| Plan: | Hoofdstuk 22a - Rucphenseweg 51 Klein Zundert |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0879.TAMOPH22a-VS01 |
Preambule
Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een vakantiepark op de
locatie Ruchpenseweg 51 in Klein Zundert.
Dit TAM-IMRO omgevingsplan vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) van het omgevingsplan van de gemeente Zundert. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Zundert. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22a gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 22a gelezen worden.
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Ruchpenseweg 51 in Klein Zundert waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het gml-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0879.TAMOPH22a-ON01zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn op de locatie, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet.
De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het eerste lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
De begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het Omgevingsbesluit, bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving en bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in 2.2 een afwijkende begripsomschrijving is opgenomen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden, in aanvulling op en in afwijking van het bepaalde in 2.1, de volgende begripsbepalingen:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
een woning, die deel uitmaakt van een blok van meer dan twee als woning aan elkaar gebouwde hoofdgebouwen;
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer/exploitatie, dat in de recreatieverblijven daadwerkelijk recreatief verblijf plaatsvindt;
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon of gezin, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk is.
een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, dat zich daarvan door zijn constructie of afmetingen in visueel, functioneel opzicht onderscheidt.
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.
een aaneengesloten stuk grond, hetgeen niet hoeft overeen te komen met de kadastrale verdeling, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar horende bebouwing is toegelaten.
een grens van een bouwperceel.
voorzieningen ten dienste van het recreatiebedrijf en de recreatieverblijven waaronder ontvangst- en kantoorvoorzieningen, ondergeschikte horeca- en detailhandelsvoorzieningen, zwemvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van opslag, onderhoud en beheer.
vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals voet- en fietspaden, die nauwelijks of geen invloed hebben op de gegeven bestemmingen.
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
bedrijfsmatig verstrekken van dranken en of etenswaren voor gebruik ter plaatse, bedrijfsmatig bieden van hotel- of groepsaccommodatie (tevens een bed&breakfast of pension), bedrijfsmatig bieden van vermaaks- of wellnessfaciliteiten, een en ander al dan niet in combinatie met elkaar.
een gebouw dat op een bouwperceel, door zijn ligging, constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
horeca van beperkte omvang ten dienste van andere functies.
hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op de woning.
Bewoning van een verblijf voor recreatieve bewoning .
een lijn die een bouwperceel van een ander bouwperceel, ander terrein of van de openbare weg scheidt. Onder perceelsgrens dient mede te worden verstaan de grens tussen kavels voor de plaatsing van recreatieverblijven en voorzieningen.
Het gebruik van een gebouw of ander onderkomen als woonruimte op een wijze die ingevolge de bepalingen van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, noopt tot inschrijving van de bewoner(s) in het bevolkingsregister waarin dat gebouw is gelegen; of indien betrokkene op meer dan één adres woont het gebruik van het gebouw of ander onderkomen als verblijf waar betrokkene naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten met dien verstande dat van permanente of tijdelijke bewoning voorts wordt geacht sprake te zijn wanneer door de betrokkene niet aannemelijk is of kan worden gemaakt dat elders over een hoofdverblijf kan worden beschikt.
een bedrijf dat het bedrijfsmatig verstrekken van verblijfs- of dagrecreatie tot doel heeft.
een verblijf ten behoeve van tijdelijk recreatief verblijf en niet bedoeld voor permanente bewoning.
het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de eerste woning, waarbij ten minste één nacht wordt doorgebracht, met uitzondering van overnachting bij familie of kennissen.
een woning, waarbij het hoofdgebouw met bijbehorende bouwwerken, geen gemeenschappelijke wand heeft met een naastgelegen hoofdgebouw dan wel daar bijbehorende bouwwerken;
voorzieningen die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang e.d., voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer, waterinfiltratie en waterberging; bijbehorende voorzieningen zoals bermen, paden, beschoeiingen.
alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.
een (gedeelte van een) gebouw, dat bestaat uit een complex van ruimten uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van niet meer dan één afzonderlijk huishouden;
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden, in aanvulling op en in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24, de volgende meet- en rekenbepalingen:
de buitenste bebouwingscontour (van een deel ) van een gebouw , gemeten op vloerniveau van de begane grond langs de buitenomtrek van de (buitenste) opgaande scheidingsconstructie, die de desbetreffende ruimte(n) omhullen;
de totale vloeroppervlakte van een gebouw, gemeten langs de buitenomtrek van de buitenmuren, inclusief alle overdekte ruimtes binnen dat gebouw;
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
de gezamenlijke oppervlakten van de gebouwen, die op hetzelfde perceel zijn of mogen worden opgericht, daaronder de oppervlakten van kelderruimten onder maaiveld mede begrepen met uitzondering van parkeerkelders;
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig in artikel 6 en artikel 7 aan een locatie toegedeelde functie.
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Groen-landschappelijke inpassing'.
De als 'Groen - Landschappelijke inpassing' aangewezen locaties hebben de volgende functies:
Op deze gronden mogen geen gebouwen worden opgericht.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
Een omgevingsvergunning is niet vereist voor werken en werkzaamheden:
De in artikel 6.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien de werkzaamheden in overeenstemming zijn met het plan voor de landschappelijke inpassing (Bijlage 1) en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de instandhouding van de in artikel 6.2 genoemde waarden en gebruik.
Het is verboden toegangspaden/wegen tot omliggende gronden te realiseren met uitzondering van calamiteitenroutes die alleen in noodsituaties kunnen worden gebruikt.
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Recreatie - verblijfsrecreatie'.
De voor 'Recreatie – Verblijfsrecreatie' aangewezen locaties hebben de volgende functies:
Het bouwen van bouwwerken overeenkomstig het gebruik zoals beschreven in lid beschreven in lid 7.2, is uitsluitend toegestaan wanneer door een gecertificeerd bedrijf is aangetoond dat de bodem geschikt wordt geacht voor het in lid 7.2 bedoelde gebruik. Aangetoond dient te zijn dat:
Een omgevingsvergunning wordt verleend voor ondergronds bouwen onder de voorwaarden dat:
Met betrekking tot het gebruik van de gronden gelden in ieder geval de volgende regels:
Het gebruiken van gronden en bouwwerken overeenkomstig het bepaalde zoals beschreven in lid 7.2 is uitsluitend toegestaan, wanneer een extra vluchtroute aan de zuidzijde van het plangebied wordt gerealiseerd en in stand gehouden.
Het gebruiken van gronden en bouwwerken overeenkomstig het bepaalde zoals beschreven in lid 7.2 is uitsluitend toegestaan indien is aangetoond dat er voldoende locaties en capaciteit aan bluswatervoorzieningen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden.
Het gebruiken van gronden en bouwwerken overeenkomstig het bepaalde zoals beschreven in lid 7.2 is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing conform bijlage 1 binnen de Groen - landschappelijke inpassing binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van dit plan is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
Met betrekking tot het gebruik van de gronden zijn de volgende activiteiten niet toegestaan:
Bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het slopen, bouwrijp maken en bouwen dient aangetoond te zijn dat er geen verstoring van de leefomgeving van deze soorten plaatsvindt, een en ander beschreven in bijlage 2 bij deze regels.
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde-archeologie'.
Een locatie die is aangewezen als 'Waarde-Archeologie' heeft als functie bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en gronden.
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende functies dient de aanvrager van een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 22.26, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een regioarcheoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek.
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 6 en artikel 7 bedoelde gronden de volgende andere werken uit te voeren:
Het in artikel 9.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien:
a.op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad; of
c. de volgende voorwaarden in acht genomen worden, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of
2. een verplichting tot het doen van opgravingen; of
3. een verplichting de uitvoering van werken en werkzaamheden te laten begleiden door een archeologisch deskundige met opgravingsbevoegdheid;
Het is verboden op de voor de 'Waarde - archeologie' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een vergunning voor het slopen van een bouwwerk, de aanwezige bouwwerken te slopen indien de te roeren oppervlakte grond meer bedraagt dan 10.000 m² en de diepte dieper gaat dan 40 cm onder het maaiveld.
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'te behouden bomen'.
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
Het in artikel 10.3.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:
Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien middels onderzoek door een terzake deskundige, al dan niet met toepassing van mitigerende en compenserende maatregelen, is aangetoond dat er geen aantasting plaatsvindt van de aanwezige beschermde diersoorten.
mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.