direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22X Zeewolde - Watermolenbuurt
Status: vastgesteld
Plantype: Omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0050.TAMWatermolenbuurt-VS01

Regels

Preambule

Dit plan beoogt maximaal 270 woningen te maken in de Watermolenbuurt, gelegen in de Polderwijk van Zeewolde.

Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Zeewolde.

De in deze wijziging van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk [22X] van het omgevingsplan van de gemeente Vlieland.

In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22X.]' gelezen worden.

In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22X]’ gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij hierna hiervan is afgeweken.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend de volgende begripsbepalingen:

1.1 plan

het Omgevingsplan van de gemeente Zeewolde;

1.2 TAM-omgevingsplan:

het TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22X Zeewolde - Watermolenbuurt met identificatienummer NL.IMRO.0050.TAMWatermolenbuurt-VS01;

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 ander bouwwerk:

een bouwwerk, geen gebouw of overkapping zijnde;

1.6 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.7 bebouwingspercentage:

een ter plaatse of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

1.8 bedrijfsvloeroppervlakte:

verwezen wordt naar het begrip brutovloeroppervlakte;

1.9 brutovloeroppervlakte:

de totale vloeroppervlakte van gebouwen ten dienste van de bedrijfsactiviteiten, met inbegrip van de daartoe behorende opslag en overige dienstruimten.

1.10 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.11 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.12 bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel;

1.13 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.14 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of (af)leveren van goederen aan diegenen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.15 druiplijn:

onderste horizontale lijn van een dakvlak dat geen goot heeft;

1.16 erf:

het deel van het bouwperceel dat buiten het bouwvlak ligt van een op de verbeelding voor de woonbestemming aangegeven grond;

1.17 erfbebouwingsgebied:

het deel van het perceel binnen het gebied 'Wonen' dat niet tot het achtererfgebied behoort en dat op 1 meter achter de voorkant van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan ligt;

1.18 kampeermiddel:

een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, dan wel enig ander voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

1.19 kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis:

de in bijlage 1 genoemde aan huis verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis die door de beperkte omvang in of bij een woning met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend door uitsluitend de bewoner;

1.20 sociaal-culturele activiteiten:

activiteiten waarbij het hoofddoel verband houdt met de normen en waarden van een stad, dorp of cultuur zoals: een buurthuis, een jongerensoos of een multifunctioneel centrum;

1.21 sociaal-medische activiteiten:

activiteiten waarbij het hoofddoel zorg in combinatie met begeleiding is zoals: artsenpraktijken, klinieken en uitgiftepunt van medicijnen;

1.22 ondergronds:

beneden peil;

1.23 overkapping:

een bouwwerk met een dak met maximaal 2 wanden, al dan niet behorende bij de constructie;

1.24 overtuin:

een tuin die door een openbare weg of door een water van de woning wordt gescheiden;

1.25 peil:
  • a. indien op het land wordt gebouwd:
    • 1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de door of namens Burgemeester en Wethouders vastgestelde hoogte;
    • 2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • b. indien op of over het water wordt gebouwd: het door of namens Burgemeester en Wethouders vastgestelde peil;
1.26 productiegebonden detailhandel:

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;

1.27 prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

1.28 seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden.

Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.29 tussenwoning:

een woning welke is ingebouwd en door middel van de zijgevels aaneengebouwd tussen de twee naastgelegen woningen;

1.30 voorgevel:

de naar de openbare ruimte (weg, voet-/fietspad) gekeerde gevel(s) van een gebouw of, indien een perceel met meerdere zijden aan de openbare ruimte grenst: de als zodanig door Burgemeester en Wethouders aan te wijzen gevel(s);

1.31 woning:

een gebouw of gedeelte van een gebouw, krachtens aard en indeling geschikt of bestemd voor de huisvesting van één huishouden;

1.32 woongebouw:

een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • a. De regels in dit hoofdstuk vervangen de regels van het Omgevingsplan gemeente Zeewolde, op de locatie als bedoeld onder d, zoals opgenomen in artikel 3 (Gemengd - Uit te Werken) van het bestemmingsplan Polderwijk - Noord (zoals dat op 26 april 2012 is vastgesteld) en het Chw Paraplubestemmingsplan Parkeren 2020 (zoals dat op 25 juni 2020 is vastgesteld).
  • b. De regels van het Omgevingsplan gemeente Zeewolde, blijven onverminderd van toepassing op de locatie zoals bedoeld onder e, voorzover de regels in dit TAM-omgevingsplan deze regels niet hebben gewijzigd.
  • c. De regels van het Omgevingsplan gemeente Zeewolde, met daarbij inbegrepen afdeling 22.2 en afdeling 22.3 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 blijven buiten toepassing, indien er sprake is van strijdigheid met de regels van dit TAM-omgevingsplan.
  • d. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'Watermolenbuurt', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0050.TAMWatermolenbuurt-VS01.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

3.1 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.2 de bouwdiepte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het diepste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.3 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

3.4 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.5 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Artikel 4 Algemeen verbod

Niet genoemde functies en activiteiten en functies en activiteiten die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan zijn niet toegestaan.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 5 Groen

5.1 Gebruiksregels

In het voor 'Groen' aangewezen gebied zijn de volgende functies en is het volgende gebruik toegestaan:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. voet- en rijwielpaden, waarbij ter plaatse van de aanduiding 'langzaam verkeer' het gebruik van een langzaam verkeersverbinding dient te worden aangelegd en in stand gehouden;
  • c. ontsluitingswegen;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. dagrecreatieve voorzieningen;
  • f. ecologische voorzieningen;
  • g. speelvoorzieningen;
  • h. openbare nutsvoorzieningen;
  • i. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • j. bermen en beplanting.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Bouwen van gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

5.2.2 Bouwen van andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2,50 m;
  • b. de bouwhoogte van palen en masten bedraagt maximaal 6,00 m;
  • c. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken bedraagt maximaal 5,00 m.

Artikel 6 Tuin

6.1 Gebruiksregels

In het voor 'Tuin' aangewezen gebied zijn de volgende functies en is het volgende gebruik toegestaan:

  • a. tuinen;

met de daarbij behorende:

  • b. paden;
  • c. opritten en andere verhardingen;
  • d. openbare nutsvoorzieningen.
  • e. waterhuishoudkundige voorzieningen.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Bouwen van gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

6.2.2 Bouwen van andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 1,00 m;
  • b. de bouwhoogte van palen en masten bedraagt ten hoogste 6,00 m;
  • c. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken bedraagt maximaal 1,00 m.

Artikel 7 Tuin - Overtuin

7.1 Gebruiksregels

In het voor 'Tuin - Overtuin' aangewezen gebied zijn de volgende functies en is het volgende gebruik toegestaan:

  • a. overtuinen;

met de daarbij behorende:

  • b. openbare nutsvoorzieningen.
  • c. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • d. ecologische voorzieningen;
  • e. bermen en beplanting;
  • f. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, waaronder steigers.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Bouwen van gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

7.2.2 Bouwen van andere bouwwerken

Voor het bouwen van ander bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van een steiger bedraagt ten hoogste 3,00 m;
  • b. de bouwhoogte van de overige bouwwerken geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 1,00 m.

Artikel 8 Verkeer - 2

8.1 Gebruiksregels

In het voor 'Verkeer - 2' aangewezen gebied zijn de volgende functies en is het volgende gebruik toegestaan:

  • a. wegen, straten en pleinen;
  • b. voet- en rijwielpaden;

waarbij gestreefd wordt naar een inrichting gericht op hoofdzakelijk een verblijfsfunctie;

  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. openbare nutsvoorzieningen;
  • f. waterhuishoudkundige voorzieningen.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Bouwen van gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

8.2.2 Bouwen van andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken geldt de volgende beoordelingsregel:

  • de bouwhoogte van andere bouwwerken anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag ten hoogste 5,00 m bedragen.

Artikel 9 Water

9.1 Gebruiksregels

In het voor 'Water' aangewezen gebied zijn de volgende functies en is het volgende gebruik toegestaan:

  • a. waterlopen en waterpartijen;
  • b. oevers en kades;
  • c. aanleggelegenheid;
  • d. bermen en beplanting;
  • e. ecologische voorzieningen;

met daaraan ondergeschikt:

  • f. voet- en rijwielpaden;
  • g. ontsluitingswegen;
  • h. parkeervoorzieningen;
  • i. groenvoorzieningen;
  • j. nutsvoorzieningen.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Bouwen van gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

9.2.2 Bouwen van andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van een steiger bedraagt ten hoogste 3,00 m;
  • b. de bouwhoogte van andere bouwwerken bedraagt ten hoogste 6,00 m.

Artikel 10 Wonen

10.1 Gebruiksregels
10.1.1 Toegestaan gebruik

In het voor 'Wonen' aangewezen gebied zijn de volgende functies en is het volgende gebruik toegestaan:

  • a. het wonen in grondgebonden woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis, met inachtneming van de volgende algemene regels:
    • 1. het beroep of bedrijf wordt uitgeoefend door één van de bewoners van de woning;
    • 2. het beroep of bedrijf geen onevenredige parkeerdruk met zich meebrengt;
    • 3. het beroep of bedrijf geen afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat van de buurt;
    • 4. de beroeps- / bedrijfsvloeroppervlakte in de woning en de bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 30%;
    • 5. de beroeps- / bedrijfsvloeroppervlakte in de woning en de bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 50 m²;
    • 6. per bedrijfsuitoefening één reclame- en/of naambord aan de gevel of op het bouwperceel is toegestaan van ten hoogste 0,5 m²;

met daarbij behorende:

  • b. tuinen en erven;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

10.1.2 Verbod

In het voor 'Wonen' aangewezen gebied zijn de volgende functies en is het volgende gebruik verboden:

  • a. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning, of kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis;
  • b. het opslaan van propaangas.
10.2 Bouwregels
10.2.1 Bouwen van hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' bedraagt het aantal hoofdgebouwen niet meer dan het in het aanduidingsvlak aangegeven aantal;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' wordt de voorgevel van een hoofdgebouw in of niet meer dan 2 meter achter de aangegeven gevellijn gebouwd;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand':
    • 1. wordt een hoofdgebouw vrijstaand gebouwd;
    • 2. bedraagt de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens ten minste 3,00 m;
  • e. de goothoogte bedraagt niet meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' aangegeven maximum goothoogte;
  • f. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven maximum bouwhoogte;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'minimum dakhelling (graden'), maximum dakhelling (graden)' wordt een hoofdgebouw voorzien van een kap waarvan de dakhelling respectievelijk ten minste en ten hoogste de in de aanduiding aangegeven dakhelling bedraagt;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - kapvorm 1' wordt een hoofdgebouw voorzien van:
    • 1. een lessenaarskap met een maximale dakhelling van 30°; of
    • 2. een plat dak, waarbij de derde bouwlaag minimaal terugligt vanaf de waterzijde;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - kapvorm 2' wordt een hoofdgebouw voorzien van een kap met een maximale dakhelling van 30° dan wel een plat dak.

10.2.2 Bouwen van bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:

  • de regels van de artikelen 22.27 lid a en 22.36 lid a van het omgevingsplan zijn van toepassing, met dien verstande dat:
    • 1. in plaats van 'achtererfgebied' wordt gelezen 'erfbebouwingsgebied';
    • 2. er geen minimale afstand tot het openbaar toegankelijk gebied geldt.

10.2.3 Bouwen van andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt voor de voorgevel of het verlengde daarvan maximaal 1,00 m en achter de voorgevel maximaal 2,00 m;
  • b. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken bedraagt maximaal 3,00 m met uitzondering van vlaggenmasten, hiervan bedraagt de bouwhoogte maximaal 6,00 m.

Artikel 11 Wonen - Woongebouw

11.1 Gebruiksregels
11.1.1 Toegestaan gebruik

In het voor 'Wonen - Woongebouw' aangewezen gebied zijn de volgende functies en is het volgende gebruik toegestaan:

  • a. het wonen in woongebouwen, al dan niet in combinatie met:
    • 1. ruimte voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis met inachtneming van de volgende algemene regels:
      • het beroep of bedrijf wordt uitgeoefend door één van de bewoners van de woning;
      • het beroep of bedrijf geen onevenredige parkeerdruk met zich meebrengt;
      • het beroep of bedrijf afbreuk geen doet aan het woon- en leefklimaat van de buurt;
      • de beroeps- / bedrijfsvloeroppervlakte in de woning en de bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 30%;
      • de beroeps- / bedrijfsvloeroppervlakte in de woning en de bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 50 m²;
      • per bedrijfsuitoefening één reclame- en/of naambord aan de gevel of op het bouwperceel is toegestaan van ten hoogste 0,5 m²;
    • 2. sociaal-medische en sociaal-culturele voorzieningen voorzover wordt voldaan aan de volgende algemene regels wordt voldaan:
      • het gebruik mag uitsluitend plaatsvinden ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk';
      • de gebruiksactiviteiten mogen uitsluitend in de eerste bouwlaag plaatsvinden;
      • de gezamenlijke bedrijfsvloeroppervlakte mag ten hoogste 600 m² bedragen;

met daarbij behorende:

  • b. tuinen en erven;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. openbare nutsvoorzieningen;
  • e. waterhuishoudkundige voorzieningen.

11.1.2 Verbod

In het voor 'Wonen - Woongebouw' aangewezen gebied zijn de volgende functies en is het volgende gebruik verboden:

  • a. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor zelfstandige bewoning of voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis;
  • b. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel.
11.2 Bouwregels
11.2.1 Bouwen van hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' zal de gevel van een gebouw in de gevellijn worden gebouwd;
  • c. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd met een woongebouw en bijbehorende bouwwerken;
  • d. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven maximum bouwhoogte;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - woningentrees' geldt dat:
    • 1. de entrees van de woningen op de eerste bouwlaag aan de parkzijde zijn georiënteerd;
    • 2. de entrees van de woningen vanaf de tweede bouwlaag aan de parkeerplaatszijde zijn georiënteerd.

11.2.2 Bouwen van bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de regels van de artikelen 22.27 lid a en 22.36 lid a van het omgevingsplan zijn van toepassing, met dien verstande dat:
    • 1. in plaats van 'achtererfgebied' wordt gelezen 'erfbebouwingsgebied';
    • 2. er geen minimale afstand tot het openbaar toegankelijk gebied geldt.

11.2.3 Bouwen van andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt voor de voorgevel of het verlengde daarvan ten hoogste 1,00 m en achter de voorgevel ten hoogste 2,00 m;
  • b. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken bedraagt ten hoogste 3,00 m met uitzondering van vlaggenmasten, hiervan bedraagt de bouwhoogte ten hoogste 6,00 m.

Artikel 12 Leiding - Rioolpersleiding

12.1 Gebruiksregels

Het voor 'Leiding - Rioolpersleiding' aangewezen gebied is behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), ook bestemd voor een strook ten behoeve van een rioolpersleiding en het onderhoud en beheer daarvan.

12.2 Bouwregels
12.2.1 Bouwwerken

In afwijking van het bepaalde bij de andere ter plaatse voorkomende functie(s) mogen op of in deze gronden geen gebouwen en andere bouwwerken, worden gebouwd, anders dan andere bouwwerken ten behoeve van deze functie.

12.2.2 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken, geldt de volgende beoordelingsregel:

  • de bouwhoogte van andere bouwwerken zal ten hoogste 2,00 m bedragen.

12.2.3 Aanvullende beoordelingsregels

In aanvulling op het bepaalde in de leden 12.2.1 en 12.2.2 wordt de omgevingsvergunning voor bouwwerken ten behoeve van de andere functies die zijn toegestaan ook verleend als:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het doelmatig en veilig functioneren van de betreffende nutsleiding;
  • b. met een vooraf ingewonnen advies van de betreffende leidingbeheerder wordt aangetoond dat de bouw mogelijk is.
12.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.3.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
  • b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm;
  • c. het in de grond drijven van voorwerpen dieper dan 50 cm;
  • d. het aanleggen van oppervlakteverhardingen;
  • e. het planten van bomen en het aanbrengen van andere beplantingen die dieper wortelen of kunnen wortelen dan 50 cm.
12.3.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in lid 12.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.
12.3.3 Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien met een vooraf ingewonnen advies van de betreffende leidingbeheerder wordt aangetoond dat de werken of werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan een doelmatig en veilig functioneren van de leidingen.

Artikel 13 Vrijwaringszone - Dijk 2

Het voor 'Vrijwaringszone - Dijk 2' aangewezen gebied is behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), ook bestemd voor de buitenbeschermingszone rondom een primaire waterkering.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 14 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 15 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

  • a. de te gebruiken materialen;
  • b. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en
  • c. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.

Artikel 16 Algemene bouwregels

16.1 Fasering woningbouw
  • a. De woningbouw met inbegrip van de bijbehorende voorzieningen zal gefaseerd worden ontwikkeld in die zin dat het aantal te bouwen woningen / voorzieningen per jaar niet meer bedraagt dan het de onderstaande tabel aangegeven aantal:

Jaar   Wonen   Wonen -
Woongebouw  
Totaal   buurtgerichte
voorzieningen  
2029   84   68   152    
2030   68   0   68    
2031   8   0   8    
2032   20   0   20    
2033   0   15   15   600 m2 bvo  
2034   7   0   7    
Totaal   187   83   270   600 m2 bvo  

  • b. In afwijking van het bepaalde onder a mag worden afgeweken van de in de tabel opgenomen fasering, indien wordt aangetoond dat geen sprake is van een significant effect op een Natura 2000-gebied door stikstofdepositie.
16.2 Bodemgevoelig gebouw bouwen
16.2.1 Meldingplicht bodemgevoelig gebouw

Voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie geldt een meldingplicht.

16.2.2 Indieningsvereisten melding
  • a. Indien sprake is van een bodemgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 5.89g van het Bkl, op een bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in artikel 5.89h van het Bkl, dan moet dit ten minste vier weken voor het begin van de bouw worden gemeld bij het bevoegd gezag.
  • b. De melding als bedoeld onder a wordt ondertekend en bevat ten minste:
    • 1. de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
    • 2. de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;
    • 3. het adres waarop de bouwactiviteit wordt verricht;
    • 4. de dagtekening; en
    • 5. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen;
    • 6. 1 en 5 zijn niet van toepassing op locaties die zijn aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid van het Bkl redelijkerwijs is uit te sluiten.
16.3 Aanvullende beoordelingsregels

In aanvulling op de artikelen 5 tot en met 11 wordt de omgevingsvergunning ook verleend als wordt voldaan aan de volgende aanvullende beoordelingsregels: 

  • a. de voorgeschreven goot- en bouwhoogten, met dien verstande dat de afwijkingen niet meer dan 10% bedragen van de in deze regels genoemde afmetingen;
  • b. het afwijken ten aanzien van de situering van een bouwwerk, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • c. de bouw van bouwwerken voor openbare en semi-openbare diensten, zoals nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van (de bediening van) kunstwerken, toiletgebouwtjes, en de naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes, met dien verstande dat:
    • 1. de inhoud ten hoogste 100 m³ bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte ten hoogste 4,00 m bedraagt;
  • d. het uitbreiden van (hoofd)gebouwen met:
    • 1. (hoek-)erkers over maximaal de halve gevelbreedte van het (hoofd)gebouw, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen tot maximaal 1,50 m gemeten vanaf de gevel van het (hoofd)gebouw;
    • 2. ondergeschikte bouwonderdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken tot maximaal 0,5 m gemeten vanaf de gevel van het (hoofd)gebouw.
16.4 Regels over het uiterlijk van bouwwerken
  • a. Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt alleen verleend indien het uiterlijk van het bouwwerk op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan niet in strijd is met de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken, zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van het Beeldkwaliteitsplan Watermolenbuurt, vastgesteld d.d. <datum> en zoals opgenomen in bijlage 2.
  • b. Bij de beoordeling van een aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in lid a. wordt de commissie ruimtelijke kwaliteit om advies gevraagd.
  • c. Bij de advisering over de aanvraag als bedoeld in lid b. en bij de interpretatie van de beoordelingsregels als bedoeld in lid a. betrekt de commissie ruimtelijke kwaliteit de regels over het uiterlijk van bouwwerken zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van het Beeldkwaliteitsplan Watermolenbuurt, vastgesteld d.d. <datum> en zoals opgenomen in bijlage 2.
  • d. De omgevingsvergunning wordt ook verleend indien Burgemeester en Wethouders in afwijking van het advies van de commissie ruimtelijke kwaliteit van oordeel zijn dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.

Artikel 17 Parkeerbepaling

  • a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, mag niet worden gebouwd wanneer voor dit bouwwerk op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien.
  • b. De omgevingsvergunning voor het bouwwerk wordt beoordeeld aan de hand van de parkeernormen in de CROW-uitgave 2024 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’ (publicatie 744), met dien verstande dat:
    • 1. indien voornoemde uitgave gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging;
    • 2. de in de aanhef genoemde parkeernormen worden toegepast op de wijze, zoals opgenomen in bijlage 3.
  • c. Bij een omgevingsvergunning voor het bouwwerk kan worden afgeweken van het bepaalde onder a en b en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 18 Overgangsrecht

18.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat bestemmingsplan.
18.2 Overgangsrecht gebruik

Behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan bestaand gebruik, zijn de volgende overgangsregels van toepassing voor gebruik:

  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet gedurende een periode van maximaal 10 jaar nadat dit plan is vastgesteld.
  • 2. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan.