| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Middelveen V, Zuidwolde |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1690.TAMOPH22eMdvV-VG01 |
De gemeente De Wolden is van plan om de nieuwe woonwijk 'Middelveen V' aan de zuidzijde van Zuidwolde te realiseren. De ontwikkeling omvat 146 nieuwe woningen en één bestaande voormalige bedrijfswoning en ligt deels in het buitengebied. De ontwikkeling van 'Middelveen V' sluit aan bij de oostelijk gelegen uitbreidingswijk 'Middelveen IV'. Voor de ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan gemaakt (zie bijlage 1), dat als basis dient voor de wijziging van het omgevingsplan. Een uitsnede van het stedenbouwkundig ontwerp is weergeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1. Stedenbouwkundig plan (bron: Gemeente De Wolden)
De ontwikkeling is niet mogelijk binnen de bestaande juridisch-planologische kaders van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De gemeente wil daarom het plan juridisch-planologisch mogelijk maken door middel van een wijziging van het omgevingsplan.
Het plangebied Middelveen V ligt ten zuidwesten van Zuidwolde, gemeente De Wolden. Het plangebied ligt voor een deel binnen en buiten het bestaand stedelijk gebied van de gemeente De Wolden. Ten oosten ligt de uitbreidingswijk Middelveen IV. De ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Zuidwolde is weergegeven in figuur 1.2.
Figuur 1.2 Ligging plangebied Middelveen V ten opzichte van Zuidwolde (bron: PDOK viewer)
In de gemeente De Wolden geldt per 1 januari 2024 van rechtswege het Omgevingsplan De Wolden. De volgende beheersverordening en bestemmingsplannen maken onderdeel uit van dit omgevingsplan en zijn van toepassing op het plangebied:
De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de regels uit de voormalige beheersverordening en bestemmingsplannen. De voorgenomen ontwikkeling is daarom niet mogelijk op basis van het omgevingsplan.
Deze ruimtelijke motivering is onderdeel van het wijzigingsbesluit voor de wijziging van het omgevingsplan van de gemeente De Wolden en toont aan waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De opbouw van deze motivering is als volgt:
Het plangebied ligt ten zuidwesten van Zuidwolde en ligt zowel binnen als buiten bestaand stedelijk gebied. Op dit moment is een groot gedeelte het plangebied onbebouwd en bestaat het plangebied voornamelijk uit grasland en landbouwgronden. Een luchtfoto van de bestaande situatie en de planbegrenzing is weergegeven in figuur 2.1.
Op de Middelveenseweg 5 (binnen het plangebied) was een intensieve veehouderij gevestigd. In december 2024 zijn de gronden en pluimveeschuren in eigendom gekomen van de gemeente. Op de locatie zullen later, na sloop van de pluimveeschuren, woningen worden gerealiseerd. De (voormalige) bedrijfswoning aan de Middelveenseweg 5 valt ook binnen het plangebied en wordt meegenomen in de wijziging van het omgevingsplan.
Het noordwesten van het plangebied is in gebruik als agrarische gronden voor akkerbouw. In noord-zuidelijke richting, ter hoogte van de pluimveeschuren, ligt een sloot tussen deze bestaande akkers. Het oostelijke gedeelte van het plangebied is grotendeels in gebruik als weiland. De gronden aan de oostelijke rand van het plangebied zijn reeds ingericht met de straten Kienholt en Landschapslaan. In het noorden van het plangebied, grenzend aan de Kienholt, is een schanskorf ingericht.
Figuur 2.1 Luchtfoto bestaande situatie en begrenzing plangebied (bron: PDOK)
Figuur 2.2 Plangebied met bestemmingsplan Buitengebied De Wolden
Figuur 2.3 Plangebied met bestemmingsplan Zuidwolde 2007 Middelveen IV
De omgeving van het plangebied is gevarieerd. Ten noorden en ten oosten van het plangebied zijn woongebieden aanwezig, gescheiden van het plangebied door een waterpartij en bebossing. Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich een bos. Ten westen van het plangebied liggen agrarische percelen en een kleinschalig bos. De zuidkant van het plangebied wordt omringd door bos, waarachter weer agrarische percelen liggen. Ter hoogte van de Middelveen staan vier schuren voor het houden van pluimvee. De bedrijfsvoering is inmiddels beëindigd en de gronden zijn recentelijk opgekocht door de gemeente.
De locatie bestaat uit groen met uitzonderlijke kwaliteiten en heeft een rijke historie. Zo zijn bestaande bomen die op historische kaarten te zien zijn nog steeds aanwezig. De locatie wordt omringd door een park aan de noordzijde, akkerland aan de westzijde en een groot historisch bos aan de zuidzijde. Omwille van afwatering is er een sloot aanwezig in het plan welke voor afwatering naar het zuiden van de wijk zorgt. Deze sloot is historisch maar ook van praktisch belang aangezien afwatering een probleem is in de bestaande wijk.
De nieuwe wijk Middelveen V is rondom deze bestaande kwaliteiten ontworpen. Deze kwaliteiten zijn bij de planvorming van het stedenbouwkundig ontwerp centraal gesteld.
De gemeente De Wolden wil de uitbreidingswijk Middelveen V, ten zuidwesten van Zuidwolde mogelijk maken. Er worden in totaal 146 nieuwe woningen gerealiseerd en de bestaande voormalige bedrijfswoning blijft behouden. De gemeente De Wolden beoogt in de gehele wijk verschillende vormen van woningen voor verschillende doelgroepen aan te bieden. Hierin is een onderscheid gemaakt in vier type woningen voor verschillende doelgroepen:
De totaal uitgeefbare grond voor wonen bedraagt 22.573 m2. Figuur 2.3 geeft de verkaveling en het woningbouwprogramma weer binnen het plangebied. De woningen worden gebouwd binnen met dit plan vastgestelde bouwvlakken. In het plan worden ook bouwregels opgenomen voor maximale goot- en bouwhoogtes binnen de bouwvlakken.
Het parkeren zal grotendeels plaatsvinden in parkeerkoffers en op eigen erf. In sommige kwadranten, zoals het woonerf, is parkeren op eigen erf niet toegestaan. In deze gebieden wordt ingezet op collectieve parkeeroplossingen aan de rand van het erf of in de directe nabijheid van de woningen, zodat de openbare ruimte autoluw en kindvriendelijk kan worden ingericht. Bij de planvorming wordt dus per deelgebied rekening gehouden met een passende parkeervorm, afgestemd op de beoogde woonvorm en ruimtelijke kwaliteit.
Figuur 2.4 Verkaveling en programma uitbreidingswijk Middelveen V in Zuidwolde (bron: gemeente De Wolden)
Het uiterlijk van de gebouwen staat nog niet vast. Een groot gedeelte van het grondgebied van De Wolden is welstandsvrij, zo ook het plangebied. Voor Middelveen V is ervoor gekozen om regels op te nemen over het uiterlijk van bouwwerken en de kwaliteit van de openbare ruimte. Daartoe is een beeldkwaliteitsplan opgesteld en zijn regels in dit omgevingsplan opgenomen. Dit beeldkwaliteitsplan geldt als toetsingskader voor de beoordeling van de commissie omgevingskwaliteit op het plan. Hier wordt in paragraaf 2.2.3 verder op ingegaan.
Het plangebied wordt landschappelijk ingepast in de bestaande omgeving. Figuur 2.4 geeft de verkaveling van het plangebied en de landschappelijke inpassing van het plangebied weer.
De stedenbouwkundige opzet van Middelveen V is ruim van opzet en kenmerkt zich door veel groen, brede profielen en kavels van wisselende grootte. De opzet is gebaseerd op de actuele behoefte uit de woon(zorg)visie (zie 4.3.3) en kenmerkt zich door kavels van verschillende grootten en woningen van verschillende typologieën.
Een structurerend element in de wijk is de centrale, west-oost gerichte as die aan weerskanten toegang biedt tot de straten met parkeerkoffers. Daarnaast loopt er aan de westzijde van het plangebied een as van noord naar zuid, waaraan haaks straten met parkeerkoffers grenzen.
Het overgrote deel van de woningen in het plangebied bestaat uit blokken van vier aaneengeschakelde woningen. In het noordwesten van het plangebied is ruimte voor een appartementen. In het zuidoosten en noordoosten van het plangebied is ruimte voor riante woningen op relatief grote kavels.
Om de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van het plangebied te waarborgen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan is toegevoegd aan dit omgevingsplan en geeft duidelijke criteria voor de bebouwing, de indeling van de kavels en de kwaliteit van de openbare ruimte. Dit beeldkwaliteitsplan is opgenomen als bijlage 2.
Door het vaststellen van het beeldkwaliteitsplan als beleidsregel op grond van artikel 4.19 van de Omgevingswet heeft o.a. de Adviescommissie voor Omgevingskwaliteit een passend toetsingskader. Het beeldkwaliteitsplan wordt een aanvulling op de vastgestelde welstandsnota van de Gemeente De Wolden.
Voor de woningbouwontwikkeling Middelveen V is een uitgebreid participatietraject uitgevoerd.
Inloopbijeenkomst 20 maart 2024
Op 20 maart 2024 heeft de gemeente een inloopbijeenkomst gehouden over de voorgenomen ontwikkeling van Middelveen V in Zuidwolde. Het doel van de bijeenkomst was het informeren van de uitgenodigde omwonenden en inzichtelijk krijgen welke wensen en zorgen er waren. Het complete verslag van deze inloopbijeenkomst is te raadplegen in bijlage 3.
Onderstaande thema’s zijn tijdens de bijeenkomst besproken:
De grote opkomst van ca. 130 personen heeft aangetoond dat het belang en de impact van de ontwikkeling van Middelveen V onder de genodigden, vanuit verschillende perspectieven, groot is. Met de input vanuit deze inloopbijeenkomst is een concept stedenbouwkundig plan opgesteld. Dit concept is tijdens een vervolgbijeenkomst gepresenteerd, waarbij ook is toegelicht hoe de verzamelde informatie vanuit de inloopbijeenkomst is verwerkt. Dezelfde groep genodigden heeft hiervoor een uitnodiging ontvangen.
Inloopbijeenkomst 23 april 2025
Op 23 april 2025 heeft de gemeente een tweede inloopbijeenkomst gehouden over de voorgenomen ontwikkeling op het gemeentehuis in Zuidwolde. Tijdens de tweede inloopbijeenkomst op 23 april 2025 is aan de hand van de eerder besproken thema's aangegeven, op welke wijze de inbreng van de eerste inloopbijeenkomst is verwerkt in het stedenbouwkundigplan voor Middelveen V. Het complete verslag van deze inloopbijeenkomst is te raadplegen in bijlage 4.
Op basis van de ontvangen tips/opmerkingen op het besproken stedenbouwkundigplan is gekeken of er aanleiding is om het stedenbouwkundig plan op onderdelen nog aan te passen. Aan de hand van de ontvangen tips en opmerkingen is de definitieve versie van het stedenbouwkundig plan vastgesteld, zoals beschreven in hoofdstuk 2 van dit omgevingsplan.
Onder de Omgevingswet is informeel vooroverleg over plannen mogelijk. Het vooroverleg voor wijzigingen van het omgevingsplan is in de Omgevingswet juridisch niet geregeld. Het vooroverleg is vormvrij. Door bij ruimtelijke ontwikkelingen in een vroeg stadium met elkaar op te trekken, kunnen knelpunten in een vroeg stadium worden gesignaleerd.
De gemeente heeft vooruitlopend op het stedenbouwkundig plan overleg gevoerd met verschillende ketenpartners. De gemeente stelt de overlegpartners gedurende de ter inzage legging van in de gelegenheid om te reageren op het ontwerpplan.
Advies provincie Drenthe 19 juni 2024
Op 19 juni 2024 heeft de provincie Drenthe een advies uitgebracht over de conceptaanvraag van de voorgenomen ontwikkeling. In het advies (zie bijlage 5) wordt aangegeven welke provinciale belangen spelen (zie hiervoor ook paragraaf 4.2.1 en 4.2.2) voor de ontwikkeling. De provincie geeft in het advies van 19 juni 2024 positief tegenover het plan te staan, mits het verder wordt uitgewerkt. Het plan is inmiddels verder uitgewerkt, zoals beschreven in hoofdstuk 2.
Reactie provincie Drenthe 18 april 2025
Op 18 april heeft de provincie gereageerd op het concept TAM-omgevingsplan. Hieronder volgt de reactie van de provincie over verschillende onderwerpen.
Landschap
De provincie verzocht bij de verdere uitwerking een beeldkwaliteitsplan op te stellen en daarin o.a. op te nemen erfafscheidingen, koppeling met Basis Kwaliteit Natuur. Er is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie bijlage 2), waarin rekening wordt gehouden met de Basis Kwaliteit Natuur.
Wonen
Het aanbod geplande aanbod is gevarieerd en dat is passend binnen de gemeentelijke woonvisie. Ook voldoet het omgevingsplan voor wat betreft de provinciale regels voor wonen.
Aardkundig Erfgoed
Het plangebied ligt in een gebied met hoog beschermingsniveau voor Aardkundige waarden. De gebieden met hoog beschermingsniveau zijn de meest bijzondere en gave gebieden met een hoge aardkundige kwaliteit. In deze gebieden wil de provincie het aardkundig erfgoed behouden voor huidige en toekomstige generaties. De aardkundige kwaliteit is daarbij sturend voor de balans tussen beleving, behoud en herstel. Het plangebied ligt tussen twee gestuwde ruggen. Het plangebied is echter al aardig geroerd door de aanleg van de woonwijken, wadi en het graven van sloten. In het plan is rekening gehouden met het reliëf. Er wordt namelijk in Noord-Zuid richting gebouwd, in de richting van de ruggen. Daarnaast is het wenselijk de bodemopbouw intact te houden en niet onnodig veel te ontgronden.
Cultuurhistorie
In de provinciale omgevingsverordening is een zorgplicht opgenomen voor het onderwerp cultuurhistorie. Concreet houdt deze zorgplicht in dat er uiteen is gezet hoe het gebied cultuurhistorisch ontwikkeld is en wat de karakteristiek van het plangebied is. In paragraaf 5.11 wordt verder ingegaan op het aspect cultuurhistorie. Hieruit blijkt dat dit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling en bijbehorende wijziging van het omgevingsplan.
Natuur
Het plangebied grenst direct aan NNN-gebied (Natuurnetwerk Nederland-gebied). Volgens de provincie heeft het plan geen effect op het bestaande NNN-gebied. Voor de twee kavels waar potentieel natuurontwikkeling gaat plaatsvinden is er een kader genaamd 'Basis Kwaliteit Natuur'. Aan de hand hiervan kan er juiste invulling worden gegeven aan de natuurontwikkeling.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle projecten met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.
Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.
Opgaven
Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vijf opgaven:
De bouw van ongeveer 1 miljoen nieuwe woningen;
Realiseren opgaven
In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:
De Omgevingsagenda
Momenteel wordt voor Noord-Nederland gewerkt aan een omgevingsagenda. Als voorloper is er gewerkt aan een Contour Omgevingsagenda waarin acht omgevingsopgaven zijn benoemd:
De NOVI-gebieden
Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regiodeal en/of een verstedelijkingsstrategie. De regio waarvan de gemeente De Wolden deel uitmaakt is niet aangewezen als NOVI-gebied. Het beleid uit de NOVI is derhalve niet van toepassing op de ontwikkeling in het plangebied.
Uitvoering
De NOVI gaat vergezeld van een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd.
De ontwikkeling in het plangebied raakt, gezien de relatief kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI en draagt daarnaast bij aan de opgave om steden en regio's sterker en leefbaarder te maken.
Op 13 september 2022 is door de Provinciale Staten van Drenthe de Omgevingsvisie Drenthe 2022 vastgesteld. Een belangrijke opgave uit de omgevingsvisie is het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Het provinciaal belang is het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten zijn landschap, natuur, cultuurhistorie, archeologie, aardkundig erfgoed en rust (stilte en duisternis).
Naast bovenstaande kernkwaliteiten hecht de provincie Drenthe waarde aan een zorgvuldig ruimtegebruik en de bescherming van de milieu- en leefomgevingskwaliteit. Veel ingrepen in de ruimte hebben gevolgen voor de langere termijn en beperken ontwikkelingsmogelijkheden in de toekomst. Het zorgvuldig gebruiken van de ruimte is van provinciaal belang.
Het beschermen van de milieukwaliteit van de leefomgeving is veelal op Europees en nationaal niveau geregeld. Daarbij zijn diverse taken en verantwoordelijkheden bij de provincies neergelegd. Deze taken, gericht op het beschermen van de kwaliteit van lucht, water en bodem en het verbeteren van verkeersveiligheid, waterveiligheid en externe veiligheid, zijn van provinciaal belang. In hoofdstuk 5 worden de verschillende milieu- en omgevingsaspecten besproken.
Hieronder wordt het voornemen getoetst aan de relevante kernkwaliteiten uit de Omgevingsvisie Drenthe.
Kernkwaliteit Landschap
Binnen de provincie Drenthe zijn verschillende landschapstypen te onderscheiden namelijk:
Landschap - Esdorpenlandschap
Het plangebied van Middelveen V valt binnen het landschapstype Esdorpenlandschap en is dichtbij een Es gelegen. Naast de landschapstypen is er specifiek beleid voor enkele zichtbare overgangen in het landschap, te weten de macrogradiënt (overgangen met veel reliëf, de wegpanorama's, de stads- en dorpsranden, de harde grens tussen stad en land en hoogbouw. Het plangebied valt binnen het gebied wegpanorama.
Het Drents Plateau bestaat voornamelijk uit esdorpenlandschap. Dit landschapstype bevat enkele telkens terugkerende onderdelen: het dorp, de es, het beekdal en de velden/bossen/heide.
Het esdorpenlandschap is een agrarisch cultuurlandschap ten voeten uit. Elk onderdeel van het landschap komt voort uit het agrarisch gebruik en is gerelateerd aan het functioneren van de lokale agrarische dorpsgemeenschap, met de boermarken als het oorspronkelijke gezag. De esdorpen vormen vanouds de ontginningsbasis van het landschap. Ze liggen veelal op landschappelijke overgangen van nat (beekdal) naar droog (es/heide/bos).
Rond de dorpen liggen de landschapsonderdelen die vanouds in het landbouwsysteem elk hun eigen functie hadden. Direct aan de rand van het dorp lagen de ‘goorns’: kleinschalige, verkavelde gebieden met hagen en singels, waar onder andere groenten voor menselijke consumptie werden verbouwd. Op de hoger gelegen gronden ontwikkelden zich door de eeuwen heen de essen, omzoomd door bosjes, strubben of soms een ringwal. In het lagergelegen beekdal lagen de graslanden, tot aan het begin van de vorige eeuw onverdeeld, de zogenaamde madelanden. Later zijn de beekdalen sterk verkaveld en hebben ze door de aanleg van houtwallen een kleinschalig, besloten karakter gekregen. Buiten de gecultiveerde wereld lag de grote ‘woestenij’: het veld, de heide. Dit is een vaak enorm grote ruimte die gebruikt werd om de schapen te weiden. Door ontginning en bebossing (tot ver in onze eeuw) zijn de meeste van deze heidevelden verdwenen.
Van provinciaal belang zijn:
Wegens bovenstaande belangen is het provinciaal beleid gericht op:
De gewenste ontwikkeling vindt deels plaats in het buitengebied en tegen een es aan, waardoor de provinciale belangen zijn afgewogen bij de planvorming van de voorgenomen ontwikkeling. Het plan is uitvoering met de provincie besproken en de provincie heeft tijdens het vooroverleg ingestemd met het plan.
Om te komen tot een goede inrichting vanuit de kernkwaliteit landschap is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie 2.2.3), waarin rekening is gehouden met de afhechting van het dorp Zuidwolde. Uit het beeldkwaliteitsplan en de regels die daaraan worden verbonden in het omgevingsplan, volgt dat het realiseren van Middelveen V alszijnde nieuwe dorpsrand van Zuidwolde voldoende rekening houdt met de kernkwaliteit landschap uit de Omgevingsvisie Drenthe.
Kernkwaliteit Aardkundige waarden - Beschermingsniveau Hoog
De identiteit van Drenthe en het Drentse landschap wordt sterk bepaald door het natuurlijke bodem- en grondwatersysteem. Kenmerkende aardkundige elementen, de opbouw van de ondergrond (bijvoorbeeld de aanwezigheid van keileem en het voorkomen van bijzondere bodems) en actieve geologische processen (bijvoorbeeld meandering en zandverstuiving) worden beschouwd als aardkundig erfgoed. De provincie stelt in deze gebieden voor om mogelijk aardkundige kwaliteiten als inspiratiebron bij ontwikkelingen te gebruiken. In en rondom het plangebied is sprake van een hoge beschermingsniveau voor aardkundige waarden.
Het plangebied ligt in het beschermingsgebied 'Aardkundige waarden - beschermingsniveau hoog'. In gebieden met een hoog beschermingsniveau is het de ambitie om de context en het referentiebeeld van de aardkundige eenheid te behouden of te herstellen. In deze gebieden staat de provincie ontwikkelingen alleen toe als aardkundige kwaliteiten en kenmerken worden behouden. Voorzover dit op deze schaal mogelijk is wordt bij ontwikkeling van het plangebied rekening gehouden met deze kernkwaliteit, zodat deze niet wordt aangetast. Hier wordt in de volgende paragraaf (4.2.2) onder Aardkundige waarden verder op ingegaan, omdat deze kernkwaliteit doorwerking heeft in de provinciale omgevingsverordening.
Kernkwaliteit natuur
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een robuuste, samenhangende structuur van natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden, ecologische verbindingen en agrarische gebieden met hoge natuurwaarden, bijvoorbeeld gebieden met agrarisch natuurbeheer.
Het plangebied grenst direct aan een NNN gebied. In principe geeft dit geen belemmering voor de realisatie van een woonwijk, echter is het niet toegestaan om binnen de begrenzing van het NNN gebied woningbouw te plegen. Een dergelijke ontwikkeling binnen de begrenzing van het NNN-gebied kan zorgen voor onomkeerbare negatieve gevolgen voor de natuurwaarde. De voorgenomen ontwikkeling van Middelveen V in Zuidwolde maakt geen woningbouw mogelijk binnen NNN-gebied.
Conclusie
De voorgenomen woningbouwontwikkeling van Middelveen V in Zuidwolde is in overeenstemming met de kernkwaliteiten zoals benoemd in de omgevingsvisie van de provincie Drenthe. Er hoeven geen aanvullende maatregelen worden getroffen of regelingen worden opgenomen.
Met de Omgevingsverordening 2024 vertaalt de provincie Drenthe de omgevingsvisie Drenthe door naar een verordening voor de planologisch relevante aspecten in de fysieke leefomgeving. De omgevingsverordening schrijft voor dat, wanneer bij een ruimtelijk project kernkwaliteiten betrokken zijn, deze in het project uiteengezet worden. Daarbij wordt aangegeven in welke mate het project bijdraagt aan het behoud en de ontwikkeling van de betrokken kernkwaliteiten. De Omgevingsvisie Drenthe en de uitwerkingen daarvan geven hiervoor aanwijzingen.
Het projectgebied voor woningbouw ligt zowel binnen als buiten het bestaand stedelijk gebied. Op grond hiervan gelden de volgende instructieregels uit de omgevingsverordening.
De volgende regels uit de Omgevingsverordening provincie Drenthe zijn van toepassing op het plangebied:
Artikel 3.1 Kernkwaliteit Landschap
Zoals al aangegeven in paragraaf 4.2.1 is het plangebied gelegen in de Kernkwaliteit landschap (esdorpenlandschap en gebiedsaanduiding wegpanorama). In het omgevingsplan is gehouden aan de volgende randvoorwaarden:
In paragraaf 2.2.1 en 2.2.2 wordt ingegaan op de ruimtelijke inpassing van de gewenste woningbouwontwikkeling en in 2.2.3 op de randvoorwaarden met betrekking tot de beeldkwaliteit. Door rekening te houden met de uitgangspunten uit deze paragrafen wordt voldoende rekening gehouden met de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving. De kernkwaliteit landschap wordt niet aangetast.
Artikel 3.4 lid 3 Kernkwaliteit Aardkundige Waarden
Het plangebied ligt binnen het gebied 'Aardkundige waarden - Beschermingsniveau Hoog', waardoor het omgevingsplan:
In het tweede lid van artikel 3.4 is aangegeven welke kernkwaliteiten van toepassing zijn op het plangebied. Deze staan in bijlage 3 Kernkwaliteiten Aardkundige waarden bij de omgevingsverordening.
Voor het Hoog beschermingsniveau geldt: "Instandhouding van de macrogradiënt, bodemopbouw, reliëf en gradiëntsituaties. De aardkundige kenmerken zijn normerend voor wat mogelijk is. Deze gebieden moeten in omgevingsplannen via een dubbelfunctie beschermd worden. Waterbeheer, terrein- en landschapsbeheer moeten zodanig zijn dat de kenmerken in stand worden gehouden. Ontgronding ten behoeve van zandwinning is niet toegestaan. Aanleg van nieuwe infrastructuur moet worden vermeden. Normaal landbouwkundig gebruik is mogelijk, echter, verandering van inrichting en beheer, zoals diepploegen en egalisatie zijn verboden. Aanleg van drainage is alleen mogelijk wanneer dit niet leidt tot aantasting van de aardkundige kenmerken van gebieden en eenheden".
Om te onderzoeken of in het plangebied de aardkundige waarden al zijn aangetast is een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd door ingenieursbureau MUG. De resultaten van dit onderzoek worden ook behandeld in 5.11. Uit de onderzoeksresultaten volgt dat er geen nader archeologisch onderzoek nodig is binnen het onderzoeksgebied (plangebied voor Middelveen V) en dat de gronden kunnen worden vrijgegeven voor het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling. Het bevoegd gezag, de gemeente De Wolden, heeft het onderzoeksrapport beoordeeld en onderschrijft bovenstaand advies.
Met bovenstaande is aangetoond dat er voldoende invulling is gegeven aan instructieregel 3.4 uit de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 3.16 Woningbouw, lid 1
Lid 1 van dit artikel uit de provinciale omgevingsverordening stelt dat woningbouw in het landelijk gebied mogelijk is, mits het aansluit op het bestaand stedelijk gebied en het plan de behoefte aantoont die in de woonvisie genoemd is.
De beoogde woningbouwontwikkeling van Middelveen V sluit aan op het bestaand stedelijk gebied van Zuidwolde. Er wordt aangesloten bij de al gerealiseerde uitbreidingswijk Middelveen IV.
In de woon(zorg)visie heeft gemeente De Wolden de ambitie geformuleerd om tot 2030 750 tot 1.000 woningen toe te voegen. Eind maart 2025 is deze ambitie bijgesteld naar 810 tot 1.060 extra woningen tot 2030. Hiervan zouden 213 tot 279 woningen in Zuidwolde gerealiseerd moeten worden. Met 146 extra nieuwe woningen én één bestaande bedrijfswoning betekent de ontwikkeling van Middelveen V een aanzienlijke bijdrage levert aan de behoefte uit de woonvisie van de gemeente. Hiermee toont het plan de behoefte aan die genoemd is in de woonvisie van de gemeente.
Uit voorgaande blijkt dat wordt voldaan aan de instructieregel uit artikel 3.16 lid 1 van de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 3.21 Mobiliteit
Artikel 3.21 geeft aan dat inzicht moet worden verkregen op de verkeersbewegingen die van wezenlijke invloed kunnen zijn op de verkeersafwikkeling via bestaande infrastructuur. Dit zijn:
Paragraaf 5.2 gaat in op het aspect mobiliteit. Ten behoeve van het voorliggend omgevingsplan is een mobiliteitstoets uitgevoerd. Hieruit blijkt dat binnen het plangebied wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen om de parkeerbehoefte op te lossen. Het omliggende (Basisnetwerk) wegennet kan de verkeerstoename vanuit de beoogde ontwikkeling probleemloos vlot en veilig verwerken, met uitzondering van de Middelveenseweg. Geadviseerd wordt om deze weg plattelandsweg te verbreden om de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid voldoende te waarborgen.
Uit voorgaande blijkt dat er voldaan wordt aan artikel 3.21 uit de provinciale omgevingsverordening.
Conclusie omgevingsverordening Drenthe
De voorgenomen woningbouwontwikkeling van Middelveen V in Zuidwolde is niet is strijd met de relevante instructieregels uit de omgevingsverordening van de provincie Drenthe. Er hoeven geen aanvullende maatregelen worden getroffen of regelingen worden opgenomen.
Bij de woningbouwontwikkeling van Middelveen V in Zuidwolde wordt rekening gehouden met de toegekende kernkwaliteiten uit de omgevingsvisie en wordt voldaan aan de instructieregels uit de omgevingsverordening van de provincie Drenthe. Uit het voorgaande blijkt dat de provinciale belangen voldoende zijn geborgd.
Op 27-10-2022 heeft gemeente De Wolden de structuurvisie 'Samen aan zet! Toekomstvisie 2022-2040 van gemeente De Wolden' vastgesteld. Deze toekomstvisie is de opvolger van de toekomstvisie die De Wolden in 2005 heeft gemaakt. De gemeenteraad heeft de opdracht gegeven om één integrale visie te maken, waarin de sociale en fysieke leefomgeving met elkaar verbonden zijn. Daarom wordt deze toekomstvisie ook als omgevingsvisie gebruikt in het kader van de Omgevingswet.
De toekomstvisie bevat 3 hoofdambities:
De hoofdambities hebben doorwerking in 6 thema's:
De thema’s zijn in de toekomstvisie individueel uitgewerkt, waarbij de inhoud naar de geest van de Omgevingswet zoveel mogelijk integraal is benaderd.
Voor de voorgenomen ontwikkeling van Middelveen V zijn de eerste twee thema's relevant. Hieronder wordt ingegaan op elk van de vier relevante thema's en bijbehorende leidraad voor de fysieke leefomgeving.
Positieve gezondheid
Positieve Gezondheid verbindt de fysieke en mentale gezondheid aan zingeving, kwaliteit van leven, meedoen in de samenleving en het dagelijks functioneren. Een brede benadering die zich richt op zowel bescherming als bevordering van de gezondheid. Het concept Positieve Gezondheid focust op krachten in plaats van klachten en draagt zo bij aan het vitaal houden van de samenleving.
Om inzichtelijk te maken hoe het planvoornemen bijdraagt aan het bevorderen van het thema positieve gezondheid is een 'quickscan gezonde leefomgeving' uitgevoerd. Deze quickscan wordt behandeld in paragraaf 5.16. Hieruit volgt dat het plan bijdraagt aan het creëren van een gezonde leefomgeving. Er wordt daarmee aangesloten bij het thema 'Positieve gezondheid' uit de toekomstvisie.
Wonen en leven
De Wolden is het groene hart van de regio waar het prettig en ruim wonen is. Deze kwaliteit willen we uitdragen in de regio en daarbuiten. Om de gevolgen van vergrijzing het hoofd te bieden en de kwaliteit en kwantiteit van het voorzieningenniveau te verhogen, willen we meer (jonge) mensen uit de regio aan de gemeente verbinden. In samenwerking met de Regio Zwolle willen wij een bijdrage leveren aan de woningbouwopgave van de regio en zetten we in op groei van het aantal woningen. Hierbij zien we nieuwbouw als een flexibele opgave die meebeweegt met de tijd. We zetten in op beheerste uitbreiding van de kleine dorpen en grootschalige uitbreiding (extra groei) van de kerndorpen.
In de kerndorpen (Zuidwolde, de Wijk, Ruinen, Ruinerwold en Koekange) en in Alteveer-Kerkenveld willen we uitbreiding toestaan. Daarnaast moeten nieuwe ontwikkelingen passen binnen de aard en de schaal van het landschap en zich laten inspireren door de cultuurhistorie van het gebied waar de ontwikkeling plaatsvindt. Ook moeten nieuwe woningbouwinitiatieven zoveel mogelijk klimaatadaptief worden ingericht, met aandacht aan het leefklimaat in en rond de woningen.
De voorgenomen ontwikkeling van Middelveen V is een grootschalige uitbreiding (extra groei) van het kerndorp Zuidwolde. Daarnaast wordt met het inrichtingsplan en het vastgestelde BKP aandacht besteed aan het waarborgen van de bestaande cultuurhistorie van het gebied. Ook wordt er een natuurontwikkeling mogelijk gemaakt, waardoor het planvoornemen aandacht besteedt aan klimaatadaptiviteit. Met de ontwikkeling wordt daarnaast een bijdrage geleverd aan de woningbouw in de regio en gemeente. Uit voorgaande volgt dat de voorgenomen ontwikkeling passend binnen het thema 'wonen en leven' van de toekomstvisie.
Conclusie Toekomstvisie
De voorgenomen ontwikkeling is passend binnen de beleidskaders uit de toekomstvisie 2022-2040 van gemeente De Wolden.
Er is steeds vaker sprake van extreme weersomstandigheden. De huidige inrichting van onze gemeente is hier niet op berekend. Onze infrastructuur, inrichting en bebouwing is van goede kwaliteit, maar nog niet klaar voor het veranderende klimaat. Daarom is het belangrijk om klimaatadaptatie stevig te integreren in de plan- en besluitvorming. Het Klimaatadaptatieplan 2023-2028 maakt inzichtelijk welke gevolgen van het veranderende klimaat er in de gemeente De Wolden wel en niet worden geaccepteerd en hoe de gemeente daarmee omgaat in de komende 6 jaar.
Klimaatadaptatie-eisen bij nieuwbouw
Onderdeel van het Klimaatadaptatieplan van gemeente De Wolden is de beslisboom voor klimaatadaptatie-eisen bij (nieuw)bouw:
In paragraaf 5.13 'Water' wordt toegelicht hoe er in het plangebied rekening wordt gehouden met de bovenstaande klimaatadaptie-eisen bij nieuwbouw. Hieruit volgt dat bij de ontwikkeling van de stedenbouwkundige opzet is ruimschoots rekening gehouden met bovenstaande.
Algemeen
De Wolden is een aantrekkelijke plek om te wonen. Het is een landelijke gemeente met een grote diversiteit aan landschappen en groenstructuren. Het is een goed bereikbare gemeente en de voorzieningen binnen de gemeente zijn over het algemeen goed bereikbaar voor de inwoners.
De Wolden heeft, zoals het hele land, te maken met verschillende uitdagingen op de woningmarkt en in de volkshuisvesting. Er is een tekort aan woningen en vooral starters en jonge huishoudens vinden moeilijk een woning, de huizenprijzen stijgen, het aantal woningzoekenden met een zorgvraag neemt toe en de bouwkosten stijgen.
De gemeente De Wolden heeft het beleidsdocument 'Woon(zorg)visie' opgesteld om vorm te geven aan bovenstaande opgaven. Hieronder wordt ingegaan aan hoe de voorgenomen ontwikkeling van Middelveen V invulling geeft aan het beleid uit de Woon(zorg)visie.
Ambities woon(zorg)visie
De gemeente De Wolden werkt aan een toekomstbestendige woonvoorraad. De Wolden verwacht een huishoudensgroei, enerzijds omdat mensen van buiten de gemeente naar De Wolden verhuizen en anderzijds omdat er steeds meer kleine huishoudens zijn. In de woon(zorg)visie 2023-2027, Veelzijdig wonen in De Wolden!, staan de zes ambities genoemd die De Wolden in dit kader heeft geformuleerd voor de komende jaren:
Het woon(zorg)visie zet vooral in op het realiseren van betaalbare woningen voor starters en wil ook de doorstroming op gang brengen. Er is vooral behoefte aan betaalbare en middeldure woningen.
Uitwerking in ontwikkeling van Middelveen V in Zuidwolde
De ontwikkeling van Middelveen V in Zuidwolde sluit aan bij verschillende ambities uit de woon(zorg)visie.
In de woon(zorg)visie heeft de gemeente de ambitie geformuleerd om tot 2030 750 tot 1.000 woningen toe te voegen. Eind maart 2025 is deze ambitie bijgesteld naar 810 tot 1.060 extra woningen tot 2030. Hiervan zouden 213 tot 279 woningen in Zuidwolde gerealiseerd moeten worden. Met 146 extra woningen betekent de ontwikkeling van Middelveen V een aanzienlijke bijdrage aan het uitbreiden van de woningvoorraad in de gemeente.
De Wolden wil de kansen voor starters op de woningmarkt vergroten. Een deel van hen zoekt een huurwoning, maar ook een aanzienlijk deel is op zoek naar een koopwoning. Veel starters zijn afkomstig uit de gemeente en willen graag in of vlak bij het eigen dorp blijven wonen. Met 30 sociale huurwoningen, die voor een deel expliciet gericht zijn op starters, en 32 betaalbare koopwoningen, die goed aansluiten op het budget van starters leidt de ontwikkeling van Middelveen V tot een gewenste uitbreiding voor de jonge(re) doelgroep.
Naast betaalbare woningen is in De Wolden ook behoefte aan middeldure woningen. Met 58 middeldure woningen voorziet Middelveen V ook hierin.
Voor Middelveen V zijn verschillende soorten woningen voorzien, variërend van sociale huur tot betaalbare, middeldure en dure woningen. Ook binnen deze categorieën is gekozen voor verschillende typologieën, zoals levensloopbestendige woningen, rug-aan-rugwoningen, rijwoningen, appartementen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. Dit moet ertoe leiden dat met Middelveen V een gemengde wijk ontstaat, waar verschillende doelgroepen een nieuw (t)huis kunnen vinden. De gemeente streeft naar gemengde en levensloopbestendige wijken. Dit draagt eraan bij dat mensen zoveel mogelijk binnen de bestaande sociale infrastructuur blijven wonen. Middelveen V sluit aan op deze wens. Een grote variëteit aan woningen leidt er ook toe dat de doorstroming op de woningmarkt op gang komt, wat een positief effect heeft op de beschikbaarheid van met name betaalbare woningen.
Het geplande programma voor Middelveen V sluit goed aan op het woningbouwprogramma van De Wolden en past binnen het streven naar een duurzame en toekomstbestendige woningvoorraad. Het programma van Middelveen V komt tegemoet aan de nadruk die De Wolden legt op starters en senioren. Al met al is de conclusie dat de ontwikkeling van Middelveen V aansluit op het gemeentelijke woonbeleid en bijdraagt aan het realiseren van de ambities die De Wolden heeft vastgelegd in de woon(zorg)visie.
In het Actieplan Klimaat en Energie 2021-2024 staat hoe de gemeente ervoor wil zorgen dat in 2040 de hele gebouwde omgeving van De Wolden energieneutraal is. De gemeente wil dit bereiken door het gasverbruik volledig te verduurzamen en steeds meer duurzame elektriciteit op te wekken. In het Actieplan wordt ingezet op het goede voorbeeld geven als gemeente, toegankelijke mogelijkheden voor financiering van energiebesparing en –opwekking en het ondersteunen van lokale (duurzaamheids)initiatieven.
De ambities uit het Actieplan Klimaat en Energie zijn direct van toepassing op woningbouw in de gemeente De Wolden. Nieuwe woningbouwprojecten, zoals Middelveen V in Zuidwolde, worden ontwikkeld met het doel om bij te dragen aan een energieneutrale gebouwde omgeving in 2040. Dat betekent dat bij het ontwerp en de realisatie van nieuwe woningen al vanaf het begin rekening wordt gehouden met duurzaamheid, energie-efficiëntie en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen. Denk daarbij aan goed geïsoleerde woningen, zonnepanelen, warmtepompen in plaats van gasaansluitingen en voorzieningen voor lokale energieopwekking.
Daarnaast speelt het beperken van de energievraag een belangrijke rol. Door in te zetten op slimme indeling, hoogwaardige bouwmaterialen en duurzame installaties kunnen nieuwbouwwoningen significant minder energie verbruiken. Dit sluit aan bij de doelstelling om het gasverbruik te verlagen en het resterende verbruik volledig in te vullen met groen gas. Ook stimuleert de gemeente lokale energie-initiatieven en samenwerking met bewoners en ontwikkelaars, wat leidt tot integrale wijkaanpakken waarbij energie, klimaatadaptatie en leefbaarheid hand in hand gaan.
Woningbouwprojecten zoals Middelveen V vormen dus een belangrijk middel om de klimaatambities concreet te maken. Elk huis dat energieneutraal gebouwd wordt, draagt bij aan het behalen van de doelen voor 2030 en 2040. Bovendien zorgen deze duurzame woningen niet alleen voor een lagere ecologische voetafdruk, maar ook voor lagere energiekosten voor bewoners, wat past binnen het streven naar een sociaal rechtvaardige energietransitie.
Door de ambities uit het Actieplan Klimaat en Energie actief toe te passen in de ruimtelijke ontwikkeling van Middelveen V, creëert De Wolden een toekomstbestendige woonomgeving.
Bij de woningbouwontwikkeling van Middelveen V in Zuidwolde wordt rekening gehouden met de geldende beleidskader van gemeente De Wolden. Uit het voorgaande blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling van Middelveen V in Zuidwolde passend is binnen het beleid van gemeente De Wolden.
Op basis van de Omgevingswet moeten gemeenten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Dit wordt bereikt door activiteiten en functies te reguleren en te koppelen aan locaties voor het gemeentelijke grondgebied. Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een ETFAL, rekening houdend met alle betrokken belangen. De instructieregels van het Rijk (Besluit kwaliteit leefomgeving) en de provincie (provinciale verordening) geven mede invulling aan de ETFAL.
De aard, omvang en locatie van de activiteit(en) zijn bepalend voor de milieu-, en omgevingsaspecten en andere thema's die onderzocht moeten worden als onderdeel van de motivering van de wijziging van het Omgevingsplan. Dit is nodig met het oog op de ETFAL. In onderstaande paragrafen wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. De milieuaspecten trilling, (slag)schaduw en windhinder worden in dit hoofdstuk niet behandeld, aangezien deze thema's niet relevant zijn voor dit plan. Het plangebied ligt niet in de directe omgeving van een spoor. Daarnaast spelen (slag)schaduw en windhinder vooral een rol bij hoogbouw en windmolens, wat in dit geval niet aan de orde is.
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke activiteiten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Activiteiten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt.
Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een plan, de locatie van een plan en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1 van de Omgevingswet). In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob).
De beoogde ontwikkeling wordt gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject. Categorie J11 uit Bijlage V van het Ob is van toepassing. Hiervoor geldt een project-mer-beoordelingsplicht. De mer-beoordelingsnotitie is opgenomen in bijlage 6. Uit de informatie in de notitie blijkt dat de kenmerken en de plaats van het project geen aanleiding vormen voor het doorlopen van een mer-procedure.
Significant nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het doorlopen van een mer-procedure is niet noodzakelijk.
Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het Bkl stellen geen regels op het gebied van verkeer.
Voor het aspect parkeren dient aangetoond te worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is voor het opvangen van de beoogde parkeerbehoefte en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet. De CROW-richtlijnen blijven net als in de huidige praktijk belangrijk bij de beoordeling van verkeer en parkeren.
Daarnaast is Artikel 3.21 uit de POV van toepassing op het plangebied:
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Landelijk Gebied met nieuwe woningbouwlocaties, voorzieningen, kantoren, (dag)recreatieve voorzieningen of bedrijven, die verkeersbewegingen kunnen veroorzaken die van wezenlijke invloed zijn op de verkeersafwikkeling via bestaande infrastructuur, geven inzicht in:
Ten behoeve van het voorliggend omgevingsplan is een mobiliteitstoets uitgevoerd. De mobiliteitstoets is als bijlage 6 opgenomen in de motivering. Uit de mobiliteitstoets blijkt het volgende.
Ontsluiting
Langzaam verkeer
Het langzaam verkeer wordt aan de oostelijke zijde van de projectlocatie ontsloten op het langzaam verkeersnetwerk van de naastgelegen woonwijk. Er bevinden zich in deze woonwijk geen fietspaden. Voor fietsers is vanaf de Tripklompen een fietspad dat in oostelijke richting leidt naar de Ommerweg. Aan de westzijde van de Ommerweg, in de rijrichting naar het zuiden, ligt een vrijliggend fietspad dat in beide richtingen gebruikt kan worden. Daarnaast wordt een nieuwe ontsluiting voor langzaam verkeer aangelegd richting de Middelveenseweg. In noordelijke richting bevinden zich op de Ommerweg aan beide zijden van de weg fietssuggestiestroken.
Er bevinden zich in de naastgelegen woonwijk voldoende voetpaden. In het plan zullen ook voldoende voetpaden worden gerealiseerd. Voetgangers en personen die gebruik maken van mobiliteitshulpmiddelen (rolstoel, scootmobiel) kunnen zich daardoor binnen de woonwijk veilig verplaatsen.
Openbaar vervoer
Op ongeveer 350 meter loopafstand van de projectlocatie bevinden zich twee bushaltes aan weerszijden van de Ommerweg. Elk uur vertrekt hier een bus richting Hoogeveen of Dedemsvaart. Per bus is het gebied daardoor goed bereikbaar.
Gemotoriseerd verkeer
Het plangebied is gelegen tussen de Middelveenseweg aan de westzijde en de Landschapslaan/Turflaan aan de oostzijde. De Middelveenseweg (60 km/uur) is een erftoegangsweg gelegen buiten de bebouwde kom. Deze weg wordt grotendeels gebruikt voor bestemmingsverkeer richting de agrarische bedrijven en percelen gelegen aan deze weg. Er zal geen ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer plaatsvinden richting de Middelveenseweg. De Landschapslaan/Turflaan (30 km/uur) is een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom. Via deze weg kan de gebiedsontsluitingsweg Ommerweg worden bereikt. Via deze weg kan in noordoostelijke richting via de Slagendijk de N48 worden bereikt. De N48 staat in noordelijke richting in verbinding met de A28 en de A37. In zuidelijke richting staat de N48 in verbinding met de N377.
Verkeer
De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 1.123 motorvoertuigen per etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Het plangebied wordt ontsloten via de Landschapslaan en de Turflaan. De toename op de Landschapslaan bedraagt 674 mvt/etmaal en op de Turflaan 450 mvt/etmaal. De toekomstige verkeersintensiteiten stijgt naar 1.091 mvt/etmaal op de Landschapslaan en 966 op de Turflaan. Vooropgesteld dat de verkeersafwikkeling afhankelijk is van de inrichting van wegvakken en kruispunten, kan worden gesteld dat uit de verkeerskundige praktijk blijkt dat het verkeer op 30 km/u-wegen tot een omvang van 4.000 à 6.000 mvt/etmaal veelal vlot en veilig kan worden afgewikkeld. Aangezien de toekomstig verkeersintensiteit ook na realisatie van het plan hier (ruim) onder blijft, kan worden geconcludeerd dat de verkeersafwikkeling voldoende gewaarborgd zal zijn.
Parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering'. Het plangebied is ingeschaald als 'gematigd stedelijk'. Zoals blijkt uit tabel 5.1 heeft de beoogde ontwikkeling voor de verschillende typen woningen een totale parkeerbehoefte van 230,7 parkeerplaatsen. Er zullen 236 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. De parkeerbalans is zodoende positief. In de verkaveling is voldoende ruimte aanwezig om deze parkeerplaatsen te realiseren op eigen terrein en in het openbare gebied. In tabel 5.2 is de parkeerbalans per kwadrant weergegeven. Bij de rijwoningen en gestapelde woningen is het niet mogelijk om op eigen terrein te parkeren, hiermee is rekening gehouden.
Tabel 5.1: Parkeerbalans
|
Parkeerbalans – Middelveen V Zuidwolde
Zone gematigd stedelijk - per woningtype |
||||||||
| Woningtype | Bewonersnorm | Bezoekersnorm | Totale Norm | Aantal woningen | Te realiseren | Op eigen terrein | Op openbaar terrein | Gerealiseerd |
| Sociale huur | 1,3 | 0,3 | 1,6 | 30 | 48 | 0 | 48 | |
|
Rijwoningen/ Gestapeld |
1,5 | 0,3 | 1,8 | 90 | 162 | 0 | 162 | |
| Tweekappers & Vrijstaand | 1,7 | 0,3 | 2,0 | 26 | 52 | 31,3 | 20,7 | |
| Totaal | 262 | 31,3 | 230,7 | 236 | ||||
| Balans |
+ 5,3 (236-230,7 |
|||||||
Tabel 5.2: Parkeerbalans per kwadrant
| Norm | Gerealiseerd | Balans | |
| Groene Vingers | 22,2 | 22 | -0,2 |
| Parkappartementen | 36 | 30 | -6 |
| De Velden | 47,6 | 52 | 4,4 |
| De Bosrand | 5,2 | 11 | 5,8 |
| De Akkers | 59,6 | 64 | 4,4 |
| Het Woonerf | 60,1 | 57 | -3,1 |
| Totaal parkeerbalans | 230,7 | 236 | +5,3 |
Binnen het plangebied wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen om de parkeerbehoefte op te lossen. Het omliggende wegennet kan de verkeerstoename vanuit de beoogde ontwikkeling probleemloos vlot en veilig verwerken, met uitzondering van de Middelveenseweg. Geadviseerd wordt om deze weg plattelandsweg te verbreden om de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid voldoende te waarborgen
Wanneer een geluidgevoelig gebouw mogelijk wordt gemaakt zal bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening gehouden moeten worden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Dit betekent dat bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied een belangenafweging zal moeten worden gemaakt en deze goed zal moeten worden gemotiveerd.
Daarnaast zal de wijziging van het omgevingsplan erin moeten voorzien dat het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein op geluidgevoelige gebouwen binnen een aandachtsgebied aanvaardbaar is (artikel 5.78s, tweede lid, Bkl). Het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw door een weg, spoorweg of industrieterrein is in ieder geval aanvaardbaar als dit niet hoger is dan de standaardwaarde uit tabel 5.78t uit het Bkl. Ook moet de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op een geluidgevoelig gebouw moeten worden beoordeeld (artikel 5.78s, derde lid jo. 5.78ac Bkl).
Tabel 5.3: Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort
| Geluidbronsoort | Standaardwaarde Lden [dB]2,3 | Grenswaarde Lden[dB] | Grenswaarde Lden[dB] | ||
| Vaststellen geluidproductieplafonds Aanleg/wijziging wegen/lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds |
Nieuw geluidgevoelig gebouw | ||||
| Provinciale wegen
Rijkswegen |
50 | 651 | 60 | ||
| Gemeentewegen Waterschapswegen |
53 | 70 | 70 | ||
| Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen |
55 | 70 | 65 | ||
| Industrieterreinen | 50 Lden/40 Lnight | 60 Lden/50 Lnight | 55 Lden/45 Lnigh | ||
Indirecte effecten
Indirecte effecten kunnen worden veroorzaakt door een toename van de verkeersintensiteit veroorzaakt op een weg of spoorweg. De toename door invloed van het initiatief mag in beginsel niet leiden tot een toename van de geluidbelasting met meer dan 1,5 dB ten opzichte van de bestaande situatie. Een toename van meer dan 1,5 dB is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen, dan wel de toename zoveel als mogelijk wordt beperkt en wordt voldaan aan de grenswaarden volgens tabel 5.3. De indirecte effecten vanwege veranderend verkeer hoeven alleen te worden beoordeeld voor gemeentewegen, waterschapswegen met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 mvt/etmaal, niet zijnde een woonerf.
De ontwikkeling betreft het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen met woonfuncties binnen het geluidaandachtsgebied van de geluidbronsoort gemeentewegen. Aangetoond moet worden dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en dat het geluid aanvaardbaar is. Om de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting op de nieuwe woningen te onderzoeken is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het complete onderzoek is te raadplegen in bijlage 8.
Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de gevels ten hoogste Lden = 53 dB bedraagt. De standaardwaarde van Lden = 53 dB niet wordt overschreden
Indirecte hinder
Uit het onderzoek blijkt dat alleen op de Landschapslaan het aantal mvt/etmaal boven de 1.000 ligt. Op deze weg ligt de verkeerstoename boven de 40%. Er bevinden zich verschillende woningen aan de Landschapslaan. Uit een indicatieve berekening blijkt dat de geluidbelasting ter hoogte van de bestaande woningen ten hoogste Lden = 51 dB bedraagt. De standaardwaarde van Lden = 53 dB wordt niet overschreden. De toename van de geluidbelasting op de omliggende woningen kan zodoende als aanvaardbaar wordt beschouwd. Er is daarmee geen sprake van indirecte akoestische effecten.
Bovenstaande in acht nemend zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Het aspect 'geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.
Geluid is relevant in het licht van de aangevraagde activiteit omdat geluidgevoelige gebouwen (woningen) worden toegelaten waarop geluid wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. De instructieregel van paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl zijn van toepassing. In deze instructieregels is onder meer bepaald dat het geluid door een activiteit op de nieuw te bouwen woningen aanvaardbaar moet zijn.
Met de voorgenomen ontwikkeling worden geluidgevoelige gebouwen gerealiseerd. Er worden geen geluidveroorzakende activiteiten gerealiseerd. In de directe omgeving kunnen zich (bedrijfs)activiteiten bevinden die van invloed zijn op de geluidsbelasting op de nabijgelegen geluidgevoelige bebouwing. In onderstaande alinea wordt hier verder op ingegaan.
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen (bedrijfs)activiteiten. Ten noorden en oosten van het plangebied bevinden zich woonwijken. Op de Turflaan 1a geldt de bestemming 'Dienstverlening'. Op deze locatie bevindt zich een tandartspraktijk. Tussen de beoogde woonwijk en het bedrijf zijn reeds bestaande woningen gelegen. Deze woningen zijn maatgevend, waardoor het beoogde plan niet belemmerend kan zijn voor het bedrijf. Er kan worden voldaan aan de standaardwaarden.
Aan de zuidoostzijde ligt een bosgebied. Aan de west- en zuidzijde van het plangebied grenzen agrarische percelen, enkele woningen en een kleinschalig bosgebied. Op de aangrenzende percelen zijn geen (agrarische) bedrijven gevestigd die mogelijk een relevante geluidsbelasting veroorzaken op de beoogde woningen. In de omgeving van het plangebied zijn geen (bedrijfs)activiteiten aanwezig, hierdoor kan worden voldaan aan de standaardwaarden. Daarnaast vormen de beoogde woningen geen belemmering voor de aanwezige (bedrijfs)activiteiten in de omgeving (die op grote afstand liggen), aangezien bestaande woningen zich op kortere afstand bevinden en daarmee de beschikbare milieugebruiksruimte al inperken.
Op de Middelveenseweg 5 (binnen het plangebied) was een intensieve veehouderij gevestigd. In december 2024 is deze grond eigendom geworden van de gemeente. Door het beëindigen van de pluimveehouderij is er geen toetsing noodzakelijk wat betreft geluid. Op de locatie zullen woningen worden gerealiseerd.
Warmtepompen
In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) worden geluideisen gesteld aan (nieuw te plaatsen) buiten opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking. Het gaat hierbij om warmtepompen en airco's voor woningen en woongebouwen. De installaties mogen niet meer dan 40 dB(A) op de erfgrens veroorzaken. Voorafgaand aan vergunningverlening wordt bepaald met welke installatie aan de norm kan worden voldaan. Hierbij wordt ook rekening gehouden met een plaatsing van de warmtepompen zo ver mogelijk van de erfgrens en met het gecumuleerde geluid.
Er is een aanvaardbare situatie ter plaatse. Vanuit het aspect geluid door activiteiten is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.
Met de beoogd ontwikkeling worden 146 extra woningen mogelijk gemaakt. Het tijdelijke Omgevingsplan is vertrekpunt bij de beoordeling of iets een nieuwe stedelijke ontwikkeling is. In dit geval is de locatie sprake van het toevoegen van 12 woningen of meer ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden. Het toevoegen van 146 woningen ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden is voldoende substantieel.
Het gebied heeft grotendeels een agrarische bestemming. Het betreft daarmee geen bestaand stedelijk gebied volgens de definitie van Artikel 5.129g Bkl, ondanks dat het door de provincie deels wel is aangemerkt als stedelijk gebied. Gelet op het bovenstaande is een Ladderonderbouwing opgesteld, zie bijlage 9. Hierin wordt de woningbehoefte beschreven en gemotiveerd waarom niet (geheel) binnenstedelijk in de behoefte kan worden voorzien.
Op basis van diverse bronnen zoals de Regionale woondeal Zuidwest Drenthe (december 2022) en Regionale woondeal Zuidwest Drenthe (december 2022) blijkt dat er woningbehoefte is in het gebied. De gemeente groeit hard en er zijn veel extra woningen nodig. In de Toekomstvisie 2022-2040 is aangegeven hoe de gemeente daar invulling aan geeft. Bij elke nieuwe ontwikkeling gaat de voorkeur uit naar inbreiding boven uitbreiding. In de kerndorpen (Zuidwolde, de Wijk, Ruinen, Ruinerwold en Koekange) en in Alteveer-Kerkenveld wil de gemeente ook uitbreiding toestaan. In de kerndorpen wordt uitbreiding actief gestimuleerd, ook als de behoefte niet uit het eigen dorp komt. Bij uitbreiding bouwt de gemeente bij voorkeur aansluitend aan de bestaande dorpen.
In de kern Zuidwolde zijn per april 2025 projecten voor in totaal 263 woningen netto, waarvan 144 in Middelveen V. Inmiddels is duidelijk dat er ruimte is voor 146 extra woningen, wat past binnen de afspraken en de berekende behoefte. In Zuidwolde is afgesproken dat 213 tot 279 woningen worden toegevoegd tot 2030 en is de behoefte berekend op 440 woningen tot 2040. Dat betekent dat de locatie Middelveen V noodzakelijk is om in de opgave te kunnen voorzien. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 5,5 hectare. Binnen de kern is deze ruimte niet beschikbaar om te kunnen voorzien in de woningbehoefte aan met name grondgebonden koopwoningen.
Artikel 3.16 lid 1 in provinciale omgevingsverordening stelt dat woningbouw in het landelijk gebied mogelijk is, mits het aansluit op het bestaand stedelijk gebied en het plan de behoefte aantoont die in de woonvisie genoemd is. Daar wordt met dit plan aan voldaan met een duurzame afronding van de wijk Middelveen.
De voorgenomen woningbouw voorziet met maximaal 146 extra woningen én één bestaande bedrijfswoning in een gemengd programma in de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Het is niet mogelijk om de gehele woningbehoefte binnen bestaand stedelijk gebied te accommoderen. Met het toevoegen van woningen op deze locatie aansluitend aan de kern Zuidwolde wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen. Hierbij kan gedacht worden aan de vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29).
In de 'Welstandsnota 2013' heeft de gemeente criteria opgesteld voor bouwplannen. De doelstelling van het welstandsbeleid is het veilig stellen van een basiskwaliteit van de gebouwde omgeving. Daar waar dit gewenst en mogelijk is, zal een verbetering van de kwaliteit van de gebouwde omgeving het doel zijn. In de welstandsnota zijn algemene criteria voor bouwplannen opgesteld.
Een groot gedeelte van de gemeente de Wolden is aangewezen alszijnde 'welstandsvrij'. De gemeente streeft naar een gebalanceerd bebouwingsbeeld voor de voorgenomen ontwikkeling van Middelveen V. Aangezien artikel 12a lid 1 van de Woningwet is komen te vervallen, is het niet langer mogelijk om de Welstandsnota uit 2013 te wijzigen. Volgens artikel 4.19 van de Omgevingswet stelt de gemeenteraad beleidsregels vast voor welstand.
Om de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van een het plangebied te waarborgen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan is toegevoegd aan dit omgevingsplan en geeft duidelijke criteria voor de bebouwing, de indeling van de kavels en de kwaliteit van de openbare ruimte. Dit beeldkwaliteitsplan is opgenomen als bijlage 2. Het beeldkwaliteitsplan moet door de raad worden vastgesteld waarbij via de planregels is geborgd dat deze in de advisering moet worden gebruikt en is een aanvulling op de vastgestelde welstandsnota van de Gemeente De Wolden. Zie ook paragraaf 6.5.
Door het vaststellen van het beeldkwaliteitsplan als beleidsregel op grond van artikel 4.19 van de Omgevingswet heeft o.a. de Adviescommissie voor Omgevingskwaliteit een passend toetsingskader voor welstand.
Om de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van een het plangebied te waarborgen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het (vastgestelde) beeldkwaliteitsplan geldt als toetsingskader voor het uit te brengen advies van de Adviescommissie voor Omgevingskwaliteit. Er wordt een positief welstandsadvies verwacht van de Adviescommissie voor Omgevingskwaliteit. Het aspect welstand vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot soortenbescherming. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden dat de ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Daarom zijn de effecten van de ontwikkeling op flora en fauna onderzocht. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor bepaalde soorten.
Om aan te tonen of de beoogde ontwikkeling invloed heeft op flora en fauna is een quickscan uitgevoerd. Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan natuurbescherming is aanvullend soortgericht onderzoek uitgevoerd naar grote bosmuis, kleine marterachtigen, steenmarter en ringslang. Dit nader inventariserend onderzoek is uitgevoerd om vast te stellen of sprake is van vaste rust- en verblijfplaatsen of essentieel functioneel leefgebied van deze soorten en om te beoordelen of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen uit de Omgevingswet. Uit de quickscan en het nadere onderzoek (zie bijlage 10 wordt het volgende geconcludeerd:
Vogels
Binnen het plangebied zijn gezien de terreinkenmerken en afwezigheid van geschikte bebouwing en geschikt opgaand groen geen jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig. Aangezien er geen nesten zijn aangetroffen, worden er geen belemmeringen verwacht tijdens de werkzaamheden. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied kunnen wel algemene vogelsoorten tot broeden komen. Alle in gebruik zijnde nesten van vogels zijn tijdens het broedseizoen beschermd. Indien de werkzaamheden plaatsvinden tijdens het broedseizoen, zijn negatieve effecten te verwachten op broedvogels.
Vleermuizen
Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn vanwege het ontbreken van geschikte bebouwing en het ontbreken van holten en losliggende schorsdelen in bomen uitgesloten. Mogelijk vormt het plangebied onderdeel van een vliegroute en foerageergebied. Dit betreft echter geen essentieel leefgebied en de ontwikkeling heeft geen negatief effect op de functionaliteit wanneer de bomenrijen zoveel mogelijk donker gehouden blijven.
Grote bosmuis
Uit het onderzoek blijkt dat de grote bosmuis aanwezig is binnen het plangebied, met waarnemingen geconcentreerd in het zuidelijke deel van het gebied. Gezien de aard van de ingreep, bestaande uit sloop en realisatie van woningbouw, wordt aannemelijk geacht dat leefgebied en vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de grote bosmuis worden aangetast of vernietigd. Hiermee is sprake van een overtreding van artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor de grote bosmuis is derhalve een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit vereist.
Kleine marterachtigen en steenmarter
Tijdens het onderzoek zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) vastgesteld. Wel is vastgesteld dat het plangebied geschikt habitat bevat in de vorm van verbindingszones en beschuttingsmogelijkheden. De aanwezigheid van verblijfplaatsen kan daardoor niet volledig worden uitgesloten. Van de steenmarter is vastgesteld dat deze het gebied incidenteel gebruikt als foerageergebied. Vaste rust- en verblijfplaatsen zijn echter niet aangetoond en het plangebied vormt geen essentieel leefgebied, gezien de ruime aanwezigheid van alternatief leefgebied in de omgeving. Omdat aantasting van geschikt leefgebied voor kleine marterachtigen niet op voorhand kan worden uitgesloten, worden deze soorten zekerheidshalve meegenomen in de vergunningprocedure voor de grote bosmuis.
Ringslang
Het plangebied is direct aangrenzend bij een wateroppervlakte dat geschikt habitat vormt voor ringslang. De dichte begroeiingen met zoninstralingen binnen het plangebied kunnen als rustplaats en zonplaats gebruikt worden door ringslang. Bij de voorgenomen werkzaamheden kunnen deze mogelijke rustplaatsen en zonplaatsen vernietigd of verstoord worden. Tijdens het nader onderzoek zijn geen ringslangen waargenomen en zijn geen sporen of vaste rust- en verblijfplaatsen aangetroffen. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het plangebied geen functioneel leefgebied vormt voor de ringslang. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot overtreding van de verbodsbepalingen voor deze soort; vervolgstappen zijn niet nodig.
Overig
Groei- en verblijfplaatsen van beschermde flora, overige grondgebonden zoogdieren, vissen, amfibieën, overige reptielen en ongewervelden zijn gezien de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens uitgesloten. Daarnaast geldt te allen tijde de specifieke zorgplicht.
De resultaten van het nader onderzoek maken duidelijk dat de voorgenomen ontwikkeling leidt tot aantasting van leefgebied en vaste rust- en verblijfplaatsen van de grote bosmuis en mogelijk van kleine marterachtigen. Hiervoor is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Deze vergunning dient te worden onderbouwd met een activiteitenplan waarin mitigerende en compenserende maatregelen zijn opgenomen. Voor steenmarter en ringslang zijn geen vergunningplichtige effecten vastgesteld. Onverminderd geldt gedurende de uitvoering de algemene zorgplicht uit de Omgevingswet. Dit staat de 'niet evident onuitvoerbaarheid' van het plan niet in de weg.
Er zijn gebieden in Nederland die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Hiermee moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden. Bij de beoordeling kan blijken dat sprake is van Natura 2000-activiteiten: dit zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Deze zijn meestal vergunningplichtig. Wanneer hiervan sprake is dienen deze direct te worden aangevraagd om vroegtijdig te kunnen beoordelen of er sprake is van een Evenwichtige Toedeling Van Functies Aan Locaties.
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Hiervoor gelden instandhoudingsdoelstellingen. De instandhouding moet zijn gericht op behoud. Het gaat ook om herstel dat moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in een gunstige staat te brengen. Nederland kent 162 Natura 2000-gebieden.
Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden)
Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Het is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van:
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie heeft in de omgevingsverordening de NNN-gebieden opgenomen.
Bijzondere natuurgebieden en landschappen
Naast de Natura 2000-gebieden kan de Minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen.
Houtopstanden (bos)
Mocht het plan gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen.
Natura 2000-gebieden
Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Dwingelderveld, op 12,6 kilometer afstand (zie figuur 5.2). Overige Natura 2000-gebieden in de omgeving zijn Mantingerzand, Vecht- en Beneden-Reggegebied en Holtingerveld, op respectievelijk 13,8, 14,1 en 16,3 kilometer afstand vanaf het plangebied. Negatieve effecten, met uitzondering van stikstofdepositie, zijn op voorhand uitgesloten, zie bijlage 10. Er liggen verscheidene Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige leefgebieden en habitattypen binnen een straal van 25 km van het plangebied. Om deze reden is een stikstofonderzoek uitgevoerd zie bijlage 12. Er is een berekening van de realisatie- en gebruiksfase gemaakt (zie bijlage 13 en 14). Uit de berekening volgt dat de beoogde ontwikkeling geen negatief effect, als gevolg van stikstofdepositie, heeft op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Voor de uitvoering van het plan geldt daarom ten aanzien van het aspect stikstof in het kader van de Omgevingswet geen vergunningplicht.
Figuur 5.2 Het plangebied (rood omlijnd) t.o.v. Natura 2000 (Bron: EcoReest)
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Uit figuur 5.3 blijkt dat het plangebied grotendeels buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt, met uitzondering van een klein gedeelte aan de zuidzijde van het plangebied. Dit betreft een groenstrook met enkele bomen.
Binnen dit deel van het plangebied worden geen bouwactiviteiten mogelijk gemaakt en het bestaande groen blijft behouden. Het plan maakt geen activiteiten mogelijk die leiden tot onomkeerbare aantasting van de natuurfunctie of de wezenlijke kenmerken/waarden van het NNN. Er is geen sprake van de vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen NNN-gebieden.
Figuur 5.3 Globale ligging plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het NNN (groen) (bron: Rho Adviseurs)
Bijzondere natuurgebieden en landschappen
In het Drentse ruimtelijk beleid is naast bescherming van natuur binnen het NNN ook aandacht voor bescherming van natuur buiten het NNN, namelijk in bijzonder provinciale natuurgebieden en ganzenrustgebieden (Provincie Drenthe – Omgevingsvisie, 2022). In Drenthe is momenteel één gebied aangewezen als bijzonder provinciaal natuurgebied: Landgoed Overcingel. Dit gebied ligt in Assen, op meer dan dertig kilometer afstand. Het plangebied ligt niet in ganzenrustgebieden (Provincie Drenthe – Omgevingsvisie, 2024). Het voorgenomen plan heeft gezien de afstand tot de aangewezen gebieden en de aard en omvang geen effect op natuurgebieden buiten het NNN. Vervolgstappen zijn niet aan de orde.
Houtopstanden
De insteek is om zoveel mogelijk opgaand groen binnen het plangebied te behouden. Het behoud van bestaande en waardevolle bomen heeft invloed gehad op de inrichting van het plangebied. Dit is opgenomen in het reeds vastgestelde stedenbouwkundig plan.
Op enkele locaties binnen het plangebied zal bomenkap plaatsvinden. Dit betreft onder meer de verwijdering van een bosje ten behoeve van de realisatie van twee kavels aan de Middelveenseweg. Daarnaast gaat het om de kap van veelal omhooggeschoten groen met geringe omvang als gevolg van het uitblijven van beheer.
Voor de kap zijn de rijksregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing, aangezien een groot deel van de te vellen houtopstanden zich buiten de bebouwingscontour voor houtkap bevindt (zie figuur 5.4) en niet valt onder de uitzondering van de meldplicht of herbeplantingsplicht.
Er geldt een meldingsplicht voor het vellen van bomen, waarbij de melding uiterlijk vier weken van tevoren moet worden gedaan, en niet eerder dan één jaar voorafgaand aan de kap. Aan deze verplichting zal worden voldaan. Daarnaast worden mitigerende maatregelen getroffen. De compensatie van de te kappen bomen is eventueel mogelijk binnen de natuurontwikkeling in het plangebied.
Figuur 5.4 Ligging plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van bebouwingscontour houtkap (roze gearceerd) (bron: EcoReest)
Wat betreft gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan een ETFAL.
Rijk
In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) heeft het Rijk 21 nationale belangen geformuleerd (zie ook)Dit zijn belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau ontstijgen en vragen om nationale politiek-bestuurlijke aandacht. Eén van die belangen is het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. Voor dit vestigingsklimaat is de radioastronomie van belang. De NOVI geeft hierover aan: "Nederland wil in verschillende vakgebieden (onder andere radio-astronomie) tot de wereldtop blijven behoren. De opgave in deze is om essentiële grootschalige wetenschappelijke infrastructuur, die voor haar functioneren afhankelijk is van een storingsvrije omgeving, te beschermen door een storingsvrije omgeving te waarborgen." Het Rijk ziet erop toe dat de kwaliteit van deze infrastructuur binnen de leefomgeving gewaarborgd blijft.
Provincie
De provincie wil garanderen dat de radioastronomie zich kan blijven ontwikkelen en dat verstoring van activiteiten die daarmee samenhangen wordt voorkomen. Om dat te bewerkstelligen, liggen er beschermingszones rondom de LOFAR-radiotelescoop, waar beperkingen gelden inzake de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden ter voorkoming van elektromagnetische straling. Een kernbegrip hierbij is het begrip 'verstoring'. Elektrische en elektronische apparatuur zendt, onbedoeld, radiogolven uit en kan de systemen van het Nederlands Instituut voor Radio Astronomie (ASTRON) storen. Deze soort storing valt in de categorie Elektro-Magnetische Compatibiliteit (EMC). Ook al voldoet de apparatuur aan de geldende EMC emissie normen, toch kunnen ze zwakke signalen uit het heelal storen. Echter, voor dit soort zwakke signalen heeft LOFAR nu juist zijn grote gevoeligheid gekregen. Deze zeer zwakke signalen uit het heelal worden dan als het ware overstemd door de, op aarde geaccepteerde, signalen. Vanwege genoemd effect is er een veilige minimumafstand nodig radiogolven uitzendende apparatuur en LOFAR. De mate van verstoring is dus gekoppeld aan elektromagnetische straling van een bron. Er is sprake van twee zones met elk een verschillend beschermingsniveau.
Voor een ruimtelijk plan die binnen zone I en II van de LOFAR-radiotelescoop ligt, is een advies van ASTRON nodig. Uit de Provinciale omgevingsverordening Drenthe volgt dat dit ook geldt voor een ruimtelijk plan die voorziet in ontwikkelingen binnen een straal van twee kilometer rondom een LOFAR-buitenstation. De locaties van deze buitenstations en de bijbehorende beschermingszones zijn aangegeven op de website van ASTRON.
Het plangebied bevindt zich mogelijk in een beschermde zone voor radioastronomie. Om vast te stellen of dit het geval is, is de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe geraadpleegd. Uit deze verordening blijkt dat het plangebied niet binnen een zone voor radioastronomie valt. De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de exploitatie van de radiotelescopen.
Er worden geen belemmeringen verwacht op het gebied van radioastronomie. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan een ETFAL.
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.1 instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met de kwaliteit van de buitenlucht. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet in een aantal situaties worden getoetst aan omgevingswaarden voor lucht. De geldt vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Daarnaast dient voor een milieubelastende activiteit, het aanleggen van een wegtunnel, autoweg of een autosnelweg de luchtkwaliteit beoordeeld te worden.
Onderzoek is ook niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.
De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen het volgende toepassingsbereik: de aanleg of wijziging van een autoweg, autosnelweg of tunnel voor het wegverkeer. Daarnaast is de gemeente De Wolden niet aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. Een toets aan de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient een afweging van de luchtkwaliteit ter plaatse van de beoogde ontwikkeling plaats te vinden. Uit het advies van de Omgevingsdienst RUD van 18 juli 2024 blijkt de actuele concentratie van luchtverontreinigende stoffen:
De jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen ruimschoots onder de rijksomgevingswaarden en de toekomstig aangescherpte EU-grenswaarden. Voor PM10 en stikstofdioxide wordt zelfs voldaan aan de WHO-advieswaarde.
Fijnstof veehouderijen
In de omgeving van het plangebied zijn een aantal veehouderijen gelegen. De RUD heeft gesteld dat alle veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer (zie figuur 5.5) meegenomen moeten worden in de beoordeling voor de cumulatieve belasting van fijnstof op het plangebied. Dit betreft twee pluimveehouderijen, een varkensmesterij, een melkveehouderij en een natuurboerderij welke onder andere rundvee, kalkoenen, varkens en schapen houdt. Het fijnstofonderzoek is terug te vinden in bijlage 16.
In het onderzoek is de PM10-concentratie berekend. Voor PM10 geldt een maximale belasting van 40 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde en 50 µg/m3 als 24-uurgemiddelde, dat ten hoogste 35 maal per kalenderjaar wordt overschreden. De hoogste jaargemiddelde PM10-belasting is 13,2 µg/m3, ruimschoots onder de grenswaarde van 40 µg/m3 als kalenderjaargemiddelde. Er is 6 dagen sprake van een hogere concentratie van 50 µg/m3 als 24-uurgemiddelde, dat is ook ruim onder de eis van 35 dagen.
Figuur 5.5 De ligging van het plangebied (rood) en de veehouderijen (oranje) binnen een straal van 2 km (blauw) (bron: Olfasense)
De luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie is aanvaardbaar. Nader onderzoek is niet nodig. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit is een invulling van een plicht die al geldt vanuit de Omgevingswet. In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Omgevingswet).
Een geurgevoelig gebouw is in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
Geurnormen
Het plangebied is buiten een concentratiegebied gelegen, waardoor de grenswaarden voor geurgevoelige gebouwen binnen en buiten de bebouwde kom respectievelijk 2 en 8 ouE/m3 als 98-percentielwaarde bedragen.
Verordening geurhinder en veehouderij gemeente De Wolden 2010
Voor veehouderijen binnen de gemeente De Wolden is het toetsingskader voor geur opgenomen in de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente De Wolden 2010. De geurbelasting wordt bepaald met een specifiek hiervoor ontwikkeld model, genaamd V-Stacks. Daarbij wordt ter plaatse van de geurgevoelige bestemmingen getoetst aan de volgende toetsingswaarden:
Cumulatie
Het kan voorkomen dat afzonderlijke veehouderijen aan de (geur)norm voldoen, maar dat door cumulatie de totale geurbelasting het aanvaardbaar hinderniveau overschrijdt. Voor de cumulatieve geurberekening moeten alle veehouderijen met dieren met een geuremissiefactor gelegen binnen een straal van 2 kilometer van het te beschermen object worden meegenomen. Dit betreft in ieder geval ook:
• Ommerweg 21;
• De Egge 7a;
• De Egge 2b;
• Drogterweg 4;
• Burgemeester Tonckensstraat 57.
Met de beoogde ontwikkeling worden geurgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Het plangebied is gelegen binnen de gemeente De Wolden. Hierdoor geldt de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente De Wolden 2010. De volgende toetsingswaarde geldt:
Uit het geuronderzoek (zie bijlage 16) blijkt dat de hoogste geurbelasting op het plangebied 0,7 ouE/m3 als 98-percentielwaarde is. Daarmee wordt voldaan aan het toetsingskader voor geur van 3 ouE/m3 als 98-percentielwaarde volgend uit de Verordening Geur. Wat betreft cumulatie van geuremissies geldt dezelfde waarde. Deze waarde ligt ruimschoots onder de geldende geurnorm. Er is sprake van een aanvaardbare situatie ter plaatse.
De geurbelasting op het plangebied is aanvaardbaar. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels/verordening.
Omgevingsveiligheid omvat de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor externe veiligheidsrisico's zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan.
Verder dient op grond van artikel 5.2 van het Bkl voor de risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening te worden gehouden met het belang van:
Met de beoogde ontwikkeling worden kwetsbare gebouwen (woningen) mogelijk gemaakt. Er worden geen risicovolle activiteiten mogelijk gemaakt. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Figuur 5.6 toont een uitsnede van deze kaart. Het plangebied ligt buiten een brand-, explosie- of gifwolkaandachtgebied. Ook ligt het plangebied niet in een PR 10-6-contour. Er is geen sprake van belemmeringen.
Figuur 5.6 Uitsnede risicokaart met het plangebied (zwarte omlijning) (bron: REV - Pav Kaarten)
Voor zowel dagelijkse incidenten (zoals brand of wateroverlast) als calamiteiten op het gebied van externe veiligheid is een goede bereikbaarheid voor hulpdiensten essentieel. Het plangebied wordt ontsloten via de Landschapslaan. De brandweerkazerne van Zuidwolde ligt op enkele minuten rijden van het plangebied, hierdoor is er een snelle aanrijtijd. Daarnaast is er voldoende bluswater beschikbaar in en rond het gebied. Dit wordt geborgd door aan te sluiten bij de Bruidsschat (Artikel 22.13-22.15). Het grootste deel van de aanwezigen in het plangebied zal zelfredzaam zijn. Kinderen en ouderen worden wel als verminderd zelfredzaam beschouwd. In geval van nood wordt ervan uitgegaan dat ouders of andere aanwezigen hen kunnen begeleiden bij evacuatie.
Aangezien omgevingsveiligheid breder is dan uitsluitend externe veiligheid, is met behulp van de Atlas Leefomgeving een inventarisatie uitgevoerd van aanvullende veiligheidsthema’s, zoals brandbare natuur en overstromingsrisico’s. Uit deze inventarisatie blijkt dat er geen sprake is van een verhoogd veiligheidsrisico.
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
Onder cultureel erfgoed valt onder andere archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen en landschap. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Archeologie
In de oostelijke helft van het plangebied is in 2004 en 2006 archeologisch onderzoek verricht in het kader van het project Middelveen IV. De resultaten wezen op een zeer lage verwachting voor nederzettingen en geen aanwijzingen voor grafvelden. Daarom is dit deel destijds vrijgegeven en hoeft nu niet opnieuw onderzocht te worden.
Voor de westelijke helft is nog geen onderzoek uitgevoerd. Op basis van archeologische beleidskaart en geomorfologische kaarten geldt daar een lage verwachting in het zuidwesten en noordoosten en een middelhoge tot hoge verwachting in het midden, met name in het droogdal. Mogelijke resten betreffen perioden van het laat-paleolithicum tot de late ijzertijd. De grafmonumenten die binnen 300 meter van het plangebied voorkomen en in het AMK-register zijn opgenomen zijn tot in de late ijzertijd gedateerd, waardoor kan worden vastgesteld dat er in deze perioden mensen in het gebied aanwezig waren. Het plangebied is waarschijnlijk nooit aantrekkelijk geweest als nederzettingsterrein: de grondmoreneruggen die aan weerszijden van het dal zijn gelegen, zijn vele malen geschikter geweest voor bewoning. Wel kan er in het verleden mogelijk een periodieke beek door het droogdal hebben gelopen en heeft men het water gebruikt voor jacht en als
bron. Er kunnen daardoor offsite resten worden verwacht die verband houden met dusdanige activiteiten. Aangezien er echter geen aanwijzingen zijn dat er veen heeft gelegen in het dal, is het waarschijnlijk dat er geen gunstige conserveringsomstandigheden zijn geweest voor resten anders dan die van (vuur)steen en aardewerk. Daarnaast tonen historische kaarten aan dat het plangebied deel is geweest van een heidegebied dat tussen twee esdorpen inlag. Het is waarschijnlijk dat de bodem reeds verstoord is geraakt door de heideontginning en egalisatie.
Er is archeologisch onderzoek uitgevoerd voor de westelijke helft van het plangebied, zie bijlage 17. In het noordelijke deel bestaat de bodem uit een bouwvoor bovenop een verstoorde laag topdekzand. Daaronder bevindt zich dekzand met resten van een podzolprofiel (BC- en C-horizont). In het zuidelijke deel is een ondoorlatende puinlaag aangetroffen van minstens 0,3 meter dik. In de beboste strook aan de westzijde is de bodem tot 1,85 meter onder maaiveld verstoord, vermoedelijk door een oude sloot. Op basis van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de bodem dusdanig is verstoord dat er geen archeologische resten worden verwacht.
In het kader van het omgevingsplan is een aanvullend bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek in het kader van archeologie uitgevoerd voor twee recent aangekochte percelen. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is een karterend booronderzoek geadviseerd. De uitvoering van het karterende booronderzoek is afhankelijk van de wijze van uitvoering (ontgravingsdiepte) van de te realiseren waterberging op deze gronden. Voorafgaand aan de civiele uitwerking zal, wanneer het noodzakelijk is voor het realiseren van voldoende waterberging om het te onderzoeken deel te ontgraven, het karterende booronderzoek worden uitgevoerd.
Indien onverhoopt toch archeologische waarden worden aangetroffen binnen de vrijgegeven gebieden, geldt de wettelijke meldingsplicht op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet. In dat geval moet een melding worden gedaan bij de Minister van OCW, of eventueel bij de gemeente of provincie.
Aardkundige waarde
Het plangebied ligt in een gebied met hoog beschermingsniveau voor Aardkundige waarden. De gebieden met hoog beschermingsniveau zijn de meest bijzondere en gave gebieden met een hoge aardkundige kwaliteit. In deze gebieden is het van belang om het aardkundig erfgoed te behouden voor huidige en toekomstige generaties. De aardkundige kwaliteit is daarbij sturend voor de balans tussen beleving, behoud en herstel. Het plangebied ligt tussen twee gestuwde ruggen.
Het gebied is vanuit aardkundige oogpunt al aardig verstoord door de aanleg van de naastgelegen woonwijk, wadi en het graven van sloten. Om de aardkundige waarden niet verder te verstoren wordt bij de uitwerking van de bouwplannen rekening gehouden met het reliëf. Concreet betekent dit bouwen in de noord-zuid richting (in de richting van de ruggen). Daarnaast wordt de bodemopbouw zoveel mogelijk intact gehouden en dus niet onnodig ontgrond.
Cultuurhistorie
Middelveen, gelegen ten zuiden van Zuidwolde in Drenthe, kent een cultuurhistorische ontwikkeling die sterk verweven is met het omliggende veenlandschap. In de middeleeuwen werd het gebied nauwelijks bewoond vanwege de natte en ondoordringbare veenlagen. Pas vanaf de 17e eeuw begon men met grootschalige ontginning, waarbij veenarbeiders turf wonnen voor brandstof. Deze veenafgraving leidde tot het ontstaan van langgerekte nederzettingen en smalle kavels. De turfwinning bracht economische bloei, maar na de uitputting van het veen veranderde Middelveen in een landbouwgebied. Boeren vestigden zich op de hoger gelegen gronden en gebruikten de voormalige veenbodem voor grasland en akkerbouw. In de 19e eeuw werd de infrastructuur verbeterd, waardoor het gebied beter verbonden raakte met Zuidwolde en omliggende dorpen. Kleine boerendorpjes en lintbebouwing bepaalden het landschap. De aanleg van wegen en kanalen speelde een belangrijke rol in de verdere ontwikkeling.
Figuur 5.7 Historische ontwikkeling in- en rondom plangebied Middelveen V (bron: INBO)
Cultureel bleef Middelveen lange tijd sterk agrarisch en traditioneel georiënteerd. Pas in de 20e eeuw veranderde het karakter deels. Ondanks modernisering heeft Middelveen veel van zijn oorspronkelijke landelijke karakter behouden. Hedendaags is de regio bekend om haar kleinschalige landbouw, natuurgebieden en het behoud van historische patronen in het landschap. Zie figuur 5.6 voor de historische ontwikkeling van en rondom het plangebied.
De ontwikkeling van Middelveen V sluit aan bij de historische ontwikkeling van het cultuurlandschap. Het karakter van het gebied wordt zo min mogelijk verstoord en de aanwezige historische kenmerken, zoals de groenstructuren, worden behouden. De ontwikkeling sluit hiermee aan op de ontstane structuren in- en rondom het plangebied. Derhalve worden er vanuit het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen ontwikkeling.
Landschap
Het esdorpenlandschap is van provinciaal belang. De kernkwaliteit van essen zijn de kenmerkende open ruimtes die veelal omgeven zijn met esrandbepanting. De beekdalen zijn onbebouwde gebieden met een kleinschalige beplantingstructuur en beekdal(rand)beplanting. Het provinciaal beleid is gericht op het behoud van de open ruimte en het versterken van esrandbeplanting, maar ook het behoud van het onbebouwde karakter en het versterken van karakteristieke beekdal(rand)beplanting.
Voor een zorgvuldige ruimtelijke inrichting, in lijn met de kernkwaliteit landschap, is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, zoals toegelicht in 2.2.3. Hierin moet nadrukkelijk rekening worden gehouden met de afhechting van het dorp Zuidwolde, aangezien de aanleg van een nieuwe dorpsrand een provinciaal belang vertegenwoordigt. Het plangebied ligt tegen een es aan. Een Drentse es rand is minimaal 25 meter breed en hier is in het plan rekening mee gehouden. Daarnaast maken de bomen in de houtwallen onderdeel uit van een beeldbepalend en cultuurhistorisch waardevol landschapselement. Dit landschapselement wordt behouden.
Uit voorgaande volgt dat er wordt voldaan aan de kernkwaliteit landschap die van provinciaal belang is. Er wordt met de inrichting van het plangebied aangesloten bij de bestaande landschappelijke waarden en er worden geen belemmeringen verwacht vanuit de kernkwaliteit landschap.
Vanuit het aspect archeologie, cultuurhistorie en landschap worden er geen belemmeringen verwacht voor de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. In dit geval zijn de interventiewaarden van toepassing die zijn opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. De instructieregels schrijven voor dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw ofwel vergunningplichtig ofwel meldingsplichtig moet worden gemaakt op grond van het omgevingsplan.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
De instructieregels schrijven ook voor dat met het omgevingsplan het ambtsgebied ingedeeld wordt in bodemfunctieklassen.
In het kader van de aankoop van het perceel heeft de gemeente De Wolden een bodemonderzoek laten verrichten op de locatie van de voormalige pluimveehouderij (Verkennend en aanvullend bodemonderzoek, inclusief verkennend waterbodemonderzoek Middelveenseweg 5 in Zuidwolde, Ortageo Noordoost BV, d.d. 17 juni 2022, nr. 217130/R01). Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat sprake is van verontreiniging met PAK, minerale olie en asbest. Er is geen PFAS aangetoond. De locatie zal gesaneerd worden. Daarnaast is vervolgonderzoek aanbevolen voor de dieseltank bij de voormalige pluimveehouderij.
Voor het overige deel van het plangebied, ten noorden van de voormalige pluimveehouderij, is eveneens onderzoek uitgevoerd. Hierbij is ook de dieseltank bij de voormalige pluimveehouderij in het onderzoek betrokken, zie bijlage 18. Hieronder worden de onderzoeksresultaten toegelicht.
Zintuiglijk
De bodem binnen het projectgebied bestaat uit matig tot zeer fijn zand. De ondergrond is veelal zwak tot zeer plaatselijk matig grindhoudend. Verder is er zeer plaatselijk een bijmenging met stenen in de ondergrond aanwezig. Zowel het grind als de stenen worden als een van nature aanwezige bijmenging (geen antropogene bijmenging) beschouwd.
Ter plaatse van de locatie van de voormalige bovengrondse dieseltank zijn in de bovengrond van boring 201 plasticresten aanwezig. Verder zijn in de bodemlaag 0,35-0,55 m-mv van boring 203 resten koolas en sporen baksteenpuin aangetroffen. De bodemlaag met baksteenpuin wordt als onverdacht voor de aanwezigheid van asbest beschouwd. Met behulp van de olie-/watertest zijn geen oliereacties waargenomen.
Grond
Geen van de onderzochte parameters van de onderzochte grondmonsters overschrijdt de interventiewaarde bodemkwaliteit. In het onderzochte mengmonster MM200 van de bovengrond ter plaatse van de bovengrondse dieseltank, is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond (boven de waarde voor landbouw/natuur). Deze grond is op basis van het gemeten gehalte aan minerale olie indicatief aangemerkt als klasse industrie. De separaat onderzochte grondlaag 1,4-1,6 m-mv van boring 201 bevat geen verhoogde gehalten aan minerale olie en of vluchtige aromaten. Alle overige grond binnen het plangebied is niet verontreinigd en voldoet aan klasse landbouw/natuur. Ten aanzien PFAS blijkt dat enkele gemeten waarden de detectiegrenzen overschrijden. De landelijke achtergrondwaarden worden echter niet overschreden.
Grondwater
De gemeten concentraties overschrijden de signaleringswaarden en of de voormalige interventiewaarden niet. Wel zijn in het grondwater plaatselijk één of meerdere zware metalen in licht verhoogde mate aangetoond (boven de voormalige streefwaarden).
Waterbodem
De onderzochte waterbodem is analytisch niet verontreinigd gebleken (zowel algemene parameters als PFAS). De waterbodem is als algemeen toepasbaar beoordeeld voor toepassing in oppervlaktewater en als landbouw/natuur voor toepassing op landbodem. Verder is het slib verspreidbaar op zowel het aangrenzende perceel als in zoet oppervlaktewater.
Conclusie
De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot de uitvoering van een nader (water)bodemonderzoek en vormen vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmering voor de voorgenomen herinrichting ten behoeve van woningbouw. De milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de locatie van de voormalige dieseltank is in voldoende mate vastgelegd. Gesteld wordt dat de bovengrond in zeer geringe mate is beïnvloed als gevolg van de aanwezigheid en het gebruik van de tankinstallatie. Sanerende handelingen zijn niet noodzakelijk.
Bodemfunctieklasse
De gemeente De Wolden heeft een bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassekaart vastgesteld. Volgens de bodemfunctieklassenkaart geldt ter plaatse van de projectlocatie de bodemfunctieklasse landbouw/natuur. De regeling voor de bodemfunctieklassen wordt in het gemeentedekkende omgevingsplan opgenomen.
De bodem zal gesaneerd worden ter plaatse van de voormalige pluimveehouderij. Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig en het opstellen van aanvullende planregels is niet noodzakelijk om te voldoen aan de ETFAL en de instructieregels.
Een ontwikkeling moet ook worden getoetst aan de instructies van de omgevingsverordening van het waterschap en de provincie. De locatie ligt in het beheergebied van Drents Overijsselse Delta. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeenten kunnen strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk.
Bij de wijziging van het omgevingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen.
Voorbeelden zijn:
Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn:
Met behulp van de watertoets (het wateradvies) is aan de hand van de locatie van het plangebied en een aantal vragen getoetst of de belangen van het waterschap geraakt worden bij de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling (bijlage 19). Op basis van de check worden geen invloedszones A-watergangen, beekdalen, milieuzonering RWZI, invloedszones van grote rivieren, invloedszones Vecht, waterkeringen, primaire water-/beschermingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden geraakt. Het plangebied raakt wel een persleiding en bevindt zich deels binnen de invloedszone van B-watergangen. Uit het advies blijkt verder dat een normale procedure nodig is.
Het waterschap Drents Overijsselse Delta is in een vroeg stadium betrokken bij de woningbouwontwikkeling Middelveen te Zuidwolde, wat als positief wordt ervaren gezien
de omvang van het project. Gezien de schaal van het plan is een Waterhuishoudkundig Plan (WHP) vereist. Het waterschap heeft een adviesdocument met uitgangspunten opgesteld, waarin het onder andere vraagt voor:
Deze aandachtspunten zijn verwerkt in het conceptplan en worden in samenspraak met het waterschap uitgewerkt in het definitieve waterhuishoudkundigplan. In bijlage 20 is het concept waterhuishoudkundigplan toegevoegd. Hieronder volgt een korte toelichting op de inhoud van dit plan. TAUW werkt in een later stadium het definitief waterstructuurplan uit.
Hoogte
Het plangebied bevindt zich tussen twee stuwwallen en staat bekend als nat, waardoor afstromend hemelwater vanuit de hogere omliggende percelen geconcentreerd samenkomt in dit gebied.
Bergingsopgave
De realisatie van de nieuwbouwwijk Middelveen V heeft als gevolg dat er verhard oppervlakte wordt toegevoegd, op zowel openbaar als particulier terrein. In totaal gaat het om ca 3,2 ha verhard oppervlakte. De toename van verhard oppervlak heeft een nadelig effect op het watersysteem. Door versnelde afvoer van neerslag verminderen de afvoer- en bergingscapaciteit van het watersysteem namelijk. Om deze capaciteit te behouden, is het verplicht de toename van verhard oppervlak te compenseren. Waterschap Drents Overijsselse Delta geeft hierbij voorkeur aan het vasthouden van water binnen het peilgebied. Dit voorkomt namelijk dat de afvoer- en bergingscapaciteit op een andere plek moeten toenemen.
Er zijn in bijlage 20 uitgangspunten benoemd voor de bergingsopgave. Deze uitgangspunten leiden tot een ontwikkelopgave van 2.500 m3 en een gebiedsopgave van circa 7.500 m3.
Bergingsvoorziening
Om te kunnen voldoen aan de bergingsopgave zijn bergingsvoorzieningen noodzakelijk. Hierbij is een toekomstige situatie voorgesteld waaraan voldaan moet worden:
De realisatie van de nieuwbouwwijk Middelveen V mag niet leiden tot (extra) wateroverlast voor de directe omgeving. Om afwenteling te voorkomen is de bestaande maximale hoogte van het dichtstbijzijnde bebouwde gebied, ten oosten van het plangebied, gebruikt als uitgangspunt voor het plangebied. Dit voorkomt een toename van wateroverlast als gevolg van de inrichting van de nieuwe wijk.
De rand buiten het plangebied heeft een maximale hoogte van +8,20m NAP. Er zijn twee toestroomgebieden in het plangebied. Beide toestroomgebieden leiden tot de grote waterplas ten noorden van het plangebied. Het toestromende water verspreid zich evenredig via de aanwezig watergangen over het gebied. Dit heeft meerdere oorzaken, zo is er een forse aanvoer vanuit Zuidwolde en een gebrekkige afvoer aan de linkerzijde van het gebied, waar de aanwezige pomp de hoeveelheid water niet aan kan. Hierdoor stroomt water terug het (plan)gebied in. De aanwezige sloot sluit aan op een duiker met een diameter van 0,2 meter en een lengte van ca. 190 meter. Deze beperkte afvoercapaciteit heeft opstuwing als gevolg.
Het ophogen van het maaiveld binnen het plangebied tot een hoogte van +8,20m NAP (vergelijkbaar met de rand van het plangebied) heeft een beperkt effect. Bij enkele woningen staat nog water tegen de gevel en op enkele locaties wordt de waterdiepte op straat ook licht overschreden (0,23 m t.o.v. 0,2 m). Het maaiveld in het plangebied zal zeer waarschijnlijk worden opgehoogd tot een hoogte van +8,23m NAP. Hiermee sluit de hoogte binnen het plangebied aan op de hoogte van de direct omgeving en wordt schade aan gebouwen voorkomen.
Naast de waterberging in de openbare ruimte van het plangebied worden de percelen aan de westzijde, kadastraal bekend 2407 en 2565, mede ingezet voor de gehele waterbergingsopgave. Dit is opgenomen in de planregels.
Gezien de toenemende frequentie van extreme neerslag als gevolg van klimaatverandering, is het essentieel dat bij de ontwikkeling van Middelveen V voldoende maatregelen worden getroffen om wateroverlast en schade aan toekomstige bebouwing en infrastructuur te voorkomen. De waterbergingsopgave van het waterschap, van zowel ontwikkel- als gebiedsopgave, wordt binnen het plangebied gerealiseerd. De waterbergingsopgaven krijgen een civieltechnische uitwerking op basis van het waterhuishoudkundigplan dat door TAUW wordt opgesteld.
De Omgevingswet biedt geen specifiek toetsingskader voor duurzaamheid. Wel is duurzaamheid een belangrijk thema waar gemeenten bij het opstellen van hun omgevingsplan rekening mee moeten houden. Duurzaamheid is een breed begrip dat verschillende aspecten omvat, zoals de energietransitie, mobiliteit en hergebruik van materialen. Voor klimaatadaptatie gelden de nationale afspraken, met als doel dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is. Nieuwe ontwikkelingen kunnen bijdragen aan dit doel.
In de Toekomstvisie 2022–2040 van de gemeente De Wolden, getiteld 'Samen aan zet!', neemt duurzaamheid een centrale plaats in. De visie is opgebouwd rond drie hoofdambities: een vitale samenleving, een duurzame leefomgeving en het landschap als drager. Deze ambities zijn uitgewerkt in zes thema's, waaronder 'energie en klimaat' en 'milieu en circulariteit'.
In het kader van de Toekomstvisie 2022 – 2040 is bij de uitwerking van het plan voor de ontwikkeling Middelveen V een quickscan uitgevoerd door Linthorst Energy. In opdracht van de gemeente heeft Linthorst Energy in een vroeg stadium de haalbaarheid van een collectief energieconcept getoetst, waarbij de warmte en koude centraal opgewerkt- en vervolgens gedistribueerd wordt naar iedere woning middels een warmtenet. Uit deze quickscan is gebleken dat de aanleg van een warmtenet met collectief energieconcept financieel niet haalbaar is voor Middelveen V. In de berekeningen zijn eventueel beschikbare subsidies meegenomen.
Wel zullen de woningen worden gerealiseerd volgens de nieuwste standaarden, waarbij ze gasloos worden opgeleverd en voorzien van energiezuinige installaties.
Er is onderzoek verricht naar de mogelijkheden voor een collectief warmtenet. Uit dit onderzoek is gebleken dat realisatie hiervan niet haalbaar is. De woningen zullen wel gasloos worden opgeleverd en beschikken over energiezuinige installaties.
Op agrarische percelen kan sprake zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt of gewasbeschermingsmiddelen en biociden veilig zijn voor mens, dier en milieu voordat ze worden toegelaten. Dat betekent echter niet dat nadelige gezondheidseffecten voor omwonenden volledig kunnen worden uitgesloten. Er zijn nog veel onduidelijkheden over de mogelijke relatie tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en de kans op gezondheidsschade. Op grond van het Bkl gelden weliswaar geen specifieke instructieregels, maar bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in elk geval rekening worden gehouden met het belang van de volksgezondheid. In dat kader dienen ook de mogelijke gezondheidsgevolgen door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te worden beoordeeld.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies (zoals woningen) en agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Uit diezelfde jurisprudentie volgt dat het mogelijk is om deze afstand te verkleinen indien daaraan een deugdelijke, locatiespecifieke motivering ten grondslag ligt. Bij deze locatiespecifieke beoordeling dient niet alleen te worden gekeken naar het bestaande, feitelijke gebruik van de agrarische gronden. Uitgangspunt vormen de maximale mogelijkheden (rekening houdend met eventuele omschakeling naar andere teeltvormen en intensivering van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen).
Het plangebied grenst aan agrarische gronden met de daarbij behorende bestemmingen. Ter beperking van mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen wordt binnen het plangebied, op de locatie van agrarische percelen met bijzondere waarden, een spuitvrije zone aangeduid. Met de aanduiding is het gebruik van chemische gewasbestrijdingsmiddelen niet toegestaan, waarmee sprake is van een spuitvrije zone van 50 meter. Door het opnemen van deze spuitvrije zone worden de aangrenzende woningen voldoende beschermd tegen de negatieve effecten van gewasbeschermingsmiddelen.
Door het opnemen van een spuitvrije zone worden de woningen voldoende beschermd tegen de mogelijke negatieve effecten van gewasbeschermingsmiddelen. Daarmee vormt het aspect 'gebruik van gewasbeschermingsmiddelen' geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling,
Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
Om inzichtelijk te maken of het planvoornemen bijdraagt aan het bevorderen van het thema gezondheid danwel het creëren van een gezonde leefomgeving, is een 'quickscan gezonde leefomgeving' uitgevoerd. Het volledige document is bijgevoegd als bijlage 21 bij deze motivering. Belangrijk om te weten is dat het plangebied gelijk is aan het 'onderzoeksgebied' in het document.
Analyse onderzoeksgebied Middelveen V
Het onderzoeksgebied is kwantitatief beoordeeld op 8 dimensies die de gezonde leefomgeving omvatten. De 8 dimensies bestaan elk uit 4 indicatoren. Figuur 5.9 geeft per indicator de score weer voor het onderzoeksgebied. Hieronder volgt per dimensie een korte samenvatting.
Figuur 5.9: Uitslag quickscan gezonde leefomgeving voor onderzoeksgebied Middelveen V (bron: Rho adviseurs)
Gezond Milieu
De milieukwaliteit in het onderzoeksgebied scoort overwegend goed. De geluidsbelasting blijft onder de norm van 55 dB, mede door de landelijke ligging en het ontbreken van drukke verkeersaders. De luchtkwaliteit is uitstekend; er zijn geen actieve pluimveestallen meer en de gemeten fijnstofconcentratie blijft ruim onder de norm. Ook is de lichthinder gering dankzij het beperkte aantal lichtbronnen. Daarnaast zijn er geen externe veiligheidsrisico’s, wat bijdraagt aan een veilige woonomgeving.
Gezonde mensen
De bewoners van het gebied hebben een relatief hoge sociaaleconomische status en bovengemiddelde veerkracht, wat positief bijdraagt aan gezondheid en participatie. Tegelijkertijd is er een gemiddeld aandeel mensen dat zich (zeer) eenzaam voelt, wat aandacht vraagt bij verdere gebiedsontwikkeling. Ook bewegen bewoners gemiddeld; dit biedt ruimte om in de ruimtelijke inrichting nog meer sport- en beweegmogelijkheden te integreren. De ontwikkeling kan zo bijdragen aan versterking van de mentale en fysieke gezondheid van bewoners.
Gezonde leefruimte
Er is veel groen aanwezig in en om het gebied, wat resulteert in een bovengemiddelde score op groenvoorziening. Beweegvriendelijkheid en recreatief gebruik van groen scoren gemiddeld; het bestaande groen is deels agrarisch en minder openbaar toegankelijk. Bij herinrichting van de openbare ruimte liggen er kansen om de toegankelijkheid en het gebruik van groen te verbeteren. Ook scoort het gebied bovengemiddeld op veiligheid, wat het gebruik van buitenruimte verder kan stimuleren.
Gezond verplaatsen
De bereikbaarheid per auto en fiets is goed, met nabijheid tot een hoofdverkeersweg en een hoog percentage inwoners dat lopend of fietsend naar werk of school gaat. Tegelijkertijd ligt het dichtstbijzijnde treinstation op 9 km afstand, wat resulteert in een lage score op openbaar vervoer. De verkeersveiligheid is hoog: in vijf jaar tijd zijn er geen geregistreerde ongevallen geweest. Nieuwe bewoners kunnen bijdragen aan het gebruik van duurzame mobiliteitsvormen mits de fiets- en loopstructuur verder wordt versterkt.
Gezonde voorzieningen
De bereikbaarheid van voorzieningen als huisartsen, scholen en supermarkten is gemiddeld en voldoende. Op het gebied van maatschappelijke voorzieningen – zoals de bibliotheek – scoort de buurt bovengemiddeld. Met de toevoeging van nieuwe woningen neemt het draagvlak voor deze voorzieningen toe. Dit ondersteunt niet alleen de toekomstbestendigheid van bestaande functies, maar draagt ook bij aan ontmoeting en sociale binding.
Gezonde waterbalans
De overstromingskans is zeer laag, wat positief bijdraagt aan een veilige woonomgeving. Wel scoort het gebied laag op waterberging, en is er sprake van een gemiddelde gevoeligheid voor grondwateroverlast en hevige neerslag. Er liggen dus duidelijke kansen om extra maatregelen te treffen, zoals het aanleggen van wadi’s of infiltratiezones. Daarmee kan de waterhuishouding beter in balans worden gebracht en klimaateffecten worden opgevangen.
Gezonde temperatuur
Het gebied kent weinig verharding en beschikt over ruime toegang tot koele plekken, wat resulteert in hoge scores op deze onderdelen. De mate van hittestress is gemiddeld, wat deels verklaarbaar is door het ontbreken van stedelijke bebouwing. Door bestaande bomen te behouden en nieuwe schaduwplekken toe te voegen, kan de temperatuurregulatie in de wijk verder verbeteren. Dit is vooral van belang voor kwetsbare groepen zoals ouderen.
Gezonde bodem
De bodemkwaliteit is overwegend goed, met een minimale kans op bodemdaling, droogte of neerslagtekort. Enkel de kans op ondergrondverdichting scoort gemiddeld, wat aandacht vraagt bij bouwkundige uitvoering. Groene inrichting van tuinen en daken kan bijdragen aan het behoud van deze gunstige bodemcondities. Daarmee levert deze dimensie een positieve basis voor een robuuste en toekomstbestendige woonwijk.
Samenvatting analyse
De resultaten van de quickscan laten zien dat het onderzoeksgebied Middelveen V in Zuidwolde op veel dimensies van de gezonde leefomgeving al bovengemiddeld scoort. Met name op het gebied van luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid, sociaaleconomische status, verkeersveiligheid, bereikbaarheid van voorzieningen, grijs oppervlak, koele plekken en bodemdaling zijn de scores hoog. Dit vormt een solide uitgangspunt voor de ontwikkeling van de beoogde nieuwe woningen in een al relatief gezonde leefomgeving.
Tegelijkertijd zijn er ook kansen om de gezonde leefomgeving verder te versterken. Deze liggen vooral bij de indicatoren ‘waterberging’, ‘hevige regenbui’, ‘hittestress’, ‘beweegvriendelijkheid’ en ‘eenzaamheid’. Hier ligt ruimte om bij te dragen aan het creëren van een gezonde leefomgeving.
Bijdrage Middelveen V aan de gezonde leefomgeving
In de quickscan gezonde leefomgeving is kwalitatief getoetst hoe het gehele planvoornemen voor Middelveen V bijdraagt aan het creëren van een gezonde leefomgeving. Hieronder volgt een overzicht analyse van hoe de realisatie van Middelveen V in Zuidwolde bijdraagt aan het creëren van een gezonde leefomgeving, specifiek voor de indicatoren ‘waterberging’, ‘hevige regenbui’, ‘hittestress’, ‘beweegvriendelijkheid’ en ‘eenzaamheid’.
Uit de resultaten van de kwalitatieve toetsing volgt dat de ontwikkeling van Middelveen V de gezonde leefomgeving op meerdere fronten stimuleert:
Middelveen V sluit daarmee aan op de principes van de Omgevingswet en de Gezonde Leefomgeving (zoals benoemd door GGD en RIVM), waarin gezondheid integraal verweven is met ruimtelijk beleid. Middelveen V kan daarom bijdragen aan het creëren van een gezonde leefomgeving.
Om inzichtelijk te maken of het planvoornemen bijdraagt aan het bevorderen van het thema gezondheid danwel het creëren van een gezonde leefomgeving, is een 'quickscan gezonde leefomgeving' uitgevoerd. Uit de quickscan volgt dat de realisatie van Middelveen V kan bijdragen aan het creëren van een gezonde leefomgeving. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is voldoende rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Er is voldoende rekening gehouden met het thema gezondheid.
Met deze wijziging van het omgevingsplan worden de bestaande juridisch planologische mogelijkheden en de regels uit het Omgevingsplan gemeente De Wolden vervangen door deze wijziging van het omgevingsplan. Deze wijziging voldoet aan de Omgevingswet, de instructies vanuit het Rijk en van de provincie Drenthe.
In het toepassingsbereik, zoals opgenomen in artikel 2 van de planregels, is opgenomen welke regels van het Omgevingsplan De Wolden worden gewijzigd met dit wijzigingsbesluit om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken.
De bruidsschat (inclusief vangnetregeling) en de gemeentelijke verordeningen die onderdeel uitmaken van het tijdelijk omgevingsplan worden niet gewijzigd. Vergunningplichten voor bouwactiviteiten voor het bouwen van een bouwwerk en het bouwwerken in stand te houden en te gebruiken zijn niet opgenomen, dit is al geregeld in de bruidsschat.
Wel heeft afstemming plaatsgevonden op de bruidsschat en waar nodig zijn bruidsschatregels opgenomen, die op deze wijziging van toepassing zijn. Deze regels waren alleen van toepassing op het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Om ze ook van toepassing te laten zijn op deze wijziging moeten ze worden opgenomen, de bruidsschat (dus het tijdelijke deel van het omgevingsplan voor dit deel) zelf wordt hiermee dus niet gewijzigd. Het is geen verplichting om deze regels uit de bruidsschat ook voor deze wijziging en locatie te laten gelden, de regeling is echter ook voor deze wijziging van het omgevingsplan opgenomen om uniformiteit in de regeling te behouden voor de gemeente.
Dit geldt voor:
De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet zijn van rechtswege van toepassing op het wijzigingsbesluit en hoeven dus niet bij de begrippen te worden opgenomen. De begripsbepalingen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de Omgevingsregeling zijn niet van rechtswege van toepassing op het TAM-omgevingsplan. Daarom is in de begrippen hierop aangesloten door deze van toepassing te verklaren.
In de begripsbepalingen zijn daarom geen begrippen meer opgenomen voor gebouw, hoofdgebouw, bijbehorend bouwwerk, hoofdgebouw en erf. Deze begrippen komen terug in het Bbl.
Hetzelfde geldt voor het begrip bouwwerken en bouwen deze zijn opgenomen in de begripsbepalingen bij de Ow. Tevens zijn de aanvullende begrippen opgenomen die nodig zijn voor dit TAM-omgevingsplan.
In het algemene verbod is opgenomen dat alle functies en activiteiten die niet zijn genoemd en in strijd zijn met het TAM-omgevingsplan, verboden zijn. Er is echter een uitzondering voor binnenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend, en voor bestaande functies en activiteiten. Dit betekent dat als een activiteit niet in het plan staat, deze in principe niet mag, tenzij het een binnenplanse activiteit is die vergunningplichtig is, of als het een bestaande situatie betreft. Het begrip bestaand is opgenomen in de begripsbepalingen, waarbij het gaat om legale situaties ten tijde van het inwerking treden van dit TAM-omgevingsplan.
Een omgevingsplan moet technisch voldoen aan de Omgevingswet standaarden STOP/TPOD. De wetgever heeft tot 1 januari 2026 gemeenten de mogelijkheid geboden om een omgevingsplan onder de Omgevingswet op te stellen op basis van de RO standaarden 2012 en te publiceren via www.ruimtelijkeplannen.nl en de overbruggingsfunctie van het Informatiehuis Ruimte naar het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Het omgevingsplan conform TAM maakt juridisch onderdeel uit van het omgevingsplan, maar wordt technisch in de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl geplaatst.
Bij het opstellen van een TAM-omgevingsplan, waarbij gebruik wordt gemaakt van de RO standaarden 2012 kan nog gebruik worden gemaakt van bestemmingen. Dit voorliggend TAM-omgevingsplan bevat bestemmingen. De bestemmingen bevatten gebruiksregels en bouwregels. Voor de inhoud van de juridische regeling wordt deels aangesloten op de systematiek en regels uit het bestemmingsplan.
De bestemmingen bevatten gebruiksregels, bouwregels en aanlegregels (vergunningplichten voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden).
Agrarisch met waarden
De bestemming 'Agrarisch met waarden' (artikel 5) is opgenomen, omdat de aanduiding 'overige zone - spuitzone' moest worden opgenomen in verband met het verbod op het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de agrarische gronden. Het vergroot de juridische leesbaarheid van het plan. De bestemming is grotendeels conserverend overgenomen uit de regels van de beheersverordening de Wolden 2023. Wel is de regeling aangevuld met het verbod op het gebruik van gronden ten behoeve van de sierteelt, fruitteelt, boomteelt of overige opgaande meerjarige teeltvormen en afgestemd op het plangebied.
Groen
De bestemming 'Groen' zorgt voor een groene en bebouwingsvrije zone tussen het omliggende agrarisch gebied. Het plangebied wordt landschappelijk ingepast in de bestaande omgeving. in paragraaf 2.2.2 wordt hierop ingegaan. Het uitgangspunt voor de landschappelijke inpassing is het behoud- en uitbreiding van groenstructuren en watergangen. Het plangebied wordt overwegend groen ingericht en er worden extra bomen geplant als aansluiting op de bestaande houtsingels.
Op deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen voor nutsvoorzieningen.
Natuur
De gronden die binnen de bestemming 'Natuur' (artikel 7) zijn opgenomen voorzien in het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en de landschappelijke waarden en zijn voor een deel ook bedoeld voor waterhuishoudkundige doeleinden en sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen. Het waterbergend vermogen is van de gronden is van belang voor de ontwikkeling. De gronden zijn daarom voorzien van een aanduiding voor de waterbergende functie (zie ook paragraaf 5.13).
Binnen de bestemming is een aanlegvergunningstelstel opgenomen ter bescherming van de waarden, waarbij tevens toetsing plaatsvindt dat het waterbergend vermogen behouden blijft en in stand wordt gehouden.
Het oprichten van bebouwing is niet toegestaan met uitzondering van een schanskorf ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - schanskorf'. Deze mogelijkheid is geboden om een buffer/begrenzing te markeren van het plangebied als overgang naar natuur.
Tuin
De gedeelten van de percelen waar geen (bij)gebouwen mogen worden gebouwd, hebben bestemming 'Tuin' (artikel 8) gekregen. Meestal liggen deze gronden tussen de voorgevel van de gebouwen en de openbare weg. Ook kan aan de zijkant van de gebouwen deze bestemming gelegen zijn, om een bepaalde openheid te kunnen houden.
Verkeer
De gronden zijn binnen de bestemming 'Verkeer' (artikel 9) bedoeld voor de ontsluiting van de nieuwe woonwijk. De bouw van gebouwen en overkappingen is niet toegestaan.
Perceel- en erfafscheidingen zijn toegestaan tot een hoogte van maximaal 2 m en overige bouwwerken tot een hoogte van maximaal 8 m.
Wonen
De bestemming 'Wonen' (artikel 11) maakt het wonen mogelijk binnen het bestemmingsvlak conform de gewenste woningbouwontwikkeling en met inachtname van de uitgangspunten ten aanzien van de ruimtelijke inpassing en beeldkwaliteit zoals opgenomen in paragraaf 2.2.3 en 4.3.3. Tevens is het ondergeschikte gebruik voor een aan de woning gebonden beroep of bedrijf toegestaan. De hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd en per bouwvlak is het type woningen vastgelegd, om te kunnen voldoen aan de programmering. Dit betreffen vrijstaande, twee-aaneengebouwde, gestapelde, en rijwoningen. De goot- en bouwhoogtes, dakhellingen zijn conform het stedenbouwkundig plan en met inachtname van het beeldkwaliteitsplan opgenomen op de verbeelding. Daar waar de accenten moeten komen vanwege onder meer de entree van het gebied mogen de bouwhoogte hoger zijn dan in de rest van het plangebied, namelijk 12 meter. Hetzelfde geldt ter plaatse van de gestapelde bouw. De bouwhoogte mag hier 13 meter bedragen. In de overige delen van het plangebied mogen de bouwhoogtes maximaal 7, 8, 9, of 11 meter zijn. De bijbehorende goothoogtes zijn 3 meter en bij een bouwhoogte van 11 meter, 6 meter. De 8 vrijstaande woningen in het zuidelijk deel van het plangebied mogen alleen plat afgedekt worden, hiervoor is een aanduiding opgenomen. Deze regeling geldt ook ter plaatse van de gestapelde bouw. Indien sprake moet zijn van een dakhelling dan is deze minimaal 30 en maximaal 60 graden. Voor een aantal woningen gelden geen verplichtingen ten aanzien van de dakhelling. Deze valt samen met de bijzondere accenten in het plan.
Voor alle woningen is een bijbehorende bouwwerken regeling opgenomen met uitzondering van de gestapelde bouw. Hier is niet voorzien in een bijbehorend bouwwerk.
Er is aangesloten op de bijbehorende bouwwerken regeling zoals in de gemeente gebruikelijk is.
Zie hiervoor ook paragraaf 2.2.1.
Leiding - Riool
Op de voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn is het beschermen van de rioolleidingen mede toegestaan met een aanlegvergunningplicht ter bescherming van de leiding.
Waarde - Archeologie
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' is vanwege het opnemen van de aanduiding 'overige zone - spuitzone' en het opnemen van de gronden waaraan de bestemming 'Natuur' is toegekend integraal en conserverend overgenomen uit de regels van de beheersverordening de Wolden 2023.
Waarde Archeologisch en Cultuurhistorisch waardevol
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch en Cultuurhistorisch waardevol' is vanwege het opnemen van de aanduiding 'overige zone - spuitzone' en het opnemen van de gronden waaraan de bestemming 'Natuur' is toegekend integraal en conserverend overgenomen uit de regels van de beheersverordening de Wolden 2023.
Binnen de algemene regels zijn de anti-dubbeltelregels opgenomen. In het Bkl is geen plicht opgenomen tot het opnemen van een anti-dubbeltelregeling. Deze hoeft dus niet te worden opgenomen in dit TAM-omgevingsplan. De keuze is om deze wel mee te nemen om ongewenste bebouwingsmogelijkheden te creëren (voor bijvoorbeeld bijbehorende bouwwerken).
De aanvraagvereisten voor de aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of een werkzaamheid zijn opgenomen, de motivering daarvan is opgenomen in paragraaf 6.1.
De bestaande situatie, voor zover aanwezig, is in de algemene regels vastgelegd zodanig dat indien maatvoeringen en/of situeringen van een bestaand bouwwerk afwijken van de beoordelingsregels van het TAM-omgevingsplan gelden de bestaande maatvoeringen en situeringen als norm. Ook zijn algemene beoordelingsregels opgenomen voor de bouw van gebouwen voor nutsvoorzieningen.
De regels over het uiterlijk van bouwwerken zijn opgenomen en gekoppeld aan het (nog vast te stellen) beeldkwaliteitsplan als beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken op grond van artikel 4.19 van de Omgevingswet. Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit moet hieraan voldoen. wel is het mogelijk hiervan af te wijken door Burgemeester en Wethouders. Deze mogelijkheid is ook opgenomen in de planregels.
De 10% regeling zorgt ervoor dat in algemene zin kan worden afgeweken van de in de beoordelingsregels opgenomen maten en afmetingen. Algemenere afwijkingsregels voor het bouwen en met een omgevingsvergunning afwijken van het gebruik zijn ook opgenomen en overgenomen uit de voorheen geldende regelingen. De parkeerregels zijn conserverend overgenomen uit de bestaande regelingen.
Tevens zijn een aantal gebiedsaanduidingen opgenomen.
milieuzone - hydrologische beïnvloeding
Deze aanduiding is opgenomen om de hydrologische waarden te beschermen. Een aanlegvergunningstelsel is opgenomen voor het graven en dempen van sloten en andere watergangen, het vergroten of verkleinen van het doorstroomprofiel en het aanbrengen of verwijderen van dammen en stuwen en het aanbrengen van drainage dieper dan 40 cm.
Dit geldt niet voor normaal onderhoud en werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, met een daarvoor geldende vergunning.
overige zone - spuitzone
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - spuitzone' is het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan.
overige zone - parkeren uitgesloten
Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - parkeren uitgesloten' is het gebruik van de gronden voor parkeren en de daarbij behorende parkeervoorzieningen niet toegestaan. Deze regeling voorkomt het parkeren in de voortuinen, maar ook achtertuinen ter plaatse van de aaneengebouwde woningen. Het parkeren is ter plaatse geborgd is binnen de bestemming 'Verkeer'. Zie ook paragraaf 2.2.1.
Het opnemen van overgangsrecht is niet meer verplicht onder de Omgevingswet. In verband met de rechtszekerheid van bestaande rechten is ervoor gekozen om overgangsregels op te nemen. Deze overgangsregels zijn zowel voor bouwwerken als gebruik.
In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch uitvoerbaar is. Dit houdt in dat:
Financiële uitvoerbaarheid
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling betreft de bouw van maximaal 146 woningen. De gemeente is grondeigenaar en geeft de kavels uit.
De gemeente is de initiatiefnemer en realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De gemeente heeft middelen beschikbaar vanuit de grondexploitatie om de ontwikkeling te realiseren. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan.
Kostenverhaal
Wie een woning, bedrijfspand of ander gebouw bouwt of verbouwt, moet hiervoor in veel gevallen een bijdrage betalen aan het bevoegd gezag. Deze bijdrage is onder andere voor de kosten van het opstellen van plannen, het aanleggen van openbare voorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte. Dit wordt kostenverhaal genoemd.
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op ontwikkeling van een woonbuurt voor maximaal 146 (nieuwe) woningen en het omzetten van een bestaande bedrijfswoning tot reguliere woning. De beoogde ontwikkeling is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd.
De gemeente heeft de gronden waarop de kostenverhaalplichtige activiteit mogelijk wordt gemaakt in eigendom. Hierdoor is het kostenverhaal niet aan de orde. De gemeente is zelf exploitant, waardoor de kosten voor rekening van de gemeente zijn. De gemaakte kosten worden bij grondverkoop via de grondprijs verhaald. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.
In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.
Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op deze wijziging van het omgevingsplan, nader onderzocht in deze motivering.
Afweging
Met de beoogde ontwikkeling wordt in de uitbreidingswijk Middelveen V maximaal 146 nieuwe woningen gefaciliteerd. Deze wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de relevante beleidsuitgangspunten / instructieregels op provinciaal en gemeentelijk niveau en veroorzaakt het geen conflicten met de instructieregels vanuit het Bkl.
In hoofdstuk 5 is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de geldende milieu wet- en regelgeving.
In de beoordeling is gebleken voor de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.