| Plan: | Klooster Koningsbosch 2020 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1711.BP20200359-VG01 |
In 2016 is een bestemmingsplan vastgesteld voor de herstructurering van het klooster met de bijbehorende kloostertuin in Kloosterbosch. Het is echter noodzakelijk gebleken om het bestemmingsplan opnieuw vast te stellen. Aan het beoogde gebruik en het eerder vastgelegde programma wijzigt niets.
De ontwikkeling voorziet in de herstructurering van het klooster in een hotel, het mogelijk maken van 45 woningen in de ommuurde kloostertuin en het mogelijk maken van een buurtvoorziening. Het geheel wordt naar aanleiding van het Gemeentelijk KwaliteitsMenu (GKM) landschappelijk ingepast, waarbij het bestaande parkje wordt gerevitaliseerd, waarbij het klooster (met muur) wordt behouden en waarbij de woningen in een groene omgeving worden gesitueerd. Tevens is naar aanleiding van het GKM het plan voorzien van een buurtvoorziening met gemengde functies en worden 8 huurwoningen (als onderdeel van de 45 eerder genoemde woningen) geëxploiteerd.
De gemeente heeft d.d. 18 december 2019 een voorbereidingsbesluit genomen ter voorbereiding op een nieuw bestemmingsplan voor het plangebied. Met dit voorbereidingsbesluit wordt de ontwikkeling zoals beoogd in het geldende bestemmingsplan als het ware op slot gezet. Er zijn geen grond- of bouwwerkzaamheden toegestaan. In opdracht van de gemeente Echt-Susteren wordt het bestemmingsplan uit 2016 dan ook herzien. Door middel van het opstellen van dit bestemmingsplan wordt een juridisch-planologische basis geboden voor onderhavige ontwikkeling. Parallel aan dit bestemmingsplan zal een exploitatieplan worden opgesteld.
Het plangebied is gelegen aan de Kerkstraat in het dorp Koningsbosch. Koningsbosch maakt onderdeel uit van de gemeente Echt-Susteren en ligt vlakbij de grens met Duitsland. Het project ziet op de ontwikkeling van het klooster zelf en de achtergelegen gronden. Het plangebied is op de navolgende afbeeldingen weergegeven.
De directe omgeving van het klooster is divers en bestaat onder andere uit woningen, agrarische gronden en een kerkhof.
Figuur 1.1: Lligging plangebied in Koningsbosch (plangebied globaal rood omlijnd, bron: Map data © OpenStreetMap contributors, CC-BY-SA)
Figuur 1.2: Luchtfoto plangebied (plangebied rood omlijnd, bron: Map data © OpenStreetMap contributors, CC-BY-SA | Esri Nederland, Kadaster)
Binnen het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Klooster Koningsbosch' dat d.d. 18 december 2016 door de raad van de gemeente Echt-Susteren is vastgesteld.
Figuur 1.3: Verbeelding geldend bestemmingsplan 'Klooster Koningsbosch (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Op basis van het geldende bestemmingsplan, kent het plangebied de volgende bestemmingen:
Binnen de bestemming 'Wonen' zijn maximaal 45 wooneenheden toegestaan in de typologie vrijstaand. De woningen hier hebben een maximale bouwhoogte van 7,5 meter.
Binnen de bestemming 'Gemengd' mag bebouwing worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 7 meter en een maximaal bruto vloeroppervlak van 1.000 m².
De bestemming 'Groen' is voornamelijk bedoeld voor de realisatie van groenvoorzieningen.
Het klooster zelf heeft de bestemming 'Horeca' gekregen. Het klooster is opgenomen binnen het bouwvlak met een maximaal bebouwingspercentage van 80%, een maximale goothoogte van 12 meter en een maximale bouwhoogte van 18 meter. Binnen de bestemming 'Horeca' is een hotel toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'terras' is specifiek en terras voorzien. Het parkeerterrein is binnen deze bestemming toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein'.
De beoogde herstructurering van het klooster en de kloostertuin passen binnen dit geldende bestemmingsplan. Het is echter noodzakelijk gebleken deze herstructurering door middel van een bestemmingsplan opnieuw vast te stellen. Ook gezien het genomen voorbereidingsbesluit (18 december 2019) is het noodzakelijk het bestemmingsplan ter plaatse te herzien.
Deze toelichting bij het bestemmingsplan bestaat uit zeven hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk worden in hoofdstuk 2 het plangebied, de omgeving en het projectprofiel beschreven. Het planvoornemen wordt daarin gedetailleerd uitgewerkt. In hoofdstuk 3 wordt verantwoord dat het plan past binnen de geldende beleidskaders. Belangrijke beleidskaders als de Ladder voor duurzame verstedelijking en het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu komen hier aan de orde. Hoofdstuk 4 beschrijft de verschillende planologische aspecten waaraan het plan moet voldoen, zoals archeologie, cultuurhistorie, water en parkeren. In hoofdstuk 5 wordt hetzelfde gedaan ten aanzien van de milieuaspecten, zoals geluid, externe veiligheid en bodemkwaliteit. In hoofdstuk 6 volgt een juridische planbeschrijving, waarbij wordt ingegaan op de verschillende onderdelen waaruit het bestemmingsplan bestaat en wordt ingezoomd op de verbeelding en de planregels. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 onderbouwd dat het plan zowel economisch als maatschappelijk uitvoerbaar is.
Koningsbosch behoort tot de gemeente Echt-Susteren. De plaatsnaam herinnert aan het feit dat vanaf de vroege middeleeuwen tot aan 1794 koningen rechten hadden in dit deel van de gemeente. Het dorp telt zo'n 1.700 inwoners en het klooster heeft altijd een prominente plek gehad in deze gemeenschap. Het is uiteraard het grootste gebouw, veel inwoners hebben er gewerkt of kennen mensen die er gewoond hebben. Met andere woorden: het klooster zet Koningsbosch op de kaart. De verwachtingen zijn dan ook dat de herbestemming het dorp meer leven gaat brengen en wellicht ook werkgelegenheid biedt.
De eerste steen van het complex is gelegd in 1873. De architect, Johannes Kayser, was een leerling van de fameuze Pierre Cuypers, die onder andere het Centraal Station in Amsterdam heeft ontworpen. De grond werd beschikbaar gesteld door een Belgische wijnhandelaar. De stichter van het klooster was een Duitse religieuze. In de bloeitijd van het kloosterleven waren er 40 postulanten en novicen en 70 zusters. Oorspronkelijk waren er meer Duitse dan Nederlandse zusters, zodat tot 1916 de Duitse taal de "kloostertaal" was. Het klooster had een eigen boerderij, tuin, bakkerij, wasserij en ziekenzaal. Veel Koningsbosschenaren hebben in het verleden in het klooster hun brood verdiend.
In 1879 werd een Duitse school gestart (de Höhere Töchterschule en Duitse Huishoudschool) met internen, voor leerlingen van 8 tot 18 jaar. In 1883 waren er 40 leerlingen. Naderhand werd gestart met een Normaalschool voor de opleiding tot onderwijzeres. In april 1896 werd deze school erkend als "bijzondere kweekschool". Vanaf 1930 was er een ULO, nadien MULO die in de jaren '70 MAVO werd. Ook kwam er een Huishoudschool bij. In 1961 waren er nog 191 internen, in 1981 waren dat er nog maar 11. Eind juni 1982 sloot het internaat haar deuren. In 1995 vertrokken de laatste zusters naar Sittard.
De ruimtelijke structuur van de kern van Koningsbosch is opgebouwd uit bebouwingslinten. De bebouwingslinten bestaan uit de Prinsenbaan, Kerkstraat, Haverterstraat, Koestraat en Molenweg. Ter plaatse waar de linten bij elkaar komen heeft verdikking van de bebouwingstructuur plaatsgevonden. Tussen de Haversterstraat, Kerkstraat en de Prinsenbaan heeft zich een dorpskern ontwikkeld. Centraal in dit deel is het Koningsplein gelegen. Dit is een relatief groot dorpsplein. De bebouwing bestaat overwegend uit vrijstaande lintbebouwing. Het rond de kern gelegen buitengebied heeft een open karakter en is van relatief grote schaal. Het gebied is voornamelijk in gebruik als akker- en tuinbouwgrond.
De ruimtelijke structuur van de huidige situatie van het plangebied is momenteel grotendeels onbebouwd. De aanwezige bebouwing op de locatie bestaat, op twee kleine opstallen na, uit een oud klooster dat al enige tijd niet meer in gebruik is. Rond de bebouwing is sprake van verharding met klinkers. De tuin van het klooster van de Liefdezusters van het Kostbaar Bloed is een typische kloostertuin. De tuin is omsloten door een muur, waardoor de tuin is afgesloten van de buitenwereld ('hortus conclusus'). In de huidige situatie is de kloostertuin momenteel grotendeels onbebouwd. De aanwezige bebouwing op de locatie bestaat uit twee kleine opstallen. De nagenoeg volledig ommuurde kloostertuin heeft verder onder andere nog een appelboomgaard, zusterbegraafplaats, een park in eenvoudige Landschapsstijl, een Lourdesgrot en een voormalige nutstuin. De nutstuin is in de loop der jaren van invulling en indeling veranderd. Onderdelen die er deel hebben uitgemaakt zijn een hoogstamfruitgaard, moestuin, kruidentuin, kleine akkertjes en een bleekveld (veld om de witte was te drogen en te bleken in de zon). Momenteel is de nutstuin een grasveld. Twee kleine opstallen (garage en schuurtje) zullen worden gesloopt.
Figuur 2.1: Foto voorgevel Klooster Koningsbosch (bron: Plan ROS)
Figuur 2.2: Foto voorgevel Klooster Koningsbosch (bron: Plan ROS)
Figuur 2.3: Foto huidige staat Lourdesgrot (bron: Tritium Advies)
Figuur 2.4: Foto kloostertuin op voorgrond, o.a. parkje en klooster op achtergrond (bron: Tritium Advies)
Het klooster ligt aan de Kerkstraat, nabij de Prinsenbaan. De gronden waar de woningen gerealiseerd worden liggen aan de Prinsenbaan. Het totaalplan omvat de volgende functies:
De architectuur van het Klooster is bijzonder te noemen, en deze eigenschap zal in de toekomst behouden blijven. Het planvoornemen is om maximaal 100 hotelkamers mogelijk te maken in het voormalige klooster. Ook is het plan om in de binnenplaats een terrasachtige omgeving te realiseren, evenals een restaurant in het gebouw. In het souterrain van het klooster worden verschillende wellness- en entertainmentvoorzieningen gerealiseerd. Met entertainmentvoorzieningen wordt een (kleine) speelautomatenhal bedoeld. Als navolgende afbeelding is een mogelijk ontwerp opgenomen van de wellnessvoorzieningen in het souterrain.
Figuur 2.5: Ontwerp souterrain (bron: Van Helmond | Zuidam Architecten)
Op deze wijze wordt een totaalconcept gecreëerd en laatst genoemde faciliteiten dragen in hoge mate bij aan het onderscheidend vermogen van het kloosterhotel. Het mes snijdt op deze wijze aan meerdere kanten. De hotel faciliterende functies, in het bijzonder wellness en entertainment, vergroten de attractiviteit van het hotel. Ook de toeristische verzorgingsstructuur verbetert, want er komt een bijzonder monumentaal kloosterhotel bij attractieve elk-weer-voorzieningen. Ook de omliggende regio (buurt) profiteert mee met dit nieuwe voorzieningen aanbod.
Dit betekent dat er voldoende parkeermogelijkheden moeten zijn voor zowel hotel-, restaurantbezoekers, als werknemers. Deze parkeerplaatsen zijn voorzien aan de achter- en zijkant van het gebouw. In paragraaf 4.4 wordt gedetailleerd ingegaan op het aspect parkeren en verkeer.
Conform landschappelijke inpassing zullen er geen bomen worden gekapt en wordt het aanwezige parkje en de oude appelboomgaard gerevitaliseerd. De volledige landschappelijke inpassing, zoals voorzien in het Landschapsplan, is bijgevoegd in Bijlage 1. In paragraaf 3.4.2 wordt inhoudelijk ingegaan op het Landschapsplan ten behoeve van het Gemeentelijke KwaliteitsMenu.
De voorziene woningen (45 in aantal) worden gesitueerd temidden van veel groen. De groene openbare ruimte heeft een inrichting die is geïnspireerd op de verschijningsvorm en inrichtingselementen van een hoogstamboomgaard.
Een hoogstamboomgaard is een boomgaard of boomweide met fruitrassen of notenbomen. Hoogstamboomgaarden zijn al bekend uit de middeleeuwen bij kloosters en kastelen, en zijn meestal omsloten en afgescheiden van de omgeving. De ondergrond van de hoogstamboomgaard is vaak een begraasd grasland, ervoor zorgend dat het vee geen fruit kan eten. In onderhavig landschapsplan zijn fruitbomen voorzien op openbaar terrein en op privé kavels. Hagen zijn voorzien als afscheidingsstructuur tussen en rond de kavels, en de bermen zijn voorzien als bloemrijke tussengebieden. De kloostermuur kan worden voorzien van leifruit om de groene structuur extra te accentueren.
De woningen zijn onderverdeeld in drie typen, waarbij zowel de woninggrootte als kavelgrootte varieert (zie ook Bijlage 2 Presentatie stedenbouwkundig ontwerp, HelmondZuidam architecten). Woningtype A heeft een oppervlakte (begane grond) van circa 55-60 m². Dit betreffen de 8 huurwoningen. Woningtype B heeft een oppervlakte van circa 65-70 m². Woningtype C heeft een oppervlakte (begane grond) van circa 90-100 m². Op navolgende figuren is het landschapsplan weergegeven, evenals alle functies ten behoeve van het verkavelingsplan. Daarbij moet worden opgemerkt dat het landschapsplan en de verkaveling in dit bestemmingsplan concreet worden vastgelegd. De woningtypologie is hier echter indicatief opgenomen.
Figuur 2.6: Uitsnede Landschapsplan kloostertuin (bron: Landschapsplan BTL Advies)
Figuur 2.7: Verkavelingsplan (bron: Van Helmond | Zuidam Architecten)
In de ommuurde kloostertuin is naast de woningbouw een buurtvoorziening voorzien. Hierdoor worden dorpsvoorzieningen aan de kern toegevoegd in de vorm van een kleine supermarkt (maximaal 800 m² bvo) met aanvullende voorzieningen, zoals een pinautomaat, postagentschap en/of drogisterij.
Deze buurtvoorziening is gesitueerd evenwijdig aan de Prinsenbaan en is voorzien van parkeerplaatsen. Op deze wijze sluit de voorziening aan op de aanwezige lintbebouwing aan de Prinsenlaan, waardoor de voorziening goed bereikbaar is voor de gehele kern. Om de toekomst van deze buurtvoorziening planologisch-juridisch te waarborgen is de bestemming 'Gemengd' met relatief ruime bouw- en gebruiksregels toegekend aan deze grond. Op deze wijze is de buurtvoorziening toekomstgericht, ook gezien de onzekere markt ten aanzien van detailhandel. De buurtvoorziening heeft een grootte van circa 1.000 m² bvo, en het bevat tevens een laad- en losruimte op het parkeerterrein. Een supermarkt mag maximaal 800 m² bvo bedragen.
Algemeen
Op 12 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (verder: structuurvisie) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van nationale belangen.
De structuurvisie vervangt verschillende bestaande nota's zoals de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, de agenda Landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. In de structuurvisie worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
Voor de drie Rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. De 13 nationale belangen luiden kort samengevat als volgt:
Versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland:
Een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;
Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;
Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
Efficiënt gebruik van de ondergrond.
Verbeteren bereikbaarheid: slim investeren, innoveren en in stand houden:
Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;
Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen;
Het in stand houden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen.
Waarborgen kwaliteit leefomgeving:
Verder geldt dat sprake is van een lokale ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn. Het plan voldoet daarmee aan het rijksbeleid zoals dit is vastgelegd in de structuurvisie.
Algemeen
Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen.
In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen:
Beoordeling plan
Uit het Barro vloeien geen bepalingen voort die rechtstreeks doorwerken in onderhavig bestemmingsplan.
Algemeen
Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, naast het Barro, tevens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) waarmee dit mogelijk is. Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden.
Nationaal belang 13 uit de SVIR vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit nationale belang is wettelijk verankerd in het Bro. In artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro is gesteld dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient te voldoen aan twee stappen:
- De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling,
- indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Wanneer een stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is, wordt in de ladder niet geduid. Aansluiting wordt gezocht bij het in de rechtspraak van de Afdeling ontwikkelde criterium: 'Bij de beantwoording van de vraag of een stedelijke ontwikkeling die een bestemmingsplan mogelijk maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro behelst, moet in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan (uitspraken van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:915 (Oldenzaal), en van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1064 (Waalre)).'
Beoordeling plan
De herstructurering van het klooster en de kloostertuin is reeds als zodanig bestemd. Het betreffende programma is dan ook al bestaande harde plancapaciteit. Het programma blijft ook ongewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Er is dan ook geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. De behoefte aan de beoogde woningen wordt desalniettemin verderop in deze toelichting beschreven.
Algemeen
Op 13 augustus 2019 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie POL2014 vastgesteld.
De provincie Limburg wil bijdragen aan een gevarieerde en optimale kwaliteit van de leefomgeving in steden, dorpen en op het platteland, rekening houdend met de diversiteit van de inwoners van Limburg: oud en jong, allochtoon en autochtoon, valide en minder valide. Belangrijke elementen daarin zijn woningen van goede kwaliteit en op de juiste plaats, herstructurering van de woningvoorraad en passende en bereikbare voorzieningen. Dit alles stelt ook hoge eisen aan de milieukwaliteit, de ruimtelijke inrichting en de zorg voor sociale en culturele voorzieningen.
Dynamisch voorraadbeheer
Om bovenstaande uitdaging aan te kunnen is dynamisch voorraadbeheer benodigd om de omslag naar gewenste kwaliteit te maken. Door het creëren van schaarste, in onder andere de woningmarkt, krijgt de markt prikkels om de benodigde kwaliteit te realiseren. Essentie hiervan is dat in regionaal verband door gemeenten niet-vrijblijvende afspraken worden gemaakt over noodzakelijke interventies. De precieze aanpak kan per onderwerp en regio uiteenlopen. Centraal in het dynamisch voorraadbeheer staan drie typen interventies:
Werken aan de kwaliteit van de bestaande voorraad (bijvoorbeeld renovatie, herstructureren, energiemaatregelen, duurzaamheid). Onderdeel hiervan vormt de aanpak van de bestaande leegstand.
Waar mogelijk schrappen (verkleuren of van functie veranderen) van harde plannen die niet de beoogde toevoeging van kwaliteit opleveren. Het kan ook gaan om tijdelijke andere functies.
Onder voorwaarden (bijvoorbeeld echte toevoeging kwaliteit, principes duurzame verstedelijking) ruimte bieden voor het toevoegen van goede nieuwe voorraad, maar dan wel in combinatie met het schrappen van bestaande voorraad.
Het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) is overgedragen aan de gemeenten, zodat gemeenten zelf invulling gegeven aan het kwaliteitsbeleid (Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM)). Hierdoor wordt voorkomen dat er stapeling ontstaat met andere compensatieregelingen of regelingen met een vergelijkbaar karakter. Desalniettemin dienen er minimale drempelbedragen te worden gehanteerd. In paragraaf 3.4 Gemeentelijk beleid wordt hierop ingegaan met een vertaling naar het voorliggend planvoornemen.
Figuur 3.1: Uitsnede kaart "Zonering Limburg" Omgevingsvisie POL2014 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Beoordeling plan
In het POL is het plangebied op themakaart 1 (Zonering Limburg) ter plaatse van het klooster aangeduid als "overig bebouwd gebied" en ter plaatse van de achterliggende gronden als "buitengebied".
Het realiseren van een hotel met restaurant past binnen het gebiedstype "overig bebouwd gebied". Deze gebieden zijn bestemd voor gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter.
In de toelichting van het POL staat dat het gebiedstype "buitengebied" een breed scala aan gebieden omvat, variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en clusters van bebouwing.
In dit geval worden er woningen gerealiseerd in kernrandzone van Koningsbosch, aansluitend aan de bestaande bebouwing. Dit past binnen de omschrijving van het gebiedstype buitengebied en is ruimtelijk aanvaardbaar op deze locatie, mede gelet op de integraliteit van het project dat niet alleen de realisatie van woningen behelst maar vooral ook de renovatie van het klooster.
Op themakaart 12 (Ondergrond) van het POL is voor deze locatie, en geheel Koningsbosch, de aanduiding 'boringsvrije zone' opgenomen. Deze leidt niet tot belemmeringen voor het project en is op de verbeelding en in de regels ook opgenomen.
Op de overige themakaarten zijn geen specifieke zaken opgenomen die nader aandacht behoeven in deze toelichting.
Conclusie is dat het planvoornemen past binnen de beleidskaders van de Omgevingsvisie POL2014.
Algemeen
In de Omgevingsverordening Limburg 2014 staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL 2014 juridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. Nu is de Omgevingsverordening uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dat hoofdstuk Ruimte bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijk beleid van het POL 2014. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de Verordening Veehouderijen en Natura 2000 en de Verordening Wonen Zuid-Limburg vrijwel ongewijzigd opgenomen. Hierdoor zijn alle doorwerkingsinstrumenten van het omgevingsbeleid nu ondergebracht in één document. Voor onderhavig planvoornemen is artikel 2.2 (Duurzame verstedelijking) van toepassing. De laatste versie (geconsolideerde versie) van de Omgevingsverordening Limburg is vastgesteld op 22 november 2019.
Beoordeling plan
Op kaart 2 (Duurzame verstedelijking en wonen) is de locatie ter plaatse van het klooster aangeduid als "bebouwd gebied" en ter plaatse van de achterliggende gronden als "landelijk gebied".
Figuur 3.2: Uitsnede kaart 2 Omgevingsverordening Limburg 2014 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Onderzocht is of er regels van het hoofdstuk Ruimte van toepassing zijn op het plangebied. Het thema "Duurzame verstedelijking" is van toepassing, dit volgt tevens uit het Besluit ruimtelijke ordening. Aangezien het planvoornemen niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet nodig.
Ten aanzien van artikel 2.2.3 (Herbenutting leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen) wordt in dit planvoornemen voorzien in het toestaan van een recreatieve functie - zijnde een hotel - in een leegstaand monumentaal kloostercomplex Liefdezusters van het Kostbaar Bloed.
In artikel 2.4 wordt verwezen naar de Bestuursafspraken regionale uitwerking POL 2014. In paragraaf 3.3 wordt daar nader op ingegaan.
Voor het overige zijn er geen regels waar specifieke aandacht aan besteed hoeft te worden in deze toelichting.
Conclusie is dat het planvoornemen past binnen de regels van de Omgevingsverordening Limburg.
Algemeen
Roermond en Weert zijn de twee steden in Midden-Limburg en zijn daardoor de motor van het gebied. Het is van belang dat beide steden zich sterk en in balans ontwikkelen. Stedelijke ontwikkeling helpt de hele regio.
Ontwikkelingen in de steden staan niet los van die op het platteland. Het platteland in Midden-Limburg ondergaat een transformatie. In de landbouw is een vitale, toekomstbestendige economische tak van formaat. Het buitengebied wordt in toenemende mate een 'groene ruimte' waarin de functies wonen, werken, landschap, natuur en recreatie nauw verweven zijn. De transformatie van het platteland vraagt om nieuwe condities. De uitdaging: ervoor zorgen dat de verschillende functies elkaar versterken, zodat de economische vitaliteit, ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid van het platteland behouden blijft.
Toerisme en recreatie
Midden-Limburg beschikt over een aantal sterke kwaliteiten die vanuit toeristisch en recreatief oogpunt in het oog springen. Dit zijn:
Ondanks deze functionele kwaliteiten die Midden-Limburg als toeristische regio op de kaart zetten, zijn de toeristische potenties van deze regio onvoldoende benut. De economische groei van de sector toerisme dreigt te stagneren. Oorzaken van deze stagnatie in groei zijn:
het huidige toeristische aanbod in Midden-Limburg is voor een deel verouderd (parken met recreatiewoningen, campings, havens);
het aanbod van toeristische voorzieningen in het gebied ligt verspreid en is versnipperd;
de toerist heeft nog te veel een enkelvoudig bezoekmotief en brengt te weinig combinatiebezoeken;
bovendien is de regio nog steeds onvoldoende bekend om haar toeristisch-recreatieve kwaliteiten.
Wonen
De bevolkingsontwikkeling in Midden-Limburg zal in de komende jaren worden gekenmerkt door een afname van het absolute aantal inwoners. Onder invloed van zowel ontgroening maar vooral een sterke veroudering van de bevolking (grijze druk) zal Midden-Limburg in de komende decennia krimpen en verkleuren.
De regio is gebaat bij gezonde woningmarktverhoudingen en wil daarbij sturen op een migratiesaldo van tenminste nul. Deze verhoudingen komen slechts tot stand c.q. blijven in stand als op regionaal niveau wordt geïnvesteerd in de kwaliteit van woningen en bijbehorende voorzieningen én als overtollige woningen uit de markt worden genomen (sloop). In de steden betekent dit stedelijke herstructurering (Roermond) en investeringen in de versterking van de binnenstedelijke structuur (Weert). In de gemeenten rondom de steden betekent dit vooral investeringen in het voorzieningenniveau terwijl ook - incidenteel - sloop van overtollige voorraad aan de orde zal zijn. Daarbij zijn gezonde woningmarktverhoudingen essentieel voor behoud van waarde c.q. waardeontwikkeling van de totale woningvoorraad in de regio.
Algemeen
In deze structuurvisie worden de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting ten aanzien van het beleidsveld 'Wonen' voor de korte termijn (2018 tot en met 2021) en er wordt een doorkijk gegeven op de verwachte behoefte tot 2030. De regio heeft ervoor gekozen de structuurvisie vorm te geven via een praktische en concrete aanpak. Op basis van analyse-uitkomsten is samen met belanghouders een regionale visie geformuleerd en op basis van ervaring zijn beleidsmatige uitgangspunten opnieuw uitgewerkt in afwegingskaders. Lokale afwegingen die richting geven voor de opgaven op het gebied van wonen zijn mogelijk. De gewenste kwalitatieve afstemming van woningbouwplannen in de regio wordt daarnaast ook concreet gemaakt. De speerpunten zijn opnieuw verankerd in opgaven en de bijbehorende afwegingskaders en instrumentaria zijn geactualiseerd.
Na de structuurvisie wonen voor de periode 2014 t/m 2017 is in kwantitatieve zin overcapaciteit voor een deel blijven bestaan, maar heeft er wel een kwalitatieve opschoning van de plannen plaatsgevonden. Deze Structuurvisie biedt een toetsings- en afwegingskader voor het invullen van de resterende opgave met nieuwbouw en transformatie. De afzonderlijke gemeenten worden in staat gesteld de meest passende onderdelen uit het beschikbaar instrumentarium in te zetten om daadwerkelijk sturing te geven.
In de structuurvisie 2014 waren voor 10 jaar aantallen te bouwen woningen per gemeente vastgelegd. Daarbij is de totale groei van de regio verdeeld over de gemeente naar rato van het aantal huishoudens. In de huidige structuurvisie is vastgelegd dat elke gemeente kan uitgaan van minimaal de afspraak uit 2014 en alleen indien de prognose Etil 2017 hoger uitpakt, van deze nieuw prognose. Voor de gemeente Echt-Susteren geldt een maximaal aan te houden groei vanaf 1 januari 2014 van 590 woningen. Netto zijn er in de periode 2014 t/m 2017 132 woningen gerealiseerd. De planvoorraad is per 1 januari 2018 bijgesteld naar 575 waarbij rekening is gehouden met een overcapaciteit van 117 woningen. In de periode 2018 t/m 2021 zal deze overcapaciteit met 40% verminderd moeten worden. Dit houdt in dat er in die periode 47 woningen minder gebouwd mogen worden. De planvoorraad komt dan neer op 528 woningen.
Beoordeling plan
Op basis van het geldende bestemmingsplan wordt het gehele programma zoals beoogd in dit bestemmingsplan gehandhaafd. Er wordt geen programma toegevoegd. De 45 woningen die op basis van het geldende en dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt maken onderdeel uit van de harde plancapaciteit van 528 woningen. Daarmee wordt dus nadrukkelijk voldaan aan de regionale afspraken.
Algemeen
De gemeenteraad heeft op 18 december 2012 de Structuurvisie Echt-Susteren 2025 vastgesteld. De visie geeft op hoofdlijnen de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting aan voor de hele gemeente. De gemeenteraad moet zich aan deze visie houden en mag er slechts gemotiveerd van afwijken. Voor de inwoner geeft de visie inzicht in de ontwikkelingsmogelijkheden die er zijn in een bepaald gebied. De delen A en B van de structuurvisie geven de hoofdlijnen aan waarbinnen ruimte wordt gelaten aan voorziene, maar vooral ook aan nog niet te voorziene ontwikkelingen. Daarvan zijn de thema's wonen en recreatie & toerisme verder uitgewerkt.
Recreatie & toerisme
Het algemeen beleidsuitgangspunt is dat het (extensief) toeristisch en recreatief aanbod dient te worden versterkt. De toeristische kwaliteiten van de gemeente zitten met name in het uitgestrekte buitengebied waar zich landschappelijke en cultuurhistorische waarden bevinden. Recreatie wordt niet langer gezien als ondergeschikte functie in het buitengebied, maar als een functie die net zo belangrijk is als landbouw en natuur. Het streven is om de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwde omgeving en het landschap te verbeteren en het thema 'cultuurhistorie' een prominente plek te geven binnen het gemeentelijk handelen. Dit zal de recreatie ten goede komen.
Voor grootschalige verblijfsrecreatie geldt dat er een kwaliteitsslag gerealiseerd dient te worden, daarbij toewerkend naar een divers en kwalitatief hoogwaardig aanbod. Nieuwe grootschalige initiatieven in het buitengebied zijn in principe niet gewenst, tenzij het initiatief onderscheidend en vernieuwd is.
Wonen
Het algemeen beleidsuitgangspunt is dat er in principe geen toevoegingen of vergrotingen plaatsvinden in het buitengebied. In het stedelijk gebied ligt de nadruk op inbreiden, herstructureren en temporiseren met extra inzet op reductie van (onbenutte) particuliere bouwrechten. Het aantal woningen in Echt-Susteren bedraagt op dit moment ruim 14.000. Het merendeel hiervan ligt in het stedelijk gebied, de rest in het buitengebied. De gemeente neemt de regie om de kwaliteit van de woonomgeving, zowel in bestaande woongebieden alsook bij nieuwe projecten, te verbeteren c.q. garanderen. Op die manier blijft de gemeente aantrekkelijk als woongebied en als vestigingsgebied.
Kwantitatief gezien dient in de kleine kernen alleen te worden gebouwd voor de natuurlijke behoefte, en in de grote kernen (Echt en Susteren) is er meer behoefte. Kwalitatief gezien dient er meer voor de huursector te worden gebouwd, en minder voor de koopsector. Met name in het segment duurdere eengezinswoningen moet gereduceerd worden om ruimte te maken voor zorg- en levensloopbestendige nultredenwoningen.
Deel C
Het te realiseren beleid wordt in deel C vertaald naar ruimtelijke ontwikkelingen, plannen en projecten. Ook wordt in deel C de vertaling van het Limburgs Kwaliteitsmenu naar gemeentelijk niveau behandeld. Bij niet-gebiedseigen ontwikkelingen, zoals onderhavig planvoornemen, is altijd een financiële bijdrage vereist. Deze bijdrage is in paragraaf 3.4.2 uitvoerig uitgewerkt.
In deel C is tevens het (dynamische) uitvoeringsprogramma opgenomen. Dit uitvoeringsprogramma betreft de zogenaamde speerpuntprojecten stedelijk gebied en de kwaliteitsverbeterende projecten. Het uitvoeringsprogramma kan frequent (ca. tweejaarlijks) geactualiseerd en vastgesteld worden binnen de kaders van de structuurvisie.
Op 29 januari 2015 heeft de raad het geactualiseerde uitvoeringsprogramma vastgesteld. Het Kloostercomplex Koningsbosch is expliciet opgenomen in de bijlage "Speerpunten Stedelijk gebied".
Beoordeling plan
In tabel 4 en de bijbehorende kaarten zijn de "Speerpunten Stedelijk gebied" benoemd. Het Kloostercomplex Koningsbosch is onder nummer 24 en 25 expliciet genoemd als speerpunt. De nadruk voor herontwikkeling ligt daarbij bij het behoud van de (belangrijkste delen van het) kloostergebouw. Op de legenda bij het kaartje van Koningsbosch staat het volgende:
Figuur 3.3: Kaart 'Speerpunten Stedelijk gebied' bij gemeentelijke structuurvisie
Figuur 3.4: Legenda 'Speerpunten Stedelijk gebied' bij gemeentelijke structuurvisie
Het onderhavig plan voorziet in behoud van het klooster en in woningbouw op de bijbehorende gronden, ingericht volgens een Landschapsplan (Bijlage 1), en past hiermee binnen de kaders van de gemeentelijke structuurvisie.
Ten aanzien van het Limburgs Kwaliteitsmenu en de daaropvolgende gemeentelijke kwaliteitsbijdrage geldt voor uitleglocaties of projectmatige woningbouw buiten de rode contour, zoals onderhavig planvoornemen, dat een maximale landschappelijke inpassing is gewenst. Als kwaliteitsverbeteringen maatregel in de vorm van kwaliteitsbijdragen bij de realisering van woningen geldt conform tabel 3 op pagina 126 van de Structuurvisie Echt-Susteren dat de kwaliteitsbijdrage € 100,-/m² uitgeefbaar kaveloppervlak bedraagt. Voor de bijdrage ten aanzien van de buurtvoorziening is aangesloten bij het bedrag als genoemd in module 16 van het buitengebied, waar voor detailhandelsfuncties € 100,-/m² wordt gevraagd. In dit geval wordt, naast een goede landschappelijke inpassing op de locatie zelf, een bijdrage voor kwaliteitsverbetering gegeven via drie deelprojecten.
Landschappelijke inpassing
Ten behoeve van dit plan zal de landschappelijke inpassing plaatsvinden door uitwerking van het landschapsplan in een beplantingsplan. In dit geval is derhalve een Landschapsplan 'Hortus Conclusus Koningsbosch' opgesteld door BTL Advies, welke als Bijlage 1 bij deze toelichting alsmede als bijlage bij de regels is gevoegd. In het plan wordt groen als drager voor woonkwaliteit en verblijfskwaliteit voorgesteld. Dit is bereikt door de bestaande groenelementen in ere te herstellen en nieuwe groenelementen toe te voegen, passend bij het historisch karakter van het klooster. Het plangebied is daarbij opgedeeld in vier deelgebieden, waardoor een aantrekkelijke mix ontstaat tussen een hedendaagse groene woonomgeving, een parkachtige buitenruimte met allure en behoud van historische identiteit behorende bij het klooster. Door de aanplant van bomen wordt aangesloten bij de structuurvisie, omdat hierbij een groene dorpsrand wordt ontwikkeld met een zachte overgang naar het landelijk gebied.
Om de historische identiteit te behouden en te versterken wordt de kloostermuur behouden. En door de aanleg van veel groen binnen deze muren (naast woningbouw) ontstaat er een zogenaamde 'hortus conclusus', ofwel een omsloten tuin. Tevens wordt de kloosterbegraafplaats volgens het oorspronkelijke ontwerp hersteld en wordt het bestaande park in eenvoudige landschapsstijl gerevitaliseerd en heringericht als moderne variant van een wandelpark. Dit geldt ook voor de halfstam-fruitboomgaard, die evenals het park wordt gerevitaliseerd en hersteld.
Drie deelprojecten
De drie hierboven genoemde deelprojecten die naast de landschappelijke inpassing plaatsvinden als kwaliteitsbijdrage zijn:
Hierna volgen referentiebeelden voor de toekomstige situatie volgens het Landschapsplan.
Figuur 3.5: Referentiebeeld binnentuin kloostertuin (bron: landschapsplan BTL Advies)
Figuur 3.6: Referentiebeeld park (bron: toelichting BP Klooster Koningsbosch)
Figuur 3.7: Referentiebeeld boomgaard (bron: toelichting BP Klooster Koningsbosch)
Algemeen
In 2007 is het Verdrag van Malta vastgelegd in de Wet op de archeologische monumentenzorg (geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988). Door archeologie tijdig in de planvorming te betrekken, kunnen de archeologische waarden hierin eventueel worden ingepast. Het uitgangspunt ten aanzien van de aanwezige archeologische waarden in de planvorming is, volgens Rijks- en provinciaal beleid, behoud in situ (ter plekke of binnen de context van de vindplaats).
De raad van de gemeente Echt-Susteren heeft op 24 februari 2011 een archeologische verwachtingskaart vastgesteld voor het gehele gemeentelijk grondgebied. Op deze kaart is te zien aan welke gebieden archeologische waarden en archeologische verwachtingswaarden (hoog, middelhoog en laag) zijn toegekend. Ook is hierop het provinciaal aandachtsgebied aangegeven.
Figuur 4.1: Uitsnede archeologische verwachtingskaart gemeente Echt-Susteren
Beoordeling plan
In dit kader is door Geonius in 2016 een archeologisch onderzoek uitgevoerd, welke als Bijlage 3 bij deze toelichting is toegevoegd. Het onderzoek bestond uit een Inventariserend Veldonderzoek verkennende vorm door middel van boringen (IVO-O). Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor het niet-verstoorde en opgehoogde deel van het onderzoeksgebied een archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen in de vorm van een karterend onderzoek. Het hiervoor genoemde onderzoeksgebied bevindt zich grofweg ten noorden van het park, in de kloostertuin.
Op basis van het verkennende archeologisch onderzoek is een Programma van Eisen (Hierna: PvE) opgesteld. Het PvE is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. Vervolgens is een Plan van Aanpak (hierna: PvA) gemaakt. Het PvA is opgenomen als Bijlage 5 bij deze toelichting. Het PvA is een praktische vertaling van het PvE en wordt in het veld gebruikt als handleiding voor het onderzoek. In januari 2017 is het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dat onderzoek zijn opgenomen in Bijlage 6 van deze toelichting. Het proefsleuvenonderzoek heeft uitgewezen dat zich in het plangebied een vindplaats bevindt uit de (vermoedelijk) Vroege-Midden IJzertijd. Op grond van de waarderingstabel heeft de vindplaats echter een lage score gekregen waardoor ze als niet behoudenswaardig wordt gezien. Mede vanwege het ontbreken van archeologische sporen. Er wordt alleen informatie verkregen door het verzamelen van diverse aardewerkresten.
Conform de aanbevelingen uit het proefsleuvenonderzoek wordt het plangebied vrijgegeven voor verdere ontwikkeling.
Te allen tijden geldt dat mochten archeologische resten worden aangetroffen hiervan direct melding dient te worden gemaakt conform artikel 53 van de monumentenwet.
Niet het gehele plangebied van dit bestemmingsplan is archeologisch (nader) onderzocht. Derhalve wordt in dit kader de bestaande dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' behouden, om de archeologische waarden van het plangebied te beschermen. Deze dubbelbestemming is feitelijk van toepassing op de huidige en beoogde groenbestemming. Hier zijn geen bodemingrepen voorzien. Indien hier bodemingrepen gaan aanvangen met een omvang groter dan 500 m² en dieper dan 0,4 m, dient hier alsnog vervolgonderzoek plaats te vinden. Dat betekent in dit geval dat alvorens de omgevingsvergunning verleend wordt er een vervolgonderzoek dient plaats te vinden.
Algemeen
Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Het Klooster, de tuin met muur en de Lourdesgrot zijn allemaal aangewezen als Rijksmonument. Op de website www.monumenten.nl staat hierover het volgende.
Klooster van de Liefdeszusters van het Kostbaar Bloed (monumentnummer 525539)
Het klooster is van algemeen, cultuurhistorisch en architectuurhistorisch belang als hoofdonderdeel van het kloostercomplex van de Zusters van het Kostbaar Bloed. Het klooster heeft typologische waarde als herkenbaar voorbeeld van een groot klooster van een onderwijscongregatie met pensionaat uit omstreeks 1900. Het klooster bezit architectuurhistorische waarde vanwege esthetische kwaliteiten die onder meer tot uitdrukking komen in het materiaalgebruik van de kapel en het entreegebouw en in het bijzonder gaaf bewaarde interieur. Het klooster is voorts van waarde vanwege de binnen het gebouw te onderscheiden bouwstijlen, die kenmerkend zijn voor kloostergebouwen tussen 1874 en 1912 en als belangrijk werk binnen het oeuvre van de architect Johannes Kayser. Het klooster heeft situeringswaarde vanwege de ligging aan de entree van het dorp Koningsbosch, waar het door grootte en uitstraling een belangrijke beeldbepalende rol speelt.
Tuin met muur (monumentnummer 525540)
De tuin met muur van het zusterklooster van Koningsbosch vertegenwoordigt algemeen belang en is van cultuurhistorische waarde als functioneel onderdeel van het kloostercomplex en tevens als een bijzondere uitdrukking van een agrarische en tuinhistorische ontwikkeling. Een omvangrijke moestuin is een herkenbaar element bij grote kloostercomplexen. De tuin heeft ensemblewaarden als structurerend en beeldbepalend landschappelijk element op de rand van de bebouwde kom van Koningsbosch. De tuin bezit tuinhistorische waarde als goed herkenbaar voorbeeld van een kloostertuin uit het einde van de negentiende eeuw, waarin zich diverse voor de functie kenmerkende onderdelen bevinden zoals een moestuin en een wandeltuin.
Lourdesgrot (monumentnummer 525541)
De Lourdesgrot in de tuin van het zusterklooster in Koningsbosch vertegenwoordigt algemeen belang en heeft cultuurhistorische waarde en ensemblewaarde als functioneel onderdeel van het kloostercomplex. De Lourdesgrot speelt binnen dit complex en meer specifiek binnen de kloostertuin een belangrijke rol vanwege de samenhang met de in de late negentiende en vroege twintigste eeuw bloeiende devotie rond Maria en het verschijnen van nabootsingen van de grot te Lourdes overal in Europa met name in kloostertuinen en devotieparken. De grot bezit architectuurhistorische en kunsthistorische waarde als een goed en herkenbaar typologisch voorbeeld van een type Lourdesgrot, met voor de tijd en bouwtype typisch materiaalgebruik.
Beoordeling plan
In verband met herbestemming is door Buro4 een cultuurhistorische analyse met waardestelling van het complex gemaakt. Hiertoe heeft veldwerk en archiefonderzoek plaatsgevonden, resulterend in een onderzoeksverslag, welke is bijgevoegd als Bijlage 7 bij dit bestemmingsplan.
Zoals uit de bouwhistorische analyse en waardering blijkt, zijn de hoogste monumentale waarden van de gebouwen van klooster Koningsbosch in het vrij gave exterieur en de authentieke interieurelementen terug te vinden (met name de trappenhuizen, paneeldeuren en toiletruimten). Het verdient dan ook aanbeveling om zowel het silhouet van het klooster, als de authentieke elementen zoveel mogelijk te handhaven. Indien er ramen of buitendeuren vervangen moeten worden, dan is het aan te bevelen de oude ramen c.q. deuren qua profiel, indeling en materiaalkeuze te kopiëren. Voor de herwaardering van de kloostertuin is met name aan te bevelen groenstructuren, zoals het park, zichtlijnen en de Lourdesgrot te herstellen.
In artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het waterbeleid op verschillende overheidsniveaus en vervolgens wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan.
Nationaal waterbeleid
In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen.
Het waterbeleid 21e eeuw richt zich derhalve primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke ordening van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijk technische maatregelen die kunnen worden ingezet. De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te krijgen die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer.
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot de directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het Wabo bevoegde gezag (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer (Wm) en vallen inmiddels onder de omgevingsvergunning (Wabo).
Provincie Limburg
Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021. Het Provinciaal Waterplan vormt de strategische basis voor het Limburgse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende (water)partijen in Limburg.
Waterschap Limburg
Het Waterschap Limburg is verantwoordelijk voor het waterbeleid in en om de gemeente Echt-Susteren. Het Waterschap zorgt ervoor dat er voldoende water is en dat dit water een goede kwaliteit heeft. Om deze taak goed uit te voeren zijn wettelijke regels nodig, ook op en langs het water. Deze regels, met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater, staan in de 'Keur Waterschap Limburg 2019'. Hierin wordt tevens het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding.
Het Waterbeheerplan 2016-2021 is op 14 oktober 2015 vastgesteld door de Algemeen besturen van Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei. Dit plan was, vooruitlopend op de fusie in 2017 tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen.
Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe invulling gegeven wordt aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. Gestimuleerd wordt via de Watertoets het afkoppelen van regenwater onderdeel van te maken van duurzaam waterbeheer in ruimtelijke plannen. Uitgegaan wordt van de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren en schoonhouden-scheiden-schoonmaken. Door klimaatverandering worden meer heftige buien en hitte verwacht. Daarnaast is er minder acceptatie van wateroverlast door grondgebruikers, inwoners en bedrijven. Meer ruimte voor water kan bijdragen aan:
Gemeentelijk beleid
Sinds 2008 zijn gemeenten binnen de bebouwde gebieden verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. De gemeente Echt-Susteren neemt hierbij deel aan het convenant 'samenwerken in de afvalwaterketen Noord-Limburg'. Een uitvloeisel van dit convenant is dat de gemeente aansluit bij het samenwerkingsverband Limburgse Peelen en een, overbruggende, gezamenlijk notitie GRP (Gemeentelijk Rioleringsplan) heeft opgesteld met de gemeente Roerdalen en Roermond.
Het 'Gemeentelijke rioleringsplan Echt-Susteren 2017-2021' (hierna: GRP) verantwoordt aan de inwoners van de gemeente Echt-Susteren de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. Met het GRP geeft de gemeente invulling aan de gemeentelijke zorgplicht en op het gebied van (grond)water. Het document bevat zowel de geplande activiteiten voor het beheer en onderhoud van het rioolstelsel als maatregelen ter verbetering van de oppervlaktewaterkwaliteit en het hydraulisch functioneren van het rioolstelsel. Deze maatregelen bestaan vooral uit het afkoppelen van verhard oppervlak. Daarbij wordt regenwater gescheiden van afvalwater ingezameld en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Waar mogelijk dient regenwater eerst te worden geborgen en geïnfiltreerd binnen het plangebied. Indien infiltratie niet of onvoldoende mogelijk is, kan alsnog vertraagd worden afgevoerd.
Door de beoogde realisatie van het bouwplan zullen er wijzigingen plaatsvinden aan de verharde oppervlakten, waardoor de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse zal veranderen. De locatie heeft een oppervlakte van circa 54.235 m² (circa 54.000 m²). De bebouwing ter plaatse bestaat uit het klooster, met daar rond omheen verharding met klinkers. Het overige deel bestaat grotendeels uit grasland of park. De gemiddelde maaiveldhoogte ter plaatse van het plangebied bedraagt circa 62 m+NAP.
De veldwerkzaamheden behorende bij het door Tritium Advies uitgevoerde verkennend bodemonderzoek bevestigen de verwachting dat er geen grondwater aanwezig is in de bodem tot 5,00 m-mv. De bodem bestaat tot circa 2,00 m-mv voornamelijk uit matig fijn zand. Het eerste watervoerende pakket bestaat uit zand dat zwak tot matig van grind is voorzien. Dit betekent dat de grond een goede doorlatendheid (infiltratie) heeft.
Voor zover bekend vinden in de directe omgeving van de locatie geen grootschalige grondwateronttrekkingen plaats die een directe invloed hebben op de grondwaterstand op de locatie. Het onderzoeksgebied ligt niet in een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Daarnaast zijn geen oppervlaktewateren gesitueerd in de directe omgeving van het plangebied. Het plangebied ligt niet in een natuurgebied, en het dichtstbijzijnde natuurgebied is op een afstand van 2,5 km gelegen. Gezien de afstand vormt dit natuurgebied geen belemmering voor het planvoornemen.
Van het bouwplan zijn de volgende gegevens bekend, zoals weergegeven in de volgende tabel:
Tabel 1: verhard oppervlak in de oude en nieuwe situatie
| Gebruik oppervlak | Huidige situatie (in m²) | Beoogde situatie (in m²) |
| Dakoppervlak klooster | 2.543 | 2.543 |
| Dakoppervlak woningen | 142 | 3.569 |
| Dakoppervlak buurtvoorzieningen | 0 | 1.023 |
| Terreinverharding rondom klooster | 2.465 | 2.465 |
| Verharding uitbreiding parkeerplaats achter klooster* | 0 | 1.200 |
| Verharding 2 nieuwe parkeerplaatsen (woningen+buurtvoorziening)* | 0 | 700 |
| Verharding infrastructuur* | 0 | 2.633 |
| Verharding tuin** | 0 | 1.750 |
| Totaal verhard oppervlak | 5.150 | 15.833 |
| Totaal onverhard | 48.850 | 38.167 |
| Totaal oppervlak | 54.000 | 54.000 |
* = hiervoor is 50% verhard aangehouden (halfverharding/waterdoorlatende verharding)
** = 10% van de tuinen van de grondgebonden woningen zijn als verhard beschouwd
Zoals in het beleidskader duidelijk naar voren komt is de waterkwantiteitstrits (vasthouden-bergen-afvoeren) van toepassing voor onderhavig planvoornemen. Voor de dimensionering van de eventuele infiltratie- of bergingsvoorzieningen zijn de volgende aspecten van belang:
De k-waarde bij zandige leem (matig fijn zand) is 1,5 - 5,5 m/dag (Bron: SBRCUR). Met dien verstande dat het 1e watervoerende pakket, bestaande uit zand (zwak tot matig grindig) ook een k-waarde heeft van 5 < k < 1, wordt geconcludeerd dat de bodem een goede doorlatendheid heeft en dus geschikt is voor infiltratie. Er wordt meer dan 10.000 m² verhard oppervlak toegevoegd aan het perceel (zie tabel 1). De voorzieningen worden gedimensioneerd om een extreme bui (T = 100; 45 mm neerslag in 30 minuten) te kunnen verwerken.
Het is de bedoeling dat het plan een groene uitstraling krijgt. Derhalve zullen de nieuwe aan te leggen toegangswegen tot de woningen, de twee nieuwe parkeervoorzieningen en de uitbreiding van het parkeerterrein achter het klooster half verhard c.q. waterdoorlatend worden uitgevoerd. De aanleg van de nieuwe infrastructuur (wegen en parkeervoorzieningen) kan derhalve als hydrologisch neutraal worden gezien. Het rondom aanwezige groen kan licht verlaagd worden aangelegd zodat het hemelwater zoveel mogelijk van de infrastructuur afstroomt en zich ter plaatse van dit groen kan verzamelen (bergen) en vervolgens kan infiltreren in de bodem. Omdat de half verharde toegangswegen gebruikt worden door auto's zullen deze wegen sterk verdicht worden ter plaatse van een bandenspoor. Door deze wegen enigszins 'bol' uit te voeren krijgt hemelwater bij hevige buien de kans af te stromen naar de naastgelegen bermen. De parkeerplaatsen worden niet bol aangelegd.
Voor het klooster (gebouw, binnenplaats en naastgelegen parkeerterrein) geldt dat hier hydrologisch gezien niets gaat veranderen. Het hemelwater dat op de daken van het klooster valt, blijft gewoon aangesloten op het riool.
Om het overige deel van het planvoornemen hydrologisch neutraal uit te voeren dienen er maatregelen genomen te worden ten aanzien van de nieuwe te realiseren woningen. Er zijn verschillende mogelijkheden. Er wordt hierbij uitgegaan van een totale toename van het verhard oppervlak met 6.200 m² (3.569 + 1.023 + 1.750 - 142). De toename van het verhard oppervlak ten aanzien van de woningen bedraagt 5.177 m² (3.569 + 1.750 - 142). De toename van het verhard oppervlak ten aanzien van de buurtvoorziening is 1.023 m².
De daken van de voorziene tuinwoningen worden plat gerealiseerd, en derhalve wordt gebruik gemaakt van een extensief groen dak (eventueel voorzien van regenton). Groendaken zijn er in vele soorten en maten. Van zeer lichtgewicht en dun met laagblijvende beplanting tot zwaar en dik met beplantingen van bomen. Dit pakket dat op het dak aangebracht wordt, werkt als een spons voor regenwater. Hoe dikker het pakket, hoe meer water vastgehouden wordt. Dit betekent dus dat er minder water afgevoerd moet worden en er dus minder druk op de riolering komt te staan. Een extensief groen dak heeft een waterhoudend vermogen (als percentage van de gemiddelde jaarlijkse neerslag) variërend van 40% tot 60%. Hoe hoger het waterhoudend vermogen, des te minder water er afgevoerd dient te worden. Een extensief groen dak, voorzien van een substraatlaag (voedingsbodem) met 40-60 mm mos-sedum zorgt voor een waterhoudend vermogen van 45%, wat gelijk staat aan een reductiefactor van de jaarlijkse gemiddelde neerslag van 0,55. Het overig af te voeren water kan worden opgevangen door regentonnen en/of infiltratiekoffers.
Per woning kan een infiltratiekoffer worden aangelegd met een gemiddelde capaciteit van circa 5 m³. Bij de buurtvoorziening bedraagt deze voorziening circa 46 m³. Het hemelwater wat op de verharde oppervlakken (dak en tuinterras) valt zal via een regenwaterriolering, of over het maaiveld, worden afgevoerd naar deze voorziening waar het wordt geborgen en vervolgens kan infiltreren in de bodem. Het hemelwater afkomstig van de daken van de 45 nieuwe woningen kan ook middels het plaatsen van een regenton onder de regenpijp worden geborgen. Door bijvoorbeeld een regenton dusdanig te construeren dat deze langzaam leegloopt op de erfverharding richting de tuin of grindkoffer kan ter plaatse infiltratie van het hemelwater afkomstig van de daken plaatsvinden. Bijkomend voordeel van een regenton is dat het water kan worden hergebruikt, bijvoorbeeld voor het begieten of besproeien van de tuin in droge periodes.
In de regels van dit bestemmingsplan is als voorwaardelijke verplichting opgenomen dat het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de gronden alleen is toegestaan indien een waterhuishoudkundige voorziening met voldoende bergingscapaciteit is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
De toegenomen verharding van de nieuw aan te leggen infrastructuur (wegen en paden) kan afgekoppeld worden in de niet-verharde bermen ter plaatsen. Aangezien de bodem geschikt is voor infiltratie verdient het de aanbeveling het hemelwater wat terechtkomt op wegverharding niet af te koppelen op het rioolsysteem.
In het afwateringssysteem van de daken moeten voorzieningen worden aangebracht om vaste bestanddelen als bladeren, zand, ander sediment en dergelijke achter te houden zodat het systeem niet verstopt raakt of dicht gaat slibben in de tijd. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven, om ze regelmatig te kunnen onderhouden en reinigen.
Het is niet toegestaan chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de af te koppelen verharde oppervlakken. Het is in beperkte mate toegestaan tijdens gladheid door bevriezing of sneeuwval zout als gladheidbestrijdingsmiddel op de bestrating en parkeerplaatsen e.d. toe te passen. Een alternatief kan bijvoorbeeld zand zijn. Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat het systeem blijft functioneren. Ook dienen standleidingen op de juiste manier te worden toegepast zodat voldoende beluchting en ontluchting van de binnenriolering is gewaarborgd en mogelijke stankoverlast wordt voorkomen.
Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving, met name de Wet natuurbescherming. In het kader van deze wetgeving mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden. Daarnaast voorziet de wetgeving in de bescherming van plant- en diersoorten en de leefgebieden van deze diersoorten. Ten behoeve van de ontwikkeling van het perceel is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd door Habitus. Dit onderzoek is als Bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Hieronder volgen de belangrijkste conclusies en aanbevelingen van laatstgenoemd onderzoek.
In de quickscan wordt antwoord gezocht op de vraag "Is de voorgenomen ontwikkeling in strijd met de soort- of gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal beleid? En welke vervolgstappen dienen genomen te worden voor met de uitvoering gestart kan worden?"
De voorgenomen ontwikkeling is naar verwachting mogelijk in strijd met het onderdeel soortbescherming uit de Wet natuurbescherming. Er kunnen namelijk nesten van huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil, en 'vogels zonder jaarrond beschermd nest' op de planlocatie aanwezig zijn of zich vestigen. Er is een jaarrond beschermd nest van de torenvalk aangetroffen. Ook kunnen steenmarter, vleermuizen en rugstreeppad aanwezig zijn of zich vestigen. De voorgenomen ontwikkeling is daarnaast mogelijk ook in strijd met het onderdeel gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming vanwege de ingekorven vleermuis. Verder zijn de plannen niet in strijd met provinciale gebiedsbescherming.
In figuur 4.2 is bovenstaande conclusie samengevat.
Figuur 4.2: samenvatting conclusie quickscan flora en fauna (bron: Habitus)
Aangezien voor diverse soorten het treffen van maatregelen en/of aanvullend onderzoek noodzakelijk is, wordt in dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Voordat werkzaamheden ter plaatse worden uitgevoerd, moet worden aangetoond dat eventuele noodzakelijk maatregelen zijn getroffen en ontheffingen zijn verleend. Daarmee is de haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond.
Om uit te kunnen sluiten dat het planvoornemen in de gebruiksfase invloed heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden in de omgeving, is een stikstof berekening uitgevoerd. Voor de berekening van stikstof is de AERIUS Calculator (2019A) gebruikt. De resultaten van de berekening zijn samengevat in een Memo die is opgenomen als Bijlage 9 bij deze toelichting.
Uit de berekening blijkt dat er in de gebruiksfase geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied in de gebruiksfase zijn dan ook uitgesloten. De ontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.
Op basis van de vaste jurisprudentielijn is het niet noodzakelijk om, in het kader van dit bestemmingsplan, stikstofberekeningen uit te voeren voor de aanlegfase. Dit betreft namelijk een uitvoeringsaspect. Dergelijke aspecten worden getoetst op het moment dat er een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt aangevraagd. Bovendien zijn in deze fase nog geen gegevens bekend over het in te zetten bouwmateriaal. Een berekening voor de aanlegfase uitvoeren zou daarom niet realistisch zijn.
In het licht van de voorziene ontwikkelingen in de vorm van een kloosterhotel, 45 tuinwoningen en buurtvoorzieningen dient rekening gehouden te worden met de aspecten verkeer en parkeren. Het hotel in het kloostercomplex heeft circa 3.400 m² bruto vloeroppervlak (bvo) met maximaal 100 hotelkamers, een publiekelijk toegankelijk restaurant (400 m² bvo) en entertainment voorzieningen zoals wellness en een speelautomatenhal. Derhalve wordt uitgegaan van een viersterrenhotel. Diverse buurtvoorzieningen zijn voorzien in een gebouw met maximaal 1.000 m² bvo, zoals een supermarkt met maximaal 800 m² bvo. De te realiseren woningen zijn onderverdeeld naar 8 huur- en 37 koopwoningen.
RA infra heeft voor het aspect verkeer en parkeren een verkeersonderzoek (22 februari 2016) uitgevoerd voor de toekomstige situatie. Dit onderzoek is als Bijlage 10 aan de toelichting gevoegd. In de volgende paragrafen worden de belangrijkste conclusies toegelicht ten aanzien van parkeren en verkeer.
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is in overleg met de gemeente Echt-Susteren gebruik gemaakt van kencijfers van het CROW (publicatie 317, oktober 2012). In 2018 heeft het CROW deze kencijfers geactualiseerd (publicatie 381). Echter zijn de kencijfers van de categorieën die betrekking hebben op het kloostercomplex (hotel 4*, restaurant, buurtsupermarkt, buurt- en dorpscentrum, koop/vrijstaand en huurhuis/sociale huur) in de meest actuele publicatie 381 niet gewijzigd.
Bij de berekeningen is de bandbreedte tussen de minimale en maximale kencijfers bij de verschillende functies in beeld gebracht. Ten eerste wordt ingegaan op de tuinwoningen en de daarbijbehorende parkeerbehoefte. Daarna komt de buurtvoorziening aan bod, en als laatste wordt ingegaan op het hotel met inpandig publiekelijk toegankelijk restaurant. Bij de buurtvoorziening en het hotel wordt naast de parkeerbehoefte voor auto's ook ingegaan op de parkeerbehoefte voor fietsers.
Bij twee parkeerplaatsen per kavel (tuinwoningen) kan worden voorzien in de minimale parkeerbehoefte voor auto's van bewoners en bezoekers. In totaliteit worden bij de woningen 90 parkeerplaatsen voor auto's voorzien als oprit (45 woningen * 2). Daarnaast zijn 14 parkeervakken voorzien evenwijdig aan de straten voor het parkeren van bezoekers (45 woningen * 0,3).
Bij de buurtvoorzieningen zijn 35 parkeerplaatsen voor auto's voorzien waarbij minimaal 31 parkeerplaatsen zijn benodigd. Er is een overschot van 4 parkeerplaatsen aanwezig, zoals uit navolgende afbeelding blijkt. Bij de buurtvoorzieningen worden 15 tot 23 stallingsplaatsen voor fietsen aanbevolen, na berekening volgens de CROW systematiek.
Figuur 4.2: Uitsnede stedenbouwkundig ontwerp buurtvoorziening (bron: Van Helmond | Zuidam architecten)
Voor het hotelklooster afzonderlijk (hotel en restaurant) zijn minimaal 97 parkeerplaatsen benodigd voor auto's, rekening houdend met een deelgebruik van parkeerplaatsen. In onderhavig planvoornemen worden 100 parkeerplaatsen bij het hotel gerealiseerd, waarbij 72 van de 100 parkeerplaatsen achter het hotel worden gesitueerd. Bij de berekening is ervan uitgegaan dat het publiekelijk toegankelijk restaurant naast de hotelgasten ook 50% door externe bezoekers wordt bezocht. Op navolgende afbeelding zijn de parkeerplaatsen behorende bij het hotel/restaurant weergegeven.
De berekening van het aantal benodigde fietsparkeerplaatsen is gebaseerd op een 'luxe restaurant'. Aanbevolen wordt om bij het hotelklooster te voorzien in 8 tot 13 stallingsplaatsen voor fietsers. Deze worden gesitueerd op een nader te bepalen plek nabij het hotel/restaurant.
Figuur 4.3: Uitsnede stedenbouwkundig ontwerp hotel/restaurant (bron: Van Helmond | Zuidam architecten)
Verkeersgeneratie en –afwikkeling
De transformatie van het kloostercomplex en kloostertuin leidt in totaliteit tot een verkeerstoename van circa 1.600 autoverplaatsingen. Ongeveer 83% van deze verkeerstoename is het gevolg van de realisatie van de tuinwoningen en de buurtvoorzieningen. Dit verkeer kan als lokaal verkeer worden beschouwd.
Gezien de maximale toekomstige verkeersomvang zal de verkeerstoename niet tot afwikkelingsknelpunten leiden op de Kerkstraat (N572) en de Prinsenbaan (N274). In het verkeersonderzoek van RA infra is de berekende verkeerstoename van circa 1.600 autoverplaatsingen opgeteld bij de huidige verkeersintensiteit op beide wegen (gegevens 2014). Vervolgens is de toekomstige verkeersintensiteit vergeleken met de maximum intensiteit van 5.000 tot 10.000 mvt/etmaal. Diverse wegbeheerders hanteren ook grenzen van maximaal 15.000 mvt/etmaal.
Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het plan niet tot afwikkelingsknelpunten leidt op de Kerkstraat (N572) en de Prinsenbaar (N274). In tabel 2 worden de verkeerstoename t.b.v. het plan, de maximum intensiteiten en de verkeersaantallen uit het onderzoek van RA Infra rij gezet. De verkeersaantallen betreffen weekdaggemiddelden.
Tabel 2 Verkeersaantallen Verkeersonderzoek kloostercomplex Koningsbosch (RA infra, 2016)
| Wegvak | Verkeersomvang onderzoek RA Infra (2014)* | Verkeerstoename plangebied (maximaal) | Toekomstige verkeersomvang | Maximum intensiteiten | Acceptabel? |
| Kerkstraat (N572) | ±3.700 mvt/etmaal; | + 1.600 mvt/etmaal | 5.300 mvt/etmaal | 5.000 – 10.000 mvt/etmaal | Ja |
| Prinsenbaan (N274) | ±3.900 - 5.500 mvt/etmaal | + 1.600 mvt/etmaal | 5.500 – 7.100 mvt/etmaal | 5.000 – 10.000 mvt/etmaal | Ja |
Kijkend naar de meest actuele verkeersintensiteiten (2019) op beide wegen, kan worden geconcludeerd dat de conclusies uit het verkeersonderzoek van RA infra stand houden. De Verkeersmonitor Limburg van de Provincie Limburg geeft voor de Kerkstraat (N572) in 2019 een weekdaggemiddelde verkeersintensiteit van 2.923 mvt/etmaal. Dit is lager dan de verkeersomvang waarmee in tabel 2 rekening is gehouden en dus blijft de toekomstige verkeersintensiteit na toevoeging van de verkeerstoename van 1.600 mvt/etmaal onder de maximum verkeersintensiteit.
De Verkeersmonitor Limburg geeft voor de Prinsenbaan (N274) in 2019 een weekdaggemiddelde verkeersintensiteit van 4.018 tot 5.958 mvt/etmaal. Ook op deze weg ligt de intensiteiten wat hoger dan waarmee in tabel 2 rekening is gehouden. Wel blijft de verkeersintensiteit na toevoeging van de verkeerstoename van 1.600 mvt/etmaal onder het maximum. Daarnaast is er op beide wegen voldoende ruimte aanwezig om een eventuele autonome groei van het verkeer op de vangen in de toekomstige situatie (>2030).
Verkeersveiligheid
Bij de ontsluiting op de Kerkstraat is het huidige parkeren op de suggestiestrook een aandachtspunt doordat het zicht bij het uitrijden kan worden ontnomen (afstemming gemeente Echt-Susteren en provincie Limburg).
Op de Prinsenbaan zijn twee aparte in- en uitritten voorzien voor de buurtvoorzieningen en de tuinwoningen. Voor een veilige afwikkeling van het bevoorradingsverkeer is een laad- en loshaven naast de rijbaan voorzien zoals op voorgaande afbeelding is te zien.
Bij de verdere uitwerking zijn er enkele aandachtspunten waar rekening mee moet worden gehouden: het zicht vanaf het parkeerterrein van de buurtvoorzieningen en vanuit de uitrit van de tuinwoningen, bereikbaarheid hulpdiensten en het aanbrengen van bewegwijzering om bezoekers rechtstreeks te geleiden naar de juiste parkeerplaats.
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en/of leidingen aanwezig die tot belemmeringen in het plangebied leiden.
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 'een oppervlakte van 100 hectare of meer' of 'een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat' (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 45 woningen, een hotel van circa 3.400 m2, een restaurant van circa 400 m2 van het kloostercomplex en diverse (dorps) voorzieningen zoals een kleine buursupermarkt, postagentschap, drogisterij en brocanterie van totaal 1.000 m2. Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in waarin dit document in voorziet.
Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen op basis van de aanmeldnotitie vormvrije-m.e.r.-beoordeling, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt ook als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient bij een bestemmingsplan dat nieuwe bouwmogelijkheden of een herinrichting van bestaande percelen mogelijk maakt, een (historische) bodemonderzoek plaats te vinden. Met dit vooronderzoek dient de bodem- en grondwaterkwaliteit in voldoende mate te worden vastgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor de voorgenomen functie.
In het kader van deze beoordeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Tritium Advies B.V. Daarna heeft Geonius Milieu B.V. een verkennend asbestonderzoek en een nader bodemonderzoek uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn respectievelijk als Bijlage 12 en Bijlage 13 toegevoegd aan deze toelichting. Aangezien de betreffende bodemonderzoeken vanwege hun uitvoeringsdatum niet direct bruikbaar waren voor dit bestemmingsplan, is een historisch vooronderzoek uitgevoerd. De rapportage van dat onderzoek is opgenomen in Bijlage 14 van deze toelichting.
Het programma is ongewijzigd ten opzichte van de juridisch-planologische situatie in het bestemmingsplan “Klooster Koningsbosch”.
Samenvatting vooronderzoek:
Op basis van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat voldoende inzicht is verkregen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie, anders dan die zijn aangetoond in eerder onderzoek.
Er zijn geen aanwijzingen voor bodemverontreinigingen die na de reeds uitgevoerde bodemonderzoeken zijn ontstaan.
Wel wordt geadviseerd om op basis van eerder uitgevoerd onderzoek en het voormalige gebruik van de locatie aanvullend bodemonderzoek te verrichten op de volgende deellocaties:
• De bovengrond van de voormalige moestuin en fruitgaard is verdacht op OCB.
• Puinbijmengingen op het onbebouwde deel van de locatie (noordelijke deel).
De resultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van de totstandkoming van het bestemmingsplan.
In onderhavige situatie is in voldoende mate aangetoond dat de bodem geschikt is voor de (bodem-) functie. Er zijn geen aanwijzingen dat op de locatie een bodemverontreiniging aanwezig is. De bodemtoets is in voldoende mate uitgevoerd.
Indien bij de realisatie van het project afvoer van grond plaatsvindt, dient men rekening te houden met het gestelde in het Besluit bodemkwaliteit en het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Dit kan leiden tot aanvullend onderzoek.
De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte in een aantal gevallen mag worden afgeweken.
De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming.
Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bron- en/of overdrachtsmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.
De nieuwbouw van 45 woningen - waarin dit bestemmingsplan voorziet - zijn als geluidgevoelig objecten aangemerkt. Voor deze ontwikkeling is door Tritium Advies in 2016 een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting op de gevels van de nieuwbouw als gevolg van het wegverkeerslawaai.
De onderzochte situatie is nog steeds actueel. Aangezien er planologisch geen wijzigingen worden doorgevoerd ten opzichte van de onderzochte situatie in 2016, zijn de onderzoeken nog bruikbaar voor dit bestemmingsplan. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 15 van deze toelichting.
De resultaten van het akoestisch onderzoek uit 2016 zijn nog actueel aangezien er in dit bestemmingsplan geen planologische wijzigingen zijn doorgevoerd en er in de omgeving niets is gewijzigd. Op basis van dat onderzoek is destijds ook een besluit hogere waarden vastgesteld. Dat besluit is ook nog actueel voor dit bestemmingsplan.
Uit het onderzoek betreffende wegverkeerslawaai blijkt, dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB vanwege de Prinsenbaan op de gevels van drie nieuwe woningen wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt nergens overschreden. In onderhavig situatie zijn er overwegende bezwaren de geluidbelasting door overdrachts- en bronmaatregelen terug te brengen. Derhalve is destijds een beschikking hogere waarde, conform artikel 110a, lid 5 van de Wgh, aangevraagd bij de gemeente, deze is inmiddels verleend. Het besluit is opgenomen als Bijlage 16 bij deze toelichting.
Aangezien de cumulatieve geluidbelasting hoger is dan 53 dB dient er voor drie woningen een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Hiervoor zijn inmiddels dus hogere waarden vastgesteld.
Voor de overige (42) woningen geldt dat de cumulatieve geluidbelasting op de gevels van deze nieuwe woningen lager is dan 53 dB (exclusief correctie artikel 110g Wgh). Derhalve is een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels voor deze woningen niet aan de orde. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd en is er dus te allen tijde sprake van een goed woon- en leefklimaat. Tevens blijkt uit de rekenresultaten dat alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel dan wel buitenruimte. Hiermee wordt eveneens voldaan aan het geluidbeleid van de Provincie Limburg.
Maatgevend voor de geluidsbelasting vanwege wegverkeer is dus de Prinsenbaan ten noorden van de rotonde. Voor de andere wegen blijft de geluidsbelasting ruimschoots onder de voorkeursgrenswaarde. Een lichte toename van verkeer op deze wegen leidt zeker niet tot geluidsbelastingen boven de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh.
In het onderzoek van 2016 zijn voor de Prinsenbaan de verkeersgegevens uit 2014 gebruikt waarbij een autonome groei van 1% per jaar is gebruikt om de gegevens voor 2026 te bepalen. Hierbij zijn vervolgens 2100 mvt/etmaal bijgeteld als gevolg van de planologische ontwikkeling. Dit resulteert in een etmaalintensiteit voor het planjaar 2026 van: 3898 x (1,01)^12 + 2100 = 6492 mvt/jaar.
Uitgaande van de meest recente gegevens uit 2018 en eveneens een autonome groei van 1% per jaar, levert dit een etmaalintensiteit voor het planjaar 2030 op van: 4018 x (1,01)^12 + 2100 = 6628 mvt/etmaal.
Dit is een toename van het verkeer van 2,1% t.o.v. het onderzoek uit 2016, ofwel een toename van 0,09 dB uitgaande van dezelfde verdeling van het verkeer. Volgens de nieuwe verkeersgegevens uit 2018 is het zwaar vrachtverkeer met 0,3% afgenomen ten opzichte van 2014, zodat de cijfers alleen nog maar lager zullen zijn.
Geconcludeerd wordt dat er geen significante toename is van de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai. De vastgestelde hogere waarden kunnen gehandhaafd blijven.
In de directe omgeving van het plangebied liggen geen gezoneerde bedrijventerreinen of spoorwegen die tot geluidhinder leiden op het plangebied.
In het kader van het aspect 'Bedrijven en Milieuzonering' is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (zie ook paragraaf 5.5). Op basis van de resultaten wordt gesteld dat ter plaatse van de omliggende en de nieuw geplande woningen na realisatie van de ontwikkeling een akoestisch goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is en er derhalve akoestisch gezien sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voor wat betreft het aspect geluid zijn er derhalve geen bezwaren de bestemmingsplanwijziging door te voeren. Aangezien er planologisch geen wijzigingen worden doorgevoerd ten opzichte van de onderzochte situatie in 2016, is het akoestisch onderzoek industrielawaai nog actueel.
Het hogere waarde besluit van 25 juli 2016 is onveranderd van toepassing op dit bestemmingsplan. Op basis van de uitgvoerde onderzoeken wordt geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect geluid (wegverkeerslawaai en industrielawaai) geen bezwaren bestaan om onderhavige ontwikkeling te realiseren.
Normstelling en beleid
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 3 weergegeven.
Tabel 3: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer
| Stof | Toetsing van | Grenswaarde |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ | |
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg /m³ |
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate
In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 1.610 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). Hierbij wordt uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 1%. In de nibm-tool (versie 28-3-2019) is 2020 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 1,42 µg/m³ en van fijnstof van 0,24 µg/m³ (figuur 5.1). De toename van het gehalte aan stikstof is boven 1,2 µg/m³. Het project draagt hierdoor mogelijk in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden is derhalve noodzakelijk.
Figuur 5.1: Uitsnede resultaten NIBM-tool
Via de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl), die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort, is bekeken hoe hoog de concentraties luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van het plangebied zijn. De dichtstbijzijnde toetspunten liggen aan de Kerkstraat, direct ten zuiden van het plangebied. In figuur 5.2 is de ligging weergegeven.
Figuur 5.2: Maatgevende toetspunt nabij het plangebied (bron: NSL-monitoringstool)
In tabel 4 zijn de achtergrondconcentraties ter plaatse van de Kerkstraat weergegeven en is getoetst of in 2020 aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer wordt voldaan. Er is uitgegaan van de hoogste achtergrondconcentratie ter plaatse van de maatgevende weg.
Tabel 4: Toetsing (2020) aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer
| Stofcategorie | Maximale planbijdrage 2020 (µg/m3) volgens NIBM rekentool |
Hoogste achtergrond concentratie (µg/m3) 2020 (Rijkswaterstaat) |
Maximaal optredende concentratie 2020(µg/m3) |
Grenswaarde Wm (µg/m3) |
| NO2 | 1,42 | 15,87 | 17,29 | 40 |
| PM10 | 0,24 | 17,54 | 17,78 | 40 |
| PM2,5 | 0,24 | 10,70 | 10,94 | 25 |
Uit tabel 4 blijkt dat wanneer de maximale planbijdrage bij de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden opgeteld in 2020, er alsnog aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer wordt voldaan ter plaatse van de maatgevende weg Kerkstraat. Omdat direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Ook nemen door gebruikmaking van steeds betere technieken de achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen jaarlijks af.
Conclusie
Uit de berekening blijkt dat de bijdrage van de beoogde ontwikkeling mogelijk in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Uit een nadere onderzoek blijkt dat de grenswaarden niet worden overschreden. Er is ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is.
De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen 'Rustige woonwijk / rustig buitengebied' en 'Gemengd gebied'. Bij het eerste type is er duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een 'gemengd gebied', de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van bijvoorbeeld 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter.
Het plangebied is gelegen binnen een rustige woonwijk / rustig buitengebied'. Hier is geen sprake van een gemengd gebied.
In de directe omgeving zijn geen (agrarische) bedrijven aanwezig die tot belemmeringen voor de geplande functies in het plangebied leiden.
In de directe omgeving van het plangebied liggen ook geen gezoneerde bedrijventerreinen of spoorwegen die tot geluidhinder leiden op het plangebied.
In de nabijheid van het plangebied zijn wel enkele bestemmingen/bedrijven gelegen met de daarbij behorende richtafstand, zoals volgt uit VNG-brochure:
Verder moet aangetoond worden dat in de bestaande woningen in de omgeving een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd wordt door de komst van het hotel, restaurant en supermarkt.
De transformatie van het kloosterhotel en de nieuwbouw van de buurtvoorziening worden ten aanzien van een goede ruimtelijke ordening (Wro) gezien als geluidbronnen. Voor deze ontwikkeling is in 2016 door Tritium Advies een akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting op de gevels van omliggende geluidgevoelige bestemmingen als gevolg van het industrielawaai. De onderzochte situatie is nog steeds actueel. Aangezien er planologisch geen wijzigingen worden doorgevoerd ten opzichte van de onderzochte situatie in 2016, zijn de onderzoeken nog bruikbaar voor dit bestemmingsplan. Het akoestisch onderzoek industrielawaai is opgenomen als Bijlage 17 van deze toelichting.
Op basis van de resultaten wordt gesteld dat ter plaatse van de omliggende en de nieuw geplande woningen na realisatie van de ontwikkeling een akoestisch goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is en er derhalve akoestisch gezien sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Andersom leidt de realisatie van de functies in het plangebied ook niet tot belemmeringen of hinder naar de gevoelige functies (zoals woningen) in de directe omgeving.
5.6 Externe veiligheid
Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Daarbij gaat het om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen.
Wanneer er sprake is van een situatie waarin externe veiligheid een rol speelt en waarin de overheid als bevoegd gezag een beslissing dient te nemen, moet beoordeeld worden of de situatie niet in strijd is met de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico en dient het groepsrisico te worden verantwoord. De 'verantwoording van groepsrisico' is ingevoerd met de inwerkingtreding van het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen). Kort gezegd komt het er op neer dat het bevoegd gezag verantwoording aflegt over het groepsrisico en de maatregelen die getroffen zijn om dat risico zoveel mogelijk te beperken. Dit onderzoek beschrijft derhalve vanuit de risicobronnen de consequenties voor het bestemmingsplan.
Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6 per jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6 per jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.
Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht.
De zelfredzaamheid geeft aan in welke mate de aanwezigen in het plangebied in staat zijn zich op eigen kracht in veiligheid te brengen. Functie-indeling, infrastructuur, bebouwing, communicatie en alarmering kan op verschillende manieren op zelfredzaamheid inspelen. Zoals door het toepassen van luchtdichte afsluiting in de gebouwen, zodat mensen bij het vrijkomen van een toxische wolk veilig binnen kunnen blijven. Of het wegenplan zodanig inrichten dat de mensen van de risicobron weg kunnen vluchten.
Met maatregelen en voorzieningen op het gebied van beheersbaarheid kan escalatie van een incident worden voorkomen. Hierdoor wordt het groepsrisico in positieve zin beïnvloedt, neemt de zelfredzaamheid van personen toe en zal het rest effect ook lager uit kunnen vallen. Beheersbaarheid richt zich op de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten in hoeverre zij in staat zijn hun taken goed uit te kunnen voeren en daarmee verdere escalatie van een incident kunnen voorkomen.
Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied is met name gebruik gemaakt van de 'Risicokaart Nederland' (www.risicokaartnederland.nl). Hierbij zijn de volgende mogelijke risicobronnen aangetroffen:
Voor onderhavig aspect is een quickscan uitgevoerd door Tritium Advies, welke als Bijlage 18 is toegevoegd aan dit bestemmingsplan. In het navolgende zijn de belangrijkste conclusies van deze quickscan inzichtelijk gemaakt. De quickscan dateert uit 2016. Op basis van de actuele professionele risicokaart wordt geconcludeerd dat dezelfde risicobronnen nog aanwezig zijn en er geen risicobronnen zijn bijgekomen. Het onderzoek is dan ook nog actueel.
Inrichtingen (varkenshouderij en pluimveehouderij)
Beide genoemde inrichtingen beschikken over een propaantank. De veiligheidsafstand van deze tanks strekt niet verder dan de terreingrens. Gezien de afstand tot het plangebied (minimaal 1,5 kilometer) levert dit geen belemmeringen op.
Provinciale wegen
Het plan ligt binnen het invloedsgebied van de beide provinciale wegen. Het invloedsgebied spreidt zich namelijk uit tot 355 meter vanuit de as van de weg. Om aan te geven wat de gevolgen zijn van deze ontwikkeling zijn de vuistregels zoals vermeld in HART (Handleiding risicoberekeningen transport) gehanteerd. Conform deze vuistregels hebben beide provinciale wegen (weg binnen bebouwde kom) geen plaatsgebonden risicocontour 10-6. De PR 10-6 contouren van de N274 en de N572 zijn op de wegen zelf gelegen.
Het aantal transporten van gevaarlijke stoffen over de Kerkstraat (N572) en de Prinsenbaan (N274) is beperkt. De risicobepalende stof is in dit geval LPG, categorie GF3:
Het bestemmingsplan maakt zowel de bouw van 45 woningen mogelijk, als het realiseren van een hotel en een buurtvoorziening. De buurtvoorziening krijgt een totale oppervlakte van circa 1000 m2. Gezien de huidige functie van het terrein (klooster met tuin) is derhalve een toename van de aanwezigheidsdichtheid te verwachten. De bebouwing is gelegen op circa 10 meter afstand van de as van zowel de Kerkstraat (hotel) als de Prinsenbaan (woningen). Uitgaande van een maximaal aantal transporten van 281 stuks blijft het groepsrisico conform de vuistregels uit HART onder 10% van de oriëntatiewaarde bij een aanwezigheidsdichtheid van minder dan 200 personen per hectare. Het bouwplan maakt de aanwezigheid van circa 90 personen per hectare mogelijk. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan 10% van de oriëntatiewaarde. Het transport van gevaarlijke stoffen over de Kerkstraat en Prinsenbaan zal in de planperiode naar verwachting niet toenemen. Bovendien wordt het plangebied grotendeels (met name nabij de woningen) afgeschermd door een kloostertuin muur met een hoogte van circa 2,0 meter.
Gezien het voorgaande is voor onderhavig plan een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. Wel is op basis van artikel 7 van het Bevt een beschrijving gegeven van de zelfredzaamheid en rampenbestrijding. Daarnaast is in verband met de ligging binnen het invloedsgebied van voornoemde wegen een advies aangevraagd aan het bestuur van de Veiligheidsregio Limburg Noord (VRLN). Het advies d.d. 26 juli 2016 is opgenomen als Bijlage 19 bij deze toelichting. De strekking van het advies is dat er bij de uitwerking van het plan, bouwkundige maatregelen moeten worden getroffen om de gevolgen van een ramp of incident ter hoogte van de Kerkstraat en de Prinsenbaan te beperken.
Mercallizone
Het plangebied is gelegen in Mercallizone VIII. De systematiek voor de beoordeling van de externe veiligheidsrisico's kent geen regeling die rekenschap met externe gebeurtenissen zoals aardbevingen en dergelijke voorschrijft. De ligging van het plangebied in Mercallizone VIII levert derhalve geen belemmeringen op voor het bouwplan. Het plangebied is bovendien goed bereikbaar voor hulpdiensten. Er zijn voldoende vluchtwegen. Er komen geen (groepen van) verminderd zelfredzame personen. Het plangebied is gelegen binnen het WAS alarmeringsgebied en NL-alert. Bovendien wordt ervoor gezorgd dat de ventilatiesystemen van de nieuwe woningen en het hotel uitschakelbaar zijn, zodat bij een toxische wolk langdurig verblijf binnen mogelijk is. De ontsluitingswegen hebben voldoende capaciteit om het plangebied te kunnen evacueren en om hulpdiensten het gebied in te laten komen.
Conclusie
Gezien het vorenstaande kan worden gesteld dat het aspect externe veiligheid geen beperkingen oplegt aan het beoogde planvoornemen.
In de voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten van dit bestemmingsplan geformuleerd. In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven.
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. de SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro gemaakt moeten worden. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijks als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.
Hierna volgt een beschrijving van de bestemmingen die in dit bestemmingsplan voorkomen.
Artikel 1 Begrippen
In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.
Artikel 2 Wijze van meten
Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/percelen gemeten moeten worden.
De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd (niet altijd overal van toepassing):
Artikel 3 Gemengd
Binnen de bestemming 'Gemengd' is de buurtvoorziening, inclusief een supermarkt van maximaal 800 m² mogelijk gemaakt. Daarnaast zijn ook met aanvullende voorzieningen, zoals een pinautomaat, postagentschap en/of drogisterij binnen deze bestemming toegestaan. Ook de beoogde parkeerplaatsen ten behoeve van de buurtvoorziening zijn binnen de bestemming 'Gemengd' opgenomen.
Om de toekomst van deze buurtvoorziening planologisch-juridisch te waarborgen kent de bestemming 'Gemengd' ter plaatse relatief ruime bouw- en gebruiksregels . Op deze wijze is de buurtvoorziening toekomstgericht, ook gezien de onzekere markt ten aanzien van detailhandel.
Artikel 4 Groen
Binnen de bestemming 'Groen' mogen groenvoorzieningen, bermen en beplanting, paden, speelvoorzieningen, voorzieningen van algemeen nut, kunstwerken, waterlopen en waterpartijen en boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen worden gerealiseerd. Op of in deze gronden zijn uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen toegelaten met een maximale bouwhoogte van 3,00 meter en een maximale oppervlakte van 15,00 m². Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan tot een maximale bouwhoogte van 5 meter.
Artikel 5 Horeca
Ter plaatse van het bestaande klooster is de bestemming 'Horeca' opgenomen. Het beoogde hotel is op basis vaan deze bestemming toegestaan alsmede de daarbij behorende horeca, wellness- en fitnessvoorzieningen. Daarnaast zijn inpandig nog ondergeschikte voor vermaak en ontspanning toegestaan. De beoogde terrassen en het parkeerterrein is vastgelegd door middel van een specifieke aanduiding. Tot slot zijn ook tuinen, erven en verhardingen, en groen- en waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk gemaakt.
De bestaande bebouwing is opgenomen binnen het bouwvlak en de maximale goot- en bouwhoogte is doormiddel van een maatvoeringsaanduiding vastgelegd op respectievelijk 12 en 17 meter hoog. Binnen het bouwvlak is een maximaal bebouwingspercentage van 80% opgenomen.
Artikel 6 Wonen
Op de gronden met de bestemming 'Wonen' zijn maximaal 45 grondgebonden vrijstaande woningen toegestaan. De bouwhoogte van de woningen mag niet meer dan 7,5 meter bedragen. Aangezien het bouwplan verder nog moet worden uitgewerkt is hiermee een relatief flexibele regeling opgenomen.
Het planvoornemen kent een concrete fasering. Deze fasering is opgenomen in het exploitatieplan dat parallel aan dit bestemmingsplan zal worden vastgelegd. Daarmee is die fasering juridisch geborgd. Het is dan ook niet noodzakelijk om de fasering in dit bestemmingsplan nogmaals vast te leggen.
Het landschappelijke inpassingsplan is opgenomen als bijlage bij de regels en geldt als voorwaardelijke verplichting. Het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken binnen de bestemming 'Wonen' is uitsluitend toegestaan indien het Landschapsplan binnen drie jaar nadat dit bestemmingsplan onherroepelijk is, wordt gerealiseerd én duurzaam in stand wordt gehouden.
Ook is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de aanleg van een waterhuishoudkundige voorziening met voldoende bergingscapaciteit. Ook deze voorwaardelijke verplichting geldt voor het gebruiken of laten gebruiken van de gronden en bouwwerken binnen de bestemming 'Wonen'.
Artikel 7 Waarde - Archeologie
Op basis van het archeologisch onderzoek (zie ook paragraaf 4.1) is ter plaatse van de bestemming 'Groen' de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Indien ter plaatse graafwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 40 centimeter en met een oppervlak groter dan 500 m², dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
Artikel 8 Anti-dubbeltelregel
In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.
Artikel 9 Algemene bouwregels
In de algemene bouwregels is een bepaling opgenomen over bestaande maten.
Artikel 10 Algemene gebruiksregels
In de algemene gebruiksregels is een nadere bepaling opgenomen met betrekking het gebruik van de gronden. Hier is een gebruiksverbod opgenomen en zijn voorbeelden gegeven van strijdig gebruik.
Hier is tevens de voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het doen van nader ecologisch onderzoek, het treffen van eventueel noodzakelijke (mitigerende) maatregelen en/of het aanvragen van ontheffingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
Artikel 11 Algemene aanduidingsregels
In combinatie met de op de verbeelding opgenomen gebiedsaanduiding 'milieuzone - roerdalslenk' zijn hier regels opgenomen voor de bescherming van voornoemde milieuzone.
Artikel 12 Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt omschreven in welke gevallen bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bouwregels. Het gaat hier om de overschrijding van de bouwgrenzen, voor zover deze afwijkingen niet onder de regel 'algemene bouwregels' valt te scharen. Dit betreft bijvoorbeeld de bevoegdheid om af te wijken van de voorgeschreven maten en percentages. Afwijking is overigens alleen mogelijk wanneer hiermee geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan aspecten als de woon- en milieusituatie van aangrenzende percelen. Ook zijn in dit artikel afwijkingsregels opgenomen met betrekking tot duurzame energie.
Artikel 13 Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt aangegeven in hoeverre en in welke gevallen van een wijzigingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt ingeval van gewenste dan wel noodzakelijke geringe afwijkingen van de bestemmingsgrenzen.
Artikel 14 procedureregels
In dit artikel zijn de procedureregels opgenomen voor de verschillende afwijkingen, wijzigingen, nadere eisen en omgevingsvergunningen.
Artikel 15 Overige regels
In dit artikel zijn zaken geregeld omtrent eventueel reeds verleend omgevingsvergunningen of afwijkingen) en zijn voorrangsregels opgenomen.
Artikel 16 Overgangsrecht
In dit artikel is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 13.1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 13.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen.
Artikel 17 Slotregel
De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan 'Klooster Koningsbosch 2020'.
De gronden in het bestemmingsplan zijn in particulier bezit. Tussen deze particulieren en de gemeente is geen overeenkomst van grondexploitatie gesloten (anterieure overeenkomst).
Voor de gemeente is derhalve het kostenverhaal niet anderszins verzekerd en daarom is gelijktijdig met de vervaardiging van dit bestemmingsplan een exploitatieplan opgesteld. In het exploitatieplan wordt de financiële haalbaarheid verder onderbouwd.
In artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) is aangegeven dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg dient te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en diensten van de provincie en het Rijk in zoverre belangen van deze overheden in het geding zijn. Vanwege hun belang bij onderhavig bestemmingsplan is dit plan ter vooroverleg toegestuurd aan het waterschap en de provincie Limburg.
Het opgestelde ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 10 juli 2020 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tegen het ontwerpbestemmingsplan zijn drie zienswijzen ingediend. De zienswijzen hebben niet geleid tot wijziging van het plan. Het zienswijzenrapport is als bijlage bijgevoegd (bijlage 20).