direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente Veenendaal is voornemens de Ritmeester sigarenfabriek de komende jaren te transformeren naar een groen, leefbaar en gevarieerd woon-werkgebied. De fabrieksloods wordt gesloopt en maakt plaats voor maximaal 172 woningen, bestaande uit grondgebonden woningen en appartementen.

Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan 'Ritmeesterkwartier 2016', dat deel uitmaakt van het (tijdelijk) Omgevingsplan gemeente Veenendaal. Op basis van dit bestemmingsplan geldt ter plaatse van het plangebied de bestemming 'Gemengd - Uit te werken bestemming'. Voor de uitwerking van deze bestemming is geen uitwerkingsplan vastgesteld. In het bestemmingsplan zijn uitwerkingsregels opgenomen waar een uitwerkingsplan aan moet voldoen. Zo dient de bouwhoogte in overeenstemming te zijn met wat op de verbeelding is opgenomen. Deze maximale bouwhoogte ligt tussen de 10 en 16 meter. De beoogde woningbouwontwikkeling is op grond van het tijdelijk omgevingsplan niet mogelijk. Er is geen uitwerkingsplan voor opgesteld en de beoogde bebouwing past niet binnen deze maximale bouwhoogten. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, is er een wijziging nodig van het huidig juridisch-planologisch kader.

De gemeente Veenendaal beschikt op moment van schrijven niet over een compleet omgevingsplan. De gemeente heeft er daarom voor gekozen om de herontwikkeling van de Ritmeesterlocatie mogelijk te maken via de Tijdelijke Algemene Maatregel (TAM) Omgevingsplan via IMRO. TAM-IMRO biedt gemeenten de mogelijkheid om een nieuw deel van het omgevingsplan via de oude technische publicatiewijze in procedure te brengen. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het nieuwe juridisch-planologisch kader voor het plangebied.

1.2 Ligging en begrenzing planlocatie

Het plangebied is gelegen aan de Kerkewijk te Veenendaal en ligt centraal in de gemeente. Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied aangegeven. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0001.png"

Figuur 1.1 Luchtfoto plangebied (bron: pdok.nl/viewer)

1.3 Het omgevingsplan

Op 1 januari 2024 is het Omgevingsplan gemeente Veenendaal in werking getreden. In het tijdelijke deel zijn naast de Bruidsschat de volgende bestemmingsplannen van toepassing:

  • Ritmeesterkwartier 2016, vastgesteld d.d. 22 september 2016;
  • Woongebieden 2018, vastgesteld d.d. 20 september 2018;
  • Ondergrondse hoogspanning, vastgesteld d.d. 23 juni 2022;
  • Parapluplan 2022, vastgesteld d.d. 20 april 2023.

Op grond van het bestemmingsplan 'Ritmeesterkwartier 2016' heeft het plangebied de bestemming 'Gemengd - Uit te werken bestemming'. Tevens geldt op een klein gedeelte van het plangebied de aanduiding 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor de aanleg, instandhouding en herstel van een bovengrondse hoogspanningsverbinding.

De gemengde, uit te werken bestemming maakt meerdere functies, waaronder wonen, parkeervoorzieningen, verkeer en groen mogelijk, mits wordt voldaan aan de uitwerkingsregels. De maximale bouwhoogte is grotendeels 10 meter, maar deels ook 12, 13 en 16 meter. De beoogde appartementen voldoen niet aan deze maximale bouwhoogte. Daarnaast is de verwachting dat de nieuwe plannen ook het maximum aantal vierkante meters bvo (bruto vloeroppervlakte) zullen overschrijden. Zodoende is de beoogde woningbouwontwikkeling in strijd met het tijdelijk Omgevingsplan gemeente Veenendaal.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0002.png"

Figuur 1.2 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Ritmeesterkwartier 2016 (bron: omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart)


Op grond van het bestemmingsplan 'Woongebieden 2018' berust op een klein gedeelte in het zuiden van het plangebied de bestemming 'Verkeer'. Ook geldt daar de aanduiding 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'.

Op grond van het bestemmingsplan 'Ondergrondse hoogspanning' vervalt de bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding', die op grond van het bestemmingsplan 'Ritmeesterkwartier 2016' is aangewezen, op het moment dat deze bovengrondse hoogspanningsverbinding onder de grond is gebracht en in gebruik is genomen. Het ondergronds brengen van de hoogspanningsverbinding is met het bestemmingsplan 'Ondergrondse hoogspanning', ter plaatse van de bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding ondergronds' mogelijk gemaakt.

Het 'Parapluplan 2022' geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente. Met dit plan zijn de bestaande juridisch-planologische regelingen voor archeologie en parkeren hersteld en verduidelijkt.

Een woningbouwontwikkeling is binnen het vigerend juridisch-planologisch kader niet mogelijk. Voorliggend TAM-omgevingsplan stelt de nieuwe kaders voor het plangebied en vormt hiermee het nieuwe juridisch-planologisch kader.

1.4 Leeswijzer

Deze ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd:

In hoofdstuk 2 is de bestaande en toekomstige situatie beschreven;

In hoofdstuk 3 volgt vervolgens een beschrijving van het beleidskader dat van toepassing is op het initiatief;

In hoofdstuk 4 zijn hierna de relevante milieu- en omgevingsaspecten behandeld;

In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven;

In hoofdstuk 6 komen het financiële, maatschappelijke en procedurele aspect aan bod.


Hoofdstuk 2 Bestaande en toekomstige situatie

2.1 Bestaande situatie ruimtelijk en functioneel

Het plangebied ligt centraal in de gemeente Veenendaal, aan de Kerkewijk en tussen de Frisia, Tubantia en Vijftien Morgen. Het plangebied bestaat grotendeels uit het fabrieksterrein van de voormalige Ritmeester sigarenfabriek. Daaromheen zijn verschillende woonwijken gelegen. De locatie is vrijwel geheel bebouwd.

De fabriekshallen zijn momenteel in gebruik voor (tijdelijke) bedrijvigheid en door maatschappelijke organisaties. In de omgeving van het plangebied zijn veel verschillende functies te vinden. Naast wonen komen ook de functies bedrijf, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen en gemengd voor in de nabijheid van het plangebied. Het plangebied is in de huidige situatie volledig verhard en op een paar bomen in de omgeving na is er geen groen aanwezig.

Aan de noordkant grenst de locatie aan de achtertuinen van de woningen aan de Frisia. Aan de oostkant grenst de locatie aan de Hollandia met gestapelde woonbebouwing en grondgebonden woningen aan de Tubantia. Aan de zuidzijde grenst de locatie aan de Vijftien Morgen. Ten zuiden van de Vijftienmorgen zijn een zorgcentrum en een kerk aanwezig. Aan de westzijde grenst de locatie aan de (monumentale) bebouwing van de Kerkewijk, met voornamelijk gemengde functies. Aan de zuidwest zijde van de locatie (aan de Vijftienmorgen) is een maatschappelijke voorziening aanwezig.

In het zuidwesten van het plangebied bevindt zich tevens een hoogspanningsmast.

2.2 Historie

De Ritmeester Sigarenfabriek is opgericht in 1887 door Jochem van Schuppen. Van Schuppen maakte veel gebruik van huisnijverheid. De mensen kochten dan tabak en dekbladen bij de fabriek en verkochten de daarvan geproduceerde sigaren weer aan de fabriek. Aan deze gezinsarbeid kwam in 1920 een einde. Na de eerste wereldoorlog was er sprake van een crisis in de sigarenindustrie. Dit kwam door de introductie van de sigaret en de import van goedkope sigaren uit Duitsland. Ritmeester introduceerde toen 'de Bolknak'. Deze werd een groot succes en de Ritmeester Sigarenfabriek groeide.

Begin jaren zeventig kwam er steeds meer aandacht voor de gezondheidsrisico's van tabak. Dit had een sterk effect op de consumptie van sigaren. In 2006 is de fabriek gesloten.

2.2.1 Bebouwing

Het eerste gebouw van de Ritmeesterfabriek was het "fabriekskasteel" aan de Kerkewijk 65. Het fabriekskasteel maakt geen onderdeel uit van het plangebied. Het pand is een gemeentelijk monument. De achterliggende gebouwen bestaat uit productiehallen en uitbreidingen van het fabriekskasteel. De productiehallen zijn in diverse tijden gerealiseerd. Het nieuwste deel van deze bebouwing maakt deel uit van het plangebied. Het meest karakteristieke onderdeel van de hallen zijn de alom aanwezige sheddaken. Een deel van deze sheddaken zijn bij de herontwikkeling van het plangebied met het bestemmingsplan 'Ritmeesterkwartier 2016' behouden.

2.3 Cultuurhistorie

De hiervoor in het kort beschreven historie van de Sigarenfabriek Ritmeester heeft ertoe geleid dat er een industrieel gebouwencomplex is ontstaan dat een grote cultuurhistorische waarde heeft voor Veenendaal. Van de grote sigarenfabrieken die Veenendaal rijk is geweest is dit nog het enig overgebleven gebouwencomplex. Zo zijn de grote complexen van de Panter sigarenfabriek en ook Ritmeester "over het spoor' aan de Kerkewijk, met uitzondering van een kantoorgebouw, geheel verdwenen.

De vooroorlogse gebouwen met een gemeentelijke monumentenstatus worden behouden en benut. De fabriekshallen in het plangebied zijn op de cultuurhistorische waardenkaart niet aangewezen als cultuurhistorisch waardevol. Wel zal de nieuwe bebouwing waar mogelijk verwijzen naar het industrieel karakter van het gebied. Zo zal de historische, industriële betekenis van het gebied worden benut.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0003.png"

Figuur 2.1 Luchtfoto plangebied

2.4 Gewenste situatie ruimtelijk en functioneel

In de beoogde situatie wordt de Ritmeesterlocatie herontwikkeld tot woon-, werk- en verblijfslocatie. Het fabrieksgebouw wordt gesloopt om plaats te maken voor maximaal 172 nieuwe woningen. De nieuwe woningen zullen bestaan uit een mix van grondgebonden woningen en gestapelde appartementen die passend zijn in de omgeving en aansluiten op de bestaande bebouwing. Ook worden er enkele woon-werkwoningen gerealiseerd. Het wordt een buurt voor jong en oud, met een levendig openbaar gebied waar prettig kan worden gewerkt en gewoond.

Het oude fabrieksterrein ligt als een eiland in zijn omgeving, doordat er zich in de loop der jaren een hele woonwijk omheen heeft ontwikkeld. De herontwikkeling van de Ritmeester-locatie maakt het mogelijk om het voormalig afgesloten terrein in te zetten om verbindingen te maken met de omliggende buurten en het isolement tussen de Kerkewijk, de Industrielaan, Boompjesgoed en Grift op te heffen. Het moet als het ware een 'stepping stone' vormen tussen het centrum van Veenendaal en het Stationskwartier. Door deze verbindingen groen in te richten, worden de groenstructuur en natuurverbindingen in alle richtingen versterkt. Hiermee sluit het plan ook aan op de uitgangspunten in het Toekomstbeeld Spoorzone voor dit gebied.

Voor het plangebied zijn verschillende ruimtelijke randvoorwaarden opgesteld. De belangrijkste zijn:

  • Aansluiten op de bestaande omgeving: bebouwing, achtertuinen, groen (bomen) en openbare ruimte;
  • Het creëren van een aaneengesloten openbare verblijfsplek van ca. 1000 m2;
  • Het creëren van een doorwaadbaar gebied met verbindingen voor voetgangers uit de 4 windrichtingen;
  • Het realiseren van parkeervoorzieningen op maaiveld voor de nieuwe woningen die bereikbaar zijn vanaf de Vijftien Morgen en Tubantia.

2.5 Stedenbouwkundige structuur

Er is een stedenbouwkundig plan opgesteld waarin bovenstaande randvoorwaarden zijn verwerkt. Het stedenbouwkundig plan is opgenomen als Bijlage 1.

De focus voor de woningbouwontwikkeling ligt op het creëren van een divers woongebied. De ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen voor verschillende doelgroepen en huishoudens, waarbij rekening wordt gehouden met woningen waar de meeste behoefte naar is. Zo wordt er voorzien in appartementen voor starters en alleenstaanden en stadswoningen in verschillende groottes voor jonge gezinnen. Het planvoornemen realiseert in totaal maximaal 172 woningen.

Het fabrieksgebouw maakt plaats voor zes 'woonblokken', waarvan er 3 zijn bedoeld voor appartementen. De rest bestaat uit blokken met rijwoningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0004.png"

Figuur 2.2 en openbare ruimte

De bouwhoogtes van de appartementsgebouwen bedragen maximaal 14, 21 en 27 meter. De bouwhoogtes van de grondgebonden woningen variëren van maximaal 11 tot 14 meter. Dit sluit aan bij de bouwhoogtes in de omgeving, die variëren van zo'n 6 tot 15 meter.

De Ritmeesterlocatie wordt autovrij ingericht. Een noord-zuid gelegen langzaam-verkeersroute biedt voetgangers en fietsers de gelegenheid om het plangebied te doorkruisen onderweg van het station naar het centrum en terug. Tussen de appartementengebouwen en de eengezinswoningen wordt een woonpad aangelegd. Aan de Vijftien Morgen en aan de noordelijke rand van het plangebied worden parkeerplaatsen aangelegd voor de ontwikkeling in het plangebied. Aan de Tubantia worden de bestaande parkeerplaatsen heringericht en ook enkele toegevoegd.

Nabij de Ritmeesterpanden aan de Kerkewijk, aan de linkerkant van het plangebied, wordt een centraal plein ingericht. Dit centrale plein functioneert als een ontmoetingsplein voor bewoners en vormt het hart van de buurt. Het plein wordt groen ingericht, maar refereert ook aan het industriële verleden van de plek, door een mix van planten en verharding.

2.6 Beeldkwaliteit

Er is een notitie opgesteld voor het uiterlijk aanzien van gebouwen om de beeldkwaliteit in het plangebied te borgen. Daarnaast is een notitie opgesteld voor de inrichting van de openbare ruimte in het plangebied. De nieuwe bebouwing krijgt een aantrekkelijke architectuur die past bij het industriële karakter, maar ook een eigen beeldtaal heeft. Ook qua kleurgebruik wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de industriële bebouwing. Op het centrale plein worden de stalen spanten uit de fabriekshallen waar mogelijk hergebruikt. Het plein bestaat uit stelconplaten met bestrating ertussen, passend bij de orthogonale structuur van de fabriek. De noord-zuid en oost-westverbindingen door het plan hebben een publiek karakter. Zij sluiten in materialisatie en orthogonale structuur aan op het centrale plein. Aan de randen van de straat ontstaat ruimte voor geveltuintjes en bankjes, en weelderige beplanting tot aan de gevel daar waar er geen ingangen zijn. Het gebied krijgt een zoveel mogelijk groen en natuurinclusief karakter.

De appartementsgebouwen krijgen een robuuste uitstraling. De rijwoningen vormen een blok dat als geheel ontworpen is. De woningen zijn telbaar, maar hebben één uitstraling. Kopgevels worden geactiveerd met entrees en gevelopeningen.

Hoofdstuk 3 Beleid op de locatie

In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plangebied toegelicht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, maar gemotiveerd van kunnen afwijken en anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de relevante omgevingsaspecten.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) NOVI is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR).

Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van zich aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de generaties na ons. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.

De NOVI heeft de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Onder deze prioriteiten hangen 21 nationale belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau overstijgen. Deze belangen hebben onder andere betrekking op het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, zorgt dragen voor een woningvoorraad die aansluit op woonbehoeften, het beperken van klimaatverandering, et cetera. De verantwoordelijkheid van het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, waardoor inhoudelijke keuzes in veel gevallen ook het beste regionaal kunnen worden gemaakt. Met de NOVI wordt het proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Doorwerking plangebied

De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen en waar de NOVI op van invloed is. Bovendien is er sprake van een toename van woningen en daarmee sluit de ontwikkeling aan op het streven van het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening om 900.000 woningen te bouwen tot en met 2030, waarvan er 600.000 woningen betaalbaar moeten zijn.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een van de vier algemene maatregelen van bestuur en bevat specifieke regels waar lagere overheden zich aan moeten houden. In hoofdstuk 5 zijn regels opgenomen voor het opstellen van een omgevingsplan en het beoordelen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Deze instructieregels hebben betrekking op de volgende onderwerpen (afdeling 5.1):

  • Waarborgen van de veiligheid;
  • Beschermen van de waterbelangen;
  • Beschermen van de gezondheid en van het milieu;
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking);
  • Behoud van ruimte voor toekomstige functies;
  • Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten; en
  • Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.

In bijzondere gevallen is het mogelijk dat de minister ontheffing verleent van de instructieregels.


Doorwerking plangebied
Op grond van het Bkl gelden binnen het plangebied de volgende gebiedsaanwijzingen:

  • 1. Gebieden waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren;
  • 2. Uitsluitingsgebieden hyperscale datacentra.

In dit gebied gelden beperkingen voor het omgevingsplan voor een goede werking van de radar op de radarstations Herwijnen, Soesterberg, Volkel, Nieuw Millingen en Schiphol centrum. Het gaat hier om hoogtebeperkingen voor het bouwen van windturbines.

Het voorliggende plan maakt geen bouwwerken mogelijk die de maximum toegestane hoogte op grond van het Rijksbeleid overschrijdt en biedt geen mogelijkheid voor de oprichting/vestiging van hyperscale datacentra.

In hoofdstuk 4 van deze toelichting wordt getoetst of het plan een bijdrage levert aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij wordt ingegaan op verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving.

3.1.2.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Per 1 januari 2024 luidt het tweede lid van art. 5.129g van het Bkl als volgt:

"Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:

  • a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  • b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien."

Een ladder voor duurzame verstedelijking moet worden opgesteld wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Met voorgenomen ontwikkeling is er sprake van de toevoeging van een dusdanige aantal woningen dat er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Er is een behoefte aan 25.383 extra woningen in de regio voor de periode van 2022-2030 met een aandeel van 4.800 woningen in de gemeente Veenendaal (Woondeal 2022-2030 Regio Foodvalley). Hiermee staat vast dat er behoefte is aan woningbouw. In de paragrafen over het regionaal en gemeentelijk woningbouwbeleid wordt hier nader op ingegaan. Daarnaast is er sprake van woningbouw binnen het stedelijk gebied. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

3.1.3 Besluit activiteiten leefomgeving

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een van de vier algemene maatregelen van bestuur. In het Bal stelt het Rijk regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Het Bal geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving - burgers, bedrijven en overheid. De richtingaanwijzer in hoofdstuk 3 van het Bal wijst de milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten aan waarvoor rijksregels van het Bal gelden. Staat een activiteit genoemd in hoofdstuk 3? Dan gelden er landelijke regels vanuit het Bal. Staat een activiteit niet genoemd in Hoofdstuk 3 van het Bal? Dan is het Bal daarop niet van toepassing.

Het Bal biedt een algemene mogelijkheid om af te wijken van de rijksregels voor milieubelastende activiteiten. Het bevoegd gezag mag afwijken van artikel 2.11, afdeling 2.7 en de hoofdstukken 3, 4 en 5 van het Bal, tenzij anders bepaald. De gemeente kan in het geval van een procedure voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, afwijken met een maatwerkvoorschrift.

Doorwerking plangebied

Het planvoornemen voorziet niet in het mogelijk maken van een milieubelastende activiteit. Het Bal is niet van toepassing.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingvisie provincie Utrecht

Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten van Utrecht de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. In de Omgevingsvisie worden de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vastgelegd tot 2050. De provincie Utrecht zet in op een gezonde en veilige leefomgeving, aan de hand van zeven samenhangende beleidsthema's:

  • 1. Stad en land gezond
  • 2. Klimaatbestendig & waterrobuust
  • 3. Duurzame energie
  • 4. Vitale steden & dorpen
  • 5. Duurzaam, gezond & veilig bereikbaar
  • 6. Levend landschap, erfgoed & cultuur
  • 7. Toekomstbestendige natuur & landbouw

De ambities en keuzes zijn gebiedsgericht samengevat per regio. De regio Foodvalley, waar Veenendaal onderdeel van is, ligt binnen de provincies Utrecht en Gelderland en bestaat uit acht gemeenten.

Voor deze regio wordt een verstedelijkingsstrategie gegeven als regionale uitwerking van het beleid. Daaruit blijkt dat de woningbehoefte in Foodvalley het aanbod overtreft en ook de prognoses laten een groei zien. In de periode 2019 tot 2040 moeten er binnen het Utrechtse gedeelte van Foodvalley 7.000 tot 8.000 woningen worden gebouwd om tegemoet te komen aan de geprognotiseerde woningbehoefte. Hiervan zijn 3.500 woningen opgenomen in de bestaande plancapaciteit. Er moet dus nog ruimte voor 3.500 tot 4.500 extra woningen worden gezocht. In de gemeente Veenendaal is er op de korte termijn voldoende plancapaciteit om het grootste gedeelte van haar woningbouwopgave te realiseren. Dit gebeurt in Veenendaal-Oost en in de nabijheid van station Veenendaal-Centrum. Na circa 2030 bereikt de gemeente Veenendaal letterlijk de grenzen van haar groei. Voor de langere termijn is het noodzakelijk om in de regio op zoek te gaan naar nieuwe locaties voor integrale ontwikkeling van wonen en werken, bij voorkeur rondom knooppunten.

De aanvullende behoefte aan werklocaties binnen het Utrechtse gedeelte van Foodvalley tot 2030 is 6 tot 9 hectare. De inzet van de provincie is vooral gericht op herstructurering, verduurzaming en efficiënter ruimtegebruik van bestaande bedrijventerreinen.

Bij ontwikkelingen in het landelijk gebied in de regio Foodvalley speelt onder meer het belang van de bodemdaling in het Binnenveld, het militair erfgoed van de Grebbelinie, (nieuwe) natuur en innovaties op het gebied van circulaire landbouw, voedselproductie en gezondheid.

Doorwerking plangebied

Het planvoornemen realiseert maximaal 172 woningen in het stedelijk gebied. Het oude fabrieksgebouw maakt plaats voor wonen. In het plan is rekening gehouden met de provinciale Omgevingsvisie door in te spelen op de thema's 'vitale steden & dorpen' en 'duurzaam, gezond & veilig bereikbaar'.

3.2.2 Omgevingsverordening provincie Utrecht

Op 7 februari 2024 hebben Provinciale Staten van Utrecht de eerste wijziging Omgevingsverordening provincie Utrecht vastgesteld, deze is op 1 maart 2024 in werking getreden. In de omgevingsverordening staan de regels die nodig zijn om het beleid uit de Omgevingsvisie uit te voeren. In de verordening zijn alle regels voor de leefomgeving van circa 20 verordeningen samengebracht naar één verordening.

De omgevingsverordening bevat een verstedelijkingsverbod voor landelijk gebied, tenzij in de verordening anders bepaald. Voor een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen stedelijk gebied, geeft de verordening instructieregels voor onder meer woningbouw. Woningbouw dient te passen in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma woningbouw en woningbouw mag niet leiden tot extra bodemdaling. Daarnaast worden er instructieregels gegeven voor een omgevingsplan dat betrekking heeft op bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel.

Een omgevingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien waarborgt dat de nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een toename van de knelpunten in de bereikbaarheid. Bij voorkeur leiden de nieuwe ontwikkelingen tot een afname van knelpunten in de bereikbaarheid.

Tot slot bevat de omgevingsverordening specifieke instructieregels voor een Omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie binnen onder andere de Cultuurhistorische hoofdstructuur, Stiltegebied, Overstroombaar gebied, een boringsvrije zone, beschermd natuurgebied, of een geluidscontour van een provinciale weg.

Doorwerking plangebied

Het plangebied is aangewezen als 'Stedelijk gebied', zie bijgaande afbeelding.

Instructieregel verstedelijking

Op grond van artikel 9.17 van de provinciale omgevingsverordening kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het 'Stedelijk gebied' regels bevatten voor verstedelijking. Ook kan het regels bevatten voor woningbouw mits de woningbouw past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken en de woningbouw niet leidt tot extra bodemdaling.

De woningbouwontwikkeling sluit aan bij het woningbouwprogramma van de provincie en leidt niet tot extra bodemdaling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0005.png"

Figuur 3.1 Uitsnede kaart Omgevingsverordening provincie Utrecht

Instructieregel overstroombaar gebied

Het plangebied ligt in een gebied dat door de provincie is aangewezen als 'Overstroombaar gebied'. Op grond van artikel 2.16 van de provinciale omgevingsverordening dient een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het 'Overstroombaar gebied' regels te bevatten die rekening houden met overstromingsrisico's. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. De motivering van een omgevingsplan dient een beschrijving te bevatten van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het overstromingsrisico is omgegaan.

In het gemeentelijk beleid, waaronder het Programma Klimaatbestendig Veenendaal en de Omgevingsvisie, staat centraal dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zodanig moeten worden ingericht dat zij bestand zijn tegen de gevolgen van klimaatverandering en in het bijzonder tegen wateroverlast en overstromingsrisico's. Voor Veenendaal betekent dit dat bij de planvorming expliciet aandacht is besteed aan de opvang, berging en infiltratie van hemelwater, waarbij wordt aangesloten bij de landelijke ambities uit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie. Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van een primaire waterkering, waardoor het risico op grootschalige rivieroverstromingen beperkt is, maar wel kans bestaat op lokale wateroverlast door piekbuien. Daarom voorziet het planvoornemen in een inrichting met een efficiënte en duurzame waterhuishouding, wat bijdraagt aan de klimaatbestendigheid van het gebied. Er worden groenstroken aangelegd waar regenwater dat op de bestrating valt naartoe kan stromen. Ook wordt voorzien in waterdoorlatende (gras)bestrating, wat het regenwater de mogelijkheid geeft om in de ondergrond te infiltreren. In de juridische regeling van dit TAM-omgevingsplan is vastgelegd dat hemelwater op eigen terrein moet worden verwerkt of geborgen, zodat de ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid en bijdraagt aan een klimaatbestendig en waterrobuust Veenendaal.

Instructieregel grond- en oppervlaktewaterwinning

Ook ligt het plangebied in een gebied dat door de provincie is aangewezen als 'Grondwaterbeschermingsgebied' en 'Boringsvrije zone'. Artikel 3.7 van de provinciale omgevingsverordening bepaalt dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen deze zones geen activiteiten toelaat die een risico vormen voor de grond- en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie. Daarnaast dient het omgevingsplan regels te bevatten die de functie voor de grond- en oppervlaktewaterwinning voor de menselijke consumptie beschermen. De motivering van een omgevingsplan moet een beschrijving bevatten van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop het waterwinbelang in acht is genomen.

In dit TAM-omgevingsplan is aandacht besteed aan de belangen van de waterhuishouding en de bescherming van de drinkwatervoorziening. Het gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in het Programma Klimaatbestendig Veenendaal en de Omgevingsvisie, benadrukt het belang van een duurzaam en robuust watersysteem waarin zowel waterveiligheid als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater worden geborgd. Bij de planvorming is daarom beoordeeld of voorgenomen gebruiksvormen of bouwactiviteiten risico's zouden opleveren voor de grond- en oppervlaktewaterwinning ten behoeve van menselijke consumptie. Activiteiten die een dergelijk risico kunnen vormen, zoals grootschalige bodemenergiesystemen, ondergrondse opslag van gevaarlijke stoffen of functies die leiden tot mogelijke verontreiniging van het grondwater, zijn niet toegestaan. Het TAM-omgevingsplan in overeenstemming is met het provinciale en gemeentelijke beleid inzake waterbescherming en het waterwinbelang als zwaarwegend publiek belang wordt in acht genomen.

Instructieregel bereikbaarheid en mobiliteit

In de provinciale omgevingsverordening is in artikel 4.1 een instructieregel met betrekking tot de bereikbaarheid en mobiliteit opgenomen. Een omgevingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien, bevat regels die waarborgen dat knelpunten in de bereikbaarheid niet toenemen en bij voorkeur afnemen. De motivering van en omgevingsplan dient het volgende te bevatten:

  • a. een beschrijving van het aantal verplaatsingen die deze nieuwe ontwikkelingen tot gevolg hebben;
  • b. een beschrijving van de wijze waarop het plangebied wordt ontsloten voor de verschillende vervoerswijzen;
  • c. een analyse of er door het aantal verplaatsingen knelpunten op het omliggende (regionale) verkeers- en vervoersnetwerk voor de diverse vervoerswijzen kunnen ontstaan; en
  • d. een analyse of de bereikbaarheid door de beoogde ontwikkelingen verslechtert en of de reistijd significant toeneemt.

Als uit de bereikbaarheidsscan blijkt dat er mogelijk sprake is van verslechtering van de bereikbaarheid of toename van knelpunten op het omliggende verkeers- en vervoernetwerk, wordt een bereikbaarheidsonderzoek uitgevoerd.

In paragraaf 4.10 is het aspect 'Verkeer en parkeren' uitgewerkt. Er is onderzoek gedaan naar de hoeveelheid verkeersbewegingen die het planvoornemen genereert en wat daarvan de gevolgen zijn op het omliggende wegennet. In het onderzoek is geconcludeerd dat de verkeersgeneratie niet leidt tot een verslechtering van de bereikbaarheid van het gebied of een toename van knelpunten op het omliggende verkeers- en vervoernetwerk. Er hoeft geen bereikbaarheidsonderzoek te worden uitgevoerd. In de planregels is het maximum aantal woningen begrensd en op dit aantal is het verkeersonderzoek gebaseerd. Het TAM-omgevingsplan voldoet aan artikel 4.1 van de provinciale omgevingsverordening.

Instructieregel energie uit biomassa stedelijk gebied

Het plangebied is tevens gelegen binnen de provinciale aanduiding 'Gebied energie uit biomassa stedelijk gebied'. Op grond van artikel 5.7 van de provinciale omgevingsverordening bevat een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie binnen deze zone geen regels die de realisatie van ontwikkelingen op het gebied van energie uit biomassa toestaan, tenzij:

  • a. redelijkerwijs geen alternatieve hernieuwbare energiebronnen beschikbaar zijn;
  • b. de biomassa niet voor hoogwaardigere toepassing kan worden ingezet;
  • c. de biomassa is gecertificeerd; en
  • d. de biomassa een aanmerkelijk lagere CO2-emissie heeft dan gangbare fossiele brandstoffen.

Het TAM-omgevingsplan bevat geen regels die de realisatie van ontwikkelingen op het gebied van energie uit biomassa toestaan en voldoet daarmee aan de instructie uit de provinciale omgevingsverordening.

Instructieregel weging elektriciteits-infrastructuur

Op grond van artikel 5.11 van de provinciale omgevingsverordening wordt in een omgevingsplan, voor zover het voorziet in nieuwe functies, niet zijnde minder dan 10 woningen, die tot een aanvullende belasting van de elektriciteits-infrastructuur kunnen leiden, rekening gehouden met de aansluitbaarheid op de elektriciteits-infrastructuur. De motivering van een omgevingsplan dient een energieparagraaf te bevatten met daarin een verslag van het inventariserend overleg tussen de netbeheerder en de initiatiefnemer of de gemeente, waarin weergegeven wordt dat de ontwikkeling past binnen de energie-infrastructuur van de netbeheerder en andere relevante ontwikkelingen voor energiebeheer in de leefomgeving.

De energieparagraaf is opgenomen in paragraaf 4.13.

Instructieregel beschermen en benutten Cultuurhistorische hoofdstructuur

Een motivering van een omgevingsplan dient een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarde en een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met deze waarden te bevatten. Dat volgt uit artikel 7.9 van de provinciale omgevingsverordening.

Hieraan is voldaan. In paragraaf 4.8 en 4.9 wordt ingegaan op de (bescherming van) cultuurhistorische waarden in het plangebied.

Instructieregel landschap

Het plangebied ligt op een locatie binnen het 'Landschap'. Het omgevingsplan dient dan op grond van artikel 7.11a van de provinciale omgevingsverordening regels te bevatten ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten en mag geen regels bevatten die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in bijlage XVI 'Kernkwaliteiten landschap' van de provinciale omgevingsverordening. De motivering van een omgevingsplan dient een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan te bevatten.

De planlocatie maakt onderdeel uit van het landschap 'Gelderse Vallei'. Voor dit landschap wil de provincie de volgende kernkwaliteiten behouden:

  • a. rijk gevarieerde kleinschaligheid;
  • b. stelsel van beken, griften en kanalen;
  • c. Grebbelinie;
  • d. overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank).

De locatie ligt in stedelijk gebied waar reeds bebouwing aanwezig is. De kernkwaliteiten worden niet aangetast, omdat het een herontwikkeling betreft van bestaand stedelijk gebied.

Instructieregel geitenhouderij

De provinciale omgevingsverordening bepaalt dat een omgevingsplan geen regels bevat die voorzien in de vestiging of uitbreiding van een bestaande geitenhouderij. Het TAM-omgevingsplan bevat geen regels die daarin voorzien.

Instructieregel glastuinbouw niet toegestaan

De planlocatie ligt in een gebied dat door de provincie is aangewezen als 'Gebied glastuinbouw niet toegestaan'. Een omgevingsplan mag geen regels bevatten die glastuinbouw toestaan. Daarvan is geen sprake, dus is voldaan aan deze instructieregel.

Conclusie

De ontwikkeling is in lijn met de provinciale omgevingsverordening.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Blauwe omgevingsvisie waterschap Vallei en Veluwe

Op 20 februari 2019 is door het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI 2050) vastgesteld. Met deze BOVI zet waterschap Vallei en Veluwe op nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. In de BOVI wordt gedacht vanuit drie waterprincipes:

  • 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening.
  • 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water.
  • 3. Partnerschap als watermerk.

De visiekaart en waterprincipes werken door in de doelen van het nieuwe waterprogramma.

Doorwerking plangebied

Het planvoornemen voorziet in een landschapsinrichting met een efficiënte en duurzame waterhuishouding en voldoende groen en schaduw op verblijfsplekken, wat bijdraagt aan de klimaatbestendigheid van het gebied. De groenstrook die wordt aangelegd naast de langzaam-verkeersroute wordt zo aangelegd dat het regenwater wat valt op de bestrating opgevangen kan worden tussen de beplanting en kan infiltreren of vertraagd kan worden afgevoerd. Ook wordt het woonpad bestraat met waterdoorlatende (gras)bestrating. Tevens worden de parkeervakken voorzien van een waterdoorlatende grassteenverharding, wat het regenwater de mogelijkheid geeft om in de ondergrond te infiltreren. Het planvoornemen is in lijn met de BOVI 2025.

3.3.2 Waterschapsverordening waterschap Vallei en Veluwe

Op 17 oktober 2023 heeft het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe hun waterschapsverordening vastgesteld. De waterschapsverordening bevat regels over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor het watersysteem binnen het waterschapsgebied. De waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de keur van Waterschap Vallei en Veluwe en de daarbij behorende algemene regels. Bovendien bevat het regels over lozingen, die voorheen op rijksniveau waren geregeld.

Doorwerking plangebied

Door de beoogde ontwikkeling neemt het verhard oppervlak af. Daarnaast wordt er meer groen gerealiseerd dan dat er in de huidige situatie is voorzien, wat voor een betere waterberging zal zorgen. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op het aspect water en waterberging.

3.3.3 Verstedelijkingsstrategie Arnhem Nijmegen Foodvalley

De Regio's Arnhem-Nijmegen en Foodvalley spraken in het najaar van 2019 hun ambitie uit om samen door te ontwikkelen tot een Groene Metropool van internationale betekenis. Eind 2021 stelden de gemeenteraden binnen de twee regio's en de Provinciale Staten van Utrecht en Gelderland het Verstedelijkingsconcept vast. Dit concept vormt het eerste deel van de Verstedelijkingstrategie Arnhem Nijmegen Foodvalley. Het tweede deel bevat de onderzoeksagenda voor de zeven deelgebieden binnen de verstedelijkingsstrategie. Dit deel is eind 2022 door alle raden en staten vastgesteld.

De verstedelijkingsstrategie is een uitwerking van de NOVI en beschrijft welke voorwaarden en principes er zijn om te komen tot nieuwe locaties voor wonen en werken. Er wordt globaal een beeld geschetst waar op de middellange (2030) en lange termijn (2040) de extra woon-en werklocaties voor de komende jaren een plek kunnen krijgen. De strategie reikt ontwerpprincipes en levert handvatten voor verder uitwerking en samenwerking. De verstedelijkingsstrategie is opgebouwd vanuit vier bouwstenen:

  • Leefomgeving;
  • Mobiliteit;
  • Economie; en
  • Wonen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0006.png"

Doorwerking plangebied

De beoogde woningbouwontwikkeling draagt bij aan de verstedelijkingsstrategie. Er is gekozen om een versteend, afgesloten gebied open te breken, te vergroenen en te transformeren in een aantrekkelijk en bereikbaar woonmilieu.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Strategische visie

Op 26 oktober 2017 heeft de raad de Strategische Visie voor Veenendaal in 2040 vastgesteld. Hierin zijn de kernambities voor de toekomst van Veenendaal opgenomen. Veenendalers kiezen voor een versterking van de woonfunctie en richten hun blik naar de regio. Dat betekent dat de ambities zich primair richten op het versterken van de woon- en leefomgeving, met in het kielzog de arbeidsmarkt gericht op wonen en arbeidsintensieve bedrijvigheid. Dit is in lijn met de trend werken volgt wonen. Ook de blik naar buiten die de voorkeur heeft van de Veenendaalse gemeenschap is in lijn met een belangrijke trend: die van lokale gebondenheid naar regionale samenwerking. Algemene conclusie van de demografische ontwikkelingen is dat Veenendaal in de toekomst niet alleen maar de groei hoeft te accommoderen, maar zich ook kan toeleggen op het verbeteren van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Van kwantiteit naar kwaliteit! Deze kwaliteiten moeten een diverse bevolkingsgroep aanspreken.

Veenendaal moet zich in de toekomst dus richten op kwaliteit in plaats van op kwantiteit. En -in lijn met de wensen van inwoners- moet Veenendaal zich bovenal concentreren op het verbeteren van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Dat betekent dat Veenendaal moet zorgen dat het slim omgaat met de ruimte door intensivering van de woonbebouwing, herontwikkeling en functieverandering en voldoende aandacht blijft houden voor groen.

Onderdeel van een aantrekkelijke woonomgeving is een goede bereikbaarheid van arbeidsplaatsen. Veenendaal richt zich daarom in de toekomst niet op ruimte-intensieve en arbeidsextensieve bedrijvigheid, maar op arbeidsintensieve bedrijven. Kortom, de visie stelt vooral eisen aan de kwaliteit van nieuwe of herontwikkelingen en spreekt zich niet uit over kwantitatieve doelstellingen. Deze richting - Veenendaal als leefstad met een sterke, regionale binding - werken we uit aan de hand van vier thema's. Juist binnen deze thema's liggen de grootste maatschappelijke veranderingen. Per thema zijn de volgende kernambities geformuleerd:

  • 1. Netwerksamenleving: "niet alleen, maar samen" met ruimte voor ieders eigen identiteit;
  • 2. (Samen) leven: Veenendaal met excellent woonklimaat;
  • 3. Digitale wereld: Veenendaal heeft een hoogwaardig duurzaam bedrijfsleven met arbeids- en kennisintensieve bedrijven en een bruisend multifunctioneel centrum;
  • 4. Duurzaamheid: Veenendaal heeft in 2040 de transitie naar een duurzame gemeente afgerond.

Doorwerking plangebied

De focus van deze woningbouwontwikkeling ligt op het creëren van een diverse wijk waar verschillende doelgroepen en huishoudens door elkaar heen wonen. Er wordt niet alleen voorzien in woningen voor jonge gezinnen, maar ook voor starters, stellen en alleenstaanden. Op het centrale plein en de groene binnentuin bij de grondgebonden woningen komen mensen samen. Er wordt voorzien in een prettige en groene woonomgeving, waar duurzaamheid een rol speelt door bijvoorbeeld het gebruiken van duurzame bouwmaterialen. Het planvoornemen is daarmee in lijn met de Strategische Visie voor Veenendaal.

3.4.2 Omgevingsvisie 2030

De raad van de gemeente Veenendaal heeft op 17 december 2020 de Omgevingsvisie Veenendaal 2030 vastgesteld. De Omgevingsvisie 2030 is een plan op hoofdlijnen dat alle strategische beleidsplannen vervangt die gaan over de fysieke leefomgeving, zoals het milieubeleidsplan, het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan en de structuurvisie. De inhoud van de Strategische Visie 2040, die de gemeenteraad in 2017 vaststelde, is de basis geweest voor de omgevingsvisie.

De Omgevingsvisie zet in op een koerswijziging van kwantiteit naar kwaliteit: beter en slimmer inrichten van de leefomgeving met gebruik van innovatie, kennis en creativiteit. Bij ieder initiatief moeten afwegingen worden gemaakt. Voor Veenendaal staan hierbij de principes gezondheid, duurzaamheid en veiligheid voorop. Voor nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving wordt in de Omgevingsvisie 2030 het volgende afwegingskader gegeven:

  • 1. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten een bijdrage leveren aan een Gezonde, Duurzame en Veilige leefomgeving. Elke nieuwe ontwikkeling is een kans om hier aan bij te dragen. Zo zal ook de gewenste groei van Veenendaal moeten bijdragen aan deze doelen.
  • 2. We kiezen voor meervoudig boven enkelvoudig ruimtegebruik, zodat de beperkte ruimte optimaal wordt benut.
  • 3. We voorkomen dat negatieve gevolgen van ontwikkelingen afgewenteld worden op de omgeving. We beoordelen ruimtelijke ontwikkelingen integraal en in relatie tot de omgeving.

Daarnaast bevat de Omgevingsvisie 2030 specifieke opgaven en doelstellingen voor de thema's Gezond duurzaam en veilig, Bouwen en wonen, Groen natuur en water, Mobiliteit, Economie, Milieu, en er worden aanvullende opgaven en doelstellingen voor het centrum gegeven.

Doorwerking plangebied

Voorgenomen ontwikkeling levert een bijdrage aan een gezonde, duurzame en veilige leefomgeving. Het plan nodigt mensen uit om buiten samen te komen (sociale cohesie) en stimuleert bewoners en bezoekers om meer te bewegen. Door hergebruik van materialen en het voorzien in groen ontstaat er een duurzame en natuurinclusieve leefomgeving. In het plangebied en de directe omgeving daarvan (onder andere in de naastgelegen monumenten) is voorzien in verschillende soorten functies en voorzieningen, waardoor de ruimte optimaal wordt benut. Het planvoornemen is in overeenstemming met de Omgevingsvisie 2030.

3.4.3 Opgaveperspectief Duurzaamheid

De raad van de gemeente Veenendaal heeft op 6 februari 2024 het Opgaveperspectief Duurzaam Veenendaal vastgesteld. Het Opgaveperspectief Duurzaam Veenendaal geeft voor de komende periode richting aan de ambities en doelen die leiden tot een duurzame stad in 2050.

Gemeente Veenendaal zet zich de komende jaren in voor een leefbare wereld onder het motto: Duurzaam denken, gewoon doen! Er wordt ingezet op de thema's duurzaam wonen, CO2-neutraal leven, het minimaliseren van het gebruik van grondstoffen en het omarmen van klimaatadaptatie.

Het ombuigen van onze huidige omgang met energie, grondstoffen en hulpbronnen naar een toekomstbestendig Veenendaal vraagt om structurele veranderingen. We zien duurzaamheid als het belangrijkste antwoord om deze veranderingen in gang te zetten. We richten ons op het bereiken van een Circulair, Energieneutraal en Klimaatbestendig Veenendaal en hanteren de volgende visie:

Veenendaal ontwikkelt zich tot een duurzame stad waarbij circulaire economie, duurzame energie en klimaatadaptatie onze belangrijkste speerpunten zijn. Hierbij hebben we voor ogen dat Veenendaal ook voor de volgende generaties een gezonde, duurzame en veilige plek is om te leven.

Doorwerking plangebied

Het plan scoort hoog op de aspecten 'Energietransitie en duurzaam bouwen', 'Natuurinclusief bouwen' en 'Klimaatadaptatie' van het Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal (zie paragraaf 3.4.5 van deze motivering). Daarnaast is het een planvoornemen om gebruik te maken van duurzame bouwmaterialen en veel groen te realiseren. Ook zullen bouwmaterialen (van het oude fabrieksgebouw) waar mogelijk worden hergebruikt. Het initiatief is duurzaam en er wordt klimaatadaptief en circulair gebouwd. Er is voldaan aan het Opgaveperspectief Duurzaamheid.

3.4.4 Woonvisie

Op 23 juni 2022 heeft de raad van Veenendaal de Woningvisie 2022-2025 vastgesteld.

In de Woonvisie is als centrale visie op wonen in Veenendaal aangemerkt:

"De Woonvisie is richtinggevend en normstellend voor de ontwikkeling van de woningvoorraad en nieuwbouw van woningen in onze gemeente. Zo blijft het prettig wonen in Veenendaal voor iedereen. Veenendaal is een aantrekkelijke woongemeente. We streven naar behoud van de huidige aantrekkelijkheid, ook onder de groeiende en veranderende woningbehoefte in de komende jaren. We spannen ons nu maximaal in om voor de lange termijn te sturen op de gewenste kwantiteit en kwaliteit. Keuzes van nu zijn namelijk van groot belang voor de toekomst. Een verkeerde keuze nu, kan groot effect hebben op de lange termijn. Van goede keuzes zullen we daarentegen nog lang profijt hebben. Vanzelfsprekend passen we nieuwbouw altijd met zorg en aandacht voor de omgeving in."

Op grond van de Woonvisie richt de gemeente Veenendaal zich op de uitvoering op 6 speerpunten:

  • 1. Goed wonen voor iedereen: omgaan met de groei die Veenendaal doormaakt en aandacht houden voor verschillende en bijzondere doelgroepen;
  • 2. Bestaande woningvoorraad: bewustwording rondom verduurzaming van de particuliere woningvoorraad en het aanpassen van bestaande woningen op de afnemende mobiliteit van oudere huishoudens;
  • 3. Betaalbaarheid en beschikbaarheid: inzetten op het hebben van voldoende betaalbare sociale woningen, zowel koop als huur;
  • 4. Aantrekkelijke nieuwbouw: inzetten op complementaire nieuwbouw om daarmee de doorstroming in de woningmarkt te bevorderen;
  • 5. Vitale wijken: inzetten op een aantrekkelijk woon- en leefklimaat in elke wijk;
  • 6. Wonen met zorg: de lokale opgave naar woon(zorg)voorziening in kaart brengen en aanpakken.

Doorwerking plangebied

Dit TAM-omgevingsplan voorziet in de realisatie van maximaal 172 woningen. Er worden woningen gebouwd voor verschillende doelgroepen, waarbij rekening wordt gehouden met woningen waar de meeste behoefte naar is. Voor starters en alleenstaanden komt er een ruim aanbod 2-kamerappartementen in het sociale en betaalbare segment. Ook voor jongere gezinnen zullen er stadswoningen in verschillende groottes worden gerealiseerd, en voor (startende) stellen komen er 3-4 kamerappartementen in de vrije sector. De Ritmeesterlocatie voorziet in 30% sociaal (waarvan 2/3 Sociale huurwoningen en 1/3 Sociale koopwoningen, 40% betaalbare koopwoningen en 30% koopwoningen met een hogere koopsom dan betaalbaar. De woningen zullen voldoen aan de eisen van zorggeschikt. In dit TAM-omgevingsplan is vastgelegd dat minimaal 30% van de woningen uit sociale woningbouw moet bestaan. De verdeling over de overige categorieën is vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst.

3.4.5 Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal

Op 1 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders het Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal vastgesteld. Het Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal is een uitwerking van de ambities uit de Omgevingsvisie Veenendaal 2030 naar concrete maatregelen. Het puntensysteem is van toepassing op woningbouwprojecten waarvoor een herziening, uitwerking of wijziging van het bestemmingsplan nodig is.

Doorwerking plangebied

De voorgenomen woningbouwontwikkeling is getoetst aan het puntensysteem. De uitkomsten van deze toets zijn opgenomen in de notitie Puntensysteem Omgevingsvisie die is opgenomen als Bijlage 2. Daarin is onderstaande tabel opgenomen, waarin uiteen wordt gezet hoeveel punten het plan scoort op de verschillende onderdelen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0007.png"

Het plan biedt voldoende zekerheid dat de minimale score van 10 punten per onderdeel alsmede de totaalscore van 65 punten wordt gehaald.

3.4.6 Groenbeleid

Groenstructuurplan

Op 29 januari 2004 heeft de gemeenteraad het groenstructuurplan vastgesteld. Het doel van het groenstructuurplan is als volgt:

  • 1. De samenhang van het groen met de landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische patronen versterken;
  • 2. Met het groen de herkenbaarheid en identiteit van de openbare ruimte vergroten;
  • 3. De gewenste groenstructuur formuleren en realiseren volgens de opgestelde visie;
  • 4. Groen bij nieuwe ontwikkelingen als bouwsteen en leidend principe gebruiken;
  • 5. Accenten in het groen aanbrengen overeenkomstig de plaats en het niveau.

Spelregels voor groencompensatie

Op 17 december 2015 heeft de gemeenteraad de notitie 'Spelregels voor groencompensatie' vastgesteld. Groencompensatie vormt een onderdeel van het totale groenbeleid en heeft als doel dat bij nieuwe ontwikkelingen zorgvuldig wordt omgegaan met bestaande groene structuren. Doordat er praktisch toepasbare spelregels voor groencompensatie zijn vastgesteld, kunnen de gevolgen voor het groen bij nieuwe ontwikkelingen overzichtelijk worden gehouden.

Doorwerking plangebied

Het plangebied is in de huidige situatie volledig verhard en er is nauwelijks groen aanwezig. Het planvoornemen draagt bij aan het groenbeleid door het plangebied zoveel mogelijk groen in te richten. Er wordt voorzien in klimplanten, plantvakken in de bestrating, een brede groenstrook die de langzaam-verkeersroute begeleidt, een groen woonpad en binnentuin, tuinen, parkeervakken met grassteenverharding en verschillende soorten bomen en planten. Het plan is in lijn met het groenbeleid.

3.4.7 Beleidsnota Erfgoed

De Beleidsnota Erfgoed is op 24 februari 2022 door de gemeenteraad vastgesteld. De beleidsnota is een uitwerking van de cultuurhistorische waardenkaart. In de beleidsnota is aangegeven welke structuren en panden beschermd worden en op welke manier.

De Kerkewijk, waaraan de Ritmeesterlocatie is gevestigd, is aangewezen als een van de integrale ensembles van Veenendaal. De integrale ensembles zijn de gebieden die van belang zijn om de ruimtelijke geschiedenis van Veenendaal te begrijpen. Ze vertegenwoordigen een combinatie van de historisch landschappelijke structuur, stedenbouwkundige ensembles en historische bouwkunst.

Het doel voor de integrale ensembles is:

  • 1. Behoud en versterken van de structuren;
  • 2. Het historisch karakter meer tot uitdrukking te laten komen en als inspiratiebron te gebruiken bij inrichting reconstructies en ruimtelijke ontwikkelingen.

Doorwerking plangebied

In het ensemble Kerkewijk bevinden zich veel waardevolle gebouwen. Het historische complex van de Ritmeestersigarenfabriek is er daar een van. Deze grenst direct aan het plangebied. De fabriekshal zelf is in de Beleidsnota Erfgoed niet aangemerkt als waardevol gebouw, maar is wel van enige cultuurhistorische waarde voor de gemeente. Hier is in de planvorming rekening mee gehouden.

Zo is het historische karakter van de Ritmeesterlocatie, welke is beschreven in paragraaf 2.2, gebruikt als inspiratiebron voor de ontwikkeling. Het plan heeft als doel om de historische en industriële betekenis van het gebied te benutten en aan te sluiten bij de identiteit en architectuur van het gebied. Daarmee wordt de bestaande structuur van het gebied behouden en versterkt. Er worden bijvoorbeeld een viertal stalen spanten behouden die als het ware de oude en nieuwe bebouwing verbinden. Het ontwerp streeft ernaar het oude en nieuwe in harmonie te brengen, en ruimtes te creëren die niet alleen functioneel zijn, maar ook rijk aan geschiedenis en karakter. Deze principes zijn verankerd in de Notitie uiterlijk aanzien gebouwen, die samen met de Notitie Inrichting openbare ruimte gaat over de beeldkwaliteit van het plangebied. Zo komt de cultuurhistorie terug in de nieuwe bebouwing.

Er wordt voldaan aan de Beleidsnota Erfgoed.  

Hoofdstuk 4 Effecten fysieke leefomgeving

4.1 Milieueffectrapportage

Wettelijk kader

De verplichting om in bepaalde gevallen een soort m.e.r. op te stellen volgt uit het Europese recht, te weten de m.e.r.-richtlijn en de Europese richtlijn voor Strategische Milieubeoordeling (hierna: SMB-richtlijn).

De m.e.r.-regelgeving is onder de Omgevingswet geïmplementeerd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit.

In bijlage V bij het Omgevingsbesluit in 1 lijst zijn zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten.

Beoordeling

Voorliggende ontwikkeling kan gezien worden als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' (J.11 uit bijlage V Ob), waardoor beoordeeld moet worden of er sprake zal zijn van aanzienlijke milieueffecten. Bij deze beoordeling is rekening gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect).

Uit de opgestelde aanmeldnotitie mer-beoordeling, die als Bijlage 3 aan deze motivering is toegevoegd, blijkt dat het niet noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen.

Conclusie

Op grond van het voorgaande wordt het uitvoeren van een milieueffectrapportage niet noodzakelijk geacht. Op ( PM datum ) is het besluit genomen dat voor de verdere planvorming van het TAM-omgevingsplan voor de herontwikkeling van de Ritmeesterlocatie geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld. Dat besluit is opgenomen als Bijlage 4.

4.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Wettelijk kader

Het nationale beleid vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Artikel 5.129g van het Bkl geeft aan dat als een ontwikkeling voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, rekening moet worden gehouden met:

  • De behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  • Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheid om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

Dit geldt voor een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

Beoordeling

Een ladder voor duurzame verstedelijking moet worden opgesteld wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Met voorgenomen ontwikkeling is er sprake van de toevoeging van een dusdanig aantal woningen dat er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

In de periode 2019 tot 2040 moeten er binnen het Utrechtse gedeelte van Foodvalley 7.000 tot 8.000 woningen worden gebouwd om tegemoet te komen aan de geprognotiseerde woningbehoefte. Hiervan zijn 3.500 woningen opgenomen in de bestaande plancapaciteit. Er moet dus nog ruimte voor 3.500 tot 4.500 extra woningen worden gezocht. Hiermee staat vast dat er behoefte is aan woningbouw.

Een stedelijke ontwikkeling moet in eerste instantie zijn voorzien binnen stedelijk gebied. Daarvan is sprake; het plangebied is aangewezen als 'stedelijk gebied'. Zie voor dat oordeel paragraaf 3.2.2.

Conclusie

Het planvoornemen voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.3 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Wettelijk kader

In paragraaf 5.1.2 van het Bkl worden regels gegeven over de toelaatbaarheid van de verschillende categorieën gebouwen en locaties in verband met een veiligheidsrisico dat ontstaat door een activiteit die op grond van het omgevingsplan op die locatie is toegestaan.

Kwetsbare gebouwen en locaties

Het Bkl werkt met de begrippen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. In bijlage VI bij het Bkl is aangegeven welke soorten gebouwen en locaties tot de verschillende categorieën behoren. Belangrijk om op te merken is dat ook gebouwen en locaties die nog niet bestaan, maar wel op grond van een omgevingsplan mogelijk gemaakt worden, tot deze categorieën worden gerekend. De lijst in bijlage VI bij het Bkl betreft een limitatieve lijst. Indien een functie niet is genoemd in de bijlage, valt het hier dus niet onder. Het staat het bevoegd gezag vrij om functies onder een strengere categorie te scharen dan vereist. In H4 van het Bal worden de minimale afstanden van verschillende milieubelastende activiteiten tot kwetsbare locaties genoemd.

Plaatsgebonden risico

Artikel 5.7 Bkl bepaalt dat het plaatsgebonden risico voor kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen niet groter mag zijn dan 1 op de 1.000.000. In artikel 5.8 Bkl, in combinatie met de verschillende onderdelen van bijlagen VII van het Bkl en H4 van het Bal, is aangegeven bij welke afstanden aan het vereiste van artikel 5.7 Bkl wordt voldaan. Artikel 5.9 Bkl bepaalt vervolgens tot waar de afstanden gemeten dienen te worden.

Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt dat het bevoegd gezag het plaatsgebonden risico van maximaal 1 op de 1.000.000 niet in acht neemt maar er rekening mee houdt. Dit houdt in dat het bevoegd gezag een eventuele afwijking van dit getal moet kunnen verantwoorden, maar dat die afwijking dus eventueel wel toegestaan is.

Aandachtsgebieden

Het plaatsgebonden risico, gekoppeld aan de afstanden die daar krachtens artikel 5.8 Bkl voor gelden, zorgen voor een contour rondom het risico-object waarbinnen geen kwetsbare gebouwen of locaties gerealiseerd mogen worden. De zogenaamde aandachtsgebieden voegen meer lagen aan deze contour toe.

Het Bkl kent drie soorten aandachtsgebieden: een brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied. Net als bij het plaatsgebonden risico worden ook voor de aandachtsgebieden de begrenzingsregels gegeven in het Bkl.

Het aanwijzen van een aandachtsgebied heeft twee belangrijke consequenties. Ten eerste kan in het geval van een brand- dan wel explosieaandachtsgebied het gebied worden aangewezen als brand-respectievelijk explosievoorschriftengebied. Dit heeft gevolgen voor de bouwvoorschriften waar in het gebied te realiseren gebouwen aan moeten voldoen. Ten tweede moet rekening gehouden worden met het groepsrisico. Het groepsrisico is de kans op het overlijden van minstens tien personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door de risico-gevende activiteit. Het bevoegd gezag moet, net als bij het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare functies, rekening houden met dit groepsrisico. Het Bkl geeft zelf aan hoe het bevoegd gezag hier in ieder geval aan kan voldoen: er kan voor worden gekozen om geen (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties of zeer kwetsbare gebouwen te realiseren in dit aandachtsgebied. Indien deze categorieën wel worden gerealiseerd, kan het bevoegd gezag verplichten dat maatregelen worden getroffen voor de mensen in die locaties of door het aantal mensen in die locaties te beperken.

Beoordeling

Het planvoornemen voorziet in de realisatie van woningen. Woningen zijn kwetsbare gebouwen. Er moet worden getoetst aan de wetgeving omtrent omgevingsveiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten plaatsvinden, is de Atlas voor de Leefomgeving, onderdeel veilige omgeving, geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0008.png"

Figuur 4.1 Bovengrondse hoogspanningslijnen met rekenafstand, Plaatsgebonden risico en Aandachtsgebieden (Bron: Atlasleefomgeving.nl)

Plaatsgebonden risico

Het plangebied ligt niet binnen de contour van het plaatsgebonden risico.

Aandachtsgebieden
Het plangebied ligt niet binnen een aandachtsgebied.

Aandachtspunt voor de locatie is de op de afbeelding in blauw aangegeven bovengrondse hoogspanningsverbinding. Deze bovengrondse hoogspanningsverbinding zal, in lijn met het bestemmingsplan 'Ondergrondse hoogspanning' ondergronds worden gebracht. Op grond van dit bestemmingsplan zijn binnen een straal van 50 meter van de hoogspanningsverbinding geen woningen toegestaan. De start van de bouw van de woningen die met dit planvoornemen worden gerealiseerd zal pas plaatsvinden nadat de hoogspanningsverbinding ondergronds is aangelegd.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.4 Activiteiten en milieuzonering

Wettelijk kader

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet worden het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. Het gemeentelijke omgevingsplan is straks hét instrument waarin deze integratie op lokaal niveau plaatsvindt. Het beleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen.

Overal, maar voornamelijk ter plekke van bedrijven, kunnen milieubelastende activiteiten plaatsvinden die hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk om voldoende afstand te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de activiteiten. Meestal is geluid de belangrijkste factor, maar ook geur kan de afstand tot gevoelige functies bepalen. Gemeenten kunnen binnen de bandbreedte die het rijk geeft zelf bepalen wat aanvaardbare afstanden of aanvaardbare geluid- of geurhinderniveaus zijn.

Voor het bepalen welke activiteiten aanvaardbaar zijn, kan de VNG uitgave Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2022 worden geraadpleegd. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. Niet meer met een vaste richtafstand per bedrijfstype, maar aan de hand van een concrete waarde per activiteit wordt het ruimtebeslag bepaald.

Beoordeling

Voor onderhavig plan dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid.

In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich enkele bedrijven met milieucategorie 1 en 2. Omdat deze functies nog op de oude wijze zijn 'bestemd' volgens de VNG-systematiek met richtafstanden, heeft de toetsing nog plaatsgevonden op basis van de richtafstanden die gelden op basis van de geldende planologische mogelijkheden.

De omgeving van het plangebied kan, gelet op de ligging aan de met de afwisseling van functies (wonen, dienstverlening, bedrijf), worden gekarakteriseerd als gemengd gebied. Hierbij mag een richtafstand van 1 stap lager worden aangehouden dan dat op grond van de VNG-systematiek geldt.

Er ligt een aantal bedrijven en instellingen met een richtafstand in de directe omgeving van het plangebied.

  • Sportschool 'Boksinstituut Veenendaal' (SBI-2008:931). Deze sportschool ligt aan de Kerkewijk 65, op ongeveer 20 meter afstand van het plangebied. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Echter mag wegens de ligging in gemengd gebied een richtafstand van 10 worden gehanteerd. Er wordt voldaan aan deze richtafstand.
  • Adventkerk Gereformeerde Gemeente (SBI-2008:9491). Deze kerk ligt aan de Vijftien Morgen 51, op ongeveer 12 meter van het plangebied. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Echter mag wegens de ligging in gemengd gebied een richtafstand van 10 worden gehanteerd. Er wordt voldaan aan deze richtafstand.
  • Tandarts 'Dental Clinics Veenendaal De Vallei' (SBI-2008:8621). Deze tandartspraktijk ligt aan de Kerkewijk 67, op circa 31 meter van het plangebied. Voor artsenpraktijken geldt een richtafstand van 10 meter, die neerkomt op 0 meter in gemengd gebied. Er is voldaan aan de richtafstand. Dit geldt ook voor de locaties voor voetverzorging 'Stichting Procert' en 'Provoet' die op 35, resp. 60 meter van het plangebied liggen.
  • Religieuze organisatie 'Het Venster' (SBI-2008:9491). Deze organisatie ligt aan de Vijftien Morgen 2, op zo'n 20 meter afstand van het plangebied. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Echter mag wegens de ligging in gemengd gebied een richtafstand van 10 worden gehanteerd. Er wordt voldaan aan deze richtafstand.
  • Ouderenzorg Zideris Hollandia (SBI-2008:8621). De hoofdingang van deze zorginstelling bevindt zich aan de Hollandia 251. De dichtstbijzijnde zorgappartementen voor ouderen liggen op circa 20 meter van het plangebied. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Echter mag wegens de ligging in gemengd gebied een richtafstand van 10 worden gehanteerd. Er wordt voldaan aan deze richtafstand.
  • In de omgeving van het plangebied bevinden zich nog enkele kantoren ('RecruitMens', 'Rijksen Uitvaartzorg Vallei & Rijn'). Daarvoor geldt tevens een afstand van 10 meter, die neerkomt op 0 meter in gemengd gebied.

De activiteiten van de omringende bedrijven vormen geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat.

Conclusie

Het aspect activiteiten en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde woningbouwontwikkeling. Ook is de nieuwe woonfunctie niet van invloed op de gebruiksmogelijkheden van de bestaande bedrijven.

4.5 Geluid

Wettelijk kader

Onder de Omgevingswet is de aanvaardbaarheid van geluidbelasting veel meer een decentrale afweging dan voorheen. In het omgevingsplan nemen gemeentes regels op waar activiteiten die geluid veroorzaken en geluidgevoelige gebouwen aan moeten voldoen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.4 van de Bruidsschat.

Het Bkl stelt op rijksniveau regels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen in afdeling 3.5. In plaats van geluidzones zal er worden gewerkt met geluidaandachtsgebieden en geluidproductieplafondwaarden (gpp).

Een geluidsaandachtsgebied is een gebied rondom bijvoorbeeld wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Ook drukke 30km/u wegen worden hierin meegenomen. Dit gebied wordt op basis van berekeningen bepaald en beslaat het gebied waarbinnen de standaardwaarde voor geluid mogelijk wordt overschreden. Als binnen dit geluidsaandachtsgebied een geluidgevoelig gebouw wordt gerealiseerd, moet getoetst worden of voldaan wordt aan de standaardwaarden voor geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Wat geluidgevoelige gebouwen en ruimten zijn, wordt beschreven in artikel 3.21 en 3.22 van het Bkl. Er kan onder voorwaarden afgeweken worden van de standaardwaarden voor geluid, mits wordt voldaan aan de grenswaarden. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen.

Een geluid productie plafond (gpp) is het gebied langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde voor geluid. Het gpp geeft aan hoeveel geluid maximaal is toegestaan op een geluidreferentiepunt. Het bevoegd gezag monitort het geluid op dit punt.

Beoordeling

Het planvoornemen realiseert maximaal 172 woningen. Een woning is een geluidgevoelig gebouw in de zin van artikel 3.21 van het Bkl. De locatie is niet gelegen binnen een geluidsproductieplafond van een (spoor)weg of industrieterrein. Wel ligt het plan op korte afstand van meerdere drukke wegen, waardoor akoestisch onderzoek nodig is. Door LBP Sight is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 5 opgenomen.

Gemeentewegen

Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van de gemeentewegen niet hoger is dan de standaardwaarde van 53 dB. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 48 dB. Vanuit het Bkl zijn er, vanwege de geluidbron 'gemeentewegen', geen bezwaren tegen de realisatie van de woningen op de locatie. Tevens blijkt uit de resultaten dat ook voor de gemeentewegen met een verkeersintensiteit lager dan 2.500 mvt/etmaal de geluidbelasting gelijk is aan de standaardwaarde van 53 dB. Er kan hiermee gesteld worden dat voor deze wegen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Gecumuleerde en gezamenlijke geluidbelasting

Voor dit project is er geen sprake van een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde. Het is dan ook niet nodig om het gecumuleerd en gezamenlijk geluid in beeld te brengen. Wél is voor de volledigheid het gezamenlijk geluid vanwege alle gemeentewegen, ongeacht het aantal voertuigen dat over de weg rijdt, in kaart gebracht. Uit het onderzoek blijkt dat het gezamenlijk geluid vanwege alle omliggende wegen ten hoogste 53 dB bedraagt. Dit is gelijk aan de standaardwaarde.

Lokaal geluidbeleid

In het onderzoek is tevens getoetst aan het lokale geluidbeleid, de 'Beleidsregel hogere waarden Wgh - gemeente Veenendaal'. Omdat de geluidbelasting op de geprojecteerde woningen niet meer bedraagt dan de standaardwaarde van 53 dB zullen alle woningen zonder aanvullende geluidmaatregelen voldoen aan het lokale geluidbeleid van de gemeente Veenendaal.

Indirecte akoestische effecten

Bij het vaststellen van een omgevingsplan zorgt het bevoegd gezag ervoor dat het geluid op een (bestaand) geluidgevoelig gebouw, door wegen waarover geen besluit wordt genomen, niet méér toeneemt dan 1.5 dB (artikel 5.78af, lid 1 Bkl). Deze toename bepaalt het bevoegd gezag ten opzichte van de situatie in het maatgevende jaar zonder de wijziging. Deze instructieregel is opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl, welke slechts van toepassing is op verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafond met een verkeersintensiteit van meer dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde.

De verkeerstoename van de ontwikkeling van de Ritmeesterlocatie zal plaatsvinden op de Vijftien Morgen en 't Holle Goed. Op basis van het verkeersonderzoek van Goudappel dat is opgenomen als Bijlage 10 is de totale verkeerstoename ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen van de Ritmeesterlocatie op de Vijftien Morgen en op ’t Holle Goed als volgt:

- Vijftien Morgen: 60% x 1.145 = 687 motorvoertuigen per weekdagetmaal.

- 't Holle Goed: 40% x 1.145 = 458 motorvoertuigen per weekdagetmaal.

In onderstaande tabel is voor de genoemde wegen de etmaalintensiteit opgenomen van het maatgevende jaar zonder wijziging en met de toename zoals Goudappel heeft bepaald.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0009.png"

Uit de tabel blijkt dat het aantal voertuigen per etmaal ruimschoots onder de 2.500 mvt/etmaal blijft, waarmee de instructieregels niet van toepassing zijn.

Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.6 Duurzaamheid

Duurzame leefomgeving

Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie.

Klimaatbestendigheid

Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.

Energietransitie

Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld.

Dit kan bijvoorbeeld op de volgende wijzen:

  • de woningen zullen voldoen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving ten aanzien van de energieprestatie;
  • de woningen worden 'aardgasvrij' gebouwd.

Beoordeling

Door Merosch, in samenwerking met AM, is een duurzaamheidsagenda opgesteld voor de herontwikkeling van de Ritmeesterlocatie. Dit met als doel duurzaamheid volledig te integreren in het stedenbouwkundig plan en daarmee toe te werken naar een zo duurzaam mogelijke leefomgeving. De notitie met toelichting is als Bijlage 6 toegevoegd.

Merosch heeft een quickscan uitgevoerd naar de locatiespecifieke kenmerken, aandachtspunten en kansen voor de thema's klimaatadaptatie, natuurinclusief bouwen, circulariteit en energie. Uit de quickscan komt een aantal relevante thema's naar voren. De belangrijkste drie zijn:

  • 1. Het Ritmeesterterrein is onderdeel van het urban heat island Veenendaal en is sterk versteend. Dit maakt dat de huidige en verwachte temperauren tijdens zomerdagen zeer hoog liggen.
  • 2. Het Ritmeesterterrein bevindt zich in een netcongestiegebied, wat zowel aansluit- als invoedmogelijkheden op het elektriciteitsnet bemoeilijkt.
  • 3. De nabije aanwezigheid van een drinkwateronttrekkingsgebied maakt dat de mogelijkheden voor het gebruik van bodemwarmte- en koude voor nu beperkt lijken.

Bovenstaande drie aandachtspunten maken dat bij de keuze voor het energieconcept drie belangrijke factoren zijn meegenomen: de aanwezigheid van koude en hittebestendige maatregelen voor de woningen, maar ook een duurzame energievoorziening welke weinig belasting voor het net veroorzaakt. Er zijn vandaaruit vier doelstellingen gedefinieerd:

  • 1. Ritmeester is netcongestieproof en energieneutraal.
  • 2. Ritmeester is hittebestendig en waterefficiënt.
  • 3. Ritmeester versterkt de lokale groene structuren en beleving.
  • 4. Ritmeester is Paris Proof, slaat veel CO2 op en stimuleert urban mining.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0010.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0011.png"

Het planvoornemen voorziet in een prettige en groene woonomgeving, waar duurzaamheid een rol speelt door bijvoorbeeld het gebruik van duurzame bouwmaterialen. Er wordt klimaatadaptief en circulair gebouwd, er worden immers waar mogelijk verschillende bouwmaterialen van het oude fabrieksgebouw hergebruikt. Het planvoornemen voorziet daarnaast in een landschapsinrichting met een efficiënte en duurzame waterhuishouding en voldoende groen en schaduw op verblijfsplekken, wat bijdraagt aan de klimaatbestendigheid van het gebied. Het plan voldoet daarmee aan de doelstellingen uit de duurzaamheidsagenda.

Conclusie

Er is sprake van een duurzame, klimaatadaptieve woningbouwontwikkeling.

4.7 Flora en fauna

Wettelijk kader

Er moet te allen tijde rekening gehouden worden met de flora en fauna om de natuur te beschermen. In artikel 5.1 van de Omgevingswet is bepaald dat er een omgevingsvergunning nodig is voor Natura 2000-activeiten en flora- en fauna-activiteiten. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Een flora- en fauna-activiteit wordt omschreven als een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Daarnaast zijn er ook provinciale regels voor het beschermen van flora en fauna. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Er zijn verschillende gebieden met belangrijke waarde voor flora en fauna: Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en andere bijzondere gebieden en landschappen. De Natura 2000-gebieden worden op Europees niveau beschermd en de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de Omgevingswet. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk dat door de provincies is aangewezen. Bijna alle Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Een Natura 2000-activiteit kan zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden, want een activiteit buiten een Natura 2000-gebied kan ook van invloed zijn op het gebied. Voor de bescherming van NNN gelden voornamelijk provinciale regels.

Stikstofdepositie

Veel Natura 2000-gebieden bevatten stikstofgevoelige habitattypen. Toename van de stikstofdepositie op het gebied betekent een verslechtering van de habitattypen. Om die reden moet vooraf onderzocht worden of de betreffende activiteit niet leidt tot onevenredige toename van stikstofdepositie op beschermde stikstofgevoelige gebieden. Met de AERIUS calculator kan berekend worden of er bij het uitvoeren van een activiteit sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Hierbij dient zowel de gebruikersfase als de realisatiefase doorgerekend te worden. Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn, is er geen belemmering voor een plan op het gebied van stikstofdepositie.

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. Het gaat om soorten van nationaal belang en soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijnen vallen. Voor de soortenbescherming gelden rijksregels. De provincies zijn echter verantwoordelijk voor de soortenbescherming. Door de brede formulering van een 'flora- en fauna-activiteit' is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving vrijwel altijd nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn, om te onderzoeken of de activiteit mogelijk gevolgen heeft voor beschermde soorten.

Zorgplicht

Ten tijde van de uitvoering van werkzaamheden geldt te allen tijde de zorgplicht (artikel 11.6 en 11.27 Bal). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna en Natura 2000-gebieden zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Concreet betekent dit dat iemand die een activiteit wil verrichten op een bepaalde locatie, eerst moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die locatie of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat de beschermde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen.

Beoordeling

Soortenbescherming

Door Blom Ecologie is er een Quickscan Natuur uitgevoerd. De rapportage van deze quickscan is opgenomen als Bijlage 7.

Het plangebied is gelegen in een gebied met een gemeentelijk Soortenmanagementplan (SMP) gebiedsvergunning. Met deze gebiedsvergunning heeft de gemeente voor bepaalde bouwactiviteiten (waaronder sloop) een ontheffing verkregen voor de verbodsbepaling genoemd in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g van de Omgevingswet, in samenhang met de artikelen 11.37 eerste lid, aanhef en onder b en 11.46 eerste lid, aanhef en onder a, b en d van het Bal.

Uit de quickscan blijkt dat er enkele algemene maatregelen moeten worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Met betrekking tot soortenbescherming is er potentie voor vleermuizen en deels voor gierzwaluw en huismus. Er is een SMP geldig in gemeente Veenendaal. De beoogde ruimtelijke ingreep kan onder het SMP worden uitgevoerd. Hierbij dient er gehouden te worden aan de werkwijze die staat beschreven in de werkprotocollen.

Hieronder wordt nader ingegaan op de bevindingen ten aanzien van vleermuizen, vogels en dieren en planten algemeen vanuit de zorgplicht.

Vleermuizen

Gebaseerd op de bekende verspreidingsgegevens, de ligging van de planlocatie (stedelijk gebied) en het type bebouwing is er potentie voor verblijfplaatsen van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. De beoogde ontwikkeling kan onder het SMP Veenendaal uitgevoerd worden. Hierbij dient er gehouden te worden aan de werkwijze die staat beschreven in de werkprotocollen.

Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De planlocatie is volledig verhard en bebouwd, waardoor relatief weinig voedselaanbod aanwezig is. Een De bebouwing is niet lijnvormig en een groot deel bestaat uit slechts één bouwlaag, waardoor het niet geschikt is als essentiële vliegroute. Daarnaast zijn er voldoende uitwijkmogelijkheden in de omgeving, zoals de bomenrijen en het Omleidingskanaal. Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep worden deze structuren niet aangetast.

Vogels

Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: ekster, houtduif, huismus, kauw en koolmees. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied, namelijk de huismus. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van de jaarrond beschermde huismus

Tijdens het veldbezoek zijn huismusnesten aangetroffen onder de overkapping aan de achterkant van de te slopen Hallen. Er is nestmateriaal gevonden tussen en op de balken van de overkapping. Daarnaast kropen er huismussen weg door een gleuf tussen de bakstenen muur en de bevestiging van de overkapping in de gevel. De rest van het te slopen nieuwbouwgedeelte bevat geen huismuspotentie. Aangezien de bebouwing in de omgeving ook geschikt is voor huismus kan niet worden uitgesloten dat er vogels uit de kolonies hier kunnen nestelen.

Echter kan de beoogde ontwikkeling ook voor de huismus onder het SMP worden uitgevoerd. Hierbij dient er gehouden te worden aan de werkwijze die staat beschreven in de werkprotocollen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied.

De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen in de directe omgeving en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn nesten aangetroffen van ekster, houtduif en zwarte kraai. Deze nesten zijn buiten de planlocatie gesitueerd en worden niet aangetast bij de beoogde ruimtelijke ingreep.

Doordat de kans bestaat dat broedende vogels in de nabijheid van de werkzaamheden aanwezig zijn, zal rekening worden gehouden met het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli). Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten zullen de sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart zal de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd worden door een ter zake deskundige.

Dieren en planten algemeen vanuit de zorgplicht

De Omgevingswet bepaalt dat eenieder naar redelijkheid zorgvuldig met planten en dieren in het wild om dient te gaan. Voor alle activiteiten die uitgevoerd worden en mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben, zullen deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt worden.

Gebiedsbescherming

Op een afstand van circa 1,3 km ligt het Natura 2000-gebied 'Binnenveld'. Dit Natura 2000-gebied maakt teven deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Op circa 1,4 km van het plangebied ligt de Groene contour.

Door SAB adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het stikstofonderzoek is opgenomen in Bijlage 8.

Om te beoordelen wat de effecten op Natura 2000-gebieden zijn, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator. Uit de berekening blijkt dat de gewenste ontwikkeling leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar.

In de aanlegfase bedraagt de stikstofdepositie op het naastgelegen Natura 2000-gebied Binnenveld maximaal (in 2026) 0,02 mol/ha/jaar. Er zijn daardoor mogelijk nadelige milieueffecten te verwachten op het Natura 2000-gebied.

Ook in de gebruiksfase, in de jaren 2029-2031, vindt er een tijdelijke stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/jaar plaats op Natura 2000-gebieden. Na 2031 zijn er geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Een ecologische voortoets is noodzakelijk.

Omdat de stikstofdepositie groter is dan 0,00 mol/ha/jaar is een vergunning vereist, tenzij door middel van een ecologische voortoets kan worden uitgesloten dat de ontwikkeling significante gevolgen heeft.

In de ecologische voortoets, opgesteld door SAB adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling, is voor de relevante habitattypen onderzocht of de deposities die de ontwikkeling veroorzaakt voor significante, dus merkbare of meetbare, gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied kunnen zorgen. Uit het onderzoek blijkt dat de habitats in de recente jaren zijn verbeterd of gelijk zijn gebleven in omvang en kwaliteit. Er spelen in beide habitats knelpunten met een grotere invloed dan atmosferische stikstofdepositie, die reeds worden aangepakt door middel van beheersmaatregelen. In dat perspectief geplaatst is niet aannemelijk dat de depositie die het project veroorzaakt een negatieve invloed zal hebben op het behalen van de natuurdoelen. Ook is de tijdelijke depositie in verhouding tot de stikstof die in het natuurgebied omgaat niet significant en dus verwaarloosbaar. De hoeveelheid stikstof die nodig is om veranderingen in habitattypen te bewerkstelligen in verhouding tot fluctuaties in stikstofdepositie in ruimte en tijd maken het bovendien onmogelijk om de onderhavige stikstofdepositie in het veld te meten of waar te nemen.

Met bovenstaande is aangetoond dat het onmogelijk is dat de depositie, ten gevolge van de bouw van de woningen, een significante invloed heeft op het functioneren van de habitattypen in Natura 2000-gebied Binnenveld en de daarvan afhankelijke soorten. De relevante habitats zullen ook in de toekomst, met deze de positie, nog in gelijke mate kwalificeren als het betreffende habitat. De vegetaties en watersystemen kunnen nog steeds dezelfde functies vervullen als wanneer deze ontwikkeling niet zou plaatsvinden. Een merkbaar, meetbaar en dus significant ofwel aanzienlijk gevolg voor de instandhoudingsdoelstelling en/of aantasting van wezenlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, is daarmee uitgesloten.

Aangezien significante effecten kunnen worden uitgesloten is er geen vergunning nodig voor een Natura 2000-activiteit.

Conclusie

Soortenbescherming

Uit de ecologische quickscan blijkt dat er enkele algemene maatregelen moeten worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Met betrekking tot soortenbescherming is er potentie voor vleermuizen en deels voor gierzwaluw en huismus. Er is een SMP geldig in gemeente Veenendaal. De beoogde ruimtelijke ingreep kan onder het SMP worden uitgevoerd.

Gebiedsbescherming

Voor de jaren 2025 tot en met 2031 is een ecologische voortoets noodzakelijk. Vanaf 2031 zijn er geen overschrijdingen meer en zijn er geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. In de ecologische voortoets is geconcludeerd dat significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.

Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.8 Landschappelijke-, stedenbouwkundige waarden en Cultureel erfgoed

Wettelijk kader

Paragraaf 5.1.5 van het Bkl bevat regels met het oog op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden zijn een element van omgevingskwaliteit en het beschermen van die waarden is in artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet opgenomen als een van de oogmerken die van belang kan zijn bij de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet. De invulling hiervan wordt grotendeels overgelaten aan gemeenten en provincies.

Op rijksniveau worden er onder meer regels gesteld over de kust, over de Waddenzee en het Waddengebied, over het zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand (de ladder voor duurzame verstedelijking, zie onder 3.1.2.1) en over cultureel erfgoed.

De landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden zijn vastgelegd in de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Veenendaal. De cultuurhistorische waardenkaart bestaat uit kenmerkenkaarten voor de disciplines landschap en gebouwde omgeving, uit waardenkaarten voor diezelfde aspecten, uit een viertal themakaarten en een integrale ensemblekaart, waarop de gebieden staan die - samen met de landschappelijke en gebouwde kaarten - het palet aan cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Veenendaal laten zien.

Beoordeling

Op kaart '2 Kenmerken Bouwkunst en Stedenbouw' is te zien dat de Ritmeesterlocatie in 'stedenbouwkundig waardevol gebied' ligt.

Op kaart '3.1 Waardering landschap' is te zien dat het landschap ter plaatse van de Ritmeesterlocatie de waardering 'niet gewaardeerd' heeft gekregen. Er is op de locatie geen landschappelijk erfgoed waar rekening mee moet worden gehouden.

Op kaart '3.2 Waardering bouwkunst' is de Ritmeesterfabriek aangewezen als bouwkunst met een hoge waarde.

Op kaart '4 Integrale ensemblekaart' is de Ritmeesterlocatie aangewezen als 'Integrale ensemble' en 'Waardevolle bouwkunstensemble'. In paragraaf 5.6.4 van het Omgevingsplan gemeente Veenendaal staan regels die gelden voor activiteiten die wijzigingen aanbrengen in integrale ensembles. In deze paragraaf is een specifieke zorgplicht gedefinieerd. Op grond van deze zorgplicht mag er bij aanpassingen in openbaar toegankelijk gebied en aan of bij gebouwen en bouwwerken geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de cultuurhistorische waarden behorende bij integrale ensembles, zoals opgenomen in de welstandsnota of diens rechtsopvolger.

Met de ontwikkeling van de Ritmeesterlocatie zal het fabrieksgebouw gesloopt worden en worden vervangen door nieuwbouw. Direct naast het plangebied (gelegen aan de Kerkewijk) zijn enkele vooroorlogse gebouwen met een gemeentelijke monumentenstatus gelegen. Deze zullen worden behouden en benut. Ook de historische (industriële) waarde van het gebied wordt bewust meegenomen in het ontwerp. Waar mogelijk verwijst de nieuwe bebouwing naar het industriële verleden. Zo blijven onder andere vier stalen spanten behouden, die een symbolische verbinding vormen tussen het bestaande en het nieuwe. Het ontwerp zoekt daarbij naar een harmonieuze samenkomst van oud en nieuw, waarbij ruimtes ontstaan die niet alleen functioneel zijn, maar ook een gelaagde geschiedenis en karakter uitstralen. Deze uitgangspunten zijn vastgelegd in de Notitie uiterlijk aanzien gebouwen, zodat de cultuurhistorie zichtbaar blijft in de toekomstige bebouwing.

Het stedenbouwkundig plan is beoordeeld bij de Omgevingstafel en akkoord bevonden. Hier is ook het cultuurhistorische aspect meegewogen.

Conclusie

De landschappelijke-, stedenbouwkundige waarden en Cultureel erfgoed vormen geen belemmering voor het planvoornemen.

4.9 Archeologische monumenten

Wettelijk kader

In het Bkl is bepaald dat gemeenten in hun omgevingsplan een beschermingsregime moeten opnemen voor cultureel erfgoed. Hierbij moeten de instructieregels uit paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl in acht worden genomen. Dit gaat onder meer over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; en
  • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Tot dat de gemeentes regels in over cultureel erfgoed in het omgevingsplan hebben opgenomen, geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit bestaat uit de geldende ruimtelijke regelingen zoals bestemmingsplannen, de gemeentelijke erfgoedverordening en de regels uit de bruidsschat.

Beoordeling archeologie

Het plangebied is op de archeologische beleidskaart aangeduid als categorie 5 met een lage archeologische verwachting. In het beleid van de gemeente Veenendaal staat beschreven dat bij een archeologische waarde van categorie 5 er alleen onderzoek moet worden verricht als het project MER-plichtig is. Dat is hier niet het geval. Daarom is archeologisch onderzoek niet nodig.

Beoordeling cultuurhistorie

Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalende pand in het geldende omgevingsplan. Geconcludeerd kan worden dat met het plan geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren.

Conclusie

Het aspect archeologie en monumenten vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.10 Verkeer en parkeren

Wettelijk kader

Bij het toelaten van een nieuwe functie in het omgevingsplan moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling binnen en rondom het gebied. Ook wordt in beeld gebracht of er sprake is van een extra parkeerbehoefte voor auto's en fietsen. De nieuw ontwikkeling mag geen onaanvaardbare effecten hebben voor de fysieke leefomgeving.

Door Goudappel BV zijn de aspecten verkeer en parkeren als gevolg van deze ontwikkeling en de naastgelegen herontwikkeling van de beataande gebouwen beoordeeld. De rapportage daarvan is als Bijlage 10 toegevoegd.

Parkeerbehoefte

De parkeernormen van de gemeente Veenendaal zijn opgenomen in de Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023. De gemeente gaat uit van een gebiedsindeling in zones. Het plangebied bevindt zich in zone 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0012.png"

Figuur 4.2 Het plangebied is aangegeven met de zwarte locatiepin.

In de omgeving van het plangebied komen verschillende functies bij elkaar. In onderstaande tabellen zijn de bijbehorende parkeernormen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0013.png"

Parkeernormen wonen (aandeel bezoekers per woning = 0,3 parkeerplaats per woning)

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0014.png"

Parkeernormen werken

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0015.png"

Parkeernormen sport, cultuur en ontspanning

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0016.png"

Parkeernormen horeca

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0017.png"

Parkeernomen gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen

De ongewogen parkeerbehoefte (programma x parkeernorm) van het programma is in onderstaande tabellen weergegeven. Voor het parkeren is de parkeeropgave voor de gehele Ritmeesterlocatie in beeld gebracht, bestaande uit de nieuwbouw (plangebied van dit TAM-omgevingsplan) en het nieuwe programma in de bestaande (te behouden) gebouwen aan de Kerkewijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0018.png"

Ongewogen parkeerbehoefte woonprogramma

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0019.png"

Ongewogen parkeerbehoefte niet-woonprogramma

Niet op elk moment van de week is de parkeerbehoefte even hoog. Om die reden wordt gewerkt met aanwezigheidspercentages. De aanwezigheidspercentages zijn in onderstaande tabel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0020.png"

Aanwezigheidspercentages

De parkeerbehoefte per moment van de week is weergegeven in onderstaande tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0021.png"

Parkeerbehoefte per moment van de week

Uit bovenstaande tabel blijkt dat 109,6 (110) parkeerplaatsen nodig zijn op het drukste moment van de week (werkdagavond).

Het gemeentelijke parkeernormenbeleid biedt een aantal opties om de normatieve parkeerbehoefte te reduceren, met maximaal 25% reductie op de parkeereis voor auto's (na correctie voor dubbelgebruik).

Deze reductie kan worden toegepast met maatregelen op 5 onderdelen:

  • Deelmobiliteit: zichtbaar en goed geborgd deelsysteem (auto/fiets), vooral bij grootschalige ontwikkelingen, kan een groot deel van de reductie opleveren.
  • Openbaar vervoer: ligging op loopafstand van goede OV-voorzieningen (bus en/of trein) geeft recht op reductie, behalve in zone 1 waar dit al in de norm zit.
  • Doelgroep: als de beoogde gebruikers aantoonbaar een lager autobezit/-gebruik hebben (bijv. studenten, specifieke zorgdoelgroepen), kan reductie worden toegekend.
  • Bedrijfsplan mobiliteit: voor niet-woonfuncties kan een eigen bedrijven-mobiliteitsbeleid (stimuleren OV/fiets, vergoedingen, e-bike, etc.) leiden tot reductie.
  • Parkeren op afstand: bij grootschalige ontwikkelingen kan parkeren verder weg (bij overschot aan capaciteit) met nabijere voorzieningen voor lopen, fietsen en OV reductie opleveren.

De reductie tot maximaal 25% na totaal correctie dubbelgebruik wordt als volgt berekend: - 25% x 109,6 = 27,4 parkeerplaatsen.

Het planvoornemen voorziet in de inzet van deelmobiliteit. Er worden twee deelauto's aangeboden in (de omgeving van) het plangebied. Door 2 deelauto’s te integreren bij oplevering van de woningen — met zichtbare parkeerplaatsen naast het complex, één laadpunt per auto — wordt de leefkwaliteit vergroot door meer ruimte voor groen en wordt bewoners een goedkoper en flexibeler alternatief voor autobezit aangeboden. De ligging bij het NS-station en op fietsafstand van winkels maakt dit model vanuit gebruiksperspectief vrijwel aantrekkelijker dan elders.

De reductie als gevolg van de deelmobiliteit is als volgt: 40% x 27,4 = 11 parkeerplaatsen.

De parkeereis is 109,6 - 11 + 2 deelauto's = 100,6 (101) parkeerplaatsen.

Op het maatgevende moment (werkdagavond) is een parkeerdruk van 58% gemeten in de omgeving (zie onderstaande tabel). Daarmee bestaat de mogelijkheid om gebruik te maken van het ‘beter benutten’ principe. Rekening houdend met een maximale gewenste parkeerdruk van 85% is er sprake van een resterende parkeercapaciteit van 14 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen mogen in mindering worden gebracht op de totale parkeereis.

De totale parkeereis is dus: 101 – 14 = 87 parkeerplaatsen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0022.png"

Parkeeraanbod

Ten noorden van het plangebied, aan de Frisia worden 87 parkeerplaatsen gerealiseerd. De parkeerbehoefte kan daarmee binnen het plangebied worden opgelost. De twee deelauto's worden geplaatst in de nabijheid van het kruispunt Vijftien Morgen/Tubantia (centraal gelegen binnen de woonbuurt).

Verkeersgeneratie

De verkeersgeneratie voor de totale ontwikkeling van de Ritmeesterlocatie is berekend aan de hand van kencijfers van CROW publicatie 744 ('Parkeerkencijfers 2024'). De hoogte van het verkeersgeneratiekencijfer is afgestemd op de hoogte van de parkeernorm. De verkeersgeneratieberekening is weergegeven in onderstaande tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0023.png"

Verkeersgeneratie (in motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal)

Het totale aantal motorvoertuigbewegingen komt neer op (576 + 569 =) 1.145 per weekdagetmaal. De verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling in het plangebied van dit TAM-omgevingsplan bedraagt 576 mvt per weekdagetmaal.

Beoordeling en conclusie

In totaal worden er 87 parkeerplaatsen toegevoegd in het gebied. Daarmee is voldaan aan de parkeerbehoefte van 87 parkeerplaatsen. Het totale aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van de ontwikkeling in het plangebied en als gevolg van de herontwikkeling van de naastgelegen bestaande gebouwen komt neer op 1.145 per weekdagetmaal. Dit extra verkeer kan op een acceptabele wijze verwerkt worden op het omliggende wegennet. Het aspect verkeer en parkeren geeft geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.11 Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgasleidingen afhankelijk van druk;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameeter groter of gelijk aan 18 inch.

Uit het Omgevingsplan gemeente Veenendaal is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Wel is de bovengrondse hoogspanningsverbinding, waarvoor in het huidige bestemmingsplan Ritmeesterkwartier 2016 een veiligheidszone is aangewezen, van belang. Deze bovengrondse hoogspanningsverbinding zal, in lijn met het bestemmingsplan 'Ondergrondse hoogspanning' ondergronds worden gebracht. De start van de bouw van de woningen die met dit planvoornemen worden gerealiseerd zal pas plaatsvinden nadat de hoogspanningsverbinding ondergronds is aangelegd. Het vormt dus geen belemmering voor het planvoornemen.

Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.

Conclusie

Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.12 Bodem

Wettelijk kader

In paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl zijn instructieregels voor het aspect bodem opgenomen. Deze regels zijn van toepassing op bodemgevoelige gebouwen. Artikel 5.89g geeft aan wanneer een gebouw als bodemgevoelig gebouw wordt aangemerkt. De gemeente moet in haar omgevingsplan de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opnemen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.2.3 en 22.3.7 van de Bruidsschat.

De regels voor bodem zijn berust op drie pijlers:

  • Het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie);
  • Het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies aan locaties); en
  • Het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen).

Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van zo'n onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.

Beoordeling

Het planvoornemen realiseert maximal 172 woningen. Een woning is een bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89a van het Bkl. Door Van Dijk Geo- en Milieutechniek b.v. is op 28 februari 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 11). Tevens is er op 7 november 2022 door Multiconsult een vooronderzoek en beoordeling bodemkwaliteit gedaan, waarin is geconcludeerd dat het eerdere onderzoek dat is uitgevoerd door Van Dijk toereikend is (Bijlage 12).

Uit de onderzoeken blijkt dat de top- en onderlaag van de bodem ter plaatse van de onderzochte deellocaties over het algemeen licht tot hooguit matig verontreinigd is. Deze puinhoudende bodemlaag is niet asbesthoudend. Ook is het grondwater ter plaatse licht verontreinigd met barium, naftaleen en/of minerale olie. Gezien de geringe mate van verontreiniging is er milieutechnisch geen bezwaar tegen de herontwikkeling van het plangebied.

Uit de onderzoeken blijkt ook dat de puinhoudende bodemlaag ter plaatse van het centraal gelegen deel van het fabrieksterrein sterk verontreinigd is met enkele zware metalen. Omdat er sprake is van meer dan 25 m3 grond met een concentratie boven de interventiewaarde, zijn er sanerende maatregelen nodig. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit moet aannemelijk worden gemaakt dat sanerende maatregelen zullen worden getroffen, dat deze technisch uitvoerbaar zijn en leiden tot een geschikte bodemkwaliteit. Hiervoor kan een beschrijving worden aangeleverd binnen de vergunningsprocedure of een melding 'saneren' worden ingediend in het Omgevingsloket die voldoet aan het gewenste saneringsresultaat.

Tevens zullen in de omgevingsvergunning voor het bouwen bodemvoorschriften worden opgenomen, waarin is bepaald dat de bodem geschikt moet worden gemaakt voor het voorgenomen gebruik.

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planinitiatief.

4.13 Weging elektriciteits-infrastructuur, energieparagraaf

De instructieregels uit de provinciale verordening geven in artikel 5.11 aan dat bij de bouw van 10 of meer woningen, die tot een aanvullende belasting van de elektriciteits-infrastructuur kunnen leiden, rekening gehouden wordt met de aansluitbaarheid op de elektriciteits-infrastructuur. Er is tweemaal overleg gevoerd met de netbeheerder. Het verslag van het eerste overleg is opgenomen in Bijlage 13. Het verslag van het tweede overleg is opgenomen in Bijlage 14.

Beoordeling en conclusie

In het plangebied wordt een extra transformator gerealiseerd waaruit de woningen van elektriciteit worden voorzien. Het plan past binnen de energie-infrastructuur van de netbeheerder.

4.14 Water

Wettelijk kader

Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat het wettelijk kader voor het beschermen van waterbelangen. Hierin worden regels gegeven ter bescherming van primaire waterkeringen, de kust, grote rivieren en het IJsselmeergebied. Als een omgevingsplan betrekking heeft op een locatie in een van deze gebieden, gelden er regels ter bescherming van waterbelangen.

Beoordeling

De ontwikkeling ligt niet in of nabij een primaire waterkering. Wel ligt de ontwikkeling in het grondwaterbeschermingsgebied (zie paragraaf 4.15).

Door de beoogde ontwikkeling neemt het verhard oppervlak niet toe. Daarnaast wordt er meer groen gerealiseerd dan dat er in de huidige situatie is voorzien, wat voor een betere waterberging zal zorgen. Er wordt voldaan aan de ambitie om 25 mm / m2 verhard oppervlak te bergen.

Hierbij is het uitgangspunt dat er waterberging plaatsvindt op alle daken van de appartementencomplexen en het aanleggen van alle openbaar groen als verdiept/waterbergend. De resterende capaciteit wordt opgelost door een voorziening in de tuinen of eventueel een kunstmatige voorziening in de openbare ruimte (zoals infiltratiekoffers). De resterende capaciteit kan afhankelijk van het waterhergebruikconcept, ook worden opgevangen in eventueel benodigde regenwatertanks voor het hergebruik van regen- en/of grijswater.

In Bijlage 15 zijn tabellen opgenomen waarin een berekening van de benodigde waterberging en een berekening van de mogelijk te realiseren waterberging zijn opgenomen. Daarin is weergegeven dat het planvoornemen in de benodigde waterberging voorziet.

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.15 Grondwaterbescherming

In de grondwaterbeschermingsgebieden is sprake van een kwetsbare functie (waterwinning voor drinkwater) en vaak een kwetsbare bodem. Daarom moeten personen en instanties die hier activiteiten ontplooien extra alert en zorgvuldig zijn op zaken die de kwaliteit van het grondwater negatief kunnen beïnvloeden. Voor de activiteiten die altijd schadelijk zijn, of die mogelijk schadelijk zijn en vaak voorkomen, zijn gerichte regels opgesteld.

Wettelijk kader

In afdeling 3.2 van de Omgevingsverordening worden regels gesteld voor de bescherming van het grondwater.

De grondwaterbeschermingszone bestaat uit verschillende onderdelen waaronder het waterwingebied, het grondwaterbeschermingsgebied en de boringsvrijezone.

Grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones liggen als een schil rond de waterwingebieden en hebben als doel de waterwinning te beschermen tegen schadelijk invloeden. De grens van deze gebieden is de lijn vanaf waar het grondwater een periode van 25 jaar nodig heeft om de pompputten te bereiken (de 25-jaarszone). Het onderscheid tussen deze zones hangt af van het antwoord op de vraag of het grondwater waaruit gewonnen wordt direct vanaf het oppervlak beïnvloed kan worden (grondwaterbeschermingsgebieden), of dat tussen maaiveld en het grondwaterpakket met de winning nog een voldoende afschermende kleilaag aanwezig is (boringsvrije zones).

Boringsvrijezone

In de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht wordt in artikel 3.51 lid 4 aangegeven dat het centrum van Veenendaal binnen de boringsvrijezone ligt. Het doel van deze zone is het beschermen van de waterwinning. Voor de boringsvrijezone in Veenendaal geldt een vergunningplicht bij boringen dieper dan 30 meter ten behoeve van energiesystemen of een meldingsplicht voor funderingen.

Het initiatief ligt binnen een boringsvrije zone.

Het plangebied ligt zowel binnen een grondwaterbeschermingsgebied als binnen een boringsvrije zone. Dat is aangegeven op onderstaande afbeeldingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0024.png"

Figuur 4.3 Grondwaterbeschermingsgebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0025.png"

Figuur 4.4 Boringsvrije zone

Waterwingebied

Een plan dat betrekking heeft op locaties binnen een waterwingebied, laat geen activiteiten toe die een risico vormen voor de grond- en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie.

Het initiatief ligt niet binnen het waterwingebied.

Beoordeling

Op grond van artikel 3.11 van de Omgevingsverordening provincie Utrecht geldt er een specifieke zorgplicht voor grondwater. Degene die in een grondwaterbeschermingszone een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van het grondwater in verband met de winning daarvan voor menselijke consumptie is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken. Kunnen de gevolgen onvoldoende worden beperkt, dan wordt van diegene verwacht dat de activiteit achterwege wordt gelaten, voor zover dat redelijkerwijs kan worden gevraagd. Wanneer sprake is van een direct optredende of dreigende verontreiniging van het grondwater, moeten gedeputeerde staten onmiddellijk op de hoogte worden gesteld.

In de boringsvrije zone is het op grond van artikel 3.51 van de Omgevingsverordening provincie Utrecht verboden om boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 30 meter of meer onder maaiveld. Daarnaast is het verboden boringen, grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 30 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de boringsvrije zone. Daarvan is in het planvoornemen geen sprake.

Conclusie

Het initiatief vormt geen belemmering voor het aangewezen grondwaterbeschermingsgebied en de boringsvrije zone.

4.16 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect kwaliteit van de buitenlucht instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de kwaliteit van de buitenlucht;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Advieswaarden WHO

De rijksomgevingswaarden uit het Bkl volgen uit de Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen. Deze Europese normen zijn mede gebaseerd op adviezen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). De WHO heeft advieswaarden opgesteld voor stikstofdioxide, fijnstof en zeer fijn stof. In het Schone Lucht Akkoord (SLA) is afgesproken dat voor 2030 wordt toegewerkt naar de WHO advieswaarden. De gemeente Veenendaal heeft het SLA ondertekend.

De beoordeling van de kwaliteit van de buitenlucht vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de kwaliteit van de buitenlucht als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de kwaliteit van de buitenlucht altijd worden beoordeeld:

  • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
  • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt
  • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Beoordeling

Als een activiteit niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging is er volgens artikel 5.53 en 5.54 Bkl geen toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor stikstof en fijnstof nodig. Het gaat hierbij om een grenswaarde van 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0026.png"

In artikel 5.54 van het Bkl is opgenomen dat bij een project waarin maximaal 1.500 woningen worden toegevoegd, de genoemde maximale waarde van 1,2 µg/m3 niet zal worden overschreden. Aangezien binnen het plangebied maximaal 172 woningen worden toegevoegd, wordt er niet in betekenende mate bijgedragen aan de luchtverontreiniging.

In paragraaf 4.10 is geconcludeerd dat er in de nieuwe situatie 576 extra verkeersbewegingen zijn. Ook is er rekening gehouden met 0,5% middelzwaar en 0,5% zwaar vrachtverkeer (totaal 1%). Uit de ingevulde NIBM-tool blijkt dat er geen negatieve gevolgen ontstaan voor de luchtkwaliteit als gevolg van de herontwikkeling van het plangebied:

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0027.png" NIBM-tool (Bron: IPLO.nl)

Het planvoornemen draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Er is geen nader onderzoek nodig.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.17 Geur

Wettelijk kader

Het Rijk heeft in het Bkl voor een aantal gebouwen specifieke regels voor geur gesteld. Het gaat hierbij om de zogenoemde geurgevoelige gebouwen. Dit zijn onder andere gebouwen met een woonfunctie. De gemeente moet voor alle geurgevoelige gebouwen zoals opgenomen in artikel 5.91 van het Bkl regels stellen in het omgevingsplan om deze gebouwen te beschermen tegen geurhinder. Voor overige gebouwen of locaties mag de gemeente zelf kiezen of zij daar specifieke regels voor geur over opneemt in het omgevingsplan.

De gemeente moet daarnaast in haar omgevingsplan een 'bebouwingscontour geur' vastleggen rondom een rioolwaterzuiveringsinstallatie, rondom locaties waar landbouwhuisdieren in een dierenverblijf worden gehouden en rondom agrarische activiteiten als deze activiteiten geur veroorzaken op een geurgevoelig gebouw. Binnen de contour geldt een 'hoge bescherming' en daarbuiten een 'lage bescherming'. Voor andere geurveroorzakende activiteiten mag een gemeente zelf bepalen of zij daar geurregels voor opstelt in het omgevingsplan.

Zolang de gemeente zelf nog geen regels in haar omgevingsplan heeft opgenomen omtrent geur, gelden de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit zijn de regels uit de gemeentelijke geurverordening en de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van de Bruidsschat. Hierin wordt nog onderscheid gemaakt tussen locaties binnen en buiten de bebouwde kom, in plaats van een bebouwingscontour.

Beoordeling

In de nabijheid van het plangebied zijn geen geurbelastende activiteiten gelegen die op dit TAM-omgevingsplan van invloed zijn. Voor dit TAM-omgevingsplan is daarom geen geuronderzoek nodig.

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.18 Trillingen

Wettelijk kader

Trillinggevoelige gebouwen worden beschermd tegen trillingen van activiteiten en bedrijven. Wat een trillinggevoelig gebouw en trillinggevoelige ruimte is, wordt beschreven in artikel 5.80 en 5.81 van het Bkl. De gemeente neemt in haar omgevingsplan regels op omtrent trillingen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat (check bruidsschat/omgevingsplan). In het Bkl worden standaardwaarden voor trillingen gegeven. De gemeente mag in haar omgevingsplan lagere waarden vaststellen. Ook mag zij onder voorwaarden hogere waarden vaststellen.

In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillingshinder worden beoordeeld. In sommige gevallen kan het zelfs nodig zijn om het onderzoeksgebied tot 250 meter aan weerszijden van het spoor uit te breiden. De afwegingen daarvoor zijn in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen opgenomen. Met behulp van deze handreiking kunnen plannen worden gemaakt voor een gezonde fysieke leefomgeving.

Beoordeling

De locatie ligt niet binnen 250 meter van een spoor. Daarom is er geen quickscan trillingshinder nodig.

Conclusie

Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.19 Bezonning

Wettelijk kader

Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Omgevingswet). De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen.

TNO-norm

Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO heeft een norm voor bezonning: De bezonningsliniaal - Een nieuw eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dagverlichting. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm:

  • de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari - 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam;
  • de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari - 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.

De normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht.

Voldoende zon en schaduw

Sommige plekken hebben voldoende zon nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplaatsen. Dit draagt bij aan een aangenaam verblijfsklimaat. Ook voldoende schaduw op deze plekken is wenselijk. Zodat mensen in de steeds hetere zomers ook de schaduw kunnen opzoeken.

Een toename van schaduw - door beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen - kan ongewenst zijn. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat er voldoende bezonning en schaduw is en blijft. De gemeente kan voorkomen dat er te veel schaduw ontstaat. En juist zorgen voor voldoende schaduw.

Bezonningsdiagrammen

Bezonningsdiagrammen geven inzicht of er voldoende zonlicht is op bijvoorbeeld gevel, tuin, terras en speelplek. Ook geven deze diagrammen inzicht in toename van schaduw op de omgeving door de nieuwbouw. Een vergelijking van de bestaande situatie met de toekomstige situatie is mogelijk met een driedimensionaal model.

Dagen

De volgende dagen van de 4 seizoenen zijn maatgevend:

  • 22 december: de dag dat de zon het laagst staat
  • 21 juni: de dag dat de zon het hoogst staat
  • 21 maart: de dag dat de zon 'half' staat, namelijk precies tussen de stand van 22 december en 21 juni in (zomertijd)
  • 23 september: de dag dat de zon op 'half' staat, namelijk precies tussen de stand van 21 juni en 22 december in (wintertijd)

Beoordeling

In het plangebied wordt bebouwing mogelijk gemaakt van meer dan 25 meter hoog (maximaal 27 meter), daarom is er een bezonningsstudie gedaan naar het effect op de bezonning in de omgeving (zie Bijlage 16).

Uit de bezonningsdiagrammen blijkt dat er vrijwel geen schaduwwerking optreedt op de bestaande woningen in de omgeving. Alleen in het voor- en najaar vanaf circa 17.00 uur zal er volgens de diagrammen schaduw optreden bij de woningen aan de Tubantia en de Hollandia, maar dan is de zon al (grotendeels) onder. Er wordt ruimschoots voldaan aan de TNO-norm.

De openbare ruimte en de gevels van het nieuw te bebouwen gebied en de tuinen hebben afwisselend schaduw en zon. Ook hier kan voldaan worden aan de TNO-norm. Dit zal bij de uitwerking van de definitieve bouwplannen in beeld gebracht worden.

Conclusie

Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.20 Ontplofbare Oorlogsresten

Het is bekend dat in de gemeente Veenendaal tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen zijn geweest. Dit houdt in dat er op plaatsen mogelijk ontplofbare oorlogsresten (OO) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Uit de praktijk is gebleken dat circa 10% van de afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger.

De gemeente Veenendaal heeft in mei 2018 beleid ten aanzien van OO vastgesteld. Door het vaststellen van een gemeentelijk beleid wordt geborgd dat activiteiten met betrekking tot OO binnen de gemeente worden getoetst en daar waar nodig beheersmaatregelen kunnen worden genomen en/of voorgeschreven. Het beleid is tevens bedoeld om eenieder die van plan is grondroerende werkzaamheden binnen de gemeente uit te voeren, te verplichten de benodigde acties te ondernemen met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid en risico's van OO op de betreffende locatie.

Het opsporen en verwijderen van (mogelijke) OO wordt alleen uitgevoerd om het risico met betrekking tot OO weg te nemen, en daarmee een veilige werkomgeving en leefomgeving te creëren tijdens uit te voeren werkzaamheden of activiteiten. Dit is ook de reden dat de gemeente Veenendaal altijd ingelicht moet worden als er projectmatig bodemroerende activiteiten plaatsvinden binnen gebieden die als verdacht zijn aangemerkt.

Vanwege voortschrijdende inzichten in de gebeurtenissen tijdens de Tweede Oorlog heeft er in 2020 een update van de bodembelastingkaart conventionele explosieven plaatsgevonden.

Beoordeling en conclusie

Het plangebied ligt niet op een locatie die wordt verdacht van ontplofbare oorlogsresten. Dat is te zien op onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01_0028.png"

Figuur 4.5 Locaties ontplofbare oorlogsresten.

4.21 Gezondheid en milieu

Wettelijk kader

Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen.

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, kwaliteit van de buitenlucht en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd.

Beoordeling

De aspecten geluid, bodem en luchtkwaliteit zijn in de vorige paragrafen gemotiveerd. Daarnaast wordt met de realisatie van woningbouw de kwaliteit van de leefomgeving niet nadelig beïnvloed.

Conclusie

Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.22 Totaalbeeld aspecten

Uit alle gevoerde onderzoeken komt naar voren dat het initiatief niet op onacceptabele gevolgen of belemmeringen stuit voor de directe omgeving.

Hoofdstuk 5 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Voorliggend TAM-omgevingsplan maakt bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit mogelijk. Op grond van artikel 13.11 van de Omgevingswet dient de gemeenteraad het kostenverhaal te verzekeren voor gronden waarop dergelijke bouwactiviteiten zijn voorzien. De gemeenteraad kan bij een besluit tot vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan besluiten geen kostenverhaalsregels op te nemen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de gronden anderszins is verzekerd.

De kosten voor de ontwikkeling worden volledig gedragen door de ontwikkelaar. Het gaat om plankosten, een bijdrage voor bovenwijkse voorzieningen tot en met het bouw- en woonrijp maken, inclusief de aanleg van groenvoorzieningen, waterberging en andere met dit plan verband houdende kosten. Voor dit plan wordt met de ontwikkelaar een anterieure overeenkomst gesloten waarin het kostenverhaal door de gemeente wordt opgenomen. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid voldoende geborgd.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Omgevingstafel

Het stedenbouwkundig plan voor de Ritmeesterlocatie is op 1 mei en 26 juni 2025 besproken bij de omgevingstafel. Op basis van de uitkomsten van dit overleg is het stedenbouwkundig plan op enkele onderdelen aangepast.

5.2.2 Bestuurlijk vooroverleg

In het kader van bestuurlijk vooroverleg is overleg gevoerd met de provincie en het waterschap. Ook is de Veiligheidsregio Utrecht meegenomen in het vooroverleg. Hieronder zijn de reacties weergegeven. Hierbij is aangegeven of de opmerkingen geleid hebben tot aanpassingen van het plan.

1. Provincie Utrecht

De provincie had geen opmerkingen op het TAM-omgevingsplan.

2. Waterschap Vallei en Veluwe

Het waterschap heeft aangegeven dat de afvoer van afvalwater inzichtelijk moet worden gemaakt. Ze wil graag weten of de waterberging in het gemeentelijke HWA overloopt en waar dit uitkomt in het watersysteem van het waterschap.

Reactie:

Bij de verdere uitwerking van het bouwplan zal dit worden meegenomen. Hierover zal afstemming plaatsvinden met het waterschap.

3. Veiligheidsregio Utrecht

De Veiligheidsregio heeft opgemerkt dat rekening moet worden gehouden met ruimte voor een redvoertuig.

Reactie:

Dit zal worden meegenomen bij de verdere uitwerking van het plan. Hierover zal indien nodig afstemming plaatsvinden met de Veiligheidsregio.

5.2.3 Participatie

Op 28 augustus 2024 en 6 juni 2025 zijn participatiebijeenkomsten georganiseerd, waar omwonenden en belanghebbenden zich hebben kunnen uitspreken over het planvoornemen. Van de inloopavond op woensdag 28 augustus 2024 is een verslag gemaakt. Dit verslag is opgenomen als Bijlage 17.

Tijdens de inloopavond werd er enthousiast op de plannen gereageerd en werden er enkele vragen gesteld. Hierbij kwamen er met name drie thema's naar voren:

  • 1. Verkeer en parkeren: bezoekers hebben hun zorgen geuit over de toename van verkeer en de mogelijk toenemende parkeerdruk. Hier is bij de verdere uitwerking van de plannen uitvoerig aandacht aan besteed.
  • 2. Betaalbare woningen en ruime woningen: bezoekers vroegen aandacht voor de mogelijkheden voor betaalbare woningen. Ook levensloopbestendige woningen, grote appartementen en seniorenwoningen zijn genoemd. Ook dit is meegenomen bij de uitwerking van de plannen.
  • 3. Unieke karakter Ritmeester en groen: bezoekers gaven aan dat het (her)leven van het erfgoed van de Ritmeester van groot belang is. Een stoer en robuust karakter van de buurt was voor velen een wens. Maar ook de woorden groen en rust zijn veelal genoemd. Het unieke karakter van de Ritmeester wordt met het planvoornemen behouden.

Ook van de inloopavond van 6 juni 2025 is een overzicht gemaakt met input van omwonenden en belanghebbenden. Dit overzicht is opgenomen als Bijlage 18. In dit overzicht zijn ook punten opgenomen die zijn gemaakt door oud-werknemers van de Ritmeester. Bijna alle punten die tijdens de inloopavond van 6 juni 2025 zijn besproken zijn meegenomen in de verdere uitwerking van het planvoornemen. Vooral op het gebied van parkeren, verkeer en stedenbouw zijn veel punten meegenomen.

5.2.4 Procedure

Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan wordt bekendgemaakt en gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan eenieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Eventuele zienswijzen worden samengevat en van een reactie voorzien door de gemeente.

Het omgevingsplan wordt vervolgens, al dan niet na het doorvoeren van aanpassingen, gewijzigd door de gemeenteraad.

Hoofdstuk 6 Juridische plantoelichting

6.1 Toelichting regels

6.1.1 Hoofdstuk 1 - Inleidende regels

In het eerste hoofdstuk van het TAM-omgevingsplan worden een aantal algemene dingen geregeld. Zo worden in artikel 1 begripsbepalingen opgenomen. Voor dit TAM-omgevingsplan zijn naast de specifieke begrippen die zijn opgenomen in artikel 1, ook de begrippen die horen bij het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing verklaard. De specifieke begrippen uit het TAM-omgevingsplan, krijgen voorrang op de begrippen die horen bij de amvb's als sprake is van een andere definitie. Daarnaast zijn de begrippen uit bijlage 1 van de Omgevingswet altijd van toepassing op omgevingsplannen. Begrippen die al zijn opgenomen in bijlage 1 van de Omgevingswet zijn daarom niet opgenomen in de begripsbepalingen van het TAM-omgevingsplan.

Artikel 2 regelt specifiek het toepassingsbereik van het TAM-omgevingsplan. Zo wordt geregeld dat het vigerende bestemmingsplan niet langer van toepassing is na inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan. De overige onderdelen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan blijven wel in stand. Ook wordt specifiek een uitzondering gemaakt op de regels over stedenbouwkundige ensembles die in het omgevingsplan gemeente Veenendaal geregeld zijn. Verder wordt de verhouding met de bruidsschat (afdeling 22.2 en 22.3) geduid. Tot slot wordt geregeld dat de locaties die zijn gemaakt voor het TAM-omgevingsplan ook juridisch deel uitmaken van het TAM-omgevingsplan.

In artikel 3 wordt een aanvulling gedaan op de meetbepalingen uit de bruidsschat en geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze hoogtes, afstanden, inhoud en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

Tot slot wordt in artikel 4 het systeem van de toelatingsplanologie juridisch vastgelegd voor zover het gebruiks- of bouwactiviteiten betreft. Dat houdt in dat het TAM-omgevingsplan aangeeft welke gebruiks- en bouwactiviteiten mogelijk zijn en onder welke voorwaarden. Als hiervan wordt afgeweken, wordt dat op grond van artikel 4 aangemerkt als activiteit in strijd met het TAM-omgevingsplan. Een uitzondering hierop vormen de bestaande bouwwerken. Deze bouwwerken zijn, ongeacht wat het TAM-omgevingsplan regelt, altijd toegestaan. Het moet dan wel gaan om legale bouwwerken.

6.1.2 Hoofdstuk 2 - Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Het hoofdstuk aanwijzingen in de fysieke leefomgeving betreft aanwijzingen van gebieden die in latere hoofdstukken weer terugkomen. In het geval van dit TAM-omgevingsplan is een aanwijzing opgenomen voor de bodemfunctieklasse en het grondwaterbeschermingsgebied. De inhoudelijke regels die verband houden met de bodemfunctieklasse en de aanwezigheid van het grondwaterbeschermingsgebied zijn opgenomen in de hoofdstukken die de verschillende activiteiten reguleren. Je ziet dit terug in hoofdstuk 5 Bouwactiviteiten en hoofdstuk 6 Aanlegactiviteiten.

6.1.3 Hoofdstuk 3 - Benutten van de fysieke leefomgeving

Hoofdstuk 3 bevat regels voor gebruiksactiviteiten. Het gaat hierbij om zogenaamde hoofdgebruiksactiviteiten, die als zelfstandige gebruiksactiviteit mogen worden uitgeoefend. Naast artikel 7, waarin een aantal specifieke gebruiksactiviteiten worden verboden, wordt binnen het plangebied het gebruik voor wonen toegestaan en worden gebruiksactiviteiten binnen verkeer mogelijk gemaakt.

Voor het gebruik voor wonen geldt dat dit in de basis is toegestaan. Wel moet er worden voldaan aan de voorgeschreven onderverdeling tussen sociale huur/koop en vrije sector woningen. Daarnaast wordt aangegeven hoeveel wooneenheden in het gehele plangebied in gebruik mogen worden genomen. Voor de gebruiksactiviteiten binnen verkeer wordt geregeld dat de voorzieningen die in de openbare ruimte voorkomen als zodanig mogen worden gebruikt. Deze regeling geeft hiermee niet aan dat het hele gebied wat is aangewezen met de locatie 'Verkeer - Activiteiten binnen verkeer - toegestaan' is bestemd voor een verkeersfunctie. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk om het gebied groen in te richten.

6.1.4 Hoofdstuk 4 - Ondergeschikte gebruiksactiviteiten

Naast hoofdgebruiksactiviteiten zijn er ook regels opgenomen voor ondergeschikte gebruiksactiviteiten. Deze regels zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van het TAM-omgevingsplan. Het gaat hierbij specifiek om een regeling voor beroepen of bedrijven aan huis zijn die onder voorwaarden zijn toegestaan.

6.1.5 Hoofdstuk 5 - Bouwactiviteiten

In hoofdstuk 5 zijn alle regels voor bouwactiviteiten opgenomen. Dit hoofdstuk begint met een artikel dat algemene regels bevat, waaronder de anti-dubbeltelregel en enkele andere algemene regels. Verder zijn in dit hoofdstuk regels opgenomen over het bouwen van gebouwen, hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken.

Voor de bijbehorende bouwwerken is aangesloten op de regeling uit de bruidsschat in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan gemeente Veenendaal. In de regels van dit TAM-omgevingsplan is hier een aanpassing in doorgevoerd vanwege een instructieregel uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit heeft ook geresulteerd in de meldingsplicht voor bijbehorende bouwwerken.

6.1.6 Hoofdstuk 6 - Aanlegactiviteiten

Hoofdstuk 6 bevat de regels voor aanlegactiviteiten. Hier vind je bijvoorbeeld de vergunningplicht voor het uitvoeren van aanlegactiviteiten in het grondwaterbeschermingsgebied.

6.1.7 Hoofdstuk 7 - Overige activiteiten

In hoofdstuk 7 van de regels van dit TAM-omgevingsplan is een regeling opgenomen over parkeren en laden en lossen.

6.1.8 Hoofdstuk 8 - Overgangs- en slotregels

De regels worden afgesloten met hoofdstuk 8 die de overgangsbepalingen bevat. Hier wordt geen slotregel opgenomen omdat de slotregel al in het omgevingsplan gemeente Veenendaal staat, waar dit TAM-omgevingsplan juridisch gezien onderdeel van uitmaakt.

6.2 Toelichting verbeelding

Op de verbeelding zijn alle locaties die het werkingsgebied van de verschillende artikelen vormen weergegeven. In elk artikel wordt aangegeven op welke locatie dat artikel van toepassing is. Vaak wordt daarbij verwezen naar een enkelbestemming, soms kan dit een dubbelbestemming of een gebiedsaanduiding zijn. In het geval van algemene regels wordt geen verwijzing gemaakt naar een specifieke locatie, deze regels gelden binnen het hele plangebied.

Door de systematiek van de regels van dit TAM-omgevingsplan bestaat de verbeelding uit een opeenstapeling van bestemmingsvlakken. Hierdoor kan geen volledig beeld worden verkregen van de toepassing van de artikelen als alle bestemmingsvlakken tegelijkertijd worden getoond. Voor een correcte weergave is het aan te raden elk bestemmingsvlak afzonderlijk te raadplegen wat mogelijk is in de viewer 'regels op de kaart'.