direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Wateringen-Noord
Status: vastgesteld
Plantype: Omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1783.TAMWATRINGENNRDpbp-VA01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie 'Wateringen-Noord' en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) van het omgevingsplan van de gemeente Westland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Westland. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a.' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsregels

1.1 Waar dit hoofdstuk geldt

Dit hoofdstuk is van toepassing in het gebied 'Wateringen-Noord', waarvan de begrenzing is vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.1783.TAMWATRINGENNRDpbp-VA01.

1.2 Verval tijdelijk deel omgevingsplan

Het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, is niet van toepassing in het gebied, bedoeld in het eerste lid, behalve voor zover het gaat om de besluiten, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder f en onder n, van de Invoeringswet Omgevingswet.

1.3 Vergroten toepassingsbereik hoofdstuk 22
1.3.1

Paragraaf 22.5.1 is ook van toepassing op een regel in hoofdstuk 22a van dit omgevingsplan, op grond waarvan:

  • a. het is verboden zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren;
  • b. het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten; of
  • c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels in dat
    hoofdstuk van dit omgevingsplan.
1.3.2

Paragraaf 22.5.2 is ook van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die is vereist op grond van hoofdstuk 22a van dit omgevingsplan.

1.3.3

Artikel 22.293, eerste lid, is ook van toepassing op een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, die is vereist op grond van hoofdstuk 22a van dit omgevingsplan.

Artikel 2 Begrippen

2.1 plan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Wateringen-Noord met identificatienummer NL.IMRO.1783.TAMWATRINGENNRDpbp-VA01 van de gemeente Westland.

2.2 TAM-omgevingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

2.3 aan-huis-gebonden-onderneming

Een onderneming welke gevestigd is of kan zijn in een woning en die toebehoort aan een natuurlijk persoon, welke in de betreffende woning woont en die geen personeel in dienst heeft, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de onderneming de ruimtelijke uitstraling van de woonfunctie niet aantast.

2.4 aanbouw

Een aparte ruimte die via het hoofdgebouw toegankelijk is en ruimtelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

2.5 aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.6 aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

2.7 achtererf

De gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan.

2.8 archeologische waarde

Een aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit de oude tijden.

2.9 bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

2.10 bedrijf

Een onderneming gericht op het vervaardigen, bewerken, installeren of inzamelen en verhandelen van goederen.

2.11 bedrijfsgebouw

Een gebouw ten dienste van de bedrijfsvoering zoals die volgens het plan ter plaatse is toegestaan, hieronder niet begrepen een bedrijfswoning.

2.12 bedrijfsvloeroppervlak

De totale vloeroppervlakte van alle bouwlagen van een bedrijf met inbegrip van alle daartoe behorende ruimten, waaronder ontvangsthal, dienstruimten en magazijnen. Niet inbegrepen zijn inpandige bedrijfswoningen en gebouwde parkeervoorzieningen voor personenauto`s. Wat betreft inpandige parkeerruimte valt een overdekte stallingsruimte voor een busje of een vrachtwagen wel hieronder.

2.13 bedrijfswoning

Een woning in, of nabij een gebouw, of op een terrein, te bewonen door (het huishouden van) de ondernemer wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op het feitelijk gebruik van het gebouw en/of het terrein in overeenstemming met de bestemming.

2.14 bestaand

Bestaand bouwwerk

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig is of nog kan worden gebouwd krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen, daaronder vallen niet de bouwwerken die reeds in strijd waren met de voorheen geldende regels, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

Bestaand gebruik

Het gebruik van de gronden en bouwwerken dat aanwezig is op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan of zoals dat kan worden gebruikt krachtens een verleende omgevingsvergunning voor het gebruik, daaronder valt niet het gebruik dat reeds in strijd was met de voorheen geldende regels, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

Bestaande afmetingen

Afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, daaronder vallen geen afmetingen die reeds in strijd waren met de voorheen geldende regels, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

2.15 bevoegd gezag

Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.

2.16 bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.

2.17 bijgebouw

Een (vrijstaand of aan een hoofdgebouw aangebouwd) gebouw dat in functioneel en ruimtelijk opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en geen rechtstreekse toegang tot het hoofdgebouw heeft.

2.18 bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

2.19 bouwgrens

De grens van een bouwvlak. 

2.20 bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat wordt begrensd door vloeren of balklagen die op gelijke hoogte of bij benadering gelijke hoogte liggen. Het dient hierbij te gaan om horizontale bouwlagen.

2.21 bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.22 bouwperceelgrens

De grens van een bouwperceel.

2.23 bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

2.24 bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

2.25 bouwwijze

De wijze waarop het op een bouwperceel gelegen hoofdgebouw al dan niet is verbonden met het hoofdgebouw op een aansluitend bouwperceel; dit kan zijn: vrijstaand, twee-aaneen, gestapeld of aaneen gebouwd.

2.26 boveninsteek

De snijlijn van het maaiveld en het beloop van een watergang.

2.27 dakkapel

Een constructie, welke ondergeschikt is aan het dakvlak, ter vergroting van een gebouw, die vrij ligt in het hellend dakvlak.

2.28 dakopbouw

Een toevoeging aan het dakvlak van een bouwmassa die niet vrij in het dakvlak ligt, maar ten minste de nok-, gootlijn of zijkant van het dakvlak raakt van het desbetreffende gebouw/de betreffende woning. Het plaatsen van een dakopbouw gaat ten koste van de karakteristiek van het profiel van het gebouw/de woning.

2.29 dakvoet

Het laagste punt van een schuin dak.

2.30 detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die de goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

2.31 dienstverlening

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren en bankfilialen.

2.32 duurzaam gemeenschappelijke huishouding:

Een vaste groep van personen tussen wie een band bestaat die het enkel gezamenlijk bewonen van bepaalde woonruimte te boven gaat en die de bedoeling heeft om bestendig voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen. Er dient ook sprake te zijn van een samenlevingswens tussen de personen die niet overwegend wordt bepaald door de beslissing om de betrokken woonruimte te delen. Er is sprake van een economisch-consumptieve eenheid en bloedverwantschap, huwelijksbinding of een daaraan in intensiteit en continuïteit gelijk te stellen mate van binding tussen de bewoners.

2.33 erf

Al dan niet bebouwde gronden, of een gedeelte daarvan, die direct gelegen zijn bij een hoofdgebouw en die in feitelijk opzicht zijn ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en de regels over de fysieke leefomgeving deze inrichting niet verbieden.

2.34 erfscheiding

De scheiding tussen twee onroerende zaken die niet aan dezelfde eigenaar behoren, niet door dezelfde gebruikers worden benut, dan wel louter kadastraal gescheiden zijn.

2.35 erker

Een ondergeschikte uitbouw op de begane grond van het hoofdgebouw, die is gelegen aan en zorgt voor een verbijzondering van de voor en/of zijgevel.

2.36 gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.37 geluidhinderlijke bedrijven

Bedrijven waar activiteiten worden verricht als bedoeld in artikel 2.11a van de Omgevingswet.

2.38 groenvoorzieningen

Groenscherm(en) van opgaande beplanting, berm-beplantingen en andere beplantingen voor openbaar of particulier gebruik welke beplanting in planologisch opzicht een ruimtelijk structurerend effect hebben.

2.39 hoofdgebouw

Een gebouw dat op een bouwperceel door zijn aard, constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken exclusief de aan- en uitbouwen of bijgebouwen.

2.40 huishouden

Een alleenstaande of twee of meer personen die een duurzaam gemeenschappelijke huishouding (willen) voeren.

2.41 kamerbewoning:

Onzelfstandige woonvorm waarbij een pand door meerdere personen die geen duurzame gemeenschappelijke huishouden vormen wordt bewoond, en waarbij sprake is van woonruimtes waarbij afzonderlijke huishoudens afhankelijk zijn van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.

2.42 kamerwoning

Een wooneenheid die geen eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.

2.43 kantoor

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.

2.44 kap

Een constructie van een of meer uitsluitend hellende dakvlakken met een helling van meer dan 20 en minder dan 65 graden.

2.45 laad- en losruimte

Dat gedeelte van het bedrijf waar het laden en lossen van producten plaatsvindt (bijvoorbeeld in de vorm van een dockshelter), hieronder niet begrepen een laad- en loskuil.

2.46 maatschappelijke en culturele voorzieningen

Educatieve, (para)medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, onderwijs- en religieuze voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van kinderopvang, bejaardentehuizen en voorzieningen ten behoeve van de openbare dienstverlening, alsmede ondergeschikte detailhandel en horeca in combinatie met en ten dienste van deze voorzieningen.

2.47 mantelzorg

Intensieve zorg, of hulpverlening die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid, of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige, of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur, kan worden aangetoond.

2.48 natuurvriendelijke oever

Een geleidelijk aflopende overgang van land naar water met een gecombineerde waterhuishoudkundige, ecologische en landschappelijke functie.

2.49 nutsvoorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie en de warmte-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen, warmteoverdrachtsstations en zendmasten.

2.50 ondergeschikte horeca

Horeca behorende bij de hoofdfunctie, waarbij de openings- en sluitingstijden van het horecagedeelte hetzelfde zijn als de hoofdfunctie (of begint later en/of eindigt eerder dan de hoofdfunctie). Het horecabedrijf staat uitsluitend open voor degenen die primair komen voor de hoofdfunctie.

2.51 ondergronds bouwwerk

Een voor mensen toegankelijke ruimte onder maaiveldniveau, met uitzondering van kruipruimten.

2.52 oorspronkelijke achtergevel

De achtergevel van het oorspronkelijk vergunde hoofdgebouw, dus exclusief de aan- en uitbouwen of bijgebouwen.

2.53 openbaar toegankelijk gebied

Een weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

2.54 overkapping

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak, welke ruimtelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

2.55 peil
  • a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
  • b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, waarbij plaatselijke, niet bij verdere verloop van het terrein passende ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw ervan buiten beschouwing blijven. Het bouwwerk wordt gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt maaiveld het hoogst is;

e.e.a. voor zover elders in deze regels niet expliciet anders is bepaald.

2.56 recreatie

Activiteiten gericht op ontspanning en vrijetijdsbesteding.

2.57 recreatiebedrijf

Een onderneming die uitsluitend gericht is op recreatie, met de daarbij behorende recreatievoorzieningen.

2.58 seksinrichting:

Een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of daarmee naar de aard en omvang vergelijkbare activiteiten, in de vorm van seksuele handelingen worden verricht, vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden of andere dienstverlening op erotisch gebied wordt verleend. Onder seksinrichting wordt in ieder geval begrepen een prostitutiebedrijf, een escortservice, een erotische massagesalon, een seksbioscoop of sekstheater, een sekswinkel, een seksautomatenhal en een seksclub of parenclub al dan niet in combinatie met elkaar.

2.59 showroom

Een vaste (afgebakende) en voor klanten toegankelijke ruimte in een bedrijfsgebouw waar producten ten toon worden gesteld, waaronder geen detailhandel wordt verstaan en geen verkoopfunctie (kassa) ter plaatse aanwezig is om ter plaatse goederen of diensten te betalen, met als doel dat klanten deze producten beter kunnen bekijken.

2.60 staat van bedrijfsactiviteiten

De staat van bedrijfsactiviteiten die van deze regels deel uitmaakt.

2.61 straatmeubilair

Bouwwerken ten behoeve van al dan niet openbare (nuts-) voorzieningen, zoals:

  • a. verkeersgeleiders, verkeersborden, informatieborden, zitbanken, bloembakken, telefooncellen, abri's, kunstwerken, bushaltes, speeltoestellen, fietsenrekken en draagconstructies voor reclame;
  • b. kleinschalige bouwwerken ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen met een inhoud van ten hoogste 50 m3 en een bouwhoogte van ten hoogste 3 meter, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie, energievoorzieningen en brandkranen;
  • c. afvalinzamelsystemen en hiermee gelijk te stellen bouwwerken.
2.62 uitbouw

Uitbreiding van een tot het hoofdgebouw behorende ruimte tot buiten het bestaande oorspronkelijke hoofdgebouw (bijvoorbeeld een erker) en welke ruimtelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

2.63 veranda

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak met aan ten hoogste twee zijden een gesloten wand, welke ruimtelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

2.64 voldoende parkeergelegenheid

Parkeergelegenheid voor personenauto's, bestelauto's, motorfietsen en driewielige motorvoertuigen, waarvan het aantal parkeerplaatsen en de omvang daarvan voldoet aan de beleidsregel 'Parkeernormering gemeente Westland', zoals die geldt ten tijde van de vaststelling van dit plan en,  indien deze beleidsregel nadien is gewijzigd, aan die wijziging.

2.65 voorerf

De gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn voor de, met een gevellijn in dit plan aangegeven, voorgevel van dat hoofdgebouw of voor een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan.

2.66 voorgevel

De naar het openbare gebied gekeerde gevel(s) van de hoofdbebouwing, of waar deze in dit plan is aangegeven met een gevellijn.

2.67 voorgevelrooilijn

De naar de weg gekeerde zijde of aan de voorzijde van een gebouw gelegen gevel of waar deze in dit plan is aangegeven met een gevellijn.

2.68 vrije uitzichthoek (bij een erker of veranda)

Een hoek van 45 graden uitgezet vanuit het snijpunt van de voorgevel (hoofdgevelvlak aan de voorkant van de woning) en de erfgrens.

2.69 waterberging

Een berging voor het bergen en opslaan van water.

2.70 watergang

Een secundair water als bedoeld in de ‘Legger Delfland’ van het Hoogheemraadschap van Delfland.

2.71 wonen

Het gehuisvest zijn in een woning.

2.72 woning

Een complex van ruimten, uitsluitend bestemd voor de huisvesting van één huishouden.

2.73 woongroep

Een groep van twee of meer meerderjarige personen die de bedoeling hebben om bestendig, voor onbepaalde tijd, een met een gezinsverband vergelijkbaar samenlevingsverband met elkaar aan te gaan. Een woongroep is georganiseerd in een formele rechtspersoon (opgericht bij notariële akte en met inschrijving bij de Kamer van Koophandel) en beschikt over een gezamenlijke rekening waarvan de vaste lasten worden betaald. Bij nieuwbouw van een woning voor een woongroep is er sprake van een initiatiefgroep waarvan de leden het recht van eerste bewoning krijgen. Elke vorm van bedrijfsmatige kamerverhuur valt hier niet onder.

2.74 zijerf

De gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen in het verlengde van de voor- en achtergevel van dat hoofdgebouw.

Artikel 3 Wijze van meten

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.23 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

3.1 afstand

de loodrechte afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen wordt daar gemeten waar deze afstand het kleinst is.

3.2 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouwd of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.3 de bouwhoogte van een antenne-installatie
  • a. ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie;
  • b. ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie.
3.4 de breedte, lengte en diepte van een bouwwerk

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

3.5 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

3.6 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.7 de hoogte van een windturbine

vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

3.8 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.9 de lengte van een aanlegsteiger

de afstand tussen de boveninsteek van het water en het deel van de aanlegsteiger dat daar het verst vanaf gelegen is.

3.10 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.11 de verdiepingshoogte

wordt gemeten vanaf het peil van de vloer tot het peil van de vloer van de direct boven gelegen verdieping.

Hoofdstuk 2 Regels over bouwen, aanleggen en gebruik

Artikel 4 Bedrijf

4.1 Waar dit artikel geldt

Dit artikel is van toepassing in het gebied 'Bedrijf', waarvan de begrenzing is vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.1783.TAMWATRINGENNRDpbp-VA01.

4.2 Gebruik van gronden en bouwwerken

Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:

  • a. één bedrijf per afzonderlijk geometrisch bepaald vlak dat behoort tot het gebied, bedoeld in artikel 22a.4.1, uit maximaal categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'opslag': uitsluitend voor inpandige opslag;
  • c. bijbehorende erven, terreinen en voorzieningen, zoals ontsluitingswegen ten behoeve van de bereikbaarheid van de bedrijfspercelen, groen en laad- en losvoorzieningen;
  • d. (hoofd-)watergangen, waterpartijen en (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen.

4.3 Bouwregels

In het gebied, bedoeld in artikel 22a.4.1, mogen, voor zover artikel 22a.4.2 in acht wordt genomen, uitsluitend worden gebouwd of uitgevoerd:

  • a. bedrijfsgebouwen;
  • b. bouwwerken, geen gebouw zijnde;

en gelden tevens de volgende bouwregels ten aanzien van:

4.3.1 Bedrijfsgebouwen en overige bedrijfsbouwwerken

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overige bedrijfsbouwwerken geldt dat:

  • a. deze uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak;
  • b. de goot- en bouwhoogte niet meer bedraagt dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m); maximum bouwhoogte (m)';
  • c. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)';
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zonder bebouwing' geen bedrijfsgebouwen en geen overige bedrijfsbouwwerken zijn toegestaan.

4.3.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, bij bedrijfswoningen gelden de volgende regels:

  • a. uitsluitend erfafscheidingen zijn toegestaan, tot een maximum bouwhoogte van 2 m.

4.4 Specifieke gebruiksregels
4.4.1 Strijdig gebruik

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met artikel 22a.4.2, waartoe in elk geval wordt verstaan het gebruik voor:

  • a. zelfstandige kantoorruimte;
  • b. showroom;
  • c. detailhandel;
  • d. horeca;
  • e. activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken als bedoeld in artikel 2.11a van de Omgevingswet;
  • f. milieubelastende activiteiten als bedoeld in bijlage VII in verband met het externe veiligheidsrisico;
  • g. projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben of waarvoor beoordeeld moet worden of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, van de Omgevingswet.

Artikel 5 Groen

5.1 Waar dit artikel geldt

Dit artikel is van toepassing in het gebied 'Groen', waarvan de begrenzing is vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.1783.TAMWATRINGENNRDpbp-VA01.

5.2 Gebruik van gronden en bouwwerken

Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:

  • a. groen en water, waaronder laagteberging;
  • b. speelvoorzieningen, bruggen, ontsluitingen, kruisende wegen, fiets- en voetpaden, nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en geluidafschermende voorzieningen.

5.3 Bouwregels

In het gebied, bedoeld in artikel 22a.5.1, mogen, voor zover artikel 22a.5.2 in acht wordt genomen, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte niet meer is dan 3 m, met uitzondering van de geluidafschermende voorziening, bedoeld in artikel 22a.5.2, onder b.

5.4 Specifieke gebruiksregels

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met artikel 22a.5.2.

Artikel 6 Maatschappelijk

6.1 Waar dit artikel geldt

Dit artikel is van toepassing in het gebied 'Maatschappelijk', waarvan de begrenzing is vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.1783.TAMWATRINGENNRDpbp-VA01.

6.2 Gebruik van gronden en bouwwerken

Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:

  • a. maatschappelijke en culturele voorzieningen;
  • b. bijbehorende erven, terreinen en voorzieningen, zoals ontsluitingswegen ten behoeve van de bereikbaarheid van de percelen, groen en laad- en losvoorzieningen;
  • c. (hoofd-)watergangen, waterpartijen en (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen.

6.3 Bouwregels

In het gebied, bedoeld in artikel 22a.6.1, mogen, voor zover artikel 22a.6.2 in acht wordt genomen, uitsluitend worden gebouwd of uitgevoerd:

  • a. gebouwen;
  • b. bouwwerken, geen gebouw zijnde;

en gelden tevens de volgende bouwregels ten aanzien van:

6.3.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen geldt dat:

  • a. hoofdgebouwen binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. het bouwvlak wordt bebouwd voor ten hoogste 70%;
  • c. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;
  • d. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt ten hoogste 7 m.

6.3.2 Overige bouwwerken

Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de maximale bouwhoogte van erfafscheidingen tussen de openbare weg en de lijn op 1m achter de voorgevelrooilijn bedraagt 1m;
  • b. de maximale bouwhoogte van overige erfafscheidingen bedraagt 2m;
  • c. de maximale bouwhoogte van andere overige bouwwerken bedraagt 3m.

6.4 Voorschriften omtrent plaatsing en goot- en boeibordhoogte

Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden omtrent de plaatsing en de goot- en boeibordhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien over een lengte van meer dan 2,50 meter in de zijerfafscheiding wordt gebouwd, teneinde te waarborgen dat de te bouwen gebouwen geen onnodige nadelige veranderingen teweegbrengen in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen en in de lichttoetreding van het naastgelegen hoofdgebouw, met dien verstande dat:

  • a. daardoor de gebruikswaarde van het te bebouwen erf niet onevenredig wordt geschaad;
  • b. de goot- of boeibordhoogte van (delen van) gebouwen niet wordt teruggebracht tot minder dan 2,50 meter.

 

6.5 Specifieke gebruiksregels

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met artikel 22a.6.2.

Artikel 7 Recreatie

7.1 Waar dit artikel geldt

Dit artikel is van toepassing in het gebied 'Recreatie', waarvan de begrenzing is vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.1783.TAMWATRINGENNRDpbp-VA01.

7.2 Gebruik van gronden en bouwwerken

Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:

  • a. het bedrijfsmatig aanbieden van recreatieve voorzieningen door een recreatiebedrijf;
  • b. bijbehorende erven, terreinen en voorzieningen, zoals ontsluitingswegen ten behoeve van de bereikbaarheid van de percelen, groen en laad- en losvoorzieningen;
  • c. (hoofd-)watergangen, waterpartijen en (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen.

7.3 Bouwregels

In het gebied, bedoeld in artikel 22a.7.1, mogen, voor zover artikel 22a.7.2 in acht wordt genomen, uitsluitend worden gebouwd of uitgevoerd:

  • a. gebouwen;
  • b. bouwwerken, geen gebouw zijnde;


en gelden tevens de volgende bouwregels ten aanzien van:


(Bedrijfs-)gebouwen en overige (bedrijfs-)bouwwerken

Voor het bouwen van (bedrijfs-)gebouwen en overige (bedrijfs-)bouwwerken geldt dat:

  • a. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  • b. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximum
    goothoogte (m)' aangegeven goothoogte;
  • c. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximum
    bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;


Andere overige bouwwerken

Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de maximale bouwhoogte van erfafscheidingen tussen de openbare weg en de lijn op 1m achter de voorgevelrooilijn bedraagt 1m;
  • b. de maximale bouwhoogte van overige erfafscheidingen bedraagt 2m;
  • c. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken ten behoeve van straatverlichting bedraagt 7m;
  • d. de maximale bouwhoogte van andere overige bouwwerken bedraagt 3m.

7.4 Specifieke gebruiksregels
7.4.1 Strijdig gebruik

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met artikel 22a.7.2, waartoe in elk geval wordt verstaan het gebruik voor:

  • a. niet aan het recreatiebedrijf gelieerde bewoning;
  • b. zelfstandige woonruimte van een bijgebouw;
  • c. overnachtingen;
  • d. detailhandel;
  • e. horeca.

7.4.2 Uitzonderingen strijdig gebruik

In afwijking van het bepaalde in artikel 22a.7.4.1 onder e, is ondergeschikte horeca die deel uitmaakt van het recreatieve bedrijf toegestaan. Onder ondergeschikt wordt in elk geval verstaan een maximum aantal bezoekers dat tegelijkertijd aanwezig is van 50, en niet langer geopend dan tussen 9.00 en uiterlijk 21.00 uur. De maximale oppervlakte die mag worden gebruikt ten behoeve van de ondergeschikte horeca is 180 m2.

7.4.3 Instandhoudingsverplichting parkeren

Tot een strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik van de gebouwen en het terrein voor de doeleinden zoals bedoeld in lid 22a.7.2, voor zover niet is voorzien in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid zoals bedoeld in artikel 22a.2 van deze regels.

Artikel 8 Tuin

8.1 Waar dit artikel geldt

Dit artikel is van toepassing in het gebied 'Tuin', waarvan de begrenzing is vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.1783.TAMWATRINGENNRDpbp-VA01.

8.2 Gebruik van gronden en bouwwerken

Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:

  • a. de aanleg, instandhouding en het onderhoud van tuinen;
  • b. in- en uitritten, waarop parkeren is toegestaan;
  • c. de aanleg en instandhouding van voorzieningen van algemeen nut;
  • d. uitbreiding van de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.

8.3 Bouwregels


In het gebied, bedoeld in artikel 22a.8.1, mogen, voor zover artikel 22a.8.2 in acht wordt genomen, uitsluitend worden gebouwd of uitgevoerd:

  • a. erkers;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

8.3.1 Erkers

Een erker is toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. de erker wordt gesitueerd tenminste 0,5 m uit de zijgevel van het hoofdgebouw en tenminste 0,5 uit de kap;
  • b. de diepte van de erker bedraagt ten hoogste 1/3 van de afstand van de voorgevel tot de voorste perceelsgrens met een maximum van 1,5 meter;
  • c. de breedte van de erker bedraagt ten hoogste 2/3 van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw;
  • d. de goothoogte van de erker bedraagt ten hoogste 3 m of 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw op de aangrenzende gronden;
  • e. de bouwhoogte van de erker bedraagt ten hoogste 4 meter.

8.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 1 meter.

8.4 Specifieke gebruiksregels

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met artikel 22a.8.2.

Artikel 9 Verkeer

9.1 Waar dit artikel geldt

Dit artikel is van toepassing in het gebied 'Verkeer', waarvan de begrenzing is vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.1783.TAMWATRINGENNRDpbp-VA01.

9.2 Gebruik van gronden en bouwwerken

Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:

  • a. wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstrook, alsmede opstelstroken, busstroken, voet- en fietspaden;
  • b. bij deze wegen behorende voorzieningen, zoals bushaltes, geluidswerende voorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

9.3 Bouwregels
  • a. In het gebied, bedoeld in artikel 22a.9.1, mogen, voor zover artikel 22a.9.2 in acht wordt genomen, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte, anders dan voor verkeersregeling, verkeersbegeleiding, wegaanduiding of verkeersverlichting, ten hoogste 3 m bedraagt.
  • b. Aanvullend op het bepaalde onder a. geldt dat tevens twee nutsvoorzieningen ten behoeve van warmteverdeelstation(s) mogen worden gebouwd, met een maximale oppervlakte van 40 m2 en een maximale hoogte van 5 m.

9.4 Specifieke gebruiksregels

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met artikel 22a.9.2.

Artikel 10 Verkeer - Verblijfsgebied

10.1 Waar dit artikel geldt

Dit artikel is van toepassing in het gebied 'Verkeer - Verblijfsgebied', waarvan de begrenzing is vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.1783.TAMWATRINGENNRDpbp-VA01.

10.2 Gebruik van gronden en bouwwerken
10.2.1 Gebruik van gronden en bouwwerken

Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:

  • a. verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en ontsluiting;
  • b. bij dit verblijfsgebied behorende voorzieningen, zoals voet- en fietspaden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

10.2.2 Gebruik van gronden exclusief bouwwerken

Gronden mogen worden gebruikt (exclusief bouwen) ten dienste van toegelaten gebruiksfuncties in aangrenzende gebieden.

10.3 Bouwregels

In het gebied, bedoeld in artikel 22a.10.1, mogen, voor zover artikel 22a.10.2 in acht wordt genomen, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte, anders dan voor verkeersregeling, verkeersbegeleiding, wegaanduiding of verkeersverlichting, ten hoogste 3 m bedraagt.

10.4 Specifieke gebruiksregels

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met artikel 22a.10.2.

Artikel 11 Water

11.1 Waar dit artikel geldt

Dit artikel is van toepassing in het gebied 'Water', waarvan de begrenzing is vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.1783.TAMWATRINGENNRDpbp-VA01.

11.2 Gebruik van gronden en bouwwerken

Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:

  • a. waterlopen ten behoeve van de waterhuishouding, waterberging, sierwater en het verkeer te water;
  • b. bij dit gebruik behorende voorzieningen zoals groen, natuurvriendelijke oevers, bruggen, duikers, damwanden, kademuren, en waterstaatkundige voorzieningen.

11.3 Bouwregels

In het gebied, bedoeld in artikel 22a.11.1, mogen, voor zover artikel 22a.11.2 in acht wordt genomen, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m;
  • b. de doorvaarthoogte van bruggen bedraagt minimaal 1 m;
  • c. de doorvaartbreedte van bruggen bedraagt minimaal 3,5 m;
  • d. aanlegsteigers en vlonders zijn niet toegestaan.

Artikel 12 Wonen

12.1 Waar dit artikel geldt

Dit artikel is van toepassing in het gebied 'Wonen', waarvan de begrenzing is vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.1783.TAMWATRINGENNRDpbp-VA01.

12.2 Gebruik van gronden en bouwwerken

Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:

  • a. het wonen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' tevens voor de instandhouding en bescherming van het bestaande gemeentelijk monument;
  • c. bij het wonen behorende voorzieningen, zoals erven, bijgebouwen, tuinen, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

12.3 Bouwregels

In het gebied, bedoeld in artikel 22a.12.1, mogen, voor zover artikel 22a.12.2 in acht wordt genomen, uitsluitend worden gebouwd of uitgevoerd:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. bijbehorende bouwwerken,
  • c. overige bouwwerken, geen gebouw zijnde;

en gelden tevens de volgende bouwregels ten aanzien van:

12.3.1 Hoofdgebouwen
  • a. hoofdgebouwen worden uitsluitend gebouwd binnen het bouwvlak;
  • b. binnen een bouwvlak zijn vrijstaande woningen en twee-onder-één-kapwoningen toegestaan;
  • c. de goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximale goothoogte(m)' aangegeven goothoogte;
  • d. de goothoogte mag alleen worden overschreden door een kap;
  • e. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;

12.3.2 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. voor kavels waarvan het bouwperceel kleiner of gelijk is aan 100m² bedraagt het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken maximaal 50% van het bouwperceel met een maximum van 50m²;
  • b. voor kavels waarvan het bouwperceel groter is dan 100m² en kleiner of gelijk is aan 300m² bedraagt het gezamenlijke oppervlak van bijbehorende bouwwerken maximaal 50m² plus 20% van de totale oppervlakte dat het bouwperceel groter is dan 100m²;
  • c. voor kavels waarvan het bouwperceel groter is dan 300m² bedraagt het maximaal gezamenlijke oppervlak van bijbehorende bouwwerken:
    Oppervlakte bouwperceel   Oppervlakte bijbehorende bouwwerken  
    300m²   90m²  
    400m²   100m²  
    500m²   110m²  
    600m²   120m²  
    700m²   130m²  
    800m²   140m²  
    900m² en meer   150m²  
  • d. bijbehorende bouwwerken worden ten minste 3 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw gebouwd;
  • e. de maximale diepte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, gemeten vanuit de oorspronkelijke achtergevel waaraan wordt gebouwd, bedraagt 4 m met dien verstande dat maximaal 50% van het achtererf mag worden bebouwd;
  • f. de maximale goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedraagt 0,40m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw op de aangrenzende gronden, mits het bepaalde onder g. in acht wordt genomen;
  • g. voor zover op een afstand van niet meer dan 4m van het oorspronkelijke hoofdgebouw, is de bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken niet hoger dan:
    • 1. 5m, waarbij de maximale goothoogte 3m bedraagt;
    • 2. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw;
    • 3. het hoofdgebouw;
  • h. in afwijking van het bepaalde onder f. en g. mag de maximale goothoogte of maximale bouwhoogte worden vergroot met maximaal 1,50m ten behoeve van de balustrade van een dakterras, mits de minimale afstand tot de erfperceelsgrens 3m bedraagt;
  • i. de maximale goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt 3m;
  • j. de maximale bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken, met uitzondering van overkappingen, bedraagt 5m;
  • k. de maximale bouwhoogte van overkappingen bedraagt 3m.

12.3.3 Overige bouwwerken

Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de maximale bouwhoogte van erfafscheidingen tussen de openbare weg en de lijn op 1m achter de voorgevelrooilijn bedraagt 1m;
  • b. de maximale bouwhoogte van overige erfafscheidingen bedraagt 2m;
  • c. de maximale bouwhoogte van andere overige bouwwerken bedraagt 3m.

12.3.4 Algemeen
  • 1. Het is verboden een bestaande woning te veranderen en/of te vergroten tot twee of meer woningen. Het is eveneens verboden meerdere woningen samen te voegen tot een kleiner aantal woningen.
  • 2. Bij herbouw van één of meerdere woning(en) is in de nieuwe situatie een gelijk aantal woningen toegestaan.

12.4 Voorschriften omtrent plaatsing en goot- en boeibordhoogte

Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden omtrent de plaatsing en de goot- en boeibordhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien over een lengte van meer dan 2,50 meter in de zijerfafscheiding wordt gebouwd, teneinde te waarborgen dat de te bouwen gebouwen geen onnodige nadelige veranderingen teweegbrengen in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen en in de lichttoetreding van het naastgelegen hoofdgebouw, met dien verstande dat:

  • a. daardoor de gebruikswaarde van het te bebouwen erf niet onevenredig wordt geschaad;
  • b. de goot- of boeibordhoogte van (delen van) gebouwen niet wordt teruggebracht tot minder dan 2,50 meter.

12.5 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

12.5.1 Strijdig gebruik
  • 1. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met artikel 22a.12.2, waartoe in elk geval wordt verstaan het gebruik van bijgebouwen voor verblijfsruimtes ten behoeve van het wonen.
  • 2. Tot een strijdig gebruik van de gronden bouwwerken wordt in ieder geval gerekend het gebruik voor kamerbewoning en een woongroep. Tevens wordt tot een strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken gerekend het recreatief verhuren van de woning aan derden voor korte perioden, tenzij voldaan wordt aan de beleidsregels particuliere verhuur woningen Westland.

12.5.2 Aan-huis-gebonden-ondernemingen

Onder strijdig gebruik wordt niet verstaan het gebruik van gedeelten van woningen ten behoeve van aan-huis-gebonden ondernemingen, mits:

  • a. de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft;
  • b. het netto vloeroppervlak in gebruik voor de aan-huis-gebonden onderneming niet groter is dan 25% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw met een maximum van 50 m²;
  • c. het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluiting en parkeersituatie ter plaatse;
  • d. er geen gebruik wordt gemaakt van gevelreclame;
  • e. de onderneming uitsluitend door een van de bewoners (zonder ander personeel) wordt uitgeoefend;
  • f. voor de activiteiten van de onderneming geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 tweede lid, onder b, van de Omgevingswet dan wel een omgevingsvergunning op grond van afdeling 22.3 is vereist;
  • g. er geen horeca- en/of detailhandelsactiviteiten plaatsvinden;
  • h. de activiteiten worden uitgevoerd in het hoofdgebouw plus aan-, uitbouw en aangebouwd bijgebouw.

 

Artikel 13 Woongebied

13.1 Waar dit artikel geldt

Dit artikel is van toepassing in het gebied 'Woongebied', waarvan de begrenzing is vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.1783.TAMWATRINGENNRDpbp-VA01.

13.2 Gebruik van gronden en bouwwerken

Gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:

  • a. het wonen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk': bibliotheken, sociale en culturele instellingen, gezondheidszorg, jeugd- en kinderopvang, onderwijs, openbare dienstverlening en verenigingsleven, religieuze en levensbeschouwelijke activiteiten en bijeenkomsten;
  • c. bij het wonen of de maatschappelijke voorzieningen behorende voorzieningen, zoals erven en water, speelvoorzieningen, verkeer- en verblijfsgebied, tuinen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en (al dan niet gebouwde) parkeervoorzieningen.

13.3 Bouwregels

In het gebied, bedoeld in artikel 22a.13.1, mogen, voor zover artikel 22a.13.2 in acht wordt genomen, uitsluitend worden gebouwd of uitgevoerd:

  • a. hoofdgebouwen;
  • b. bijbehorende bouwwerken;
  • c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

met dien verstande dat:

  • d. maximaal 1.050 woningen mogen worden gebouwd.

en gelden de volgende regels:

13.3.1 Hoofdgebouwen
  • a. hoofdgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  • b. de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximum goothoogte (m); maximum bouwhoogte (m)' aangegeven goot- en bouwhoogte;
  • c. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste de met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;
  • d. de goothoogte mag alleen worden overschreden door een kap;
  • e. de afstand van hoofdgebouwen van vrijstaande en halfvrijstaande woningen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 1,5 meter;
  • f. de afstand tussen de achtergevel van hoofdgebouwen in de vorm van rijwoningen (niet zijnde patiowoningen) en de perceelsgrens dient minimaal 8 m te bedragen.

13.3.2 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. voor kavels waarvan het bouwperceel kleiner of gelijk is aan 100m2 bedraagt het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken maximaal 50% van het achter- en zijerf met een maximum van 50 m2;
  • b. indien het bouwperceel een grotere oppervlakte heeft dan 100m2 mag bij de maximale oppervlakte van 50 m2 een percentage van 10% van het meerdere worden opgeteld, tot een maximum van 75 m2;
  • c. indien niet in de perceelsgrens wordt gebouwd, bedraagt de afstand tot de perceelsgrens ten minste 1 m;
  • d. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd op minimaal 1 m achter de voorgevel(rooilijn) van het hoofdgebouw;
  • e. de diepte van een aan- en uitbouw, gemeten vanuit de oorspronkelijke achtergevel waaraan gebouwd wordt, bedraagt:
    • 1. bij aaneengebouwde en half vrijstaande woningen: 3 meter;
    • 2. bij vrijstaande woningen: 5 meter.
  • f. de breedte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen (gezien vanaf de voorzijde) op een zijerf dat grenst aan openbaar toegankelijk gebied mag ten hoogste 3,5 m bedragen;
  • g. indien er sprake is van een voorerf, zijn hierop onder de volgende voorwaarden aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen toegestaan:
    • 1. uitsluitend erkers en veranda's zijn toegestaan;
    • 2. een erker is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
      • de erker wordt gesitueerd tenminste 0,5 m uit de zijgevel van het hoofdgebouw en tenminste 0,5 m uit de kap;
      • de diepte van de erker bedraagt ten hoogste 1/3 van de afstand van de voorgevel tot de voorste perceelsgrens, met een maximum van 1,5 m;
      • de breedte van de erker bedraagt ten hoogste 2/3 van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw;
      • de goothoogte van de erker bedraagt ten hoogste 3 m of 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw;
      • de bouwhoogte van de erker bedraagt ten hoogste 3 m of 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw;
      • de erker blijft buiten de vrije uitzichthoek van 45 graden van de gevel van de naastgelegen woning.
    • 3. een veranda is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
      • de diepte van de veranda bedraagt ten hoogste 1,5 m;
      • de veranda blijft buiten de vrije uitzichthoek van 45 graden van de gevel van naastgelegen woning; tenzij veranda's spiegelsymmetrisch t.o.v. de erfgrens en tegelijkertijd worden gebouwd - in dat geval geldt de regel inzake de vrije uitzichthoek niet;
  • h. de goothoogte van aan- en uitbouwen bedraagt ten hoogste 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw op de aangrenzende gronden;
  • i. de bouwhoogte van aan-, uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen bedraagt ten hoogste 4 m;
  • j. de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen/aangebouwde bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 m;
  • k. de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen bedraagt ten hoogste 5 m;
  • l. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 3 m.

13.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen tussen de openbare weg en 2 meter achter de voorgevelrooilijn bedraagt ten hoogste 1 m;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen elders bedraagt ten hoogste 2 m;
  • c. de bouwhoogte van straatverlichting bedraagt ten hoogste 7 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 3 m.

13.3.4 Voorwaardelijke verplichting waterberging
  • a. Het bebouwen van de gronden is slechts toegestaan indien voorafgaand aan het bouwen is voorzien in de aanleg en instandhouding van waterberging, waarbij wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  • b. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het eerste lid onder de volgende voorwaarden:
    • 1. het voorzien in de totale omvang van de waterberging bedoeld in het eerste lid is als gevolg van een gefaseerde ontwikkeling van het gebied op enig moment redelijkerwijs (nog) niet mogelijk;
    • 2. er is sprake van een evenwicht tussen de omvang van de waterberging en de te realiseren verharding;
    • 3. het belang van de waterhuishouding met betrekking tot het watersysteem, de waterkwaliteit en waterkwantiteit wordt niet onevenredig aangetast.
  • c. Bij het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning bedoeld onder b vraagt het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies van de waterbeheerder.
  • d. Het bevoegd gezag betrekt het schriftelijk advies van de waterbeheerder bij het besluit op de aanvraag om de omgevingsvergunning bedoeld onder b.

13.3.5 Voorwaardelijke verplichting geluidscherm

In het gebied 'milieuzone' is het bouwen van gebouwen slechts toegestaan, als ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' een geluidscherm wordt gerealiseerd met een hoogte van minimaal 3,5 m en een massa van minimaal 10 kg/m2.

13.3.6 Geluidbelasting
  • a. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 22.25, wordt het gezamenlijke geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald en in de omgevingsvergunning vastgelegd.
  • b. Grondgebonden woningen hebben minstens één zijde waar op minimaal één bouwlaag de geluidbelasting niet meer bedraagt dan de standaardwaarde, bedoeld in artikel 5.78t, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • c. In gebouwen met niet-grondgebonden woningen heeft per gebouw ten minste 50% van de appartementen minstens één zijde waar de geluidbelasting niet meer bedraagt dan de standaardwaarde, bedoeld in artikel 5.78t, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, vermeerderd met 5 dB.
13.4 Voorschriften omtrent plaatsing en goot- en boeiboordhoogte

Aan de omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden omtrent de plaatsing en de goot- en boeibordhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, indien over een lengte van meer dan 2,5 m in de zij erfafscheiding wordt gebouwd, teneinde te waarborgen dat de te bouwen gebouwen geen onnodige nadelige veranderingen teweegbrengen in de bezonningssituatie op de aangrenzende erven of tuinen en in de lichttoetreding van het naastgelegen hoofdgebouw, met dien verstande dat:

  • a. daardoor de gebruikswaarde van het te bebouwen erf niet onevenredig worden geschaad;
  • b. de goot- of boeibordhoogte van (delen van) gebouwen niet wordt teruggebracht tot minder dan 2,5 m;
  • c. geen inbreuk wordt gemaakt op het bepaalde in lid 22a.13.3.2 onder a of b ten aanzien van het maximaal te bebouwen gedeelte van de gronden.

13.5 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels:

13.5.1 Strijdig gebruik

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met artikel 22a.13.2, waartoe in elk geval wordt verstaan:

  • a. het gebruik van bijgebouwen voor verblijfsruimtes ten behoeve van het wonen.
  • b. het overmatig verharden van het onbebouwde deel van het perceel in die zin dat:
    • 1. bij rijwoningen: minimaal 16 m2 onverhard dient te blijven;
    • 2. bij twee-aaneengebouwde woningen: minimaal 50% onverhard dient te blijven;
    • 3. bij vrijstaande woningen: minimaal 50% onverhard dient te blijven.
  • c. het gebruik van gronden en bouwwerken voor kamerbewoning en een woongroep. Tevens wordt tot een strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken gerekend het recreatief verhuren van de woning aan derden voor korte perioden, tenzij voldaan wordt aan de beleidsregels particuliere verhuur woningen Westland.

13.5.2 Aan-huis-gebonden ondernemingen

Onder strijdig gebruik wordt niet verstaan het gebruik van gedeelten van woningen ten behoeve van aan-huis-gebonden ondernemingen, mits;

  • a. de woonfunctie als primaire functie gehandhaafd blijft;
  • b. het netto vloeroppervlak in gebruik voor de aan-huis-gebonden onderneming niet groter is dan 25% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw met een maximum van 50 m²;
  • c. het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluiting en parkeersituatie ter plaatse;
  • d. er geen gebruik wordt gemaakt van gevelreclame;
  • e. de onderneming uitsluitend door een van de bewoners (zonder ander personeel) wordt uitgeoefend;
  • f. voor de activiteiten van de onderneming geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 tweede lid, onder b, van de Omgevingswet dan wel een omgevingsvergunning op grond van afdeling 22.3 is vereist;
  • g. er geen horeca- en/of detailhandelsactiviteiten plaatsvinden;
  • h. de activiteiten worden uitgevoerd in het hoofdgebouw plus aan-, uitbouw en aangebouwd bijgebouw.

 

Artikel 14 Leiding - Gas

14.1 Werkingsgebied, oogmerken en voorrangsbepaling
  • a. Dit artikel is van toepassing in het gebied 'Leiding - Gas', waarvan de begrenzing is vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.1783.TAMWATRINGENNRDpbp-VA01.
  • b. Dit artikel bevat regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken en over het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of een werkzaamheid, met het oog op de aanleg en instandhouding van een ondergrondse hogedrukaardgastransportleiding met een daarbij behorende belemmeringenstrook.
  • c. De regels in dit artikel zijn primair ten opzichte van de regels in artikel 22a.4 tot en met artikel 22a.13. Voor zover het gebied, bedoeld in onder a, samenvalt met de gebieden, bedoeld in lid 22a.15.1, onder a of lid 22a.16.1, onder a, is de voorrangsregeling in artikel 22a.21.2 van toepassing.

14.2 Bouwregels

In het gebied, bedoeld in lid 22a.14.1, onder a, gelden de volgende bouwregels:

  • a. er mogen met het oog op de aanleg en instandhouding van een ondergrondse hogedrukaardgastransportleiding met een daarbij behorende belemmeringenstrook uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;
  • b. met inachtneming van de bouwregels in artikel 22a.4 tot en met artikel 22a.13 mag uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

14.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels in lid 22a.14.2 voor het bouwen overeenkomstig bouwregels in artikel 22a.4 tot en met artikel 22a.13, indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen zeer kwetsbare of kwetsbare gebouwen worden toegelaten.

14.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
14.4.1 Verbodsregel

In het gebied, bedoeld in lid 22a.14.1, onder a, is het verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen van hoog opgaande en/of diepgewortelde beplantingen en bomen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan bedoeld in lid 22a.14.1, onder b en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair.
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het permanent opslaan van goederen.
  • g. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

14.4.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 22a.14.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor afwijking is verleend, zoals in lid 22a.14.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer betreffen met het oog op de aanleg en instandhouding van een ondergrondse hogedrukaardgastransportleiding met een daarbij behorende belemmeringenstrook;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

14.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 14.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens te beslissen winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de betrokken leidingexploitant.

Artikel 15 Waarde - Archeologie

15.1 Werkingsgebied, oogmerk en voorrangsbepaling
  • a. Dit artikel is van toepassing in het gebied 'Waarde - Archeologie', waarvan de begrenzing is vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.1783.TAMWATRINGENNRDpbp-VA01.
  • b. Dit artikel bevat regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken en over het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of een werkzaamheid, met het oog op de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden van het gebied, bedoeld in onderdeel a.
  • c. De regels in dit artikel zijn primair ten opzichte van de regels in artikel 22a.4 tot en met artikel 22a.13. Voor zover het gebied, bedoeld onder a, samenvalt met de gebieden, bedoeld in lid 22a.14.1, onder a of lid 22a.16.1, onder a, is de voorrangsregeling in artikel 22a.21.2 van toepassing.

15.2 Bouwregels

In het gebied, bedoeld in lid 22a.15.1, onder a, gelden de volgende bouwregels:

  • a. op deze gronden mogen met het oog op de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;
  • b. met inachtneming van de bouwregels in artikel 22a.4 tot en met artikel 22a.13 mag uitsluitend worden gebouwd, indien:
    • 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
    • 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het bouwen voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige;
  • c. het bepaalde in dit lid onder b1 en b2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
    • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
    • 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 0 m2;
    • 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.

15.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
15.3.1 Verbodsregel

Het is verboden op of in het gebied, bedoeld in lid 22a.15.1, onder a, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, aan te leggen of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen met een grotere diepte of hoogte dan 30 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • b. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen;
  • c. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • e. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

15.3.2 Uitzondering op het aanlegverbod

Het verbod van lid 22a.15.3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 22a.15.2 in acht is genomen;
  • b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 0 m2;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • d. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

15.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning
  • a. De werken en werkzaamheden, zoals in lid 22a.15.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn.
  • b. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien:
    • 1. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
    • 2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige.

Artikel 16 Waterstaat - Waterkering

16.1 Werkingsgebied, oogmerken en voorrangsbepaling
  • a. Dit artikel is van toepassing in het gebied 'Waterstaat - Waterkering', waarvan de begrenzing is vastgelegd in het GML-bestand NL.IMRO.1783.TAMWATRINGENNRDpbp-VA01.
  • b. Dit artikel bevat regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken met het oog op de bescherming en instandhouding van een waterkering.
  • c. De regels in dit artikel zijn primair ten opzichte van de regels in artikel 22a.4 tot en met artikel 22a.13. Voor zover het gebied, bedoeld onder a, samenvalt met de gebieden, bedoeld in lid 22a.14.1, onder a of lid 22a.15.1, onder a, is de voorrangsregeling in artikel 22a.21.2 van toepassing.

16.2 Bouwregels

In het gebied, bedoeld in lid 22a.16.1, onder a, gelden de volgende bouwregels:

  • a. er mogen met het oog op de bescherming en instandhouding van een waterkering uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;
  • b. met inachtneming van de bouwregels in artikel 22a.4 tot en met artikel 22a.13 mag uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

16.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels in lid 22a.16.2 voor het bouwen overeenkomstig de bouwregels in artikel 22a.4 tot en met artikel 22a.13, indien het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens te beslissen, wint het bevoegd gezag advies in bij de beheerder van de waterkering.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 17 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 18 Algemene bouwregels

18.1 Overschrijding van hoogte-aanduidingen
18.1.1 ondergeschikte bouwdelen

De maximale bouwhoogte of maximale bouwhoogte zoals bepaald in afdeling 22a.2 mag worden overschreden door antenne-installaties, indien en voor zover de overschrijding niet meer dan 5 m. bedraagt, alsmede door schoorstenen, trappenhuizen, alarminstallaties en andere ondergeschikte bouwdelen, indien en voor zover de overschrijding niet meer dan 1 m. bedraagt.

18.1.2 liftkokers

De maximale bouwhoogte zoals bepaald in afdeling 22a.2 mag worden overschreden door liftkokers, indien en voor zover de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt.

18.2 Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen en in voorkomend geval de grenzen van aanduidingen en gebieden mogen uitsluitend worden overschreden door:

  • a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden en funderingen;
  • b. bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, indien en voor zover de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt;
  • c. gevel- en kroonlijsten, indien en voor zover de overschrijding niet meer dan 1,0 m bedraagt;
  • d. rookkanalen, indien de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt;
  • e. putten, leidingen, goten en inrichtingen voor de watervoorziening of de afvoer of verzameling van water of rioolstoffen;
  • f. hijsinrichtingen, indien en voor zover de overschrijding niet meer dan 0,5 m bedraagt;
  • g. overstekende daken, indien de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt;
  • h. balkons, indien de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt;
  • i. bestaande dakopbouwen, bestaande luifels en bestaande uitbouwen aan de voorzijde.

18.3 Ondergrondse bouwwerken
  • a. De regels van dit plan zijn van overeenkomstige toepassing op ondergrondse bouwwerken.
  • b. In aanvulling op het bepaalde onder a. mogen ondergrondse ruimten slechts worden gerealiseerd voor zover deze zijn gelegen tussen de buitenwerkse gevels van het bovengronds gelegen hoofdgebouw en met een maximale verticale diepte van 3 meter onder het peil.

18.4 Dakkapellen

Voor het bouwen van dakkapellen gelden de volgende regels:

  • a. Maatvoering achterzijde:
    • 1. de dakkapel ligt aan alle zijden ten minste 0,5 m vrij in het dakvlak;
    • 2. de dakkapel is gemeten van de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m.
  • b. Maatvoering voorzijde:
    • 1. de dakkapel is niet breder dan 50 % van de breedte van het dakvlak;
    • 2. de dakkapel ligt aan alle zijden tenminste 0,5 m vrij in het dakvlak;
    • 3. de dakkapel is gemeten van de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m.

Artikel 19 Algemene gebruiksregels

19.1 Strijdig gebruik

In aanvulling op het bepaalde in afdeling 22a.2 wordt tot het verboden gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval verstaan:

  • a. het gebruik van niet-bebouwde grond als permanente staan- of ligplaats van demonteerbare of verplaatsbare inrichtingen voor de verkoop van etenswaren en/of dranken;
  • b. het gebruik van niet-bebouwde grond en/of water als staan- of ligplaats voor kampeermiddelen buiten de daarvoor aangewezen gronden; het gebruik van niet-bebouwde grond als staan- of ligplaats voor (menselijk of dierlijk) verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken, vaar- of voertuigen, arken of andere objecten, voor zover die niet als bouwwerk zijn aan te merken;
  • c. het gebruik van niet-bebouwde grond als opslag, stort- of bergplaats van al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik noodzakelijk is voor of verband houdt met het toegelaten gebruik van gronden en bouwwerken;
  • d. het gebruik van bouwwerken of het laten gebruiken van bouwwerken als seksinrichting;
  • e. het gebruik van bouwwerken of het laten gebruiken van bouwwerken en gronden voor opslag en verkoop van consumentenvuurwerk.

19.2 Geen strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt niet verstaan:

  • a. het gebruik van niet-bebouwde grond voor evenementen waarvoor een vergunning is verleend op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Westland;
  • b. het gebruik van niet-bebouwde grond voor standplaatsen waarvoor een vergunning is verleend op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Westland.

Artikel 20 Algemene afwijkingsregels

20.1 Algemene afwijkingsmogelijkheden

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woon- en werksituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en er op grond van de regels in afdeling 22a.2 niet eerder kon worden afgeweken, bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan, voor:

  • a. afwijkingen van voorgeschreven aantallen en maten, waaronder percentages, met ten hoogste 10%. Het moet hierbij primair gaan om het oplossen van knelpunten waar het plan niet in voorziet en waartegen in planologisch opzicht geen bezwaar bestaat en niet om de bouwmogelijkheden bij voorbaat al te vergroten;
  • b. het bouwen van kleine niet voor bewoning bestemde gebouwtjes met een goothoogte van ten hoogste 3 m ten behoeve van openbare nutsbedrijven of voor andere naar doelstelling daarmee vergelijkbare gebouwtjes mits de inhoud van deze gebouwtjes niet groter is dan 60 m³ zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes, gasdrukregel- en meetstations, telefooncellen, toiletgebouwtjes en wachthuisjes voor verkeersdiensten;
  • c. het bouwen van een tweedelijns dakkapel aan de achterzijde boven een bestaande dakkapel;
  • d. het bouwen van straatmeubilair of andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die om waterstaatkundige of verkeerstechnische redenen noodzakelijk zijn, zoals duikers en keermuren met een bouwhoogte van ten hoogste 6 meter;
  • e. geringe veranderingen in de tracés van wegen en de aanpassing daaraan van de ligging en de vorm van grenzen van bouwvlakken, aanduidingen en andere gebieden van dit plan, indien bij de definitieve uitmeting blijkt, dat een weg als gevolg van de werkelijke toestand van het terrein slechts kan worden aangelegd als op ondergeschikte punten van het plan wordt afgeweken, met dien verstande dat de veranderingen ten hoogste 2 m mogen bedragen;
  • f. afwijkingen van het plan, ten einde de uitvoering van een bouwplan mogelijk te maken, indien op grond van een definitieve uitmeting of in verband met de verkaveling of situering blijkt, dat aanpassing van het plan noodzakelijk zou zijn en de afwijking van zo ondergeschikte aard blijft, dat de structuur van het plan niet wordt aangetast;
  • g. overschrijding van bouwgrenzen en in voorkomend geval de grenzen van aanduidingen en gebieden, voor zover zulks van belang is voor een technische of kwalitatieve betere realisering van het plan dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter niet meer dan 3 m bedragen;
  • h. het bouwen van zonnecollectoren, beeldende kunstwerken (waaronder begrepen follies), riool-overstortkelders, boven- en ondergrondse containerruimten, informatie- en reclameborden, solar carports en laadpalen, en bijbehorende installaties;
  • i. afwijkingen van het voorgeschreven minimale vloerpeil, voor zover dat is voorgeschreven, mits dit vanuit waterhuishoudkundig opzicht geen onevenredige belemmeringen met zich meebrengt.

20.2 Afwijking niet toepassen

Een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 22a.20.1 wordt in ieder geval niet verleend, indien daardoor onevenredig afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de in dit plan bepaalde gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 21 Overige regels

21.1 Werking wettelijke regelingen

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan, tenzij anders is bepaald.

21.2 Voorrangsregeling

Voor zover de regels van artikel 22a.14, 22a.15 of 22a.16 niet met elkaar verenigbaar zijn, zijn de regels van toepassing volgens de volgorde die is aangegeven in onderstaand schema:

Gebied   artikelnummer   volgorde van toepassing  
Leiding - Gas   22a.14   1  
Waterstaat - Waterkering   22a.16   2  
Waarde - Archeologie   22a.15   3  

21.3 Voorwaardelijke verplichting parkeren
  • 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken op grond van de regels in afdeling 22a.2 voor het wonen, is slechts toegestaan als wordt voorzien in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid conform de parkeernormen opgenomen onder 'totaalnorm avond' in bijlage 22a.2 bij deze regels.
  • 2. Bij nieuwe ontwikkelingen, waaronder wordt verstaan de oprichting van een bouwwerk, de verandering van functie of de uitbreiding van bestaand gebruik, is het gebruik van gronden en bouwwerken op grond van de regels in afdeling 22a.2 voor andere functies dan het wonen, slechts toegestaan als op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid zoals bedoeld in artikel 22a.2 van deze regels;
  • 3. Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 1 en 2 indien:
    • a. het voldoen aan die bepaling door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
    • b. er een bijzonder gemeentelijk belang mee is gemoeid; of
    • c. op andere wijze dan op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals gesteld in de beleidsregel 'Parkeernormering gemeente Westland' en - indien deze beleidsregel nadien is gewijzigd - aan die wijziging; of
    • d. door de aanvrager van een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat de van toepassing zijnde parkeernorm(en) of aanwezigheidspercentages niet overeenkomen met de feitelijke situatie en kan worden volstaan met het realiseren van minder parkeergelegenheid.
  • 4. Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning zoals genoemd bij lid 3 voorschriften verbinden ten aanzien van:
    • a. de aard, plaats en inrichting van de parkeergelegenheid;
    • b. de aanwezigheid en aanduiding van parkeergelegenheid ten behoeve van invaliden.

21.4 Aanvulling uitzonderingen geluidbronnen

In aanvulling op artikel 22.72, zijn de waarden die het omgevingsplan bevat voor geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen of in geluidgevoelige ruimten, bedoeld in artikel 22.65, niet van toepassing op onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 22 Overgangsrecht

22.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 22a.22.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 22a.22.1.1 met maximaal 10%;
  • 3. Lid 22a.22.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de voorheen geldende regels, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

22.2 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • 2. Het is verboden het met het plan strijdige gebruik, bedoeld in lid 22a.22.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in lid 22a.22.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • 4. Lid 22a.22.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met de voorheen geldende regels, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.