| Plan: | Lemmer - De Polle |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1940.BPLEM22DEPOLLE-VA01 |
De gronden van de Polle 9 tot 14 waren voorheen in gebruik als houtmolen. De bedrijfsvoering hiervan is inmiddels al enkele jaren beëindigd. De huidige bedrijfspanden zijn verouderd en worden momenteel ook niet meer gebruikt als bedrijf. Dit zelfde geldt voor de gebouwen op het perceel Polle 15.
Het plan is om het gebied te herstructureren middels sloop en nieuwbouw. Het nieuwbouwplan voorziet in 20 grondgebonden woningen en 79 appartementen inclusief de realisatie van een jachthaven.
Het beoogde plan is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch te kunnen regelen is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor deze locatie noodzakelijk. Dit bestemmingsplan voorziet in een passend juridisch-planologisch kader.
De gemeente De Fryske Marren wil aan de ontwikkeling meewerken. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch te kunnen regelen, is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.
Het plangebied ligt tussen de dorpskern van Lemmer en de A6. Het plangebied ligt aan de oostkant van Lemmer. Het wordt aan de noord en westzijde omsloten door een waterloop (uitloop van de Vluchthaven), aan de oostzijde door de Zeedijk en de Polle aan de zuidzijde door een benzinepompstation en de Almere.
Het plangebied is in de huidige situatie een bedrijventerrein waar ondermeer een scheepswerf en een steenhandel gevestigd zijn geweest. Beide zijn niet meer in gebruik. Inmiddels staan de panden leeg. Ook de loods van de bouwmarkt in het noorden van het plangebied staat leeg.
De drie bestaande woningen aan de Zeedijk nummer 5,6 en 7 vallen buiten het plangebied.
Figuur 1 Ligging plangebied (bron: www.pdok.nl)
Het zuidelijke gedeelte van het plangebied is gelegen in het bestemmingsplannen De Polle en het noordelijke gedeelte in het bestemmingsplan 'Binnen de rondweg' (2005).
Bestemmingsplan De Polle
Het zuidelijke gedeelte van het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan De Polle, dat is vastgesteld op 7 mei 2012 door de voormalige gemeente Lemsterland (huidig: De Fryske Marren). In dit plan heeft het plangebied de bestemming 'Wonen - Woongebouw'. Een fragment van het geldende bestemmingsplan is weergegeven in figuur 2.
Binnen de bestemming 'Wonen - Woongebouw' zijn gestapelde woningen voor permanente bewoning toegestaan. Deze moeten binnen het bouwvlak gebouwd worden. De maatvoering van de goot- en bouwhoogtes is op de verbeelding aangegeven. Voor het oostelijk deel betekent dit een maximale goot -en bouwhoogte van 14 meter. Voor het westelijke deel geldt een maximale goot -en bouwhoogte van 8 -en 12 meter. In dit deel bedraagt het bebouwingspercentage 50%. Voor het oostelijk deel bedraagt deze 100%. Verder is in het oostelijk deel de functieaanduiding 'cultuurhistorische waarden' van toepassing. Figuur 3 geeft aan om welk gebied het gaat. Ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' mag voor wat betreft de voorgevel geen wezenlijke veranderingen worden aangebracht in het stedenbouwkundige beeld, bepaald door, hoogtematen, gevel- en raamindeling, zulks met inbegrip van waardevolle details als erkers, dakkapellen, kroonlijsten, pilasters, plinten, stoeptreden, kozijnen, dorpels en soortgelijke bouwdelen, zoals vastgelegd in het besluit tot aanwijzing van het gemeentelijk monument.
Voorgaande regeling was opgenomen vanwege het feit dat sprake was van een gemeentelijk monument. Hier is echter geen sprake meer van. De strekking was dat de gevelopmaak van de oude houtmolen behouden diende te worden en dat daarvan onder voorwaarden afgeweken zou kunnen worden. Deze voorwaarden staan in artikel 4.3.1. De voorwaarden waren:
In een klein gedeelte aan de zuidkant van het plangebied is de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - lpg' van toepassing. Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - lpg' mogen geen kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden opgericht, tenzij ze behoren tot de inrichting waartoe ook het lpg-vulpunt behoort. Paragraaf 4.9 gaat hier nader op in.
Tot slot ligt over het gehele plangebied de aanduiding 'Geluidszone - industrie'. Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' mogen toegelaten geluidsgevoelige functies uitsluitend worden gerealiseerd met inachtneming van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder of een vastgestelde hogere grenswaarde. Paragraaf 4.2 gaat hier nader op in.
De bouw van de grondgebonden woningen in het plangebied is niet toegestaan binnen de bestemming Wonen - Woongebouw. De bouw van de drie appartementengebouwen daarentegen wel.
Figuur 2 Fragment geldend bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Figuur 3 Fragment geldend bestemmingsplan met daarin de functieaanduiding 'cultuurhistorische waarden' omkaderd (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Binnen de rondweg (2005)
Het vigerende bestemmingsplan voor het noordelijk deel van plangebied is 'Binnen de rondweg' (2005). Dit bestemmingsplan is op 26 september 2005 vastgesteld door de gemeenteraad van gemeente Lemsterland. De vigerende bestemming in het plangebied is de bestemming bedrijfsdoeleinden. Binnen de bestemming bedrijfsdoeleinden zijn bedrijven in de categorieën 1 en 2 toegestaan. De bestaande bedrijfswoning is niet als zodanig bestemd. Binnen het aangegeven bouwvlak is uitsluitend bedrijfsbebouwing toegestaan. De bouw van de grondgebonden woningen in het plangebied is niet toegestaan Een fragment van het geldende bestemmingsplan is weergegeven in figuur 4.
Figuur 4 Fragment geldend bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Paraplubestemmingsplan parkeernormen
Op 27 juni 2018 is het 'Paraplubestemmingsplan Parkeernormen' vastgesteld. Dit bestemmingsplan voorziet in een parkeerregeling conform de Nota beleidsregels parkeren De Fryske Marren en is tevens van toepassing op het plangebied. Deze regeling is ook in dit bestemmingsplan opgenomen.
De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgezet. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het plan uiteengezet. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van de relevante beleidskaders. Vervolgens bevat hoofdstuk 4 de toetsing aan de voor dit bestemmingsplan relevante wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan aan de orde gesteld. Hoofdstuk 6 gaat in op de juridische regeling van het plan.
In figuur 4 is een luchtfoto weergegeven van het plangebied. Het plangebied is in de huidige situatie een bedrijventerrein waar ondermeer een scheepswerf, een steenhandel en een bouwmarkt gevestigd zijn geweest. Allen zijn niet meer in gebruik. Inmiddels staan de panden leeg. Ook de loods van de bouwmarkt ten noorden van het plangebied staat leeg.
Geschiedenis van het plangebied
De houtmolen te Lemmer heeft een lange geschiedenis die al begint in de negentiende eeuw. De houtmolen was van oorsprong een oude houtzaagmolen die via de wind werd aangedreven en later is vervangen door een stoomhoutzagerij. In 1916 was een grote uitbreiding met een kisten-, vaten- en palletfabriek. In de jaren 50, 60 en begin 70-er jaren was de fabriek de grootste werkgever in Lemmer. De fabriek produceerde voornamelijk allerlei soorten kisten en pallets. In 1975 werd het bedrijf wegens economische omstandigheden gesloten. Op de planlocatie is nu nog een deel van de voormalige houtmolen zichtbaar. Aan de zijde van de Polle en de Zeedijk staat nog een bedrijfswoning.
Huidige situatie
Het plangebied ligt aan de oostkant van Lemmer. Het wordt aan de noord en westzijde omsloten door een waterloop (uitloop van de Vluchthaven), aan de oostzijde door de Zeedijk en de Polle aan de zuidzijde door een benzinepompstation en de Almere. De Zeedijk en de Almere zijn grote ontsluitingswegen met daarin een hoger gelegen rotonde. Aan de overzijde van de Vaart, richting de dorpskern, ligt een dorpsrand, opgetrokken uit baksteen met een diverse architectuur. De bebouwing bestaat veelal uit één tot twee bouwlagen met kap.
Het gebied zelf bevat grootschalige (bedrijfs-) bebouwing afgewisseld met open ruimten. De bouwhoogte is wisselend en er is tevens een wisselende rooilijn. Het gebied bevat zowel oude fabrieksgebouwen met historische gevels (bakstenen) en monumentale waarde als nieuwe gebouwen van plaatmateriaal. De monumentale gebouwen liggen aan de zuidkant van het plangebied op een potentiële zichtlocatie. Dit wisselende beeld van diverse typen bebouwing evenals open ruimten, is rommelig en heeft een lage tot gemiddelde beeldkwaliteit. Aan de noordkant van het plangebied staat een gebouw waarin voorheen een bouwmarkt gevestigd was. Ook dit gebouw staat leeg.
Enkele aanzichten op het plangebied vanaf de Zeedijk zijn weergegeven in figuur 5 en 6.
Figuur 4 Luchtfoto
Figuur 5 Vooraanzicht vanaf De Zeedijk
Figuur 6 Vooraanzicht vanaf De Zeedijk
Het plan is om het gebied te transformeren tot een woningbouwlocatie. Concreet worden hierbij alle gebouwen in het plangebied gesloopt en vervangen door 99 woningen onderverdeeld in 79 appartementen en 20 grondgebonden woningen.
Dit betekent dat ook de historische panden van de voormalige houtzagerij gesloopt worden. De staat van deze panden is dermate slecht, dat een geschikte herinvulling van de gebouwen niet tot de mogelijkheden behoort. Met de totstandkoming van het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met het historische karakter van deze gebouwen. Hierbij is rekening gehouden met het uitgangspunt van behoud van de identiteit van het plangebied, herstel van de cultuurhistorische samenhang en het aansluiten op de korrelgrootte van de industriële gebouwen. De ontwikkeling past dan ook binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur.
De grondgebonden woningen worden aaneen gebouwd. Het gaat om de westelijke gesitueerde gebouwen en om het rijtje woningen, van vier, aan de noordoostkant. Verder worden er vier appartementengebouw gerealiseerd. Eén appartementen gebouw aan de noordkant en een drietal appartementen aan de oost -en zuidkant van het plangebied. De bouwhoogtes, van de appartementen, variëren hierbij van 10 meter tot 15 meter. De goot -en bouwhoogtes van de grondgebonden woningen bedragen respectievelijk maximaal 6,5 en 12 meter. Het gebied rondom de appartementen krijgt verder een groene, parkachtige inrichting.
Door het plangebied te ontwikkelen tot een woongebied ontstaat een aantrekkelijke en levendige situatie. Dit versterkt eveneens de relatie met het dorp zelf. In het plangebied wordt verder een particuliere jachthaven gecreëerd. Het betreft een particuliere jachthaven. Er is nadrukkelijk geen sprake van een bedrijfsmatige exploitatie.
Het parkeren vindt voor het grootste gedeelte in het plangebied zelf plaats. Hiervoor wordt ruimte gecreëerd op de percelen van de grondgebonden woningen, bij de nieuw aan te leggen ontsluitingswegen en verder worden onder twee van de vier appartementen gebouwen een halfverdiepte parkeergarage aangelegd. De resterende parkeervraag wordt opgelost in het nabijgelegen gebied aan de noordkant van het plangebied. Het gaat specifiek om het gebied Aan de Rien. In dit gebied wordt op korte termijn ook woningbouw gecreëerd. In dit gebied is voldoende ruimte beschikbaar voor parkeren. Paragraaf 2.4 gaat nader in op parkeren en verkeer.
Figuur 7 Stedenbouwkundig ontwerp (versie 21-3-2022)
Uitgangspunt is dat de historie van de plek aanleiding geeft voor de toekomst. De historie van het plan is verwerkt door in de architectuur te refereren aan de voormalige houtmolen die de start is geweest van de ontwikkeling van deze locatie. In de architectuur wordt duidelijk aansluiting hierbij gezocht door de hogere bebouwing in de rooilijn te zetten met de zeedijk, en lagere bebouwing te plaatsen aan de zijde van het dorp. De bebouwing aan de dorpszijde heeft flauw hellende daken en platte daken die doen denken aan de voormalig hout opslag aldaar. De bebouwing aan de zeedijk, heeft een baksteen architectuur met hoge etages en platte daken, zij doen denken aan de oude bakstenen fabrieksgebouwen.
Aan de waterzijde wordt de bebouwing onderbroken door een in ham in de vorm van een jachthaven. De inham en het dorp worden ook vanaf Zeedijk zijde zichtbaar door zichtlijnen tussen gebouwen aan de Zeedijk.
Een bestemmingsplan is erg belangrijk voor het bouwrecht. Aanvragen om omgevingsvergunningen worden immers getoetst aan de regels uit het bestemmingsplan. Naast de bestemmingsplanbepalingen en de bouwtechniek is het uiterlijk van een bouwwerk erg belangrijk. Om de kwaliteit van de gebouwde omgeving te waarborgen is door de gemeente De Fryske Marren in 2015 een welstandsnota opgesteld. In deze welstandsnota wordt getoetst door middel van zogenaamde gebiedsgerichte criteria. Deze criteria zijn gebaseerd op de bestaande ruimtelijke kwaliteiten van de gebieden en het gewenste toekomstbeeld.
In de Welstandsnota zijn richtlijnen opgenomen voor het plangebied in de oude situatie (regulier bedrijventerrein). Inherent aan de voorgenomen ontwikkeling is dat het bouwplan niet voldoet aan het geldende welstandsbeleid. In verband hiermee is een beeldkwaliteitsplan opgesteld voor het gebied. In dit beeldkwaliteitsplan staan welstandsontwikkelingscriteria waar bij de aanvraag omgevingsvergunning aan getoetst moet worden. Het beeldkwaliteitsplan is als bijlage 1 toegevoegd.
Verkeer en infrastructuur
Het gebied wordt ontsloten via de Polle en de Zeedijk. De Zeedijk wordt in noordelijke richting ontsloten op de N359 welke een direct aansluiting met de A6 heeft. In zuidwestelijke richting loopt de Zeedijk richting het stadscentrum van Lemmer. Het plangebied is hiermee zeer goed te bereiken.
De verkeersgeneratie is berekend op basis van de gemiddelde kentallen die afkomstig zijn van het CROW (Publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren). Voor de verkeersgeneratie dient rekening gehouden te worden met de categorie 'Koop,huis, tussen/hoek'. De locatie ligt in 'rest bebouwde kom' in een 'weinig stedelijke' gemeente. Op basis van de genoemde kenmerken geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,4 mvt/etmaal voor de grondgebonden woningen en 6 mvt/etmaal voor de appartementen.
De toename van de verkeersbewegingen van de beoogde ontwikkeling bedraagt 691 mvt/etmaal. De verkeersafwikkeling wordt beoordeeld in het drukste uur van de dag, waarin doorgaans maximaal 10% van de etmaalwaarde wordt afgewikkeld. Op het drukste uur zullen de ontsluitende wegen een verkeerstoename van circa 69 mvt ondervinden. Deze verkeerstoename zal merkbaar zijn in de drukkere uren maar naar verwachting geen negatieve gevolgen hebben op de omliggende ontsluitingswegen en niet leiden tot een verminderde doorstroming op de wegvakken en de relevante kruispunten.
Parkeren
In principe geldt voor parkeren als uitgangspunt dat parkeren op eigen terrein opgelost wordt overeenkomstig de gemeentelijke parkeernorm. Voor de verschillende woontypen gelden in het plangebied de volgende normen. Op basis van het toekomstige plan zijn er 179 parkeerplaatsen nodig. Hiervan worden er 169 in het plangebied zelf gerealiseerd. De overige 10 parkeerplaatsen worden in het nabijgelegen gebied gerealiseerd. Hier is voldoende ruimte beschikbaar om te kunnen voorzien in de toekomstige parkeervraag van dit gebied zelf inclusief de extra benodigde parkeerplaatsen vanuit de ontwikkelingen in het plangebied zelf.
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.
Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. Regio Friesland is aangewezen als voorlopig NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.
Opgaven
Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:
Realiseren opgaven
In de NOVI zijn twee instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:
Conclusie
Gelet op de te realiseren opgaven uit de NOVI kan de conclusie worden getrokken dat de voorgenomen ontwikkeling geen rijksbelangen raakt als opgenomen in de NOVI.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking. Dit houdt in dat de toelichting bij ruimtelijke plannen dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling moet bevatten. Indien het ruimtelijk plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Dit plan maakt een herontwikkeling van bestaand stedelijk gebied mogelijk. In paragraaf 3.3 is omschreven hoe ook de ontwikkelingen van de woningen passen binnen de woningbehoefte die binnen de gemeente De Fryske Marren geldt. Hiermee is aangetoond dat er behoefte is aan deze woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Er is daarmee sprake van duurzame verstedelijking.
De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied dat op basis van het geldende bestemmingsplan al (gedeeltelijk) een woonbestemming heeft. Hierdoor is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik en is het niet noodzakelijk om nieuwe uitbreidingslocaties uit te geven.
Omgevingsvisie Fryslân 2019 - De romte diele
Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk (bestemmingsplan)beleid. Dit is neergelegd in de Omgevingsvisie Provincie Fryslân. Deze is op 23 september 2020 vastgesteld. In de omgevingsvisie gaat de provincie voor een vitale economie door te investeren in omgevingskwaliteiten. Dit zorgt er onder andere voor leefbaarheid en dat leegstand en verpaupering van bebouwing wordt teruggedrongen. Daarnaast gaat de provincie voor een veerkrachtig beleid, waarin ingrijpende ontwikkelingen opgevangen kunnen worden, het behoud van de karakteristiek van de provincie wordt nagestreefd door het beschermen van de eigen identiteit en voor een gezonde leefomgeving.
Dit plan voorziet in de herontwikkeling van bestaand stedelijk gebied. Het project sluit aan bij deze uitgangspunten van de provincie. Het plan doet recht aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en is daarmee in overeenstemming met het provinciale beleid.
Verordening Romte Fryslân
Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. In deze verordening is het beleid, zoals verwoord in het Streekplan, vertaald naar regels voor bestemmingsplannen. De verordening is daarna een aantal keren partieel herzien en wordt eind 2021 vervangen door de nieuwe Omgevingsverordening.
Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 1)
Binnen bestaand stedelijk gebied wordt ruimte geboden voor het ontwikkelen van stedelijke functies, voor zover deze naar aard en omvang passen bij de kern. De provincie is terughoudend met het toestaan van stedelijke functies in het landelijk gebied. Uitbreidingen aansluitend op bestaand bebouwd gebied zijn wel (onder voorwaarden) toegestaan. Het plangebied van dit bestemmingsplan is gelegen in bestaand bebouwd gebied.
Wonen (artikel 3)
Artikel 3.1.1. van de provinciale verordening stelt dat een ruimtelijk plan mogelijkheden voor woningbouw kan bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft.
Regionale woningbouwafspraken
Zowel de provincie als het Rijk gaan uit van een regionale afstemming van de woningbouw- programmering. De provincie bepaalt op basis van bevolkingsprognoses en in overleg met gemeenten en regio's hoeveel woningbouwruimte er is in een bepaalde periode. In de Verordening Romte gaat de provincie in op regionale afstemming en heeft de provincie tevens aangegeven dat gemeenten een actueel woonplan moeten hebben. In de volgende paragraaf wordt beschreven dat het plan binnen het woonplan van de gemeente past.
Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het plan in overeenstemming is met de Verordening Romte Fryslân.
Ontgrondingenverordening Friesland
Voor bepaalde werkzaamheden is op basis van de Ontgrondingenverordening Friesland een ontgrondingsvergunning nodig. In verband met de beoogde inrichting worden sloten en waterpartijen gegraven. Indien de waterpartij aan onderstaande voorwaarden voldoet is voor de graafwerkzaamheden geen ontgrondingsvergunning nodig en is sprake van een vrijstelling.
Met de uitwerking van dit bestemmingsplan wordt een nieuwe haven gegraven die niet dieper is dan 2,0 meter beneden oppervlaktewaterpeil (waterpeil is -0,52m NAP en het ontgraven gaat tot -2,52m NAP = 2,00m beneden waterpeil).
Verder komt minder dan 10.000 m3 bodemmateriaal vrij. De oppervlakte van de haven is circa 30 x 35m = 1.000 m2 x 2,5m afgravingshoogte = 2.500 m3 bodemmateriaal die vrijkomt.
Voor de onderscheidene werkzaamheden zal derhalve geen ontgrondingenvergunning zijn vereist, maar kan gebruik worden gemaakt van een vrijstelling.
Woonvisie 2019 - 2023 en Uitvoeringsprogramma Woningbouw
In de Woonvisie De Fryske Marren 2019 - 2023 heeft de gemeente De Fryske Marren het beleid op het gebied van wonen voor periode 2019 – 2023 vastgelegd. De woonvisie vormt de basis voor woningbouw in de gemeente en voor prestatieafspraken met de corporaties. De hoofddoelstelling van het woonbeleid is dat alle inwoners van De Fryske Marren binnen hun eigen mogelijkheden zoveel mogelijk hun eigen woonwensen moeten kunnen realiseren.
De gemeente wil vooral daar bouwen waar de meeste vraag naar woningen is. In de kernen Joure, Lemmer en Balk vertoont zich een grotere vraag dan in de andere kernen, dus zal een groter deel van het uitvoeringsprogramma in deze drie kernen voorzien zijn. In de andere kernen wil de gemeente bouwen
bij aantoonbare vraag. Daarbij is er extra aandacht voor starters op de woningmarkt via het aanbod van betaalbare koopwoningen en sociale huur.
De gemeente verwacht dat de woningvoorraad nog met circa 1.000 woningen zal groeien tussen 2020 en 2029. Deze bouwruimte is gebaseerd op bevolking- en huishoudensprognose van de provincie Fryslân die in juni 2020 is vastgesteld. Het woningbouw aantal van 99 woningen is opgenomen in het Uitvoeringsprogramma Woningbouw De Fryske Marren 2016 - 2026 . Het plan maakt onderdeel uit van de Woningbouwafspraken Regio Zuidwest Friesland en Provincie Fryslân. Het programma is hiermee in lijn met de Woonvisie De Fryske Marren 2019 – 2023.
Duurzaamheidsvisie 2013-2030
Op 31 oktober 2012 heeft de gemeente de Duurzaamheidsvisie Fryske Marren vastgesteld. In de visie worden de gemeentelijke ambities op het gebied van duurzaamheid verwoord. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende thema's, zoals energie, water, grondstoffen, groen/natuur en sociaal. De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn:
In 2030 wil de gemeente onafhankelijk zijn van fossiele energiebronnen. Voor de kortere termijn (2020) is met betrekking tot wonen als doel gesteld dat 20% van alle gebouwen energieneutraal is. Daarnaast wordt ingezet op het groen inrichten van de omgeving van de gebouwen die uitnodigt tot natuurlijk spelen. Er wordt ingezet op samenwerking voor bewustwording van inheemse flora en fauna. Wat betreft water, wordt ingezet op 100% afkoppeling van hemelwater en maximaal hergebruik van regenwater. Het gebruik van leidingwater wordt teruggedrongen waarbij ook ingezet wordt op gedrag.
Voor aanvragen vanaf 1 juli 2018 geldt bovendien dat er gasloos gebouwd moet worden. Dit betekent voor dit plan dat de woningen niet aangesloten worden op gas en dus via duurzame energieopwekking verwarmd moeten worden. De exacte uitwerking is voor het bestemmingsplan niet relevant, mits deze oplossingen binnen de regels gerealiseerd kunnen worden. Daarnaast zullen duurzaamheidsinitiatieven die vanuit het dorp, dan wel particulieren, ontstaan door de gemeente gefaciliteerd worden.
In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Wanneer niet voldaan wordt aan de drempelwaarden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Daarbij lettend op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D11.2) is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. Ten aanzien van woningen ligt de drempelwaarde op een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen. Dit bestemmingsplan maakt slechts 99 woningen mogelijk en is dus niet rechtstreeks planmer-, projectmer of mer-beoordelingsplichtig.
Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een vormvrije mer. Deze is als bijlage 2 opgenomen. Hieruit blijkt dat er geen belangrijke nadelige gevolgen ontstaan. Het college heeft vervolgens besloten dat een m.e.r.-procedure niet doorlopen hoeft te worden. Zie hiervoor bijlage 3.
Beoordelingskader
Tussen bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies (waaronder wonen) is een goede afstemming nodig. Het doel daarbij is het voorkomen van onacceptabele hinder ter plaatse van woningen, maar ook om te zorgen dat bedrijven niet worden beperkt in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Bij de afstemming wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder redelijkerwijs is uitgesloten. Bedrijfsactiviteiten zijn daarvoor ingedeeld in een aantal milieucategorieën.
De VNG-brochure hanteert twee soorten omgevingstypen. Een rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied, voor beide omgevingstypen gelden andere richtafstanden en/of normen.
De definitie van een rustige woonwijk/rustig buitengebied is:
“Een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.“
De definitie van een gemengd gebied is:
“Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden en hogere milieunormen rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten meestal bepalend.“
In tabel 1 is een overzicht gegeven van de richtafstanden voor de verschillende milieucategorieën (t/m 4.2).
| Categorie | Rustige woonwijk | Gemengd gebied | |
| 1 | 10 m | 0 m | |
| 2 | 30 m | 10 m | |
| 3.1 | 50 m | 30 m | |
| 3.2 | 100 m | 50 m | |
| 4.1 | 200 m | 100 m | |
| 4.2 | 300 m | 200 m | |
| 5.1 | 500 m | 300 m | |
Tabel 1 Richtafstand tot omgevingstype
Waardering omgeving
Voor het beoordelen van de mate van hinder die aanvaardbaar is ter plaatse van hindergevoelige functies wordt onderscheid gemaakt tussen een 'rustige woonomgeving' en een 'gemengd gebied'. Het komt erop neer dat als beoordelingskader voor een goede ruimtelijke ordening voor woningen in een 'gemengd gebied' de normen uit het Activiteitenbesluit toereikend zijn. Voor woningen in een 'rustige woonomgeving' geldt een strengere norm.
Wanneer in de omgeving van het plangebied behalve woningen ook diverse andere functies aanwezig zijn dan wel hier planologische mogelijkheden voor gelden kan een gebied worden gekarakteriseerd als een ’gemengd gebied’.
Binnen het plangebied wordt een stedelijk woonmilieu gerealiseerd nabij diverse bedrijfsfuncties en voorzieningen. Bovendien ligt het plangebied nabij de hoofdinfrastructuur. De omgeving karakteriseert zich daarom duidelijk als een 'gemengd gebied'. De afstanden uit de richtafstandenlijst onder 'Gemengd gebied' kunnen daarom worden gehanteerd.
Uit de volgende uitsnede van de plankaarten van de geldende bestemmingsplannen rondom het plangebied blijkt hoe de locatie te midden van andere functies is gesitueerd. Op basis van het voorgaande wordt het plangebied en de omgeving hiervan gekarakteriseerd als een ‘gemengd gebied’.
Figuur 8 Fragment plankaart omliggende bestemmingsplannen
Ten zuiden van het plangebied staat een tankstation met LPG. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter voor gevaar en 10 meter voor geluid. De afstand van het tankstation tot de grens van het plangebied bedraagt 40 meter. Aan beide richtafstanden wordt derhalve voldaan. Overigens geldt voor het aspect ook nog de richtafstanden waar in het kader van externe veiligheid rekening gehouden moet worden. Paragraaf 4.9 gaat hier nader op in.
Ten noorden van het plangebied, ter hoogte van de Albert Koopmanstraat en de Riensingel bevinden zich een aantal maatschappelijke - en bedrijfsfuncties. Dit betreffen functies uit milieucategorie 2. In gemengd gebied geldt hiervoor een richtafstand van 10 meter. De woningen komen op een afstand van meer dan 10 meter, namelijk circa 70 meter, tot de inrichting van het meeste nabij gelegen maatschappelijke functie.
In de wijk Lemstervaart komen geen relevante bedrijfsfuncties voor waarbij rekening gehouden moet worden. Wel dient rekening gehouden te worden met de bedrijven op het gezoneerde bedrijventerrein Buitengaats. Op het bedrijventerrein zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan. In gemengd gebied geldt voor dergelijke bedrijven een richtafstand van 50 meter. Voor de meeste woningen in het plangebied wordt aan deze richtafstand voldaan. Alleen het appartementengebouw (blok A) aan de zuidkant van het plangebied valt binnen de milieucontour van het bedrijventerrein. Een nader beschrijving waarom sprake is van een verantwoord woon -en leefklimaat wordt hierna gegeven.
Geluid
Voor het gezoneerde industrieterrein is geluid het maatgevende milieuaspect. Om het bedrijventerrein is een geluidszone aanwezig. In het geldende bestemmingsplan is voor het gehele gebied de aanduiding 'geluidzone - industrie' opgenomen. Binnen deze zone mogen geluidsgevoelige functies uitsluitend worden gerealiseerd met inachtneming van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder of een vastgestelde hogere grenswaarde. Echter is de geluidzone van het bedrijventerrein gewijzigd. De geluidzone is ten opzichte van de voormalige geluidzone kleiner geworden en valt niet meer over het te ontwikkelen plangebied. De ligging van de geluidzone is weergegeven in figuur 8. Buiten deze geluidzone mag de geluidsbelasting niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Vanwege de zoneringssystematiek blijft de geluidbelasting bij geluidgevoelige bestemmingen buiten de zone beperkt tot ten hoogste 50 dB(A). Voor de nieuw te bouwen woningen zal daarmee sprake zijn van een goed woon -en leefklimaat vanuit het aspect geluid. Ook worden de bedrijven op het bedrijventerrein niet belemmert.
Figuur 9 Ligging geluidzone
Geur
Voor industriële bedrijven geeft de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering richtafstanden die in eerste instantie als toetsingskader voor geur kunnen dienen. In het kader van de goede ruimtelijke ordeningsafweging geven daarnaast eventueel verleende vergunningen of maatwerkbesluiten inzicht in de rechten van bedrijven ten aanzien van geuremissie. Op basis van de huidige situatie bevindt zich in het pand aan de Sluisweg 3 een supermarkt, een jachthaven en een detailhandel winkel. De jachthaven is in dit geval het meestmaatgevend voor wat betreft geur. In dit geval dient een afstand van 10 meter aangehouden te worden. Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. De jachthaven bevindt zich op ruim 70 meter afstand. Verder bevindt zich aan de Sluisweg 11A en 13 een scheepswerf. Hiervoor geldt ten aanzien van geur een richtafstand van 50 meter. De scheepswerf ligt op ruim 230 meter afstand tot het plangebied.
Uit advies van de FUMO blijkt ook dat er geen sprake is van enige geuroverlast. Dit advies is als bijlage 14 opgenomen.
Gevaar
Voor gevaar geldt ten aanzien van de jachthaven aan de Sluisweg 3 een richtafstand van 10 meter en voor de scheepswerven aan de Sluisweg 11A en 13 een afstand van 30 meter. Aan de richtafstanden wordt ruimschoots voldaan.
Stof
Voor stof dient voor bedrijven uit milieucategorie 3.2 een richtafstand van 50 meter aangehouden te worden. Op het perceel van de Sluisweg 1-3 komen dergelijke bedrijven niet voor. Wel komen deze voor op de percelen ten zuiden hiervan. Echter bevinden deze bedrijven zich op een afstand van meer dan 50 meter tot de grens van het plangebied.
Uit advies van de FUMO blijkt ook dat er geen sprake is van enige stofoverlast. Dit advies is als bijlage 14 opgenomen.
Geconcludeerd wordt dat de tussen de toekomstige woongebouwen en de inrichting van de bedrijfsinrichtingen rekening wordt gehouden met de richtafstanden. De bedrijfsvoering van deze bedrijven wordt dan ook niet beperkt en de toekomstige bewoners zullen hier geen overlast van ondervinden.
Conclusie
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in een gemengd gebied. Vanuit de milieuzonering bestaan geen belemmeringen voor het plan.
Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd.
In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt tussen geluidgevoelige functies enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds. Indien een geluidsgevoelige functie mogelijk wordt gemaakt en binnen de zone van een weg, spoorweg of een industriegebied ligt, moet onderzocht worden of voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. In dit geval is alleen het aspect wegverkeerslawaai relevant.
De wegen in de directe omgeving zoals De Polle, Waterkeringpad, Zeedijk, Sluisweg en Almere zijn aangewezen als 30-km/uur zone. De hoofdinfrastructuurweg N359 betreft een 80-km/uur n de A6 ten oosten van het plangebied betreft een 100 km/uur weg. Het plangebied valt binnen de geluidzone van deze wegen. Daarom is voor de ontwikkeling een geluidsonderzoek uitgevoerd om te onderzoeken of aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt voldaan. Onder voorwaarden kan het bevoegd gezag hogere waarden vaststellen. Voor binnenstedelijke situaties bedraagt deze maximaal vast te stellen geluidsbelasting vanwege wegverkeer 63 dB.
In overleg met de FUMO is het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (d.d. 5 november 2021) nader uitgewerkt in verband met het feit dat er enkele kleine aanpassingen vereist waren. Dit heeft geresulteerd in een aangepast akoestisch onderzoek (d.d. 21 februari 2023) welke aangevuld is middels een memo waarin de benodigde hogere waarden nader gespecificeerd zijn. Het definitieve geluidsonderzoek is als bijlage 4 toegevoegd. En de memo als bijlage 5.
Als gevolg van het wegverkeer op de Rijksweg A6 wordt de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De maximale berekende geluidbelasting bedraagt Lden = 53 dB, inclusief 4 dB aftrek op basis van artikel 110g Wgh. De maximale berekende geluidbelasting bedraagt Lden = 53 dB, inclusief 4 dB aftrek op basis van artikel 110g Wgh. De maximale ontheffingswaarde van Lden = 53 dB wordt niet overschreden. De aanvraag van hogere waarden ten gevolge van de Rijksweg A6 is nodig. Als gevolg van het wegverkeer op de Zeedijk wordt de richtwaarde van Lden = 48 dB overschreden. De maximale berekende geluidbelasting bedraagt 57 dB, inclusief 5 dB aftrek op basis van artikel 110g Wgh. De uiterste aanvaardbare waarde van den = 63 dB wordt niet overschreden.
Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.
Geconcludeerd kan worden dat maatregelen om de geluidbelasting vanwege de N359 en de Rijksweg A6 te reduceren redelijkerwijs niet mogelijk en/of gewenst zijn vanwege overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige of vervoerskundige en financiële aard. Aangezien de uiterste grenswaarde van 53 dB ten gevolge van het wegverkeerslawaai op de A6 niet wordt overschreden, kan gesteld worden dat aanvraag van een hogere grenswaarde mogelijk is. Derhalve heeft de gemeente een Hogere waarden besluit genomen. Deze is als bijlage 6 toegevoegd.
Conclusie
Het omgevingsaspect geluid vormt, onder voorwaarden van het verlenen van hogere waarden. daarom geen belemmering voor de ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat.
Het aspect water is afgewogen door middel van een watertoets. De watertoets is het proces van informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel is het waarborgen en het expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing nemen van alle waterhuishoudkundige doelstellingen. Door middel van de watertoets kunnen de initiatiefnemer en waterbeheerder, al tijdens de planontwikkeling, overeenstemming bereiken over water in het ruimtelijk plan. In de watertoets worden de waterhuishoudkundige consequenties van het ruimtelijk plan beoordeeld en geconcretiseerd in termen van "vasthouden, bergen en afvoeren" en "voorkomen, scheiden en zuiveren".
De watertoets resulteert in een waterparagraaf waarin is aangegeven met welke randvoorwaarden en uitgangspunten ten aanzien van water rekening dient te worden gehouden bij de verdere uitwerking van het plan. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de afwegingen ten aanzien van water transparant.
Wetterskip Fryslân beschikt over de Leidraad Watertoets. Doel van de Leidraad Watertoets is dat in ruimtelijke plannen alle wateraspecten worden meegenomen, waarmee wordt voldaan aan de beleidsdoelstellingen van de thema's veilig, voldoende en schoon. Daarnaast zorgt de Leidraad Watertoets voor draagvlak van het wateradvies bij de gemeenten en voor een betere samenwerking tussen gemeenten en Wetterskip Fryslân tijdens het watertoetsproces. De leidraad geeft duidelijkheid over de juridische status van het wateradvies. De leidraad bevat een overzicht van de onderwerpen die vanuit het oogpunt van water van belang zijn bij ruimtelijke plannen.
Watertoets
De watertoets is een belangrijk instrument bij het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit én kwantiteit van water. Het project is via www.dewatertoets.nl aangemeld bij Wetterskip Fryslân. Het toetsresultaat wordt als bijlage 7 bij de toelichting toegevoegd. De uitkomst van de watertoets is dat een normale procedure moet worden doorlopen. Bij de uitwerking van de plannen wordt rekening gehouden met de uitgangspunten van het waterschap.
Primaire -en secundaire waterkering
Het plangebied ligt binnen de beschermingszones en de ruimtelijke reserveringszone van een primaire -en secundaire kering. De nieuwbouw wordt gerealiseerd binnen de beschermingszones en buiten de ruimtelijke reserveringszone van de primaire kering. Met 'beschermingszones' wordt de beschermingszone en de buitenbeschermingszone bedoeld.
Het plangebied valt buiten het profiel van vrije ruimte. Het plangebied valt binnen de zone 'buitenbeschermingszone binnenkant'. Dit betreft een strook waarin extreme mechanismen zoals de explosie van een hogedruk leiding, schade zouden kunnen aanrichten aan de waterkering. De ontwikkelingen in het plangebied zullen een dergelijke extreme mechanisme niet veroorzaken. Wel is het bouwen binnen de beschermingszones en buitenbeschermingszone binnenkant een vergunningsplichtige activiteit. Voor alle werkzaamheden binnen alle beschermingszones is een vergunning nodig. Dit geldt ook voor werkzaamheden binnen de ruimtelijke reserveringszone. Daarom wordt een watervergunning aangevraagd.
Een uitsnede van de leggerkaart van het wetterskip is weergegeven in figuur 10. Hierin zijn de verschillende zones weergeven. Een uitsnede van het stedenbouwkundig ontwerp inclusief de kernzone 'waterkering' en 'beschermingszone waterkering' is weergeven in figuur 11. Een gedeelte van de appartementen aan de oostkant valt binnen de zone 'beschermingszone waterkering (binnenkant)'. Het grootste gedeelte van het ontwerp valt binnen de zone 'buitenbeschermingszone binnenkant'.
Figuur 10 Uitsnede leggerkaart Wetterskip Fryslân
Figuur 11 Uitsnede leggerkaart Wetterskip Fryslân met stedenbouwkundig ontwerp
Hoofdwatergangen
Ten westen bevindt zich een hoofdwatergang. Voor hoofdwatergangen geldt een beschermingszone van 5 meter. De beschermingszone betreft de gronden aan weerszijden van het oppervlaktewaterlichaam. Met dit bestemmingsplan vinden werkzaamheden binnen de beschermingszone plaats. Werkzaamheden binnen de beschermingszone betreft een vergunningsplichtige activiteit. Daarom wordt een watervergunning aangevraagd.
Vrij voor de boezem
Het plangebied ligt vrij voor de boezem. Dit wil zeggen dat het gebied niet is beschermd tegen hoge waterstanden in de Friese boezem. Bij het bepalen van aanleghoogte zal hier rekening mee gehouden worden. Indien noodzakelijk wordt het Wetterskip gevraagd voor aanvullend advies.
Ruimtelijke adaptatie
Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming.
Bij de inrichting van het plangebied kan hierop geanticipeerd worden door bijvoorbeeld het percentage verhard oppervlak te verminderen en het plangebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen. Met voorgenoemd advies wordt bij de concrete uitvoering van de plannen rekening gehouden.
Toename verharding
Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.
Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd.
In de huidige situatie is het terrein vrijwel volledig verhard. In de nieuwe situatie is er sprake van een meer groenere inrichting. De oppervlakte verharding neemt in de toekomstige situatie dan ook af. Daarnaast wordt een jachthaven aangelegd en worden de bestaande watergangen in het gebied gedempt. Een overzicht van de huidige en toekomstige verharding is in onderstaand overzicht weergegeven. In de bijlage 8 is dit overzicht eveneens opgenomen en voor een nader beschrijving van de plannen paragraaf 2.2. Aanvullende compenserende maatregelen zijn dan nodig omdat sprake is van het dempen van bestaande watergangen. In het overzicht is te zien dat hiermee een oppervlakte van 475 m2 gepaard gaat. De nieuwe haven heeft een oppervlakte van 1.075 m2. Het dempen van water dient één op één plaats te vinden. Er wordt daarmee voldaan aan de benodigde watercompensatie. En door de toename van de oppervlakte van water is daarmee ook sprake van voldoende opvang bij piekbuien. Voor het dempen van water wordt een watervergunning aangevraagd.
Afkoppelen en waterkwaliteit
Om het aantal overstortingen van rioolwater en de belasting van rioolwaterzuiveringen te beperken, is het uitgangspunt om regenwater en rioolwater zoveel mogelijk gescheiden af te voeren. Met betrekking tot de riolering is er overleg met de gemeente. De insteek is een nieuw gescheiden rioolstelsel aan te leggen voor de nieuwbouw. Hemelwater wordt rechtstreeks op het boezemwater geloodst en het vuilwater wordt verzamelt en middels nieuw een te realiseren rioolgemaal afgevoerd via een bestaand gemeentelijk rioolstelsel naar de rioolzuivering.
Waterkwaliteit
Om een goede waterkwaliteit te realiseren is het nodig dat wordt voorkomen dat milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. De bouwwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn. Ook is het nodig dat gebouwd wordt met milieuvriendelijk en duurzaam materiaal.
Bodemverontreiniging
Onderdeel van het plan is het realiseren van een insteekhaven. Hiervoor zal het perceel worden afgegraven. Uit het bodemonderzoek is gebleken dat er een aantal hotspots met matige tot sterk verhoogde gehaltes aan zware metalen, PAK en/of minerale olie zijn aangetroffen. Voorkomen moet worden dat de verontreiniging zich kan verspreiden naar het oppervlaktewater. Bij de uitwerking van de bouwplannen wordt hiermee rekening gehouden. Met betrekking tot de bodemverontreiniging zijn de werkzaamheden inmiddels afgestemd met de vakgroep vergunningverlening.
Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig.
Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie(s).
In dit kader heeft de FUMO reeds een advies gegeven. Zie hiervoor bijlage 14. De FUMO concludeert en adviseert het volgende:
Algehele conclusie is dat in het gebied een groot aantal (rest)verontreinigingen aanwezig zijn die voor een daadwerkelijke herinrichting van het gebied op enige wijze moeten worden gesaneerd. Gezien de veelheid en complexiteit wordt geadviseerd om in een vroeg stadium het bevoegd gezag (provincie Fryslân) uit te nodigen om mee te denken over de (on)mogelijkheden en varianten welke in het kader van bodem en grondwater voor dit gebied mogelijk zijn.
Met de uitvoering van het plan wordt rekening gehouden met het advies van de FUMO. Na sanering van de gronden zullen deze geschikt zijn voor de toekomstige woonfunctie.
Voor de ontwikkeling is inmiddels ook een bodemonderzoek uitgevoerd. Deze is als bijlage toegevoegd. Aangezien op alle locaties sterke verontreinigingen aanwezig zijn, zijn ten behoeve van de voorgenomen
bouw- en herinrichtingswerkzaamheden zowel financieel als procedureel belemmerende factoren aanwezig. Aanbevolen wordt:
Conclusie
Het omgevingsaspect bodem vormt, na uitvoering van de sanering, daarom geen belemmering voor de ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat.
Beoordelingskader
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie.
Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1.500 n Chr.).
Onderzoek
De provincie beveelt in het plangebied aan om bij ingrepen van meer 5.000 m² een karterend archeologisch onderzoek te verrichten voor de periode steentijd-bronstijd. Een uitsnede van de archeologische waardenkaart, voor deze periode, is weergegeven in figuur 12. Voor de periode ijzertijd-middeleeuwen geldt voor het noordelijk deel van het plangebied een onderzoeksplicht bij ingrepen van meer 5.000 m² en voor het zuidelijk deel een onderzoeksplicht bij ingrepen groter dan 50 m². Een uitsnede van de archeologische waardenkaart, voor deze periode, is weergegeven in figuur 13.
Deze verwachtingen leidden er toe dat er in het gebied een inventariserend archeologisch onderzoek moest worden uitgevoerd. Dit onderzoek (Lemmer, Zeedijk-De Polle, gemeente Lemsterland, 2009-05/05,De steekproef, juni 2009) is reeds gedaan ten tijde van het opstellen van het geldende bestemmingsplan 'De Polle'. Zie ook bijlage 9. Voor een gedeelte van het noordelijke deel van het plangebied is geen onderzoek uitgevoerd. In figuur 14 is weergegeven voor welk deel al een archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Dit gebied is circa 3.700 m2 groot en ook al grotendeels bebouwd en dus ook al verstoord. Daarom is voor dit gedeelte van het plangebied geen archeologisch onderzoek nodig.
Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de bodem binnen het plangebied tot grote diepte verstoord en opgehoogd is. Op veruit de meeste boorlocaties beginnen de natuurlijke afzettingen pas op twee meter beneden het maaiveld. Dit betekent dat binnen het plangebied geen archeologische resten uit de periode midden-bronstijd tot vroege middeleeuwen meer te verwachten zijn.
Vanaf ruim twee en een halve meter beneden het maaiveld is binnen het plangebied de top van het dekzand aangetroffen. Dit dekzand vormt binnen het plangebied een tamelijk vlakke plaat waarvan de top is vernat en verspoeld. De podzolbodem die hier oorspronkelijk aanwezig zal zijn geweest is hierdoor grotendeels verloren gegaan. Nergens binnen het plangebied zijn archeologische indicatoren aangetroffen.
Gezien de sterke verstoring van de bovenste meters van de bodem binnen het plangebied, de door verspoeling en vernatting aangetaste top van het aangetroffen dekzand en het ontbreken van archeologische indicatoren hierin, geeft het uitgevoerde onderzoek geen aanleiding tot het adviseren van beschermende en/of beperkende maatregelen of archeologisch vervolgonderzoek. Indien tijdens werkzaamheden archeologische materialen en/of sporen aangetroffen worden, dan worden deze gemeld bij de gemeente Lemsterland conform Monumentenwet 1988, artikel 53 en verder.
Een nader onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan is niet noodzakelijk. Vanuit archeologie gelden er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan. Wel wordt zekerheidshalve een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen ter hoogte van de gronden waar nog geen onderzoek is uitgevoerd. Uit onderzoek is gebleken dat de grondlaag waarop natuurlijke afzettingen beginnen op een diepte ligt van ca. 2,00m t.o.v. het maaiveld. In de dubbelbestemming worden eventuele archeologische waarden vanaf eerder genoemde diepte daarmee beschermd.
Figuur 12 Uitsnede Friese Archeologische Monumentenkaart Extra periode steentijd-bronstijd
Figuur 13 Uitsnede Friese Archeologische Monumentenkaart Extra periode ijzertijd - middeleeuwen
Figuur 14 Deel waarvoor al archeologisch onderzoek is uitgevoerd
Conclusie
Het omgevingsaspect archeologie vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat.
De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.
In november 2019 is het gemeentelijke monumentenbeleid vastgesteld. Tegelijkertijd is de erfgoedverordening vastgesteld. Een gevolg van de vaststelling van dit beleid en de verordening is o.a. dat panden op verzoek van de eigenaar van de monumentenlijst gehaald kunnen worden. Voor de panden op onderhavige locatie is dat verzoek op 28 februari 2020 ingediend en heeft het college op 21 april 2020 besloten de monumentale status in te trekken.
De staat van deze panden is dermate slecht, dat een geschikte herinvulling van de gebouwen niet tot de mogelijkheden behoort. Dit blijkt mede uit het bouwhistorisch onderzoek welke uitgevoerd is om een uitvoerige beschrijving de bouw- en verbouwgeschiedenis vast te leggen. Zie hiervoor bijlage 10. De constructie van een (groot) deel van de panden van de voormalige Houtmolen is instabiel geworden en/of zelfs deels ingestort, waarmee de veiligheid niet meer gegarandeerd kan worden. Daarom worden de panden gesloopt.
Met de totstandkoming van het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met het historische karakter van deze gebouwen. De te bouwen woningen zijn afgestemd op de kenmerken van de omgeving en op de bestaande bebouwing in het plangebied. De ontwikkeling past binnen de bestaande stedenbouwkundige structuur. Hierbij is rekening gehouden met het uitgangspunt van behoud van de identiteit van het plangebied, herstel van de cultuurhistorische samenhang en het aansluiten op de korrelgrootte van de industriële monumenten. Het is dan ook niet noodzakelijk om nadere regels te stellen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.
Conclusie
Er wordt met respect gehandeld ten aanzien van de cultuurhistorische waarden door bij de ontwikkeling van de architectuur in te spelen op karakteristieke architectuurprincipes uit het gebied en door de haven terug te brengen.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Deze zijn geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
Natura 2000-gebieden
Het plangebied maakt geen deel uit van Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het IJsselmeer dat op circa 3 kilometer van het plangebied is gelegen. Directe effecten, zoals verstoring, verontreiniging, versnippering etc. zijn op deze afstand uit te sluiten. Indirecte hinder als gevolg van verkeersbewegingen zijn ook niet aan de orde, omdat autoverkeer de natuurgebieden niet hoeft te kruisen om de planlocatie te bereiken.
Stikstofdepositie
In Nederland staan veel Natura 2000-gebieden onder druk door een overbelasting van stikstofdepositie. Conform de wetswijziging die op 1 juli 2021 is aangenomen is het voor bestemmingsplannen uitsluitend nog noodzakelijk om de gebruiksfase te berekenen. In dit geval is sprake van een functie wijziging van bedrijf naar wonen, waarbij sprake is van gasloos wonen. Bij kleine stedelijke ontwikkelingsprojecten, zoals dit woningbouwplan geldt dat er in de gebruiksfase alleen vanuit verkeer enige stikstofemissie is te verwachten, aangezien er gasloos gebouwd moet worden. Effecten van stikstof vanwege wegverkeer hebben een beperkt bereik. Dergelijke bronnen zijn namelijk dicht bij de grond geplaatst, waardoor de stikstof snel neerslaat.
Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebied ligt op 9,6 km afstand. De verkeerstoename heeft geen verrijkende effecten. Verkeer kan enig effect hebben, maar gelet op de ligging nabij de A7 is een toename van verkeersbewegingen in de omgeving als direct gevolg van de woningen verwaarloosbaar.
Zekerheidshalve is voor de ontwikkeling een stikstofonderzoek uitgevoerd. Zie hiervoor bijlage 11. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde. Voor dit plan geldt geen vergunningplicht op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb).
Gezien de aard en de omvang van de voorgestelde ontwikkelingen en de afstand van het plangebied tot beschermde gebieden, kan worden gesteld dat dit bestemmingsplan geen (significante) effecten op de natuurwaarden in de omgeving heeft
Natuurnetwerk Nederland
Een plan mag geen activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, die leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van de NNN. Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN. Er worden daarom geen ingrepen voorgesteld. Vanuit de NNN zijn geen belemmeringen voor dit plan aan de orde.
Soortenbescherming
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Het voorkomen van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen gaan ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Op grond hiervan is, in het kader van het bestemmingsplan een verkennend veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 12 opgenomen. Uit de QuickScan is gebleken dat er mogelijk jaarrond beschermde nesten van huismus, gierzwaluw en kerkuil, algemene broedvogels en verblijfplaatsen van vleermuizen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Om overtredingen op de Wet natuurbescherming te voorkomen, is voor jaarrond beschermde nesten van huismus, gierzwaluw en kerkuil en voor verblijfsplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen nader onderzoek uitgevoerd. Zie hiervoor bijlage 13. Hierna worden de conclusies besproken.
Er zijn enkele beschermde natuurwaarden geconstateerd binnen de plangebieden; één paarverblijf en twee zomerverblijven van gewone dwergvleermuis, één zomerverblijf van ruige dwergvleermuis en één verblijfplaats van de kerkuil. Daarom is een ontheffing aangevraagd én verleend voor het ongeschikt maken of verwijderen van dergelijke verblijfplaatsen. Onderdeel van de ontheffing is het realiseren van alternatieve verblijven. Onderdeel van de ontheffing gaat verder samen met een aantal eisen aan de uitvoerperiode van de werkzaamheden en uitvoer onder (mogelijk) ecologische begeleiding.
Voor algemene broedvogels dienen enkele mitigerende maatregelen genomen te worden. Het heeft de voorkeur om buiten het vogelbroedseizoen te werken. Indien toch gestart wordt met de werkzaamheden aan het begin van het vogelbroedseizoen, dan dient het plangebied ruim voor aanvang van het broedseizoen preventief ongeschikt gemaakt te worden. Indien gestart wordt te midden van het vogelbroedseizoen, dient er eerst een controle plaats te vinden door een ter zake kundige ecoloog. Extra lichtoverlast tijdens werkzaamheden en in de nieuwe situatie moet worden voorkomen door verlichting weg te draaien van omliggende bebouwing.
Voor de overige voorkomende soorten dient bij de werkzaamheden rekening gehouden te worden met het broedseizoen van deze soorten. Er mag dan ook niet tijdens het broedseizoen gewerkt worden. Tot slot geldt de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat men de plicht heeft om schade aan wilde planten en dieren zoveel mogelijk te voorkomen.
Toetsingskader
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In voornoemde Besluiten is een verantwoordingsplicht bij een toename van het groepsrisico opgenomen.
Het aspect externe veiligheid wordt beoordeeld met het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het GR is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Voor het GR is een oriënterende waarde bepaald. Dit betreft geen harde norm, maar vormt een onderdeel bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het risico. In algemene zin geldt dat wanneer het GR onder de oriënterende waarde blijft, er sprake is van een acceptabel risiconiveau.
Risico's zijn inzichtelijk gemaakt op de risicokaart die per provincie wordt bijgehouden. Verder is door de brandweer een advies gegeven. Dit advies is als bijlage 16 toegevoegd en waar relevant in deze paragraaf verwerkt.
Buisleidingen
Op circa 225 meter van het plangebied (ten noorden en oosten) ligt een ondergrondse leiding voor het transport van aardgas. De leiding is in beheer bij de N.V. Nederlandse Gasunie. Het betreft een leiding met een inwendige diameter van acht inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Het invloedsgebied van deze leiding reikt tot 95 meter. De hogedruk aardgastransportleiding vormt daardoor ook geen belemmering voor het plangebied.
Inrichtingen
Nabij het plangebied is een risicovolle inrichting gelegen waarvan het invloedsgebied is gelegen over het plangebied. Dit betreft het tankstation Slump aan de Zeedijk 1. Het betreft een verkooppunt Motorbrandstoffen met LPG. Bij dergelijke tankstations zijn drie bronnen die een risico op de omgeving kunnen vormen. Dit betreft het vulpunt, het reservoir en de LPG-afleverinstallatie. Deze worden hierna per risicobron afzonderlijk beschreven.
Voor het vulpunt geldt een plaatsgebonden risicocontour van 35 meter en een groepsrisicocontour van 150 meter. Het vulpunt bevindt zich eveneens op de locatie van het tankstation op een afstand van circa 50 meter tot de grens van het plangebied. De woningen gebouwd buiten de plaatsgebonden risicocontour maar wel binnen de groepsrisicocontour.
Voor het reservoir geldt een plaatsgebonden risicocontour van 25 meter en een groepsrisicocontour van 150 meter. Het reservoir bevindt zich eveneens op de locatie van het tankstation op een afstand van circa 50 tot de grens van het plangebied. De woningen gebouwd buiten de plaatsgebonden risicocontour maar wel binnen de groepsrisicocontour.
Tot slot dient rekening gehouden te worden met de risico contour van de LPG-afleverinstallatie. Hiervoor geldt vanwege de veiligheid een afstand tot kwetsbare objecten van 15 meter. Binnen de risico contour worden geen woningen voorgesteld. Voor de LPG-afleverinstallatie geldt geen groepsrisicocontour.
Vanwege de ligging van het plangebied binnen de groepsrisicocontour dient door het bevoegd gezag een groepsrisicoverantwoording uitgevoerd te worden alvorens de gewenste ontwikkeling plaats kan vinden. Brandweer stelt dat bij de verantwoording van het groepsrisco het scenario warme BLEVE meegenomen dient te worden. Verder wordt geadviseerd binnen een straal van 60 meter van het vulpunt geen (beperkt) kwetsbare objecten te realiseren in verband met fakkelbrand bij de LPG tankwagen. In de plannen zoals deze nu voorliggen kan niet worden voldaan aan het advies om binnen een afstand van 60 meter, zoals genoemd in 'Circulaire effectafstanden LPG tankstations', geen (beperkt) kwetsbare objecten te realiseren.
Vervoer gevaarlijke stoffen
In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Op de A6 Knp. Joure vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De woningen worden op ongeveer 320 afstand vanaf deze weg gebouwd. Het invloedsgebied van de weg bedraagt 355 meter. Gelet hierop kan een berekening van het groepsrisico achterwege blijven en dient enkel te worden ingegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Op basis hiervan adviseert de brandweer om in lijn met artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes het scenario en bijbehorende handelingsperspectief: schuilen of vluchten van de bron af te communiceren met de toekomstige bewoners.
Beknopte verantwoording
Zelfredzaamheid
In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen.
Om toekomstige bewoners binnen deze zone van 60 meter binnenshuis te beschermen tegen hittestralingseffecten en overdrukeffecten, wordt de mogelijkheid geboden om vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet toepassing te geven aan de artikelen vallende onder '§ 4.2.14 Brand- en explosievoorschriftengebieden' van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Met het oog op de afstand t.o.v. de bron, het feit dat er in het vigerende bestemmingsplan al bebouwing toegestaan wordt op deze locatie en de mogelijke sanering van het LPG tankstation in de toekomst, ligt het in de rede om aanvullende bouweisen van toepassing te verklaren. Op deze manier wordt met alternatieve maatregelen een gelijkwaardige bescherming gerealiseerd.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid
Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen
De vluchtroutes vanuit de gebouwen en vanaf het terrein zijn in het plangebied reeds ontworpen van de aanwezige risicobronnen af. Bij de verdere technische uitwerking van de plannen wordt dit als onderdeel meegenomen. Het omliggende wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.
Daar waar er nu nog niet voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig zijn binnen of in de nabijheid van het gebied, zal een nieuwe voorziening gerealiseerd worden.
De inrichting van het gebied zal ontworpen worden aan de hand van de gemeentelijke 'Leidraad inrichting openbare ruimte' (LIOR). Hierin worden eisen gesteld aan wegen en inritten, welke minimaal overeenkomen met de eisen die daar door hulpdiensten aan gesteld worden.
Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd.
Conclusie
Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van dit bestemmingsplan niet in de weg.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden liggen op 40 µg/m³.
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate
In het Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Onderzoek
Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 99 woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. Dit blijkt ook uit het advies van de FUMO. Zie hiervoor bijlage 14.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2018 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de A6, ten oosten van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties, luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2015; 9,7 µg/m³ voor NO2, 14,7 µg/m³ voor PM10 en 8,3 µg/m³ voor PM2,5. De normen liggen voor NO2 en PM10 op 40 µg/m³ en voor PM2,5 op 20 µg/m³. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen, ruim onder de toegestane 35 dagen.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.
In of nabij het plangebied lopen geen hoofdleidingen of -kabels. Ook liggen er geen relevante zones over het plangebied.
De tekeningen van het plan zijn voorgelegd aan de nuts coördinator. Die verspreid de info naar de diverse nutspartijen. Een startoverleg is nog niet gepland i.v.m. de drukte bij de nutspartijen maar we staan wel op de lijst en zullen onze beurt af moeten wachten. Duidelijkheid is er dus nog niet. Qua riolering is er overleg met de gemeente. De insteek is een nieuw gescheiden rioolstelsel aan te leggen voor deze nieuwbouw. Hemelwater rechtstreeks op het boezemwater lozen en het vuilwater wordt verzameld en middels nieuw te realiseren rioolgemaal afgevoerd via een bestaand gemeentelijk rioolstelsel naar de rioolzuivering.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat de aspecten kabels, leidingen en zoneringen de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.
Inspraak en overleg
In het kader van het vooroverleg bestaat voor belangenorganisaties en burgers de mogelijkheid te reageren op de gemeentelijke beleidsvoornemens, zoals die zijn opgenomen in dit bestemmingsplan. Om een ieder de gelegenheid te geven zijn visie naar voren te brengen, is een inspraakprocedure gevolgd, zoals die is opgenomen in de gemeentelijke inspraakverordening. In dezelfde fase is het plan ook voorgelegd aan de betrokken diensten en instanties als bedoeld in het Overleg van het Besluit ruimtelijke ordening. De overlegreacties zijn samengevat in een aparte inspraaknota en als bijlage toegevoegd. De inspraaknota is opgenomen in bijlage 16. De overlegreactie van de provincie, het waterschap en de brandweer hebben tot aanpassingen in de toelichting geleid.
Tevens is in het voortraject op 1 februari 2022 een voorlichtingsbijeenkomst georganiseerd door de ontwikkelaar en gemeente waarbij belanghebbenden (waaronder Stichting Dorpsbehoud Lemsterland) en de gemeenteraad uitgenodigd zijn om kennis te nemen van de voorgenomen plannen.
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening met ingang van woensdag 30 november 2022 gedurende een periode van 6 weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende de periode van terinzagelegging zijn geen schriftelijke / mondelinge zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan ingediend. Wel heeft Provinsje Fryslân en Wetterskip Fryslân gereageerd op het plan. De volledige inhoud hiervan is opgenomen in bijlage 17 Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen. De reactie van de provincie heeft tot een wijziging in paragraaf 3.2 geleid en de reactie van het Wetterskip tot een wijziging in paragraaf 4.4.
Vaststelling
Het bestemmingsplan is vervolgens vastgesteld op 18 oktober 2023. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan wordt vervolgens nog een keer voor zes weken ter inzage gelegd. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te stellen tegen het besluit en het plan.
De economische uitvoerbaarheid van een plan wordt in eerste instantie bepaald door de financiële haalbaarheid ervan. Daarnaast is de grondexploitatieregeling uit de Wro van belang voor de economische uitvoerbaarheid. Deze regeling bepaalt dat de gemeente de door haar gemaakte kosten kan verhalen. Het kostenverhaal heeft dus ook invloed op de haalbaarheid van het plan.
Financiële haalbaarheid
Over de verdeling van de kosten, voor de herinrichting van het openbaar gebied, worden afspraken gemaakt. De kosten hiervoor komen uit financiële middelen van de gemeente en de ontwikkelaars. De kosten voor de ontwikkeling van de woningen worden verhaald uit de verhuur en verkoop van de woningen. Het in paragraaf 2.3 beschreven programma is afgestemd op de noodzakelijke investeringen. Zoals beschreven in hoofdstuk 3 is de behoefte voor dit programma evident. Daarmee is de financiële haalbaarheid geborgd.
Grondexploitatie
De grondexploitatieregeling uit de Wro is van toepassing op dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van woongebouwen en grondgebonden woningen. Dit zijn bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatieregeling bepaalt dat de gemeente in beginsel samen met dit bestemmingsplan een exploitatieplan moet vaststellen. Hiervan kan worden afgezien als de kosten 'anderszins verzekerd' zijn, bijvoorbeeld door overeenkomsten.
De betrokken partijen hebben een exploitatieovereenkomst gesloten, waarin onder andere de verdeling van kosten is verzekerd. Van de verplichting tot het opstellen van een grondexploitatieplan kan daarom worden afgezien.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Bro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Verder sluit de regeling in het voorliggende bestemmingsplan aan bij het bestemmingsplan 'De Polle' en het 'Paraplubestemmingsplan Parkeernormen' en het Handboek Bestemmingsplannen De Fryske Marren.
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
In deze paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen zoals deze op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen, beschreven.
Verkeer
De ontsluitingswegen in het plangebied hebben de bestemming 'Verkeer' gekregen. Ook bermen en sloten en begeleidende groenstroken e.d. worden in deze bestemming meegenomen.
Water
De bestemming Water wordt gelegd op het water van de toekomstige jachthaven. Binnen deze bestemming zijn ter plaatse van de aanduiding 'steiger' ook steigers, vlonders, ed. toegestaan. Ligplaatsen voor recreatieve vaartuigen zijn alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'ligplaats'.
Wonen - 2
De grondgebonden woningen in het plangebied hebben de bestemming Wonen - 2 gekregen. Deze zijn bedoeld voor woningen met twee bouwlagen met kap. De woningen moeten aaneen gebouwd worden. Door middel van de aanduiding 'maximum aantal aaneen te bouwen hoofdgebouwen' is bepaald hoeveel woningen aaneen gebouwd mogen worden. De goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal 6,5 en 12 meter.
Wonen - Woongebouw
De bestemming 'Wonen - Woongebouw' is van toepassing op de woongebouwen in het gebied. Het betreft de gebouwen in meerdere bouwlagen met meerdere woningen/appartementen. De woongebouwen dienen binnen het aangegeven bouwvlak gerealiseerd te worden. De bouwhoogte is als zodanig op de verbeelding aangegeven.