| Plan: | TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22X Zeewolde - Watermolenbuurt |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | Omgevingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0050.TAMWatermolenbuurt-VS01 |
Gemeente Zeewolde heeft het voornemen om de Watermolenbuurt te gaan ontwikkelen. De Watermolenbuurt gaat ruimte bieden aan maximaal 270 woningen en enkele buurtgebonden maatschappelijke voorzieningen (600 m2 buurtcentrum). Watermolenbuurt vormt de afsluiting van het Eilandenrijk en daarmee ook van Polderwijk.
Woonwijk Polderwijk, gelegen aan de noordzijde van Zeewolde, wordt in fasen gerealiseerd. Ten behoeve hiervan is in 2004 het bestemmingsplan Polderwijk opgesteld, waarin de woonwijk via uitwerkingsregels ontwikkeld kon worden. Op basis van dit bestemmingsplan is een groot deel van de woonwijk inmiddels gebouwd. Vanwege nieuwe stedenbouwkundige inzichten zijn voor het noordelijk deel van de woonwijk in 2012 nieuwe uitwerkingsregels vastgelegd in het bestemmingsplan Polderwijk - Noord. Op basis daarvan zijn Parkkwartier, Bergkwartier, Havenkwartier en Waterkwartier gerealiseerd. Inmiddels wordt het wijkdeel Eilandenbuurt ontwikkeld. Voor Watermolenbuurt resteren op grond van de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan Polderwijk - Noord en het bijbehorende MER nog slechts 50 woningen.
Het geldende bestemmingsplan Polderwijk-Noord maakt deel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Zeewolde. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet bestaat er echter geen mogelijkheid meer om uitwerkingsplannen vast te stellen. Een en ander betekent dat voor de beoogde ontwikkeling een wijziging van het omgevingsplan in procedure gebracht zal moeten worden.
De gemeente houdt in het geval van nieuwe grootschalige ontwikkeling, waarvoor niet voorzien kan worden in een BOPA, voor de wijziging van het omgevingsplan voorlopig de techniek van TAM-IMRO aan. Dit biedt de mogelijkheid om via de Wro-standaarden (IMRO) het omgevingsplan te publiceren. Inhoudelijk moet dit plan uiteraard voldoen aan de Omgevingswet. De gemeente Zeewolde beschikt over een handboek voor het opstellen van een (TAM-IMRO) Omgevingsplan.
De wijk Polderwijk gerealiseerd ligt aan de noordzijde van Zeewolde. In de Polderwijk is ruimte voor ongeveer 2.950 woningen. De Watermolenbuurt ligt in het noordwestelijk deel van de Polderwijk. Het Waterkwartier omvat diverse buurten, waaronder de Molenbuurt, de Schelpenbuurt en de Eilandenbuurt, die samen een waterrijke woonomgeving vormen.
De ligging van het plangebied ten opzichte van Zeewolde is in navolgende figuur weergegeven.
figuur 1.1 - globale ligging plangebied
Het voorliggende plangebied wordt globaal begrensd door de Blauwe Diamant, door de Beloop en aansluitend de woonwijk Molenbuurt, woonbuurt Eilanderbuurt en de Waterlinie. De begrenzing is globaal in onderstaande figuur weergegeven.
figuur 1.2 - globale begrenzing plangebied
Gemeenten kunnen de TAM-IMRO techniek toepassen totdat zij het omgevingsplan-instrument wel op basis van de STOP/TPOD-standaard kunnen publiceren, bekendmaken en beschikbaar stellen via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Met een TAM-IMRO omgevingsplan wordt gemeenten de mogelijkheid geboden een omgevingsplan op basis van de techniek van de oude Wet ruimtelijke ordening (de RO-Standaarden 2012) te maken.
Technisch blijft een omgevingsplan op basis van TAM-IMRO dan ook een bestemmingsplan in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het met IMRO2012 opgestelde omgevingsplan moet, net als andere bestemmingsplannen, uiteindelijk worden verwerkt in het omgevingsplan op basis van de STOP/TPOD standaard. Juridisch gezien is een TAM-IMRO omgevingsplan een volwaardige wijziging van het omgevingsplan onder de Omgevingswet. Inhoudelijk moet deze wijziging van het omgevingsplan voldoen aan de eisen vanuit de Omgevingswet.
De gemeente Zeewolde is momenteel aan de slag met het opstellen van de structuur van het gemeentedekkend omgevingsplan. Dit gemeentedekkend omgevingsplan kan nog geen basis zijn voor deze ontwikkeling. Daarom is gekozen om deze ontwikkeling mogelijk te maken met een TAM-IMRO omgevingsplan. Zodra de structuur definitief is, wordt dit plan onderdeel van het definitieve omgevingsplan.
De voorliggende motivering is als volgt opgebouwd:
Het plangebied is gelegen aan de noordzijde van de bebouwde kom van Zeewolde. Het vormt de afronding van de in ontwikkeling zijnde woonwijk Polderwijk. Ten noordoosten van het plangebied wordt de Eilandenbuurt ontwikkeld. Aan de zuidwestzijde ligt de Waterlinie, met aan de overzijde de woningen uit het Parkkwartier. Aan de overzijde van De Blauwe Diamant ligt een aantal woonboten. Aan de zuidwestzijde sluit het plangebied aan op de Molenbuurt.
figuur 2.1 - bestaande situatie anno 2023
Zoals uit navolgende luchtfoto blijkt werden de gronden tot voor kort nog gebruikt als agrarische gronden voor het telen van gewassen. Recentelijk is vrijkomende grond uit de naastgelegen in ontwikkeling zijnde woonwijk Eilandenbuurt in het plangebied opgebracht om in te klinken en liggen de gronden braak.
Het omgevingsplan van de gemeente Zeewolde bevat de regels voor het plangebied. Het omgevingsplan is te raadplegen in het Omgevingsloket (www.omgevingswet.overheid.nl).
Op dit moment staan de regels nog op verschillende plaatsen, te weten in:
Hierna wordt kort ingegaan op de voor de ontwikkeling relevante regels uit het omgevingsplan. In paragraaf 2.3 wordt beschreven met welke regels van het omgevingsplan de ontwikkeling in strijd is.
Sinds 1 januari 2024 maken alle geldende bestemmingsplannen (en alle bestemmingsplannen die nog in procedure zijn en die straks nog onherroepelijk worden) van rechtswege deel uit van het omgevingsplan, in voorliggend geval het Omgevingsplan gemeente Zeewolde. De regels zelf zijn dus niet gewijzigd, maar formeel bestaan bestemmingsplannen niet meer.
Volgens het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn op het plangebied de volgende bestemmingsplannen van toepassing.
| Type plan | Plannaam | Datum vaststelling | |
| Bestemmingsplan | Polderwijk | 25-09-2014 | |
| bestemmingsplan | Polderwijk - Noord | 26-04-2012 | |
| Chw bestemmingsplan | Parapluherziening Parkeren 2020 | 25-06-2020 | |
Bestemmingsplan Polderwijk
De gronden ter hoogte van de Waterlinie zijn bestemd als water. Binnen deze bestemming zijn waterlopen en waterpartijen toegestaan evenals oevers en kades, bermen en beplanting en groenvoorzieningen toegestaan.
Bestemmingsplan Polderwijk-Noord
Het grootste deel van het plangebied is bestemd als 'Gemengd - Uit te werken'. Deze gronden zijn bedoeld voor woonhuizen, woonschepen (drijvend wonen) en woongebouwen al dan niet in combinatie met centrum- of recreatieve voorzieningen in de eerste bouwlaag alsmede voor gebouwen ten behoeve van centrum-, maatschappelijke en recreatieve voorzieningen. In het bestemmingsplan is een uitwerkingsplicht opgenomen om de bestemming 'Gemengd - Uit te werken' (artikel 7) binnen de in het betreffende artikel genoemde uitwerkingsregels uit te werken.
Zoals al eerder aangegeven passen de beoogde gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden die in voorliggend TAM-omgevingsplan zijn opgenomen, niet binnen de kaders die in het bestemmingsplan "Polderwijk-Noord" zijn bepaald. Op grond van de uitwerkingsregels mag het aantal woningen binnen de bestemmingen 'Gemengd - Uit te werken' en 'Wonen - Uit te werken' ten hoogste 1.656 woningen bedragen. De oppervlakte voor centrumvoorzieningen, maatschappelijke voorzieningen en recreatieve voorzieningen dient maximaal 4 hectare te bedragen.
figuur 2.2 - Uitsnede geldende bestemmingsplan Polderwijk - Noord
Chw Bestemmingsplan Parkeren 2020
In het parapluplan wordt voorzien in een parkeerregeling voor de gemeente Zeewolde. Op grond van dit plan is het verboden een functiewijziging door te voeren van bouwwerken of onbebouwde gronden in een functie met een grotere parkeerbehoefte, zonder dat in voldoende mate ruimte aanwezig is ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's.
In het voorliggende TAM-omgevingsplan is een nieuwe parkeerregeling opgenomen in die zin dat wordt aangesloten op de nieuwe CROW-uitgave 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering' (publicatie 744) waarin de geactualiseerde parkeerkencijfers zijn opgenomen.
Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan behoren ook de gemeentelijke archeologieverordening, de geurverordening en de verordening afvoer regen- en grondwater.
De gemeente Zeewolde beschikt niet over dergelijke verordeningen. Er wordt voor deze thema's dan teruggevallen op de regels die te vinden in de bruidsschat en in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), zie verder in hoofdstuk 5.
De gemeente Zeewolde heeft de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassekaart opgenomen in de nota 'Bodemkwaliteitskaart 2024, gemeenten Almere, Dronten, Lelystad, Noordoostpolder, Urk en Zeewolde' (WSP Nederland BV, documentnummer: SOB025368.RAP001, d.d. 14-11-2024).
Het plangebied valt voor wat betreft de bovengrond binnen het deelgebied 'Overig bebouwd en- en buitengebied provincie Flevoland' van de bodemkwaliteitskaart. Voor wat betreft de ondergrond valt het plangebied binnen 'O1. Ondergrond provincie Flevoland'.
Op de bodemfunctieklassekaart ligt het plangebied in een gebied met de functieklasse Wonen. Dit betekent dat de bodemfunctieklasse in overeenstemming is met de beoogde functie.
In de bruidsschat zijn verschillende regels opgenomen die relevant kunnen zijn voor een nieuwe ontwikkeling. De bruidsschat bevat voorrangsbepalingen en overgangsrecht, regels over bouwwerken, open erven en terreinen, regels over milieubelastende activiteiten, regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond en regels over gemeentelijke omgevingsvergunningen.
In het omgevingsplan kunnen rijks, provinciale- of gemeentelijke voorbeschermingsregels zijn opgenomen die betrekking kunnen hebben het plangebied en de activiteiten die met de ontwikkeling mogelijk worden gemaakt.
De beoogde ontwikkeling voorziet niet in omgevingsplanactiviteiten die strijdig zijn met de rijks- provinciale of gemeentelijke voorbeschermingsregels (zie paragraaf 5.15).
Ter voorbereiding van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan is een stedenbouwkundig plan opgesteld voor de Watermolenbuurt, waarin de ruimtelijke structuur en hoofduitgangspunten van de wijk zijn vastgelegd. In dit plan is de opzet van de verschillende deelgebieden bepaald evenals de relatie met het water en groen en de structuur van de openbare ruimte.
De positionering van de bebouwing, de verkavelingsstructuur evenals de infrastructuur zijn zorgvuldig afgestemd op de karakteristieken van de locatie. Er wordt gebruik gemaakt van de ligging aan het water door veel woningen hiernaartoe te richten. Door lange zichtlijnen, ruime parkelementen en situering aan de waterlinie onderscheidt zich de nieuwe woonbuurt van de andere woonbuurten in Polderwijk.
In het beeldkwaliteitsplan (BKP) is voortgebouwd op deze stedenbouwkundige basis. In het beeldkwaliteitsplan worden de ruimtelijke uitgangspunten vertaald naar concrete richtlijnen voor architectuur, materialisering en de openbare ruimte
Het stedenbouwkundig plan dient als basis voor de juridische borging in het voorliggende omgevingsplan.
figuur 2.1 - mogelijke verkaveling
Woningbouwprogramma
In de stedenbouwkundige verkaveling en in het woningbouwprogramma wordt uitgegaan van ruim 253 woningen. Bij de verdere uitwerking van de plannen wordt rekening gehouden met maximaal 270 woningen, dit aantal wordt dan ook als maximum opgenomen in de planregels van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan.
Zoals uit onderstaand overzicht blijkt bestaat het merendeel (ruim tweederde deel) van de woningen uit grondgebonden woningen. Binnen het plangebied komen verschillende typen woningen voor verschillende doelgroepen. Zo zitten er rijwoningen, 2-onder-1 kapwoningen en vrijstaande woningen in het plan. Op een aantal plaatsen binnen de wijk wordt voorzien in appartementen (meergezinswoningen) variërend van 3 tot 4 lagen. Boven het voorzieningenpunt wordt voorzien in 3 lagen boven de plint. Voor het voorzieningenpunt wordt in totaal uitgegaan van 4 bouwlagen, hiervoor is een bouwhoogte van 14 meter opgenomen.
figuur 2.2 - woningbouwprogramma (uitgaande van 253 woningen)
NB: de verdeling van de woningen, zoals aangegeven in de figuur, is indicatief
Uit het programma blijkt dat tweederde deel bestaat uit betaalbare woningen. In de laddertoets, zoals opgenomen in paragraaf 5.14, wordt ingegaan op de behoefte.
Maatschappelijke functies
Aan de oostzijde wordt in de plint van het daar beoogde appartementencomplex voorzien in de realisatie van maximaal 600 m2 buurtgebonden maatschappelijke voorzieningen.
Fasering
Voor de Watermolenbuurt is een fasering opgesteld. In de planning wordt uitgegaan van de oplevering van de eerste woningen in 2029. De buurtgebonden maatschappelijke voorziening wordt samen de bovengelegen appartementen opgeleverd in 2033.
| jaar | aantal woningen | buurtgegerichte maatschappelijke voorziening | |||||
| 2029 | 152 | ||||||
| 2030 | 68 | ||||||
| 2031 | 8 | ||||||
| 2032 | 20 | ||||||
| 2033 | 15 | 600 m2 bvo | |||||
| 2034 | 7 | ||||||
| Totaal | 270 | ||||||
De verschillende woonvelden binnen de Watermolenbuurt worden gesitueerd in het groen met een eigen herkenbare identiteit. De diverse soorten woonstraten krijgen een eigen identiteit met betrekking tot groen.
figuur 2.3 - herkenbare structuren (bron BKP)
Centraal in het plangebied wordt een centrale groenvoorziening aangelegd. Hierdoor ontstaan binnen Watermolenbuurt kansen om groene en blauwe verbindingen te maken met de omliggende wijken en waterpartijen. Er wordt aandacht besteed aan biodiversiteit en klimaatadaptatie.
De Watermolenbuurt sluit direct aan op de Blauwe Diamant en de Waterlinie. Binnen de Watermolenbuurt wordt niet direct voorzien in watervoorzieningen. Binnen de groenvoorziening wordt rekening gehouden met de aanleg van een netwerk van wadi's die aansluiten op de Waterlinie.
figuur 2.4 - groene randen en verbindingen (bron BKP)
Natuurvriendelijke oevers worden aangelegd om de natuurwaarden en de biodiversiteit te versterken. De diverse inhammetjes bieden beschutting aan vissen en andere waterdieren.
figuur 2.5 - zichtlijnen behouden (bron BKP)
Openheid en zichtlijnen zijn kenmerkend in het landschap van de Flevopolder. De open vensters bieden zicht over het water op kleine schaal doorgevoerd. De rechtlijnige wegen richting het water dragen hier aan bij.
Watermolenbuurt wordt gekenmerkt door een overzichtelijke verkeersstructuur, met een duidelijke entree en een overzichtelijk vormgegeven hoofdroute.
Gemotoriseerd verkeer
Tussen de Eilandenbuurt en de Watermolenbuurt ligt de ontsluitingsweg voor beide buurten: de Beloop. Voor het autoverkeer wordt de Watermolenbuurt via de Beloop vanaf de Kruiskamp ontsloten.
In noordoostelijke richting leidt de Ossenkampweg naar de Knardijk, welke vervolgens in oostelijke richting overloopt in de N707. De Ossenkamp kent een spitsafsluiting en is daardoor minder relevant voor de ontsluiting van de Watermolenbuurt voor het autoverkeer. In zuidwestelijke richting takt de Kruisboog aan op de Kwartiermakerslaan. De Kwartiermakerslaan leidt in zuidelijke richting via de Gelderseweg naar het centrumgebied van Zeewolde.
In paragraaf 5.18 wordt nader ingegaan op de aspecten ten aanzien van verkeer.
figuur 2.6 - overzichtelijke verkeersstructuur (bron BKP)
Intern wordt de Watermolenbuurt van de Beloop ter hoogte van de Langeoog ontsloten. Vanaf een centrale ontsluitingsroute (woonstraten) worden de woningen middels een aan lussen ontsloten.
Langzaam verkeer
Diverse langzaam verkeersroute zorgen voor een veilige verbinding met omliggende wijken. Het langzaam verkeer wordt aan de zuidoostelijke zijde van Watermolenbuurt ontsloten op het langzaam verkeersnetwerk van de naastgelegen woonwijk. Voor fietsers is vanaf de Beloop een fietspad dat in oostelijke richting leidt naar de Omloop/Zeewolderweg. Bij de Zeewolderweg is aan de oostzijde van de rijbaan een vrijliggend tweerichtingsfietspad aanwezig, dat in zuidelijke richting leidt naar de Kwartiermakerslaan.
Met uitzondering van een supermarkt gelegen op circa 400 meter vanaf de projectlocatie zijn er geen relevante voorzieningen gelegen op loopafstand van de beoogde ontwikkeling.
Openbaar vervoer
Er zijn geen OV-haltes aanwezig in de directe omgeving van de projectlocatie. De dichtstbijzijnde OV-halte is gelegen op circa 1 kilometer loopafstand aan de Kwartiermakerslaan. Vanaf deze halte kan gebruikt worden gemaakt van buslijnen tussen Harderwijk, Almere, Amersfoort en Nijkerk.
Parkeren
Parkeren in het openbaar gebied gebeurt zoveel mogelijk centraal in clusters en in enkele woonstraten nabij de woningen. In paragraaf 5.18 wordt aangetoond dat er in voldoende mate voorzien kan worden in parkeerplaatsen.
Ten behoeve van de ontwikkeling van de Watermolenbuurt is een beeldkwaliteitplan (BKP) opgesteld. Het beeldkwaliteitplan is als bijlage 2 opgenomen bij de regels van dit omgevingsplan.
Binnen de Watermolenbuurt wordt onderscheid gemaakt in een zestal duidelijke deelgebieden.
figuur 2.7 - onderscheiden deelgebieden binnen Watermolenbuurt (bron BKP)
Ieder deelgebiedje heeft zijn eigen karakter. In de buurt wordt pleksgewijs een passende vormgeving, kleur, materiaal en sfeer toegepast waarbij er een duidelijke samenhang in het hele buurtje overeind blijft.
In het beeldkwaliteitsplan wordt per deelgebied aangegeven welke ambities gelden. Daar worden beeldkwaliteitseisen beschreven ten aanzien van de situering en oriëntatie van de gebouwen, de massa en vorm van de gebouwen, de gevelopbouw, de dakvorm, de erfafscheiding en indien relevant aan- en bijgebouwen, parkeren op eigen terrein en tot slot materialisering.
Op enkele locaties in de buurt dient de bebouwing een verbijzondering te hebben. Dit komt vooral voor op bepaalde hoeken en beëindiging van straten of assen door het gebied. In het beeldkwaliteitsplan wordt aangegeven hoe deze verbijzondering tot uiting kan komen.
Bij de inrichting van de openbare ruimte spelen diverse thema's zoals ontmoeten, spelen, biodiversiteit en klimaatadaptatie een belangrijke rol. In het beeldkwaliteitsplan is per soort straat of groene ruimte een principe-doorsnede opgenomen en zijn er uitgangspunten opgenomen waarbij de diverse thema's in zijn opgenomen.
Het beeldkwaliteitsplan wordt als beleidsregel vastgesteld. In de planregels wordt bepaald dat bouwwerken niet in strijd mogen zijn met de reguliere omgevingskwaliteit. Voor de beoordeling van de uiterlijke verschijningsvorm wordt daarbij verwezen naar het vastgestelde beeldkwaliteitsplan.
De beoogde ontwikkeling is in strijd met het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Zeewolde, met name het bestemmingsplan Polderwijk Noord. Op grond van de eerdere uitwerkingsplannen zijn tot op heden zo'n 1.600 woningen gerealiseerd. Dat betekent dat er nog 50 woningen resteren.
De plannen gaan uit van maximaal 270 woningen en 600 m2 maatschappelijke voorzieningen. Dat betekent dat voor zeker 220 woningen de beoogde bouw en gebruiksactiviteiten niet zijn toegestaan.
Daarnaast is het onder de Omgevingswet niet meer mogelijk bestemmingsplannen uit te werken.
Om de woningbouwontwikkeling in Watermolenbuurt mogelijk te maken zijn voorliggende wijziging van het omgevingsplan en een beeldkwaliteitsplan (BKP; zie paragraaf 2.2.5) opgesteld. Voor het opstellen van deze plannen zijn de stedenbouwkundige hoofdstructuur en concept-woningbouwprogramma belangrijke uitgangspunten. Watermolenbuurt krijgt een onderscheidend karakter binnen Polderwijk.
De wijze van uitwerken van Watermolenbuurt, op basis van de uitgangspunten uit het Masterplan Polderwijk, is vergelijkbaar met de uitwerking van de voorgaande woonbuurten in Polderwijk, waaronder Bergkwartier, Schelpenkwartier, Havenkwartier en Eilandenbuurt. Deze buurten zijn zonder aanvullende participatie tot stand gekomen.
Er is vooralsnog geen reden om in het geval van Watermolenbuurt van deze werkwijze af te wijken. De wettelijke procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan waarborgt dat betrokken buurtbewoners worden meegenomen in de procedure en hun eventuele zienswijze kenbaar kunnen maken.
Bij de voorbereiding van het opstellen van een wijziging van het omgevingsplan zijn verschillende overlegpartners op de gebruikelijke wijze geconsulteerd. Het gaat in dit geval om de provincie Flevoland, het waterschap Zuiderzee Land, de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek en GGD Flevoland.
De binnengekomen vooroverlegreacties zijn samengevat en van antwoord voorzien in de reactienota vooroverleg. De reactienota is bijlage 9 opgenomen in deze motivering. Voor zover nodig zijn de resultaten van het bestuurlijk vooroverleg verwerkt in de motivering, de planregels en op de kaart.
Het ontwerp van het TAM-omgevingsplan heeft gedurende een periode van zes weken – van 24 december 2025 tot en met 3 februari 2026 – ter inzage gelegen. In deze periode kon iedereen een zienswijze indienen op het TAM-omgevingsplan. Er zijn geen zienswijzen ontvangen die betrekking hebben op het ontwerp van het TAM-omgevingsplan.
Wel zijn, op basis van voortschrijdend inzicht, enkele ambtshalve wijzigingen aangebracht ten opzichte van het ontwerp. Deze wijzigingen zijn opgenomen in bijlage 1 bij het vaststellingsbesluit.
Op 24 februari 2026 is het TAM-omgevingsplan gewijzigd vastgesteld.
Het beleidskader en het beoordelingskader een omgevingsplan zijn niet hetzelfde en verschillen ook in juridisch opzicht van elkaar:
Het beleidskader wordt in dit hoofdstuk behandeld. Het beoordelingskader voor het omgevingsplan is verwerkt in hoofdstuk 5 en 8.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toetsing
De vier ambities uit de NOVI zijn verder uitgewerkt in 26 beleidskeuzes, die in de toelichting van de NOVI zijn vertaald naar 21 Nationale belangen. Gezien de aard van dit plan zijn vooral de volgende nationale belangen en opgaven relevant:
De voorgenomen ontwikkeling is ten gunste van nationale belangen zoals het tegengaan van het woningtekort. Er wordt een bijdrage geleverd aan nationale belangen door het toevoegen van woningbouw waarbij veel aandacht is voor groen, gezondheid en duurzaamheid.
Ten aanzien van 'betaalbare woningbouw' is de onderbouwing terug te vinden in paragraaf 5.14 (ladder voor duurzame verstedelijking). Uit die onderbouwing blijkt dat sprake is van een duurzame ontwikkeling die aansluit op de woningbehoeften.
Ten aanzien van de overige opgaven wordt opgemerkt dat in hoofdstuk 5 het plan aan de hand van de relevante aspecten in de fysieke leefomgeving is gemotiveerd, gevolgd door een algehele afweging van het plan in hoofdstuk 8. Op deze plek volstaat de conclusie dat met het plan sprake is van een goede omgevingskwaliteit.
Overige nationale belangen zijn minder van relevant voor dit plan, omdat deze ofwel het schaalniveau overstijgen ofwel op een voor dit plan onbelangrijk thema betrekking hebben.
Het plan past binnen de beleidskaders van de Nationale Omgevingsvisie.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is één van de vier AMvB's die invulling geven aan de Omgevingswet. Het Omgevingsbesluit regelt onder meer welk bestuursorgaan bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen, de betrokkenheid van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming, procedures en een aantal op zichzelf staande onderwerpen zoals de milieueffectrapportage. Het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving geven aan, aan welke regels burgers en bedrijven zich moeten houden bij bepaalde activiteiten.
Het Bkl stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. In het Bkl staan dan ook regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden.
In het Bkl staan instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over:
Met behulp van de digitale voorziening 'Regels op de kaart' (Omgevingsloket) is voor het projectgebied bepaald of er gebiedsgerichte instructieregels uit het Bkl voor dit project relevant zijn. Voor dit project zijn er geen relevante gebiedsgerichte instructieregels.
Voor zover thematische instructieregels uit het Bkl van belang zijn voor dit project, vindt een afweging van deze instructieregels plaats in hoofdstuk 5 van deze motivering. De overige instructieregels uit het Bkl zijn niet relevant voor dit project, omdat deze ofwel het schaalniveau overstijgen ofwel op een voor dit project onbelangrijk thema betrekking hebben.
In deze paragraaf 4.2 komt naar voren dat het initiatief passend volgens de uitgangspunten van het relevante rijksbeleid.
De Omgevingsvisie FlevolandStraks geeft de langetermijnvisie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. Het gaat over de periode tot 2030 en verder. Het geeft aan welke kansen, opgaven en uitdagingen er voor Flevoland liggen. Er zijn drie kernopgaven:
Deze opgaven vormen de kern voor alle ontwikkelingen waar de provincie Flevoland bij betrokken is. Zowel voor de strategische opgaven uit de Omgevingsvisie, als andere vraagstukken van de provincie Flevoland. In de strategische opgaven staan de belangrijkste vraagstukken en ambities voor de toekomst beschreven. Het gaat om de volgende opgaven:
Toetsing
De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het ontwikkelen van een uitbreiding van een woningbouwgebied ten noorden van Zeewolde, waarmee invulling wordt gegeven aan de lokale woningbehoefte. Gelet op vorenstaande sluit het voornemen goed aan bij de uitgangspunten van de Omgevingsvisie FlevolandStraks (specifiek ‘Het Verhaal van Flevoland’).
Elke provincie moet een Omgevingsverordening vaststellen waarin zij instructieregels opnemen voor andere bestuursorganen. In de omgevingsverordening staan de regels hoe de provincie Flevoland omgaat met de fysieke leefomgeving. Het zijn de regels die gaan over onder andere (vaar)wegen, grondwater, watersysteem, zwemwater, stilte, grondwaterbeschermingsgebieden, natuur, ontgrondingen, borden in het landelijk gebied, duurzame energie, geitenhouderijen en schaliegas.
Daarnaast heeft de Provincie Flevoland heeft in haar Omgevingsverordening voor de volgende gebiedsaanwijzingen en activiteiten instructieregels opgenomen die specifiek van toepassing zijn op het plangebied van de gemeente Zeewolde.
Grondwaterbeschermingsgebied (hoofdstuk 4)
Het plangebied is gelegen binnen het beschermingsgebied voor grondwater en boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland.
In het kader van zorgplicht (artikel 4.3) is:
In paragraaf 5.5 wordt aangegeven dat ten behoeve van de bebouwing geen uitlogende bouwmaterialen zullen mogen worden gebruikt. Verder worden er geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die een potentieel risico vormen voor de waterkwaliteit.
Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 14 m
Deze bepalingen zijn voor de randen van het plangebied relevant. Het is op dit moment onbekend in hoeverre de betreffende gronden geroerd zullen worden. Indien hiervan sprake is dat voorafgaand aan de werkzaamheden een melding worden gedaan bij het bevoegd gezag.
Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 17 meter
Deze bepalingen zijn voor de midden van het plangebied relevant. Het is op dit moment onbekend in hoeverre de betreffende gronden geroerd zullen worden. Indien hiervan sprake is dat voorafgaand aan de werkzaamheden een melding worden gedaan bij het bevoegd gezag
Historische grondwaterbescherming (artikel 6.8)
Gedeputeerde staten ontvangen onverwijld een afschrift van de resultaten van een voorafgaand bodemonderzoek die aan burgemeester en wethouders worden verstrekt op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of omgevingsplan, indien uit het voorafgaand bodemonderzoek dat plaatsvindt buiten het margegebied historische grondwaterverontreiniging blijkt dat voor één of meer verontreinigende stoffen de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in Bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt overschreden.
Paragraaf 5.11 gaat nader in op de bodemkwaliteit.
Artikel 7.4 Aanwijzing vergunningvrije gevallen (ontgrondingen)
In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt het verbod uit artikel 5.1 van de Omgevingswet om zonder vergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten niet, voor zover het gaat om ontgrondingen:
Artikel 7.5 Melding (Ontgrondingen)
Het is onbekend hoeveel grond zal worden afgegraven. Indien sprake is van een ontgrondingsactiviteit zoals benoemd in artikel 7.4, dan wordt voorafgaand aan de werkzaamheden een vergunningsaanvraag ingediend conform de gestelde eisen uit artikel 7.4.
Artikel 8.8 Instructieregel omgevingsplan: motiveringsplicht omgevingskwaliteit
Allereerst is in het voorliggende gebied gen sprake meer landelijk gebied. Met de geldende bestemming was al rekening gehouden met de ontwikkeling van het gebied als woongebied (zie paragraaf 2.1.2 ). In het beeldkwaliteitsplan (BKP), dat als bijlage 2 is opgenomen in de regels bij dit omgevingsplan, is aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de bestaande omgevingskwaliteit en op welke wijze hieraan een positieve bijdrage wordt geleverd.
Artikel 9.2a Geluidproductieplafonds provinciale wegen
Voor de in Bijlage XIV Lijst provinciale wegen waar geluidproductieplafonds gelden opgenomen openbare wegen in beheer bij de provincie Flevoland worden geluidproductieplafonds vastgesteld.
Paragraaf 5.8 gaat nader in op het aspect geluid. Op dit moment heeft de provincie geen gpp's vastgesteld.
Artikel 12.8 Omgevingswaarden wateroverlast binnen bebouwde kom
Voor het gebied binnen de bebouwde kom geldt een overstromingskans van ten hoogste 1/100 per jaar.
Paragraaf 5.5 gaat nader in op het aspect waterveiligheid/ waterkering.
Artikel 14.17: Instructieregels omgevingsplan: geen windmolens buiten een
windgebied
Een omgevingsplan sluit uit dat buiten wingebied nieuwe windmolens worden gerealiseerd of dat bestaande windmolens worden opgeschaald.
In het plangebied worden geen windmolens mogelijk gemaakt (zie paragraaf 5.10 ). Het plan is niet in strijd met deze instructieregel.
Artikel 15.15: Gemeenteraad: Bescherming NNN (instructieregels)
Een omgevingsplan, voor zover het betrekking heeft op een gebied binnen of nabij het aangewezen Natuurnetwerk Nederland:
Paragraaf 5.19 gaat nader in op het aspect ecologie: gebiedsbescherming.
Artikel 17.4 Instructieregels (tijdelijke stop geitenfokkerij)
Een omgevingsplan sluit de nieuwvestiging van geitenhouderij uit.
Voorliggend omgevingsplan ziet toe op de realisatie van een woonwijk. De vestiging van een geitenhouderij is in de planregels niet mogelijk gemaakt.
Tot slot
In het hoofdstuk 5 Thema's van de fysieke leefomgeving wordt de ontwikkeling getoetst aan de relevante instructieregels.
In dit hoofdstuk wordt aangetoond op welke wijzen in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt voldaan aan de relevante instructieregels van de provincie Flevoland.
Dit Omgevingsprogramma anticipeert op de toekomstige Omgevingswet, waarin staat dat een provincie moet beschikken over een programma. Daarin is al het beleid voor ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming of behoud van de fysieke leefomgeving gebundeld. Daarmee zijn beleidskeuzes compact en de samenhang geborgd. Het programma bindt alleen de provincie, maar gemeenten en waterschappen moeten er bij het maken van plannen of beleid wel rekening mee houden.
Het programma bestaat uit het onderdeel Ruimte: doel is een goede woon-, werk- en leefomgeving.
Grootschalige ontwikkelingen mogen, omdat in omliggende regio's daarvoor geen ruimte is. Voorwaarde is een evenwichtige ontwikkeling. Bereikbaarheid, voorzieningenniveau en werkgelegenheid moeten worden verbeterd. Voor het stedelijk gebied geldt dat wordt ingezet op de ontwikkeling van vitale steden en dorpen. Kern van het beleid is: efficiënt ruimtegebruik, versterking van het draagvlak voor voorzieningen, nieuwe solitaire clusters buiten stedelijk gebied zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij het een kwaliteitsimpuls betreft. Op het gebied van wonen is meer differentiatie nodig (starters, ouders, alleenstaanden), met het kwaliteitsbehoud van bestaande de woningvoorraad.
Het provinciale stedelijk gebied beleid is gebaseerd op de volgende principes:
Toetsing
Onderhavige ontwikkeling past binnen het Omgevingsprogramma Flevoland. De ontwikkeling vindt plaats op een onbenut stuk grond dat in het verleden is aangewezen als uitwerkingsgebied ten behoeve van woningbouw.
Provinciale Staten heeft de woonagenda vastgesteld op woensdag 13 oktober 2021. De Flevolandse Woonagenda moet er aan bijdragen er meer balans komt op de woningmarkt binnen Flevoland. Het gaat om méér dan alleen goede woningen. Het gaat ook om wonen op een plek van waaruit je makkelijk je werk, scholen en andere voorzieningen kunt bereiken, maar ook een mooie (natuurlijke) omgeving. In de Flevolandse woonagenda beschrijft de provincie actiepunten die hieraan bijdragen. Gelet op deze lokale verantwoordelijkheid heeft de provincie Flevoland deze woonagenda samen met de gemeenten opgesteld.
De ambitie van de provincie is het realiseren van een volwaardige kwalitatieve ontwikkeling van het wonen in Flevoland. Hierbij richt de provincie zich op:
Toetsing
Het betreft een nieuwe uitbreiding van een bestaande wijk. In het voornemen wordt een variatie aan woningen mogelijk gemaakt. Dit kan een brede groep aan mogelijke bewoners trekken. In het plangebied is voorzien in vrijstaande woningen, twee-onder-een kap woningen, rijwoningen en rug-aan-rug woningen.
De ontwikkeling zet in op een goed en volwaardig woonklimaat door de bestaande groen en blauwstructuur door te trekken van de Eilandenbuurt. Hierdoor is de toekomstige woonwijk groen ingericht. Ter bevordering van het leefklimaat worden bovendien meerdere parken aangelegd waar inwoners in kunnen ontspannen.
De nieuwe wijk draagt op deze manier bij aan de Flevolandse Woonagenda.
Geconcludeerd kan worden dat planvoornemen in lijn is met het relevante provinciale beleid. In hoofdstuk 5 van deze motivering wordt nader aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan de diverse instructieregels.
De wettelijke basis om gezamenlijk besluiten te nemen ligt in artikel 2.2 lid 2 van de Omgevingswet. Het gaat om het gezamenlijk nemen van één besluit. Veel opgaven overstijgen het lokale belang, wat ertoe kan leiden dat er op regionaal niveau beleid wordt vastgesteld.
Om het woningtekort terug te dringen tot een gezonder evenwicht, wordt met het Nationale programma Woningbouw nationaal ingezet op de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. Om dit te realiseren wordt gestreefd naar de groei tot 100.000 nieuwbouwwoningen per jaar vanaf 2024. Daarbij is het streven dat ten minste twee derde van de nieuwbouwwoningen betaalbaar zijn. Daarom is nationaal de bouw van 250.000 sociale corporatiewoningen en 350.000 woningen in het middensegment (middenhuur waarvan 50.000 door woningcorporaties, en koopwoningen onder de 355.000 euro) nodig.
Gemeenten, provincies en Rijk maken samen afspraken over ieders aandeel in het behalen van deze doelstellingen. De nationale opgave is vastgesteld in de Nationale Woon en Bouw Agenda en de onderliggende programma’s en is uitgewerkt in wederkerige bestuurlijke afspraken op provinciaal niveau (zie paragraaf 4.3.4) en op regionaal niveau tussen de gemeente ZUND-gemeenten (Zeewolde, Urk, Noordoostpolder en Dronten) in deze woondeal.
Toetsing
In paragraaf 5.14 Ladder voor duurzame verstedelijking is de ontwikkeling getoetst aan het woonbeleid waaronder ook de Regionale woondeal ZUND-gemeente. In deze toetsing is geconcludeerd dat het plan voldoet aan deze regionale woonagenda.
De voorliggende ontwikkeling is in lijn met het relevante regionale beleid.
De Watervisie verbindt waterthema's en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid.
Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgt dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater.'
Toetsing
In het paragraaf 5.5 Water wordt nader beschreven hoe om op welke wijze de bestaande ontwikkeling past binnen het beleid. In deze paragraaf is geconcludeerd dat het aspect water voldoende is geborgd in de planontwikkeling.
In de Waterschapsverordening Zuiderzeeland zijn de taken, bevoegdheden en regels van het Waterschap Zuiderzeeland vastlegt. De waterschapsverordening richt zich vooral op het waterbeheer en legt vast hoe het waterschap zorgt voor waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit. Het waterschap is dan ook het bevoegd gezag.
De belangrijkste onderdelen van de waterschapsverordening zijn:
Toetsing
In het paragraaf 5.5 Water wordt nader beschreven hoe om op welke wijze de bestaande ontwikkeling past binnen de waterverordening. Daarbij gaat het vooral over de nabijgelegen primaire dijk.
In deze paragraaf is geconcludeerd dat het aspect water voldoende is geborgd in de planontwikkeling.
Algemeen
De gemeente Zeewolde heeft deze Omgevingsvisie opgesteld voor het hele grondgebied van de gemeente. De visie bevat het gemeentelijke beleid op hoofdlijnen voor de toekomstige ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in de gemeente Zeewolde. Dat wil zeggen alles wat iemand ziet, voelt, hoort en ruikt in zijn of haar leefomgeving. De visie richt zich op mogelijkheden om te wonen, werken, recreëren, ondernemen, maar ook op een gezond en veilig leefklimaat. De visie zorgt voor een kapstok voor nieuwe initiatieven.
Kernwaarden
Zeewolde ligt centraal in Nederland, tussen het water, de bossen en agrarisch gebied. Het is een relatief nieuw dorp. Kernwaarden van de gemeente zijn:
Uitgangspunten
Zeewolde staat niet stil: in Zeewolde maak je toekomst. Er is ruimte om elkaar te ontmoeten, te ondernemen en te ontwikkelen. Daar tegenover staat dat de Zeewolde ook de kernwaarden willen behouden. Voor ontwikkelingen hanteren worden daarom een aantal uitgangspunten gehanteerd die bijdragen aan de kernwaarden van Zeewolde:
Speerpunten
De Omgevingsvisie Zeewolde richt zich op 11 speerpunten waar de gemeente, samen met de inwoners, organisaties, de regio, en andere partner zich de komende jaren op wil richten:
Klimaat, duurzaamheid en landschap
Milieu, veiligheid en gezondheid
Wonen en Voorzieningen
Landbouw, economie en toerisme
Visiekaart
Vanuit de 11 speerpunten en bijbehorende opgaven is een visiekaart voor heel Zeewolde opgesteld. Op deze kaart staan de speerpunten/opgaven die specifiek gebiedsgericht zijn.
figuur 4.1 - visiekaart gemeente Zeewolde
De Watermolenbuurt vormt als de afronding van Polderwijk een onderdeel van de brede gemeentelijke opgave. Ten aanzien van wonen wordt in de Omgevingsvisie gestreefd naar een divers en levensloop aanbod dat betaalbaar is voor verschillende deelgroepen, zoals starters, gezinnen en ouderen. Nieuwe woningbouw wordt vormgegeven met oog voor duurzaamheid, klimaatbestendigheid en passend bij de bestaande karakteristiek van Zeewolde.
Ten aanzien van de fysieke inrichting wordt aangegeven dat een gezonde leefstijl stimuleert – met goede bereikbaarheid van groen, sport- en speelvoorzieningen. Het openbaar groen, paden en voorzieningen moeten voor alle inwoners (jong en oud) goed toegankelijk zijn, met aandacht voor sociale samenhang en veiligheid.
De visie streeft naar toegankelijke en inclusieve voorzieningen in alle wijken, inclusief de Polderwijk. Basisvoorzieningen (zoals zorg, onderwijs, welzijn) moeten bereikbaar zijn voor iedereen, en laagdrempelige ontmoetingsplekken en ondersteuning moeten bevorderd worden. Multifunctioneel gebruik van gebouwen wordt gestimuleerd. Daarbij wordt gedacht aan buurthuizen in nieuwe wijken of het gebruik van leegstaand maatschappelijk vastgoed voor zorg of ontmoeting.
De ontwikkeling past binnen het gemeentelijk beleid beschreven in de Omgevingsvisie.
Voor het beoordelen van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan gelden beoordelingsregels. De gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden hier beoordeeld. Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan alleen worden vergund met het oog op een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (ETFAL).
Daarnaast zijn in het Bkl de volgende beoordelingsregels opgenomen:
De instructieregels van het Rijk staan in hoofdstuk 5 van het Bkl. Deze gelden voor omgevingsplannen. Hieronder wordt de toetsing van het plan aan het beoordelingskader beschreven. Op de relevante onderdelen van het beoordelingskader wordt uitgebreider ingegaan.
Voor de volgende thema's wordt in tabel 5.1 voor de ontwikkeling aangegeven of zij relevant zijn of niet:
tabel 5.1 - instructieregels Bkl
| Thema |
Afdelingen en paragrafen Bkl |
Relevant voor de ontwikkeling | |
| Dienstenrichtlijn |
§ 5.1.1. Algemene bepalingen artikel 5.1a. |
Ja, het project voorziet in de realisatie van buurtgerichte maatschappelijke voorzieningen. (zie paragraaf 5.3
Verder voorziet het plan niet in (de huisvesting van) diensten anders dan diensten die als beroep of bedrijf aan huis worden uitgevoerd en binnen iedere reguliere woning zijn toegestaan, zie paragraaf 5.14 (Ladder voor duurzame verstedelijking) |
|
| Omgevingsveiligheid | § 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid | Ja, zie paragraaf 5.4 | |
| Water | § 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen | Ja, zie paragraaf 5.5 | |
| Luchtkwaliteit | § 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht | Ja, zie paragraaf 5.6 | |
| Geluid door activiteiten | § 5.1.4.2. Geluid door activiteiten | Ja, zie paragraaf 5.7 | |
| Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen | § 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen | Ja, zie paragraaf 5.8 | |
| Geluid rond luchthavens | § 5.1.4.3. Geluid rond luchthavens | Nee, het plangebied ligt niet binnen de geluidcontour van luchthaven Lelystad. |
|
| Trillingen | § 5.1.4.4. Trillingen | Nee, zie paragraaf 5.9
|
|
| Slagschaduw van windturbines | § 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines | Nee, zie paragraaf 5.10 | |
| Bodemkwaliteit | § 5.1.4.5. Bodemkwaliteit | Ja, zie paragraaf 5.11 | |
| Geur | § 5.1.4.6. Geur | Nee, zie paragraaf 5.12 | |
| Cultureel erfgoed (aardkunde, archeologie en cultuurhistorie) | § 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed | Nee, zie paragraaf 5.13 | |
| Landschappelijke kwaliteiten Kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied | § 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed | Nee, de projectlocatie ligt niet binnen of nabij de kust, PKB-Waddenzee en Waddengebied | |
| Ladder voor duurzame verstedelijking | § 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelijking | Ja, zie paragraaf 5.14 | |
| Nationale belangen binnen de fysieke leefomgeving | § 5.1.6. Behoud van ruimte voor toekomstige functies; § 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten |
nee, zie paragrafen 5.15 en 5.16, | |
| Aanwijzing woningbouwcategorieën | § 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken | Nee, voor dit project is het niet nodig om regels te stellen over te realiseren categorieën woningen. | |
| Toegankelijkheid openbare buitenruimte | § 5.1.8. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen | Ja, zie paragraaf 5.17 en in het BKP | |
De wijziging van het omgevingsplan kan niet worden vastgesteld als de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een instructieregel tenzij ontheffing is verkregen van de instructieregel.
De provinciale omgevingsverordening bevat instructieregels. In paragraaf 4.3.2 is de Omgevingsverordening van de provincie behandeld en zijn de relevante instructieregels benoemd. Voor zover deze instructieregels betrekking hebben op een thema van de fysieke leefomgeving, wordt in voorliggend hoofdstuk 5 aan deze instructieregels getoetst.
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsplan project-merplichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt.
Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de m.e.r.-beoordeling) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in het omgevingsplan.
De beoogde ontwikkeling waarop deze wijziging van het omgevingsplan ziet, betreft de realisatie van maximaal 270 woningen en 600 m2 buurtgebonden maatschappelijke voorzieningen. Deze ontwikkeling valt onder categorie J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen' uit bijlage V van het Omgevingsbesluit.
Volgens kolom 2 is een directe m.e.r.-plicht niet van toepassing, maar op basis van kolom 3 is wel een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. In dit kader is een m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld.
Omdat de ontwikkeling stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, is tevens een passende beoordeling opgesteld. De passende beoordeling is als bijlage 6 opgenomen in de voorliggende motivering en verwerkt in paragraaf 5.19.2. Wanneer sprake is van een passende beoordeling is in de Omgevingswet vastgelegd (artikel 16.36, lid 2) dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Uit hetzelfde artikel (artikel 16.36, lid 3) blijkt dat bij kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen een plan-MER alleen noodzakelijk is als er mogelijk aanzienlijke milieueffecten zijn. Zo niet, dan volstaat een m.e.r.-beoordeling. Hieronder is dit voor voorliggend plan nader onderbouwd.
Kleine gebieden op lokaal niveau
In het voorkomende geval ziet de uitwerking van Watermolenbuurt toe op de realisatie van 270 woningen en 600 m2 buurtgebonden maatschappelijke voorzieningen. De woningen zijn in eerste instantie bedoeld voor het opvangen van de eigen woningbehoefte. De beoogde maatschappelijke voorzieningen zijn bedoeld voor de buurtbewoners van Polderwijk.
Uit onderstaand afbeelding en onderstaande berekening blijkt vervolgens dat het gebied waarvoor de beoogde ontwikkeling met betrekking tot Watermolenbuurt mogelijk wordt gemaakt nog geen 1% bedraagt van het gemeentelijk grondgebied. Het plangebied bedraagt (94.519 m2 (0,09 km2)). De oppervlakte van het gemeentelijk grondgebied bedraagt 268.858.792 m2 (268,9 km2). Het plangebied betreft minder dan 0,04% van het gemeentelijk grondgebied.
Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat sprake is van een klein gebied op lokaal niveau. In de voorliggende situatie kan volstaan worden met een m.e.r.-beoordeling.
figuur 5.1 - oppervlakte plangebied en ontwikkeling ten opzichte van gemeentelijk grondgebied
M.e.r.-beoordelingsnotitie
Ten behoeve van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan is een m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld. Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie is als bijlage 1 opgenomen in de bijlage van deze motivering.
Uit de m.e.r.-beoordelingsnotitie blijkt dat de kenmerken van het project, de plaats en de kenmerken van de milieueffecten geen aanleiding vormen voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt dat er geen belangrijke nadelige milieueffecten verwacht worden.
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen belangrijke negatieve milieueffecten voor de omgeving verwacht. Er is dan ook geen aanleiding voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure.
In het omgevingsplan staan regels over een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Zo kunnen ook bij de beoordeling of een brancheringsregeling voldoet aan de vereisten uit de Dienstenrichtlijn meer motieven dan sec de ruimtelijke afweging een rol spelen. De Dienstenrichtlijn is van toepassing op diensten, hieronder valt bijvoorbeeld de vestiging van detailhandel en horeca.
Voor een nadere uitleg over de werking van de Dienstenrichtlijn wordt verwezen naar de Handreiking Dienstenrichtlijn en ruimtelijke ordening, opgesteld voor de Retailagenda (Handreiking Dienstenrichtlijn en Ruimtelijke Ordening).
De Dienstenrichtlijn stelt dat er niet zo maar nadere eisen kunnen worden gesteld aan diensten die zich mogen vestigen. Uit de ontwikkelde jurisprudentie is gebleken dat het stellen van eisen mogelijk is, maar dat deze eisen wel moeten worden onderbouwd volgens de systematiek van de Dienstenrichtlijn. Dit is neergelegd in artikel 15 lid 3. Die bepaling luidt als volgt: 'De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen:
Met de voorliggende ontwikkeling wordt in het omgevingsplan de mogelijkheid geboden van buurtgebonden maatschappelijke voorzieningen (600 m2 buurtcentrum, uitgiftepunt medicatie) op de begane grond van een appartementencomplex.
Vestigingsbeperkingen
In de regeling zijn voor diensten de volgende vestigingsbeperkingen opgenomen:
Dit is geregeld in de bestemming 'Wonen - Woongebouw', artikel 11 van de regels behorende bij het plan.
Discriminatieverbod
Voor deze vestigingsbeperkingen is het discriminatieverbod niet aan de orde; de maatregel discrimineert niet naar nationaliteit of statutaire vestigingsplaats.
Noodzakelijkheid
Vanuit het noodzakelijkheidscriterium volgt de eis dat een maatregel noodzakelijk moet zijn vanwege een dwingende reden van algemeen belang om de vestigingsbeperking op te leggen (het doel). Dit volgt doorgaans uit het vastgestelde beleid:
Uit het voorgaande volgt dat het opnemen van de vestigingsbeperkingen gericht op een beperkte omvang van een dienst, naast de grote woningbouwopgave, in de regeling noodzakelijk is.
Evenredigheid
Uit het evenredigheidscriterium volgt dat een vestigingsbeperking als maatregel aan het volgende moet voldoen:
De maatregel is aantoonbaar geschikt en effectief om het doel te bereiken
Het opnemen van vestigingsbeperkingen zoals die deel gaan uitmaken van de regeling, is uitermate geschikt en effectief om het doel van de buurtgebonden maatschappelijk voorziening te bereiken. Primair gaat het in het geval van Watermolenbuurt om de vestiging van een beperkte functie .
De maatregel wordt coherent en systematisch nagestreefd/toegepast
In Zeewolde is het gebruikelijk dat vestigingsmogelijkheden voor diensten aan locaties worden toegewezen. Aan winkelcentra wordt veelal de bestemming 'Gemengd' toegekend. Voor solitaire locaties met enkelvoudige functies zijn bestemmingen 'Detailhandel' of 'Horeca' opgenomen. Hieruit volgt dat het specifiek toestaan van een dienst past in het coherent en systematisch handelen van de gemeente.
De maatregel gaat niet verder dan nodig om het doel te bereiken
De vestigingsbeperking zal bestaan uit het alleen toestaan van sociaal-medische en sociaal-culturele voorzieningen en geen andere diensten, zoals horeca en detailhandel. Reden hiervoor is dat de locatie bij uitstek geschikt is voor een buurtgebonden maatschappelijke voorziening binnen dit deel van Polderwijk. Detailhandel en horeca op deze locatie is onlogisch, aangezien in de directe omgeving een voorzieningencomplex is gevestigd. Gelet op de solitaire ligging is voor de functie van belang dat het juist om één herkenbare functie moet gaan en niet om een menging en diffuse functies.
Het doel kan niet met andere, minder vergaande maatregelen met betrekking tot het
beperken van de mogelijkheden binnen het bestemmingsplan, worden bereikt
Er zijn geen flankerende maatregelen denkbaar waarmee bijvoorbeeld detailhandelsvestiging kan worden tegengegaan, anders dan het opnemen van zo'n vestigingsbeperking in de regeling.
In jurisprudentie is het beginsel aanvaard dat flankerende maatregelen ontoereikend zijn om te voorkomen dat functies zich elders vestigen buiten de aangewezen locaties als die mogelijkheid wordt geboden. Het doel kan dan ook niet met andere, minder vergaande maatregelen met betrekking tot het beperken van de mogelijkheden binnen het TAM-omgevingsplan, worden bereikt.
Het plan met de vestigingsbeperking voor de 'buurtgebonden maatschappelijke voorziening' met een maximumomvang van 600 m2 op de begane grond van het geplande appartementencomplex is niet in strijd met de Dienstenrichtlijn. Deze beperking voldoet aan het discriminatieverbod, het noodzakelijksheidscriterium en evenredigheidscriterium in artikel 15, derde lid onder a, b en c van de Dienstenrichtlijn.
De instructieregels met betrekking tot het waarborgen van de veiligheid in § 5.1.2 gaan in de eerste plaats over de veiligheidsrisico's van branden, rampen en crises (artikel 5.2). Deze zijn voor iedere ontwikkeling van belang. Voor deze risico's dient rekening gehouden te worden met het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening.
Daarnaast kunnen door een ontwikkeling veiligheidsrisico's ontstaan voor zogenaamde (zeer of beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties (zie bijlage VI bij het Bkl hoe deze begrippen zijn gedefinieerd). Afhankelijk van het type gebouw of locatie zal de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht genomen moeten worden of wordt rekening gehouden met een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit.
Daarnaast kennen activiteiten met een extern veiligheidsrisico een brand-, explosie- en/of een gifwolkaandachtsgebied. Bij het toelaten van kwetsbare gebouwen of locaties binnen een aandachtsgebied, zal moeten gekeken of een brand- en/of explosievoorschriftengebied moet worden vastgesteld. Tevens zal in deze gevallen rekening gehouden moeten worden met het groepsrisico.
De beoogde ontwikkeling is relevant voor het waarborgen van de veiligheid, omdat de ontwikkeling uit woningen en enkele buurtgerichte sociaal-culturele en sociaal-medische voorzieningen bestaat. Uit bijlage VI van het Bkl blijkt dat gebouwen ten behoeve van een woonfunctie en gezondheidszorgfunctie als kwetsbare gebouwen worden gezien.
Om inzicht te krijgen in de relevante risicobronnen in de omgeving van het plangebied is de veiligheidskaart van de Atlas Leefomgeving geraadpleegd, zie ook figuur 5.2. Hieruit blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de weg, het spoor, het water of door leidingen. Ook bevinden er zich geen risicovolle activiteiten in de nabijheid van het plangebied. Het plangebied ligt dan ook niet binnen een plaatsgebonden risicocontour of aandachtsgebied van een risicobron. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is op basis hiervan niet aan de orde.
Met de beoogde ontwikkeling worden tevens geen risicovolle activiteiten mogelijk gemaakt. Er is dan ook geen sprake van knelpunten ten aanzien van omgevingsveiligheid.
figuur 5.2 - Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (rode cirkel) (bron: Atlas
Leefomgeving)
Op basis van de bodembelastingkaart van de provincie Flevoland blijkt dat de locatie is aangemerkt als verdacht gebied voor ontplofbare oorlogsresten. Voor het uitvoeren van werkzaamheden dient hier rekening te worden gehouden met het uitvoeren van nader onderzoek.
Verder spelen er binnen het plangebied geen andere veiligheidsaspecten (zoals overstromingsrisico's of het risico op bosbranden) die in het kader van de wijziging van het omgevingsplan om een nadere afweging vragen.
Propaan is een brandbaar en explosief gas. Het is ongewenst om propaan in een woonwijk op te slaan. Ook omdat propaantanks gevuld moeten worden en daarvoor tankauto's met propaangas door de woonwijk zullen moeten rijden. In de planregels wordt daarom opgenomen dat het niet is toegestaan een propaantank te plaatsen binnen de woonactiviteiten.
De beoogde ontwikkeling draagt voor het aspect omgevingsveiligheid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op het gebied van omgevingsveiligheid zijn er geen belemmeringen.
Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Bij het wijzigen van het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen (weging van het waterbelang).
Het watertoetsproces dat sinds november 2003 wettelijk verplicht is door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening, komt onder de Omgevingswet terug als ‘Weging van het waterbelang’. Op basis van artikel 2.2 Ow houden bestuursorganen rekening met elkaars taken en bevoegdheden en zorgen voor afstemming en samenwerking hierover. De wettelijke basis van de weging van het waterbelang ligt in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl). Artikel 5.37 Bkl regelt dat bevoegd gezag bij ruimtelijke ontwikkelingen waterbelangen meewegen bij besluitvorming. De weging van het waterbelang is een proces dat ervoor zorgt dat bij alle ruimtelijke plannen de waterhuishouding voldoende toekomstbestendig is ingericht en alle waterbelangen gewogen worden. In de waterparagraaf van het ruimtelijk plan staat hoe er binnen het plan omgegaan wordt met de waterhuishouding. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. In deze afweging worden de gevolgen van het plan voor het beheer van het watersysteem aangegeven en de benodigde maatregelen bepaald voor een toekomstbestendige waterhuishouding, waarin onder andere aspecten als waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit geborgd zijn.
In deze paragraaf zijn de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen voor het projectgebied gegeven. Deze waterparagraaf vormt daarmee de basis voor het vastleggen van het wateraspect en de weging van het waterbelang zoals dat in de omgevingswet is opgenomen.
Voor de weging van het waterbelang zijn drie beleidsthema’s van toepassing: Waterveiligheid, Voldoende water en Schoon water. Deze worden per beleidsthema nader uitgewerkt.
Verder zijn de water gerelateerde instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening getoetst. Hiermee is gegarandeerd dat het waterbelang in voldoende mate is meegewogen en dat de plan specifieke regels van de waterbeheerders op een goede wijze in het plan zijn meegenomen.
De belangrijkste wet- en regelgeving en beleid op het gebied van water is hier opgenomen.
Europese Kaderrichtlijn Water (KRW)
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw zijn twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Omgevingswet
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de implementatie van de Omgevingswet verandert de wet- en regelgeving voor ruimtelijke projecten. De wet vervangt vele wetten en gaat uit van een integrale benadering van alle aspecten van de fysieke leefomgeving, zoals ruimtelijke ordening, milieukwaliteit, natuur, bodem én water. Voor de Omgevingswet stellen provincies en gemeenten omgevingsvisies en omgevingsplannen op.
Alle ambities en keuzes over het beheer, beschermen en benutten van de leefomgeving staan hierin. Belangrijk onderdeel van het ruimtelijk proces is de participatie van alle belanghebbenden. Omgevingsvisies en omgevingsplannen komen in de plaats van de bestaande structuurvisies en bestemmingsplannen. Uiterlijk in 2032 dienen alle bestaande plannen vervangen te zijn.
Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving. Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. De Omgevingswet beschrijft wat onder het beheer van een watersysteem valt. Het beheer is gericht op:
Het waterschap neemt regels over waterstaatswerken op in de waterschapsverordening. Hierin is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren, de zogenaamde waterstaatswerken, en staan regels over het beheer en onderhoud. Vanaf januari 2024 heeft deze de Keur en de Algemene regels bij de Keur vervangen.
Waterwet
De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De Waterwet is nagenoeg geheel opgegaan in de Omgevingswet. De bepalingen rondom het huidige deltaprogramma en de financiële bepalingen over de verontreinigingsheffing en de provinciale grondwaterheffing gaan later over naar de Omgevingswet.
Programma's Water en Ruimte
In een programma leggen het Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten maatregelen vast om de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving te bereiken. Het onderwerp 'ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot water' is daarbij een belangrijk onderdeel. Centraal hierin staat het werken aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de natuur, de landbouw en de scheepvaart. Programma's zijn, in tegenstelling tot omgevingsvisies, meer gericht op uitvoering op korte termijn. En waar in de omgevingsvisie vooral een integrale benadering van belang is, richten programma's zich vaak op slechts één of een paar onderdelen van de fysieke leefomgeving. De vastgestelde maatregelen in programma's zijn een uitwerking van het globale beleid dat in omgevingsvisies over water en ruimte is opgenomen.
Er zijn een aantal verplichte programma's waarin maatregelen over ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot water kunnen staan:
Watervisie en Waterbeheerprogramma Waterschap Zuiderzeeland
De Watervisie verbindt waterthema's en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid.
Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgen dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater.
Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn:
Het beleid ten aanzien van waterbeheer is op rijksniveau onder meer vastgelegd in het Nationaal Waterplan en op provinciaal niveau in de Omgevingsverordening Flevoland. In de provinciale verordening is als omgevingswaarde voor wateroverlast binnen de bebouwde kom bepaald dat een overstromingskans geldt van ten hoogste 1/100 per jaar.
De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Hieraan moet de ontwikkeling worden getoetst. Uit het waterschapsbeleid en de waterschapsverordening (zie paragraaf 4.5) blijkt welke belangen er spelen.
Om de waterbelangen te borgen is op 21 oktober 2025 een digitaal wateradvies uitgevoerd. Deze is als bijlage 2 opgenomen in de voorliggende motivering. Op basis hiervan is de normale procedure van toepassing.
De gemeente heeft in het kader van het bestuurlijk vooroverleg contact opgenomen met het waterschap om het plan inhoudelijk af te stemmen (zie paragraaf 3.2). Het resultaat hiervan is verwerkt in deze waterparagraaf.
De voorliggende wijzing van het omgevingsplan is een nader vervolg op het bestemmingsplan 'Polderwijk-Noord'. In waterhuishoudkundig opzicht zijn er geen wijzigingen ten opzichte van het bestemmingsplan 'Polderwijk-Noord'. Er is dan ook geen uitgebreid onderzoek gedaan. In deze paragraaf zijn alleen de voor deze wijziging van het omgevingsplan relevante en specifieke 'water-zaken' beschreven.
De relevante nieuwe en bestaande waterhuishoudkundige werken, zoals waterkeringen en oppervlaktewater, zijn opgenomen in Regels op Kaart en/of gereguleerd in de regels van het omgevingsplan.
Streefbeeld
Het IJsselmeer, Markermeer, Zwarte Meer en de randmeren zijn een reële bedreiging voor de veiligheid in Flevoland. Waterkeringen beschermen Flevoland tegen deze bedreiging. Het waterschap wil de veiligheid ook in de toekomst blijven waarborgen. Door te werken aan veilige, robuuste en duurzame waterkeringen anticipeert het waterschap op sociale, ruimtelijke, economische en klimatologische ontwikkelingen.
Primaire waterkering
Het plangebied ligt in de nabijheid van de primaire waterkering langs het Wolderwijd; de nieuwe waterkering om het Havenkwartier. Een primaire waterkering is een waterkering die ons land beschermd tegen buitenwater uit de Noordzee, de Waddenzee, de grote rivieren en het IJssel- en Markermeer.
Rond de waterkering geldt op grond van de Waterschapsverordening Zuiderzeeland een 'beperkingengebied met betrekking tot een waterkering'. Binnen dit beperkingengebied wordt een onderscheid gemaakt tussen een 'primaire waterkering - kernzone', een 'primaire waterkering - binnenbeschermingszone' en een 'primaire waterkering - buitenbeschermingszone'.
figuur 5.3 - Situering primaire waterkering met binnen- en buitenbeschermingszone (bron: Waterschapsverordening Zuiderzeeland)
De waterkering zelf is de kernzone. In de kernzone en de binnenbeschermingszone mag in principe niet worden gebouwd; het is verboden zonder omgevingsvergunning heiwerkzaamheden te verrichten of werken te plaatsen, wijzigen of verwijderen.
In de buitenbeschermingszone zijn op grond van de waterschapsverordening meerdere handelingen verboden zonder een watervergunning. Voor welke handelingen een watervergunning noodzakelijk is, is vastgelegd in de waterschapsverordening.
Buitenbeschermingszone
Een deel van het plangebied ligt net binnen de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering. Binnen een buitenbeschermingszone kunnen op grond van de waterschapsverordening heiwerkzaamheden worden verricht, werken worden geplaatst, gewijzigd of uitgevoerd evenals kabels, drukleidingen en drukvaten. Binnen dit deel van de buitenbeschermingszone loopt de aansluiting van de Beloop op de Windlust.
De ligging van de wegaansluiting en die van de primaire kering zijn in overleg met het Waterschap op elkaar afgestemd waardoor de waterkerende functie duurzaam is geborgd. Het uitvoeren van werken en werkzaamheden in de buitenbeschermingszone van de primaire kering zijn onder voorwaarden toegestaan.
Juridische doorvertaling in het plan
Op de kaart wordt de buitenbeschermingszone, voor zover gelegen binnen het plangebied, aangemerkt als 'Vrijwaringszone - Dijk 2'. In de regels wordt vastgelegd dat de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), ook bestemd zijn de buitenbeschermingszone rondom een primaire waterkering.
Streefbeeld
Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen.
Watercompensatie
Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan worden maximaal 270 woningen mogelijk gemaakt en 600 m2 aan buurtgebonden maatschappelijke voorzieningen met daarbij erven, openbare wegen, paden en parkeervoorzieningen. Het plan heeft daarmee een toename aan verharde oppervlakken als gevolg. Voor de toename aan verharding is watercompensatie vereist conform de overeengekomen uitgangspunten die zijn vastgelegd in het waterhuishoudkundig inrichtingsplan van 2003 en de opgestelde waterbalans (zie bijlage 3 bij deze motivering).
De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. De compensatieplicht geldt voor de netto toename van het verhard oppervlak vanaf de nulsituatie.
Genoemde beleidsregel wordt herzien met een verwachte vaststelling rond 2027. Daarbij wordt ook de bergingsnorm geactualiseerd in lijn met de meest recente KNMI-klimaatscenario's en neerslagstatistieken. De bestaande bergingsnorm maakt dan plaats voor een methodiek in de vorm van een universele norm die toepasbaar is voor open water én alternatieve waterberging. Voor een klimaatbestendige leefomgeving, nu en in de toekomst, is voldoende ruimte voor water cruciaal. In dit licht wordt initiatiefnemers nadrukkelijk geadviseerd uit te gaan van de toekomstige advies-bergingsnorm. Deze is gebaseerd op KNMI-klimaatscenario's van 2023 en bijbehorende neerslagstatistiek: 10,2 m³/100 m² toename verhard oppervlak. Na vaststelling van het herziene beleid geldt de nieuwe norm voor vergunningaanvragen ten aanzien van toename in verharding.
In het plangebied wordt waterberging gerealiseerd door de aanleg van een netwerk aan wadi's. Op dit moment is (een schatting van) de netto toename in verharding en de grootte van de toename in waterberging niet beschikbaar. Deze informatie wordt aangeleverd in het kader van de aanvraag voor de benodigde vergunning. Uit de waterbalans over de gehele ontwikkeling van de Polderwijk blijkt dat er ruimschoots voldoende waterberging is gepland (bijlage 3). Deze is inmiddels voor het grootste gedeelte gerealiseerd.
Wanneer de vergunningaanvraag wordt ontvangen na vaststelling van de herziening van de beleidsregels voor compensatie geldt voor de toename in verharding de nieuwe, hogere norm voor compensatie. Aangenomen wordt dat de reeds aangelegde compensatie in de Polderwijk in combinatie met de geplande alternatieve berging voldoende is om ook aan de nieuwe norm te kunnen voldoen.
De voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt op dit punt uitvoerbaar geacht.
Wateroverlast
Ten aanzien van de omgevingswaarde voor wateroverlast binnen de bebouwde kom wordt opgemerkt dat dit in eerste instantie een norm is voor de inrichting van regionale wateren binnen de bebouwde kom. Het waterschap heeft de inspanningsverplichting om zorg te dragen dat het watersysteem aan de omgevingswaarden voor wateroverlast voldoet.
Binnen het plangebied worden geen nieuwe watergangen mogelijk gemaakt. De aansluitende Waterlinie en de Blauwe Diamant maken, met uitzondering van de oeverzones, geen deel uit van het plangebied.
Streefbeeld
Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische en ecologische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor.
Uitgangspunten
Conform de Omgevingswet is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen te brengen in oppervlaktewateren. In bestaande en nieuwe watersystemen wordt uitgegaan van het principe ‘schoon houden, scheiden, zuiveren’.
Verontreinigingen van hemelwater worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Daarnaast geldt het principe ‘vasthouden, bergen en afvoeren’. Dit om afwenteling (wateroverlast) te voorkomen.
Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat schoon en vervuild hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt verwerkt.
Bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Als infiltratie niet kan dan door lozing in oppervlaktewater, waarbij vervuild hemelwater vooraf gezuiverd wordt.
Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. In bestaand gebied wordt ernaar gestreefd om schoon hemelwater af te koppelen van het rioolstelsel. Het ombouwen van bestaande gemengde stelsels naar gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur.
Randvoorwaarden
Onder schoon hemelwater wordt het volgende verstaan:
Als het afstromend hemelwater hier niet aan voldoet, dan geldt het volgende. Op grond van art. 2.12 van de Waterschapsverordening gelden emissiegrenswaarden voor afstromend hemelwater van parkeerterreinen met meer dan 50 parkeerplaatsen en van wegen met meer dan 1.000 vervoersbewegingen per etmaal. Deze emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing als het hemelwater een bodempassage doorstroomt die voldoet aan de richtlijnen in de Kennisbank Stedelijk Waterbeheer van Stichting RIONED.
Aan lozingen in oppervlaktewater als gevolg van uitlogende (bouw)materialen (bijvoorbeeld zinken of koperen daken) kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld.
Met het oog op de waterkwaliteit zijn met de planvorming geen bezwaren te verwachten. Ten behoeve van de bebouwing zullen geen uitlogende bouwmaterialen mogen worden gebruikt. Verder worden er geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die een potentieel risico vormen voor de waterkwaliteit.
Met betrekking tot de riolering wordt verwezen naar paragraaf 5.5.3.4.
Streefbeeld
Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan.
Uitgangspunt
Het uitgangspunt is om verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) te voorkomen.
Het waterschap hanteert daarbij de volgende voorkeursvolgorde in het omgaan met afvalwater:
Randvoorwaarden
Bij het afvoeren van afvalwater via openbare riolering naar een rioolwaterzuivering (AWZI) geldt dat de inrichting van de riolering in een plangebied wordt afgestemd op de infrastructuur van de gemeente en het waterschap.
Aan lokaal zuiveren en lozen van huishoudelijk afvalwater worden minimale afstandscriteria tot de openbare riolering en emmissiegrenswaarden gesteld in de Waterschapsverordening. Hiervoor gelden strengere eisen bij lozing in oppervlaktewater met bijzondere bescherming op grond van de Omgevingswet, bijbehorende regelingen en de Waterschapsverordening.
Rioolstelsel
Het rioolstelsel is van het type geïntegreerd stelsel. Dit is een gescheiden stelsel met in het regenwaterriool, daar waar nuttig en noodzakelijk, filters (een zuiveringsstap).
Het afvalwater uit de sanitair voorzieningen wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie op het Trekkersveld. Ten behoeve van de afvoer van het afvalwater wordt het droogweerafvoer (d.w.a.) vrijvervalriool gekoppeld aan een vacuümsysteem. Het vacuümstation in het vacuümsysteem zuigt het afvalwater uit de wijk af en verpompt het naar het dichtstbijzijnde hoofdrioolgemaal.
Hemelwater
Van de verharde oppervlakken wordt, gezien de verkeersintensiteit, verwacht dat het afstromende regenwater schoon is. Hierdoor is filtratie overbodig en wordt het regenwater via wadi's en het regenwaterriool rechtstreeks op het dichtstbijzijnde grote oppervlaktewater geloosd.
Een uitzondering daarop zijn de hoofdwegen. Deze zijn niet op de riolering aangesloten maar lozen hun water op de brede bermen die langs deze wegen liggen waar het infiltreert naar het grondwater.
Het regenwater wordt daar waar mogelijk oppervlakkig afgevoerd naar een verzamelput of wadi. Vervolgens wordt het afgevoerd naar het dichtstbijzijnde grote oppervlaktewater, in dit geval de Waterlinie.
Door de oppervlakkige afvoer worden foutieve aansluitingen voorkomen, wordt de waterbeleving vergroot en neemt de toekomstbestendigheid (klimaatbestendigheid) toe. Op deze wijze wordt 100% van het regenwater afgekoppeld/niet aangekoppeld.
Rioolpersleidingen van het waterschap blijven altijd bereikbaar voor beheer en onderhoud en tijdens calamiteiten. Als in de belangenstrook rondom de rioolpersleiding(en) activiteiten uitgevoerd en/of objecten aangebracht worden zijn voorzorgsmaatregelen noodzakelijk. Deze staan in het Pakket van Eisen Persleidingen van Waterschap Zuiderzeeland. Het waterschap geeft de benodigde voorzorgsmaatregelen aan.
Voor de bepaling van het belang wordt onderscheid gemaakt tussen kritische en niet- kritische leidingen. De belangenstrook heeft bij niet-kritische leidingen een breedte van 5 m en bij kritische leidingen een breedte van 20 m rondom de leiding.
In het noordwesten van het plangebied ligt een rioolpersleiding PL153-3 van het waterschap . Het tracé van de betreffende leiding wordt in navolgende figuur weergegeven.
figuur 5.4 - Tracé rioolpersleiding PL153-3 (bron: Waterschap Zuiderzeeland)
Uit het stedenbouwkundig plan blijkt dat een deel van een fietspad en de interne ontsluitingswegen over de persleiding heen komen te liggen. In dat verband heeft het waterschap de belangrijkste aandachtspunten benoemd in verband met deze leiding:
Juridische doorvertaling in het plan
Ter bescherming van de rioolpersleiding wordt deze op de kaart aangemerkt als 'Leiding - Rioolpersleiding', daarbij wordt uitgegaan van 5 meter aan weerszijden van de In de regels wordt geregeld dat de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), ook bestemd zijn voor een strook ten behoeve van een rioolpersleiding en het onderhoud en beheer daarvan.
Op deze gronden zijn bouwwerken alleen op grond van een omgevingsvergunning toegestaan; hetzelfde geldt ook voor het uitvoeren van een aantal werkzaamheden. Aan de omgevingsvergunning zijn voorwaarden verbonden.
Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit. Vanaf 1 januari 2024 zijn de normen voor luchtkwaliteit vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hoofdstuk 5, paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl bevat instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, om de gezondheid en het milieu te beschermen in het geval van een agglomeratie. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet in een aantal situaties worden getoetst aan omgevingswaarden voor lucht. In een beperkt aantal gevallen is onderzoek nodig.
Er zijn enkele situaties die de overheid nog wel landelijk moet beoordelen:
Schone Lucht Akkoord
De gemeente Zeewolde heeft zich recent aangesloten bij het Schone Lucht Akkoord (SLA). In lijn met de doelstellingen van het SLA wordt bij de ontwikkeling van dit woningbouwproject nadrukkelijk rekening gehouden met het verbeteren van de luchtkwaliteit en het beperken van emissies van schadelijke stoffen.
De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen het volgende toepassingsbereik, te weten de aanleg of wijziging van een autoweg, autosnelweg of tunnel voor het wegverkeer. Daarnaast is de gemeente Zeewolde niet aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. Een toets aan de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit is daarom niet aan de orde.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient een afweging van de luchtkwaliteit ter plaatse van de beoogde ontwikkeling plaats te vinden. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Ossenkampweg, ten noordwesten van het plangebied.
Uit de CIMLK-viewer blijkt dat in 2023 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen:
Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen.
Schone Lucht Akkoord
Het plan voorziet in een duurzame gebiedsontwikkeling waarbij wordt ingezet op een autoluwe inrichting, het stimuleren van fietsgebruik en het realiseren van energiezuinige, gasloze woningen. Hiermee draagt het project bij aan de reductie van stikstofdioxide en fijnstof, in lijn met de ambities van het Schone Lucht Akkoord.
Ten aanzien van houtstook wordt gemeentebreed nagedacht over mogelijke maatregelen.
De jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Een aanvullende toetsing van de luchtkwaliteit is voor Watermolenbuurt niet nodig. De beoogde ontwikkeling draagt voor het aspect luchtkwaliteit bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2 instructieregels voor geluid door activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met geluid.
Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw bij een activiteit maar ook bij het toelaten van een geluidveroorzakende activiteit bij een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid beoordeeld. Voor zover het toelaten van een geluidgevoelig gebouw de milieuruimte van een bestaande (bedrijfs)activiteit beperkt, zal het bevoegd gezag eerst moeten afwegen: is het redelijk om de milieuruimte te beperken door het toestaan van de nieuwe ontwikkeling? Zo niet, moeten stappen gezet worden om de milieuruimte voor de nabijgelegen (bedrijfs)activiteit niet te beperken.
Provinciale omgevingsverordening
De provincie Flevoland heeft alleen instructieregels met betrekking tot geluid voor aangewezen stiltegebieden. Het plangebied is niet gelegen in of nabij een stiltegebied en daarom is nadere toetsing aan de provinciale instructieregels voor dit aspect niet van toepassing.
De beoogde ontwikkeling voorziet hoofdzakelijk in de realisatie van woningen, welke getypeerd zijn als geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast wordt aan de oostzijde van het plangebied, in de plint van het daar beoogde appartementencomplex, voorzien in de realisatie van maximaal 600 m2 buurtgebonden maatschappelijke voorzieningen (buurtcentrum, uitgiftepunt medicatie).
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven. Op een afstand van ruim 280 meter bevindt zich het bedrijventerrein Vestingveld. Ter plaatse worden op basis van het geldende bestemmingsplan bedrijven mogelijk gemaakt tot maximaal milieucategorie 3.2, met een indicatieve richtafstand van 100 meter ten opzichte van een rustige woonwijk.
Op een afstand van ruim 900 meter bevindt zich het geluidgezoneerde bedrijventerrein Trekkersveld. De bijbehorende geluidzone-industrielawaai bevindt zich buiten het plangebied. Gelet op de ruime afstand tussen het plangebied en de bedrijventerreinen zal dit niet leiden tot geluidhinder ter plaatse van de woningen in het plangebied.
Als gevolg van de verschillende buurtgebonden maatschappelijke voorzieningen die mogelijk worden gemaakt kan er in de directe omgeving lokaal sprake zijn van geluidhinder. Het gaat echter om kleinschalige functies die tot beperkte hinder leiden en over het algemeen aanvaardbaar zijn nabij woningen.
Om geluidhinder te voorkomen wordt in het omgevingsplan aangesloten bij de standaardeisen in de Bruidsschat ten aan zien van geluid door activiteiten. Deze eisen zijn opgenomen in de planregels bij dit omgevingsplan.
Gelet op voorgaande worden geen belemmeringen verwacht.
Het aspect geluid door activiteiten vormt geen belemmeringen voor de ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling draagt voor het aspect geluid door activiteiten bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op nieuwe geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens tabel 5.1.
Een overschrijding van de grenswaarden is alleen mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarden te voldoen en de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel.
Bij het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan.
tabel 5.2 - standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort
Geluid door wegen
Ten behoeve van het omgevingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd vanwege het wegverkeer op gemeentewegen. De beoogde ontwikkeling ligt binnen het geluidaandachtsgebieden van 200 meter van de gemeentelijke wegen Ossenkampweg en Kwartiermakerslaan (50 km/uur) en het geluidsaandachtgebied van 100 meter van de gemeentelijke weg Beloop (30 km/uur).
Het akoestisch onderzoek is als bijlage 4 opgenomen in de motivering.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het geluid op de nieuwe woningen ten gevolge van het wegverkeer op de gemeentewegen voldoet aan de standaardwaarde uit het Bkl. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuw te realiseren woningen ten hoogste Lden = 51 dB bedraagt. De standaardwaarde van Lden 53 dB wordt niet overschreden.
De geluidbelastingen op de gevels van de nieuwe woningen als gevolg van het wegverkeer op de gemeentewegen is zodoende aanvaardbaar.
In het akoestisch onderzoek is ook gekeken naar de indirecte geluidseffecten van extra verkeer door de Watermolenbuurt op omliggende woningen en woonboten (indirecte akoestische effecten). Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat aan de Beloop zich nog geen bestaande woningen bevinden. Langs de kant van de Ossenkampweg ligt een aantal woonboten. Uit een indicatieve berekening blijkt dat de standaardwaarde niet wordt overschreden. De toename van de geluidbelasting op de omliggende woonboten kan zodoende als aanvaardbaar wordt beschouwd. Er is daarmee geen sprake van indirecte akoestische effecten.
Omdat de standaardwaarde voor de geluidbronsoort gemeentewegen niet wordt overschreden is het niet nodig om het gezamenlijk geluid in het TAM-omgevingsplan vast te leggen.
Geluid door spoorwegen
Binnen de gemeente Zeewolde zijn geen spoorwegen aanwezig.
Geluid door industrieterreinen
Zoals in paragraaf 5.7 is aangegeven bevindt zich ten noorden van het plangebied op een afstand van ruim 900 meter van het geluidgezoneerde bedrijventerrein Trekkersveld. Rondom het geluidgezoneerde bedrijventerrein is een 'geluidzone - industrie' vastgelegd in het geldende bestemmingsplan 'Parapluplan verruiming geluidzone Trekkersveld' (idn: NL.IMRO.0050.BPParapluGeluid-VS01, vastgesteld 16-12-2021). Het voorliggende plangebied Watermolenbuurt valt niet binnen deze geluidzone.
Voor de geluidzone van het bedrijventerrein Trekkersveld is vanwege het vervallen van de mogelijkheid van een datacenter een nieuw parapluplan in voorbereiding.
Het vervallen van het datacenter heeft immers consequenties voor de geluidscontour. Dit ontwerp parapluplan geluidzone bedrijventerrein Trekkersveld (idn: NL.IMRO.0050.BPParapluGeluidTV-ON01) lag vanaf 20-12-2023 ter inzage. Het voorliggende plangebied Watermolenbuurt valt wederom niet binnen deze geluidzone.
Het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen vormt geen belemmeringen voor de ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling draagt voor het aspect geluid door activiteiten bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In de instructieregels van het Bkl (paragraaf 5.1.4.4) is bepaald dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van een trillingsgevoelig gebouw.
In de beoogde situatie worden geen trillingenveroorzakende activiteiten toegestaan. Dit omgevingsplan maakt wel trillingsgevoelige functies mogelijk, namelijk woningen.
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bronnen aanwezig die trillinghinder veroorzaken. Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
In paragraaf 5.1.4.4a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgesteld voor de omgang met slagschaduw van windturbines. Deze regels stellen eisen aan het toelaten en beheren van windturbines die slagschaduw veroorzaken in verblijfsruimten van gevoelige gebouwen. De regels zijn van toepassing op windturbines met een rotordiameter van 2 meter of meer die slagschaduw veroorzaken in verblijfsruimten van gevoelige gebouwen, zowel voor de turbines zelf als voor de gebouwen waarin de schaduw valt.
Er zijn uitzonderingen voor gebouwen die voor maximaal tien jaar zijn toegelaten en voor windparken waarvoor uiterlijk op 30 juni 2021 een vergunning is verleend en waarvoor geen wijzigingen zijn doorgevoerd.
Gevoelige gebouwen omvatten woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen en kinderopvanglocaties, inclusief gebouwen die nog gebouwd mogen worden volgens het omgevingsplan of een vergunning.
Provinciale omgevingsverordening
Op grond van de provinciale instructieregel is het uitgesloten is dat buiten een windgebied nieuwe windturbines worden gerealiseerd of dat bestaande windturbines worden opgeschaald (artikel 14.17). De reden voor deze indeling is het feit dat windturbines in de niet-windgebieden ongewenst zijn uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit (landschap, natuur, en andere functies).
Met dit omgevingsplan worden gevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Echter zijn er binnen het plangebied en in de directe nabijheid van het plangebied geen windturbines aanwezig. Ook maakt het omgevingsplan geen nieuwe windturbines mogelijk.
De meest nabijgelegen windturbines worden in het kader van het inpassingsplan 'Windpark Zeewolde' mogelijk gemaakt aan de overzijde van de Hoge Vaart op een afstand van ruim 2 kilometer. Slagschaduw vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Op het gebied van slagschaduw zijn er geen belemmeringen. De beoogde ontwikkeling draagt voor het aspect slagschaduw van windturbines bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers:
Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Provinciale omgevingsverordening
De provinciale verordening bevat instructieregels in het geval er gebouwd wordt op een bron van historisch bekende grondwaterverontreiniging (artikel 6.14). Ook worden er voorwaarden gesteld aan omgevingsplannen die lozen van grondwater op of in bodem dat afkomstig is van bodem- of grondwatersanering of van een voorafgaand onderzoek of van graven in een bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (artikel 6.17).
In de voorliggende situatie is geen sprake van een historisch bekende grondwaterverontreiniging. Bovendien wordt in de voorliggende wijziging het lozen van grondwater niet mogelijk gemaakt. Daarom is nadere toetsing aan de provinciale instructieregels voor dit aspect niet van toepassing.
Bodemfunctieklassekaart
Zoals in paragraaf 2.1.2.3 gemeld heeft de gemeente Zeewolde een bodemfunctieklassekaart vastgesteld. Volgens deze kaart geldt ter plaatse van het plangebied de bodemfunctieklasse Wonen.
Omdat dit project voorziet in woningbouw blijft de bodemfunctieklasse Wonen van toepassing. Er wordt dan ook niet afgeweken van de bodemfunctieklasse.
Bodem- en geohydrologisch onderzoek
Uit bodem- en geohydrologisch onderzoek, dat is eerder is uitgevoerd ten behoeve van het planMER dat is uitgevoerd voor Polderwijk-Noord, blijkt dat ter plaatse van het plangebied slechts lichte verontreinigingen voorkomen. Het betreft marginale verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde(n). Er is daarom destijds geconcludeerd dat de realisatie van de Polderwijk dan ook niet in de weg wordt gestaan door dit aspect.
Gezien de bevindingen uit het reeds uitgevoerde onderzoek en het feit dat de gronden sinds het gereedkomen van het bestemmingsplan "Polderwijk-Noord" niet voor andere doeleinden zijn gebruikt, mag worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit ter plaatse een ongewijzigde kwaliteit heeft en daardoor nog steeds geschikt is voor het beoogde gebruik als woongebied.
Het voorliggende omgevingsplan maakt geen nieuwe functie of activiteiten mogelijk die schadelijk kunnen zijn voor de bodem- of grondwaterkwaliteit. Uit eerder bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor de beoogde functies.
De ontwikkeling is in overeenstemming met de instructieregels voor bodem, omdat is aangetoond dat binnen de planlocatie geen bodemverontreiniging verwacht wordt. De ontwikkeling draagt daarmee voor het aspect bodem bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen, industrie, horeca en (andere) milieubelastende activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt.
Zoals in paragraaf 2.1.2.2 is aangegeven maakt de gemeentelijke geurverordening deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Tot slot behoort ook de zogenaamde bruidsschat tot het tijdelijke deel omgevingsplan. De bruidsschat bevat onder andere regels over geur door het houden van dieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken en geur door het bereiden van voedingsmiddelen.
In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl). Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl).
De ontwikkeling voorziet niet in een geurbelastende activiteit. Wel maakt het project woningen mogelijk, die volgens het Bkl geurgevoelig zijn. De buurtgerichte maatschappelijke voorzieningen zijn niet geurgevoelig vanwege het ontbreken van bedden waarin verbleven kan worden.
Om geurhinder te voorkomen zijn in het omgevingsplan van de gemeente Zeewolde (paragraaf 22.3.6) voor een aantal activiteiten waaronder het houden van landbouwhuisdieren, paarden en pony's voor het berijden en andere agrarische activiteiten regels opgenomen.
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten aanwezig waarvan geur van invloed is op het woon- en klimaat ter plaatse van de plangebied en of geurbelastende activiteiten met gebruiksruimte eventueel in hun belangen worden geschaad.
Er is geen sprake van activiteiten die leiden tot geurhinder ter plaatse. Mogelijke geurhinder door nieuwe nabijgelegen geurveroorzakende activiteiten worden door regels in het omgevingsplan beperkt of voorkomen.
De beoogde ontwikkeling draagt voor het aspect geur bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Cultureel erfgoed (en werelderfgoed) is onderdeel van de fysieke leefomgeving. In het Bkl (artikel 5.130 Bkl ) is bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Hierbij wordt rekening gehouden met bepaalde aspecten van cultureel erfgoed die zien op:
Provinciale omgevingsverordening
De instructieregels van de provincie Flevoland zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. Voor cultureel erfgoed zijn de volgende instructieregels van belang voor dit project:
Gemeentelijk beleid
Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente beschikt over een vastgestelde beleidsplan archeologie.
Binnen de gemeente zijn, op grond van de gemeentelijke archeologische waardenkaart, gebieden met een verwachtingswaarde in de ter plaatse geldende bestemmingsplannen voorzien van een archeologische dubbelbestemming.
Het plangebied ligt niet binnen het landelijk gebied, zodat niet getoetst hoeft te worden aan de hierboven genoemde instructieregels.
In het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle landschappen, lijnen, structuren of bebouwing gelegen. De dijk (waterkering) als cultuurhistorisch element ligt op ruime afstand ten oosten van het plangebied.
De planontwikkeling heeft gezien de afstand tot de dijk geen nadelige gevolgen voor de cultuurhistorische waarde/uitstraling van deze dijk.
Het plangebied ligt niet binnen één van de vier aangewezen ‘beschermingszones van provinciale archeologische en aardkundige kerngebieden’, te weten het Rivierduingebied Swifterbant, het Unesco-monument Schokland, Urk en omgeving, en de omgeving van de Kuinderschans en Kuinderburchten. Het plangebied ligt evenmin binnen één van de ‘Top-10 Archeologische locaties’.
Het plangebied behoort volgens de provinciale omgevingsvisie (niet de POV) wel tot één van de 'Archeologische aandachtsgebieden'. Dit zijn gebieden met een relatief hoge dichtheid aan goed geconserveerde archeologische waarden, waaronder de prehistorische stroomgebieden van de Vecht, IJssel en Eem.
De gronden hebben op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Polderwijk-Noord' géén archeologische dubbelbestemming. In het kader van de totstandkoming van het bestemmingsplan 'Polderwijk-Noord' is destijds archeologisch veldonderzoek verricht. Uit dit archeologisch veldonderzoek is gebleken dat ter plaatse van het plangebied géén beschermingswaardige archeologische vindplaatsen werden aangetroffen. Het gebied is destijds daardoor vrijgegeven voor andere ruimtelijke functies en dus ook voor de beoogde functie van woongebied.
Sinds het gereedkomen van het bestemmingsplan 'Polderwijk-Noord' zijn de gronden niet voor andere doeleinden gebruikt. Daarom mag worden geconcludeerd dat de archeologische waarde ter plaatse een ongewijzigde kwaliteit heeft en daardoor nog steeds geschikt zijn voor het beoogde gebruik als woongebied.
In het geval er tijdens de werkzaamheden toch archeologische vondsten worden aangetroffen in het plangebied geldt er een meldingsplicht bij de archeologische dienst van de gemeente of provincie.
De beoogde ontwikkeling heeft geen impact op aanwezig cultureel erfgoed. De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de instructieregels en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Het Bkl legt hiervoor geen grens vast.
Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.
Er worden maximaal 270 woningen mogelijk gemaakt, waarvan circa tweederde betaalbaar. Binnen het plangebied komen verschillende typen woningen voor verschillende doelgroepen. Zo zitten er appartementen, rijwoningen, 2-onder-1 kapwoningen en vrijstaande woningen in het plan. De verhouding is ongeveer tweederde grondgebonden en eenderde gestapeld.
Ook wordt in de plint van het appartementengebouw aan de oostzijde maximaal 600 m2 bvo buurtgebonden maatschappelijke voorzieningen mogelijk gemaakt.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling
Het tijdelijke Omgevingsplan is vertrekpunt bij de beoordeling of iets een nieuwe stedelijke ontwikkeling is. In dit geval is de locatie sprake van het toevoegen van 12 woningen of meer ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden. Het toevoegen van 220 woningen ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden (de verplichting om nog 50 woningen mogelijk te maken die is opgenomen in bestemmingsplan Polderwijk-Noord) is voldoende substantieel.
Bestaand stedelijk gebied
Het gebied heeft een uit te werken bestemming voor wonen en voorzieningen. Het betreft daarmee bestaand stedelijk gebied, gelet op de stedelijke functie en de uitwerkingsplicht.
Beschrijving behoefte
Gelet op het bovenstaande wordt allereerst de woningbehoefte beschreven. De woningbehoefte blijkt uit diverse bronnen, die hierna worden behandeld.
Regionale Woondeal Zeewolde, Urk, NOP en Dronten (ZUND-gemeenten) (maart 2023)
Om het woningtekort terug te dringen tot een gezonder evenwicht, wordt met het programma Woningbouw nationaal ingezet op de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. Om dit te realiseren wordt gestreefd naar de groei tot 100.000 nieuwbouwwoningen per jaar vanaf 2024. Daarbij is het streven dat ten minste tweederde van de nieuwbouwwoningen betaalbaar zijn. Daarom is nationaal de bouw van 250.000 sociale corporatiewoningen en 350.000 woningen in het middensegment nodig.
Met provincie Flevoland zijn in oktober 2022 afspraken gemaakt over het provinciale aandeel in de Nationale opgaven. In deze woondeal is een doorvertaling gemaakt van deze afspraken naar gemeenten.
Elke gemeente neemt een 'fair share' van de regionale opgave. Dat betekent dat elke gemeente een bijdrage levert aan de regionale opgave die past bij de lokale opgave en het karakter van de gemeente. Voor de ZUND-gemeenten zijn voor de periode 2022 tot en met 2030 totaal 8.343 te bouwen woningen opgenomen, waarvan 1.632 in de gemeente Zeewolde. In de gemeente is harde plancapaciteit voor 1.102 woningen. Dat betekent dat er nog harde plancapaciteit voor 530 woningen moet worden toegevoegd.
50 woningen in het plangebied maken deel uit van de harde plancapaciteit. Per saldo worden 220 woningen toegevoegd aan de harde plancapaciteit, tot een totaal van 270.
figuur 5.5 - woningbouwafspraken gemeente Zeewolde
In de ZUND-gemeenten is sprake van krapte op de woningmarkt en van hogere woningprijzen ten opzichte van 10 jaar geleden. Vooral voor lage inkomens is de kans op het vinden van een betaalbare koop- of huurwoning kleiner geworden, maar ook (lage) middeninkomens vallen steeds vaker tussen wal en schip door de gestegen koopprijzen.
Een belangrijk onderdeel van de Woondeals is de realisatie van tweederde betaalbare woningen waaronder 30% sociale huurwoningen. Zeewolde zet zich samen met de corporatie in voor de realisatie van 346 sociale huurwoningen in de periode 2022-2030.
Polderwijk in Zeewolde is met 1.500 woningen regionaal afgestemd als grootschalige
woningbouwlocatie (regionaal significante locatie). Watermolenbuurt maakt onderdeel
uit van deze grote woningbouwlocatie.
Dit plan geeft met 270 woningen mede invulling aan de grote vraag naar woningen. Ook
wordt voldaan aan de regionale afspraak om tweederde betaalbare woningen te
realiseren.
Woonvisie (2020) en Omgevingsvisie (2023) Gemeente Zeewolde
Om te voorzien in de woonbehoefte zal het dorp 'organisch' groeien. Hieronder wordt verstaan de groei van Zeewolde zoals geïntroduceerd in het coalitieakkoord 2018-2022 en beschreven in de woonvisie 2020. In getallen betekent organische groei een toename van circa 130 woningen per jaar. Dit resulteert in de nieuwbouw van 2.500 – 3.000 woningen tot 2040. Bij deze woningbouwproductie is de verwachting dat het inwonertal enerzijds door 'verdunning' van huishoudens en anderzijds door groei van eenpersoonshuishoudens min of meer stabiel blijft of organisch groeit. De groei wordt gerealiseerd binnen de bestaande stedenbouwkundige, economische en maatschappelijke structuur. Het dorpse karakter zoals men dat nu kent blijft behouden, inclusief wegenstructuur, groenstructuur, waterstructuur (Blauwe Diamant) en contouren bebouwd gebied.
In het huidige bouwtempo is de ontwikkeling van de Polderwijk in 2027 afgerond. Er zullen nieuwe bouwlocaties ontwikkeld moeten worden. De gemeenteraad heeft opdracht gegeven om een sterkte-zwakte analyse voor diverse andere locaties uit te voeren. Het gebied Fortenveld/Vestingveld is aangewezen als eerstvolgende bouwlocatie na voltooiing van de Polderwijk. Tussen Polderwijk en Trekkersveld ligt de overgangszone, als gebied met een verweving van functies, een soort kernrandzone. Voor de langere termijn wordt het gebied grenzend aan de Polderwijk gezien als kansrijke locatie voor woningbouw.
figuur 5.6 - visiekaart Omgevingsvisie Zeewolde
Collegeprogramma 2022-2026
Speerpunt in het collegeprogramma 2022 t/m 2026 is om in de Polderwijk 775-825 nieuwe woningen te ontwikkelen in Havenkwartier, Eilandenbuurt en Watermolenbuurt. Op basis van behoefteonderzoek wordt in elke fase van de nieuw te ontwikkelen buurten in de Polderwijk bekeken wat voor huizen voor welke doelgroepen gebouwd worden.
In de ontwikkeling kijkt de gemeente kritisch naar het basisuitgangspunt van een verdeling van type woningen van 1/3 goedkoop, 1/3 middelduur, 1/3 duur. Incidenteel worden uitzonderingen op deze verdeling toegestaan, om zo sneller woningen beschikbaar te hebben waar het meest vraag naar is.
Beschrijving behoefte buurtvoorzieningen
In de plint van het appartementengebouw aan de oostzijde van het gebied is ruimte voor buurtvoorzieningen. Hierbij wordt gedacht aan een buurtcentrum, uitgiftepunt voor medicijnen e.d.). Een ontmoetingsplek en ruimte voor een zorgfunctie is belangrijk voor de levendigheid en leefbaarheid in de buurt. Het draagt bij aan het vergroten van de sociale samenhang.
Er worden geen functies in een dusdanige omvang toegestaan dat deze kunnen leiden tot een (direct) negatief effect op het functioneren van omliggende functies.
De voorgenomen woningbouw voorziet met maximaal 270 woningen in een gemengd programma waarvan minimaal tweederde betaalbaar zowel in de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Ook is er ruimte voor 600 m2 bvo voorzieningen in de plint van het appartementengebouw.
Met het toevoegen van woningen en buurtvoorzieningen op deze locatie in Zeewolde wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Ter bescherming van enkele nationale belangen binnen de fysieke leefomgeving heeft het Rijk in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl enkele instructieregels meegegeven. Het gaat om instructieregels om enerzijds ruimte voor toekomstige functies van nationaal belang te waarborgen en anderzijds om de staat en de werking van infrastructuur of voorzieningen te behoeden voor nadelige gevolgen van activiteiten. Gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met deze instructieregels.
Hierna volgt een opsomming van de in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl opgenomen, met daarbij in cursief benoemd de relevantie voor dit project:
Gelet op het voorgaande is het project niet in strijd met de instructieregels ten behoeve van nationale belangen met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de vergunning te verbinden.
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
In het tijdelijke deel van het omgevingsplan liggen, met uitzondering van de rioolpersleiding van het Waterschap (zie paragraaf 5.5.3.4), in en nabij de planlocatie geen planologisch relevant leidingen. In en nabij de planlocatie zijn dan ook geen planologisch relevante leidingen en/of telecommunicatieverbindingen aanwezig die een belemmering vormen voor de ontwikkeling of waarvoor de ontwikkeling een belemmering is.
De betreffende rioolpersleiding is op de kaart en in de regels vastgelegd.
Gelet op het voorgaande staat het aspect planologisch relevante leidingen de uitvoering van de beoogde ontwikkelingen niet in de weg.
In artikel 5.162 van het Bkl is bepaald dat als een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in dat omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.
In de Watermolenbuurt wordt de aanleg van openbaar gebied rondom de nieuwe woongebouwen mogelijk gemaakt. In het BKP, zoals opgenomen in de planregels als bijlage 2, wordt ingegaan op de inrichting van de openbare ruimte.
In het BKP wordt aangegeven dat bij de inrichting van de openbare ruimte diverse thema's, zoals ontmoeten, spelen, biodiversiteit en klimaatadaptatie een belangrijke rol spelen. Hoe meer groen, hoe hoger de biodiversiteit en gezonder de leefomgeving. Water en groen zorgen voor verkoeling op warme zomerdagen, waardoor het verblijf in de openbare ruimte aantrekkelijker wordt. In het BKP is per soort straat of groene ruimte een principe doorsnede opgenomen en zijn er uitgangspunten opgenomen waarbij de diverse thema's in zijn opgenomen.
Daarnaast beschikt de gemeente sinds juni 2024 over het 'Handboek Inrichting Openbare Ruimte, Leidraad voor het ontwerpen en inrichten van de openbare ruimte (LIOR)' ook wel bekend als Het Groene Boekje.
In het Groene Boekje van Zeewolde bevat de technische kwaliteitseisen en normen voor de inrichting van de openbare ruimte in Zeewolde. De leidraad onderscheidt tussen harde, wettelijk geregelde kaders (randvoorwaarden) en de gewenste inrichting zoals Zeewolde die bij voorkeur ziet (aanbevelingen). Door deze onderverdeling in tabelvorm biedt deze leidraad duidelijkheid over de mate van inrichtingsvrijheid.
Een van de aspecten waar nadrukkelijk rekening mee gehouden wordt is de toegankelijkheid van de openbare ruimte voor mensen met een beperking:
Met de verdere uitwerking wordt rekening gehouden met de randvoorwaarden en aanbevelingen zoals opgenomen in het Groene Boekje. De randvoorwaarden zijn niet als een rigide blauwdruk bedoeld, maar de mogelijkheden om van deze harde eisen en randvoorwaarden af te wijken zijn beperkt. Ten aanzien van de aanbevelingen kunnen voorstellen voor alternatieven en/of innovaties in overleg worden toegepast. Bijzondere locaties, omstandigheden, innovaties en bijvoorbeeld bewonersparticipatie vragen soms om maatwerk waarbij wordt afgeweken van de gangbare Zeewoldse voorkeuren.
Dit project ziet toe op de aanleg / herinrichting van openbare ruimte. Daarbij wordt op grond van Het Groene Boekje voldoende rekening gehouden met de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte.
Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. Het Bkl en de provinciale omgevingsverordening stellen geen instructieregels op dit gebied.
In de beoordeling van het project op het omgevingsaspect mobiliteit zijn de ontsluitingsstructuur, verkeersgeneratie, bereikbaarheid en verkeersveiligheid relevant. Daarbij worden alle relevante vervoerswijzen bezien (langzaam verkeer, openbaar vervoer en gemotoriseerd verkeer).
Gemeentelijke parkeernormen
In gemeente Zeewolde wordt op grond van het Chw Bestemmingsplan Parkeren 2020 voorzien in een parkeerregeling (zie paragraaf 2.1.2.1). Op grond van dit plan is het verboden een functiewijziging door te voeren van bouwwerken of onbebouwde gronden in een functie met een grotere parkeerbehoefte, zonder dat in voldoende mate ruimte aanwezig is ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's.
In het voorliggende TAM-omgevingsplan wordt een nieuwe parkeerregeling opgenomen in die zin dat wordt aangesloten op de nieuwe CROW-uitgave 'Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering' (publicatie 744) waarin de geactualiseerde parkeerkencijfers zijn opgenomen.
De beoordeling van het project op het omgevingsaspect parkeren houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet zijn.
Ten behoeve van het voorliggend omgevingsplan is een mobiliteitstoets uitgevoerd. De mobiliteitstoets is als bijlage 5 opgenomen in de motivering. Uit de mobiliteitstoets blijkt het volgende.
Mobiliteit
De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename van 2.075 motorvoertuigen per etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Het omliggende wegennet kan de verkeerstoename vanuit de beoogde ontwikkeling probleemloos vlot en veilig verwerken. Wel wordt in de mobiliteitstoets geadviseerd om bij verdere ontwikkelingen aan de Beloop te overwegen om de rijbaan te verbreden voor het verbeteren van de capaciteit van de weg. Op deze manier kan potentiële bermschade in de toekomst worden voorkomen en kan de Beloop ook bij verdere ontwikkelingen het verkeer probleemloos verwerken.
Parkeren
Uitgaande van een maximale ontwikkeling met 270 woningen en 600 m2 maatschappelijke voorzieningen wordt in de mobiliteitstoets een parkeerbehoefte van 510 parkeerplaatsen berekend. Deze parkeerbehoefte dient te worden opgevangen binnen het plangebied.
In de voorbeeld-verkaveling wordt uitgegaan van ongeveer 250 woningen en 600 m2 maatschappelijke voorzieningen. Hiervoor wordt een parkeerbehoefte geraamd van bijna 470 parkeerplaatsen. In de verkaveling is op eigen terrein en in het openbare gebied ruimte aanwezig voor 475 parkeerplaatsen. Daarmee is ten behoeve van het omgevingsplan aangetoond dat aan de parkeernorm voldaan kan worden.
De gemeentelijke parkeerregeling worden opnieuw in de planregels opgenomen. Bij de verdere uitwerking van de plannen alsmede bij de aanvraag van een omgevingsvergunningen voor een bouwwerk wordt aan de hand van de parkeernormen in de CROW-uitgave 2024 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’ (publicatie 744) beoordeeld of op het bouwperceel of in de omgeving daarvan voorzien is in voldoende parkeergelegenheid, zie artikel 17 van de planregels. Bij een omgevingsvergunning voor het bouwwerk kan worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid.
Binnen het plangebied wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen om de parkeerbehoefte op te lossen. Met de beoogde ontwikkeling worden daarnaast geen knelpunten verwacht met betrekking tot de verkeersafwikkeling.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bal en het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels, niet zijnde instructieregels, komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland.
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedsel-kwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en negatieve effecten kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet significant zal aantasten.
De Natura 2000-activiteit is geen omgevingsplanactiviteit. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in het bestaan van een eventuele Natura 2000-vergunningplicht.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Een omgevingsplanactiviteit kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.
Provinciale verordening
In artikel 15.5 van de provinciale verordening Flevoland zijn regels opgenomen die relevant zijn ter bescherming van het NNN wanneer een omgevingsplan wordt vastgesteld.
Artikel 15.5 regelt dat het NNN in omgevingsplannen moet worden voorzien van een bestemming die aansluit bij actuele en potentiële natuurwaarden en de doelstelling van het NNN. Dit moet tot uitdrukking komen in de doeleindenomschrijving bij de toegestane functies en activiteiten en bij de gebruiks- en bouwbepalingen. Daarbij wordt aangegeven dat ook ontwikkelingen nabij het NNN-gebied moeten worden getoetst op mogelijke effecten. Wanneer in redelijkheid valt te voorzien dat zich nadelige gevolgen kunnen voordoen moet dit worden betrokken in de ruimtelijke afweging.
Natura 2000-gebied en Natuurnetwerk Nederland
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Veluwerandmeren' op circa 600 m afstand ten oosten van het plangebied. De Veluwe is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied dat tevens stikstofgevoelig is en ligt op circa 7,3 km afstand ten oosten van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland ligt op circa 800 meter afstand ten westen van het plangebied. Zie navolgende figuren voor de ligging van deze gebieden nabij het plangebied.
figuur 5.7 - ligging Natura-2000 gebieden nabij plangebied (paarse ster)(Bron: AERIUS)
figuur 5.8 - ligging Natuurnetwerk Nederland nabij plangebied (rode cirkel)(Bron: Atlas Leefomgeving)
Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op NNN en Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten. Dat geldt niet voor effecten als vermesting en verzuring als gevolg van extra stikstofdepositie. Daarom is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase van het woongebied.
Stikstofdepositie / passende beoordeling
De mogelijke effecten op nabijgelegen Natura-2000 gebieden als gevolg van stikstof zijn onderzocht middels AERIUS-berekeningen (zie bijlage 6). Uit deze berekeningen is gebleken dat na interne saldering met het opheffen van het agrarische grondgebruik stikstofdepositie op Natura 2000 geheel achterwege blijft. Deze vorm van (interne) saldering verplicht tot het opstellen van een passende beoordeling in het kader van de Omgevingswet. De passende beoordeling is als bijlage 6 opgenomen bij de voorliggende motivering.
Uit de passende beoordeling blijkt dat vanwege de grote afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebieden, minimaal 570 meter tot de Veluwerandmeren, vrijwel alle effecten van het plan op Natura 2000 bij voorbaat kunnen worden uitgesloten. De enige mogelijke uitzondering betreft vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie. Het Natura 2000-gebied Veluwe is grotendeels stikstofgevoelig en bovendien overbelast. Realisatie van het beoogde woongebied leidt, na interne saldering, per saldo niet tot een depositietoename op de Veluwe.
Het gebruikte agrarische saldo heeft geen zelfstandig depositie-effect op de Veluwe. De vrijkomende stikstofruimte is dus niet nodig om verslechtering van het Natura 2000-gebied Veluwe te voorkomen en een additionaliteitstoets is daarom niet aan de orde.
In de passende beoordeling wordt geconcludeerd dat de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Omgevingswet voor wat betreft het onderdeel Natura 2000 de uitvoering van het plan niet in de weg staan.
In de planregels is een woningbouwfasering opgenomen die aansluit op de fasering zoals gebruikt in de passende beoordeling.
De ontwikkeling bevindt zich niet in een natuur- of groengebied met een beschermde status. De natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden en NNN-gebieden worden door de ontwikkeling niet aangetast.
In de planregels is een woningbouwfasering opgenomen die aansluit op de fasering zoals gebruikt in de passende beoordeling.
Indien een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd mogelijk gevolgen heeft voor verblijfs- of groeiplaatsen van beschermde dieren of planten, dan is sprake van een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten.
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. De flora- en fauna-activiteit is geen omgevingsplanactiviteit. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in het bestaan van een eventuele flora- en fauna-vergunningplicht, aan de hand van een quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig. Of een flora- en faun-activiteit vergunbaar is wordt beoordeeld in de daarvoor geldende procedure bij GS als bevoegd gezag.
Provinciale verordening
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. In de provinciale omgevingsverordening is dit doorvertaald in Afdeling 16.2.2 'Activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild'. Hierin staat benoemd voor welke soorten een vrijstelling geldt en voor welke soorten een omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteit geldt.
OP grond van artikel 16.9a 'Instructieregels voor houtopstanden' zijn gemeenten verplicht om een bebouwingscontour voor houtkap aan te wijzen binnen het omgevingsplan. Daarbij is geregeld dat houtopstanden groter dan 15 hectare en breder dan 30 meter buiten de bebouwingscontour vallen.
Ten behoeve van het voorliggende omgevingsplan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het betreffende onderzoek is als bijlage 7 opgenomen in de motivering.
In de quickscan wordt het volgende gemeld:
De houtopstand bevindt zich binnen de bebouwingscontour houtkap zoals vastgesteld in het omgevingsplan van de gemeente Zeewolde. De bepalingen in het Besluit activiteiten leefomgeving (art. 11.111 Bal) met betrekking tot het vellen van houtopstanden zijn daarmee niet van toepassing.
De betreffende ingreep betreft in het kader van de Omgevingswet naar verwachting een flora- en fauna-activiteit. Teneinde vast te stellen wat de effecten van de activiteit in de fysieke leefomgeving op beschermde soorten zijn, wordt vervolgonderzoek aanbevolen.
Daarnaast is de zorgplicht van toepassing. Deze is altijd van toepassing voor alle in het wild levende soorten, ook wanneer er gebruik wordt gemaakt van een gedragscode, vergunning of vrijstelling. Derhalve is het aan te bevelen om voor ten minste de aanwezige beschermde soorten en Rode lijstsoorten mitigerende maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol om negatieve gevolgen voor de leefomgeving te voorkomen en te beperken.
Aanvullend natuuronderzoek
Naar aanleiding van de quickscan is aanvullend natuuronderzoek uitgevoerd naar bever, broedvogels, otter en vleermuizen. Het natuuronderzoek is als bijlage 8 aan de motivering toegevoegd.
Uit het onderzoek blijkt dat binnen het projectgebied geen beschermde functies aanwezig zijn: er zijn geen jaarrond beschermde nesten van broedvogels, geen verblijfplaatsen van bever, otter of vleermuizen en geen vaste vliegroutes. Het gebied wordt slechts beperkt gebruikt als foerageergebied door enkele vleermuissoorten, maar dit is niet essentieel voor hun instandhouding. Buiten het projectgebied zijn wel uitwerpselen/spraints van de otter aangetroffen, wat duidt op gebruik van de Blauwe Diamant als leefgebied. Het projectgebied bevat verder geen elementen die door beschermde soorten worden benut. Daarmee vormt het plan geen significante aantasting van natuurwaarden binnen het plangebied.
Bij de uitvoering van het project Watermolenbuurt worden maatregelen getroffen om negatieve effecten op beschermde soorten en hun leefomgeving te voorkomen:
Met deze maatregelen wordt voldaan aan de wettelijke verplichtingen en wordt de impact op natuurwaarden tot een minimum beperkt.
Houtopstanden
Binnen het plangebied zijn geen bestaande houtopstanden aanwezig die extra geborgd dienen te worden met een 'bebouwingscontour houtkap'. Evenmin worden in stedenbouwkundig plan nieuwe houtopstanden toegevoegd die aanvullende bescherming nodig hebben.
Vooralsnog wordt aangenomen dat er geen onevenredig negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde soorten.
Nieuwbouw kan zorgen voor toename van schaduw op omliggende panden, wat kan zorgen voor een negatieve impact op het woongenot. Het Bkl bevat geen instructieregels voor bezonning dan wel schaduwhinder. Gemeenten kunnen hier beleid voor vaststellen. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden onderbouwd dat er bij een nieuwe ontwikkeling geen sprake is van onevenredige gevolgen voor de bezonningssituatie ter plaatse van omliggende woningen.
Gemeente Zeewolde heeft in haar omgevingsplan of andere beleidsstukken (nog) geen omgevingswaarden of normen opgenomen voor wat betreft voor wat betreft bezonning en nadelige schaduwwerking op omliggende woningen. In het geval een gemeente niet over dergelijk beleid beschikt, dan kunnen de algemeen gehanteerde TNO-richtlijnen worden toegepast voor het beoordelen van de effecten van beschaduwing. TNO kent een licht en een strenge norm:
Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht.
Dit aspect speelt vooral bij hoogbouw. De beoogde ontwikkeling bestaat hoofdzakelijk uit grondgebonden woningen. Op een aantal plaatsen binnen de wijk wordt voorzien in appartementen variërend van 3 tot 4 lagen. Boven het voorzieningenpunt wordt voorzien in 4 tot 5 lagen boven de plint. Gezien de bouwhoogte en de afstand tot de omliggende bebouwing zal er geen sprake zijn van schaduwhinder.
De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor onevenredige schaduwhinder binnen of buiten het plangebied. De beoogde ontwikkeling draagt voor het aspect windhinder bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Nieuwbouw kan vanwege de positionering en bouwhoogte veranderingen teweeg brengen in het lokale windklimaat. In het Bkl of andere wetgeving zijn geen instructieregels opgesteld voor windhinder. Daarom hebben gemeenten de vrijheid om hier zelf beleid op te maken. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet worden onderbouwd dat er bij een nieuwe ontwikkeling geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat in de directe omgeving.
Gemeente Zeewolde heeft in haar omgevingsplan of andere beleidsstukken geen omgevingswaarden of normen opgenomen voor wat betreft windhinder en windgevaar.
In het geval een gemeente niet over dergelijk beleid beschikt, kan voor het beoordelen van het lokale windklimaat op loop- en verblijfsniveau de algemeen gehanteerde norm NEN 8100 ('Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving') worden toegepast. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen windhinder en windgevaar. De norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. Voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) is aangegeven of het windklimaat slecht, matig of goed is. In deze norm zit een beslismodel dat aangeeft wanneer een windonderzoek nodig kan zijn:
Dit aspect speelt vooral bij hoogbouw. Binnen het plangebied komen verschillende typen woningen voor verschillende doelgroepen. Het merendeel (ruim tweederde deel) van de woningen bestaat uit grondgebonden woningen, met 2 bouwlagen en een kap. Op een aantal plaatsen binnen de wijk wordt voorzien in appartementen variërend van 3 tot 4 lagen. Boven het voorzieningenpunt wordt voorzien in 4 tot 5 lagen boven de plint.
Gezien de bouwhoogte en de afstand tot de omliggende bebouwing worden er ten aanzien van windhinder geen belemmeringen verwacht.
Het project zorgt niet voor onaanvaardbare windhinder of windgevaar. De beoogde ontwikkeling draagt voor het aspect windhinder bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving
Lichthinder is een thema dat gemeenten moeten afwegen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn geen instructieregels opgenomen voor lichthinder. Wel maakt het onderdeel uit van een 'evenwichtige toedeling van functies en locaties' en kan het daarvoor toch noodzakelijk zijn om aandacht te besteden aan lichthinder.
Besluit activiteiten leefomgeving
In artikel 4.790 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels opgenomen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen.
Binnen en in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen activiteiten die leiden tot lichthinder ter plaatse van het plangebied. De beoogde ontwikkeling die met dit omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt voorziet tevens niet in activiteiten die lichthinder veroorzaken. Dit vormt dan ook geen belemmering.
De beoogde ontwikkeling draagt voor het aspect lichthinder bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waar in het omgevingsplan rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen zoals onder andere de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid.
Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. De nieuwbouw zal hieraan voldoen.
In het stedenbouwkundige plan en het beeldkwaliteitsplan (zie bijlage 2 in de planregels) zijn daarnaast spelregels opgenomen voor een toekomstbestendige wijk, natuurinclusief bouwen, het tegengaan van verhardingen en suggesties voor een klimaatbestendige en biodiverse inrichting van de buitenruimte en privé tuinen.
Ten behoeve van het aanbesteden van de ontwikkeling van de woningen in de Watermolenbuurt zal in het kader van de tender een 'duurzaamheidskader' worden opgesteld. Hiermee wordt aangesloten op de werkwijze die voor andere buurten binnen Polderwijk, zoals Eilandenbuurt, is gehanteerd.
Aan de hand van dit 'duurzaamheidskader' kunnen op verschillende onderdelen, zoals energieprestatie, circulair bouwen, klimaatadaptief bouwen, natuurinclusief bouwen en integrale duurzaamheid) punten worden gescoord. Dit geeft ontwikkelaars de mogelijkheid om op het gebied van duurzaamheid binnen de verschillende thema's een nadere keuze te maken. Op basis van onder andere de eindscore kan de gemeente de ontwikkeling van de verschillende deelgebieden aan een of meerdere partijen gunnen.
Ook met de inrichting van de buitenruimte wordt rekening gehouden met een duurzame bijdrage. Speelplekken worden uitgevoerd in natuurlijke en duurzame materialen. Parkeergelegenheden worden zo veel mogelijk halfverhard uitgevoerd. De groene ruimtes worden tevens gebruikt als wadi. Daarbij draagt een groene inrichting met een divers sortiment aan begroeiingen bij aan onder andere de biodiversiteit. Natuurvriendelijke oevers worden aangelegd om de natuurwaarden en de biodiversiteit te versterken. Diverse inhammetjes gaan beschutting bieden aan vissen en andere waterdieren.
De beoogde bebouwing zal voldoen aan alle hedendaagse duurzaamheidseisen. Daarnaast vormt de bebouwing onderdeel van de natuurinclusieve en klimaatadaptieve inrichting. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan een duurzame inrichting van het plangebied.
Ter plaatse van agrarische gronden kan sprake zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. Bij ruimtelijke plannen in de omgeving van agrarische gronden dienen deze mogelijke gezondheidsrisico’s te worden afgewogen. Er gelden geen wettelijke normen of afstandseisen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving van woningen.
Toch wordt er, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gekeken hoe de woningen zich verhouden tot deze agrarische gronden. Hiervoor wordt veelal getoetst met een richtafstand van 50 meter tussen woningen en agrarische gronden. De 50 meter-contour is geen harde grens.
In jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vaak wordt uitgegaan van een richtafstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, betreft dit geen wettelijke norm. Deze afstand is oorspronkelijk gebaseerd op provinciaal beleid uit de jaren negentig (provincie Gelderland) voor gevoelige functies nabij boomgaarden, waarbij destijds gebruik werd gemaakt van inmiddels verboden gewasbeschermingsmiddelen.
Verkleinen van een spuitzone is in beginsel mogelijk maar dit dient wel goed te worden gemotiveerd.
Tegenwoordig zijn strengere eisen van kracht. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is vastgelegd dat bij open teelten alleen technieken mogen worden toegepast die drift met minimaal 75% reduceren ten opzichte van een vastgestelde referentietechniek. Bij uitsluitend neerwaartse bespuiting kan de aan te houden afstand in de praktijk verder worden verlaagd tot 25 meter of zelfs 12,5 meter.
Ten noordwesten van het plangebied bevinden zich agrarische gronden met de bestemming ‘Agrarisch’. Tussen de agrarische gronden en het plangebied bevindt zich de Ossenkampweg en de bestaande woonboten. De afstand van deze agrarische gronden tot de geplande woningen bedraagt meer dan 100 meter.
Rondom de agrarische percelen zijn kavelsloten aanwezig. Op grond van het Bal gelden hiervoor tijdens het spuitseizoen (1 april - 1 oktober) bufferzones waarin geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt. Deze zones zijn beperkt tot enkele meters, afhankelijk van het type gewas en watergang.
Gelet op de feitelijke afstanden en de verplichte emissiebeperkende maatregelen is de locatie geschikt voor de voorgenomen woonfunctie en biedt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zonder onaanvaardbare gezondheidsrisico’s.
Het aspect gewasbeschermingsmiddelen draagt voor wat betreft de beoogde ontwikkeling bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Onderstaande toetsing schetst, op basis indicatoren die van invloed zijn op de brede context van gezondheid, hoe gezondheid wordt geborgd in het planvoornemen.
De beoogde woningbouwontwikkeling is van relatief kleine schaal en maakt deel uit van de grotere gebiedsontwikkeling van de Polderwijk. Het aspect gezondheid wordt in deze paragraaf naar aard en omvang van het project behandeld. Het projectplan maakt deel uit van een bredere gebiedsontwikkeling, waarin gezondheid een belangrijk aspect is.
Het TAM-omgevingsplan voor de Watermolenbuurt richt zich op het bereiken en in stand houden van een evenwichtige fysieke leefomgeving en daarom ook op het bereiken en borgen van een gezonde leefomgeving in de Watermolenbuurt. Indicatoren die van invloed zijn op de brede context van gezondheid zijn:
In het navolgende worden deze indicatoren voor het plangebied Watermolenbuurt beschouwd.
Milieuhygiënische situatie
De Watermolenbuurt zal na de wijziging van het omgevingsplan transformeren van een voormalige agrarische functie naar een woonomgeving. De milieuhygiënische situatie is een indicator voor een gezonde leefomgeving van de bewoners. Middels onderzoeken naar de omgevingsaspecten in Hoofdstuk 5 is aangetoond dat er in de toekomstige situatie sprake is van een goede milieuhygiënische kwaliteit.
Woonomgeving en huisvesting
De aard van de woonomgeving en huisvesting is van invloed op de gezondheid van de toekomstige bewoners. Zoals toegelicht in 2.2 zijn binnen het stedenbouwkundig plan verschillende woonmilieus onderscheiden, welke voor een afwisselende en gebalanceerd woonomgeving zorgen voor de Watermolenbuurt. In algemene is er in de inrichting van de Watermolenbuurt rekening gehouden met groen en water, waardoor er een prettige woonomgeving ontstaat. Daarbij zorgen de nieuwe woningen door de hedendaagse kwaliteitseisen voor prettige huisvestingsmogelijkheden voor nieuwe bewoners. Binnen het plangebied komen verschillende typen woningen voor verschillende doelgroepen, waardoor er sprake is van een gevarieerd aanbod aan huisvesting.
Natuurlijke leefomgeving
De verschillende woonvelden binnen de Watermolenbuurt worden gesitueerd in het groen met een eigen herkenbare identiteit (zie 2.2.3). De diverse soorten woonstraten krijgen een eigen identiteit met betrekking tot het geplande groen. Hierdoor ontstaat er een gevarieerde en prettige natuurlijke leefomgeving voor de toekomstige bewoners van de Watermolenbuurt. Zodoende draagt de natuurlijke leefomgeving van de Watermolenbuurt bij aan het creëren van een gezonde leefomgeving.
Kwaliteit verplaatsingsmogelijkheden
De ontwikkeling van de Watermolenbuurt wordt gekenmerkt door een overzichtelijke verkeersstructuur, met een duidelijke entree en een overzichtelijk vormgegeven hoofdroute. Diverse langzaamverkeersroute zorgen voor een veilige verbinding met omliggende wijken. Dit zorgt ervoor dat de bewoners, op de (elektrische) fiets of wandelend, zich op een hoogkwalitatieve manier kunnen verplaatsen. Daarnaast zorgen deze manieren van verplaatsen voor een stimulerende werking van de algemene gezondheid.
Aanbod (openbare) voorzieningen
De Watermolenbuurt krijgt enkele voorzieningen in het plangebied. Zo wordt er aan de oostzijde van het plangebied, in de plint van het daar beoogde appartementencomplex, voorzien in de realisatie van maximaal 600 m2 buurtgebonden maatschappelijke voorzieningen (buurtcentrum, uitgiftepunt medicatie). Daarnaast bevinden zich in de omliggende woonbuurten aanvullende voorzieningen zoals winkels en scholen. Hierdoor is er sprake van een gemengd aanbod van openbare voorzieningen, welke de gezonde leefomgeving in de Watermolenbuurt bevordert.
Sociaal-economische situatie
De Watermolenbuurt wordt een nieuwbouwwijk die sociaal-economisch nog vorm moet krijgen. De betrokkenheid van de gemeente en woningcorporaties kan bijdragen aan een evenwichtige ontwikkeling van de buurt.
De ontwikkeling van de Watermolenbuurt in Zeewolde is geanalyseerd op indicatoren die de gezonde leefomgeving omvatten. Hieruit volgt dat de ontwikkeling van het aspect geluid door activiteiten vormt geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locatie Watermolenbuurt bij draagt aan het bevorderen van de (lokale) gezonde leefomgeving. Er is daarmee rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
In de motivering bij dit wijzigingsbesluit is ingegaan op het plangebied (hoofdstuk 2), het relevante beleid (hoofdstuk 4) en de milieu- en omgevingsaspecten (hoofdstuk 5). De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het juridische deel van dit TAM-omgevingsplan: de regels en locaties.
Zoals in paragraaf 1.3 is aangegeven, wordt het TAM-omgevingsplan technisch opgesteld in IMRO, maar moet het juridisch worden gelezen als onderdeel van het gemeentelijk omgevingsplan (dat is gebaseerd op STOP-TPOD). Hierdoor ontstaan verschillen in nummering en structuur.
In de planregels is daarom een preambule opgenomen. Dit is een inleidende tekst waarin allereerst het doel van het TAM-omgevingsplan wordt omschreven. Vervolgens wordt aangegeven hoe het voorliggende TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als onderdeel van, en in samenhang met, het omgevingsplan van de gemeente Zeewolde.
Omdat een TAM-omgevingsplan met een andere techniek wordt opgesteld (IMRO in plaats van STOP-TPOD), kunnen de regels van het TAM-omgevingsplan niet worden geïntegreerd met de regels van het gemeentelijke omgevingsplan. De IMRO-standaarden maken het bovendien niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. Wel kan de naam van het hoofdstuk worden aangepast, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. Ook bieden de standaarden geen mogelijkheid om paragrafen te gebruiken.
Artikelen worden in IMRO automatisch genummerd, beginnend bij ‘artikel 1’.Voor het doel van het TAM-omgevingsplan is deze IMRO-hoofdstuk- en artikelnummering problematisch, omdat het gemeentelijke omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al ‘bezet’.
In het eerste hoofdstuk van het TAM-omgevingsplan worden een aantal algemene dingen geregeld. Zo worden in artikel 1 begripsbepalingen opgenomen. Voor dit TAM-omgevingsplan zijn naast de specifieke begrippen die zijn opgenomen in artikel 1, ook de begrippen die horen bij het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing verklaard.
De specifieke begrippen uit het TAM-omgevingsplan, krijgen voorrang op de begrippen die horen bij de Amvb’s als sprake is van een andere definitie. Daarnaast zijn de begrippen uit bijlage 1 van de Omgevingswet altijd van toepassing op omgevingsplannen. Begrippen die al zijn opgenomen in bijlage 1 van de Omgevingswet zijn daarom niet opgenomen in de begripsbepalingen van het TAM-omgevingsplan
Artikel 2 regelt specifiek het toepassingsbereik van het TAM-omgevingsplan. Zo wordt geregeld dat het vigerende bestemmingsplan niet langer van toepassing is na inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan. De overige onderdelen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan blijven wel in stand. Ook wordt de verhouding met de bruidsschat (afdeling 22.2 en 22.3) geduid.
Tot slot wordt geregeld dat de locaties die zijn gemaakt voor het TAM-omgevingsplan ook juridisch deel uitmaken van het TAM-omgevingsplan.
In artikel 3 wordt een aanvulling gedaan op de meetbepalingen uit de bruidsschat en geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze hoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
Tot slot wordt in artikel 4 het systeem van de toelatingsplanologie juridisch vastgelegd voor zover het gebruiks- of bouwactiviteiten betreft. Dat houdt in dat het TAM-omgevingsplan aangeeft welke gebruiks- en bouwactiviteiten mogelijk zijn en onder welke voorwaarden. Als hiervan wordt afgeweken, wordt dat aangemerkt als activiteit in strijd met het TAM-omgevingsplan.
Een uitzondering hierop vormen de bestaande bouwwerken. Deze bouwwerken zijn, ongeacht wat het TAM-omgevingsplan regelt, altijd toegestaan. Het moet dan wel gaan om legale bouwwerken.
Het hoofdstuk aanwijzingen in de fysieke leefomgeving bevat de noodzakelijke aanwijzingen en aanwijzingen die goed aansluiten op de noodzakelijke aanwijzingen. In het geval van dit TAM-omgevingsplan is daarom een aanwijzing opgenomen voor de karakteristieke bouwwerken. De inhoudelijke regels voor dit karakteristieke bouwwerken zijn opgenomen in de hoofdstukken die de verschillende activiteiten reguleren.
Hoofdstuk 2 bevat regels voor toegestane functies en activiteiten. Het gaat hierbij om zogenaamde hoofdgebruiksactiviteiten, die als zelfstandige gebruiksactiviteit mogen worden uitgeoefend. Op basis van het stedenbouwkundig plan (paragraaf 2.2) zijn binnen het plangebied de hoofdgebruiksactiviteiten toegestaan:
Hiermee wordt zoveel mogelijk aangesloten op de juridische regeling die voor de voorgaande deelgebieden binnen Polderwijk gelden.
Gebruiksregels
Binnen de betreffende artikelen wordt per hoofdgebruiksactiviteit de toegestane gebruiksactiviteiten aangegeven. In het geval van 'Wonen' en 'Wonen - Woongebouw' zijn ondergeschikte 'kleinschalige beroepen en bedrijven aan huis' onder voorwaarden bij recht toegestaan. Het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning of voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis evenals het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel zijn specifiek verboden.
In het geval van 'Wonen - Woongebouw' zijn ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' op de gegane grond sociaal-medische en sociaal-culturele voorzieningen toegestaan tot maximaal 600 m2.
Binnen de hoofdgebruiksactiviteit 'Groen' zijn bij recht voet- en rijwielpaden toegestaan. De doorgaande langzaam verkeersverbinding door de centrale groenvoorziening is specifiek aangeduid als 'langzaam verkeer'. Daarmee wordt geborgd dat deze doorgaande verbinding ter plaatse wordt aangelegd en in standgehouden als integraal onderdeel van deze groenvoorziening.
De hoofdgebruiksactiviteiten 'Leiding - Rioolpersleiding' en 'Vrijwaringszone - Dijk 2' zijn opgenomen ter bescherming van de rioolpersleiding (zie paragraaf 5.5.3.5) en de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering om het Wolderwijd (zie paragraaf 5.5.3.1).
Bouwregels
Binnen de betreffende artikelen zijn ook de bouwregels opgenomen die specifiek voor de hoofdgebruiksactiviteiten van toepassing zijn.
Voor 'Wonen' en 'Wonen - Woongebouw' geldt dat de hoofdgebouwen binnen de bouwvlakken die op de kaart zijn aangegeven. Daarbij moet rekening worden gehouden met de beoordelingsregels (onder andere woningtype, goot en bouwhoogte, dakhelling en kapvorm) zoals die op de kaart en in de regels zijn aangeven.
Hiermee wordt invulling gegeven aan de eisen die in het kader van het beeldkwaliteitsplan worden gesteld aan de massa en vorm van de nieuwe woningen alsmede de kapvorm (zie hoofdstuk 5 van het beeldkwaliteitsplan in bijlage 2 van de regels).
In hoofdstuk 3 zijn de algemene regels voor bouwactiviteiten opgenomen. Dit hoofdstuk begint met een artikel die algemene regels bevat, waaronder de anti-dubbeltelregel en enkele andere algemene regels.
Verder zijn in dit hoofdstuk regels met betrekking tot de fasering van het aantal woningen binnen het plangebied. Dit houdt verband met de passende beoordeling die voor dit plan is opgesteld (zie paragraaf 5.19).
De beleidsregels met betrekking tot het uiterlijk van de nieuwe woningen zijn vastgelegd in hoofdstuk 5 van het 'Beeldkwaliteitsplan Watermolenbuurt'. In de regels is vastgelegd dat het uiterlijk van het bouwwerk op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan niet in strijd mag zijn met de omgevingskwaliteit volgens de beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken. De commissie ruimtelijke kwaliteit wordt daarbij om advies gevraagd.
In dit hoofdstuk is een regeling opgenomen over parkeren.
In hoofdstuk 4 zijn de overgangsregels ten aanzien van bestaande bouwwerken en gebruik opgenomen.
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de realisatie van een woongebied. De bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie en de bouw de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie zijn op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteiten. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd.
In dit geval is de gemeente Zeewolde eigenaar van de gronden waar de kostenverhaalplichtige activiteit plaatsvindt. Omdat de gemeente zelf alle gronden waarop de kostenverhaalplichtige activiteit mogelijk wordt gemaakt in eigendom heeft, is kostenverhaal niet aan de orde. In het geval dat de gemeente zelf exploitant is, blijven de kosten voor rekening van de gemeente.
De gemaakte kosten worden bij grondverkoop via de grondprijs verhaald. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.
In het kader van de Omgevingswet wordt gestreefd naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 1.3 Omgevingswet formuleert daarbij de algemene doelen:
Artikel 4.2 Omgevingswet bepaalt dat het gemeentelijk omgevingsplan aan deze evenwichtige toedeling moet voldoen, waarbij alle betrokken belangen en geldende beleidskaders en instructieregels in acht worden genomen.
Voor Zeewolde is in de laddertoets (paragraaf 5.14 'Ladder voor duurzame
verstedelijking') de nut en noodzaak aangetoond van maximaal 270 woningen en 600 m² buurtgebonden maatschappelijke voorzieningen in de Watermolenbuurt. Hiermee wordt invulling gegeven aan de grote woningvraag.
Het stedenbouwkundig plan en het beeldkwaliteitsplan (2.2 'Toekomstige situatie') waarborgen de leefbaarheid door woonvelden in het groen te situeren, een centrale groenvoorziening te realiseren en het gebied een herkenbare identiteit te geven.
Het plan sluit aan bij landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid (hoofdstuk 4) en voldoet aan de instructieregels van rijk en provincie.
Daarnaast is het getoetst aan de relevante milieu- en omgevingsaspecten (hoofdstuk 5). De ontwikkeling belemmert omliggende functies niet en ondervindt daarvan zelf ook geen belemmeringen.
Daarmee is sprake van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving.
Tot slot is de financiële haalbaarheid van het project aangetoond (hoofdstuk 7).
Alles overwegende is de beoogde woningbouwontwikkeling aanvaardbaar. De impact op omgevingsaspecten is beperkt van aard en er treden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op. In de toekomstige situatie zal sprake zijn van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en wordt voorzien in een maatschappelijke behoefte. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.