direct naar inhoud van REGELS
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Vlijtseweg parkeergarage
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.tam0019-ont1

REGELS

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Vlijtseweg en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22r) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Apeldoorn. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22r van het omgevingsplan van de gemeente Apeldoorn. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22r gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 22r gelezen worden.

 

Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:

1.1 plan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Vlijtseweg parkeergarage met identificatienummer NL.IMRO.0200.tam0019-ont1 van de gemeente Apeldoorn.

1.2 aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.3 aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.4 aanduidingsvlak

Een vlak, door aanduidingsgrenzen van andere vlakken gescheiden.

1.5 AHN2-maaiveld

De maaiveldhoogte die is vastgelegd in het Actueel Hoogtebestand Nederland 2.

1.6 ander werk

Een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden.

1.7 antennedrager

Een antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.

1.8 antenne-installatie

Een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.

1.9 bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.10 bestaand
  • a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan legaal aanwezig of in uitvoering is dan wel gebouwd kan worden krachtens een vergunning;
  • b. bij gebruik: het legale gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.
1.11 bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak.

1.12 bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.13 bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

1.14 bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw, begrensd door op gelijke of bij benadering gelijke bouwhoogte liggende vloeren of balklagen.

1.15 bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.16 dakopstand

Een bouwkundig element dat uitsteekt boven het dakvlak van een gebouw en dient voor functionele doeleinden, zoals daglichttoetreding, ventilatie, toegang tot het dak, of het huisvesten van technische installaties.

1.17 detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop of te huur aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop of verhuur, het verkopen, verhuren en/of leveren van goederen en diensten aan degenen die deze goederen en diensten kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.18 evenementen

Periodieke en/of incidentele manifestaties zoals sportmanifestaties, concerten, bijeenkomsten, voorstellingen, tentoonstellingen, shows, thematische beurzen en thematische markten. Onder evenementen worden in ieder geval niet begrepen activiteiten die zijn gericht op verkoop uit grote partijen met een beperkt assortiment door 1 of enkele aanbieders.

1.19 gebouw

Elk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.20 hoofdgebouw

Een gebouw dat door zijn ligging, constructie, afmetingen of functie als belangrijkste valt aan te merken.

1.21 installatieruimte

Een afgesloten, al dan niet toegankelijke ruimte binnen of buiten een gebouw, bedoeld voor de plaatsing en het beheer van technische installaties ten behoeve van de gebouwfunctie.

1.22 kantoor

Een (deel van een) gebouw dat door aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard.

1.23 liftkoker

Een liftkoker is een bouwkundig element dat dient als verticale schacht voor de verplaatsing van een liftinstallatie, inclusief de benodigde technische voorzieningen.

1.24 nutsvoorziening

Een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen ondergrondse leidingen, transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten.

1.25 openbaar toegankelijk gebied

Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

1.26 overkapping

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste 1 wand.

1.27 peil

Het gemiddelde afgewerkte bouwterrein dat aansluit aan de naar de weg dan wel openbare ruimte gekeerde gevel.

1.28 prostitutie

Het tegen betaling hebben van seksuele omgang met anderen.

1.29 publieksgerichte dienstverlening

Een bedrijfsmatige activiteit uitsluitend of overwegend gericht op het verlenen van diensten aan particulieren met een rechtstreeks contact met het publiek, niet zijnde detailhandel, horeca of seksinrichting.

1.30 seksinrichting

Een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, bestemd voor het bedrijfsmatig doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van erotische aard en/of pornografische aard dan wel een gelegenheid waar seksuele handelingen worden verricht; onder seksinrichting wordt mede begrepen:

  • a. seksbioscoop
    Een inrichting, bestemd voor het door middel van audiovisuele middelen doen plaatsvinden van voorstellingen van erotische en/of pornografische aard;
  • b. seksclub
    Een inrichting, bestemd voor het doen plaatsvinden van vertoningen van erotische en/of pornografische aard dan wel een gelegenheid waar seksuele handelingen worden verricht;
  • c. seksautomaat
    Een inrichting, bestemd voor het door middel van automaten doen plaatsvinden van audiovisuele voorstellingen van erotische en/of pornografische aard;
  • d. sekswinkel
    Een ruimte, bestemd voor het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van seksartikelen, waaronder begrepen pornografische lectuur en gegevensdragers, aan de uiteindelijke verbruiker of gebruiker;
  • e. prostitutiebedrijf
    Een ruimte, bestemd dan wel in gebruik voor het daarin uitoefenen van prostitutie.
1.31 technische installatie

Een gebouwgebonden voorziening, die dient voor de energievoorziening, klimaatregeling, ventilatie, waterhuishouding of andere functionele ondersteuning van het gebouw of terrein.

1.32 verblijfsgebied

Gebied bedoeld voor verblijf, waartoe in ieder geval (ontsluitings)wegen, fiets- en voetpaden, water, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen en hondenuitlaatplaatsen worden gerekend.

1.33 verkoopvloeroppervlakte

Het voor publiek toegankelijke deel van de winkelvloeroppervlakte, inclusief etalageruimte en de ruimte achter de toonbank dan wel kassaruimte.

1.34 winkel

Een (deel van een) gebouw dat blijkens aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor de uitoefening van detailhandel en/of het verlenen van diensten, waaronder mede worden begrepen videotheken, kapsalons en buffetverkoop. Tot de winkel worden de voor publiek toegankelijke ruimte alsmede de bijbehorende magazijnruimte, kantoren en overige dienstruimten begrepen.

1.35 zakelijke dienstverlening

Kantoor met baliefunctie ten behoeve van publieksgerichte commerciële en/of maatschappelijke dienstverlening.

1.36 zonnecollector

Een ten behoeve van de opvang van zonne-energie.

Artikel 2 Meet - en rekenbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten:

2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.2 de goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.3 de oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.4 de vloeroppervlakte

Tussen de (denkbeeldige) buitenwerkse gevelvlakken en/of harten van scheidsmuren, met dien verstande dat vloeroppervlakte waarboven minder dan 1,50 meter bouwhoogte aanwezig is hierbij buiten beschouwing wordt gelaten.

2.5 de inhoud van een bouwwerk

Boven peil tussen de buitenwerkse gevelvlakken, dakvlakken en harten van scheidsmuren.

2.6 de bodemingreep

De oppervlakte van de bodem die daadwerkelijk is afgegraven dan wel wordt afgegraven bij de uitvoering van een verleende omgevingsvergunning.

2.7 de dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.8 de bouwhoogte van een windturbine

Vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

Artikel 3 Toepassingsbereikbepaling

3.1 Toepassingsbereik

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k ,l , of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het tweede lid.

3.2 Geometrische toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie behorend bij dit TAM- omgevingsplan, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0200.tam0019-ont1 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Hoofdstuk 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN

Artikel 4 Groen

4.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Groen.

4.2 Functieomschrijving

Een als Groen aangewezen locatie mag gebruikt worden voor de volgende functies:

  • a. openbaar groen;
  • b. fiets- en voetpaden;
  • c. hondenuitlaatplaatsen.
4.3 Voorzieningen en inrichting

Tot de locatie bedoeld in artikel 4.1 worden in ieder geval ook gerekend de daarbij behorende:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. nutsvoorzieningen;
  • c. voorzieningen voor de waterhuishouding.

Artikel 5 Verkeer - Verblijfsgebied

5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Verkeer - Verblijfsgebied.

5.2 Functieomschrijving

Een als Verkeer - Verblijfsgebied aangewezen locatie mag gebruikt worden voor de volgende functies:

  • a. parkeergarage;
  • b. verblijfsgebied.
5.3 Voorzieningen en inrichting

Tot de locatie bedoeld in artikel 5.1 worden in ieder geval ook gerekend de daarbij behorende:

  • a. nutsvoorzieningen;
  • b. voorzieningen voor de waterhuishouding.
5.4 Specifieke functieregels
  • a. een parkeergarage uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' is toegestaan
  • b. de ingang en uitgang voor gemotoriseerd verkeer van de parkeergarage wordt gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - in- en uitgang'.

Artikel 6 Hoofdgebouw bouwen

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel hebben betrekking op het bouwen van een hoofdgebouw.

6.2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen - algemeen

De omgevingsvergunning voor het bouwen van het hoofdgebouw wordt alleen verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. het aangevraagde hoofdgebouw is gelegen binnen het bouwvlak, ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage';
  • b. de bouwhoogte niet hoger is dan de aangegeven waarde ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)';
  • c. voor zover sprake is van een ondergrondse bouwlaag onder het hoofdgebouw: deze niet dieper is dan 3,50 meter en het gebruik daarvan past binnen de toegestane functie;
  • d. de wanden van de parkeergarage deels gesloten zijn;
  • e. er wordt voldaan aan de algemene bouwregels, zoals opgenomen in artikel 12.
6.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen - specifiek
6.3.1 Toepassingbereik

Deze regels binnen dit artikel zijn van toepassing op gronden en bouwwerken die worden gebruikt of ontwikkeld ten behoeve van de functie 'Hoofdgebouw bouwen'.

6.3.2 Voorwaarde voor gebruik

Het gebruik van de gronden en bouwwerken voor 'Hoofdgebouw bouwen' is uitsluitend toegestaan indien de initiatiefnemer de maatregelen, vaste en variabele waarden, toepast die voortvloeien uit het NIKA-beleid, gepubliceerd op 25 juni 2024 in het gemeenteblad van de gemeente Apeldoorn.

6.3.3 Verplichte maatregelen

De maatregelen voor vaste waarden worden toegepast zoals vermeld in het NIKA. Deze vaste waarden omvatten ten minste de waarden genoemd onder de volgende onderdelen:

  • Waterberging;
  • Groen op het maaiveld;
  • Aanplant van bomen;
  • Voorzieningen voor dieren die in gebouwen wonen;
  • Windcomfort.
6.3.4 Moment van verplichting

De verplichting geldt vanaf het moment dat de bouwactiviteit ten behoeve van 'Hoofdgebouw bouwen' aanvangt of de gebouwen in gebruik worden genomen. Zonder toepassing van de genoemde NIKA-maatregelen is het gebruik voor 'Hoofdgebouw bouwen' niet toegestaan.

6.3.5 Toetsing en handhaving

Burgemeester en wethouders toetsen bij de aanvraag van een omgevingsvergunning of aan deze verplichting wordt voldaan. Indien dit niet het geval is, kan de vergunning worden geweigerd of het gebruik worden beëindigd.

6.4 Afwijking omgevingsvergunning bouwen - specifiek
  • a. Het college van burgemeester en wethouders kan afwijken van de beoordelingsregels zoals opgenomen in artikel 6.3, indien toepassing van die regels leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard;
  • b. Van een onbillijkheid van overwegende aard is sprake indien de toepassing van de vaste en/of variabele waarden uit het NIKA-beleid voor de initiatiefnemer of andere belanghebbenden onevenredige gevolgen heeft in verhouding tot het doel van de verplichting.
  • c. Een afwijking kan slechts worden toegestaan indien:
    • 1. sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
    • 2. de bijzondere omstandigheden die de onbillijkheid onderbouwen concreet en aantoonbaar zijn;
    • 3. de afwijking proportioneel is en gericht op het beperken van de gevolgen, zonder het geheel vervallen van de NIKA-verplichting.
  • d. Bij het besluit tot afwijking motiveert het college op welke gronden de afwijking wordt verleend en welke alternatieve of compenserende maatregelen worden getroffen om de doelen van het NIKA-beleid zoveel mogelijk te waarborgen.
6.5 Instandhouding NIKA-maatregelen
  • a. De maatregelen die zijn getroffen ter uitvoering van de verplichting zoals bedoeld in artikel 6.3 (NIKA-verplichting) bij de functie 'Hoofdgebouw bouwen', dienen gedurende het gebruik van de gronden en bouwwerken voor de functie 'Hoofdgebouw bouwen' in stand te worden gehouden;
  • b. Onder instandhouding wordt verstaan het behouden, onderhouden en waar nodig herstellen van de getroffen maatregelen, zodanig dat de werking en het doel van de maatregelen conform het NIKA-beleid blijven behouden;
  • c. Indien het college van burgemeester en wethouders gebruik maakt van de afwijkingsbevoegdheid zoals bedoeld in artikel 6.4, geldt de instandhoudingsverplichting voor de maatregelen die in het kader van die afwijking zijn getroffen ter compensatie en/of mitigatie.

Artikel 7 Waarde - Lage archeologische verwachtingswaarde

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Lage archeologische verwachtingswaarde'.

7.2 Functieomschrijving

Een als 'Waarde - Lage archeologische verwachtingswaarde' aangewezen locatie heeft de functie om archeologische waarden te beschermen die voorkomen in het gebied waarvan de verwachting laag is dat er bij bodemingrepen archeologische sporen en/of vondsten worden aangetroffen.

7.3 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de in dit artikel opgesomde werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden uit te voeren voor zover ze worden gedaan dieper dan 0,35 meter onder het AHN2-maaiveld met een oppervlakte van meer dan 2.500 m²:

  • a. grondwerkzaamheden, zoals afgraven, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleg van drainage, verwijderen van funderingen en aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting;
  • b. graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
  • c. aanleggen van leidingen.
7.4 Uitzonderingen vergunningplichtige gevallen

Het verbod zoals opgenomen in artikel 7.3 geldt niet:

  • a. voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • b. voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik;
  • c. voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden waarmee is begonnen op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
  • d. ingeval op grond van de Erfgoedwet een vergunning is vereist dan wel overige regels van de Erfgoedwet respectievelijk de Omgevingswet van toepassing zijn.
7.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • a. De onder 7.3 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld;
  • b. In afwijking van het onder a bepaalde is het overleggen van een rapport niet nodig indien de archeologische waarden van de gronden met behulp van andere beschikbare informatie naar het oordeel van het bevoegd gezag afdoende zijn vastgesteld.
7.6 Bijzondere aanvraagvereisten
  • a. In aanvulling op de algemene wettelijke aanvraagvereisten, dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld;
  • b. In afwijking van het onder a genoemde is het overleggen van een rapport niet nodig indien de archeologische waarden van de gronden met behulp van andere beschikbare informatie naar het oordeel van het bevoegd gezag afdoende zijn vastgesteld.
7.7 Voorschriften aan omgevingsvergunning

Indien uit het in lid 7.6 genoemde rapport dan wel de in dat lid bedoelde andere beschikbare informatie blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden als bedoeld onder 7.3 zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden en tot het uitbrengen van een verslag waaruit naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan;
  • b. de verplichting tot het uitvoeren van nader onderzoek en tot het uitbrengen van een verslag waarmee de archeologische waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate buiten de bodem behouden blijven.

Artikel 8 Waarde - Beken en Sprengen

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Beken en Sprengen'.

8.2 Functieomschrijving

Een als 'Waarde - Beken en Sprengen' aangewezen locatie heeft de functie ten behoeve van het beheer, herstel en onderhoud van landschappelijk en ecologisch waardevolle beken en sprengen.

8.3 Toegelaten activiteiten

Op de locatie aangewezen als 'Waarde - Beken en Sprengen', mag in afwijking van de andere functies en activiteiten, uitsluitend bouwwerken ten dienste van het beheer van de beken en sprengen worden gebouwd.

8.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
  • a. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning in dit plan toegelaten bouwactiviteiten uit te voeren ten dienste van in dit plan toegelaten functies.
  • b. In aanvulling op onderdeel a. is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. oppervlakteverhardingen ten behoeve van parkeren aanleggen of aanbrengen;
    • 2. wegen en paden aanleggen en verharden, of andere oppervlakteverhardingen aanbrengen;
    • 3. de bodem verlagen en gronden afgraven, ophogen of egaliseren;
    • 4. ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en daarmee samenhangende constructies, installaties en apparatuur aanbrengen.
8.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning als bedoeld in dit artikel wordt alleen verleend als:

  • a. de landschappelijke en ecologische waarden van de beek of spreng niet onevenredig worden aangetast; en
  • b. de mogelijkheden voor het herstel van de beek of spreng niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind; en
  • c. advies is gevraagd aan de beheerder van de beek of spreng en uit dat advies blijkt dat tegen het verlenen van de vergunning, uit hoofde van het beheer, geen bezwaar bestaat.
8.6 Uitzonderingen vergunningplichtige gevallen

Het verbod als bedoeld in lid 8.4 is niet van toepassing op:

  • a. de aanleg van een brug als onderdeel van de verkeerskundige ontsluiting van de parkeergarage, met dien verstande dat voldaan moet worden aan de voorwaarden, zoals opgenomen in artikel 8.5;
  • b. het verrichten van activiteiten in het kader van het normale beheer en onderhoud van de beek of spreng.

Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Artikel 11 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen en het is verboden zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk te bouwen, als niet wordt voldaan aan de algemene regels, bedoeld in artikel 22.27 en 22.36 van het omgevingsplan.

Artikel 12 Gebruiksregel stikstof

De ingebruikname van gronden en/of bouwwerken overeenkomstig deze bestemming is uitsluitend toegestaan indien:

  • a. de natuurvergunning van [datum] voor het inwerking hebben van een [bedrijf] aan [adres] met zaaknummer [nummer] onherroepelijk gedeeltelijk is ingetrokken voor zover deze ziet op het houden van:
    • 1. 35 dieren jongvee uit staltype HA2.100, en
    • 2. 35 dieren rundvee uit staltype HA1.10035;
  • b. de bedrijfsactiviteiten aan [adres] zijn beëindigd voor zover deze zien op het houden van [aantal] dieren met het huisvestingssysteem met [Rav-code] door het betreffende huisvestingssysteem voor het betreffende aantal dieren te verwijderen; en
  • c. de bedrijfsvoering als bedoeld a en b ook beëindigd blijft.

Artikel 13 Parkeervoorzieningen

13.1 gebruik

Als gebruik in strijd met de bestemming geldt het gebruik van gronden of bouwwerken waarbij niet in voldoende mate ruimte aanwezig is voor het parkeren van auto's en fietsen en het laden en lossen van goederen. Dit volgens de 'Beleidsregel Parkeren 2024' zoals vastgesteld op 13 juni 2024, die is opgenomen in bijlage 1 van de Bijlagen bij de regels.

13.2 bouwen

Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt slechts verleend indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat in voldoende mate ruimte aanwezig is voor het parkeren van auto's en fietsen en het laden en lossen van goederen. Dit volgens de 'Beleidsregel Parkeren 2024' zoals vastgesteld op 13 juni 2024, die is opgenomen in bijlage 1 van de Bijlagen bij de regels, dan wel haar rechtsopvolger.

Artikel 14 Algemene bouwregels

14.1 Algemene regels

Voor bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken die ten dienste staan van de bestemming;
  • b. daar waar volgens deze regels bebouwing is toegestaan, mag tevens ondergronds worden gebouwd, met dien verstande dat uitsluitend zijn toegestaan ruimten die een functionele eenheid vormen met de ter plaatse toegestane functies, zoals (huishoudelijke) bergruimten, parkeerruimten en fietsenstallingen, alsmede fiets- en voetgangerstunnels;
  • c. ter plaatse van de op de weg c.q. de openbare ruimte georiënteerde gevel, is overschrijding van de bouwgrens door ondergeschikte bouwdelen toegestaan, waaronder in ieder geval begrepen een erker, luifel of balkon, waarvan de diepte niet meer dan 1,20 meter en de bouwhoogte niet meer dan 3,50 meter bedraagt;
  • d. ter plaatse van de op de weg c.q. de openbare ruimte georiënteerde gevel, is overschrijding van de bouwgrens door bouwwerken ten behoeve van de hoofdingang en entree's voor toegang tot de parkeergarage mogelijk, waarvan de diepte vanuit de gevel niet meer dan 2.50 meter mag bedragen en de bouwhoogte niet meer dan 3.50 meter bedraagt;
  • e. daar waar in dit plan is bepaald dat de gronden tevens mogen worden gebruikt voor nutsvoorzieningen mogen bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen, zowel binnen als buiten het bouwvlak, worden opgericht, met dien verstande dat indien het gebouwen betreft de inhoud niet meer dan 60 m3 en de goothoogte niet meer dan 4 meter bedraagt, en indien het bouwwerken, geen gebouwen zijnde betreft, de oppervlakte niet meer dan 10 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 4 meter bedraagt.

Artikel 15 Vergunningplicht voor afwijken

15.1 Afwijkingsbepaling diverse bouwwerken

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning af van de regels van het plan ten behoeve van het bouwen van zonnecollectoren, beeldende kunstwerken (waaronder begrepen follies), riool-overstortkelders, rioolgemalen, boven- en ondergrondse containerruimten, informatie- en reclameborden, niet voor bewoning bestemde gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde van openbaar nut, voor toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. het bouwwerk kan in redelijkheid niet worden ondergebracht in nabij gelegen bebouwing;
  • b. indien het gebouwen betreft, is de inhoud maximaal 60 m3 en de goothoogte maximaal 3 meter, van deze maximale inhoud zijn uitgezonderd riool-overstortkelders en rioolgemalen;
  • c. in het bouwwerken geen gebouwen betreft, is de oppervlakte maximaal 10 m2 en de bouwhoogte maximaal 4 meter, van deze maximale bouwhoogte zijn uitgezonderd beeldende kunstwerken en ontluchtingspijpen en van deze maximale oppervlakte zijn uitgezonderd beeldende kunstwerken;
  • d. de stedenbouwkundige kwaliteit die met het plan is beoogd wordt niet onevenredig aangetast;
  • e. er zijn geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten.
15.2 Afwijkingsbepaling uitmeting terrein

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning af van de regels van het plan ten behoeve van de functiegrenzen, bouwgrenzen, aanduidingsgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak, voor toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. afwijking is noodzakelijk ter aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein;
  • b. de stedenbouwkundige kwaliteit die met het plan is beoogd wordt niet onevenredig aangetast;
  • c. er zijn geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten.
15.3 Afwijkingsbepaling doelmatig gebruik

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning af van de regels van het plan ten aanzien van bouwgrenzen, aanduidingsgrenzen en overige aanduidingen, voor toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. afwijken is noodzakelijk uit het oogpunt van doelmatig gebruik van de grond en bebouwing;
  • b. de afwijking bedraagt maximaal 10 meter ten opzichte van hetgeen is aangegeven in het plan;
  • c. de stedenbouwkundige kwaliteit die met het plan is beoogd wordt niet onevenredig aangetast;
  • d. er zijn geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten.
15.4 Afwijkingsbepaling 10%

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning af van de regels van het plan ten behoeve van het afwijken ten aanzien van de voorgeschreven goothoogte en bouwhoogte van gebouwen, aanduidingsgrenzen, bouwhoogte van bouwwerken, oppervlakte van bebouwing, onderlinge afstand tussen gebouwen, dieptes, afstand tot perceelsgrenzen en overige aanwijzingen, maten en afstanden, eventueel met overschrijding van de bouwgrens, voor toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de afwijkingen bedragen maximaal 10% van de in het plan voorgeschreven maten, afstanden, oppervlakten en percentages;
  • b. de stedenbouwkundige kwaliteit die met het plan is beoogd wordt niet onevenredig aangetast;
  • c. er zijn geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten.

Hoofdstuk 4 ALGEMENE PROCEDUREREGELS

Artikel 16 Maatwerkvoorschriften

Een beslissing omtrent het stellen van maatwerkvoorschriften wordt niet genomen dan nadat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van het voornemen tot het stellen van nadere eisen en in de gelegenheid zijn gesteld zienswijzen tegen die voorgenomen nadere eisen bij burgemeester en wethouders in te dienen.