000 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
  3. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

9.3 Nadere eisen     

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

9.4.1 Vergunningplicht     

Onverminderd het in de Erfgoedwet bepaalde is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m;
  2. grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 1.000 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen;
  3. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  6. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  7. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
9.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht     

Het in 9.4.1 opgenomen verbod geldt niet:

  1. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  2. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik;
  3. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  4. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het plan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  5. ingeval op grond van de Erfgoedwet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn;
  6. indien is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn, hetgeen moet blijken uit een rapport van archeologisch onderzoek, danwel andere beschikbare informatie.
9.4.3 Beoordelingscriteria     

Ten aanzien van de in 9.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria:

  1. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen; in het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld; indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de erkend archeoloog zonodig een opgraving plaats te vinden;
  2. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
9.4.4 Voorwaarden aan vergunning     
  1. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
  2. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in 9.4.1 wint deze advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

9.5 Wijzigingsbevoegdheid     

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door:

  1. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is;
  2. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' te wijzigen in 'Waarde - Archeologie', indien uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn.

Artikel 10 Waarde - Archeologische verwachting 3     

10.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

10.2 Bouwregels     

10.2.1 Algemeen     

Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:

  1. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 5.000 m2 dient de aanvrager een rapport van archeologisch onderzoek te overleggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld;
  2. indien uit onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan;
  3. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld; het onder b bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
10.2.2 Advies archeoloog     

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in 10.2.1 onder a, winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

10.2.3 Uitzondering bouwregels     

Het bepaalde in 10.2.1 onder a geldt niet indien:

  1. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
  2. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met maximaal 5.000 m2 wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; of
  3. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot, met behoud van bestaande funderingen.

10.3 Nadere eisen     

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn er op gericht de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) te behouden.

10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

10.4.1 Vergunningplicht     

Onverminderd het in de Erfgoedwet bepaalde is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  1. het ophogen van de bodem met meer dan 1 m;
  2. grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 5.000 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen;
  3. bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  6. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  7. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  8. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
10.4.2 Uitzonderingen vergunningplicht     

Het in 10.4.1 opgenomen verbod geldt niet:

  1. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  2. voor werken en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik;
  3. voor werken en werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
  4. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het plan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
  5. ingeval op grond van de Erfgoedwet een vergunning is vereist dan wel overige bepalingen van de Erfgoedwet van toepassing zijn;
  6. indien is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn, hetgeen moet blijken uit een rapport van archeologisch onderzoek, danwel andere beschikbare informatie.
10.4.3 Beoordelingscriteria     

Ten aanzien van de in 10.4.1 genoemde vergunning gelden de volgende beoordelingscriteria:

  1. de vergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen; in het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate zijn vastgesteld; indien het rapport daartoe aanleiding geeft, dient op advies van de erkend archeoloog zonodig een opgraving plaats te vinden;
  2. het overleggen van een rapport is niet nodig indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
10.4.4 Voorwaarden aan vergunning     
  1. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, zoals het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; of
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; of
    3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen; en/of
    4. de verplichting om na beëindiging van de werken en werkzaamheden schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan.
  2. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in 10.4.1 wint deze advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

10.5 Wijzigingsbevoegdheid     

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door:

  1. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is;
  2. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' te wijzigen in 'Waarde - Archeologie', indien uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn.

Hoofdstuk 3 Algemene regels     

Onderhavig plan is een herziening van het totaalplan voor stedelijk gebied (zie paragraaf 4.1 van de plantoelichting). Om qua structuur en opbouw van de regels geen verschillen te krijgen tussen het totaalplan en dit plan, is er voor gekozen om de gehele bestemmingsregeling in dit plan op te nemen. Dus ook onderdelen die in dit plan niet van toepassing zijn maar wel voorkomen in het totaalplan.

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel     

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Algemene bouwregels     

12.1 Afwijkende maatvoeringen     

Indien er op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan bouwwerken met afwijkende maatvoeringen aanwezig zijn of in uitvoering zijn, mits niet-wederrechtelijk totstandgekomen, danwel gebouwd kunnen worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijken van het plan, dan zijn ter plaatse deze afwijkende maatvoeringen toegelaten.

12.2 Zonebepaling bouwen langs A-watergang, wegen en windmolen, industrieterrein, alsmede milieubeschermingsgebieden     

12.2.1 Algemene bepaling     

Onverminderd het in deze regels met betrekking tot het bouwen bepaalde, mogen geen bouwwerken worden opgericht in de navolgende zones:

a Vrijwaringszone - molenbiotoop     

Voor molens en gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' gelden de volgende regels:

  1. onverminderd het in deze regels met betrekking tot het bouwen bepaalde, mogen geen bouwwerken, worden gebouwd binnen 100 meter rond de molen, welke hoger zijn dan de onderste punt van de verticaal staande wiek;
  2. voor de gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' binnen een afstand van 100 tot 400 meter rond de molen bedraagt de hoogte maximaal 1/100 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen, gerekend van de onderste punt van de verticale staande wiek;
  3. de uitgroeihoogte van beplanting mag niet hoger zijn dan de bouwhoogte van bouwwerken die op grond van het bepaalde onder 1 en 2 is toegestaan.

Artikel 13 Algemene gebruiksregels     

13.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het plan wordt in ieder geval begrepen:

  1. het gebruik van gronden en bouwwerken voor het opslaan, storten of bergen van materialen anders dan ten behoeve van de bestemming;
  2. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  3. het in gebruik geven, nemen en hebben van een recreatiewoning, groepsaccommodatie, recreatieappartement, chalet, mobiele kampeervoertuigen of bijgebouw ten behoeve van permanente bewoning;
  4. het in gebruik geven, nemen en hebben van een bijgebouw ten behoeve van permanente bewoning;
  5. het gebruik van gronden of bouwwerken waarbij niet wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering zoals deze hiervoor is opgenomen in de op het moment van ingebruikname van van gronden of bouwwerken geldende 'Beleidsregels parkeernormen Bronckhorst'.

13.2 Voorwaardelijke verplichting parkeernormen     

Bij het wisselen of toevoegen van functies van gebouwen en gronden binnen de in de betreffende bestemming toegelaten functies, mag dit gewijzigde gebruik pas plaatsvinden indien ten aanzien van het aantal parkeerplaatsen is voldaan aan de normering zoals hiervoor is opgenomen in de op het moment van ingebruikname van gronden of bouwwerken geldende 'Beleidsregels parkeernormen Bronckhorst'.

Artikel 14 Algemene aanduidingsregels     

14.1 Overige zone - gemengde functies     

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - gemengde functies' gelden de volgende regeld:

  1. in aanvulling op het bepaalde in de onderliggende bestemming, zijn tevens de volgende functies toegestaan:
    1. bedrijven uit categorie A van de als bijlage opgenomen Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging, alsmede vergelijkbare bedrijven uit categorie B na het verlenen van omgevingsvergunning op grond van 15.2;
    2. detailhandel;
    3. dienstverlening;
    4. kantoor;
  2. het gestelde in 13.2 is van toepassing bij het realiseren en uitwisselen van het toegelaten gebruik van gronden en gebouwen zoals opgenomen onder a.

14.2 Milieuzone - geurzone rioolgemaal     

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - geurzone rioolgemaal' is de vestiging van geurgevoelige gebouwen en terreinen niet toegestaan.

Artikel 15 Algemene afwijkingsregels     

15.1 Omgevingsvergunning camperovernachtingsplaats     

15.1.1 Afwijkingsbevoegdheid     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan ten behoeve van het gebruik van gronden als camperovernachtingsplaats, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. er worden minimaal 2 en maximaal 8 camperplekken ingericht van voldoende afmetingen;
  2. het terrein is eenvoudig ingericht, zonder de extra faciliteiten van een camping;
  3. stroom, water, vuilwaterafvoer en chemisch toiletafvoer zijn minimaal aanwezig;
  4. de maximale verblijfsduur bedraagt 72 uur aaneengesloten;
  5. de voorziening is het gehele jaar open;
  6. de locatie is goed bereikbaar;
  7. het terrein is alleen toegankelijk voor camper(bezitters);
  8. de locatie dient landschappelijk goed te worden ingepast;
  9. het verlenen van de vergunning mag niet leiden tot een ruimtelijke situatie die onoverzichtelijk en niet sociaal controleerbaar is;
  10. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast;
  11. er vindt geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken plaats;
  12. er vindt geen onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving plaats;
  13. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  14. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 13.2 van toepassing;
  15. de vergunning wordt niet verleend voor gronden met de bestemming ' Bos' of 'Natuur', of gronden met een bestemmingsregeling van gelijke strekking.
15.1.2 Voorwaarden aan vergunning     

Het bevoegd gezag kan bij het verlenen van de vergunning als bedoeld in 15.1.1 voorwaarden stellen ten aanzien van de situering en het maximaal aantal campers en personen, teneinde een ruimtelijk verantwoorde plaatsing ten opzichte van de omgeving te waarborgen.

15.2 Omgevingsvergunning bedrijf categorie B     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 14.1 teneinde een bedrijf toe te staan uit categorie B van de bij de regels behorende Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in een woonomgeving;
  2. uit milieuoogpunt bestaat geen bezwaar tegen de vestiging van het bedrijf; omtrent de invloed van de bedrijvigheid op het milieu wordt advies gevraagd aan een onafhankelijke terzake deskundige.

15.3 Omgevingsvergunning maatvoering     

Voor maatvoeringen gelden de volgende afwijkingsregels:

  1. het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan ten behoeve van het afwijken van de voorgeschreven goothoogte, bouwhoogte en oppervlakte van gebouwen, afstand tot perceelsgrenzen en overige maatvoering, eventueel met overschrijding van de bebouwingsgrens, mits deze afwijkingen niet meer bedragen dan 10% van de in het plan voorgeschreven maatvoering, het beoogde stedenbouwkundig beeld niet wordt geschaad;
  2. onverminderd het gestelde onder a van dit lid, geldt dat de daar genoemde omgevingsvergunning ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd stadsgezicht' slechts kan worden verleend ten behoeve van het behoud en/of herstel van een gebouw als cultuurhistorisch monument.

Artikel 16 Algemene wijzigingsregels     

Artikel 17 Overige regels     

17.1 Voorrangsregels     

17.1.1 Onderlinge relatie (dubbel)bestemmingen     

In het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en een dubbelbestemming gaat het belang van de dubbelbestemming voor.

17.1.2 Voorrang dubbelbestemming     

Ten aanzien van de onderlinge relatie tussen de dubbelbestemmingen geldt:

  1. in de eerste plaats de regels van de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' danwel 'Leiding - Hoogspanningsverbinding';
  2. in de tweede plaats de regels van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterberging', 'Waterstaat - Waterlopen' danwel 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie';
  3. in de derde plaats de regels van de dubbelbestemming 'Leiding - Riool'.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels     

Artikel 18 Overgangsrecht     

18.1 Overgangsrecht bouwwerken     

18.1.1 Algemeen     

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
18.1.2 Omgevingsvergunning vergroten inhoud bouwwerk     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning eenmalig afwijken van 18.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 18.1.1 met maximaal 10%.

18.1.3 Uitzondering     

Het bepaalde in 18.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

18.2 Overgangsrecht gebruik     

18.2.1 Algemeen     

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

18.2.2 Strijdig gebruik     

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 18.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

18.2.3 Onderbroken gebruik     

Indien het gebruik, bedoeld in 18.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

18.2.4 Uitzondering     

Het bepaalde in 18.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan.

Artikel 19 Slotregel     

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Stedelijk gebied; Veegplan 2023-3.