| Plan: | Hoofdstuk 22a - Rucphenseweg 51 Klein Zundert |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0879.TAMOPH22a-VS01 |
Dit TAM-IMRO Omgevingsplan voorziet in de planologische basis voor de realisatie van een toekomstbestendig en vitaal recreatiepark ter plaatse van een bestaande camping aan de Rucphenseweg tussen de kernen Rucphen en Zundert.
Het initiatief past niet binnen het van rechtswege vigerende Omgevingsplan van de gemeente Zundert. De gemeente is bereid medewerking te verlenen aan het initiatief door middel van een wijziging van het Omgevingsplan door middel van een TAM-IMRO Omgevingsplan voor dit plangebied.
Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie van het plangebied weer.
TOPOGRAFISCHE SITUATIE
Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer, waarbij de plangrens van het plangebied is ingetekend.
KADASTRALE SITUATIE
De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Zundert, sectie U, nummer 59 en zijn particulier in eigendom. De oppervlakte van het plangebied bedraagt 82.595 m².
Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de omgevingsplanwijziging die deze ontwikkeling mogelijk maakt.
In hoofdstuk 1 wordt ingegaan op de aanleiding en doel van het initiatief.
Hoofdstuk 2 bevat een omschrijving van de huidige situatie,
In hoofdstuk 3 wordt de toekomstige situatie omschreven. In hoofdstuk 4 wordt de wijze van participatie door de omgeving beschreven.
In hoofdstuk 5 wordt het plan getoetst aan het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in diverse omgevingsaspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 7 komt de juridische opzet aan bod. In hoofdstuk 8 komen de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Dit hoofdstuk beschrijft de ligging en de ruimtelijk-functionele structuur van het plangebied.
De bestaande camping 'Camping Internationaal Priem' is gelegen aan de zuidwestzijde van de Rucphenseweg tussen de kernen Rucphen en Zundert. In de naaste omgeving bevinden zich onder meer de natuurgebieden van de Oude Buissche Heide, De Moeren met aansluiting op de Pannenhoef, Lange Maten en Hazemeren. Op relatief korte afstand ligt het natuurgebied Rucphense Bosschen en op grotere afstand de Kalmthoutse Heide. De camping is in feite omgeven door natuurgebieden en kan daarmee van bijzondere betekenis zijn voor recreanten. In de directe nabijheid ligt de Abdij Maria Toevlucht. De gronden van de camping sluiten aan de zuidwestzijde aan op eigendommen van Landgoed De Moeren. Nabij het terrein liggen enkele woningen en een agrarisch bedrijf alsmede het terrein van Du Bois Sierbestrating en Tuintechniek.
LIGGING EN DIRECTE OMGEVING PLANGEBIED
Met voorliggend plan blijft de bestaande ruimtelijk-functionele structuur van het plangebied in
hoofdlijnen ongewijzigd. De bestaande camping wordt volledig getransformeerd binnen de huidige begrenzing van het plangebied. Het plan beoogt een opwaardering van de huidige verblijfsrecreatie naar hoogwaardig kwalitatieve duurzame verblijfsrecreatie.
Aangezien het hier dus geen nieuwe ontwikkeling maar een transformatie betreft wordt in dit plan in de diverse paragrafen volstaan met een beknopte onderbouwing met inachtneming van de lagenbenadering.
In de huidige situatie heeft het plangebied reeds een recreatieve bestemming. Ter plaatse van het plangebied is 'Camping Internationaal Priem' gelegen. De camping is momenteel voorzien van 150 vaste jaarplaatsen en maximaal 25 standplaatsen voor kampeermiddelen met bijbehorende voorzieningen, zoals sport- en spelvoorzieningen, een horecavoorziening, onderhoudsruimten en toiletgebouwen. De standplaatsen en bijhorende voorzieningen worden met elkaar verbonden door een interne wegenstructuur op het terrein. Bij de entree aan de Rucphenseweg is, tegenover de horecagelegenheid, een bedrijfswoning aanwezig. De camping wordt ontsloten via de Rucphenseweg. In de huidige situatie is de planologische ruimte die het vigerend bestemmingsplan biedt, niet volledig benut.
Het terrein wordt omzoomd door een ruime groenstrook. Daarnaast is het terrein zelf ook voorzien van groenstructuren. De aanwezige kampeerplaatsen worden van elkaar gescheiden door hagen en struwelen.
Aan de zuidoostzijde van het campingterrein zijn twee percelen aanwezig, die voorheen in gebruik waren als tourvelden. Deze percelen maken onderdeel uit van de herontwikkeling. Deze percelen zijn in de huidige situatie onbebouwd en bestaan uit grasvegetatie.
De bestaande camping is voorzien van een aantal wadi's.
Onderstaande afbeeldingen geven de huidige situatie van het plangebied weer:
|
|
| Eén van de nog aanwezige stacaravans op het campingterrein. | Eén van de aanwezige toiletgebouwen op het campingterrein. |
|
|
| De horecagelegenheid bij de entree aan de Rucphenseweg. | De entree van het campingterrein met rechts op de foto de bedrijfswoning en links de horecagelegenheid. |
|
|
| Groenstructuren ter afscheiding van de kampeerplaatsen. | Groenstructuren ter afscheiding van de kampeerplaatsen. |
Initiatiefnemer is voornemens de bestaande Camping Internationaal Priem te revitaliseren naar een toekomstbestendig en vitaal recreatiepark waarbij de huidige jaarplaatsen worden omgezet naar volwaardige recreatieverblijven met bijbehorende centrale voorzieningen.
Door de snel veranderende vraag, marktwensen, binnen de recreatiesector is er behoefte aan enige flexibiliteit zodat binnen de kaders van dit omgevingsplan kan worden ingespeeld op de behoefte- en marktontwikkelingen binnen de sector. Dit omgevingsplan biedt de planologische kaders waarbinnen de bestaande camping kan doorontwikkelen naar een hoogwaardig recreatiepark ten behoeve van verblijfsrecreatie.
Het plangebied heeft een oppervlakte van 82.595 m². De grenzen en het functionele gebruik van het plangebied blijven ongewijzigd ten opzichte van de huidige camping. Slechts het type recreatieverblijven, de aantallen en de hoogtes wijzigen ten opzichte van het vigerende planologisch regime. De navolgende inrichtingsschets geeft een indicatie weer van de beoogde herontwikkeling van het recreatiepark. Deze indicatieve inrichtingsschets betreft slechts een mogelijke invulling van het recreatiepark en is tevens in bijlage 1 opgenomen.
INDICATIEVE INRICHTINGSSCHETS RECREATIEPARK
Op grond van het Omgevingsplan Zundert (dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet het bestemmingsplan 'Camping Internationaal Priem' vervangt) zijn 150 recreatieverblijven in de vorm van vaste standplaatsen, 15 vakantieappartementen (700 m²) en 25 standplaatsen voor seizoensgebonden recreatieverblijven en 1.300 m² aan voorzieningen toegestaan.
Met voorliggend plan worden maximaal 149 recreatieverblijven mogelijk gemaakt met een maximale footprint van 125 m² per recreatieverblijf, waarbinnen een gebalanceerde mix aan diverse type grondgebonden recreatieverblijven worden gerealiseerd. De totale footprint ten behoeve van de recreatieverblijven betreft maximaal 12.750 m².
Voor de recreatieverblijven worden maximaal 2 bouwlagen mogelijk gemaakt. De recreatieverblijven aan de rand van het plangebied, zoals aangegeven op bovenstaande indicatieve inrichtingsschets mogen uit maximaal één bouwlaag bestaan. Per recreatieverblijf wordt een buitenberging van maximaal 6 m² mogelijk gemaakt. Recreatieverblijven worden (half)vrijstaand of aaneengebouwd gerealiseerd waarbij niet meer dan 3 recreatieverblijven aaneengebouwd worden gerealiseerd.
Daarnaast wordt tenminste 1.000 m² en maximaal 2000 m² aan centrale faciliteiten gerealiseerd. De centrale faciliteiten zijn gericht op het bieden van voorzieningen voor de gasten die op het park verblijven en zijn van groot belang voor een langjarig duurzaam vitaal verblijfsrecreatiepark.
De maximale footprint (12.750 m² )voor recreatieverblijven, aangevuld met centrale voorzieningen (maximaal 2000 m2), bedraagt circa 18 % van de totale van het plangebied (82.595 m²).
Om enerzijds de nodige gewenste flexibiliteit te kunnen creëren om het gebied te ontwikkelen en anderzijds te borgen dat de footprint ten opzichte van de huidige bouwmogelijkheden beperkt is, is gekozen voor een regeling waarbinnen de maximale footprint per verblijf is vastgelegd (125 m²) én de totale footprint voor 149 recreatieverblijven (12.750 m²).
Het park zal bedrijfsmatig worden geëxploiteerd. De bedrijfsmatige exploitatie van het park is in de regels van het plan geborgd. Enerzijds is een minimum footprint aan te realiseren centrale voorzieningen opgenomen en anderzijds is vastgelegd dat recreatieverblijven en centrale voorzieningen uitsluitend bedrijfsmatig mogen worden geëxploiteerd.
De initiatiefnemer heeft een herontwikkelingsvisie opgesteld voor de bestaande camping. Het uitgangspunt van de ontwikkelvisie voor camping Internationaal Priem en het daaruit voortgekomen plan is dat verblijfsrecreatie méér is dan invulling van de locatie. In de herontwikkelingsvisie voor Camping Internationaal Priem gaat verblijfsrecreatie over het brengen van een vernieuwd, aantrekkelijk concept en het verbinden met de omgeving (zowel in fysieke vorm als ook de verbinding met ondernemers en initiatieven uit de directie regio). De ambitie is een verblijfsrecreatieterrein dat een vanzelfsprekend en natuurlijk geheel vormt met de omgeving.
De inrichting van het park en de voorzieningen in de omgeving sluiten aan op de behoefte van de parkgasten en bieden onder andere mogelijkheden om te fietsen en/of te wandelen in de omgeving, een bezoek te brengen aan het van Gogh museum of aan de historische kernen van Antwerpen of Breda.
De recreatieverblijven worden hoogwaardig uitgevoerd, met een onderscheidende architectuur en een praktische inrichting.
In de huidige situatie wordt de camping ontsloten via de parallelweg van de Rucphenseweg. In de nieuwe situatie blijft de bestaande ontsluiting behouden en blijft deze fungeren als reguliere ontsluitingsweg van het nieuwe recreatiepark.
Daarnaast zal een nieuwe calamiteitenontsluiting worden gerealiseerd op de Rucphenseweg. Dit zal niet leiden tot verkeerskundige problemen.
Om te toetsen of in de toekomstige situatie sprake zal zijn van een acceptabele verkeers- en parkeersituatie is een notitie verkeer en parkeren opgesteld. Deze als bijlage 14 bijgevoegd.
In paragraaf 6.9 wordt verder ingegaan op de aspecten verkeer en parkeren en vindt een toets plaats aan het gemeentelijk beleid.
In voorliggend plan is aandacht voor de landschappelijke inpassing van het terrein in de omgeving om de bestaande omgevingskwaliteit te behouden dan wel te versterken. In bijlage 2 is het landschappelijk inpassingsplan (8 september 2025; ZUN020) opgenomen, waarin de stedenbouwkundig-ruimtelijke kaders van het plan zijn uiteengezet.
De bestaande groene rand rondom het plangebied wordt in zijn geheel gerespecteerd en blijft onaangetast als landschappelijke structuur voor zowel het park en als onderdeel van het groene netwerk. De singel biedt door het behoud van de volwassen bomen en heesters een goed casco om de kwaliteit te verbeteren qua zichtbaarheid/ afscherming en ook met betrekking tot de ecologie en biodiversiteit. De bestaande singels kunnen daarom op de volgende manier worden versterkt:
Een onderhouds- en beheersplan zorgt ervoor dat de inpassing in de toekomst in stand wordt gehouden en zich duurzaam en langjarig kan ontwikkelen.
Met het oog op de kwaliteitsverbetering van en de landschappelijke inpassing van het recreatiepark worden met dit plan de volgende doelstellingen beoogd:
In het landschappelijk inpassingsplan wordt hier verder op ingegaan.
Op het terrein zelf is veel groen in de vorm van bomen en struiken aanwezig en dat het geheel een groene uitstraling geeft. Het uitgangspunt is dat deze uitstraling minimaal behouden blijft. De transformatie van de camping zal met name gericht zijn op het vervangen van infrastructuur en het plaatsen van nieuwe recreatieverblijven. De bestaande en kwalitatief goede bomen op het terrein zullen waar mogelijk worden behouden en onderdeel worden van de nieuwe inrichting.
Om te voorzien in voldoende waterberging op eigen terrein worden in de beoogde situatie nog enkele wadi's toegevoegd. Hier wordt in paragraaf 6.11 verder op ingegaan.
Ter plaatse van het plangebied vigeert het van rechtswege ontstane 'Omgevingsplan gemeente Zundert', in werking vanaf 1 januari 2024. Onderliggend ruimtelijk kader betreft het bestemmingsplan 'Buitengebied': vastgesteld op 28 september 2010. De navolgende afbeelding geeft een uitsnede van dit plan weer.
VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN
Ter plaatse van het plangebied gelden de enkelbestemmingen 'Recreatie' en 'Groen'.
Recreatie
De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
Groen
De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
Analyse en conclusie
Met het voorliggende initiatief is sprake van een verdunning van het aantal eenheden, echter kan het niet worden gerealiseerd binnen de huidige planologische kaders omdat voor de revitalisering van de camping naar vakantiepark onder andere de volgende planologische aanpassingen noodzakelijk zijn:
Het opstellen van een nieuw planologisch kader is daarom noodzakelijk.
De gemeente Zundert heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan het initiatief door middel van een wijziging van het omgevingsplan. Gezien de omvang van de ontwikkeling is gekozen voor het opstellen van een TAM-IMRO Omgevingsplan.
In voorliggend TAM-omgevingsplan krijgen de gronden de functionele gebiedsaanwijzingen 'Groen - landschappelijke inpassing', 'Recreatie - verblijfsrecreatie', 'Waarde - Archeologie ' en 'Overige zone - gevoelige functies uitgesloten', Specifieke vorm van recreatie - centrale voorzieningen', 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende bouwhoogte' en 'specifieke vorm van groen - te behouden bomen'. Hierdoor wordt gegarandeerd dat de gronden uitsluitend voor de in paragraaf 3.1 beschreven doeleinden wordt gebruikt. Tegelijkertijd worden eventueel aanwezige archeologische waarden beschermd.
De ontwikkeling draagt bij aan een goede fysieke leefomgeving. Uit de onderbouwing van de verschillende omgevingsaspecten in de volgende hoofdstukken blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd is met het Besluit kwaliteit leefomgeving, Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Voorliggend initiatief kan zijn doorgang vinden mits:
Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van het wijzigen van het omgevingsplan. Dit komt omdat een omgevingsplan niet alleen invloed heeft op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief. In dit hoofdstuk zal hier verder op worden ingegaan.
De initiatiefnemer heeft in het voortraject, vooruitlopend op dit TAM-IMRO Omgevingsplan, de omgeving en direct omwonenden actief geïnformeerd en betrokken bij de planvorming.
Participatieplan
Om vooraf het participatieproces duidelijkheid te hebben over het participatieniveau en de betrokken stakeholders bij het participatieproces, heeft de initiatiefnemer een participatieplan opgesteld, waarmee de gemeente Zundert heeft ingestemd. Het participatieplan is als bijlage 3 bijgevoegd.
Aan de hand van het door de gemeente Zundert opgestelde stappenplan is het participatieniveau bepaald op niveau 2. Dit betreft een 'Gemiddeld Participatie' traject waarin de direct betrokken en de directe omgeving dienen te worden betrokken. Het gaat hierbij om informeren, het verzamelen van de feedback en het bieden van de mogelijkheid voor het leveren van input. Met het participatieplan als uitgangspunt is er een informatiebijeenkomst voor direct omwonenden georganiseerd en hebben er nog diverse gesprekken met omwonenden plaatsgevonden.
Gesprek Landgoed De Moeren
Op 27 oktober 2023 heeft een gesprek met eigenaren van het aangrenzend Landgoed plaatsgevonden met als doel een toelichting te geven van het plan, met de eigenaren van het aangrenzende landgoed hierover in gesprek te gaan, om hun vragen te beantwoorden en opmerkingen te verzamelen.
Het gemaakte verslag is, samen met de presentatie die tijdens de inloopbijeenkomst van 31 oktober 2023 is gedeeld, naar de eigenaren van De Moeren toegestuurd en werd de gelegenheid geboden op het verslag te reageren.
Voor de uitwerking van het plan is een aantal aandachtpunten benoemd, waaronder bouwhoogtes (2 bouwlagen) en wat de invloed is op het zicht vanuit de omgeving, hoe om te gaan met de wateropgave en onderhoud van de groene rand.
Informatiebijeenkomst direct omwonenden 31 oktober 2023
Op 31 oktober 2023 is in rustplaats De Kievit aan de Rucphenseweg 51 een informatiebijeenkomst voor direct omwonenden georganiseerd. Er waren ca. 20 aanwezigen, die zich hebben ingetekend op de presentielijst.
Het doel van deze bijeenkomst was het geven van een toelichting op het initiatief en het met direct omwonenden in gesprek treden hierover om feedback op het initiatief te verzamelen.
Aan de hand van de presentatie is het tot dan toe gelopen proces, het initiatief en het vervolgproces nader toegelicht.
De aanwezigen konden tijdens de bijeenkomst vragen stellen en opmerkingen op het initiatief delen. Het gemaakt verslag van de bijeenkomst en de presentatie is na afloop met de aanwezigen gedeeld, waarna de gelegenheid werd geboden om op het verslag te reageren. Deze reacties hebben geleid tot een intensief participatieproces met een vertegenwoordiging van de direct omwonenden.
Voor de uitwerking van het plan is een aantal aandachtpunten benoemd, waaronder de bouwhoogte (2 bouwlagen) en de positionering van de 2-laags woningen, zorgen over privacy, mogelijk overlast, de invulling van het terrein, het aantal verkeersbewegingen en hoe omgegaan wordt met het onderhoud van de groene rand en het groen op het terrein.
Diversen gesprekken met direct omwonenden
Vervolgens heeft de initiatiefnemer in afstemming met alle betrokkenen de omgevingsdialoog verder voortgezet met een (gemandateerde) delegatie afgevaardigden van de omgeving.
In het kader van de overleggen heeft initiatiefnemer op 20 september 2024 het concept Ontwerp Omgevingsplan gedeeld met de omwonenden. Na bestudering hiervan hebben omwonenden per brief een reactie gegeven.
Uit de gevoerde overleggen en schriftelijke reacties zijn de voornaamste zorgen / aandachtspunten bij de herontwikkeling van het park:
Andere naar voren gebrachte aandachtspunten zijn:
Informatiebijeenkomst direct omwonenden 17 juni 2025
Op 17 juni 2025 is in rustplaats De Kievit aan de Rucphenseweg 51 een informatiebijeenkomst voor direct omwonenden georganiseerd. Tijdens de informatiebijeenkomst heeft de initiatiefnemer een presentatie gegeven waarin de resultaten van de gevoerde overleggen met de omwonenden zijn gepresenteerd en is aangegeven hoe met hun feedback is omgegaan. Omwonenden werd te gelegenheid geboden om uiterlijk 27 juni 2025 nog een laatste keer te reageren op het plan.
Uit de gevoerde overleggen en schriftelijke reacties mag worden geconcludeerd dat de
voornaamste zorgen / bezwaren van de omgeving tegen de omzetting van de bestaande
camping naar een recreatiepark zijn:
Op 3 juli 2025 heeft de initiatiefnemer middels een brief een reactie gegeven op de voornaamste zorgen / bezwaren. Daarnaast is in de brief aangegeven op welke punten het plan is bijgesteld naar aanleiding van de reacties.
Actualiteit, aanpassingen naar aanleiding van omgevingsdialoog
Naar aanleiding van de geuite zorgen / aandachtspunten tijdens de gevoerde gesprekken zijn in de uitwerking van het concept Ontwerp Omgevingsplan, naar het definitief Ontwerp Omgevingsplan, zoals dat nu voorligt, door de initiatiefnemer de navolgende zaken verwerkt en vastgelegd in het plan.
Met deze wijzigingen in het plan wordt tegemoet gekomen aan de door de omgeving geuite zorgen / aandachtspunten. De overige door de omwonenden aangegeven aandachtspunten worden meegenomen in het kader van het beheer van het park.
In deze paragraaf wordt het beleid dat relevant is voor de activiteit toegelicht en getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het beleid van Rijk, provincie en gemeente. Beleid dat niet relevant is voor de ontwikkeling is niet in
dit hoofdstuk opgenomen.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
Wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
Het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
Toets
Met het revitaliseren van de bestaande camping naar een toekomstbestendig en vitaal recreatiepark zorgt de combinatie van recreatie en natuur/landschap en een zorgvuldige inpassing op deze locatie voor een meerwaarde voor het gebied. Voor het overige is geen concreet beleid op nationaal niveau geformuleerd dat van belang is voor dit plan. De in de NOVI genoemde nationale belangen worden door de voorgenomen ontwikkeling niet geschaad.
Conclusie
Het plan past binnen de doelstellingen, het beleid en de regels van de NOVI.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s):
1. het Omgevingsbesluit (Ob);
2. het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
3. het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
4. het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.
Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels:
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Toets
Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met de rijksinstructieregels uit de AMvB’s .
Conclusie
Het plan past binnen de instructieregels van de AMvB’s.
Zoals in voorgaande paragrafen is beschreven past het plan binnen de doelstellingen en het beleid en de regels van het Rijk.
Het provinciale ruimtelijk beleid en regelgeving zijn, voor zover voor dit plan relevant, onder meer vastgelegd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant, de Omgevingsverordening (OV) en de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. Daarnaast heeft de provincie ten aanzien van (verblijfs)recreatie en toerisme ook enkele specifieke beleidskaders opgesteld.
Onderstaand wordt aan de betreffende beleidskaders en regelgeving getoetst.
Op 14 december 2018 heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050).
De Omgevingsvisie kent één basisopgave: "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd:
Toets
Het plan betreft de transformatie van een bestaande camping naar een toekomstbestendig en vitaal recreatiepark. Deze relatief kleinschalige ontwikkeling is getoetst aan de vier 'grote' hoofdopgaven. Onderstaande tabel bevat in cursieve tekst de conclusie van deze toetsing.
| ad 1. | De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie. De recreatieverblijven binnen het plangebied worden gerealiseerd naar de recente wet- en regelgeving aangaande energie en duurzaamheid. Gasloos is het uitgangspunt. Nadere uitwerking hiervan zal plaatsvinden in het kader van het bouwplan van de recreatie eenheden. Dit geldt eveneens voor de bouwplannen van de overige bebouwing van het recreatiepark. |
| ad 2. | Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Door infiltratie van het hemelwater ter plaatse wordt voorkomen dat er een versnelde afvoer plaatsvindt. Het ontwerp van de recreatieverblijven en de inrichting van het park kunnen voorts een positieve bijdrage leveren aan de klimaatadaptatie. Dit wordt bij de verdere uitwerking meegenomen. |
| ad 3 | Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Aanvulling van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. In paragraaf 6.1 is ingegaan op de nut en noodzaak van het plan vanuit het oogpunt 'duurzame verstedelijking'. Op basis hiervan voldoet het plan aan het Besluit kwaliteit leefomgeving voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking. |
| ad 4. | Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Toekomstbestendige en vitale recreatiemogelijkheden leveren een positieve bijdrage aan de leefomgeving en een duurzame economie, en derhalve aan het vestigingsklimaat. |
Conclusie
Het plan geeft invulling aan de vier hoofdopgaven van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.
Vanuit de Omgevingswet moet de provincie naast een omgevingsvisie ook een omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (omgevings)programma, soms zijn er regels in een omgevingsverordening nodig om deze ambities te realiseren.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant tegelijk met de Omgevingswet in werking getreden.
In hoofdstuk 3 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn voor de volgende thema's rechtstreekse regels opgenomen: grondwater (bescherming en -onttrekking), stortplaatsen, ontgrondingen, ontgrondingen, stiltegebied, natuur, varend ontgassen en provinciale wegen. De meeste van deze regels waren voorheen opgenomen in de Provinciale milieuverordening, de Verordening wegen, de Verordening ontgrondingen en de Verordening natuurbescherming.
Algemene regels voor activiteiten
Deze regels in hoofdstuk 3 zijn rechtstreeks van toepassing op de activiteiten die met dit omgevingsplan mogelijk worden gemaakt.
Specifieke regels voor werkingsgebieden
Daarnaast zijn volgens kaart 1 van de Omgevingsverordening binnen het plangebied de volgende werkingsgebieden van toepassing, waarvoor specifieke rechtstreekse regels gelden:
Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks werkende regels, zoals opgenomen in artikel 3.70 OV, ten aanzien van milieubelastende activiteiten binnen een attentiezone stiltegebied ter bescherming van de stilte als er geen specifieke regels zijn opgenomen om een activiteit te reguleren. Om duidelijkheid te bieden welke waarden er gelden voor een stiltegebied zijn er streef- en grenswaarden vastgesteld. De afstand van de milieubelastende activiteit tot de grens van het stiltegebied en dus de ligging van het bedrijf is maatgevend voor de grenswaarde.
Toets
Het plangebied maakt onderdeel uit van de Attentiezone Stiltegebied. De directe omgeving van het plangebied is aangemerkt als Stiltegebied. Daarom is een akoestisch onderzoek stiltegebied uitgevoerd naar het geluid ter plaatse van het nabijgelegen stiltegebied door activiteiten binnen het recreatiepark. In paragraaf 6.10.2 wordt hier verder op ingegaan.
Uit het onderzoek volgt dat het LAeq, 24 uur op 50 meter vanaf de grens van de locatie van de activiteit ten hoogste 43 dB(A) bedraagt, waarmee wordt voldaan aan de grenswaarde voor een aanvaardbare geluidbelasting vanwege een locatiegebonden milieubelastende activiteit in de Attentiezone stiltegebied.
Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks werkende regels, zoals opgenomen in artikel 2.3, ten aanzien van bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht voor diverse activiteiten.
Toets
Voor de bergings- en afvoercapaciteit wordt naar paragraaf 6.11 verwezen. In het totale plangebied is echter genoeg ruimte om het bergingsvolume van het totale nieuwe oppervlak te realiseren.
Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks werkende regels ten aanzien van bestaande huisvestingssystemen voor een veehouderij. Met voorliggend plan worden geen veehouderijen gerealiseerd, waardoor de regels binnen dit werkingsgebied niet van toepassing zijn.
Toets
Met dit plan worden geen veehouderijen gerealiseerd, waardoor de regels binnen dit werkingsgebied niet van toepassing zijn.
Dit werkingsgebied is relevant voor rechtstreeks werkende regels zoals opgenomen in artikel 5.66, voor dierenverblijven voor hokdieren.
Toets
Met voorliggend plan worden geen dierverblijven gerealiseerd, waardoor de regels binnen dit werkingsgebied niet van toepassing zijn.
Dit werkingsgebied is relevant voor rechtstreeks werkende regels, zoals opgenomen in artikel 5.46, voor een omgevingsplan, waarbij onder meer de ecologische-, landschappelijke- en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied in acht worden gehouden.
Toets
Zoals in paragraaf 3.1.4 opgenomen is voorliggend plan voorzien van een landschappelijke inpassing, waarbij de waarden behouden blijven of zelfs versterkt worden.
Dit werkingsgebied is relevant voor rechtstreeks werkende regels, zoals opgenomen in artikel 5.27, voor geluidsgevoelige gebouwen binnen de 'attentiezone geluid provinciale weg'.
Toets
In paragraaf 6.4 is de geluidbelasting ten gevolge van de zoneringsplichtige geluidbronnen onderzocht middels een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Hieruit blijkt dat het aspect geluid geen planologische belemmering voor het plan vormt.
Dit werkingsgebied is relevant voor de rechtstreeks werkende regels, zoals opgenomen in artikel 5.30 voor de bescherming van het Natuurnetwerk Brabant (NNB), zoals het behoud en ontwikkeling van ecologische en andere wezenlijke kenmerken zoals rust en stilte.
Ook wanneer een activiteit of ontwikkeling plaatsvindt buiten het Natuur Netwerk Brabant (NNB) kan dit aantasting geven van de ecologische waarden binnen het NNB, de zogeheten externe werking. Dit is in ieder geval aan de orde als de ontwikkeling een negatief effect heeft op de waarden binnen het NNB vanwege geluid, licht of betreding. Op basis van artikel 5.31 dienen negatieve effecten waar mogelijk te worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten te worden gecompenseerd.
Toets
Een deel van het plangebied behoort tot het NBB. Dit betreft een deel van de bestaande groene rand rondom het plangebied dat als NNB-gronden met het natuurbeheertype 'N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos' is aangeduid.
Deze bestaande groene rand rondom het plangebied wordt in zijn geheel gerespecteerd en blijft onaangetast als landschappelijke structuur voor zowel het park en als onderdeel van het groene netwerk. De singel biedt door het behoud van de volwassen bomen en heesters een goed casco om de kwaliteit te verbeteren qua zichtbaarheid/ afscherming en ook met betrekking tot de ecologie en biodiversiteit. De versterking van deze singel vormt een onderdeel van de landschappelijke inpassing.
Ter plaatse van de bestaande groene rand zijn geen ontwikkelingen of werkzaamheden voorzien. Overeenkomstig het van rechtswege vigerende bestemmingsplan is voor de bestaande landschappelijke inpassing een passende bestemming met de vereiste noodzakelijke bescherming in het plan opgenomen.
Hiermee wordt voldaan aan de vereisten in artikel 5.30 lid 1. Het plan strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken (artikel 5.30 lid 1 sub a). Daarnaast bevat het plan regels gericht op bescherming (artikel 5.30 lid 1 sub b). Het Natuur Netwerk Brabant is ter plaatse nog niet gerealiseerd zodat een voorzetting van de bestaande gebruiksactiviteiten in de vorm van de groenstrook mogen worden voorgezet (artikel 5.30 lid 1 sub c).
Van externe negatieve effecten op het Natuur Netwerk Brabant (artikel 5.3) is met dit plan geen sprake. De bestaande landschappelijke inpassing van het plangebied (deels NNB) wordt behouden en waar mogelijk versterkt. Voorts is ook geen sprake van negatieve effecten van het park op het NNB in de directe omgeving in de vorm van geluid- of lichthinder. Hiervoor wordt verwezen naar de resultaten van zowel het ecologisch onderzoek in paragraaf als het Akoestisch onderzoek Stiltegebied.
Voor bovengenoemde werkingsgebieden gelden verder deels ook instructieregels, die in paragraaf 5.2.2.2 zijn omschreven:
De instructieregels betreffen de regels in de Omgevingsverordening waarmee in het omgevingsplan en de besluitvorming door de gemeente rekening gehouden moet worden. Een omgevingsplan mag niet in strijd met de instructieregels worden vastgesteld.
Alle regels in de Omgevingsverordening hebben een gebied waar ze van toepassing zijn. Soms gelden de regels voor de gehele provincie, soms specifiek voor bepaalde werkingsgebieden.
Onderstaand wordt ingegaan op de instructieregels uit hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening die voor deze ontwikkeling en voor dit plangebied aan de orde zijn. Voor de duidelijkheid wordt hierbij de volgorde aangehouden van de betreffende paragrafen in hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening.
Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 5.1.2)
De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Een omgevingsplan geeft bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit (artikel 5.7).
Bij de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit gaat het zowel om het beschermen van waarden als het bijdragen aan de ontwikkeling van waarden en functies in een gebied. Deze zorgplicht omvat een aantal basisprincipes in combinatie met een diepe en ronde manier van kijken, afkomstig zijn uit de Omgevingsvisie, zijnde:
Zorgvuldig ruimtegebruik (art 5.8)
Lid 1
Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:
Lid 2
Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder hoofdstuk 5 van de omgevingsverordening opgenomen voorwaarden.
Toets
De realisatie van een toekomstbestendig en vitaal recreatiepark betreft een transformatie van een bestaand campingterrein. In paragraaf 6.1 is middels een ladderonderbouwing zowel de behoefte naar kwalitatief hoogwaardige recreatieverblijven in de regio aangetoond en is met zowel het nationaal, provinciaal als gemeentelijk beleid aangetoond dat de ontwikkeling op de voorgenomen locatie passend wordt geacht. De woningen zijn op een zorgvuldige wijze binnen het plangebied gesitueerd. Er is hierbij rekening gehouden met en uitgegaan van de bestaande stedenbouwkundige, landschappelijke en natuurlijke waarden.
Conclusie
Met dit initiatief wordt op een zorgvuldige wijze beslag gelegd op de ruimte. De voorgenomen ontwikkeling is hiermee in lijn met hetgeen staat in artikel 5.8 OV over zorgvuldig ruimtegebruik.
Toepassing van de lagenbenadering (art 5.9)
Lid 1
Het toepassen van de lagenbenadering biedt inzicht in:
Lid 2
Voor de toepassing van het eerste lid worden de volgende lagen onderscheiden:
Lid 3
Bij het actief benutten van de factor tijd wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde van de lagen, het verleden, de onomkeerbaarheid van optredende effecten op de lagen door de gewenste ontwikkeling en de toekomstwaarde van de ontwikkeling vanuit het perspectief van duurzaamheid en toekomstbestendigheid.
Toets
Er is in het plan rekening gehouden met de laag dynamische ondergrond als ook met de toekomstige effecten op de andere lagen. Relevant hierbij is dat het gaat om de transformatie van een bestaand campingterrein. Van nieuw ruimtebeslag is met dit plan geen sprake.
De specifieke gevolgen van de transformatie, onder andere ten aanzien van de aspecten bodem, water en archeologie, zijn nader onderzocht. Dit geldt ook voor de effecten en de effecten op de volksgezondheid, veiligheid en milieu. Het plan wordt zorgvuldig ingepast met aandacht voor de waardevolle omgeving met natuurwaarden en cultuurhistorische waarden. Met het plan wordt een duurzame toekomstigbestendige ontwikkeling beoogd.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling leidt niet tot nadelige effecten en voldoet aan het principe van de lagenbenadering.
Meerwaardecreatie (art 5.10)
Lid 1
Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:
Lid 2
De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.
Toets
Met de transformatie van een bestaande verouderde camping naar een hoogwaardig kwalitatief recreatiepark wordt meerwaarde gecreëerd. Door het behouden en versterken van de bestaande landschappelijke inpassing, de inpassing van een (deel) van het bestaande groen en het realiseren van nieuwe landschapselementen, is het plan landschappelijk ingepast. Hiermee wordt de landschappelijke kwaliteit van het gebied verbeterd.
Conclusie
Er wordt voldaan aan het basisprincipe van meerwaardecreatie.
Versterken van de omgevingskwaliteit (paragraaf 5.1.3)
Deze paragraaf van de Omgevingsverordening bevat diverse maatwerkmogelijkheden waarmee de mogelijkheid wordt geboden om vanwege specifieke omstandigheden een uitzondering te maken op het bestaande beleid. Op voorliggend plan zijn de artikelen 5.11 (kwaliteitsverbetering landschap) en 5.12 (ontwikkelingsrichting) van toepassing.
Kwaliteitsverbetering landschap (artikel 5.11)
Lid 1
Een omgevingsplan dat de ontwikkeling van activiteiten mogelijk maakt in Landelijk gebied bepaalt dat die ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.
Lid 2
Het omgevingsplan onderbouwt dat de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied, bedoeld in artikel 5.12, en dat de uitvoering is geborgd door:
Lid 3
Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan de volgende aspecten omvatten:
Lid 4
Als toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onder b, wordt een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds verzekerd en wordt over de besteding van dat fonds periodiek verslag gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken.
Toets
Het plan voorziet in een aanpassing van de bouwmogelijkheden van een bestaande camping om hiermee een transformatie naar een hoogwaardig recreatiepark mogelijk te maken. De bestaande landschappelijke inpassing van het terrein wordt behouden en waar nodig versterkt waarbij rekening wordt gehouden met de omgevingswaarden (ecologisch, landschappelijk, cultuurhistorisch en milieutechnisch) van het plangebied en de omgevingswaarden.
Deze transformatie levert een ruimtelijke en duurzame kwaliteitswinst op.
In 2004 heeft de gemeente Zundert in samenwerking met de provincie Noord-Brabant en een aantal gemeenten in West Brabant een Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap opgesteld het 'Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant' vastgesteld. Dit Afsprakenkader biedt een kader voor rood-met-groen ontwikkelingen.
Hierbij worden de volgende drie categorieën onderscheiden:
In het RRO (Regionaal Ruimtelijk Overleg) West-Brabant van 8 december 2014 is de notitie 'Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de Regio West-Brabant' (afgekort Afsprakenkader) vastgesteld. Deze notitie bevat eenduidige afspraken die de regio West-Brabant en de provincie Noord-Brabant gezamenlijk hebben gemaakt met betrekking tot de toepassing van het principe Kwaliteitsverbetering van het landschap.
De provincie Noord-Brabant heeft beoordeeld dat voorliggend initiatief een categorie 3 ontwikkeling betreft. Bijlage 2 van het landschappelijk inpassingsplan (Bijlage 2 ) omvat een beplantingsplan en raming van de te leveren compensatie waarin onderbouwd is op welke wijze in het kader van deze ontwikkeling wordt voldaan aan het Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering. De gemeente en provincie zijn akkoord met deze uitgangspunten. Hiermee is aan de landschappelijke inpassingsopgave voldaan.
Conclusie
Er wordt voldaan aan de principes van de landschappelijke inpassing.
Ontwikkelingsrichting (art 5.12)
Lid 1
Een omgevingsplan dat de uitbreiding mogelijk maakt van een bestaande activiteit of dat een nieuwe functie of activiteit toedeelt in Landelijk gebied, bevat een onderbouwing dat die ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Een ontwikkelingsrichting wordt opgesteld met toepassing van de basisprincipes, bedoeld in Paragraaf 5.1.2 , en gaat in ieder geval in op de volgende aspecten:
Lid 2
Bij het opstellen van een ontwikkelingsrichting worden deskundigen betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.
Toets
De ontwikkeling beperkt zich tot het huidige campingterrein. Van uitbreiding is geen sprake. Om de gewenste transformatie naar een hoogwaardige verblijfsrecreatie mogelijk te maken is een aanpassing van de bouwregels noodzakelijk. De invloed van deze aanpassing op de omgeving is beperkt. De bestaande landschappelijke inpassing wordt behouden en versterkt.
De specifieke gevolgen van de transformatie, onder andere ten aanzien van de aspecten bodem, water en archeologie, zijn nader onderzocht. Dit geldt ook voor de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Het plan wordt zorgvuldig ingepast met aandacht voor de waardevolle omgeving met natuurwaarden en cultuurhistorische waarden. Met het plan wordt een duurzame toekomstbestendige ontwikkeling beoogd.
Met de transformatie van een bestaande verouderde camping naar een hoogwaardig kwalitatief recreatiepark wordt meerwaarde gecreëerd door het behouden en versterken van de bestaande landschappelijke inpassing, de inpassing van een (deel) van het bestaande groen en het realiseren van nieuwe landschapselementen, is het plan landschappelijk ingepast. Hiermee wordt de landschappelijke kwaliteit van het gebied verbeterd.
Conclusie
In overeenstemming met de Omgevingsverordening is onderbouwd dat het plan past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied.
Op grond van de Cultuurhistorische waardenkaart (herziening 2024) van de provincie Noord- Brabant maakt het plangebied onderdeel uit van het gebied dat is aangemerkt Cultuurhistorisch waardevol gebied.
UITSNEDE CULTUURHISTORISCHE WAARDENKAART HERZIENING 2024
Het gebied is aangeduid als 'Turfwinningslandschap Brouwersmoeren en Eldersche gronden'. Het gebied van de Brouwersmoeren en Eldersche Gronden ligt tussen de droogmakerij Oude Zoek en de landgoederen Oude Buisse Heide, Wallsteyn en de Moeren. Het bestaat uit landbouwgronden, bossen, heideterrein en vennen. Plaatselijk komen veenrestanten voor. Het gebied was vroeger met veen bedekt dat vanaf de veertiende eeuw is afgegraven. Na de vervening is het gebied veranderd in een heideveld dat vanaf 1850 gedeeltelijk is bebost en ontgonnen tot landbouwgrond. De oude turfvaarten en wijken vormen de grondslag voor de huidige percelering.
De waarden en kenmerken van het gebied worden gevormd door de veenrelicten, heiderelicten, bossen, de (restanten van) turfvaarten en vennen. In het gebied liggen meerdere landgoederen. Het beleid is gericht op de planologische bescherming van deze waarden en kenmerken.
Toets
De herontwikkeling beperkt zich tot het terrein dat al lange tijd als campingterrein in gebruik is en planologisch reeds is voorzien van een recreatie bestemming. Van enige aantasting van de specifieke cultuurhistorische waarden en kenmerken is geen sprake.
Conclusie
Het plan past binnen het provinciaal beleid met betrekking tot cultuurhistorie.
De provincie Noord-Brabant wil met informatie, kennis, tools, netwerken en praktijkverhalen de gemeenten en ondernemers in Brabant ondersteunen bij het vitaliseren van vakantieparken.
Aanleiding hiervoor is de constatering dat de vrijetijdssector volop in beweging is maar ook grote verschillen laat zien. Dit geldt met name in de verblijfsrecreatie. Er is een verschil tussen vitale vakantieparken en de vakantieparken die het contact met de recreatieve markt verliezen. Dit heeft geleid tot de Landelijke Actieagenda Vakantieparken in 2018 die mede door de provincie Noord-Brabant is ondertekend. Met deze Actieagenda is een stevig fundament gelegd voor de integrale aanpak van vakantieparken.
Een van de uitvoeringsacties binnen de provincie Noord-Brabant betreft de (inmiddels op 1 juli 2022 afgeronde) actie met 6 pilotgemeenten voor de Aanpak vitale vakantieparken 'Eén park één plan'. De opgedane kennis en ervaring van diverse regionale en landelijke (pilot)aanpakken Vitale Vakantieparken worden onder meer via de site van de provincie Noord-Brabant gedeeld.
Toets
Bij de planvorming voor de revitalisatie van de bestaande camping naar een toekomstbestendig en vitaal vakantiepark is gebruik gemaakt van deze handreikingen, tools en ervaringen.
Conclusie
Het plan is in lijn met de uitvoeringsacties binnen de provincie Nood-Brabant.
Eind 2022 heeft de provincie Noord-Brabant het beleidskader 'Levendig Brabant 2030' vastgesteld. Dit betreft een integraal beleidskader voor de vier sectoren cultuur, erfgoed, sport en vrijetijd. Dit beleidskader zet de koers uit voor de uitvoeringsagenda's van de komende jaren.
De ambitie voor 2030 is dat cultuur, erfgoed, sport en vrijetijd bijdragen aan een levendig Brabant voor iedereen. Deze ambitie is vertaald in de volgende vijf hoofddoelen:
Hiermee wordt beoogd dat het aanbod van de producten en diensten van de vier sectoren in 2030 aansluit op de behoeften van Brabanders, buitenlandse werknemers en (inter)nationale bezoekers.
Hiermee wordt beoogd dat voor de doelgroepen die nog niet of onvoldoende worden bereikt, er sprake is van een passend aanbod van de vier sectoren. Het beleid richt zich specifiek ook op jongeren.
Van belang is dat de vier sectoren vitaal zijn en voldoende ruimte en mogelijkheden hebben om te vernieuwen. Dit in aansluiting op het innovatieve profiel van Brabant.
Het doel is om jongeren door het cultuur-, erfgoed- en sportaanbod breed te stimuleren en ontwikkelkansen te bieden voor toptalenten.
Levendig Brabant draagt met cultuur, erfgoed, sport en vrije tijd bij aan een gezonde en aantrekkelijke omgeving om te wonen, werken en verblijven, waar voldoende te doen en te beleven is en waar cultuurhistorie behouden blijft en de sectoren verbonden worden met de maatschappelijke ontwikkelingen.
Het beleidskader krijgt de komende jaren verdere uitwerking in een uitvoeringsagenda. Specifiek ten aanzien van vrije tijd wordt ingezet op de voortgaande ontwikkeling van een beter voorzieningenniveau (waaronder het recreatief aanbod) waardoor Brabant een aantrekkelijke regio blijft om te wonen, werken én verblijven.
Toets
De transformatie van de bestaande camping naar een toekomstbestendig en vitaal recreatiepark draagt bij aan de doelstellingen volgens het beleidskader 'Levendig Brabant 2030'.
Conclusie
Het plan is in lijn met het provinciale beleidskader 'Levendig Brabant 2030'.
Het relevante gemeentelijke ruimtelijk beleid is onder meer vastgelegd in de Visie 'Elk seizoen een kleurrijk Zundert', de Omgevingsvisie Zundert, het archeologisch beleid en het parkeerbeleid. Onderstaand wordt aan de betreffende beleidskaders getoetst.
In mei 2021 heeft de gemeenteraad van Zundert de visie 'Elk seizoen een kleurrijk Zundert' vastgesteld.
In deze visie wordt een beeld geschetst hoe toerisme en recreatie binnen de gemeente een nieuwe impuls kan worden gegeven. Als doel voor de komende jaren wordt gesteld dat de gemeente Zundert bekend is in zowel de regio als daarbuiten. In Zundert is elk seizoen kleurrijk.
Volgens deze visie vormt de verblijfsrecreatie in de gemeente Zundert een belangrijke sector met volop kansen. Geconstateerd wordt dat de sector onder druk staat en een complexe dynamiek kent. De verwachting is dat zonder actief beleid de verblijfsaccommodaties die aan de onderkant van de mark opereren vermoedelijk verder afglijden.
Er zijn volgens deze visie vier krachten die bepalen of een verblijfsrecreatief aanbod economisch vitaal is:
Om de toerist te trekken zijn vitale vakantie-accommodaties nodig met ondernemers, die duurzaam willen ondernemen en flexibel kunnen meebewegen met de veranderde behoeften van de consument. De gemeente hecht waarde aan realistische, economisch haalbare plannen.
Volgens de visie passen in dit streefbeeld hoogwaardige initiatieven. Hierbij moet worden gedacht aan verblijfsconcepten met natuurbeleving, hotels, B&B's die passen bij de historie en karakteristieken van de omgeving en kleinschalige gastvrije accommodaties met agrarisch en eigenzinnig karakter. Ondernemen staat voor passie en broodwinning.
In dit streefbeeld past volgens de visie geen verblijfsaccommodatie waar permanent en tijdelijk wordt gewoond. Er is geen ruimte voor een vastgoed gedreven ontwikkeling, waarbij ontwikkeling van recreatief vastgoed los komt te staan van recreatief ondernemerschap. Initiatieven zonder recreatieve meerwaarde worden niet toegestaan.
Als strategie worden in de visie zeven (leidende) ontwikkelprincipes genoemd:
In februari 2022 heeft het college van B&W van Zundert op basis hiervan het Uitvoeringsprogramma Vrijetijdseconomie 2022-2026 vastgesteld. De nadruk hiervan ligt op het ontwikkelen van potentie naar initiatief, om samenhang in de vrijetijdssector te creëren. Het doel is om 5% meer bezoekers en verblijfstoeristen ten opzichte van 2019 te realiseren. Daarnaast ligt de nadruk op het ontwikkelen van een aantrekkelijk vestigingsklimaat waarin nieuwe en bestaande bedrijven zich kunnen ontwikkelingen en ondermijning bestreden wordt.
Analyse
De transformatie van de bestaande camping naar een hoogwaardig kwalitatief vakantiepark met een gebalanceerde mix aan typen en grootten van recreatieverblijven sluit aan bij de zeven ontwikkelprincipes van de visie en bij het uitvoeringsprogramma 2022-2026.
Conclusie
Het plan is in lijn met de gemeentelijke visie 'Elk seizoen een kleurrijk Zundert'.
Het samenwerkingsinitiatief 'Zundert Floreert' richt zich op het versterken van de leefbaarheid, duurzaamheid en economische vitaliteit van het buitengebied in de gemeente Zundert. Het begon als de pilot "Vitaal Buitengebied" (2019–2022) en is daarna voortgezet onder de naam 'Zundert Floreert'.
'Zundert Floreert'is een nieuwe manier van samenwerken tussen inwoners, ondernemers, dorpsraden, agrariërs en overheden (gemeente, provincie en waterschap). Het doel is om samen te werken aan een toekomstbestendig buitengebied door het realiseren van lokale initiatieven die bijdragen aan wonen, werken, recreatie en natuur.
Tijdens de pilot zijn meer dan 250 initiatieven ontstaan en zijn er 7 gebiedsvisies opgesteld waarvan de meeste zijn vastgesteld, waaronder ook voor het gebied waarbinnen het plangebied behoort: 'Tussen Buis en de Moeren'. Deze visie is opgesteld met vertegenwoordigers uit het gebied, ondernemers, grondeigenaren, Natuurmonumenten en overheden.
In de visie is voor het thema 'recreatie' een ontwikkelingsrichting omschreven.
Thema Recreatie
In het gebied van Tussen Buis en de Moeren is zowel de cultuurhistorische waarde als de natuurwaarde hoog. Dat maakt het gebied enerzijds aantrekkelijk voor vrijetijdsbesteding en anderzijds ook kwetsbaar bij te hoge bezoekersdruk. Gebruikelijk is de druk van recreatieve bezoekers relatief beheersbaar, met enige piekbelasting gedurende voor- en najaar (met name in de vakanties en weekenden).
Het is dan ook belangrijk een duurzaam plan te ontwikkelen voor recreatie en toerisme, waarbij zowel oog is voor de behoefte van de lokale gebruikers, bovenlokale bezoekers en de economische belangen van horeca en verblijfsaccommodaties. Dit alles steeds met oog voor de belangen van de andere thema’s binnen deze gebiedsvisie. De waarden van dit gebied kenmerken zich door respect voor historie, natuur en erfgoed. Deze waarden kunnen worden uitgewerkt in een plan van aanpak voor een behoedzaam gebruik van het gebied voor rustige vrijetijdsbesteding. Bezoekers van het gebied moeten het gevoel krijgen dat in dit gebied de tijd langzamer loopt waardoor ze zich weer kunnen opladen. Het dagelijkse leven gaat voor veel mensen snel, er moet veel. Bezoekers van het gebied tussen Buis en De Moeren komen ernaar toe om te genieten van de mooie omgeving en de rust. De mensen kunnen mentaal en fysiek vertragen tijdens hun verblijf, zodat ze zich weer opladen. Er kan worden gefietst of gewandeld of op een andere manier gerecreëerd worden in het gebied mits het past in omgeving. De plaatselijke horeca ontvangt graag de bezoekers voor een hapje of drankje. Het natuurgebied vraagt om behoedzaam toeristisch gebruik; in grote delen is toegang na zonsondergang verboden. Het gebied tussen Buis en de Moeren en de aanliggende omgeving leent zich met name voor recreatief verblijf in de natuur bij daglicht: wandelen en fietsen. Om dit veilig te kunnen doen moeten hierbij randvoorwaarden worden gefaciliteerd. Beperking van en vertraging van doorgaand verkeer is hierbij een speerpunt wat in het Thema Verkeer nader wordt beschreven.
Gewenste positionering horeca en verblijfsaccommodaties:
Analyse
Bij de transformatie van de bestaande camping naar een hoogwaardig kwalitatief vakantiepark is rekening gehouden met de draagkracht van het gebied. Zo zijn er diverse onderzoeken uitgevoerd om de invloed van het recreatiepark op de omgeving te bepalen. Deze onderzoeken tonen aan dat er vanuit deze aspecten planologisch gezien geen belemmeringen ontstaan. Gezien de ligging van het plangebied en de bestaande functie, is het een ideale plek voor een recreatiepark. Tevens draagt het bij aan de lokale economie, waar bezoekers van het park gebruik van kunnen maken.
Conclusie
Het plan is in lijn met de gemeentelijke visie 'Tussen Buis en de Moeren'.
Op 31 januari 2023 heeft de gemeenteraad de omgevingsvisie 'Zundert: Zundert floreert' (gewijzigd) vastgesteld.
Als ambities voor de toekomst worden in de omgevingsvisie genoemd:
De omgevingsvisie sluit inhoudelijk aan op de vastgestelde visie vrijetijdseconomie 'Elk seizoen, een kleurrijk Zundert'. In de omgevingsvisie wordt toegelicht dat de economie van de toeristisch-recreatieve sector groeit. De gemeente wil dat samen met ondernemers nog verder versterken, verbreden, meer divers maken en het seizoen verlengen. Daarnaast is het buitengebied ook een plaats voor rust. Zonder deze rust te verstoren biedt de gemeente ondernemers in toerisme en recreatie de mogelijkheid zich verder te ontwikkelen. Dit met inachtneming van een goede balans tussen recreatie, economische (toeristische en agrarische) belangen en de landschappelijk waarden. Versterking van de recreatie en toerisme wordt gekoppeld aan de kernwaarden natuur, cultuur en agrarisch.
Drie thema's staan volgens de omgevingsvisie centraal bij de versterking van toerisme en recreatie:
De basis in de openbare ruimte dient op orde te zijn. Het betreft hier onder andere veilige voet- en fietspaden, ecologische beheerde bermen, faciliteren elektrische mobiliteit, uitnodigend straatmeubilair, uniforme bewegwijzering etc.
Ondernemers worden uitgenodigd om tot vernieuwing en herontwikkeling te komen. Vooral oudere vakantieparken hebben aandacht nodig. De gemeente wil meer van hetzelfde voorkomen.
De gemeente wil samen met ondernemers, de sector en andere betrokken partijen verhaallijnen ontwikkelen die passen bij de kernwaarden.
Toets
De transformatie van de bestaande camping naar een hoogwaardig kwalitatief vakantiepark sluit aan bij de uitgangspunten van de omgevingsvisie en in het bijzonder bij de drie thema's die centraal staan bij het versterken van toerisme en recreatie. De initiatiefnemer van dit plan is in goed overleg met de gemeente over de gewenste transformatie.
Conclusie
Het plan is in lijn met de omgevingsvisie 'Zundert: Zundert floreert'.
De gemeente Zundert heeft in 2021 de Nota Archeologie Gemeente Zundert vastgesteld.
Toets
Volgens de archeologische beleidskaart bij deze Nota heeft het plangebied grotendeels een lage archeologische verwachtingswaarde. Een strook nabij de weg is aangeduid als Archeologisch waardevol gebied. Om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden heeft in het kader van het vigerende bestemmingsplan een archeologisch onderzoek binnen het plangebied plaatsgevonden. De resultaten en conclusie van dit onderzoek zijn opgenomen in paragraaf 6.12.
Conclusie
Op basis van bovenstaande is het plan in lijn met het archeologisch beleid.
Op 24 november 2020 heeft de gemeenteraad van Zundert de Nota Parkeernormen gemeente Zundert vastgesteld.
Het betreft hier een update van de eerder vastgestelde Nota Parkeernormen. De aanleiding hiervoor is tweeledig:
1. Er is behoefte aan een uniform toetsingskader voor het beoordelen van parkeervraagstukken in de gemeente.
2. Er is behoefte aan een betere aansluiting op ontwikkelingen op het gebied van duurzame mobiliteit.
Deze Nota geldt als toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen met als doel het voorkomen van parkeerproblemen in de openbare ruimte als gevolg van deze ontwikkelingen.
Toets
Paragraaf 6.9 bevat een toelichting op welke wijze met het plan aan de parkeernormen wordt voldaan.
Conclusie
Met het plan wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen volgens de Nota Parkeernormen.
De toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Artikel 5.129g Bkl (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) luidt als volgt:
Het plan voorziet in de realisatie van een toekomstbestendig en vitaal recreatiepark ter plaatse van een bestaande camping aan de Rucphenseweg tussen de kernen Rucphen en Zundert. Er worden maximaal 149 recreatieverblijven in verschillende grootten mogelijk gemaakt binnen een footprint van maximaal 12.750 m². Het plangebied heeft een oppervlakte van 82.595 m². Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling valt het onder de definitie van een 'stedelijke ontwikkeling' zoals bedoeld in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken dient conform de ladder voor duurzame verstedelijking aangetoond te worden dat er behoefte bestaat aan de ontwikkeling.
Om de behoefte van de ontwikkeling van het recreatiepark te onderbouwen en te voorzien van een motivering waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd kan worden, heeft Ginder in oktober 2023 een ladderonderbouwing opgesteld: "Laddertoets Herontwikkeling Camping Internationaal Priem (G-VT-23066; oktober 2023). Het rapport is als bijlage 4 bijgevoegd. In paragraaf 1.3 van de ladderonderbouwing zijn de uitgangspunten van het concept ten tijde van het opstellen van de rapportage beschreven. Gedurende de planvorming zijn het concept en de uitgangspunten enigszins gewijzigd. De kwantitatieve behoefte naar recreatieverblijven voor zowel de koop- als huursector, zoals omschreven in hoofdstuk 3 en 4 van de rapportage, is echter nog steeds actueel.
Daarnaast blijft het plan zijn aansluiting vinden bij het provinciaal en gemeentelijk beleid, zoals omschreven in paragraaf 1.4 van de ladderonderbouwing. Zoals in deze paragraaf omschreven blijkt dat de provincie en gemeente vrije tijd en toerisme willen stimuleren. Met VisitBrabant zal de provincie de vrijetijdseconomie nog meer in de spotlight zetten. Verblijfsrecreatie is voor de provincie geen doel op zich maar een middel in de voortgaande ontwikkeling van een beter voorzieningenniveau dat ook ten goede komt aan inwoners. Op basis van het provinciaal beleidskader Levendig Brabant 2030 wordt gezocht naar de verbinding met regionale economie door bestedingen en werkgelegenheid en aan maatschappelijke opgaven. De gemeente Zundert zet in op het creëren van werkgelegenheid voor de gemeente. Met de ontwikkeling van het recreatiepark wordt bijgedragen aan de directe en indirecte werkgelegenheid naar aanleiding van toeristische bestedingen door het park, zoals werkgelegenheid uit praktische werkzaamheden op het park als werkgelegenheid door bestedingen in de regio.
Verder wordt in paragraaf 1.4 van de ladderonderbouwing omschreven dat Zundert bij de promotie van VisitBrabant wil aansluiten met het merk “Zundert” om zo de regio beter voor het voetlicht te brengen om zoveel mogelijk toeristen te trekken. De gemeente beseft dat het vervolgens van belang is om een kwalitatief goed en onderscheidend recreatie-aanbod te bieden om toeristen zo lang mogelijk vast te houden. Meer van hetzelfde wil men daarom voorkomen. De ontwikkeling van onderscheidende en kwalitatief hoogwaardige recreatieverblijven bij recreatiepark Zundert sluit aan bij het beleid.
Een belangrijk onderscheidend element ten opzichte van andere parken is de thematisering die aansluit bij (voorzieningen in) de omgeving. Door alle aandacht te geven aan fietsers, zowel de voorzieningen als de routes, wordt een goede ontsluiting van cultuur en natuur in de omgeving gecreëerd. In alle beleidstukken, zoals omschreven in paragraaf 1.4 van de ladderonderbouwing, komt duidelijk naar voren dat men wil inzetten op het onderhouden en uitbreiden van routes om het wandelen, fietsen en paarrijden te stimuleren. Voor de doelgroepen die het vakantiepark wil aantrekken is een goede routestructuur een belangrijke reden om het park te bezoeken. Hier wordt met de ontwikkeling van het recreatiepark op ingespeeld.
De motivering van de locatie, zoals opgenomen in hoofdstuk 6 van de ladderonderbouwing blijft ongewijzigd. Gezien de aard en omvang van het plan kan het recreatiepark niet binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd worden. Het betreft immers een herontwikkeling van een bestaande camping naar een recreatiepark. Hiermee wordt er zorgvuldig met de ruimte in het buitengebied omgegaan. Zoals gemotiveerd in hoofdstuk 6 van de ladderonderbouwing is het concept afgestemd op een landelijke omgeving die juist de betreffende doelgroepen aantrekt. Daarnaast is er geen locatie binnen bestaand stedelijk gebied waar plannen zijn om op korte en/of middellange termijn een dusdanige recreatieve ontwikkeling te realiseren.
Het plan voldoet aan het Besluit kwaliteit leefomgeving voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet.
Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.
De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
Onderliggend initiatief valt onder
Voor deze projecten zijn in bijlage V bij het Omgevingsbesluit geen indicatieve drempelwaardes meer genoemd. Dit betekent dat het bevoegd gezag ongeacht de omvang van het betreffende project, bij de besluitvorming over een wijziging van het omgevingsplan in alle gevallen dient te beoordelen of het initiatief leidt tot aanzienlijke milieugevolgen en er aanleiding is tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Ten behoeve van dit besluit stelt de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie op die dient te voldoen aan de criteria uit Bijlage III van de 'Europese richtlijn betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'.
Voor dit project is een aanmeldingsnotitie opgesteld die in bijlage 5 is opgenomen.
Uit de conclusies van de onderzoeken in dit hoofdstuk 6 blijkt niet dat er sprake is van nieuwe bijzondere omstandigheden die leiden tot dermate belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu dat het maken van een milieueffectrapport alsnog een toegevoegde waarde zou hebben.
Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Op basis van de aanmeldnotitie en de conclusies van de geactualiseerde en aangevulde onderzoeken wordt geconcludeerd dat het opstellen van een milieueffectrapport in het kader van het milieuspoor niet nodig is. Voor deze ontwikkeling hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld en hoeft er geen verdere m.e.r. procedure te worden doorlopen.
Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:
Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.
Middels een onderzoek bedrijven en milieuzonering; rapport activiteiten milieuzonering 'Herontwikkeling Camping Internationaal De Priem (11 april 2025; ZUN020) is inzichtelijk gemaakt met welke richtafstanden b ij de invulling van het plan rekening moet worden gehouden. De rapportage is als bijlage 6 bijgevoegd.
De omgeving van het plangebied is, conform het vigerende bestemmingsplan, getypeerd als 'rustig buitengebied'.
Uit de uitgevoerde beoordeling blijkt dat de richtafstand van het recreatiepark niet over omliggende woonbestemmingen is gelegen. Naast het feit dat dit een reeds bestaande situatie betreft, wordt geconstateerd dat ter plaatse van omliggende woonbestemmingen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt geborgd (voor wat het recreatiepark aangaat) en geen sprake is van planologische beperkingen voor het recreatiepark. De richtafstand ligt wel over de locatie van de bedrijfswoning van het naastgelegen bestrating-/ tuinbedrijf. Middels een akoestisch rekenmodel is bepaald dat de te verwachten geluidbelasting op deze locatie, op basis van het stappenplan uit de VNG-publicatie, zorgt voor een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Daarnaast blijkt dat de richtafstanden van de ten oosten van het plangebied gelegen bedrijfsbestemming wel over het terrein van het recreatiepark zijn gelegen. Aangezien met het initiatief geen wijzigingen van de bestemmingen plaatsvinden, maar slechts enkele planologische aanpassingen noodzakelijk zijn, vindt geen wijziging van het leefklimaat plaats. Wat de richtafstanden vanuit de bedrijfsbestemming betreft zijn wel enkele aandachtspunten aangaande de locatie van de toekomstige recreatieverblijven. De bestaande en toegestane planologische mogelijkheden van het betreffende bedrijfsperceel worden niet beperkt door de voorgenomen beperkte planologische aanpassingen op het recreatiepark.
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen en activiteiten enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.
De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen de omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE).
Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Daarbij wordt getoetst aan de onderstaande waarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
| Geluidbronsoorten | Standaardwaarde in Lden (dB) | Grenswaarde in Lden (dB) | |||
|
Nieuwe geluidgevoelige gebouwen |
Aanleg of aanpassing bron |
||||
| Rijks- en provinciale wegen | 50 | 60 | 65 | ||
| Gemeente- en Waterschapswegen |
53 | 70 | 70 | ||
| Gemeente- en Waterschapswegen in uitleggebieden voor stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen en wijk-/buurtontsluitingswegen | 53 | 58 | 58 | ||
| Hoofd- en lokale spoorwegen | 55 | 65 | 70 | ||
Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) altijd gewaarborgd zijn.
Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen.
Wegverkeerslawaai
Het plan omvat nieuwe geluidgevoelige objecten. Om de geluidbelasting ten gevolge van de zoneringsplichtige geluidbronnen te onderzoeken is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd: rapport 'Akoestisch Onderzoek Wegverkeerslawaai Herontwikkeling Camping Internationaal Priem te Zundert' (11 april 2025; ZUN020). De rapportage is als bijlage 6.4 bijgevoegd.
Op basis van de resultaten uit het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai worden de volgende conclusies getrokken.
In het kader van deze procedure is conform het gestelde in de Omgevingswet een onderzoek uitgevoerd naar het geluid door wegen waarvan het geluidaandachtsgebied het plangebied overlapt. De geluidbelasting is getoetst aan het stelsel van standaardwaarden en grenswaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Uit de rekenresultaten volgt dat de geluidbelasting ter plaatse van de vakantieverblijven ten hoogste circa Lden 60 dB bedraagt, waarmee wordt voldaan aan de grenswaarde voor provinciale wegen. Opgemerkt wordt nogmaals dat het hier geen geluidgevoelige gebouwen betreft.
De enige relevante geluidbron wordt gevormd door het wegverkeer op de Rucphenseweg. Hierdoor is geen sprake van relevant gecumuleerd of gezamenlijk geluid. De berekende geluidbelasting vanwege de Rucphenseweg geeft daarmee een beeld van het geluidklimaat. Aangezien de geluidbelasting ten hoogste 60 dB bedraagt kan het geluid worden gekwalificeerd als “matig” tot “zeer goed”.
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.
In Afdeling 2.2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden, stikstof- dioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) mogelijk overschrijdingen verwacht. Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer een (wijziging van het) omgevingsplan activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide dan wel fijnstof in de buitenlucht, de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2.2. in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
| norm | ingangsdatum | ||
| Jaargemiddelde grenswaarde NO2 | 40 µg/m3 | 1-1-2015 | |
| Jaargemiddelde grenswaarde PM10 | 40 µg/m3 | 1-6-2011 | |
| Daggemiddelde grenswaarde PM10 | max. 35 dagen/jaar > 50 µg/m3 | 1-6-2011 | |
Een wijzigingsbesluit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien:
Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten. Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, alsmede een zogenaamde zorgplicht. Deze verplicht bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven worden geacht preventieve maatregelen te nemen.
De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
De gemeente Zundert is niet gelegen binnen het aandachtgebied voor luchtkwaliteit. De monitoringstool die in het kader van het CIML (Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt '17278718_10044083898435'; Rucphenseweg, Zundert'.
| categorie | grenswaarde | 2025 | 2030 | ||||||
| jaargemiddelde concentratie NO2 | 40 µg/m³ | 12,4 | 10,7 | ||||||
| jaargemiddelde concentratie PM10 | 40 µg/m³ | 14,0 | 13,1 | ||||||
| overschrijdingsdagen per jaar- gemiddelde concentratie PM10 | 35 | 6,0 | 6,0 | ||||||
Het plan leidt niet tot het overschrijden van een grenswaarde en een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde. Bovenstaande toont aan dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het besluitgebied aanvaardbaar is.
Daarnaast zijn de (negatieve) effecten van onderhavig plan op de luchtkwaliteit onderzocht met behulp van de NIBM-rekentool (www.infomil.nl). Aan de hand van de toename van het aantal verkeersbewegingen is beoordeeld of het plan al of niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van genoemde stoffen in de lucht.
Op onderstaande afbeelding is het resultaat van de rekentool weergegeven. Er is uitgegaan van 0 extra motortoertuigbewegingen per weekdagetmaal als gevolg van het plan, aangezien er ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden sprake is van een afname van het aantal motorvoertuigbewegingen. Hierbij is worstcase rekening gehouden met een aandeel van 5% vrachtvrachtverkeer.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Aanvaardbare geurhinder
De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.
Geurhinder door activiteiten
Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijk) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, gelden de regels uit de Bruidsschat. Op termijn worden de regels uit de bruidsschat geïntegreerd in het (permanente) omgevingsplan van de gemeente.
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
Enerzijds kan in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties door de gemeente medewerking verleend worden aan het voornemen indien veehouderijen door de voorgenomen planontwikkeling niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Anderzijds dient ter plaatse van het nieuw te realiseren geurgevoelig object sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat voor het aspect geur. Hierbij dient gekeken te worden naar zowel de achtergrond- als de voorgrondgeurbelasting.
Op basis van Kernregistratie dierenverblijven (KRD) van de provincie Noord-Brabant zijn in een straal van 2 kilometer 15 veehouderijen gelegen, waarvan 10 veehouderijen met vaste afstand dieren (VA-dieren) en 5 intensieve veehouderijen (OU-dieren). In navolgende afbeelding zijn al deze 15 veehouderijen weergegeven.
UITSNEDE KAART KRD VAN 17 JUNI 2024
Beoordeling milieurechten veehouderijen
Van aantasting van de milieurechten voor het aspect geur kan slechts sprake zijn indien de nieuw te realiseren geurgevoelige objecten de maatgevende beperking vormen voor een veehouderij. Er zijn tussen of op kortere afstand van de veehouderijen (zie voorgaande afbeelding) en het plangebied al bestaande geurgevoelige objecten aanwezig. Daarnaast wordt voor alle veehouderijen met enkel VA-dieren, waarvoor een vaste afstand van 50 meter tussen het dierenverblijf en geurgevoelige objecten dient te worden aangehouden, ruimschoots voldaan aan deze afstand. De intensieve veehouderijen liggen op een grote afstand (>1.500 meter) waardoor enerzijds reeds bestaande geurgevoelige objecten tussen of op kortere afstand zijn gelegen dan het plangebied en anderzijds kan worden gesteld dat ter plaatse van het plangebied zal worden voldaan aan de gestelde norm voor de geurbelasting van 14 OU. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de voorgenomen planontwikkeling geen inbreuk maakt op de bestaande milieurechten voor het aspect geur.
Planologische rechten
Van aantasting van de planologische geurrechten kan slechts sprake zijn indien de nieuw te realiseren geurgevoelige objecten de maatgevende beperking vormen voor een veehouderij. In de onderhavige situatie zijn tussen de veehouderij (bouwvlak) en het plangebied reeds bestaande geurgevoelige objecten gelegen. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat de planontwikkeling geen inbreuk maakt op planologische geurruimte van de in voorgaande afbeelding opgenomen veehouderijen.
Woon- en leefklimaat
De Omgevingsdienst Zuidoost Brabant (ODZOB) heeft online een geurkaart van de achtergrondgeurbelasting beschikbaar. Deze kaart is gebaseerd op informatie uit juni 2023. In navolgende afbeelding is een uitsnede van deze kaart weergegeven.
Woon- en leefklimaat
De Omgevingsdienst Zuidoost Brabant (ODZOB) heeft online een geurkaart van de achtergrondgeurbelasting beschikbaar. Deze kaart is gebaseerd op informatie uit juni 2023. In navolgende afbeelding is een uitsnede van deze kaart weergegeven.
UITSNEDE GEURKAART ACHTERGRONDBELASTING ODZOB
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied op geruime afstand is gelegen van omliggende intensieve veehouderijen (landbouwhuisdieren met geuremissiefactor) en bedraagt de achtergrondgeurbelasting (cumulatieve geurbelasting omliggende veehouderijen minder dan 3,0 OUE/m3 ter plaatse van het plangebied. Hiermee is het woon- en leefklimaat voor het milieu-aspect agrarisch geur te classificeren als 'zeer goed'.
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers:
Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodem-gevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein
direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Om de huidige bodemkwaliteit binnen het plangebied inzichtelijk te maken, is een vooronderzoek conform NEN5724 uitgevoerd: rapport Vooronderzoek NEN 5725 Rucphenseweg 51 te Zundert (11 september 2024; AM23404). De rapportage is als bijlage 8 bijgevoegd.
Op basis van de resultaten uit het vooronderzoek kan de onderzoekslocatie als “onverdacht” worden beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging. Als de bodem van de locatie op basis van de verkregen informatie uit het vooronderzoek “onverdacht” lijkt, dan kan in principe een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 achterwege blijven. Voorafgaand aan grondroerende activiteiten of nieuwbouw, kan om verontreiniging uit te sluiten een verkennend bodem onderzoek conform de NEN5740 strategie 'onverdacht' uitgevoerd worden.
Bij herinrichting van de locatie waarbij asfalt wordt verwijderd dient een asfaltonderzoek volgens de CROW 210 uitgevoerd worden.
De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem kan ter plaatse van de met puin verharde paden niet uitgesloten worden. Derhalve worden deze paden ter plaatse van de onderzoekslocatie als verdacht beschouwd op het voorkomen van asbest. In eerste instantie wordt geadviseerd om een verkennend onderzoek asbest in bodem conform de NEN 5707 uit te voeren.
Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit bodemkwaliteit in combinatie met de bodemvoorschriften voor milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het omgevingsplan (met bodemkwaliteitskaart) van toepassing.
Conclusie
De paden ter plaatse van de ondezoekslocatie worden als verdacht beschouwd op het voorkomen van asbest. In het kader van de nadere uitwerking van het ontwerp zullen de verachte plekken worden onderzocht indien dit nodig blijkt te zijn op basis van de definitieve inrichting van het recreatiepark.
Uit de resultaten van het vooronderzoek conform NEN5724 komt naar voren dat er een verkennend bodem-, asbest- en asfalt onderzoek noodzakelijk. Naar aanleiding hiervan is een verkennend bodem-, asbest- en asfalt onderzoek uitgevoerd (11 september 2024). Het onderzoek is als bijlage 9 opgenomen.
Op basis van de resultaten wordt het volgende geconcludeerd:
Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn plaatselijk bijmengingen met baksteen, beton, dakpan en menggranulaat waargenomen.
Asbest (NEN5707):
In de grove fractie (>20 mm) van asbestinpectiegat 16 zijn 14 stukjes asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. In asbestmonster ABM8 (asbestinpectiegat A16) is een sterk verhoogde asbestconcentratie in de fijne fractie aangetoond. De asbestconcentratie (grove en fijne fractie) overschrijdt hierdoor de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. Ter plaatse van ABM5 en AMB6 is een lichte verhoging met asbest in de fijne fractie aangetoond. In de overige onderzochte mengmonsters van de paden is geen asbest aangetoond.
Nabij asbestinspectiegat A16 is het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem noodzakelijk geacht om de ernst en omvang te bepalen. Ter plaatse van asbestinspectiegat A16 en de directe omgeving zijn zonder instemming van het bevoegd gezag geen grondroerende werkzaamheden toegestaan (graven of andere grondbewerking) vanwege de nog niet ingekaderde asbestverontreiniging in de bodem.
Bodem (NEN5740):
Uit de analyseresultaten blijkt ter plaatse van de voormalige boomgaard, de voormalige sloot en de bovengrondse dieseltank geen overschrijdingen van de interventiewaarde gemeten zijn. Het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek ten aanzien van de milieu hygiënische kwaliteit is gelet op de aangetroffen componenten en concentraties niet noodzakelijk geacht.
Asfalt
Uit de PAK-markertests en de PAK analyses blijkt dat het asfalt ter plaatse van de ingang teerhoudend is. Ter plaatse van de zuidelijke weg blijkt het asfalt geheel teervrij.
Algemeen
Algemeen wordt opgemerkt dat asbestverontreinigingen vaak door menselijk handelen veroorzaakt worden en daardoor vaak heterogeen verspreid zijn in de bodem aanwezig kunnen zijn. Dit wil zeggen dat de aan- of afwezigheid van asbest per kubieke meter sterk kan verschillen. Het bereikte resultaat is derhalve niet uitsluitend afhankelijk van de inspanning en ervaring van het onderzoeksbureau, maar ook van factoren die buiten onze invloedsfeer vallen. Hierop dient men bij grondwerkzaamheden altijd alert te zijn.
Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt van de locatie, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit bodemkwaliteit in combinatie met specifiek de bodemvoorschriften bij milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het omgevingsplan (met bodemkwaliteitskaart) van toepassing.
Uit de resultaten van het verkennend bodem-, asbest- en asfalt onderzoek komt naar voren dat er een verkennend bodem en nader asbestonderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit onderzoek (6 augustus 2025) is als bijlage 10 opgenomen.
Op basis van de resultaten wordt het volgende geconcludeerd:
Uit de analyseresultaten blijkt dat in de verdachte bovengrond en ondergrond ter plaatse van deellocatie A (paden) en B (asfaltverharde inrit) geen overschrijding van de interventiewaarde gemeten is. Plaatselijk zijn licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen of PAK vastgesteld. Het freatisch grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met enkele zware metalen of PAK (indicatieve bodemkwaliteitsklasse Wonen of Industrie).
De resultaten van dit bodemonderzoek ter plaatse van de onderzochte deellocaties geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem ter plaatse van deellocatie A en B vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Door het aanwezige asbest in het niet afgeschermde met puin verharde pad ter plaatse van SL4 is er sprake van een asbestweg in het kader van het Besluit asbestwegen.
Het is verboden om een weg die asbest bevat voorhanden te hebben. De asbestweg moet daarom gemeld worden bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Ook moet het asbest zo snel mogelijk verwijderd worden. Hiervoor moet een plan van aanpak ingediend worden bij de ILT.
Met bevoegd gezag is de afspraak gemaakt dat de sanering van het asfaltpad kan plaatsvinden voorafgaand aan de realisatiefase. Om te borgen dat voorafgaand aan de realisatie het asfaltpad gesaneerd wordt, is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Wel is er door het aanwezige asbest in het met puin verharde pad ter plaatse van SL4 sprake van een asbestweg. Ingeschat is ca. 17,5 m³ met asbesthoudend plaatmateriaal verontreinigd puin aanwezig (1 vak, 387 mg/kg d.s aangetoond). Bij de huidige of toekomstige terreininrichting kan worden volstaan met een beperkingenregistratie van de verontreiniging. De inhoud van de beheer- en/of monitoringsmaatregelen wordt door het bevoegd gezag bepaald. Hierbij dient de plaats, soort, mate van hechtgebondenheid en mate en omvang van de bodemverontreiniging nauwkeurig te worden geregistreerd in het gemeentelijke beperkingenregister. Ook kan het bevoegd gezag voorschrijven om beheermaatregelen te treffen om blootstelling aan de verontreiniging te voorkomen. Als de inrichting van de locatie wijzigt, dienen de locatiespecifieke risico’s opnieuw te worden beoordeeld.
Naast het Besluit asbestwegen moet bij het saneren rekening gehouden worden met de Arboregelgeving en eventuele veiligheidsmaatregelen conform de CROW 400. Voor het afvoeren van puin moet rekening gehouden worden met de afvalregelgeving. Naar verwachting is de aangetroffen met asbest verontreinigde zandige puinlaag reinigbaar (aanleveren bij een erkend verwerker). Opgemerkt wordt dat asbest in de bodem/puin vaak door menselijk handelen terecht is gekomen en hierdoor sterk heterogeen aanwezig kan zijn. Hierop dient men altijd alert te zijn bij grondroerende werkzaamheden elders binnen het plangebied.
Op de ontwikkelingslocatie staat nog enige bebouwing. Nadat de oude bebouwing gesloopt is moet worden aangetoond dat geen vermenging van sloopmateriaal heeft plaatsgevonden met de ondergrond. Om te borgen dat dit na sloop is aangetoond, is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Geadviseerd wordt om een voorwaarde voor aanvullende werkzaamheden op te nemen in de omgevingsvergunning om voor start van de (bouw)werkzaamheden, maar na de sloop, aan te tonen dat er geen vermenging heeft plaatsgevonden van sloopresten met de (boven)grond. Dat kan middels:
Voor de bestaande bebouwing (sta caravans en bergingen en direct omliggende ruimte, restaurant, schuur, receptie, woonhuis, zwembad en technische ruimte van het zwembad en
containerunits bij receptie is een asbestinventarisatie gedaan. De rapportages zijn als bijlage 11 en 12 bijgevoegd
Uit de astbestinventarisatie naar de sta caravans en bergingen en direct opliggende ruimte (bijlage 11) komt naar voren dat op het campingterrein asbesthoudende toepassingen zijn aangetroffen. Deze bronnen moeten vóór de sloop van de chalets en stacaravans verwijderd worden door een erkend asbestverwijderingsbedrijf.
Uit de astbestinventarisatie naar de entree gebouwen (bijlage 12) komt naar voren dat komt naar voren dat bij het restaurant, schuur, receptie, woonhuis, zwembad en technische ruimte van het zwembad en containerunits bij receptie asbesthoudende toepassingen zijn aangetroffen. Deze bronnen moeten vóór de sloop van deze gebouwen verwijderd worden door een erkend asbestverwijderingsbedrijf.
Wanneer na sloop blijkt dat de bodem onder het gebouw verdacht is op bodemverontreiniging moet alsnog een bodemonderzoek worden uitgevoerd. De verdachtmaking kan bijvoorbeeld zijn het aantreffen van ongedefinieerd puin of andere zintuiglijke afwijkingen zoals kooldeeltjes, brandstofplekken e.d. Deze aanvullende gegevens moeten ter goedkeuring voorgelegd worden aan de gemeente Zundert.
Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit bodemkwaliteit in combinatie met de bodemvoorschriften bij milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het omgevingsplan (met bodemkwaliteitskaart) van toepassing. Vaak wordt voorafgaand een partijkeuring vereist.
In het plan is rekening gehouden met de gestelde voorwaarden met betrekking tot asbest. Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.
Groepsrisico
Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden.
Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving.
Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.
AANDACHTSGEBIEDEN
Kwetsbare functies
Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie.
Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen:
Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan.
Om het aspect omgevingsveiligheid inzichtelijk te maken is een beschouwing omgevingsveiligheid uitgevoerd: rapport 'Beschouwing externe veiligheid' (12 november 2025, ZUN020). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 13.
In het rapport 'Beschouwing externe veiligheid' komt het naar voren dat het plangebied voor een deel binnen het brandaandachtgebied en het explosieaandachtsgebied ligt.
Brandaandachtsgebied
Het plangebied ligt wel binnen het brandaandachtsgebied van buisleidingen A-657, A-530 en A-614. De afstand in noordelijke richting tot de buisleidingen bedraagt respectievelijk circa 180 meter, circa 170 meter en circa 130 meter.
Op basis van de afstand tot de buisleidingen en het feit dat sprake is van een kleine verlaging van de personendichtheid binnen het aandachtsgebied van de buisleidingen, kan worden gesteld dat de ontwikkelingen binnen het plangebied een positieve invloed zullen hebben op het groepsrisico.
Ten aanzien van de risico’s binnen het brandaandachtsgebied kan gesteld worden dat een kans op een incident ontstaat bij (onderhouds)werkzaamheden aan of nabij buisleidingen. Aangezien deze werkzaamheden inplanbaar zijn, zullen ten tijde van werkzaamheden aan of in de nabijheid van de buisleidingen geen personen binnen het brandaandachtsgebied van de betreffende buisleiding(en) in het vakantiepark aanwezig zijn. Hiertoe dient overeenstemming met de leidingbeheerder, gemeente en de parkbeheerder te zijn.
Explosieaandachtsgebied
Binnen de naastgelegen inrichting Du Bois Sierbestratingen BV, gelegen aan de Rucphenseweg 49a te Zundert, is een propaantank aanwezig. Volgens een administratieve controle van de gemeente Zundert is de inhoud van deze tank 3 m³ en is de vulfrequentie 3x per jaar.
Het explosieaandachtsgebied van de propaantank bedraagt overeenkomstig de Atlas Leefomgeving 30 meter. Wordt deze afstand geprojecteerd over het plangebied blijkt dat ook geen recreatieverblijven binnen het EAG aanwezig zijn. Op de verbeelding is een gebiedaanduiding opgenomen met een zone waar gevoelige functies zijn uitgesloten.
Uit bovenstaande wordt geconcludeerd dat de propaantank geen aandachtspunt vormt voor de planontwikkeling.
Mochten er in de toekomst toch (beperkt) kwetsbate gebouwen binnen dit explosieaandachtsgebied gerealiseerd worden, dan dient rekening gehouden te worden met aanvullende bouwkundige en/of installatietechnische maatregelen.
Advies veiligheidsregio
In het advies heeft veiligheidregio aandacht gevraagd voor:
Op basis van het advies van de Veiligheidsregio is naast de reguliere ontsluiting een calamiteitenontsluiting voorzien in de noordoostzijde van het plangebied en worden bezoekers van het park geïnformeerd over de aanwezigheid van de hoge druk gasleiding. Daarnaast wordt een extra ontsluiting aan de zuidzijde van het plangebied gerealiseerd om op een veilige manier te kunnen vluchten. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de aanleg van een extra ontsluiting in de zuidzijde van het plangebied.
De tekening van het recreatiepark is in deze fase indicatief. Bij de invulling van het park worden onder andere wegbreedtes, bochtstralen en locaties van bluswatervoorzieningen meegenomen. Te zijner tijd zal ook de (voldoende) capaciteit per bluswatervoorziening bekend zijn. Om te borgen dat er voldoende bluswatervoorzieingen zijn voorzien, is in de de regels hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
De beoogde ontwikkeling heeft gevolgen voor de aspecten verkeer en parkeren. Om na te gaan in hoeverre er in de toekomstige situatie sprake zal zijn van een acceptabele verkeers- en parkeersituatie is een notitie opgesteld, waarin beide aspecten getoetst zijn. De notitie verkeer en parkeren herontwikkeling Rucphenseweg 51' (24 maart 2025; ZUN020) is als bijlage bijgevoegd.
Parkeren
Het beoogde verblijfsrecreatiepark zorgt voor een behoefte aan parkeerplaatsen, die op eigen terrein opgevangen moet worden. Ter plaatse geldt het gemeentelijke parkeernormenbeleid: de Nota parkeernormen 2020 van de gemeente Zundert. In dit beleidsdocument zijn parkeernormen opgenomen voor verschillende functies, die van toepassing zijn in de gemeente. Het plangebied valt in gebiedstype 'rest bebouwde kom'.
Onderstaande tabel toont de berekening van de parkeerbehoefte van het beoogde
verblijfsrecreatiepark, op basis van de geldende parkeernormen.
PARKEERBEHOEFTE TOEKOMSTIGE SITUATIE O.B.V. GEMEENTELIJKE PARKEERNORMEN
Op basis van de gemeentelijke parkeernorm bedraagt de minimale parkeerbehoefte afgerond 256 parkeerplaatsen. De maximale parkeerbehoefte bedraagt 271 parkeerplaatsen.
Verkeersgeneratie- en afwikkeling
De beoogde herontwikkeling van het plangebied zorgt voor een verandering van het aantal
verkeersbewegingen. Een hulpmiddel bij het berekenen van de verkeersaantrekkende werking van ruimtelijke ontwikkelingen zijn de landelijke kencijfers van het CROW1.
Met de CROW-kencijfers is de verkeersgeneratie van de huidige en toekomstige situatie
berekend en is de verkeerstoename als gevolg van het planvoornemen inzichtelijk gemaakt.
Nieuwe situatie
VERKEERSGENERATIE TOEKOMSTIGE SITUATIE
De toekomstige verkeersgeneratie van het plangebied bedraagt 468 verkeersbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag en 514 verkeersbewegingen per etmaal op een gemiddelde werkdag.
Huidige situatie
In de huidige situatie zijn in het plangebied verschillende functies mogelijk. Voor de functies die planologisch mogelijk zijn, is in onderstaande tabel de huidige verkeersgeneratie van het plangebied in beeld gebracht
VERKEERSGENERATIE HUIDIGE SITUATIE TOEKOMSTIGE SITUATIE O.B.V. VIGEREND BESTEMMINGSPLAN
Op basis van bovenstaande berekening bedraagt de huidige verkeersgeneratie van het plangebied 481 verkeersbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag en 529 verkeersbewegingen per etmaal op een gemiddelde werkdag.
Als gevolg van het planvoornemen neemt de verkeersgeneratie van het plangebied licht af met 13 verkeersbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag en 14 verkeersbewegingen per etmaal op een gemiddelde werkdag.
Verkeersafwikkeling
De verkeersgeneratie van het recreatiepark is, net als in de huidige situatie, het hoogst op wisseldagen. Op deze wisseldagen is sprake van een spreiding van aankomende en vertrekkende gasten. Het verkeer wikkelt af over de huidige ontsluitingsweg. Ter hoogte van de aansluiting van de huidige ontsluitingsweg op de N638 verspreidt het verkeer zich over beide richtingen en gaat het verkeer op in het heersende verkeersbeeld.
Vergeleken met hetgeen in de huidige situatie planologisch reeds mogelijk is, neemt de
verkeersgeneratie als gevolg van het planvoornemen af. Omdat sprake is van een verkeersafname, leidt de ontwikkeling niet knelpunten ten aanzien van de afwikkeling van het verkeer.
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming.
Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.
Daarnaast moet gekeken worden naar andere beschermde natuurgebieden, waaronder de bijzondere nationale natuurgebieden, bijzondere provinciale natuurgebieden (zoals Natuur Netwerk Brabant (NNB)/landschappen en Natuur Netwerk Nederland (NNN).
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als wel om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren.
Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000. De dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000 gebieden betreffen Brabantse Wal en Ulvenhoutse Bos, beiden gelegen op ongeveer 15 kilometer afstand van het plangebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is echter gelegen in België en betreft het gebied De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld. Dit is gelegen op circa 6,7 km ten zuiden van het projectgebied. Het plangebied valt deels binnen en grenst direct aan Natuurnetwerk Brabant (NNB).
Voor ontwikkelingen binnen en buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan enerzijds om verstorende effecten zoals geluid, licht en trillingen op natuurgebieden behorende tot het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en anderzijds om stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Verstorende effecten
Om na te gaan of voorliggend plan verstorende effecten op gebieden behorende tot Natuurnetwerk Nederland heeft, is een ecologische quickscan uitgevoerd: rapport 'Ecologische quickscan Camping De Priem te Zundert (20 mei 2024; 2024-064). Het onderzoeksrapport is als bijlage 15 bijgevoegd.
Op basis van de resultaten uit de ecologische quickscan kom naar voren dat het plangebied deels is gelegen binnen en grotendeels direct grenst aan Natuurnetwerk Brabant (NNB).
Ruimtelijke ontwikkelingen binnen NNB gebieden zijn niet toegestaan, tenzij kan worden aangetoond dat er geen negatieve effecten optreden op de wezenlijke waarden van het Natuurnetwerk. Dit kan door middel van een zogeheten “Nee, tenzij” toets. Een “Nee, tenzij” toets dient te worden uitgevoerd om eventuele negatieve externe effecten op NNB gebied in beeld te brengen.
Stiltegebied
Het plangebied maakt onderdeel uit van de Attentiezone Stiltegebied. De directe omgeving van het plangebied is aangemerkt als Stiltegebied. Daarom is een akoestisch onderzoek stiltegebied (d.d. 4 april 2025) uitgevoerd naar het geluid ter plaatse van het nabijgelegen stiltegebied door activiteiten binnen het recreatiepark. Het onderzoek is als bijlage 16 bijgevoegd.
Uit het onderzoek volgt dat het LAeq, 24 uur op 50 meter vanaf de grens van de locatie van de activiteit ten hoogste 43 dB(A) bedraagt, waarmee wordt voldaan aan de grenswaarde voor een aanvaardbare geluidbelasting vanwege een locatiegebonden milieubelastende activiteit in de Attentiezone stiltegebied.
Stikstofdepositie
Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie namelijk niet toenemen.
Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar. Om de effecten van het plan op de omliggende Natura2000-gebieden te bepalen is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig de 'Handreiking Passende Beoordeling Stikstofaspecten Bestemmingsplannen'. Het onderzoeksrapport (20 oktober 2025; ZUN020) is als bijlage 17 bijgevoegd.
Uit de uitgevoerde berekeningen naar de gebruiksfase en de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie niet meer dan 0,00 mol N/ha/jaar bedraagt. Het onderhavige plan zal afzonderlijk – of in combinatie met andere plannen – geen relevante significante cumulatieve effecten kunnen veroorzaken ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In het kader van een voortoets kunnen significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten waardoor het uitvoeren van een passende beoordeling niet aan de orde is.
Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Soortenbescherming
Om een indruk te verkrijgen van de (mogelijk) aanwezige beschermde planten- en diersoorten binnen het onderzoeksgebied is een ecologische quickscan uitgevoerd: rapport 'Ecologische quickscan Camping De Priem te Zundert (20 mei 2024; 2024-064) en is voor het laatst geactualiseerd op 17 september 2024. In deze actualisatie zijn de volgend onderdelen meegenomen:
Het geactualiseerde rapport is als bijlage 15 bijgevoegd.
Op basis van de resultaten uit de ecologische quickscan wordt het volgende geconcludeerd:
De voorgenomen ontwikkeling kan niet plaatsvinden, zonder kans op overtreding van bepalingen uit de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek dient inzicht te verschaffen in de kans op overtredingen van bepalingen uit de Wet natuurbescherming. Onderstaand overzicht geeft een samenvatting welke aanvullende onderzoeken noodzakelijk zijn of welke beperkingen er zijn ten aanzien van de uitvoeringsperiode. Vanuit deze ecologische quickscan komt naar voren dat er aanvullend onderzoek noodzakelijk is naar:
Gebiedsbescherming:
Er dient een toetsing uitgevoerd te worden naar eventuele negatieve externe) effecten op het NNB. Voor deze toetsing wordt verwezen naar paragraaf 5.2.2.1.
De conclusie hiervan is als volgt.
Het deel van het plangebied gelegen binnen het NNB, zijnde een deel van de groenstrook rondom het park, blijf in stand en wordt versterkt. Via de regels in dit plan is de instandhouding geborgd en zijn ontwikkelingen ter plaatse niet toegestaan. Verder leidt het plan niet tot negatieve externe effecten op het omringende NNB, zie paragraaf 5.2.2.1.
Soortenbescherming:
Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht te allen tijde van toepassing is.
Bescherming van houtopstanden
De Wnb voorzag in bepalingen ten aanzien van onder meer beschermde houtopstanden. Met betrekking tot deze specifieke zorgplicht is dit nu uitgewerkt in de artikelen 11.111 t/m 11.133 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Naast de bescherming van natuurgebieden en de bescherming van soorten wordt vanuit de Omgevingswet aandacht besteed aan de bescherming van houtopstanden. Er kan sprake zijn van een meldplicht, herplantplicht of een kapverbod bij houtopstanden buiten de bebouwde kom groter dan 0,1 hectare of met meer dan 20 laanbomen. Om niet in overtreding te komen van de Omgevingswet dient voorafgaand aan werkzaamheden in de fysieke leefomgeving, een ecologische quickscan uitgevoerd te worden. In deze quickscan wordt in beeld gebracht of er een risico bestaat op het overtreden van verbodsbepaling ten aanzien van de algemene en de specifieke zorgplicht met betrekking tot beschermde natuurgebieden, beschermde soorten en beschermde houtopstanden.
Conclusie
Op basis van de resultaten uit de ecologische quickscan wordt geconcludeerd dat een soortgericht onderzoek naar de vleermuis, eekhoorn, marterachtigen, alpenwatersalamander, poelkikker, rugstreeppad, Vinpootsalamander, de Gladde slang en de levendbarende hagedis uitgevoerd dient te worden. Daarnaast dient met een 'Nee,tenzij' toets eventuele negatieve externe effecten op het NNB gebied in beeld gebracht te worden. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het slopen, bouwrijp maken en bouwen dient aangetoond te zijn dat er geen verstoring van de leefomgeving van deze soorten plaatsvindt.
Vanuit de quickscan is geconcludeerd dat nader ecologisch onderzoek nodig is naar de aan-/afwezigheid van vleermuizen, kleine marterachtigen, eekhoorn en reptielen en
amfibieën, ten aanzien van het onderdeel soortenbescherming. Daarnaast werd
geconcludeerd dat een “Nee, tenzij” toets dient te worden uitgevoerd om eventuele negatieve externe effecten op NNB gebied in beeld te brengen.
In de rapportage (september 2025; 2024-115) zijn de resultaten gepresenteerd van het endoscooponderzoek vleermuizen, het onderzoek naar de nader te onderzoeken soorten, zoals uit de quickscan naar voren komt en zijn de mogelijke effecten op NNB in beeld gebracht middels een 'Nee, tenzij' toets. Hieronder wordt kort ingegaan op de resultaten. De rapportage is als bijlage 18 bijgevoegd.
Endoscooponderzoek vleermuizen
Op basis van het endoscooponderzoek, waarbij de risicovolle bomen en bebouwing zijn onderzocht op geschiktheid van eventuele verblijfplaatsen voor vleermuizen, zijn de risicobomen in beeld gebracht op de volgende kaart.
De groene punten op de kaart staan voor de bomen die tijdens de ecologische quickscan zijn beoordeeld op basis van de aanwezigheid van holtes die van onderaf niet te beoordelen waren op geschiktheid als verblijfplaats. Uit het endoscooponderzoek blijkt dat dat deze holtes niet geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen, omdat deze niet of niet voldoende zijn ingerot. De rode punten staan voor de bomen die na onderzoek op hoogte, wel holtes bevatten die voldoende zijn ingerot. Daarmee zijn deze bomen eventueel geschikt als verblijfplaats. Deze risico bomen zijn in de regels en op de verbeelding van dit plan opgenomen als 'te behouden bomen'.
Tijdens het endoscooponderzoek zijn in het voormalige horecagebouw locaties aangetroffen die geschikt zouden kunnen zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Dit gebouw blijft niet in de huidige vorm behouden. Deze locatie is opgenomen in het jaarrond onderzoek. De resultaten van het onderzoek worden in dit plan verwerkt voor dat het plan ter vaststelling wordt aangeboden. Tijdens de eerste uitgevoerde vleermuisinventarisatie gedurende de kraamperiode van 2025 waren er bij de aanwezige onderzoekers aanwijzingen dat er vanuit de richting van chalets op het recreatiepark vleermuizen afkomstig waren. Hierdoor is direct opgeschaald in de onderzoeksopzet en zijn de betreffende chalets in het jaarrond vleermuisonderzoek meegenomen (2025-62; 21 oktober 2025). Het jaarrond vleermuizenonderzoek is als bijlage bijgevoegd. Op basis van de resultaten uit dit onderzoek komt naar voren dat vleermuizen gebruik maken van het projectgebied. Er zijn drie zomerverblijven, waarvan één tevens paarverblijf, van een gewone dwergvleermuis in het horecagebouw. Daarnaast is er een kraamverblijf en een vermoedelijk kraamverblijf vastgesteld van gewone dwergvleermuis in twee hogere chalets. In een boom is een paarverblijf van een ruige dwergvleermuis vastgesteld.
De uitvoering van de gewenste ruimtelijke ingreep heeft een negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van vleermuizen en in dit geval van gewone dwergvleermuizen. Bij het verdwijnen van één, mogelijk twee, kraamverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis heeft dit negatieve gevolgen voor de lokale populatie gewone dwergvleermuizen. Het verdwijnen van de drie zomerverblijven en tevens één paarverblijf van waarschijnlijk één gewone dwergvleermuis man, heeft nadelige gevolgen voor het individu, maar niet voor de gunstige staat van instandhouding van de populatie gewone dwergvleermuizen. Gewone dwergvleermuizen hebben doorgaans een netwerk van minimaal vijf verschillende verblijven. In dit geval komen er door de ingreep drie verblijven van dit netwerk te vervallen.
Er dient een vergunning flora en fauna activiteiten aangevraagd worden bij het bevoegd gezag van de Provincie Noord-Brabant middels het Omgevingsloket.nl voor overtreding van het volgende artikel in de Omgevingswet: Artikel 11.46 lid 1.b en 1.d van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) behorende bij de Omgevingswet (Rijksoverheid, 2024):
b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a;
d.het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a”.
Kleine marterachtigen
Kleine marterachtigen maken geen gebruik van het projectgebied. Steenmarter en boommarter zijn wel aangetroffen gedurende de onderzoeken. Beide soorten hebben geen vaste verblijfplaatsen met voortplantingsfunctie binnen het projectgebied, maar maken wel gebruik van het projectgebied om te foerageren. Daarnaast is de aanwezigheid van tijdelijke, wisselende verblijfplaatsen niet uit te sluiten.
Steenmarter en boommarter
Van deze soorten komen tijdelijke, wisselende verblijfplaatsen te verdwijnen bij het weghalen van vervallen chalets. bij het verdwijnen van verblijfplaatsen van steenmarter en boommarter is sprake van een overtreding van artikel 11.54, lid 1b, van het Bal.
Eekhoorn
Eekhoorn maakt gebruik van het projectgebied. De exacte locaties van in gebruik zijnde nesten is niet bekend, waardoor ervan uit kan worden gegaan dat alle aangemerkte potentiële nestbomen in gebruik zijn. Bij de voorgenomen ontwikkeling kunnen, als potentiële nestbomen worden gekapt of de directe omgeving drastisch verandert, verblijfplaatsen komen te verdwijnen. Bij het verdwijnen van verblijfplaatsen van eekhoorn is sprake van een overtreding van artikel 11.54, lid 1b, van het Bal.
Alpenwatersalamander en vinpootsalamander
Alpenwatersalamander en vinpootsalamander maken gebruik van het projectgebied als landhabitat. Beide soorten zijn aangetroffen tijdens de soortspecifieke onderzoeken. Beschermde reptielen, zoals gladde slang en levendbarende hagedis, maken geen gebruik van het projectgebied. bij de voorgenomen ontwikkeling verdwijnt geschikt landhabitat, bij het verdwijnen van landhabitat van Alpenwatersalamander en vinpootsalamander is sprake van een overtreding van artikel 11.54, lid 1b, van het Bal.
Konijn en bosuil (rode Lijst soorten)
Naast de onderzochte soorten zijn de Rode Lijst soorten konijn en bosuil waargenomen tijdens de onderzoeken. Konijn maakt gebruik van het projectgebied en heeft hier vaste verblijfplaatsen. Bosuil maakt alleen gebruik van het projectgebied om hierbinnen op prooidieren te jagen. Er zijn geen nesten van bosuil aanwezig binnen het projectgebied. Bij de voorgenomen ontwikkeling komen verblijfplaatsen van het konijn te verdwijnen. Bij het verdwijnen van verblijfplaatsen van het konijn is sprake van een overtreding van artikel 11.54, lid 1b, van het Bal.
Het is noodzakelijk om voorafgaand aan de werkzaamheden voor de vleermuizen, steenmarter, boommarter, eekhoorn,alpenwatersalamander, vinpootsalamander en het konijn een omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit aan te vragen. Daarnaast dienen werkzaamheden met risico’s voor beschermde soorten onder ecologische begeleiding te worden uitgevoerd. Op basis van een eventueel verleende vergunning flora- en fauna- activiteiten dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld, waarin onder andere wordt vastgelegd op welke wijze met beschermde soorten dient te worden omgegaan en op welke momenten ecologische begeleiding aanwezig dient te zijn.
'Nee, tenzij' toets
Voor het onderzoek naar Natuurnetwerk Brabant (NNB) is een “Nee, tenzij” toets uitgevoerd. Deze “Nee, tenzij” toets is opgenomen in het ecologisch vervolgonderzoek (september 2025; 2024-115; bijlage 18 ) . In deze toets zijn de effecten van de ingreep op NNB in beeld gebracht. Er is een aanvullend veldbezoek aan het projectgebied gebracht op 29 januari 2025, waarbij specifiek gekeken is naar de huidige aanwezige natuurwaarden binnen nabijgelegen NNB gebied. Deze natuurwaarden mogen door de voorgenomen ontwikkelingen niet verslechteren. Nieuwe inzichten vanuit latere veldbezoeken tijdens de soortspecifieke onderzoeken zijn eveneens meegenomen in de beoordeling bij de oplevering van de rapportage.
De structuur, de ruimtelijke condities en de flora en fauna binnen het NBB van het projectgebied heeft geen hoge waarde. Hierdoor hebben de voorgenomen ontwikkelingen geen negatieve effecten op dit NNB gebied.
Beschermde houtopstanden
Ten aanzien van beschermde houtopstanden is er wel sprake van negatieve effecten bij kap. De bomen binnen het projectgebied bevinden zich buiten de bebouwingscontour houtkap, waardoor sprake is van beschermde houtopstanden. Bij kap van bomen binnen het projectgebied dient een kapvergunning te worden aangevraagd en kan een herplantplicht worden opgelegd.
Conclusie
Uit de resultaten van de ecologische vervolgonderzoeken wordt geconcludeerd dat voor de vleermuizen, steenmarter, boommarter, eekhoorn, alpenwatersalamander, vinpootsalamander en het konijn sprake is van een overtreding van artikel 11.54, lid 1b, van het Bal. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient voor deze soorten een omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit te worden aangevraagd. Ten behoeve van de aanvraag moet een mitigatie- en compensatieplan worden opgesteld. De verwachting is dat op basis hiervan zicht is op het verkrijgen van de benodigde vergunning. Voor de overige soorten zijn geen negatieve effecten te verwachten als gevolg van de ontwikkeling. Bij kap van bomen binnen het projectgebied dient een kapvergunning te worden aangevraagd en kan een herplantplicht worden opgelegd. Er is geen sprake van negatieve effecten ten aanzien van Natuurnetwerk Brabant
(NNB) gebieden.
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan, mits er voorafgaand aan de werkzaamheden voor de vleermuizen, steenmarter, boommarter, eekhoorn, alpenwatersalamander, vinpootsalamander en het konijn een omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit is verleend.
Voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling kan plaatsvinden, moeten gemeente en waterschap instemmen met de wijze waarop met het aspect water in het plan wordt omgegaan. In de notitie 'Weging van het waterbelang: Ontwikkeling recreatiepark Zundert' (11 april 2025; ZUN020) wordt beschreven op welke wijze rekening gehouden wordt met de waterhuishoudkundige aspecten en met de wensen en voorwaarden van de waterbeheerder. Het waterbelang wordt hierin gewogen. Dit gebeurt voor alle wateraspecten: grondwater, oppervlaktewater, regenwater en afvalwater. Hiervoor zijn de relevante uitgangspunten zoals het beleid, de omgeving, de bodemopbouw en de grondwaterstanden beschreven. De notitie is als bijlage 20 bijgevoegd.
Rijksbeleid
Nationaal Water Programma 2022-2027
In het Nationaal Water Programma 2022 - 2027 worden de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen beschreven aan de hand van drie hoofdambities voor het waterbeleid:
Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
Het huidige beleid van het Rijk, de provincie, de waterbeheerder en de gemeente is gericht op duurzaam waterbeheer. Het Rijk heeft het advies van de Commissie Waterbeheer 21ste eeuw onderschreven en heeft afspraken over de uitvoering hiervan in het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) vastgelegd.
In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) hebben rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken het beleid van WB21 en de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) uit te voeren. Het NBW houdt simpel gezegd in dat de watersystemen in 2027 op orde moeten zijn wat betreft waterkwantiteit (WB21) en kwaliteit en ecologie (KRW).
Provinciaal beleid
Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022 - 2027
Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen.
Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie.
Beleid waterschap Brabantse Delta
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is ook de waterschapsverordening van het waterschap Brabantse Delta van kracht geworden. De waterschapsverordening is een aanvulling op regels uit de Omgevingswet. De waterschapsverordening is van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en dijken (waterkeringen) die in beheer zijn bij het waterschap. De waterschapsverordening geeft aan wat er en wel en niet mag en welke plichten er zijn (voorheen waren deze regels vastgelegd in de Keur van het waterschap). Voor nieuwe ontwikkelingen zijn de hydrologische uitgangspunten bij de waterschapverordening voor afvoeren van hemelwater van belang.
Bij toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding of afkoppelen van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert.
Wanneer er sprake is van een toename van verhard oppervlak van 500 m2 tot en met 10.000 m2 wordt de rekenregel toegepast:
De gevoeligheidsfactor is een indicatie naar de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼, ½ en 1.
Gemeentelijk beleid
Waterbeleid gemeente Zundert
De Gemeente Zundert hanteert in haar beleid, dat is vastgesteld in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (V-GRP 2016-2020), ten aanzien van de afkoppeling van regenwater bij nieuwbouw dat het regenwater bij in- en uitbreidingen gescheiden ingezameld dient te worden. Waar mogelijk moet het regenwater kunnen infiltreren in de bodem of afwateren op lokaal oppervlaktewater. Zowel bedrijven als particulieren dienen het hemelwater te verwerken in of op het eigen terrein. De gemeente Zundert sluit zich wat betreft waterbergingsnorm aan bij de richtlijnen van het waterschap Brabantse Delta.
De gemeente Zundert heeft in het GRP Zundert 2016 – 2020 de vereiste ontwateringsdiepte voor nieuwbouw als volgt gedefinieerd:
Oppervlaktewater
De ligging van het plangebied en de nabijgelegen legger-watergangen zijn weergegeven op onderstaande uitsnede. Het plangebied ligt in Zundert. Er liggen secundaire watergangen in en rond het plangebied.
LIGGING PLANGEBIED EN AANWEZIG OPPERVLAKTEWATER IN OMGEVING PLANGEBIED
Maaiveldniveau
Met behulp van de AHN4 is het maaiveldniveau van het terrein in beeld gebracht. Het maaiveldniveau van het plangebied varieert van NAP +10,7 m tot NAP +13,6 m. Op het perceel is het maximale verschil 3 m.
Bodemopbouw
Met behulp van de Bodematlas is het bodemtype van de ondiepe bodem afgebeeld. De locatie van het plangebied is geclassificeerd tot “Hn21”: Veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand. Volgens het grondwaterzakboekje van Bram Bot 2011 geldt dat zavel een globale horizontale doorlatendheid (k) heeft tussen de 1-10 m/dag.
Met behulp van Dinoloket is de bodemopbouw van de projectomgeving in beeld gebracht. Op basis van het geohydrologische model REGIS II v.2.2. liggen vanaf maaiveld tot NAP +10 m twee verschillende zandige eenheden onder elkaar, namelijk formatie van Boxtel en de formatie van Stramproy. Daarna komt een kleiachtige laag van de Formatie van Stramproy vanaf NAP + 8,2 m tot NAP + 10,7 m. Deze kleilaag ligt vrij dicht bij maaiveld op sommige plekken circa 1 m onder maaiveld. Na de eerste kleilaag komt opnieuw een zandige formatie van Stramproy met een dikte van circa 3 tot 4 m. Daarna komt een kleiachtige formatie van Waalre van minimaal 4 meter dik. De kleilaag, de formatie van Stramproy, zal een belemmering zorgen voor de infiltratie.
Grondwaterstanden
Op basis van grondwatertools.nl is de grondwaterstroming naar het noordoosten is gericht. Bij het plangebied bevindt zich de freatische grondwaterstand tussen de NAP +10,0 m en NAP +10,5 m.
Met behulp van het DINOloket is nagegaan waar zich in de omgeving peilbuizen bevinden die de actuele freatische grondwaterstand en de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket meten. Hieruit blijkt dat drie peilbuizen met recente metingen in de omgeving van de projectlocatie aanwezig zijn (zie onderstaande afbeelding). Het gaat hierbij om de peilbuizen B49F0321, B45A0403 en B45A0494 met de gemeten dieptes weergegeven in onderstaande tabel.
PEILBUIZEN
| GHG | GLG | |
| B50A0494 | 10,5 | 8,9 |
| B50A0403 | 10,1 | 8,6 |
| B45F0231 | 11,3 | 9,8 |
FILTERSTELLING VAN DE PEILBUIZEN
Tussen de grondwaterstanden van de peilbuizen zitten sterke verschillen zitten in het gebied. Peilbuis B50A0403 ligt het dichtst bij het plangebied. Daardoor is de representatieve peilbuis voor het plangebied B50A0403. Omdat de peilbuizen meten in het eerste watervoerende pakket en de kleilaag vlak onder maaiveld ligt, kan alleen de GHG worden bepaald in het eerste watervoerende pakket. Dit zorgt voor een GHG van het plangebied van NAP +10,1 m.
Dit zou betekenen dat op een aantal plekken op het perceel het minimale verschil tussen het maaiveld en de GHG 0,6 m is.
Bijstelling GHG en grondwatermonitoring
Naar aanleiding van de bepaalde GHG op basis van bureaustudie heeft waterschap Brabantse Delta haar twijfels geuit over de bepaalde GHG. Het waterschap heeft hierbij naar modeldata gekeken in het BRO loket. Op basis van dit model verwacht het waterschap dat de grondwaterstanden hoger zullen liggen dan NAP+10,1 meter. Door de variatie in zowel de ondergrond als het maaiveld verwacht het waterschap ook best wel wat verschillen op het terrein. Verwacht wordt dat de gemiddelde GHG over het terrein eerder richting de NAP+10,5 tot NAP +10,75 meter zal gaan.
De bepaling van de GHG heeft effect op de gewenste perceelhoogten om grondwateroverlast vrij te bouwen. Naar aanleiding van deze reactie van het waterschap heeft initiatiefnemer in februari 2025 op 3 plekken binnen het plangebied een peilbuis geplaatst om de grondwaterstanden over tenminste een periode van 6 maanden te monitoren. De locaties van de peilbuizen zijn weergegeven op de volgende indicatieve inrichtingsschets. Zo wordt inzichtelijk of er binnen het perceel verschillen in grondwaterstanden zijn te verwachten.
LOCATIES BORINGEN EN INFILTRATIEMETINGEN
Grondwaterstanden in februari 2025
Ter plaatsen van de peilbuizen wordt de grondwaterstand de komende periode gemeten. Ten tijde van he onderzoek zijn de grondwaterstanden gemeten zoals weergegeven in de volgende tabel. De grondwaterstanden zijn binnen het gebied best verschillend en met name PB3 geeft een behoorlijk verschil in hoogte ten opzichte van de andere twee peilbuizen. Het waterschap heeft eerder ook al aangegeven dat deze omgeving een behoorlijke fluctuatie van grondwaterstanden kent. Momenteel vindt monitoring van de grondwaterstanden plaats en over 3 maanden wordt de peilbuizen voor de eerste keer uitgelezen. Dan kan worden beoordeeld of de grondwaterstand in het noordelijk deel werkelijk hoger ligt dan in het zuidelijk deel.
Doorlatendheid / infiltratieonderzoek
Op 26 februari 2025 is een infiltratieonderzoek uitgevoerd in het plangebied door Milbotech. Op de locatie zijn 3 infiltratiemetingen (I01-I03) uitgevoerd en 3 peilbuizen (PB01-PB03) geplaatst. Meting I01 is uitgevoerd in een boorgat met een diepte van 1 m -mv en I02 en I03 in boorgaten met een diepte van 1,5 m -mv. PB01 en PB02 hebben een filterdiepte van 2,13 m -mv tot 3,13 m –mv en PB03 heeft een filterdiepte van 2,1 m -mv tot 3,1 m -mv.
De doorlatendheid is matig tot vrij goed voor de matig fijne zandlaag, die kleiig is en de matige fijne zandlaag, die zwak siltig is en laagjes veen bevat is vrij goed doorlatend.
Binnen het plangebied zijn wel degelijk kansen voor infiltratie van hemelwater maar in de winterperiode staat de grondwaterstand behoorlijk hoog waardoor infiltratie op die momenten niet mogelijk is en dan sprake zal zijn van afvoer van hemelwater naar oppervlaktewater.
Bestaande riolering
De bestaande riolering op campingterrein is een vrijvervalriolering. Het afvalwater wordt met een gemaal verpompt naar de gemeentelijke riolering.
Ontwateringsdiepte en bouwpeilhoogten
De grondwaterstanden in het plangebied kunnen relatief hoog staan ten opzichte van het huidige maaiveld. Om voldoende ontwateringsdiepte te realiseren is het noodzakelijk om gedeelten van het plangebied op te hogen. Belangrijk is dat ophoging niet leidt tot wateroverlast bij lagere percelen.
In het recreatiepark wordt een deel van de bestaande bomen behouden. Het maaiveldniveau ter plaatse van deze bomen is mede bepalend voor de hoogten binnen het plangebied. Bij de civieltechnische uitwerking worden de hoogten definitief bepaald en worden ook de gemeten grondwaterstanden gebruikt voor het bepalen van de hoogten zodat wateroverlast vrij gebouwd gaat worden.
Geadviseerd wordt om de bouwpeilen van de vakantiewoning 0,2 m tot 0,3 m hoger dan het straatpeil aan te leggen zodat het risico van water in de woningen daarmee wordt beperkt.
Wijze berekening verhard oppervlak
Het verhard oppervlak in de huidige situatie is bepaald aan de hand van luchtfoto's. Bij de percelen van de vakantiewoningen en erven is ingeschat dat 80% van deze percelen zijn verhard in de huidige situatie.
Voor de nieuwe situatie wordt ervan uitgegaan dat nieuwbouw en verharding voor 100 % verhard zijn. De parkeerplaatsen worden uitgevoerd in halfverharding, hier wordt uitgegaan van 50 % verhard.
Mogelijkheden voor infiltratievoorzieningen
De doorlatendheid is matig tot vrij goed voor de matig fijne zandlaag, die kleiig is en de matige fijne zandlaag, die zwak siltig is en laagjes veen bevat is vrij goed doorlatend.
Binnen het plangebied zijn wel degelijk kansen voor infiltratie van hemelwater maar in de winterperiode staat de grondwaterstand naar verwachting behoorlijk hoog waardoor infiltratie op die momenten niet mogelijk is en dan sprake zal zijn van afvoer van hemelwater naar oppervlaktewater.
Leegloopeis
Het waterschap Brabantse Delta hanteert tegenwoordig een ledigingstijd van maximaal 48 uur. Indien de infiltratievoorziening niet kan voldoen aan een leeglooptijd van 48 uur, dan kan een leegloopvoorziening worden geïmplementeerd.
In overleg met het waterschap is bepaald dat een vertraagde leegloop enkel aan de zuidoostzijde van het recreatiepark mag plaatsvinden naar de waterloop die afvoert richting de Turfvaart.
Oppervlakte watersysteem
In overleg met het waterschap is bepaald dat een vertraagde leegloop enkel aan de zuidoostzijde van het recreatiepark mag plaatsvinden naar de waterloop die afvoert richting de Turfvaart.
Berekening waterbergingsopgave
De eis van de gemeente is dat voor al het nieuw verhard oppervlak 60 mm waterberging per m² verharding moet worden gerealiseerd. Op basis van deze eis bedraagt de wateropgave, bij een verhard oppervlak van 26.075 m2, in totaal 1.565 m3.
Voorstel wijze van waterberging
Bekend is dat het plangebied, door onder andere een lage ligging in een deel van het plangebied, gevoelig is voor wateroverlast. Om die reden hebben zowel gemeente als waterschap gevraagd om voor het recreatiepark een robuust watersysteem te ontwerpen.
Vanwege de relatief hoge grondwaterstanden wordt ervoor gekozen om bovengrondse waterbergingen te realiseren. Dit leidt bovendien tot zichtbaar water en dat is voor de beleving van de bezoekers van het recreatiepark heel passend. Bovengrondse voorzieningen zijn makkelijker te onderhouden en je ziet wat er gebeurt bij regenval.
Het realiseren van een dergelijke voorziening kan worden gedaan door de terreinprofilering zodanig vorm te geven dat regenwater in de groenvoorziening kan worden geborgen en van daaruit infiltreert in de bodem en vertraagd leegloopt naar oppervlaktewater wanneer infiltratie niet voldoende snel gaat. Belangrijk is namelijk wel dat de waterberging na een regenbui binnen 48 uur weer beschikbaar is voor een volgende regenbui.
Bestaande waterloop door recreatiepark
Door het recreatiepark loopt een bestaande waterloop die water transporteert van omliggende percelen rondom het park. Deze waterloop wordt gehandhaafd en niet gekoppeld aan het watersysteem van het recreatiepark. Hierdoor kan de afvoer van deze waterloop gehandhaafd blijven en in noordwestelijke richting uit het recreatiepark stromen. Dit is ook weergegeven in de volgende afbeelding.
Beschrijving waterberging binnen het plangebied
In het huidige ontwerp voor het recreatiepark is een oppervlak van 3.403 m2 vrijgemaakt voor nieuwe waterbergingen. In de volgende afbeelding zijn de locaties van de beoogde waterbergingen en genummerd van 1 tot en met 11 weergegeven.
Voor het plangebied zijn op dit moment nog niet alle toekomstige hoogten bekend. Bekend is dat het centrale deel lager ligt dan het noordelijk en zuidelijk deel. Hoewel maaiveldhoogten nog niet bekend zijn verwachten we dat de waterbergingen in het centrale deel minder diep kunnen worden aangelegd dan de waterbergingen in het noorden (1 en 2) en het zuiden (9 en 11). De initiatiefnemer wil namelijk ook een deel van de bestaande bomen behouden waardoor hoogten niet overal aangepast kunnen worden. In de berekening van de te realiseren waterberging is ervan uitgegaan dat in het huidige lagere deel met minder waterhoogte wordt gerekend, zoals ook weergegeven in de volgende tabel. Dit leidt tot een waterbergende inhoud van 1.625 m3. Hiermee wordt voldaan aan de wateropgave.
WATERBERGINGSINPASSING BINNEN HET PLANGEBIED
Leegloop
De infiltratiewaarden van de ondergrond laten zien dat infiltratie binnen het vakantiepark mogelijk is. Echter de grondwaterstanden kunnen zeker in de winterperiode best hoog komen te staan waardoor het kan zijn dat de waterbergende voorziening niet voldoende snel leeglopen door infiltratie in de bodem. Om die reden is voorzien in een vertraagde leegloop naar oppervlaktewater. Met het waterschap is de afspraak gemaakt dat enkel afvoer mag plaatsvinden naar de zuidelijk gelegen afvoerende waterloop. In bovenstaande afbeelding is te zien dat er vanuit een aantal waterbergingen een vertraagde leegloop wordt gerealiseerd naar een andere waterberging zodat de vertraag leegloop uit komt bij de zuidelijk gelegen waterloop.
Vanuit waterberging 4 wordt een vertraagde afvoer door middel van een pompinstallatie voorzien omdat vanwege de lagere ligging van het centrale terrein verwacht wordt dat afvoer onder vrijverval niet mogelijk is. Voor de andere waterbergingen wordt wel een afvoer onder vrijverval voorzien naar oppervlaktewater. Waterberging 1 en 10 krijgen vooralsnog geen vertraagde afvoer omdat hier maar een heel beperkt oppervlak op wordt aangesloten.
Overstort
Voor het geval de bergingsinhoud ter plaatse van de voorzieningen overbelast raakt dient een overstortmogelijkheid (escape) te worden voorzien.
Belangrijk is dat bij de civieltechnische uitwerking kritisch wordt gekeken naar de hoogten in het plangebied zodat water oppervlakkig af kan stromen richting de verschillende waterbergende voorzieningen en dat een nood overstort naar oppervlaktewater wordt gerealiseerd.
Nieuwe riolering
Omdat er eerder ook al een camping aanwezig was op deze locatie is de verwachting dat de hoeveelheid huishoudelijk afvalwater niet veel groter wordt dan in de oorspronkelijke situatie. Vanuit de bezoekers en medewerkers wordt een afvalwaterhoeveelheid van circa 80 m3/dag op het vuilwatersysteem van de Gemeente Zundert verwacht. Er wordt vanuit gegaan dat het gemeentelijk stelsel deze hoeveelheid afvalwater kan verwerken omdat er eerder ook al een camping aanwezig was op deze locatie. In de volgende fase volgt een concrete uitwerking van het afvalwatersysteem op het park.
Voor de weging van het waterbelang is naar de volgende aspecten gekeken: grondwater, oppervlaktewater, regenwater en afvalwater. Voor deze ontwikkeling wordt geconcludeerd dat:
Op basis van bovenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het realiseren van waterberging ten behoeve van het verharde oppervlak dat wordt gerealiseerd.
Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In het omgevingsplan houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden door het stellen van regels. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie. Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop de archeologische (te verwachten) waarden in de ondergrond zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Zoals omschreven in paragraaf 5.3.4 heeft het plangebied grotendeels een algemene lage archeologische verwachtingswaarde. Een strook nabij de weg kent een specifieke, middelhoge verwachting op vuursteenvindplaatsen. Om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden heeft Aeres Milieu in het kader van het vigerende bestemmingsplan een archeologisch onderzoek binnen het plangebied uitgevoerd: 'Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen (10 april 2025; AM23404-2). De rapportage is als bijlage 21 opgenomen.
Op basis van de resultaten van het onderzoek concludeert Aeres Milieu dat:
In het zuidwestelijk deel van het plangebied geldt een middelhoge verwachting op archeologische resten uit de periode laat-paleolithicum – bronstijd. Archeologische resten kunnen onder de humushoudende bovengrond (0-35 centimeter beneden maaiveld) aanwezig zijn. Wanneer in dit deel van het plangebied graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, dan kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaan. Op basis hiervan adviseert Aeres Milieu voor dit deel van het plangebied een vervolgonderzoek indien binnen deze zone graafwerkzaamheden worden gepland. Indien hier geen graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, dan zal een archeologische dubbelbestemming van kracht blijven.
Op onderstaande verwachtings- en advieskaart zijn de resultaten en het uitgebrachte advies van Aeres Milieu weergegeven:
VERWACHTINGS- EN ADVIESKAART VOOR HET PLANGEBIED AERES MILIEU
De resultaten van dit onderzoek zijn getoetst door de adviseur archeologie van de gemeente Zundert, de Regioarcheologen West-Brabant (RWB). Naar aanleiding van de beoordeling door de Regioarcheologen West-Brabant, namens de gemeente Zundert, op de rapportage van Aeres Milieu heeft de archeoloog van Kragten op basis van het door Aeres Milieu opgestelde onderzoek een aanvullend advies opgesteld. Dit aanvullend advies is als bijlage 20 bijgevoegd. De aanvulling vormt de aanleiding voor een herziening van de archeologische verwachting en het bijbehorende advies voor vervolgonderzoek. In deze aanvulling wordt eerst kort ingegaan op het beleid van de gemeente Zundert. Vervolgens komen het landschap en de historische ontwikkeling aan bod, evenals eerdere archeologische onderzoeken en de uitkomsten van het verkennend booronderzoek van Aeres Milieu. Daarbij wordt telkens de visie van Kragten toegelicht.
Kragten stelt de volgende aangepaste gespecificeerde verwachting voor:
Hier bestaat volgens het verkennend booronderzoek de kans op de aanwezigheid van artefactvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum-Mesolithicum en sporenvindplaatsen uit het Neolithicum-Bronstijd. Hierover geeft Kragten het volgende advies:
Kragten concludeert dat binnen een deel van het plangebied nog wel een kans is op het aantreffen van sporenvindplaatsen uit de periode Neolithicum-Bronstijd. Op basis van een kritische blik op de boorstaten kan de omvang van dit deel van het plangebied nog wel aanzienlijk verkleind worden. Binnen dit deel geldt een middelhoge verwachting op sporenvindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Bronstijd.
De aangepaste rapportage van Aeres is samen met het aanvullend advies van Kragten opnieuw beoordeeld door de Regioarcheologen West-Brabant. Op basis van deze twee documenten geven zij aan dat het gebied waarbinnen een archeologische verwachting verkleint kan worden, maar geven hier een iets andere invulling aan. Ook kent volgens de Regioarcheologen in het noorden een deel van het plangebied een verwachting op archeologische resten. Het advies van de Regioarcheologen West-Brabant is weergegeven in onderstaande figuur (hierbij is de rode contour het initiële advies van Aeres en de groene contour aangegeven door de RWB).
VERWACHTINGS- EN ADVIESKAART VOOR HET PLANGEBIED (IN GROEN) OP BASIS VAN HET ADVIES VAN DE RWB
Binnen deze zone kan een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek aan de orde zijn. Dit is echter in sterke mate afhankelijk van de voorgenomen grondroerende werkzaamheden binnen deze zone. Het verdient aanbeveling om een eventueel vervolgonderzoek te koppelen aan de daadwerkelijke locaties van voorgenomen werkzaamheden, indien hierover meer bekend is.
Binnen delen van het plangebied geldt een middelhoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten. Ter bescherming van de mogelijke archeologische waarde is, conform het gemeentelijk beleid bij een middelhoge verwachting, een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 5' opgenomen in de regels en op de verbeelding. Hiermee vormt het aspect archeologie geen planologische belemmering voor het plan.
In de Omgevingswet wordt het aspect van cultuurhistorische waarden niet expliciet genoemd in een specifiek artikel zoals in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voorheen het geval was met artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a.
Echter, de Omgevingswet bevat wel bepalingen die relevant zijn voor het meewegen van cultuurhistorische waarden. Bijvoorbeeld, in artikel 2.1 van de Omgevingswet staat dat bij de voorbereiding van besluiten over de fysieke leefomgeving rekening gehouden moet worden met de relevante doelstellingen van de wet, waaronder het waarborgen en ontwikkelen van een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving en het in onderlinge samenhang nemen van besluiten over de fysieke leefomgeving.
Daarnaast kan in het omgevingsplan, dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsrecht en dat onder de Omgevingswet valt, specifieker worden ingegaan op de bescherming en ontwikkeling van cultuurhistorische waarden. Hierin kunnen regels worden opgenomen met betrekking tot het behoud, de bescherming, en het gebruik van cultuurhistorisch erfgoed en gebieden.
Om de aanwezige cultuurhistorische waarden in het gebied te bepalen is de provinciale cultuurhistorische waardenkaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart,
UITSNEDE PROVINCIALE CULTUURHISTORISCHE WAARDENKAARt
Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is het plangebied als cultuurhistorisch waardevol landschap aangemerkt. Het plangebied is gelegen binnen het cultuurhistorisch landschap 'Landgoederen en veenrelicten bij Zundert en Etten-Leur'
Op de gronden binnen het plangebied is reeds een bestaande camping gelegen. Met de herontwikkeling van de bestaande camping naar een kwalitatief hoogwaardig recreatiepark worden derhalve geen belemmeringen verwacht.
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Een duurzame en gezonde leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van mens en natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen, technologische doorbraken en politieke onzekerheid. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in energietransitie en klimaatbestendigheid.
Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld.
Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden langer, heter en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.
Het plan draagt op de volgende wijzen bij aan de energietransitie:
Verdergaande maatregelen worden nog onderzocht.
Onderhavig plan voorziet hier op de volgende wijze in:
Verdergaande maatregelen worden nog onderzocht.
Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Het aspect gezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van plannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.
Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt aan deze aspecten getoetst.
Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen. De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 - die bedoeld is bij de nieuwvestiging of verandering van veehouderijen - biedt een stappenplan dat ook deels geschikt is voor de beoordeling van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van veehouderijen.
Endotoxinen
Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een giftig effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. Conform stap 5 van het stappenplan moet de ligging van het initiatief ten opzichte van veehouderijen worden beoordeeld. Bij een afstand van meer dan 1 kilometer tot pluimveehouderijen en van meer dan 250 meter tot overige veehouderijen (behoudens geitenhouderijen) is er geen gevaar voor de volksgezondheid als gevolg van endotoxinen. Het Bestand Veehouderijbedrijven biedt de benodigde gegevens van de veehouderijen.
Toets
Het plan omvat geen nieuwe milieugevoelige objecten, aangezien er op basis van het vigerende bestemmingsplan reeds een camping met bijbehorende voorzieningen is toegestaan. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect endotoxinen plaats te vinden. Er is sprake van een gezonde leefomgeving ten aanzien van endotoxinen.
Geitenhouderijen
Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid.
Toets
Het plan omvat geen nieuwe, milieugevoelige objecten, aangezien er op basis van het vigerende bestemmingsplan reeds een camping met bijbehorende voorzieningen is toegestaan. Er hoeft geen nadere beoordeling naar de gezondheidsrisico's vanwege geitenhouderijen plaats te vinden. Er is sprake van een gezonde leefomgeving ten aanzien van geitenhouderijen.
Op agrarische percelen worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt voor nieuwe milieugevoelige functies op basis van vaste jurisprudentie een afstandseis van 50 meter gehanteerd.
Toets
Dit plan maakt geen nieuwe milieu gevoelige functies mogelijk. De milieukundige beoordeling van het vigerend bestemmingen is bij vaststelling positief beoordeeld. Dit plan voorziet niet in een intensivering of toename van de aard en/of omvang van deze bestaande milieugevoelige functie, waardoor er geen sprake is van een nieuwe, op inpasbaarheid en aanvaardbaarheid van die functie te onderzoeken situatie.
Desondanks is toch gekeken naar de inpasbaarheid en aanvaardbaarheid van de functie van het recreatiepark. Hierbij is gekeken naar de omliggende bestemmingen en het gebruik hiervan. Hieruit volgt dat gelet op de vigerende bestemmingen van de omliggende agrarische gronden er geen reële planologische mogelijkheid is voor de teelt van gewassen, waarbij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen een reëel risico vormen. Uit een analyse van de inzet van de omliggende percelen volgt dat hier de afgelopen jaren geen teelt heeft plaatsgevonden, waarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvond. Er is ook geen reële planologische basis voor drift veroorzakende teelten in de omgeving. De gronden zijn immers aangemerkt als 'Agrarisch met waarde -Groenblauwe mantel', 'Waarde-Attentiegebied ehs', 'reconstructiewetzone- extensiveringsgebied' en 'Waarde - Natuurontwikkelingsgebied. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op deze gronden komt niet overeen met de doelstellingen hiervoor, zoals vastgelegd in het gemeentelijk- en provinciaal beleid.
Bovenstaand is uitgewerkt in een notitie die als bijlage 23 is toegevoegd. Geconcludeerd wordt dat gelet op de omstandigheden geen sprake is van een reëel risico op drift. Met de bestaande afstand van circa 10 meter tussen de recreatieve functie en de agrarische gronden is sprake van een ruimtelijk aanvaardbare situatie.
De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.
Toets
Het plan omvat geen nieuwe milieugevoelige objecten, waar kinderen gedurende langere tijd verblijven, aangezien er op basis van het vigerende bestemmingsplan reeds een hotel is toegestaan. Er is geen nader onderzoek nodig.
Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Sinds 1 januari 2024 heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege (hierna: het omgevingsplan). In de fase direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestaande uit onder meer de voormalige bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkings- en wijzigingsplannen en de Bruidsschat.
Dit TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Zundert. De beoogde ontwikkeling is in strijd met het ter plaatse geldende omgevingsplan waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat los staat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk (in casu 22a) toegevoegd. Het TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22a van het omgevingsplan.
Hoofdstuk 1 - Inleidend
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Zundert. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op voorliggende ontwikkeling (tenzij ze daarmee strijdig zijn en niet van toepassing worden verklaard). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor de beoogde ontwikkeling. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld de reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen.
Hoofdstuk 2 - Functies en activiteiten
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten voor het plangebied beschreven. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.
Voor dit TAM-omgevingsplan is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan van de gemeente Zundert. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Regels die niet van toepassing zijn, zijn hierbij niet overgenomen.
Daarnaast zijn in dit hoofdstuk algemene bepalingen ter bescherming van archeologische (verwachtings)waarden en groene zone landschappelijke inpassing opgenomen ten behoeve van de landschappelijke inpassing.
Hoofdstuk 3: Algemene regels
Voor dit hoofdstuk zijn er algemene regels opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor de nieuwe ontwikkelingen.
Hoofdstuk 4: Ter bescherming van waarden en objecten
Voor dit hoofdstuk zijn er algemene regels opgenomen die van toepassing zijn voor de locatie met een 'Waarde - archeologie' ten behoeve van de bescherming van de archeologische waarden en 'Waarde - attentiezone' voor het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied.
Hoofdstuk 5 Overgangsbepalingen
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met voorliggend plan is.
Bijlagen de regels
Dit zijn de bijlagen waarna in de regels wordt verwezen. De overige bijlagen zijn als bijlagen bij deze motivering gevoegd.
Met dit omgevingsplan wordt de mogelijkheid geboden voor bouwactiviteiten in het plangebied. Hiervoor maakt de gemeente kosten, zoals voor het wijzigen van dit omgevingsplan, voor de aanleg van openbare voorzieningen en voor nadeelcompensatie. De gemeente is verplicht de gemaakte kosten te verhalen op een initiatiefnemer als deze nieuwe bouwactiviteiten wil uitvoeren (artikel 13.11 Omgevingswet).
Dit kostenverhaal kan privaatrechtelijk of publiekrechtelijk worden geregeld. Het privaatrechtelijk kostenverhaal heeft de voorkeur boven het publiekrechtelijk kostenverhaal. In het kader van dit plan is door de gemeente met de ontwikkelaar een anterieure overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal geborgd is.
De gevoerde omgevingsdialoog met omwonenden en belanghebbenden is toegelicht in het hoofdstuk 'voorbereiding en participatie' (zie hoofdstuk4). Onder deze paragraaf wordt de formele procedure die hierop volgt behandeld.
TAM-omgevingsplan
Het voorliggend plan betreft een zogenaamd TAM-omgevingsplan. TAM staat voor 'Tijdelijke Alternatieve Maatregel'. Via het TAM wordt de mogelijkheid geboden om voor urgente gebiedsontwikkelingen het omgevingsplan te wijzigen via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen.
Het ontwerp-plan en op termijn het vaststellingsbesluit door de raad worden via DROP (Decentrale Regelgeving en Officiële Publicaties) in het Gemeenteblad gepubliceerd. Het met IMRO vormgegeven plandeel wordt op de site Ruimtelijke Plannen geplaatst. Via de overbruggingsfunctie zijn deze TAM-plannen dan ook direct in de DSO Viewer via het Omgevingsloket te raadplegen.
Het ontwerp-plan en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd (artikel 3:11 Awb). Binnen deze termijn wordt aan eenieder de mogelijkheid geboden een zienswijze in te brengen.