direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Sint Jozefslaan oost
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Wonen Limburg is, in samenspraak met de gemeente Weert, voornemens om nieuwe woningen te realiseren en de leefomgeving voor haar inwoners te verbeteren. Het is een kans om de wijken Keent en Moesel te revitaliseren en in te spelen op de veranderende behoeften van de gemeenschap.

De aanleiding voor het opstellen van deze motivering is het planvoornemen om een herstructurering van de Sint Jozefslaan (oost) in Weert mogelijk te maken. Verdeeld over twee deelgebieden (deelgebied Noord en deelgebied Zuid) worden acht bestaande woongebouwen met portiekflats, uit de jaren '50 van de vorige eeuw, gesloopt om ter plaatse van de vrijgekomen ruimte acht nieuwe woongebouwen te realiseren. Deze nieuwe woongebouwen voldoen daarbij aan de wensen en eisen van deze tijd.

Het parkeren wordt grotendeels aan de achterzijde opgevangen, zodat er aan de straatzijde ruimte ontstaat voor vergroening en ontmoeting alsmede verbetering van de groeiplaats van de monumentale bomen. Een en ander is vastgelegd in de Gebiedsvisie Keent & Moesel, welke is vastgesteld op 8 februari 2021.

In de bestaande situatie is er verdeeld over de acht portiekflats sprake van 102 woningen. Deze zullen worden gesloopt, waarna er vervolgens over acht nieuwe woongebouwen in totaal maximaal 150 woningen worden gerealiseerd. Met het planvoornemen worden hierdoor maximaal 48 woningen toevoegd aan het stedelijke gebied van Weert. Per deelgebied worden vier woongebouwen gerealiseerd met respectievelijk maximaal 77 woningen in het noordelijk deel en maximaal 73 woningen in het zuidelijke deel.

Met de voorliggende woningbouwontwikkeling van maximaal 150 woningen worden ook voorzieningen, zoals de ontsluiting, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, hemelwatervoorzieningen, paden als onderdeel van de woonfunctie mogelijk gemaakt .

In samenvattende zin biedt voorliggend planvoornemen een unieke kans voor de stadsvernieuwing en het verbeteren van de leefkwaliteit in Weert. Dit is dan ook een belangrijke transformatie voor Weert.

Ondanks dat de bebouwde percelen reeds een woonfunctie met bijbehorend bouwvlak heeft, past het planvoornemen niet binnen de regels van het omgevingsplan. Voor de functie 'Wonen' geldt dat woningen uitsluitend ter plaatse van een bouwvlak mogen worden gebouwd met een maximum goot- en bouwhoogte van 10 meter. Daarnaast zijn niet meer woningen toegestaan dan aanwezig op het tijdstip van de ter inzage legging van het toenmalige ontwerp bestemmingsplan. Het planvoornemen valt deels buiten de aangeduide bouwvlakken, overschrijdt het de toegestaande maximum goot- en bouwhoogte als gevolg van het planvoornemen en neemt het aantal woningen toe met maximaal 48 woningen ten opzichte van het bestaande aantal woningen. Om de realisatie van de acht nieuwe woongebouwen met maximaal 150 woningen mogelijk te maken, zal het geldende omgevingsplan van de gemeente Weert moeten worden gewijzigd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0001.png"

Ligging van de huidige portiekflats verdeeld over de twee deelgebieden (Noord/links en Zuid/rechts)

1.2 Ligging en plangrenzen

Het plangebied bevindt zich aan de Sint Jozefslaan 25-119 en 205-311 (oneven) in Weert, dat in de wijk Keent ligt. Keent werd in de jaren '50 van de 20e eeuw gebouwd om het huizentekort in Weert terug te dringen en was de eerste vroeg-naoorlogse uitbreiding van Weert ten zuiden van de spoorlijn Eindhoven - Roermond. Veel typische woningbouw uit die tijd, zoals de portiekflats aan de Sint Jozefslaan, bestaat nog steeds.

Keent grenst in het noorden aan de spoorlijn Eindhoven-Weert-Roermond en wordt in het westen en zuiden omsloten door de Ringbaan West en Zuid. In het oosten loopt de wijk naadloos over in de wijk Moesel, waarvan de grens met Keent vaak onduidelijk is. Daarom worden Keent en Moesel vaak in een adem genoemd. Samen met de wijken Graswinkel en Rond de Kazerne vormen Keent en Moesel het stadsdeel Weert-Zuid.

Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden: Noord en Zuid. Het noordelijk deelgebied wordt begrenst door de Sint Jozefslaan, Regentesselaan/Dries, de aangrenzende tuinen van de woningen aan de Jan Truijenstraat en Victor de Stuersstraat, en is kadastraal bekend als gemeente Weert, sectie R, perceelsnummer 4350 (8.660m²). Het zuidelijk deelgebied wordt begrenst door de Sint Jozefslaan, Louis Beerenbrouckstraat, de aangrenzende tuinen van de woningen aan de Alphons Boostenstraat en Kruisstraat, en is kadastraal bekend als gemeente Weert, sectie R, nummer 5172 (6.257m²) en nummer 5173 (41m²). In totaal beslaat het plangebied een oppervlak van 14.958m².

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0002.png" Ligging van de deelgebieden Noord en Zuid (rood omcirkeld) in breder verband o.a. Weert Zuid (groen omlijnd)

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0003.png"

Luchtfoto met ligging van het plangebied bestaande uit de deelgebieden Noord en Zuid

1.3 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk is de opbouw van de voorliggende ruimtelijke motivering als volgt:

  • In Hoofdstuk 2 wordt het planvoornemen omschreven, waarbij wordt ingegaan op de vergelijking van de huidige situatie met het planvoornemen.
  • In Hoofdstuk 3 wordt het plan getoetst aan de regels uit het omgevingsplan, waarbij wordt ingegaan op de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden en de strijdigheden met het omgevingsplan.
  • In Hoofdstuk 4 staat het beleidskader centraal.
  • In Hoofdstuk 5 worden de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving beschreven met o.a. verkeer & parkeren, bodemkwaliteit, bedrijven en milieuzonering, luchtkwaliteit, geur, omgevingsveiligheid, water, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, duurzaamheid & klimaat, gezondheid en de m.e.r.-beoordeling.
  • In Hoofdstuk 6 worden de juridisch bestuurlijke aspecten toegelicht.
  • In Hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid en maatschappelijke aanvaardbaarheid aan de hand van participatie omschreven.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie en toekomstige situatie

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Historie plangebied

Historisch gezien heeft de Sint-Jozefslaan een belangrijke rol gespeeld in de woningbouw van Weert. In de jaren vijftig ontstond de behoefte aan gestapelde bouw, toen de stad na de Tweede Wereldoorlog verder industrialiseerde. De stad groeide snel door het vele aantal grote gezinnen, waarvan de kinderen volwassen werden. Er was sprake van woningnood. De aanleg van de Sint Jozefslaan, die zich een kilometer achter het station uitstrekt, was een manier om aan deze vraag te voldoen.

De breedte van de laan, omzoomd door meer dan tweehonderd platanen, gaf de omgeving een levendig karakter, maar ook een zekere grandeur. De grandeur van het verleden is inmiddels verdwenen. De aanblik van de verouderde flats suggereert een tijdperk waarin de woningbouw bloeide, maar nu onder druk staat door veroudering en de wensen c.q. eisen van de moderne samenleving. Het zijn vooral de oneven nummers aan de oostzijde, die een gevoel van vergane glorie oproept, doordat deze flats dichter bij de weg liggen. Ditzelfde geldt voor het noordelijke deel van de westzijde.

2.1.2 Huidige situatie

De Sint Jozefslaan is de hoofdstraat die van noord naar zuid door de wijk Keent loopt. Parallel hieraan ligt de Kerkstraat, een tweede karakteristieke, maar oudere straat die haar landelijke karakter van vóór de stadsuitbreidingen heeft behouden. De Sint Jozefslaan kenmerkt zich door markante platanen aan weerszijden van de weg. Achter deze platanen staan vanaf de Dries tot aan de Ringbaan de portiekflats. Deze bestaan uit een onderbouw met kelders met daar bovenop drie bouw-/woonlagen en zijn plat afgedekt. Aan de achterzijde van de portiekflats is het nodige groen met bomen aanwezig als 'buffer' tussen de aangrenzende tuinen van de grondgebonden woningen. Deze grondgebonden woningen betreffen eengezinswoningen en bestaan uit twee bouwlagen met kap.

De voorliggende motivering heeft specifiek betrekking op acht portiekflats aan de oostzijde van de Sint Jozefslaan. Het betreft vier portiekflats gelegen tussen de Regentesselaan/ Dries in het noorden en de Victor de Stuersstraat in het zuiden (deelgebied Noord, perceel 4350), en vier portiekflats tussen de Louis Beerenbrouckstraat in het noorden en de Kruisstraat in het zuiden (deelgebied Zuid, perceel 5172). Per deelgebied betreft het respectievelijk 48 woningen en 54 woningen. In totaal gaat het om 102 woningen, verdeeld over acht portiekflats.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0004.png"

Zicht vanuit oostelijke richting op de portiekflats op perceel 4350

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0005.png"

Zicht vanuit westelijke richting op de portiekflats op perceel 5172

Een portiekflat is een woongebouw dat uit meerdere verdiepingen bestaat, maar in plaats van een galerij heeft het een portiek: een overdekte gemeenschappelijke ruimte bij de entree van het gebouw. Elk appartement heeft een eigen ingang die leidt naar de portiek, vanwaar bewoners hun eigen appartement betreden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0006.png"

De karakteristiek van de bestaande portiekflats

2.2 Beschrijving toekomstige situatie

2.2.1 Herstructurering Sint Jozefslaan oost

Op 3 februari 2021 is de 'Gebiedsvisie Keent & Moesel' vastgesteld. In deze visie is beschreven hoe een vernieuwing van de wijken Keent en Moesel is beoogd door onder andere sloop en nieuwbouw van verouderde vroeg-naoorlogse portiek-etage woningen. Deze vernieuwing vindt gefaseerd plaats en heeft een doorlooptijd van ongeveer 15 tot 20 jaar. De Sint Jozefslaan oost betreft fase 1 van de gebiedsontwikkeling Keent en Moesel. Het gaat in de bestaande situatie om in totaal 102 woningen verdeeld over acht woongebouwen, welke vervangen worden door in totaal maximaal 150 woningen eveneens verbeeld over acht woongebouwen. Op een aantal plekken wordt hoger gebouwd dan de bestaande 3,5 bouwlagen (inclusief onderbouw) waardoor het mogelijk is om extra woningen te realiseren. Het planvoornemen van Wonen Limburg is om 90 sociale huurwoningen te bouwen en 60 woningen in het middenhuursegement en als betaalbare koop te realiseren.

Deze herstructurering beantwoordt niet alleen aan de groeiende behoefte aan woonruimte, maar richt zich ook op het verbeteren van de woonkwaliteit door toegankelijke en energiezuinige nultreden appartementen te bouwen, zodat deze voldoen aan de eisen van deze tijd. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de vraag van het groeiende aantal 1- en 2-persoonshuishoudens, mede in relatie tot de vergrijzing.

2.2.2 Bebouwing

In de toekomstige situatie worden, in de twee deelgebieden Noord en Zuid, in totaal acht nieuwe woongebouwen gerealiseerd. Per deelgebied 4 woongebouwen bestaande uit respectievelijk maximaal 77 woningen (deelgebied Noord) en maximaal 73 woningen (deelgebied Zuid). In tegenstelling tot de huidige situatie, waarbij de portiekflats allemaal uit 3,5 bouwlagen (inclusief onderbouw) bestaan, wordt er in de toekomstige situatie gekozen voor gedifferentieerde bouwhoogtes.

Hieronder wordt de toekomstige bebouwing per perceel omschreven.

Deelgebied Noord

Van noord naar zuid worden de eerste drie woongebouwen gerealiseerd met verspringende bouwlagen. Het noordelijke deel van elk gebouw bestaat uit vier bouwlagen, terwijl het zuidelijke deel uit vijf bouwlagen bestaat. De volgorde van de bouwlagen van de eerste drie gebouwen, vanaf het noorden gezien, is dus: vier, vijf, vier, vijf, vier, vijf. Het eerste woongebouw wordt ongeveer op dezelfde plek als het bestaande woongebouw gesitueerd. De andere twee woongebouwen 'lopen' schuin weg ten opzichte van de Sint Jozefslaan en de huidige voorgevelrooilijn. Hierdoor ontstaat er aan de voorzijde een verwijding en ruimte voor een groene inrichting wat het straatbeeld van de Sint Jozefslaan kwalitatief ten goede komt. Bovendien ontstaan hier mogelijkheden voor ontmoeting in de openbare ruimte. Uit onderzoek is gebleken dat dit heel belangrijk is voor de inwoners. Deze drie woongebouwen bieden ruimte voor maximaal 57 woningen.

Het zuidelijke woongebouw, gelegen op de hoek van de Sint Jozefslaan en de Victor de Stuersstraat, zal, afwijkend van de eerste drie, uit vier en zes bouwlagen bestaan. In dit vierde woongebouw worden maximaal 20 woningen gerealiseerd.

In totaal worden in deelgebied Noord, verdeeld over vier woongebouwen, maximaal 77 woningen gerealiseerd. In onderstaande afbeeldingen worden de ligging en aantal bouwlagen van de woongebouwen (oud versus nieuw) weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0008.png"

Toekomstige situatie deelgebied Noord gezien uit westelijke richting (zie tevens Bijlage 1)

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0009.png"

Vergelijking woongebouwen oud (rood) versus nieuw deelgebied Noord (zie tevens Bijlage 1)

Deelgebied Zuid

Voor de vier woongebouwen in deelgebied Zuid, gelegen tussen de Louis Beerenbrouckstraat in het noorden en de Kruisstraat in het zuiden, geldt dat het aantal bouwlagen varieert tussen de 3 en 4 bouwlagen. Het aantal bouwlagen neemt als het ware toe en weer af. Van noord naar zuid neemt het aantal bouwlagen eerst toe van 3 naar 4, halverwege het eerste gebouw om vervolgens halverwege gebouw 4 weer af te nemen van 4 naar 3 bouwlagen. De nieuwe woongebouwen volgen hierbij de bestaande voorgevelrooilijn van de huidige woongebouwen, parallel aan de Sint Jozefslaan, met dien verstande dat de woongebouwen iets naar voren zijn gesitueerd.

In totaal bieden de vier woongebouwen ruimte voor maximaal 73 woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0010.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0011.png"

Toekomstige situatie deelgebied Zuid uit westelijke richting (zie tevens Bijlage 1)

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0012.png" Vergelijking woongebouwen oud (rood) versus nieuw deelgebied Zuid (zie tevens Bijlage 1)

Alle woongebouwen worden voorzien van een plat dak. Uitgaande van een bouwhoogte van 3,5 meter per bouwlaag bedraagt de goot-/bouwhoogte, afhankelijk van het aantal bouwlagen, zoals weergegeven in onderstaande tabel. Hierin is rekening gehouden met een dakrand van 1 meter zodat installaties op het dak aan het zicht worden onttrokken.

Aantal bouwlagen   Goot-/bouwhoogte  
3 bouwlagen   10,5 meter  
4 bouwlagen   14 meter  
5 bouwlagen   17,5 meter  
6 bouwlagen   21 meter  

Tabel goot-/bouwhoogte

De woningen worden met één, twee of drie slaapkamers gerealiseerd. Omwille van de privacy van de aangrenzende woningen worden deze slaapkamers zoveel mogelijk aan de achterzijde gesitueerd en de woonkamer aan de straatzijde (voorzijde), zodat eventuele inkijk tot een minimum wordt beperkt.

2.2.3 Programma

Met het planvoornemen worden in totaal maximaal 150 woningen gerealiseerd. De woningen zullen worden verdeeld over drie categorieën:

  • Huur, sociale huurwoning
  • Huur, middenhuursegment
  • Koop, appartement, betaalbare koop

Het betreffen 90 sociale huur woningen, 40 woningen in het middenhuursegment en 20 betaalbare koopwoningen. Deze aantallen worden als volgt verdeeld over de deelgebied en verschillende gebouwen.

Deelgebied Noord  
Blok/woongebouw   Aantal   Type   Oppervlak m²  
A1   10   Sociale huur   58  
A1   9   Middenhuur   85  
A2   10   Sociale huur   48  
A2   9   Sociale huur   66  
A3   10   Sociale huur   58  
A3   9   Sociale huur   66  
A4   10   Betaalbare koop   66  
A4   10   Betaalbare koop   85  
Totaal   77      

Verdeling Deelgebied Noord

Deelgebied Zuid  
Blok/woongebouw   Aantal   Type   Oppervlak m²  
B1   8   Sociale huur   58  
B1   16   Middenhuur   66  
B2   17   Sociale huur   66  
B3   17   Sociale huur   66  
B4   9   Middenhuur   66  
B4   6   Middenhuur   85  
Totaal   73      

Verdeling Deelgebied Zuid

De totale verdeling sociale huur, middenhuur en betaalbare woningen met de bijbehorende oppervlaktes is hiermee als volgt.

Aantal   Oppervlak   Typologie   % van 150  
10   48   Sociale huur    
52   58   Sociale huur    
28   66   Sociale huur    
Totaal: 90       58%  
25   66   Middenhuur    
15   85   Middenhuur    
Totaal: 40       28%  
10   66   Betaalbare koop    
10   85   Betaalbare koop    
Totaal: 20       14%  
Totaal: 150       100%  

Verdeling woningtypologieën en oppervlaktes

2.2.4 Verkeer en parkeren

Momenteel vindt de ontsluiting vanuit de bestaande infrastructuur (Sint Jozefslaan) plaats. Concreet betekent dit dat het parkeren (parallel) aan de straat plaats vindt. In de nieuwe situatie is het parkeren grotendeels voorzien aan de achterzijde van de nieuwe woongebouwen in zowel deelgebied Noord als Zuid. Hierdoor wordt de Sint Jozefslaan 'ontlast' van parkerend verkeer. Dit komt uiteindelijke de verkeersveiligheid ten goede omdat minder sprake is van stoppend en wegrijdend verkeer.

De ontsluiting van het parkeren aan de achterzijde is voor het deelgebied Noord voorzien aan de noordzijde van het plangebied. Hier wordt voorzien in een in-/uitrit zodat de bewoners de parkeerplaatsen kunnen bereiken. Van hieruit kan men dan naar het betreffende woongebouw. Het parkeren aan de achterzijde bestaat uit een rijbaan met aan de oostzijde haaksparkeren. Hier zijn 59 parkeerplaatsen voorzien (zie Bijlage 1).

Voor deelgebied Zuid is de ontsluiting van het parkeren aan de achterzijde voorzien aan de zuidzijde, ter plaatse van de Kruisstraat. Ook hier wordt voorzien in een in-/uitrit zodat de bewoners de parkeerplaatsen kunnen bereiken. Van hieruit kan men dan naar het betreffende woongebouw. Voor het hele deelgebied wordt hiermee voorzien in 48 parkeerplaatsen op het achterterrein. Het parkeren aan de achterzijde bestaat uit een rijbaan met aan de oostzijde 42 haaksparkeerplaatsen. Aan de westzijde van de rijbaan en aan de oostzijde ter plaatse van de inrit bij de Kruisstraat is parallel parkeren mogelijk in de vorm van 6 langsparkeerplaatsen, bestaande uit drie groepjes van 2.

Op basis van het bovenstaande wordt op de achterterreinen voorzien in 107 parkeerplaatsen. Het bezoekersparkeren blijft aan de voorzijde, parallel aan de Sint Jozefslaan. Uitgaande van een bezoekersparkeernorm van 0,1/ 10% betekent dit bij maximaal 150 woningen 15 parkeerplaatsen.

2.2.5 Openbare ruimte en groen

Als gevolg van het parkeren aan de achterzijde van woongebouwen, in plaats van aan de straatzijde van de Sint Jozefslaan, komt het groen hier deels te vervallen. Echter blijven de bomen zoveel mogelijk behouden en worden deze ingepast in het geheel. Voor het deelgebied Noord wordt tussen het parkeren en de perceelsgrens met de aangrenzende woningen een groenstrook van ongeveer 10 meter ingericht als overgang. Tevens wordt hier voorzien in een uniforme erfafscheiding in de vorm van een geluidscherm als afscherming van het geluid afkomstig van het parkeren aan de achterzijde.

Aan de voorzijde van deelgebied Noord wordt voorzien in een groene inrichting ter plaatse van de ruimte die hier ontstaat door het schuin 'weglopen' van de nieuwe voorgevelrooilijn van de woongebouwen. Hierdoor ontstaat er een kwaliteitsverbetering in relatie tot de Sint Jozefslaan, in het bijzonder de markante laanbeplanting van platanen. Verder staan de woongebouwen met hun footprint in het groen.

Voor deelgebied Zuid is het, vanwege de beperktere beschikbare ruimte, niet mogelijk om tussen het parkeren en de perceelsgrens een groenstrook over de gehele lengte in te richten, zoals dat bij deelgebied Noord wel het geval is. Aan de zuidelijke kant is het echter wel mogelijk om een kleine strook van drie bomen te realiseren. Daarnaast zullen anders dan bij deelgebied Noord ook tussen de haaksparkeerplaatsen bomen worden aangeplant om de groene uitstraling en afscherming te verbeteren.

Hier bestaat de overgang tussen het parkeren en de aangrenzende woningen uit een groene haag in combinatie met een uniforme erfafscheiding in de vorm van een geluidscherm als afscherming van het geluid afkomstig van het parkeren aan de achterzijde. Voor de exacte situering van de uniforme erfafscheiding in de vorm van een geluidscherm ter beperking van parkeergeluid wordt verwezen naar Bijlage 4. Een uitzondering hierop vormt het noordelijk deel van dit deelgebied. Hier kan wel in het nodige groen worden voorzien tussen het meest noordelijk gebouw en de aangrenzende woningen. Ook in dit deel gebied blijven de bomen zoveel mogelijk behouden en worden deze ingepast in het geheel. Ook worden hier de woongebouwen met hun footprint in het groen geplaatst.

Daarnaast wordt in het kader van de privacy van de aangrenzende woningen aan de achterzijde voorzien in het behoud van bestaande bomen en de aanplant van nieuwe bomen. Door deze bomen in een volgroeide situatie een minimale hoogte van 6 meter te laten hebben wordt de inkijk vanuit de nieuwe woningen in de tuin en in de woonkamer voorkomen door de afschermende werking van deze bomen. Het behouden van de bestaande bomen en de aanplant van nieuwe bomen met een minimale hoogte en maximale afstand is als voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0013.png"

Zichtlijn inkijk in relatie tot minimale hoogte bomen

Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan

3.1 Bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden

De planologisch-juridische situatie van het plangebied is vastgelegd in het omgevingsplan van de gemeente Weert. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan voor de gemeente Weert komt ter plaatse van het plangebied voort uit het voorgaande bestemmingsplan 'Woongebieden 2019', vastgesteld op 11 maart 2020.

Op basis van het omgevingsplan zijn de twee deelgebieden in het plangebied bestemd voor de functie 'Wonen'. De gronden zijn hiermee in eerste instantie bestemd voor woondoeleinden, overeenkomstig het aantal bestaande woningen op moment van ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan. Naast de functie 'Wonen' zijn de bestaande woongebouwen voorzien van een strak bouwvlak. Voor de bouwvlakken geldt een maximum goothoogte van 10 meter en een maximum bouwhoogte van 10 meter.

Rondom de gebouwen is tevens de functie 'groen' opgenomen. Enkele delen aan de voorkant van de gebouwen, ter plaatse van de ingang van de gebouwen, zijn echter niet voorzien van de functie 'groen'. De waardevolle bomen, op met name het achterterrein, zijn voorzien van de aanduiding 'waardevolle boom'. Voor deze bomen geldt een vergunning plicht voor het vellen of rooien van deze karakteristieke beplanting. Hierbij kunnen compenserende maatregelen worden vereist.

De deelgebieden zijn daarnaast voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie middelhoog'. De voor 'Waarde - Archeologie middelhoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0014.png"

Uitsnede omgevingsplan gemeente Weert (voormalig bestemmingsplan 'Woongebieden 2019)

3.2 Strijdigheden met het omgevingsplan

Ondanks dat de twee deelgebieden op basis van het voormalige bestemmingsplan 'Woongebieden 2019' reeds een woonfunctie hebben, past het planvoornemen niet binnen de regels van het omgevingsplan. Het planvoornemen c.q. de realisatie van de woongebouwen past om de volgende redenen niet binnen het omgevingsplan:

  • Voor het bouwperceel geldt dat op het bouwperceel niet meer woningen zijn toegestaan dan er bestaan op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan. Het aantal woningen neemt met het planvoornemen toe met maximaal 48 woningen.
  • Voor de functie 'Wonen' geldt dat hoofdgebouwen in het bouwvlak moeten worden gebouwd. De toekomstige (vervangende) woongebouwen komen deels buiten het bouwvlak te liggen;
  • Voor de functie 'Wonen' geldt dat de goot-en bouwhoogte van de hoofdgebouwen ter plaatse van het plangebied maximaal 10 meter mogen bedragen. Met het planvoornemen is een gedifferentieerde bouwhoogte tot maximaal 21 meter voorzien.

De nieuwbouw wijkt op basis van het bovenstaande af van de bouwregels behorend bij de functie 'Wonen'. Om de realisatie van het gewenste aantal woningen en de nieuwe hoofdgebouwen in de vorm van woongebouwen mogelijk te maken dient het omgevingsplan te worden gewijzigid met betrekking tot de volgende punten:

  • het aantal woningen ter plaatse van het bouwperceel.
  • de situering en begrenzing van het bouwvlak;
  • de toegestane maximum goot- en bouwhoogten.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan het beleid

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven.

De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden;
  • 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken;
  • 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

Om invulling te kunnen geven aan deze vier prioriteiten hanteert het Rijk de volgende drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaat voor enkelvoudige functies.
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal.
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Toetsing

Met de NOVI wordt vooral gestuurd op inbreiding in plaats van uitbreiding. Dit planvoornemen ligt in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, die beoogt binnen stedelijk gebied woningen te realiseren. Met dit planvoornemen vindt herstructurering van bestaande woningvoorraad binnen het bebouwde gebied van Weert plaats, waarbij bestaande verouderde woningen worden vervangen door nieuwe moderne woningen die voldoen aande eisen en wensen van deze tijd. In totaal worden maximaal 150 woningen gerealiseerd. Vergeleken met de bestaande situatie worden maximaal 48 woningen toegevoegd.

Een belangrijk aspect van de NOVI is het creëren van prettige woonmilieus (prioriteit 3: 'Sterke en gezonde steden en regio's') en aandacht voor klimaatadaptatie (prioriteit 1). Naast het voorzien in de woningbehoefte, zullen de nieuwe woongebouwen tevens klimaatbestendig worden gerealiseerd, met aandacht voor een duurzame energievoorziening. Vergeleken met de bestaande situatie is dit een enorme verbetering.

Bovendien worden de woningen levensloopbestendig gerealiseerd, waardoor deze geschikt zijn voor alle levensfasen. Dit draagt bij aan een duurzame ontwikkeling en geschiktheid vande woningen op lange termijn. De realisatie van de nieuwe gebouwen sluit verder aan bij de toekomstvisie van de wijk. Hierbij is er oog voor het behoud van de identiteit. Te meer omdat acht bestaande verouderde woongebouwen vervangen worden door acht nieuwe moderne woongebouwen in combinatie met een verbetering van de inrichting van het plangebied.

Samenvattend kan op basis van het bovenstaande worden geconcludeerd dat het planvoornemen wenselijk en in lijn is met de NOVI.

4.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)

De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's): het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving. In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.

Omgevingsbesluit

Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen.

Besluit activiteiten leefomgeving

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Omgevingswet ingevoegd.

Besluit bouwwerken leefomgeving

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels ter bescherming van de nationale belangen, waaronder:

  • waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2)
  • beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3)
  • beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;

Toetsing

Voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan zijn de onderstaande categorieën van toepassing:

Omgevingsbesluit

In het Omgevingsbesluit staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering, en over het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Voor het Omgevingsbesluit is er in dit geval sprake van het volgende:

  • Het TAM-omgevingsplan heeft als doel het wijzigen van het omgevingsplan. De aanvraag om een omgevingsplan te wijzigen valt onder de werking van artikel 16.30, lid 1 van de Omgevingswet.

Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)

Voor het Besluit activiteiten leefomgeving (Bkl) betreft dit:

  • Doordat er sprake is van een wijziging van het omgevingsplan en een verandering in het gebruik (toename aantal en oprichten nieuwe gevoelige objecten door (her)bouw woningen) dient er ook rekening te worden gehouden met het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)

Voor het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) betreft dit:

  • Met het planvoornemen worden een nieuwe bouwwerken toegevoegd. Doordat er naast de wijziging van het omgevingsplan ook sprake is van de activiteit bouwen, dient te worden getoetst aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

Voor het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) betreft dit:

  • Doordat er sprake is van de toevoeging van een nieuwe kwetsbare objecten in de vorm van ongeveer 150 nieuwe woningen dient er ook getoetst te worden aan het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

In Hoofdstuk 5 van deze motivering worden de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving behandeld. Aan de hand van de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving wordt aangetoond dat er wordt voldaan aan de sectorale aspecten die voortvloeien uit het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Voor zover de instructieregels relevant zijn voor voorliggend planvoornemen, worden deze regels in Hoofdstuk 5 bij het betreffende aspect behandeld. Uit deze toets blijkt dat het planvoornemen past binnen de kaders uit deze AMvB's.

4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
4.1.3.1 Wettelijk kader

De Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De Ladder voor duurzame stedelijk ontwikkeling is opgenomen als een instructieregel voor het omgevingsplan, specifiek gericht op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, van kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:

  • a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  • b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Deze instructieregel geldt ook voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Dit regelt artikel 8.0b Bkl.

Het beoogde en huidige planologische regime moeten bij toepassing van de Ladder met elkaar vergeleken worden. De kwantitatieve én kwalitatieve behoefte van de ontwikkeling moet worden bepaald op het niveau van het verzorgingsgebied van de ontwikkeling.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

4.1.3.2 Toetsing

Is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling?

Binnen het plangebied is er sprake van een nieuwe ontwikkeling in de vorm van maximaal 150 woningen (voorheen 102 woningen). Doordat er sprake is van de toevoeging van maximaal 48 woningen vergeleken met de bestaande situatie, wordt de drempelwaarde van 12 woningen bij woningbouw overschreden.

De in het plan voorziene ontwikkeling wordt hierdoor aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als omschreven in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij het plan is sprake van een ladderplichtige ontwikkeling in de context van de ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling. De marktvraag en behoefte worden hieronder onderbouwd.

Is er behoefte aan de ontwikkeling?

Om aan te tonen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en voldaan wordt aan de ladder voor duurzame verstedelijking, wordt hieronder ingegaan op het ruimtelijk verzorgingsgebied en de behoefte van voorgenomen planvoornemen.

De behoefte voor het planvoornemen in de vorm van extra woningen ten opzichte van de bestaande situatie berust op de grote vraag naar woningen. In 2022 is het eerste deel van de Woondeal-periode ingegaan. Tot 2025 werd in Midden Limburg ingezet op een bruto toevoeging van 3.450 en de sloop van 340 woningen. Dit leidt tot de netto toevoeging van 3.110 woningen. Voor Weert betekende dit een netto toevoeging van 675 woningen in het eerde deel van de Woondeal-periode van 2022 tot 2025. Dit had dus betrekking op de 3 jaar, 2022, 2023 en 2024.

In 2025 is het tweede deel van de Woondeal ingaan. Dit leidt voor deze periode tot een netto toevoeging van 6.231 woningen. Gedurende de tweede termijn (2025–2030) voeren de betrokken gemeente, daar waar de kwaliteit in relatie tot de behoefte dat vraagt, wijzigingen door in de planvoorraad.

Voor de periode 2025–2030 wordt ingezet op de realisatie van 6.900 woningen en de sloop van 669 woningen. De bijdrage van Weert bedraagt bruto 225 woningen per jaar. Daarnaast neemt Weert haar verantwoordelijkheid om bij te dragen aan het terugdringen van het landelijke woningtekort. Er wordt gewerkt aan het verhogen van de plancapaciteit naar ruim 6.000 woningen, met als doel om tot 2040 circa 4.650 woningen te kunnen realiseren.

Om deze ambitie te behalen, moeten de komende jaren veel nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen de gemeente Weert. Hiermee is de behoefte van deze 48 extra woningen reeds voldoende onderbouwd, temeer omdat het sociale huurwoningen, woningen in het middenhuursegment en/of betaalbare koopwoningen zijn, die ook nog eens levensloopbestendig zijn. Deze woningen zijn daarbij ook nog gelegen op relatief korte afstand van het centrum van Weert. Dus dichtbij het station en de voorzieningen. Dit maakt dat dit de juiste woningen op de juiste plaatse voor de juiste doelgroepen (starters, 1-2 persoonshuishoudens, senioren) zijn.

Daarnaast zijn er tevens versnellingsafspraken gemaakt voor de bouw van 4.079 woningen in Limburg voor de periode tot 2030. Voor Weert betekent dit concreet dat de gebiedsvisie Keent & Moesel met een toevoeging van netto 238 woningen (fase 0, 1 en 2) en een financiële bijdrage van € 2,2 miljoen van het rijk (specifieke uitkering woningbouw op korte termijn door bovenplanse infrastructuur) is aangemerkt als sleutelproject voor de realisatie van de Woondeal.

In de gebiedsvisie Keent & Moesel zijn keuzes gemaakt om de wijken Keent & Moesel te herstructureren. Naast de behoefte ligt dus ook de keuze voor de locatie voor de hand, aangezien de deelgebieden gelegen zijn in de wijk Keent.

Bij de in de gebiedsvisie en woondeal opgenomen woningaantallen gaat het derhalve om voorliggende planvoornemen.

Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de behoefte en de voordelen van de locatie aan Sints Jozefslaan doorslaggevend zijn. Op grond van de grote behoefte aan woningen en het feit dat het plan reeds is opgenomen in de woonagenda, woondeal en gebiedsvisie mag aangenomen worden dat de behoefte en locatiekeuze gegrond zijn. Temeer omdat het de juiste woningen op de juiste plaatse voor de juiste doelgroepen (starters, 1-2 persoonshuishoudens, senioren) zijn.

Er kan dan ook op basis van het bovenstaande worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de ladder van duurzame verstedelijking.

4.1.4 Conclusie nationaal beleid

Het planvoornemen is passend binnen het nationaal beleid.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI)

Op 1 oktober 2021 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie van de provincie Limburg vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg op 25 oktober 2021 in werking getreden.

De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen. In de Omgevingsverordening legt de Provincie regels vast voor onder meer natuur, milieu, (grond-)water, ontgronding, wegen, ruimte (verstedelijking, wonen, werklocaties, agrarische bedrijven).

Bovengenoemde onderwerpen worden verdeeld in een drietal hoofdopgaven.

  • 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving;
  • 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie;
  • 3. Klimaatadaptatie en energietransitie.

De Omgevingsvisie is geen blauwdruk voor de toekomst. Bij (nieuwe) ontwikkelingen kunnen we nog keuzes maken. Daarbij kiest de provincie Limburg voor maatwerk en dient er rekening gehouden te worden met het karakter en mogelijkheden van een gebied en de afweging van belangen op lokale schaal. Als er afwegingen gemaakt moeten worden, worden deze gemaakt op basis van onderstaande Limburgse principes:

  • 1. We streven naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving;
  • 2. De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal;
  • 3. Meer stad, meer land;
  • 4. We gaan zorgvuldig om met onze ruimte voorraden, boven- én ondergronds;
  • 5. Procesmatige uitgangspunten:
  • a. de maatschappelijke opgaven en kansen staan centraal
  • b. (grensoverschrijdende) samenwerking, participatie en eigenaarschap;
  • c. we werken gebiedsgericht;
  • d. we werken adaptief aan de opgaven;
  • e. we werken als één overheid

Toetsing

Met het planvoornemen wordt gewerkt aan de eerste hoofdopgave: het creëren van een aantrekkelijke, sociale en veilige samenleving. Met de realisatie van de herstructurering in de wijk Keent wordt hieraan in belangrijke mate bijgedragen, doordat er een aantrekkelijke en veilige nieuwe woonlocatie ontstaat. Door de sloop van de oude woongebouwen en de realisatie van de energie en klimaatneutrale moderne woningen, welke voldoen aan de eisen en wensen van deze tijd, wordt er een verbetering voor dit deel van de kern Weert mogelijk gemaakt.

Met het planvoornemen wordt ook voldaan aan het tweede principe, dat stelt dat de kenmerken en identiteit van gebieden centraal staan. Dit principe houdt in dat nieuwe ontwikkelingen gerealiseerd worden vanuit gebieds- en cultuurkenmerken, zoals het historische perspectief, het landschap en erfgoed. Bij de realisatie van de nieuwe woongebouwen wordt gestreefd naar het behoud van de kenmerken en identiteit van de wijk.

Dit wordt bereikt door woongebouwen met moderne appartementen verdeeld over meerdere bouwlagen te realiseren. De nieuwe woongebouwen c.q. woningen voldoen echter aan de moderne eisen en geven de wijk een frisse uitstraling. De wijk wordt vernieuwd zonder dat de identiteit hierbij verloren gaat. Immers de acht bestaande woongebouwen worden vervangen door acht nieuwe moderne woongebouwen met een groene uitstraling. De stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur blijft hierdoor behouden.

Bovendien zijn de procesmatige uitgangspunten van 'maatschappelijke opgaven', 'gebiedsgericht werken' en 'adaptief werken aan opgaven' van toepassing. Door de herstructurering van de wijk, middels de realisatie van levensloopbestendige en bijna energieneutrale woningen, wordt er een toekomstgerichte woonoplossing gecreëerd waarbij de verouderde woonvoorraad vervangen wordt.

De gunstige ligging van het perceel, met het station en voorzieningen op korte afstand, zorgt ervoor dat bewoners, ook op latere leeftijd, kunnen profiteren van het gemak van de stedelijke kern.

Conclusie

Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen in lijn is met de Omgevingsvisie Limburg.

4.2.2 Geactualiseerde Provinciale Omgevingsvisie (POVI) 2025-2050

Voor de provincie geldt dat een nieuwe Provinciale Omgevingsvisie (ontwerp) in voorbereiding is. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg is het strategisch plan voor de fysieke leefomgeving in Limburg. Het is de opvolger van de huidige Omgevingsvisie Limburg. In de Omgevingsvisie staan de ambities, doelen en kaders voor de lange termijn (2025-2050) van de Provincie Limburg. Het document biedt een integrale leidraad voor de inrichting, het beheer en het gebruik van de schaarse ruimte in de provincie Limburg. Daarbij kijkt de Omgevingsvisie naar de leefomgeving in de brede zin. Dus niet alleen naar traditionele ruimtelijke onderwerpen, maar ook naar thema's zoals gezondheid, leefbaarheid, milieu en veiligheid. Op grond van artikel 3.2 van de Omgevingswet moet elke provincie een Omgevingsvisie hebben.

De provincie Limburg heeft in haar Omgevingsvisie vier overkoepelende ambities geformuleerd. Deze zijn hieronder opgenomen.

  • 1. Sterke steden en dorpen met een goed vestigingsklimaat: Optimaal benutten van ruimte in bestaande steden en dorpen, verbeteren van leefbaarheid en versterken van economische innovatiekracht.
  • 2. Balans tussen functies in het landelijk gebied: Combineren van de belangen van landbouw, natuur, water, landschap en vrijetijdseconomie, onder meer door gebiedsgerichte zonering.
  • 3. Toekomstbestendige mobiliteits- en energiesystemen: Duurzame energievoorziening en slimme mobiliteitsoplossingen.
  • 4. Een vitale bodem en een robuust watersysteem: Herstel van bodemkwaliteit en zorgen dat ons watersysteem zowel perioden van droogte als perioden met grote waterafvoer kan opvangen.

Verder pakt de provincie toekomstige uitdagingen graag integraal aan en kiest daarbij voor duidelijke sturing en samenwerking. Om dit te kunnen borgen werkt de provincie volgens vier leidende grondbeginselen, ook wel de Limburgse principes genoemd:

  • Principe 1 – Gezonde en veilige leefomgeving: Prioriteit voor gezondheid, veiligheid en welzijn van mens, dier en plant. De leefomgeving moet bijdragen aan het voorkomen van bijvoorbeeld hittestress, luchtverontreiniging, geluidsoverlast en risico's zoals overstromingen.
  • Principe 2 – Identiteit en kenmerken van gebieden: Beleidskeuzes sluiten aan op unieke landschappen, culturen en gebiedseigen kenmerken. Ontwikkelingen moeten de regionale identiteit versterken.
  • Principe 3 – Zorgvuldig omgaan met schaarse ruimte en voorraden (boven- en ondergronds): We moeten onze ruimte, netwerken (verkeer en energie) en voorraden optimaal benutten. Multifunctioneel ruimtegebruik wordt gestimuleerd.
  • Principe 4 – Versterken van bebouwd én landelijk gebied: We koesteren de variatie in stedelijke en landelijke gebieden. We willen steden en dorpen compact houden en stedelijke functies zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied concentreren.

Toetsing

Dit planvoornemen sluit aan bij de ambities zoals genoemd in de nieuwe (ontwerp) Provinciale Omgevingsvisie. De eerste ambitie die in de POVI wordt genoemd, is het creëren van sterke steden en dorpen met een goed vestigingsklimaat. Dit kan worden bereikt door optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte in bestaande steden en dorpen, de leefbaarheid te verbeteren en de economische innovatiekracht te versterken.

Zoals eerder aangegeven is het doel van het planvoornemen om twee potentiële locaties binnen het bebouwde gebied van Weert nieuw leven in te blazen door verouderde gebouwen te vervangen. Met het planvoornemen worden 8 bestaande verouderde woongebouwen (102 woningen) gesloopt en vervangen door 8 nieuwe moderne woongebouwen met woningen (maximaal 150 woningen) die voldoen aan de eisen en wensen van deze tijd. Het planvoornemen draagt hierdoor bij aan de herstructurering van de kern Weert. De locaties blijven in gebruik als woonfunctie. Deze woningen zijn daarbij ook nog gelegen op relatief korte afstand van het centrum van Weert. Dus dichtbij het station en de voorzieningen. De woonvormen zijn hierdoor ook passend bij het voorzieningenniveau in de omgeving. Het planvoornemen sluit hierbij aan bij principe 2 'Identiteit en kenmerken van gebieden'.

Daarnaast draagt het planvoornemen bij aan het eerste principe: het creëren van een gezonde en veilige leefomgeving. Doordat bij de toekomstige woningen sprake is van huurwoningen, woningen in het middenhuursegment en/of betaalbare koopwoningen, die ook nog eens levensloopbestendig zijn, wordt een brede doelgroep aangesproken.

Bij het planvoornemen is sprake van een inbreidingslocatie. De oude gebouwen worden gesloopt en vervangen. Dit is in lijn met principe 4: Versterken van bebouwd én landelijk gebied. Door dit inbreidingsplan blijft de kern compact, terwijl toch wordt voorzien in extra woonruimte.

Bovendien worden de woningen klimaatbestendig gerealiseerd, met aandacht voor hemelwaterberging en een duurzame energievoorziening. Daarmee sluit het plan eveneens aan bij ambities 3 en 4 van de Provinciale Omgevingsvisie.

Conclusie

Samenvattend kan worden gesteld dat het planvoornemen in lijn is met de geactualiseerde Provinciale Omgevingsvisie (in voorbereiding c.q. ontwerp), waardoor sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.2.3 Provinciale omgevingsverordening Limburg

Wanneer de provincie vindt dat bindende regels noodzakelijk zijn voor de uitvoering van specifieke beleidsaspecten uit de provinciale Omgevingsvisie, worden deze vastgelegd in de omgevingsverordening. Provinciale Staten hebben de nieuwe Omgevingsverordening Limburg vastgesteld in de vergadering van 17 december 2021 en gewijzigd op 16 december 2022.

De omgevingsverordening omvat alle provinciale regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Deze regels zijn direct van toepassing op alle inwoners, bedrijven en specifieke doelgroepen in de provincie. Deze regels geven aan welke voorwaarden er zijn voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten.

In de Omgevingsverordening Limburg staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels:

  • instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap. Dit zijn opdrachten aan de gemeenten en het waterschap die de gemeenten moeten verwerken in het gemeentelijke bestemmingsplan (omgevingsplan) en het waterschap moet verwerken in de waterschapsverordening. Pas na het verwerken van de provinciale instructieregels in het gemeentelijke bestemmingsplan, of in de waterschapsverordening krijgen deze regels effect op activiteiten van inwoners en bedrijven.
  • regels voor activiteiten die rechtstreeks voor alle inwoners en bedrijven gelden, of voor specifieke doelgroepen.

Bij de verordening horen een aantal thematische kaarten. Deze kaarten zijn digitaal raadpleegbaar, waarbij op perceelniveau kan worden beoordeeld welke provinciale regels uit de omgevingsverordening van toepassing zijn.

Toetsing

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0015.png"

Uitsnede kaart omgevingsverordening Limburg met aanduiding van de deelgebieden

Het plangebied ligt op basis van de kaarten van de Provinciale omgevingsverordening in de zone aangemerkt als 'Stedelijk gebied (zalmroze). Daarnaast geldt ter plaatse van de aanduiding 'Stedelijk gebied' ook de aanduiding 'Overstromingskansgebied E (1:100 jaar)'. Voor wat betreft de grondwaterbescherming geldt ter plaatse de aanduiding 'Roerdalslenk III'. Daarnaast zijn de regels uit de paragrafen 'wonen' en 'klimaatadaptatie' van belang voor het plan.

  • Wonen

Doordat sprake is van het toevoegen van extra woningen, ten opzichte van de bestaande situatie, zijn de instructieregels van wonen zwaarstwegend. In paragraaf 12.1.1. 'Wonen' zijn onder artikel 12.1.1. instructieregels voor nieuwe planvoorraad wonen opgenomen.

De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat:

  • a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonenleefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie;
  • b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek;
  • c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken;
  • d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in afdeling 14.5;
  • e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.

In paragraaf 4.2.1 is getoetst aan de hoofdstukken 3 en 5 uit de provinciale omgevingsvisie. Het planvoornemen bestaat uit de herontwikkeling van de portiekflats aan de Sint Jozefslaan in de kern van Weert. Er worden 8 bestaande verouderde woongebouwen (102 woningen) gesloopt en vervangen door 8 nieuwe moderne woongebouwen met woningen (maximaal 150 woningen) die voldoen aan de eisen en wensen van deze tijd. Het realiseren van maximaal 150 nieuwe appartementen leidt ten opzichte van de bestaande situatie daarmee tot een toevoeging van maximaal 48 woningen binnen het bestaande bebouwde gebied.

Doordat ter plaatse van de toekomstige woongebouwen reeds meerlaagse woongebouwen (3,5 bouwlagen) aanwezig zijn en ook in de omgeving meerdere meerlaagse gebouwen aanwezig zijn, sluiten de toekomstige woongebouwen aan op de bestaande stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur. De nieuwe woongebouwen worden nagenoeg op dezelfde locatie gesitueerd als de bestaande woongebouwen zodat de gevelrooilijn ten opzichte van de Sint Jozefslaan gewaarborgd blijft. Een uitzondering hierop vormen de twee woongebouwen in deelgebied noord. Deze lopen in de nieuwe situatie schuin weg zodat aan de straatzijde ruimte ontstaat voor het nodige groen. Dit in combinatie met het verplaatsen van een deel van het parkeren van de straat naar de achterzijde ontstaat er in het straatbeeld van de Sint Jozefslaan ter hoogte van deze deelgebieden (Noord en Zuid) stedenbouwkundig en ruimtelijk gezien een kwaliteitsverbetering, dat tevens bijdraagt aan een beter woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt voorzien in een gedifferentieerde bouwhoogte en aantal bouwlagen waardoor er qua vormgeving en hoogte een wisselend en aantrekkelijk straatbeeld ontstaat langs de Sint Jozefslaan.

In toekomst wordt de wijk Keent verder hergestructureerd. Doel van de herontwikkelingslocaties is het toevoegen van woningen ter vervanging van de verouderde woningvoorraad, het moderniseren van de wijk door het realiseren van klimaat- en energieneutrale woongebouwen c.q. woningen, een betere mix van huur- en koopwoningen voor diverse doelgroepen en het toevoegen van meer groen. Het planvoornemen heeft géén negatieve impact op de omgeving. Er is in dit geval zelfs sprake van een verbetering.

De toename van het aantal woningen voldoet aan de concrete behoefte. Na Woondeal Limburg (maart 2023) is de landelijke urgentie om extra (betaalbare) woningen toe te voegen boven op de afspraken uit de Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025 op de kaart gezet. Dit past binnen de groeiambitie van de door de raad op 12 juni 2024 vastgestelde Omgevingsvisie Weert, waar uitgegaan wordt van een bevolkingsgroei van 10 tot 20% in 2040. Deze visie is verder geconcretiseerd in de Ruimtelijke Ontwikkelstrategie Weert, door de raad vastgesteld op 4 november 2024 én Versnellingsagenda vastgesteld door het college op 17 december 2024.

Voor Weert is een woningmarktonderzoek uitgevoerd (Woningmarktonderzoek In.Fact. Research 24/02/2025). Voor de autonome woningbehoefte zijn er nog een kleine 1000 woningen noodzakelijk. Anderzijds komen er nieuwe inwoners bij die nu nog in de landelijke omliggende gemeenten wonen en die als senior graag dichter bij voorzieningen willen gaan wonen. Daarnaast trekt de bedrijvigheid in de MRE-regio meer mensen aan dan waarvoor deze regio op dit moment kan bouwen. Ook deze mensen kijken naar Weert als potentiële woonstad. Om een goed beeld te krijgen welke woningbehoefte deze totale groep heeft, wordt aanvullend op het woningmarkt onderzoek een agglomeratie-effect onderzoek uitgevoerd, die ook de woonwensen van deze inwoners in beeld brengt en een beter beeld geeft bij de kwalitatieve behoefte van de 4.650 woningen die de gemeente Weert als groeiambitie tot 2037 gedefinieerd heeft in haar Ruimtelijke ontwikkelstrategie van november 2024.

Hiermee is de behoefte van deze 48 extra woningen reeds voldoende onderbouwd, temeer omdat het sociale huurwoningen, woningen in het middenhuursegment en/of betaalbare koopwoningen zijn, die ook nog eens levensloopbestendig zijn. Deze woningen zijn daarbij ook nog gelegen op relatief korte afstand van het centrum van Weert. Dus dichtbij het station en de voorzieningen. Dit maakt dat dit de juiste woningen op de juiste plaatse voor de juiste doelgroepen (starters, 1-2 persoonshuishoudens, senioren) zijn.

Daarnaast zijn er tevens versnellingsafspraken gemaakt voor de bouw van 4.079 woningen in Limburg voor de periode tot 2030. Voor Weert betekent dit concreet dat de gebiedsvisie Keent & Moesel met een toevoeging van netto 238 woningen (fase 0, 1 en 2) en een financiële bijdrage van € 2,2 miljoen van het rijk (specifieke uitkering woningbouw op korte termijn door bovenplanse infrastructuur) is aangemerkt als sleutelproject voor de realisatie van de Woondeal.

In dat kader zijn de woningen reeds regionaal afgestemd, waardoor de herstructurering reeds in de regionale en gemeentelijke visie is opgenomen. Na de realisatie zullen de woninge worden opgenomen worden in de plancapaciteitsmonitor van de provincie Limburg. Ter motivering van sub e, geldt dat de woning binnen 5 jaar na de vaststelling zal worden gerealiseerd.

In de navolgende motivering, wordt het planvoornemen verder getoetst aan de regels in de Omgevingsverordening voor het realiseren van de nieuw woongebouwen inclusief de toevoeging van de extra woningen. In paragraaf 4.3 en 4.4 wordt aangetoond dat het plan aansluit bij de regionale en gemeentelijke visies. In hoofdstuk 5 wordt het planvoornemen getoetst aan de overige regels uit de Omgevingsverordening.

  • Klimaatadapatatie

In Paragraaf 3.2.3. worden onder Artikel 3.5 regels genoemd met betrekking tot Klimaatadaptatie.

  • 1. De motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van:
  • a. de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering; en
  • b. de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.
  • 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende risico’s betrokken:
  • a. wateroverlast;
  • b. overstroming;
  • c. droogte.
  • 3. Bij de beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstest- en overstromingskaarten.

Er dient een beschrijving van de risico's op het gebied van wateroverlast, overstroming en droogte aanwezig te zijn. Dit wordt nader gemotiveerd in paragraaf 5.9. Het plangebied is gelegen in een gebied met een lage klimaatrisico, zie hiertoe paragraaf 5.10. De plaatsing van de nieuwe woongebouwen in het 'groen' en het (zoveel) mogelijk behouden van de aanwezige en karakteristieke bomen (vooral de markante laanbeplanting met platanen) biedt voldoende verkoeling. In het plan is daarnaast aandacht besteed aan een goede isolatie en schaduwwerking om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Daarnaast is de overstromingskans van het plangebied zeer klein.

  • Roerdalslenk

Het plangebied ligt binnen een door de omgevingsverordening aangewezen boringsvrije zone 'Roerdalslenk III'.

Er geldt ter plaatse van de aanduiding een meldingsplicht, voor het aanleggen of hebben van een bodemenergiesysteem in deelzone III van de boringsvrije zone Roerdalslenk, dat niet onder het verbod van artikel 4.15, derde lid valt en dat dieper ligt dan 80 meter beneden het maaiveld tot aan de Bovenste Brunssumklei. Het bodemenergiesysteem wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten

Ook geldt een meldingsplicht voor het aanleggen, hebben of gebruiken van een boorput of het roeren van de grond in deelzone III van de boringsvrije zone Roerdalslenk, dat niet onder het verbod van Artikel 4.37, tweede lid valt en dat dieper ligt dan 80 meter beneden het maaiveld tot aan de Bovenste Brunssumklei, wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten.

Het planvoornemen voorziet niet in een bodemenergiesysteem of het hebben of gebruiken van een boorput dieper dan 80 meter beneden het maaiveld.

  • Overstromingskansgebied

De plangebied is gelegen in 'Overstromingskansgebied E (1:100 jaar)'. Vanuit de provincie gelden voor regionale oppervlaktewateren omgevingswaarden, ofwel “normen” voor wateroverlast. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt voor overstromingskansgebied E een gemiddelde overstromingskans van 1:100 per jaar als omgevingswaarde.

Met betrekking tot het planvoornemen zal het aspect wateroverlast behandeld worden in paragraaf 5.9.

Conclusie

Onderhavig planvoornemen levert gezien het voorgaande geen strijdigheid op met de Provinciale omgevingsverordening Limburg. Het planvoornemen is passend binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie en er bestaan geen belemmeringen met betrekking tot voorliggend planvoornemen.

4.2.4 Woondeal Limburg

De regionale woondeals zijn regionale uitwerkingen van de Nationale Woon- en Bouwagenda. Hierin staan de oorzaken van de wooncrisis en de doelstellingen en de aanpak voor de komende jaren. Het beleid is erop gericht om het woningtekort op te lossen door 900.000 goede nieuwe woningen te bouwen tot 2030.

In maart 2023 hebben zowel minister Hugo de Jonge, de Provincie en gemeenten, als een aantal woningcorporaties en het Waterschap Limburg hun handtekening onder de Woondeal Limburg gezet. In de Woondeal staat dat er in Limburg 26.550 woningen bij komen, waarvan het grootste deel in de sociale huur, de middenhuur en de betaalbare koop. In nauwe samenwerking gaan verschillende partijen aan de slag om deze Woondeal te realiseren.

In de Woondeal is aangegven dat nieuwe woningbouwplannen dienen te voorzien in 2/3 betaalbare woningen, waarvan 30% sociale huur. Iedere gemeente neemt hierin haar eigen verantwoordelijkheid. Met deze aanpak moeten dorpen en steden in Limburg leefbaar worden gehouden.

De gemeente Weert behoort tot de regio Midden-Limburg. Midden-Limburg is het verbindend hart van Limburg, waar het aantrekkelijk wonen en leven is. De regio bestaat uit 2 stedelijke en 5 plattelandsgemeenten. Naast de stedenRoermond en Weert, met een belangrijke verzorgende functie voor de regio, zijn erruim 50 (kleine) kernen. Hoewel Midden-Limburg in omvang de kleinste regio is, heeft Midden-Limburg, na Noord-Limburg, wel de grootste bouwopgave.

In 2025 is het tweede deel van de Woondeal ingaan. Voor de periode 2025–2030 wordt op basis van de periode fase van de Woondeal wordt binnen Limburg ingezet op de realisatie van 6.900 woningen en de sloop van 669 woningen. De bijdrage van Weert hierin bedraagt bruto 225 woningen per jaar. Daarnaast neemt Weert haar verantwoordelijkheid om bij te dragen aan het terugdringen van het landelijke woningtekort. Weert werkt aan het verhogen van de plancapaciteit naar ruim 6.000 woningen, met als doel om tot 2040 circa 4.650 woningen te kunnen realiseren. Op basis van de beschikbare ontwikkelruimte is er sprake van een plancapaciteit van 1.078 woningen.

Er zijn onder andere ook versnellingsafspraken gemaakt voor de bouw van 4.079 woningen in Limburg. Voor Weert betreft dit 238 woningen die onderdeel uitmaken van de gebiedsvisie Keent & Moesel. In Weert zijn daarnaast nog 9 sleutelprojecten aangewezen die een bijdrage moeten leveren van 1.701 woningen. In de gebiedsontwikkeling Keent & Moesel moeten 801 van deze woningen worden gerealiseerd.

Toetsing

Het voorliggende planvoornemen maakt onderdeel uit van het sleutelproject Gebiedsontwikkeling Keent & Moesel in de gemeente Weert, waarvoor versnellingsafspraken zijn gemaakt. Dit woningbouwproject in het bebouwde gebied van Weert komt tot stand door herstructurering.

Bij herstructurering wordt gekeken hoe bepaalde locaties en mogelijk ook gebouwen anders worden ingevuld, om zo een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit te behalen, maar tegelijk ook woningen toe te voegen. Hierbij wordt vaak gebruik gemaakt van de beschikbare plancapaciteit. Door deze herstructureringsprojecten ontstaat een win-win-situatie voor omwonenden en toekomstige bewoners.

Op basis van de woondeal is het van belang dat er voldoende woningen zijn voor starters en mensen met een middeninkomen. Tot en met 2030 zijn nationaal 350.000 betaalbare koop- en middenhuurwoningen nodig. Om ervoor te zorgen dat ouderen zo lang mogelijk prettig en gezond thuis kunnen blijven wonen, zijn voldoende levensloopbestendige woningen nodig die geschikt zijn voor ouderen.

Het planvoornemen richt zich exact op de aandachtsgroepen van de Woondeal Limburg. Bij de woningen is uitsluitend sprake van sociale huurwoningen, woningen in het middenhuursegment en/of betaalbare koopwoningen, die ook nog eens levensloopbestendig zijn.

Voor het planvoornemen geldt dat de woningen regionaal zijn afgestemd als vast onderdeel van het woningbouwprogramma en zijn opgenomen in de woonagenda van de provincie Limburg. Naast dat het planvoornemen bijdraagt aan de planvoorraad en aansluit bij de regionale behoefte, is het streven om energieneutrale en duurzame woningen te realiseren.

Conclusie

Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen behoort tot de gebiedsontwikkeling Keent & Moesel, zoals genoemd in de Woondeal Limburg. Het planvoornemen levert dus een directe bijdrage aan de Woondeal.

4.2.5 Conclusie provinciaal beleid

Het planvoornemen is in lijn met het proviciaal beleid.

4.3 Regionaal beleid

4.3.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022

De Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022 is in de gemeente Weert op 15 juni 2022 vastgesteld. Op 19 oktober 2022 is deze vastgestelde structuurvisie gepubliceerd en in werking getreden.

In deze nieuwe structuurvisie is een terugblik van de regio opgenomen, waarin wordt ingegaan op de daadwerkelijke ontwikkelingen in de periode 2018 tot en met 2021. Daarnaast wordt ingegaan op de koers voor 2022 en verder, op de kwantitatieve en kwalitatieve kaders, op instrumenten voor regie en op een uitvoeringsparagraaf. Wonen is een actueel thema. Het is de uitdaging de komende jaren voldoende woningen en de juiste woningen op de juiste plaats toe te voegen. Er zijn regionale verschillen. Het aantal huishoudens in de regio is in de periode 2018 tot en met 2020 met 2,1% (2.223) toegenomen. Alle Midden-Limburgse gemeenten laten (nog) een groei zien. In enkele gemeenten vlakt de groei langzaam af en nadert de top van het aantal huishoudens. Het is zaak de ambities van de regio de komende periode wederom waar te maken. Verder worden geen afspraken gemaakt over het terugdringen van de planvoorraad, gelet op de omstandigheden.

De ambitie voor het aantal woningbouwrealisaties in de planperiode 2022 tot en met 2025 is aangegeven binnen bandbreedtes. Het is een combinatie van de verwachte behoefte (prognose Etil 2021) en een aanvullende lokale ambitie. Deze is gebaseerd op (nieuwe) plannen en initiatieven waarvan de verwachting is dat ze voor eind 2025 netto gerealiseerd kunnen worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0016.png"

De regio zet zich in om de hoge bouwproductie van de afgelopen jaren door te zetten. In de periode 2018 tot en met 2021 zijn in de regio gemiddeld 880 woningen per jaar opgeleverd. In de bovenstaande tabel wordt duidelijk dat de regio ambitieuzer inzet. Voor de periode 2022 tot en met 2025 wordt gekoerst op een gemiddelde jaarlijkse realisatie van 975-1.150 woningen.

In het huidige woonbeleid wordt vooral gestuurd op het toevoegen van kwalitatief de juiste woningen op de juiste plek. Het woningmarktonderzoek biedt hiervoor nog steeds een goede basis als richtinggevend kader. In kwalitatieve zin blijkt dan ook uit het onderzoek dat vooral ingezet moet worden op de realisatie van:

  • seniorenwoningen (huur en koop; grondgebonden en appartementen met lift; nultreden en levensloopbestendig);
  • 1- en 2-persoonswoningen (grondgebonden en appartementen; huur en koop);
  • reguliere huurwoningen (grondgebonden en appartementen; sociale en middenhuur).

Daarnaast wordt geconcludeerd dat op basis van de woonwensen in algemene zin een groeiende kwalitatieve mismatch is met een overschot aan koopwoningen en een groter tekort aan huurwoningen. Dit wordt met name veroorzaakt door de groeiende doelgroep senioren die veelal een (kleinere) huurwoning wenst en daarvoor een koopwoning achter laat.

Voor Weert betekent dit dat de bouwproductie met netto 834 woningen in de periode 2018 t/m 2021 (4 jaar) fors hoger is dan in de periode 2014 t/m 2017 (4 jaar), toen netto 415 woningen zijn opgeleverd. Weert heeft de ambitie om een gemiddelde productie van 200 - 225 woningen per jaar (periode 2022 t/m 2025) te continueren. Dit zijn elk jaar 100 - 125 woningen extra ten opzichte van de behoefte conform de prognose Etil2021.

Weert verwacht ook voor de periode vanaf 2026 in te zetten op een extra ambitie van 100 - 125 woningen per jaar, boven op de autonome groei. De druk blijft daardoor aanhoudend hoog. Daarnaast wordt ingezet om nieuwe inwoners aan Weert te binden (waaronder overloop vanuit Zuid-Oost Brabant). Weert trekt als centrumstad niet zozeer mensen uit de regio aan, maar kent vooral een instroom vanuit het Brabantse.

Reeds in de Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving, vastgesteld op 18 december 2014 werd de verwachting uitgesproken dat de impact van de demografische ontwikkelingen groot is en steeds groter wordt. Voor wonen is met name de huishoudensgroei relevant (Bron: Progneff 2013, Etil). De verwachtingen van Etil 2013 zijn echter naar boven bijgesteld.

Het aantal huishoudens in Weert is in de periode 1-1-2018 – 1-1-2021 (3 jaar) gegroeid met 627, van 22.239 huishoudens per 1 januari 2018 tot 22.866 huishoudens per 1 januari 2021. De werkelijke groei overstijgt de verwachte groei van het aantal huishoudens op basis van de prognose Etil2017 met 46 huishoudens.

Uit de prognose Etil2021 blijkt dat de top van het aantal huishoudens verschuift van2034 naar 2038 en dat de groei tot de top van het aantal huishoudens is toegenomen met 789, van 23.313 huishoudens in 2031 op basis van Etil2017 naar 24.102 huishoudens in 2038 op basis van Etil 2021. Het aantal huishoudens in Weert neemt vanaf 1-1-2021 tot de huishoudentop (2038) toe met 1.236. Regionaal groeit het aantal huishoudens nog met zo’n 5.400 tot 2034.

In onderstaande figuur worden de ontwikkelingen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0017.png"

Huishoudensontwikkeling

Toetsing

Op basis van de structuurvisie wordt er voor de gemeente Weert in de komende jaren een toenemende woningbehoefte verwacht. Het beoogde planvoornemen speelt in op deze regionale behoefte. De herstructurering van de Sint Jozefslaan is een al bekend regionaal initiatief dat is opgenomen in de woon- en bouwagenda.

Om de realisatie van het planvoornemen mogelijk te maken, is er al een overeenkomst gesloten met de provincie Limburg. Zo worden sociale huurwoningen gerealiseerd in Laarveld (fase 4), evenals aan de J.W. Frisolaan en de locatie Zevensprong binnen de 'Gebiedsontwikkeling Keent en Moesel (fase O) . Deze woningen dragen bij aan de verhuisbeweging van de bewoners van de Sint Jozefslaan Oost (onderdeel van fase 1).

Het planvoornemen voorziet daarnaast in het toevoegen van kwalitatief passende woningen op de juiste plekken. Er wordt specifiek ingespeeld op de vraag naar seniorenwoningen, 1- en 2-persoonswoningen, en reguliere (sociale) huurwoningen. Daarnaast worden nultredenappartementen gerealiseerd, die per lift bereikbaar zijn. Het overgrote deel van deze appartementen zal als (sociale) huurwoning (90 van de maximaal 150 woningen) worden aangeboden. De overige woning vallen binnen het middenhuursegment en/of betaalbare koopwoningen.

Het planvoornemen is een initiatief dat al is opgenomen in de woonagenda en dat aansluit bij de regionale behoeften. Het draagt niet alleen bij aan de gewenste woningaantallen, maar voorziet ook in kwalitatieve woningen voor specifieke doelgroepen.

Conclusie

Doordat vraag en aanbod in evenwicht zijn, kan worden gesteld dat het planvoornemen aansluit op de structuurvisie.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Strategische visie Werken aan Weert 2030

Weertenaren willen in 2030 minstens zo prettig kunnen leven, wonen en werken als nu. Met alle uitdagingen waar we de komende jaren voor staan vraagt dat om een goed plan, een visie. Deze visie 'Verwonder je in de groene thuishaven Weert' is het resultaat van een onderzoek naar trends en kansen, maar ook van het meedenken van honderden inwoners, ondernemers en andere betrokkenen.

Vijf waarden als basis voor de Strategische Visie

Uit de bijdragen van participanten komt een aantal breed gedragen waarden of kwaliteiten naar voren die zijn geworteld in het Weert van nu. Deze vijf waarden bieden de gelegenheid om de uniciteit van Weert in de ontwikkeling naar 2030 meer te benadrukken:

  • 1. Goed wonen voor elke doelgroep: Weert biedt voor ieder wat wils op het gebied van woningtypen en locatie, voor elk inkomen, en met passende voorzieningen en activiteiten.
  • 2. Iedereen doet mee: Als beroep op ieders deelname aan de samenleving, voortbouwend op het sterke sociale weefsel; wat ook betekent dat mensen die dat niet op eigen kracht kunnen worden geholpen of opgevangen.
  • 3. Groen inzetten in al zijn kwaliteiten: De aanwezigheid en functie van groen, door natuurlijke en landschappelijke kwaliteit (inclusief haar cultuurhistorie), ook in de woon- en werkomgeving, en met betekenis voor soortenrijkdom (biodiversiteit), economie, energiegebruik, educatie, gezondheid en opvang van de gevolgen van klimaatverandering.
  • 4. Duurzaam en innovatief ondernemen en leven: in een groen Weert, met haar natuurlijke en landschappelijke kwaliteit, mag je verwachten dat bedrijvigheid (meer) circulair, energieneutraal en duurzaam is. Dat wil zeggen goed voor het milieu, maar ook voor mensen en medewerkers, en in balans met een gezonde economische ontwikkeling. En daarnaast dat mensen zich inspannen om duurzaam te wonen, werken en beleven.
  • 5. Goed ontsloten en verweven met de regio, tot over de provincie- en landsgrenzen heen: Niet alleen inzake transport, maar ook in samenwerking, trekken we gezamenlijk op in een krachtige regio. Voor de buurgemeenten blijft Weert ook een centrumfunctie vervullen, voor de regio de functie van netwerkstad.

De strategische visie 'Verwonder je in de groene thuishaven Weert' is het vertrekpunt voor alle gemeentelijke plannen. Met alle plannen binnen de gemeente Weert wil men de waarden uit de visie versterken, zodat men in 2030 in Weert nog prettiger kan wonen, werken, leren, beleven en ontspannen.

Toetsing

In het kader van het voorgenomen planvoornemen wordt voornamelijk aangesloten bij de eerste kernwaarde: Goed wonen voor elke doelgroep. Het planvoornemen voorziet met de realisatie van de nieuwe woongebouwen met maximaal 150 woningen, waarvan 48 extra woningen, in de woningtypen waar de grootste behoefte aan is, namelijk woningen in de segmenten sociale huur (90 stuks) en middenhuursegment en/of betaalbare koopwoningen (60 stuks).

Daarnaast wordt ingezet op de derde kernwaarde: Groen inzetten in al zijn kwaliteiten. De woonomgeving wordt op een groene manier ingericht, aansluitende op het bestaande groen (bomen), wat bijdraagt aan klimaatadaptatie. In dit kader sluit het planvoornemen tevens aan bij de vierde kernwaarde: Duurzaam en innovatief leven.

Naast de vergroening van Weert worden de gebouwen energieneutraal en duurzaam gerealiseerd. Bovendien wordt een circulaire bouwwijze toegepast. Dit draagt bij aan de positieve milieueffecten van het plan.

Conclusie

Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen goed past binnen de uitgangspunten van de strategische visie Werken aan Weert 2030.

4.4.2 Omgevingsvisie Weert

De Omgevinsgvisie Weert is op 12 juni 2024 vastgesteld. In deze Omgevingsvisie worden de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn (op hoofdlijnen) vastgelegd. De visie op hoofdlijnen is opgebouwd rond de thema’s:

  • Beheerste groei vanuit eigenheid
  • Weert: stad in het groen
  • Positief gezond Weert
  • Ruimte voor creatief en innovatief ondernemerschap
  • Sterk verbonden met de regio

En ontwikkelrichtingen voor de volgende deelgebieden:

  • Binnenstad
  • Woonwijken Weert
  • Bedrijventerreinen
  • Dorpskernen
  • Buitengebied

Toetsing

In paragraaf 5.2 van de Omgevingsvisie wordt ingegaan op de woonwijken van Weert. In de woonwijken wordt ingezet op inbreiding. Inbreiding vindt met name plaats rondom wijkcentra, op vrijkomende (sport)locaties, bij herontwikkeling en bij het station. Denk hierbij aan hoger bouwen, meer stedelijk wonen of transformatie en herontwikkeling.

Met het planvoornemen wordt op een herontwikkeling van de portiekflats aan de Sint Jozefslaan gerealiseerd. Waarbij de bestaande portiekflats worden gesloopt om hogere nieuwe woongebouwen te realiseren die ruimte bieden voor meer woningen. Met het planvoornemen wordt de wijk Keent getransformeerd met versterking van het stedelijk wonen.

Er is hiermee sprake van inbreiding tussen de bestaande bebouwing aan de Sint Jozefslaan in de wijk Keent, passend in de aanwezige stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur. De realisatie van de woning draagt tevens bij aan het realiseren van sterke toekomstbestendige woonwijken in Weert.

Met onderhavig planvoornemen wordt expliciet invulling gegeven aan de Omgevingsvisie Weert.

4.4.3 Woonzorgvisie

De toenemende vergrijzing, de druk op de woningmarkt, het personeelstekort en het afnemend aantal vrijwilligers en mantelzorgers brengen de gemeentelijke waarden ‘goed wonen voor elke doelgroep’ en ‘iedereen doet mee’ in gevaar. Er moet iets gebeuren als de insteek is om te zorgen dat mensen met een zorg- of ondersteuningsvraag nu en in de toekomst passend kunnen wonen en kunnen blijven meedoen in de samenleving. Iedereen is nodig om de ingezette beweging van ‘wonen met 24 uurs zorg in een instelling’ naar ‘thuis wonen met passende ondersteuning’ te realiseren. Samen met alle partners én inwoners wil de gemeente Weert werken aan het realiseren van een passend betaalbaar woningaanbod. Er wordt geinvesteerd in het vormen van vitale gemeenschappen, waar veerkrachtige mensen wonen, die oog hebben voor elkaar en elkaar helpen. Zo ziet Weert de toekomst Positief Gezond tegemoet.

Met het opstellen van de woonzorgvisie is door vastgelegd gekeken wordt naar wonen-met-zorg en is de woningbouwopgave voor dit thema in beeld gebracht. Het opstellen van een woonzorgvisie wordt overigens in 2026 verplicht voor elke gemeente, op grond van het wetsvoorstel versterking regie op de volkshuisvesting. Doel van de woonzorgvisie is dat de gemeente Weert beter kan gaan gaan sturen op verbinden, versnellen en vernieuwen/transformeren van wooninitiatieven-met-zorg-enwelzijn. In Weert wordt overigens niet gesproken over ‘zorg’, maar over ‘zorg en ondersteuning’ of zelfs alleen maar over ‘ondersteuning’, en wordt ‘welzijn’ centraal gesteld in de aanpak.

In de woonzorgvisie worden onderstaande doelen nagetreefd:

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0018.png"

Toetsing

Met onderhavig planvoornemen wordt concreet invulling gegeven aan de doelen uit de woonvisie, namelijk:

  • Het bevorderen van de doorstroming op de woningmarkt.
  • Het aanbieden van meer passend woningaanbod voor alle doelgroepen.
  • Het realiseren van betaalbare en levensloopbestendige woningen.

Hiermee geeft het planvoornemen concreet invulling aan een aantal doelen uit de woonzorgvisie.

4.4.4 Bomenregister 2019

In 2019 is het bomenregister van de gemeente herijkt. In het Bomenregister worden bijzondere, oude bomen opgenomen als monument of waardevolle, te beschermen boom. In het Bomenregister 2019 zijn verschillende vormen van bescherming voor bomen opgenomen. Er is bescherming voor monumentale bomen, waardevolle bomen, structuurbomen en voor bomen in beschermingsgebieden. In de omgeving van het plangebied komen solitaire waardevolle bomen voor (groen in onderstaande afbeelding). Ook komen structuurbomen voor, zoals aan de Sint Jozefslaan (lichtgroen in onderstaande afbeelding). 

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0019.png"

Uitsnede Bomenregister 2019 van het plangebied Sint Jozefslaan oost met links het noordelijke plandeel en rechts het zuidelijk plandeel.

Binnen het plangebied van de Sint Jozefslaan oost zijn geen waardevolle bomen opgenomen. Dat is de reden dat de aanduiding 'waardevolle boom' zoals opgenomen bij enkele bomen op het achterterrein in het bestemmingsplan 'Woongebieden 2019' vervalt. Dat laat onverlet dat behoud van zoveel mogelijk bomen uitgangspunt is bij de herontwikkeling.

4.4.5 Conclusie

Het planvoornemen is in lijn met het gemeentelijke beleid.

Hoofdstuk 5 Aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving en milieu

5.1 Algemeen

5.1.1 Evenwichtige Toedeling van Functies aan Locaties (ETFAL)

Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Bij ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ gaat het om het vinden van een balans tussen ‘beschermen en benutten’. Onder ‘functie’ kan worden verstaan het gebruiksdoel of de status (bijzondere eigenschap) die een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft.

Het gaat in het omgevingsplan immers niet meer uitsluitend over een goede ruimtelijke ordening, maar over een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit brengt een bredere kijk op de leefomgeving met zich mee, onder meer vanuit het oogpunt van milieu, duurzaamheid en gezondheid. De ruimtelijke onderbouwing wordt zodoende opgevolgd door een “onderbouwing van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties”. Vaak wordt de term Goede Onderbouwing Fysieke Leefomgeving (GOFLO) hiervoor gebruikt.

In de GOFLO kunnen de volgende onderwerpen aan de orde komen:

  • Ladder voor duurzame verstedelijking
  • Duurzaamheid & gezondheid
  • Verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren
  • Flora & Fauna
  • Luchtkwaliteit
  • Geluid
  • Geur
  • Omgevingsveiligheid
  • Trilling
  • Welstand
  • Archeologie, cultuurhistorie en landschap
  • Bodem
  • Spuit- en milieuzones
  • Weging van het waterbelang

De relevante onderwerpen komen hieronder aan bod, om aan te tonen dat er sprake is van een goede onderbouwing van de fysieke leefomgeving. In dit hoofdstuk zal elk aspect in een paragraaf beschreven en onderbouwd worden.

5.2 Verkeer en parkeren

5.2.1 Wettelijk kader

In het kader van planvorming dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van verkeer en parkeren. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeers- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hiermee kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan.

Voor verkeer en parkeren geldt dat géén omgevingswaarden zijn vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur. Gemeenten hebben de mogelijkheid om gemeentelijke verkeers- en vervoersplannen en parkeerbeleid te vertalen in een gemeentelijke omgevingsplan. Hiervoor zullen ze zelf invulling moeten geven aan de omgevingswaarden conform artikel 2.9 van de Wet.

Met het planvoornemen worden in totaal maximaal 150 nieuwe woningen gerealiseerd. Het gaat om 90 sociale huurwoningen en 60 middenhuursegment en/of betaalbare woningen. Ten opzichte van de bestaande situatie worden als gevolg van het planvoornemen maximaal 48 extra woningen toegevoegd.

Buurt Keent heeft een oppervlakte van 87 hectare land (honderd hectare is één vierkante kilometer, 1 km²). De gemiddelde adressendichtheid bedraagt 1.812 adressen per km². Buurt Moesel heeft een oppervlakte van 81 hectare land (honderd hectare is één vierkante kilometer, 1 km²). De gemiddelde adressendichtheid bedraagt 1.960 adressen per km². De totale adressendichtheid ligt daarmee rond de 1.900 adressen per km².

Op basis van de Nota Parkeernormen 2025 van de gemeente Weert worden de buurten rondom de binnenstad en het stationsgebied als 'schil centrum' gezien. Het plangebied aan de Sint Jozefslaan kan hierdoor worden geclassificeerd als gebied 'schil centrum' binnen de categorie 'sterk stedelijk'.

5.2.2 Toetsing
5.2.2.1 Verkeer

Om de verkeersgeneratie en -afwikkeling als gevolg van het planvoornemen inzichtelijk te maken, is op basis van de verkeersgeneratiecijfers uit de CROW-publicatie 744 'Parkeercijfers 2024' de verkeersgeneratie van maximaal 48 toe te voegen woningen bepaald.

Op basis van CROW hebben de koopwoningen de hoogste verkeersgeneratie. Er komen maximaal 150 woningen. De verdeling van het aantal woningen voor de 'schil centrum' binnen een 'sterk stedelijk' gebied is op dit moment als volgt:

Aantal   CROW-categorie   Gemiddelde CROW-norm   Totaal  
90   Huur, appartement, sociale huur, <75m² bvo   2,5   225  
25   Huur, appartement, vrije sector, <75m² bvo   2,6   65  
15   Huur, appartement, vrije sector, 75-100m² bvo   2,9   43,5  
10   Koop, appartement, <75m² bvo   4,3   43  
10   Koop, appartement, 75-100m² bvo   5,1   51  
Totaal       Totaal  
150       427,5  

Tabel woontypologieën en bijbehorende verkeersgeneratie

De totale verkeersgeneratie van het planvoornemen bedraagt op basis van het bovenstaande afgerond 428 verkeersbewegingen. In het plangebied bevinden zich in de huidige situatie echter al 102 woningen. Minus de 102 bestaande woningen is er binnen het plangebied dus sprake van 48 extra woningen. Als gevolg van het planvoornemen, waarbij wordt voorzien in 48 extra woningen ten opzichte van de huidige situatie (102 woningen t.o.v. maximaal 150 woningen), neemt de verkeersgeneratie ter hoogte van het plangebied c.q. de deelgebieden Noord en Zuid toe.

Uitgaande van een worst casescenario per woning wordt enkel gerekend met de grotere betaalbare koopwoningen. Op basis van de maximale norm voor CROW-categorie 'Koop, appartement, 75-100m²' in de schil van het centrum van een sterk stedelijk gebied neemt de verkeersgeneratie toe met maximaal 245 verkeersbewegingen (48 x 5,1).

De volledige verkeersgeneratie van de woningen zal net als nu afgewikkeld worden via de Sint Jozefslaan. Gezien het type ontsluitingsweg en de breedte van de rijbaan met parallel parkeren is er nog voldoende capaciteit om deze extra verkeersgeneratie als gevolg van de extra woningen op te vangen.

In mobiliteitsplan staat dat voor een 50 km/h zone van dit type weg maximaal 6.000 motorvoertuigen/etmaal toelaatbaar zijn. In het kader van een onderzoek naar de verkeersveiligheid en stroming van het verkeer op de Ringbaan Zuid in Weert is ook de verkeersintensiteit van de Sint Jozefslaan bepaald. Voor de Sint Jozefslaan is voor dit onderzoek uitgegaan van 3.252 verkeersbewegingen (1.767 + 1.485). Aangezien het aantal verkeersbewegingen op de Sint Jozefslaan met dit planvoornemen met 245 (worst case) zal toenemen, bedraagt de toekomstige verkeersintensiteit op de Sint Jozefslaan 3.497 verkeersbewegingen. Door de realisatie van het planvoornemen zal het maximaal toelaatbare aantal van 6.000 voertuigen dus niet worden overschreden, waarmee sprake blijft van een goede ordening van de fysieke leefomgeving. De wegen zijn hierdoor ook in toekomst in staat het verkeer te verwerken. Daarnaast is het streven om de doorgaande functie van de Sint Jozefslaan in de toekomstige situatie te beperken wat eveneens een positief effect zal hebben op het woon- en leefklimaat van de nieuwe appartementen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0020.png"

Uitsnede verkeersintensiteiten Ringbaan Zuid in 2040

Deze gewijzigde situatie heeft, naast de verminderde verkeershinder, ook een positief effect op de verkeersveiligheid. Doordat er nu nog parallel aan de Sint Jozefslaan wordt geparkeerd en het parkeren in de toekomstige situatie aan de achterzijde van de woongebouwen wordt gesitueerd, zal er in toekomst sprake zijn van een verkeersveiliger en rustiger verkeersbeeld op Sint Jozefslaan.

Doordat hoofdzakelijk bezoekersparkeren langs de Sint Jozefslaan overblijft, is er veel minder sprake van stoppend en wegrijdend verkeer. Omdat de weg aanzienlijk overzichtelijker wordt, ontstaan er minder gevaarlijke situaties, wat de verkeersveiligheid in Weert ten goede komt.

Conclusie

Een verkeerstoename zal gezien de nog onbenutte capaciteit van de Sint Jozefslaan geen probleem vormen. Met het planvoornemen zal het maximaal toelaatbare aantal van 6.000 voertuigen op de Sint Jozefslaan per etmaal in 2040 niet worden overschreden. De verkeerstoename zal hierdoor ook in toekomst op wegvak en kruispuntniveau verwerkt kunnen worden. De verkeersbewegingen zullen opgaan in het dagelijkse verkeer. De verbeterende verkeerssituatie weegt in dit geval zwaarder dan de toename van het aantal verkeersbewegingen.

5.2.2.2 Parkeren

In de gemeente Weert ligt het gemiddelde autobezit op 1,10 personenauto’s per huishouden (CBS, 2023). Het autobezit van 77% van de gemeenten in Nederland ligt hoger dan het autobezit in Weert. Hoewel het autobezit in Weert net hoger is dan het landelijk gemiddelde (1,08 personenauto’s per huishouden), is het redelijk laag in vergelijking met het gemiddelde autobezit van Nederlandse gemeenten. Op basis van cijfers van de afgelopen 10 jaar (zie Parkeerkaders) wordt aangenomen dat het autobezit in Weert niet substantieel stijgt. De CROW autoparkeerkencijfers bevatten bandbreedtes. Voor iedere functie wordt een minimum en een maximum kencijfer gegeven. Het minimum sluit aan bij gemeenten waarin sprake is van een relatief laag autobezit- en gebruik. Op basis van het geconstateerde autobezit in Weert en de achterliggende beleidsdoelstellingen, is in de Nota Parkeernormen de keuze gemaakt om alle parkeernormen te baseren op het gemiddelde kencijfer.

Met het planvoornemen worden in totaal maximaal 150 nieuwe woningen gerealiseerd. Het gaat om 90 sociale huurwoningen, 40 middenhuur woningen 20 koopwoningen met verschillende oppervlaktes.

Er wordt hiervoor aangesloten bij de onderstaande categoriëen op basis van Bijlage 3 van de Nota Parkeernormen 2025 van de gemeente Weert. Voor de normen is gebruik gemaakt van de classificering 'schil centrum' binnen een 'sterk stedelijk' gebied.

Aantal   Categorie   Norm Nota Parkeernormen 2025   Totaal  
90
 
Huur, appartement, sociale huur, <75m² bvo   0,6   54,0  
25   Huur, appartement, vrije sector, <75m² bvo   0,7   17,5  
15   Huur, appartement, vrije sector, 75-100m² bvo   0,8   12,0  
10   Koop, appartement, <75m² bvo   1,1   11,0  
10   Koop, appartement, 75-100m² bvo   1,2   12,0  
150     Totale parkeerbehoefte   106,5  

Tabel parkeerbehoefte bewoners

Voor de bewoners is er op basis van de bovenstaande tabel sprake van een parkeerbehoefte van afgerond 107 parkeerplaatsen. Met het planvoornemen worden 107 parkeerplaatsen aan de achterzijde van de gebouwen gerealiseerd, respectievelijk 59 parkeerplaatsen in het noordelijk deel en 48 parkeerplaatsen in het zuidelijk deel.

Voor het bezoekersparkeren moet rekening worden gehouden met een extra behoefte van 0,1 per woning. In dit geval komt dat neer op 15 parkeerplaatsen (0,1 × 150). Hierbij dient te worden opgemerkt dat er in de huidige situatie géén sprake is van parkeerplaatsen op eigen terrein. Zowel bewoners als bezoekers van de bestaande 102 woningen parkeren momenteel langs de Sint Jozefslaan.

In de toekomstige situatie zal hoofdzakelijk het bezoekersparkeren nog aan de voorzijde, langs de Sint Jozefslaan, plaatsvinden. Wanneer in de huidige situatie wordt uitgegaan van 1,2 parkeerplaats per woning (inclusief bezoekers), bedraagt de parkeerdruk 123 parkeerplaatsen (1,2 × 102). In de toekomstige situatie, waarbij enkel de bezoekers aan de voorzijde parkeren, is er sprake van een verlichting van 108 voertuigen (123-15). De parkeerdruk langs de Sint Jozefslaan zal dus duidelijk afnemen.

Conclusie

Door te voldoen aan de parkeernorm wordt het realiseren van voldoende voor bewoners parkeergelegenheid gegarandeerd. Doordat er in de huidige situatie nog niet op eigen terrein wordt geparkeerd is er sprake van een verbetering.

5.2.3 Conclusie

De aspecten 'Verkeer' en 'Parkeren' vormen geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.3 Bodem

5.3.1 Wettelijk kader

Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Bij het wijzigen van het omgevingsplan dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet) en uitvoering is gegeven aan de instructieregels vanuit het Rijk (paragraaf 5.1.4.5 Bkl) en de provincie.

Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht in relatie tot de gewenste functie.

Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.

Hierna wordt beschreven welke waarden binnen onderhavig plangebied gelden en of de aanwezige bodemkwaliteit hieraan voldoet.

5.3.2 Toetsing

Met onderhavige wijziging van het omgevingsplan wordt voorzien in het realiseren van bodemgevoelige gebouwen (artikel 5.89g Bkl) op een bodemgevoelige locatie artikel 5.89h Bkl, namelijk de realisatie van acht woongebouwen met maximaal 150 woningen.

Ondanks dat het plangebied reeds een woonfunctie heeft, dient voor de activiteit bouwen te worden onderzocht of de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied als aanvaardbaar c.q. toelaatbaar kan worden aangemerkt voor de functie 'Wonen'.

Om daar duidelijkheid over te krijgen is een verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 inclusief voortoets conform NEN5725 uitgevoerd. Het verkennend bodemonderzoek is verricht door een erkend (en hiervoor gecertificeerd) bodemonderzoeksbureau. Het uiteindelijke onderzoeksrapport dient daarna ter beoordeling voorgelegd te worden bij het bevoegd gezag (de gemeente).

5.3.2.1 Verkennend milieukundig bodemonderzoek

Er is door Aelmans een verkennend bodemonderzoek (rapportnummer AMV241500.007/HWO, d.d. 8 april 2025,Bijlage 2) uitgevoerd. Uit dit verkennend bodemonderzoek is gebleken dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de beoogde bouwplannen en het voortgezet gebruik van onderhavig plangebied ten behoeve van de functie wonen. Verder worden de volgende aanbevelingen gedaan:

  • Wanneer meer dan 25 m3 grondverzet gaat plaatsvinden, ook al is de grond niet sterk verontreinigd, dan dient een graafmelding te worden verricht in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).
  • Het verlenen van een omgevingsvergunning ligt ter beoordeling aan het hiertoe bevoegd gezag.
  • Indien in een vervolgfase van de bouwplannen sprake is van een overtollige grondbalans en er grond dient te worden afgevoerd bestaat de mogelijkheid om een aanvullende partijkeuring uit te voeren. Hierbij dient men rekening te houden dat de diverse bodemkwaliteiten (industrie, wonen en Landbouw/natuur) niet vermengd mogen worden.
5.3.3 Conclusie

Op basis van het bovenstaande vormt het aspect 'Bodem' geen belemmering voor het planvoornemen en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4 Geluid

5.4.1 Wettelijk kader

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn verhuisd naar het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat'). De bruidsschat en voorliggend wijzigingsbesluit vormen (na vaststelling) samen de regels van het omgevingsplan. Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit.

Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (artikel 4.2, Omgevingswet) bij de belangenafweging over beschermen en benutten te beoordelen.

5.4.2 Toetsing

Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl).

Beoordeling of sprake is van een geluidgevoelig gebouw en/of geluidgevoelige ruimte

Voor de 150 toekomstige woningen geldt dat er sprake is van een woonfunctie. Om de realisatie mogelijk te maken dient het omgevingsplan van de gemeente Weert te worden gewijzigd. In dit geval is er sprake van de realisatie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen en ruimtes.

Beoordeling of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied: (spoor)weg of industrie

De locatie is gelegen in het geluidaandachtsgebied van de Louis Regoutstraat, Sint Jozefslaan, Victor de Stuersstraat en Kruisstraat. Dit zijn gemeentelijke wegen met een maximumsnelheid van 30 km/ uur en 50 km/ uur. Op basis van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) is het besluitgebied ook gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de spoorweg Roermond - Eindhoven.

Het besluitgebied is verder niet gelegen binnen een zone of geluidaandachtsgebied voor industrielawaai.

5.4.2.1 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Met het planvoornermen worden nieuwe woningen en dus nieuwe geluid gevoelige opbjecten mogelijk gemaakt. Ten behoeve van voorliggende planontwikkeling is vanwege de ligging in de geluidaandachtsgebieden van (spoor)wegen uit het oog van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai (Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V; rapportnummer ROM240228.005.R2/JME; d.d. 15 oktober 2025; Bijlage 3 Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai) uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn hieronder weergegeven.

  • Resultaten weg- en railverkeer

Het geluid als gevolg van wegverkeer op de gemeentewegen overschrijdt de standaardwaarde van 53 dB op de gevels van de gebouwen met maximaal 8 dB. Om deze reden dienen maatregelen onderzocht te worden om aan de standaardwaarde te voldoen. De maatregelen dienen in aanmerking genomen te worden als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan.

Voor de spoorlijn Roermond - Eindhoven geldt dat de standaardwaarde voor railverkeerslawaai van 55 dB nergens wordt overschreden.

Op enkele gevels wordt de standaardwaarde overschreden, de grenswaarde wordt niet overschreden. Maatregelen om het geluid te reduceren tot de standaardwaarde stuiten op bezwaren van diversen aard.

  • Gezamenlijk geluid

Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw legt het bevoegd gezag de waarde van het gezamenlijk geluid op de gevel in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit vast. In combinatie met de binnenwaarde kunnen initiatiefnemer en bevoegd gezag bij de bouwactiviteit de benodigde geluidwering van die gevel bepalen.

  • Gecumuleerd geluid

Uit de resultaten van de gecumuleerde geluidbelasting blijkt dat bij diverse beoordelingspunten sprake is van een gecumuleerde geluidbelasting van meer dan 55 dB. De gecumuleerde geluidbelasting aldaar bedraagt ten hoogste 61 dB. Een dergelijke gecumuleerde geluidbelasting kan als aanvaardbaar worden geacht indien sprake is van voldoende geluidwering van de gevels. Daarnaast is sprake van een geluidluwe zijde aan de oostgevel

  • Karakteristieke geluidwering van de gevel

Omdat het gezamenlijk geluid hoger is dan 53 dB dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. De maximaal benodigde geluidwering van de gevel (GA;K), volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving, het gezamenlijk geluid minus 33 dB met een minimum van 20 dB, bedraagt in de onderzochte situatie 30 dB.

Daarom is ter waarborging van een binnenniveau van 33 dB een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.

Conclusie

Omdat het gezamenlijke geluid hoger is dan 53 dB, is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevel vereist. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd. Dit wordt in de regels als voorwaarde bij de vergunningaanvraag geborgd.

5.4.2.2 Akoestisch onderzoek omgevingslawaai i.v.m. parkeergeluid

Door het aanleggen van de parkeervoorzieningen aan de achterzijde van de woongebouwen kunnen er veranderingen in het omgevingslawaai ontstaan. Door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V is om deze reden een akoestisch onderzoek naar parkeergeluid (rapportnr. ROM240228.007/JME; 14 augustus 2025; Bijlage 4) uitgevoerd.

Uit de resultaten van de berekeningen, die in het kader van het akoestisch onderzoek rond het parkeergeluid behorende bij de te ontwikkelen appartementen aan de Sint Jozefslaan te Weert zijn uitgevoerd, kunnen de in onderstaande paragrafen vermelde conclusies worden getrokken.

  • Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT)

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige gebouwen na het treffen van maatregelen aan de geluidgrenswaarde van stap 2 uit de VNG-publicatie, zijnde 50 dB(A) etmaalwaarde.

  • Maximaal geluidniveau (LAMAX)

Het maximale geluidniveau voldoet ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige gebouwen na het treffen van maatregelen aan de geluidgrenswaarde van stap 2 uit de VNG-publicatie, zijnde 70 dB(A) etmaalwaarde.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de toekomstige situatie ten aanzien de in dit onderzoek aangegeven randvoorwaarden akoestisch inpasbaar geacht kan worden. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat indien er de noodzakelijke maatregelen getroffen worden in de vorm van een scherm op de perceelsgrens aan de achterzijde met een hoogte van 2 meter. De aanleg in instandhouding voordat de woningen in gebruik genomen worden wordt als voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd.

5.4.2.3 Akoestisch onderzoek warmtepompen

De gebouwen zullen worden gerealiseerd als 'bijna-energieneutrale gebouwen' volgens de BENG-norm. Om er voor te zorgen dat de deze norm wordt behaald zijn er warmtepompen voorzien op de daken. Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het effect van warmtepompen (rapportnr. ROM240228.006/JME; d.d. 12 augustus 2025; Bijlage 5) in de toekomstige situatie voor de ontwikkeling aan de Sint Jozefslaan te Weert. Onderhavig onderzoek brengt de in de omgeving optredende geluidniveaus ten gevolge van de warmtepompen in de toekomstige situatie in kaart en toetst deze aan de geldende geluidnormen.

Om voldoende inzicht te krijgen in de aangevraagde situatie, is deze rekentechnisch nader onderzocht. De volledige resultaten van de beoordelingspunten zijn opgenomen in de rapportage (Bijlage 5). In de navolgende tabel zijn de rekenresultaten gecumuleerd weergegeven voor enkele maatgevende rekenpunten. Hiermee is uitgegaan van een worstcase situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0021.png"

Tabel Gecumuleerde rekenresultaten warmtepompen

Uit vorenstaande tabel blijkt dat ondanks de cumulatie van de warmtepompen overal wordt voldaan aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. De individuele bijdrage per warmtepomp is opgenomen de volledige rapportage.

Conclusie

Uit de resultaten van de berekeningen, die in het kader van onderhavig akoestisch onderzoek met betrekking tot de plaatsing van warmtepompen voor de nieuwe woongebouwen aan de Sint Jozefslaan te Weert zijn uitgevoerd, kunnen de navolgende conclusies worden getrokken.

Met de gehanteerde uitgangspunten, zijnde een bronvermogen van 60 dB, een ‘silent modus’ en geen tonaal geluid, wordt op basis van de gecumuleerde rekenresultaten voldaan aan de gestelde norm uit het Besluit bouwwerken leefomgeving.

5.4.3 Conclusie

Op basis van het bovenstaande vormt het aspect 'Geluid' geen belemmering voor het planvoornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Wel wordt een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevel vereist voor de uiteindelijke bouwvergunning. In de regels wordt geborgd dat bij de aanvraag omgevingsvergunning een gevelweringsonderzoek wordt vereist.

In het Omgevingsplan moet daarnaast het gezamenlijk geluid worden vastgelegd voor de gevels waar een overschrijding van de standaardwaarde plaatsvindt. Deze gevels dienen als dove gevels te worden gerealiseerd.

Ook wordt de afscherming van het parkeergeluid in de vorm van een scherm met een hoogte van 2 meter, op de perceelsgrens aan de achterzijde, in de regels geborgd via een voorwaardelijke verplichting.

5.5 Bedrijven en milieuzonering

5.5.1 Wettelijk kader

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient rekening te worden gehouden met geluid, stof, licht en geur door industrieterreinen en bedrijfslocaties. Bij de toedeling van functies aan locaties, wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu.

De gebruiksruimte van een bedrijf is de milieuruimte die een bedrijf op grond van het omgevingsplan mag benutten voor het uitoefenen van zijn bedrijfsvoering. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening/veilige en gezonde fysieke leefomgeving, is het uitgangspunt: functiescheiding en het aanhouden van voldoende afstand tot gevoelige gebouwen en locaties.

Daarbij kan handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' van de VNG gehanteerd worden. De gemeente heeft dit vooralsnog echter niet uitgewerkt voor haar grondgebied in het omgevingsplan. Om aan te tonen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn in onderstaande paragraaf de bedrijven- en milieuzonering getoetst via de methode van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten indicatieve richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend.

De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. In de onderstaande tabel staan de richtafstanden bij de verschillende bedrijfscategorieën weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0022.png"

Tabel met richtafstanden 

Afwijken van de richtafstanden is mogelijk, mits wordt onderbouwd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

In de handreiking zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten ingedeeld in typen (milieubelastende) bedrijvigheid, gerangschikt naar SBI-code. Dit betekent dat er is gestandaardiseerd en dat is uitgegaan van gemiddelde situaties. De hieruit voortvloeiende richtafstanden (10 tot 1500 meter) geven een indicatie van de te verwachten milieubelasting. Deze milieubelasting dient vervolgens te worden afgezet tegen de belasting waarvan in de omgeving al sprake is. Ook dit is gestandaardiseerd, in dit geval in twee omgevingstypen: 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een intensief gebruikt gebied met veel functies en "bedrijvigheid" wordt vaak minder hinder ervaren van een milieubelastende activiteit dan in een rustige woonwijk. Dit heeft onder andere te maken met acceptatie, gewenning en achtergrondbelasting. De VNG-uitgave hanteert twee omgevingstypes: 'rustige woonwijk en rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'.

5.5.2 Toetsing

Het planvoornemen voorziet in de realisatie van acht nieuwe moderne woongebouwen met maximaal 150 woningen ter vervanging van acht verourderde woongebouwen met 102 woningen. De bestaande woningfunctie blijft hiermee gehandhandaafd. Het plan overschrijdt het toegestane aantal woningen en de toegestane afmetingen, qua situering en goot-/bouwhoogte van het geldende omgevingsplan. Om de realisatie mogelijk te maken, dient het omgevingsplan van de gemeente Weert te worden gewijzigd.

De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als een gemengd gebied. In de omgeving van de planonderdelen bevinden zich diverse functies, zoals centrumfuncties met verschillende voorzieningen, maatschappelijke functies en bedrijfsfuncties.

Naast het feit dat de categorie 'gemengd gebied' kan worden onderbouwd aan de hand van de aanwezige functies, kan de Sint Jozefslaan op basis van de verkeersdrukte niet worden aangemerkt als een 'rustige woonwijk'. De Sint Jozefslaan is een doorgaande weg tussen het centrum van Weert en de Ringbaan-Zuid. De Sint Jozefslaan fungeert daarnaast als hoofdontsluitingsweg voor de wijk Keent. De weg vormt hierdoor als het ware een verbindende factor tussen de voorzieningen in de omgeving. Deze eigenschappen behoren tot het omgevingstype 'gemengd gebied'. Omdat het gebied als gemengd wordt aangemerkt, mag de richtafstand op basis van de VNG met een afstandstrede worden verlaagd.

Om het effect van mogelijke bedrijven te beoordelen, is er onderzocht of het plangebied (deelgebied Noord en Zuid) binnen een zone van een bedrijf ligt, of andersom of de ontwikkeling leidt tot een zone over een gevoelige locatie.

Deelgebied Noord

Voor het noordelijk gelegen perceel geldt dat dit perceel in het noorden grens aan de functie 'Centrum'. Deze functie is bestemd voor detailhandel en dienstvelening op de begane grond. Ook ten noordwesten van de plangrens bevindent zich enkele centrumfuncties.

Voor deze categorie geldt een richtafstand van 10 meter op basis van geluid. Doordat er sprake is van een gemengd gebied wordt deze richtafstand teruggebracht naar 0 meter. Waardoor woon- en centrumfuncties gelijkt naast elkaar kunnen bestaan.

Ten zuidwesten van dit deelgebied bevindt zich op circa 30 meter van de plangrens een maatschappelijke functie. Deze functie is bedoeld voor maatschappelijke, culturele, educatieve, medische, sociale, levensbeschouwelijke en/of religieuze doeleinden. In de huidige situatie bevindt zich op deze locatie de basis school met kinderopvang, Brede School (BS) Markeent., met daar boven woningen

Voor scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs geldt een richtafstand van 30 meter op basis van geluid. Doordat er sprake is van een gemengd gebied wordt deze richtafstand teruggebracht naar 10 meter. Gezien de afstand van 30 meter tot het deelgebied wordt aan deze richtafstand wordt voldaan.

De dichtstbijzijnde bedrijfslocaties bevinden zich op circa 140 meter ten westen van de plangrens. Op deze locaties zijn kantoren en bedrijven behorende tot de milieucategorie 1 en 2 toegestaan. Voor bedrijven in milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter op basis van geluid. Doordat er sprake is van een gemengd gebied wordt deze richtafstand teruggebracht naar 10 meter. Gezien de afstand van 140 meter wordt aan deze richtafstand wordt voldaan.

Deelgebied Zuid

Voor het zuidelijk gelegen deelgebied geldt dat de hierboven besproken Brede School met de functie 'Maatschappelijk' zich op circa 60 meter ten noordwesten van het deelgebied bevindt. Op circa 35 meter ten zuidwesten van het deelgebied bevindt zich eveneens een maatschappelijke functie. Ter plaatse van deze functie bevinden zich het buurthuis Keenter Hart en de Parochie Zuid-Oost. Doordat er sprake is van een gemengd gebied wordt de richtafstand van 30 meter verlaagd naar 10 meter. Gezien de afstanden van respectievelijk 35 en 60 meter wordt aan deze richtafstand voldaan.

In zuidwestelijke richting bevinden zich enkele centrumfuncties. De dichtstbijzijnde is gelegen op 95 meter afstand van het deelgebied. Tot deze functies behoren onder andere een cafetaria, een fietsenwinkel, een buurtsupermarkt en een café. Voor deze functie geldt een richtafstand van 10 meter. Doordat er sprake is van een gemengd gebied wordt deze richtafstand teruggebracht naar 0 meter. Waardoor woon- en centrumfuncties gelijkt naast elkaar kunnen bestaan. Gezien de afstand tot de functies wordt geen hinder verwacht.

Samenvatting

Op basis van de afstanden tot de genoemde functies in de omgeving kan worden geconcludeerd dat omliggende functies c.q. bedrijven geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Deze functies liggen op meer dan voldoende afstand om het woon- en leefklimaat van de nieuwe woongebouwen te waarborgen. Ook omgekeerd zal het planvoornemen niet leiden tot een belemmering voor de functies c.q. bedrijvigheid omdat er reeds woningen op kortere afstand gelegen zijn tot deze maatschappelijke, bedrijfs- en horecafuncties en deze daarmee maatgevend zijn.

5.5.3 Conclusie

Het aspect 'Bedrijven en Milieuzonering' vormt op basis van het bovenstaande geen belemmering voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Weert. Op basis van het voorgaande is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6 Luchtkwaliteit

5.6.1 Inleiding

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan dient ook rekening gehouden te worden met de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het van belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen.

De voorliggende afwijking van het omgevingsplan kan invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan beoordeeld. Dit is gedaan aan de hand van de instructieregels vermeld in paragraaf 5.1.4 in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De resultaten hiervan zijn navolgend beschreven.

5.6.2 Toepassing

In het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Voor de toetsing van het omgevingsplan moet daarom inzichtelijk worden gemaakt welke ontwikkelingen en activiteiten het omgevingsplan faciliteert. Daarna kan worden bepaald of een beoordeling vereist is.

In het Bkl staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht. Hiervoor kan het ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt. De beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft.

5.6.3 Toetsing
5.6.3.1 Aandachtsgebieden NO2 en PM10 en aandachtsgebieden PM10

De aandachtsgebieden NO2 en PM10 en de aandachtsgebieden PM10 staan in artikel 5.51, lid 2 & 3 van het Bkl. De gemeenten die onder deze agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling. De aandachtsgebieden PM10 worden elke drie jaar geëvalueerd en zo nodig aangepast naar de actuele inzichten over de luchtkwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0023.png"

Aandachtsgebieden NO2 en PM10 en aandachtsgebieden PM10

Beoordeling

Het plangebied is gelegen in het bebouwde gebied van de gemeente Weert. De gemeente is niet opgenomen in lijst met aandachtsgebieden die opgenomen is in het Bkl en valt niet onder de agglomoratie.

Het planvoornemen in de vorm van woningbouw maakt geen milieubelastende activiteiten mogelijk. Het planvoornemen zorgt bovendien niet voor een verhoging van de concentratie fijnstof (en stikstofdioxide) in de aandachtsgebieden.

5.6.3.2 Milieubelastende activiteiten

Voor enkele activiteiten moet de overheid de luchtkwaliteit altijd beoordelen (artikel 5.50 Bkl). Dus binnen én buiten de aandachtsgebieden. Het gaat om de volgende situaties:

  • bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit.
  • bij het toelaten in omgevingsplan:
    • 1. de aanleg van een wegtunnel langer dan 100 meter
    • 2. een wijziging van een wegtunnel daarbij de lengte met minimaal 100 meter toeneemt
    • 3. de aanleg van een autoweg of een autosnelweg

Toetsing

De eindsituatie van het project bestaat uit de realisatie van maximaal 150 woningen. Met het planvoornemen worden ten opzichte van de huidige situatie daarmee maximaal 48 woningen toegevoegd ten opzichte van de bestaande situatie.

Bij het beoogde planvoornemen is er geen sprake van milieubelastende activiteiten waarbij een verplichte beoordeling van de luchtkwaliteit aan de orde is.

5.6.3.3 Uitgezonderde locaties (blootstelling)

De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4, artikel 5.53 in het bkl).

Toetsing

Er is met de realisatie van maximaal 150 woningen geen sprake van een verhoogde blootstelling, omdat deze woningen niet in een aandachtsgebied zijn gelegen. Uit oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is eveneens gekeken naar de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (zowel PM10 als PM2.5) ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling c.q. het besluitgebied. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) adviseert veel lagere concentraties fijnstof voor een gezonde leefomgeving. Zij adviseren sinds 22 september 2021 de volgende normen: 15 µg/m³ PM10 en 5 µg/m³ PM2,5.

Voor deze motivering wordt rekening gehouden met de nieuwe Europese normen. De nieuwe Europese normen gelden vanaf 2030 en vallen dus in de termijn van 10 jaar voor deze huisvesting. Met ingang van de nieuwe normen in 2030 worden de huidige Europese normen als volgt aangescherpt.

  • Norm NO2 gaat van 40 naar 20 µg/m³
  • Norm PM2,5 gaat van 25 naar 10 µg/m³
  • Norm PM10 gaat van 40 naar 20 µg/m³

Om een goed beeld te krijgen van deze concentraties is gebruik gemaakt van kaarten van de Atlas Leefomgeving, een initiatief van de Rijksoverheid. De Atlas Leefomgeving biedt informatie over de kwaliteit van de Nederlandse leefomgeving. Om de huidige stikstofdioxide en fijnstof concentraties in beeld te brengen zijn de volgende meest recente luchtkwaliteitskaarten van Atlas Leefomgeving geraadpleegd:

  • Stikstofdioxide (NO2) 2023 o.b.v. de WHO-advieswaarde
  • Fijnstof (PM2,5) 2023 o.b.v. de WHO-advieswaarde
  • Fijnstof (PM10) 2023 o.b.v. de WHO-advieswaarde

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0024.png"

Uitsnede kaart Stikstofdioxide 2023 (NO2) - score 8,9 (Bron: Atlas Leefomgeving)

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0025.png"

Uitsnede kaart Fijnstof 2023 (PM2,5) - Score 8,2 (Bron: Atlas Leefomgeving)

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0026.png"

Uitsnede Fijnstof 2023 PM10 - Score 14,9 (Bron: Atlas Leefomgeving)

Uit bovenstaande kaarten blijkt dat de toekomstige, strengere Europese grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 binnen het plangebied niet worden overschreden. De bijdrage van het planvoornemen op de luchtkwaliteit is verwaarloosbaar/niet aanwezig en er wordt geen NO2, PM10 of PM2,5 producerende activiteit met het planvoornemen mogelijk gemaakt.

Voor fijnstof (PM2,5) geldt dat de concentratie met 8,2 µg/m³ boven de WHO-advieswaarde ligt. Deze concentratie blijft echter ruim binnen de vanaf 2030 gestelde Europese norm van maximaal 10 µg/m³ voor PM2,5 en vormt daarom geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

Derhalve kan dan ook gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied aan de Sint Jozefslaan.

5.6.3.4 Niet in betekende mate (NIBM)

Tenslotte is de mate van de verhoogde concentratie van belang. Toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (stikstofdioxide en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook 'niet in betekende mate' (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets.

Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaalt voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl. De beoogde activiteit betreft de realisatie van woningen en valt dus onder de standaardgevallen.

Woonwijken zijn NIBM als het gaat om maximaal:

  • 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg
  • 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen

Beoordeling

In de eindsituatie van dit project is sprake van maximaal 150 woningen met meerdere uitritten richting de openbare weg. De beoogde activiteit betreft de realisatie van maximaal 150 woningen, waarbij slechts sprake is van het toevoegen van maximaal 48 woningen te opzichte van de bestaande situatie, en kan dus geclassificeerd worden als de standaardgevallen.

Het planvoornemen blijft ruim onder de grens van 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg, waardoor de NIBM-regeling van toepassing is. Het planvoornemen draagt op basis hiervan niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging.

5.6.3.5 Verantwoording

In deze ruimtelijke motivering wordt omschreven waarom er geen onderzoek nodig is naar de luchtkwaliteit. De gemeente Weert maakt geen onderdeel uit van de bovenstaande aandachtsgebieden. Daarnaast omvat het planvoornemen geen milieubelastende activiteit. Het beoogde aantal van maximaal 150 woningen kan qua omvang als niet in betekende mate worden omschreven. Een onderzoek naar de luchtkwaliteit is hierdoor niet aan de orde.

Hiermee is er voldoende invulling gegeven aan de motiveringsplicht volgens de instructieregels volgens het Bkl. Er is om deze reden sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6.4 Conclusie

Gezien het feit dat het een kleinschalige ontwikkeling betreft, waarbij in de nieuwe situatie maximaal 150 woningen worden gerealiseerd, wordt er niet in betekenende mate bijgedragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering voor het beoogde planvoornemen vormt en er daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7 Gezondheid

5.7.1 Algemeen

Het bevoegd gezag moet een afweging maken of, vanwege (onzekere) gezondheidsrisico’s, voorzorgsmaatregelen nodig zijn. Voorbeelden van situaties waarin voorzorgsmaatregelen nodig kunnen zijn, zijn de gezondheidseffecten van blootstelling aan endotoxine door veehouderijen, de aanwezigheid van hoogspanningsverbindingen, geitenhouderijen of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. In navolgende paragrafen worden de belangrijkste gezondheidsaspecten benoemd.

5.7.2 Endotoxine

De intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijnstof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. De stallucht uit veehouderijen vormt de belangrijkste emissiebron van endotoxinen. Er kan ook emissie plaatsvinden bij mest op en -overslag, bij mestbehandeling en bij mestverspreiding op het land. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico's lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond.

Vooruitlopend daarop is in de Provincie Noord-Brabant door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de 'Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. In april 2018 is tevens de 'Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. De tool wordt in Noord-Brabant ingezet.

Tegelijk met het VGO-rapport is in juli 2016 het rapport 'Emissies van endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a)' bekend gemaakt. Dit rapport beschrijft het resultaat van metingen aan de emissies van endotoxinen uit de veehouderij. Endotoxinen zijn deeltjes van de celwand van (dode) gramnegatieve bacteriën. Endotoxinen vormen een onderdeel van het fijn stof dat afkomstig is uit veehouderijen. Vooruitlopend op de ontwikkeling van een landelijk toetsingskader heeft het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid de 'Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0' (Toetsingskader endotoxinen) opgesteld. Uitgangspunt van het toetsingskader is de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3 voor endotoxinen. In het toetsingskader zijn afstanden bepaald die een te hoge blootstelling aan endotoxinen zullen voorkomen. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld, aan de hand waarvan op basis van de fijnstofemissie in kilogrammen per jaar kan worden bepaald welke afstand tot gevoelige objecten moet worden aangehouden.

Toetsing

Bij endotoxinen is vooral de afstand tot intensieve varkenshouderijen en pluimveehouderijen van belang. Beoordeeld moet worden of wordt voldaan aan de advieswaarde van 30 EU/m³. De mogelijkheid bestaat dat door cumulatie deze grenswaarde wordt overschreden. Op basis van de afstanden wordt dit echter niet verwacht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0027.png"

Ligging veehouderijen in de omgeving van het plangebied

De dichtstbijzijnde veehouderij is een bedrijf met vleeskuikens op 540 meter ten zuiden van het plangebied. Deze locatie wordt gevolgd door een paardenhouderij op 590 meter ten zuidoosten van het plangebied.

Vanwege geur en fijnstof gelden er richtafstanden tussen stallen en gevoelige objecten. Voor het fokken en houden van 'opfokkippen en mestkuikens', geldt op basis van geur een richafstand van 200 meter. Aangezien het planvoornemen voldoet aan deze afstand en voor de overige veehouderijvormen in de omgeving kleinere richtafstanden gelden, zal vrijwel altijd worden voldaan aan de advieswaarde van 30 EU/m³. Voor 'paardenfokkerijen' geldt bijvoorbeeld een richtafstand van 50 meter.

Gezien de grote afstand tussen de veehouderijen en het plangebied, kan ervan worden uitgegaan dat de advieswaarde niet wordt overschreden. Daarom wordt gesteld dat de gezondheid van de toekomstige bewoners wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Omgekeerd vormt het planvoornemen ook geen belemmering voor de omliggende veehouderijen.

5.7.3 Hoogspanningsverbindingen

Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in een omgevingsplan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Omgevingswet). Het belang van gezondheidsbescherming speelt dus een belangrijke rol en moet zorgvuldig worden afgewogen tegen andere onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en de rechtstreeks daarbij betrokken belangen.

Hoogspanningsverbindingen kunnen van negatieve invloed zijn op de gezondheid van de omgeving, maar dragen tegelijkertijd ook bij aan de Nederlandse infrastructuur en zijn van essentieel belang voor het functioneren van het energienetwerk. Hoogspanningsverbindingen leveren dus zowel een positieve als negatieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving.

Een negatieve invloed op de gezondheid van de omgeving, kan worden veroorzaakt door magneetvelden en geluid van de hoogspanningsverbindingen. Voor het eerste gezondheidsaspect 'magneetvelden' geldt op basis van advies van het Rijk dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Ten aanzien van het gezondheidsaspect 'geluid' geldt dat rekening moet worden gehouden met geluid in de vorm van windfluiten en knetterend geluid door elektrische ontladingen (coronageluid) veroorzaakt door hoogspanningsverbindingen.

Ten behoeve van deze afwijking van het omgevingsplan is in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening gehouden met de gezondheidsaspecten (magneetveld en geluid) die hoogspanningsverbindingen kunnen veroorzaken. De toepassing van deze gezondheidsaspecten op onderhavige wijziging van het omgevingsplan is hierna beschreven.

Toetsing

Met onderhavige wijziging van het omgevingsplan wordt voorzien in een functie ten behoeve van wonen. De dichtstbijzijnde hoogspanningsverbinding bevindt zich op een afstand van circa 2,7 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Bij deze hoogspanningsverbinding gaat het om een 150 kV-verbinding met een rekenafstand van 2 x 60 meter.

De dichtstbijzijnde 380 kV-verbinding is gelegen op circa 8,7 kilometer in noordoostelijke richting. Deze hoogspanningsverbinding heeft een rekenafstand van 2 x 110 meter.

Op onderstaande kaart worden de dichtstbijzijnde hoogspanningsverbindingen ten opzichte van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0028.png"

Ligging plangebied t.o.v. hoogspanningsverbindingen

Magneetvelden

Het Rijk adviseert aan het bevoegd gezag om bij het toelaten van nieuwe bovengrondse hoogspanningsverbindingen of het wijzigen van bestaande hoogspanningsverbindingen rekening te houden met magneetvelden. De magneetvelden zijn mogelijk van invloed op de gezondheid van omwonenden. Gezien de ligging van de nieuwe woongebouwen c.q. woningen buiten de rekenafstanden van de betreffende hoogspanningsverbindingen is dit niet aan de orde.

Geluid

De bovengrondse delen van de hoogspanningsverbinding kunnen geluidseffecten veroorzaken. Er kan sprake zijn van windfluiten en met name bij vochtige weersomstandigheden kan een knetterend geluid optreden door elektrische ontladingen. Ook hiervoor geldt dat de ligging van de woongebouwen c.q. woningen buiten de rekenafstanden is en derhalve het geluid afkomstig van de hoogspanningsverbinden niet aan de orde is.

Conclusie

De afstand tussen het plangebied en de hoogspanningsverbindingen zorgt ervoor dat er geen hinder ondervonden wordt ter plaatse van het plangebied.

5.7.4 Geitenhouderijen

Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak voor handen is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming de risico's op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies.

Omwonenden binnen 1,5 tot 2 kilometer afstand van een geitenhouderij hebben een verhoogd risico op een longontsteking.

Er wordt een consistent verband gevonden tussen de aanwezigheid van (melk)geitenhouderijen op afstanden van 1,5 tot 2 kilometer en een verhoogd risico op longontsteking. Boven de 1,5 kilometer neemt het risico exponentieel af, waardoor het risico boven de 2 kilometer nihil is.

Toetsing

Binnen twee kilometer van het plangebied bevinden zich geen geitenbedrijven. Mogelijke geitenhouderijen in de omgeving vormen gezien de afstand van meer twee kilometer tot het plangebied geen risico's voor de gezondheid.

5.7.5 Gewasbeschermingsmiddelen

In het kader van een evenwichtige toedeling van fucnties aan locaties wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico's voor de gezondheid inhouden.

Toetsing

Door de ligging in het bebouwde gebied zijn in de omgeving van het plangebied geen agrarische funties aanwezig. Het aspect 'Gewasbeschermingsmiddelen' vormt hierdoor geen belemmering voor het planvoornemen. Ook wordt het met het planvoornemen geen belemmering gecreëerd voor agrarische bedrijfsvoering in de omgeving. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zal, gezien de afstand van het plangebied tot het buitengebied, niet worden beperkt.

Gezien de afstand tot agrarische percelen (>50 meter) waar mogelijke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt is er sprake van een goed woon- en leefklimaat en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7.6 Positieve gezondheid

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de gezondheid. Gezondheidsbevordering wordt veelal geassocieerd met het verminderen van de druk van de leefomgeving op de gezondheid, bijvoorbeeld door geluid en luchtverontreiniging te beperken.

Bij positieve gezondheid staat een brede kijk op gezondheid centraal: een fysieke leefomgeving die uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten, wordt als een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten beschouwd.

Een concreet wettelijk kader waarin wordt geduid waaraan een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten minimaal aan dient te voldoen ontbreekt. Wel wordt gestimuleerd om de leefomgeving zo in te richten dat positieve gezondheidseffecten worden bevorderd.

De GGD GHOR Nederland heeft in samenwerking met het RIVM kernwaarden opgesteld die de basis vormen voor de uitwerking en borging van het thema positieve gezondheid in het omgevingsplan. De kernwaarden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk: woonomgeving, mobiliteit en gebouwen. Deze kunnen nader worden uitgewerkt in de regels van het omgevingsplan.

Toetsing

Onderstaand wordt uitgelegd hoe het planvoornemen bijdraagt aan de kernwaarden van positieve gezondheid. Door de realisatie van moderne woningen die voldoen aan de eisen en wensen van deze tijd, ter vervanging van verouderde woning, wordt een goed woon- en leefklimaat gecreëerd voor de bewoners. Verder worden de toekomstige woningen levensloopbestendig gerealiseerd. Dit betekent dat bewoners met een lift en zonder treden tot aan hun appartement kunnen komen.

Met het planvoornemen komen de verouderde portiekflats te verdwijnen. De portiekflats maken plaats voor nieuwe woongebouwen, waarbij de nieuwste standaard op het gebied van bouwen en enerige zal worden toegepast. De wijk Keent zal zo worden omgevorm tot een duurzame wijk.

De nieuw te realiseren woningen zullen klimaatneutraal functioneren. Naast dat de woningen klimaat- en energieneutraal worden gerealiseerd, wordt er ook aandacht besteed aan een toekomstbestendige waterberging en duurzaam materiaalgebruik.

Door de centrale ligging ervaren de bewoners ook in de toekomstige het gemak van alle nodige voorzieningen en het station op loopafstand. Door de realisatie van het planvoornemen komt er een verbetering van de buurt Keent tot stand. Deze verbetering komt het woon- en leefklimaat in en rondom de woningen wat de gezondheid betreft ten goede komt.

Er kan worden gesteld dat de realisatie van de nieuwe woningen zal bijdragen aan het welzijn van de bewoners en een positief effect hebben op hun gezondheid en kwaliteit van leven.

Conclusie

Met de realisatie van het planvoornemen zal de situatie ter plaatse dus kwalitatief verbeteren. De levenskwaliteit wordt bevorderd door de aanwezigheid van voorzieningen in de omgeving.

Het aspect 'Gezondheid' vormt hiermee geen belemmering voor het beoogde planvoornemen.

5.7.7 Conclusie

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Gezondheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8 Externe veiligheid

5.8.1 Algemeen

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om het zogeheten plaatsgebonden risico en het groepsrisico binnen aandachtsgebieden (brand, explosie, gifwolk). Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Inzake het groepsrisico gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied.

5.8.2 Toetsing

Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn de relevante risico's geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven.

Via Atlas Leefomgeving is nagegaan of het plangebied binnen een plaatsgebonden risicocontour of een aandachtsgebied voor het groepsrisico ligt. Hieronder is een uitsnede van de kaart in Atlas Leefomgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0029.png"

Uitsnede risicokaart met aanduiding van de risicobronnen het plangebied

Transportroutes

Ten noorden van het plangebied verloopt de spoorweg Eindhoven - Weert - Roermond. Via deze spoorlijn worden gevaarlijke gouden getransporteerd. Om deze reden is de spoorlijn voorzien van een PR10-6-, een PR10-7-, een PR10-8-contour, een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied.

Het noordelijk deelgebied, gelegen op perceel 4350 bevindt zich in de buitenste contour, het gifwolkaandachtsgebied. Dit gifwolkaandachtsgebied strekt zich uit tot 300 meter van de spoorlijn. Vanwege de ligging in het gifwolkaandachtgebied is een toxisch scenario maatgevend. Dit houdt in dat bij een eventuele calamiteit op het spoor men binnen moet schuilen, ramen en deuren gesloten moeten worden alsmede de mechanische ventilatie uitgezet moet worden. Dit betekent dat de woning, op basis van het Besluit bouwwerken leefomgeving (aanvullende bouweis), voorzien moeten worden van een noodstop om de mechanische ventilatie centraal uit te zetten.

Gelegen in het gifwolkaandachtsgebied bieden de Sint Jozefslaan en de omliggende wegen daarnaast voldoende mogelijkheden om uit de gevarenzone te komen. De Sint Jozefslaan bevindt zich in zuidelijke richting niet in een van de gevarenzones. Bij een incident bieden de toekomstige woongebouwen voldoende mogelijkheden met het oog op zelfredzaamheid.

Gezien het aantal woningen tussen het plangebied en de spoorlijn wordt geen belemmering verwacht voor de veiligheid binnen het plangebied met betrekking tot de spoorlijn. Hieraan dient te worden toegevoegd dat er in de huidige situatie binnen het plangebied reeds woningen aanwezig zijn. Het gifwolkaandachtsgebied vormt in het kader van de omgevingsveiligheid geen belemmering.

Daarnaast is op enige afstand de Ringbaan West en Zuid gelegen. Een dergelijk gemeentelijke weg heeft geen aandachtsgebieden voor explosie, brand of gifwolk, tenzij de gemeente een eigen beleid of visie heeft vastgesteld ten aanzien van het transport van gevaarlijke stoffen over (provinciale, gemeentelijke) wegen. Vooralsnog heeft de gemeente Weert geen specifiek beleid voor externe veiligheid opgesteld. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het transport van gevaarlijke stoffen over de Ringbaan West en Zuid wel beschouwd als een milieubelastende activiteit met externe veiligheidsrisico's. In dat kader is er sprake van een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Risicovolle inrichtingen

Op circa 350 meter ten zuiden van het zuidelijke deelgebied, op perceel 5172, een tankstation met LPG gelegen. Het explosieaandachtsgebied bevindt zich op circa 200 meter ten zuiden van plangebied.

Op basis van de afstand kan worden geconcludeerd dat er in of nabij het plangebied geen risicovolle inrichtingen, zoals tankstations of opslagtanks, aanwezig zijn.

Buisleidingen

Onder de Ringbaan welke ten westen en zuiden van het plangebied verloopt, bevindt zich een buisleiding met brandaandachtsgebied. Dit brandaandachtsgebied reikt tot of over het plangebied en is daarmee dan ook niet van invloed c.q. toepassing op het plangebied.

Door het plangebied lopen tevens geen boven- en/of ondergrondse leidingen die een planologische bescherming genieten. Er is dus op dat gebied geen sprake van (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden.

5.8.2.1 Advies veiligheidsregio Noord Limburg

Door de veiligheidsregio Noord Limburg is een adviesrapport opgesteld ten aanzien van de beoogde herstructurering van de Sint Jozelfslaan oost. Het volledige adviesrapport is toegevoegd als Bijlage 6 bij deze motivering.

De scenario’s die op basis van de aanwezige risicobronnen kunnen plaatsvinden, zijn nader uitgewerkt in bijlage 1 van het adviesrapport. Gezien de afstand ten opzichte van het plangebied, in combinatie met reeds aanwezige bebouwing (omgevingselementen) is het BLEVE-scenario als ‘niet relevant’ beschouwd.

Het advies van de veiligheidsregio Noord-Limburg bestaat uit de onderstaande drie punten.

  • Zorg dat vluchtroutes vanuit de gebouwen van het spoor af georiënteerd zijn. Afscherming door de eigen gebouwen bevordert de vluchtveiligheid.
  • De mechanische ventilatie (indien aanwezig) moet voorzien zijn van een schakelaar op een gemakkelijk te bereiken plaats (bijvoorbeeld in de meterkast). Dit is op basis van artikel 4.124 van het Besluit bouwwerken leefomgeving reeds voorgeschreven. Situeer daarbij de inlaat van de mechanische ventilatie van de risicozijde af. Indien het gebouw geheel is voorzien van natuurlijke ventilatie, is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden. Bij een toxisch scenario kan een toxische gaswolk het binnenmilieu van een gebouw binnendringen. Dit wordt voorkomen door het afsluiten van de mechanische ventilatie of door ramen en deuren te sluiten, waardoor personen veilig in het gebouw kunnen schuilen.
  • Pas risicocommunicatie toe. Zorg dat de bewoners van de gebouwen op de hoogte zijn van de risico’s die op hen van toepassing zijn en dat ze weten hoe de voorzieningen in hun eigen woning, welke afgestemd zijn op deze risico’s, functioneren.

Met het planvoornemen wordt het advies van de veiligheidsregio gevolgd. Bovenstaande punten meegenomen in de uiteindelijke bouwtechnische uitwerking van de woongebouwen.

5.8.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er op basis van het bovenstaande geen objecten of transportroutes zijn die in het kader van omgevingsveiligheid nader moeten worden beschouwd. Het plangebied ligt niet binnen een van de voor externe veiligheid doorslaggevende aandachtsgebieden. Het gifwolkaandachtsgebied vormt in het kader van de externe veiligheid geen belemmering.

De veiligheidsregio heeft ten aanzien van het plan een advies afgegeven over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen. Dit advies geeft tezamen met voorgaande onderbouwing de input voor het bevoegd gezag om invulling te geven aan de groepsrisicoverantwoordingsplicht. Gelet op het voorgaande en het advies van de veiligheidsregio wordt geconcludeerd dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen oplevert voor de onderhavige wijziging van het omgevingsplan en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.9 Waterhuishouding en watertoets

5.9.1 Algemeen

In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels:

  • Bescherming van primaire waterkeringen (5.38 Bkl);
  • Behoud waterveiligheid kust (5.39 – 5.40 Bkl);
  • Behoud waterveiligheid grote rivieren (5.41 – 5.47 Bkl);
  • IJsselmeergebied (5.48 – 5.49 Bkl).

Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water. Voor het plangebied zijn de volgende beleidsstukken en/of verordeningen van belang:

  • Nationaal waterprogramma 2022-2027 (Rijksbeleid)
  • Provinciaal Waterplan Limburg 2022-2027 (Provinicaal beleid)
  • Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027
  • Waterschapsverordening Limburg (Beleid vanuit waterschap)
  • Verordening op de opvang, verwerking en afvoer van hemel- en grondwater 2023 voor nieuwbouw (Gemeentelijk beleid)
  • Programma GroenBlauw (Gemeente Weert, mei 2025)

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden aangetoond op welke wijze rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Hieronder worden eventuele gevolgen voor de waterhuishouding, veroorzaakt door het planvoornemen, beknopt besproken.

5.9.1.1 Bergingseisen op basis van gemeentelijk beleid

De gemeente Weert heeft op 28 december 2023 de hemelwaterverordening 'Verordening op de opvang, verwerking en afvoer van hemel- en grondwater 2023 voor nieuwbouw' vastgesteld.

De Hemelwaterverordening regelt het beheer van hemelwater bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw en bedrijfsontwikkeling. Het doel is om wateroverlast en vervuiling te voorkomen door het juiste beheer van verhard oppervlak (zoals daken en opritten). Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de belasting op bodem en water, de gevolgen van klimaatverandering en het toekomstig waterbeheer. Dit kan gebeuren via een buitenplanse omgevingsactiviteit (BOPA), (bouw)activiteiten of door wijziging van het omgevingsplan.

De gemeente stelt eisen voor het verwerken van hemelwater, bijvoorbeeld door het aanleggen van waterbergingsvoorzieningen (zoals infiltratievoorzieningen) op het eigen perceel. Deze eisen gelden voor nieuw verhard oppervlak vanaf 50 m². Bij een verhard oppervlak groter dan 300 m² is het verplicht om een infiltratieonderzoek uit te voeren.

Bij het bepalen van de benodigde inhoud van de hemelwaterberging dient als uitgangspunt te worden genomen dat de voorziening 100 liter per m² verhard oppervlak probleemloos moet kunnen bergen. Hemelwater infiltreert vanuit de hemelwaterberging in de bodem. Indien infiltratie beperkt mogelijk is, mag de leegloop uit een voorziening maximaal 2 l/s/ha bedragen, zodat de voorziening binnen maximaal 24 uur na een regenbui weer 100% beschikbaar is.

5.9.2 Weging waterbelang

Het plangebied is gelegen ten zuidwesten van de kern Weert. Zowel voor het noordelijke als ook het zuidelijke deelgebied geldt dat het maaiveld nauwelijk verschilt qua hoogte. Het maaiveld van percel 4350 varieert tussen de +33.3 m NAP en de + 33.5 m NAP. Maaiveldhoogte bevindt zich hier dus op circa 33.4 m +NAP. Het maaiveld ter plaatse van perceel 5172 varieert tussen de + 34.3 m NAP en de +34.9 m NAP. De gemidelde maaiveldhoogte bevindt zich hier dus op circa 34.6 meter +NAP.

Het plangebied bevindt zich in een omgeving die wordt gekenmerkt door de bodemsoort 'Hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand' (vormsubgroep: zEZ23). Dit betreft dikke eerdgronden met een esdek bestaande uit zand, een hoge ligging ten opzichte van het grondwater (Gt IV en hoger) en een zwarte minerale eerdlaag. De bovengrond bestaat uit lemig fijn zand. Doordat de Sint Jozefslaan en de omgeving echter al lange tijd zijn bebouwd, zal de oorspronkelijke grondsoort ter plaatse grotendeels zijn verdwenen.

Bij waterbeheerprojecten, zoals hemelwaterinfiltratie, is deze bodemsoort relatief geschikt, mits rekening wordt gehouden met de specifieke doorlatendheid van de bodem en de noodzaak om waterberging goed in te richten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0030.png"

Bodemtypologie op korte afstand van het plangebied met aanduiding van het plangebied (bron: Bodemdata.nl)

Geomorfolisch gezien bevindt het plangebied zich in de omgeving van een Dekzandrug (Vormsubgroep: B53) een Dalvormige laagte (Vormsubgroep: R23) en enkele Complexen van dekzandwelvingen (Vormsubgroep: L51).

Dekzandruggen zijn terreinverheffingen met flauwe hellingen, die grotendeels onder arctische omstandigheden in het Weichselien door de wind zijn gevormd. Veel dekzandruggen hebben een langgerekte vorm (lengte duinen) met een zuidwest-noordoost oriëntatie. De hoogte van de rug bepaalt het verschil tussen een dekzandrug en de dekzandwelving. De lagere dekzandwelvingen zijn vaak deels bedekt door jongere afzettingen.

De vormsubgroep dalvormige laagten (R23) omvat langgerekte, relatief ondiepe terreindepressies die niet gelinkt kunnen worden aan een beek- of riviersysteem. Ze hebben hun ontstaan grotendeels te danken aan het oppervlakkig afstromen van sneeuwsmeltwater over de diep bevroren ondergrond van een zwak hellend terrein tijdens het Weichselien.

In gebieden met dekzandwelvingen, zoals de L51 vormsubgroep, is infiltratie van water doorgaans goed mogelijk. Dit komt doordat dekzandgronden, die voornamelijk uit fijn zand bestaan, van nature goed doorlatend zijn. Dit betekent dat regenwater snel in de bodem kan trekken, waardoor deze bodems goed geschikt zijn voor de infiltratie van hemelwater.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0031.png"

Geomorfologische kaart met aanduiding plangebied (bron: Bodemdata.nl)

De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) bevindt zich in de omgeving van het plangebied, op basis van de basiskaarten van Bodemdata.nl, op ongeveer 80 centimeter onder het maaiveld. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) bevindt zich op circa 250 centimeter onder het maaiveld. De omgeving van het plangebied wordt ingedeeld in grondwatertrap VId of zelf VIId, wat betekent dat het grondwater zich meestal op een diepte van meer dan 2 meter onder het maaiveld bevindt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0032.png"

Uitsnede leggerkaart Waterschap Limburg

De dichtstbijzijnde primaire watergang Houtstraatlossing ligt ten zuiden van het spoor en loopt op circa 400 meter ten noorden van het plangebied (deelgebied Noord). Op circa 1 kilometer ten noordwesten loopt de Zuid-Willemvaart en op circa 1 kilometer zuidwesten van het plangebied op perceel 5172 ligt de primaire watergang Mastenbroek.

De dichtstbijzijnde secundaire watergang zijn de Keenter- en Kuppenlossing op circa 1.2 kilomter ten zuidoosten van deelgebied Zuid.

Binnen het plangebied of in de directe omgeving zijn geen primaire of secundaire watergangen aanwezig. Op basis van de legger blijkt dat er geen belangen van het waterschap in het geding komen. Het planvoornemen heeft gezien de afstand geen invloed op de watergangen in de omgeving.

5.9.3 Toetsing
5.9.3.1 De huidige en nieuwe situatie

Huidige situatie

De percelen zijn in de huidige situatie reeds gebouwd. De portiekflats hebben elk een diepte van circa 9 meter en een lengte van circa 40 meter, wat betekent dat het oppervlak per flat circa 360 m² bedraagt. Een flat heeft zelfs een lengte van circa 60 meter en daarmee een oppervlak van 540 m². Het totale oppervlak van de bestaande acht portiekflats komt hierdoor op circa 2.920 m². Naast de aanwezige bebouwing bevindt rondom de bebouwing verharding in de vorm van bestrating.

Doordat de deelgebieden reeds worden bewoond is er reeds sprake van afvalwater. Hemel- en afvalwater worden in de huidige situatie niet gescheiden. Zowel het hemel- als ook het afvalwater worden aangeboden op het gemengde rioolsysteem zoals aanwezig ter plaatse van de Sint Jozefslaan. In de praktijk wordt, zelfs bij zware regenval, geen stagnerend water ter plaatse van de deelgebieden waargenomen.

Nieuwe situatie

In de nieuwe situatie zullen woongebouwen van ongeveer hetzelfde grondoppervlak worden gerealiseerd. Doordat het parkeren in de nieuwe situatie binnen het plangebied zelf, aan de achterzijde van de woongebouwen, zal worden opgelost, zullen er parkeerplaatsen worden toegevoegd, waardoor de verharding ten opzichte van de bestaande situatie zal toenemen.

Omdat er echter sprake is van sloop, is er bij de realisatie van de nieuwe woongebouwen sprake van een geheel nieuwe ontwikkeling. Bij nieuwe ontwikkelingen dient de gehele verharding (bebouwing en verharding) te worden meegenomen bij het bepalen van de waterbergingsopgave.

Voor het plangebied waarbinnen nieuwe woongebouwen en parkeervoorzieningen worden op-/ingericht, geldt op basis van de hemelwaterverordening een bergingsopgave van 100 liter per m² verhard oppervlak. In de nieuwe situatie bedraagt het verhard oppervlak 6.960 m2. Op basis van de bergingseis uit de hemelwaterverordening van de gemeente Weert bedraagt de benodigde bergingscapaciteit daardoor in totaal 696 m3. Verdeeld over de deelgebieden Noord en Zuid betreft dit respectievelijk 330 m3 en 366 m3.

Beide deelgebieden bieden gezien het oppervlak voldoende mogelijkheden om de wateropgave aan hemelwater te bergen en te infiltreren. Vooralsnog zijn de maatregelen voor waterberging gepland aan de achterzijde van de woongebouwen in het groen dan wel onder de parkeervoorzieningen. Naar verwachting kan in het noordelijk plangebied ongeveer 525 m2 waterberging in de vorm van wadi's worden aangelegd. Voor het overig worden zowel in het noordelijk plangebied als in het zuidelijk plangebied infiltratievoorzieningen onder het parkeren aangelegd. De definitieve invulling wordt nog civieltechnisch nader uitgewerkt als onder deel van de totale herinrichting van de betreffende deelgebieden.

Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaand uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetra). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigide stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verharding zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

Voor hemelwater vraagt het Waterschap Limburg om een voorkeursvolgorde aan te houden, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is:

  • 1. Bergen en vasthouden voor hergebruik;
  • 2. Bergen en vasthouden in de bodem voor infiltratie;
  • 3. Tijdelijk bergen;
  • 4. Afvoeren naar oppervlakte water;
  • 5. Afvoeren naar gemengd of DWA-riool.

In onderhavige situatie wordt voorzien in optie 2 waarbij het volledige plangebied in de nieuwe situatie qua hemelwater wordt afgekoppeld.

5.9.3.2 Infiltratieonderzoek

Om inzicht te krijgen in de doorlatendheid van de bodem is als onderdeel van het verkennend bodem- en asfaltonderzoek (Antea, rapportnummer AMV241501.004/RKR, d.d. 28 maart 2025, Bijlage 7) een infiltratieonderzoek uitgevoerd. Uit dit infiltratieonderzoek is gebleken dat de infiltratie van hemelwater tot de mogelijkheden behoort ter plaatse van het plangebied. Het infiltreren zou direct in de ondiepe ondergrond moeten kunnen plaatsvinden. Een gereguleerde voeding/afvloeiing middels een wadi is daarbij opportuun.

Op basis van de positieve resultaten van het infiltratieonderzoek wordt volledig ingezet op lokaal infiltreren. De waterbergingsvoorziening zal hierbij op particulier terrein plaatsvinden. Bij het ontwerp is binnen het plangebied daarom voldoende ruimte gereserveerd voor de aanleg van de noodzakelijke wadi's binnen het groen.

5.9.4 Riolering

Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater te worden gescheiden. Hemelwater wordt hierdoor niet meer aangeleverd aan de gemeentelijke riolering, tenzij er sprake is van een overstort. Deze overstort is alleen van toepassing c.q. noodzakelijk voor het opvangen van extreme situatieom daarmee eventueel wateroverlast te voorkomen.

Als gevolg van het planvoornemen zal het aanbod van vuilwater wijzigen, doordat het aantal woningen toeneemt met maximaal 48 woningen. Het planvoornemen leidt daarmee tot de toevoeging van 48 huishouden aan het rioolstelsel. Het vuilwater (de zogenaamde droogweerafvoer, DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande gemengde rioolstelsel voor vuilwater onder de Sint Jozefslaan.

De aansluiting op het rioolstelsel is in de huidige situatje reeds aanwezig. Het is bestaande rioolstels biedt waarschijnlijk voldoende capaciteit om het vuilwater van de toevoeging van maximaal 48 woningen op het rioolstelsel te verwerken. Te meer omdat het hemelwater in de toekomstige siuatie niet meer in het riool terechtkomt. Doordat het hemelwater op eigen terrein wordt verwerkt, wordt het riool door de realisatie van het planvoornemen in toekomst mogelijk zelfs minder belast.

5.9.5 Advies/overleg Waterschap Limburg

Aan het beleid van het waterschap wordt voldaan.

5.9.6 Conclusie

Het hemelwater zal volledig afgekoppeld worden en binnen het plangebied opgevangen en in de bodem geïnfiltreerd worden. Hiervoor zullen de noodzakelijk hemelwatervoorzieningen aangelegd worden met voldoende capaciteit. Hiervoor zal de bergingseis van het waterschap van 100 mm aangehouden worden.

Op basis van het onderzoek naar de infiltratiecapaciteit wordt geconcludeerd dat het infiltreren in de bodem goed mogelijk is. Doordat het hemel- en afvalwater worden gescheiden, zal het riool worden ontlast.

Het aspect 'Waterhuishouding' vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Op basis van het bovenstaande is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10 Duurzaamheid en klimaat

5.10.1 Duurzaamheid
5.10.1.1 Algemeen

Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen.

Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit.

Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's.

In het omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voor zover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels.

5.10.1.2 Toetsing

Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen.

  • Verbeteren energieprestatie: Zo zijn in het Bbl eisen ten aanzien van Bijna energieneutrale gebouwen (BENG) opgenomen.
  • Stimuleren milieuvriendelijk en circulair bouwen: de milieuprestatie van gebouwen (MPG) opgenomen.
  • Natuurinclusief bouwen.

Voor de realisatie van de nieuwe woongebouwen wordt de nieuwste standaard op het gebied van bouwen en energie toegepast. De nieuw te realiseren woongebouwen zullen klimaatneutraal functioneren. De toekomstige woningen wordt door middel van een berekening getoetst aan de BENG-norm.

De BENG staat in dit geval voor 'bijna-energieneutraal gebouw'. Sinds 1 januari 2021 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland 'bijna-energieneutraal' zijn. Dit kan worden bereikt door bijvoorbeeld zonneboilers voor warm water, warmtepompen of zonnepanelen voor elektriciteit, waardoor de woongebouwen c.q. woningen zelfvoorzienend wordt.

Naast de BENG-norm wordt er ook aandacht besteed aan een toekomstbestendige waterberging en duurzaam materiaalgebruik. Hiermee wordt voldoende invulling gegeven aan de energietransitie.

5.10.1.3 Conclusie

Het aspect 'Duurzaamheid' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.10.2 Klimaat
5.10.2.1 Algemeen

Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden.

Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hittestress in de bebouwde omgeving. Ten behoeve van deze afwijking van het omgevingsplan zijn mogelijke meekoppelkansen geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan ten aanzien van het aspect 'klimaatadaptatie' beoordeeld.

5.10.2.2 Toetsing

Via de kaarten van Atlas Leefomgeving is de kaart 'Stedelijk hitte-eilandeffect (UHI)' geraadpleegd. Op deze kaart wordt weergegeven waar de risico's van klimaatverandering hoog zijn. De kaart toont het temperatuurverschil tussen stedelijke en landelijke gebieden in Nederland.

Gebouwen, huizen, wegen en stenen houden veel warmte vast. Dit fenomeen wordt ook wel het stedelijk hitte-eilandeffect, of urban heat island effect (UHI), genoemd. De kaart laat het gemiddelde temperatuurverschil in graden Celsius (°C) zien tussen stedelijke en landelijke gebieden. Hoe blauwer de kleur, hoe lager het temperatuurverschil in vergelijking met de landelijke omgeving. Hoe geler of roder de kleur, hoe groter het temperatuurverschil vergeleken met de landelijke omgeving. Grote steden zijn op de kaart daarom duidelijk te herkennen aan de rode en gele vlekken. Ook kleinere woongebieden verschijnen vaak als lichtblauwe en gele plekken.

Doordat het plangebied zich in het stedelijke gebied van Weert bevindt is van belang om rekening te houden met klimaatrisico's op basis van temperatuurstijgingen. De temperatuurverschillen bedragen, op basis van de kaart, ongeveer 0,7 tot 1,1 graden. Het plangebied is hiermee koeler dan het centrum van Weert, waar het temperatuurverschil circa 1,5 graden bedraagt.

Er wordt aangenomen dat de aanwezige grote bomen voor de nodige verkoeling (blijven) zorgen. Doordat de toekomstige woongebouwen ten opzichte van de huidige verouderde woongebouwen duidelijk beter worden geïsoleerd en de percelen in toekomst worden voorzien van meer bomen, worden geen risico's verwacht ten aanzien van hittestress.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0033.png"

Uitsnede kaart Stedelijk hitte-eiland effect (UHI)

Via de kaarten van Atlas Leefomgeving is de kaart 'Water op straat na een extreme bui' geraadpleegd. Op deze kaart is te zien hoeveel water er na een hevige bui op straat kan komen te staan. Hoe donkerder de kleur, hoe dieper het water in die straat kan staan. De kaart is gemaakt op basis van een rekenmodel, waarbij een regenbui is gebruikt die in het huidige klimaat eens per 100 jaar voorkomt. De meeste schade door hoosbuien treedt op wanneer het water gebouwen (via de stoepen) binnenstroomt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0034.png"

Uitsnede kaart 'Water op straat na een extreme bui'

Op basis van de bovenstaande kaart is te zien dat na een extreme bui rondom de bestaande woongebouwen en op het achterterrein water kan worden verwacht. Hierbij gaat het om plassen met maximaal 20 centimer water. Deze plassen zijn echter niet noemenswaardig.

Het advies is om de toekomstige woongebouwen voldoende hoog te bouwen en te voorzien in voldoende hemelwatervoorzieningen met de benodigde bergingscapaciteit, zodat er binnen het plangebied geen water op het maaiveld (meer) wordt verwacht. Er kan daarbij met de aanleg van hemelwatervoorzieningen rekening worden gehouden met de dieper gelegen delen van het achterrein. De lagere delen bieden een logische plaats voor de te realisren wadi's Op basis van de bovenstaande kaart wordt geen hinder door extreme buien verwacht.

Naast hittestress of water op het maaiveld door extreme buien, bestaan er geen klimaatrisico's voor het plangebied. De kans op overstroming vanuit een rivier, meer of zee is nauwelijks aanwezig binnen het plangebied, vanwege de hoogteligging en de grote afstand tot een rivier, meer of zee. In de toekomst zullen er door klimaatverandering naar verwachting ook meer en langere periodes met droogte voorkomen. Ten aanzien van het planvoornemen worden, geen problemen verwacht met betrekking tot droogte.

5.10.2.3 Conclusie

Het aspect 'Klimaat(adaptatie)' vormt geen belemmering voor het planvoornemen en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.11 Archeologie en cultuurhistorie

5.11.1 Algemeen

De gemeente moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekend of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Archeologie

De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Deze regels hebben betrekking op beschadiging, het conserven en in stand houden van archeologische monument.

Voor archeologie dient de gemeente projecten kleiner dan 100 m² in beginsel vrij te stellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). De gemeente kan in een omgevingsplan echter grotere of kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen, bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in dergelijke gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m² vondsten opleveren. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is.

Cultuurhistorie

Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels.

Hieronder wordt beschreven op welke manier wordt omgegaan met archeologie en cultuurhistorische waarden.

5.11.2 Archeologie
5.11.2.1 Beleid

Rijksbeleid

Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de beleidsmatige zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: archeologische waarden dienen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed te worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Mocht bescherming onvoldoende mogelijk zijn dan dient, volgens dit verdrag, de informatie te worden onttrokken aan de bodem via archeologisch onderzoek.

Inmiddels zijn de uitgangspunten van het Verdrag in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Omgevingswet.

Provinciaal beleid

De verantwoordelijkheid voor een groot deel van het archeologisch erfgoed ligt bij de gemeenten. De betrokkenheid van de Provincie beperkt zich tot archeologische waarden van provinciaal belang. De zogenaamde archeologische aandachtsgebieden, representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met grote kans op archeologische vondsten. Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 gemeenten in Limburg.

De provincie geeft aan om keuzes te moeten blijven maken. Want niet alle vindplaatsen zijn even belangrijk, en niet alle waardevolle vindplaatsen kunnen behouden blijven. Er zijn dus wel ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk in de geselecteerde gebieden. Maar alleen als er in een vroegtijdig stadium goed archeologisch onderzoek wordt verricht. En in alle gevallen zal afstemming met de gemeente plaatsvinden.

In 2014 zijn de archeologische aandachtsgebieden vastgelegd in het Provinciaal omgevingsplan Limburg (POL). De archeologische aandachtsgebieden zijn met de inwerkingtreding van de omgevingswet (per 1 januari 2024) 1 op 1 doorvertaald naar de Omgevingsverordening Limburg. In de Omgevingsverordening Limburg heeft de Provincie gebieden aangewezen die bijzondere bescherming nodig hebben.

Op basis van de onderstaande uitsnede blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een van de provinciale archeologische aandachtsgebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0035.png"

Ligging provinciale archeologische aandachtsgebieden t.o.v. het plangebied

Gemeentelijk beleid

De gemeentes Nederweert en Weert beschikken over een gezamenlijke cultuurhistorische waardenkaart, bijlage bij de Nota update beleidskaart archeologie gemeenten Nederweert-Weert 2017 (ArchAeO-Rapport 17001). Op de kaart zijn de belangrijkste elementen met archeologische waarde weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0036.png"

Uitsnede archeologische beleidskaart Weert-Nederweert inclusief legenda

5.11.2.2 Toetsing

Op basis van de verwachtingskaart is het plangebied aangeduid als een gebied met hoge archeologische verwachting. Op basis van het omgevingsplan is geldt ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie middelhoog'. Voor gebieden van archeologische waarde geldt een drempelwaarde. Er is een onderzoeksplicht bij een oppervlak van 2.500 m² en een diepte van 40 cm. Om dat de drempelwaarde bij het planvoornemen wordt overschreden wordt een archeologisch onderzoek uitgevoerd.

5.11.2.2.1 Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek

Om het planvoornemen mogelijk te maken dient in het kader van de omgevingswet en de hierbij behorende onderliggende regelgeving inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. Door Sweco is om deze reden een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (projectnr. 2468-4813; onderzoeksmeldingsnr. 5690423100; d.d 27 februari 2025; Bijlage 8) uitgevoerd. Hieronder is een samenvatting van het onderzoek opgenomen.

Verwachting

Op basis van de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een lage gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum, een middelhoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum en de Bronstijd en een hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit de IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd.

Vanwege de diepe kelders onder de huidige bebouwing worden hier geen archeologische resten meer verwacht.

Resultaten veldonderzoek

In beide deelgebieden zijn onder een verstoord pakket intacte dekzandafzettingen aangetroffen. Bij een proefsleuvenonderzoek en de definitieve opgraving die in 2015 op 50 meter ten westen van het noordelijk deelgebied zijn uitgevoerd (met resten uit de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd bestaande uit een sloot, greppels, huisplattegronden en een waterput), zijn de vlakken op een hoogte van circa 32,3-32,5 meter +NAP aangelegd. Deze vlakhoogte komt ongeveer overeen met de NAP-hoogte van de intacte dekzandafzettingen in het noordelijke deelgebied.

De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek bevestigd. Op basis van het behoud van een middelhoge tot hoge trefkans voor archeologische resten vanaf het Neolithicum blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn.

Advies

Voor het onbebouwde deel van het plangebied, waar nog archeologische waarden worden verwacht, adviseert Sweco een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in de wijziging van het omgevingsplan te worden opgenomen. Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt en er niet dieper ontgraven wordt dan 40 cm onder het huidige maaiveld.

Als het niet mogelijk is om archeologie vriendelijk te bouwen is, gezien de geringe diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten, vervolgonderzoek noodzakelijk. Dit zal op basis van de huidige plannen met name van toepassing zijn in het noordelijke deelgebied. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.

Binnen het bebouwde deel van het plangebied, waar het bodemprofiel als gevolg van de huidige onderkeldering diep zal zijn verstoord en waar dus geen archeologische waarden worden verwacht, wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren.

Conclusie

Voor het bebouwde deel ter plaatse van de woongebouwen geldt op basis van het uitgevoerde onderzoek dat geen vervolgonderzoek wordt vereist omdat de gronden te zeer zijn geroerd en er geen archeologische waarden meer worden verwacht.

Daar waar de grond met de realisatie van het planvoornemen c.q. woongebouwen dieper dan 40 cm wordt geroerd zal vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven moeten worden uitgevoerd. Dit zal naar verwachting alleen voor de nieuwe woongebouwen zijn, daar waar sprake is van nieuwbouw buiten de footprint van de huidige bebouwing en waar noodzakelijke hemelwatervoorzieningen worden aangelegd die leiden tot een bodemverstoring van meer dan 2.500 m2 en dieper reiken dan 40 cm minus maaiveld. Doel van de proefsleuven is om tot vrijgave op basis van archeologie te komen.

Om dit te waarborgen wordt vooralsnog een dubbelbestemming voor archeologie opgenomen voor de thans nog onbebouwde delen van het plangebied, met als voorwaarde dat bij bodemingrepen dieper dan 40 cm nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is in de vorm van proefsleuvenonderzoek, zodat daarmee archeologie in voldoende mate gewaarborgd is.

5.11.2.3 Conclusie Archeologie

Op grond van de resultaten van het archeologisch onderzoek wordt voor bodemingrepen ter plaatse van de onbebouwde gronden met een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm een proefsleuvenonderzoek geadviseerd. Om te waarborgen dat het aspect archeologie voldoende beschermd blijft blijft de beschermende regeling ten aanzien van archeologie in de regels behouden.

5.11.3 Cultuurhistorie
5.11.3.1 Algemeen

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met cultureel erfgoed. De verplichting om ook cultuurhistorische waarden te beschermen is in de Omgevingswet meegenomen. De instructieregels uit artikel 5.130 lid 2 van het Bkl geven aan voor welke punten onder meer bescherming benodigd is. In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.

De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten
  • verplaatsing van beschermde monumenten
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand
  • aantasting van de omgeving van een beschermd monument
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen

Ten behoeve van het voorliggende planvoornemen is het cultureel erfgoed geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het beschermen en het voorkomen van aantasting van cultureel erfgoed.

5.11.3.2 Toetsing

De gemeentes Nederweert en Weert beschikken over een gezamenlijke cultuurhistorische waardenkaart (2009), opgesteld door bureau RAAP. (RAAP-rapport 1877, kaartbijlage II-8). Op de kaart zijn de belangrijkste elementen met cultuurhistorische waarden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0037.png"

itsnede van 'Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeenten Weert en Nederweert

Op basis van de kaart wordt duidelijk dat er in het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. De huidige bebouwing is niet aangemerkt als een rijks- of gemeentelijk monument en heeft verder geen cultuurhistorische waarde. Ook maakt de bebouwing geen onderdeel uit van een (gemeentelijk) stads- en/of dorpsgezicht.

Op basis van de kaart valt op dat zich langs de Kerkstraat en de Kruisstraat meerdere monumentale gebouwen staan. De Kerkstraat zelf is daarnaast ook aangewezen als een gemeentelijk beschermd stadsgezicht. Het planvoornemen heeft gezien de afstand tot deze wegen en de tussenliggende bebouwing echter geen negatief effect op deze cultuurhistorische elementen.

Op het achterterrein waar de parkeerplaats gerealiseerd wordt bevinden zich ook geen beeldbepaalde bomen volgens de bomenkaart van de gemeente Weert. De platanen langs de Sint Jozefslaan zijn wel als zodanig gekenmerkt. Met de realisatie het planvoornemen komen geen monumentale bomen te verdwijnen. De nieuwe woongebouwen worden in (nagenoeg) dezelfde voorgevelrooilijn gesitueerd zodat van aantasting geen sprake zal zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0038.png"

Uitsnede kaart Groen Weert

5.11.3.3 Conclusie Cultuurhistorie

Uit bovenstaande toetsing is gebleken dat het cultureel erfgoed niet wordt aangetast en geen belemmeringen oplevert voor de wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Weert. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.11.4 Conclusie

De aspecten 'Archeologie' en 'Cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor het planvoornemen.

5.12 Natuur

5.12.1 Algemeen

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

5.12.2 Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren:

  • Óf er soorten aanwezig zijn;
  • En indien aanwezig, welke soorten dat zijn.

Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

Toetsing

De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. Deze definitie zorgt ervoor dat voor het uitvoeren van een activiteit gecontroleerd moet worden of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit:

'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'.

Omdat het terrein voor de realisatie voor de nieuwe woongebouwen dient te worden opgeschoond, zijn mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten te verwachten. In dit geval is er sprake van een flora- en fauna-activiteit.

Doordat er sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient er ecologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Hiermee wordt helder of er, en zo ja welke, beschermde soorten op het terrein aanwezig zijn of het terrein gebruiken. Afhankelijk van de effecten van het plan op de flora en fauna kan het nodig zijn dat compenserende maatregelen worden genomen of dat het plan moet worden aangepast.

5.12.2.1 Onderzoek
5.12.2.1.1 Quickscan Flora en Fauna

In verband met de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden is door Aelmans Milieu een Quickscan flora en fauna (rapportnr. AMO240305; d.d. 28 februari (10 september) 2025; Bijlage 9) met betrekking tot het voorkomen van beschermde flora en fauna uitgevoerd. De belangrijkste conclusies en aanbevelingen op basis van de Quickscan flora en fauna zijn in deze paragraaf opgenomen.

De quickscan heeft tot doel vast te stellen of de beoogde ingrepen van invloed kunnen zijn op beschermde soorten en beschermde gebieden. In de quickscan wordt de (mogelijke) aanwezigheid beschreven van artikel 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gespecificeerde soorten.

Op basis van de resultaten van de uitgevoerde quickscan kan niet worden uitgesloten dat de beoogde activiteiten een negatieve invloed zullen hebben op beschermde soorten vanuit de Omgevingswet en het Bal. In onderstaande tabel is vermeld op welke manier het plangebied gebruikt wordt door beschermde flora en fauna.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0039.png"

Tabel Toetsing van de effecten van de werkzaamheden op (potentiele) aanwezige soorten

Conclusie

Om vast te stellen of de beoogde sloopactiviteit een negatief effect heeft dient een nader en soort specifiek onderzoek te worden uitgevoerd naar gebouwbewonende vleermuizen. Indien ook bomen gekapt worden dient een nader onderzoek naar boombewonende vleermuizen uitgevoerd te worden.

Het vervolgonderzoek is door de gemeente Weert uitgevoerd op basis van overkoepelend ecologisch vleermuizen onderzoek. Dit onderzoek is uitgevoerd volgens een ander protocol dan gebruikelijk voor object-gebonden onderzoek. Hieronder is het overkoepelende onderzoek nader toegelicht.

5.12.2.1.2 Overkoepelend ecologisch vleermuizenonderzoek Keent en Moesel

Op verzoek van de Gemeente Weert is een nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen (rapportnr. rap02pr240321; d.d 16 januari 2025; Bijlage 10) uitgevoerd in de wijken Keent en Moesel van de Gemeente Weert. De doelstelling voor het nader onderzoek is geformuleerd in onderstaande onderzoeksvragen:

  • 1. Maken vleermuizen gebruik van deze wijken?
  • 2. Welke functie heeft het plangebied voor de aangetroffen vleermuissoort(en)?

Voor het onderzoek zijn de wijken onderverdeeld in 7 deelgebieden. Het plangebied aan de St. Jozefslaan behoort tot deelgebieden 2 en 6. De resultaten die betrekking hebben op de plangebieden zijn hieronder weergeven.

Sint Jozefslaan 39   Massa winterverblijfplaats  
Sint Jozefslaan 27   Massa winterverblijfplaats  
Sint Jozefslaan 105   Kraamvervlijfplaats  
Sint Jozefslaan 71   Paarverblijfplaats  
Sint Jozefslaan 211-235   Paarvervlijfplaats  
Sint Jozefslaan 95   Zomerverblijfplaats  
Sint Jozefslaan 287-243   Zomerverblijfplaats  

Aangetroffen verblijfplaatsen

Conclusie

Binnen het plangebied zijn diverse verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes van gewone dwergvleermuizen en laatvliegers aangetroffen. Hiervoor kunnen ruimtelijke ingrepen een negatief effect op de vleermuispopulatie hebben.

Voor de locaties waar verblijfplaatsen zijn aangetoond dient een mitigatie-/ compensatieplan opgesteld te worden welke toegevoegd moet worden aan de aanvraag vergunning flora en fauna activiteit voor de Omgevingswet.

5.12.2.2 Conclusie

Uiteindelijk zal er voor de beoogde ruimtelijke ingrepen een mitigatie- en compensatieplan worden opgesteld en een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit worden aangevraagd. Tevens is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen voor het slopen van de woongebouwen. Hiermee zullen de beschermde vleermuizen adequaat worden beschermd.

Gelet op het bovenstaande is het aspect 'soortenbescherming' voldoende onderbouwd voor de TAM-omgevingsplanprocedure en gewaarborgd. Voor de wijziging van het omgevingsplan vormt het aspect 'soortenbescherming' dan ook geen belemmering.

5.12.3 Gebiedsbescherming

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden. (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.

5.12.3.1 Natura2000

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden.

Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een 'Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving).

Toetsing ligging t.o.v. Natura 2000

In de nabijheid van het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Weerter- en Budelerbergen & Ringselven op circa 4 kilomeer in noordelijke richting. Een tweede onderdeel van de Weerter- en Budelerbergen & Ringselven op ligt circa 4,3 kilometer in westelijke richting. Op circa 5,7 kilometer ten oosten van het plangebied ligt Natura2000-gebied de Sarsven en De Banen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0040.png"

Globale ligging van het plangebied ten opzichte van de nabijgelegen Natura2000-gebieden

Op basis van bovenstaande weergave, wordt duidelijk dat het planvoornemen niet gelegen is binnen Natura 2000-gebieden en er uitsluitend sprake is van een mogelijke externe werking. Gezien de aard van het planvoornemen en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is geen sprake van verstoring door licht, trilling of verstoring door mechanische effecten.

Tijdens de sloop- en aanlegfase, bij het realiseren van de nieuwbouw, kunnen hogere stikstofemissies in vergelijking met de huidige situatie ontstaan. Om significante effecten op omliggende Natura 2000-gebieden tijdens de aanleg- en gebruiksfase door het planvoornemen te bepalen, is een stikstofberekening (AERIUS) noodzakelijk. Deze stikstofnotitie is als Bijlage 11 toegevoegd aan deze motivering.

5.12.3.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones.

In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie. In Limburg is de aanduiding Natuurnetwerk Limburg.

Toetsing ligging t.o.v. Natuurnetwerk Limburg

Het dichtstbijzijde natuurgebied dat onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Limburg is gelegen op circa 1,6 kilometer ten oosten van het plangebied. Ook op 1,7 kilometer ten westen en op 2 kilometer ten zuidwesten van het plangebied bevinden zich onderdelen van Natuurnetwerk Limburg. De kortste afstand tot natuurgebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland bedraagt echter 1,6 kilometer.

Het plangebied maakt hiermee geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Door het planvoornemen zal daarom geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren gaan.

Vanuit het NNN zijn er geen externe effecten te verwachten. Gezien de lokale aard en beperkte omvang van de ingreep, evenals de huidige situatie en afstand, zijn negatieve effecten op NNN-gebieden niet te verwachten. Een nadere toetsing is aangezien enkel sprake is van Natuurnetwerk Nederland dan ook niet nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0988.TAMStJozefslnoost-ON01_0041.png"

Uitsnede Atlas Leefomgeving met de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Limburg

5.12.3.3 Stikstof

Voor voorliggende ruimtelijke motivering is door Pouderoyen Tonnaer een stikstofnotitie (projectnummer TON240100; d.d 3 maart 2025; Bijlage 11 ) opgesteld. De resultaten hiervan zijn hieronder weergegeven.

Uit de Aerius berekeningen blijkt dat er zowel voor de realisatiefase als de gebruiksfase geen overschrijding is van de 0,00 mol/ha/jaar grenswaarde. Het planvoornemen leidt derhalve niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden. Significant nadelige effecten ten aanzien van de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 gebieden kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. Voor het planvoornemen is daarom geen vergunning voor een Natura 2000 activiteit vereist.

5.12.3.4 Houtopstanden

Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen rijksregels. In het omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden niet die in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. Voorheen waren deze regels gesteld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten. Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op 'bosbouwkundig verantwoorde wijze'. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen (zie Stb. 2021, nr. 22, p. 157 en 158).

Toetsing

Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Weert. Houtopstanden zijn zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend die een oppervlakte van 10 are of meer hebben, of meer dan 20 bomen (in rijbeplantingen) omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen.

Op basis van de definitie zijn er in het plangebied geen houtopstanden aanwezig. De platanen langs de Sint Jozefslaan kunnen wel als houtopstand worden gezien. De rijbeplanting langs de Sint Jozefslaan zal echter gehandhaafd blijven.

Om het effect van het planvoornemen op de plantanen langs de Sint Jozefslaan en de bomen aan de achterzijde van de woongebouwen te beoordelen is er een boomeffectanalyse uitgevoerd (Bijlage 12). Op basis van boomeffectanalyse worden geen negatieve effecten op behoudenswaardige bomen verwacht. De op basis van de boom-effect-analyse getrokken conclusies en gedane aanbevelingen worden hieronder weergegeven.

Op basis van de boom-effect-analyse wordt het volgende geconcludeerd. De lindebomen op de scheiding, de aanwezige kastanjebomen (voorlopig) en de Sorbus worden gehandhaafd. De lindebomen boven de toekomstige parkeerplaatsen worden gerooid. Zieke kastanjebomen dienen regelmatig beoordeeld te worden op stabiliteit en vitaliteit. Daarnaast wordt aanbevolen aanvullend onderzoek te doen naar luizenbeheersing bij de lindebomen.

Het plangebied heeft in de huidige situatie reeds een groene uitstraling. Verwacht wordt dat het plangebied het groene karakter zullen behouden doordat de nieuwe woongebouwen qua footprint ook in het groen geplaatst worden. Daarnaast wordt dit in het deelgebied Noord zelfs versterkt door het schuin weglopen van de woongebouwen zodat hier aan de voorzijde meer sprake is van groen. Het aan te planten groen heeft naast een positief effect op de uitstraling van het plan ook een positief effect op het klimaat en de biodiversiteit.

Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect 'Houtopstanden' geen belemmering vormt voor het planvoornemen en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12.3.5 Conclusie

Gelet op het bovenstaande is het aspect 'gebiedsbescherming' voldoende onderbouwd voor de TAM-omgevingsplanprocedure en gewaarborgd.

5.13 Milieueffectrapportage

5.13.1 Wettelijk kader

Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling mer-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de m.e.r.-procedure is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachtte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de m.e.r. Op deze manier vormt de mer een hulpmiddel voor de besluitvorming.

Een omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34).

De motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit:

  • a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en
  • b. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt:
  • 1. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en
  • 2. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.
5.13.2 Toetsing

Het omgevingsplan is kaderstellend voor een project dat genoemd is in Bijlage V Omgevingsbesluit categorie J11 Stedelijk ontwikkelingsproject. Omdat het een kaderstellend omgevingplan betreft is het omgevingsplan 'plan-mer-beoordelingsplichtig'. In dat kader is op basis van voorgaande paragrafen aan de hand van de aspecten met betrekking tot fysieke leefomgeving en milieu de mogelijke milieueffecten als gevolg van de herstructuring en herbouw van 8 woongebouwen aan de de Sint Jozefslaan oost inzichtelijk gemaakt.

In onderstaande tabel zijn de conclusies per aspect weergegeven waarbij aangegeven is of een significant effect kan worden uitgesloten.

Verkeer en parkeren   Verkeer: Aangezien in de bestaande situatie reeds sprake is van 102 woningen, is de toename van de verkeersgeneratie op basis van de maximaal 48 extra woningen beperkt.
In het mobiliteitsplan staat dat voor een 50 km/h zone maximaal 6.000 voertuigen toelaatbaar zijn. Voor de Sint Jozefslaan is in eerder onderzoek uitgegaan van 3.252 verkeersbewegingen. Uitgaande van een toename van 245 (worst case), bedraagt de toekomstige verkeersintensiteit op de Sint Jozefslaan 3.497 verkeersbewegingen. Door de realisatie van het planvoornemen zal het maximaal toelaatbare aantal van 6.000 voertuigen dus niet worden overschreden, waardoor de wegen ook in toekomst in staat het verkeer te verwerken.
De capaciteit van de Sint Jozefslaan is hiermee als hoofdgebiedsontsluitingsweg toereikend om deze beperkte extra verkeerscapaciteit op te vangen.
Parkeren: Op basis van de gemeentelijke parkeernormen wordt voldaan aan het benodigde aantal parkeerplaatsen voor de bewoners. Doordat in toekomst hoofdzakelijk bezoekers langs de Sint Jozefslaan parkeren, zal de parkeerdruk langs de Sint Jozefslaan duidelijk afnemen.  
Bodem   Het verkennend bodemonderzoek toont aan dat er geen belemmeringen zijn voor de geplande woningbouw en het voortzetten van het gebruik van het plangebied als woongebied.  
Geluid   Op basis van de uitgevoerde akoestische onderzoeken kan geconcludeerd worden dat het aspect 'Geluid' geen belemmering voor het planvoornemen vormt en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Wel wordt een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevel vereist voor de uiteindelijke omgevingsvergunning. In de regels wordt geborgd dat bij de aanvraag omgevingsvergunning een gevelweringsonderzoek wordt vereist. In het Omgevingsplan moet daarnaast het gezamenlijk geluid worden vastgelegd voor de gevels waar een overschrijding van de standaardwaarde plaatsvindt. Deze gevels dienen als dove gevels te worden gerealiseerd. Ook dient de afscherming van het parkeergeluid in de vorm van een scherm met een hoogte van 2 meter, op de perceelsgrens aan de achterzijde, in de regels te worden geborgd.  
Bedrijven en milieuzonering   De omliggende (milieubelastende) functies en bedrijven vormen geen belemmering voor het planvoornemen, aangezien zij op voldoende afstand liggen om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Ook andersom belemmert het planvoornemen deze functies niet, omdat er al woningen op kortere afstand van de betreffende voorzieningen en bedrijven aanwezig zijn.  
Luchtkwaliteit   Het planvoornemen blijft ruim onder de grens van 1.500 woningen, waardoor de NIBM-regeling van toepassing is. Hierdoor draagt het planvoornemen niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. De gemeente Weert ligt niet in de aandachtsgebieden zoals opgenomen in het Bkl. Daarnaast omvat het planvoornemen ten behoeve van woningen geen milieubelastende activiteiten. Een onderzoek naar de luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk. Hiermee is voldoende invulling gegeven aan de motiveringsplicht voor het aspect ‘Luchtkwaliteit’ op basis van het Bkl en sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.  
Gezondheid   Met betrekking tot het aspect gezondheid is aandacht besteed aan endotoxine, hoogspanningsverbindingen, geitenhouderijen, gewasbeschermingsmiddelen en de wijze waarop het planvoornemen positieve bijdrage levert aan de gezondheid. Op basis van de beschouwing wordt geconcludeerd dat het aspect 'Gezondheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.  
Externe veiligheid   Er zijn geen objecten of transportroutes in het plangebied die omgevingsveiligheidstechnisch nader onderzocht hoeven te worden. Het gebied valt niet binnen risicovolle zones, en het gifwolkaandachtsgebied vormt geen belemmering. Op basis van de bevindingen en het advies van de veiligheidsregio levert omgevingsveiligheid geen belemmeringen op voor de voorgestelde wijziging van het omgevingsplan.  
Waterhuishouding en watertoets   Door de volledige afkoppeling van hemelwater wordt het rioolstelsel ontlast. Het hemelwater wordt opgevangen binnen het plangebied en geïnfiltreerd in de bodem. Hiervoor worden voorzieningen met voldoende capaciteit aangelegd, conform de bergingseis van 100 mm van het waterschap. Hiermee is sprake van een waterhuishoudkundige verbetering ten opzichte van de huidige situatie.  
Duurzaamheid en klimaat   Duurzaamheid: De toekomstige woningen worden bijna energieneutraal (BENG) gerealiseerd, onder meer met zonneboilers, warmtepompen en zonnepanelen. Daarnaast is er aandacht voor waterberging en duurzaam materiaalgebruik, waarmee wordt bijgedragen aan de energietransitie.
Klimaat: Voor het plangebied bestaan geen klimaatrisico’s op basis van hittestress, water op het maaiveld door extreme buien of droogte. De kans op overstroming vanuit een rivier, meer of zee is vanwege de hoogteligging verwaarloosbaar. Ten aanzien van het planvoornemen worden geen negatieve effecten verwacht met betrekking tot klimaatverandering.  
Archeologie en cultuurhistorie   Archeologie: Op grond van de resultaten van het archeologisch onderzoek wordt voor bodemingrepen ter plaatse van de onbebouwde gronden dieper dan 40 cm een proefsleuvenonderzoek geadviseerd. Door de beschermende regeling ten aanzien van archeologie in de regels te behouden zijn mogelijke archeologische resten in voldoende mate beschermd.
Cultuurhistorie: Op basis van cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat het plangebied geen cultuurhistorische waarden bevat. De huidige bebouwing is geen rijks- of gemeentelijk monument en maakt geen deel uit van een stads- of dorpsgezicht. Het plan heeft vanwege de afstand en tussenliggende bebouwing geen negatief effect op de monumentale gebouwen langs de Kerkstraat en Kruisstraat.
De platanen langs de Sint Jozefslaan worden gekenmerkt als beeldbepalende bomen. Met het planvoornemen verdwijnen echter geen monumentale bomen en de nieuwe woongebouwen komen vrijwel op dezelfde voorgevelrooilijn, waardoor geen aantasting optreedt.  
Natuur   Op basis van de quickscan kan een negatieve invloed op beschermde soorten volgens de Omgevingswet en het Bal niet worden uitgesloten. Behalve vleermuizen worden geen beschermde soorten bedreigd. Voor de ruimtelijke ingrepen wordt een mitigatie- en compensatieplan opgesteld en een omgevingsvergunning flora- en fauna aangevraagd, waarmee de bescherming van vleermuizen en andere soorten wordt gewaarborgd. Dit is tevens met een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd.
Op basis van de beoordeling kunnen negateive effecten Natura2000, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Stikstof en Houtopstanden worden uitgesloten. De aspecten 'soortenbescherming' en 'gebiedsbescherming' zijn voldoende onderbouwd en gewaarborgd.  
Stikstof   Uit de Aerius-berekeningen blijkt dat zowel tijdens de realisatie- als gebruiksfase de grenswaarde van 0,00 mol/ha/jaar niet wordt overschreden. Het plan veroorzaakt daardoor geen toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Significant nadelige effecten op de instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten, waardoor geen vergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig is.  
5.13.3 Conclusie

Zoals uit voorgaande paragrafen ten aanzien van de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving en milieu blijkt geven de kenmerken van het beoogde planvoornemen, de locatie van het beoogde planvoornemen en potentiële effecten van het beoogde planvoornemen geen aanleiding aan te nemen dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Het betreft enkel de sloop en herbouw van acht woongebouwen op nagenoeg dezelfde plek. Doordat er geen nadelige effecten te verwachten zijn is het opstellen van een milieueffectrapport dan ook niet noodzakelijk of zinvol.

Hoofdstuk 6 Juridisch kader TAM-omgevingsplan

6.1 Algemeen

Sinds 1 januari 2024 heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege (hierna: omgevingsplan). In de fase direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestaande uit:

  • Voormalige bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkingsplannen, wijzigingsplannen & exploitatieplannen (in geval van onderhavig TAM-omgevingsplan: Hoofdstuk 22d Sint Jozefslaan oost;
  • Lokale verordeningen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (indien aanwezig: Erfgoedverordening, Geurverordening en/of Verordening afvoer van hemelwater);
  • Bruidsschat (thans hoofdstuk 22 van het gemeentelijk omgevingsplan);
  • Bijzondere ruimtelijke besluiten (zie artikel 4.6 Invoeringswet).

Vanaf 1 januari 2024 worden geen nieuwe ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen meer in procedure gebracht, maar wordt waar nodig het omgevingsplan gewijzigd. Via het Omgevingsloket (regels op de kaart) is op termijn daarom nog maar één, geconsolideerd omgevingsplan te vinden, waarin alle wijzigingen integraal zijn verwerkt. Uiterlijk 2032 moet het gebiedsdekken gemeentelijk omgevingsplan 'nieuwe stijl' gereed zijn.

6.2 Planmethodiek

Publicatie van een wijziging van het omgevingsplan moet plaatsvinden volgens de standaard STOP en de wijziging dient om raadpleegbaar te zijn via het Omgevingsloket te voldoen aan het Toepassingsprofiel omgevingsplan (TPOD-omgevingsplan). Indien een gemeente technisch nog niet in staat is het omgevingsplan te wijzigen volgens STOP/TPOD kan gebruik worden gemaakt van een Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) die kort gezegd inhoudt dat bij de wijziging van het omgevingsplan gebruik mag worden gemaakt van de IMRO-standaard, die voorheen werd gebruikt voor het opstellen en publiceren van bestemmingsplannen. Deze TAM wordt in de praktijk kortweg aangeduid als TAM-IMRO. Een gemeente mag er overigens ook om andere redenen dan technische redenen voor kiezen om TAM-IMRO toe te passen, bijvoorbeeld in verband met een urgente gebiedsontwikkeling. Deze wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Weert is opgesteld op basis van TAM-IMRO.

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de sloop en herbouw van acht woongebouwen aan de Sint Jozefslaan ten behoeve van de herstructurering en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (Hoofdstuk 22d) van het omgevingsplan gemeente Weert. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekendgemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

Dit TAM-omgevingsplan is gebaseerd op de Werkafspraak TAM-omgevingsplan van Geonovum, de bijbehorende technische handreiking en de Bijsluiter TAM-IMRO omgevingsplan van de VNG. Dat houdt in het kort het volgende in:

  • Dit TAM-omgevingsplan wordt als één hoofdstuk toegevoegd aan het omgevingsplan, tussen hoofdstuk 22 en hoofdstuk 23, in dit geval hoofdstuk 22d.
  • Aangezien het omgevingsplan zoals dat raadpleegbaar is via het Omgevingsloket technisch alleen inhoudelijk kan worden gewijzigd volgens STOP/TPOD, vindt die toevoeging fictief plaats door een TAM-omgevingsplan op te stellen volgens de IMRO-standaard (plantype bestemmingsplan) en dat als zodanig te publiceren via ruimtelijkeplannen.nl, waarna het plan via de zogenoemde overbruggingsfunctie alsnog in het Omgevingsloket zichtbaar wordt. De plannaam maakt duidelijk dat sprake is van een TAM-omgevingsplan, waarbij ook het beoogde hoofdstuknummer in de plannaam terugkomt. In dit geval is dat 22d.
  • De regels binnen een hoofdstuk van een omgevingsplan kunnen worden ondergebracht in paragrafen en subparagrafen. IMRO kent geen paragrafen en subparagrafen binnen een hoofdstuk en de nummering van hoofdstukken begint binnen IMRO altijd bij 1. Gelet op het voorgaande is daarom een zogenoemde preambule nodig die onder meer toelicht dat het gehele IMRO-plan moet worden gezien als hoofdstuk 22d van het omgevingsplan en dat de daarin opgenomen hoofdstukken daarom moeten worden gelezen als paragrafen.
  • Voor de aanduiding van locaties in de regels c.q. het koppelen van regels aan een locatie wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die IMRO biedt en de beperkingen die daaruit voortvloeien. Denk aan het gebruik van hoofdgroepen van bestemmingen, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen, functieaanduidingen en maatvoeringsaanduidingen,
  • Een TAM-omgevingsplan kan niet worden voorzien van annotaties.
  • Voor deze motivering wordt conform de eerder genoemde werkafspraak gebruik gemaakt van het objecttype 'toelichting' en is daarom onder dat kopje terug te vinden in het omgevingsloket.
  • De zogenoemde 'pons' die er kortgezegd voor zorgt dat (delen van) bestemmingsplannen die inmiddels zijn 'overschreven' door een nieuw deel van het omgevingsplan niet meer worden getoond in het omgevingsloket werkt niet voor TAM-omgevingsplanen. Daarom is het noodzakelijk door middel van voorrangsregels duidelijk vast te leggen of, en zo ja welke delen van een bestemmingsplan (als onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan) komen te vervallen bij de inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan.

Voor dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) geldt:

  • Hoofdstukken moeten worden gezien en gelezen als paragrafen van Hoofdstuk 22d van het omgevingsplan gemeente Weert. Hoofdstuk 1 moet worden gezien en gelezen als paragraaf 22d.1, hoofdstuk 2 als paragraaf 22d.2, etc.
  • Voor de in dit deel opgenomen artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct vóór het artikelnummer '22d' worden gelezen. Artikel 1 moet dus worden gezien en gelezen als artikel 22d.1, artikel 2 als artikel 22d.2, etc.
  • Voor de in dit deel opgenomen bijlage bij de regels moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct vóór het nummer 1 '22d' worden gelezen. Bijlage 1 bij de regels van het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet daarom worden gezien en gelezen als Bijlage 22d.1.

6.3 Regels

In de regels worden net als voorheen bij een wijziging van een bestemmingsplan vier hoofdstukken onderscheiden, namelijk:

  • algemene bepalingen;
  • functies en activiteiten;
  • algemene regels;
  • overgangsrecht.
6.3.1 Algemene bepalingen

Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Weert. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling ter plaatse van het van het plangebied (deelgebied Noord en Zuid) ter plaatse van de Sint Jozefslaan (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor de herontwikkeling van het plangebied (sloop en herbouw woongebouwen). Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over de het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen.

6.3.2 Functies en activiteiten

Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming' op basis van IMRO. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig TAM-omgevingsplan voor de herontwikkeling van het plangebied (sloop en herbouw woongebouwen) is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan Weert (bestemmingsplan 'Woongebieden 2019'). Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet op basis van de transponeertabel TAM-IMRO.

6.3.3 Algemene regels

Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene beoordelings- en functieregels in die gelden voor het gehele plangebied (deelgebied Noord en Zuid)

6.3.4 Overgangsrecht

In TAM-omgevingsplannen hoeven geen bepalingen te worden opgenomen voor het overgangsrecht. Echter, in onderhavig TAM-omgevingsplan worden bestaande woongebouwen wegbestemd, waarvoor nieuwe woongebouwen in de plaats komen. Daarom zijn er overgangsrechtelijke bepalingen opgenomen, zodat de bestaande functies mogen worden voortgezet zolang de nieuwe ontwikkeling nog niet is gerealiseerd.

6.3.5 Bijlagen bij de regels

Conform kernvereiste 1 wordt er zo min mogelijk gebruik gemaakt van bijlagen bij regels, om het plan zo overzichtelijk mogelijk te houden. Voor dit plan zijn dan ook geen bijlagen bij de regels opgenomen.

6.3.6 Artikelgewijze toelichting

Begripsbepalingen ( Artikel 1 )

In dit artikel worden de begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling van toepassing verklaard op dit TAM-omgevingsplan.

Aanvullende begripsbepalingen (Artikel 2)

In dit artikel zijn aanvullende begrippen opgenomen. Hierin worden omschrijvingen gegeven van de in het TAM-omgevingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP2012 omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen.

Toepassingsbereik ( Artikel 3 )

In artikel 3 is het toepassingsbereik van dit TAM-omgevingsplan aangegeven, waarbij de koppeling is gelegd tussen de regels en de locatie c.q. plangebied met de geometrische bepaalde planobjecten.

Meet- en rekenbepalingen ( Artikel 4 )

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de meet- en rekenbepalingen in artikel 4 uitleg gegeven over hoe gemeten moet worden. Ten aanzien van de manier waarop gemeten moet worden op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Aanvraagvereisten ( Artikel 5 )

In dit artikel zijn de aanvraagvereisten uit de bruidsschat van toepassing verklaard voor een omgevingsvergunning die vereist is op grond van dit TAM-omgevingsplan.

Algemeen gebruiksverbod ( Artikel 6 )

Dit artikel bevat een algemeen gebruiksverbod dat bepaald dat het in algemene zin verboden is om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Anti-dubbeltelregel ( Artikel 7 )

Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens het TAM-omgevingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering.

Waarde - Archeologie ( Artikel 8 )

De als zodanig aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede aangewezen voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.

Uit archeologisch onderzoek (bureau- en verkennend booronderzoek) is gebleken dat de archeologische waarden nader onderzocht dient te worden door middel van een proefsleuvenonderzoek indien bodemingrepen dieper dan 40 cm plaatsvinden. Derhalve zijn in dit TAM-omgevingsplan beschermingsregels ten aanzien van archeologie opgenomen.

Wonen (Artikel 9)

De functie 'Wonen' is primair gericht op wonen met de daarbij behorende voorzieningen zoals:

  • in- en uitritten;
  • ontsluitingswegen;
  • paden en verhardingen;
  • parkeervoorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein';
  • groenvoorzieningen;
  • tuinen en erven;
  • nutsvoorzieningen;
  • waterlopen, waterpartijen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Bebouwing ter plaatse van de functie 'Wonen' is alleen toegestaan ter plaatse van de aangeduide bouwvlakken en de daarin aangegeven maatvoering qua aantal wooneenheden, aantal bouwlagen en maximum goot-/bouwhoogte. De bouwvlakken voor de woongebouwen zijn middels een 'bouwstrook' ruim ingetekend om hiervoor nog de nodige flexibiliteit te bieden omdat nog niet exact bekend is waar de nieuwe woongebouwen precies gesitueerd worden en wat de exacte omvang van deze woongebouwen is. Hetzelfde geldt voor de maatvoeringsaanduiding van het aantal bouwlagen en goot-/bouwhoogte. Het aantal toegestane aantal woningen is wel per bouwvlak/-strook exact aangegeven.

Verder zijn nog voorwaardelijke verplichtingen opgenomen voor parkeren, waterberging, geluidbelasting gevels (afwijkend van standaardwaarde), geluidwering gevels, en een geluidscherm ter plaatse van het parkeerterrein (op de perceelsgrens aan de achterzijde). Dit om te waarborgen dat een en ander overeenkomstig wordt gerealiseerd.

Gezamenlijk geluid (Artikel 10)

In dit artikel is vastgelegd aan welke geluidwering de gevels op specifieke plekken moeten voldoen om om te voldoen aan de regels. Het betreffen beoordelingsregels in het kader van de vergunningaanvraag voor het bouwen.

Algemene beoordelingsregels (Artikel 11)

Voor het hele plangebied, en dus alle functies, gelden eveneens een aantal algemene beoordelingsregels. Deze zijn dus niet opgenomen in de afzonderlijke functies. Dit betreft de omgevingsvergunningplicht voor het overschrijden van de toegestane bouwhoogtes en grenzen van het bouwvlak met daarbij aangegeven onder welke voorwaarden dit wordt toegestaan.

Overige regels (Artikel 12)

In de overige regels zijn regels opgenomen voor de rangorde van regels

Overgangsrecht ( Artikel 13 )

In deze regels is het overgangsrecht opgenomen ten aanzien van bouwen en gebruik.

6.4 Verbeelding

De verbeelding die is opgesteld voor onderhavig TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding functies zijn te zien die als 'bestemmingen' zijn gedigitaliseerd, en dat specifieke c.q. aanvullende functies, indien aan de orde, als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt. Voor meer info, zie: https://docs.geostandaarden.nl/ro/HRTAMomplan/.

Hoofdstuk 7 Haalbaarheid

7.1 Participatie

7.1.1 Verplichte participatie

Met onderhavig TAM-omgevingsplan vindt een wijziging van het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan van rechtswege plaats. In dat kader moet dan in het vaststellingsbesluit staan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding betrokken zijn. En ook wat met de resultaten is gedaan. Dit staat in artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit.

Wie bij de vroegtijdige participatie betrokken moet worden, hangt af van het type omgevingsplanwijziging, de aard, de omvang en de invloed op de fysieke leefomgeving voor belanghebbenden.

De verplichting om een wijziging van het omgevingsplan voor te bereiden met participatie geldt voor het bevoegd gezag, zijnde de gemeente Weert zelf in samenspraak met de initiatiefnemer.

7.1.2 Participatie met de omgeving

In het kader van participatie met de omgeving is op 5 juni 2025 een inloopbijeenkomst gehouden. Hiervoor zijn ruim 300 omwonenden, wijkraden Keent en Moesel, Stichting huurdersbelangen Midden-Limburg en raadsleden uitgenodigd. Tijdens deze bijeenkomst zijn de eerste ideeën gepresenteerd, is de achtergrond toegelicht en konden aanwezigen vragen stellen.

Met de bewoners nabij twee specifieke plandelen heeft nader overleg plaats gevonden. De gevoeligheid ligt met name bij de hoogte van de gebouwen en het parkeren op het achterterrein met als gevolg inkijk, minder licht en meer geluid.

Het planvoornemen is naar aanleiding van de inbreng aangepast. De galerij van het blok op de hoek met de Victor de Stuersstraat is vervallen. In het zuidelijk deel is het deel met 6 bouwlagen teruggebracht naar maximaal 4 bouwlagen. Om dit verlies te compenseren is een deel van een bouwblok aan de noordzijde van het zuidelijke plangebied met 3 bouwlagen verhoogd naar 4 bouwlagen.

Naar aanleiding van deze inloopbijeenkomst en nadere overleggen is het stedenbouwkundig plan nader uitgewerkt en waar mogelijk op de wensen van de omgeving afgestemd. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in en definitief stedenbouwkundig plan dat als basis en uitgangspunt heeft gediend voor onderhavig TAM-omgevingsplan.

Een verslag van de inloopbijeenkomst is toegevoegd als Bijlage 13 bij deze motivering.

7.1.3 Afstemming met de provincie Limburg

Naast de participatie zoals benoemd in voorgaande paragraaf 7.1.2 heeft er ook nadere afstemming met de provincie Limburg plaatsgevonden over de herinrichting van het plangebied bestaande uit de sloop van acht verouderde woongebouwen en realisatie van acht nieuwe moderne woongebouwen. In het kader van deze afstemming heeft de provincie Limburg per mail d.d. 9 mei 2025 aangegeven dat het plan akkoord is bevonden.

Het plan aan de Sint Jozefslaan oost voorziet in woningen voor een brede doelgroep in een stedelijke context. Het is daarmee akkoord bevonden. De provincie geeft het advies mee om voldoende aandacht te besteden aan klimaatadaptatie gezien de toegename van de oppervlakte verhard oppervlak.

7.2 Financiële haalbaarheid

7.2.1 Algemeen

In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, wat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is ('niet evident onuitvoerbaar'). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.

7.2.2 Kostenverhaal

Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.

Tussen de gemeente Weert en Wonen Limburg is ten behoeve van onderhavig planvoornemen een anterieure overeenkomst gesloten. Hiermee zijn de kosten in voldoende mate verzekerd.

7.2.3 Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen:

  • Die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of
  • Die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.

De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn:

  • Het (gemeentelijk) omgevingsplan (opvolger van onder meer het bestemmingsplan),
  • Een omgevingsvergunning,
  • Een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en
  • Rechtsreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap.

Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet:

  • Het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of
  • Het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting.
  • De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren.

Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen.

Eventuele nadeelcompensatie, voor zover aan de orde, komt voor rekening van Wonen Limburg. Dit is als zodanig opgenomen in de anterieure overeenkomst.

7.3 Maatschappelijke haalbaarheid

Het planvoornemen voorziet in de herinrichting van het plangebied. Hiermee worden acht verouderde woongebouwen vervangen door acht nieuwe moderne woongebouwen met woningen die voldoen aan de eisen en wensen van deze tijd. Daarnaast worden maximaal 48 woningen toegevoegd. In totaal gaat het om maximaal 150 woningen (90 sociale huur en 60 middenhuursegment en/of betaalbare woningen). Hiermee wordt voorzien in een concrete behoefte voor starters, 1-2 persoonshuishouden en/of senioren nabij voorzieningen en het station. Daarnaast wordt hiermee de woningvoorraad gemoderniseerd en tevens invulling gegeven aan de gemaakte woningbouwafspraken in het kader van de Woondeal.

Het TAM-omgevingsplan wordt conform de gebruikelijk procedure (afdeling 3.4 Awb) gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode van ter inzage legging kunnen bewoners, bedrijven, wijkraden en andere geïnteresseerden of belanghebbenden reageren op het plan. In dezelfde periode is ook overleg gevoerd met andere overheden en ketenpartners over het planvoornemen. De resultaten van de ter inzage legging kunnen leiden tot aanpassingen, verbeteringen of wijzigingen bij de vaststelling van het TAM-omgevingsplan.

In voorbereiding op dit TAM-omgevingsplan hebben burgemeester en wethouders gelet op artikel 16.29 van de Omgevingswet en artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit op 20 augustus 2025 bekend gemaakt dat een wijziging van het omgevingsplan wordt voorbereid voor de onderhavige locatie.