| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Vlijtseweg parkeergarage |
|---|---|
| Status: | ontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0200.tam0019-ont1 |
De gemeente Apeldoorn is bezig met de herinrichting van het gebied van het Vlijtsepark en omgeving. Het gebied zal worden getransformeerd van een terrein met bedrijven naar een gemêleerde invulling met woningen, een zwembad, een parkeergarage en daarbij horende voorzieningen. Realisatie zal plaatsvinden in gedeelten door wijziging van het Omgevingsplan voor het gebied. Vooruitlopend op de realisering van de woningen wordt binnen dit TAM-omgevingsplan de parkeergarage juridisch/ ruimtelijk mogelijk gemaakt. Voor het zwembad is inmiddels een omgevingsplan vastgesteld en het plan is inmiddels onherroepelijk. Met de bouw van het zwembad is inmiddels ook gestart.
Het besluitgebied betreft de gronden aan de Vlijtseweg in Apeldoorn. Het perceel wordt globaal begrensd door de Vlijtseweg en aan twee zijden door de Musschenbroekstraat. Op onderstaande afbeelding is de begrenzing van het besluitgebied in rood aangegeven.
Afbeelding 1.1 Begrenzing besluitgebied Vlijtseweg globaal in blauw weergegeven (Bron: Atlas voor de Leefomgeving)
Het besluitgebied valt binnen het omgevingsplan 'Gemeente Apeldoorn'. De regels zijn uitgewerkt in het bestemmingsplan 'Kanaalzone - De Vlijt'. Het bestemmingsplan is onherroepelijk geworden op 28 december 2011. Het terrein heeft de bestemming 'Sport'. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven. Het besluitgebied is hierop met een blauwe omkadering aangegeven.
Afbeelding 1.2 Gedeelte bestemmingsplan 'Kanaalzone - De Vlijt', blauw kader geeft globaal besluitgebied weer (bron Atlas voor de Leefomgeving)
De binnen het besluitgebied geldende bestemmingen kunnen als volgt kort worden weergegeven:
Sport
De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor sport en sportvoorzieningen, zoals bedoeld in de categorieën 1 tot en met 2 van de Lijst van toegelaten sportvoorzieningen, kinderopvang, evenementen, nutsvoorzieningen. Voorgaande met de daarbij horende bouwwerken en parkeervoorzieningen. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd met een maximale bouwhoogte van 4 meter.
Verkeer - Verblijfsgebied
Voor een klein deel valt het besluitgebied binnen de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'. De hiertoe aangewezen gronden zijn bestemd voor verblijfsgebied, evenementen, markten en standplaatsen voor ambulante handel, watergangen, nutsvoorzieningen en tuin. Met de daarbij horende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Groen
De gronden met de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor groenvoorzieningen, fiets- en voetpaden, hondenuitlaatplaatsen, evenementen, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen en vijvers, watergangen en overige voorzieningen voor de waterhuishouding met de daarbij behorende bouwwerken, waaronder begrepen speel- en klimtoestellen. De maximale hoogte van speel- en klimtoestellen mag 4 meter bedragen. De hoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag maximaal 2.50 meter bedragen.
Maatschappelijk
Voor een klein deel valt het besluitgebied binnen de bestemming 'Maatschappelijk'. De gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen volgens een binnen het bestemmingsplan opgenomen lijst van toegelaten maatschappelijke voorzieningen. Verder zijn de gronden bestemd voor beroepsuitoefening aan huis, niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis, evenementen, nutsvoorzieningen, speelplaatsen en tuin en/of erf. Binnen het bouwvlak geldt een maximale bouwhoogte van 8 m voor gebouwen. Deels valt het besluitgebied ook buiten het bouwvlak. Voor bijgebouwen en overkappingen geldt een maximale bouwhoogte van 3 m, terwijl voor speeltoestellen een maximale bouwhoogte geldt van 6 m.
Waarde - Beken en sprengen
Het gaat hierbij om een dubbelbestemming. Deze aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het beheer, herstel en onderhoud van landschappelijk en ecologisch waardevolle beken en sprengen. Binnen deze bestemming zijn enkel gebouwen toegestaan ten behoeve van deze bestemming. Afwijking is mogelijk, mits de waterbeheerder geen bezwaar heeft en de landschappelijke en ecologische waarden van de beek of spreng niet worden aangetast.
wro-zone - wijzigingsgebied 2
Voor het besluitgebied geldt een wijzigingsbevoegdheid 2. Hiermee kunnen de bestemmingen worden gewijzigd in 'Wonen', 'Groen', en 'Verkeer - Verblijfsgebied', als de geldende milieucontouren behorende bij de bedrijven gevestigd aan de Vlijtseweg en in het bijzonder de milieucontouren van Bakkerij Fuite, woningbouw op deze locatie mogelijk maken. Voorgaande is mogelijk op basis van de binnen de wijzigingsbevoegdheid gestelde regels.
De overige plannen die over het algemeen voor het gehele gemeentelijke grondgebied gelden, zijn hieronder weergegeven:
De ontwikkelingen aan de Vlijtseweg kunnen feitelijke worden ingedeeld in drie delen. Het gaat hierbij om de realisering van woningbouw op de hoek Vlijtseweg - Edisonstraat, het zwembad op het meest zuidelijke deel van het terrein, tegen de Musschenbroekstraat aan en de parkeergarage tussen beide ontwikkelingen in, zoals op afbeelding 1.1 is aangegeven.
Er is voor gekozen om de onderzoeken die nodig zijn voor realisering voor de drie ontwikkelingen zoveel mogelijk integraal op te pakken. Waar wenselijk wordt binnen deze motivering ingezoomd op enkel de overwegingen voor de parkeergarage.
De motivering van de wijziging van het omgevingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en toekomstige situatie op de planlocatie. In hoofdstuk 3 wordt het relevante rijksbeleid, de rijksinstructieregels, provinciaal, regionaal en gemeentebeleid behandeld. Tevens wordt ingegaan op het relevante waterschapsbeleid. Hoofdstuk 4 behandeld de aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en het milieu. In hoofdstuk 5 staat het juridisch kader van dit TAM-omgevingsplan beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke haalbaarheid van dit TAM-omgevingsplan uiteengezet.
Langs het Apeldoorns Kanaal wordt een aantrekkelijk gebied met een mix aan stedelijke functies en diverse sociale en culturele activiteiten gerealiseerd. Reden waarom voorafgaand aan realisatie een participatieplan is opgesteld.
Doel van deze participatie is drieledig, namelijk:
In eerste aanleg is er op woensdag 3 juli 2024 een informatie- en participatiebijeenkomst Vlijtsepark gehouden. Doel was om de omwonenden te ontmoeten en te voorzien van de eerste informatie over de plannen. Verder was het doel om hen te betrekken bij de plannen door in gesprek te gaan over de kansen en eventuele zorgen die zij kunnen ervaren. In totaal is een uitnodiging verstuur aan 149 adressen, zowel woon- als bedrijfsadressen. In totaal waren er 9 omwonenden en geeïnteresseerden aanwezig. Na de presentatie was er gelegenheid om eventuele zorgen, opmerkingen, vragen of kansen te delen door middel van ideeënboxen en het stellen van vragen via email.
Naar aanleiding van deze informatie- en participatiebijeenkomst zijn vooral praktische vragen gesteld over aanvang van sloopwerkzaamheden en over de parkeermogelijkheden in relatie tot onder andere de thuiszorg en het parkeren aan de overkant bij de winkels, overkapte loopbrug naar zwembad. Deze praktische zaken worden in overweging genomen. Een verslag hiervan is als bijlage 3 bij deze motivering gevoegd.
Aansluitend is in het kader van de participatie op 19 november 2024 een informatiebijeenkomst Vlijtsepark gehouden. Tijdens de bijeenkomst zijn de nieuwbouwplannen in het Vlijtsepark, Kanaalzone Noord nader toegelicht. De parkeergarage vormde ook onderdeel van de participatie. Tijdens de bijeenkomst zijn de laatste ontwikkelingen gepresenteerd en heeft een terugkoppeling plaatsgevonden wat er met de eerder opgehaalde input is gedaan.
Het programma bestond uit twee plenaire presentaties, namelijk:
Na de presentaties was er gelegenheid om te reageren en in gesprek te gaan. De participatie heeft geen aanleiding gegeven tot aanpassing van het plan. De vragen hadden vooral een praktische insteek, over kosten parkeren, ontheffingsmogelijkheden en dergelijke. Het verslag is als bijlage 4 bij deze motivering gevoegd.
Door Sweco is een participatieplan opgesteld, het plan is als bijlage 1 bij deze motivering gevoegd. Binnen het plan wordt aangegeven dat wat betreft de parkeergarage weinig ruimt is voor participatie. Over de ontwikkeling zal de omgeving vooral geïnformeerd worden. De participatie is meegenomen bij de participatie rond de Vlijtse Parktorens. Op 3 juni 2025 is een bijeenkomst gehouden, georganiseerd door VanWonen en de gemeente.
Inhoudelijk is in het participatieplan het volgende aangegeven:
De parkeervoorziening komt zoals gezegd centraal te liggen tussen het zwembad en de nog te realiseren Vlijtse Parktorens. De ontsluiting wordt aan de zuidoostzijde aan de Vlijtseweg gepositioneerd om het kruisen van verkeerstromen te minimaliseren. Hiertoe is een inrit, uitrit en wisselstrook aan de westzijde van het gebouw voorzien, Bij piekmomenten wordt gebruik gemaakt van de wisselstrook. Zie voor een overzicht onderstaande afbeelding.
Afbeelding 2.1: Globale plattegrond van de parkeergarage met omgeving (bron: structuurontwerp parkeergarage)
De parkeergarage is verder pragmatisch ingericht met in het midden twee hellingbanen voor het stijgen en dalen. Hierdoor kan de oriëntatie losgekoppeld worden en kan de routing beperkt blijven. Op de begane grond zijn een aantal extra voorzieningen opgenomen, waaronder een traforuimte, sprinklerbassin en fietsenstalling.
Afbeelding 2.2: plattegrond meer in detail (globale inrichting)
Hieronder zijn twee afbeeldingen weergegeven van de (globaele) doorsnede van de parkeergarage om een beeld te krijgen van de grootte.
Afbeelding 2.3: Dwarsdoorsnede 1
Afbeelding 2.4: Dwarsdoorsnede 2
De gevel van de parkeergarage is ontworpen in samenhang met de omliggende bebouwing in het Vlijtse Park, waarbij de kleurtinten en materialisatie zorgvuldig op elkaar zijn afgestemd. Bovenstaande afbeeldingen moeten gezien worden als referentie beelden en kunnen op detail nog afwijken.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. De NOVI is een nieuw instrument uit de Omgevingswet en loopt vooruit op de verwachte inwerkingtreding 1 juni 2022. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.
Uitgangspunt van de NOVI is dat Nederland staat voor grote en complexe opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal als internationaal spelen. Deze opgaven als klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Daarbij is Omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit en milieukwaliteit.
De NOVI stelt daartoe als aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Op die manier zullen de volgende vier prioriteiten worden aangepakt:
Voor de vier prioriteiten geldt dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen:
Al deze ambities vragen veel van de leefomgeving. Daarbij moeten onvermijdelijk keuzes worden gemaakt. In de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor deze keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond: een 'omgevingsinclusieve benadering'. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:
Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden.
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen.
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Nederland werkt aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er is ook aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
Binnen het waterdomein staat Nederland de komende jaren voor grote uitdagingen en opgaven. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, moeten we blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en zorgen voor een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte.
Beleids- en beheerdoelen
Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van:
Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema's, ook in de verschillende watergebieden. Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden raakvlakken benoemd tussen water en andere thema's als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht in wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is als instructieregel in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g) opgenomen. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.
Betekenis voor dit plan
Binnen het besluitgebied worden 584 parkeervoorzieningen gerealiseerd door de bouw van een parkeergarage. De parkeergarage maakt, zoals eerder gesteld, onderdeel uit van een grotere ontwikkeling aan de Vlijtseweg. De Ladder voor de duurzame verstedelijking dient dan ook beoordeeld te worden op het geheel. Daarnaast kan worden aangegeven dat voor het zwembad inmiddels een omgevingsplan is vastgesteld en dat dit plan inmiddels onherroepelijk is geworden. Het zwembad is verder buiten beschouwing gelaten.
Voor voorliggende ontwikkeling is al een Toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking opgesteld voor de woningbouw. De toets is als bijlage 7 toegevoegd aan deze motivering. De toets gaat als gezegd in op de realisering van de woningbouw. Uit de toets blijkt dat de gemeente Apeldoorn de komende 20 jaar een woningbouwopgave heeft van bijna 9.000 woningen tot 2030, oplopend tot 12.500 in 2040 (3.500 woningen in de periode 2030 tot 2040). Deze groeiafspraken geven antwoord op de druk die op de woningmarkt ligt. Dit komt overeen met het aantal dat is aangegeven in paragraaf 3.6.2, waarin het gemeentelijke Volkshuisvestingskader 2023-2027 is beschreven.
Geconcludeerd wordt dat met dit initiatief in bestaand stedelijk gebied wordt voorzien in zowel de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte.
De ontwikkeling voldoet aan de vereisten van de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g, Besluit kwaliteit leefomgeving).
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft instructieregels voor omgevingsplannen. Diverse instructieregels hebben betrekking op het waarborgen van verschillende nationale belangen, zoals het Waddengebied, het kustgebied, Rijksvaarwegen, het IJsselmeergebied, de grote rivieren, militaire terreinen en buisleidingen van nationaal belang.
Betekenis voor dit plan
Vooruitlopend op alle drie de ontwikkelingen aan de Vlijtseweg voorziet dit omgevingsplan op de realisatie van parkeervoorzieningen, met andere woorden een parkeergarage. Dit initiatief raakt geen van de nationale belangen die in de instructieregels van het Bkl zijn opgenomen. Een nadere beschouwing van deze instructieregels is daarom niet vereist.
Op 19 december 2018 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat 'historisch en landschappelijk gezien' - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.
Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal.
Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.
Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.
De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes' "DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN" geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.
Afbeelding 3.1 Gelderse Omgevingsvisie
Ambitie klimaatadaptatie
Gestreefd wordt naar een op de toekomst toegerust klimaatbeleid waarbij de provincie samen met partners zich goed voorbereidt en toerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.
Ambitie biodiversiteit
Gestreefd wordt naar een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit met als ambitie dat het in 2050 goed gaat met de biodiversiteit in Gelderland. In Gelderland wordt natuurinclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, ook buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald.
Woon- en leefklimaat
Gestreefd wordt naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Ambities vanuit dit streven zijn: Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. De bestaande bebouwde omgeving wordt optimaal benut met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. De provincie gaat, zo stelt de visie, in gesprek met de Gelderse regio's en maken regionale afspraken over een goede balans tussen de vraag en het aanbod van woningen. Het omvormen van bestaande en leegstaande bebouwing heeft de voorkeur voor de aanleg van nieuwe woonlocaties.
Cultuurhistorie
In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland stelt de provincie over cultuur en erfgoed het volgende: De Gelderse steden kenmerken zich door een sterk historisch karakter, door een hoge ruimtelijke kwaliteit, een goed ontwikkelde culturele infrastructuur en huisvesten enkele topinstellingen. Al deze kwaliteiten dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijk woon-, werk- en vestigingsklimaat. Om deze redenen investeert de provincie in de verdere ontwikkeling van erfgoed en cultuur, kennisontwikkeling, cultureel ondernemerschap en innovatie. In alle regio's stimuleert de provincie samen met gemeenten kunst en cultuur die bijdragen aan een sterk vestigingsklimaat, regionale identiteit en vrijetijdseconomie.
Archeologie
In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland hebben provinciale staten het provinciale beleid omtrent archeologie vastgelegd: De provincie streeft er naar archeologie expliciet te betrekken bij de integrale afweging bij planontwikkeling. Bij locatiekeuze en planuitwerking moet voldaan worden aan de basiskwaliteitseisen van de bodem, waaronder archeologie. Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische gegevenheden in de bodem kunnen aantasten moeten zo veel mogelijk rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.
Betekenis voor dit plan
Het omgevingsplan is in overeenstemming met het provinciaal beleid.
Provinciale Staten van Gelderland hebben op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Sindsdien is de Omgevingsverordening een aantal keren geactualiseerd en herzien. In deze Omgevingsverordening zijn de provinciale verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening samengevoegd. Voor zover het de provinciale verordening betreft bevat de omgevingsverordening alleen regels die tot de gemeentebesturen zijn gericht en geen rechtstreeks werkende, burgers bindende regels.
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
De provincie zet de verordening als juridisch instrument voor het afdwingen van de doorwerking van het provinciaal beleid alleen in voor die onderdelen van het beleid waarvoor algemene regels noodzakelijk zijn om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
Wonen
De verordening bevat de regel dat nieuwe woonlocaties alleen zijn toegestaan wanneer dit past in het door Gedeputeerde Staten (GS) vastgestelde regionale woonagenda. Ten behoeve van de flexibiliteit is het wel mogelijk om van een regionale woonagenda af te wijken, vooruitlopend op de actualisatie van die regionale woonagenda. Als er nog geen regionale woonagenda is vastgesteld of als de bestaande regionale woonagenda niet meer actueel is en niet geschikt meer is als beoordelingskader, zal de provincie totdat een nieuwe regionale woonagenda wordt vastgesteld een wijziging van het omgevingsplan die de bouw van nieuwe woningen mogelijk maken toetsen aan de volgende criteria: er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking, als bedoeld in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving, het plan past binnen de meest recente provinciale visie op het woonbeleid, er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden en de provincie stemt in met de ontwikkeling.
Klimaatadaptatie
De verordening bevat tevens regels over klimaatadaptie. Alleen wanneer een wijziging van het omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de motivering van die wijziging een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.
In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:
Betekenis voor dit plan
Realisering van de woningen.
De parkeergarage zelf bevat uiteraard geen woningen, maar is wel noodzakelijk voor woningbouw aan de Vlijtseweg. Te zijner tijd wordt de garage benut worden door de bewoners van nog te bouwen woningen in de directe omgeving. Daarom wordt voor de volledigheid opgemerkt dat die woningbouwontwikkeling past binnen de afspraken van de vastgestelde regionale woonagenda en de regionale woondeal. Zie hiervoor paragraaf 3.5.
Klimaatadaptatie
Binnen de gemeente Apeldoorn zijn de klimaatadaptieve maatregelen verwoord in het Beleid voor Natuur Inclusief- en Klimaatadaptief ontwikkelen en bouwen Gemeente Apeldoorn. Zie ook paragraaf 4.7
Algemeen
De verdere onderdelen die uit de provinciale instructieregels gedestilleerd kunnen worden komen aan de orde in hoofdstuk 4. Het gaat hierbij onder meer om milieu en waterbeheer (regels voor grondwaterbescherming, luchtkwaliteit en duurzaam bouwen. Ook wordt binnen dit hoofdstuk aandacht besteed aan verkeer en infrastructuur, als het gaat om de bereikbaarheid, verkeersveiligheid en de aansluiting op het wegennet, waarbij de aansluiting op de provinciale wegen in dit geval minder van belang is.
Conclusie
Vastgesteld kan worden, mede door te verwijzen naar paragraaf 3.5 en een aantal paragrafen in hoofdstuk 4 gesteld dat onderliggend omgevingsplan in overeenstemming is met de Omgevingsverordening Gelderland.
De 'Woonagenda Cleantech Regio 2018' van de Regio Stedendriehoek (vastgesteld door GS op 11 december 2018) is een uitwerking van de provinciale koers "Ruimte voor goed wonen", waarbij voor de komende 10 jaar afspraken worden vastgelegd hoe om te gaan met sturing op de woningbouwprogrammering en welke thema's regionaal verdere aandacht vragen. Dit betreffen de thema's "sterke steden, dynamische kernen en vitaal platteland". Ook wordt ingegaan op het verduurzamen en klimaatbestendig maken van de woningvoorraad alsmede op wonen en zorg.
De Regio zet in op het behouden en versterken van de woonkwaliteit door toevoeging van de juiste woning, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek in de regio, waarbij de volgende speerpunten van toepassing zijn:
Voor Apeldoorn wordt aangegeven dat, mede door de hoge instroom, de druk op de markt is toegenomen. De woningbouw in Apeldoorn heeft een hoge vlucht genomen. In dit tempo zijn in 2021/2022 alle huidige bouwplannen gerealiseerd en is er risico op een tekort en verder oplopende prijzen. Ook in de sociale huur is sprake van stijgende wachtlijsten. De groei in Apeldoorn bestaat voor een relatief groot deel uit gezinnen en sluit aan bij de inzet van Apeldoorn als gezinsstad. Apeldoorn zoekt naar nieuwe plekken voor woningbouw binnen de bestaande contouren van de stad. Het programma ligt de komende jaren (mede door de druk van buiten) tegen de bovenkant van de bandbreedte van de prognoses. In de sociale woningbouw is op korte termijn een toevoeging van 500 woningen aan de orde om de wachtlijsten te verkorten.
Naast inzet op het kwalitatief programmeren wordt er gekoerst op een kwantitatief realistisch woningbouwprogramma op basis van actuele Primos woningbehoefteprognoses Het is daarbij de bedoeling om deze regionale woonagenda om de twee jaar te herijken, waarbij wordt bekeken of het op basis van analyse van de woningmarkt en de genoemde woningbehoefteprognoses het wenselijk is om de woonvisie aan te passen.
De Woonagenda Cleantech Regio vervangt de "Kwantitatieve Opgave Wonen 2015-2024" en het "Afsprakenkader kwantitatieve woningbouwprogrammering 2015-2024" van de Regio Stedendriehoek. Na de vaststelling wordt een uitvoeringsagenda opgesteld, waarbij gemeenten jaarlijks presenteren wat de lokale voortgang in de bestaande voorraad is aan de hand van de jaarlijkse monitoringsgegevens.
Betekenis voor dit plan
Zoals eerder gesteld kan de realisering van de parkeergarage niet los gezien worden van de geplande woningbouw op de hoek Vlijtseweg - Edisonlaan. Apeldoorn heeft na vaststelling van de Woonagenda Cleantech Regio 2018 de Woonagenda Apeldoorn 2018-2021 opgesteld. In 2022 is hieraan een addendum toegevoegd voor de periode 2022-2023.
Op 21 september 2023 is het Volkshuisvestingskader 2023 - 2027 vastgesteld door de gemeenteraad (3.6.2). Dit beleidsstuk vervangt de Woonagenda en biedt een actueel kader voor het toetsen van woningbouwplannen in de gemeente Apeldoorn. Hiermee heeft Apeldoorn invulling gegeven aan de afspraken die zijn gemaakt bij de vaststelling van de regionale woonagenda.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek gaan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
In november 2021 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 vastgesteld. In het BOP beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, wonen en zuiveren, circulair econome en energietransitie. Het waterschap wil een waardevolle leefomgeving waarborgen. Daarom wordt er ingezet op vijf maatschappelijke thema's:
Het beheergebied van het waterschap is opgedeeld in vier deelgebieden. De gemeente Apeldoorn valt onder het deelgebied IJsselvallei. De vijf thema's zijn specifiek gemaakt voor de vier deelgebieden in gebiedsdoelen. De gebiedsdoelen zijn onderverdeeld in drie categorieën: Watersysteem, Waterveiligheid en Wonen en zuiveren.
Uitgangspunt wijziging Omgevingsplan
Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing.
Op 24 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn de Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld. De Structuurvisie "Apeldoorn biedt ruimte" (vastgesteld op 30 mei 2013) is daarbij ingetrokken.
Een nieuwe Omgevingsvisie is belangrijk, omdat Apeldoorn voor een grote opgave en uitdaging staat: groeien naar een gemeente met meer dan 180.000 inwoners, het versterken van de veelzijdige economie, het ruimte bieden aan de energietransitie en het nog beter en mooier maken van het groen, het sociale leven en het gastheerschap. Met een vastgestelde Omgevingsvisie kan verder gewerkt worden aan de uitwerking van de visie. Dit gebeurt door middel van gebiedsgerichte plannen en het Omgevingsplan. De Omgevingsvisie geeft duidelijkheid over de ruimtelijke koers van de gemeente.
De Omgevingsvisie rust op vier centrale ambities (hoofdopgaven), waarmee Apeldoorn de toekomst tegemoet wil gaan en nog aantrekkelijker wil worden:
Onderstaand een nadere toelichting op de beoogde invulling van de vier centrale hoofdopgaven.
Ambities 1 en 2: Stadmaken en Vitale dorpen en buitengebied
Met de invulling van de hoofdopgave Stadmaken gaat Apeldoorn flink ontwikkelen op het gebied van wonen, werken, mobiliteit en omgevingskwaliteit. Zo bouwt Apeldoorn voort op de traditie van groene woonstad en economisch centrum van deze regio en draagt ze stevig bij aan de nationale doelen op het gebied van wonen, werken en duurzame energie. Daarnaast gaat Apeldoorn middels de hoofdopgave Vitaal platteland investeren in het vitaal platteland, in de 12 dorpen en buurtschappen. Dit is als volgt opgebouwd:
Wonen
Voor wonen zijn zowel binnenstedelijke als buitenstedelijke locaties aangewezen. Dit om te voorzien in een groei naar ruim 180.000 inwoners. De gemeente volgt de Ladder voor Duurzame verstedelijking en vult zoveel mogelijk opgaven binnenstedelijk in. Daarbij ligt de focus op sterk verdichten in de bestaande stad, met name in de Binnenstad, de Spoorzone en Kanaalzone Centrum. Buitenstedelijk wordt voorzien in 1 grote uitbreidingslocatie aan zuidzijde (ten zuiden van de A1).
Uitgegaan wordt van de realisatie van 12.500 woningen, waarvan 8.500 nieuw toe te voegen programma in verschillende financieringscategorieën en woonmilieus (stedelijk, gemengd met werken, rand van de stad, dorpen). Voor de binnenstad wordt voorzien in een transformatie naar Stadspark waarbij veel winkelvastgoed wordt aangewend voor nieuwe woonfuncties. Verdere transformaties naar wonen zijn voorzien in de Kanaalzone Vlijtseweg (Zwitsal en omgeving), Kayersdijk-noord, Sleutelbloemstraat-oost (onderzoek), Jean Monnetpark en Christiaan Geutsweg (onderzoek) en Brouwersmolen (onderzoek).
Omgevingskwaliteit
Ingezet wordt op het verbeteren van de omgevingskwaliteit, met name in de zogenaamde dynamische gebieden, maar ook langs zichtlocaties en infrastructuur.
Mobiliteit
De extra vraag naar mobiliteit in combinatie met de ruimtelijke ambities maakt een goede sturing noodzakelijk. Hiertoe wordt onder meer ingezet op de realisatie van nieuwe transferia aan de toegangswegen van de stad in parkeerhubs aan de centrumrand. De binnenstad wordt autoluw, en veiliger voor langzaam verkeer. Verplaatsing van het busstation naar de zuidzijde van het spoor wordt onderzocht, in combinatie met een stedelijke hub. Dit biedt mogelijk ruimte voor andere ambities van de binnenstad (vergroening, woningbouw). Er wordt voorzien in maatregelen ter verbetering van de doorstroming van verkeer, zowel wat betreft de snelwegen als ook de stadsring en aantakkingen. Er wordt ingezet op een sterk fietsnetwerk en goede wandelroutes. Bij de parkeergarage wordt ingezet op minimaal 3 en maximaal 25 parkeerplekken voor deelmobiliteit. De praktijk zal moeten wijzen hoeveel hiervoor gereserveerd moeten worden
Economie en recreatie
Er is voorzien in een uitbreiding van 77 hectare aan bedrijventerrein, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de aangetoonde behoefte hieraan. De nieuwe bedrijfslocaties bevinden zich ten noorden en oosten van de stad. Aanvullend wordt onderzocht om enkele bedrijfslocaties in de binnenstad de komende 20 jaar te transformeren naar woon-werklocaties ten behoeve van goede binnenstedelijke woningbouwlocaties, eventueel met een gemengd karakter. De bedrijven die daar vertrekken hebben ergens anders ruimte nodig. De uitplaatsingsruimte bedraagt circa 30 hectare en komt boven op de 77 ha uitbreiding waar de behoefte van aangetoond is en wat de gemeente als doel heeft gesteld. De te onderzoeken transformatie betreft de locaties Sleutelbloemstraat en Vlijtseweg, beide gelegen aan het kanaal in noord. In zuid gaat het om de locaties Jean Monnetpark, de Christiaan Geurtsweg en de Brouwersmolen, eerste fase. Een stip op de horizon is de mogelijkheid van een nieuwe voorhalte van het spoor bij Brouwersmolen, onderdeel van een sprinterlijn vanuit Amersfoort, om vooral de Veluwe met openbaar vervoer te ontsluiten. Op wijkniveau wordt ingezet op de transformatie van gedeeltes van het winkelvastgoed naar wijkservicecentra, woon- en werkmilieus gericht op maatschappelijke functies. Verder wordt in Uddel ingezet op het toevoegen van nieuwe bedrijfslocaties voor nieuwe economische functies
De agrarische sector staat voor grote opgaven. Voorzien wordt in de transformatie van de intensieve veehouderijsector met name in Uddel naar duurzame vormen van bedrijvigheid en de geleidelijke transformatie van de overige agrarische sector naar natuur inclusieve landbouw.
Voor het versterken van recreatie wordt het programma Vitale vakantieparken ingezet. Ook wordt bijgedragen aan de Veluweagenda, waaronder de Recreatiezonering Veluwe en wordt ingezet op het versterken van het fiets- en wandelknooppuntennetwerk.
Energie en circulariteit
Voor energie geldt een uiteindelijke doelstelling van energieneutraliteit in 2050. Voor 2030 geldt een tussentijdse doelstelling van 39% energieneutraal. Dit moet mede bereikt worden door de inzet van zonne-energie en windenergie. Uitgegaan wordt van clustering. De concentratie voor zon en wind is voorzien op een drietal zoeklocaties. Allereerst een concentratie van windturbines bij het knooppunt A1 en A50 (ten oosten van de A50), in combinatie met een nieuw aan te leggen park voor zonne-energie. Gedeeltelijk wordt hiermee aangesloten op bestaande initiatieven. Hierdoor ontstaat een concentratie en koppeling tussen zon en wind. De tweede cluster van windturbines is gesitueerd op de Veluwe, eveneens aan de A1, maar meer westelijk gelegen. Voor de zonnevelden is sprake van drie zoeklocaties, waarvan twee alleen voor zon en een gecombineerd met wind. Aan de noordzijde van de stad, bij Beemte Broekland ten oosten van de A50, en ten zuiden van Vaassen zijn zoeklocaties voor zonnevelden voorzien.
Verder wordt bij nieuwe ontwikkelingen energieopwekking gestimuleerd. Vanaf 2025 geldt daarbij voor woningen en bedrijfspanden 'nul op de meter'.
Hiernaast geldt nog dat hergebruik wordt gestimuleerd om de omvang van restafval per persoon/per jaar te verminderen.
Ambities 3 en 4: Uitbouwen fysiek fundament en versterken sociaal fundament
De veelzijdige groei van stad en dorpen vindt plaats via de bodem en het landschap op de overgang van Veluwe en IJsselvallei. De Veluwe biedt - met al z'n groen en water - enorme kansen, die flink worden gemarkeerd. Zo is het uitbouwen van het fysiek fundament de derde hoofdopgave geworden. De fysieke stad is weer de voorwaarde voor een sociaal sterke stad. Daarom is de vierde hoofdopgave: het sociaal fundament versterken. Zo bouwt Apeldoorn aan een inclusieve gemeente.
Dit is als volgt opgebouwd:
Natuur en landschap
De groene mal/ het groen- blauwe casco (groen en water) worden verder versterkt. Groen en uitloopgebieden worden vergroot. Er is voorzien in de aanleg van nieuwe (natte) natuur in combinatie met waterberging rond de beekdalen. Er wordt minimaal 175 hectare aan bos toegevoegd. Rond de beekdalen wordt nieuwe (natte) natuur aangelegd in combinatie met waterberging rond de beekdalen.
Natuurinclusief bouwen wordt bevorderd en bij bestaande bouw wordt ingezet op vergroening. Het centrum van Apeldoorn wordt verder vergroend en omgevormd naar stadspark. Ingezet wordt op de bevordering van de biodiversiteit.
Klimaatadaptatie
Voorziene maatregelen gericht op klimaatadaptatie zijn het vasthouden van oppervlaktewater in retentieplassen, als waterreservoir in tijden van droogte en als eerste stap naar een circulair watersysteem, vernatting op de Veluwe ten behoeve van infiltratie van drinkwater en het zo veel mogelijk afkoppelen verhard oppervlak in stedelijk gebied.
In bestaande situaties wordt vergroenen bevorderd en in nieuwe situaties is er de doelstelling van natuurinclusief bouwen. Verdere vergroening van de binnenstad zal bijdragen aan het voorkomen van hittestress.
Milieu en gezondheid
Bij het maken van plannen zal rekening moeten worden gehouden met de aspecten milieu en veiligheid. Geluidbeleid op maat zal hieraan gaan bijdragen.
Daarnaast wordt ingezet op het faciliteren van verblijven in de buitenlucht door voldoende aanbod van groen in nabije leefomgeving en het uitdagen tot meer bewegen, onder meer in een aantrekkelijke buitenruimte.
Inclusiviteit
Op diverse vlakken wordt ingezet op het bevorderen van een inclusieve samenleving. Er zal sprake zijn van variatie in woonmilieus zowel in de verdichtingsopgaven als in de nieuwe uitleg, in verschillende prijsklassen. Ook wordt sporten voor iedereen gestimuleerd, mede door een uitnodigende buitenruimte, en ingezet wordt op het herstructureren/verduurzamen van schoolgebouwen. Op wijkniveau wordt gedacht aan de ontwikkeling van woonzorgzones (gecombineerd met de transformatie van winkelvastgoed).
Op onderstaande afbeelding is weergegeven waar de verschillende ambities hun uitwerking krijgen in de gemeente Apeldoorn:
Afbeelding 3.2 Uitsnede Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn'.
Uitvoering Omgevingsvisie
Gebiedsprofielen
De hoofdopgaven zijn voor een zestal focusgebieden nader beschouwd. Dit betreft de gebieden Binnenstad, Kanaalzone Centrum, Spoorzone centrum, Stadsrand Zuid, Stadsrand noord en Uddel. Aangegeven wordt wat de gewenste ontwikkelrichting is voor deze gebieden en welke vaste waarden hier gelden bij de beoordeling van beoogde ontwikkelingen. De gebiedsprofielen bieden daarmee een verdiepte basis voor de verdere uitwerkingen uitvoering van de Omgevingsvisie.
Afwegingsmatrix
Er is veel nodig om te komen tot planvorming die invulling gaat geven aan de ambities uit de Omgevingsvisie, ook buiten de gebiedsprofielen. Om bij initiatieven duidelijk richting te kunnen geven, is in de Omgevingsvisie een afwegingsmatrix opgenomen. Daarin zijn de globale contouren weergegeven waarbinnen wordt beoordeeld of initiatieven bij de ambities passen. De afwegingsmatrix wordt verder uitgewerkt zodat deze meetbaar en concreet kan worden toegepast.
Onderzoeken
Om te komen tot uitvoering van de ambities uit de Omgevingsvisie is uiteraard nog veel nadere uitwerking noodzakelijk. Ook zal er op verschillende gebieden nog nader onderzoek worden verricht. Ten behoeve van de Omgevingsvisie is een Omgevingseffectrapportage (inclusief een aanvulling daarop) opgesteld. Onder meer de daarin genoemde onderdelen zullen als leidraad dienen voor de te verrichten onderzoeken ten behoeve van de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie.
Herziening omgevingsvisie/ Hoogbouw
De gemeente wil in het zogenaamde BSK-gebied (Binnenstad, Spoorzone en Kanaalzone) verdichten en vergroenen. Op grond hiervan zullen meer woningen aan deze gebieden worden toegevoegd. Daarnaast wil de gemeente ook ruimte vrijhouden voor groen, pleinen en leefkwaliteit. Om voorgaande mogelijk te maken in het gebied is hoogbouw nodig. Als gemeente worden hoge eisen gesteld aan de plek en kwaliteiten van de hoogbouw. Op grond hiervan is een nieuwe Hoogbouwnota opgesteld. De nieuwe Hoogbouwnota vormt een aanscherping van de Hoogbouwvisie uit 2008, die met name opgesteld is voor de Kanaalzone en Spoorzone. De stedenbouwkundige randvoorwaarden zijn op basis van de eigentijdse inzichten in de nieuwe nota verdiept en aangevuld. De Hoogbouwnota zal uiteindelijk ook leiden tot actualisatie van de Omgevingsvisie "Woest aantrekkelijk Apeldoorn'.
Gebiedsprofiel Kanaalzone/stedenbouwkundige beoordeling
De Kanaalzone in Apeldoorn is een transformatiegebied langs het Apeldoorns Kanaal, dat zich ontwikkelt tot een levendig stedelijke milieu met een mix van wonen, werken, ondernemen, cultuur en recreatie. Het gebied bestaat feitelijk uit twee deelgebieden, namelijk Kanaalzone-Noord en Kanaalzone-Midden.
De Parkeergarage bevindt zich in Kanaalzone-Noord. Het gebiedsprofiel wordt daarbij als volgt weergegeven:
De ruimtelijke uitgangspunten voor dit gebied kunnen samengevat als volgt worden weergegeven:
Voor wat betreft de mogelijkheden voor hoogbouw in de Kanaalzone wordt aangegeven dat hoogbouw ingezet kan worden om ruimte te creëren voor vergroening, betaalbare woningen en levendige openbare ruimte. Ook wordt aangegeven dat bij hoogbouw het Apeldoornse DNA - royaal groen en rust- leidend blijft, waarbij de hoogbouw moet bijdragen aan dit karakter, en daaraan geen afbreuk mag doen. Binnen de hoogbouwvisie wordt de Kanaalzone als kansrijk gebied benoemd, meer specifiek als: voorkeurslocatie voor verdichting.
Hoogbouw moet voldoen aan een aantal kwaliteitseisen en toetsing. Feitelijk komt het neer op hoe hoger de bebouwing, hoe strenger de eisen aan architectonische kwaliteit, stedenbouwkundige inpassing, windcomfort, bezonning en sociale veiligheid. Uitgangpunt is dat elk hoogbouwinitiatief getoetst wordt aan de hoogbouwnota.
Als opvolger voor de Hoogbouwvisie 2008 is de Hoogbouwnota 2025 in juni 2025 als ontwerp in procedure gebracht.
Hoogbouwnota 2025
De Hoogbouwnota 2025 van de gemeente Apeldoorn vormt een beleidsdocument, dat richting geeft aan de ontwikkeling van hoogbouw in de stad. De nota is relevant voor het besluitgebied van de parkeergarage, dat naast de geplande woningbouw, ook onderdeel is van de transformatiezone Kanaalzone.
De Hoogbouwnota 2025 (Bijlage 2) is opgesteld in een context van woningnood, verdichtingsopgaven en veranderende maatschappelijke behoeften. Hoogbouw wordt hierin niet langer als uitzondering beschouwd, maar als een strategisch instrument om ruimte te creëren voor wonen, vergroening en leefkwaliteit. De nota ondersteunt de schaalsprong van Apeldoorn richting 180.000+ inwoners en benoemt expliciet transformatiegebieden zoals de Kanaalzone als kansrijke locaties voor hoogstedelijke ontwikkeling.
De nota kent vier toetsstappen met concrete vuistregels. Deze betreffen onder meer plintkwaliteit, windcomfort, bezonning, sociale veiligheid en aansluiting op het maaiveld. Daarnaast wordt minimaal 40% groen op de kavel vereist, bij voorkeur publiek toegankelijk. Hoogbouw moet bijdragen aan het Apeldoornse DNA: een groene, rustige en leefbare stad.
Stedenbouwkundige toets
Het plan voorziet in een meerlaags parkeergebouw met een maximale bouwhoogte van 23 meter, gelegen binnen de 'lange lijn'-zone. Het gebouw is stedenbouwkundig ingepast binnen de gebiedsontwikkeling Vlijtsepark, waar meerdere grootschalige gebouwen worden (of zullen worden) gerealiseerd. De positionering van het volume is afgestemd op de hoofdstructuur van het gebied en ligt buiten de stedelijke zichtassen.
Bij de uitwerking is rekening gehouden met de positie en onderlinge afstend van naastgelegen gebouwen. De maat, oriëntatie en onderlinge afstand zorgen voor een evenwichtige samenhang met de omliggende volumes en dragen bij aan een goed straat- en parkprofiel.
Het ontwerp wordt als passend gezien binnen de Hoogbouwnota - Parkeergebouw Vlijtsepark.
Betekenis voor dit plan
Het initiatief past binnen de gemeentelijke omgevingsvisie en voldoet aan de uitgangsputen en richtlijnen van de Hoogbouwnota 2025.
In de Omgevingsvisie Woest aantrekkelijk Apeldoorn en in de Kadernota Maatschappelijke ontwikkeling staat wat de gemeente belangrijk vindt ten aanzien van wonen en de combinatie wonen en zorg. Dit is verder uitgewerkt in een Volkshuisvestingskader.
Op 21 september 2023 is het Volkshuisvestingskader 2023-2027, 'Ruim en ontspannen wonen in de hoofdstad van de Veluwe', door de gemeenteraad van Apeldoorn vastgesteld. Dit Volkshuisvestingskader omschrijft, op basis van trends en ontwikkelingen, de gemeentelijke ambities op bovenstaande onderwerpen voor de langere termijn. Het is een kader voor woonprojecten en projecten voor wonen met zorg.
Belangrijke trends en ontwikkelingen zijn:
Het Volkshuisvestingskader gaat in op vier onderwerpen:
Betekenis voor dit plan
Het parkeren vloeit voor een deel voort uit de nog te realiseren woningbouw op de hoek Vlijtseweg - Edisonlaan. Realisering van de parkeergarage loopt in feite vooruit op de nog te realiseren woningbouw. Voor een deel voorziet de parkeergarage in parkeervoorzieningen die op straatniveau verloren zouden gaan. Vastgesteld kan worden dat dit omgevingsplan niet in strijd is met het volkhuisvestingsbeleid van de gemeente.
Het groenbeleid is vastgelegd in de Groene Mal, de Groenstructuurkaart en het Groenplan. Die worden in de navolgende paragrafen besproken.
Het gemeentelijk groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.
Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is: Meer vulling, differentiatie en contrast in de stad is best, maar dan wel met behoud van de groene identiteit die Apeldoorn tot een gewilde vestigingsstad maakt. Deze identiteit moet duurzaam worden gegarandeerd.
Afbeelding 3.3 Kaart Groene Mal
Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. Uit onderzoek is gebleken dat met name in verstedelijkte gebieden behoefte is aan meer groen en natuur in de direct woon- en leefomgeving. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus.
Het eerste niveau is gericht op de verweving van de stad met het landschap. In de stad is wat betreft het groen de volgende duidelijke tweedeling aan te wijzen: de westkant gelegen in het Veluwebos en de oostkant gelegen in (voormalig) agrarisch gebied. In het westen verloopt de overgang van stad naar bos vrijwel zonder barrières. De oostkant daarentegen heeft de meeste versterking van het groen nodig, wat tot gevolg heeft dat de meeste projecten uit de Groene Mal op dit deel van de stad gericht zijn.
Het tweede niveau is de verbinding van de stad met het omringende landschap. Aan de oostzijde zijn het de groene wiggen, geconcentreerde groencomplexen die de stad vanuit het landelijke gebied binnenlopen.
Het derde niveau is de dooradering van de stad met blauwe en groene structuren, door middel van het sprengen- en bekensysteem alsmede het complex van bos- en bomenlanen met daaraan gelegen parken.
De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.
In april 2017 heeft de gemeenteraad de Groenstructuurkaart vastgesteld. De kaart geeft de belangrijkste groenstructuren van Apeldoorn weer. Apeldoorn koestert haar groene kwaliteit en wil deze beschermen en versterken. De kaart geeft een gebiedsdekkend toetsingskader en uitgangspunt voor onder andere een consequente beoordeling van ruimtelijke plannen op landschappelijke en groene kwaliteit.
De Groenstructuurkaart bestaat uit verschillende elementen:
Op de kaart zijn die gebieden vastgelegd waar behoud van bestaand groen en ontwikkeling van nieuw groen prioriteit heeft. Het groenstructuurplan werkt door in het kapvergunningenbeleid en het uitgiftebeleid voor snippergroen.
Afbeelding 3.4 Fragment van de Groenstructuurkaart gemeente Apeldoorn
In september 2018 heeft de gemeenteraad het Groenplan vastgesteld. Het Groenplan geeft aan welke groene doelen en opgaven belangrijk zijn voor het behoud en versterking van het groene karakter van de hele gemeente. De groene opgaven bestaan uit versterken van het groen-water netwerk in en om de stad, meer groen in de binnenstad, meer en beter groen in wijken en dorpen en versterken van karakteristieke landschappen. Binnen deze opgaven ligt de focus op het inzetten van groen om de gevolgen van klimaatverandering te beperken, biodiversiteit te versterken en bewoners uit te nodigen tot bewegen en ontmoeten. Dit met een veerkrachtig natuurlijk systeem als basis. Duurzaam groenbeheer, samenwerking en participatie vormen belangrijke pijlers die vorm krijgen in het Uitvoeringsprogramma Groen en biodiversiteit.
Betekenis voor dit plan
Binnen de Groenstructuurkaart is het gebied aangegeven als 'boomrijk gebied'. Vastgesteld kan worden dat de feitelijke situatie anders is dan binnen de Groenstructuurkaart is aangegeven. Het gedeelte waar de parkeergarage is gesitueerd staan geen bomen. Behoud van bestaand groen is daardoor niet mogelijk. De open locaties rond de parkeergarage zullen zoveel mogelijk groen worden ingevuld, zodat invulling wordt gegeven aan de ontwikkeling van nieuw groen. Een voorwaarde die onderdeel uitmaakt van het 'boomrijk gebied'. De zone langs de beek De Grift wordt gezien als groene mal en blijft voor Apeldoorn behouden. Op onderstaande afbeelding is in het linker deel van de foto te zien dat het terrein van de parkeergarage geen bomen bevat. Het rechterdeel van de foto betreft de zone langs De Grift. Verder zullen de huidige parkeerplaatsen die zich nu nog noordwestelijk van het besluitgebied bevinden ook groen worden ingevuld. De parkeergarage vangt dit parkeren op.
Afbeelding 3.5 Overzichtsfoto van het terrein (bron: Google Maps)
Algemeen
Sinds 26 juni 2024 is in de gemeente Apeldoorn het 'Beleid voor Natuurinclusief- en Klimaat Adaptief ontwikkelen en bouwen gemeente Apeldoorn' (NIKA) van toepassing. De aanleiding voor het NIKA-beleid is de verandering van het klimaat. Dit speelt wereldwijd. Perioden van droogte, hitte en neerslagpieken beïnvloeden de leefomgeving van mens en dier en veroorzaken schade in de landbouw, bebouwing, gezondheid van mensen etcetera. Het aantal dier- en plantensoorten neemt schrikbarend af met alle gevolgen van dien. De afname van bijen en vlinders resulteert onder meer in minder bestuiving van gewassen waardoor ook voedselproductie onder druk komt te staan. Ook in Nederland ervaren we klimaatsverandering. Denk aan perioden van droogte of hitte, zoals in de zomers van 2018, 2019, 2020 en 2022. Of de vele regen en overstromingen in de zomer van 2021 in Limburg.
Deze ontwikkelingen raken iedereen, zowel mens als dier. Dit vraagt om een aanpak waaraan iedereen meehelpt. Wereldwijd, landelijk en regionaal wordt nagedacht over strategieën voor klimaatadaptatie en voor het beperken van de afname van biodiversiteit. Ook Apeldoorn werkt hier aan. Dit werd al aangekondigd in het Ecoplan en de omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn'. Gemeente Apeldoorn stelt het NIKA-beleid voor. NIKA staat voor 'natuurinclusief en klimaatadaptief' ontwikkelen en bouwen. Dit betekent dat we bij bouw ontwikkelingen ruimte maken voor klimaatadaptatie en natuurontwikkeling. Zo dragen we bij aan een gezonde leefomgeving en aan brede welvaart en nemen we de verantwoordelijkheid om de problematiek nu op te pakken en niet af te wentelen in tijd of ruimte.
Toegevoegde waarde NIKA
Stedelijk groen zorgt voor verkoeling in de zomer, buffert water, zuivert de lucht en biedt volop ruimte aan mede-stadbewoners zoals de huismus, gierzwaluw of gewone dwergvleermuis.
Meer groen en een vitale bodem dragen bij aan de infiltratiecapaciteit van de bodem, houden water beter vast en zorgen voor schaduw (met name bomen en pergola's) en verkoeling tijdens hete periodes. (Openbaar) groen met een hoge diversiteit en met inheemse vegetatie draagt bij aan het verbeteren van de leefgebieden van diersoorten in de gebouwde omgeving. Kortom: minder verharding en meer (inheemse en diverse) bomen, struiken en groenstroken leveren een belangrijke bijdrage aan zowel klimaatadaptatie als aan het versterken van de biodiversiteit en een gezonde leefomgeving. Een omgeving die bewoners en bezoekers stimuleert om buiten te ontmoeten, bewegen en te spelen. Door groene buitenruimtes wordt lichaamsbeweging gestimuleerd en stress verminderd, wat resulteert in gezondere burgers.
De gemeente Apeldoorn vindt het belangrijk dat nieuwe bouw ontwikkelingen toekomstbestendig zijn. Wij willen leefomgevingen creeëren waar ruimte is voor biodivers groen en waar een antwoord wordt gegeven op wateroverlast, hittestress en droogte. Hiervoor hebben wij NIKA beleid ontwikkeld.
Wanneer is NIKA van toepassing
NIKA schept voorwaarden waar projecten en plannen aan moeten voldoen bij het ontwikkelen en bouwen. In iedere ontwikkeling wordt rekening gehouden met de natuur en het veranderende klimaat. De NIKA methode bepaalt hoe deze maatregelen er minimaal uitzien. Deze NIKA-waarden bestaan uit twee onderdelen.
Vaste waarden
Het eerste onderdeel bestaat uit vijf vaste waarden:
Variabele waarden
Het tweede deel bestaat uit variabele waarden in drie categorieën:
Hierbij wordt gewerkt met een puntensysteem. Aan verschillende maatregelen zijn punten gekoppeld. De vaste waarden zijn voor iedereen hetzelfde en dus ook hier van toepassing. Binnen de variabele waarden moeten er in totaliteit 5 punten worden gescoord, per onderdeel wordt bepaald hoeveel punten kunnen worden toegekend.
De gemeente Apeldoorn vindt het belangrijk dat nieuwe bouw ontwikkelingen toekomstbestendig zijn. Wij willen leefomgevingen creëren waar ruimte is voor biodivers groen en waar een antwoord wordt gegeven op wateroverlast, hittestress en droogte. Hiervoor hebben wij NIKA beleid ontwikkeld. NIKA is op dit plan van toepassing aangezien het bouwvlak groter is dan 1.500m2.
Betekenis voor dit plan
Als het om de Kanaalzone Noord gaat, dan kan gesproken worden over een drietal ontwikkelingen. Ontwikkelingen, die als het gaat om beoordeling van het 'groen op maaiveld' bekeken moet worden in z'n totaliteit. In dit geval gaat het om het zwembad, de parkeergarage en de parktorens. Een groot gebied ten westen van het nieuwe zwembad, vrijwel grenzend aan de Boerhaavestraat, dient bij de beoordeling op grond van NIKA meegewogen te worden.
Navolgend wordt onderbouwd hoe aan de gestelde waarden wordt voldaan op de locatie zelf, met uitzondering van het aspect 'groen op maaiveld'.
Voor het besluitgebied kan worden vastgeteld dat een braakliggend terrein in het gebied Kanaalzone Noord Apeldoorn wordt herontwikkeld ten behoeve van een parkeergarage. Navolgend wordt onderbouwd hoe aan de gestelde waarden wordt voldaan.
Vaste waarden
Waterberging
Vanwege de toename in verharding wordt 50% van het regenwater opgevangen in de openbare ruimte de andere 50% wordt opgevangen door infiltratiekratten.
Voorzieningen voor gebouw bewonende soorten
Met onderhavige ontwikkeling worden er geen gebouwen gesloopt waarin beschermde soorten aanwezig zijn. Daarvoor hoeven geen maatregelen conform het Soortenmanagementplan (SMP) genomen te worden. Wel is uit ecologisch onderzoek een habitat voor marters vastgesteld. In het plan wordt hier rekening mee gehouden. Aan vaste waarde 2: voorzieningen voor vogels en vleermuizen wordt voldaan.
Groen op maaiveld
De gemeente Apeldoorn wil graag nieuwe groene en leefbare wijken en buurten. Het uitgangspunt van de vergroeningsopgave luidt als volgt: 40% van de oppervlakte van de bouw ontwikkeling bestaat uit een groen maaiveld. Het groen bestaat voor minimaal de helft uit biodivers groen en is minimaal voor de helft publiek toegankelijk.
In onderhavige plan wordt 40% behaald op het maaiveld. Tevens wordt het dak van de parkeergarage deels vergroend, dit kan worden gezien als een extra toevoeging.
Op onderstaande afbeelding is de bestaande situatie weergegeven van het groen voor de Kanaalzone Noord als geheel.
Afbeelding 3.6 Bestaan groen (bron: gemeente Apeldoorn)
In de nieuwe situatie ontstaat voor groen het volgende beeld:
Afbeelding 3.7: Oppervlakte groen in de nieuwe situatie (bron: Gemeente Apeldoorn).
Bomen
Bomen hebben een grote meerwaarde. Vooral in de stad omdat die door haar stenige karakter snel opwarmt en lang warmte vast houdt. Bomen zorgen voor schaduw en verdamping en daardoor voor meer koelte gedurende een langere periode. Ze hebben veel pluspunten. Ze zorgen voor voedsel en voor verblijf- en rustplekken voor dieren. En ze vangen regenwater op en CO² af. In grote groene ruimtes hebben grote bomen de voorkeur. In kleine ruimtes is het logisch om soorten te planten die klein blijven. Het is belangrijk dat de bomen een goede groeiplaats hebben. Zodat ze goed kunnen groeien en lang gezond blijven. Voor ruimtelijke ontwikkelingen wordt per 200 m² 'bouwvlak' 1 boom toegevoegd in het besluitgebied.
In de binnenstad is het moeilijk door de beperkte ruimte, zeker samen met de andere waarden om aan de norm te voldoen. Daarom geldt voor de binnenstad 1 boom per 500 m² bouwvlak van de bebouwing. Met onderhavige ontwikkeling wordt een bouwvlak van 2685 m² mogelijk gemaakt. Hiervoor zullen dus minimaal (2.685 / 500) 5,3 bomen, afgerond 6 bomen worden aangeplant.
Windhinder
Met de te verwachten veranderende klimaatomstandigheden zullen met name buien frequenter en intensiever worden. De daarmee gepaarde windbelasting zal in de Kanaalzone toenemen. De stroming van de wind wordt daardoor belangrijker in stedelijk gebied. Windstromingen veranderden bij obstakels immers van richting. Daardoor vertraagt de wind op de ene plek er ontstaan luwteplekken, maar versnelt in vernauwde ruimtes waar de wind als het ware wordt samengeperst. Hier treedt versnelling van de windstroom op. Bij deze richtingsveranderingen ontstaan er soms vlagen op die steeds vaker zullen voorkomen. Bij sterkere wind, zoals bij buien en grotere obstakels zoals hoogbouw, verhoogt dus de vlagenintensiteit. Dit kan voor straten en verblijfsgebieden ongewenste situaties opleveren voor fietsers en voetgangers en daarmee bijdragen aan een ongewenst verblijfsklimaat in de stad. Om windhinder te voorkomen willen de gemeente in de stad sturen op de windbelasting op maaiveld. Daarnaast wil Apeldoorn een prettige stad zijn waar het met name goed vertoeven is in de buitenruime om zo het gebruik van de buitenruimte voor ontmoeting sport en spel te stimuleren. Ook hier hoort een minimale windbelasting bij voor de publieke ruimte.
Bij gebouwen met een hoogte tussen 15 meter en 30 meter dient de windhinder beperkt te worden zodat op het maaiveld voldaan wordt aan:
Het plan voldoet aan deze criteria.
Variabele waarden
Binnen de kaders van het puntensysteem zal het minimum aantal van 5 punten behaald worden, via maatregelen zoals dakgroen, gevelgroen, nestkasten en biotopen.
De Natuurtoets doet een voorstel tot een aantal natuurinclusieve en ook klimaatadaptieve maatregelen. Hiervoor kan ook worden verwezen naar bijilage 12 Natuurtoets. Binnen de natuurtoets worden per 5 onderdelen voorstellen gedaan voor klimaatadaptieve maatregelen.
Borging
Het NIKA-beleid is als dynamische verwijzing opgenomen in het omgevingsplan. De vaste waarden zijn geborgd door middel van een gebodsbepaling in het omgevingsplan. De variabele waarden zijn als voorwaarde opgenomen in het omgevingsplan en gelden daarmee als toetsingskader bij de aanvraag van een omgevingsvergunning eventueel in combinatie met een vergunningvoorschrift.
Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in de Verkeersvisie 2016 - 2030 (vastgesteld juli 2016). De Verkeersvisie werkt de ambities voor Apeldoorn uit de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' uit voor het onderdeel Mobiliteit.
Comfortabele gezinsstad: iedereen kan zich veilig verplaatsen en er is sprake van een bereikbare , leefbare en aantrekkelijke (binnen)stad. De fiets is het primaire vervoermiddel; ook het openbaar vervoer speelt een belangrijke rol in de verplaatsingen.
Toeristisch toplandschap: de attracties, bezienswaardigheden en evenementen zijn ook bij piekdrukte goed bereikbaar. Na een bezoek aan bijvoorbeeld de attractieparken aan de rand van de Veluwe weet men de weg naar de binnenstad te vinden.
Veelzijdige economie: winkels, kantoren en bedrijven zijn goed bereikbaar. Apeldoorn wordt goed ontsloten door de A1 en de A50 en een aantal provinciale wegen. De doorstroming op de hoofdwegen en met name op de Ring is essentieel. De binnenstad moet met alle vervoermiddelen goed toegankelijk blijven. Bij de bedrijventerreinen en werkgebieden kunnen zowel openbaar vervoer als de (e-)fiets naast de auto een steeds belangrijker rol spelen.
Lokale duurzaamheid: er moet een omslag worden gemaakt van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van elektriciteit en waterstof. Hierin spelen vooral marktpartijen en beslissingen op landelijk en Europees niveau een rol. De (e-)fiets kan eveneens aan de doelstellingen van energieneutraliteit en uitstootvrij en daarmee aan een gezonde en schone leefomgeving bijdragen. Op lokaal niveau zet Apeldoorn zich in voor een snelle overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van duurzame energie.
De ambities uit de structuurvisie zijn vertaald in de volgende kernopgaven:
Kernopgave 1: Apeldoorn fietsstad: meer ruimte voor de fiets. Om deze opgave te realiseren wordt het gebruik van de fiets, ook in het voor- en natransport, gestimuleerd; worden de fietsroutes sneller en directer gemaakt en wordt het fietsgebruik veiliger gemaakt.
Kernopgave 2: Transitie van aanbodgericht naar vraaggericht en efficiënt openbaar vervoer. Om deze opgave te realiseren wordt een nieuw OV-netwerk ontwikkeld, wordt duurzaam en innovatief openbaar vervoer geïntroduceerd, worden de OV-knooppunten versterkt en worden nieuwe kansen die ontstaan door recreatie- en evenementenstromen benut.
Kernopgave 3: Beter en veilig gebruik van de infrastructuur. Om deze opgave te realiseren wordt de doorstroming op de hoofdwegen verbeterd, wordt bijgedragen aan de doorstroming op regionale en landelijke hoofdwegen, wordt (dynamische) informatie over parkeergelegenheden en over de drukte op wegen verstrekt, worden de parkeernormen geactualiseerd en wordt het parkeren gebruikersvriendelijker gemaakt.
In de Verkeersvisie worden deze (kern)opgaven vervolgens uitgewerkt in concrete voorgenomen maatregelen.
Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de 'Beleidsregels Parkeren 2024', die door de gemeenteraad is vastgesteld op 13 juni 2024. De beleidsregels zijn op 30 augustus 2024 in werking getreden. Het parkeerbeleid is op dit omgevingsplan van toepassing.
Uitgangspunt van het beleid is dat de benodigde (fiets)parkeerplaatsen (parkeerbehoefte) op 'eigen terrein' worden gerealiseerd. Dit kan in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort.
Met dit beleid wordt beoogt te sturen op leefbaarheid en bereikbaarheid. Het beleid is een sturingselement bij de ontwikkelingen die Apeldoorn de komende jaren te wachten staat. De insteek bij het parkeren is dat parkeeroverlast - zo veel mogelijk - te voorkomen. Uitgangspunt is dat de parkeervraag bij ontwikkelingen niet mag worden afgewenteld naar de openbare weg. Het onderwerp parkeren wordt daarnaast benut in de strategie om Apeldoorn duurzaam en autoluw te ontwikkelen.
De nieuw vastgestelde beleidsregels voor parkeren richten zich enerzijds op het geven van een uitleg over hoe de parkeerregeling in het omgevingsplan zal worden toegepast. In de parkeerregeling die is opgenomen in het omgevingsplan (van rechtswege) wordt naar de 'Beleidsregel Parkeren' verwezen. Anderzijds dient deze beleidsregel als een toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld.
De parkeernormen voor zowel fietsen als auto's zijn vastgelegd in de Beleidsregels Parkeren 2024. De beleidsregel legt vast wat wordt verstaan onder het realiseren van voldoende parkeerruimte voor fiets en auto en voor laden en lossen'.
Daarnaast wordt in de beleidsregel ingegaan op deelmobiliteit en hoe deelmobiliteit een rol kan spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. De beleidsregel geeft inzicht in het aantal, de kwaliteit en de plek van de te realiseren parkeerplaatsen. Het bepalen van 'voldoende parkeerruimte' gebeurt bijvoorbeeld door het hanteren van parkeernormen voor fietsen en auto's.
Betekenis voor dit plan
Op basis van de geplande woningbouw, de bouw van het zwembad, bestaande parkeerbehoefte op maaiveldsniveau en deelvervoer is de parkeerbehoefte berekend. De behoefte aan parkeervoorzieningen is berekend op ongeveer 584 parkeerplaatsen (zie hiervoor bijlage 8). Uit de parkeerbalans blijkt dat in voldoende mate kan worden voorzien in parkeerbehoefte. Kanttekening hierbij is dat bij het opstellen van het omgevingsplan voor het zwembad de 'Beleidsregel parkeren' is gehanteerd, vastgesteld 21 maart 2019. Hierin waren echter geen parkeernormen opgenomen voor overdekte zwembaden. Vervolgens is de landelijke norm van het CROW aangehouden, die voor overdekte zwembaden een parkeernorm aanhoudt van 11.5 parkeerplaatsen per 100 m2 bassin. Deze norm is opgenomen in de "Beleidsregel parkeren 2024''.
Door RoyalHaskoningDHV is onderzoek verricht naar de verkeersgeneratie van de parkeergarage. Het rapport is als bijlage 8 bij deze motivering gevoegd. Op basis van de rapportage kan worden geconstateerd dat de verkeersstromen gescheiden plaatsvinden. Voor de parkeergarage wordt een aparte toegang gerealiseerd vanaf de Vlijtseweg en aan de andere kant van de parkeergarage wordt een afzonderlijke uitgang gerealiseerd naar de Vlijtseweg. In de rapportage is geconstateerd dat de berekende verkeersstromen geen problemen vormen. De cyclustijd van de verkeersregeling bedraagt zo'n 80 seconden, wat in de verkeerskunde als goed wordt beschouwd. Verder kan worden geconstateerd dat de zogenaamde verzadigingsgraad van alle richtingen, onder de 90% blijft, wat binnen veel gemeente als maximumgrens wordt beschouwd.
Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2022-2026 (WRP) is in 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In het WRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en bestemmingsplannen. Het WRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.
Speerpunt in het WRP is het herstel van het natuurlijk bodem- en watersysteem, inspelen op de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners wordt gevraagd zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.
Uitgangspunten bestemmingsplan
Het gemeentelijke archeologisch beleid is vervat in de Cultuurhistorische en Archeologische Beleidskaart van 2024. Binnen de beleidskaart wordt gewerkt met 7 categorieën. Ten opzichte van voorheen is er een categorie 0 toegevoegd, het gaat hierbij om locaties, waarvoor al onderzoek is verricht. Ten aanzien van de categorieën 1 tot en met 6 kan het volgende worden weergegeven:
Categorie 1: geen bodemingrepen
Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de Monumentenverordening. In principe geen bodemingrepen mogelijk.
Categorie 2: bodemingrepen tot 50 m²
Terreinen met vastgestelde archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij bodemingrepen dieper dan 35 cm -mv over een oppervlakte groter dan 50 m2 is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Categorie 3: bodemingrepen tot 100 m²
Tot de terreinen met archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden zijn archeologische waarden aanwezig, maar waar deze precies liggen is niet altijd bekend. Bij bodemingrepen is de kans dan ook zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden is bij bodemingrepen dieper dan 35 cm -mv over een oppervlakte groter dan 100 m² archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Categorie 4: bodemingrepen tot 500 m²
In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Bij bodemingrepen dieper dan 35 cm -mv over een oppervlakte groter dan 500 m² is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Categorie 5: Vrijgeven onder voorwaarden
In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Bij bodemingrepen dieper dan 35 cm -mv over een oppervlakte groter dan 2.500 m² is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Categorie 6: Alle bodemingrepen vrij
In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.
Doorwerking in het plan
Afbeelding 3.5 Fragment en Legenda van het Archeologisch Beleid gemeente Apeldoorn
Het besluitgebied ligt in categorie 5, een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. Aangezien de oppervlakte van de bodemingrepen die gaan plaatsvinden groter zijn dan 2500 m², waarbij dieper wordt gegraven dan 35 cm heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden. In paragraaf 4.4. worden de resultaten van het onderzoek, alsmede de conclusies naar aanleiding van het onderzoek, beschreven.
De nota 'Fundament Voor Buitengewoon Talent, Apeldoornse Cultuur- en Erfgoednota 2025-2030' is door de gemeenteraad vastgesteld en ingegaan op 1 januari 2025. Kern van de nota is dat cultuur en erfgoed van essentieel belang zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van Apeldoorn. Voor gebiedsontwikkelingen wordt gesteld: “We gaan vormgeven aan nieuwe gebiedsontwikkelingen. Die moeten niet kleurloos zijn, maar een karaktervolle Apeldoornse invulling krijgen. We bouwen voort op de al bestaande kwaliteiten. De geschiedenis van Apeldoorn is uitgangspunt en inspiratiebron bij deze ruimtelijke ontwikkelingen.
Daarnaast is het een wettelijke taak van de gemeente om zorg te dragen voor het ruimtelijk erfgoed. Het is daarom belangrijk om erfgoed zo vroeg mogelijk in het planproces mee te nemen. Niet alleen om het aanwezige erfgoed te beschermen en te behouden, maar ook om dit te benutten als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. Daartoe dient tijdig goed archeologisch, cultuurhistorisch en/of bouwhistorisch onderzoek te worden gedaan, waarmee inzicht ontstaat in de aanwezige erfgoedwaarden. Via het onderzoek wordt kennis vergaard en vastgelegd over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur, en op basis hiervan volgen aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorische onderbouwing verplicht. Afhankelijk van deze onderbouwing kan nader onderzoek worden vereist. Er dient te worden gestreefd naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
Gebieden met hoge cultuurhistorische waarden krijgen indien relevant een beschermende regeling in het omgevingsplan.
Implementatienotitie modernisering monumentenzorg In 2012 heeft de gemeenteraad de Implementatienotitie modernisering monumentenzorg vastgesteld. In deze notitie is vastgelegd dat de iconen (monumenten, beeldbepalende panden en beschermde gezichten of gebieden) worden beschermd via sectorale regels, zoals de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Andere cultuurhistorische waardevolle kwaliteiten worden -waar nodig en mogelijk- door middel van het bestemmingsplan beschermd.
Doorwerking in het plan
Bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorische onderbouwing verplicht. Afhankelijk van deze onderbouwing kan nader onderzoek worden vereist. Er dient te worden gestreefd naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.
Gebieden met hoge cultuurhistorische waarden krijgen indien relevant een beschermende regeling in het omgevingsplan.
Op basis van de cultuurhistorische kaart van Apeldoorn kan worden vastgesteld dat in de directe nabijheid van het besluitgebied geen beschermde panden aanwezig zijn. Het dichtstbijzijnde pand Boerhaavestraat 60 dat is aangewezen als gemeentelijk monument is op ruime afstand van het besluitgebied gesitueerd. De ontwikkelingen binnen het besluitgebied hebben geen effect op het monument.
Afbeelding 3.6: Fragment Atlas gemeente Apeldoorn, cultuurhistorische beschermde panden
Apeldoorn groeit naar minstens 180.000 inwoners en ontwikkelt zich tot een groene, stedelijke stad met allure. De Hoogbouwnota 2025 biedt kaders voor het zorgvuldig inpassen van hoogbouw, passend bij het karakter van de stad. Door woningnood en veranderende marktvraag is hoogbouw aantrekkelijker geworden. De nota stimuleert verdichting met behoud van ruimtelijke kwaliteit, en richt zich op duurzame stedelijke ontwikkeling, goede openbare ruimte en efficiënte mobiliteit. Hoogbouw is een middel om groei op te vangen, geen doel op zich. De nota vervangt het beleid uit 2008 en biedt spelregels voor toekomstige bouwprojecten.
De Hoogbouwnota 2025 faciliteert hoogbouw op geschikte locaties in Apeldoorn, met aandacht voor stedenbouwkundige inpassing en vergroening. Apeldoorn kent een fijnmazige structuur met groene ruimtes, die versterkt worden via nieuwe groenstructuren. Hoogbouw biedt kansen voor verdichting zonder verstening, en draagt bij aan publieke ruimte, duurzaamheid, betaalbaarheid en gemeenschapsvorming. Door compacte footprint ontstaat ruimte voor ontmoetingen en levendigheid. Elk hoogbouwinitiatief wordt beoordeeld op impact en bijdrage aan de stad, op wijk-, buurt- en stadsniveau.
Apeldoorn kent al enkele hoogbouwcomplexen, maar deze staan los van elkaar en hebben weinig invloed op de skyline of beleving op straatniveau. Ze worden gezien als individuele objecten in het stedelijk weefsel. De Hoogbouwnota onderscheidt drie typen hoogbouw:
Deze indeling helpt bij het zorgvuldig inpassen van hoogbouw in de bestaande structuur van de stad.
Doorwerking in het plan
De doorwerking komt aan de orde binnen paragraaf 4.7 Duurzaamheid
Op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat een omgevingsplan in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieu- en omgevingsaspecten onderbouwd.
Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van bouwwerken pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Voor deze ontwikkellocatie is getoetst of de bodemkwaliteit (inclusief grondwater) de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen toelaat. Er is ook getoetst of een eventuele bodemverontreiniging gevolgen heeft voor de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
Onderzoeksresultaten
Door De Klinker Milieu Adviesbureau is een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek uitgevoerd. Het rapport hierover dateert van 4 mei 2023 met rapportnummer K2320029. Het onderzoek is gericht geweest op alle drie de ontwikkelingen aan de Vlijtseweg. De onderzoeksresultaten van locatie 2 hebben ook betrekking op de locatie voor de parkeergarage. Het rapport is als bijlage 9 bij deze motivering gevoegd.
Op basis van het rapport wordt geconcludeerd dat in de bovengrond ten zuiden van de Musschenbroekstraat (locatie 2) een matig verhoogd gehalte koper en een licht verhoogd gehalte kwik en lood is aangetoond. Na de uitsplitsing blijkt de hoogste concentratie aanwezig in boring G6. In boring G3 is een matig verhoogd gehalte koper aangetroffen en in boring G4 en G5 een licht verhoogd gehalte. In de overige bovengrondmonsters van locatie 2 zijn licht verhoogde concentraties koper, kwik, lood en PCB aangetroffen. In de ondergrond en de diepe ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Het grondwater in peilbuis G17 is sterk verhoogd gehalte nikkel en een matig verhoogd gehalte kobalt aangetroffen. Ook na herbemonstering zijn deze concentraties nog aangetroffen. In de overige grondwatermonsters zijn maximaal licht verhoogde concentraties arseen, nikkel, naftaleen en koper aangetoond. In de grond en de puinverharding is geen asbest aangetroffen.
Vastgesteld wordt dat het terrein op basis van de milieuhygiënische kwaliteit vooralsnog niet geschikt is voor het voorgenomen gebruik.
Op grond van het onderzoek wordt de aanbeveling gedaan om bij de herinrichting en bouwplannen te bezien op welke wijze de bodemverontreiniging wordt beïnvloed. Herinrichting of bouwplannen zijn derhalve niet zondermeer te realiseren zonder aanvullende maatregelen. Geadviseerd wordt om eventuele bouw- en/of herinrichtingsplannen verder uit te werken en op basis van ondermeer het grondverzet en de vrijkomende grondstromen een plan van aanpak uit te werken. Voorafgaand aan het plan van aanpak dient de verontreinigingssituatie met koper in de grond en eventueel ook de metalen in het grondwater nader in kaart te worden gebracht.
Voorafgaand aan de werkzaamheden kan dan middels een melding of saneringsplan ingediend worden bij het bevoegd gezag (provincie Gelderland). Na goedkeuring hiervan, kunnen de saneringswerkzaamheden worden opgestart. De werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden door een bedrijf dat is gecertificeerd voor de BRL7000. De werkzaamheden dienen begeleid te worden door een bedrijf dat is gecertificeerd voor de BRL6000.
Conclusie
Voorafgaand aan de werkzaamheden moet een plan van aanpak worden opgesteld. Vervolgens dient een melding of saneringsplan ingediend te worden bij het bevoegd gezag (provincie Gelderland). Voorgaande zal contractueel worden vastgelegd ter borging van het aspect bodem. Gelet op de onderzoeksresultaten en op de functie van parkeergarage wordt verwacht dat goedkeuring wordt afgegeven. Na goedkeuring levert het onderdeel bodem geen belemmering voor dit omgevingsplan.
Door RoyalHaskoningDHV is onderzoek gedaan naar de milieuzonering. Daarbij is bekeken in hoeverre de realisering van parkeergarage planologisch-juridisch mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij is rekening gehouden met de appartementen Vlijtse Parktorens Onder andere moet in dat kader de vraag beantwoord worden of het project aanvaardbaar is uit het oogpunt van milieuzonering. Het onderzoek milieuzonering is geïntegreerd in Bijlage 11 die bij deze motivering is gevoegd.
Beoordeling parkeergarage
In tabel 1, behorende bij de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" is een parkeergarage specifiek genoemd, namelijk onder SBI 2008, code 5221. Parkeergarages vallen in milieucategorie 2 met een grootste afstand voor geluid van 30 m.
De hier aan te houden richtafstand ten opzichte van (bestaand en nieuwe) woningen is minimaal 10 m, uitgaande van het gebiedstype gemengd gebied. Het gebied bestaat niet enkel uit woningen, het gaat hierbij om woningen, bedrijvigheid, kantoren en maatschappelijke functies, zodat gesproken kan worden over gemengd gebied.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de parkeergarage zelf geen gevoelige functie betreft.
De afstand tot de parkeergarage bedraagt overal tenminste 10 m tot (bestaande of nieuwe) woningen of scholen, deze is daarmee planologisch inpasbaar.
Inmiddels is gekozen voor het realiseren van de toegang tot de parkeergarage voor motorvoertuigen aan de zuidzijde. Het betreft de enige toegang tot de parkeergarage. Het aspect wordt eveneens behandeld in Bijlage 11.
Conclusie
Milieuzonering vormt geen belemmering voor dit omgevingsplan.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in afdeling 5.1 (5.1.4.2a.4 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden) regels opgenomen voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in het geluidsaandachtsgebieden van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Er moet akoestisch onderzoek verricht worden wanneer geluidgevoelige gebouwen geheel of gedeeltelijk binnen een geluidaandachtsgebied komen te liggen. Er wordt daarbij gewerkt met een standaardwaarde en grenswaarde. Voor rijkswegen en provinciale wegen, gemeente- en waterschapswegen, hoofd- en lokale spoorwegen en industrieterreinen gelden ieder eigen standaard- en grenswaarden volgens het Bkl.
De standaardwaarden hebben als doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidniveaus. Maar ook voor het aspect geluid geldt dat wordt gekeken naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanvaardbaarheid van zowel geluidbelasting als geluidhinder is afhankelijk van de planologische context; in een woonwijk worden andere geluidniveaus aangetroffen en verwacht dan in een bruisend stadscentrum. Een overschrijding van de standaardwaarden kan daarmee door het bevoegd gezag acceptabel worden geacht en hoeft geen obstakel te zijn. Wel geldt dat in het Bkl grenswaarden zijn opgenomen waarboven er doorgaans geen aanvaardbaar geluidniveau kan bestaan. Bij een geluidbelasting boven deze grenswaarde is de ontwikkeling niet zonder meer mogelijk.
Onderzoeksresultaten
Algemeen
Door RoyalHaskoningDHV is een quickscan geluid uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 11 bij deze motivering gevoegd. Antwoord wordt gegeven op de vraag in hoeverre het project aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van geluidhinder.
In de rapportage wordt vastgesteld dat dit rapport aansluit bij de separaat beschikbare notities waarin de projecten worden getoetst aan de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (VNG 2009). Deze handreiking wordt nog steeds gehanteerd na de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Binnen de rapportage is gekozen voor een gecombineerde toetsing van appartementen en parkeergarage. De notitie gaat meer in op de op te richten woningen, een parkeergarage is immers geen geluidgevoelig gebouw, maar de parkeergarage kan wel invloed hebben op de geluidssituatie voor de appartementen.
Uitgaande van de uitkomsten van de eerder genoemde rapportages inzake milieuzonering, blijkt dat geluidhinder nagenoeg niet zal worden veroorzaakt door geluidhinderlijke functies in de omgeving. De afstanden tussen de woningbouw en de geluidhinderlijke functies voldoen aan de richtafstanden. Reden waarom binnen deze notitie uitsluitend wordt ingegaan op de eventuele geluidhinder vanwege het verkeer.
Op basis van de scan wordt vastgesteld dat het geluid op de gevels van de geluidgevoelige gebouwen hoger is dan de standaardwaarde, maar nergens hoger dan de grenswaarde. Het is mogelijk om in het omgevingsplan onder voorwaarden geluid op de gevel toe te staan dat hoger is dan de standaardwaarde. In het gemeentelijk Actieplan Geluid Apeldoorn is aangegeven dat ernaar gestreefd moet worden om een geluidluwe gevel te creëren en bij voorkeur een slaapkamer te realiseren aan deze geluidluwe gevel. Bij de uitwerking van de vormgeving kan hier rekening mee worden gehouden.
Gemeentelijk beleid
De gemeente stelt in haar actieplan dat nieuw te bouwen woningen waar het geluid hoger is dan 63 dB per definitie geen knelpunt zijn, omdat deze zo goed zijn geïsoleerd dat kan worden voldaan aan de waarden voor het geluid in de woning (binnengeluid). De woningen zijn volgens de definitie in het Actieplan Geluid Apeldoorn aandachtspunten (geluid van wegen is hoger dan 60 dB) en kunnen worden betrokken in de afweging of een bronmaatregel op de Edisonlaan doelmatig is.
Gevelisolatie
De gevels van de nieuw te bouwen woningen moeten zodanig worden uitgevoerd, dat het geluid in de woningen niet hoger is dan 33 dB (binnenniveau).
Conclusie
Het onderdeel geluid vormt geen belemmering mits wordt voldaan aan bovenstaande voorwaarde.
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.
Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels vooropstellen.
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de beleidsregel 'Trillingshinder Spoor' en de handreiking 'Nieuwbouw en Spoortrillingen'. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het terreinbeeld hiertoe aanleiding geven.
Situatie besluitgebied
Het besluitgebied ligt op meer dan 2 kilometer afstand van het spoortraject Amersfoort - Deventer. Er zijn geen klachten ten aanzien van trillingen bekend. Gezien de afstand tot het spoortraject is er geen aanleiding om onderzoek te doen naar trilling.
Conclusie
Trilling vormt geen belemmering voor dit omgevingsplan.
De Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit zijn geïmplementeerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het doel van deze wetgeving is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De wet is primair gericht op het voorkomen van negatieve effecten op de gezondheid van de mens. Daarnaast zijn er voor de stoffen zwaveldioxide en stikstofoxiden ook normen opgenomen ter bescherming van ecosystemen.
Voor het toetsen van ruimtelijke plannen zijn de volgende omgevingswaarden het meest relevant:
Voor de overige stoffen worden in Nederland geen overschrijdingen gerapporteerd.
In de artikelen 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald wanneer activiteiten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In deze situaties is toetsing aan de omgevingswaarden niet noodzakelijk.
Plangericht
Vastgesteld kan worden dat het hanteren van de NIBM-toets in deze situatie niet aan de orde is. Op grond van artikel 5.50 van het Beluit kwaliteit leefomgeving geldt de verplichting tot nadere beoordeling van de luchtkwaliteit uitsluitend bij projecten binnen of in de nabijheid van luchtaandachtsgebieden. Het besluitgebied is niet gelegen in een luchtaandachtsgebied en is verder op voldoende afstand gelegen van de luchtaandachtsgebieden in de gemeente Ede en Barneveld.
Conclusie
Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit omgevingsplan.
De Omgevingswet zet in op het realiseren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Daarmee heeft het thema gezondheid een centrale rol bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Gezondheid is een breed thema waarbij gedacht kan worden aan diverse thema's en aspecten die zich richten op de bescherming van de gezondheid van inwoners. Te denken valt aan aspecten als geluid, geur en luchtkwaliteit.
Een ander belangrijk aspect vanuit gezondheid is het bevorderen en stimuleren van de gezondheid van inwoners. Het aspect groen speelt daarbinnen onder meer een belangrijke rol. Zo draagt groen bij aan het realiseren van een positieve mentale gezondheid van mensen, nodigt groen uit tot bewegen en ontmoeten en heeft groen een verkoelende werking.
Situatie besluitgebied
Voor een deel zal de parkeergarage in de toekomst gebruikt worden voor het parkeren ten behoeve van het zwembad. Inwoners worden dan in de gelegenheid gesteld om te bewegen, wat een positieve bijdrage levert aan de gezondheid van de inwoners. Verder zal de omgeving rond de drie eerder genoemde ontwikkelingen door zorgvuldig ruimtegebruik zoveel mogelijk met groen en spelen worden ingevuld, zodat het een positieve bijdrage levert aan de mentale gezondheid van de mensen.
In algemene zin kan worden opgemerkt dat het aspect geluid en luchtkwaliteit een positieve bijdrage levert op het aspect gezondheid.
Conclusie
Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor dit omgevingsplan.
Omgevingsveiligheid gaat om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Onder omgevingsveiligheid vallen ook de risico's door luchthavens en windturbines.
In paragraaf 5.1.2.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de algemene bepalingen met betrekking tot het waarborgen van de veiligheid opgenomen. Hieruit volgt dat in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises, rekening wordt gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening. Voor zowel de handelingen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven als het transport van gevaarlijke stoffen zijn drie aspecten van belang, het plaatsgebonden risico (PR), aandachtsgebieden en het groepsrisico (GR).
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Aandachtsgebied
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 t/m 4.96 Bbl.) Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Overige bepalingen
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Onderzoeksresultaten
Door RoyalHaskoningDHV is onderzoek verricht naar de omgevingsveiligheid (voorheen externe veiligheid). Het onderzoek is gericht geweest op woningbouw, het zwembad en realisering van de parkeergarage. Het rapport is gedateerd 16 oktober 2024 en is als bijlage 10 bij deze motivering gevoegd. Op basis van het rapport kan worden vastgesteld dat het planvoornemen geen risicovolle activiteit en geen (beperkt) kwetsbare gebouwen mogelijk maakt. Verder is geconstateerd dat het besluitgebied niet binnen een aandachtsgebied en/of PR 1 x 10-6 per jaar contouren van omliggende risicovolle activiteiten ligt. Ook is geconstateerd dat geen verdere beschouwing plaats hoeft te vinden over het al dan niet aanwijzen van een voorschriftengebied.
Conclusie
Omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor dit omgevingsplan.
In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels opgenomen omtrent milieubelastende activiteiten. Het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie bij een groter elektrisch vermogen dan 4 kW is een dergelijke milieubelastende activiteit.
Elektromagnetische velden van antennes kunnen het lichaam opwarmen. Dat kan slecht zijn voor de gezondheid en daarom zijn er blootstellingslimieten. Mensen mogen niet worden blootgesteld aan elektromagnetische straling boven de blootstellingslimieten van de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP).
De toelatingsregels van het omgevingsplan borgen dat de blootstellingslimieten niet worden overschreden. Meestal blijkt uit de aanvraag voor een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit dat de blootstellingslimieten niet worden overschreden.
Onderzoeksresultaten
Voorliggende ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van een antenne installatie, waardoor elektromagnetische velden ontstaan. Evenmin is er sprake van elektromagnetische velden in de directe omgeving van het besluitgebied. Binnen de regels is al wel een beperkende regel opgenomen ter voorkoming van overlast door de mogelijke plaatsing van antenne-installaties.
Conclusie
Het aspect elektromagnetische velden vormt geen belemmering voor dit omgevingsplan.
De wet- en regelgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
Voor plannen en programma's die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.
De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
Onderzoeksresultaten
Door Witteveen & Bos is een Milieueffectrapportage uitgevoerd. Het rapport is als separate bijlage 15 bij deze motivering beschikbaar. De aanleiding van het MER zijn de beoogde ontwikkelingen in de Kanaalzone. Een gebied dat als een ontwikkelgebied is aangemerkt in de Omgevingsvisie Woest Aantrekkelijk Apeldoorn. In deze zone bied de gemeente Apeldoorn ruimte voor groei van het aantal inwoners en economische activiteiten in de stad. In de Kanaalzone Noord liggen een zestal deelontwikkelingen met een bouwprogramma, waarvan Vlijtsepark Torens onderdeel is. Vastgesteld is in de MER wat de milieueffecten zijn van de gebiedsontwikkeling Kanaalzone Noord. Hierdoor wordt het milieubelang volwaardig meegewogen bij de uitwerking van onder meer dit omgevingsplan.
Doel van het MER
Zoals gezegd is het doel om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in te brengen bij de plan- en besluitvorming. Het onderzoek heeft zich toegespitst op een strategisch MER op planMER niveau, waarbij de Kanaalzone Noord integraal is meegewogen.
Huidige situatie en referentiesituatie
Binnen de MER worden de huidige situatie en referentiesituatie aangegeven aan de hand van de volgende onderdelen: mobiliteit, geluid, luchtkwaliteit, geur, sociale veiligheid, hittestress, natuur, water en energie.
Alternatieven
De aanwijzing van de ontwikkeling van Kanaalzone Noord is vanuit een breder, gemeentelijk milieuperspectief onderzocht in het OER van de Omgevingsvisie. Het voorgenomen bouwprogramma van de gebiedsontwikkeling als geheel staan vast. Doordat de gemeente een WBI-aanvraag heeft ingediend en ook is toegekend is ook het bouwprogramma per deelontwikkeling gelijk in ieder alternatief.
Variatie zit in de ruimtelijke ingrepen en maatregelen die van zijn invloed zijn op (de ambities) van de milieuthema's. Verder is gevarieerd in de stedenbouwkundige uitwerking tussen de alternatieven, met de toepassing van conceptuele bouwopzetten. In de gebouwconcepten wordt gevarieerd in gebouwhoogte, massa, oriëntatie en positie, afgestemd op de leidende ambities van het thematische alternatief. Kort samengevat gaat het hierbij om het basisalternatief, mobiliteitsalternatief, groen/blauwalternatief en energiealternatief.
Resultaten en gevolgen
Uit de MER zijn de gevolgen en resultaten die relevant zijn voor de parkeergarage gedestilleerd. Deze zijn hieronder per onderdeel weergegeven.
Mobiliteit
In het mobiliteitsalternatief wordt een fysieke barrière (knip) in de Vlijtseweg geplaatst. Hierdoor neemt op 17 wegvakken de verkeersintensiteit toe met meer dan 10% en op 2 wegvakken nemen de verkeersintensiteiten af met meer dan 10%. De robuustheid van het netwerk wordt hierdoor ook sterk verminderd. Het voorkeursalternatief heeft geen fysieke barrière wat resulteert in een minder negatieve beoordeling.
Windhinder
Het grootste risico op windhinder in het voorkeursalternatief treedt op bij Vlijtsepark Torens. Het risico op windhinder neemt significant toe door de combinatie van de hoogte van de torens, de tunneleffecten als gevolg van de openingen tussen de torens als solitaire gebouwen en de voorziene verblijfsfunctie rondom de gebouwen.
Oppervlakteverlies
Op basis van het basis- en mobiliteitsalternatief neemt het oppervlakteverlies het meeste af als gevolg van de voorgenomen gebiedsontwikkeling. Gaat om toename in bebouwing en verhard oppervlak. Resultaat: verlies in omvang en/of kwaliteit van het leefgebied van beschermde en Rode lijstsoorten. In het voorkeursalternatief neemt het oppervlakteverlies minder af.
Verstoring
In alle alternatieven treedt verstoring op door onder andere een toename aan menselijke activiteiten, waaronder verkeersbewegingen. Het groen/blauwalternatief houdt hier het meeste rekening mee, door de realisatie van door een onverlicht ecolint, ook ontoegankelijk voor langzaam verkeer, en toevoeging van extra biodivers groen op maaiveld. Het voorkeursalternatief voorziet in 3 ecolinten, waarvan ook een onverlicht en een ontoegankelijk voor langzaam verkeer, wat resulteert in een minder grote verstoring.
Energiebalans
In alle alternatieven neemt de energievraag als gevolg van de gebiedsontwikkeling sterk toe. In geen van de alternatieven is sprake van een sluitende energiebalans, waardoor elektriciteit van het elektriciteitsnet moet worden afgenomen. In het energiealternatief is de disbalans het minst groot, door de grote inzet op energieopwekking vanuit zonnepanelen. In het voorkeursalternatief wordt ook ingezet op energieopwekking met zonnepanelen, door de daken hiervoor maximaal te benutten. De disbalans van de elektriciteitsafname en -opwekking wordt daarmee klein gehouden. Dit wordt geholpen door de realisatie van een collectief warmtenet, waarmee een elektriciteitsvraag voor de warmtevoorziening wordt voorkomen.
Netimpact
In het basisalternatief is de netimpact het grootst, als gevolg van de grote elektriciteitsvraag die de individuele warmtevoorzieningen per woning met zich meebrengt. Omdat in het voorkeursalternatief (gelijk aan het energiealternatief) wordt voorzien in een collectief warmtenet en de opwek van zonne-energie met zonnepanelen op daken wordt gemaximaliseerd, valt de netimpact lager uit.
Effecten op CO²-uitstoot
In het groen/blauw alternatief leidt de maximale vergroening van daken ertoe dat er geen ruimte meer is voor energieopwekking vanuit zonnepanelen. Daardoor treden in dit alternatief de hoogste CO²-emissies op voor de opwek van elektriciteit en warmte. Doordat het voorkeuralternatief juist een collectief warmtenet en opwek van zonne-energie maximaliseert, resulteert het voorkeursalternatief in lagere CO²-emissies voor de opwek van elektriciteit en warmte.
Aanbevelingen per thema
De belangrijkste aanbevelingen per milieuthema over de complete Kanaalzone Noord zijn hieronder weergegeven.
Mobiliteit:
Geluid:
Sociale veiligheid:
Hittestress:
Windklimaat:
Natuur:
Water:
Landschap:
Cultuurhistorie:
Stedenbouwkundige aspecten:
Energie:
Circulariteit:
Slotsom
Op basis van het voorgaande is gekozen voor het basisalternatief qua ruimtelijke ingrepen en maatregelen. Aangevuld met enkele maatregelen en ingrepen vanuit de andere alternatieven. Veelal voortgekomen uit voortschrijdend inzicht bij uitwerking van de gebiedsontwikkeling en gemaakte afspraken (gesloten business cases) met de verschillende ontwikkelende partijen van de deelontwikkelingen. Dit TAM-omgevingsplan voldoet aan het voorkeursalternatief.
Mer-beoordeling
Gelet op het abstractieniveau van het MER heeft de gemeente Apeldoorn besloten een lokale uitwerking van het MER op te stellen, in de vorm van een aanmeldnotitie mer-beoordeling. Deze mer-beoordeling zoomt op het niveau van het besluitgebied in op de eventuele milieueffecten. De mer-beoordeling is opgenomen in Bijlage 16 van de motivering. De uitkomst van de mer-beoordeling is dat het plan geen significant negatieve effecten oplevert voor het milieu.
Op 9 december 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn een besluit genomen over de hiervoor bedoelde aanmeldnotitie. Dit besluit is opgenomen in Bijlage
17 van de BIJLAGEN BIJ DE MOTIVERING. Het besluit houdt in dat het voldoende aannemelijk is dat de mitigerende maatregelen die zijn genoemd in de aanmeldnotitie kunnen en zullen worden getroffen. Derhalve hoeft geen MER-procedure te worden doorlopen.
De parkeergarage ligt in bestaand stedelijk gebied. Het besluitgebied is bijna 1 hectare groot. Het besluitgebied bevindt zich wel binnen enige Keurzone (de Grift, betreft A-water) en niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de omgevingsvisie heeft aangegeven.
Het gebied ligt ten westen van het Apeldoorns Kanaal en daarmee in de grondwaterfluctuatiezone die (toelichtend) in de Omgevingsvisie Gelderland is vastgelegd. Er zijn in en om het besluitgebied geen gegevens van peilbuizen in de omgeving beschikbaar van het grondwaterpeil. Op basis van de isohypsenkaart van de provincie Gelderland ligt de GHG in het besluitgebied tussen NAP+ 10,5 m en NAP+ 11,0 m. Er is in en om het besluitgebied geen grondwateroverlast bekend.
Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij de ontwikkeling van het besluitgebied rekening te worden gehouden met voldoende drooglegging en ontwateringsmogelijkheden. Grondwater mag hierbij niet structureel worden afgevoerd. Hierdoor zal het plan grondwaterneutraal worden ontwikkeld.
Aan de oostzijde van het besluitgebied loopt de Grift. Dit is een A-water. Door dit plan ontstaat geen extra oppervlaktewater. Er zal niet geloosd worden op het oppervlaktewater. Doordat hemelwater lokaal wordt opgevangen, geborgen en geïnfiltreerd naar de ondergrond heeft het plan geen nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het plan heeft daarmee geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.
In het besluitgebied zelf komt geen waterafhankelijke natuur voor. Het plan heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterafhankelijke natuur.
In het besluitgebied en de omgeving daarvan ligt een gemengd rioolstelsel waarmee vuil- en regenwater gezamenlijk worden afgevoerd. De capaciteit van dit riool is voldoende om bij de maatgevende regenbui die eens per 2 jaar optreedt geen water op straat te veroorzaken.
Het gemeentelijk beleid is er op gericht om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de afvoer van regenwater niet op de riolering aan te sluiten. In het gemeentelijke beleid is opgenomen dat het regenwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in principe in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein.
Bij het bepalen van de hoeveelheid regenwater dat in het plan dient te worden geborgen, hanteert de gemeente de Beslisboom voor regenwater, welke gebaseerd is op het gecombineerde beleid van gemeente en waterschap.
Het waterschap vereist voor nieuwe ontwikkelingen een bergingscapaciteit van 60 mm in het besluitgebied, hier mag de infiltratiecapaciteit naar de bodem (gedurende 24 uur) van afgetrokken worden. Deze berging mag zowel in als buiten de infiltratievoorzieningen plaats vinden.
Bij het bepalen van de voorkeursvolgorde in het omgaan met hemelwater wordt de waterladder van Apeldoorn gehanteerd:
De materialen die in aanraking komen met het regenwater mogen niet uitlogen en dienen volgens Duurzaam Bouwen geselecteerd te zijn. Bij de infiltratie van regenwater mag de bodem niet verontreinigd raken door met het regenwater afgevoerde vervuilende stoffen.
In dit besluitgebied wordt het regenwater terplekke vastgehouden en geïnfiltreerd in de ondergrond, er wordt geen hemelwater afgevoerd naar het oppervlaktewater. Doordat het geen vervuilingsgevoelige oppervlakken betreffen, wordt voorkomen dat het te infiltreren regenwater het grond- en/of oppervlaktewater verontreinigt.
De nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en regenwater, zoals op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving verplicht is. De vuilwaterafvoer van de bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Het bestaande rioolstelsel in en om het besluitgebied heeft voldoende capaciteit voor deze extra vuilwaterafvoer van de nieuwbouw.
In verband met de hoeveelheid verhard oppervlak en omdat het besluitgebied in een Keurzone (A-water) en onderhoudsstrook van dit A-water ligt, moet er afstemming zijn met het waterschap. Hier wordt bepaald welke invloed het plan heeft en welke maatregelen genomen moeten worden. De uitkomsten van de afstemming dienen opgenomen te worden in het plan en de maatregelen moeten hierin ook opgenomen worden.
Het ontwerp van dit plan wordt in het kader van het overleg op grond van artikel 2.2 Omgevingwet toegezonden aan het Waterschap Vallei en Veluwe.
Soortenbescherming
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.
Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:
Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.
Gebiedsbescherming
De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies.
Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten 'significant negatieve gevolgen' kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als 'Natura 2000-activiteit'. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.
Houtopstanden
Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels heeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die een dergelijke activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Er kan ook een meldingsplicht gelden. In paragraaf 11.3.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving is beschreven in welke gevallen een meldplicht geldt voor het vellen van een houtopstand en of er een herplantplicht van toepassing is.
Gemeenten dienen op grond van artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving een bebouwingscontour houtkap op te nemen in het omgevingsplan. De algemene regels over het vellen van houtopstanden uit het Bal zijn alleen van toepassing buiten de 'bebouwingscontour houtkap', zoals die is opgenomen in het omgevingsplan. Binnen de bebouwingscontour houtkap gelden uitsluitend de in het omgevingsplan gestelde regels over de kap van bomen. Gemeenten bepalen zelf of zij binnen de bebouwingscontour houtkap regels stellen ten aanzien van houtkap.
Onderzoeksresultaten natuurtoets
Door RoyalHaskoningDHV is een natuurtoets uitgevoerd. Het rapport is gedateerd 26 februari 2025 en heeft referentienummer BK1241-RHD-XX-XX-RP-EO-0001. Het rapport is als bijlage 12 aan deze motivering toegevoegd. Op basis van het onderzoek kan per onderdeel het volgende worden aangegeven.
Natura 2000-gebieden
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Veluwe en ligt op circa 1,5 kilometer afstand van het besluitgebied. Vanuit het voornemen zijn negatieve effecten verzuring en vermesting op de omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand uitgesloten. Vanwege het vervallen van de partiële vrijstelling dient voor het voornemen voor de aanleg- en gebruiksfase een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd.
Soortenbescherming
In het besluitgebied kunnen mogelijk beschermde zoogdieren, broedvogels en amfibieën voorkomen. Deze soorten kunnen gebruik maken van de ruigte en het tijdelijke water binnen het besluitgebied en de bebouwing in de directe omgeving van het besluitgebied als leefgebied. Voor de meeste van deze soorten zijn negatieve effecten en een overtreding van de Ow te voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen zoals beschreven in paragraaf 5.3.
Voor kleine marterachtigen, beekprik en de teunisbloempijlstaart geldt dat niet. Nader soortgericht onderzoek dient uit te wijzen welke functie het besluitgebied precies vervult voor de kleine marterachtigen en teunisbloempijlstaart. Dit onderzoek is inmiddels uitgevoerd en opgenomen in Bijlage 13. Voor kleine marterachtigen is besloten direct een natuurvergunning aan te vragen. Voor de teunisbloempijlstaart is gebleken dat de soort niet aanwezig is.
Voor de beekprik is geen nader soortgericht onderzoek benodigd. Indien de werkzaamheden plaatsvinden in de beek door bijvoorbeeld een duiker te plaatsen, kan het doden van individuen en het permanent aantasten van het leefgebied niet uitgesloten worden en is er sprake van overtreding van verbodsbepaling van de Ow. Indien sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Ow is het aanvragen van omgevingsvergunning voor een flora- en fauna- activiteit noodzakelijk.
Voor wat betreft de beekprik kan worden aangegeven dat op basis van de eerder gehouden natuurtoets is vastgesteld dat De Grift een larvenhabitat vormt voor de beekprik. Het plan is verouderd, maar de functie van De Grift voor de beekprik is bekend en de beoogde ingreep leidt mogelijk tot aantasting van het larvenhabitat. Als werkzaamheden plaatsvinden, waarbij in de beek wordt gewerkt en de sliblaag of detritusbanken worden aangetast, bijvoorbeeld door het plaatsen van een duiker, is sprake van overtreding van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet. In dat geval is het aanvragen van een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteit noodzakelijk.
Houtopstanden
Binnen het voornemen is geen sprake van de kap van houtopstanden zoals beschermd onder de Omgevingswet. Er zijn daarom geen vervolgstappen nodig voor het kappen van bomen in het kader van de Omgevingswet. Mogelijk is vanuit gemeentelijk beleid/regels wel een kapvergunning benodigd. Daar is in deze rapportage niet aan getoetst.
Gelders Natuurnetwerk
De beoogde ruimtelijke ingreep vraagt niet om een omgevingsplanwijziging binnen het GNN of de GO. Er zijn geen verdere vervolgstappen ten aanzien van deze planologisch beschermde natuur noodzakelijk.
Advies bovenwettelijke maatregelen
Door het nemen van enkele bovenwettelijke maatregelen kan de ecologische kwaliteit van het besluitgebied verbeterd worden.
Stikstofdepositie
Door RoyalHaskoningDHV is een berekening uitgevoerd voor wat betreft de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de directe omgeving voor wat betreft de aanleg- en gebruiksfase. Hierbij is gebruik gemaakt van de AERIUS-Calculator versie 2024.0.1. De betreffende rapportage, inclusief de AERIUS-berekeningen, is als bijlage Bijlage 5 bij deze motivering gevoegd. Op grond van dit onderzoek zijn significant negatieve effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden tijdens de tijdelijke aanlegfase op voorhand uit te sluiten. Op basis van een rechtbankuitspraak (ECLI:NL:RBOBR:2025:1108) geldt nog wel een vergunningplicht, aangezien de inzet van elektrisch materieel niet wordt gezien als standaardonderdeel van het project. Voor de gebruiksfase is een stikstofdepositie berekend van 0,04 mol/ha/j. Deze toename is berekend op het Natura 2000-gebied de Veluwe.
Het project betreft een vergunningplichtig bouwwerk en is daarmee volgens artikel 7.5c, lid 1, van het Bbl verplicht een beschrijving te geven van de maatregelen die zij hebben genomen of nemen om te voldoen aan de emissiereductieplicht. Dit kan via het daarvoor opgestelde formulier van het Informatiepunt leefomgeving. In de rapportage is voor de mobiele werktuigen uitgegaan van materieel dat voldoet aan de verplichte emissiebeperking vanuit de Routekaart SEB: volledige inzet van STAGE V materieel. Daarnaast is ingezet op vermindering van niet geëlectificeerde materieelinzet, waarbij is aangesloten bij hetgeen in de praktijk realistisch haalbaar is en bij het aanbestedingsbeleid van de gemeente Apeldoorn.
Vervolgonderzoek
De quickscan heeft geresulteerd in een nader ecologisch onderzoek naar de teunisbloempijlstaart en de kleine marterachtigen. Vooruitlopend op de rapportage kan worden gemeld dat de teunisbloempijlstaart op basis van veldbezoek naar verwachting niet voortkomt binnen het projectgebied. Vooralsnog wordt er vanuit gegaan dat geen omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is. Bij het voorkomen van de teunisbloempijlstaart kan normaliter een omgevingsvergunning worden aangevraagd en zal deze ook worden verleend.
Voor wat betreft de kleine marterachtigen kan, eveneens vooruitlopend op de rapportage, worden aangegeven dat de provincie Gelderland, net als de andere provincies, heeft bepaald dat voor de kleine marterachtigen kan worden volstaan met een habitatonderzoek, een volledig nader onderzoek is niet nodig. Het habitat direct langs de Grift heeft potentie om te voldoen en ligt feitelijk buiten het projectgebied, maar wordt twee keer doorkruist door een ontsluiting ten behoeve van het besluitgebied. Uitgangspunt hierbij is dat naar verwachting een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit moet worden aangevraagd. De verwachting is dat deze vergunning zal worden verleend. Mogelijk zijn voorzorgsmaatregelen of mitigerende maatregelen noodzakelijk.
Consequenties quickscan en vervolgonderzoek
In de quickscan is eerder al verwezen naar het voorkomen van de beekprik in de Grift. Op basis van deze constatering dient te worden vastgesteld dat wat betreft de beekprik een omgevingsvegunning flora- en fauna-activiteit dient te worden aangevraagd, als werkzwaamheden in het water (met name roeren of veranderen van de bodemlaag) noodzakelijk zijn voor de ontsluitingen. Onderdeel van deze omgevingsvergunning zijn voorzorgsmaatregelen en/of mitigerende maatregelen.
Voor de kleine marterachtigen geldt dat hiervoor in ieder geval een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is. Ook hier zijn voorzorgsmaatregelen en/of mitigerende maatregelen onderdeel van de vergunningsaanvraag. Er wordt hierbij bijvoorbeeld gedacht aan een faunapassage bij de overbruggingen van de Grift.
De verwachting is, gelet op eerder uitkomsten van vergelijkbare onderzoeken, dat de omgevingsvergunningen flora- en fauna-activiteit zullen worden verleend.
Resultaten stikstofberekening en extern salderen
Ten behoeve van de realisatie van een aantal projecten in Apeldoorn is sprake van toename van de stikstofdepositie. Hierdoor is het noodzakelijk dat mitigerende maatregelen getroffen worden om deze projecten te kunnen realiseren. Eén van de maatregelen is extern salderen, waarbij elders stikstofruimte wordt gekocht.
De gemeenteraad heeft op 7 februari 2025 besloten tot aankoop van stikstofruimte elders. Hiertoe zijn de rechten gekocht van twee agrariërs, die geheel of gedeeltelijk zijn gestopt met hun bedrijfsvoering/veestapel.
Inhoudelijk kan hierover gezegd worden dat de gekochte stikstofruimte gebruikt is of gaat worden voor de ontsluiting van Zuidbroek, de parkeergarage en voor Host City met 300 woningen en 200 kavels. De resterende stikstofruimte wordt gereserveerd voor een aantal andere projecten die meer stikstofruimte nodig hebben, dan nu beschikbaar is. Het gaat om bedrijventerrein, Ecofactorij II en woningbouw.
De stikstofdepositie neemt toe in het naastgelegen Natura-2000 gebied De Veluwe met 0,04 mol/ha/jr. Voorgaande resulteert in de noodzaak tot een passende beoordeling, waarbij extern salderen als mitigerende maatregel kan worden ingezet. Voor extern salderen geldt verder nog wel een natuurvergunningsplicht.
Passende beoordeling
De ontwikkeling van de parkeergarage (zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase) leidt tot een beperkte toename in voertuigbewegingen in en om het gebied. In de AERIUS-berekening is tijdens de permanente gebruiksfase een toename in stikstofdepositie berekend (0,04 mol N/ha/jr). In de tijdelijke aanlegfase is geen toename berekend (0,00 mol N/ha/j).
Op basis van de resultaten zijn significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase niet op voorhand uit te sluiten. Uit een ecogische voortoets is gebleken dat significant negatieve effecten niet uit te sluiten zijn. Er is vervolgens een passende beoordeling gedaan. De rapportage voortoets - passende beoordeling - Aeriusberekeningen is als Bijlage 6 opgenomen bij deze motivering. Voor dit project zijn salderingsmaatregelen getroffen, waarbij ook het additionaliteitsbeginsel is toegepast. Uit de - op basis van die uitgangspunten opgestelde - passende beoordeling blijkt dat het project geen significant negatieve effecten vanwege stikstofdepositie heeft.
Conclusie:
Onder voorwaarde dat de noodzakelijke omgevingsvergunningen voor flora- en fauna-activiteit worden aangevraagd en worden verleend vormt het onderdeel Flora en Fauna geen belemmering voor de ontwikkelingen binnen dit omgevingsplan.
Ook met het oog op de gebiedsbescherming is het plan uitvoerbaar. Hierbij geldt dat ten aanzien van stikstofdepositie er extern wordt gesaldeerd, hetgeen passend beoordeeld is. In de regels wordt een waarborgende regel opgenomen dat het saldo daadwerkelijk beschikbaar is en blijft voor de onderhavige ontwikkeling.
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het besluitgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Onderzoeksresultaten
In opdracht van RoyalHaskoningDHV is door Synthegra BV te Leusden is een inventariserend veldonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd binnen het besluitgebied. De rapportage heeft projectnummer S230008-B en dateert van 18 september 2023. Het rapport is als bijlage 14 bij de motivering gevoegd.
Bureauonderzoek
Op basis van bovenstaand bureauonderzoek is voor het besluitgebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld.
Het besluitgebied ligt op een glooiing van sneeuwsmeltwaterafzettingen bestaand uit een laarpodzolgrond met grof zand. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het besluitgebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd.
Op basis van het bureauonderzoek geldt voor alle perioden een lage verwachting. Op basis van de beleidskaart van de gemeente geldt een lage verwachting voor het gebied. Gezien de aard van de afzettingen is de kans op resten aanwezig, maar door de ligging van het gebied ten oosten van een (veel hoger gelegen) stuwwal is deze niet groot. In de directe omgeving van het besluitgebied zijn meerdere onderzoeken gedaan. Hierin zijn over het algemeen geen archeologische resten aangetroffen, behalve in twee onderzoeken, beide ten zuiden van het besluitgebied. Dit betroffen beide resten van industrie uit de Nieuwe Tijd. Er is echter geen bebouwing bekend.
in het besluitgebied vanaf 1750 tot en met nu (met uitzondering van de periode 1988-2014) waardoor de verwachting voor deze periode ook op laag blijft staan.
Op basis van de onderzochte gegevens wordt een intact bodemprofiel verwacht. Er is in het verleden vastgesteld dat de bodem vervuild was. Momenteel wordt er hernieuwd onderzoek gedaan omdat deze onderzoeken reeds meer dan 10 jaar oud zijn. De oorsprong van sommige vervuiling houdt mogelijk verband met de aangetroffen resten van een koperpletterij uit de 19e eeuw ten zuiden van het besluitgebied.
Veldonderzoek
Op basis van het gespecificeerde verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek is aan de hand van de Handreiking Bureau- en Verkennend Booronderzoek een verkennend booronderzoek met een boordichtheid van ten minste 7 boringen per hectare uitgevoerd.
Aangezien het besluitgebied circa 8600 m2 groot is, zijn verspreid over het besluitgebied in totaal 6 boringen gezet. Voor zover de terreinomstandigheden (voornamelijk leidingen maar ook beschutting) het toelieten, zijn de boringen zo goed mogelijk verspreid over het besluitgebied.
Er is geboord met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en een gutsboor met een diameter van 3 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot 1,5m -mv. Het opgeboorde sediment is verbrokkeld en versneden en geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. De boringen zijn lithologisch beschreven conform de NEN 5104 en bodemkundig geïnterpreteerd.
Archeologische interpretatie veldonderzoek
Het natuurlijke bodemtype is in het hele besluitgebied verstoord door de voormalige industriële bebouwing en activiteiten op het terrein.
Vuursteenvindplaatsen bestaan voornamelijk uit strooiing van fragmenten vuursteen en ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, en bevinden zich in de bovengrond van de oorspronkelijke gooreerdgronden.
Aangezien de bodem is verstoord, zijn eventueel aanwezige vuursteenvindplaatsen verloren gegaan. Nederzettingsresten uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd bestaan niet alleen uit fragmenten aardewerk, maar ook uit diepere sporen zoals paalgaten en afvalkuilen. Deze sporen kunnen tot in de C-horizont reiken. De mate van verstoring, met een erosieve overgang naar de C-horizont vanaf 20 cm -mv, en verstoringen die tussen 20 en 100 cm -mv reiken, lijkt het behoud van archeologische resten uit te sluiten.
Aanbeveling
Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het besluitgebied geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd.
Conclusie
Het onderdeel archeologie vormt geen belemmering bij de ontwikkelingen binnen dit omgevingsplan.
Wettelijk kader
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het besluitgebied gelegen werelderfgoed.
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:
Cultuurhistorische analyse
Binnen het besluitgebied en de directe omgeving zijn geen cultuurhistorische waarden meer aanwezig. Het betreft een in hoofdzaak braak terrein, dat nu deels als parkeergelegenheid in gebruik is genomen. Belangrijk vanuit cultuurhistorie vormt het behoud van de historische waterloop De Grift, met de groene zone erlangs. Deze zijn net buiten het besluitgebied gesitueerd, maar zijn in het kader van de bouw van de parkeergarage wel relevant. Binnen het plan voor realisering van het zwembad is al rekening gehouden met de ontsluiting van de parkeergarage aan de zuidwestkant van het besluitgebied. Aan de zuidoostzijde van het besluitgebied wordt nog rekening gehouden met een ontsluiting ten behoeve van het voetgangers en fietsers. Een goede afstemming met het waterschap is hierin essentieel. Het gaat hierbij niet enkel om het waterbelang, maar even zozeer om afstemming op het gebied van cultuurhistorie en landschap.
Conclusie
Vastgesteld kan worden dat zich geen monumenten of karakteristieke panden bevinden in het besluitgebied of net buiten het besluitgebied. Het onderdeel cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen dit omgevingsplan mogelijk worden gemaakt, onder voorwaarde dat rekening wordt gehouden met behoud De Grift en de groene zone en er afstemming plaatsvindt over in- en uitritten in verband met cultuurhistorische aanvaardbaarheid.
De mogelijkheid van de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO) in de ondergrond houdt in Nederland over het algemeen verband met de Tweede Wereldoorlog (1939-1945). Handelingen die hebben geleid tot het achterblijven van OO in de Nederlandse bodem houden over het algemeen verband met het afwerpen van bommen, beschietingen vanuit de lucht/vanaf het water/op het land, het neerstorten van vliegtuigen, grondgevechten tijdens de begin- en eindfase van de oorlog, het dumpen van munitie en het verdedigen van gebieden met mijnenvelden, stellingen enzovoort. Ongeveer 10% van de afgeworpen en verschoten munitie ontplofte niet en bleef als OO achter.
Voorlopig te verwachten analyse
Op basis van het vooronderzoek, waarbij een analyse is gedaan van het historisch feitenmateriaal, wordt het besluitgebied als onverdacht aangemerkt op het aantreffen van OO. Geadviseerd wordt om de grondroerende werkzaamheden voor het onderzoeksgebied de normale doorgang te laten hebben. Er is geen aanleiding gevonden tot het nemen van vervolgstappen. Algemeen aandachtspunt is dat als er tijdens de uitvoering altijd aandacht dient te zijn voor het aantreffen van onverdacht zaken en dat grondroerend personeel op de hoogte dient te zijn van het protocol voor toevalsvondsten. Als tijdens het werk gestuit wordt op zaken die lijken op OO, dient het werk onmiddellijk gestaakt te worden en moet een deskundige worden geraadpleegd. Het handelingsproces moet als volgt worden doorlopen:
Conclusie
Het onderdeel ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering bij de ontwikkelingen binnen dit omgevingsplan.
In het Klimaatakkoord (2019) staat hoe Nederland deze overstap wil maken. Het is de bedoeling dat ons land in 2050 "energie neutraal" is. Dat betekent: dat we net zoveel duurzame energie opwekken als we gebruiken. We werken daar op allerlei manieren aan. Als land, maar ook als provincie, regio en gemeente. We proberen alle plannen op elkaar te laten aansluiten. Want samen gaat het sneller. Net als heel Nederland wil Apeldoorn in 2050 evenveel duurzame energie opwekken als we gebruiken. Om daar te komen, maken we eerst plannen tot 2030. Dit zijn de hoofdlijnen:
De Omgevingswet geeft ons de mogelijkheid om onze duurzaamheidswensen en -doelen goede juridische grond te geven. Dit geldt ook voor het onderwerp energie. De Omgevingswet geeft duidelijke richtlijnen en regels mee aan burgers en bedrijven, zodat zij goed weten waar ze aan toe zijn. Daarnaast geeft de Omgevingswet ons de kans om de regels beter te handhaven. Dit helpt om onze doelen te behalen. De Omgevingswet gaat ons op de volgende manier helpen op het gebied van energie:
Voor nieuwbouw
Voor bestaande bouw
In april 2023 heeft de gemeenteraad het visiedocument verduurzaming gemeentelijk vastgoed vastgesteld. Het document beslaat een periode van 2023 tot 2027. Het visiedocument is ook van toepassing op het alle gemeentelijke parkeergarages, waaronder ook de parkeergarage Vlijtseweg valt, waardoor er een verduurzamingsopgave geldt. Samengevat gelden de volgende opgaven:
Energie:
Ruimte
Materialen en Circulariteit:
Water en groen:
Welzijn en toegankelijkheid
Monitoring en uitvoering
Doorwerking in het plan
Binnen de gemeente Apeldoorn is beleid voor Natuur Inclusief- en Klimaat Adaptief ontwikkelen en bouwen vastgesteld (NIKA). Datum van publicatie is 25 juni 2024 in het gemeenteblad. Het beleid is gericht op een meer duurzame toekomst. NIKA wordt gezien als een kans om positieve veranderingen te brengen in onze manier van leven en omgaan met onze omgeving.
NIKA is van toepassing op name wanneer binnen de gemeente wordt gebouwd en daarvoor een ruimtelijk plan opgesteld moet worden. In de situatie van de parkeergarage is sprake van een grote ontwikkeling.
Het NIKA gaat uit van een aantal vaste waarden en een aantal variabele waarden. De vijf vaste waarden zijn altijd van toepassing. Voor de variabele waarden geldt een puntenstelsel, bestaande uit drie onderdelen te weten: biodiversiteit, gebouwgroen en klimaatadaptatie. Minimaal moeten er 5 punten worden behaald.
Het NIKA beleid is geborgd binnen de planregels, waarbij het uitgangspunt een gebodsbepaling is geformuleerd, waarbij voldaan moet worden aan het beleid van NIKA.
Een nadere afweging voor NIKA heeft plaatsgevonden bij het gemeentelijk beleid, zoals opgenomen in paragraaf 3.6.3.4 Natuurinclusief en klimaatadaptief ontwikkelen, waarbij is ingegaan op de realisering van de vaste en variabele waarden en de betekenis hiervan op het plan.
Voor wat betreft de verduurzaming vanuit het visiedocument wordt bij de bouw van de parkeergarage ingezet op energieneutraliteit, circulariteit, vergroening, comfort en sociale meerwaarde.
Conclusie
De noodzakelijk maatregelen uit NIKA zijn binnen de regels geborgd. Het onderdeel duurzaamheid, inclusief de uitgangspunten van het visiedocument vormen geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen dit plan mogelijk worden gemaakt.
Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels.
In Hoofdstuk 3 en de hoofdstukken 4 en 5 is aangegeven dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de planlocatie. In dit hoofdstuk worden de conclusies uit de genoemde hoofdstukken beschreven.
Eindconclusies
De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op functieverandering. De nieuwe functies zijn in overeenstemming met het beleid.
2. Omgevingskwaliteit
Het plan wordt aan de hand van het beeldkwaliteitsplan stedenbouwkundig en landschappelijk goed ingepast in de omgeving en daarnaast levert bijdrage aan die omgeving, door gecombineerd parkeren binnen 1 gebouw te laten plaatsvinden.
3. Omgevingsaspecten
De effecten van de beoogde ontwikkeling op de omgeving is positief en er treden geen nadelige gevolgen voor het milieu op.
Onderhavig TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Vlijtseweg parkeergarage, vormt een wijziging van het omgevingsplan. De realisering van een parkeergarage op deze locatie is in strijd met in het tijdelijke deel, onderdeel uitmakende bestemmingsplan 'Kanaalzone - De Vlijt', waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden.
Het TAM-omgevingsplan is op het oog een plan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch een geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt als het ware een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22r van het omgevingsplan.
Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen
Dit TAM-omgevingsplan maakt als hoofdstuk 22r onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Apeldoorn. Dat betekent dat in principe alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling van het besluitgebied behorende bij dit TAM-omgevingsplan (tenzij ze daarmee strijdig zijn). In artikel 3 (toepassingsbereik) wordt dit toegelicht. Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling van de parkeergarage. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan niet wordt afgeweken van de bruidsschat.
Hoofdstuk 2 - Functies en activiteiten
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor een specifieke locatie binnen het besluitgebied. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming', respectievelijk 'aanduiding'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig voorbeeld-TAM-omgevingsplan voor de Vlijtseweg parkeergarage is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan Apeldoorn. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Daar waar mogelijk is voorgesorteerd op het nog op te stellen nieuwe, permanente omgevingsplan voor de gemeente Apeldoorn dat op dit moment nog in ontwikkeling is.
Groen
Het structurele openbare groen in het besluitgebied heeft de functie Groen gekregen. Hier zijn groenvoorzieningen, paden, hondenuitlaatplaatsen en nutsvoorzieningen toegestaan.
Verkeer - Verblijfsgebied
De functie Verkeer - Verblijfsgebied is gegeven aan de gebieden die een verblijfsfunctie hebben. Dit betreft de wegen, straten, voet- en fietspaden, bermen en parkeervoorzieningen in de woongebieden.
Hoogbouw bouwen
De regels hebben betrekking op het bouwen van een hoofdgebouw, te verdelen in algemene en specifieke regels. De specifieke regels gaan in op de borging van de voorwaarden vanuit de NIKA gesteld. Verder gaat het artikel in op het gebruik van de parkeergarage.
Waarde - lage archeologische verwachtingswaarde
Dit artikel geeft een functieomschrijving en geeft situaties weer waarin een omgevingsvergunning is vereist, danwel welke uitzonderingen hiervoor gelden. Verder geeft het artikel inzicht in de beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning, bijzondere aanvraagvereisten en voorschriften voor de omgevingsvergunning.
Waarde - Beken en Sprengen
Het artikel geeft een functieomschrijving ten behoeve van het beheer, herstel en onderhoud van landschappelijke en ecologische waardevolle beken en sprengen. Verder zijn in dit artikel aangegeven welke toegelaten activiteiten er zijn en voor welke activiteiten een omgevingsvergunning wordt vereist en de eventuele uitzonderingen hierop.
Hoofdstuk 3: Algemene regels
Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zijn bijvoorbeeld opgenomen de algemene bouw- en functieregels, alsmede afwijkingsregels en maatwerkvoorschriften, zoals deze voorheen in de bestemmingsplannen golden. Deze zijn ook opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Apeldoorn.
Een bijzondere regel betreft de gebruiksregel stikstof. Deze regel bepaalt dat gebruik en bebouwing alleen is toegestaan overeenkomstig een daartoe verleende natuurvergunning en dat de bedrijfsactiviteiten die voor saldering zijn ingezet beëindigd zijn en blijven.
Hoofdstuk 4: Algemene procedureregeling
In TAM-omgevingsplannen hoeven geen bepalingen te worden opgenomen voor het overgangsrecht.
Bijlagen bij de regels
Conform kernvereiste 1 wordt er zo min mogelijk gebruik gemaakt van bijlagen bij regels, om het plan zo overzichtelijk mogelijk te houden. In dit plan zijn niet meer dan twee bijlagen opgenomen bij de regels: de standaard beleidsregel parkeren en een standaard procedure-schema.
Verbeelding
De verbeelding (plankaart) van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Vlijtseweg parkeergarage is opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat de verschillende functies in het besluitgebied op de verbeelding als 'enkelbestemming', dan wel 'dubbelbestemming', zijn opgenomen. Maatvoeringsaanduidingen zijn ook als zodanig op de verbeelding opgenomen.
Afdeling 13.6 van de Omgevingswet gaat in over het kostenverhaal bij activiteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Daarin is bepaald dat het niet is toegestaan om aangewezen bouw- of gebruiksactiviteiten te verrichten zonder het kostenverhaal geregeld te hebben. Het kostenverhaal kan daarbij zowel via privaatrechtelijke weg met een overeenkomst als via publiekrechtelijke weg met regels in het omgevingsplan worden vastgelegd.
Het voorliggende plan is een gemeentelijk initiatief.
Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid.
Voor wat betreft de participatie kan verwezen worden naar hoofdstuk 2.