direct naar inhoud van Regels
Plan: Hoofdstuk 22a - Rucphenseweg 51 Klein Zundert
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0879.TAMOPH22a-VS01

Regels

Preambule

Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een vakantiepark op de

locatie Ruchpenseweg 51 in Klein Zundert.

Dit TAM-IMRO omgevingsplan vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) van het omgevingsplan van de gemeente Zundert. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

 

De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Zundert. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22a gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 22a gelezen worden.

 

 

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Ruchpenseweg 51 in Klein Zundert waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het gml-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0879.TAMOPH22a-ON01zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn op de locatie, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet.

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het eerste lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Begripsbepalingen uit AMVB's

De begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het Omgevingsbesluit, bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving en bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in 2.2 een afwijkende begripsomschrijving is opgenomen

2.2 Aanvullende en afwijkende begrippen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden, in aanvulling op en in afwijking van het bepaalde in 2.1, de volgende begripsbepalingen:

2.3 Aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.4 Aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

2.5 Aaneengebouwde woning

een woning, die deel uitmaakt van een blok van meer dan twee als woning aan elkaar gebouwde hoofdgebouwen;

2.6 Bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.7 Bedrijfsmatige exploitatie

het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer/exploitatie, dat in de recreatieverblijven daadwerkelijk recreatief verblijf plaatsvindt;

2.8 Bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon of gezin, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk is.

2.9 Bijbehorend bouwwerk

een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, dat zich daarvan door zijn constructie of afmetingen in visueel, functioneel opzicht onderscheidt.

2.10 Bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

2.11 Bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.

2.12 Bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, hetgeen niet hoeft overeen te komen met de kadastrale verdeling, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar horende bebouwing is toegelaten.

2.13 Bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel.

2.14 Centrale recreatieve voorzieningen

voorzieningen ten dienste van het recreatiebedrijf en de recreatieverblijven waaronder ontvangst- en kantoorvoorzieningen, ondergeschikte horeca- en detailhandelsvoorzieningen, zwemvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van opslag, onderhoud en beheer.

2.15 Extensief recreatief medegebruik

vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals voet- en fietspaden, die nauwelijks of geen invloed hebben op de gegeven bestemmingen.

2.16 Gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.17 Horeca(bedrijf)

bedrijfsmatig verstrekken van dranken en of etenswaren voor gebruik ter plaatse, bedrijfsmatig bieden van hotel- of groepsaccommodatie (tevens een bed&breakfast of pension), bedrijfsmatig bieden van vermaaks- of wellnessfaciliteiten, een en ander al dan niet in combinatie met elkaar.

2.18 Hoofdgebouw

een gebouw dat op een bouwperceel, door zijn ligging, constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

2.19 Horeca, kleinschalig of ondergeschikt

horeca van beperkte omvang ten dienste van andere functies.

2.20 Maaiveld

hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op de woning.

2.21 Niet permanente bewoning

Bewoning van een verblijf voor recreatieve bewoning .

2.22 Peil
  • a. voor gebouwen, de hoogte van de afgewerkte begane grondvloer van een gebouw ;
  • b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

2.23 Perceelsgrens

een lijn die een bouwperceel van een ander bouwperceel, ander terrein of van de openbare weg scheidt. Onder perceelsgrens dient mede te worden verstaan de grens tussen kavels voor de plaatsing van recreatieverblijven en voorzieningen.

2.24 Permanente bewoning

Het gebruik van een gebouw of ander onderkomen als woonruimte op een wijze die ingevolge de bepalingen van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, noopt tot inschrijving van de bewoner(s) in het bevolkingsregister waarin dat gebouw is gelegen; of indien betrokkene op meer dan één adres woont het gebruik van het gebouw of ander onderkomen als verblijf waar betrokkene naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten met dien verstande dat van permanente of tijdelijke bewoning voorts wordt geacht sprake te zijn wanneer door de betrokkene niet aannemelijk is of kan worden gemaakt dat elders over een hoofdverblijf kan worden beschikt.

2.25 Recreatiebedrijf

een bedrijf dat het bedrijfsmatig verstrekken van verblijfs- of dagrecreatie tot doel heeft.

2.26 Recreatieverblijf

een verblijf ten behoeve van tijdelijk recreatief verblijf en niet bedoeld voor permanente bewoning.

2.27 Twee-aaneengebouwde woning
  • a. een woning, die deel uitmaakt van een blok van twee aan elkaar gebouwde hoofdgebouwen (twee-onder-één kap);
  • b. een woning, waarbij het hoofdgebouw met bijbehorende bouwwerken één of meer gemeenschappelijke wanden heeft met een naastgelegen hoofdgebouw dan wel daar bijbehorende bouwwerken (geschakeld).

2.28 Verblijfsrecreatie

het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de eerste woning, waarbij ten minste één nacht wordt doorgebracht, met uitzondering van overnachting bij familie of kennissen.

2.29 Vrijstaande woning:

een woning, waarbij het hoofdgebouw met bijbehorende bouwwerken, geen gemeenschappelijke wand heeft met een naastgelegen hoofdgebouw dan wel daar bijbehorende bouwwerken;

2.30 Waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang e.d., voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer, waterinfiltratie en waterberging; bijbehorende voorzieningen zoals bermen, paden, beschoeiingen.

2.31 Weg

alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.

2.32 Woning

een (gedeelte van een) gebouw, dat bestaat uit een complex van ruimten uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van niet meer dan één afzonderlijk huishouden;

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden, in aanvulling op en in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24, de volgende meet- en rekenbepalingen:

3.1 footprint

de buitenste bebouwingscontour (van een deel ) van een gebouw , gemeten op vloerniveau van de begane grond langs de buitenomtrek van de (buitenste) opgaande scheidingsconstructie, die de desbetreffende ruimte(n) omhullen;

3.2 bruto vloeroppervlak (BVO)

de totale vloeroppervlakte van een gebouw, gemeten langs de buitenomtrek van de buitenmuren, inclusief alle overdekte ruimtes binnen dat gebouw;

3.3 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

3.4 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.5 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.6 bebouwde oppervlakte van een bouwperceel

de gezamenlijke oppervlakten van de gebouwen, die op hetzelfde perceel zijn of mogen worden opgericht, daaronder de oppervlakten van kelderruimten onder maaiveld mede begrepen met uitzondering van parkeerkelders;

3.7 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

Artikel 4 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Regels over functies en activiteiten

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig in artikel 6 en artikel 7 aan een locatie toegedeelde functie.

Artikel 6 Groen - landschappelijke inpassing

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Groen-landschappelijke inpassing'.

6.2 Functieomschrijving

De als 'Groen - Landschappelijke inpassing' aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. de inrichting, versterking en instandhouding van de landschappelijke inpassing;
  • b. extensief recreatief medegebruik;
  • c. water, waterberging en overige waterhuishoudkundige voorzieningen.
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. vluchtroutes.
6.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
6.3.1 Beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen

Op deze gronden mogen geen gebouwen worden opgericht.

6.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
  • a. de bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen bedraagt maximaal 2 m;
  • b. overige bouwwerken zijn niet toegestaan.
6.4 Werken en werkzaamheden - omgevingsplanactiviteit

6.4.1 Omgevingsplanactiviteit

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het vellen of rooien van landschapselementen, ander houtgewas of elementen van de landschappelijke inpassing;
  • b. het aanbrengen van verhardingen;
  • c. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen.
  • d. het aanleggen van boven- of ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

6.4.2 Geen vergunningplicht

Een omgevingsvergunning is niet vereist voor werken en werkzaamheden:

  • a. waarvoor op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan reeds een omgevingsvergunning is verleend;
  • b. welke op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan reeds vergund en in uitvoering zijn;
  • c. welke het normaal onderhoud en/of exploitatie ten dienste van de bestemming betreffen.

6.4.3 Beoordelingskader

De in artikel 6.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien de werkzaamheden in overeenstemming zijn met het plan voor de landschappelijke inpassing (Bijlage 1) en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de instandhouding van de in artikel 6.2 genoemde waarden en gebruik.

6.5 Specifieke regels voor functies
6.5.1 Specifieke gebruiksregels

Het is verboden toegangspaden/wegen tot omliggende gronden te realiseren met uitzondering van calamiteitenroutes die alleen in noodsituaties kunnen worden gebruikt.

Artikel 7 Recreatie - verblijfsrecreatie

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Recreatie - verblijfsrecreatie'.

7.2 Functieomschrijving

De voor 'Recreatie – Verblijfsrecreatie' aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. verblijfsrecreatie in de vorm van maximaal 149 recreatieverblijven;
  • b. centrale recreatieve voorzieningen;
  • c. sport- en spelvoorzieningen;
  • d. bij deze functies behorende voorzieningen, zoals:
    • 1. terreinen;
    • 2. groen en landschappelijke inpassing;
    • 3. parkeervoorzieningen;
    • 4. paden en (ontsluitings)wegen, met in begrip van een extra calamiteitenontsluiting op de Rucphenseweg;
    • 5. nutsvoorzieningen;
    • 6. water, waterberging en overige waterhuishoudkundige voorzieningen.

7.3 Beoordelingsregels voor het bouwen

7.3.1 Voorwaardelijke verplichting bodem

Het bouwen van bouwwerken overeenkomstig het gebruik zoals beschreven in lid beschreven in lid 7.2, is uitsluitend toegestaan wanneer door een gecertificeerd bedrijf is aangetoond dat de bodem geschikt wordt geacht voor het in lid 7.2 bedoelde gebruik. Aangetoond dient te zijn dat:

  • a. de aangetroffen asbest ter plaatse van het asfaltpad, voorafgaand aan de realisatie van het recreatiepark verwijderd is;
  • b. geen vermenging heeft plaatsgevonden van sloopresten met de (boven)grond.
    Dit kan door:
    • 1. het, vóór start van de (bouw)werkzaamheden, maar na de sloop van aanwezige bebouwing, uitvoeren van een bodemonderzoek conform NEN 5740 / NEN 5707 naar de bovengrond (tot 1,0 m-mv); of
    • 2. door aantonen dat de sloop plaatsvindt door een gecertificeerd bedrijf en het nemen van foto's van het maaiveld tijdens en na de sloop.
7.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van recreatieverblijven
  • a. Binnen de locatie die is aangewezen als 'Recreatie - verblijfsrecreatie' worden in totaal maximaal 149 grondgebonden recreatieverblijven gebouwd;
  • b. Binnen de aanduiding 'overige zone - gevoelige functies uitgesloten' zoals aangeduid op de verbeelding zijn recreatieverblijven niet toegestaan;
  • c. Recreatieverblijven worden in diverse bouwtypen gebouwd, zoals vrijstaand, halfvrijstaand en aaneengebouwd (maximaal 3 woningen aaneengebouwd);
  • d. De footprint van alle recreatieverblijven gezamenlijk bedraagt maximaal 12.750 m2;
  • e. De footprint per recreatieverblijf bedraagt maximaal 125 m2;
  • f. Het BVO aan recreatieverblijven gezamenlijk bedraagt maximaal 16.850 m2;
  • g. De goot- en bouwhoogte van een recreatieverblijf bedraagt maximaal 8 m;
  • h. In afwijking van het bepaalde onder g mag de bouwhoogte van recreatieverblijven waarvan het bijbehorend bouwperceel grenst aan de gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende bouwhoogte' niet meer bedragen dan 4 m;
7.3.3 Beoordelingsregels voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij recreatieverblijven
  • a. De footprint aan bijbehorende bouwwerken per recreatieverblijf bedraagt ten hoogste 6 m2;
  • b. De goothoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 3,5 m ;
  • c. De bouwhoogte van bijhorende bouwwerken bedraagt maximaal 4 m. 
7.3.4 Beoordelingsregels voor het bouwen van centrale recreatievoorzieningen
  • a. De centrale recreatievoorzieningen worden gebouwd binnen de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - centrale voorzieningen';
  • b. De gezamenlijke footprint van de centrale recreatievoorzieningen bedraagt ten minste 1.000 m² en hoogste 2.000 m²;
  • c. Het BVO aan centrale recreatievoorzieningen gezamenlijk bedraagt maximaal 3.000 m2;
  • d. De goothoogte van de centrale recreatievoorzieningen bedraagt maximaal 6 m;
  • e. De bouwhoogte van de centrale recreatievoorzieningen bedraagt maximaal 10 m;
  • f. In afwijking van het bepaalde onder c bedraagt de goothoogte van de centrale recreatievoorzieningen met een plat dak maximaal 10 m.
7.3.5 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • a. De hoogte van wegbewijzeringsborden, aanduidingsborden en dergelijke bedraagt maximaal 3 m.
  • b. De hoogte van verlichtingsarmaturen bedraagt maximaal 6 m .
  • c. De hoogte van speelwerktuigen bedraagt maximaal 10 m.
  • d. De hoogte van terreinafscheidingen ten behoeve van het recreatieterrein bedraagt maximaal 2,5 m;
  • e. De hoogte van de terreinafscheiding ten behoeve van sport- en spelvoorzieningen bedraagt maximaal 4 m.
  • f. De hoogte van overige terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 m.
  • g. De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 1 m.
7.4 Afwijkende beoordelingregels voor het bouwen
7.4.1 Ondergronds bouwen

Een omgevingsvergunning wordt verleend voor ondergronds bouwen onder de voorwaarden dat:

  • a. alleen ondergronds mag worden gebouwd waar bovengronds centrale voorzieningen aanwezig zijn of zijn toegestaan waarbij geldt dat de verticale diepte maximaal 5 m bedraagt;
  • b. in afwijking van het hierboven bepaalde onder a mag, waar geen bovengrondse bebouwing aanwezig is, maximaal 25 m² ondergronds worden gebouwd in aansluiting op de onder a bedoelde ondergrondse bebouwing.
7.5 Specifieke regels voor functies

7.5.1 Specifieke gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van de gronden gelden in ieder geval de volgende regels:

  • a. er dient sprake te zijn van een centrale bedrijfsmatige exploitatie;
  • b. recreatieverblijven en recreatievoorzieningen mogen uitsluitend bedrijfsmatig worden geëxploiteerd;
  • c. het permanent bewonen of laten bewonen van gebouwen is niet toegestaan;
  • d. recreatief nachtverblijf in bijbehorende bouwwerken is niet toegestaan.

7.5.2 Voorwaardelijke verplichting vluchtroute zuidzijde

Het gebruiken van gronden en bouwwerken overeenkomstig het bepaalde zoals beschreven in lid 7.2 is uitsluitend toegestaan, wanneer een extra vluchtroute aan de zuidzijde van het plangebied wordt gerealiseerd en in stand gehouden.

7.5.3 Voorwaardelijke verplichting bluswatervoorziening

Het gebruiken van gronden en bouwwerken overeenkomstig het bepaalde zoals beschreven in lid 7.2 is uitsluitend toegestaan indien is aangetoond dat er voldoende locaties en capaciteit aan bluswatervoorzieningen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden.

7.5.4 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Het gebruiken van gronden en bouwwerken overeenkomstig het bepaalde zoals beschreven in lid 7.2 is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing conform bijlage 1 binnen de Groen - landschappelijke inpassing binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van dit plan is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

7.5.5 Strijdig gebruik

Met betrekking tot het gebruik van de gronden zijn de volgende activiteiten niet toegestaan:

  • a. seksinrichtingen;
  • b. grow-, smart- en coffeeshops;
  • c. detailhandel;
  • d. zelfstandige horeca;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - hobbymatig' is bedrijfsmatige dagrecreatie niet toegestaan;
  • f. het gebruik van gebouwen als burgerwoning.

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

Artikel 8 Algemene beoordelingsregels bouwactiviteiten

8.1 Natuurwaarden
  • a. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen of slopen dient middels onderzoek aangetoond te worden dat er geen verstoring plaatsvindt van de leefomgeving van:
    • 1. De vleermuis,
    • 2. Steenmarter,
    • 3. Boommarter,
    • 4. Eekhoorn, ,
    • 5. Alpenwatersalamander,
    • 6. Vinpootsalamander,
    • 7. Konijn.

Bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het slopen, bouwrijp maken en bouwen dient aangetoond te zijn dat er geen verstoring van de leefomgeving van deze soorten plaatsvindt, een en ander beschreven in bijlage 2 bij deze regels.

  • b. indien uit bovengenoemde aanvullende onderzoeken naar voren komt dat aanvullende maatregelen dienen te worden getroffen of dat omgevingsvergunningen voor flora- en fauna activiteiten benodigd zijn, moeten deze maatregelen zijn getroffen dan wel moeten deze hiervoor benodigde omgevingsvergunningen verleend zijn voordat de omgevingsvergunning voor het bouwen of slopen kan worden verleend.

8.2 Parkeernormen
  • a. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten, dient voor de gronden die zijn aangeduid als Recreatie - verblijfsrecreatie, zoals omschreven in artikel 7 inzichtelijk te worden gemaakt dat voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd dan wel in stand gehouden wordt ten behoeve van deze functie;
  • b. Bij de beoordeling wordt aan de hand van de ' Nota parkeernormen 2020' van de gemeente Zundert bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, aan de hand van die nieuwe beleidsregels wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid.

8.3 Waterberging
  • a. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwactivitieten, dient voor de gronden die zijn aangeduid als 'Recreatie-verblijfsrecreatie' inzichtelijk te worden gemaakt dat voldoende waterberging wordt gerealiseerd ten behoeve van deze functie.
  • b. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt bepaald dat voldoende waterberging betekent dat de compensatie tenminste naar evenredigheid van de realisatie van verhardingen gerealiseerd wordt en de compensatie tenminste 60 mm per m² verharding bedraagt.
8.4 Afwijkende maten bestaande situatie
  • a. In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand tot enige aangegeven lijn van bouwwerken, die legaal tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de beoordelingsregels voor het bouwen in artikel 6 en artikel 7 is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.
  • b. In geval van herbouw is het bepaalde onder a slechts van toepassing indien herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt en niet wordt vergroot.
  • c. In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat legaal tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de beoordelingsregels voor het bouwen in artikel 7 is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.

Hoofdstuk 4 Regels ter bescherming van waarden en objecten

Artikel 9 Waarde - Archeologie

9.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.

9.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde-archeologie'.

9.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als 'Waarde-Archeologie' heeft als functie bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en gronden.

9.4 Bouwactiviteit - beoordelingsregels

9.4.1 Aanvullende aanvraagvereisten

Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende functies dient de aanvrager van een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 22.26, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een regioarcheoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek.

9.4.2 Beoordelingsregels
  • a. De omgevingsvergunning wordt verleend indien er sprake is van:
    • 1. bouwwerken ter vervanging of vernieuwing van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van het bouwwerk niet wordt vergroot of veranderd;
    • 2. bouwwerken met grondwerkzaamheden dieper dan 0,50 m, voor zover bouwwerken met een maximale oppervlakte van 5.000 m² worden opgericht of uitgebreid;
    • 3. bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 5.000 m², voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd, dieper dan 0,50 m;
    • 4. in afwijking van het bepaalde onder 2. wordt een vergunning voor een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 5.000 m² ook toegestaan indien de daadwerkelijk aantoonbaar uit te voeren grondwerkzaamheden die dieper gaan dan 0,50 m, minder dan 100 m2 bedragen.
  • b. In afwijking van het bepaalde in onder lid a kan een omgevingsvergunning worden verleend ten behoeve van het oprichten of uitbreiden van bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 5.000 m², waarbij de daadwerkelijk uit te voeren grondwerkzaamheden dieper dan 0,50 m en meer dan 5.000 m² bedraagt, mits:
    • 1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door burgemeester en wethouders goedgekeurd rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
    • 2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door burgemeester en wethouders goedgekeurd rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; of
    • 3. de volgende voorwaarden in acht genomen worden indien, op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door burgemeester en wethouders goedgekeurd rapport in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord:
      • een verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of
      • een verplichting tot het doen van opgravingen; of
      • een verplichting de uitvoering van bouwactiviteiten te laten begeleiden door een archeologisch deskundige met opgravingsbevoegdheid.

9.5 Werken en werkzaamheden - omgevingsplanactiviteit

9.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 6 en artikel 7 bedoelde gronden de volgende andere werken uit te voeren:

    • 1. grondwerkzaamheden, dieper dan 0,40 m en voor een oppervlakte meer dan 100 m², waartoe wordt gerekend: ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen, verleggen of dempen van sloten en andere waterlopen en het aanleggen van drainage;
    • 2. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur dieper dan 0,40 m en voor een oppervlakte meer dan 100 m²;
    • 3. het verlagen van het waterpeil.

9.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in artikel 9.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing, indien:

  • a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte;
  • b. het gaat om de aanleg van drainage ter vervanging van bestaande aanwezige drainage, waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte;
  • c. op basis van inventariserend en/ of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • d. de werken en werkzaamheden die ten behoeve van een inventariserend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht;
  • e. de werken en werkzaamheden:
    • 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de vaststelling van dit TAM-Omgevingsplan;
    • 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning.

9.5.3 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien:

a.op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of

b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad; of

c. de volgende voorwaarden in acht genomen worden, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord:

1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of

2. een verplichting tot het doen van opgravingen; of

3. een verplichting de uitvoering van werken en werkzaamheden te laten begleiden door een archeologisch deskundige met opgravingsbevoegdheid;

9.6 Slopen - omgevingsplanactiviteit
9.6.1 Vergunningplicht

Het is verboden op de voor de 'Waarde - archeologie' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een vergunning voor het slopen van een bouwwerk, de aanwezige bouwwerken te slopen indien de te roeren oppervlakte grond meer bedraagt dan 10.000 m² en de diepte dieper gaat dan 40 cm onder het maaiveld.

9.6.2 Beoordelingsregels
  • a. de vergunning kan niet worden verleend indien blijkt dat de sloop een onevenredige aantasting van de archeologische waarden van de gronden tot gevolg heeft.
  • b. aan de omgevingsvergunning kan in ieder geval de voorwaarde gesteld worden dat de sloop wordt begeleid door een gekwalificeerde deskundige (zijnde een archeologisch bedrijf me een opgravingsvergunning). Hiervoor is een door de deskundige op het gebied van archeologische monumentenzorg conform de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) opgesteld en door het bevoegd gezag schriftelijk goedgekeurd Programma van eisen vereist;
  • c. indien tijdens de begeleiding vondsten van zeer hoge waarde worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag die in het belang van archeologische monumentenzorg aanvullende voorschriften kan verbinden aan de omgevingsvergunning;

Artikel 10 Te behouden bomen

10.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.

10.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'te behouden bomen'.

10.3 Werken en werkzaamheden - omgevingsplanactiviteit
10.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het rooien of kandelaberen van bomen
  • b. het verwijderen van bomen
10.3.2 Uitzonderingen vergunningplicht

Het in artikel 10.3.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  • a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan reeds een omgevingsvergunning is verleend;
  • b. welke ten tijde van het van kracht worden van het TAM-Omgevingsplan reeds legaal in uitvoering zijn;
  • c. welke noodzakelijk zijn ten behoeve van het behoud van de bomen.
10.3.3 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien middels onderzoek door een terzake deskundige, al dan niet met toepassing van mitigerende en compenserende maatregelen, is aangetoond dat er geen aantasting plaatsvindt van de aanwezige beschermde diersoorten.

Hoofdstuk 5 Overgangsbepalingen

Artikel 11 Overgangsrecht

  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het bepaalde in dit hoofdstuk mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd,

mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

  • b. Het college van burgemeester en wethouders kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de regels die op grond van dit omgevingsplan golden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de op dat moment geldende overgangsbepalingen.

11.1 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met de regels die op grond van dit omgevingsplan golden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de op dat moment geldende overgangsbepalingen.