| Plan: | TAM-omgevingsplan Kindcentrum Maarsveld |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0037.TAMOP2409-vs01 |
De gemeente Stadskanaal wil de realisatie van een kindcentrum naast de wijk Maarsveld mogelijk maken. Het nieuwe kindcentrum biedt onderdak aan twee basisscholen en een kinderopvangorganisatie. Beide bestaande schoolgebouwen zijn technisch verouderd waardoor er urgentie is de leerlingen een nieuw, modern onderdak te geven.
Deze ontwikkeling is niet mogelijk binnen de regels van het gemeentelijke omgevingsplan. Om de realisatie mogelijk te maken, is de wijziging van het onderliggende omgevingsplan nodig. Dit gebeurt op basis van een TAM wijziging omgevingsplan.
Het werkingsgebied ligt naast de wijk Maarsveld in Stadskanaal. Het gebied wordt begrensd door water met daarachter het recreatiegebied van het Pagedal en aan de andere kant de Maarsbroek. In onderstaande afbeelding is het werkingsgebied weergeven.
Figuur 1.1: Ligging werkingsgebied (bron: PDOK viewer)
Voor het werkingsgebied geldt het omgevingsplan van de gemeente Stadskanaal. Uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn de regels van het Chw bestemmingsplan gemeente Stadskanaal (vastgesteld 8 april 2024) van toepassing.
De gronden in het werkingsgebied zijn aangewezen als 'Groen' en 'Dienstverlening'. De ontwikkeling is niet mogelijk binnen de regels van het omgevingsplan. Binnen de regels is het namelijk niet mogelijk onderwijsvoorzieningen te bouwen en in werking te hebben. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, is een wijziging van het omgevingsplan nodig. Dit gebeurt op basis van een TAM-omgevingsplan. Het werkingsgebied is met een rood kader aangeduid.
Figuur 1.2: Uitsnede omgevingsplan gemeente Stadskanaal (bron: Omgevingsloket - Regels op de kaart)
In Hoofdstuk 2 van deze motivering wordt het voornemen beschreven. In Hoofdstuk 3 komt participatie en (voor)overleg aan de orde. Hoofdstuk 4 gaat in op het relevante beleid van het Rijk, de provincie en gemeente. In Hoofdstuk 5 worden de milieu- en omgevingsaspecten besproken. Hoofdstuk 6 behandelt de juridische vormgeving van de wijziging omgevingsplan. Hoofdstuk 7 gaat in op de financieel-economische uitvoerbaarheid van het voornemen en Hoofdstuk 8 op het overgangsrecht en de inwerkingtreding. Tot slot wordt de procedure behandeld in Hoofdstuk 9.
Het werkingsgebied ligt aan de Maarsbroek naast de wijk Maarsveld te Stadskanaal. In de huidige situatie bevindt zich naast de locatie een dierenartsenpraktijk (Maarsbroek 2a) en openbaar groen. Onder het groen vallen ook een bestaand bos en losse bomen. In onderstaande afbeeldingen is de huidige situatie van het werkingsgebied weergegeven.
Figuur 2.1: Huidige situatie, aanzichten vanaf Maarsbroek (bron: Google Streetview)
Het voornemen bestaat uit de realisatie van een kindcentrum met verschillende functies. Het betreft de vervangende nieuwbouw voor twee basisscholen. Daarnaast wordt een kinderopvang in het gebouw gevestigd met ruimte voor dagopvang, peuteropvang en buitenschoolse opvang. Het gebouw krijgt twee, getrapte bouwlagen.
Het bestaande bos in het midden van het werkingsgebied blijft behouden. De parkeervoorzieningen worden gerealiseerd aan de oostzijde van het gebied. Ook worden er een rotonde voor het autoverkeer en aparte kiss & ride zones voor het halen en brengen van kinderen gerealiseerd. Bij het kindcentrum wordt ruime buitenspeelruimte gerealiseerd voor de verschillende gebruikers. Op onderstaand schetsontwerp is het voornemen te zien. Het schetsontwerp is ook in Bijlage 1 opgenomen.
Figuur 2.2: Schetsontwerp (bron: Gemeente Stadskanaal)
Locatiekeuze
De huidige locatie aan de Maarsbroek is bewust gekozen. Deze locatie heeft de voorkeur boven andere locaties, zoals een locatie aan de Vijverlaan. Wat betreft de Vijverlaan geldt dat dit geen geschikte locatie is. Onder meer omdat het ligt in het roekengebied waar we de vogelpopulatie niet mogen verstoren en dus niet zomaar mogen bouwen. Zie hiervoor ook het onderdeel over de roeken in deze motivering (paragraaf 5.15.2). De locatie Maarsbroek echter ligt buiten het roekengebied. Het grenst er wel aan, maar ligt er niet binnen, waardoor bouwen onder voorwaarden ter bescherming van de vogelsoorten wel mogelijk is.
De locatie aan de Maarsbroek ligt ook dichter bij de wijk Maarsveld waardoor er meer sociale binding is met de wijk.
Ook is er meer sociale controle mogelijk doordat het dichter bij de woningen dan aan de Vijverlaan ligt. Aan de Vijverlaan ligt een veel groter oppervlakte aan water tussen een bouwlocatie en de woningen dan aan de Maarsbroek. Ook als we aan de locatie Maarsbroek tussen de vijver en de schoollocatie meer beplanting aanbrengen is er nog voldoende zicht op de locatie voor een goede sociale controle. Bovendien ligt deze locatie aan een intensiever gebruikte weg dan de Vijverlaan, waardoor er ook meer sociale controle mogelijk is.
Als er aan de Vijverlaan een schoolgebouw zou komen levert dit een hoog opgaand element op midden in de open ruimte van de groene long. Door te kiezen voor bebouwing die zoveel mogelijk aan de rand van de open ruimte in de groene long komt, dus aan de Maarsbroek, voorkomen we dat de zichtlijnen in deze open ruimte onnodig beperkt worden. Bovendien sluit bebouwing op de locatie Maarsbroek aan bij het bestaande bosje en daarnaast de bebouwing van de dierenartsenpraktijk.
In het initiatief is aan de locatie Maarsbroek bovendien voldoende parkeergelegenheid gemaakt waardoor het niet nodig is uit te wijken naar de Vijverlaan, voor zover daar al sprake zou zijn van meer of betere parkeerruimte. Ook is er een goede verkeerssituatie aan de Maarsbroek doordat er een rotonde op de hoek Maarsbroek/Vijverlaan wordt aangelegd. Ook ontstaat een veilige verkeerssituatie door de herinrichting van het noordelijke deel van de weg Maarsbroek, zoals het aanleggen van een verhoogde middenbermscheiding en meer kiss&ride plaatsen langs beide zijden van de Maarsbroek.
Al met al is de locatie aan de Maarsbroek bewust gekozen en een goede plek voor het realiseren van een nieuwe onderwijshuisvesting.
Op basis van artikel 2.2 van de Omgevingswet houdt een bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden rekening met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zo nodig met deze andere bestuursorganen af.
In een voorlopend traject is de provincie meegenomen door het 'Verdiepend onderzoek onderwijsvoorziening Maarsveld' te hebben voorgelegd, op 4 juli 2024. Hierbij heeft de gemeente Stadskanaal de provincie Groningen verzocht om te beschouwen of er provinciale belangen spelen op de drie voorgestelde locaties, waaronder de huidige locatie. Uit de reactie blijkt dat er geen provinciale belangen spelen vanwege de locatie in het stedelijk gebied.
Wel is aangegeven dat rekening dient te worden gehouden met de aanwezigheid van roeken. Hiervoor is een roekenbeheergebied benoemd. Het plangebied bevindt zich net naast het roekenbeheergebied, zoals beschreven in de ontheffing Wnb. De reactie van de provincie Groningen is toegevoegd als Bijlage 2.
Veiligheidsregio Groningen
Op 15 april 2025 is een adviesverzoek gedaan aan de Veiligheidsregio Groningen (VRG) ten behoeve van dit plan. De reactie hierop is ontvangen op 24 april 2025. De conclusies van de VRG zijn:
Ten tijde van de uitvoering en verdere ontwikkeling van het voornemen zal afstemming worden gezocht met de VRG. De uitwerking zal geschieden volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Provincie Groningen
Op 15 april 2025 is afstemming gevraagd aan de afdeling ruimtelijke ontwikkeling van de provincie Groningen op het voorontwerp TAM-omgevingsplan. Een reactie is ontvangen op 30 april 2025. De provincie geeft aan dat de inhoud van het plan geen aanleiding geeft tot opmerkingen. De reactie van de provincie op het TAM-omgevingsplan is bijgevoegd als Bijlage 3.
Waterschap Hunze en Aa's
Ten behoeve van dit plan is afstemming gezocht met het Waterschap Hunze en Aa's. Er is in overleg met het waterschap besproken hoe de waterbergingsopgave kan worden uitgewerkt.
Op basis van het huidige plan dient volgens de waterschapsverordening 273 m3 aan waterberging te worden gerealiseerd. Op 25 april 2025 is voorgesteld dit te realiseren aan de overzijde van het kindcentrum. Het afvloeiend hemelwater wordt afgestroomd naar deze waterberging. Door middel van een overstortconstructie wordt het vervolgens op de bestaande vijver aangesloten. Het bergend oppervlak van de waterberging is 914 m2. Met een bergend vermogen van 0,4 m3 per m2 komt dit uit op 365 m3 aan effectieve waterberging.
Het waterschap heeft positief gereageerd op dit voorstel. Als advies wordt meegegegeven de waterberging met een overstorthoogte van +0,40 m aan te brengen ten behoeve van extreme en langdurige buien, gecombineerd met een knijpconstructie op bijvoorbeeld +0,10 m met een maximale doorstroming van 1,5 l/s/ha aan hemelwater. Door de knijpconstructie blijft de waterberging niet te lang vol en komt nieuwe berging vrij. Daarnaast kan het talud dan begroeien en zorgt dit voor een goede aanblik.
Voor de melding of aanvraag watervergunning is een waterplan nodig met een uitgewerkte tekening met maatvoering (NAP hoogtes, diameters, verharde m2 en berging m3).
Op basis van het overleg met het waterschap is geconcludeerd dat het plan geen belemmering vormt voor het waterschap, mits rekening wordt gehouden met vorenstaande adviezen.
TenneT
TenneT is op 15 april 2025 geïnformeerd over het plan. Daarop is op 20 mei 2025 aangegeven dat TenneT geen belangen heeft bij dit plan.
Aan de hand van de eerste inrichtingsschets en de concept verbeelding TAM-omgevingsplan Kindcentrum Maarsveld is er voor omwonenden op 2 oktober 2025 een informatieavond in het Pagecentrum georganiseerd. Op diverse manieren is in algemene zin over deze avond gecommuniceerd en is een vrije uitnodiging gedaan. Ook hebben de direct aanwonenden, zo'n 70 adressen, hiervoor een individuele uitnodiging per brief ontvangen.
Direct aansluitend aan het besloten plenaire deel van de avond is een informatief gedeelte voor alle geïnteresseerden gehouden.
Zo'n 75 mensen waren aanwezig op deze informatieavond. Diverse mensen hebben een inspraakreactie ingediend. Ook heeft er binnen twee weken met een van de omwonenden een individueel ambtelijk gesprek plaatsgevonden, zodat hij zijn belangen kon aangeven.
Heroverweging inrichtingsschets
Deze reacties hebben ertoe geleid dat een heroverweging van de schets is gemaakt. Er zijn enkele aanpassingen van de inrichtingsschets gemaakt. De inspraakreacties en een beantwoording hiervan zijn opgenomen in de nota inspraakreacties welk is opgenomen in Bijlage 5. De wijzigingen zijn de volgende:
1. Realiseren openbaar wandelpad achter de school.
Aan de 'achterkant' van het terrein komt een openbaar wandelpad tussen het schoolterrein en de waterpartij. Zo is het mogelijk om een korte wandelverbinding tussen de twee bruggetjes die leiden naar het achtergelegen natuurgebied rondom het Pagecentrum te hebben. Het schoolgebouw zal hiertoe enkele meters naar de weg Maarsbroek toe, dus naar voren', verschoven worden. Er blijft daarbij ruim voldoende schoolplein over.
2. Extra bomen planten tussen woningen en de school.
Aan de noordkant, dus de kant van de woningen aan De Wedde, Omloop en De Renne, worden tussen het water en het openbaar pad langs de school extra bomen geplant. Zo komt er aan die zijde nadrukkelijker een groene inpassing van de school. De bomen worden daarbij niet hoog opgekroond, zodat ook aan de onderzijde van de boom blad groeit. Hierdoor is er minder zicht op de school vanuit genoemde woningen. Wel is het wenselijk het water vanaf het schoolplein beleefbaar te houden, daarom zal er geen grondwal worden aangelegd. Hier is overigens ook geen ruimte voor omdat er langs deze oever ook nog een nieuw openbaar voetpad aangelegd gaat worden.
3. Realiseren extra verkeers- en parkeermaatregelen.
Om de verkeersveiligheid bij het brengen en halen van kinderen te vergroten worden er extra kiss&ride plaatsen langs de noordwestzijde van de Maarsbroek gerealiseerd. Hiertoe worden wel een aantal bomen extra gekapt. Ook wordt een verhoogde middenberm op het bijbehorende deel van de Maarsbroek aangelegd, waardoor keren op de Maarsbroek niet mogelijk is. Tevens komen er in ieder geval op 3 plekken (Maarsbroek 2, Vijverlaan 1) de bekende entreebakens voor een schoolomgeving (opgestoken hand met kleurrijke arm).
Dit heeft geleid tot een aangepaste inrichtingsschets en een aangepast TAM-omgevingsplan.
Voor de wijziging van het omgevingsplan gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Een omgevingsplan mag alleen gewijzigd worden met het oog op een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. De volgende beoordelingsregels uit het Bkl gelden:
Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten. Zowel Rijk als provincie hebben instructieregels. De instructieregels van het Rijk zijn opgenomen in het Bkl en die van de provincie in de Omgevingsverordening.
In paragraaf 4.2 komt een toetsing aan het relevante rijksbeleid, evenals een toets aan de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl aan bod. De provinciale omgevingsverordening en het relevante provinciale beleid komen in paragraaf 4.3 aan bod.
Verder wordt in de paragrafen van dit hoofdstuk een toets gedaan aan het beleid van Europa, Rijk, provincie, regio, waterschap en gemeente.
Waar nodig wordt Europees beleid verwerkt in de toetsing aan milieu- en omgevingsaspecten (Hoofdstuk 5). Dit is het geval bij bijvoorbeeld de criteria voor de mer-beoordeling of bij natuurwet- en regelgeving. Ander direct werkend Europees beleid is niet aan de orde.
In onderstaande tabel is een toetsing gedaan aan de thema's uit het Bkl. Gekeken is of een thema relevant is voor de wijziging van het omgevingsplan. De relevante omgevingsaspecten zijn nader uitgewerkt in Hoofdstuk 5.
| Thema | Paragraaf Bkl | Relevant voor besluit? | Verwijzing paragraaf H5 | ||
| Veiligheid | 5.1.2 | Ja | 5.1 | ||
| Waterbelangen | 5.1.3 | Ja | 5.2 | ||
| Luchtkwaliteit | 5.1.4.1 | Ja | 5.3 | ||
| Geluid door activiteiten | 5.1.4.2 | Ja | 5.4 | ||
| Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterrein | 5.1.4.2a | Ja | 5.5 | ||
| Slagschaduw van windturbines | 5.1.4.4a | Nee | - | ||
| Trillingen | 5.1.4.4 | Ja | 5.6 | ||
| Bodemkwaliteit | 5.1.4.5 | Ja | 5.7 | ||
| Geur | 5.1.4.6 | Ja | 5.8 | ||
| Ladder voor duurzame verstedelijking | 5.1.5.4 | Ja | 5.9 | ||
| Cultureel erfgoed en werelderfgoed | 5.1.5.5 | Ja | 5.10 | ||
| Behoud ruimte voor autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen | 5.1.6.2 | Nee | - | ||
| Behoud ruimte voor buisleidingen van nationaal belang | 5.1.6.3 | Nee | - | ||
| Elektriciteitsvoorziening | 5.1.7.3 | Nee | - | ||
| Rijksvaarwegen | 5.1.7.4 | Nee | - | ||
| Toegankelijkheid openbare ruimte | 5.1.8 | Nee | - | ||
| Voorkomen belemmeringen hoofdspoorweginfrastructuur en rijkwegen | 5.2 | Nee | - | ||
| Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool | 5.2 | Nee | - | ||
| Bebouwingscontour jacht | 5.2 | Nee | - | ||
| Bebouwingscontour houtkap | 5.2 | Nee | - | ||
| Geluid rond luchthavens | 5.1.4.3 | Nee | - | ||
| Vrije horizon kust | 5.1.5.2 | Nee | - | ||
| Waddenzee en Waddengebied | 5.1.5.3 | Nee | - | ||
| Landsverdediging | 5.1.7.2 | Nee | - | ||
| Communicatie burgerluchtvaart | 5.1.7.5 | Nee | - | ||
| Landelijke fiets- en wandelroutes | 5.2 | Nee | - | ||
| Lokale spoorwegen binnen vervoerregio's | 5.2 | Nee | - | ||
Figuur 3.1: Instructieregels Bkl
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.
Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Het werkingsgebied ligt niet in een gebied en omvat geen onderwerp waarvoor de NOVI gerichte belangen of opgaven kent. Om die reden kan verdere toetsing aan de NOVI achterwege blijven.
Het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) heeft als doel wateroverlast, droogte, hittestress en de gevolgen van overstromingen te beperken. Het uiteindelijke doel is dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. Hiervoor wordt gewerkt vanuit zeven ambities: kwetsbaarheid in beeld brengen, risicodialoog voeren en strategie opstellen, uitvoeringsagenda opstellen, meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, reguleren en borgen, handelen bij calamiteiten.
In het volgende hoofdstuk is hier in een aantal paragrafen nader op ingegaan. Dit betreft onder meer de aspecten duurzaamheid (5.12), water (5.2) en gezondheid (5.13). De betreffende onderzoeken zijn uitgevoerd met inachtneming van de doelstellingen omtrent het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van gebieden.
Het doel van de omgevingsvisie (gewijzigd vastgesteld en geconsolideerd in november 2023) is het aantrekkelijke woon- en leefklimaat in de provincie verbeteren. Het accent in het beleid ligt op het benutten van ontwikkelingsmogelijkheden, naast het beschermen van de karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen. De provincie wil ruimte bieden voor ondernemerschap om in te spelen op de dynamische ontwikkelingen. Activiteiten lopen steeds meer door elkaar heen en dat heeft gevolg voor het ruimtegebruik. Door samenwerking met medeoverheden en andere partijen en het leveren van maatwerk wil de provincie haar doelen bereiken.
Een belangrijk doel van de Omgevingsvisie is om op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarom zijn in deze Omgevingsvisie zoveel mogelijk de visies op verschillende terreinen, zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het provinciale beleid voor economie, energie en cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. In deze omgevingsvisie is al het provinciale beleid dat op een of andere manier raakt aan de fysieke leefomgeving geformuleerd en geordend in vijf samenhangende thema's en elf provinciale 'belangen':
RUIMTE
NATUUR EN LANDSCHAP
WATER
MOBILITEIT
MILIEU
De omgevingsvisie stelt het kader voor de uitwerking van het beleid op deelterreinen door de provincie zelf en door gemeenten en waterschappen. Ook voor andere partijen die iets willen dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving, biedt de omgevingsvisie houvast. De provincie wil met de omgevingsvisie ruimte bieden en uitnodigen. Maar uit deze omgevingsvisie vloeien ook richtlijnen en voorschriften voort. Die zijn vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening. Hiermee werkt het omgevingsbeleid door in plannen van gemeenten en waterschappen.
De volgende onderwerpen uit de provinciale omgevingsvisie zijn relevant voor het plangebied en het voornemen.
Stedelijk gebied
Het werkingsgebied valt onder het stedelijk gebied, zoals aangegeven in de provinciale omgevingsvisie. Onder stedelijk gebied wordt verstaan: "een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve
van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of
sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en water en infrastructuur". De provincie wil stedelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk laten plaatsvinden binnen bestaand stedelijk gebied, omdat het grote contrast tussen het stedelijk gebied en het buitengebied, dat zo bepalend is voor de identiteit van de provincie, dient te worden behouden en te worden versterkt.
Dit is in lijn met de Ladder voor duurzame verstedelijking, die bij nieuwe stedelijke ontwikkeling vraagt om motivering en afweging van (1) de ruimtevraag, (2) de beschikbare ruimte en (3) de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Dit vraagt extra zorgvuldigheid bij ingrepen in het stedelijk gebied die een effect hebben op het buitengebied.
Het voornemen is in lijn met de wens van de provincie om zoveel mogelijk te laten plaatsvinden binnen bestaand stedelijk gebied. Het schoolgebouw is immers in stedelijk gebied gepland. Daarnaast heeft het voornemen geen significante effecten op het buitengebied. Het voornemen is in lijn met de kaart 'Stedelijk gebied'.
Veenkoloniën
Het werkingsgebied bevindt zich binnen de kaartlaag 'Veenkoloniën'. Kenmerkend voor de Veenkoloniën is het grootschalig open landschap met een rationele verkavelingsstructuur van kanalen en wijken. In dit landschap liggen kanaaldorpen met een mix van burgerbebouwing, agrarische en industriële bebouwing.
Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor de ruimtelijke kwaliteit binnen het stedelijk gebied. Bij de inpassing van grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied en ruimtelijke ingrepen in het stedelijk gebied die een effect hebben op het buitengebied ondersteunt en adviseert de provincie gemeentes.
Het voornemen bevindt zich binnen het stedelijk gebied en heeft geen effect op het buitengebied. Daarom is de gemeente primair verantwoordelijk voor de ruimtelijke kwaliteit.
Provinciale basisnet
Het werkingsgebied raakt deels de kaartlaag 'Provinciale basisnet'. Binnen deze kaartlaag wordt verwezen naar artikel 20.7.1 Omgevingsveiligheid in de omgevingsvisie. Hierin staan doelstellingen en principes wat betreft omgevingsveiligheid. Omgevingsveiligheid maakt daarnaast een belangrijk onderdeel van 'Brede Welvaart'. In paragraaf 5.1 wordt nader ingegaan op het aspect omgevingsveiligheid. Daarmee wordt voldoende rekening gehouden met de verwijzing van de kaartlaag, en daarmee met het provinciale basisnet.
Groei en krimp
Het werkingsgebied bevindt zich binnen het opgavegebied 'Groei en Krimp'. De oostelijke gemeentes in de provincie Groningen zijn aangewezen als krimpgemeentes. Hier is sprake van een demografisch krimp. Stadskanaal is in deze opgave aangekaart als regionaal centrum.
Bevolkingsdaling gaat in de provincie deels samen met een hoge werkloosheid en sociale segregatie en leidt tot verpaupering van de gebouwde omgeving en een kwetsbare voorzieningenstructuur. De afgelopen jaren is er al veel positiefs bereikt in deze krimpgebieden in nauwe samenwerking tussen de gemeenten, het maatschappelijk middenveld en de provincie. Desondanks staat de leefbaarheid van deze gebieden onder druk. Het is bij deze aanpak van belang dat wordt geïnvesteerd op de juiste plekken, rekening houdend met de identiteit van het gebied. Dit kan het imago van het gebied ook ten goede komen.
De ontwikkeling van het kindcentrum draagt bij aan de leefbaarheid van Stadskanaal en houdt het voorzieningenniveau hoog. Daarmee draagt het voornemen expliciet bij aan de opgave 'Groei en Krimp'.
De provincie Groningen heeft haar omgevingsvisie vertaald naar een provinciale omgevingsverordening (POV). De laatste versie dateert van november 2024. De Omgevingsverordening provincie Groningen omvat regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. Deze regels richten zich op de thema's ruimtelijke ordening, water, infrastructuur, milieu en ontgrondingen.
Het plan heeft betrekking op het mogelijk maken van een maatschappelijke functie. Het werkingsgebied bevindt zich binnen de aanduidingen 'stedelijk gebied' en 'bebouwd gebied'. Het plangebied raakt zoals eerder genoemd het provinciale basisnet. Echter, het bevindt zich buiten de veiligheidszone 4, zoals aangegeven in de POV. Er zijn geen relevante artikelen uit de provinciale omgevingsverordening van toepassing.
De regio Oost-Groningen, waar de gemeente Stadskanaal onderdeel van is, werkt sinds jaren samen aan de verbetering van de woonomgeving voor haar inwoners via het Regionaal Woon- en Leefbaarheidsplan (RWLP). Deze samenwerking tussen gemeenten, provincie en een uitvoerend programmabureau heeft sinds 2021 een extra impuls gekregen door de Regio Deal Oost-Groningen. Via deze deal investeren Rijk, provincie en gemeenten samen 30 miljoen euro in vier pijlers: leren, werk en inkomen, gezondheid en woonomgeving.
De pijler 'leren' richt zich op het verhogen van het opleidingsniveau en onderwijsparticipatie in de regio. Het opleidingsniveau in Oost-Groningen is momenteel lager dan het landelijk gemiddelde (29,4% laagopgeleiden tegenover 22% landelijk) en er is een hoog aandeel laaggeletterden (16% tegenover 10% landelijk). Door te investeren in het verbeteren van onderwijsvoorzieningen en het opleidingsniveau wordt gewerkt aan betere kansen voor inwoners op sociaal-economisch vlak.
Voorliggend project betreft de realisatie van een nieuw kindcentrum in Maarsveld in Stadskanaal. Dit kindcentrum vervangt twee technisch verouderde schoolgebouwen en biedt straks onderdak aan basisonderwijs en kinderopvang. Het project is in lijn met de ambities van de RWLP.
De archeologische kaders van de gemeente Stadskanaal zijn vertaald in de Beleidsnota archeologie en cultuurhistorie. De bijbehorende waardekaarten zijn gebruikt voor het opnemen van dubbelbestemmingen in het geldende omgevingsplan die strekken tot bescherming van de in de beleidsnota opgenomen waarden. Archeologie wordt in paragraaf 5.10 nader besproken.
Onder de naam 'De hoofdstad van de Veenkoloniën, pionieren in de proeftuin' heeft Stadskanaal in 2009 de toekomstvisie voor de periode tot 2025 vastgesteld. Deze Toekomstvisie 2025 betreft een actualisering van de eerdere Toekomstvisie 2000.
De Toekomstvisie 2025 bevat wensbeelden, ambities en doelen, op basis van kansen die trends en ontwikkelingen bieden. Stadskanaal is als 'de metropool van de Veenkoloniën' de onbetwiste centrumplaats van dit gebied met een compleet pakket aan voorzieningen. En ook de proeftuin voor pioniers. Als strategie - de manier waarop de doelen werkelijkheid worden - kiest de gemeente voor een regierol waar initiatieven niet vanzelf tot stand komen. De gemeente wil een doe-mentaliteit, gericht op projecten en initiatieven met een meerwaarde voor allen. Zo worden combinaties gecreëerd van identiteit, sterke punten en mogelijkheden.
Stadskanaal stelt verschillende doelen qua ontwikkeling van economie, werken en leren. Dit betreft onder meer het stimuleren van (startend) ondernemerschap in de hele gemeente en het scheppen van ruimte voor bedrijvigheid. Het voornemen sluit aan op de ontwikkeling van leren.
Met deze derde nota duurzaamheid geeft de gemeente op hoofdlijnen richting en invulling aan de duurzame doorontwikkeling voor de komende vier jaren. De gemeente heeft daarbij als doelstellingen om in 2050 100% energieneutraal te zijn en een reductie tot netto nul uitstoot van broeikasgassen te hebben. De ambitie is om breder aan de slag te gaan met duurzame ontwikkeling.
De gemeente zet in op de gezonde leefomgeving. De kwaliteit en inrichting van de leefomgeving heeft directe invloed op de gezondheid van mensen. Een gezonde en veerkrachtige leefomgeving nodigt uit om buiten te bewegen en te recreëren. Beleid voor een gezonde leefomgeving gaat ook hand in hand met groen- en klimaatbeleid. Het streven naar duurzame mobiliteit, zoals fietspaden en wandelroutes, bevordert actieve levensstijlen, geven ruimte voor ontspanning en vermindert tegelijkertijd de uitstoot van schadelijke stoffen. Parken, bossen, plant- en bloemrijke groenstroken en natuurgebieden bevorderen biodiversiteit, bieden recreatiemogelijkheden, verkoelen de omgeving en dragen bij aan de klimaatadaptatieve veerkracht van de leefomgeving.
Het ontwikkelen met aandacht voor de natuur, oftewel natuurinclusieve ontwikkeling, impliceert dat bij alle activiteiten het bevorderen en behouden van planten en dieren als uitgangspunt wordt genomen. Hierbij streeft de gemeente niet alleen naar het behoud van natuurgebieden en bestaande groenblauwe infrastructuur, maar neemt ze in beginsel bij alle activiteiten in de leefomgeving ruimte voor natuur mee, variërend van bouwen en landbouw tot aan planning en infrastructuur. Naast het bevorderen van meer (multifunctioneel ruimtegebruik) voor natuur gaat natuurinclusief ontwikkelen ook om het benutten en in acht nemen van de mogelijkheden en kansen die meer natuur opleveren. Zoals hiervoor is benoemd, levert een inzet op meer beplanting en een gezond ecosysteem in versteende omgevingen concrete voordelen op voor de leefomgeving door onder andere hittestress tegen te gaan en lokale uitstoot van broeikasgassen vast te leggen.
Met de ontwikkeling van het kindcentrum wordt aangesloten op deze ambities. Het nieuwe gebouw wordt energieneutraal gerealiseerd conform de wettelijke BENG-eisen. Voor het binnenklimaat wordt voldaan aan Frisse Scholen klasse B. Het bestaande bos op de locatie blijft behouden en het gebouw krijgt een groen dak met mossen en sedum dat bijdraagt aan biodiversiteit en waterberging. De buitenruimte wordt natuurinclusief ingericht met voldoende groen wat bijdraagt aan klimaatadaptatie, zoals het verminderen van hittestress. Zie ook paragraaf 5.12.
De gemeente Stadskanaal heeft momenteel de omgevingsvisie Stadskanaal in voorbereiding. De omgevingsvisie geldt voor het gehele gemeentelijke grondgebied. De verwachting is dat de raad de omgevingsvisie op 8 december 2025 vaststelt. In deze visie is aangegeven wat het toekomstige beleid voor de fysieke leefomgeving is, het betreft de periode 2025 tot 2040. Hierin is voor het gebied aan de oostkant van de kern Stadskanaal, waarbinnen de locatie van het beoogde Kindcentrum Maarsveld is gelegen, onder meer opgenomen dat het ligt binnen de groene long in Stadskanaal. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de afbeelding zoals opgenomen in de omgevingsvisie opgenomen.
Figuur 4.1: Groene long Stadskanaal (bron: omgevingsvisie Stadskanaal)
Binnen gebied '1' in de groene long is het streven om zoveel mogelijk groen te laten bestaan, waardoor er geen uitbreiding van het bebouwd oppervlak mogelijk is, tenzij een uitbreiding op andere wijze kan worden gecompenseerd en tenzij het gaat om reeds genomen besluiten voor nieuwe bebouwing. Dat laatste is van toepassing: er is al besloten om nieuwe bebouwing voor deze onderwijshuisvesting toe te staan. Daarmee is het mogelijk om binnen de groene long te bouwen.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7, lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (artikel 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met artikel 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Overige bepalingen
Naast vorengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor grote evenementen of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn.
Zeer kwetsbare gebouwen/locaties zijn gebouwen/locaties waar zich grote aantallen personen of personen met een verhoogde kwetsbaarheid bevinden, zoals ziekenhuizen, scholen, kinderdagverblijven, grote kantoorgebouwen en winkelcentra.
Dit voornemen zorgt voor de realisatie van een schoolfunctie. Basisscholen zijn aangewezen als zeer kwetsbare gebouwen. In dit kader is het register externe veiligheid (REV in de Atlas Leefomgeving) geraadpleegd om te onderzoeken of in de nabijheid van het werkingsgebied activiteiten zijn gelegen die een risico voor de omgevingsveiligheid kunnen veroorzaken. Op de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de kaart weergegeven.
Figuur 5.1: Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten)
In of nabij het werkingsgebied bevinden zich geen activiteiten, buisleidingen en/of transportroutes die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Op de kaart is dit te zien doordat geen aandachtsgebieden of andere contouren over het werkingsgebied liggen. De dichtsbijzijnde buisleiding bevindt zich op circa 1,05 km afstand ten oosten van het werkingsgebied. Op meer dan 600 m ten westen van het werkingsgebied bevindt zich een lpg-tankstation.
Zoals beschreven in paragraaf 4.3, bevindt het werkingsgebied zich binnen het provinciale basisnet. Echter, op de nabije provinciale weg (N366) zijn geen transporten die relevant zijn voor externe veiligheid. Dit blijkt uit het ontbreken van een aandachtsgebied voor externe veiligheid. Wel is er een veiligheidszone 4 weergeven uit de POV. Deze bevindt zich op ruime afstand van het plangebied.
Het voornemen bevindt zich niet binnen aandachtsgebieden voor externe veiligheid. Andersom voegt het initiatief geen aandachtsgebied toe. Een nadere verantwoording van het groepsrisico wordt gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot risicobronnen niet noodzakelijk geacht.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het omgevingsaspect omgevingsveiligheid.
Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels zoals gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.
Bij alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient aandacht te worden besteed aan het wateraspect. Hiertoe heeft overleg plaats gevonden met het Waterschap Hunze en Aa's. Zie paragraaf 3.1.
Toename verharding
Binnen beheergebied van het Waterschap Hunze en Aa's geldt een compensatieplicht bij een toename aan verharding van meer dan 150 m2. Binnen het eigen peilgebied is voorgesteld de bestaande slotenstructuur te verruimen. Dit zorgt echter niet voor een vertraagde afvoer. Op basis van het huidige plan dient er volgens de waterschapsverordening 273 m3 aan waterberging te zijn. De waterberging wordt gerealiseerd aan de overzijde van het kindcentrum, tussen de bestaande weg en de slotenstructuur. Zie onderstaande afbeelding voor de locatie van de waterberging.
Figuur 5.2: Locatie waterberging (bron: gemeente Stadskanaal)
Het afvloeiend hemelwater wordt afgestroomd naar deze waterberging. Door middel van een overstortconstructie wordt het vervolgens op de bestaande vijver aangesloten. Het bergend oppervlak van de waterberging is 914 m2. Met een bergend vermogen van 0,4 m3 per m2 komt dit uit op 365 m3 aan effectieve waterberging.
Het waterschap heeft positief gereageerd op dit voorstel. Als advies wordt meegegegeven de waterberging met een overstorthoogte van +0,40 m aan te brengen ten behoeve van extreme en langdurige buien, gecombineerd met een knijpconstructie op bijvoorbeeld +0,10 m met een maximale doorstroming van 1,5 l/s/ha aan hemelwater. Door de knijpconstructie blijft de waterberging niet te lang vol en komt er nieuwe berging vrij. Daarnaast kan het talud dan begroeien en zorgt dit voor een goede aanblik.
Een nadere uitwerking van het waterhuishoudkundig plan volgt met de bouwtechnische uitwerking van het voornemen. In elk geval is het plan uitvoerbaar en heeft voldoende afstemming plaatsgevonden met betrekking tot het waterbelang.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het omgevingsaspect water.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Uit artikel 5.53 en artikel 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
In artikel 5.51, lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). Buiten de aandachtsgebieden is nader onderzoek naar luchtkwaliteit niet aan de orde. De gemeente Stadskanaal is niet aangewezen als concentratiegebied.
Invloed op de luchtkwaliteit
Een kindcentrum is een activiteit die zorgt voor een toename van verkeersbewegingen. Echter, de gemeente Stadskanaal is niet aangewezen als aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. Buiten de aandachtsgebieden is nader onderzoek naar de invloed op de luchtkwaliteit niet aan de orde.
Ter referentie, een ontwikkeling van 1.500 woningen met één ontsluiting valt onder de standaard 'niet in betekenende mate' gevallen. Een kindcentrum zal naar aard en omvang dan ook geen significante invloed hebben op de luchtkwaliteit.
Onderzoek achtergrondniveau
Hoewel geconstateerd is dat het project geen significant effect heeft op de luchtkwaliteit, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het werkingsgebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden.
Daartoe is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2023. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en betreffen zowel recente als toekomstige jaren. Per kilometervak worden de concentraties voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen weergegeven waarvoor Europese regelgeving bestaat. De kaarten op deze website hebben een juridisch-formele status.
De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen betreffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10). De grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10) uit de wet zijn opgenomen in de volgende tabel.
| Luchtconcentratie | Norm | ||
| NO2 | jaargemiddelde concentratie uurgemiddelde concentratie |
40 µg/m3
200 µg/m3 |
|
| PM2.5 | jaargemiddelde concentratie | 25 µg/m3 | |
| PM10 | jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie |
40 µg/m3
50 µg/m3 |
|
Figuur 5.3: Grenswaarden luchtconcentraties NO2, PM2.5 en PM10
Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het werkingsgebied de gemeten en berekende achtergrondniveaus ruim onder de wettelijke normen blijven. In het werkingsgebied is de waarde van fijnstof PM2.5 tussen 6 en 8 microgram PM2.5 /m3. Van fijn stof PM10 ligt de waarde onder 14 microgram PM10 / m3. De waarde van stikstofdioxide ligt onder de 10 microgram/m3.
Het project heeft geen signifcante invloed op de luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Hiermee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect luchtkwaliteit.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl). Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (zoals woningen) aanvaardbaar is. Daartoe moet het omgevingsplan in beginsel hierover regels bevatten. Het gaat om 'gewoon' geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid. De benodigde regels over geluid zijn opgenomen in de bruidsschat (zie paragraaf 22.3.4).
Om na te gaan of het geluid door activiteiten uit de omgeving op het werkingsgebied aanvaardbaar is, is gebruik gemaakt van de systematiek van de VNG Handreiking Activiteiten en Milieuzonering (2024). In november 2024 is door BügelHajema Adviseurs een vooronderzoek gedaan naar mogelijke belemmeringen door milieuhinder. Dit onderzoek is als Bijlage 8 aan deze motivering toegevoegd. Ten tijde van het vooronderzoek was nog niet duidelijk waar het bouwvlak van het kindcentrum zou worden geplaatst.
De lijsten van milieuhinderlijke activiteiten van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering 2009 bieden goede aanknopingspunten voor een indicatie van de inpasbaarheid van activiteiten. Hiervoor worden de posities aangewezen in de VNG-2024 tabellen, deze kunnen vervolgens worden getransponeerd naar richtafstanden zoals in de VNG-2009 tabellen. In onderstaande figuur is de transponering van posities naar richtafstanden weergeven.
Figuur 5.4: Transponeertabel VNG (bron: Handreiking Activiteiten en Mileuzonering 2024)
In deze paragraaf wordt gekeken naar hinder van en door geluid door activiteiten. De wijze van meten voor de richtafstand is van hinderveroorzakende activiteit naar hindergevoelige (mogelijke) gevel. In de praktijk betekent dit de afstand van een functievlakgrens van een activiteit naar een bouwvlakgrens, of bij gebrek daaraan naar een functiegrens van een hindergevoelige functie.
Geluidhinder door het plan
Het voornemen is een kindcentrum. Het kindcentrum bestaat uit twee basisscholen en een kinderdagverblijf. Basisscholen en kinderdagverblijven hebben volgens de handreiking Activiteiten en Milieuzonering een positie van 1. Dit betekent een richtafstand van 30 m tot geluidgevoelige gebouwen.
De woningen ten noorden van het werkingsgebied zijn hindergevoelig. De richtafstand wordt gemeten tussen de hinderveroorzakende activiteit naar hindergevoelige (mogelijke) gevel. In de VNG handreiking wordt namelijk gesproken over hindergevoelige bebouwing en gevels. Een buitenruimte of tuin van geluidgevoelige bebouwing wordt niet meegenomen in het meten van de richtafstand.
Er wordt aangesloten bij de VNG handreiking. Door het bouwvlak aan te houden, wordt rekening gehouden met de planologische mogelijkheden.
De afstand tussen de woningen en het werkingsgebied bedraagt 31 m, gemeten vanaf het bouwvlak van de woningen tot het werkingsgebied van het kindcentrum. Daarmee is aannemelijk dat geen geluidhinder ontstaat op geluidgevoelige bebouwing. In onderstaande afbeelding is de afstand weergeven tussen het dichtsbijzijnde bouwvlak van de woningen en het werkingsgebied.
Figuur 5.5: Afstand werkingsgebied en woningen (bron: PDOK-viewer)
Geluidhinder van activiteiten in de omgeving
Het kindcentrum bevat geluidgevoelige functies, namelijk een schoolfunctie. In de omgeving van het werkingsgebied bevinden zich de volgende relevante activiteiten:
Conferentiecentrum (Hoveniersweg 1 t/m 3)
Voor sport- en congrescentra geldt voor geluid positie 2, wat overeenkomt met een richtafstand van 50 m. De afstand tussen het werkingsgebied en het bouwvlak van het conferentiecentrum bedraagt circa 152 m. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Het recreatiebestemmingsvlak ligt dichterbij, echter de planologische mogelijkheden beperken zich hier tot recreatiewoningen. Deze zijn niet aangemerkt als hinderveroorzakende activiteiten.
Manege (Manegelaan 2)
Voor maneges geldt voor geluid positie 1. Voor geluid komt dit overeen met een richtafstand van 30 m. De afstand tussen het kindcentrum (geluidgevoelige bebouwing) en de manege is minstens 70 m. Hierbij is gemeten vanaf de geprojecteerde gevel van het kindcentrum tot de bestemmingsvlakgrens van de manege. Er wordt voldaan aan de richtafstand.
In het vooronderzoek was sprake van een overschrijding van de richtafstand. Hierbij was gemeten van de bestemmingsvlakgrens van de manege tot de grens van het plangebied voor het kindcentrum. Nu duidelijk is dat het bouwvlak van het kindcentrum zich op grotere afstand bevindt, is geen sprake meer van overschrijding. Daarnaast vinden de activiteiten die voornamelijk geluid veroorzaken plaats aan de westzijde van het perceel van de manege (zoals verkeersbewegingen). Nader onderzoek is niet aan de orde.
Dierenweide (Manegelaan 1)
In de handreiking is geen aparte categorie voor dierenweides opgenomen. Wel is er een categorie voor kinderboerderijen. Uit jurisprudentie blijkt dat een dierenweide en kinderboerderij, in het kader van milieuzonering, gelijkgesteld kan worden (ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3309). Voor een kinderboerderij of dierenweide geldt voor geluid positie 1, wat overeenkomt met een richtafstand van 30 m. De afstand tussen het kindcentrum en de dierenweide is circa 50 m. Hierbij is gemeten vanaf de geprojecteerde gevel van het kindcentrum tot de grens van de aanduiding 'dierenweide'. Er wordt voldaan aan de richtafstand.
In het vooronderzoek was sprake van een overschrijding van de richtafstand. Hierbij was gemeten van de aanduiding van de dierenweide tot de grens van het plangebied voor het kindcentrum. Nu duidelijk is dat het bouwvlak van het kindcentrum zich op grotere afstand bevindt, is geen sprake meer van overschrijding. In onderstaande tabel zijn ter overzicht de afstanden weergegeven.
Tabel 5.1: Richtafstanden
| Adres | Type activiteit | Richtafstand | Gevel kindcentrum tot bestemmingsvlak | ||
| Hoveniersweg 1 t/m 3 | Sport- en congrescentrum | 50 m | 152 m | ||
| Manegelaan 2 | Manege | 30 m | 70 m | ||
| Manegelaan 1 | Kinderboerderij | 30 m | 50 m | ||
In de bouwregels van dit plan is overigens een mogelijkheid opgenomen met een omgevingsplanactiviteit (OPA) maximaal 10% van het oppervlak buiten het bouwvlak te kunnen bouwen. Naar verwachting is het zeer onwaarschijnlijk dat dit leidt tot overschrijding van de eerdergenoemde richtafstanden. Er zou daarvoor namelijk minstens 20 m buiten het bouwvlak moeten worden gebouwd in de richting van een milieuhinderlijke activiteit. Nader onderzoek is niet aan de orde.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het omgevingsaspect geluid door (bedrijsmatige) activiteiten.
In de Bruidsschat (BS) is het onderdeel 'geluid' geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
De instructieregels uit afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18, lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).
Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Op de locatie worden nieuwe geluidgevoelige gebouwen toegevoegd (schoolfuncties) binnen het geluidaandachtsgebied van de Vijverlaan en Maarsbroek. Daarom is toetsing aan de standaardwaarden en grenswaarden zoals opgenomen in het Bkl nodig.
Er is daarom een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd als Bijlage 4. Uit het onderzoek blijkt dat de bebouwing voldoet aan de eisen die de instructieregels van het Bkl stellen aan geluidgevoelige bebouwing. Er wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB(A). Geluid door wegverkeer vormt geen belemmering voor het plan.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het omgevingsaspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.
Het aspect 'trillingen' is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat (BS). Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a BS.
Er liggen geen bronnen van trillingen in de omgeving van het werkingsgebied (zoals bedrijvigheid en spoorlijnen). Nader onderzoek naar het aspect trillingen kan daarom achterwege blijven.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het omgevingsaspect trillingen.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door:
Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 AbO). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal):
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Met het planvoornemen wordt bebouwing toegevoegd waarin mensen langer dan twee uur aanwezig zijn. Daarom is een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 6 aan dit plan toegevoegd.
Het onderzoek is uitgevoerd op de locatie van het nieuwe kindcentrum en het schoolplein eromheen. Op basis van de onderzoeksresultaten voldoen de boven- en ondergrond aan de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur; het grondwater bevat geen relevante vervuilingen. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het beoogde gebruik van de locatie.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het omgevingsaspect bodem.
In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Er moet dus worden overwogen wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92, lid 2 Bkl). Dit betekent dat moet worden beoordeeld of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is. Bij het bepalen of geurregels in het omgevingsplan worden vastgelegd, spelen de volgende aspecten een rol:
Er moet ook rekening worden gehouden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten. Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt. De locatiekeuze bepaalt welke regels moeten gelden.
Als in het omgevingsplan regels over geur vanwege rwzi's of agrarische activiteiten zijn opgenomen, dan moet ook een bebouwingscontour geur worden vastgelegd. Binnen de bebouwingscontour geldt een 'hoge bescherming', daarbuiten een 'lage bescherming' (artikel 5.97 Bkl). De gemeente wijst in ieder geval een bebouwingscontour aan rond het stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. Het gaat hierbij om bebouwing voor:
Ook de openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur die bij deze bebouwing horen, vallen onder dit samenstel.
Zolang het tijdelijke omgevingsplan geldt, zijn voor 'geur' de regels uit de Bruidsschat (BS) van toepassing. En dus ook de regels over de bebouwde kom (paragraaf 22.3.6 BS), in plaats van een bebouwingscontour geur. De Bruidsschat bevat regels over:
Met het voornemen worden geurgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Een schoolfunctie valt volgens de wettelijke definitie onder een geurgevoelig gebouw. Om de aanvaardbaarheid van de geurbelasting op het werkingsgebied te toetsen, wordt in eerste instantie getoetst aan de hand van de VNG-brochure Activiteiten en milieuzonering (zie voor nadere toelichting paragraaf 5.4.1). Zoals eerder in paragraaf 5.4 beschreven, is er in het kader van milieuzonering al inzichtelijk gemaakt welke hinderveroorzakende activiteiten plaatsvinden in de omgeving. Dit onderzoek heeft zowel betrekking op geluid als op geur en is als Bijlage 8 aan dit plan toegevoegd. Ten tijde van het vooronderzoek was nog niet duidelijk waar het bouwvlak van het kindcentrum zou worden geplaatst. De wijze van meten voor de richtafstand is van hinderveroorzakende activiteit naar hindergevoelige (mogelijke) gevel. In de praktijk betekent dit de afstand van een functievlakgrens van een activiteit naar een bouwvlakgrens of bij gebrek daaraan naar een functiegrens van een hindergevoelige functie. In de omgeving van het werkingsgebied zijn de volgende relevante geurveroorzakende activiteiten aanwezig:
Manege (Manegelaan 2)
Voor maneges geldt voor geur positie 2, wat overeenkomt met een richtafstand van 50 m. De afstand tussen het kindcentrum (geluidgevoelige bebouwing) en de manege is minstens 70 m. Hierbij is gemeten vanaf de geprojecteerde gevel van het kindcentrum tot de bestemmingsvlakgrens van de manege. Er wordt voldaan aan de richtafstand.
In het vooronderzoek was sprake van een overschrijding van de richtafstand. Hierbij was gemeten van de functieaanduiding van de manege tot de grens van het plangebied voor het kindcentrum. Nu duidelijk is dat het bouwvlak van het kindcentrum zich op grotere afstand bevindt, is er geen sprake meer van overschrijding. Daarnaast vinden de meest geurrelevante activiteiten bij de manege plaats aan de westzijde van het perceel van de manege (dierenverblijven, opslag en dergelijke). Nader onderzoek is niet aan de orde.
Dierenweide (Manegelaan 1)
In de handreiking is geen aparte categorie voor dierenweides. Wel is er een categorie voor kinderboerderijen. Uit jurisprudentie blijkt dat een dierenweide en kinderboerderij, in het kader van milieuzonering, gelijkgesteld kan worden (ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3309). Voor een kinderboerderij of dierenweide geldt voor geur positie 1, wat overeenkomt met een richtafstand van 30 m. De afstand tussen het kindcentrum en de dierenweide is circa 50 m. Hierbij is gemeten vanaf het bouwvlak van het kindcentrum tot de grens van de aanduiding 'dierenweide'. Er wordt voldaan aan de richtafstand.
In het vooronderzoek was sprake van een overschrijding van de richtafstand. Hierbij was gemeten van functieaanduiding tot de grens van het plangebied van het kindcentrum. Nu duidelijk is dat het bouwvlak van het kindcentrum zich op grotere afstand bevindt, is geen sprake meer van overschrijding. Nader onderzoek is niet aan de orde.
Het voornemen veroorzaakt geen geurhinder. Het is ook aannemelijk gemaakt dat sprake is van een aanvaardbare geurbelasting op het kindcentrum. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het omgevingsaspect geur.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als "de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is".
Als een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt rekening gehouden met:
Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang:
1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?
Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Ook blijkt uit jurisprudentie dat niet iedere ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling valt te kwalificeren. Het voornemen betreft de realisatie van een kindcentrum met twee basisscholen en kinderopvang. Het ruimtebeslag bedraagt meer dan 500 m². Op basis van jurisprudentie wordt een dergelijke onderwijsvoorziening aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling.
2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw?
De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Er is sprake van een nieuw beslag op de ruimte, als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. In het geval van het kindcentrum is hiervan sprake. Er is daarmee dan ook sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?
Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan die ontwikkeling worden gemotiveerd. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen.
De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het ruimtelijk verzorgingsgebied voor het kindcentrum betreft primair de gemeente Stadskanaal. Het heeft een lokaal verzorgingsgebied, waaronder de wijk Maarsveld.
4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?
Zoals hiervoor al is vermeld, dient de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, te worden beschreven. De huidige gebouwen van de twee basisscholen zijn technisch verouderd. De oude schoolgebouwen worden gesloopt, er wordt nog bekeken welke functie hiervoor in de plaats komt. Er is daarom urgentie de leerlingen een nieuw, modern onderdak te geven. Beide schoolbesturen hebben aangegeven voor beide scholen één gebouw te willen realiseren in de wijk Maarsveld, samen met kinderopvang. Er is daarmee sprake van een concrete behoefte aan deze ontwikkeling.
5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
In de bijlage van het Bkl is een definitie van het begrip stedelijk gebied opgenomen. Deze luidt als volgt: "stedelijk gebied is het samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur. Het betreft het samenstel van bebouwing dat in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten".
Het werkingsgebied is gelegen binnen het stedelijk gebied van Stadskanaal. De directe omgeving bestaat uit onder andere groen, woningen en infrastructuur. Geconcludeerd kan worden dat het werkingsgebied onderdeel is van het bestaand stedelijk gebied. Bovendien heeft de provincie Groningen in haar omgevingsverordening het bestaand stedelijk gebied vastgelegd. Het werkingsgebied maakt daar deel van uit.
Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de Ladder van duurzame verstedelijking. Het plan voorziet in een concrete behoefte. Deze behoefte wordt opgevangen in bestaand stedelijk gebied.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
De archeologische kaders van de gemeente Stadskanaal zijn vertaald in de Beleidsnota archeologie en cultuurhistorie. De bijbehorende waardekaarten zijn gebruikt voor het opnemen van dubbelbestemmingen in het geldende omgevingsplan. De dubbelbestemmingen strekken tot bescherming van archeologische waarden, door hieraan een vergunning- en onderzoeksplicht te koppelen, afhankelijk van de waarde.
Het werkingsgebied heeft op basis van de kaarten behorende bij de Beleidsnota een lage archeologische verwachting. Daarom heeft het werkingsgebied geen dubbelbestemming in het omgevingsplan. Op basis hiervan is geen archeologisch onderzoek nodig.
Figuur 5.6: Uitsnede waardekaart archeologie gemeente Stadskanaal (bron: Beleidsnota archeologie en cultuurhistorie)
Qua cultuurhistorie zijn ter plaatse geen relevante waarden. Ten aanzien van landschap wordt geen afbreuk gedaan aan landschappelijke waarden ter plaatse. De landschappelijke waarden zijn beschreven vanuit het provinciaal beleid in paragraaf 4.3.1. Het kindcentrum wordt ingepast zoals beschreven in paragraaf 5.17.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het omgevingsaspect archeologie, cultuurhistorie en landschap.
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project. In de vierde kolom staan de besluiten genoemd waarvoor mer-verplichtingen gelden. Het gaat om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat het omgevingsplan. Of voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van de tweede kolom, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in de derde kolom voorwaarden staan.
Het initiatief behoort in bijlage V in het Omgevingsbesluit tot nummer J11: 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'. Hiervoor geldt een mer-beoordelingsplicht. Voor het planvoornemen is daarom een notitie mer-beoordeling opgesteld. De notitie is als Bijlage 7 aan deze motivering toegevoegd. De notitie is vormgegeven aan de hand van de relevante criteria die staan opgenomen in het Omgevingsbesluit en bijlage III bij Richtlijn 2014/52/EU (waarmee Richtlijn 2011/92/EU is gewijzigd). Dit betekent dat is gekeken naar de kenmerken van de activiteit, de locatie van de activiteit en de gevolgen van de activiteit voor het milieu. Uit de notitie blijkt dat het initiatief geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een mer-procedure noodzakelijk maakt.
Het doorlopen van een mer-procedure is niet noodzakelijk voor de ontwikkeling.
In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen". Artikel 1.3 en artikel 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord:
"Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:
Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.
Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.
Met de realisatie van het kindcentrum wordt waar mogelijk aangesloten op de gemeentelijke ambities op het gebied van een gezonde leefomgeving en natuurinclusief bouwen. Hierbij is onder andere de Nota Duurzaamheid 2024-2028 relevant. Dit beleid is beschreven in paragraaf 4.4.4.
De energiehuishouding van de school gedurende de gebruiksfase voldoet aan de BENG-eisen. Daarnaast wordt het schoolgebouw gerealiseerd zonder gasaansluitingen.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het omgevingsaspect duurzaamheid.
Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow). In artikel 2.1, lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren.
Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door.
Bij dit initiatief wordt met name gekeken naar een gezond leefmilieu (aanwezigheid van geur, geluid, goede riolering en waterkwantiteit en -kwaliteit). Ook aspecten zoals biodiversiteit, natuurinclusief bouwen en een schone bodem zijn relevante onderdelen van een gezond leefmilieu. Zaken zoals geur, geluid, bodem en water worden in de andere paragrafen van dit Hoofdstuk 5 nader behandeld.
Er wordt rekening gehouden met het aspect gezondheid in de planvorming. Zo is gekozen om actieve vervoersmethodes, zoals fietsen en lopen, meer ruimte en conform te bieden door de wegstructuur op een veilige en snelheid verminderende manier aan te passen. Zie hiervoor ook paragraaf 5.14.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het omgevingsaspect gezondheid.
De regels in het omgevingsplan moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functie aan locaties (artikel 2.1 Omgevingswet). Bij een voorgenomen ontwikkeling moet daarom onder meer worden beoordeeld wat de effecten zijn op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid binnen en rond het werkingsgebied. Het kader voor die beoordeling wordt gevormd door de kencijfers van het CROW.
Parkeren
Voor de berekening van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van CROW-publicatie 744 (Parkeerkencijfers 2024: Basis voor parkeernormering) en de parkeervraagcalculator van de CROW. Er is daarbij voor het werkingsgebied uitgegaan van de gemiddelde parkeernorm en een ligging in de rest bebouwde kom in een weinig stedelijk gebied. Op grond daarvan is sprake van de volgende parkeerbehoefte:
Tabel 5.2: Parkeerberekening behoefte volgens CROW
| Functie | Hoeveelheid | Parkeernorm | Parkeerbehoefte | ||
| Basisonderwijs | 30 leslokalen | CROW parkeervraagcalculator | 11,8 | ||
| Bezoekers basisonderwijs | aandeel bezoekers 48% | CROW parkeervraagcalculator | 10.8 | ||
| Kinderdagverblijf | 505 m2 | 1,4 per 100 m2 | 7,07 | ||
| Totaal | 18,9 | ||||
De berekening is exclusief kiss & rides. Het plan heeft ruimte voor 63 parkeerplaatsen en 16 kiss & rides.
Er wordt uitgegaan van een grotere behoefte dan volgt uit de kencijfers van het CROW. In het programma van eisen is een aantal genoemd van 30 parkeerplaatsen voor het kindcentrum. Uit regionale ervaring blijkt dat de werkelijke parkeerbehoefte vaak hoger ligt dan de parkeernormen. Ouders van kinderen in groepen 1 tot en met 3 gebruiken vaak geen kiss & ride. Ze lopen mee tot de school. Het plan gaat uit van in totaal 127 kinderen in groepen 1 t/m 3 waarvan ouders hun kinderen afzetten en begeleiden. In de kencijfers van het CROW is het gebruik door personeel vaak lager ingeschat. Het personeel omvat minimaal 25 fte en komt naar verwachting voornamelijk met de auto. Het plan voorziet daarom in een hoger aantal parkeerplaatsen dan de norm.
De kiss & rides zijn verdeeld over 14 plaatsen ten westen en 2 plaatsen ten oosten van de rotonde. Hierdoor wordt de verkeersafwikkeling op piekmomenten verdeeld over de weg aan beide zijdes van de rotonde. Zo hoeven personen die ten oosten van de rotonde wonen niet verder de wijk in na het afzetten. Andersom kunnen mensen vanuit de woonwijk Maarsveld aan de westkant van het werkingsgebied, door middel van de rotonde keren en kinderen meteen afzetten zonder gebruik te maken van de parkeerplaatsen ten oosten van de rotonde.
Voor een kiss & ride zijn vanuit de CROW geen vaste normen of berekeningen gepubliceerd. De grootste parkeerdruk bij basisscholen ontstaat door het halen en brengen van kinderen. De hoeveelheid auto's die hiermee is gemoeid, is mede afhankelijk van de grootte van de scholen, hoeveel kinderen begeleid naar school komen en met de auto worden gebracht, hoeveel kinderen overblijven en vooral de signatuur van de school (openbaar of bijzonder algemeen of speciaal onderwijs). Vanwege het grote aantal invloedsfactoren is het niet mogelijk de kiss & ride behoefte in één normgetal te destilleren.
Op basis van informatie vanuit de scholen heeft de gemeente Stadskanaal het volgende rekenmodel gehanteerd om de kiss & ride-behoefte in kaart te brengen:
| Leerlingen | Percentage met auto gebracht | Reductie A1 | Reductie B2 | Aantal parkeerplaatsen | |||||
| Basisschool 1 | |||||||||
| Leerlingen groep 1 t/m 3 | 59 | 40% | 0,50 | 0,75 | 8.85 | ||||
| Leerlingen groep 4 t/m 8 | 86 | 30% | 0,25 | 0,85 | 5.48 | ||||
| Basisschool 2 | |||||||||
| Leerlingen groep 1 t/m 3 | 68 | 40% | 0,5 | 0,75 | 10,2 | ||||
| Leerlingen groep 4 t/m 8 | 125 | 30% | 0,25 | 0,85 | 7.96 | ||||
| Kinderopvang | 80 | 50% | 0,25 | 0,75 | 7,5 | ||||
| Totaal aantal kiss & ride parkeerplaatsen | 39,99 | ||||||||
In deze formule is een reductiefactor (A1) met betrekking tot de parkeerduur ingebouwd. Groepen 1 t/m 3 parkeren gemiddeld 10 minuten in een periode van 20 minuten = 0,5. Groepen 4 t/m 8 parkeren gemiddeld 2,5 minuut in een periode van 10 minuten = 0,25. Bij een kinderdagverblijf blijft het voertuig gemiddeld 15 minuten staan in een periode van 60 minuten = 0,25. Daarnaast is een reductiefactor (B2) ingebouwd met betrekking tot het aantal kinderen in één auto: groep 1 t/m 3: 0,75, groepen 4 t/m 8: 0,85 en kinderdagverblijf: 0,75.
Het percentage leerlingen dat met de auto wordt gebracht en gehaald, ligt tussen de 1% en 60%, dit is onder meer afhankelijk van stedelijkheidsgraad, stedelijke zone, (streek)functie van de school en de gemiddeld afstand naar school. In overleg met de school is bepaald dat voor de lagere groepen ongeveer 40% van de leerlingen met de auto wordt gebracht en voor de bovenbouw gaat dit om 30%.
Bij een gescheiden aanvang- en eindtijd van de groepen 1 t/m 3 en 4 t/m 8 mag het aantal parkeerplaatsen met maximaal 40% worden gereduceerd. Deze reductie is momenteel nog niet in de berekening meegenomen. Het is afhankelijk van de scholen of de aanvang- en eindtijden van de scholen kunnen worden gescheiden.
Er is een totale parkeerbehoefte van 70 parkeerplaatsen voor zowel parkeren als kiss & ride. Het plan biedt ruimte aan 16 kiss & ride en 63 reguliere parkeerplaatsen, in totaal dus 79 parkeerplaatsen. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de parkeernorm voor het kindcentrum.
Verkeer
Als gevolg van het voornemen zal de verkeersgeneratie toenemen. De CROW-kencijfers geven geen verkeerskencijfers voor scholen. Reden hiervoor zijn de landelijke verschillen hierin. Wel is een berekening gemaakt op basis van kencijfers uit eerdere ervaringen met schoolfuncties in gelijkwaardige situaties. Het totaal aan extra verkeer wordt geschat op maximaal 534 ritten per dag (zie toelichting hierop in bijlage 1 van het stikstofonderzoek dat is bijgevoegd als Bijlage 13 bij deze motivering). Hierbij is gebruik gemaakt van het aantal groepen in de onderbouw en bovenbouw en het aantal kinderen per groep. Voor de scholen is uitgegaan van 210 schooldagen (42 schoolweken). Voor het kinderdagverblijf is uitgegaan van 260 werkdagen.
De volgende verdeling is gehanteerd:
Daarnaast is als worstcase scenario aangenomen dat hiervan maximaal 2% vrachtverkeer is (bevoorrading, afval et cetera), wat neerkomt op circa 10 ritten per werkdag. De wegenstructuur in de omgeving van het werkingsgebied kan deze verkeersgeneratie aan.
Ook wordt de wegindeling aangepast. Er is ten behoeve van de mogelijke aanpassing van de wegindeling een verkeersonderzoek uitgevoerd door Roelofs. Het onderzoek is toegevoegd als Bijlage 9. In het onderzoek zijn verschillende varianten onderzocht. Variant A blijkt het gunstigst te zijn ten opzichte van de andere varianten met betrekking tot verkeersveiligheid, bereikbaarheid en parkeren. In onderstaande afbeelding zijn de verschillende varianten weergegeven.
Figuur 5.7: Varianten voor wegverkeer ter hoogte van Kindcentrum Maarsveld (bron: Roelofs)
In onderstaande figuur zijn de verschillende voor- en nadelen samengevat.
Figuur 5.8: Voor- en nadelen verschillende varianten (bron: Roelofs)
Het definitieve ontwerp is een combinatie van variant A en variant B. In het ontwerp is het voordeel van variant A ten opzichte van variant B opgenomen. In het ontwerp is namelijk een separate inrit en uitrit opgenomen bij de parkeerplaats, waardoor kerende bewegingen op niet wenselijke locaties (inritten) zoveel mogelijk worden voorkomen.
De voornaamste voordelen ten opzich te van de huidige situatie zijn: het verlagen van de snelheid aan de Maarsbroek, het toevoegen van een omkeermogelijkheid voor het afzetten of ophalen van kinderen en een duidelijke oversteekplek creëren aan de Maarsbroek.
Voor langszaam verkeer zijn oversteken voorzien op de nieuw te realiseren rotonde. Vanaf het oosten (Maarsbroek) is er een oversteekmogelijkheid om veilig naar het kindcentrum te komen. Vanaf het westen, de woonwijk, worden de meeste vervoersbewegingen verwacht. Het fietspad en de voetgangersroute liggen hier al aan de noordkant van de weg, dus aan de zijde van het kindcentrum. Om deze reden is aan deze zijde geen oversteek nodig voor langzaam verkeer. Ten behoeve van langzaam verkeer vanaf de Vijverlaan is ook een oversteek voorzien bij de rotonde.
In onderstaande afbeelding is weergegeven hoe de doorsnede van de kiss and ride zone eruit komt te zien. Dit schetsontwerp is mede tot stand gekomen na inspraakreacties (zie paragraaf 3.2).
Figuur 5.9: Doorsnede kiss and ride zone (bron: gemeente Stadskanaal)
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het omgevingsaspect verkeer en parkeren.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van planten- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Soortenbescherming
Onder de Ow zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. De bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Dit krijgt vorm in wet- en regelgeving en in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18, lid 1, sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving worden nagegaan of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een omgevingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.
Stikstof
Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet (Ow). De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij Koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum, dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.
Soortenbescherming
Om de uitvoerbaarheid van het initiatief te toetsen voor het aspect ecologie, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd (een zogenaamde quickscan). Dit onderzoek is op 12 maart 2025 uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Het rapport van de inventarisatie is als Bijlage 10 aan deze motivering toegevoegd.
Op basis van het veldbezoek op 13 februari 2025 en de verspreidingsgegevens kan worden geconcludeerd dat nader onderzoek naar vleermuizen, kleine marterachtigen, grote bosmuis en ooievaar nodig is.
Ten aanzien van de ooievaar geldt dat op het terrein waar het kindcentrum wordt gebouwd, een ooievaarsnest staat. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, moet dit nest worden verwijderd. Hiervoor is in beginsel een vergunning van de provincie nodig. In overleg met de provincie is afgesproken twee vervangende nesten op naastgelegen locaties buiten het plangebied te plaatsen. Na plaatsing zijn de ooievaars direct overgevlogen naar de vervangende nesten. Het oude nest is sindsdien onbezet gebleven. Hiermee is de vergunningsplicht van de provincie komen te vervallen. Het oude nest wordt op korte termijn verwijderd.
Daarnaast bevindt zich naast het plangebied een beheergebied voor roeken. Hierbij is het doel voor de gemeente Stadskanaal overlast door roeken te verminderen. Het beheerplan heeft geen betrekking op dit plan. De huidige locatie aan de Maarsbroek is bewust gekozen (zie ook 2.2 over de locatiekeuze). Het ligt niet in het roekengebied waar de vogelpopulatie niet mag worden verstoord en waar daarom niet zomaar mag worden gebouwd. Het grenst er wel aan, maar ligt er niet binnen, waardoor bouwen onder voorwaarden ter bescherming van de vogelsoorten wel mogelijk is. Dit wordt hieronder nader toegelicht.
Het broedgebied van de roek
De roek is een beschermde inheemse diersoort. De vogel lijkt op de kraai. Roeken zijn beschermd op grond van de Europese Vogelrichtlijn. Ze broeden elk broedseizoen op dezelfde plaats en zijn zeer honkvast. Het gebied rond de Manegelaan en de Vijverlaan is in het kader van de Wet natuurbescherming door de provincie Groningen aangewezen als broedgebied voor de roek. Op onderstaande situatie is het broedgebied aangegeven binnen de rode kaders.
De roek nestelt graag in hoge bomen en die zijn in voldoende mate rond de sportvelden aanwezig. In dit gebied broeden de roeken met name in het gebied rondom de voetbalvelden, niet zozeer aan de oostkant van het roekengebied, dus niet nabij de nieuw te bouwen school. Binnen de oranje cirkel als hieronder aangeduid zit het grootste gedeelte van de nesten, met uiteraard eromheen weleens een los nest. In onderstaande afbeelding is het totale broedgebied, alsmede het gebiedje waar de nesten vooral aanwezig zijn, opgenomen.
Figuur 5.10: Roekengebied met in de oranjecirkel het grootste gedeelte van de nesten (bron: gemeente Stadskanaal)
Deze losse nesten zitten dan vaak ook meer richting de Atlantislaan of richting de atletiekbaan en zelden richting de toekomstige locatie van het kindcentrum. Daardoor is de verwachting dat de roeken nauwelijks tot geen last van de nieuw te bouwen school zullen ondervinden. Het is dan ook aanvaardbaar om de school te realiseren op de gekozen locatie aan de oostzijde van de Maarsbroek.
Nader onderzoek vleermuizen, kleine marterachtigen en grote bosmuis
Het nader onderzoek naar vleermuizen, kleine marterachtigen en grote bosmuis is uitgevoerd op 28 oktober 2025. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 11. Uit de inventarisaties komt naar voren dat er geen verblijfplaatsen van hermelijn of bunzing aanwezig zijn in het projectgebied. Ook zijn er geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in de onderzochte bomen met holtes. Wel zijn er verblijfplaatsen van grote bosmuis in de bosschages en struwelen aanwezig. Ook zijn twee zomerverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis in het nabijgelegen pand aangetroffen.
Negatieve effecten op grote bosmuis door de werkzaamheden kunnen niet uitgesloten worden. Daarom is voorafgaand aan werkzaamheden in oevers, bosschages en opgaande beplanting een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig voor grote bosmuis. Bij mogelijke werkzaamheden aan de bebouwing en/of sloop van de nabijgelegen bebouwing is ook een omgevingsvergunning voor een flora-en fauna-activiteit voor gewone dwergvleermuis nodig. Het gebruik of sloop van nabijgelegen pand is niet aan de orde, maar is uit zorgvuldigheid meegenomen in het onderzoek.
Een aanvraag voor een omgevingsvergunning bestaat uit een aanvraagformulier in het omgevingsloket met een bijbehorend activiteitenplan. In een activiteitenplan worden maatregelen opgenomen waarmee negatieve effecten op de soorten voorkomen worden.
Te rooien bomen naar aanleiding van aangepast schetsontwerp
Na een aanpassing van het ontwerpschets in november 2025 (zie paragraaf 3.2 voor de gemaakte aanpassingen) is geconcludeerd dat er meer bomen dienen te worden gerooid, dan waar voorheen van is uitgegaan. Het gaat om bomen aan beide zijden van de Maarsbroek en rondom de T-splitsing Maarsbroek/Vijverlaan waar een rotonde is gepland. Tevens worden in de nieuwe plannen een aantal bomen gekapt binnen het in 2025 onderzochte plangebied. Deze bomen zijn daarom aanvullend gecontroleerd op essentiële nesten en holtes. Tevens is gekeken of de te kappen bomen onderdeel kunnen uitmaken van mogelijk essentiële vliegroutes van vleermuizen. Dit onderzoek is uitgevoerd en vastgelegd in een memo. Deze memo is als Bijlage 12 bij deze motivering gevoegd.
In onderstaande afbeelding is met rode kruizen weergegeven welke bomen zijn meegenomen in het aanvullend onderzoek.
Figuur 5.11: Te rooien bomen, na aanpassing schetsontwerp (bron: gemeente Stadskanaal)
Uit het onderzoek naar de bomen is gebleken dat in de te kappen bomen geen holtes, spleten of scheuren zijn waargenomen die geschikt zijn als verblijfplaats van boombewonende vleermuizen. Tevens zijn geen nesten van vogels waargenomen die als essentieel kunnen worden beschouwd. Negatieve effecten op deze soorten kunnen worden uitgesloten.
De bomen langs de Maarsbroek en Vijverlaan maken onderdeel uit van een structuur van opgaande beplanting. Deze doorgaande structuur blijft ook na kap in stand. Vleermuizen kunnen, zonder significant energieverlies langs de groenstrook aan de zuidzijde van het Maarsbroek vliegen, de Vijverlaan oversteken en weer doorvliegen naar de groenstrook ten oosten van de Vijverlaan. Er is hierdoor geen sprake van verlies van de functie als vliegroute.
Gebiedsbescherming
Tijdens de aanleg- en gebruiksfase kan sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Een verdere toename van stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden. Daarom dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling te worden onderzocht of stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor een omgevingsplan onder dezelfde omstandigheden niet kan worden gewijzigd.
Om vast te stellen of sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze AERIUS-berekening is als Bijlage 13 aan deze motivering toegevoegd.
Uit de berekening blijkt dat door de stikstofdepositie geen negatief effect optreedt in het kader van de Omgevingswet beschermde Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof staat nadere besluitvorming niet in de weg.
Het plan is niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het omgevingsaspect natuur.
Lichthinder is een aspect dat de gemeente zelf moet afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen.
Locaties met kunstlicht
Er zijn veel locaties met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen.
Effecten lichthinder
Kunstmatige verlichting kan vier soorten negatieve effecten veroorzaken. Dit zijn de volgende:
Effectafstanden
De lichthinder die kunstmatige verlichting veroorzaakt hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Over effectafstanden van kunstmatige verlichting is nog weinig bekend. Deze afstanden zijn afhankelijk van verschillende aspecten:
Omgevingsplan en Bruidsschat
In het gemeentelijke omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen gelden rijksregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving zoals hiervoor aangegeven.
Hierna staan een aantal mogelijke maatregelen om hinder en verstoring door kunstmatige verlichting te voorkomen. Uitgangspunt bij het voorkomen van hinder of verstoring door kunstmatige verlichting is verlicht niet als het niet nodig is, dus alleen als er geen alternatieven zijn.
Bij gebruik van verlichting:
Het kindcentrum wordt gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied. De voorgenomen activiteit betreft een kindcentrum met twee basisscholen en kinderopvang. Deze functie kent beperkte verlichting, voornamelijk tijdens de reguliere gebruiksuren. Het gebruik vindt primair overdag plaats.
De verlichting van het kindcentrum wordt zodanig uitgevoerd dat deze niet direct op omliggende woningen schijnt. Daarnaast wordt alleen verlichting toegepast waar en wanneer dit noodzakelijk is. Voor zowel het gebouw als het terrein worden lichten toegepast die het licht naar beneden richten. Hiermee wordt voorkomen dat lichthinder ontstaat voor omwonenden.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het omgevingsaspect lichthinder.
Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen. Denk hierbij aan vorm, kleur of gebruik van materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de Bruidsschat (BS) zijn regels opgenomen met betrekking tot repressief welstandstoezicht (artikel 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (artikel 22.29 BS).
Artikel 22.29, lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken, zijn uitgesloten van deze welstandstoets.
De excessenregeling ziet erop toe dat de gemeente een eigenaar kan verplichten om aanpassingen aan het bouwwerk te verrichten waarmee de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand wordt opgeheven. Onder de Omgevingswet gebeurt dit middels een maatwerkvoorschrift (artikel 22.4 BS).
In het Chw bestemmingsplan gemeente Stadskanaal (vastgesteld 8 april 2024) behoort het werkingsgebied tot het gebied met de aanduiding 'overige zone - welstandsgebied algemeen'. Hier gelden de algemeen geldende welstandscriteria, zoals opgenomen in Bijlage 5 van de Welstandsnota (als bijlage bijgevoegd bij het CHW bestemmingsplan). Op de locatie gelden geen gebiedsgerichte welstandscriteria. Ten behoeve van de algemeen geldende welstandscriteria is het volgende opgenomen:
Het bouwplan zal aan deze eisen moeten voldoen. De stedenbouwkundige schets biedt daarvoor de eerste aanzet.
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het omgevingsaspect welstand.
In het werkingsgebied bevinden zich geen kabels en leidingen die onderdeel uitmaken van de ondergrondse hoofdstructuur. Ten behoeve van het project wordt te zijner tijd een graafmelding in het kader van KLIC/WION gedaan. Er kan worden gesteld dat kabels en leidingen geen belemmering vormen voor de uitvoering van dit plan.
In dit geval (op basis van de te realiseren functie) is sprake is van een kleinverbruikaansluiting. Naar verwachting kan deze door de netbeheerder worden aangesloten.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde-besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAM's) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik (kunnen) maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAM's is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie van het TAM-omgevingsplan Kindcentrum Maarsveld, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand (NL.IMRO.0037.TAMOP2409-ON01) zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied opgenomen.
Paragraaf 1.3 zette het juridische kader uiteen dat op grond van het omgevingsplan nu geldt voor de locatie. Er is toegelicht waarom het nieuwe initiatief strijdig is met het huidige kader. De planregels van het omgevingsplan van rechtswege worden daarom met dit TAM-IMRO omgevingsplan gewijzigd. Daarbij wordt aangesloten op de regels uit het Chw-bestemmingsplan gemeente Stadskanaal. De volgende wijzigingen zijn aangebracht:
De juridische regeling bestaat uit 5 hoofdstukken.
Toepassingsbereik
Aanvraagvereisten
Aanvraagvereisten zijn gegevens die bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moeten zitten. Voor de vergunningplichten die in dit TAM-omgevingsplan zijn opgenomen, wordt verwezen naar de aanvraagvereisten uit de Bruidsschat.
Algemene begripsbepalingen
Er wordt aangesloten bij de begrippen die op rijksniveau gelden in de drie AMvB's behorende bij de Omgevingswet (Bal, Bbl, Bkl), het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling.
Aanvullende begripsbepalingen
De begrippen op rijksniveau worden aangevuld met gemeente- en planeigen begrippen.
Meet- en rekenbepalingen
De meet- en rekenbepalingen uit de Bruidsschat gelden, voor zover hiervan niet is afgeweken, in dit artikel. Kortom, indien verschil bestaat, gaat dit artikel voor.
Algemeen gebruiksverbod
Voor alle functies is opgenomen wat de toegestane gebruiksactiviteiten zijn. Het algemeen gebruiksverbod stelt dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de in dit hoofdstuk toegestane gebruiksactiviteiten.
Groen
Waardevolle groengebieden, zoals parken en groene zones, vallen onder de functie 'Groen'. Deze functie beoogt handhaving van de structurele en waardevolle groenfunctie van deze gebieden en terreinen. De gronden mogen onder andere worden gebruikt voor groenvoorzieningen, voet- en fietspaden en water. Een ondergeschikte vorm van gebruik zijn de kunstobjecten. Parkeervoorzieningen zijn verboden.
Verkeer
Binnen de functie 'Verkeer' staat de verkeersfunctie voorop. Het betreft doorgaande wegen in het plangebied. De gronden mogen onder andere worden gebruikt voor wegen, straten, voet- en fietspaden. Ondergeschikte toegestane functies zijn kunstobjecten en het innemen van standplaatsen ten behoeve van ambulante handel, markten, braderieën, verenigingsactiviteiten en dergelijke.
Verkeer - Verblijfsgebied
De functie 'Verkeer - Verblijfsgebied' betreft met name de openbare straten in het werkingsgebied, met in hoofdzaak een functie voor bestemmingsverkeer. De gronden mogen onder andere worden gebruikt voor wegen, straten, voet- en fietspaden.
Ondergeschikte toegestane functies zijn kunstobjecten en het innemen van standplaatsen ten behoeve van ambulante handel, markten, braderieën, verenigingsactiviteiten en dergelijke.
Openbare paden die deel uitmaken van de woonomgeving en in feite alleen bedoeld zijn voor het gebruik van direct aanwonenden, zijn binnen de woonfunctie opgenomen. Het spreekt voor zich dat deze paden niet bebouwd mogen worden en toegankelijk moeten blijven.
Maatschappelijk
Maatschappelijke voorzieningen zijn gedefinieerd als: educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, religieuze en levensbeschouwelijke voorzieningen, alsmede ondergeschikte voorzieningen voor sport en sportieve recreatie en voorzieningen voor openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen. Reclamedoeleinden anders dan voor het op de gronden gevestigde bedrijf, detailhandel en zelfstandige horecabedrijven zijn verboden.
Voor de beoordelingsregels voor de aanvraag om een binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt aangesloten bij artikel 22.29 van de Bruidsschat. In aanvulling op artikel 22.29 Bruidsschat worden per functie aanvullende beoordelingsregels geformuleerd.
Per functie in het werkingsgebied zijn de toegestane en niet toegestane bouwactiviteiten benoemd. Voor zover bestaande afmetingen en situeringen afwijken van de regeling, zijn deze opgenomen in het hoofdstuk Algemene regels.
Groen – Bouwen
Gebouwen en overkappingen zijn niet toegestaan. Voor het bouwen van overige bouwwerken zijn (aanvullende) beoordelingsregels geformuleerd.
Verkeer – Bouwen
Gebouwen en overkappingen zijn niet toegestaan. Voor het bouwen van overige bouwwerken zijn (aanvullende) beoordelingsregels geformuleerd.
Verkeer – Verblijfsgebied bouwen
Gebouwen en overkappingen zijn niet toegestaan. Voor het bouwen van overige bouwwerken zijn (aanvullende) beoordelingsregels geformuleerd.
Maatschappelijk - Bouwen
Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. De maximale bouwhoogte is ook geformuleerd in de planregels. Voor het bouwen van bouwwerken buiten het bouwvlak zijn afwijkende regels opgenomen.
Anti-dubbeltelregel
Deze regel houdt in dat een perceel niet twee keer mag worden gebruikt bij het bepalen van bijvoorbeeld een toegestane oppervlakte aan bijgebouwen. Dit voorkomt dat een perceel na een eventuele verkoop bij een ander perceel wordt gevoegd en op basis daarvan ineens meer mag worden gebouwd dan voorheen.
Algemene regels bouwactiviteiten
De algemene bouwregels gelden voor het gehele werkingsgebied. Zo kunnen burgemeester en wethouders vergunningvoorschriften opnemen waarin eisen worden gesteld aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, bijvoorbeeld vanwege de verkeersveiligheid. Ook is geregeld dat wanneer bestaande afmetingen en situeringen afwijken van de voorgeschreven bouwregels, dat de bestaande situatie toelaatbaar is. Tot slot is een uitzondering opgenomen voor het overschrijden van bouwgrenzen door onder andere ondergeschikte onderdelen van een gebouw.
Algemene gebruiksregels
De algemene gebruiksregels gelden voor (nagenoeg) het hele werkingsgebied. In deze regels is het gebruik opgenomen dat niet is toegestaan.
Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten
Onder voorwaarden kan per binnenplanse vergunning onder andere met 10% worden afgeweken van percentages.
Algemene aanduidingsregels
Luchtvaartverkeerzone - hoogtebeperkingsgebied
De luchtvaartverkeerzone hoogtebeperkingsgebied geldt ter plaatse van de gronden rond het vliegveld. Hier geldt dat ter plaatse van de aanduiding dat de maximum bouwhoogte niet mag worden overschreden. De maximum bouwhoogte is op de plankaart aangegeven.
Regels met betrekking tot bomen, reclame-uitingen, het aanleggen of veranderen van een
uitweg en het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg
Deze regels waren vanuit de APV vertaald naar het TAM-omgevingsplan. Het betreffen regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en gelden voor het gehele werkingsgebied. Inhoudelijk zijn ze niet gewijzigd, maar afgestemd op de systematiek van het TAM-omgevingsplan. De regeling bevat vergunningplichten, verbodsbepalingen, weigeringsgronden en uitzonderingen.
Welstandsregels
Deze regels zijn vanuit de APV vertaald naar het TAM-omgevingsplan. Het betreffen regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving en gelden voor het gehele werkingsgebied. Inhoudelijk zijn ze niet gewijzigd, maar afgestemd op de systematiek van het TAM-omgevingsplan. De regeling bevat vergunningplichten, verbodsbepalingen, weigeringsgronden en uitzonderingen.
Bouwwerken moeten voldoen aan redelijke eisen van welstand. Alle locaties van de gemeente hebben een 'zone welstand' die correspondeert met welstandscriteria. Deze welstandscriteria is opgenomen in Bijlage 1 Welstandsnota bij de planregels.
Regels met betrekking tot parkeren
Deze regels gelden voor het gehele werkingsgebied. Deze regels voorzien in het voldoen aan voldoende parkeergelegenheid bij het bouwen of gebruiken van een bouwwerk in de omgeving. De parkeergelegenheid moet daarbij in stand worden gehouden. De parkeernormen in de CROW-uitgave 2024 worden gehanteerd of een nieuwe uitgave indien deze wordt gewijzigd.
Een binnenplanse omgevingsvergunning is opgenomen om af te wijken van de standaard.
Tot slot zijn overgangsregels opgenomen. Bebouwing die niet voldoet aan de bepalingen van dit TAM-omgevingsplan is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met 10% wordt mogelijk gemaakt.
Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe TAM-omgevingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Economische uitvoerbaarheid
In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, worden aangenomen dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.
Nadeelcompensatie
In artikel 8.15 Omgevingsbesluit worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.
Het plan betreft een school waarvan de bouw door de gemeente wordt betaald. Ook het wijzigen van het omgevingsplan wordt door de gemeente gefinancierd. De financiering is bij besluit van 30 september 2024 beschikbaar gesteld.
Dit hoofdstuk gaat in op de relatie tussen geldende en in werking tredende plannen ten aanzien van het bouwen en het gebruik.
Ten aanzien van het bouwen is geregeld dat een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, toegestaan is. Dit is onder de volgende voorwaarden toegestaan, waarbij de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bovenstaande. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%. Deze regel geldt niet voor bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan of de daarvoor geldende beheersverordening, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan of die beheersverordening.
Ten aanzien van het gebruik is aangegeven dat het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. Het is echter verboden het met het TAM-plan strijdige gebruik te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Wanneer het gebruik na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Deze regel is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan of de daarvoor geldende beheersverordening, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan of die beheersverordening.
Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft van 4 december 2025 tot en met 14 januari 2026 voor zes weken ter inzage gelegen. Iedereen heeft daarbij de mogelijkheid gehad binnen die termijn te reageren op het ontwerpplan door middel van het indienen van een zienswijze. Tijdens deze periode zijn twee zienswijzen binnengekomen.
Zienswijze 1
Verlichting van fietspaden naar het gebouw toe. Lantaarnpalen voor fietspaden net zoals bij de Total benzinepomp Atlantislaan. Voor vroeg beginnend personeel wat om 06.30 uur moet werken!
Reactie op zienswijze
Het TAM-omgevingsplan geeft een planologisch kader voor het realiseren van het kindcentrum Maarsveld en omliggende terrein. De basis daarvan is een inrichtingsschets. Op deze schets is niet opgenomen de locatie van verlichting zoals lantaarnpalen maar vooral waar parkeervoorzieningen, het schoolgebouw en schoolterrein en groen zal komen. Dit werken we uit in het omgevingsplan en dat wordt het toetsingskader voor aanvragen omgevingsvergunningen. De exacte plek en aantal lantaarnpalen werken we in een later stadium uit, en zijn voor deze fase van het omgevingsplan niet van belang. Daarnaast is het zo dat lantaarnpalen vergunningvrij mogen worden gerealiseerd en we dit niet in een omgevingsplan hoeven op te nemen. We nemen de zienswijze wel mee bij de verdere verloop van de uitwerking van de plannen en houden indiener van de zienswijze hierover op de hoogte.
Conclusie
De zienswijze geeft geen aanleiding het ontwerp TAM-omgevingsplan te wijzigen.
Zienswijze 2
De mogelijkheid om digitaal te reageren op uw plan voor het Kindcentrum Maarsveld is niet te vinden op uw site, dus doe ik het maar per post. In uw laatste planwijziging zijn het aantal parkeerplaatsen/ kiss&rideplaatsen uitgebreid naar beide kanten van de Maarsbroek. Om meerdere redenen heb ik daar bezwaar tegen.
Reactie op zienswijze
Met de voorgestane verkeerstechnische inrichting van de Maarsbroek is de omgeving toereikend voor het verkeer. We hebben daarbij nadrukkelijk onderzocht hoe te voorkomen dat er gevaarlijke oversteeksituaties gaan ontstaan. De inrichting van de openbare ruimte is zodanig ingericht dat de kinderen veilig de weg kunnen oversteken. Dit blijkt ook uit de inrichtingsschets en uit de volgende maatregelen die de verkeerssnelheid van het autoverkeer afremmen:
De uitgangspunten voor het verkeer voor bezoekers van de school is als volgt. Voor de terugkeer huiswaarts is voor ouders vanuit iedere windrichting een faciliteit ingebouwd.
WEST
Ouders die met de auto uit het westen (vanuit de richting Oostermoer) komen zetten hun kind af bij de kiss&ride en vertrekken via de rotonde naar het zuiden, of ze nemen eerst de rotonde en zetten daarna hun kind af op het trottoir langs de kiss&ride strook en vertrekken weer naar het westen.
ZUID
Ouders die met de auto via de Vijverlaan komen, slaan op de rotonde rechtsaf en daarna slaan ze linksaf richting de parkeerlus. Aan het einde van deze lus is voor 2 auto’s plaats om de kinderen aan de veilige kant uit te laten en weer huiswaarts te draaien via de rotonde.
OOST
Ouders die met de auto vanuit het oosten (Borgenbuurt) komen slaan rechtsaf richting de parkeerlus. Aan het einde van deze lus is voor 2 auto’s plaats om de kinderen aan de veilige kant uit te laten en weer huiswaarts te draaien.
KISS&RIDE
In de eerste schets was alleen een kiss&ride parkeerplaats voorzien aan de schoolzijde van de Maarsbroek en op de parkeerplaats naast de voormalige dierenartspraktijk. Tijdens de inspraakavond zijn er vragen gekomen over de parkeerplaatsen en kiss&rideplaatsen en zijn suggesties gedaan voor meer parkeerplaatsen. Vanwege deze inspraakreacties hebben we de schets aangepast en ook aan de zuidzijde/vijverzijde van de Maarsbroek kiss&rideplaatsen opgenomen. Deze zijn vooral voor de auto’s die komen vanuit de wijk Maarsveld. De ouders met de wat kleinere/jongere kinderen zullen kiezen voor de kiss&ride aan de schoolzijde (noordzijde van Maarsbroek dus). De ouders met wat grotere/oudere kinderen zullen ook kiezen voor die kiss&rideplaatsen of voor de kiss&ride strook aan de vijverkant (zuidzijde van de Maarsbroek dus). Daar is ook een goede inrichting van de openbare ruimte en wegen voorzien, waardoor ook zij veilig via de rotonde naar de school kunnen lopen.
Om te voorkomen dat er verspreide oversteekbewegingen vanaf de zuidelijke kiss&ridestrook ontstaan, is de weg Maarsbroek met 1 meter verbreed en in het midden voorzien van een middengeleider met een hekwerkje. Door deze ingreep ontstaat er dicht bij de rotonde één veilige oversteekplaats voor kinderen. De kruising Maarsbroek/Renne wordt voorzien van een verhoogd kruisingsplateau. Een en ander is te zien in onderstaande inrichtingsschets en dwarsdoorsnede van de openbare ruimte.
Schetsontwerp 28 oktober ingezoomd op kiss&ride zone
Dwarsprofiel kiss&ride zone
Daarmee is er voldoende sprake van veilige verkeerssituatie.
De kiss&ride parkeerplaatsen aan de zijde van de kanovijver zorgen niet voor een nadeliger situatie voor de omwonenden die aan de vijver wonen. Er is voldoende afstand tussen de parkeerplaatsen en de betreffende woningen, namelijk minstens 30 meter. Daarnaast is in het huidige omgevingsplan ook al voor het grootste deel van de parkeerplekken een verkeersbestemming opgenomen. In het TAM-omgevingsplan Kindcentrum Maarsveld wordt deze parkeerstrook met slechts 1,5 meter verbreed richting de vijver. Het verschil is daarmee nihil en zorgt niet voor onevenredige nadelige effecten voor de woningen.
Zoals hierboven onder ad 3. benoemd, is de wijziging planologisch ondergeschikt voor het deel waar de parkeerplaatsen aan de kant van de vijver komen. In het kader van de ontwikkeling is een natuurtoets en nader ecologisch onderzoek uitgevoerd in het plangebied. In de natuurtoets is omschreven dat lichtuitstraling op het water (en bomen) voorkomen moet worden. Hier wordt bij de uitvoering én inrichting van het gebied rekening mee gehouden. Zo worden negatieve effecten op de vijver voorkomen. Uit het nader ecologisch onderzoek bleek dat er een grote bosmuis in het gebied voorkomt, onder meer in de struiken en oevers. Hiervoor is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig in geval van werkzaamheden aan de oever/rand van de vijver. Deze wordt door de gemeente bij de provincie aangevraagd waarbij de verwachting is dat deze kan worden verleend.
Er is geen onderzoek gedaan naar dieren in en rond de vijver zelf, omdat deze vijver geen onderdeel uitmaakt van het plangebied en er ook niet op zo korte afstand van gelegen is dat hiermee rekening gehouden hoeft te worden. Er is vanuit de uitgevoerde onderzoeken alleen een aandachtspunt voor de grote bosmuis gebleken, en niet voor andere dieren vanwege ecologische waarden, dus ook niet van vermeende kuifleeuweriken die aanwezig zouden zijn. Er zijn geen belemmeringen voor het project vanuit natuur. Ook vanwege de extra kiss&ride parkeerplaatsen is niet gebleken dat er nadelige effecten voor de bomen, dieren of voor de directe bewoners van de parkeerplaatsen zullen ontstaan.
Tenslotte kan door extra parkeerplaatsen (kiss&ride) te realiseren aan deze zijde van de Maarsbroek voorzien worden in een goede verkeerssituatie en voldoende parkeerplaatsen, aanvullend op de parkeerplaatsen aan de oostzijde van het plan gebied, dus ten westen van het bestaande bosje. Er blijft voldoende afstand tussen de te bouwen school en het gebied rondom de vijver waardoor er geen nadelige gevolgen voor de dieren in het gebied optreden. De school verder van de vijver af bouwen is niet wenselijk omdat dan het bestaande bosje tussen de voormalige dierenarts en de beoogde schoollocatie verwijderd moet worden. Dit bosje willen we behouden.
Conclusie
De zienswijze geeft geen aanleiding het ontwerp TAM-omgevingsplan te wijzigen.
Voorstel is het plan ongewijzigd vast te stellen. Een wijziging van een omgevingsplan treedt in beginsel in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit tot vaststelling bekend heeft gemaakt. Na vaststelling van het omgevingsplan staat gedurende zes weken beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.