| Plan: | Sloten - Lange Jerden 2 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1940.BPSLO19LANGJERDEN2-VA01 |
Ten noorden van de kern Sloten ligt het solitair gelegen perceel Lange Jerden 2. Op het perceel was voorheen een agrarisch bedrijf gevestigd. De bedrijfsvoering is inmiddels beëindigd. Het initiatief is opgevat om het perceel een nieuwe recreatieve functie te geven.
De functiewijziging omvat een herinrichting van het terrein voor recreatie. De ontwikkeling betreft het realiseren van een recreatiewoning, een groepsaccommodatie, een daarbij behorende kleinschalige haven en de mogelijkheid tot het bouwen van een bedrijfswoning. Het verval van de kop-hals-rompboerderij (voormalige agrarische bedrijfsbebouwing) wordt hiermee voorkomen en een algemene kwaliteitsverbetering van het perceel tot stand gebracht. De groepsaccommodatie en de recreatiewoning worden gerealiseerd in de bestaande kop-hals-rompboerderij. De bedrijfswoning komt op de in de tekening aangegeven locatie. Per saldo is geen sprake van een toename aan bebouwd oppervlakte. In dit regels van dit bestemmingsplan wordt dit gewaarborgd.
Deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van de geldende planologische regelingen. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch toch te kunnen regelen, is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Om deze reden wordt voor de locatie een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan vormt het juridisch-planologisch kader waarbinnen de gewenste situatie mogelijk is.
De gemeente De Fryske Marren heeft reeds in zijn principebesluit aangegeven aan de ontwikkeling te willen meewerken. Het principebesluit is als bijlage toegevoegd.
Het perceel ligt solitair in het buitengebied van de voormalige gemeente Gaasterlân-Sleat ten noorden van de kern Sloten. De begrenzing van het plangebied is afgestemd op de toekomstige gronden van het recreatieterrein. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.
Figuur 1 Globale Ligging plangebied. (Bron: Google Earth)
Het plangebied is grotendeels geregeld in de beheersverordening 'Buitengebied Zuid West 2017', vastgesteld op 26 september 2017. Ten aanzien van het gebruik, het bouwen en het uitvoeren van werken en werkzaamheden geldt de regeling zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied 2004, de Herziening Bestemmingsplan Buitengebied 2004 en Bestemmingsplan Buitengebied partiële herziening 2011.
Op basis van dit plan zijn de gronden voorzien van de bestemming 'Agrarisch gebied in een open landschap'. Een uitsnede van de geldende beheersverordening is weergeven in figuur 2.
Op basis van de geldende planologische regeling is in het plangebied een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, alsmede het wonen ten behoeve hiervan, toegestaan. De bebouwing dient binnen het aangegeven bouwvlak gebouwd te worden. Het beoogde recreatieve gebruik is in strijd met de geldende planologische regeling.
Figuur 2 Uitsnede geldende beheersverordening (Bron: website gemeente De Fryske Marren)
De toelichting bij het bestemmingsplan is opgebouwd in zes hoofdstukken. Hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied. Hoofdstuk 3 vat de relevante beleidsstukken samen en geeft zo nodig aan welke consequenties dit heeft voor het plangebied. Hoofdstuk 4 staat stil bij de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de gehanteerde bestemmingen met de uitgangspunten hiervoor. Hoofdstuk 6 bevat tenslotte een korte beschrijving van de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.
Het plangebied ligt in het buitengebied aan de Lange Jerden 2 te Sloten, gelegen aan een aftakking van de rivier de Sleattemer Gat. Het betreft een rivier die als verbinding tussen de verschillende meren in de omgeving fungeert. Het plangebied is in de huidige situatie ingericht ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Op het perceel staat een kop-hals-romp boerderij uit 1965 inclusief een tweetal schuren. De totale oppervlakte aan bebouwing op het perceel bedraagt 667 m2. De begrenzing van het bestaande agrarische perceel is weergeven in figuur 3. De agrarische bedrijfsvoering is inmiddels beëindigd. De figuren 4,5 en 6 geven een goed beeld van de huidige situatie. Hierop is te zien dat de gronden ten westen van het huidige agrarische perceel ook deel uit maakt van het plangebied.
Figuur 3 De begrenzing van het bestaande agrarische perceel
Figuur 4 Ligging plangebied
Figuur 5 Aanzicht vanaf de Lange Jerden (oostkant plangebied)
Figuur 6 Aanzicht vanaf de Lytse Jerden (westkant plangebied)
De herbestemming voor vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) is een kans om een nieuwe (economische) impuls te geven aan de leefbaarheid van het platteland. In de provincie Fryslân komt naar verwachting 1,3 miljoen m2 vrij aan bedrijfsgebouwen.
Het is de vraag hoe met deze ontwikkelingen wordt omgegaan. Boerderijen maken onderdeel uit van het landschap en er zijn vele partijen bij gebaat dat ze na beëindiging van de bedrijfsvoering geen dissonant worden voor hun omgeving. De bescherming van groen en agrarisch erfgoed wordt de komende jaren een steeds grotere uitdaging voor noordelijke monumentenbeschermers.
Het voornemen is om het agrarische perceel te gaan ontwikkelen tot een recreatief perceel met behoud van de agrarische bebouwing. De locatie, aan het water, midden in het recreatieve merengebied leent zich hier uitstekend voor. Dit heeft een toegevoegde waarde voor de gemeente waar toerisme een belangrijke rol speelt. Als gevolg van het initiatief krijgt het agrarische perceel een tweede leven en een passende nieuwe toekomstbestendige én publieke bestemming.
Het initiatief betreft het inpandig verbouwen van de kop-hals-rompboerderij tot een groepsaccommodatie in de 'romp' en een recreatiewoning in de bestaande woning. Tevens wordt direct ten zuidwesten een kleinschalige haven, ten behoeve van eigen gebruik én de hoofdactiviteit, aangelegd. Afmeting van de haven is netto 30 meter x 40 meter (circa 1.200 m2), voor ca. 25 ligplaatsen - voornamelijk kleinere bootjes. Tot slot wordt de mogelijkheid geboden om een bedrijfswoning te realiseren. Een bedrijfs- ofwel beheerswoning wordt noodzakelijk geacht voor het beheer van en toezicht op terrein en de recreatieactiviteiten en omdat het om nachtverblijf gaat. De ervaring leert dat een beheerder wel enige vorm van privacy nodig heeft om bij een recreatiebedrijf te kunnen wonen, het moet een werkbare situatie zijn. Deze locatie biedt overzicht op zowel toegang via weg en water en ligt aan de rand van het perceel zodat gasten en verkeer niet aan alle zijden van de woning passeren. Het voornemen is in een ontwerpschets weergegeven in figuur 7. De toekomstige begrenzing van het recreatiegebied is weergeven in figuur 8. Hierop is te zien dat het noordelijk deel geen deel meer uit maakt van het projectgebied. Deze gronden gaan als agrarisch cultuurgrond gebruikt worden.
Per saldo zal geen sprake zijn van een toename van bebouwing. Wanneer er gekozen wordt voor de realisatie van een nieuwe bedrijfswoning, dan moet er elders op het perceel bebouwing worden gesloopt zodat het oppervlakte aan bebouwing per saldo gelijk blijft. Dit wordt als zodanig in de regels van dit bestemmingsplan vastgelegd.
Figuur 7 Mogelijke invulling
Figuur 8 Toekomstige begrenzing recreatiegebied
Dit bestemmingsplan maakt een ontwikkeling in het landelijk gebied mogelijk. Het is van belang dat deze ontwikkeling op een verantwoorde manier wordt ingepast in het landschap. De Structuurvisie Grutsk op 'e Romte van de provincie Fryslân vormt hierbij een handvat.
Volgens de kaart bij Grutsk op 'e Romte ligt het plangebied in het Merengebied. Dit gebied wordt gekenmerkt door de vele grote en kleinere meren en vaarten, die de meren met elkaar verbinden en, om de meren heen, door een uitgestrekt laagveengebied, dat vanaf de 10de eeuw is ontgonnen. Van oorsprong liggen in het Merengebied weinig wegen: het gebied was vanuit de hogere delen (terpengebied) aan de randen ontsloten en in het gebied zelf vormde het water, met vaarten, mied- en opvaarten en kanalen tot aan de 19de eeuw de belangrijkste verbinding.
De recreatie speelt een grote rol in het Merengebied en heeft in de laatste decennia geleid tot de aanleg en het heropenen van vaarverbindingen en de bouw van aan de recreatie gerelateerde bebouwing en voorzieningen, zoals recreatiewoningen.
Voor het gebied is een aantal kernkwaliteiten c.q. provinciale belangen bepaald. Deze kwaliteiten moeten herkenbaar blijven. Vooral de grootschalige openheid en het stelsel van waterverbindingen en dijken zijn aangewezen kernkwaliteiten van het merengebied. De openheid van het landschap moet zoveel mogelijk worden gerespecteerd. Het waterstelsel is zeer karakteristiek voor Fryslân als waterprovincie en dient om die reden behouden te worden. Beleefbaarheid en bevaarbaarheid zijn daarbij aandachtspunten.
Met de toekomstige inrichting van het plangebied is rekening gehouden met de kernkwaliteiten van het merengebied. Het gehele perceel zal middels hoogopgaande bomen afgeschermd worden van zijn omgeving. Hierdoor zal het terrein zich als puntverdichting dienen in het verdere grootschalig open landschap. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling op een verantwoorde wijze wordt ingepast in het Merengebied. Een uitwerking van de landschappelijke inpassing is weergeven in figuur 9. Deze is afgestemd met de stedebouwkundige van de gemeente.
De realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing is gewaarborgd via een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan.
Figuur 9 Landschappelijke inpassing toekomstige situatie
In dit hoofdstuk wordt het voor het plan relevante beleid beschreven. Daartoe komen het provinciaal en het gemeentelijk beleid aan bod.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zet het Rijk in op het beschermen van 14 nationale belangen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) worden regels opgenomen om het beleid uit de Structuurvisie te verwezenlijken. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de resultaten. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
In het plangebied spelen geen Nationale Belangen die zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte of in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren is in het Besluit ruimtelijke ordening de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen (artikel 3.1.6 lid 2). Sinds 1 juli 2017 is een wijziging van de ladder in werking getreden. Voor een stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet worden gemotiveerd waarom deze niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd en moet worden aangetoond of er behoefte is. De behoefte hoeft niet regionaal te worden bepaald, maar wordt afhankelijk van de ontwikkeling bepaald. Het ruimtelijke verzorgingsgebied waarbinnen de behoefte inzichtelijk moet worden gemaakt, kan dus verschillen.
De ontwikkeling betreft een functiewijziging van agrarisch naar recreatie inclusief de realisatie van een kleinschalige haven en betreft daarmee een stedelijke ontwikkeling. De behoefte aan groepsaccommodaties kan niet in het bestaand stedelijk gebied worden opgevangen. Voor recreatiefuncties is ligging buiten bestaand stedelijk gebied namelijk een voor de hand liggende keuze, vanwege de landschappelijke kwaliteiten en de uitloopmogelijkheden in de omgeving. De vraag richt zich niet op stedelijke locaties, maar juist op landelijke locaties. Dit wordt onderkend door het feit dat recreatiewoningen in de Verordening Romte niet zijn opgenomen in het Bestaand Stedelijk Gebied.
De ontwikkeling betreft een herontwikkeling van een bestaand agrarisch perceel naar een recreatie perceel. De ontwikkeling gaat uit van hergebruik van bestaande bebouwing, waar geen nieuwbouw plaatsvindt. Daarnaast wordt op korte afstand van het perceel een kleinschalige haven ten behoeve van de groepsaccommodatie aangelegd. Gezien de ligging van de locatie aan het water en in de directe nabijheid van het Slotermeer, is de realisatie van een kleine haven belangrijk voor de exploitatie van de groepsaccommodatie. Met dit bestemmingsplan wordt bijgedragen aan de trend om grote groepen een nachtverblijf te kunnen bieden. Gezien de ligging nabij het water én de historische stad Sloten, is sprake van een gunstige locatie. Door het aanleggen van een haven wordt tevens voorzien in een hoogwaardige recreatief aanbod.
Conclusie
Het voornemen is passend binnen het rijksbeleid.
Structuurvisie Grutsk op 'e Romte
In het Streekplan worden de kernkwaliteiten van het cultuurhistorische erfgoed en het landschap beschreven. Onder kernkwaliteiten wordt verstaan: 'die ruimtelijke eigenschappen die zo typisch zijn voor het Friese landschap, dat zij tezamen de ruimtelijke identiteit van Fryslân vormen'. Het Streekplan bevat een beschrijving van welke kernkwaliteiten er zijn en kondigt een nadere uitwerking en waardering aan van deze kernkwaliteiten. De thematische structuurvisie Grutsk op 'e Romte, zoals vastgesteld in maart 2014, vormt deze uitwerking en geeft de provinciale belangen en ontwikkelingsrichting ten aanzien van de kernkwaliteiten.
Volgens de kaart bij de structuurvisie ligt het plangebied in het Merengebied. Onder andere de grootschalige watervlaktes met open oevers en de openheid in de veenweidegebieden met opstrekkende verkaveling en het stelsel van waterverbindingen en dijken zijn aangewezen kernkwaliteiten van dit gebied.
Het bestemmingsplan voldoet aan het beleid van Grutsk op 'e Romte. In paragraaf 2.3 wordt ingegaan hoe het plan wordt ingepast bij de genoemde kernkwaliteiten.
Verordening Romte Fryslân 2014
In de verordening Romte Fryslân 2014 (geconsolideerde versie oktober 2018) is het provinciaal beleid, vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen. Onderstaand wordt op de belangrijkste artikelen van de verordening ingegaan.
Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 1)
De provincie is terughoudend met het toestaan van stedelijke functies in het landelijk gebied. Uitbreidingen aansluitend op bestaand bebouwd gebied zijn wel (onder voorwaarden) toegestaan. Het perceel valt buiten de dorpskom van Sloten en wordt daarmee gezien als landelijk gebied.
Hergebruik vrijkomende (niet-)agrarische bebouwing (artikel 1.2.1)
In artikel 1.2.1 staat dat nieuwe stedelijke functies in het landelijk gebied worden toegestaan indien sprake is van hergebruik, verbouw of vervanging van vrijkomende gebouwen. Ook dagrecreatie en verblijfsrecreatie kan op een vrijkomend perceel worden toegestaan. Tevens is enige, ondergeschikte, nieuwbouw toegestaan. Deze dient duidelijk in omvang ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw. Daarnaast dienen:
Ruimtelijke kwaliteit (artikel 2)
De toelichting van een ruimtelijk plan voor het landelijk gebied moet een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf bevatten waarin wordt aangegeven op welke manier rekening wordt gehouden met de ondergrond, netwerken en nederzettingspatronen in het landschap. Nieuwe functies mogen niet leiden tot een aantasting van de landschappelijke kernkwaliteiten. In paragraaf 2.3 wordt ingegaan hoe het plan wordt ingepast rekening houden met de genoemde kernkwaliteiten volgens de uitgangspunten en gebiedskenmerken van Grutsk op 'e Romte.
Kleinschalige dag- en verblijfsrecreatie (artikel 5)
Artikel 5.5.1
In artikel 5.5.1 staat dat een groepsaccommodatie op het erf van een agrarisch in of aansluitend op bestaande bebouwing is toegestaan. De beoogde ontwikkeling voorziet in een groepsaccommodatie in de bestaande boerderij.
Artikel 5.5.2
In artikel 5.5.2 staat dat in een ruimtelijk plan een nieuwe jachthaven worden toegestaan buiten een recreatiekern tot een maximum van 50 ligplaatsen per jachthaven in of aansluitend aan een kern en tot een maximum van 25 ligplaatsen daarbuiten. De beoogde ontwikkeling voorziet in 25 ligplaatsen.
Artikel 5.6.1
In een ruimtelijk plan waarin een nieuwe recreatieve voorziening is toegestaan, dient te worden onderbouwd dat het bedrijf milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving en wat betreft schaal en verschijningsvorm inpasbaar is binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. In hoofdstuk 4 wordt beschreven dat sprake is van een milieuhygiënisch en verkeerskundig inpassing. Met de ontwikkeling verandert de omvang van het perceel niet. Het bestaande perceel past reeds qua schaal en verschijningsvorm binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Conform het gestelde in artikel 2 is voor de landschappelijke inpassing van het terrein een ruimtelijk inrichtingsplan opgesteld. Tevens dient de ontwikkeling bij te dragen aan een verbreding of een kwaliteitsverbetering van het toeristisch-recreatieve aanbod in de regio. Met het initiatief wordt aansluiting gezocht bij de huidige eisen en wensen van de verblijfsrecreant.
Natuur (artikel 7)
Verder is in de verordening de NNN (voormalig EHS) aangeduid. Het plangebied van dit maakt hier geen deel van uit. Een plan dat betrekking heeft op deze gronden mogen geen activiteiten of ontwikkelingen mogelijk maken die leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gronden, of tot significante aantasting van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur. Paragraaf 4.8 gaat hier specifiek op in. Hieruit blijkt dat de ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op de NNN. De ontwikkeling is dan ook passend binnen de regels uit de Verordening Romte Fryslân.
Het plan valt, volgens kaart 7 van de verordening, (ook) binnen de begrenzing van een weidevogelkansgebied. Een uitsnede van deze kaart is in het navolgende figuur weergeven. Een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op gronden die gelegen zijn in of grenzen aan gebieden die op de kaart Weidevogelgebieden zijn aangewezen als weidevogelkansgebieden of weidevogelparels, voorziet in een regeling waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd, met dien verstande dat de agrarische productiefunctie inclusief de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan. Het bouwperceel wordt vervormd (zie afbeelding 10). Het bouwperceel aan de noordelijke zijde komt te vervallen en aan de westelijke zijde wordt het bouwperceel uitgebreid omwille van de aan te leggen haven. Het perceel dat verplaatst c.q. uitgebreid wordt is kleiner dan 0,5 ha (ca. 4.500 m2). Gebied dat qua openheid en rust geschikt is voor weidevogels wordt verplaatst naar de noordelijke zijde, wat geen bouwperceel meer is, maar agrarische grond.
Figuur 10 Vervorming bouwperceel
De aanleg van een haven is van groot belang. De agrarische bestemming van het perceel vervalt en er wordt een nieuwe recreatieve bestemming aan gegeven. Met de haven heeft de recreant makkelijk toegang tot de watersport, een recreatieve activiteit waar initiatiefnemer, de gemeente Fryske Marren en de provincie zich mee profileren. Met de adviezen van de Provincie met betrekking tot het weidevogelkansgebied wordt rekening gehouden. In het plangebied is reeds verstoring voor de weidevogels aanwezig, namelijk bebouwing en rietvegetatie. Om de verstoring zo laag mogelijk te houden worden er mitigerende maatregelen genomen. Deze zijn hieronder weergeven en zijn in nauw overleg met de provincie tot stand gekomen.
Figuur 11 Uitsnede provinciale kaart 'Weidevogelkansgebieden'
Conclusie
Het voornemen past binnen het provinciaal beleid.
Coalitieakkoord 2019-2022
In het Coalitieakkoord 2019-2022 staat dat de Fryske Marren een veelzijdige gemeente is: zowel om te wonen, te werken als om te recreëren. De Fryske Marren is dynamisch en ontwikkelingsgericht, waarbij de gemeente de bestaande kwaliteiten op een duurzame wijze willen behouden en versterken.
Het landschap om ons heen is deel van ons erfgoed en waarden zoals weidsheid, rust, biodiversiteit en
cultuurhistorie verdienen onze aandacht omdat ze ons leven verrijken. Vanwege het bepalende karakter voor het landschap, willen we openbare cultuurhistorische landschapselementen behouden.
Het is goed toeven in De Fryske Marren. Dat komt voor een belangrijk deel door het aantrekkelijke en
unieke water- en natuurlandschap. Omdat de gemeente dat zoveel mogelijk in stand willen houden, stelt het ruimtelijke voorwaarden aan nieuwe initiatieven. Zo zal realisatie van een nieuw recreatiepark landschappelijk inpasbaar moeten zijn. Bestaande kleinere parken hebben wat de gemeente betreft mogelijkheden voor uitbreiding, als ze aansluitend aan het bestaande park worden gerealiseerd.
De Fryske Marren heeft de recreant en toerist voor wat betreft cultuur, natuur, water en landschap veel
te bieden. De gemeente wil zich dan ook profileren als een actieve en recreatieve gemeente. De
nieuwe Recreatievisie dient in ieder geval aandacht besteden aan:
Met dit bestemmingsplan wordt het recreatieve aanbod van de gemeente de Fryske Maren versterkt en uitgebreid. Deze wordt in nauw overleg met de initiatiefnemer mogelijk gemaakt. In paragraaf 2.3 wordt ingegaan hoe het plan wordt ingepast rekening houden met de cultuurhistorische landschapselementen.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de recreatieve ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt goed aansluit bij de ambities zoals verwoord in het gemeentelijk beleid. Er wordt een onderscheidend aanbod gecreëerd die aansluit bij de vraag naar het kunnen faciliteren van grote groepen.
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de in en rond het plangebied voorkomende relevante milieu- en omgevingsaspecten.
Beleid en Normstelling
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.
Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Onderzoek
In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D10) is de oprichting, wijziging of uitbreiding van een recreatieterrein én (jacht)havens opgenomen. Voor een permanente kampeer- en caravanterreinen geldt een drempelwaarde van 25 hectare of meer én voor een jachthaven geldt een drempelwaarde van 100 ligplaatsen of meer. In de nieuwe situatie wordt de drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. niet overschreden. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is.
Derhalve is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld (zie bijlage 2). Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten.
Een recreatieterrein is aangewezen als inrichting uit milieucategorie 3.1. Hierbij geldt een richtafstand van 50 meter tot aan gevoelige bestemmingen, zoals woningen. De bepalende factor voor deze afstand betreft geluidhinder. Binnen een straal van 200 meter komen geen andere functies voor.
Daarnaast geldt ook voor de verblijfsaccommodaties dat een goed leefklimaat gerealiseerd moet worden. Aan de (noord)westkant van het perceel ligt een rioolwaterzuiveringsinstallatie (uit milieucategorie 3.1) met een doorzet kleiner dan 100.000 inwoner equivalent. Voor een installatie met deze omvang worden de volgende afstanden geadviseerd tot de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming: 200 meter voor geur, 10 meter voor stof, 100 meter voor geluid en 10 meter voor gevaar. De grootste geadviseerde afstand is dus 200 meter, hieraan kan ruim worden voldaan.
Omdat het plangebied voldoet aan de richtafstand, kan gesproken worden van een goed leefklimaat. Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is onderzoek gedaan naar de bereikbaarheid, verkeersgeneratie, afwikkeling en de parkeerbehoefte. Om de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie te bepalen voor de uitbreiding is gebruik gemaakt van de 'Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren' d.d. 23 februari 2018 en ''Toekomstbestendig parkeren' van CROW (publicatie 381). De nota is gekoppeld aan het Paraplubestemmingsplan, deze geldt voor de rest van de gemeente en vormt daarom de basis.
Bereikbaarheid
Het plangebied wordt ontsloten via de Lange Jerden. Dit is een smalle (doodlopende) erftoegangsweg buiten de bebouwde kom. Hier geldt een maximum snelheid van 60 km/uur. In het zuidelijke richting rijdt men door de bebouwde kom via de Gaestdyk richting Spannenburg over op de provinciale gebiedsontsluitingsweg N354 aan op de A6. Vanaf het plangebied is de A6 in circa 10 minuten te bereiken.
Parkeren
De herontwikkeling van het plangebied zorgt voor een beperkte toename van de parkeervraag. De parkeervraag wordt berekend conform de nota beleidsregels parkeren van de gemeente De Fryske Marren. Het plangebied is gelegen in het buitengebied. In de toekomstige situatie wordt een groepsaccommodatie voor maximaal vijftig personen voorgesteld inclusief een bedrijfswoning. Deze kunnen de accommodatie zowel per boot als met de auto bereiken.
Voor de bedrijfswoning wordt uitgaan van een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning (koop, vrijstaand in het buitengebied). Voor een groepsaccommodatie is geen kencijfer opgenomen. Er wordt uitgegaan van een gemiddelde autobezetting van 2,5 personen per auto. Voor de groepsaccommodatie voor maximaal vijftig personen betekent dit een parkeerbehoefte van twintig parkeerplaatsen.
De herontwikkeling zorgt voor een parkeervraag van 2,4 + 20 = 23 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om aan deze behoefte te kunnen voldoen. Het plan voldoet daarmee aan de beleidsregels parkeren van de gemeente De Fryske Marren.
Verkeersgeneratie
Voor de bedrijfswoning is de verkeersgeneratie bepaald op basis van CROW kencijfers (publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren", 2018). Er is aangesloten bij de kencijfers opgenomen in de Nota parkeernormen van de gemeente De Fryske Marren. Conform het CBS wordt de gemeente De Fryske Marren aangemerkt als 'weinig stedelijk gebied'. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Sloten. Voor de verkeersgeneratie is daarom uitgegaan van het gemiddelde kencijfer voor de verkeersgeneratie: 8,2 mvt/etmaal.
Voor de verkeersgeneratie van de groepsaccommodatie zijn tevens geen kencijfers beschikbaar van de gemeente en het CROW. Op de drukste dag zal er een wisseling van twee groepen zijn, met eventuele werknemers tussen de wissel in. Voor de bezoekers betekent dit een maximale verkeersgeneratie van 40 mvt/etmaal (één groep vertrekt, de andere groep komt aan op dezelfde dag). Voor recreatie (uitstap van de groepen) zal er naar verwachting een maximale verkeersgeneratie zijn van 10 mvt/etmaal. Hiernaast zullen er werknemers zijn (o.a. schoonmaken) op diezelfde dag met een maximale verkeersgeneratie van 6 mvt/etmaal. De verkeersgeneratie van de groepsaccommodatie bedraagt op de drukste dag derhalve 56 mvt/etmaal.
De totale verkeersgeneratie van het plangebied bedraagt 65 mvt/etmaal. In het drukste uur zal er één groep vertrekken en voor de bedrijfswoning enkele vervoersbewegingen zijn. De verkeerstoename zal naar verwachting in het drukste uur 22 mvt bedragen.
Afwikkeling
Het verkeer op de Lange Jerden is hoofdzakelijk bestemmingsverkeer. Alleen op de aankomst en vertrek dagen zal het verkeersaanbod het hoogst zijn waarbij naar verwachting het meeste verkeer in de ochtend vertrekt en in de middag aan komt. De ontsluitende wegen richting de Gaestdyk en de N354 beschikken over voldoende capaciteit om de toename van het verkeer te kunnen opvangen. De toename aan verkeer zal dan ook opgaan in de dagelijkse fluctuatie van het verkeer. De afwikkeling van het verkeer zal daardoor niet voor problemen zorgen.
Conclusie
Op het terrein is voldoende ruimte om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Daarnaast zorgt de herontwikkeling voor een toename van circa 64 mvt/etmaal. Deze verkeersgeneratie kan voldoende worden afgewikkeld op de omliggende wegen. Het aantal is dermate gering dat het opgaat in de dagelijkse fluctuatie van het verkeer. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.
Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. In de Wgh wordt onderscheid gemaakt tussen geluidgevoelige functies enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds. Indien een geluidsgevoelige functie mogelijk wordt gemaakt en binnen de zone van een weg, spoorweg of een industriegebied ligt, moet onderzocht worden of voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde.
Het plangebied ligt niet in de geluidszone van een weg of een spoorweg. De dichtstbijzijnde weg ligt op ruim 300 meter.
Groepsaccommodatie
Een groepsaccommodatie betreft geen geluidsgevoelige functie. Gezien de solitaire ligging (300 afstand) van het plangebied ten opzichte van wegen is sprake van een goed woon -en leefklimaat. Van geluidshinder afkomstig van wegverkeer zal geen sprake zijn. Dit zelfde geldt voor het woon- en leefklimaat van de bedrijfswoning.
Vanuit de Wet geluidhinder zijn er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.
Een belangrijke ontwikkeling in het waterbeleid is de Watertoets. Het doel van de Watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het projectgebied valt in het werkgebied van Wetterskip Fryslân.
Het project is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij Wetterskip Fryslân (kenmerk: 20190308-2-20052). In bijlage 3 is de watertoets toegevoegd. Hieruit blijkt dat de normale procedure van toepassing is. Bij de watertoets is ook een uitgangspuntennotitie toegevoegd waar bij de uitwerking van de plannen rekening mee gehouden moet worden. Deze worden hierna nader beschreven.
Regionale en lokale kering
Het plangebied ligt binnen de zonering van een regionale waterkering. Met de ontwikkeling van de haven wordt de kering doorbroken. Derhalve dient de kering te worden verlegd. De nieuwe kering wordt opgebouwd met materiaal volgens de kwaliteitseisen van het Wetterskip Fryslân. Dit zal in overleg met Wetterskip Fryslân tot stand komen. Door het verleggen van de kering zal de kerende werking niet worden aangetast.
Verder zal rekening worden gehouden met de aanplant buiten de kern- of beschermingszone van 5 meter in de bestaande en nieuwe kering. Binnen deze zone zal geen aanplant gerealiseerd worden. Wel wordt in verband met de realisatie van de haven de waterkering verlegd worden. Hiervoor is inmiddels een watervergunning aangevraagd.
Hoofdwateren
De watergang ten zuiden van het plangebied is een hoofdwatergang. De perceelsloten zijn overige wateren. Wetterskip Fryslân onderhoudt hoofdwatergang. De overige wateren zijn in onderhoud bij de eigenaren van de aangrenzende percelen. Ter bescherming van de watergang geldt een beschermingszone van 5 meter. De beschermingszone van de hoofdwatergang is een strook van 5 meter breed vanaf de insteek van de hoofdwatergang. Voor een gedeelte van de toekomstige ontwikkeling is sprake van een ingreep binnen de beschermingszone. Het plaatsen van een bouwwerk binnen de beschermingszone van de hoofdwatergang is alleen mogelijk met akkoord van Wetterskip Fryslân via een Watervergunning. Hierover gaat de initiatiefnemer in overleg met het Wetterskip Fryslân en gaat uiteindelijke een Watervergunning aanvragen.
Vrij voor de boezem
Het plangebied ligt niet vrij voor de boezem, maar in het poldergebied. Met de verlegging van de waterkering vindt een wijziging van het waterpeil plaatst waardoor een deel van het plangebied op de boezem wordt aangesloten.
Waterkwantiteit
Het verhard oppervlak binnen het plangebied neemt nauwelijks tot niet toe. De toename aan verharding met betrekking tot de te realiseren parkeerplaatsen en verharding rondom de toekomstige haven wordt ruimschoots gecompenseerd door de te realiseren haven. De haven heeft een oppervlakte van circa 1.200 m2. De te graven haven wordt aangesloten op het bestaande oppervlaktewater.
Rioolwaterzuivering
In de nabijheid ligt een Rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Wetterskip adviseert u om bij het uitwerken van het plan rekening te houden met de geurcontouren zodat toekomstige geuroverlast wordt voorkomen. In paragraaf 4.2 is reed beschreven dat het plangebied op voldoende afstand van de RWZI is gelegen. Van geuroverlast zal geen sprake zijn.
Waterbeheer
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Voor de onderhavige werkzaamheden aan de kering en (hoofd)watergangen is dan ook een ontheffing noodzakelijk. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.
Voor het verleggen van de waterkering en het grave van de haven is een watervergunning aangevraagd. De haven zal gegraven worden volgens de voorwaarden en eisen die in de watervergunning en door Wetterskip Fryslân gesteld worden.
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Uitgangspunt ten aanzien van de bodemkwaliteit is dat deze bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zodanig goed moet zijn dat er geen risico's voor de volksgezondheid bestaan bij het gebruik van het plangebied.
Voor de ontwikkeling is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Deze is als bijlage 4 toegevoegd. Geconcludeerd wordt om een verkennend bodemonderzoek te laten uitvoeren. Dit in verband met de(mogelijke) aanwezigheid van asbest en gezien het feit dat er op de locatie twee brandstoftanks aanwezig zijn geweest. Dit onderzoek is vervolgens uitgevoerd en als bijlage 5. Voor een uitgebreide omschrijving van de resultaten en de conclusies wordt verwezen naar het bodemonderzoek. De algehele conclusie leidt dat er geen milieuhygienische belemmeringen zijn voor de bestemmingswijziging en het huidig en toekomstige recreatieve gebruik van het perceel. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.
Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.).
In verband met de graafwerkzaamheden is het mogelijk dat archeologisch resten aangetroffen dan wel verstoord worden. Op basis van het provinciaal archeologiebeleid is er sprake van een archeologische verwachting. Voor het tijdperk ijzertijd - middeleeuwen geldt een onderzoeksplicht bij ingrepen groter dan 5.000 m2. Voor het tijdperk steentijd - bronstijd geldt een onderzoeksplicht bij ingrepen groter dan 500 m2.
Het nieuw te bebouwen oppervlak als gevolg van de haven is groter dan 500 m2. Derhalve is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 6 toegevoegd. Hierna worden de belangrijkste resultaten besproken.
Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel wordt in het plangebied een afgedekt dekzandlandschap verwacht met in de top daarvan mogelijk archeologische resten uit de steentijd. De kans hierop is het grootst op relatief hooggelegen delen van het (afgedekte) dekzandlandschap waarop podzolbodems getuigen van droge, voor bewoning geschikte omstandigheden gedurende de steentijd.
Door de ligging van het plangebied in een drassig veengebied dat pas in de twintigste eeuw is verkaveld is de kans op bewoningsresten uit de middeleeuwen en de nieuwe tijd laag.
Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn in het gebied twaalf boringen geplaatst met een guts met een diameter van drie centimeter. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de pleistocene ondergrond in noordoostelijke richting oploopt. In de noordoosthoek zijn in drie boringen goed ontwikkelde podzolbodems aangetroffen. De top van het dekzand ligt hier op ongeveer 2,6 meter beneden NAP (2 meter beneden maaiveld). Op de overige delen van het plangebied ligt de top van het dekzand ongeveer een halve meter lager en zijn bovendien nergens goed ontwikkelde podzolbodems ontstaan. Het grootste deel van het terrein zal in het (verre) verleden dan ook niet aantrekkelijk zijn geweest voor bewoning. Dit in tegenstelling tot het noordoostelijke deel dat iets hoger ligt. Hierop hebben wel droge en voor bewoning geschikte omstandigheden geheerst. In de boorkernen zijn echter ook hier geen archeologische indicatoren gevonden.
Gezien het bovenstaande bestaat voor het plangebied geen aanleiding tot het adviseren van vervolgonderzoek. Wel wordt erop gewezen dat als hier bij toekomstig graafwerk onverhoopt toch archeologische grondsporen worden aangetroffen en/of vondsten worden gedaan, hiervan direct melding dient te worden gemaakt conform de Erfgoedwet 2015.
De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.
Binnen het plangebied is geen sprake van specifieke cultuurhistorische waarden. De nieuwe inrichting van het plangebied voegt zich in de bestaande structuren en kenmerken van het terrein.
Wet natuurbescherming
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:
Natura-2000 gebieden
De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Fryslân
In het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingericht of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, of bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage I bij deze verordening. Per soort worden de handelingen, middelen en methoden genoemd die mogen worden toegepast, slechts voor zover er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, steenmarter, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
Ecologisch onderzoek
Gebiedsbescherming
Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De afstand het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving én het IJsselmeer bedraagt circa 4,5 kilometer (zie figuur 11). Ten noorden van het plangebied, op circa 380 meter, ligt de Sleattemer Mar dat deel uit maakt van de NNN (zie figuur 12).
Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Naar verwachting zullen er geen (negatieve) effecten op deze gebieden optreden.
Ten aanzien van gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor dit plan. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. De Wet natuurbescherming en staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg. Dit is tevens bevestigd middels het uitvoeren van een stikstofberekening met het rekenprogramma Aerius (zie bijlage 8). De bijbehorende memo is als bijlage 9 toegevoegd. Uit de berekeningen blijkt dat de toename van de stikstofdepositie op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden niet boven 0,00 mol N/ha/jaar uit komt. Hiermee is aangetoond dat het project, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied niet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het project niet in de weg. Het is met het oog op potentiële effecten van de stikstofdepositie niet nodig om voor dit project een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aan te vragen.
Figuur 11 Ligging t.o.v. Natuurnetwerk Nederland
Figuur 12 Ligging t.o.v. Natura 2000-gebied
Soortenbescherming
Ten behoeve van de ontwikkeling is een ecologisch quickscan uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 7 bij de toelichting toegevoegd. Hierna worden de belangrijkste conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek besproken.
Weidevogelkansgebied
Het plan valt binnen de begrenzing van een weidevogelkansgebied. Een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op gronden die gelegen zijn in of grenzen aan gebieden die op de kaart Weidevogelgebieden zijn aangewezen als weidevogelkansgebieden of weidevogelparels, voorziet in een regeling waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd, met dien verstande dat de agrarische productiefunctie inclusief de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan. Het bouwperceel wordt vervormd (zie afbeelding). Het bouwperceel aan de noordelijke zijde kom te vervallen en aan de westelijke zijde wordt het bouwperceel uitgebreid omwille van de aan te leggen haven. Het perceel dat verplaatst c.q. uitgebreid wordt is kleiner dan 0,5 ha (ca. 4.500 m2). Gebied dat qua openheid en rust geschikt is voor weidevogels wordt verplaatst naar de noordelijke zijde, wat geen bouwperceel meer is, maar agrarische grond.
De aanleg van een haven is van groot belang. De agrarische bestemming van het perceel vervalt en er wordt een nieuwe recreatieve bestemming aan gegeven. Met de haven heeft de recreant makkelijk toegang tot de watersport, een recreatieve activiteit waar initiatiefnemer, de gemeente De Fryske Marren en de provincie zich mee profileren.
Met de adviezen van de Provincie met betrekking tot het weidevogelkansgebied wordt rekening gehouden. In het plangebied is reeds verstoring voor de weidevogels aanwezig, namelijk bebouwing en rietvegetatie. Om de verstoring zo laag mogelijk te houden worden er mitigerende maatregelen genomen. Deze zijn hieronder weergeven en zijn in nauw overleg met de provincie tot stand gekomen.
Vogels
De initiatiefnemer is zich bewust van de aanwezigheid van mogelijk beschermde soorten en is voornemens de werkzaamheden uit voeren in die zin dat deze soorten in hun broedtijd (eind maart tot in het najaar) niet verstoord worden.
De gierzwaluw is een hoogte-gebonden soort en verblijft vrijwel altijd onder hoog-gelegen dak- en/of nokpannen in de daklaag van een pand. Initiatiefnemer voorkomt negatieve effecten door de hoog-gelegen daklaag intact te houden ofwel de daklaag blijft toegankelijk voor de soort. Eventueel te vervangen dakpannen worden niet vervangen door dakpannen welke niet meer geschikt zijn voor deze soort. De gierzwaluw migreert en is van mei t/m juni in Nederland. Eventuele werkzaamheden aan de daklaag zullen buiten deze periode plaatsvinden. Eventuele bestaande nesten blijven ongemoeid.
De kerkuil verblijft vaak in half-open landschappen in schuren, boerderijen en kerken. Initiatiefnemer behoudt en creëert mogelijkheden voor verblijf van de kerkuil. Achter het huidige uilenbord wordt een afgesloten zoldertje gecreëerd (donker) met daarin een nestkast voor de kerkuil. Eventueel wordt er een extra nestkast in het mogelijke territorium van de kerkuil geplaatst. Werkzaamheden worden uitgevoerd buiten het broedseizoen en in samenwerking met stichting Uilenwerkgroep Nederland.
De nieuwe invulling van de bestaande boerderij wordt derhalve met respect voor natuur en omgeving ontwikkeld.
Zoogdieren
De initiatiefnemer is zich bewust van de aanwezigheid van mogelijk beschermde voorkomende vleermuizen en is voornemens de werkzaamheden uit te voeren in die zin dat deze soorten niet in hun broedtijd verstoord worden. De daklaag en spouw - waar vleermuizen verblijven - worden niet aangetast. Eventuele bestaande nesten blijven ongemoeid.
Daarnaast wordt de nieuwe invulling van de bestaande boerderij met respect voor natuur en omgeving ontwikkeld. Dit betekent dat na de functiewijziging er voldoende nestmogelijkheden blijven behouden voor de vleermuis. Er wordt rekening gehouden met het voorkomen van lichtuitstraling. Hierdoor worden negatieve effecten op mogelijke vliegroutes en/of foerageergebieden voorkomen.
Vissen, reptielen & amfibieën en ongewervelden
De sloten ten noorden en ten oosten van het plangebied vormen mogelijk functioneel leefgebied voor de soort grote modderkruiper. Met de herontwikkeling van het perceel vinden geen wijzigingen aan de sloten plaats. Er is dan ook geen sprake van negatieve effecten op deze soort.
Met inachtneming van bovenstaande worden negatieve effecten op de soorten uitgesloten. Er treden dan ook geen belangrijke negatieve milieugevolgen op.
Naar aanleiding van de quickscan Wet Natuurbescherming wordt geconcludeerd dat er ter plaatse mogelijk een of meerdere soorten voorkomen. De uit te voeren werkzaamheden zullen zodanig worden uitgevoerd dat mogelijk negatieve effecten tijdens de werkzaamheden worden voorkomen en er rekening gehouden wordt met het broedseizoen.
Conclusie
De ontwikkeling wordt niet beperkt door het aspect ecologie.
Toetsingskader
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Onderzoek
Uit de professionele risicokaart blijkt in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen of bijzondere vervoersroutes van gevaarlijke stoffen liggen. Ook ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van buisleidingen. Er is geen sprake van externe veiligheidsrisico's. Dit wordt bevestigd door een reactie op het plan (zie bijlage 12) van de brandweer Fryslân. In de reactie wordt ook een repressief advies gegeven. Bij de uitwerking van de plannen zal hier rekening mee worden gehouden. De initiatiefnemer heeft ten aanzien van een te realiseren opstelplaats overleg gehad met de brandweer. Een opstelplaats bestand tegen het gewicht van 30 ton wordt gerealiseerd bij de haven - deze hoek wordt ingericht als parkeerplaats. Deze zal voldoen aan de eisen die de brandweer hiervoor hanteert.
Uit oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.
Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| Stof | Toetsing van | Grenswaarde | |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ | ||
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg /m³ | |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Onderzoek
Een verslechtering van de luchtkwaliteit is veelal een gevolg van een toename van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. De realisatie van een groepsaccommodatie en een kleinschalige haven hebben een relatief beperkte verkeersaantrekkende werking. Deze aantrekkende werking is in ieder geval substantieel lager dan de bijdrage van 1.500 nieuwe woningen. Op basis van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is het plan daarom vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden.
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het plan geen overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen tot gevolg heeft.
Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.
In of nabij het plangebied lopen geen hoofdleidingen of -kabels. Ook liggen er geen relevante zones over het plangebied. Voor het bestemmingsplan gelden ten aanzien van kabels, leidingen en zoneringen geen belemmeringen.
In dit hoofdstuk wordt een motivatie gegeven van de gehanteerde bestemmingen en de daarbij behorende uitgangspunten van het bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Verder sluit de regeling in het voorliggende bestemmingsplan aan bij combinatie van de regels uit het handboek Handboek Bestemmingsplannen De Fryske Marren en de bestaande regeling zoals opgenomen in de beheersverordening waar het bestemmingsplan Buitengebied 2004 (en de herzieningen daarvan) in is opgenomen.
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
In deze paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen zoals deze op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen, beschreven.
Agrarisch - Open landschap
Een gedeelte van de gronden die in de huidige beheersverordening de bestemming Agrarisch gebied in een open landschap heeft en tevens voorziet in bouwmogelijkheden middels een bouwvlak gaat in de gewenste situatie geen deel uitmaken van het recreatieterrein. Het is niet wenselijk om hier bouwmogelijkheden te behouden. Derhalve blijft de huidige bestemming van toepassing maar worden geen bouwmogelijkheden gecreëerd. Aan de westzijde van het bouwvlak wordt het bestemmingsvlak uitgebreid op gronden die nu zijn bestemd als Agrarisch gebied in een open landschap.
Recreatie - Verblijfsrecreatie
Het plangebied krijgt de bestemming Recreatie - Verblijfsrecreatie. Binnen de bestemming is een groepsaccommodatie en een recreatiewoning toegestaan in de bestaande oppervlakten en hoogtes. Op de bestaande oppervlakte van de gebouwen niet toeneemt. Ter plaatse van de aanduiding 'passantenhaven' is de jachthaven zoals in paragraaf 2.2 toegestaan.
Ten behoeve van een bedrijfswoning geldt dat er één bedrijfswoning in het plangebied is toegestaan. Indien een vrijstaande woning wordt gerealiseerd dan dient deze binnen de het bouwvlak te worden gebouwd met een maximale oppervlakte van 150 m2. In artikel 4.4 is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen die het mogelijk maakt dat de bedrijfswoning gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd. Indien de bedrijfswoning inpandig wordt gerealiseerd, dan geldt deze oppervlakte als maximum. Verder geldt dat de gezamenlijk oppervlakte van alle gebouwen niet meer dan de bestaande oppervlakte bedraagt; ofwel 667 m2.
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheidsaspecten van een bestemmingsplan en de grondexploitatie. Bij de uitvoerbaarheid wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro vastgelegde procedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun zienswijze op het plan kenbaar kunnen maken. Hieronder volgt een nadere toelichting.
Overleg
Het bestemmingsplan is, conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), verzonden naar de overleginstanties. De ingekomen reacties (zie bijlage 11, 12, 13, en 14) zijn waar nodig verwerkt in het bestemmingsplan. Een beantwoording van de reacties is opgenomen in bijlage 15. Het voorontwerp bestemmingsplan heeft niet voor inspraak ter inzage gelegen.
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan volgt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerpplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Een ieder is daarbij in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling zienswijzen op het plan naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Vaststellingsfase
Het bestemmingsplan is vervolgens door de gemeenteraad vastgesteld. Tot slot is tegen de vaststelling van het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Economische uitvoerbaarheid
De ontwikkeling is een particulier initiatief. De kosten voor het realiseren van de ontwikkelingen op het perceel worden gedragen door de initiatiefnemer.
Grondexploitatie
Het doel van de grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal, waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn.
In dit bestemmingsplan wordt geen bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een planschadeovereenkomst afgesloten. Verder worden de plankosten via leges op de initiatiefnemer verhaald.