direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Middelveen V, Zuidwolde
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1690.TAMOPH22eMdvV-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij hierna daarvan is afgeweken. In aanvulling zijn de volgende begripsbepalingen van toepassing:

1.1 plan:

het Omgevingsplan gemeente De Wolden;

1.2 TAM-omgevingsplan:

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Middelveen V, Zuidwolde met identificatienummer NL.IMRO.1690.TAMOPH22eMdvV-VG01 van de gemeente De Wolden;

1.3 aanduiding;

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens;

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 aaneengebouwde woning:

Woning waarbij het hoofdgebouw deel uitmaakt van een blok van meer dan twee hoofdgebouwen die, uitgezonderd de hoofdgebouwen die de aldus gevormde rij beëindigen, naar twee zijden door scheidsmuren van naastgelegen hoofdgebouwen zijn begrensd.

1.6 aangebouwd bijgebouw

een rechtstreeks aan het (hoofd)gebouw verbonden gebouw, dat zowel ruimtelijk, architectonisch als functioneel ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw;

1.7 aan huis verbonden bedrijf

kleinschalige bedrijvigheid als bedoeld in Bijlage 2 Lijst toelaatbare beroepen en vormen van bedrijvigheid bij wonen die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;

1.8 aan huis verbonden beroep

een dienstverlenend beroep als bedoeld in Bijlage 2 Lijst toelaatbare beroepen en vormen van bedrijvigheid bij wonen dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

1.9 aan- of uitbouw

een aan een hoofdgebouw aanwezig bouwwerk, dat ruimtelijk en architectonisch ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw, maar in functioneel opzicht onderdeel uitmaakt van dat hoofdgebouw;

1.10 achtererfgebied

erf aan de achterkant en de niet naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant op meer dan 1 meter van de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw;

1.11 agrarisch bedrijf:

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;

1.12 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.13 bebouwingspercentage:

de bebouwde oppervlakte van een gebouw uitgedrukt in procenten van nader aangegeven gronden;

1.14 bedrijfsgebouw:

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

1.15 bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is. De bedrijfswoning is ook een bedrijfsgebouw;

1.16 bestaand:
  • 1. het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit van het Omgevingsplan De Wolden aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen;
  • 2. het onder 1 bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende plan, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening, of een andere planologische toestemming;
1.17 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.18 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

1.19 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.20 bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel;

1.21 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.22 bijbehorende bouwwerken

alle aan- en uit- bouwen, (aangebouwde)bijgebouwen en overkappingen op een perceel.

1.23 bijgebouw:

een op zichzelf staand niet voor bewoning bestemd gebouw, al dan niet vrijstaand, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

1.24 cultuurgrond:

grond in gebruik voor akkerbouw en/of veeteelt;

1.25 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen, geen motorbrandstoffen zijnde, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Onder detailhandel vallen geen afhaalzaken en maaltijdbezorgdiensten;

1.26 erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van dat gebruik van dat gebouw en de functie deze inrichting niet verbiedt;

1.27 gebouw

bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.28 gestapelde woning

Woning die onderdeel is van een gebouw dat uit meerdere naast elkaar en of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen (appartementen) bestaat en waarbij het gebouw qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;

1.29 huishouden:

een alleenstaande, dan wel twee of meer personen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen voeren;

1.30 kleinschalige bedrijfsmatige activiteit:

de in dit plan genoemde bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of nabij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;

1.31 landschappelijke waarden:

de cultuurhistorische en de visuele waarden van het landschap;

1.32 natuurlijke waarden:

de abiotische en biotische waarden van een gebied;

1.33 nutsvoorziening

voorzieningen ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;

1.34 normaal onderhoud:

het onderhoud dat, gelet op de bestemming, regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming horen;

1.35 overkapping:

een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke oppervlakte overdekt bestaande uit een dakconstructie en voorzien van ten hoogste twee wanden, waaronder mede een carport wordt verstaan;

1.36 peil:
  • a. indien op het land wordt gebouwd:
    • 1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:
      • de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
    • 2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst:
      • de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • b. indien in het water wordt gebouwd:
    • 1. het Normaal Amsterdams Peil;
1.37 twee-aaneenwoning:

Woning waarbij het hoofdgebouw aan maximaal één zijde door een scheidsmuur van een naastgelegen hoofdgebouw is begrensd, waardoor het hoofdgebouw deel uitmaakt van een blok van maximaal twee hoofdgebouwen;

1.38 voorgevel:

De gevel van het hoofdgebouw dat in de voorgevellijn is gebouwd;

1.39 voorgevellijn

De zijde van het bouwvlak die op de verbeelding met 'voorgevellijn' is aangegeven;

1.40 voorgevelrooilijn:

De denkbeeldige lijn in het verlengde van de zijde van het bouwvlak die op de verbeelding is aangegeven met 'voorgevellijn';

1.41 vrijstaande woning

Woning waarbij het hoofdgebouw niet begrensd is door scheidsmuren van andere hoofdgebouwen;

1.42 woning:

een complex van ruimten dat dient voor de zelfstandige huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

1.43 woonhuis:

een gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneen gebouwd, dat slechts één woning omvat;

1.44 zijerf:

gedeelte van het erf dat aan de zijkant van het gebouw is gelegen.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • a. De regels in dit TAM-omgevingsplan vervangen de regels van het Omgevingsplan gemeente De Wolden, op de locatie als bedoeld onder d, zoals opgenomen in artikel 6 (Agrarisch met waarden), artikel 30 (Waarde - Archeologie), artikel 31 (Waarde - Archeologisch en Cultuurhistorisch waardevol), artikel 44.3 (milieuzone - hydrologische beïnvloeding) van de beheersverordening Buitengebied De Wolden 2023 (zoals vastgesteld op 28 december 2023), de bestemming 'Agrarische doeleinden met landschappelijke waarde' uit het bestemmingsplan Middelveen IV (zoals vastgesteld op 26 oktober 2006) en de regels uit de beheersverordening Zuidwolde (zoals vastgesteld op 30 juni 2016).
  • b. De regels van het Omgevingsplan De Wolden blijven onverminderd van toepassing op de locatie zoals bedoeld onder d, voorzover de regels in dit TAM-omgevingsplan deze regels niet hebben gewijzigd.
  • c. De regels van het Omgevingsplan gemeente De Wolden, met daarbij inbegrepen afdeling 22.2 en afdeling 22.3, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, blijven buiten toepassing indien sprake is van strijdigheid met de regels van dit TAM-omgevingsplan.
  • d. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Middelveen V, Zuidwolde', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1690.TAMOPH22eMdvV-VG01.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

Bij onduidelijkheden of interpretatieverschillen betreffende de wijze van meten is de uitleg van de NEN 2580 (oppervlakten en inhouden van gebouwen, termen, definities en bepalingsmethoden) bepalend.

3.1 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.2 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwonderdelen als goten van dakkapellen niet meegerekend;

3.3 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwwerken zoals schoorstenen, antennes, ventilatiekappen, liftkokers, lichtkoepels en daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.5 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Overstekken van daken, dieper dan 40 cm, worden meegerekend bij de oppervlakte van bouwwerken;

3.6 de afstand tot de (bouw)perceelgrens:

vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (bouw)perceelgrens.

Artikel 4 Algemeen verbod

Niet genoemde functies en activiteiten en functies en activiteiten die niet zijn toegestaan op grond van dit TAM-omgevingsplan zijn verboden tenzij sprake is van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit waarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend, met uitzondering van bestaande functies en activiteiten.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 5 Agrarisch met waarden

5.1 Gebruiksregels

Op de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. cultuurgrond;
  • b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat:
    • 1. het opslaan van mest en/of overige landbouwproducten buiten het bouwperceel niet is toegestaan;
    • 2. het gebruik van gronden ten behoeve van de sierteelt, fruitteelt, boomteelt of overige opgaande meerjarige teeltvormen niet is toegestaan.
  • c. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden van de gronden;

met daaraan ondergeschikt:

  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. recreatief medegebruik;

met de daarbij behorende:

  • f. infrastructurele voorzieningen;
  • g. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • h. sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen;
5.2 Bouwregels
5.2.1 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. silo's en bassins zijn niet toegestaan;
  • b. de bouwhoogte van erf- terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn bedraagt ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte op zijerven die grenzen aan een openbaar toegankelijk gebied op een afstand van 1 m of minder uit de perceelgrens ten hoogste 1 m bedraagt;
  • c. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, zal ten hoogste 5 m bedragen.
5.3 Afwijken gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden, de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 5.1 en toestaan dat gronden en bouwwerken buiten het bouwperceel worden gebruikt voor het opslaan van mest en/of overige landbouwproducten, mits;
    • 1. deze opslag noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering (bedrijfseconomische redenen), dan wel om redenen van ontsluiting of milieu opslag binnen het bouwvlak niet mogelijk is; en
    • 2. de opslag voor zover op basis van bedrijfstechnische redenen mogelijk direct aansluitend aan het bouwvlak wordt gesitueerd.
5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.4.1 Vergunningplicht werken en werkzaamheden

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is, een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het aanplanten van bomen en/of houtgewas, over een oppervlakte van meer dan 100 m2 voor zover niet gelegen binnen een bouwperceel, met uitzondering van houtteelt, sier- en fruitteelt en/of overige opgaande teeltvormen;
  • b. het kappen en/of rooien van houtgewas en/of -singels;
  • c. het verharden van agrarische perceel-, kavelontsluitings- en/of onderhoudswegen buiten het bouwperceel met een grotere breedte dan 4 m;
  • d. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen ten behoeve van het agrarisch gebruik buiten het bouwperceel, niet zijnde perceel- en/of kavelontsluitingswegen, met een oppervlakte van meer dan 50 m²;
  • e. het aanleggen van fiets-, voet- en ruiterpaden buiten het bouwperceel;
  • f. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden, zodanig dat er een verschil in hoogte, c.q. diepte ten opzichte van het bestaande maaiveld ontstaat van meer dan 30 cm;
  • g. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief medegebruik;
  • h. het wijzigen van de grondsamenstelling en/of het aanbrengen van voorzieningen ten behoeve van de aanleg van paardrijbakken;
  • i. het aanleggen van ligplaatsen voor vaartuigen;
  • j. het graven of dempen, verdiepen of verbreden van sloten en daarmee gelijk te stellen waterlopen, uitsluitend indien dit een wijziging van het kavelpatroon tot gevolg heeft;
  • k. het aanleggen van wegen ten behoeve van gebiedsontsluiting.
  • l. het aanplanten van bomen en/of houtgewas ten behoeve van houtteelt, sier- en fruitteelt en/of overige opgaande teeltvormen.

5.4.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.4.1 wordt verleend als:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, de natuurlijke, de geomorfologische, cultuurhistorische en de archeologische waarden;
  • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishouding van het gebied en de omliggende percelen, c.q. de gebruiksmogelijkheden daarvan.

5.4.3 Uitzonderingen vergunningplicht

Het bepaalde in lid 5.4.1 en 5.4.2 is niet van toepassing op de volgende werken of werkzaamheden:

  • a. normaal onderhoud;
  • b. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, met een daarvoor geldende vergunning.

Artikel 6 Groen

6.1 Gebruiksregels

Op de voor 'Groen' aangewezen gronden zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. groenvoorzieningen;

met daarbij behorende:

  • b. fiets- en voetpaden;
  • c. inritten, met uitzondering van gronden grenzend aan de bestemming Wonen met de aanduiding 'aaneengebouwd';
  • d. speelvoorzieningen;
  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. bruggen, dammen en/of duikers.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen voor nutsvoorzieningen waarbij wordt voldaan aan het bepaalde in 17.1.

6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt de volgende beoordelingsregel:

  • a. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

Artikel 7 Natuur

7.1 Gebruiksregels

Op de voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en de landschappelijke waarden;
  • b. waterhuishoudkundige doeleinden;
  • c. sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen;

alsmede:

  • d. ter plaatse van de aanduiding 'waterberging' voor waterberging;

met daaraan ondergeschikt:

  • e. agrarisch medegebruik, waaronder niet wordt begrepen het opslaan van mest en/of andere landbouwproducten;
  • f. recreatief medegebruik en educatief medegebruik;
  • g. nutsvoorzieningen.
7.2 Bouwregels
  • a. Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden opgericht;
  • b. in afwijking van 7.2 onder a mogen op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - schanskorf' een schanskorf of een daarmee gelijk te stellen bouwwerk, geen gebouw en overkapping zijnde, worden gebouwd, met een hoogte van maximaal 1 meter.
7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
7.3.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen en ophogen van gronden;
  • b. het aanplanten van bomen en/of houtgewas over een oppervlakte van meer dan 100 m²;
  • c. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 100 m²;
  • d. het aanleggen van fiets-, voet- en/of ruiterpaden;
  • e. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief medegebruik en het educatief medegebruik;
  • f. het verharden van perceel-, kavelontsluitings- en/of onderhoudswegen.
  • g. het verharden van perceel-, kavelontsluitings- en/of onderhoudswegen.

7.3.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.3.1 wordt verleend als:

  • a. de waterbergingscapaciteit behouden blijft en in stand wordt gehouden;
  • b. de waterbergingscapaciteit behouden blijft en in stand wordt gehouden;

7.3.3 Uitzondering vergunningplicht

Het bepaalde in lid 7.3.1 en 7.3.2 is niet van toepassing op de volgende werken of werkzaamheden:

  • a. normaal onderhoud;
  • b. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, met een daarvoor geldende vergunning.

Artikel 8 Tuin

8.1 Gebruiksregels

Op de voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen functies en gebruik;
  • b. inritten en parkeervoorzieningen, behalve de gronden aangeduid met 'overige zone - parkeren uitgesloten';
8.2 Beeldkwaliteit

Alle bouwwerken dienen te voldoen aan de eisen en normen zoals opgenomen in Bijlage 1 Beeldkwaliteitsplan Middelveen V.

8.3 Bouwregels
8.3.1 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt de volgende beoordelingsregel:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 1 meter.

Artikel 9 Verkeer

9.1 Gebruiksregels

Op de voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wegen;
  • b. voet- en fietspaden;

met de daarbij behorende:

  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • e. bruggen, dammen en/of duikers;
  • f. sloten, bermen en beplanting;
  • g. groenvoorzieningen.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Gebouwen en overkappingen
  • a. er mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.
9.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde mag niet meer bedragen dan 12 m.

Artikel 10 Water

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

10.1 Gebruiksregels

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. waterberging;
  • b. waterhuishouding;
  • c. waterlopen en waterwegen;

met daarbijbehorende:

  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, dammen en/of duikers;
  • e. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden;
  • f. voorzieningen.
10.2 Bouwregels

Op de voor 'Water' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

10.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • 1. de hoogte van een gebouw mag niet meer dan 3 meter bedragen;
  • 2. de oppervlakte van een gebouw mag niet meer dan 25 m2 bedragen.

10.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende beoordelingsregel:

  • a. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen.

Artikel 11 Wonen

11.1 Gebruiksregels

Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wonen;

met daarbij behorend en ondergeschikt:

  • b. een aan de woning gebonden beroep of bedrijf als bedoeld in 'Bijlage 2 Lijst toelaatbare beroepen en vormen van bedrijvigheid bij wonen', tot een oppervlakte van niet meer dan 35% van de oppervlakte van de woning met bijbehorende bouwwerken, tot een maximum van 60 m2;
  • c. nutsvoorzieningen;
  • d. wegen en paden;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. inritten en parkeervoorzieningen, uitgezonderd de gronden die aangeduid zijn als 'overige zone - parkeren uitgesloten';
  • g. parkeervoorzieningen;
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • i. tuin, erven en terreinen.
11.2 Beeldkwaliteit

Alle bouwwerken dienen te voldoen aan de eisen en normen zoals opgenomen in Bijlage 1 Beeldkwaliteitsplan Middelveen V.

11.3 Bouwregels
11.3.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. uitgezonderd woningen die gestapeld gebouwd worden, moet de voorgevel van ieder hoofdgebouw opgericht worden in de lijn die op de kaart is aangeduid als 'gevellijn'.
  • c. de gevel van het hoofdgebouw aan de zijde voorgevellijn dient door de gevelindeling (in architectonisch opzicht) de meest representatieve gevel van het hoofdgebouw te zijn.
  • d. als hoofdgebouw zijn uitsluitend toegestaan:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand': een vrijstaande woning;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen': twee-aaneenwoningen;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd': aaneengebouwde woningen;
    • 4. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld': gestapelde woningen;
    • 5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - twee-aaneen of vrijstaand': twee-aaneenwoningen of een vrijstaande woning;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' mag het aantal woningen niet meer dan het maximaal aantal aangegeven wooneenheden bedragen;
  • f. de goothoogte mag ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' niet meer bedragen dan aangegeven;
  • g. de bouwhoogte mag ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' niet meer bedragen dan aangegeven;
  • h. de dakhelling mag ter plaatse van de aanduiding 'minimum dakhelling (graden)' niet minder bedragen dan aangegeven;
  • i. de dakhelling mag ter plaatse van de aanduiding 'maximum dakhelling (graden)' niet meer bedragen dan aangegeven;
  • j. de dakhelling mag ter plaatse van de aanduiding 'plat dak' niet meer bedragen dan 0° waarbij de derde bouwlaag niet meer dan 60 % van de vloeroppervlakte van het gebouw.
  • k. in aanvulling op de algemene parkeerregels, zoals die zijn opgenomen in artikel 21 lid 21.1 geldt per woningtype de parkeernorm per woning, zoals opgenomen in onderstaande tabel:

Woningtype   Bewonersnorm   Bezoekersnorm   Totale norm  
Sociale huur   1,3   0,3   1,6  
Rijwoningen/Gestapeld   1,5   0,3   1,8  
Tweekappers & Vrijstaand   1,7   0,3   2,0  

Tabel 11.1: Parkeernormen per woningtype

  • l. voor vrijstaande en tweeaaneen gebouwde hoofdgebouwen geldt dat het parkeren op eigen erf opgelost dient te worden, volgens de parkeernormen uit tabel 11.1 en de voorwaarden uit artikel 21.1.

11.3.2 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder bedragen dan 1 m, tenzij in de perceelgrens wordt gebouwd;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte bij het hoofdgebouw van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken dient te voldoen aan de volgende regels:
    • 1. in het geval het achtererfgebied kleiner of gelijk is aan 100 m²: 60% van de oppervlakte van het achtererfgebied;
    • 2. in het geval het achtererfgebied groter is dan 100 m² en kleiner of gelijk is aan 300 m²: 60 m² vermeerderd met 40% van dat deel van de oppervlakte van het achtererfgebied dat groter is dan 100 m²;
    • 3. in het geval het achtererfgebied groter is dan 300 m² en kleiner of gelijk is aan 900 m²: 140 m² vermeerderd met 10% van dat deel van de oppervlakte van het achtererfgebied dat groter is dan 300 m²;
    • 4. in het geval het achtererfgebied groter is dan 900 m²: 200 m²;
  • c. de bouwhoogte van overkappingen mag niet meer bedragen dan 3,25 m.

11.3.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. Voor erf- of perceelsafscheidingen gericht op openbaar toegankelijk gebied geldt een maximale bouwhoogte van 1 m.
  • b. Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2 m.

Artikel 12 Leiding - Riool

12.1 Gebruiksregels

Op de voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies en gebruiksactiviteiten, de volgende functies en gebruiksactiviteiten mede toegestaan:

  • a. een hoofdbuisleiding t.b.v. riool;

met de daarbij behorende:

  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
12.2 Bouwregels

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, mogen op of in deze gronden geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, anders dan ten behoeve van het gebruik als beschreven in dit artikel.
  • b. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 5 m bedragen.
12.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.3.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is, een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
  • b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden dieper dan 0,3 m;
  • c. het in de grond brengen van voorwerpen dieper dan 0,3 m;
  • d. het planten van bomen en het aanbrengen van andere beplantingen die dieper wortelen of kunnen wortelen dan 0,3 m.
  • e. het planten van bomen en het aanbrengen van andere beplantingen die dieper wortelen of kunnen wortelen dan 0,3 m.

12.3.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 12.3.1 wordt verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het functioneren van de leiding.

12.3.3 Uitzonderingen vergunningplicht

Het bepaalde in lid 12.3.1 en 12.3.2 is niet van toepassing op de volgende werken of werkzaamheden:

  • a. normaal onderhoud;
  • b. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, met een daarvoor geldende vergunning.

Artikel 13 Waarde - Archeologie

13.1 Gebruiksregels

Op de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies en gebruiksactiviteiten, mede de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden.
13.2 Beoordelingsregels voor het bouwen
13.2.1 Bouwwerken

Daar waar de gronden op de Archeologische beleidskaart zijn aangegeven als 'hoge verwachting', 'hoge of middelhoge verwachting' voor zover de oppervlakte van de ingreep in de grond betrekking heeft groter is dan 1.000 m² en de activiteit op een grotere diepte dan 30 cm wordt uitgevoerd moet voor bouwwerken alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van burgemeester en wethouders:

  • a. de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.

13.2.2 Voorwaarden

Indien uit het in lid 13.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties, tenzij in het rapport als bedoeld onder a naar het oordeel van het bevoegd gezag is aangetoond dat het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van archeologische waarden.
13.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
13.3.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 1.000 m² uit te voeren daar waar de gronden op de Archeologische beleidskaart zoals opgenomen in bijlage 3, zijn aangegeven als 'hoge verwachting', 'hoge of middelhoge verwachting', zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen, ontginnen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur dieper dan 30 cm, met dien verstande dat geen vergunning nodig is wanneer het betreft niet-bodemkerende werkzaamheden ten behoeve van het verbeteren van de verdichte bodemstructuur (woelen) tot ten hoogste 10 cm onder de bouwvoor;
  • b. het graven en/of baggeren van sloten, vaarten en andere watergangen dieper dan 30 cm;
  • c. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur dieper dan 30 cm;
  • d. het aanleggen en vervangen van drainage daar waar de gronden op de Archeologische beleidskaart zijn aan gegeven als 'hoge verwachting (essen)'.
  • e. het aanleggen en vervangen van drainage daar waar de gronden op de Archeologische beleidskaart zijn aan gegeven als 'hoge verwachting (essen)'.
13.3.2 Uitzondering

Het bepaalde in lid 13.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. plaatsvinden in of op gronden waarvan op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er zich ter plekke geen archeologische waarden bevinden;
  • b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het TAMplan;
  • c. het normale onderhoud betreffen;
  • d. op archeologisch onderzoek zijn gericht.

13.3.3 Beoordelingsregels

De in lid 13.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de plaats waar werken en/of werkzaamheden zullen worden uitgevoerd voldoende archeologisch is onderzocht, vaststaat dat er geen onevenredige afbreuk aan de archeologische en/of cultuurhistorische waarden wordt gedaan, dan wel dat afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of bescherming van die waarden of de eventuele bodemvondsten naar elders zijn overgebracht.

Artikel 14 Waarde - Archeologisch en Cultuurhistorisch waardevol

14.1 Waarde - Archeologisch en Cultuurhistorisch waardevol

Op de voor 'Waarde - Archeologisch en Cultuurhistorisch waardevol' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies en gebruiksactiviteiten, mede de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de archeologische en cultuurhistorische waarden.
14.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
14.2.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
  • b. het graven en dempen van waterpartijen en watergangen;
  • c. het aanleggen van drainage;
  • d. het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • e. het aanplanten van bomen en/of houtgewas.
  • f. het aanplanten van bomen en/of houtgewas.

14.2.2 Uitzondering

Het bepaalde in lid 14.2.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden dit TAM-omgevingsplan.

14.2.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.2.1 wordt verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de archeologische en cultuurhistorische waarden; en
  • b. er is voor het aanplanten van bomen en/of houtgewas uitsluitend sprake van versterking van de karakteristieke randbeplanting (esrandbeplanting).

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 15 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 16 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a. de te gebruiken materialen;
  • b. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en
  • c. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.

Artikel 17 Algemene bouwregels

17.1 Gebouwen voor nutsvoorzieningen

Voor het bouwen van gebouwen voor nutsvoorzieningen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de inhoud bedraagt per gebouw niet meer dan 25 m³;
  • b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m.
17.2 Regels over het uiterlijk van bouwwerken
  • a. Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt alleen verleend indien het uiterlijk en/of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan niet in strijd is met de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de regels over het uiterlijk van bouwwerken zoals opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan Middelveen V te Zuidwolde 'Kwaliteit in samenhang en identiteit', zoals vastgesteld op 18-12-2025.
  • b. Bij de beoordeling van een aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in lid a wordt de Adviescommissie voor Omgevingskwaliteit om advies gevraagd.
  • c. Bij de advisering over de aanvraag als bedoeld in lid a betrekt de Adviescommissie Omgevingskwaliteit de regels over het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken zoals opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan Middelveen V te Zuidwolde 'Kwaliteit in samenhang en identiteit' zoals vastgesteld op 18-12-2025.
  • d. De omgevingsvergunning kan ook worden verleend indien Burgemeester en Wethouders in afwijking van het advies van de Adviescommissie voor Omgevingskwaliteit van oordeel zijn dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.

Artikel 18 Bodemgevoelig gebouw bouwen

18.1 Meldingplicht bodemgevoelig gebouw

Voor de gebouwen, waarvoor geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is vereist, geldt een meldingplicht voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 5.89g van het Bkl, op een bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in artikel 5.89h van het Bkl.

18.2 Indieningvereisten melding
  • a. Indien sprake is van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie dan moet dit ten minste vier weken voor het begin van de bouw worden gemeld bij het bevoegd gezag.
  • b. De melding als bedoeld onder a wordt ondertekend en bevat ten minste;
    • 1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
    • 2. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
    • 3. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;
    • 4. de dagtekening; en
    • 5. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen;
    • 6. 1 en 5 zijn niet van toepassing op locaties die zijn aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl redelijkerwijs is uit te sluiten.

Artikel 19 Algemene aanduidingsregels

19.1 overige zone - spuitzone

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - spuitzone' is het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan.

19.2 overige zone - parkeren uitgesloten

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - parkeren uitgesloten' is het gebruik van de gronden voor parkeren en de daarbij behorende parkeervoorzieningen niet toegestaan.

19.3 milieuzone - hydrologische beïnvloeding
19.3.1 Gebruiksregels

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - hydrologische beïnvloeding' dienen de hydrologische waarden te worden hersteld, behouden en ontwikkeld.

19.3.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

  • a. Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is, een omgevingsvergunning vereist:
    • 1. het graven en dempen van sloten en andere watergangen, het vergroten of verkleinen van het doorstroomprofiel en het aanbrengen of verwijderen van dammen en stuwen;
    • 2. het aanbrengen van drainage dieper dan 40 cm.

  • b. Het bepaalde in lid 19.3.2 onder a is niet van toepassing op de volgende werken of werkzaamheden:
    • 1. normaal onderhoud;
    • 2. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, met een daarvoor geldende vergunning.

  • c. Beoordelingsregels
    De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 19.3.2 onder a wordt verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de hydrologische waarden van de gronden, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 20 Algemene afwijkingsregels

20.1 10%- regeling

Van de in de beoordelingsregels in hoofdstuk 2 genoemde maten en afmetingen, met uitzondering van de oppervlaktematen, kan worden afgeweken tot ten hoogste 10% van die maten en afmetingen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

20.2 Afwijken beoordelingsregels bouwen

Van de beoordelingsregels in hoofdstuk 5.2.3 kan worden afgeweken, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden en de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden voor:

  • a. de genoemde maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages voor zover dit gelet op het gebruik en/of de constructie noodzakelijk is;
  • b. een overschrijding van de bouwgrenzen behorend bij de regels voor 'Wonen' door:
    • 1. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen;
    • 2. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken;
    • 3. (hoek)erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen, met dien verstande dat:
      • de bouwgrens met niet meer dan 1,5 m mag worden overschreden;
      • de afstand van een erker tot de naar de weg gekeerde perceelgrens ten minste 3 m bedraagt;
      • de gezamenlijke oppervlakte per erker niet meer bedraagt dan 6 m2;
      • de oppervlakte van een erker niet wordt meegerekend bij de toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken per hoofdgebouw, met dien verstande dat het maximale bebouwingspercentage van het bouwperceel onverminderd van toepassing blijft;
  • c. het in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geven;
  • d. het aanpassen aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het gebied niet wezenlijk wordt aangetast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de afwijking gewenst en noodzakelijk wordt geacht;
  • e. het vergroten van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot niet meer dan 10 m.
20.3 Afwijken beoordelingsregels gebruik

Van de beoordelingsregels in hoofdstuk 5.2.3 kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden en de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden voor:

  • a. het toestaan van logiesverstrekking, met dien verstande dat wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
    • 1. vestiging is toegestaan binnen de gehele gemeente;
    • 2. vestiging moet plaatsvinden binnen bestaande bebouwing, en mag zowel in een hoofdgebouw als in een bijbehorend bouwwerk gerealiseerd worden. Er wordt uitgegaan van een bestaande entree (deur);
    • 3. in een bijbehorend bouwwerk mogen uitsluitend slaapplaatsen met sanitaire voorzieningen worden gerealiseerd. Hieraan gekoppeld moet in het bijbehorende hoofdgebouw een ontbijtruimte, en mag een eventuele woonkamer, worden gerealiseerd;
    • 4. het bijbehorend bouwwerk dient in de directe nabijheid te staan van en een duidelijke relatie te hebben met het hoofdgebouw;
    • 5. de uiterlijke kenmerken van het bijbehorend bouwwerk moeten behouden blijven. Er mogen geen uiterlijke kenmerken van een woning worden toegevoegd;
    • 6. er mogen maximaal drie slaapkamers gerealiseerd worden;
    • 7. er mag geen keukenblok in de kamers worden gemaakt;
    • 8. het parkeren dient op het eigen erf plaats te vinden;
    • 9. er mag geen extra inrit worden aangelegd in verband met de vestiging;
    • 10. de vestiging is alleen toegestaan aan een verkeersontsluiting van voldoende omvang;
    • 11. de vestiging mag geen onevenredige afbreuk doen aan de milieusituatie van agrarische bedrijven in de directe omgeving.

Artikel 21 Overige regels

21.1 Beoordelingsregels parkeren
  • a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden;
  • b. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt beoordeeld, op basis van de normen die zijn neergelegd in de CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024' (waarvan de relevante cijfers zijn overgenomen in tabel 11.1 van deze regels) of een geactualiseerde versie hiervan. Hierbij kunnen voorschriften worden opgenomen over het realiseren en in stand houden van parkeergelegenheid op eigen terrein.
  • c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 22 Overgangsrecht

22.1 Overgangsrecht gebruik

Behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan bestaand gebruik, zijn de volgende overgangsregels van toepassing voor gebruik:

  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan.