direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01

Regels

Preambule

Dit plan beoogt een woningbouwontwikkeling mogelijk te maken op de Ritmeesterlocatie te Veenendaal.
Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Veenendaal (hierna: het omgevingsplan). De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan gelden de volgende begripsbepalingen:

1.1 toepassing TAM-omgevingsplan

artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij hierna daarvan is afgeweken.

1.2 plan

het omgevingsplan van de gemeente Veenendaal.

1.3 TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal' met identificatienummer NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01 van de gemeente Veenendaal.

1.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het uitvoeren van activiteiten.

1.5 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 aaneengebouwde hoofdgebouwen

blokken van meer dan twee niet-gestapelde woningen waarvan de hoofdgebouwen aan elkaar zijn gebouwd.

1.7 achtergevel

een van de weg of openbaar toegankelijk gebied afgekeerde gevel van een (hoofd)gebouw.

1.8 additionele voorzieningen

voorzieningen die een onderdeel vormen van en ondergeschikt zijn aan een activiteit of functie.

1.9 ambachtelijk bedrijf

een bedrijf, dat is gericht op het geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen van goederen.

1.10 archeologisch onderzoek

onderzoek verricht door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

1.11 archeologisch vooronderzoek

archeologisch vooronderzoek dat kan bestaan uit locatiegericht bureauonderzoek, booronderzoek, geofysisch prospectieonderzoek, het graven van proefsleuven of een combinatie daarvan. De verschillende vormen van onderzoek worden verricht door een erkende partij en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificaties in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De resultaten van het onderzoek worden weergegeven en geïnterpreteerd in een rapport.

1.12 archeologische verwachting

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten in dat gebied.

1.13 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten.

1.14 balkon

een buiten de gevel stekende constructieve open buitenruimte van een gebouw die niet verbonden is met de begane grond of een aan- of uitbouw.

1.15 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouw zijnde.

1.16 bebouwingspercentage

een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van het bouwvlak, dat ten hoogste mag worden bebouwd.

1.17 bestaand bouwwerk

legaal bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien mag worden gebouwd op grond van een verleende omgevingsvergunning.

1.18 bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk

een bijbehorend bouwwerk dat kan worden aangemerkt als bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

1.19 bouwgrens

de grens van een locatie waarbinnen bouwactiviteiten zijn toegelaten.

1.20 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.

1.21 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.22 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel.

1.23 dakkapel

uitbouw in een schuin dakvlak van een gebouw, zonder aanpassing van de nok van dit gebouw en waarbij rondom de dakkapel sprake is van dak(bedekking).

1.24 dakopstand

de verhoogde dakrand bij een platdak.

1.25 dakoverstek

het deel van het dakvlak dat uitsteekt boven de gevel.

1.26 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.27 dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten aan of ten gerieve van bedrijven en/of personen, zoals administratie-, reclame-, advocaten-, makelaars-, notaris-, werkbemiddelings-, reis-, advies- en ingenieursbureaus, kappers, medische praktijken en voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie.

1.28 erkende partij

een dienst, bedrijf of instelling, erkend door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) en werkend volgens de specificaties van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.

1.29 erker

een ondergeschikt uitgebouwd gedeelte (uitbouw) van een woning aan een gevel, in één bouwlaag

1.30 geluidbeperkende voorziening

een al dan niet gebouwde voorziening kennelijk bedoeld voor het beperken van geluidhinder, zoals een geluidscherm of een geluidwal.

1.31 gestapeld hoofdgebouw

een woongebouw dat bestaat uit twee of meer boven -of nagenoeg boven- elkaar gesitueerde woningen.

1.32 horeca

het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen drank- en etenswaren, en het bedrijfsmatig verstrekken van logies en/of zaalaccommodatie.

1.33 huishouden

persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan.

1.34 infrastructuur

voorzieningen ten behoeve van verkeer en waterhuishouding zoals stuwen, bruggen, tunnels, duikers, aanlegsteigers, vlonders, kadewanden, keermuren, lichtmasten, beeldende kunst, openbaar vervoer haltes, overkappingen, stallingsruimten, verkeersborden, verkeersgeleiders, verkeersregelinstallaties en afvalcontainers, alsmede parkeervoorzieningen, en een geluidbeperkende voorziening.

1.35 kaart

de digitale voorstelling van de in dit TAM-omgevingsplan opgenomen digitale ruimtelijke informatie.

1.36 laden en lossen

onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is.

1.37 locatie

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waarmee ingevolge de regels bepaalde activiteiten zijn toegelaten.

1.38 locatiegrens

de grens van een locatie.

1.39 maatschappelijke voorzieningen

voorzieningen ten behoeve van onderwijs, gezondheids- en welzijnszorg, levensbeschouwing, openbare dienstverlening, en sociaal-culturele activiteiten, alsmede politieke-, belangen- en ideële organisaties, verenigingen en hobbyclubs.

1.40 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van (de aansluiting op) het openbare net van gas, water, elektriciteit, riolering, stadsverwarming en het telecommunicatieverkeer of daaraan gelijk te stellen voorzieningen.

1.41 ondergeschikte horeca

horeca die ten dienste staat van een bepaalde functie en die in aard, omvang, exploitatie en openingstijden daar ondergeschikt aan is, zoals een (bedrijfs)kantine.

1.42 ondergronds bouwwerk

een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de vloer is gelegen beneden peil.

1.43 onderkomen

een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn bestemming onttrokken, vaar- of voertuig, ark of caravan, voor zover dat of die niet als een bouwwerk is aan te merken, alsook een tent.

1.44 oorspronkelijk hoofdgebouw

het hoofdgebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning, is opgeleverd.

1.45 opgraving

de ontsluiting van een archeologische vindplaats met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de onderzoeksdoelstellingen. Opgravingen worden verricht door een erkende partij en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificatie in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

1.46 overkapping

een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en waarvan de steunconstructie uit ten hoogste één wand bestaat.

1.47 parkeren

een voertuig dat langer stilstaat dan nodig is voor het in- en uitstappen of voor het laden en lossen.

1.48 perceel

een aaneengesloten stuk grond waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar horende bebouwing is toegelaten.

1.49 perceelgrens

de grens van een perceel.

1.50 plaatselijke verhoging

een verhoging van een gebouw van beperkte omvang zoals luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische installaties.

1.51 recreatief nachtverblijf

gebruik van bebouwing, uitsluitend bestemd om te dienen voor kortdurend recreatief nachtverblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen.

1.52 sociale (huur- of koop)woning

sociale huur- of koopwoning als bedoeld in de 'Doelgroepenverordening sociale woningbouw en middenhuur Veenendaal' of de daarvoor in de plaats gekomen regeling.

1.53 twee-aaneen gebouwd hoofdgebouw

een blok van twee aaneengebouwde hoofdgebouwen.

1.54 voertuig

vervoermiddel dat dient om goederen of personen over land te vervoeren.

1.55 voorgevel

de naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel, erkers, luifels e.d. niet meegerekend.

1.56 voorgevelrooilijn

de denkbeeldige lijn waarop de voorgevel(s) van een hoofdgebouw is/zijn geplaatst.

1.57 vrijstaand hoofdgebouw

een niet-aaneengebouwd hoofdgebouw.

1.58 woning

een (gedeelte van een) hoofdgebouw dat dient voor zelfstandige huisvesting van maximaal één huishouden.

1.59 wooneenheid

een woning.

1.60 zelfstandige woning

een woning met eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, eigen keuken, toilet en/ of wasgelegenheid.

1.61 zijgevel

een gevel van een (hoofd)gebouw, niet zijnde een voor- of achtergevel.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • a. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld onder c.
  • b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van het plan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.
  • c. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie 'TAM-omgevingsplan Ritmeesterlocatie Veenendaal', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0345.TAMRitmeester-ow01.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op artikel 22.24 van het plan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

3.1 de afmetingen, diepte en breedte van overige bouwwerken

tussen de verst van elkaar gelegen punten van die bouwwerken, horizontaal, dan wel verticaal gemeten;

3.2 de afstand tot de (zijdelingse) perceelgrens

de kortste afstand tussen de grens van een bouwperceel en enig punt van het op het bouwperceel voorkomende of nog te bouwen gebouw;

3.3 de afstand tussen gebouwen

de kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen;

3.4 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk

vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend;

3.5 de brutovloeroppervlakte van een gebouw

gemeten (op alle bouwlagen) op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, of tot het hart van de desbetreffende scheidingsconstructie, indien de binnenruimte van het gebouw grenst aan de binnenruimte van een ander gebouw;

3.6 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.7 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.8 de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of hart van scheidingsmuren);

3.9 de goothoogte van een bouwwerk

de hoogte van het snijpunt van het dakvlak met het zijdelingse gevelvlak, gemeten vanaf het peil;

3.10 de hoogte van een bouwlaag

de horizontale projectie van de ruimte tussen de harten van de vloeren of balklagen.

3.11 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.12 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.13 het buitenwerks meten van maten

voor het meten van maten geldt dat uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 meter buiten beschouwing blijven, zoals bij dakgoten, dakoverstekken, dakopstanden, regenafvoerpijpen, rookgasafvoeren en kleine schoorstenen;

3.14 het peil
  • a. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang grenst aan de weg: de hoogte van de kruin van de weg;
  • b. voor andere gebouwen en overige bouwwerken: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.

Artikel 4 Algemeen gebruiks- en bouwverbod

Niet genoemde gebruiks- en bouwactiviteiten en gebruiks- en bouwactiviteiten die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan zijn niet toegestaan, met uitzondering van bestaande bouwwerken.

Hoofdstuk 2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

Artikel 5 Bodemfunctieklasse wonen - aanwijzing

In afwijking van de in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Veenendaal opgenomen nota bodembeheer, zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - bodemfunctieklasse wonen’ aangewezen als gebied met bodemfunctieklasse wonen zoals bedoeld in artikel 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 6 Grondwaterbeschermingsgebied - aanwijzing

De gronden ter plaatse van de locatie 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' zijn aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied.

Hoofdstuk 3 Benutten van de fysieke leefomgeving

Artikel 7 Gebruiksactiviteiten algemeen - verbod

7.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op gebruiksactiviteiten.

7.2 Gebruiksactiviteiten algemeen - verbod

In aanvulling op hoofdstuk 5 van het plan is het verboden om de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:

  • a. het gebruiken van bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar die zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan;
  • b. het gebruiken van nieuw op te richten bouwwerken die niet in overeenstemming zijn met de regels van het plan of dit TAM-omgevingsplan;
  • c. het gebruik van niet-bebouwde grond als staan- of ligplaats voor kampeermiddelen buiten de daarvoor aangewezen gronden;
  • d. het gebruiken van niet-bebouwde grond als staan- of ligplaats voor:
    • 1. (menselijk of dierlijk) verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken, vaar- of voertuigen en arken;
    • 2. andere objecten, voor zover die niet als bouwwerk zijn aan te merken;
  • e. het gebruiken van niet-bebouwde grond voor het opslaan, storten of bergen van al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik noodzakelijk is voor of verband houdt met het toegestane gebruik van de gronden.

Artikel 8 Verkeer - Activiteiten binnen verkeer - toegestaan

8.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op activiteiten ter plaatse van de locatie 'Verkeer - Activiteiten binnen verkeer - toegestaan'.

8.2 Activiteiten binnen verkeer - toegestaan

De volgende activiteiten zijn toegestaan:

  • a. het aanleggen, in gebruik nemen en in stand houden van:
    • 1. voorzieningen ten behoeve van wegverkeer;
    • 2. infrastructuur;
    • 3. nutsvoorzieningen;
    • 4. standplaatsen;
    • 5. groenvoorzieningen;
    • 6. (speel)pleinen;
    • 7. additionele voorzieningen.

Artikel 9 Wonen - Wonen - toegestaan

9.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op wonen ter plaatse van de locatie 'Wonen - Wonen - toegestaan'.
  • b. Onder wonen, als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het bewonen van een woning door één zelfstandig huishouden;
    • 2. het gebruik van gronden als parkeer- en stallingsvoorzieningen ondergeschikt aan het wonen;
    • 3. het gebruik van nutsvoorzieningen, ondergeschikt aan het woongebruik;
    • 4. het gebruik van additionele voorzieningen, ondergeschikt aan het woongebruik.
  • c. Onder wonen, als bedoeld in dit artikel wordt niet verstaan:
    • 1. het bewonen van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk;
    • 2. het aanbieden van recreatief nachtverblijf in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk.
9.2 Wonen - toegestaan
  • a. Wonen is toegestaan.
  • b. Het maximum aantal wooneenheden bedraagt 172.
  • c. Het minimumpercentage sociale huurwoningen binnen het werkingsgebied van dit TAM-omgevingsplan bedraagt 20%.
  • d. Het minimumpercentage sociale koopwoningen binnen het werkingsgebied van dit TAM-omgevingsplan bedraagt 10%.

Artikel 10 Wonen - Kamerbewoning - vergunningplicht

10.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels in dit artikel zijn van toepassing op kamerbewoning ter plaatse van de locatie 'Wonen - Kamerbewoning - vergunningplicht'.
  • b. Onder kamerbewoning, als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. bewoning in de vorm van niet-zelfstandige wooneenheden in een woning in de vorm van één of meerdere kamers.
10.2 Kamerbewoning - vergunningplicht

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning te gebruiken voor kamerbewoning.

10.3 Kamerbewoning - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.2 van dit TAM-omgevingsplan wordt alleen verleend als:

  • a. wordt voldaan aan de beleidsregels voor kamerverhuur die gelden voor het gebied ten tijde van de indiening van de aanvraag.
10.4 Kamerbewoning - specifieke aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.2 van dit TAM-omgevingsplan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. toelichting waaruit blijkt dat aan de voorwaarden als genoemd in de beleidsregels voor kamerverhuur wordt voldaan;
  • b. plattegronden van de woning (inclusief afmetingen van de kamers) van de bestaande en aangevraagde situatie waarop zichtbaar is welk gedeelte van de woning voor privé wordt gebruikt en welk gedeelte voor kamerbewoning wordt gebruikt;
  • c. terreintekening waarop zichtbaar is waar de parkeerplaatsen zich bevinden inclusief afmetingen daarvan;
  • d. een document waaruit blijkt dat aan de dan geldende wet- en regelgeving over bouwtechnische eisen, met name brandveiligheid, wordt voldaan.
10.5 Kamerbewoning - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.2 van dit TAM-omgevingsplan kunnen voorschriften worden verbonden.

Hoofdstuk 4 Ondergeschikte gebruiksactiviteiten

Artikel 11 Wonen - Bedrijven aan huis - toegestaan

11.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels van dit artikel zijn van toepassing op de uitoefening van bedrijven aan huis ter plaatse van de locatie 'Wonen - Bedrijven aan huis - toegestaan'.
  • b. Onder de uitoefening van bedrijven aan huis als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het door bewoner(s) bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, dat door zijn beperkte omvang in een woning en bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
11.2 Bedrijven aan huis - toegestaan

De uitoefening van bedrijf aan huis is toegestaan als:

  • a. niet meer dan 30% van de oppervlakte van de woning inclusief bijbehorende bouwwerken op het bouwperceel ten behoeve van deze activiteit wordt gebruikt, tot een maximum van 45 m2;
  • b. de activiteiten niet vergunnings- dan wel meldingsplichtig zijn op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • c. voldoende parkeerruimte op het perceel aanwezig is voor zowel het gebruik ten behoeve van bewoning als het bedrijf aan huis of als de parkeercapaciteit in de directe omgeving voldoende is om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen, wat moet worden beoordeeld volgens de beleidsregels “Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023” en wijzigingen of rechtsopvolgers daarvan;
  • d. wordt voldaan aan afdeling 22.3 van het plan.

Artikel 12 Wonen - Beroepen aan huis - toegestaan

12.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels van dit artikel zijn van toepassing op de uitoefening van beroepen aan huis ter plaatse van de locatie 'Wonen - Beroepen aan huis - toegestaan'.
  • b. Onder uitoefening van beroepen aan huis als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het door bewoners beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
12.2 Beroepen aan huis - toegestaan

De uitoefening van een beroep aan huis is toegestaan, als:

  • a. niet meer dan 30% van de oppervlakte van de woning inclusief bijbehorende bouwwerken op het bouwperceel ten behoeve van deze activiteit wordt gebruikt, tot een maximum van 45 m2;
  • b. de activiteiten niet vergunnings- dan wel meldingsplichtig zijn op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • c. voldoende parkeerruimte op het perceel aanwezig is voor zowel het gebruik ten behoeve van bewoning als het bedrijf aan huis of als de parkeercapaciteit in de directe omgeving voldoende is om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen, wat moet worden beoordeeld volgens de beleidsregels “Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023” en wijzigingen of rechtsopvolgers daarvan;
  • d. wordt voldaan aan afdeling 22.3 van het plan.

Artikel 13 Wonen - Internetverkoop zonder afhaal- of uitstalfunctie - toegestaan

13.1 Toepassingsbereik
  • a. De regels van dit artikel zijn van toepassing op internetverkoop zonder afhaal- of uitstalfunctie ter plaatse van de locatie 'Wonen - Internetverkoop zonder afhaal- of uitstalfunctie - toegestaan'.
  • b. Onder internetverkoop zonder afhaal- of uitstalfunctie als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. Het door bewoner(s) aan- en verkopen van producten en diensten via het internet/ postorder zonder dat goederen ter plaatse bezichtigd of afgehaald kunnen worden en waarbij de ruimtelijke uitstraling van de woning en de woonomgeving niet onevenredig wordt aangetast.
13.2 Internetverkoop zonder afhaal- of uitstalfunctie - toegestaan

Internetverkoop zonder afhaal-of uitstalfunctie is toegestaan.

Hoofdstuk 5 Bouwactiviteiten

Artikel 14 Algemene regels bouwactiviteiten

14.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen en in stand houden van bouwwerken.

14.2 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven, of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

14.3 Ondergronds bouwen
14.3.1 Ondergronds bouwen - specifieke aanvraagvereisten

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.35 van het plan worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. plattegrondtekeningen met afmetingen en functies van de betreffende ruimtes.
14.3.2 Ondergronds bouwen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken, alleen verleend als:

  • a. het ondergrondse bouwwerk onder het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken wordt gebouwd;
  • b. in afwijking van het gestelde onder a, wordt de omgevingsvergunning ook verleend voor het realiseren van voorzieningen ten behoeve van waterberging- en infiltratie met een maximaal percentage van 10% van het perceel.
  • c. in afwijking van het gestelde onder a, wordt de omgevingsvergunning ook verleend voor het realiseren van maximaal twee kelderkoekoeken van ten hoogste 4 m2 per koekoek.
14.3.3 Ondergronds bouwen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

14.4 Overschrijding bouwgrenzen
14.4.1 Overschrijding bouwgrenzen - specifieke aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 22.26 van het plan, voor het overschrijden van de bouwgrens, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. tekening waaruit blijkt wat de overschrijding van de bouwgrens is;
  • b. toelichting waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de beoordelingsregels als genoemd in artikel 14.4.2 van dit TAM-omgevingsplan.
14.4.2 Overschrijding bouwgrenzen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het overschrijden van de bouwgrens, alleen verleend als:

  • a. dit noodzakelijk is voor de praktische uitvoering van het plan of dit een correctie betreft van afwijkingen of onnauwkeurigheden op de kaart;
  • b. de overschrijding maximaal 5 meter bedraagt;
  • c. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • d. het aanwezige groen niet onevenredig wordt aangetast;
  • e. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt aangetast; en
  • f. de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad en er wordt voldaan aan het geldende parkeerbeleid.
14.4.3 Overschrijding bouwgrenzen - voorschriften

Aan een omgevingsvergunning op grond van artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

14.5 Plaatselijke verhogingen
14.5.1 Plaatselijke verhogingen - specifieke aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 22.26 van het plan, voor het overschrijden van bouwhoogten ten behoeve van plaatselijke verhogingen, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. tekening waaruit blijkt wat de overschrijding van de bouwhoogte is;
  • b. toelichting waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de beoordelingsregels als genoemd in artikel 14.5.2 van dit TAM-omgevingsplan.
14.5.2 Plaatselijke verhogingen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het overschrijden van bouwhoogten ten behoeve van plaatselijke verhogingen, alleen verleend als:

  • a. de geldende maximale bouwhoogte met niet meer dan 20% wordt overschreden;
  • b. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
  • c. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.
14.5.3 Plaatselijke verhogingen - voorschriften

Aan een omgevingsvergunning op grond van artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

14.6 Regels over het uiterlijk van bouwwerken
14.6.1 Bouwwerk bouwen - algemene regel

In afwijking van artikel 22.7 van het plan geldt dat het uiterlijk van de volgende bouwwerken niet in ernstige mate in strijd mag zijn met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld aan de hand van beleidsregel 'Ritmeesterkwartier - Notitie uiterlijk aanzien van gebouwen' of diens rechtsopvolger:

  • a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en
  • b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
14.6.2 Bouwwerk bouwen - beoordelingsregel

In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, onder b, van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een bouwwerk, alleen verleend als:

  • a. het uiterlijk van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan niet in strijd is met de omgevingskwaliteit, welke wordt beoordeeld aan de hand van beleidsregel 'Ritmeesterkwartier - Notitie uiterlijk aanzien van gebouwen' of diens rechtsopvolger.
14.6.3 Bouwwerk bouwen - inwinnen advies

Voordat wordt besloten op de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, wint het college advies in van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit.

Artikel 15 Hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht

15.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen en in stand houden van hoofdgebouwen ter plaatse van de locatie 'Hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht'.

15.2 Hoofdgebouw bouwen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een hoofdgebouw, alleen verleend als:

  • a. de hoofdgebouwen in de naar de weg gekeerde bouwgrens wordt gebouwd;
  • b. de entrees van de hoofdgebouwen aan de naar de bouwgrens grenzend aan de locatie 'Verkeer - Activiteiten binnen verkeer - toegestaan' worden gebouwd;
  • c. de hoofdgebouwen aaneen worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd';
  • d. een gestapeld hoofdgebouw wordt gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld';
  • e. de minimum afstand van een hoofdgebouw of een blok van aaneengebouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens 2,5 meter bedraagt;
  • f. een dakkapel niet boven of onder of onder een andere dakkapel is gesitueerd;
  • g. de bouwhoogte van hoofdgebouwen niet hoger is dan de maximum bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)';
  • h. het bebouwingspercentage binnen de locatie 'Hoofdgebouw bouwen - vergunningplicht' niet meer bedraagt dan met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' is aangegeven;
  • i. het bouwplan voldoet aan de beleidsregel 'Puntensysteem Omgevingsvisie Veenendaal' of diens rechtsopvolger.
15.3 Hoofdgebouw bouwen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 16 Bijbehorend bouwwerk bouwen - toegestaan

16.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen en in stand houden van bijbehorende bouwwerken en geldt als aanvulling op artikel 22.27 en artikel 22.36 van het plan.

16.2 Aanvulling op artikel 22.27 en artikel 22.36 van het plan

Bij de toepassing van artikel 22.27 en 22.36 van het plan moet ook worden voldaan aan de volgende regel:

  • a. de oppervlakte van een bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk bedraagt niet meer dan 50 m2.

Artikel 17 Bijbehorend bouwwerk bouwen - meldingsplicht

17.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen en in stand houden van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk bouwen - meldingsplicht', tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 16 van dit TAM-omgevingsplan.

17.2 Bijbehorend bouwwerk bouwen - meldingsplicht
  • a. Het is verboden zonder voorafgaande melding een bodemgevoelig bijbehorend bouwwerk te bouwen als de oppervlakte meer bedraagt dan 50 m².
  • b. Het gevoelig bijbehorend bouwwerk als bedoeld onder a moet ook voldoen aan de voorwaarden uit artikel 22.27 en artikel 22.36 van het plan.
  • c. De bouwactiviteit als bedoeld onder a wordt ten minste vier weken voorafgaand aan de start van de activiteit gemeld bij het college.
17.3 Bijbehorend bouwwerk bouwen - indieningsvereisten

De melding als bedoeld in artikel 17.2 van dit TAM-omgevingsplan bevat in ieder geval:

  • a. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een document waaruit blijkt dat een overschrijding van de waarde als bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving redelijkerwijs is uit te sluiten;'
  • b. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
  • c. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;
  • d. de dagtekening; en
  • e. bij overschrijding van de waarde als bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

Artikel 18 Bijbehorend bouwwerk bouwen - vergunningplicht

18.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van bijbehorende bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Bijbehorend bouwwerk bouwen - vergunningplicht', tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 16 of artikel 17 van dit TAM-omgevingsplan en artikel 22.27 of artikel 22.36 van het plan.

18.2 Bijbehorend bouwwerk bouwen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 van het plan wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, alleen verleend als:

  • a. de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan:
    • 1. in geval van een bouwperceel kleiner dan of gelijk aan 200 m2: 25% van dat bouwperceel;
    • 2. in geval van een bouwperceel groter dan 200 m2: 50 m², vermeerderd met 20% van het deel van het bouwperceel dat groter is dan 200 m2, tot een maximum van in totaal 120 m2;
    • 3. de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken gelegen binnen de maximale begrenzing van het hoofdgebouw als bedoeld in artikel 15.2 van dit TAM-omgevingsplan blijft buiten beschouwing;
  • b. de bijbehorende bouwwerken minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw worden gebouwd;
  • c. de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3,3 meter bedraagt;
  • d. de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 5 meter bedraagt;
  • e. de bouwhoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken niet meer dan 0,3 meter bedragen boven de aansluitende verdiepingsvloer bedraagt, tot een maximum van 3,3 meter;
  • f. in afwijking van het bepaalde onder e mag een bijbehorend bouwwerk aan de zijgevel van het hoofdgebouw hoger worden gebouwd, mits:
    • 1. de goothoogte niet meer dan 3,3 meter bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 80% van de bouwhoogte van het bestaande hoofdgebouw, tot een maximum van 7,5 meter;
    • 3. wanneer sprake is van een hogere bouwhoogte dan 3,3 meter, dan mag de achterkant van de kapconstructie van het bijbehorende bouwwerk niet meer dan 1 meter achter de achtergevel van het hoofdgebouw worden gebouwd;
    • 4. de dakhelling gelijk is aan die van het hoofdgebouw.
18.3 Bijbehorend bouwwerk bouwen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 19 Erker of luifel bouwen - vergunningplicht

19.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op het bouwen en in stand houden van erkers of luifels ter plaatse van de locatie 'Erker of luifel bouwen - vergunningplicht' en geldt als aanvulling op artikel 22.29 en artikel 22.35 van het plan.

19.2 Erker of luifel bouwen - specifieke aanvraagvereisten

In aanvulling op artikel 22.35 van het plan worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een erker of luifel, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. situatietekening met de nieuwbouw inclusief perceelsgrenzen en afstand tot de voorste perceelsgrens;
  • b. plattegrondtekening waaruit de breedte van de woning en de breedte en diepte van de erker of de luifel blijkt;
  • c. doorsnedetekening van de woning inclusief erker of luifel met maatvoering.
19.3 Erker of luifel bouwen - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan wordt, voor het bouwen van een erker of luifel, alleen verleend als:

  • a. de bouwhoogte niet meer dan 0,3 meter boven de aansluitende verdiepingsvloer bedraagt;
  • b. de breedte van de erker of de luifel niet meer bedraagt dan 60% van de voorgevel van het hoofdgebouw;
  • c. de diepte van de erker of de luifel niet meer dan 2 meter bedraagt;
  • d. de afstand tot de voorste perceelsgrens niet minder dan 2 meter bedraagt.
19.4 Erker of luifel bouwen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 20 Ander bouwwerk bouwen - vergunningplicht

20.1 Toepassingsbereik
  • a. Dit artikel is van toepassing op het bouwen, verbouwen en in stand houden van andere bouwwerken ter plaatse van de locatie 'Ander bouwwerk bouwen - vergunningplicht', tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 22.27 of artikel 22.36 van het plan.
  • b. Onder ander bouwwerk als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. bouwwerken, geen gebouw en geen overkapping zijnde.
20.2 Ander bouwwerk bouwen ten behoeve van activiteiten binnen verkeer - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een ander bouwwerk, alleen verleend als:

  • a. het bouwwerk wordt gebouwd binnen de locatie 'Verkeer - Activiteiten binnen verkeer - toegestaan';
  • b. de maatvoering van reclame-uitingen voldoet aan het reclamebeleid zoals dat geldt voor het gebied ten tijde van de indiening van de aanvraag omgevingsvergunning;
  • c. de bouwhoogte van beeldende kunst niet meer bedraagt dan 10 meter;
  • d. de bouwhoogte van fietsenstallingen niet meer bedraagt dan 4 meter;
  • e. de bouwhoogte van lichtmasten niet meer bedraagt dan 12 meter;
  • f. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken niet meer bedraagt dan 7 meter.
20.3 Ander bouwwerk bouwen ten behoeve van wonen - beoordelingsregels

In aanvulling op artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan, voor het bouwen van een ander bouwwerk, alleen verleend als:

  • a. het bouwwerk wordt gebouwd binnen de locatie 'Wonen - Wonen - toegestaan';
  • a. de maatvoering van reclame-uitingen ten behoeve van een beroep aan huis of bedrijf aan huis voldoet aan het reclamebeleid zoals dat geldt voor het gebied ten tijde van de indiening van de aanvraag omgevingsvergunning;
  • b. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken niet meer bedraagt dan 3 meter bedraagt.
20.4 Ander bouwwerk bouwen - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden.

Hoofdstuk 6 Aanlegactiviteiten

Artikel 21 Aanlegactiviteiten algemeen - toegestaan

21.1 Toepassingsbereik
  • a. Dit artikel is van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten.
  • b. Onder aanlegactiviteiten als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden.
21.2 Aanlegactiviteiten algemeen - toegestaan

Aanlegactiviteiten zijn in ieder geval toegestaan:

  • a. in het kader van normaal beheer en onderhoud;
  • b. in het kader van archeologisch (voor)onderzoek of in het kader van archeologische opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  • c. als het gaat om het verlagen en verhogen van het waterpeil door of in opdracht van het bevoegde waterschap;
  • d. in het kader van onderhoudsbaggerwerkzaamheden die aantoonbaar niet dieper gaan dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes;
  • e. zolang de activiteiten plaatsvinden in bestaande weg- en leidingcunetten.

Artikel 22 Aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied - toegestaan

22.1 Toepassingsbereik
  • a. Dit artikel is van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten ter plaatse van de locatie 'Aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied - toegestaan'.
  • b. Onder aanlegactiviteiten uitvoeren als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het maken en/of het buitengebruik stellen van boorputten;
    • 2. het realiseren van ondergrondse bouwwerken;
    • 3. het indrijven van voorwerpen in de bodem zoals damwanden, diepwanden of schermen, alsmede het verwijderen van deze voorwerpen;
    • 4. het realiseren van funderingswerken, zoals het aanbrengen van palen in de grond.
22.2 Aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied - toegestaan

Het is toegestaan aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied uit te voeren als:

  • a. de werken en werkzaamheden plaatsvinden op een diepte van minder dan 30 meter onder het maaiveld.

Artikel 23 Aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied - vergunningplicht

23.1 Toepassingsbereik
  • a. Dit artikel is van toepassing op het uitvoeren van aanlegactiviteiten ter plaatse van de locatie 'Aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied - vergunningplicht', tenzij toepassing kan worden gegeven aan artikel 22 van dit TAM-omgevingsplan.
  • b. Onder aanlegactiviteiten uitvoeren als bedoeld in dit artikel wordt verstaan:
    • 1. het maken en/of het buitengebruik stellen van boorputten;
    • 2. het realiseren van ondergrondse bouwwerken;
    • 3. het indrijven van voorwerpen in de bodem zoals damwanden, diepwanden of schermen, alsmede het verwijderen van deze voorwerpen;
    • 4. het realiseren van funderingswerken, zoals het aanbrengen van palen in de grond.
23.2 Oogmerk

De regels in dit artikel zijn gesteld met het oog op:

  • a. de bescherming van het grondwater.
23.3 Aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied - vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning aanlegactiviteiten uit te voeren.

23.4 Aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 23.3 van dit TAM-omgevingsplan wordt alleen verleend als:

  • a. door die aanlegactiviteiten dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachte gevolgen, geen onevenredige aantasting van de belangen van bescherming van het grondwater en de belangen van bescherming van het grond- en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie ontstaat of kan ontstaan.
23.5 Aanlegactiviteiten in grondwaterbeschermingsgebied - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 23.3 van dit TAM-omgevingsplan kan het college van burgemeester en wethouders voorschriften verbinden in het belang van de bescherming van het grondwater.

Hoofdstuk 7 Overige activiteiten

Artikel 24 Parkeren

24.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op de gebruiksactiviteiten als bedoeld in artikel 10 van dit TAM-omgevingsplan of bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 22.26 van het plan.

24.2 Parkeren - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.2 van dit TAM-omgevingsplan of artikel 22.26 van het plan wordt alleen verleend als:

  • a. bij de aanvraag aangetoond wordt dat op eigen terrein of onmiddellijke omgeving daarvan in voldoende (fiets)parkeergelegenheid voor zowel bewoners als bezoekers wordt voorzien zoals vastgelegd in de beleidsregels “Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023” en wijzigingen of rechtsopvolgers daarvan en de (fiets)parkeergelegenheid in stand wordt gehouden; of
  • b. aangetoond wordt dat het voldoen aan de regels onder a door bijzondere omstandigheden of overwegende bezwaren stuit en op andere wijze in de nodige (fiets)parkeergelegenheid wordt voorzien, waarbij de verwachte effecten inzichtelijk zijn gemaakt en is aangetoond op welke wijze de hinder voor de directe omgeving geminimaliseerd wordt.
24.3 Parkeren - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.2 van dit TAM-omgevingsplan en artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden, in ieder geval over:

  • a. de instandhouding van (fiets)parkeergelegenheid.

Artikel 25 Laad- en losruimte

25.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op de gebruiksactiviteiten als bedoeld in artikel 10 van dit TAM-omgevingsplan of bouwactiviteiten als bedoeld in artikel 22.26 van het plan.

25.2 Laad- en losruimte - beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.2 van dit TAM-omgevingsplan of artikel 22.26 van het plan wordt alleen verleend als:

  • a. bij de aanvraag aangetoond wordt dat op eigen terrein of onmiddellijke omgeving daarvan in voldoende mate in de behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen wordt voorzien zoals vastgelegd in de beleidsregels “Notitie Parkeernormen Veenendaal 2020, herziening 2023” en wijzigingen of rechtsopvolgers daarvan en de laad- en losruimte in stand wordt gehouden; of
  • b. aangetoond wordt dat het voldoen aan de regels onder a door bijzondere omstandigheden of overwegende bezwaren stuit en op andere wijze in de nodige laad- en losruimte wordt voorzien, waarbij de verwachte effecten inzichtelijk zijn gemaakt en is aangetoond op welke wijze de hinder voor de directe omgeving geminimaliseerd wordt.
25.3 Laad- en losruimte - voorschriften

Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.2 van dit TAM-omgevingsplan en artikel 22.26 van het plan kunnen voorschriften worden verbonden, in ieder geval over:

  • a. de instandhouding van laad- en losruimte.

Hoofdstuk 8 Overgangs - en slotregels

Artikel 26 Overgangsrecht

26.1 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
  • 5. Het overgangsrecht voor gebruik zoals bedoeld in artikel 26.1 van dit TAM-omgevingsplan, heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.
26.2 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
  • 4. Het overgangsrecht voor bouwwerken zoals bedoeld in artikel 26.2 van dit TAM-omgevingsplan, heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.