| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Wateringen-Noord |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | Omgevingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1783.TAMWATRINGENNRDpbp-VA01 |
Al geruime tijd bestaat het voornemen om het verouderde glastuinbouwgebied ten noorden van de Poeldijkseweg, Wateringen-Noord, te transformeren naar een woningbouwlocatie. In de Structuurvisie Westand 2025 was hier door de gemeente al op voorgesorteerd door dit perspectief op langere termijn te schetsen. In de Omgevingsvisie 2.0 (2020) is de ontwikkeling ook weer opgenomen. In 2016 is door de gemeenteraad het besluit genomen om woningbouw te realiseren op de gemeentelijke gronden 'Tuin van Lely'. Omdat deze gronden niet over adequate ontsluitingsmogelijkheden beschikken en om de woonwijk als geheel in goede samenhang te kunnen ontwikkelen, is besloten om het gehele gebied integraal te ontwikkelen.
In 2017 is met de andere grondeigenaren en een klankbordgroep van omwonenden een concept gebiedsvisie opgesteld. Vanwege nieuwe inzichten in milieucontouren, ruimtereserveringen voor transformaties van de Wippolderlaan en ecozone Erasmusweg, hogere ambities op gebied van duurzaamheid, het afwegingsproces rond de bovenliggende Visie Wateringen (2020) en beperkte financiële haalbaarheid is deze visie in oktober 2020 herzien (zie Bijlage 1).
Aan de hand van de gebiedsvisie is vervolgens gewerkt aan een stedenbouwkundig plan voor het gebied (zie Bijlage 2). Naast de gebiedsvisie hebben onder meer een stedenbouwkundige verkenning, Q-boek, het Programma voor standaardinrichting openbare ruimte, een parkeeronderzoek en waterhuishoudkundig plan als input gediend. Het stedenbouwkundig plan is, en wordt, dan ook in nauwe samenwerking tussen de gemeente, ontwikkelaar en inhoudelijk deskundigen uitgewerkt.
De voorgenomen ontwikkeling van een nieuwe woonwijk met verschillende typen woningen, zorg- en aanleunwoningen, een onderwijsvoorziening en de bijbehorende infrastructuur past niet binnen het geldende omgevingsplan van de gemeente Westland. Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt de ontwikkeling in juridisch-planologische zin mogelijk gemaakt.
Het werkingsgebied van de omgevingsplanwijziging (hierna: het plangebied) ligt aan de noordwestzijde van de kern Wateringen, gemeente Westland. Aan de westzijde van het plangebied ligt de provinciale weg N211, beter bekend als de Wippolderlaan. Aan de noordkant grenst het plangebied aan de het bestaande stedelijk gebied van Den Haag. Aan de oost- en zuidzijde vormt de bestaande kern van Wateringen de globale begrenzing van het plangebied. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied op grotere schaal weergegeven.
Afbeelding 1.1: ligging plangebied op grote schaal.
Wanneer er meer ingezoomd wordt is te zien dat het plangebied aan drie zijdes wordt afgebakend door verschillende wegen. Aan de noordzijde vormt de Erasmusweg de begrenzing van het plangebied. De Wippolderlaan vormt de westelijke begrenzing. Aan de zuidkant van het plangebied ligt de Poeldijkseweg. De zuidelijk berm van deze weg vormt hier de begrenzing. Ten slotte vormt de bestaande bedrijvigheid en woonbebouwing aan de Ambachtsweg de begrenzing aan de oostzijde. In afbeelding 1.2 is de globale begrenzing van het plangebied en de ligging ten opzichte van de directe omgeving weergegeven.
Afbeelding 1.2: globale begrenzing plangebied en ligging ten opzichte van de directe omgeving.
Sinds 1 januari 2024 geldt voor de gehele gemeente één omgevingsplan. Het omgevingsplan gemeente Westland dat van rechtswege is ontstaan bestaat hoofdzakelijk uit een bundeling van alle geldende ruimtelijke besluiten (waaronder bestemmingsplannen) en de bruidsschat (hoofdstuk 22). Dit 'tijdelijke deel' van het omgevingsplan zal de gemeente gedurende de transitieperiode gebiedsgewijs omzetten naar het 'nieuwe deel' van het omgevingsplan (dat voldoet aan alle eisen van de wet).
Ter plaatse van het voorliggende plangebied vigeren de volgende voormalige bestemmingsplannen, als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Westland:
In afbeelding 1.3 is de plangrens van deze omgevingsplanwijziging weergegeven ten opzichte van de vigerende plangrenzen. In blauw is het plangebied van het bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied' weergegeven. Het plangebied van het bestemmingsplan 'Kern Wateringen' is met oranje aangeduid. Het paraplubestemmingsplan is slechts een herziening van de andere twee bestemmingsplannen met betrekking tot de regels over parkeren.
Afbeelding 1.3: plangrens omgevingsplanwijziging ten opzichte van vigerende plangrenzen.
Afbeelding 1.4: Uitsnede voormalige bestemmingsplannen ter plaatse van voorliggend plangebied (rode begrenzing).
Glastuinbouwgebied
Het grootste gedeelte van de gronden van het plangebied ligt binnen het voormalige bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied'. Het centrale en daarmee grootste deel kent de bestemming 'Agrarisch - Glastuinbouw'. Het noordoostelijk deel van het plangebied is voorzien van de enkelbestemmingen 'Recreatie - Volkstuinen' en 'Groen'. Aan de Poeldijkseweg zijn een aantal bestaande woningen en bedrijven gelegen. De woonpercelen zijn in het bestemmingsplan voorzien van de bestemmingen 'Wonen' en 'Wonen - Voormalige Boerderij'. De meest westelijke bedrijfspercelen zijn bestemd als 'Bedrijf - Agrarisch Aanverwant Bedrijf'. Het meest oostelijk bedrijf kent de enkelbestemming 'Bedrijf'.
Naast de verschillende enkelbestemmingen kent het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Het noordelijk deel kent de gebiedsaanduiding 'overige zone - waarde 4'. Het gedeelte tegen de Poeldijkseweg aan kent de gebiedsaanduiding 'overige zone - waarde 3'.
Kern Wateringen
De gronden in het plangebied die binnen het bestemmingsplan 'Kern Wateringen' vallen kennen daarin de enkelbestemmingen 'Groen' en 'Verkeer'. Daarnaast is voor de zuidelijke gronden, ter hoogte van de Poeldijkseweg, de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' opgenomen. De oostelijke gronden die binnen het bestemmingsplan liggen, zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'. In afbeelding 1.4 is een uitsnede van de voormalige bestemmingsplannen weergegeven.
Strijdigheid met vigerende regels
In de toekomstige situatie is voorzien in de realisatie van woningbouw en maatschappelijke functies. Op basis van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (de voormalige bestemmingsplannen) zijn in het plangebied woningen en maatschappelijke functies niet toegestaan. In functioneel opzicht bestaat daarmee strijdigheid. Ook de bebouwingsmogelijkheden die het geldende omgevingsplan biedt zijn niet toereikend om de gewenste ontwikkeling te kunnen realiseren. Deze wijziging van het omgevingsplan voorziet in een nieuw juridisch-planologisch kader om de voorgenomen ontwikkelingen te kunnen realiseren.
Met het in werking treden van de Omgevingswet (Ow) komen veel rijksregels uit onder meer het Activiteitenbesluit, Besluit omgevingsrecht, Bouwbesluit en de Woningwet te vervallen. Waar deze regels toch nodig zijn om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te borgen, moeten gemeenten deze opnemen in het omgevingsplan. Bij de inwerkingtreding van de Ow zijn de tot dat moment geldende bestemmingsplannen overgegaan in een omgevingsplan van rechtswege. De vervallen rijksregels zijn daarin logischerwijs niet opgenomen. Om ervoor te zorgen dat hierdoor geen regelhiaat ontstaat, worden deze vervallen rijksregels van rechtswege als 'bruidsschat' aan het omgevingsplan van rechtswege gehecht. Deze bruidsschatregels zijn opgenomen in hoofdstuk 1 (begripsbepalingen) en hoofdstuk 22 (inhoudelijke regels) van het omgevingsplan. Hoewel deze bruidsschat onderdeel uitmaakt van het zogenoemde 'tijdelijke deel' van het omgevingsplan, blijft deze van kracht tot het moment dat de gemeente deze regels met een besluit tot wijzigen van het omgevingsplan wijzigt of laat vervallen.
Voorrangsregel
In artikel 22.1 is een voorrangsregel opgenomen die regelt welke regel voorgaat bij strijdigheid met andere regels uit het tijdelijk omgevingsplan (zie de opsomming in artikel 4.6, eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet). In geval van strijdigheid prevaleert de regel uit het tijdelijk omgevingsplan boven de regel uit hoofdstuk 22. Aandachtspunt daarbij is dat op grond van deze voorrangsregel de strijdige regel uit hoofdstuk 22 komt te vervallen. Er geldt op dat moment voor dat onderwerp dus geen regel om de evenwichtige toedeling van functies aan locaties te borgen anders dan de regel in het tijdelijke deel die uit het bestemmingsplan stamt.
Bouwen en de bruidsschat
In de bruidsschat staan verschillende regels over bouwen en bouwwerken. Het gaat met name om zaken die voorheen in het Bouwbesluit, de Wabo en het Besluit omgevingsrecht geregeld waren. Naast diverse rechtstreeks werkende regels, is in het bijzonder van belang dat hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een binnenplanse vergunningplicht bevat voor de 'omgevingsplanactiviteit bouwwerken'. Op grond van artikel 22.26 is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Daarbij zijn er beoordelingsregels en aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunning opgenomen. Deze vergunningplicht is vergelijkbaar met de vergunningplicht zoals voorheen in de Wabo stond. Ook zijn uitzonderingen op de vergunningplicht bepaald (artikel 22.27 en 22.36). Dit komt gedeeltelijk overeen met de vergunningvrije gevallen uit bijlage II van het voormalige Bor; bepaalde bouwactiviteiten zijn nog altijd landelijk vergunningvrij (artikel 2.29 Bbl).
Milieubelastende activiteiten en de bruidsschat
Hoofdstuk 22 bevat milieuregels voor activiteiten die lokaal geregeld kunnen worden. Bijvoorbeeld over geluidshinder of geurhinder bij een horecagelegenheid, sportinrichting of een winkel. Ook bevat de bruidsschat regels over immissies van geluid, geur en trillingen.
Regels hoofdstuk 22 in relatie tot Wateringen-Noord
Bij de voorliggende wijziging van het omgevingsplan is ervoor gekozen om de bruidsschat intact te laten. Dat betekent dat de regels over onder meer bouwen en milieubelastende activiteiten uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van toepassing blijven. Afdeling 22.5 is ook van toepassing op regels in hoofdstuk 22a. Zo geldt bijvoorbeeld artikel 22.283 met de aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk ook voor de vergunningplicht in artikel 22a.14.4.1.
De omgevingsplanwijziging "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Wateringen-Noord" bestaat uit een set regels, bijbehorende werkingsgebieden en een motivering. Deze motivering is als volgt opgebouwd. In Hoofdstuk 2 komt de gebiedsvisie aan de orde. Hierin wordt het ruimtelijk beleidskader en het plan beschreven en getoetst. In Hoofdstuk 3 komen de verschillende milieu- en omgevingsaspecten aan bod. Hierbij worden per thema de relevante juridische en beleidskaders beknopt weergegeven, waarna vervolgens de effecten in relatie tot de beoogde toekomstige situatie worden beoordeeld (inclusief alle bijbehorende onderzoeken). In Hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op de regelmethodiek van het plan. Tot slot wordt in Hoofdstuk 5 ingegaan op de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
De beleidscontext voor de visie op het plangebied wordt gevormd door gemeentelijke, regionale, provinciale en landelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat. Het hier samengevatte beleidskader is niet uitputtend. In de motivering wordt op een aantal plaatsen verwezen naar specifiek beleid of beleidsnotities die niet in deze paragraaf worden behandeld. Tot slot wordt in dit hoofdstuk een beschrijving gegeven van de visie op het plangebied. Deze visie is gericht op het realiseren van de gewenste ontwikkelingen met behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit.
Omgevingswet en AMvB's
de Omgevingswet is de grondslag voor het opstellen van het voorliggende omgevingsplan. De Omgevingswet bundelt en moderniseert de wetten voor de leefomgeving. Hierbij gaat het onder andere om wet- en regelgeving over bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur:
In de navolgende paragrafen wordt ingegaan op de inhoud van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
De regels van het Bal zijn afkomstig uit een tiental AmvB's en wetten. In het Bal stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Dit geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving, namelijk burgers, bedrijven en overheden. Zij moeten zich aan de regels van het Bal houden als zij een milieubelastende activiteit uitvoeren, die met name nadelige gevolgen hebben op de bodem, lucht, geur, lozingen en gebruik van energie. In bepaalde gevallen is daarvoor een omgevingsvergunning nodig. Op de onderstaande onderwerpen beschrijft het Bal landelijke regels:
Onder voorwaarden is het toegestaan om aanvullend op de regels uit het Bal, regels in het omgevingsplan op te nemen. Daarnaast is het toegestaan om in het omgevingsplan onder voorwaarden af te wijken van de regels uit het Bal. Hoofdregel daarbij is dat deze decentrale regels geen verruiming mogen inhouden ten opzichte van het beschermingsniveau dat het Bal biedt. Het Bal bepaalt niet dat zaken in het omgevingsplan geregeld moeten worden. In het Bal wordt aangegeven aan welke regels met name de zwaardere milieubelastende activiteiten moeten voldoen en bevat regels voor locatiespecifieke en onderwerpspecifieke activiteiten. Onder voorwaarden is het toegestaan aanvullend regels (decentraal) in het omgevingsplan te regelen. Het Bal bepaalt voor welke activiteiten een melding of een omgevingsvergunning (op grond van het Bal) nodig is. Afwijken van of aanvullen op het Bal is alleen mogelijk als dit uitdrukkelijk in het Bal is opgenomen (via maatwerkregels, maatwerkvoorschriften of een gelijkwaardige maatregel).
Besluit Bouwwerken leefomgeving (Bbl)
De regels uit het Bbl komen veelal overeen met regels uit het Bouwbesluit 2012. Het Bbl bevat rechtstreeks werkende, algemene rijksregels over activiteiten die betrekking hebben op bouwwerken, zoals gebruik, bouwen en slopen, maar ook over aspecten als veiligheid, duurzaamheid en gezondheid. Het Bbl regelt met name de technische aspecten van een bouwwerk. Het ruimtelijke deel van het bouwen wordt met name in het omgevingsplan geregeld. De onderwerpen waarover rijksregels gesteld zijn, zijn uitputtend geregeld. Dit betekent dat indien over een onderwerp geen rijksregels gesteld zijn, de gemeente de bevoegdheid heeft om daar regels over te stellen.
Met de Omgevingswet wordt de omgevingsvergunning voor bouwen in een 'technisch' en 'ruimtelijk' deel opgedeeld. Dit is de zogenoemde knip, wat maakt dat de activiteit voor bouwen feitelijk uit twee afzonderlijke activiteiten bestaat: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk.
De technische bouwactiviteit
Deze activiteit gaat over de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Bbl, denk bijvoorbeeld aan de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Het is niet mogelijk af te wijken van de regels over de technische bouwactiviteit uit het Bbl in het omgevingsplan.
De omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk
Deze activiteit gaat over de toets van het bouwen van een bouwwerk voor het ruimtelijk bouwen, het in stand houden en het gebruiken van een bouwwerk aan het omgevingsplan. Deze omgevingsplanactiviteit bestaat dus uit het juridisch mogelijk maken van de feitelijke bouwactiviteit. Hierbij gaat het onder andere om regels over de beperking van de omvang van het bouwwerk (hoogte, oppervlakte en dergelijke), alsmede om het uiterlijk van een bouwwerk (welstand). Deze regels zijn niet alleen opgenomen in het Bbl, maar staan ook in de Bruidsschat. Van de regels in de Bruidsschat kan worden afgeweken in het omgevingsplan. Door de knip bepaalt de gemeente nu zelf in het omgevingsplan voor welke omgevingsplanactiviteiten een vergunningplicht geldt.
Vergunningvrij bouwen
Zowel voor de technische bouwactiviteit als voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk heeft het Rijk vergunningvrije gevallen aangewezen in het Bbl. Hier kan lokaal niet van worden afgeweken. Voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk zijn ook vergunningvrije gevallen aangewezen in de Bruidsschat. De Bruidsschat werkt hierin aanvullend op het Bbl. Voor deze gevallen kan in het omgevingsplan worden bepaald welke daarvan in het (nieuwe) deel van het omgevingsplan worden opgenomen.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Het Bkl richt zich op bestuursorganen en geeft inhoudelijke normen voor de uitoefening van hun taken en bevoegdheden, onder andere bij het opstellen van omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en het vaststellen van omgevingsvergunningen en projectbesluiten. In hoofdstuk 5 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen waar de gemeente bij het opstellen van het omgevingsplan aan moet voldoen. Deze instructieregels kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen.
Deze omgevingsplanwijziging bevat alleen de regels die ten opzichte van het 'tijdelijke' omgevingsplan nodig zijn om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken, en te voldoen aan wet- en regelgeving. Bij deze wijziging van het omgevingsplan in verband met de voorgenomen ontwikkeling, worden de milieubelastende activiteiten voor het merendeel onder het overgangsrecht geplaatst. Op deze milieubelastende activiteiten blijven de regels uit de bruidsschat (hoofdstuk 22 van het omgevingsplan) van toepassing. Waar relevant gaat hoofdstuk 5 van deze motivering per omgevingsaspect nader in op hoe in deze omgevingsplanwijziging met de instructieregels uit het Bkl is omgegaan.
Ladder voor duurzame verstedelijking (Bkl)
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling een onderbouwing op te nemen van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de locatiekeuze, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
In artikel 5.129g van het Bkl wordt de ladder als volgt omschreven:
Toetsing
De Zuid-Hollandse Woningbehoefteraming 2023 (WBR2023) geeft voor elke regio inzicht in hoeveel extra woningen er nodig zijn. Voor de periode 2023 tot en met 2032 geldt in de regio Haaglanden een gewenste woningvoorraadtoename van 82.600 woningen, tegenover een plancapaciteit uit het regionale woningbouwprogramma van 67.300 (81%, gewenst is 130%). Daarmee is de behoefte groter dan verwacht in 2019 en 2021. Naast de WBR2023 is ook de Regionale Realisatieagenda Wonen Haaglanden relevant. Dit is een uitwerking van regionale woningmarktafspraken en functioneert als regionale woondeal. De Regionale realisatieagenda is onder meer ondertekend door GS van Zuid-Holland en B&W van Westland. Daarin is voor de periode t/m 2030 een woningbouwprogramma opgenomen voor de regio Haaglanden van 74.445 woningen, en specifiek voor de gemeente Westland van 7.212 woningen. Daarbij is in een overzicht van projecten in de regio de bouwlocatie 'Transformatiegebied Wateringen N(1)' opgenomen, met 800 woningen.
De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 1.050 woningen in verschillende typologieën en segmenten, waarvan circa 100 (sociale zorgwoningen). Daarmee wordt invulling gegeven aan de grote regionale behoefte, het regionaal afgesproken woningbouwprogramma voor Westland en specifiek de realisatie van de in de woondeal opgenomen bouwlocatie. Het extra aantal woningen geeft verdere invulling aan de ambities in de regionale afspraken om de woningbouw te versnellen en voor een ruimere plancapaciteit. In kwalitatief opzicht worden woningen in verschillende segmenten gerealiseerd, met als uitgangspunt circa een derde sociale huur, circa een derde betaalbare woningen (zowel koop als huur) en circa een derde woningen in de vrije sector (ook zowel koop als huur). Daarmee wordt voorzien in de behoefte van verschillende doelgroepen, in het bijzonder de groeiende behoefte aan betaalbare woningen. Paragraaf 2.1.3 gaat nader in op de toetsing aan de gemeentelijke woonvisie.
Wat betreft de locatiekeuze is het plangebied opgenomen als 'grote buitenstedelijke bouwlocatie' in de provinciale omgevingsverordening (de zogenaamde '3 ha-kaart'). Zie hiervoor ook paragraaf 2.1.2. Daarmee is de locatiekeuze buiten bestaand stads- en dorpsgebied met de provincie afgestemd en onderbouwd.
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Met de komst van de Omgevingswet die in 2024 in werking is getreden, is het van belang dat de ruimtelijke opgave in lijn is met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De eerste NOVI is vastgesteld in 2021. De NOVI bestaat uit één Rijksvisie op de leefomgeving. Het uitgangspunt van dit beleidsdocument is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in een samenhangend geheel. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050. Om dit te realiseren is collectieve verantwoordelijkheid van alle overheden van belang.
Het Rijk benoemt in de NOVI 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid en vermeldt hierbij de opgaven en de rol van het Rijk bij het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven worden samengebracht in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn:
Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit.
Een gezonde leefomgeving die zo min mogelijk negatieve invloed heeft op de gezondheid is volgens het Rijk van belang. De omgeving dient uitnodigend te zijn voor gezond gedrag en dient een plek te zijn waar inwoners zich prettig voelen.
De omvang van de vraag is afhankelijk van de het tempo van economische groei, maar ook van de specifieke bedrijfstaksamenstelling per regio, omdat de ramingen voor verschillende bedrijfstakken uiteenlopen. Het Rijk stelt dat een zorgvuldige raming van ruimtebehoefte- en aanbod van groot belang is. Om voldoende ruimte voor economische activiteit te faciliteren en deze optimaal te benutten, stellen overheden regionale programma's en transitieagenda's op.
Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen en (groot)winkelbedrijven moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk. Deze locaties moeten goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven én de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken.
Wateringen-Noord is een woonwijk die voorziet in een (lokale) behoefte aan nieuwe woningen in diverse typologieën en segmenten. Bij de ontwikkeling van dit woongebied is rekening gehouden met de historische verkaveling en de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptatie. Daarnaast zijn verschillende omgevingsaspecten beschouwd en is expliciet aandacht besteed aan de aanwezige bedrijven in de omgeving. Ook is bekeken in hoeverre de omliggende infrastructuur passend is. Hiermee is voorgenomen ontwikkeling in lijn met de NOVI.
Toetsing
Voorliggend projectgebied wordt niet specifiek benoemd in de NOVI.
Omgevingsbeleid Zuid-Holland
Het omgevingsbeleid Zuid-Holland is op 1 april 2019 in werking getreden. De laatste update (herziening 2024) dateert van 11 december 2024. Het omgevingsbeleid omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland. Het bestaat uit drie hoofdinstrumenten: de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma en de omgevingsverordening. De omgevingsvisie schetst de beleidskaders; de strategische ambities, beleidsdoelen en -keuzes voor de toekomst van de fysieke leefomgeving van Zuid-Holland. In het omgevingsprogramma zijn deze nader uitgewerkt in maatregelen die de provincie treft. De omgevingsverordening stelt de juridische kaders; instructieregels voor andere overheden en direct werkende regels voor burgers en bedrijven. De provincie wijzigt de verschillende onderdelen wanneer daartoe aanleiding is; de laatste herziening van het beleid is op 1 juli 2025 geconsolideerd in werking getreden.
Introductie op het omgevingsbeleid: de ruimtelijke hoofdstructuur
Zuid-Holland wil slim en schoon zijn. Klimaatverandering heeft in het laaggelegen deltagebied grote ruimtelijke, economische en sociale gevolgen. Als open economie is Zuid-Holland gevoelig voor gevolgen van globalisering. De segregatie neemt toe. De energie-intensieve economie heeft, zoals ook benoemd in het klimaatakkoord van Parijs, alleen toekomst als wordt overgegaan tot verduurzaming. De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: naar een klimaatbestendige delta, naar een nieuwe economie (the next level), naar een levendige meerkernige metropool, energievernieuwing, best bereikbare provincie en gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Belangrijk om de ambities waar te kunnen maken zijn innovatieve oplossingen voor waterberging en het voorkomen van hittestress, de overstap van een fossiele naar een circulaire economie, het uitbreiden van warmtenetten, een forse woningopgave en de verduurzaming van woningen, vitale kernen, het aanpakken van verkeersknelpunten, het versterken van openbaar vervoer en gebruik van de fiets en de kwaliteit van de leefomgeving versterken door natuur, water, recreatie, cultureel erfgoed en economie in samenhang te bezien.
De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de omgevingsvisie.
Afbeelding 2.1: Ruimtelijke hoofdstructuur omgevingsvisie Zuid-Holland.
Gemeente Westland laat zich kenmerken door de glastuinbouw (Greenport Westland) omringd door kust, natuur en stedelijk groen met daarbinnen woonkernen en logistieke overslagpunten. Naaldwijk is als regiokern aangewezen. Wateringen behoort tot de stedelijke agglomeratie. Nabij de vestiging van Flora Holland is een kenniscentrum aangegeven.
Wat betreft mobiliteit is een (boven) regionale HOV-net busroute voorzien van Den Haag, via Naaldwijk naar Maassluis, alwaar op het HOV-net kan worden aangesloten richting Rotterdam. De greenport wordt benoemd als volwassen cluster dat tot de wereldtop behoort. Deze positie moet behouden blijven en waar mogelijk versterkt worden. Er wordt gestreefd naar synergie van mainport Rotterdam en de greenports. De groene ruimte heeft intrinsieke waarde en het kustlandschap vormt mede de grondslag voor de identiteit van de bebouwde en groene ruimte. De provincie zet in op de groenblauwe structuur om groene kwaliteiten binnen en buiten stedelijk gebied te versterken en de samenhang tussen parken, recreatiegebieden, natuurgebieden en agrarisch landschap te vergroten.
Ambities
De met deze wijziging mogelijk gemaakte ontwikkeling draagt op verschillende vlakken bij aan de ambities die door de provincie Zuid-Holland zijn gesteld.
Klimaatbestendige delta
De provincie Zuid-Holland heeft met overheden, organisaties en marktpartijen hiertoe afspraken gemaakt die in 2018 zijn vastgelegd in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Vooruitlopend op een definitief instrumentarium is een Minimaal Programma van Eisen ontwikkeld.
De gemeente Westland heeft het convenant ondertekend en dit eisenpakket is dan ook vertrekpunt voor de gebiedsvisie. Concreet betekent dit voor de inrichting dat een groot deel van de neerslag van hevige buien wordt opgevangen of vertraagd en geleidelijk wordt afgevoerd zodat een en ander niet leidt tot grote schade. Kwantitatief dient de helft van de jaarlijkse neerslag in de bodem te worden geïnfiltreerd. In het plan is rekening gehouden met de verhouding tussen verhard en onverhard oppervlak. Om te zorgen dat de bebouwde omgeving ook tijdens warme periodes gezond en aantrekkelijk blijft is voor fietsers en voetgangers 50% van de hoofdroutes beschaduwd en wordt 40% van alle oppervlakken warmtewerend of verkoelend ingericht.
Energievernieuwing
Vanuit de (internationale) energietransitie wordt de nieuwe wijk niet meer aangesloten op het aardgasnet maar zullen andere en vooral hernieuwbare vormen van met name verwarming gezocht moeten worden. Te denken valt aan restwarmte uit de Maasvlakte en regionale geothermie bronnen. Ten zuidwesten van de kern Wateringen, aan de andere zijde van de Wippolderlaan, wordt ruimte gereserveerd om het Warmtesysteem Westland, onder andere gevoed door geothermie, mogelijk te maken. Echter de wijk ligt nog op grote afstand van het WSW en de planning van de nieuwbouw loopt vooralsnog voor op de aanleg van deze energie-infrastructuur. Alternatieven zijn een all-electric oplossing of dat aansluiting wordt gezocht bij het Haagse warmtenet.
Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving
Met voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuwe woonwijk gerealiseerd waar verschillende doelgroepen zich kunnen huisvesten. In verschillende woonsferen worden woonbuurten gerealiseerd. Bij de planvorming is aandacht besteed aan de gezondheid en veiligheid van de leefomgeving. In hoofdstuk 3 is hierover meer informatie opgenomen.
Omgevingskwaliteit
Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Ofwel een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid).
De omgevingskwaliteit bestaat uit de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland, het toepassen van de leefomgevingstoets (beleidscyclus en monitoring) en een nadere uitwerking van het provinciale beleid. Dit laatste gebeurt door middel van een 'kwaliteitskaart' en bijbehorende 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.
Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen
De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit.
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten (de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving), samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. Ontwikkelingen moeten rekening houden met deze richtpunten. De kwaliteiten zijn uitgewerkt in de gebiedsprofielen.
Het plangebied is opgenomen in drie van de vier kwaliteitskaarten. In de laag van de ondergrond is het plangebied aangeduid als 'Rivierdeltacomplex - jonge zeeklei' en deels als 'Bijzonder reliëf en aardkundige waarden'. Ontwikkelingen in het gebied 'Rivierdeltacomplex - jonge zeeklei' dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een verslechtering hiervan.
Ontwikkeling in het gebied 'Bijzonder reliëf en aardkundige waarden' houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De hoofdstructuur van dit plan is gebaseerd op de historische watergangen die in de huidige kavels nog grotendeels herkenbaar zijn. Waar mogelijk zijn deze watergangen behouden in de toekomstige situatie en vormen ze de drager van het plan. Meer hierover in paragraaf 2.3.2. De ontwikkeling is hiermee in lijn met de uitgangspunt uit deze kwaliteitskaart.
In de laag van de beleving is de Erasmusweg aangeduid als 'Fiets- en wandelroute indicatief'. Uitgangspunt hierbij is dat (nieuwe) obstakels en omwegen zoveel mogelijk moeten worden voorkomen in het recreatief netwerk. Daarnaast dienen recreatieve voorzieningen zoveel mogelijk gekoppeld te worden aan recreatieknooppunten in het recreatief netwerk. Aan de Erasmusweg is voorzien in een groene zone. De ontwikkeling hiervan draagt bij aan de beleefbaarheid van deze fiets- en wandelroute en is daarmee in lijn met de uitgangspunten van deze kwaliteitskaart.
Ten slotte is het plangebied in de laag van de stedelijke occupatie nog aangeduid als 'stads- en dorpsrand'. Er worden drie typen 'overgangskwaliteiten' onderscheiden. In voorliggend geval is sprake van 'contact' omdat het bebouwd gebied en het landschap (het glastuinbouwgebied) verbonden zijn door zichtbare structuren, namelijk de waterlopen. Deze soort overgang is typisch voor dorpen of buitenwijken, waarbij de stedenbouwkundige opzet bijvoorbeeld geënt is op het oorspronkelijke landschappelijke (kavel)patroon. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit. De hoofdstructuur van het toekomstig woongebied is gebaseerd op het historische patroon van de verschillende watergangen. Deze watergangen vormen de drager van het plan en zorgt daarmee voor een passende overgangskwaliteit.
Omgevingsprogramma Zuid-Holland
Het Omgevingsprogramma Zuid-Holland is parallel aan de omgevingsvisie en omgevingsverordening opgesteld. Het omgevingsprogramma bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de omgevingsvisie. In het Omgevingsprogramma staat beschreven welke maatregelen de provincie treft om de visie waar te maken. Het Omgevingsprogramma geeft bijvoorbeeld aan voor welke initiatieven subsidies worden verleend en aan welke provinciale wegen wordt gewerkt. Het Omgevingsprogramma is een overzicht van alle maatregelen inclusief de onderliggende activiteiten. Ten aanzien van het voorliggende plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan in het omgevingsprogramma.
Zuid-Hollandse Omgevingsverordening
Naast één omgevingsvisie moet de provincie onder de Omgevingswet ook één omgevingsverordening voor haar grondgebied vaststellen. Per 1 januari 2024 geldt de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV), die de voorheen geldende 'Omgevingsverordening Zuid-Holland' heeft vervangen. De omgevingsverordening bevat alle provinciale regels op het gebied van de fysieke leefomgeving. Dat zijn rechtstreeks werkende regels, maar ook instructieregels. De instructieregels voor omgevingsplannen staan in afdeling 7.3. Hieronder wordt ingegaan op de instructieregels die voor deze omgevingsplanwijziging relevant zijn.
Stedelijke ontwikkelingen
In de omgevingsverordening is in artikel 7.44 en 7.45 bepaald dat een stedelijke ontwikkeling voor onder andere wonen ingaat op de regionale afgestemde behoefte, en de ladder voor duurzame verstedelijking conform het Bkl. Zoals beschreven in paragraaf 2.1.1 voorziet het plan in een regionale afgestemde behoefte zoals opgenomen in de Regionale realisatieagenda wonen en wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Verder is bepaald in artikel 7.46 en 7.47 dat een omgevingsplan alleen voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling groter dan 3 hectare die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien op een grote buitenstedelijke bouwlocatie, zoals benoemd in bijlage IX bij de omgevingsverordening. In tabel B1 met woningbouwlocaties is de locatie 'Erasmuszone / Wippolder' in Wateringen opgenomen met een bruto oppervlak van 23 ha. Het plangebied is zodoende specifiek opgenomen als grote buitenstedelijke bouwlocatie.
Omgevingsvisie 2.0: Visie op Westland
Op 8 december 2020 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie 2.0: Visie op Westland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat onder andere in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed. De omgevingsvisie is breder dan alleen de fysieke leefomgeving; ook onderwerpen als gezondheid, veiligheid en duurzaamheid moeten onderdeel uitmaken van de visie. De omgevingsvisie geeft weer waar de gemeente met Westland naartoe wil en bindt de gemeente aan haar eigen voornemens en ambities.
De belangrijkste opgave is het verhogen van de leefkwaliteit in Westland, waarbij het sociaal-maatschappelijke en economische belang van het tuinbouwcluster niet uit het oog wordt verloren. De oorspronkelijke structuren in het landschap moeten behouden blijven, net als de gemeenschapszin in de dorpen. Westland wil een groenere, gezonde en aantrekkelijke gemeente zijn. Met een people – planet – profit benadering, vindt vergroening plaats langs de belangrijke groene verbindingen en in de wijken, terwijl initiatiefnemers en ontwikkelaars worden gevraagd groeninclusief te ontwerpen en in te richten. Een klimaatbestendig beleid wordt doorgevoerd in ruimtelijke inrichting, nieuwbouw en verkeersmaatregelen. Bodemwarmte moet worden benut en er wordt aangesloten op warmtenetten in de regio. Betere bereikbaarheid en een toonaangevende rol op het gebied van kennis, innovatie en duurzaamheid in de Greenport blijven een belangrijke rol spelen.
De autonome groei van inwoners wordt geaccommodeerd door het invullen van de zachte plannen voor woningbouw in combinatie met inbreiding door bv. hoger te bouwen. De kwaliteit van de omgeving wordt verbeterd met een groen/blauwe inrichting (groene daken, beleefbaar groen en waterberging) om hittestress en wateroverlast tegen te gaan. Voor 2040 wordt één vierkante meter groen per huishouden extra gerealiseerd, voor nieuwbouwprojecten geldt een norm van 50 m2 verblijfsgroen per woning. Bij projectontwikkeling worden zoveel mogelijk de minimale eisen uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen gehanteerd en is het uitgangspunt dat niet langer gebruik wordt gemaakt van fossiele brandstoffen. Het woningaanbod moet aansluiten uit bij de Westlandse behoeften en economisch verbondenen. Westland wil meer dan 8.000 woningen realiseren, waarvan een grote opgave betaalbaar wonen. Er ligt ook een opgave voor de huisvesting van (tijdelijke) arbeidsmigranten. In afbeelding 2.2 is de toekomstkaart van Westland weergegeven.
Afbeelding 2.2: Toekomstkaart van Westland (Omgevingsvisie 2.0: Visie op Westland).
In de omgevingsvisie is de locatie Wateringen-Noord specifiek aangeduid als kans voor verdichting, uitbreiding en vergroening. In het plangebied worden maximaal 1.050 nieuwe woningen gerealiseerd, waarvan circa 100 (sociale) zorgwoningen. Daarmee wordt invulling gegeven aan zachte bouwplannen en een bijdrage geleverd aan de aanzienlijke woningbouwopgave van Westland. Het programma bestaat uit verschillende typen gebieden en woningen, waarbij ook ruimte is ingebouwd voor betaalbare huisvesting, met woningen in het sociale en middeldure huursegment en betaalbare koopwoningen. In het gebied wordt een hoogwaardige kwaliteit van de leefomgeving gecreëerd, met ruimte voor een groene en blauwe inrichting. De historische slotenstructuur vormt de basis voor het plan. Ook worden binnen en tussen de deelgebieden verschillende groenstroken en -voorzieningen gerealiseerd. Deze zorgen voor aantrekkelijk en beleefbaar verblijfsgroen, en dragen ook bij aan klimaatadaptatie (waterberging, verkoeling). In dat kader wordt ook aangesloten bij de afspraken uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen.
Woonvisie 2020-2030
De Woonvisie 2020-2030 is een actualisatie van de Woonvisie Westland 2030 die is opgesteld in 2016 en vastgesteld door de raad in 2020. Met de actualisatie krijgt de gemeente de gelegenheid om integraal de afweging te maken voor welke doelgroep er gebouwd moet worden in Westland op basis van actuele gegevens. De visie vormt de basis voor nieuwe woningmarktafspraken met de regio Haaglanden, afspraken voor de huisvesting van arbeidsmigranten, zorginstellingen en de prestatieafspraken met de woningcorporaties.
Conclusies Woonvisie
De conclusies die uit de "Woonvisie 2020-2030" getrokken kunnen worden zijn:
Voor nieuwe bouwplannen geldt in beginsel de volgende verdeling in prijssegmenten: 45% dure/extra dure koop, 20% middeldure koop/huur, 5% goedkope koop, 30% sociale huur. Daarbij geldt een ambitie voor zorg- en ouderenwoningen en de huisvesting van arbeidsmigranten.
Toetsing
In het gebied Wateringen-Noord zijn in totaal maximaal 1.050 nieuwe woningen mogelijk. In het uitgewerkte stedenbouwkundig plan voor Wateringen-Noord zijn nu 984 woningen voorzien. Er wordt een breed scala aan woningtypologieën gerealiseerd: zowel grondgebonden als gestapelde woningen, in zowel het sociale huur-, middeldure huur-, vrije sector huur-, goedkope koop-, betaalbare koop- en vrije sector koopsegment. Uitgangspunt van het woonprogramma is circa een derde sociale huur, circa een derde betaalbare woningen (zowel koop als huur) en circa een derde woningen in de vrije sector (ook zowel koop als huur).
Daarbij is in het programma specifiek ruimte opgenomen voor de stijgende groep een- en tweepersoonshuishoudens (60-77 m2 bvo in twee- of driekamerwoningen), senioren, ouderen en jongeren/starters (45-60m2 bvo). Voor een toekomstbestendige woningvoorraad is er behoefte aan meer goedkope woningen: sociale huur en betaalbare koop. Ook is een aanvulling op de middeldure huur gewenst. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in deze behoefte.
Vanwege vergrijzing en ontwikkelingen in de zorgsector is er een sterke vraag naar levensloopbestendige woningen. In het plangebied zal minimaal 55% van de woningen hiertoe geschikt zijn. Daarnaast worden in het plan circa 100 (sociale) zorgwoningen gerealiseerd, waarmee tegemoetgekomen wordt aan de groeiende behoefte aan wonen met zorg.
De ambitie is vooral te bouwen voor de Westlandse bevolkingsaanwas en om de mogelijkheid te bieden voor wooncarrière van zowel starters, doorstromers als senioren in Wateringen en de rest van de gemeente Westland. Hiervoor wordt het Westlands woningzoekenderegister ingezet, zodat Westlanders als eerste in aanmerking komen voor een nieuwbouwwoning. Voor de huurwoningen wordt 100% lokaal maatwerk toegepast bij de toewijzing.
Bij de programmering van het voorliggende plan is op verschillende fronten rekening gehouden met de hoofdthema's uit de Woonvisie. Hiermee is voorgenomen ontwikkeling in lijn met deze visie.
Convenant klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland (2018)
Nieuwbouwlocaties in Zuid-Holland worden zoveel mogelijk klimaatadaptief gebouwd, zodat ze bestand zijn tegen weersextremen als gevolg van klimaatverandering. Deze ambitie is vastgelegd in het convenant (overeenkomst) klimaatadaptief Bouwen. Dit is ondertekend door onder meer bouwbedrijven, gemeenten -waaronder Westland-, de provincie, waterschappen, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars.
Klimaatverandering heeft grote impact op de leefomgeving en het aantal weersextremen neemt toe. Zuid-Holland staat voor een grote bouwopgave, tot 2025 zijn er in de provincie 100.000 nieuwe woningen nodig. Deze ontwikkelingen maken het van belang dat klimaatadaptief bouwen zo snel mogelijk de nieuwe norm wordt. Dit is concreet vertaald in het convenant klimaatadpatief bouwen in Zuid-Holland. Hierin zijn procesafspraken gemaakt gericht op het verminderen van de wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Het convenant is op 4 oktober 2018 van start gegaan. In de eerste fase van dit convenant is toegewerkt naar een minimaal programma van eisen voor nieuwbouw in relatie tot:
De gemeente Westland zal minimaal aan deze eisen voldoen en gebruikt daarmee het programma van minimale eisen uit het Convenant als uitgangspunt voor het realiseren van een klimaatadaptieve nieuwbouwwijk Wateringen-Noord.
Mobiliteitsvisie Duurzaam Bereikbaar Westland
Op 10 december 2019 is de Mobiliteitsvisie Duurzaam Bereikbaar Westland vastgesteld door de gemeenteraad. Het gemeentelijk mobiliteitsbeleid was tot de vaststelling van deze Mobiliteitsvisie gebaseerd op het Westlands Verkeer- en Vervoerplan 2005-2015 (WVVP) en de Structuurvisie Westland 2025. Veel van de in het WVVP opgenomen doelstellingen en uitvoeringsprogramma's zijn gerealiseerd, dan wel waren aan herziening toe. Na vaststelling van de Mobiliteitsvisie is het WVVP komen te vervallen.
Er komt steeds meer verkeer in Westland. Om ervoor te zorgen dat we nu en in de toekomst nog vlot tussen dorpen en van dorp naar steden kunnen reizen, maakt de gemeente plannen en neemt zij maatregelen. De volgende mobiliteitsdoelen zijn opgenomen in de Mobiliteitsvisie 2040:
Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018
In de vergadering van burgemeester en wethouders van 16 januari 2018 is de 'Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018' vastgesteld. Hiermee vervalt de verwijzing naar het WVVP. In het beleid is de parkeernormering van de gemeente Westland geactualiseerd en in overeenstemming gebracht met de meest recente kerncijfers van het CROW (landelijke richtlijnen).
Voorgenomen ontwikkeling is nog aan - beperkte - veranderingen onderhevig. Momenteel bestaat er nog geen definitieve parkeerbalans. Om te verankeren dat in de toekomstige situatie voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid is een regeling opgenomen in deze wijziging, met een verwijzing naar de beleidsregel met bijbehorende parkeernormen.
Beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland
In de beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland wordt beschreven hoe om moet worden gegaan met diepte werkzaamheden op locaties die mogelijk conventionele explosieven bevatten. De basis voor het gemeentelijk beleid voor het opsporen van explosieven is de explosieven risicokaart. Deze kaart geeft een eerste indicatie van het mogelijke gevaar van diepte werkzaamheden op bepaalde locaties in het Westland. In het plangebied zijn geen mogelijke vindplaatsen van conventionele explosieven aanwezig, zie ook paragraaf 3.7.
De ontwikkeling van het woongebied Wateringen-Noord is in overeenstemming met de beleidskaders van de verschillende overheden.
Het plangebied ligt ingeklemd tussen het bestaand stedelijk gebied van Wateringen en Den Haag. Aan de oostzijde vormt de N211 een harde grens die het plangebied van het overige glastuinbouwgebied scheidt. Hiermee ligt dit deel van het glastuinbouwgebied geïsoleerd en is de transformatie tot woonwijk vanuit ruimtelijke oogpunt een logische keuze. Aan de zuid- en oostzijde van het plangebied bestaat de bebouwing overwegend uit laagbouw. In het noordoosten en noorden, de overgang naar het stedelijk gebied van Den Haag, is sprake van hogere bebouwing in de vorm van een aantal hoogte-accenten. In afbeelding 2.3 is een vogelvlucht van de huidige situatie in en in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 2.3: vogelvlucht van het plangebied en de omgeving (bron: Google Earth).
Aan de noordzijde vormt de Erasmusweg de globale begrenzing van het plangebied. Dit is een weg die bestaat uit vier rijbanen en aan twee zijdes begeleid wordt door bomen. Ten zuiden van deze weg ligt momenteel groenvoorziening die een buffer vormt tussen de weg en het plangebied.
Ten zuiden van het plangebied ligt de Poeldijkseweg. Deze tweebaans weg vormt in het zuidelijk deel de afbakening van het plangebied. Daarnaast vormt deze weg ook een afscheiding tussen de noordelijke gelegen lintbebouwing en de zuidelijk gelegen woonwijken.
De oudste gedetailleerde kaart van het plangebied (afbeelding 2.4) is die van Kruikius uit 1712 waarop te zien is dat het gebied, met het toponiem ˜Tymens Blok' in gebruik is als weiland of akkerland. De richting van de percelen, parallel aan de 'Kruys Wegh' - de huidige Ambachtsweg - volgt de overwegende ontginningsrichting in de Wippolder en daarmee de landschappelijke basisstructuur van een groot deel van Wateringen. Bij archeologisch onderzoek ten oosten van het gebied zijn sporen van greppels gevonden uit de Romeinse tijd die dezelfde verkavelingsrichting hebben, dus mogelijk gaat het slotenpatroon nog veel verder terug in de tijd dan 1712. De doorkruising van het gebied aan de noordzijde door 'de Mient', de huidige Erasmusweg, leidt tot een opmerkelijke specifieke verdraaiing in het verkavelingspatroon.
Afbeelding 2.4: fragment kaartblad Wateringen, Kruikiuskaart 1712.
Hoewel het gebied in de 20e eeuw langzaam bebouwd is met kassen en enkele sloten die zijn vervangen door duikers, is de ligging van de watergangen de afgelopen eeuwen nagenoeg ongewijzigd. De sloten verbeelden daarmee, als permanente ruimtelijke structuren, de historische ontwikkeling en vormen de identiteit van het gebied.
In de huidige situatie kent het grootste gedeelte van het plangebied een agrarische functie. Enerzijds zijn de gronden, ten behoeve van deze agrarische functie, ingericht als grasland. Anderzijds is een aanzienlijk deel van de gronden bebouwd met kassen en ondersteunde voorzieningen zoals bassins en opslagloodsen.
In het plangebied zijn daarnaast verschillende (bedrijfs)woningen gelegen. In het noordelijk deel, aan de zijde van de Erasmusweg, zijn een drietal bedrijfswoningen in het plangebied gelegen. Aan het lint van de Poeldijkseweg liggen ook diverse burgerwoningen. In dit lint ligt ook één bedrijfswoning, behorend bij de vigerende bedrijfsbestemming.
Aan de oostzijde van het plangebied is nog een deel van een bedrijfsperceel gelegen dat bij het oostelijk gelegen bedrijf behoort.
In deze paragraaf is de situatie op het gebied van verkeer uiteengezet. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gemotoriseerd en langzaam verkeer. Daarnaast wordt ook aandacht besteed aan de ligging van het plangebied ten opzichte van het openbaar vervoersnetwerk. In deze paragraaf is ook uiteengezet wat de verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling is en hoe dit zich verhoudt tot het bestaande netwerk, intensiteiten en capaciteiten. Ten slotte is nog ingegaan op de situatie omtrent parkeren in de toekomstige situatie.
Ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer
Ten westen van het plangebied ligt de N211, ook wel bekend als de Wippolderlaan. Deze weg is noord-zuid georiënteerd en vormt de ontsluiting voor het westelijk deel van Den Haag en het oostelijk deel van het Westland. Deze provinciale weg sluit in zuidelijke richting aan op de N222 en de A4. Deze weg bestaat uit twee keer twee rijstroken.
Aan de noordzijde ligt de Erasmusweg. Deze weg is door middel van een gelijkvloerse kruising aangesloten op de N211 en vormt de schakel tussen deze provinciale weg en het bestaand stedelijk gebied van Wateringen en Den Haag. Ook deze weg bestaat uit twee keer twee rijstroken.
In het zuiden van het plangebied loopt de Poeldijkseweg. Deze weg ontsluit de kern Wateringen en het plangebied. De weg is oost-west georiënteerd. Deze weg bestaat uit twee rijstroken en sluit in het westen aan op de Erasmusweg en de N464.
Ten slotte ligt aan de oostzijde van het plangebied de Ambachtsweg. Deze weg vormt een verbinding tussen de Erasmusweg en de Poeldijksweg en ontsluit een deel van de kern Wateringen op deze wegen.
In afbeelding 2.5 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de diverse ontsluitingen voor gemotoriseerd verkeer weergegeven.
Afbeelding 2.5: Ontsluitingen gemotoriseerd verkeer in de omgeving van het plangebied.
Wateringen-Noord krijgt een heldere en overzichtelijke ontsluitingsstructuur. De hoofdroute is één route waar geen parkeren aan is gekoppeld, met enkel afslagen naar de bestemming. Het plangebied is bereikbaar vanaf de Poeldijkseweg en vanaf de Erasmusweg. Er is geen doorgang voor autoverkeer naar of over de Ambachtsweg voorzien. Vanaf de hoofdontsluiting slaat men af het eigen buurtje in. Alle buurtjes hebben een eigen afslag, de woningen en de parkeerhoven zijn hierdoor goed en overzichtelijk te bereiken en de buurten zijn op deze manier autoluw. De beoogde ontsluitingsstructuur voor autoverkeer is weergegeven in afbeelding 2.6.
Afbeelding 2.6: Beoogde ontsluitingsstructuur Wateringen-Noord (bron: Stedenbouwkundig plan Wateringen-Noord).
Ontsluiting voor langzaam verkeer
De fietser maakt gebruik van de twee vrijliggende fietspaden langs de hoofdontsluiting en de Oostwest verbinding. Vervolgens maakt de fietser gebruik van de buurtstraatjes, zoals gebruikelijk in een 30 km/u zone. Via de achterpaden zijn de woningen goed bereikbaar. Voor de gestapelde bouw zijn de fietsenstallingen zo goed en overzichtelijk mogelijk bereikbaar gemaakt, vanaf de buurtstraatjes.
Een fijnmazig netwerk aan trottoirs biedt de voetganger alle ruimte binnen de wijk. Op afbeelding 2.7 zijn de diverse looproutes voor voetgangers te vinden. De landschappelijke blauw/groene dragers en de daaraan gelegen centrale plekken bieden kinderen de vrijheid om zich te bewegen zonder de aanwezigheid van auto's. De fijnmazigheid zorgt er ook voor dat je meerdere ommetjes kan lopen binnen de buurt.
Afbeelding 2.7: Routes voor voetgangers in en in de omgeving van het plangebied.
Ontsluiting voor openbaar vervoer
In lijn met de Mobiliteitsvisie Westland 2040, is de inzet om onnodig autogebruik te verminderen door een goed, snel, comfortabel en veilig alternatief te bieden per openbaar vervoer en fiets. Het is hierbij essentieel om het Wateringse ov-net uit te breiden, met het verleggen van buslijn 21 vanuit Den Haag Erasmusweg richting centrum (Kerklaan-Plein tot overstappunt met lijn 30). Hiermee ontstaat een directe en frequente verbinding met Den Haag Leyenburg, Centrum en Scheveningen. In de gebiedsvisie is daarom als wenselijk tracé een route via het plangebied inclusief halte opgenomen. Ook in het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met een bustracé door Wateringen-Noord, van Den Haag naar Centrum Wateringen. Het bustracé loopt over de hoofdontsluiting en is gedimensioneerd volgens de profielen van het PvS Westland (ASVV 2012). In de volgende fase van het ontwerp wordt in afstemming tussen ontwikkelaar, gemeente en HTM de mogelijke haltelocatie in Wateringen-Noord bepaald. Gezien de beschikbare profielbreedte en frequentie van de bus, halteert deze op de rijweg. Dit zal tijdig in het ontwerp worden ingepast, mede gezien de invloed op de doorstroming van verkeer, veiligheid en toegankelijkheid. Ook de bushalte aan de Erasmusweg wordt nog nader bepaald. De nieuwe bushaltes zullen via routes voor fietsers en voetgangers goed en snel bereikbaar zijn.
Verkeersintensiteit
Door Sweco is in 2021 voor de bouwlocatie Wateringen-Noord een onderzoek naar de verkeerseffecten in de omgeving uitgevoerd. Dit onderzoek is in 2024 geactualiseerd. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 3.
In het onderzoek wordt uitgegaan van de realisatie van maximaal 1.050 woningen, die worden ontsloten op de Poeldijkseweg - Harry Hoekstraat via de Ambachtsweg kortbij de kruising met de Erasmusweg. De verbindingsweg tussen beide ontsluitingspunten zal niet onderbroken worden.
De verkeerseffecten van de nieuwe bouwlocatie Wateringen-Noord zijn onderzocht met behulp van het dynamische simulatiemodel van Wateringen en omgeving. De verkeersstromen die daarbij gehanteerd zijn komen uit het Verkeersmodel Metropoolregio Rotterdam Den Haag en betreffen de prognose voor 2040 op basis van het hoge economische scenario zoals opgenomen in het V-MRDH.
Door de ontwikkeling van de woningbouwlocatie wordt extra verkeer gegenereerd. De verbindingsweg door de bouwlocatie biedt bovendien een extra route van Wateringen naar de Erasmusweg, die voor een deel van het gemotoriseerde verkeer gunstiger is dan de bestaande routes via de Poeldijkseweg. In het onderzoek is een prognose opgenomen van de verkeersintensiteiten op de omliggende wegen in 2040, inclusief ontwikkeling. Daarin is ook meegenomen dat de wegenstructuur van het plangebied ook bestaand verkeer alternatieve routes biedt tussen de bestaande wijken van Wateringen en Den Haag en de N211.
De belangrijkste effecten in de verkeersintensiteit met de komst van de woningbouw zijn het drukker worden van de route van de Erasmusweg via de verbindingsweg naar de Poeldijkseweg inclusief de daarop aansluitende wegen in beide richtingen, de Beresteinlaan in Den Haag en de Harry Hoekstraat in Wateringen. De Poeldijkseweg en de Erasmusweg worden daarentegen rustiger. In relatieve zin worden met name de Harry Hoekstraat (tot 60%) en Beresteinlaan (tot 30%) drukker. Met een afname van circa 50% profiteert vooral de Peldeijkseweg in westelijke richting voor de Erasmusweg. Ook de aansluiting Erasmusweg-Wippolderlaan kent een afname van de intensiteit doordat verkeer om deze drukke aansluiting heen rijdt. Een deel van de bestuurders met een herkomst of bestemming in Wateringen-Noord zal de route via de Harry Hoekstraat en Dorpskade verkiezen boven de route via het kruispunt Erasmusweg met Wippolderlaan. De effecten op de N211 en de A4 zijn minimaal.
Voor de verkeersafwikkelingseffecten zijn op basis van het V-MRDH de intensiteits-capaciteitsverhoudingen bepaald. Hieruit is gebleken dat er slechts enkele wegvakken zijn waar de belasting gemiddeld zwaar is. Alleen voor de aansluiting van de Erasmusweg op de Wippolderlaan worden hoge waarden (> 0,8) behaald. Juist daar leidt de verbindingsweg per saldo tot een duidelijke verbetering van overbelaste situatie in 2040 zonder bouwlocatie. De gesignaleerde toenames van verkeer op overige wegen blijven binnen de veronderstelde capaciteiten van die wegen.
Aanvullend is ook onderzocht of de capaciteit van de kruispunten voldoende is. Met behulp van verkeerssimulaties is het functioneren onderzocht van de twee kruisingen van de nieuwe ontsluitingsweg door Wateringen-Noord met de bestaande wegen. Het gaat in de eerste plaats om de kruising van de Poeldijkseweg met de Harry Hoekstraat, die in de toekomst als rotonde wordt uitgevoerd. Er zal in alle richtingen duidelijk sprake zijn van een gemiddelde snelheid van het verkeer die lager ligt dan de maximumsnelheid. Dit is een logisch gevolg van het feit dat verkeer uit alle richtingen voorrang moet verlenen aan het verkeer op de rotonde zelf. Met name voor het verkeer uit westelijke richting is er duidelijk een snelheidsbeperking bij het naderen van de rotonde. De situatie blijft aanvaardbaar. Op het kruispunt van de Erasmusweg met de Ambachtsweg en Beresteinlaan zal het verkeer meestal even moeten stilstaan bij de verkeerslichten, voordat het zijn weg kan vervolgen. Dit zal in de toekomst niet anders zijn. De vertragingen nemen op de meeste takken toe, maar niet op onaanvaardbare wijze. Mogelijk kan een andere instelling van de verkeerslichten de situatie nog verbeteren. De volledige notitie is te raadplegen in Bijlage 4.
Parkeren
In 2023 is door Goudappel een parkeeronderbouwing opgesteld voor de voorgenomen ontwikkeling zoals die toen gepland was. Daarbij is gekeken naar de verhouding tussen de gemeentelijke parkeernormen en het daadwerkelijke autobezit bij vergelijkbare woningen in de nabije omgeving. In 2025 is een aanvulling opgesteld naar aanleiding van actuele cijfers van het CBS. De volledige rapportage (2023 en 2025) is toegevoegd als Bijlage 5.
Voor wat betreft parkeren hanteert de gemeente Westland de 'Beleidsregel Parkeernormering gemeente Westland 2018'. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling van Wateringen-Noord heeft Goudappel een onderzoek uitgevoerd naar de werkelijke parkeerbehoefte met een maatwerkbenadering. Uit onderzoek naar daadwerkelijk autobezit blijkt dat in de wijken Wateringen, Bouwlust en Vredelust het gecorrigeerde daadwerkelijke autobezit lager ligt dan de vigerende parkeernormen.
Ook is de bezoekersnorm, waarmee het autobezit dient te worden opgehoogd, nader beschouwd. Op grond van de uitgevoerde onderzoeken wordt voor een gebied in de rest bebouwde kom (niet-gereguleerd gebied) een parkeernorm van 0,15 parkeerplaats voor bezoekers van woningen geadviseerd. Om toch een bepaalde marge aan te houden is geadviseerd om een bezoekersnorm van 0,2 parkeerplaatsen per woning te hanteren. Die 0,2 parkeerplaatsen zijn toegevoegd aan het aantal benodigde parkeerplaatsen op basis van de cijfers over het autobezit.
De analyse naar het daadwerkelijke autobezit en de onderbouwing om de bezoekersnorm te reduceren leidt tot ‘passende parkeernormen’ voor Wateringen-Noord. Deze zijn weergegeven in tabel 2.1. Voor de functies basisschool, kinderdagverblijf, verzorgingshuis blijven de gemeentelijke parkeernormen gehandhaafd. Voor de functie aanleunwoning is aansluiting gezocht bij het gemiddelde autobezit bij alle appartementen bewoond door 65-plussers. Ter vergelijking zijn in de tabel ook de gemeentelijke parkeernormen opgenomen.
Tabel 2.1: Passende parkeernormen (bron: Goudappel, 27 januari 2023).
Voor de woningen geldt een andere verdeling in categorieën op basis van geactualiseerde cijfers van het CBS, zie tabel 2.2 en de aanvulling in Bijlage 5. Niet alleen is de indeling in categorieën verfijnder dan in 2023. Ook de bezoekersnorm wordt niet zonder meer opgeteld bij het cijfer op basis van het autobezit. Er is rekening gehouden met aanwezigheidspercentages: bijvoorbeeld op een werkdagavond is 90% van de bewoners thuis en is ook 75% van het maximale aantal bezoekers aanwezig. De avond is maatgevend.
Tabel 2.2: Parkeernormen voor nieuwe categorieën woningen (bron: Goudappel, 2 april 2025).
Als vervolgstap in het maatwerk is ook gekeken naar de effecten van de inzet van deelauto’s en mogelijkheden voor alternatieve vervoerswijzen. Zo kan de plaatsing van in totaal 8 deelauto’s in verschillende zones leiden tot een netto-reductie van in totaal 24 parkeerplaatsen. Daarbij zijn de gehanteerde maatwerktoepassingen goed te verantwoorden, gezien de mogelijkheden die de beoogde ontwikkelingen bieden voor lopen, fietsen en openbaar vervoer als alternatieve vervoerswijzen.
Op basis van het voorlopige programma en de te hanteren parkeernormen in lijn met beschreven maatwerk is in het onderzoek de parkeerbehoefte van de ontwikkeling berekend. Daarbij is de parkeerbehoefte die op eigen terrein wordt opgelost apart opgenomen en in parkeerbalansen per zone (deelgebied) inzichtelijk gemaakt.
De geplande aantallen woningen en openbare parkeerplaatsen per deelgebied zoals opgenomen in Bijlage 5 zijn sinds januari 2023 aangepast (zie Bijlage 2 voor het actuele stedenbouwkundig plan). Omdat het stedenbouwkundig plan op details nog in ontwikkeling is en de uitvoering ervan stapsgewijs plaatsvindt, is er nog geen definitieve parkeeroplossing voorhanden. Op basis van de opgestelde parkeeronderbouwing en het daarin toegepaste maatwerk wordt in samenhang met het stedenbouwkundig plan per deelgebied een passende parkeeroplossing uitgewerkt. In deze omgevingsplanwijziging zijn enkele regels opgenomen om te borgen dat bij het verlenen van de omgevingsvergunningen voor het bouwen van de woningen wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
Ten slotte wordt opgemerkt dat bij de definitieve parkeeroplossing per deelgebied ook gekeken wordt of er geen groot overaanbod aan openbare parkeerplaatsen ontstaat. Door betaald parkeren in Den Haag dreigt bij een ruim beschikbaar aanbod aan parkeerplaatsen Wateringen-Noord voor een deel van de bezoekers of bewoners van Den Haag een aanvaardbaar alternatief te worden.
In 2017 is een concept gebiedsvisie opgesteld, die in oktober 2020 is herzien. Deze 'Gebiedsvisie Wateringen-Noord' is opgenomen in Bijlage 1.
In de toekomstige situatie ontstaat een woongebied met daarin plaats voor verschillende typen gebieden en woningtypologieën. In Bijlage 1 is de hoofdstructuur van de toekomstige situatie weergegeven. Dit is een impressie van de toekomstige situatie, zoals die in 2020 is gemaakt. Het stedenbouwkundig plan (zie paragraaf 2.3.2) is een nadere uitwerking van de gebiedsvisie en wijkt daardoor op enkele punten af van de gebiedsvisie uit 2020. Ook bij de gedetailleerde uitwerking van de deelgebieden na wijziging van het omgevingsplan zullen nog noodzakelijke veranderingen worden doorgevoerd. De hoofdopzet, zoals geformuleerd in de gebiedsvisie en nadien uitgewerkt in het stedenbouwkundig plan staat echter wel vast en is in deze omgevingsplanwijziging verankerd.
Afbeelding 2.8: Hoofdstructuur toekomstige situatie (bron: Stedenbouwkundig plan Wateringen-Noord).
De gebiedsvisie wordt verteld als een verhaal. Dat verhaal is gericht op de samenhang en rangorde der dingen, betekenis en context. Het vertrekpunt is authenticiteit en identiteit, het belangrijkste ordenende principe: water. Het gebied wordt ontleed aan de hand van de volgende delen: waterlijnen, randen, Tymens Hof, De Veste, Een Eigen Huis (later verdeeld in Hofzicht en Groenzicht).
Deze structuurelementen vormen de basis voor het stedenbouwkundig plan. De historische lijnen in het landschap, 'de waterlijnen', zijn de dragers van het stedenbouwkundige plan en vormen herkenbare assen. De verkaveling schikt zich naar de waterlijnen. De hoogtes van de bouwblokken nemen gradueel af. Aan de noordzijde is de bebouwing hoger en massiever en geeft tegenwicht aan de bebouwing van Den Haag aan de Erasmusweg. De hoogte van de bebouwing neemt af tot 2 lagen met kap (rijwoningen, 2-onder-1-kap en vrijstaande woningen) naar het zuiden en sluit aan op de korrel van de Poeldijkseweg.
De verkeersstructuur is overzichtelijk en éénvoudig. De toekomstige woonwijk krijgt één hoofdontsluiting: vanaf de Poeldijkseweg naar de Erasmusweg, die aantakt via de Ambachtsweg. Het plangebied is van beide zijden bereikbaar. De buurtontsluiting bestaat uit een overzichtelijk secundaire ring die aantakt op de hoofdstructuur. Vanaf deze secundaire ring zijn alle woonblokken en de daarbij behorende parkeergelegenheden bereikbaar. Het parkeren is zoveel mogelijk in parkeerpockets achter de woningen gesitueerd, waardoor er veel doorwaadbaar groen in de woonwijk is opgenomen.
De opzet van de waterstructuur, bouwblokkenstructuur en ontsluitingsstructuur wordt versterkt door de groenstructuur, die al deze lijnen ondersteunt. De doorwaadbaarheid die in de stedenbouwkundige structuur is opgenomen, zorgt voor een aangename groene woonwijk, met een centrale parkachtige ruimte. De centrale grote parkachtige ruimte (het centrale hart van de wijk) is goed bereikbaar via de groene assen. De centrale grote parkachtige ruimte verwijst naar de oude buitenplaats 'het Thymens Hof'.
Op basis van de gebiedsvisie en beoogde hoofdstructuur voor het gebied is het stedenbouwkundig plan opgesteld (zie Bijlage 2 en afbeelding 2.9). Het plan kent een heldere structuur die geënt is op reeds bestaande watergangen. Aan deze landschappelijke structuur is de ontsluiting gekoppeld. Er is één hoofdroute waar geen parkeren aan is gekoppeld. Deze hoofdweg loopt vanaf de rotonde aan de Poeldijkseweg dwars door het plangebied naar het noorden, om af te buigen langs de groenzone aan de Erasmusweg en vervolgens aan te sluiten via de Ambachtsweg naar de Erasmusweg. Vanaf deze hoofdontsluiting, waar ook de busroute over is voorzien, worden alle woonbuurtjes ontsloten. Langs de hoofdstructuur ligt een vrijliggend fietspad. Het tweede vrijliggende fietspad loopt van oost naar west door de wijk.
Afbeelding 2.9: Stedenbouwkundige plankaart (bron: Baljon, december 2025).
Aan de heldere ontsluitingsstructuur van de buurtjes zijn langsparkeerplekken en goed bereikbare parkeerkoffers voorzien. Op deze manier is het goed en plezierig thuiskomen. Dit geldt ook voor de fietser die vanaf het vrijliggende fietspad direct zijn of haar woonbuurtje kan bereiken. De brede watergangen zijn de landschappelijke dragers van het plan. Ze zijn duidelijk aanwezig, net als de contouren van het Thymens Hof. Ze dragen bij aan het landelijke karakter van de plek.
Over het algemeen zijn alle woningen in een buurtje georiënteerd op de lange groen/blauwe landschappelijke dragers. Langs deze lijnen zijn brede, groene voetgangerszones voorzien. Deze lijnen zijn gekoppeld aan groene aders die van oost naar west lopen. Aan dit fijnmazige netwerk van groene corridors liggen kleine en grote speelvelden. Hier ontstaan veilige en aangename plekken waar het voor iedereen, van jong tot oud, goed vertoeven is.
Afbeelding 2.10: Woningbouwprogramma: bouwhoogtes (zie ook p. 13 van stedenbouwkundig plan).
Het woningprogramma volgt de stedenbouwbouwkundige opzet van het plangebied. Aan de noordzijde, langs de groenzone aan de Erasmusweg, is gestapelde bouw voorzien om een reactie te geven op de hoogbouw ten noorden van de Erasmusweg. Dit noemen we de "Veste". De rijwoningen gaan mee met de lange landschappelijke lijnen. De vrijstaande woningen en de twee-onder-één-kap woningen liggen aan de rand van de oost- en zuidzijde van het plangebied, grenzend aan de lintbebouwing. Het plan kent een grote diversiteit in het woonprogramma: Er zullen zowel grondgebonden als gestapelde woningen worden gerealiseerd, bestaande uit circa een derde sociale huur, circa een derde betaalbare woningen (zowel koop als huur) en circa een derde woningen in de vrije sector (ook zowel koop als huur). Tot slot is er in de ontwikkeling Wateringen-Noord ruimte voor maatschappelijke voorzieningen, in de vorm van een (basis)school en een (woon-)zorgfunctie in de vorm van zorg- en aanleunwoningen.
Het stedenbouwkundig plan zal gedurende de bouw van de wijk op bepaalde punten uitgewerkt en eventueel aangepast worden. Dit zal in samenspraak tussen ontwikkelaar en gemeente gebeuren. Bij de detaillering kunnen er, binnen de hoofdstructuur van het gebied, nog bepaalde wijzigingen plaatsvinden. In deze omgevingsplanwijziging is de hoofdstructuur vastgelegd, met onder meer de hoofdontsluitingsweg en de hoofdgroenstructuren waarbinnen de woonvelden liggen. Per woonveld is onder meer aangegeven waar mag worden gebouwd en wat de maximale goot- en/of bouwhoogte is. Ook is de locatie van de maatschappelijke functies specifiek aangegeven.
Volgens de Omgevingswet geldt een plan-mer-plicht wanneer een plan wordt voorbereid dat het kader vormt voor een mer-(beoordelings)plichtig project, of waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist (Ow 16.36 lid 1 en 2). Of sprake is van een kaderstellend plan voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig project blijkt uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een plan-MER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld, voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het plan-MER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie.
Wanneer een plan het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau of sprake is van kleine wijzigingen van een plan, moet een MER worden gemaakt als dat plan aanzienlijke milieueffecten kan hebben (Ow 16.36 lid 3). Om te beoordelen of sprake is van aanzienlijke milieueffecten voert het bevoegd gezag een plan-mer-beoordeling uit. Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria van bijlage II bij de SMB-richtlijn. Hierin zijn twee hoofdcriteria opgenomen voor het beoordelen van mogelijk aanzienlijke milieueffecten: de kenmerken van het plan, en de kenmerken van de effecten en gebieden die kunnen worden beïnvloed. De regels over het uitvoeren van een plan-mer-beoordeling staan in artikel 16.36, lid 5 Omgevingswet en artikel 11.1 Omgevingsbesluit.
De voorgenomen ontwikkeling van maximaal 1.050 woningen en verschillende maatschappelijke functies valt als stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11) onder de mer-(beoordelings)plichtige projecten aangewezen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. De wijziging van het omgevingsplan vormt het kader voor een vergunning voor dit project. De wijziging van het omgevingsplan heeft echter betrekking op een klein gebied in verhouding met het totale grondgebied van de gemeente. In dit geval wordt er dan ook eerst een plan-mer-beoordeling uitgevoerd om te bepalen of het plan aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
Bij het uitvoeren van de m.e.r-beoordeling dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage II van de EU richtlijn voor strategische milieubeoordeling:
1. Kenmerken van het plan
De omvang van het project betreft het realiseren van maximaal 1050 nieuwe woningen. Het plangebied beslaat een oppervlakte van ruim 20 hectare. Het is daarmee geen project, maar ook niet van dusdanig grote omvang dat aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Door het plan kunnen vergunningen worden verleend voor de bouw van woningen. Het plan is niet of nauwelijks van invloed op andere plannen. Het plan levert een bijdrage aan de omgevingskwaliteit door een klimaatadaptieve ontwikkeling voorop te stellen.
2. Kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed
In de volgende paragrafen van dit hoofdstuk worden systematisch de kenmerken beschreven van de huidige situatie en van de gevolgen van het plan op diverse milieuaspecten, waaronder geluid, trillingen, natuur, water en bodem. De kwetsbaarheid van het plangebied en de omgeving wordt daarbij betrokken. Mogelijke effecten doen zich lokaal voor en worden zo veel als mogelijk vermeden of verzacht door passende maatregelen te treffen. Uit de diverse onderzoeken blijken geen grote nadelige milieugevolgen.
Uit de milieubeoordeling blijkt dat er geen aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden en dat het opstellen van een plan-MER niet nodig is.
Op grond van onder meer het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met geluid dat door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en locaties wordt afgewenteld. Bij het opstellen van het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele activiteiten, activiteiten op een industrieterrein, geluiduitstraling door gemeentewegen, waterschapswegen, provinciale wegen, snelwegen en spoorwegen. In de navolgende paragraaf wordt ingegaan op de wijze waarop in dit omgevingsplan, voor de verschillende soorten van activiteiten die daarmee worden toegelaten, waarborgen tegen ontoelaatbare geluidhinder wordt geboden.
Wegverkeerslawaai
De instructieregel over lawaaibeheersing wordt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) meer in detail uitgewerkt voor de geluidbelasting door het wegverkeer. Deze instructieregel richt zich daarbij op wegen waarop de intensiteit van het wegverkeer gemiddeld over een jaar, groter is dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. De instructieregel stelt beperkingen aan het aanleggen of wijzigen van wegen én het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen die worden beïnvloed door de geluidbelasting van het wegverkeer. Daarbij beperkt de instructieregel zich tot het zogenoemde geluidaandachtsgebied rond deze wegen. De geluidbelasting door het wegverkeer buiten dit aandachtsgebied onttrekt zich aan de beperkingen van de instructieregel.
Op grond van de instructieregel gelden er voor de geluidbelasting door gemeentewegen ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen binnen het geluidaandachtsgebied een standaardwaarde van 53 dB voor het Lden en een grenswaarde van 70 dB voor het Lden. Een geluidbelasting tot de standaardwaarde is altijd toelaatbaar. Een geluidbelasting tot de grenswaarde is alleen toelaatbaar als er geen mogelijkheden bestaan om de geluidbelasting gelijk of lager dan de standaardwaarde te laten zijn. In de motivering van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan (waarmee de geluidbelasting door het verkeer op de gemeentewegen ter hoogte van de geluidgevoelige gebouwen voor het eerst wordt toegestaan) moet dit worden gemotiveerd. Daarnaast moet in het omgevingsplan de waarde van het gezamenlijke geluid ter hoogte van deze geluidgevoelige gebouwen worden vastgesteld. Dit is de gesommeerde geluidbelasting door alle geluidbronnen (wegverkeer, industrie en railverkeer).
Tot slot moet in de motivering ook worden aangegeven in hoeverre het gecumuleerde geluid aanvaardbaar is. Dit gecumuleerde geluid is niet hetzelfde als het gezamenlijke geluid. Bij het berekenen van het gecumuleerde geluid wordt ook de geluidbelasting van het industrielawaai, wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai gesommeerd, maar deze deelbijdragen worden dan éérst gecorrigeerd voor de verschillende mate van hinderbeleving tussen deze verschillende geluidsoorten.
Tot slot moeten ook de akoestische gevolgen door het veranderen van de verkeersintensiteit of de geluidoverdracht binnen het aandachtsgebied door het bouwen of slopen van gebouwen of bouwwerken bij het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan worden gemotiveerd.
Industrielawaai
Op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt de geluidproductie door industrieterreinen beperkt met geluidproductieplafonds (GeluidProductiePlafonds IndustrieLawaai of GPPIL). Rond het industrieterrein geldt op grond van het Bkl een aandachtsgebied dat zich uitstrekt tot de afstand waarop, rekening houdende met de beperking van de geluidemissie door de geluidproductieplafonds, de geluidbelasting gelijk is aan de standaardwaarden. Het projecteren van geluidgevoelige gebouwen binnen dit aandachtsgebied is aan voorwaarden verbonden. Voorliggende wijziging van het omgevingsplan voorziet niet in de realisatie van een industrieterrein waarvoor een geluidproductieplafond geldt, waardoor deze instructieregel niet van toepassing is.
Met de omgevingsplanwijziging 'Wateringen-Noord' wordt voorzien in een nieuw woongebied binnen het aandachtsgebied van provincie- en gemeentewegen zoals de Wippolderlaan en de Erasmusweg. Daarnaast wordt in het plan een nieuwe ontsluitingsweg aangelegd die middels een rotonde wordt aangetakt op de Poeldijkseweg. Door de nieuwbouw en de wijzigingen in de infrastructuur treedt een verandering op van de verkeersintensiteit op de bestaande wegen, waardoor sprake kan zijn van significante indirecte akoestische effecten. De akoestische consequenties van deze drie hiervoor beschreven thema's zijn door KuiperCompagnons onderzocht. Het volledige rapport is te raadplegen in Bijlage 6. De belangrijkste conclusies worden hierna beschreven.
Allereerst wordt uit dit onderzoek geconcludeerd dat de huidige vormgeving van het kruispunt van de Wippolderlaan en de Erasmusweg (gelijkvloerse kruising) de hoogste geluidsbelasting oplevert bij de nieuwe woningen, zodat deze verkeersafwikkeling in het rapport als uitgangspunt is aangehouden.
Aanleg nieuwe wegen en reconstructie bestaande wegen
Langs de nieuwe ontsluitingsweg nabij de aansluiting met de Poeldijkseweg is ter plaatse van de woning Poeldijkseweg 17a sprake van een geluidsbelasting die hoger is dan de standaardwaarde van 53 dB te weten maximaal 54 dB. Gezien de beperkte overschrijding van de standaardwaarde en de stedelijke situatie zijn maatregelen in het overdrachtsgebied niet mogelijk. Voor de appartementen met een hogere geluidsbelasting dan de standaardwaarde nabij de aansluiting van de nieuwe ontsluitingsweg met de Ambachtsweg (Poortweide) ten noordoosten van het plan zijn eveneens geen maatregelen mogelijk.
Gezien de beperkte overschrijding van de standaardwaarde en het beperkte aantal woningen ligt een onderzoek naar de noodzaak tot het treffen van aanvullende gevelmaatregelen voor de hand. Dit geldt zowel voor de woning Poeldijkseweg 17a als de appartementen ten noordoosten van het plan.
Nieuwe woningen
Uit het onderzoek blijkt dat het verkeer op de provinciale wegen (Wippolderlaan) en de gemeentewegen een geluidsbelasting veroorzaakt die hoger is dan de standaardwaarde van respectievelijk 50 en 53 dB. Ten aanzien van het verkeer op de provinciewegen wordt de grenswaarde van 60 dB overschreden. Omdat het toetsingskader voor de provinciewegen de Wet geluidhinder is, en de maximale hogere waarde van 63 dB niet wordt overschreden, zijn dove gevels (of een niet-geluidsgevoelige gevel) niet noodzakelijk.
Omdat de standaardwaarde wordt overschreden, is een onderzoek naar bron- of overdrachtsmaatregelen noodzakelijk. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat maatregelen op of langs de Erasmusweg niet mogelijk zijn. Langs de Wippolderlaan zijn alleen overdrachtsmaatregelen mogelijk. Beschouwd is het effect van het verlengen van het bestaande scherm met 165 m en een hoogte van 3 m of een wal/scherm-combinatie op circa 27 m uit de Wippolderlaan met een hoogte van 3,5 m. Uit het onderzoek volgt dat beide maatregelen een vergelijkbare verbetering opleveren bij de nieuwe woningen. De toepassing van een wal met scherm heeft in dit geval de voorkeur, omdat hiermee ruimte beschikbaar blijft voor de aanleg van een ongelijkvloerse kruising van de Wippolderlaan met de Erasmusweg. Bovendien kan de aanleg van de wal met scherm plaatsvinden op grond die in eigendom is van de ontwikkelaar.
Omdat de standaardwaarde door het verkeer op de provincie- en de gemeentewegen wordt overschreden, moet worden getoetst aan het gemeentelijk geluidbeleid. Uit deze toetsing blijkt dat ter plaatse van de appartementen kan worden voldaan aan de aanwezigheid van een geluidsluwe gevel voor minimaal de helft van de woningen. Door de carré-vorm van de gebouwen is aan de binnenzijde voor het grootste deel van de (hoogstbelaste) appartementengebouwen sprake van een geluidsluwe zijde. Dit betekent dat de appartementen kunnen voldoen aan de voorwaarden van een geluidsluwe gevel, ook zonder schermmaatregelen langs de Wippolderlaan. Het voorgaande neemt niet weg dat de indeling van de appartementengebouwen zoveel als mogelijk moet worden afgestemd op de akoestische situatie. Bij de uitwerking betekent dit dat de verblijfsruimten en de buitenruimte zoveel als mogelijk aan de geluidsluwe zijde dienen te worden gerealiseerd.
De grondgebonden woningen voldoen niet in alle gevallen aan de geluidsvoorwaarden. Zonder maatregelen is sprake van 9 woningen waar op de achterzijde van de woning, alleen op de tweede verdieping, sprake van een geluidsbelasting boven de standaardwaarde tot maximaal 52 dB door het verkeer op de provinciewegen. In de schermvarianten neemt het aantal grondgebonden woningen dat geen geluidsluwe gevel heeft af. Met een scherm van 3 m neemt dit aantal af van 9 naar 2 en met een wal/schermcombinatie van 3,5 m van 9 naar 6. In beide varianten is sprake van een geringe overschrijding van de standaardwaarde, alleen op de tweede verdieping. Gezien deze zeer beperkte overschrijding bij een zeer beperkt aantal woningen lijkt een gemotiveerde afwijking van de beleidsregel mogelijk.
Naar aanleiding van de zienswijzen is bij de wijziging van het omgevingsplan besloten om het appartementengebouw aan de nooroostzijde op grotere afstand van de bestaande appartementengebouwen aan de Poortweide te situeren. De resultaten in Bijlage 6 geven een onderschatting van de verwachte geluidbelasting van de grondgebonden woningen ten zuiden van het nieuwe appartementengebouw. Het ontwerpplan ging uit van een breder nieuw appartementengebouw dat daardoor meer afscherming zou bieden van het geluid van de Erasmusweg. De onderschatting is geen aanleiding voor een andere conclusie over te treffen maatregelen en over de aanvaardbaarheid van het geluid door de weg op de geluidgevoelige gebouwen. De grondgebonden woningen liggen immers op een grotere afstand van de Erasmusweg dan de niet langer in het plan opgenomen appartementen. De conclusie als beschreven in paragraaf 3.2.3 gaat ook op voor de betreffende grondgebonden woningen.
Het maximale cumulatieve effect is aan de orde ter plaatse van de grondgebonden woningen langs de Wippolderlaan. De cumulatieve geluidsbelasting is daar maximaal 63 dB. Ook op het appartementengebouw in de noordwesthoek van het plan is sprake van cumulatie. De cumulatieve geluidsbelasting is daar maximaal 62 dB. In deze specifieke situatie is de cumulatieve geluidsbelasting gelijk aan de gezamenlijke geluidsbelasting. De gezamenlijke geluidsbelasting moet als uitgangspunt worden aangehouden bij het onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels.
Indirecte akoestische effecten
Uit het onderzoek blijkt verder dat ter plaatse van de bestaande woningen ten noordwesten van het plan geen sprake is van een significante verandering van de geluidsbelasting. De toename van de geluidsbelasting is daar lager dan 1,5 dB en daarmee niet hoorbaar voor het gemiddeld menselijk oor.
De toename op de bestaande woningen langs de Harry Hoekstraat bedraagt afgerond 2 dB. De absolute waarde van de geluidsbelasting bedraagt maximaal 62 dB. De toename voor de woningen langs de Harry Hoekstraat kan volledig worden gecompenseerd door de aanleg van een asfaltverharding op deze weg. De toepassing van een stille klinkerverharding leidt niet tot een volledige compensatie van de toename, maar leidt er wel toe dat sprake van een toename die lager is dan 1,5 dB. Dit is niet hoorbaar voor het menselijk oor.
Alternatieve maatregelen zijn het beoordelen van de binnenwaarde in de verblijfsruimte van bestaande woningen en het treffen van bouwkundige maatregelen waar nodig. Of maatregelen noodzakelijk zijn, welke maatregelen dat zijn en wat de kosten daarvan zijn, moet worden bepaald op basis van aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels van de betreffende bestaande woningen. Getoetst moet worden of de bestaande woningen voldoen aan de vereiste binnenwaarde van 36 dB. Als er aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn, moeten deze maatregelen er toe leiden dat de binnenwaarde niet hoger is dan 33 dB. Dit is 3 dB strenger, zodat een buffer gecreëerd wordt voor een eventuele toekomstige toename van de geluidbelasting.
Overgangsrecht Wet geluidhinder
Uit het onderzoek blijkt verder dat door het verkeer op de provinciale Wippolderlaan (N211) de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Omdat er langs de provinciewegen nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, moet voor de woningen met geluidsbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde een hogere waarde worden vastgesteld. De geluidsbelasting bedraagt maximaal 58 dB, zodat een overschrijding van de maximale hogere waarde van 63 dB niet aan de orde is en ook geen dove gevels noodzakelijk zijn.
Onderdeel van het plan is de wijziging van de bestaande Poeldijkseweg en het aanleggen van nieuwe wegen. Ter hoogte van de bestaande woningen kan niet altijd voldaan worden aan de standaardwaarde. Onderzoek naar geluidbeperkende maatregelen leidt tot de conclusie dat geen maatregelen aan de bron of in de overdracht mogelijk zijn, rekening houdend met financiële, verkeerskundige en stedenbouwkundige aspecten. De gecumuleerde geluidbelasting wordt aanvaardbaar geacht. Als gevolg van het aanvaardbaar achten van het geluid met een waarde boven de standaardwaarde neemt de gemeente een besluit over het treffen van geluidwerende maatregelen. In dat kader zal onderzoek worden gedaan of en zo ja, welke, maatregelen aan de gevel worden getroffen.
Een ander onderdeel van het plan is het realiseren van nieuwe woningen in de nabijheid van bestaande wegen, zowel een provinciale weg als gemeentelijke wegen. De geluidbelasting voldoet niet op alle gevels van de nieuwe woningen aan de standaardwaarde. De grenswaarde wordt niet overschreden. Onderzoek naar geluidbeperkende maatregelen leidt tot de conclusie dat een combinatie van een wal en geluidscherm wordt aangelegd ter beperking van de geluidhinder afkomstig van de provinciale weg. Andere eventueel denkbare maatregelen stuiten op bezwaren van financiële, verkeerskundige of stedenbouwkundige aard. Ten aanzien van de provincale weg geldt nog de voormalige Wet geluidhinder. Als gevolg daarvan wordt gelijktijdig met de wijziging van het omgevingsplan een besluit genomen over hogere waarden op grond van de voormalige Wet geluidhinder. Omdat de exacte positie van de woningen niet wordt bepaald door de regels van het omgevingsplan, wordt pas bij de aanvragen om omgevingsvergunning duidelijk waar de woningen precies komen. Pas dan kan worden berekend wat het geluidniveau ter hoogte van de gevel is. Daarom is in het omgevingsplan een verplichting opgenomen om de gezamenlijke geluidbelasting te bepalen en in de omgevingsvergunning vast te leggen. Ook de eisen met betrekking tot geluidluwe zijden zijn opgenomen in het omgevingsplan.
Het woningbouwproject heeft tot gevolg dat de verkeersintensiteiten op omliggende wegen veranderen. Door drukker verkeer treedt op de bestaande woningen langs de Harry Hoekstraat een geluidstoename op van maximaal 2 dB. Onderzoek naar geluidbeperkende maatregelen leidt tot de conclusie dat geen maatregelen aan de bron of in de overdracht mogelijk zijn, rekening houdend met financiële, verkeerskundige en stedenbouwkundige aspecten. De gecumuleerde geluidbelasting wordt aanvaardbaar geacht. Als gevolg van het aanvaardbaar achten van het geluid met een waarde boven de standaardwaarde, neemt de gemeente een besluit over het treffen van geluidwerende maatregelen. In dat kader zal onderzoek worden gedaan of en zo ja, welke, maatregelen aan de gevel worden getroffen.
Omgevingswet en Bkl
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De gemeente dient ervoor te zorgen dat het omgevingsplan in ieder geval de regels staan die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet). Dit kan de gemeente onder andere bereiken door:
De regels aan activiteiten op een locatie in het omgevingsplan voldoen aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op basis van de instructieregels van paragraaf 5.1.4.2 Bkl bevat het omgevingsplan regels die geluidgevoelige gebouwen beschermen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen.
Bij elke aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.59, lid 1 Bkl). Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten samen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu.
Door het opnemen van de standaardwaarden uit artikel 5.65 Bkl in het omgevingsplan voldoet de gemeente in principe aan de eis van aanvaardbaarheid van artikel 5.59, lid 2 Bkl. De standaardwaarden uit dit artikel zijn gebaseerd op de algemene geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Niet op alle locaties leiden de standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. De gemeente kan dan gemotiveerd kiezen voor andere waarden. Daarnaast kan de gemeente kiezen voor afwijkende standaardwaarden voor bedrijventerreinen (5 dB hoger) en voor agrarische gebieden (5 dB lager). Eis hierbij blijft aanvaardbaar geluid op geluidgevoelige gebouwen. De gemeente kan het gewenste evenwicht ook bereiken door bijvoorbeeld het opleggen van preventieve maatregelen. Dit in aanvulling op de waarde of in de plaats van de waarde.
Langs de Ambachtsweg en de Poeldijkseweg is een aantal bedrijven gevestigd. Het adviesbureau DGMR heeft onderzoek uitgevoerd naar de geluidproductie van deze bedrijven (zie Bijlage 7: DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V., 4 juni 2025, akoestisch onderzoek bedrijven woningbouwlocatie Wateringen-Noord).
In de afweging of sprake is van een aanvaardbare situatie worden zowel de belangen van de nieuwe bewoners (goed woon- en leefklimaat) als de belangen van de bedrijfseigenaren (continuïteit bedrijfsvoering) betrokken. Ter bescherming van geluidgevoelige gebouwen zoals woningen tegen overmatig geluid van activiteiten in de omgeving worden beperkingen opgelegd aan het geluid dat bedrijven mogen maken. Deze geluidsnormen staan in artikel 22.65 van het omgevingsplan Westland. Er wordt getoetst ter plaatse van de gevel van geluidgevoelige gebouwen in de omgeving van het bedrijf. De bouw van nieuwe woningen in de directe nabijheid van bedrijven kan betekenen dat een bedrijf maatregelen moet treffen om aan de geluidsnormen te voldoen.
Om de afweging goed te kunnen maken, is eerst onderzocht of de bedrijven op dit moment voldoen aan de geluidnormen. Voor een aantal bedrijven blijkt dit niet het geval. Deze bedrijven hebben de plicht hun bedrijfssituatie aan te passen. Om de consequenties van de nieuwbouw voor deze bedrijven te kunnen inschatten, heeft DGMR een aangepaste bedrijfssituatie opgesteld. Het betreft een bedrijfssituatie waarmee wel voldaan wordt aan de geldende geluidnormen.
Voor alle bedrijven is onderzocht of de bedrijfssituatie (zo nodig aangepast) voldoet aan de normen uit het Bkl ter plaatse van de nieuwbouwwoningen. Bij een drietal bedrijven is dat niet zonder meer het geval: het bedrijfsverzamelgebouw (Poeldijkseweg 1b), het garagebedrijf (Ambachtsweg 88B) en het jeugdrecreatiecentrum (Poeldijkseweg 31A).
Bij het bedrijfsverzamelgebouw is sprake van een overschrijding van 2 dB, die wordt veroorzaakt door de koelinstallatie op het dak. De overschrijding kan worden vermeden door het gebruik van de koelinstallatie aan te passen, bijvoorbeeld door in de nachtperiode op een lager toerental te draaien. Ook omkasting of afscherming plaatsen rond de koeling is een optie.
Het garagebedrijf staat momenteel leeg. Bij de ingebruikname kan bijvoorbeeld dakisolatie worden uitgevoerd gelijktijdig met andere bouwwerkzaamheden zonder zwaarwegend hogere kosten. Ook kan een nieuw bedrijf geen activiteiten uitvoeren in de avond. Op die manier kan overschrijding van de normen worden voorkomen.
De maatgevende geluidbron bij het jeugdrecreatiebedrijf wordt gevormd door de dakluiken. Het gaat om stemgeluid vanuit de survivalkas. Onversterkt menselijk stemgeluid moet volgens het Bkl uitgezonderd worden bij het bepalen van de waarden voor geluid. De gedachte hierachter is dat sommige vormen van geluid kortdurend of incidenteel zijn, moeilijk objectief te meten of te reguleren zijn of sterk afhankelijk zijn van beleving en context. Daarom krijgen gemeenten de ruimte om hier beleidsvrijheid in te nemen, mits ze dit goed onderbouwen.
In aansluiting op de bestaande bebouwing wordt bij de woning Poeldijksweg 17a in het plan de mogelijkheid opgenomen om nieuwe bebouwing te realiseren voor bedrijfsmatige opslag. De nieuwe bebouwing moet zo worden gesitueerd dat het geluid van het af- en aanrijden en laden en lossen wordt afgeschermd door de nieuwe bebouwing. Alleen inpandige opslag wordt toegelaten.
Beoordeling geluidsituatie
Het omgevingsplan bevat geluidnormen waaraan ieder individueel bedrijf moet voldoen (artikel 22.65). Met die normen voorziet het omgevingsplan erin dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Ze zijn iets strenger dan de standaardwaarden uit het Bkl. Voor zover de normen strenger zijn dan de standaardwaarden uit het Bkl (bijvoorbeeld die voor het maximale geluidniveau gedurende de dagperiode) kan voor de betreffende bedrijven een maatwerkvoorschrift worden gesteld, waarmee de standaardwaarden uit het Bkl worden toegelaten.
Artikel 22.65 gaat ook gelden voor de enkele bedrijfsactiviteiten die dit TAM-omgevingsplan mogelijk maakt of continueert. Voor die gevallen wordt een regel toegevoegd dat de waarden niet van toepassing zijn op menselijk stemgeluid.
De geluidnormen dragen in belangrijke mate bij aan een aanvaardbare situatie. Gelet op de afstand tussen de bedrijven en de nieuwe woningen wordt een geluidsscherm noodzakelijk geacht om vast te stellen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het gaat om een geluidscherm tussen de bedrijven aan de zijde van de Ambachtsweg en de nieuwe woonwijk. Op deze plek is een geluidscherm goed inpasbaar. Het scherm bevordert het terugbrengen van de cumulatieve geluidbelasting van de bedrijven. Daarnaast kunnen de individuele bedrijven gemakkelijker aan de geluidnormen voldoen.
Uit het onderzoek is gebleken dat bij drie bedrijven mogelijk maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de waarden zoals opgenomen in het Bkl. Voor de twee bedrijven aan de zijde van de Ambachtsweg wordt geconcludeerd dat eventuele maatregelen niet onevenredig ingrijpend zijn en uitvoerbaar worden geacht. Aanvullende maatregelen naast het geluidscherm worden niet noodzakelijk geacht bij het toelaten van de nieuwe woningen op deze afstand van de bedrijven. Voor het jeugdrecreatieve bedrijf wordt geoordeeld dat het menselijk stemgeluid aanvaardbaar is. Hierbij wordt de duur en de periode (alleen overdag) van dit geluid meegewogen.
Bij de wijziging van het omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. In de afweging of sprake is van een aanvaardbare situatie worden zowel de belangen van de nieuwe bewoners (goed woon- en leefklimaat) als de belangen van de bedrijfseigenaren (continuïteit bedrijfsvoering) betrokken. De plaatsing van een geluidsscherm wordt noodzakelijk geacht om te kunnen spreken van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast dragen de geluidnormen uit artikel 22.65 in belangrijke mate bij aan dit evenwicht. Voor de bedrijven die met dit TAM-omgevingsplan worden mogelijk gemaakt of gecontinueerd, wordt opgenomen dat onversterkt menselijk stemgeluid niet van toepassing op deze geluidnormen. Zo nodig wordt met een maatwerkvoorschrift afgeweken van deze geluidnormen in lijn met de standaardwaarden uit het Bkl.
De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelplangebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelplangebied, optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente om te beslissen of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn.
Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van geurgevoelige bebouwing. In 2019 en 2025 is door DGMR detailonderzoek naar de bedrijvigheid in de omgeving waarbij per bedrijf is geanalyseerd. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geur niet leidt tot negatieve effecten op de te realiseren woningen.
Het aspect geur heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op grond van artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden.
Trillingen door activiteiten
Met de wijziging van het omgevingsplan worden geen trillingenveroorzakende activiteiten toegestaan. Door de verkeersbewegingen binnen het plangebied, bouw- en sloopactiviteiten, aanlegactiviteiten, beheer en onderhoud, maar ook de bedrijfsmatige activiteiten, kunnen trillingen worden veroorzaakt. De activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, zullen echter bij een gebruikelijke manier van uitoefenen aan deze standaardwaarden kunnen voldoen. In hoofdstuk 22 van het omgevingsplan staan instructieregels die opgenomen dienen te worden in het omgevingsplan voor wat betreft trillingen door activiteiten.
Trillingen door wegverkeer
Het verkeer wordt op voldoende afstand van de trillingsgevoelige gebouwen afgewikkeld. Binnen het plangebied zelf geldt een maximale rijsnelheid van 30 km per uur. Er zijn geen rijsnelheden toegestaan die zodanige trillingsniveaus kunnen opleveren waardoor de standaardwaarden mogelijk worden overschreden. Ook de overige activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, zullen bij een gebruikelijke manier van uitoefenen aan deze standaardwaarden kunnen voldoen.
Het aspect trillingen heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op grond van artikel 1.3 en 2.1 van de Omgevingswet moet het omgevingsplan gericht zijn op het bereiken en in stand houden van veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Of de luchtkwaliteit gezond genoeg is dient in het kader hiervan onderzocht worden.
Het omgevingsplan moet in ieder geval de regels bevatten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt in dat functies die niet met elkaar te verenigen zijn met regels verenigbaar worden. Voor luchtkwaliteit heeft het rijk instructieregels gegeven die een evenwichtige toedeling uitwerken.
Op grond van de artikelen 5.50 en 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de in artikel 2.4 en 2.5 opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook als de gemeente in kwestie deel uitmaakt van een van de aangewezen aandachtsgebieden, moeten bij het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen. De gemeente Westland behoort tot een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit (agglomeratie Den Haag/Leiden). Daarom is deze instructieregel op deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing.
Om de situatie inzichtelijk te krijgen zijn berekeningen uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 8. Onderzoek is uitgevoerd naar de absolute waarde van de concentraties luchtverontreinigende stoffen op 1,5 meter hoogte op een afstand van 10 m van de rand weg of ter plaatse van de bestaande woningen als deze op kleinere afstand dan 10 m vanaf de rand van de weg zijn gelegen. Eveneens is de concentratie luchtverontreinigende stoffen ook op enkele nieuwe woningen bepaald.
Resultaten op 10 m vanaf de rand van de weg of bij bestaande woningen
De resultaten voor de luchtverontreinigende stoffen NO2, PM10 en PM2,5 op een afstand van 10 m zijn als volgt. De jaargemiddelde concentratie bedraagt respectievelijk 23, 16 en 8 µg/m3. Deze concentratie is ruim lager dan de grenswaarde van deze stoffen.
Een overschrijding van de 24 uurgemiddelde grenswaarde voor PM10, te weten 35 dagen van meer dan 50 µg/m3, treedt op bij een jaargemiddelde concentratie die hoger is dan 32 µg/m3. Aangezien de jaargemiddelde concentratie van PM10 maximaal 16 µg/m3 bedraagt, kan op grond van statistische regels voor de daggrenswaarde worden geconcludeerd dat het aantal overschrijdingsdagen zeker niet meer is dan 35 dagen per jaar.
Resultaten ter plaatse van nieuwe woningen
Ter plaatse van de beschouwde nieuwe woningen, die in de meeste gevallen op grotere afstand dan 10 m uit de rand van de wegen zijn gelegen, is de bijdrage van het verkeer en de absolute waarde van de concentratie luchtverontreinigende stoffen kleiner. Uit de resultaten blijkt dat deze jaargemiddelde concentratie voor de luchtverontreinigende stoffen NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk 20, 15 en 8 µg/m3 bedraagt. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de omgevingswaarden.
Het onderzoek naar de concentraties luchtverontreinigende stoffen heeft plaatsgevonden voor het beoordelingsjaar 2025. Verwacht wordt dat in de toekomst de achtergrondconcentraties en emissies van motorvoertuigen en industriële activiteiten afnemen. Dit betekent dat de berekende concentraties in de toekomst afnemen. Omdat in het beschouwde jaar het aspect luchtkwaliteit niet leidt tot belemmeringen is dat ook niet het geval in toekomstige jaren.
Omdat de berekende jaargemiddelde concentraties luchtverontreinigende stoffen veel lager zijn dan de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht, is er wat betreft het aspect luchtkwaliteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Op grond van artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises. In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid, die met deze activiteiten binnen het plangebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden gehanteerd.
Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet een plaatsgebonden risico van 10-6 in acht worden genomen. Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied.
Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk).
Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.
Voor de bepaling van de aandachtsgebieden is uitgegaan van de bescherming die nieuwbouw en reguliere rampenbestrijding bieden. De gemeente beoordeelt of, en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om mensen in aandachtsgebieden voldoende te beschermen. Het beleidsdoel van het 'aandachtsgebied' is dat voorafgaand aan de besluitvorming wordt nagedacht over de risico's en de mogelijke effecten van een incident bij de (vergunde) activiteit met gevaarlijke stoffen. Onderdeel daarvan is het overwegen van maatregelen die nodig zijn om de veiligheid voldoende te waarborgen en de fysieke leefomgeving en omgevingskwaliteit (milieu en gezondheid) voldoende te beschermen.
De aandachtgebieden zijn onder te verdelen in:
Aandachtsgebieden kunnen leiden tot voorschriftengebieden indien er sprake is van nieuwbouw, voor bestaande gebouwen gelden voorschriftengebieden niet. Indien men zeer kwetsbare gebouwen wil toestaan in een aandachtsgebied wordt dat aandachtsgebied of het gedeelte met nieuwbouw automatisch een voorschriftengebied. Aanvullende bouweisen gelden voor de nieuwbouw zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bij het toestaan van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen kan de gemeente afzien van een voorschriftengebied, mits goed gemotiveerd. Het bepalen van voorschriftengebieden, de motivatie voor de te nemen maatregelen en dergelijke is een verantwoordelijkheid van de gemeente.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling heeft KuiperCompagnons een onderzoek naar omgevingsveiligheid uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 9. De belangrijkste resultaten zijn in deze paragraaf beschreven.
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt. In de omgeving van de locatie zijn verschillende risicobronnen aanwezig, zoals weergegeven op afbeelding 3.1. Het betreft de risicobronnen:
Afbeelding 3.1: Uitsnede risicokaart en ligging plangebied (globaal blauw omcirkeld).
Hogedruk aardgastransportleidingen
Het plangebied bevindt zich binnen de aandachtsgebieden van de hogedruk aardgastransportleidingen A-617 en W-509-02, waardoor rekening gehouden dient te worden met het groepsrisico. In zowel de huidige als de plansituatie wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico voor dit leidingtraject niet overschreden. Er treedt geen verandering van het GR op als gevolg van het bouwplan.
Vervoer gevaarlijke stoffen weg
De N211 en is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen. De weg is echter niet opgenomen in het basisnet waardoor er geen aandachtsgebieden zijn berekend. Het plangebied is wel gelegen binnen het effectgebied van LPG van de N211, waardoor deze route aanvullend is beschouwd. Uit de analyse kan worden geconcludeerd dat de hoogte van het groepsrisico van de N211 aanvaardbaar is.
Nieuwe risicobronnen
Aan de energietransitie zijn veiligheidsrisico's verbonden, zoals risico's rond elektrisch rijden/parkeren, waterstof en grootschalig gebruik van zonnepanelen in combinatie met energie opslag systemen (EOS). Indien in het plangebied nieuwe energiebronnen worden ontwikkeld dient de VRH hierover geïnformeerd te worden.
Voorschriftengebied
Aangezien een deel van het plangebied binnen de brandaandachtsgebieden van de hogedruk aardgastransportleidingen valt, kan de gemeenteraad een voorschriftengebied vaststellen ter grootte van het brandaandachtsgebied. Gelet op de omvangrijke financiële gevolgen en de waarde van het groepsrisico wordt dit niet noodzakelijk geacht.
Zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid
In het plangebied worden zeer kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt, namelijk een maatschappelijk cluster met ruimte voor zorgfuncties en een school met kinderdagverblijf. Deze gebouwen worden echter op voldoende afstand van de risicobronnen gepositioneerd, zodat ze buiten het aandachtsgebied van de gasleidingen en tevens buiten de 200 meter zone van de N211 liggen.
Voor de beschouwde risicobronnen gelden verschillende maatgevende ongevalscenario's. In het geval van een BLEVE of fakkelbrandincident kan gevlucht worden, mits men zich niet binnen de 100% letaliteitscontour bevindt.
Voor de verschillende ongevalsituaties is het mogelijk om de volgende maatregelen te treffen tot de voorbereiding van bestrijding van rampen binnen het plangebied:
Bij de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan wordt de Veiligheidsregio Haaglanden om advies gevraagd over het aspect omgevingsveiligheid.
Explosieven
De gemeente Westland heeft hiernaast in 2014 een CE-bodembelastingkaart op laten stellen. Op deze kaart zijn de risicogebieden aangeduid. In afbeelding 3.2 is een uitsnede van deze kaart ter hoogte van het plangebied weergeven. Hieruit blijkt dat het plangebied als 'niet verdacht' valt aan te merken.
Afbeelding 3.2: Uitsnede Explosievenkaart gemeente Westland.
Het aspect omgevingsveiligheid heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Wat dit aspect betreft is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Rijksbeleid
Het Nationaal Water Programma 2022-2027
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal.
Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water.
Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema's, ook in de verschillende 'water' gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema's als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat.
Water en de Omgevingswet
Het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater en de samenhang tussen waterbeheer en ruimtelijke ordening is geregeld in de Omgevingswet. Die wet kent voor de fysieke leefomgeving inclusief wateraspecten eenduidige bestuurlijke procedures en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Omgevingswet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.
De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.
Nationaal Bestuursakkoord Water
In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.
In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.
In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort.
Kaderrichtlijn water
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.
Waterbeheer 21e eeuw
In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.
Waterschapsbeleid
Waterbeheerprogramma 2022 - 2027
Op 10 maart 2022 heeft het bestuur van het Hoogheemraadschap van Delfland het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) vastgesteld. Dit is de opvolger van het Waterbeheerplan 2016-2021. Hiermee geeft Delfland invulling aan de verplichting voor waterschappen onder de Omgevingswet om een waterbeheerprogramma op te stellen. In het Waterbeheerprogramma beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland haar strategie voor de uitvoering van kerntaken voor de aankomende jaren. Het is de leidraad voor het handelen van het hoogheemraadschap in de periode 2022-2027. Daarbij vormt het een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering. Naast een aantal verplichte onderdelen (de Kaderrichtlijn Water, de richtlijn overstromingsrisico's, de richtlijn zwemwater en Natura 2000), zijn er voor het waterbeheerprogramma geen vormvereisten. Delfland heeft voor het WBP6 gekozen voor een opzet met drie verschillende niveaus: WBP6 op hoofdlijnen, een thematisch overzicht van maatregelen en activiteiten, en een kennisbank.
In 2007 (meest recente update is van augustus 2023) is een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland stelt voorwaarden aan de inhoud van de watertoets (waterparagraaf) als verplicht onderdeel van de onderbouwing van ruimtelijke plannen. De watertoets berust op twee uitgangspunten:
De toelichting van ruimtelijke plannen dient een beschrijving te bevatten van de volledige watersituatie binnen het plangebied, alsmede de te verwachten ontwikkelingen. Deze beschrijving dient in te gaan op de volgende aspecten:
Gemeentelijk beleid
Gemeente Westland heeft een waterklimaatplan. In dat plan staat hoe de gemeente samen met het Hoogheemraadschap van Delfland wil zorgen voor het water in de gemeente. Dat is nodig omdat er de afgelopen jaren door klimaatverandering meer overlast van water kan zijn na hevige buien. Ook is er een grotere kans op droogte en hitte in de zomer waar de gemeente rekening mee moet houden. Daarom wil de gemeente ervoor zorgen dat er in 2050 een watersysteem is dat geschikt is om de gevolgen van klimaatverandering aan te kunnen. In het plan staat ook hoe de gemeente met bewoners en bedrijven wil samenwerken om het doel te bereiken. In het plan zijn drie lange termijn doelen opgenomen: 'Bewust waterbestendig handelen', 'Waardevol water: Schoon, voldoende en bruikbaar' en 'Naar een robuust watersysteem en een watercyclus'. Hiervoor zijn op verschillende deelthema's ambities opgenomen, waarbij vooral ambitieus wordt ingezet op schoon en gezond water en toegenomen biodiversiteit, en op klimaatadaptief inrichten als norm.
Door Waterfeit is in 2025 een waterhuishoudingsplan opgesteld. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 10. Per aspect worden in deze paragraaf de belangrijkste uitkomsten besproken.
Bestaande situatie watersysteem
Het gebied heeft in de huidige situatie voornamelijk een agrarische (glastuinbouw-) bestemming. Het grootste deel van het plangebied ligt in peilgebied I van de Wippolder. Dit peilgebied heeft een vast waterpeil van 0,80 m-NAP. Het noorden van het plangebied ligt in peilgebied III van de Wippolder met een vast waterpeil van 1,12 m-NAP. Ten noordwesten van het plangebied ligt een peilgebied met een waterpeil op 1,75 m-NAP.
Aan de randen van het plangebied liggen enkele primaire watergangen. De watergangen binnen het plangebied zijn secundaire watergangen. In het watersysteem zijn diverse lange duikers aanwezig. Het gebied watert af in zuidelijke richting via een drietal duikers onder de Poeldijkseweg. Aan de noordkant van het plangebied bevinden zich verschillende stuwen en een stuwende duiker. De Wippolder als geheel watert af op gemalen aan het Oosteinde/Strijpkade en de Markuslaan. Deze gemalen pompen het water op naar de boezem. Afbeelding 3.3 toont het watersysteem in de bestaande situatie.
In de huidige situatie voldoet de Wippolder, volgens het Peilbesluit uit 2014, aan de normen voor wateroverlast. Er hebben diverse ontwikkelingen plaatsgevonden, waaronder de aanleg van een waterberging en de woonwijk Wateringseveld met veel open water. Daarnaast is het gemaal een paar jaar geleden vernieuwd en heeft nu voldoende capaciteit. In 2016 is er door het hoogheemraadschap een Watersysteem analyse (WSA) Wippolder en Oud- en Nieuw-Wateringveldsche polder opgesteld. Hieruit blijkt dat ter plekke van peilgebied Wippolder III langs de Erasmusweg delen van het grasland kunnen inunderen. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door de lage maaiveldligging.
Afbeelding 3.3: Watersysteem in de bestaande situatie (bron: Waterfeit, december 2025).
Toekomstige situatie watersysteem
In de plansituatie wordt een aantal bestaande watergangen gedempt. Een aantal watergangen blijft echter ook behouden op de bestaande locatie en wordt daarbij verbreed. In totaal komt er meer water dan in de huidige situatie aanwezig is. Tussen de bestaande bebouwing en het plangebied wordt een grenssloot gerealiseerd als overgang naar de omringende percelen. Met deze sloot kunnen hoogteverschillen in het maaiveld opgevangen worden en tevens wordt zo een rondgaand watersysteem gerealiseerd dat de doorstroming en waterkwaliteit ten goede komt. De structuur van het watersysteem verbetert ten opzichte van de huidige situatie door de bredere watergangen en de vermindering van het aantal lange duikers.
In het waterhuishoudingsplan is nader ingegaan op de toekomstige waterpeilen en peilgebieden in het plangebied. Daarbij zijn ook de te handhaven en nieuwe peilgrenzen aangegeven. Ook is per deelgebied (noordzijde, oostzijde, zuidoostzijde, westzijde) het toekomstige watersysteem en de aansluiting op het omliggende gebied beschreven. Daartoe geeft waterhuishoudingsplan aan welke verbindingen met onder meer watergangen, duikers en stuwen in de toekomstige situatie vervallen, behouden blijven en verbeterd worden.
Waterkwantiteit en wateropgave
In het waterhuishoudingsplan zijn de oppervlaktes in de bestaande situatie en in de toekomstige situatie in beeld gebracht. De oppervlaktes zijn weergegeven in tabel 3.1 en 3.2.
Tabel 3.1: oppervlaktes bestaande situatie (bron: Waterfeit, december 2025).
Tabel 3.2: oppervlaktes toekomstige situatie (bron: Waterfeit, december 2025).
Hieruit volgt dat ten opzichte van de huidige situatie het verhard oppervlak toeneemt met 1,26 ha. Het wateroppervlak neemt toe met 1,27 ha. Het gebied is in de plansituatie voor circa 55% verhard. Van de openbare ruimte (wegverharding, groen en water) is 41% onverhard.
Toename van verharding dient gecompenseerd te worden in de vorm van waterberging met een voorkeur voor open water. Het Hoogheemraadschap van Delfland hanteert hiervoor de watersleutel. De watersleutel berekent de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om gevolgen van klimaatverandering op te vangen. In het waterhuishoudingsplan is de berekening van de watersleutel (inclusief daarbij gehanteerde uitgangspunten) opgenomen. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Het extra benodigd wateroppervlak volgens de watersleutel is:
Het wateroppervlak neemt toe met 1,27 ha volgens tabel 3.2. Er is sprake van een overschot van 0,69 ha ten opzichte van de Watersleutel. In de berekening van de Watersleutel wordt het wateroppervlak omgerekend naar m³, daarbij wordt een peilstijging gehanteerd van 0,41 m. Het wateroverschot over 0,69 ha open water komt daarmee overeen met 2.829 m³ berging.
Waterveiligheid en waterkeringen
Op de noordgrens van het plangebied bevindt zich een polderkade als waterkering (zie afbeelding 3.4). Deze kade ligt grotendeels in de gemeente Den Haag, maar maakt een knik waardoor een deel binnen het plangebied ligt. De middenkruinlijn vormt de grens van de peilgebieden. Direct naast de middenkruinlijn ligt aan beide zijden een watergang, aan de noordzijde de primaire watergang. Volgens de legger waterkeringen heeft de polderkade een kruinhoogte van 0,6 m boven het hoogste polderpeil, dit zou neerkomen op 0,52 m-NAP voor peilgebied Wippolder III met waterpeil 1,12 m-NAP en 0,20 m-NAP voor peilgebied Wippolder I met waterpeil 0,80 m-NAP. Enkele secundaire watergangen lopen door de polderkade, maar zijn wel voorzien van een constructie in de vorm van een inlaatduiker, stuw en stuwende duiker.
De kruinhoogte van de polderkade dient 0,6 m boven het hoogste polderpeil te zijn. Het toekomstig polderpeil is 0,80 m-NAP, de kruinhoogte van de polderkade dient minimaal 0,20 m-NAP te bedragen. Het toekomstig wegpeil van het plangebied is 0,20 m+NAP en is daarmee ruim hoger dan de benodigde kruinhoogte. De geplande rijbaan langs de noordzijde van het plangebied kan daardoor dienstdoen als polderkade, of de groenzone ten noorden van de ontsluitingsweg mits de maaiveldhoogte minimaal 0,20 m-NAP is.
Bij het noordwestelijk deel van het plangebied ligt de middenkruinlijn buiten het plangebied. Ten dele is deze middenkruinlijn echter niet meer hoog genoeg door de verhoging van het waterpeil van 1,12 m-NAP naar 0,80 m-NAP. Door hier de secundaire watergang op de rand van het plangebied te dempen tot de huidige stuw en de groenzone langs deze rand van het plangebied op een hoogte te brengen van minimaal 0,20 m-NAP, wordt ook daar voldaan aan de minimale kruinhoogte. Dempen van de secundaire watergang is geen probleem, deze watergang heeft nu alleen een ontwaterende functie voor het op te hogen perceel. De af- en ontwatering van de Erasmusweg gaat via de primaire watergang. Aandachtspunt is dat te dempen watergang op grond van gemeente Den Haag ligt, en nog niet is meegenomen in de watersleutelberekening. Het wateroverschot neemt hierdoor met circa 500 m² af.
In het waterhuishoudingsplan is een voorstel opgenomen voor de toekomstige ligging van de middenkruinlijn van de polderkade. De ligging van de waterkering in de legger waterkeringen dient hierbij gewijzigd te worden. In de beschermingszone langs de waterkering worden geen woningen gebouwd of private tuinen aangelegd.
Klimaatadaptatie
In het Convenant Klimaatadaptief Bouwen is een inspanningsverplichting opgenomen voor nieuwbouw. In het waterhuishoudingsplan komen de onderdelen hevige neerslag en droogte aan bod.
Met betrekking tot hevige neerslag, wordt in het gebied al veel open water aangelegd. Voor waterberging op privaat terrein wordt als streefwaarde daarom uitgegaan van de onderzijde van de bandbreedte, 40 mm waterberging over het privaat terrein. Hierbij wordt alleen uitgegaan van het verhard oppervlak. In het waterhuishoudingsplan staan de streefwaarden en per type oppervlak hoeveel waterberging dat oplevert. In totaal gaat het om 2.796 m3 aanvullende waterberging. De streefwaarde betekent per woning gemiddeld circa 4 m³ waterberging.
Voorgesteld wordt extra waterberging niet alleen op privaat terrein te realiseren. Vanuit het oogpunt van robuustheid, beheer en handhaafbaarheid heeft het juist de voorkeur om de streefwaarde in toekomstig openbaar terrein in te vullen op de volgende wijze:
Om schade bij hevige neerslag te beperken, wordt in een nog op te stellen rioolplan bij het ontwerp van het hemelwaterstelsel met een gecombineerd riool- en maaiveldmodel getoetst of geen schade optreedt bij hevige neerslag.
Met betrekking tot droogte, geldt dat het maaiveld wordt opgehoogd tot 0,20 m+NAP om een verschil (drooglegging) van 1,0 meter te realiseren ten opzichte van het oppervlaktewaterpeil van 0,80 m-NAP. In de DO-fase wordt nader onderzocht of drainage benodigd is om voldoende ontwatering te realiseren, het verschil tussen maaiveld en het grondwaterpeil.
In het waterhuishoudingsplan is een globale berekening gemaakt van de hoeveelheid neerslag die per jaar infiltreert in het plangebied. Daaruit volgt dat op jaarbasis circa 103.545 m³ infiltreert. Over het totaal oppervlak van het plangebied van 21,54 ha is dit 480 mm. Hiermee wordt voldaan aan het convenant. Bij toepassing van wadi's en/of ondergrondse berging neemt deze hoeveelheid toe.
Waterafvoer
Verhard oppervlak dat direct grenst aan wadi's en/of oppervlaktewater wordt zo aangelegd dat het hemelwater oppervlakkig afstroomt naar de wadi en/of het oppervlaktewater. Hemelwater van aangrenzend particulier terrein stroomt op die wijze ook oppervlakkig af, doordat alle hemelwater van particulier terrein bovengronds aangeboden wordt op de erfgrens. Aandachtspunt is dat hierbij voldoende verhang aanwezig moet zijn in het maaiveld opdat restzetting en zettingsverschillen de afstroming niet belemmeren. Overig verhard oppervlak inclusief daarop afwaterend particulier verhard oppervlak wordt aangesloten op een hemelwaterriool. In overleg wordt nader bepaald welke oppervlakken dit betreft. Het hemelwaterriool krijgt meerdere vrije uitlaten op het oppervlaktewater. Het gehele hemelwatersysteem wordt in de DO-fase nader uitgewerkt.
Alle afvalwater zal ingezameld worden door middel van een vuilwaterriool. Het afvalwateraanbod is in het waterhuishoudingsplan berekend voor de verschillende toekomstige functies in het plangebied. In de DO-fase wordt dit nog geactualiseerd. Uit het waterhuishoudingsplan blijkt dat bij de minimale diameter de berekende capaciteit van het vuilwaterriool voldoende is voor het maximale afvalwateraanbod per uur.
Langs de Poeldijkseweg bevindt zich in de huidige situatie een drukrioolstelsel. Dit is niet geschikt om het afvalwater van Wateringen-Noord te ontvangen. In het gebied komt daarom een rioolgemaal dat met een persleiding aangesloten wordt op de riolering van de kern Wateringen. Het lozingspunt dient nog nader te worden afgestemd. Het rioolstelsel van de kern Wateringen voert via de riolering van de gemeente Den Haag af naar de rioolwaterzuivering van de Harnaschpolder. Verder wordt geadviseerd om minimaal 24 uur afvalwater te kunnen bergen in het vuilwaterriool bij pompuitval. Het rioolsysteem wordt in de DO-fase nader uitgewerkt.
Waterkwaliteit
In het algemeen is bij het omzetten van glastuinbouw naar wonen sprake van minder uitstoot van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen, wat positief is voor de waterkwaliteit. Belangrijk onderdeel is het natuurvriendelijk oeverprincipe (nvo). De nvo's bestaan onder meer uit een flauwe oever, moeras en rietoevers. De nvo's voorzien in meerdere ecologische functies.
Door hemelwater oppervlakkig via groen af te laten stromen naar het oppervlaktewater of tijdelijk te bergen in wadi's, worden verontreinigingen afgevangen in de bovenste laag van de bodem. Daarnaast zorgt het hemelwater voor doorspoeling van de watergangen. Om het hemelwater zo schoon mogelijk te houden, worden niet-uitlogende materialen gebruikt bij de bouw van de woningen en overige panden. Ook de diepte van de watergangen van minimaal 1,0 meter draagt bij aan een goede waterkwaliteit.
Onderhoud
De maten van de watergangen, de natuurlijke oevers en oeververdediging (beschoeiingen en damwanden) en maatvoering van de hoofdstructuur zullen worden uitgevoerd volgens de beleidsregels van het hoogheemraadschap van Delfland en het Programma van Standaarden van de gemeente. Taluds worden in principe 1 op 3 aangelegd, waarmee voldaan wordt aan het uitgangspunt voor natuurlijke oevers. Enkele watergangen en oevers zullen in het plangebied voorzien worden van natuurvriendelijke oevers (NVO's). Het specifieke type zal worden bepaald op basis van de eisen van Delfland. Het profiel van de watergangen wordt minimaal 100 cm diep.
Uitgangspunt voor inrichting en beheer is dat de watergangen een secundaire status houden en daarmee de gemeente het onderhoud op zich neemt. De gemeente stelt hierover in de DALI het volgende:
Ten behoeve van het onderhoud dient het profiel van de watergangen te voldoen aan deze uitgangspunten. Een aandachtspunt is dat de nieuwe watergangen aan de rand van het plangebied aan de buitenzijde grenzen aan bestaande particuliere percelen. Indien deze eigenaren een deel van het water moeten gaan onderhouden, dienen hierover afspraken met hen gemaakt te worden. Voorgesteld wordt om alle watergangen binnen het plangebied te laten onderhouden door de gemeente. Een aantal watergangen is te onderhouden met de kraan vanaf de kant. Bij een deel van de watergangen is hier echter geen ruimte voor, deze dienen varend te worden onderhouden. De profielen van de watergangen worden nader uitgewerkt in het DO.
In het kader van de voorgenomen ontwikkelingen is voor het plangebied een waterhuishoudingsplan opgesteld. De verschillende wateraspecten daaruit zijn in deze waterparagraaf beschreven. Zo is onder meer ingegaan op de inrichting van het toekomstige watersysteem en de te realiseren wateropgave. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met deze omgevingsplanwijziging geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding in het gebied.
Omgevingswet
Onder de Omgevingswet vindt de aanpak van bodemverontreinigingen plaats bij ontwikkelingen. De voorgenomen activiteit of gebiedsopgave staat dan voorop, in plaats van de verontreiniging. In het geval van bodemgevoelige locaties dient in het omgevingsplan een saneringsplicht opgenomen te zijn (op grond van de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving). Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Hieronder valt ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Verder heeft de provincie in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening en de daaraan gekoppelde voorbeschermingsregels, regels opgesteld voor grondwatergevoelige gebouwen op grondwatergevoelige locaties.
Toelaatbare kwaliteit van de bodem
Via het omgevingsplan wordt voorkomen dat gebouwd wordt op een verontreinigde bodem met onaanvaardbare risico's voor de gezondheid. Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De gemeente stelt zelf deze waarden vast. Als waarde voor de toelaatbare kwaliteit is vooralsnog de interventiewaarde bodemkwaliteit vastgelegd in het omgevingsplan. Wanneer sprake is van een saneringsplicht stelt het omgevingsplan op welke wijze de sanering mag worden uitgevoerd. Een sanering kan in principe bestaan uit het verwijderen van de verontreiniging of het duurzaam afdekken. In sommige situaties is maatwerk noodzakelijk. Verder zijn in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening normen opgenomen voor grondwaterverontreinigingen en in welke gevallen een grondwatersanering moet worden uitgevoerd.
Uitvoeren milieubelastende activiteiten voor de bodem
Met de Omgevingswet is de systematiek van de wetgeving veranderd. In plaats van de Wet Bodembescherming (Wbb) zijn algemene rijksregels voor een aantal milieubelastende activiteiten opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Onder andere voor: het graven in de bodem, saneren van de bodem, het opslaan van grond en baggerspecie en het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen in of op de bodem. Voor het uitvoeren van deze activiteiten dient de initiatiefnemer op grond van het Bal doorgaans informatie aan te leveren en/of te melden. Soms kan bij verontreiniging sprake zijn van het overgangsrecht als bedoeld in Hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, dan is de Wbb (en bijbehorende regelgeving) nog van toepassing. Bijvoorbeeld bij een in het verleden ingediend saneringsplan, ernstig geval van bodemverontreiniging, welke spoedeisend is of opgelegde gebruiksbeperkingen in het kader van nazorg.
Het Bal stelt ook regels voor milieubelastende activiteiten die de bodem mogelijk kunnen verontreinigen. In principe moet voorkomen worden dat de bodem verontreinigd kan raken. Verontreiniging die toch ontstaan is als gevolg van een bodembedreigende activiteit moet zo snel en volledig als mogelijk worden verwijderd.
Het plangebied ligt aan de noordwestzijde van de kern Wateringen, gemeente Westland. Het plangebied heeft voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voornamelijk een agrarische bestemming. Het plangebied is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Westland blijkt dat het plangebied is gelegen in zone Wonen (kassen). De algemene bodemkwaliteit van de boven- en ondergrond zijn respectievelijk geclassificeerd als klasse Wonen (LMW) en klasse Landbouw/Natuur (LMW).
Historisch bodemonderzoek
Door VanderHelm Milieubeheer B.V. is een inventariserend en historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Dit vooronderzoek, ten aanzien van de (land)bodem, is niet volledig conform NEN 5725 uitgevoerd, maar wel als voldoende beoordeeld. Het vooronderzoek heeft geresulteerd in een hypothese over de aard en de verdeling van mogelijke verontreinigingen in het onderzoeksgebied. Daarbij is per deellocatie een overzicht gemaakt van de te verwachten verontreinigingssituatie in de bodem, evenals aandachtspunten en 'verdachte' onderdelen. Op basis hiervan is een onderzoeksstrategie per deelgebied opgesteld. De rapportage van het vooronderzoek en de daaruit volgende onderzoeksstrategie is opgenomen in Bijlage 11. Op basis hiervan is een verkennend milieukundig (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd.
Verkennend (asbest)bodemonderzoek
In 2021 heeft VanderHelm Milieubeheer B.V. een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de woningbouwontwikkeling Wateringen-Noord. De volledige rapportage is toegevoegd als Bijlage 12. Onderstaand worden de belangrijkste bevindingen uit het onderzoek toegelicht.
Ter plaatse van het plangebied is op 5 deellocaties onderhavig onderzoek uitgevoerd. De boven- en ondergrond van de deellocaties 1, 3 en 4 zijn matig tot sterk verontreinigd, waar nader onderzoek conform NTA 5755 noodzakelijke wordt geacht, en deellocaties 2 en 5 zijn licht verontreinigd. Het grondwater ter plaatse van deellocatie 4 is matig tot sterk verontreinigd met koper, aangezien de ondergrond matig verontreinigd is met nikkel, dient hier nader onderzoek uitgevoerd te worden om vast te stellen of er sprake is van een verhoogde achtergrondwaarde. Het grondwater ter hoogte van deellocaties 1, 2 en 3 is tevens plaatselijk sterk verontreinigd met nikkel en/of arseen dat echter als een verhoogde achtergrondwaarde wordt beschouwd. Ter hoogte van peilbuis 4B-01 is een matige koperverontreiniging aangetroffen. Aanbevolen wordt om de peilbuis te herbemonsteren.
Zintuiglijk zijn er geen asbestverdachte materialen in de grond aangetroffen. De bodem van het gehele plangebied kan als onverdacht op asbest worden beschouwd.
Ter plaatse van boring 4F-01 is de voorlopige veiligheidsklasse 'Oranje, niet vluchtig' van toepassing. Voor de overige boven- en ondergrond is geen veiligheidsklasse van toepassing. Geadviseerd wordt de definitieve veiligheidsklasse vast te laten stellen door de betreffende veiligheidsdeskundige op basis van de daarvan bijbehorende beheersmaatregelen. Voor de definitieve beoordeling dient de uitvoeringsspecifieke omstandigheden inclusief weersomstandigheden in acht te worden genomen.
Op basis van de conclusies wordt het volgende aanbevolen:
Actualiserend historisch bodemonderzoek
Door het verstrijken van de tijd is het wenselijk bevonden een actualiserend bodemonderzoek uit te voeren (zie Bijlage 13). De conclusie is dat er geen reden is om aan te nemen dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem negatief is beïnvloed. Het gebruik van de onderzoekslocatie is ten opzichte van het voorgaande onderzoek (jaar 2021) niet gewijzigd en niet beïnvloed van buitenaf. Er mag daarom worden aangenomen dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem nog eenzelfde is. Nieuw verkennend onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht buiten de gedeeltes welke nog onderzocht moeten worden middels verkennend (asbest)bodemonderzoek en de gedeeltes waar nog nader bodemonderzoek moet plaatsvinden.
Uit het verkennend milieukundig (asbest)bodemonderzoek is gebleken dat er geen zintuiglijk asbest is aangetroffen. Voor enkele aangetroffen verontreinigingen wordt nader onderzoek aanbevolen. Met inachtneming van de bovenstaande adviezen zullen deze onderzoeken in een later stadium nog worden uitgevoerd. Indien nodig worden sanerende of andere beschermende maatregelen getroffen, zoals in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan wordt voorgeschreven bij de bouw van bodemgevoelige gebouwen.
Inmiddels zijn voor enkele locaties nadere onderzoeken afgerond. Het gaat onder andere om het perceel ter plaatse van Erasmusweg 2012 en de kadastrale percelen A6782 en AW2745 waar een deel van de nieuwe ontsluitingsweg komt. Uit deze onderzoeken is gebleken dat de maximale waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet worden overschreden.
Een van de thema's die op grond van de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving, is logischerwijs de natuur. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen dan ook bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer.
De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura 2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor het opstellen van omgevingsplannen door gemeenten. Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan haar beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels doorleggen aan gemeenten. De gemeenten moeten dan bij het opstellen van het omgevingsplan deze instructieregels in acht nemen.
Soortenbescherming
In het kader van de eerdere bestemmingsplanprocedure voor Wateringen-Noord zijn in 2020 een ecologische quickscan en een vervolgonderzoek uitgevoerd. In 2024 is een nieuwe quickscan uitgevoerd. Het ecologisch vervolgonderzoek naar beschermde soorten wordt momenteel nog geactualiseerd. De resultaten hiervan worden te zijner tijd in deze paragraaf opgenomen.
Quickscan (2024)
Door ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot is in het voorjaar van 2024 een toetsing in het kader van de natuurwetgeving uitgevoerd. In dit onderzoek is geïnventariseerd welke beschermde soorten er in het plangebied aanwezig kunnen zijn. De volledige rapportage is te raadplegen in Bijlage 14. Hieronder zijn de belangrijkste bevindingen uiteengezet.
In onderstaande tabel is overzichtelijk weergegeven welke beschermde, niet-vrijgestelde soorten te verwachten zijn: eerder volgens literatuuropgave vastgestelde soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in/nabij het plangebied (kolom 2), mogelijk (incidenteel) voorkomende beschermde, niet vrijgestelde soorten in het plangebied (kolom 3) en verwachte voorkomen van essentieel leefgebied van beschermde, niet vrijgestelde soorten binnen het plangebied met verwachte beschermde functie (kolom 4). Indien de potentieel aanwezige beschermde functie wordt genoemd in kolom 4 valt deze automatisch onder essentieel leefgebied voor de mogelijk aanwezige soorten.
Tabel 3.3: Beschermde, niet-vrijgestelde soortgroepen (bron: Van der Goes en Groot, 2024).
Het plangebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen.
Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen vrijgestelde soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte vrijgestelde soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan.
In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt grofweg van half maart tot half juli.
In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van Huismus, Ooievaar en in bomen broedende roofvogels (Ransuil). Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar nesten en nestlocaties van deze vogelsoorten noodzakelijk. Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een vergunningsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.
Het plangebied biedt mogelijk essentieel leefgebied voor Spreeuw (cat. 5). Aanvullend onderzoek is benodigd om het gebruik van het plangebied door deze soort in kaart te brengen.
Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (Sperwer en Buizerd), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep, omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.
In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een vergunningsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.
Ten tijde van het veldbezoek was er een dicht bladerdek in de bomen aanwezig. Wegens het dichte bladerdek waren de bomen niet goed te inspecteren op de aanwezigheid van (grote) vogelnesten/ holtes en spleten. Aanbevolen wordt om in de winterperiode, wanneer het blad van de bomen is, een scan naar de aanwezigheid van nesten, holtes en spleten uit te voeren. Indien nesten, holtes of spleten die geschikt kunnen zijn voor beschermde soorten (bijvoorbeeld roofvogels, uilen en vleermuizen), dient in de meeste gevallen een volledig onderzoek te worden uitgevoerd.
Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep, omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken.
Het plangebied kan gebruikt worden als (klein) onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. Nader onderzoek naar het gebruik van vliegroutes is benodigd om het terreingebruik door vleermuizen in kaart te brengen.
Vervolgonderzoek (2025)
Naar aanleiding van de quickscan is door Van der Goes en Groot een inventarisatie uitgevoerd naar de genoemde soorten, vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats (gierzwaluw, ooievaar, spreeuw, ransuil) en vleermuizen. Het rapport is opgenomen in Bijlage 15. De belangrijkste resultaten worden hieronder weergegeven.
Tabel 3.4: Aangetroffen beschermde soorten in 2025 (bron: Van der Goes en Groot, 16 oktober 2025).
Gebiedsbescherming
Beschermde natuurgebieden
In de eco-effectscan uitgevoerd door Aqua-Terra Nova is tevens getoetst of de geplande activiteiten mogelijk een negatief effect kunnen hebben op beschermde natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De belangrijkste conclusies worden hieronder samengevat.
Stikstofdepositie
Rondom het plan zijn diverse Natura 2000-gebieden gelegen. De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Solleveld & Kapittelduinen (circa 3,5 km afstand), Westduinpark & Wapendal (circa 4 km afstand) en Meijendel & Berkheide (circa 9 km afstand). De bouw van woningen en maatschappelijke voorzieningen in de nabijheid van stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden noodzaakt tot de uitvoering van een stikstofdepositieonderzoek.
Voor de woningbouwontwikkeling is ten behoeve van voorliggende wijziging van het omgevingsplan een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS-calculator, waarin is berekend of er sprake is van een toename van de stikstofdepositie op één of meerdere Natura 2000-gebieden. Deze rapportage is opgenomen als Bijlage 16.
In voorliggend onderzoek is geconcludeerd dat de toekomstige gebruiksfase van maximaal 1.050 nieuwe woningen op deze locatie een toename van de stikstofdepositie veroorzaakt in relevante Natura 2000-gebieden van 0,01 tot 0,02 mol per hectare per jaar. Daarbovenop wordt vanwege de bouw- en sloopwerkzaamheden in het maatgevende jaar (2027) een toename verwacht van 0,01 tot 0,02 mol per hectare.
In een zogenaamde voortoets is beoordeeld of op voorhand uitgesloten kan worden dat de berekening depositietoename leidt tot significantie gevolgen voor de Natura 2000-gebieden. Het rapport is opgenomen als Bijlage 17. De beoordeling van de significantie van ecologische gevolgen van de depositietoenames is opgezet in twee stappen en is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten over de rol van stikstof in ecosystemen.
De zeer geringe toename van de stikstofdepositie als gevolg van het woningbouwproject Wateringen-Noord leidt niet tot meetbare gevolgen voor de samenstelling, structuur en functie van vegetatietypen die behoren tot stikstofgevoelige habitattypen en leefgebiedtypen. De hoeveelheid stikstof die als gevolg van de het project aan de habitattypen wordt toegevoegd is dermate gering dat significante veranderingen in biomassa van planten niet op zullen treden. Ook effecten van verzuring die kunnen leiden tot veranderingen in de groei van planten zijn uitgesloten. De soortensamenstelling en structuur van habitattypen zal daardoor niet wijzigen. Daarom zullen er geen veranderingen optreden in de oppervlakte en kwaliteit van de habitattypen en leefgebieden, en voor de daarvan afhankelijke soorten.
Concluderend worden van de stikstofuitstoot geen nadelige gevolgen voor de beschermde natuur verwacht. Gezien de grote afstand en afscherming door stedelijk gebied worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Het plan kan geen significante gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden.
Uit het onderzoek is gebleken dat een torenvalk aanwezig is in het plangebied. Negatieve effecten zijn door uitvoering van het woningbouwproject niet te vermijden. Voorafgaand aan de sloop- en bouwwerkzaamheden zal een omgevingsvergunning worden aangevraagd, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Beschermde soorten en natuurgebieden leveren derhalve geen belemmering op voor de wijziging van het omgevingsplan. Indien werkzaamheden waarbij niet-jaarrond beschermde nesten van broedvogels vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaatsvinden, is een vergunning niet nodig. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en het NNN kunnen daarnaast worden uitgesloten. Uit de voortoets stikstofeffecten blijkt bovendien dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van significant negatieve gevolgen voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van de voorgenomen ontwikkeling.
Landschap
Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in paragraaf 5.1.5: 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Daarnaast zijn er kaders vastgelegd in zowel de provinciale omgevingsverordening als in voormalige bestemmingsplannen. Op basis van deze documenten is een beschermingsregime opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed.
Cultureel erfgoed
Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is een van de belangen van de Omgevingswet (art 1.2 Ow). De Erfgoedwet is deels opgegaan in de Omgevingswet: in de Omgevingswet zijn de regels voor de omgang met de fysieke leefomgeving geïntegreerd, waaronder onderdelen uit de Monumentenwet 1988 die voorheen in het overgangsrecht van de Erfgoedwet waren opgenomen. Daarbij blijven de bevoegdheden en beschermingsniveaus in grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).
In het Bal staan regels voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Bbl zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen. In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland
De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. De CHS dient als informatiebron voor beleid op het gebied van erfgoed en ruimtelijke ontwikkeling, van zowel de provincie als de gemeenten. Daarmee wil de provincie stimuleren dat cultuurhistorie behouden of ingepast wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Deze cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland, in de vorm van een digitale atlas, geeft een overzicht van cultuurhistorische kenmerken en waarden in de provincie. Het is een overzicht op hoofdlijnen, bijvoorbeeld van waardevolle verkavelingspatronen of cultuurlandschappen, historische verdedigingslinies, gebieden met een archeologische verwachtingswaarde of monumentale boerderijlinten. Dit is het schaalniveau waarop de provincie beleid voert. De CHS kent drie verschillende thema's: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap.
Het beleid werkt door via instructieregels voor omgevingplannen (paragraaf 7.3.18 Archeologie van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening). Een omgevingsplan bevat voor locaties met hoge en zeer hoge bekende archeologische waarden regels die deze waarden beschermen. Behoud ‘in situ’ is het uitgangspunt. Activiteiten zijn volgens deze verordening alleen mogelijk als aan de vereisten van de archeologische afwegingscyclus wordt voldaan. Wanneer er sprake is van andere zwaarwegende belangen zoals de aanleg van wegen, infrastructuur, warmtetransportleidingen en de realisering van de woningbouwopgave en behoud ‘in situ’ niet mogelijk is, dan kan behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’ worden toegelaten door het bevoegd gezag wanneer genoemde belangen prevaleren. De afwegingscyclus bestaat uit de volgende stappen: is behoud ‘in situ’ mogelijk; zo niet, dan volgt er een verkenning tot planaanpassing inclusief de mogelijkheid tot archeologisch vriendelijk bouwen en de afweging of dit binnen het archeologisch proces kan leiden tot behoud ‘ex situ’ in de vorm van opgraven.
Gebiedsprofielen (Kwaliteitskaart provincie Zuid-Holland)
De voormalige Regioprofielen Cultuurhistorie zijn opgegaan in de gebiedsprofielen, die een regionale doorvertaling zijn van de kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland. De gebiedsprofielen beschrijven en visualiseren kenmerkende ruimtelijke elementen die van bovenregionaal belang zijn, en bevatten in die hoedanigheid ook cultuurhistorische elementen. Als onderdeel van het omgevingsbeleid van de provincie is dit reeds in paragraaf 2.1.2 besproken.
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan - die worden omgezet in werkingsgebieden met regels voor activiteiten in het nieuwe deel. Bouw- en andere werkzaamheden worden aan deze regels getoetst.
Cultuurhistorie
Uit de cultuurhistorische hoofdstructuurkaart (zie afbeelding 3.4) van de provincie Zuid-Holland blijkt dat het plangebied geen belangrijke cultuurhistorische waarden kent. Aan de westelijke zijde van de Wippolderlaan bevindt zich een terrein met provinciaal belang, namelijk resten van de begraven hofstad Het Oude Hof van Wateringen met monumentnummer 10693.
Afbeelding 3.4: uitsnede cultuurhistorische hoofdstructuurkaart (bron: provincie Zuid-Holland)
Archeologie
In 2012 is door de gemeenteraad van de gemeente Westland de archeologische beleidskaart met vrijstellingsgrenzen vastgesteld. In afbeelding 3.5 is een uitsnede van deze archeologische beleidskaart weergegeven. Hieruit blijkt dat het grootste gedeelte van het plangebied ligt in 'verwachtingszone II' met een vrijstellingsgrens van 250 m2 en 0,5 m -mv. Het meest zuidelijk deel, tegen de Poeldijkseweg, ligt in 'verwachtingszone I' met een bijbehorende vrijstellingsgrens van 100 m2 en 0,5 m -mv.
In het voormalige bestemmingsplan 'Glastuinbouwgebied Westland' is voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Het meest zuidelijke deel heeft daarbij de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - 3', de rest van het plangebied 'specifieke vorm van waarde - 4'. De vrijstellingsgrens ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - 3' is een oppervlakte van 250 m2 en diepte van 50 cm -mv, ter plaatse van 'specifieke vorm van waarde - 4' een oppervlakte van 100 m2 en diepte van 50 cm -mv.
Afbeelding 3.5: uitsnede archeologische beleidskaart (bron: gemeente Westland).
Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een woongebied. In het verleden zijn de gronden in het plangebied voor een deel geroerd ten behoeven van de huidige kassen en de kassen die reeds zijn gesloopt. Gezien de lage vrijstellingsgrenzen, de omvang van het plangebied, en de ruime bouwmogelijkheden is het zeker dat de vrijstellingsgrenzen worden overschreden. Archeologisch onderzoek is daarom noodzakelijk.
Archeologisch bureauonderzoek (2019) en Review en archeologieplan (2020)
Door Archeologie Delft is in juli 2019 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is te raadplegen in Bijlage 18.
Afbeelding 3.6: archeologische verwachtingskaart voor het plangebied (bron: Archeologie Delft).
Vestigia heeft in 2020 een review van het bureauonderzoek uitgevoerd. Hierin is allereerst het generieke nieuwe verwachtingsmodel voor het plangebied besproken waarbij middels recente criteria een aangescherpt advies is geformuleerd. De gehele notitie van Vestigia is opgenomen in Bijlage 19.
Ook is daarbij een Archeologieplan opgesteld voor het plangebied, een procesdocument dat de grote lijn uitzet van de noodzaak en het proces van archeologisch onderzoek in het kader van dit plan. Vervolgens wordt per deelgebied aangegeven welke stappen noodzakelijk zijn om tot welke vaststelling te komen en welke onderzoeken nodig zijn. Zo kan steeds per deelgebied worden getoetst wat de status van onderzoek is qua uitvoeringsfase en wat er nog moet worden gedaan om de archeologische waarden in het gebied vast te stellen en eventuele archeologie in te passen als mogelijk of om een gebied (na evt. onderzoek) vrij te geven.
In de review van het eerdere bureauonderzoek wordt geconstateerd dat de opgestelde archeologische verwachtingskaart en advies vervolgonderzoek op de volgende aspecten moeten worden aangescherpt:
Hierom wordt geadviseerd de hoge archeologische verwachting, op basis van het landschap en kennis van de vindplaatsen in de wijde omgeving, voor het gehele plangebied te laten gelden. Een geactualiseerde archeologische verwachting is weergegeven in afbeelding 3.7.
Afbeelding 3.7: Geactualiseerde archeologische verwachting, per deelgebied (bron: Vestigia).
Inventariserend veldonderzoek
Vestigia heeft vervolgens een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen het plangebied Wateringen-Noord, gemeente Westland. De rapportage is opgenomen in Bijlage 20. Op basis van de review van eerder archeologisch vooronderzoek binnen het plangebied en het opgestelde Archeologieplan is vastgesteld dat slechts in delen van het plangebied een vooronderzoek door middel van boringen is uitgevoerd. Dit reeds uitgevoerde onderzoek voldeed niet meer aan de huidige norm. Daarnaast was in delen van het plangebied helemaal geen vooronderzoek middels boringen uitgevoerd. Daarom is een nieuw boorplan opgesteld dat deels aanvullend was aan het reeds uitgevoerde onderzoek en deels geheel conform de nieuwe normen is uitgevoerd.
In de periode maart tot en met juli 2022 is door Vestigia een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. Tijdens dit onderzoek zijn 167 boringen gezet tot een diepte van maximaal 4 meter beneden maaiveld. Uit het booronderzoek is gebleken dat de ondergrond van het plangebied uit duin- en strandzand bestaat (Laag van Rijswijk/Laag van Voorburg). In het oosten van het plangebied is een duintop gevormd. De zone buiten de duintop is bedekt geraakt met kwelderklei uit de Oer-Gaag fase. Later heeft veenvorming plaatsgehad en waarschijnlijk is het hele plangebied bedekt geraakt met veen. In de IJzertijd is een oost-west-liggende kreekgeul ontstaan die via de Gantel in verbinding stond met de zee. Door de getijdenwerking is uiteindelijk ook de duintop in het oosten van het plangebied doorbroken. In het deel van het plangebied waar de kreekgeul niet actief was zijn kwelderafzettingen gesedimenteerd op het veen (Gantel Laag). Deze zijn bedekt geraakt door dekafzettingen van de Laag van Poeldijk.
In het plangebied zijn enkele zones aan te wijzen waar nog sprake is van een hoge archeologische verwachtingswaarde. Dit zijn het restant van de duintop in het oosten van het plangebied, met mogelijke archeologische waarden uit het Neolithicum op 180 cm -NAP en dieper, de kreekgeul in het zuiden van het plangebied met mogelijke archeologische waarden uit de Romeinse tijd, de zones waar fosfaatvlekken zijn aangetroffen met mogelijke archeologische waarden uit de Romeinse tijd en de zone langs de noordrand van het plangebied met mogelijke archeologische waarden uit de late middeleeuwen en jonger. Op en langs de flanken van het duin, in de zone van de kreekgeul en in de zone langs de noordrand worden nederzettingsresten, eventueel begravingsresten en sporen van agrarisch gebruik verwacht. In de zone met de fosfaatvlekken worden sporen van agrarisch gebruik verwacht.
Op basis van dit onderzoek heeft Vestigia het volgende advies opgesteld. In het oostelijk deel van het plangebied lag een duintop. Hier dient, indien bodemingrepen dieper dan 150 cm -NAP plaats zullen vinden, een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd om het gebied beter in kaart te brengen. Om het gebied beter in kaart te brengen adviseert Vestigia om in eerste instantie karterende boringen te zetten met een dichter boorgrid en een grotere diameter van de boring. Het op te boren zand dient over een zeef met maaswijdte van maximaal 2 mm te worden gezeefd op archeologische indicatoren. Hiermee kan worden bepaald of er archeologische waarden in de bodem zitten en kan daarop een vervolgadvies worden geformuleerd.
Het advies is om in het kader van het nieuwe bestemmingsplan c.q. de omgevingsplanwijziging een generiek Programma van Eisen / Plan van Aanpak voor het karterend booronderzoek op te stellen waarin voor het geselecteerde gebied eenzelfde strategie wordt gehanteerd zodat de resultaten, ook indien het onderzoek gefaseerd wordt uitgevoerd, door de identieke veldmethode met elkaar zijn te vergelijken. In meerdere zones in het plangebied is nog sprake van een hoge archeologische verwachtingswaarde voor de Romeinse tijd en de late middeleeuwen en jonger. Het betreft hier de kreekgeul in het zuiden van het plangebied, de zones waar fosfaatvlekken zijn aangetroffen en de zone langs de noordzijde van het plangebied. Om inzicht te krijgen in de aan- of afwezigheid van archeologische waarden adviseert Vestigia om bij bodemingrepen in deze zones dieper dan 50 cm onder NAP een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een proefsleuven (IVO-P) uit te voeren. Voorafgaand aan de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek dient altijd eerst (verplicht) een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, dat de goedkeuring behoeft van de gemeente als bevoegd gezag. Het advies is om een generiek PvE voor het proefsleuvenonderzoek op te stellen waarin voor het geselecteerde gebied eenzelfde strategie wordt gehanteerd zodat de resultaten, ook indien het onderzoek gefaseerd wordt uitgevoerd, door de identieke veldmethode met elkaar zijn te vergelijken.
Programma van Eisen (PvE)
Er is een generiek Programma van Eisen opgesteld ten behoeve van het uitvoeren van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven. De te onderzoeken percelen hebben een totaal oppervlakte van circa 20 hectare. Met een gangbare dekking van ca. 10% van het plangebied levert dit een te sleuven oppervlak van ca. 2 hectare op.
Omdat het gebied in meerdere fases zal worden ontwikkeld, zal voorafgaand aan iedere fase archeologisch onderzoek noodzakelijk kunnen zijn. Het onderzoek en de uitwerking en rapportage vindt plaats conform dit generieke PvE. De resultaten van iedere fase van onderzoek vormen input voor de volgende fase van onderzoek; er wordt dus gewerkt op basis van voortschrijdend inzicht. Dit kan betekenen dat het nodig is om bij een nieuw deelgebied een addendum op het PvE te schrijven, met onderzoeksvragen op basis van voortschrijdend inzicht. Het volledige PvE is opgenomen in Bijlage 21.
Op grond van inventariserende onderzoeken is vastgesteld dat het gehele plangebied in meer of mindere mate archeologisch waardevolle resten kan bevatten. Pas na het slopen van de kassen kan vervolgonderzoek worden uitgevoerd. Er zijn regels opgenomen om te waarborgen dat niet gebouwd kan worden voordat nader proefsleuvenonderzoek plaatsvindt.
Uit dit nadere onderzoek moet blijken of sprake is van belangrijke archeologische elementen die door voorgenomen ontwikkeling mogelijk worden geschaad. Per deelgebied kan nog een afweging worden gemaakt over het behoud van waardevolle resten, als die worden aangetroffen. Hierbij hanteert de gemeente de afwegingscyclus, zoals die door de provincie is verwoord in haar omgevingsbeleid. Ook wanneer het plangebied op enig moment op basis van de resultaten van archeologisch onderzoek wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht. Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische toevalsvondst wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Westland, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Het omgevingsplan is wezenlijk anders dan het bestemmingsplan. Dit is allereerst het gevolg van de bredere reikwijdte, maar ook de ruimere bestuurlijke afwegingsruimte bij het stellen van regels, het ontbreken van de (uitdrukkelijke) eis van uitvoerbaarheid en het loslaten van het limitatief-imperatieve stelsel van vergunningverlening. Dit maakt ook dat er niet meer met een gedetailleerde verbeelding gewerkt hoeft te worden.
Wat centraal staat bij het omgevingsplan is het stellen van regels over activiteiten, in plaats van het toekennen van bestemmingen aan gronden. Wanneer iemand een activiteit in de fysieke leefomgeving wil ondernemen, wordt deze getoetst aan de regels van het omgevingsplan. Dit kan bijvoorbeeld een toetsing aan open (kwalitatieve) dan wel gesloten (kwantitatieve) normen zijn, maar ook een algemene regel over de toelaatbaarheid van de activiteit. Deze regels zijn gekoppeld aan een werkingsgebied, en daarmee aan de plaats waar de activiteit plaatsvindt. Dat kan de hele gemeente zijn, maar ook alleen een specifieke locatie.
Omgevingsplanwijziging Wateringen-Noord
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de gemeente een omgevingsplan 'van rechtswege' gekregen. Dit bestaat uit de bestaande ruimtelijke plannen (zoals bestemmingsplannen) en de 'bruidsschat' (hoofdstuk 22 van het omgevingsplan). Om nieuwe initiatieven mogelijk te maken die niet binnen het omgevingsplan passen wordt er dus niet een nieuw omgevingsplan gemaakt, maar wordt er een deel van het omgevingsplan gewijzigd.
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Westland is bedoeld om het nieuwe woongebied Wateringen-Noord mogelijk te maken. De regels van deze omgevingsplanwijziging zijn dan ook alleen van toepassing in het werkingsgebied 'Wateringen-Noord' (artikel 1.1).
TAM-IMRO
Deze wijziging van het omgevingsplan is voorbereid middels de TAM-IMRO-systematiek. De Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) biedt de mogelijkheid om via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan te wijzigen voor urgente gebiedsontwikkelingen.
Dit TAM-omgevingsplan zal als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) worden opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Westland. Dit hoofdstuk is digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
Dit betekent dat de weergegeven hoofdstukken in de regels van dit TAM-omgevingsplan, feitelijk gelezen moeten worden als afdelingen van hoofdstuk 22a van het gemeentelijke omgevingsplan. Om duidelijk te maken hoe het TAM-omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is voorafgaand aan de regels een zogenaamde preambule opgenomen. Die geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan als onderdeel van het gemeentelijke omgevingsplan gelezen moet worden.
In de planregels wordt het nieuwe woongebied Wateringen-Noord aangewezen als werkingsgebied van dit hoofdstuk van het omgevingsplan. De in dit deel van het omgevingsplan opgenomen afdelingen vormen de inhoudelijke regels voor dit werkingsgebied, binnen het omgevingsplan van de gemeente Westland. Om ervoor te zorgen dat deze regels in de plaats komen van de voorheen geldende regels voor het gebied uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan (de voormalige bestemmingsplanregels), is in artikel 1.2 een voorrangsbepaling opgenomen.
Regelsystematiek
De nieuwe regels ten behoeve van het woningbouwproject Wateringen-Noord waren al voorbereid voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De regels lijken daarom qua systematiek en opbouw sterk op een bestemmingsplan, zoals dat op grond van de voormalige Wet ruimtelijke ordening kon worden vastgesteld. Om die reden zijn de regels in afdeling 22.5 voor zover van belang ook van toepassing op dit TAM-omgevingsplan (artikel 1.3), zie ook paragraaf 1.3. Ten opzichte van de formulering in bestemmingsplannen zijn aanpassingen doorgevoerd. Zo wordt er niet gesproken over bestemmingen en bestemmingsvlakken, maar wordt verwezen naar het gebied waar een bepaald artikel van toepassing is.
Inleidende regels
In het eerste hoofdstuk staat een artikel over het toepassingsbereik voor een goede inpassing in het omgevingsplan van rechtswege, een lijst met begrippen en bepalingen over de wijze van meten. Waar nodig zijn begrippen aangepast aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Regels over bouwen, aanleggen en gebruik
Dit hoofdstuk bevat regels over bouwen, aanleggen en gebruik per deelgebied. Het is vergelijkbaar met de bestemmingsregels in een voormalig bestemmingsplan. Er is gekozen voor een globale bestemmingsregeling. Alleen de hoofdstructuur van wegen, groen en water is vastgelegd. De nieuw te bouwen woningen zijn mogelijk binnen Woongebied. De exacte aantallen per deelgebied liggen niet vast. Ook de exacte ligging van de nieuwe woningen ligt niet vast. Wel geldt een maximale bouwhoogte per deelgebied.
De bestaande bebouwing langs de Poeldijkseweg kent een gedetailleerde bestemmingsregeling. De locatie van de gebouwen ligt hier vast. Ook de regels over het gebruik van de gebouwen en gronden is per perceel bepaald.
Algemene regels
Het derde hoofdstuk bevat een aantal artikelen met algemene regels die zijn ontleend aan de gemeentelijke standaard voor bestemmingsplannen.
Overgangsregels
Het vierde hoofdstuk bevat het overgangsrecht. Dit is inhoudelijk gelijk aan het overgangsrecht zoals dat in bestemmingsplannen werd opgenomen.
Het verhaal van de gemaakte kosten is aan de orde indien de wijziging van het omgevingsplan een nieuwe (gebieds)ontwikkeling mogelijk maakt met daarin kostenverhaalplichtige activiteiten. De volgende activiteiten zijn kostenverhaalplichtig:
Indien de wijziging van het omgevingsplan nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt, dient het kostenverhaal via een van onderstaande opties te worden verzekerd:
Ongeacht de systeemkeuze hebben de regels kostenverhaal in ieder geval betrekking op het verhalen van kosten (gekoppeld aan een kostenverhaalsgebied). Net als in een exploitatieplan (onder de Wro) kunnen in dit verband ook regels in het omgevingsplan worden opgenomen over:
In het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan moet de keuze voor een van de opties voor het kostenverhaal gemotiveerd worden (in de motivering). Het kostenverhaal dient te worden verzekerd voor elke wijziging van het omgevingsplan.
In het kader van voorgenomen ontwikkeling worden met de diverse grondeigenaren anterieure overeenkomsten gesloten. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. De initiatiefnemer zal voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan.
De gemeente heeft vastgesteld dat de ontwikkelende partij beschikt over de specifieke kennis en capaciteit voor het uitvoeren van het plan. Daarnaast is voldoende aannemelijk dat de ontwikkelende partij zicht heeft op tijdige beschikbaarheid van de financiële middelen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de beoogde gebiedsontwikkeling.
Bij het vaststellen van een omgevingsplan moet de gemeente aangeven hoe zij burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding heeft betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en hoe invulling is gegeven aan het gemeentelijke participatiebeleid (art. 10.2 Omgevingsbesluit). Wie de gemeente bij deze participatie betrekt is niet voorgeschreven en hangt af van het type plan, de aard, omvang en invloed op de fysieke leefomgeving.
Bij de voorbereiding van het plan heeft bestuurlijk overleg plaatsgevonden met diverse organisaties. Nog in het kader van de eerdere bestemmingsplanprocedure voor Wateringen-Noord hebben de volgende instanties gereageerd (wettelijk vooroverleg conform art. 3.1.1 van het voormalige Bro):
De uitkomsten van het overleg, een samenvatting van de ontvangen reacties en een gemeentelijke beantwoording zijn opgenomen in de Nota van beantwoording die als Bijlage 22 bij deze motivering is gevoegd.
In het kader van de Verordening participatie en uitdaagrecht Westland 2021 heeft er bij de voorbereiding van het plan inspraak plaatsgevonden. De ontvangen inspraakreacties zijn beoordeeld en van een reactie voorzien in een Nota van beantwoording, die is toegevoegd als Bijlage 22 bij deze motivering.
Op 7 april 2025 heeft de gemeente een inloopbijeenkomst gehouden. Tijdens deze bijeenkomst was het plan per onderwerp (bijv. verkeer, groen, water, woningbouw, wandelen) te zien op grote panelen. Het verslag van de bijeenkomst is toegevoegd als Bijlage 23. In dit verslag is ook een reactie te lezen op de verschillende vragen die tijdens de avond werden gesteld.
Op de voorbereiding van een omgevingsplan is, op grond van artikel 16.30 Ow, Afdeling 3.4 van de Awb van toepassing (uniforme openbare voorbereidingsprocedure). Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan (en de bijbehorende stukken) wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Voor de terinzagelegging geeft de gemeente kennis van het ontwerpbesluit in het digitale gemeenteblad. Ook wordt de kennisgeving aan de belanghebbenden toegezonden. Gedurende deze termijn kan iedereen schriftelijk of mondeling zienswijzen inbrengen. Van eventueel ontvangen zienswijzen wordt te zijner tijd verslag gedaan.
Van 8 augustus 2025 tot en met 18 september 2025 heeft het ontwerp van deze omgevingsplanwijziging ter inzage gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.11 van de Awb. Op 2 september 2025 werd een inloopavond georganiseerd waar antwoorden werden gegeven op vragen van geïnteresseerden over het ontwerpbesluit. Gedurende de periode van terinzagelegging zijn 71 zienswijzen ingediend, waarvan een aanzienlijk deel gelijkluidend is. De ontvangen zienswijzen zijn beoordeeld, samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien. Dit is opgenomen in een aparte nota van beantwoording die is toegevoegd als Bijlage 24 bij deze motivering. Een overzicht van de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbesluit is opgenomen als Bijlage 25.