| Plan: | Uitwerkingsplan Biezelinge Hoofdstraat |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | uitwerkingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0678.kapbiezUW003-VAST |
Aan het Jufferswegje en de Hoofdstraat te Biezelinge is een supermarkt met bijbehorende parkeerplaatsen aanwezig. Op 24 mei 2022 is het bestemmingsplan 'Biezelinge' vastgesteld, hierin is voor de gronden ter plaatse van de bestaande detailhandel en bijbehorende parkeergelegenheid de bestemming 'Gemengd - Uit te werken' opgenomen. Dit is gedaan ten behoeve van een toekomstige woningbouwontwikkeling, waarvoor destijds nog geen concrete ontwikkeling voorzien was. In de uit te werken bestemming zijn doormiddel van uitwerkingsregels voorwaarden voor de ontwikkeling opgenomen. Inmiddels zijn er plannen voor de invulling van het gebied.
Het voorliggende uitwerkingsplan voorziet in de uitwerking van het gebied met de realisatie van 14 woningen. De gemeente Kapelle verleent medewerking aan deze ontwikkeling door de bestemming uit te werken. Hiervoor is dit uitwerkingsplan opgesteld.
Het plangebied ligt in het oosten van Biezelinge in de gemeente Kapelle. De locatie bevindt zich aan het Jufferswegje en de Hoofdstraat. De ligging van het plangebied is op figuur 1.1 weergegeven.
Figuur 1.1 Ligging plangebied (Bron: Google Maps)
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Biezelinge', vastgesteld op 24 mei 2022. Het plangebied heeft hierin de bestemming 'Gemengd - Uit te werken' met bouwvlak. Daarnaast is het plangebied voorzien van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 1' en 'Waarde - Archeologie 2'. Voor het noordelijke gedeelte van het plangebied geldt de maximale goothoogte van 4 meter. Over het gehele plangebied ligt de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie'.
Figuur 1.2 Uitsnede geldend bestemmingsplan (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Beschrijving uit te werken bestemming
De voor Gemengd - Uit te werken aangewezen gronden zijn bestemd voor:
Uitwerkingsregels
Burgemeester en wethouders werken de in lid 5.1 bedoelde bestemming Gemengd - Uit te werken nader uit met inachtneming van het volgende:
Als de uitwerkingsregels langs worden gelopen, ontstaat het volgende beeld.
De opbouw van de toelichting op dit uitwerkingsplan is als volgt.
Het plangebied ligt te midden van een woonwijk en grenst aan het centrum van Biezelinge. In de huidige situatie is er een gebouw met daarin de Aldi, Fruitshop en Action aanwezig. Het gebouw is tot op de perceelsgrenzen gebouwd, alleen het parkeerterrein is vrij van bebouwing. Enige jaren geleden is aan de Hoofdstraat een bestaande woning gesloopt om het parkeerterrein uit te kunnen breiden. Het aanwezige parkeerterrein wordt ontsloten vanuit het Jufferswegje in het oosten en op de Hoofdstraat in het zuiden. Rondom het perceel bevinden zich woningen die veelal met de achtertuin grenzen aan het gebouw van de detailhandel. Ten westen van de bebouwing is daarnaast een kerk aanwezig. Het parkeerterrein grenst aan diverse zijgevels van woningen. Met name het parkeren en de ontsluiting van het parkeerterrein zorgt hier voor onwenselijke situaties.
Figuur 2.1 Globale weergave plangebied, rood omrand (Bron: Rho basisviewer)
Figuur 2.2 Zicht op het plangebied vanaf de Hoofdstraat (bron: Google Streetview jan 2021)
Figuur 2.3 Zicht op het plangebied vanaf het Jufferswegje (bron: Google Streetview jan 2021)
Op het perceel worden in totaal 14 woningen gebouwd, deze 14 woningen bestaan uit 5 levensloopbestendige geschakelde woningen, 5 geschakelde eengezinswoningen en 4 gestapelde starterswoningen. Om aan de parkeerbehoefte te voldoen worden in totaal 24 parkeerplaatsen aangelegd.
De levensloopbestendige- en eengezinswoningen bestaan uit een kap en een goothoogte van 4 meter. De maximale bouwhoogte van de woningen is 9 meter. De woningen sluiten qua bouwvorm en massa aan op de bestaande bebouwing die aanwezig is in de omgeving. De woningen worden geplaatst in een samenhangende strakke rooilijn. Door de lage bebouwing in een samenhangende strakke rooilijn te plaatsen ontstaat het gevoel van een toegankelijk en rustig hof. De woningen worden aan de Hoofdstraat gebouwd. Bij de ontwikkeling van de woningen wordt in stedenbouwkundig opzicht aansluiting gezocht bij de ruimtelijke structuur van de omgeving.
De starterswoningen worden gestapeld gebouwd. De goothoogte van de woningen zullen 6 meter zijn, de maximale bouwhoogte 9 meter. Behorend bij de starterswoningen worden 4 parkeerplaatsen gerealiseerd.
Aan de noordzijde van het plangebied wordt nog eens 19 parkeerplaatsen ten behoeve van alle woningen gerealiseerd. Tot slot wordt nog een parkeerplaats op eigen terrein gerealiseerd (zie figuur 2.7) Daarnaast worden er aan de achterzijde van de Mozeskerk grote tuinen aangelegd. Deze tuinen behoren bij de kerk en de diaconie van de Mozeskerk. In het plan wordt voldoende begroeiing toegepast, in de vorm van bomen, gras, hagen en heesters, om een groen karakter te verkrijgen.
Figuur 2.4 Impressie van de levensloopbestendige woningen (Bron: Fraanje aannemingsbedrijf)
Figuur 2.5 Impressie van de eengezinswoningen (Bron: Fraanje aannemingsbedrijf)
Figuur 2.6 Impressie van de eengezinswoningen (Bron: Fraanje aannemingsbedrijf)
Figuur 2.7 Bovenaanzicht van de ontwikkeling (Bron: Rianthuis)
De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
Aan de hand van een toekomstperspectief 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.
In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050
Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land:
Nationale belangen
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.
De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.
Voor dit project relevante nationale belangen zijn:
Keuzes
De belangrijkste keuzes zijn:
Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de fysieke leefomgeving. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd.
Toetsing en conclusie
Het planvoornemen is op nationaal niveau dermate kleinschalig dat het geen invloed heeft op de nationale belangen. Het beleid inzake het mogelijk maken van veertien woningen wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. De Nationale Omgevingsvisie wordt gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau en heeft geen directe belangen die geborgd moeten worden ten aanzien van het plangebied en de beoogde ontwikkeling.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent een aantal nationale belangen zoals genoemd in de NOVI. Dit initiatief raakt geen rijksbelangen uit het Barro.
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6 lid 2) is opgenomen dat bij een ruimtelijk plan, dat een nieuw stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden. De reden hiervoor is om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland te bevorderen. Een stedelijke ontwikkeling houdt in dat er nieuwe bebouwing wordt toegevoegd aan de huidige bebouwing. De ladder bestaat uit twee stappen: de eerste stap bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. De tweede stap omvat, indien de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Toetsing en conclusie
De ladderonderbouwing is op basis van jurisprudentie pas nodig vanaf 12 woningen. Voorliggende ontwikkeling voorziet in 14 woningen.
De gemeente Kapelle maakt onderdeel uit van de woonregio De Bevelanden.
De woningbouwopgave in de Bevelanden is afgestemd in de 'Woningmarktafspraken De Bevelanden 2020-2030 (mei 2020)'. In de Woonvisie De Bevelanden 2019-2023 is de visie op het wonen in de regio beschreven. Deze visie is in de woningmarktafspraken vertaald naar uitgangspunten. De voor de behoefte relevante uitgangspunten zijn hierna beschreven.
Algemeen
Ruimtelijk
De regio hanteert de bandbreedte tussen twee bevolkings-/huishoudensprognoses van de Provincie Zeeland en Primos. Voor de periode 2020-2030 betekent dit een groei van 2.000 tot maximaal 3.300 huishoudens op De Bevelanden. De optelsom van alle harde en zachte plannen inclusief vervangende woningen, paste in mei 2020 binnen de bovengrens van de prognoses.
In Kapelle was in mei 2020 harde plancapaciteit voor 221 woningen en zachte plancapaciteit voor 15 woningen (bron: woningmarktafspraken 2020-2030).
Figuur 3.1 Nieuwbouw- en herstructureringsprogramma De Bevelanden per gemeente in de periode 2020-2030 (Bron: Woningmarktafspraken De Bevelanden 2020-2030)
Voorwaarde van de provincie is, dat plannen moeten passen in de regionale woningmarktafspraken. Dat zijn de Woningmarktafspraken De Bevelanden 2020-2030. Een exacte planning van aantallen per bouwlocatie is niet meer nodig. Er mag worden geschoven binnen de gemeentelijke planningslijst.
Het gaat er uiteindelijk om dat de daadwerkelijke productie niet boven de 441 woningen komt in de periode 2020-2030.
Met het Dashboard Ladderruimte wordt door de provincie inzicht gegeven in de woningbouwplannen van Zeeuwse gemeenten en in hoeverre deze plannen aansluiten op de behoefte. Uit dit dashboard blijkt dat er in de regio Bevelanden een woningbehoefte is van 4931 woningen en nog een ladderruimte is van 3894 woningen (rekening houdend met harde plancapaciteit en sloop. Rekening houdend met de zachte plancapaciteit is nog ruimte is voor 2620 woningen. Met dit bestemmingsplan worden 14 woningen extra mogelijk gemaakt.
Conclusie
Op de Bevelanden is behoefte aan het toevoegen van 4931 woningen in de periode 2020-2030. De bestaande harde plancapaciteit is hiervoor ontoereikend. Het toevoegen van 14 woningen aan de harde plancapaciteit past binnen de actuele regionale woningbouwafspraken.
De ontwikkeling voldoet daarmee aan de ladder van duurzame verstedelijking.
De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen voor de periode tot 2050, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030.
De Zeeuwse Omgevingsvisie beschrijft vier Zeeuwse Ambities voor 2050:
In 2050 is er voor ieder een passende woning beschikbaar. In de omgeving van je huis kun je je veilig voelen. De verandering van de bevolkingssamenstelling en de noodzaak voor toegankelijke voorzieningen heeft tot vernieuwing van de Zeeuwse woningmarkt geleid. Hierbij is de noodzaak om barrières weg te nemen zodat alle Zeeuwen gemakkelijk deel kunnen nemen aan de samenleving. Hierbij draagt een schone, gezonde en veilige woonomgeving aan mee.
Toetsing
De ontwikkeling is een aanvulling op de bestaande woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied, op korte afstand van voorzieningen. De gemeente Kapelle maakt onderdeel uit van de regio Bevelanden. De woningmarktafspraken van deze regio zijn in de Agenda Wonen in De Bevelanden 2020 opgenomen. Hierin is aangegeven dat er in de gemeente Kapelle meer behoefte is aan (centrum)dorpse woonmilieus dan dat er nu gepland staat. Verder kennen de beoogde levensloopbestendige- en starterswoningen een volledig woonprogramma op de begane grond en zijn daarmee levensloopbestendig. Hiermee wordt ook ingespeeld op de toenemende vergrijzing. Daarnaast worden de woningen gebouwd voor de eensgezinshuishoudens en starters. Gelet op het hiervoor geschrevene voorziet de ontwikkeling van veertien woningen in Biezelinge in een behoefte.
Conclusie
De ontwikkeling is in overeenstemming met de Zeeuwse Omgevingsvisie.
Een aantal onderwerpen uit het Omgevingsplan is juridisch vertaald in de Provinciale Omgevings verordening 2018. Voor woningbouw zijn in de omgevingsverordening alleen regels opgenomen voor kleinschalige woningbouw in het buitengebied. Verder zijn er algemene regels opgenomen die betrekking (kunnen) hebben op zowel het buitengebied als het bestaand stedelijk gebied. Een beperkt aantal regels heeft vooral betrekking op stedelijke functies.
Van gemeenten wordt een bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan.
Toetsing en conclusie
In de Provinciale Omgevingsverordening Provincie Zeeland 2018 zijn geen specifieke regels opgenomen over de ontwikkeling van woningen of de locatie.
De regio De Bevelanden heeft regionale woningmarktafspraken opgesteld en opgenomen in de 'Woningmarktafspraken De Bevelanden 2020 - 2030' (mei 2020). In dit document zijn de volgende uitgangspunten opgenomen:
Algemeen
Ruimtelijk
Programmatisch
Vanuit het afsprakenkader wordt ingezet op:
Binnen het programma wordt ruimte gecreëerd om in te kunnen spelen op de behoefte uit de markt.
Er wordt gestreefd naar een optimale match tussen vraag en aanbod.
Toetsing en conclusie
Met de bouw van levensloopbestendige-, eengezins- en starterswoningen wordt voorzien in de bouw van woningen voor kleine huishoudens en daarmee in de invulling van een actuele woningbehoefte. De ontwikkeling sluit daarmee aan op de regionale woningmarktafspraken.
Met de Regionale Woonvisie De Bevelanden 2019 - 2023 beogen de vijf Bevelandse gemeenten inzicht te geven in de gezamenlijke missie en ambities van de regiogemeenten op het gebied van het wonen (oktober 2019). De visie is een parapluvisie voor verdere uitwerking in lokaal beleid.
De Regionale Woonvisie bevat de volgende missie: 'Wij willen een aantrekkelijke regio zijn waar men graag woont, met een regionaal passend, duurzaam en toekomstbestendig woningaanbod'. Vanuit deze missie zijn de volgende vijf ambities geformuleerd:
De Bevelanden heeft forse ambities op het gebied van duurzaamheid. In de woningvoorraad kan nog veel energie bespaard worden.
De regio De Bevelanden wil een complete regio zijn, met een passend woningaanbod voor jong en oud, rijk en arm, kleine en grote huishoudens, met en zonder ondersteuning, permanent en tijdelijk.
De Bevelanden streeft naar evenwicht in vraag en aanbod op de woningmarkt. De verwachte huishoudensgroei is de belangrijkste onderlegger voor het regionale woningbouwprogramma.
De Bevelanden streeft naar een toekomstbestendige woningvoorraad. Dit betekent continu investeren in onderhoud, aanpasbaarheid en verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. Naast de focus op vastgoed zal er ook aandacht moeten zijn voor de aanpak van sociale problematiek en de kwaliteit van de openbare ruimte.
Regio De Bevelanden wil een zorgzame regio zijn, waar vraag en aanbod naar wonen met zorg in balans zijn, ook voor de meest kwetsbare groepen. Hierbij ziet de regio kansen voor innovatieve vormen van wonen met zorg die de diversiteit aan woonmilieus voor regionale woningmarkt als geheel zullen vergroten.
Toetsing en conclusie
De realisatie van de levensloopbestendige-, eengezins- en starterswoningen is een ontwikkeling met een diverse doelgroep binnen bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling herontwikkeld grondgebied dat anders leeg komt te staan door het vertrek van de detailhandel. Daarmee sluit de ontwikkeling aan bij de woonvisie.
De gemeente Kapelle heeft de Structuurvisie 2012-2030 opgesteld. Met de Structuurvisie geeft de gemeente richting aan de gewenste toekomst van de gemeente. Behoud en versterking van de kernkwaliteiten staat voorop:
Figuur 3.1 Uitsnede structuurvisie gemeente Kapelle (Bron: Structuurvisie Kapelle 2012 - 2030)
Net als in andere gemeenten in Zeeland is er voor verschillende doelgroepen vraag naar woningen. Vanuit de eigen woningbehoefte komt er meer vraag naar woningen voor eenpersoonshuishoudens. De belangrijkste opgave uit de structuurvisie is het aanpassen van de huidige woningvoorraad zodat er voor iedere doelgroep woning beschikbaar zijn.
Toetsing en conclusie
In figuur 3.1 is te zien dat het plangebied en de omgeving is aangeduid voor behoud en versterking woon- en leefklimaat kernen. De ontwikkeling bestaat uit nieuwbouw van woningen voor onder andere ouderen en starters. Het gevolg hiervan is een aanpassing in de huidige woningvoorraad. Zodoende sluit de ontwikkeling aan bij de doelen uit de structuurvisie.
In mei 2017 heeft de gemeente Kapelle een nieuwe woonvisie vastgesteld. In deze woonvisie benoemd de gemeente Kapelle belangrijke kansen en uitdaging die zij zien voor de Kapelse woningmarkt en ambities en koers op lange termijn. De woonvisie sluit aan bij de ambities zoals neergelegd in de Structuurvisie: behouden en versterken van wat Kapelle definieert, namelijk een aantrekkelijke woon- en leefomgeving. De uitvoeringsagenda bevat de prioriteitenstelling, te voeren beleid en instrumenten die de gemeente voorstelt voor de komende vijf jaar en een doorkijk naar tien jaar. Naast het realiseren van kleinschalige nieuwbouw om op korte termijn aan de woningvraag te voldoen, richt het zich op verbetering van de bestaande woningvoorraad op de langere termijn.
Toetsing en conclusie
De kleinschalige nieuwbouw voldoet op langere termijn aan het uitbreiden van de woningvoorraad en sluit kwalitatief gezien ook aan op de woningvoorraad. De ontwikkeling sluit aan bij de doelen uit de woonvisie.
In het Strategisch Kompas van de gemeente Kapelle is de ambitie opgenomen dat het woningaanbod woonruimte biedt voor ‘iedereen’, waarbij het kenmerk van de gemeente is dat je er dorps woont in het groen. Door te streven naar een aantrekkelijk woonklimaat voor zowel jonge gezinnen als ouderen kiest de gemeente voor een actieve sturing op een evenwichtige bevolkingsopbouw met bijpassende woningen, verspreid over de kernen.
Toetsing en conclusie
Onderliggende ontwikkeling betreft een herstructurering om woningen mogelijk te maken. De ontwikkeling sluit dan ook aan bij de kwalitatieve vraag naar woningen.
Toetsingskader
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Ten behoeve van de beoogde ontwikkelingen is het aanmeldformulier van het waterschap voor de watertoets ingevuld (zie bijlage 2). Dit aanmeldformulier wordt voorgelegd aan het waterschap.
Toetsing en conclusie
Uit het aanmeldformulier blijkt dat er geen belangrijke aandachtspunten voor de waterhuishouding zijn.
Toetsingskader
Wet natuurbescherming
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht tot één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro.
Natura-2000 gebieden
De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
De bescherming van deze gebieden heeft een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Soortenbescherming
In het Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldoen moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zeeland
In de provincie Zeeland worden in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos , wezel en woelrat.
Onderzoek
Gebiedsbescherming
Natura 2000/Natuurbeschermingswet
Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura-2000. De afstand tot het Natura 2000-gebied 'Yerseke en Kapelse Moer' bedraagt circa 1.800 meter. De afstand tot het Natura 2000-gebied 'Westerschelde & Saeftinghe' bedraagt circa 1.500 meter. In het kader van het opstellen van het bestemmingsplan 'Biezelinge' is een stikstofberekening gedaan waarin de ontwikkeling van de 14 woningen zijn meegenomen. De stikstofberekening voor de aanleg- en gebruiksfase zijn opgenomen in een memo, zie bijlage 3. Hierin is geconcludeerd dat er voor de aanleg- en gebruiksfase geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden wordt berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr.
Figuur 4.1 Ligging van de planlocatie (blauw omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: Provincie Zeeland)
Natuurnetwerk Zeeland
Het plangebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Het meest dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het NNZ ligt op ongeveer 450 meter. Dit is het gebied 'Weeltje bij Biezelinge'. De geplande activiteit ligt op geruime afstand van beide gebieden. De bouw en het gebruik van de woningen hebben vanwege de afstand en de ligging geen negatief effect op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd in het kader van Natuurnetwerk Zeeland.
Soortenbescherming
Voor de ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Negatieve effecten op de volgende beschermde soorten en functies zijn niet op voorhand uit te sluiten:
Advies natuurinclusief bouwen
Initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de uitvoering en realisatie van de beoogde ontwikkeling en is voornemens om natuurvoorzieningen in de woningen op te nemen. Hiervoor is de rapportage 'Advies natuurinclusief bouwen' opgesteld, de rapportage is opgenomen in bijlage 5.
Nader onderzoek vleermuizen
Naar aanleiding van de uitkomsten van de quickscan flora en fauna is een nader onderzoek uitgevoerd naar de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis.Tijdens het onderzoek is binnen en direct grenzend aan het plangebied 1 waarneming van
rosse vleermuis verricht. Dit betrof 1 hoog overvliegend dier. Dit betreft een dier zonder
binding met het plangebied. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Het volgende is geconcludeerd.
Binnen het plangebied zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen of essentieel leefgebied van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis aanwezig. Negatieve effecten zijn derhalve uitgesloten. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming voor de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis of het treffen van aanvullende maatregelen zijn niet nodig.
Conclusie
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebieden. De afstand tot het Natura 2000-gebied 'Yerseke en Kapelse Moer' bedraagt circa 1.800 meter. De afstand tot het Natura 2000-gebied 'Westerschelde & Saeftinghe' bedraagt circa 1.500 meter. Uit AERIUS berekeningen blijkt dat er geen sprake is van relevante stikstofdeposities (hoger dan 0,00 mol/ha/j) in de omliggende Natura 2000-gebieden. Het plangebied maakt ook geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het meest dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het NNZ ligt op ongeveer 450 meter. Verder ligt het plangebied niet binnen een waterwin-, grondwaterbeschermings- of milieubeschermingsgebied. De Wnb en het beleid van de Provincie Zeeland staan de ontwikkeling niet in de weg.
Soortenbescherming
Nader onderzoek naar vleermuizen zal moeten uitwijzen of ontheffing van de Wnb noodzakelijk is. De initiatiefnemer is voornemens om natuurvoorzieningen in de woningen op te nemen.
Bij cultuurhistorische waarden aangaande gebouw erfgoed gaat het over de positieve waardering van bouwsporen, objecten, patronen, structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar wel onderdeel van de manier waarop we ons land beleven, inrichten en gebruiken.
Onderzoek
De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle objecten aanwezig. Ten oosten van het plangebied, aan Abdijstraat 1, is een historische boerderij aanwezig. Ten westen van het plangebied is de Mozeskerk gevestigd, deze is aangeduid als rijksmonument. De ontwikkeling heeft een positieve invloed op het rijksmonument Mozeskerk omdat de bestaande bebouwing die detoneert met het monument gesloopt wordt. De ontwikkeling heeft op de overige gebouwen geen invloed. Op grotere afstand zijn nog een aantal MIP objecten aanwezig. De ontwikkeling heeft hier eveneens geen invloed op.
Figuur 4.3 Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart, in blauw omkaderd (Bron: Provincie Zeeland)
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie staat de ontwikkeling niet in de weg.
Toetsingskader
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan door het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente) worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld.
Op basis hiervan zijn twee verschillende archeologische verwachtingszones onderscheiden. De archeologische verwachtingszones zijn in het bestemmingsplan 'Supermarkt Abdijstraat Kapelle' vertaald naar twee archeologische dubbelbestemmingen. In de bouwregels van deze bestemmingen is bepaald dat er ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag worden gebouwd mits de betrokken archeologische waarden door de voorgenomen bouwactiviteiten niet worden geschaad. Hiervoor zal de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een archeologisch onderzoeksrapport moeten overleggen en is instemming van de archeologische deskundige vereist. Ook voor het uitvoeren van werkzaamheden die het bodemprofiel kunnen aantasten, is een vergunning met onderzoek en advies nodig. De dubbelbestemmingen verschillen van elkaar op het punt van de oppervlakte die is vrijgesteld van onderzoek.
Toetsing
In het bestemmingsplan 'Supermarkt Abdijstraat Kapelle' is voor het gehele plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. In de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' is bepaald dat archeologisch onderzoek en advies niet nodig zijn indien de oppervlakte van de bodemverstoring niet meer dan 50 m2 bedraagt of als het gaat om een bodemverstoring die niet dieper reikt dan 40 cm. In de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' is bepaald dat archeologisch onderzoek en advies niet nodig zijn indien de oppervlakte van de bodemverstoring niet meer dan 250 m2 bedraagt of als het gaat om een bodemverstoring die niet dieper reikt dan 40 cm. De beoogde ontwikkeling overschrijd deze normen. Hierdoor is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het archeologisch onderzoek is toegevoegd in bijlage 7. Het volgende is geconcludeerd.
Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens uit het bureauonderzoek is een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Op basis van het bureauonderzoek gold voor het Neolithicum (Laagpakket van Wormer) een middelhoge verwachting, tevens gold een lage verwachting voor de Bronstijd tot en met Midden Ijzertijd, een hoge verwachting voor de Late Ijzertijd en Romeinse tijd, een hoge verwachting Middeleeuwen en een hoge verwachting voor de Nieuwe Tijd. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde booronderzoek kon het archeologisch verwachtingsmodel niet worden getoetst aangezien alle boringen zijn gestuit op maximaal 0,31 m-mv op beton of ondoordringbaar puin.
Hierdoor blijft de verwachting op archeologische waarden hoog. Aangezien de initiatiefnemer voornemens is om op het huidige parkeerterrein 14 nieuwbouw woningen te realiseren, waarbij de onderkant van de fundering/kruipruimte wordt voorzien op circa 0,70 m -mv (circa 1 meter onder Peil woning), wordt, na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid, een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van proefsleuvenonderzoek teneinde de archeologische verwachting afdoende te kunnen toetsen en eventueel aanwezige vindplaatsen te kunnen waarderen.
Doormiddel van de archeologische dubbelbestemmingen wordt dit ook geborgd.
Het Oosterschelderegio Archeologisch Samenwerkingsverband heeft aangegeven met het opgestelde rapport in te stemmen. Op een nader te bepalen moment dient een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven te worden uitgevoerd. Hierbij is het belangrijk dat het parkeerterrein niet meer als dusdanig wordt gebruikt. Voorafgaand aan het onderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld wat door alle betrokken partijen dient te worden ondertekend en door de bevoegde overheid te zijn goed gekeurd. De resultaten van dit onderzoek kunnen aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk maken.
Toetsingskader
Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Toetsing
Op 1 maart 2018 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 8. Het volgende is geconcludeerd:
Op basis van bovengenoemde onderzoeksresultaten wordt geadviseerd om aanvullend onderzoek uit te voeren om de aangetoonde verontreiniging in te kaderen en vast te stellen of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (meer dan 25
m3). Verder wordt geadviseerd om een onderzoek uit te voeren naar het voorkomen van asbest conform de NEN5707.
Asbest
Op 1 maart 2018 is een rapportage asbestinventarisatie uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 9. Het volgende is geconcludeerd:
Geadviseerd wordt om alle asbestverdachte en asbesthoudende materialen, door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf te laten verwijderen conform bijlage 4 uit de asbestinventarisatie.
Conclusie
Op basis van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek wordt geadviseerd om een aanvullend bodemonderzoek uit te voeren. De asbestverdacht- en asbesthoudende materialen dienen door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf verwijderd te worden. Dit zal bij uitvoering worden gedaan.
Toetsingskader
Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen plannen. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.
De gemeente Kapelle heeft geen parkeerbeleid en daarom wordt de parkeerbehoefte berekend op basis van parkeerkencijfers uit de meest actuele CROW-publicatie (publicatie 381). Op basis van kencijfers uit deze publicatie wordt tevens de verkeersgeneratie berekend. Voor het juiste kencijfer/parkeernorm wordt een ligging in het centrum, de gemeente Kapelle wordt op basis van adressendichtheid getypeerd als weinig stedelijk gebied (CBS). Verder wordt uitgegaan van het gemiddelde binnen de bandbreedte van het kencijfer/de parkeernorm.
Gemotoriseerd verkeer
De planontwikkeling ligt aan het Jufferswegje en de Hoofdstraat, grenzend aan het centrum van Biezelinge. Het Jufferswegje en de Hoofdstraat zijn erftoegangswegen waar een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Het Jufferswegje gaat in zuidelijke richting over in de Abdijstraat en vervolgens over in de Smokkelhoekweg richting de N289. De N289 is provinciale weg en een belangrijke gebiedsontsluitingsweg (80km/uur) om de rijksweg A58 en de kernen Schore en Hansweert te bereiken.
De Hoofdstraat gaat in oostelijke richting op in de Abdijstraat en in westelijke richting op in het Marktplein. In zuidelijke richting kan de Ganshoekweg bereikt worden. In Zuidelijke richting gaat de Abdijstraat over in de Smokkelhoekweg richting de N289. De Smokkelhoekweg is een erftoegangsweg met een uitstraling van een gebiedsontsluitingsweg waar een maximum snelheid van 30km/uur geldt. De bereikbaarheid van het plangebied voor gemotoriseerd verkeer is goed.
Langzaam verkeer
Fietsverkeer deelt op de Hoofdstraat en het Jufferswegje de rijbaan met het gemotoriseerde verkeer. Langs het gebied van de beoogde ontwikkeling is een voetpad aanwezig. Aan de Abdijstraat ligt een voetpad en is een fietssuggestiestrook aanwezig.
Openbaar vervoer
Op enkele meters afstand van het plangebied bevindt zich de dichtstbijzijnde bushalte Biezelinge, Hoofdstraat. Vanuit deze bushalte rijdt er om het uur een bus naar bushalte Wemeldinge, Dorpsplein.
Parkeerbehoefte toekomstige situatie
De parkeerbehoefte van de ontwikkeling is berekend met kencijfers van het CROW-publicatie 381 en opgenomen in tabel 4.2
Tabel 4.2 Parkeerbehoefte in de toekomstige situatie
| functie type | Functie CROW | aantal | Norm | Parkeerbehoefte |
| Levensloopbestendige geschakelde woning | koop, huis, tussen, hoek | 5 | 1,5 | 8 |
| Geschakelde eensgezinswoningen | koop, huis, tussen, hoek | 5 | 1,5 | 8 |
| Gestapelde starterswoningen | koop, huis, tussen, hoek | 4 | 1,5 | 6 |
| Totaal | 22 pp |
Parkeeraanbod
Behorend bij het plangebied worden 24 parkeerplaatsen gerealiseerd (zie figuur 4.4). 18 plaatsen worden aan de noordzijde van het perceel gerealiseerd. De parkeerplaatsen voor de starterswoningen worden aan de oostzijde gerealiseerd. Ook wordt nog een parkeerplaats op eigen terrein gerealiseerd. Daarmee wordt in de behoefte voorzien.
Figuur 4.4 De beoogde parkeerplaatsen (Bron: Rianthuis)
Huidige situatie
Aan het Jufferswegje en de Hoofdstraat is de huidige Aldi, Action en Fruitshop gevestigd. Deze ligt op een moeilijk bereikbare plek tussen woningen in. In de toekomst worden er 14 woningen gerealiseerd. Het aantal verkeerbewegingen op de oude locatie zal op deze locatie afnemen in verhouding met de huidige situatie.
Tabel 4.3 Verkeersgeneratie huidige situatie
| Oppervlakte/aantal | Functie | Kencijfer* | Verkeersgeneratie Weekdag | Verkeersgeneratie Werkdag | |
| Aldi | 1600 m2 bvo | Fullservice-supermarkt | 134,7 per 100 m2 bvo | 2.115 mvt/etmaal | 2.538 mvt/etmaal |
| Action | 800 m2 bvo | Buurt- dorpscentrum | 63,75 per 100 m2 bvo | 510 mvt/etmaal | 561 mvt/etmaal |
| Fruitshop | 680 m2 | buurtsuper | 110,8 per 100 m2 bvo | 753 mvt/etmaal | 904 mvt/etmaal |
| Totaal | 3.378 mvt/etmaal | 3.958 mvt/etmaal |
*weinig stedelijk, ligging in rest bebouwde kom, gemiddeld kencijfer
De verkeersgeneratie in de huidige situatie van het plangebied is berekend op 3.378 mvt/etmaal (weekdaggemiddeld). Omrekening naar een gemiddelde werkdag vindt plaats met de standaard factor 1,2 voor supermarkten en voor overige detailhandel met de standaard factor 1,1. De omrekenfactor naar werkdag bedraagt 1,11 voor woningen. Op een gemiddelde werkdag genereert de huidige situatie circa 3.958 mvt/etmaal.
Toekomstige situatie
Tabel 4.4 Verkeersgeneratie huidige situatie
| Oppervlakte/aantal | Functie | Kencijfer* | Verkeersgeneratie Weekdag | Verkeersgeneratie Werkdag | |
| Levensloopbestendige geschakelde woning | 5 | koop, huis, tussen, hoek | 7,4 mvt/etmaal per woning | 37 mvt/etmaal | 44,4 mvt/etmaal |
| Geschakelde eensgezinswoningen | 5 | koop, huis, tussen, hoek | 7,4 mvt/etmaal per woning | 37 mvt/etmaal | 44,4 mvt/etmaal |
| Gestapelde starterswoningen | 4 | koop, huis, tussen, hoek | 7,4 mvt/etmaal per woning | 37 mvt/etmaal | 44,4 mvt/etmaal |
| Totaal | 89,4 mvt/etmaal | 133,2 mvt/etmaal |
*weinig stedelijk, ligging in rest bebouwde kom, gemiddeld kencijfer
De realisatie van veertien woningen zorgt voor een afname van 3.288,6 mvt/etmaal op een weekdag en een afname van 3.824,4 mvt/etmaal op een werkdag. De afname van de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkelingen is dermate groot dat deze van positieve invloed is op de verdere verkeersafwikkeling.
De wegen rondom het plangebied hebben een relatief hoge capaciteit maar worden niet overschreden omdat er een afname is waardoor het niet zal leiden tot knelpunten op het omliggende wegennet. Als gevolg van de ontwikkeling blijft de verkeersveiligheid gewaarborgd.
De ontsluiting van het plangebied is goed voor de verschillende vervoersmiddelen. Er is een verkeersafname, dit levert dusdanig geen toename op die leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. De parkeerbehoefte is berekend voor de ontwikkeling en wordt volledig op eigen terrein voorzien. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkeling niet in de weg.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.
Milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen:
Om een belangenafweging tussen een goed woon- en leefklimaat in de omgeving en de bedrijfsvoering te kunnen maken, is voor dit plan gebruikgemaakt van de systematiek uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.
In de VNG-publicatie is tevens de mogelijkheid opgenomen te werken met een Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging. Bedrijven die genoemd zijn in deze staat kunnen in een functiemengingsgebied direct naast gevoelige functies aanwezig zijn, zonder dat er richtafstanden in acht genomen moeten worden.
Toetsing
De ontwikkeling vindt plaats in de kern Biezelinge, met voornamelijk woningbouw en een maatschappelijke bestemming aan de westzijde van het plangebied. Hier staat de Mozeskerk. Kerkgebouwen hebben een richtafstand van 30 meter. Hiermee dient rekening gehouden te worden in het uitwerken van het woongebied zodat de kerk niet in haar bedrijfsvoering beperkt wordt en ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Conclusie
Het aspect milieuhinder en bedrijven staat de uitvoering van het uitwerkingsplan niet in de weg.
Het aspect geluid kan betrekking hebben op:
Er is geen sprake van een geluidhinder producerend bedrijf binnen de richtafstand van de woningen. Het aspect inrichtingslawaai is daarom niet relevant. Op de aspecten wegverkeerslawaai en industrielawaai wordt hierna ingegaan.
Toetsingskader
Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidgevoelige functie aangemerkt. Indien in een bestemmingsplan nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidzone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau.
Indien er sprake is van een geluidproducerende functie moet aangetoond worden dat voldaan wordt aan wettelijke geluidseisen. Eventueel dient dit aangetoond te worden door middel van akoestisch onderzoek en zijn geluidwerende maatregelen nodig.
Onderzoek
Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) aangewezen als geluidgevoelige objecten. Hiervoor dient akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden indien deze liggen binnen de geluidzone van wettelijk gezoneerde (spoor) wegen. Dit is hier niet het geval. Wel is het nodig om in het kader van een goede ruimtelijke ordening het akoestische klimaat te beoordelen ten gevolge van de niet gezoneerde 30 km/uur wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de niet gezoneerde wegen Jufferswegje, Hoofdstraat en Abdijstraat meegenomen. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 10. Het volgende is geconcludeerd.
De geluidbelasting vanwege de niet gezoneerde wegen Jufferswegje, Abdijstraat, Hoofdstraat is hoger dan de richtwaarde van Lden = 48 dB, maar niet hoger dan de maximaal aanvaardbare waarde van Lden = 63 dB. Ondanks dat maatregelen om de geluidbelasting te reduceren niet doelmatig zijn gebleken, vormt in het kader van een goede ruimtelijke ordening geluid van wegverkeerslawaai geen belemmering voor de ontwikkeling. Het laten vaststellen van hogere waarden is niet aan de orde omdat deze wegen niet onder het regime van de Wgh vallen.
Toetsingskader
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds.
Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe. Omdat de locatie binnen de geluidzone van het industrieterrein Smokkelhoek ligt, is toetsing aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder nodig. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 10.
Onderzoek
De geluidbelasting vanwege industrielawaai is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde, maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde. De Wgh is daarmee geen belemmering voor wat betreft het aspect industrielawaai, wel dient een hogere waarde industrielawaai te worden vastgesteld van Lden = 54 dB(A).
Om te zorgen voor een aanvaardbaar akoestisch klimaat in de woningen, wordt aanbevolen om de totale geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer en industrielawaai toe te passen bij het berekenen van de benodigde geluidwering van de gevel. Hiervoor zal een hogere waarde moeten worden vastgesteld conform de Wet geluidhinder.
Toetsingskader
De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM.
Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen.
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.5 weergegeven.
Tabel 4.5 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| stof | toetsing van | grenswaarde | |
| stikstofdioxide (NO2)) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ | |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ | ||
| Fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg/m³ | |
NIBM
In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Toetsing en conclusie
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het aspect luchtkwaliteit te worden onderzocht.
De beoogde ontwikkeling (woningen) behoort tot een vaste categorie waarvan vooraf bekend is dat deze ontwikkeling 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan hoe het met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is gesteld. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde voor luchtkwaliteit relevante weg is de Rijksweg A58 (zie figuur 4.5). Hieruit blijkt dat zowel in 2020 als in 2030 voldaan wordt aan de voor dit jaar geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 4.6.
Tabel 4.6 Toetsing aan grenswaarden maatgevende stoffen Wm
| stof | grenswaarde | maximale waarden in jaar 2020 | maximale waarden in jaar 2030 |
| stikstofdioxide (NO2) | 40 µg/m³ | 18,8 µg/m³ | 14,3 µg/m³ |
| fijn stof (PM10) | 40 µg/m³ | 15,0 µg/m³ | 13,3 µg/m³ |
| max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ | 6,0 µg/m³ | 6,0 µg/m³ | |
| Fijn stof (PM2,5) | 25 µg/m³ | 7,8 µg/m³ | 6,3 µg/m³ |
Figuur 4.5 Luchtkwaliteit ten opzichte van het plangebied (bron: NSL-monitoringstool)
Toetsingskader
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.
Risicovolle inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht.
Toetsing
Risicorelevante inrichtingen
Ten oosten van het plangebied ligt Coroos Conserven. Op dit terrein bevinden zich twee LPG vulstations. Eén ten noorden van het terrein en één ten zuiden. Het vulpunt van het noordelijke tankstation ligt op een afstand van circa 220 meter tot het plangebied. Het vulpunt van het zuidelijke LPG vulstation ligt op een afstand van circa 410 meter. Het plangebied ligt buiten de PR 10-6 contour van deze inrichtingen. Uit het rapport van de risicokaart hebben de LPG vulstations beide een invloedsgebied van 425 meter waar het plangebied binnen valt. In het rapport van de risicokaart is het GR gegeven (zie figuur 4.6) hieruit blijkt dat in de huidige situatie het groepsrisico ruim onder de oriëntatiewaarde ligt. Gezien de afstand en de omvang van de ontwikkeling zal het groepsrisico als gevolg van het beoogde plan beperkt toenemen en is een overschrijding van de oriëntatiewaarde uitgesloten. Gezien de ligging binnen het invloedsgebied is een beknopte verantwoording van het groepsrisico gegeven.
Figuur 4.6 Groepsrisico Curve Coroos Conserven (bron: risicokaart.nl)
Vervoer gevaarlijke stoffen
In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig die van invloed hebben op de externe veiligheid van het plangebied.
Ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 440 meter ligt de Omleidingsroute Vlaketunnel (A58): Oude Rijksweg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied ligt buiten de PR 10-6 contour van 19 meter. Het invloedsgebied van deze weg is 355 meter waar het plangebied buiten valt.
Ook ligt ten zuiden van het plangebied op een afstand van 700 meter de A58 waarover gevaarlijke stoffen vervoerd wordt. Het plangebied ligt buiten de PR 10-6 contour en het plasbrantaandachtsgebied van deze transportroute. Het invloedsgebied (ongevallen met giftige vloeistoffen (klasse LT2)) is 880 meter waar het plangebied binnen valt. Doordat het plangebied verder dan 200 meter ligt van de transportroute is een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk wel dient een beknopte verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden.
Ten noorden van het plangebied op een afstand van 220 meter ligt een spoorroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied valt buiten de PR 10-6 contour. Het spoortraject heeft een invloedsgebied van 4 kilometer waar het plangebied binnen valt. Gezien de afstand is een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk. Door de ligging binnen het invloedsgebied is hieronder een beknopte verantwoording van het groepsrisico gegeven. Gelet op de afstand tot het spoor valt de ontwikkeling ook binnen het invloedsgebied van ongevallen met brandbare gassen (stofklasse GF3, totaal invloedsgebied van 460 meter).
De van toepassing zijnde scenario's voor het plangebied zijn:
Verantwoording groepsrisico
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid
Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. Deze ontwikkeling is bij het bouwplan getoetst op bluswater en bereikbaarheid.
De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering te allen tijde een belangrijke rol.
De planlocatie wordt ontsloten via het Jufferswegje in noordelijke en zuidelijke richting en via de Hoofdstraat in oostelijke richting. Het Jufferswegje is een doorgaande weg waarmee het plangebied snel aangesloten is op het regionale wegennet. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan bijvoorbeeld via meerdere aanvalswegen een mogelijke brand geblust worden. Daarnaast kan via de Hoofdstraat of Jufferswegje van de bron af worden gevlucht.
Zelfredzaamheid
Ter plaatse van het plangebied worden veertien woningen gerealiseerd. De aanwezige personen zullen over het algemeen dan ook zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden. Gelet op de afstand tot het spoor en tot de LPG-vulstations en het feit dat de planlocatie nog wordt afgeschermd door tussenliggende gebouwen, zijn ruimtelijke maatregelen en bouwkundige maatregelen met betrekking tot het BLEVE-scenario niet noodzakelijk. Voor dit scenario volstaat het om bewoners te informeren over het handelingsperspectief bij (dreigende) ongevallen met brandbare gassen (BLEVE) op het spoor of bij Coroos. Dit handelingsperspectief is als volgt: Blijf binnen of ga naar binnen en schuil aan de zijde van de woning die het verst van het spoor of Coroos is verwijderd. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen.
Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.
Conclusie
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van Coroos Conserven, de A58 en een spoortraject. Vanwege de ligging, locatie en omvang van het plan vormt het groepsrisico geen beperkingen voor de beoogde ontwikkeling. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in of nabij het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig die een belemmering vormen.
Toetsingskader
Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij kan op verschillende manieren omgegaan worden met energie zuinigheid.
Toetsing en conclusie
Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. De beoogde woningen worden bijna energieneutraal en worden zonder gasaansluiting gebouwd.
Toetsingskader
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen.
Toetsing en conclusie
Er zijn geen planologisch relevante leidingen in het plangebied aanwezig. Het aspect staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en nietplanologische leidingen.
Toetsingskader
Als gevolg van de ontwikkeling is een bezonningsstudie uitgevoerd naar de beschaduwing c.q. bezonning ten gevolge van de ontwikkeling op de directe omgeving, met name Jufferswegje 1. De bezonningsstudie is als bijlage 11 bij het plan opgenomen.
Toetsing en conclusie
Op basis van de bezonningsstudie kan het volgende worden geconcludeerd:
In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar.
Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van belang voor bestemmingsplannen.
Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling (verbeelding en planregels) is het volgende van belang.
Op de verbeelding wordt met bestemmingen en dubbelbestemmingen aangegeven welk gebruik is toegestaan en of er ten behoeve van die bestemmingen mag worden gebouwd. Naast enkelbestemmingen die met een kleur worden aangeduid, zijn de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie en Waarde - Archeologie - 1 op de verbeelding herkenbaar aan arceringen aangeduid.
De regels zijn opgedeeld in hoofdstukken, volgens de bepalingen uit SBVP2012:
De artikelen in Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn als volgt opgebouwd:
Niet ieder bestemmingsartikel hoeft al deze elementen te bevatten. Dat is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingsartikelen bevatten in ieder geval een bestemmingsomschrijving en bouwregels.
In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de gehanteerde bestemmingen en wat binnen deze bestemmingen is toegestaan met betrekking tot bouwen en gebruik.
De gronden ter plaatse van het perceel aan de Hoofdstraat met de woningen zijn voorzien van de bestemming 'Gemengd'. De goot- en bouwhoogte zijn afgeleid van reguliere hoogtematen zoals opgenomen langs vergelijkbare wegen rondom het plangebied. Voorts is in een regeling opgenomen zoals die gebruikelijk is voor woonpercelen in Kapelle/Biezelinge.
Artikel 4 Waarde - Archeologie 1
Om de aanwezige archeologische waarden bij toekomstige bodemingrepen te waarborgen is een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Voor bepaalde ingrepen is afhankelijk van de oppervlakte en de mate van verticale bodemverstoring een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden noodzakelijk. Voor 'Waarde - Archeologie 1' geldt dat bodemingrepen dieper dan 40 cm en groter dan 50 m² niet zijn toegestaan zonder dat is aangetoond dat er geen archeologische waarden worden verstoord.
Artikel 5 Waarde - Archeologie 2
Om de aanwezige archeologische waarden bij toekomstige bodemingrepen te waarborgen is een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Voor bepaalde ingrepen is afhankelijk van de oppervlakte en de mate van verticale bodemverstoring een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden noodzakelijk. Voor 'Waarde - Archeologie 2' geldt dat bodemingrepen dieper dan 40 cm en groter dan 250 m² niet zijn toegestaan zonder dat is aangetoond dat er geen archeologische waarden worden verstoord.
In het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is bepaald dat in de toelichting op het bestemmingsplan in ieder geval 'de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan' moeten zijn opgenomen. Dit volgt uit artikel 3.1.6 Bro. Het gaat daarbij over de financiële uitvoerbaarheid, waaronder de vraag of voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om het plan te realiseren.
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken alsook om de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro.
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van 6 weken, van 10 mei 2023 tm 21 juni 2023, voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon iedereen over het ontwerpbestemmingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen.
Hierbij zijn drie zienswijzen ingediend en zijn er vooroverlegreacties ingediend door de Provincie Zeeland, Waterschap Scheldestromen en Veiligheidsregio Zeeland. De zienswijzen en vooroverlegreacties hebben tot een aantal aanpassingen en aanvullingen aan de toelichting en regels geleid van het uitwerkingsplan. Aan Artikel 13 in de planregels is een lid toegevoegd dat binnen het plangebied 24 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Alle aanpassingen, de samenvatting en beantwoording zijn samengevat in de antwoordnota zienswijzen en overlegreacties, die als bijlage 12 bij de toelichting is opgenomen.