direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Kindcentrum Maarsveld
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0037.TAMOP2409-vs01

Regels

Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie van TAM-omgevingsplan Kindcentrum Maarsveld die is voorzien van de functies Groen, Maatschappelijk, Verkeer, Verkeer - Verblijfsgebied, Groen - Bouwen, Maatschappelijk - Bouwen, Verkeer - Bouwen, Verkeer - Verblijfsgebied bouwen verbeelding behorende bij dit plan en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22g) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Stadskanaal. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.omgevingswet.overheid.nl.

De in deze wijziging uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22g van het omgevingsplan van de gemeente Stadskanaal. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage [22g] gelezen worden. Bijlage 1 uit dit TAM-omgevingsplan Kindcentrum Maarsveld is gelijk aan bijlage 5 uit het Chw-bestemmingsplan gemeente Stadskanaal.

In de in dit deel weergegeven artikelen moet in de artikelkop na het woord 'Artikel' en de spatie en direct voor het artikelnummer '22g' worden gelezen.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in het vigerende bestemmingsplan op de locatie bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan Kindcentrum Maarsveld.
  • 2. De regels in hoofdstuk 22 (zijnde de Bruidsschat) blijven van toepassing en zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan Kindcentrum Maarsveld gaan de regels uit hoofdstuk 22 voor.
  • 3. De regels in dit TAM-omgevingsplan Kindcentrum Maarsveld zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Kindcentrum Maarsveld, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0037.TAMOP2409-vs01.

Artikel 2 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk. Daarnaast geldt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit de aanvrager dient te motiveren waarom hij/zij van oordeel is dat voldaan wordt aan de beoordelingsregels.

Artikel 3 Algemene begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in:

  • a. bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • b. bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
  • c. bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving
  • d. bijlage I bij het Omgevingsbesluit;
  • e. bijlage I bij de Omgevingsregeling;

zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

Artikel 4 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:

4.1 TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan Kindcentrum Maarsveld met identificatienummer NL.IMRO.0037.TAMOP2409-vs01 van de gemeente Stadskanaal;

4.2 omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Stadskanaal;

4.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

4.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

4.5 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

4.6 bedrijfsgebouw

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

4.7 bestaand
  • 1. bij bouwwerken: een legaal bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, tenzij in de regels anders is bepaald;
  • 2. bij gebruik: het legaal gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald;
4.8 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

4.9 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

4.10 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

4.11 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

4.12 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

4.13 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel;

4.14 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

4.15 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

4.16 dagrecreatie

activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie;

4.17 (dag)recreatief medegebruik

een (dag)recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;

4.18 dagrecreatieve voorzieningen

openbaar toegankelijke voorzieningen ten behoeve van recreatief gebruik zoals voet-, fiets- en ruiterpaden, picknickplaatsen, parkeervoorzieningen, visoevers en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen;

4.19 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

4.20 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en waaronder e-commerce niet is begrepen zonder showroom en toonbankfunctie;

4.21 dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder belwinkel en internetverkeer, met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting;

4.22 erf

een al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

4.23 evenement
  • a. elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
    • 1. bioscoopvoorstellingen;
    • 2. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;
    • 3. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
    • 4. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;
    • 5. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
    • 6. activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.1a en een snuffelmarkt als bedoeld in artikel 5.2.4 van de van de geldende Algemene plaatselijke verordening gemeente Stadskanaal;
  • b. onder een evenement wordt in ieder geval verstaan voor het publiek toegankelijke verrichtingen van vermaak op het gebied van kunst, ontwikkeling, ontspanning, sport of vermaak alsmede herdenkingsplechtigheden, tentoonstellingen, optochten (niet zijnde een betoging als bedoeld onder artikel 2.1.2.2 uit de geldende Algemene Plaatselijke Verordening Stadskanaal), kermissen, circussen, filmopnamen, feesten, braderieën en dergelijke;
4.24 gebouw

elk bouwwerk, dat voor een mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

4.25 hakhout

één of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

4.26 handelsreclame

iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

4.27 hoofdgebouw

een gebouw, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is;

4.28 horecabedrijf

een bedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een seksinrichting;

4.29 houtopstand

zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend die:

  • 1. een oppervlakte van grond beslaat van tien are of meer, of
  • 2. bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen;
4.30 huishouden

persoon of groep personen, die een huishouden voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling daarvan;

4.31 kampeermiddel

een onderkomen dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatief verblijf, maar zonder een met de grond verbonden constructie en zonder een plaatsgebonden karakter, waaronder wordt begrepen:

  • 1. een tent, een tentwagen, een kampeerauto/camper of een caravan;
  • 2. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde;
  • 3. één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
4.32 kunstobject

voortbrengsel van de beeldende kunsten al dan niet in de vorm van een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

4.33 kunstwerk

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct of een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening;

4.34 landschappelijke waarden

waarden in verband met de verschijningsvorm van een gebied en de aanwezigheid van waarneembare structuren en/of elementen in dat gebied;

4.35 landschapselement

elementen in het landschap in de vorm van bomen, bosschages, poelen en/of andere natte elementen en weg- en laanbeplanting;

4.36 maatschappelijke voorzieningen

educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, religieuze en levensbeschouwelijke voorzieningen, alsmede ondergeschikte voorzieningen voor sport en sportieve recreatie en voorzieningen voor openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;

4.37 natuurlijke waarden

biotische en abiotische waarden van een gebied;

4.38 nutsvoorzieningen

een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede energieopwekking of -buffering en soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, bergbezinkbassins, telefooncellen en zendmasten;

4.39 ondersteunende horeca

er is sprake van ondersteunende horeca indien:

  • de horeca-activiteit ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit;
  • de openingstijden van de horeca-activiteit gelijk zijn aan de openingstijden van de hoofdactiviteit;
  • de toegang van de horeca-activiteit uitsluitend mogelijk is via de hoofdactiviteit;
4.40 overkapping

elk bouwwerk dat een overdekte ruimte vormt zonder, dan wel met ten hoogste één wand;

4.41 peil
  • a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
4.42 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

4.43 recreatief medegebruik

een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;

4.44 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een seksclub of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

4.45 standplaats

het vanaf een vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen, een tafel of enig ander middel, waaronder niet wordt begrepen:

  • vaste plaatsen of jaarmarkten of markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h van de Gemeentewet;
  • vaste plaatsen op evenementen;
4.46 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel daarvan die door de ligging, de situatie ter plaatse en de indeling van het gebouw het sterkst op de weg is gericht;

4.47 waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit, waaronder duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten;

4.48 windturbine

door wind aangedreven molen die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit.

Artikel 5 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in 5.1 tot en met 5.6.

5.1 dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

5.2 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil c.q. de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen als goten van dakkapellen niet meegerekend;

5.3 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

5.4 de oppervlakte van een bouwwerk

de oppervlakte gemeten op vloerniveau langs de verticale projectie van de buitenomtrek van de overkapping c.q. van de opgaande scheidingsconstructies inclusief de overstekken;

5.5 de afstand tot de (zijdelingse) (bouw)perceelgrens

vanaf enig punt van een (hoofd)gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, tot de (zijdelingse) perceelgrens.

5.6 de hoogte van een windturbine

vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen, worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, alsmede het plaatsen van een nieuwe muur om een bestaande gevel en het verlengde daarvan, mits de overschrijding van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen ten hoogste 0,5 m bedraagt.

Hoofdstuk 2 Regels gebruiksactiviteiten

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de in dit hoofdstuk toegestane gebruiksactiviteiten.

Artikel 7 Groen

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Groen.

7.2 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

De gronden mogen worden gebruikt voor:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. bermen en beplanting;
  • c. plantsoenen;
  • d. voet- en fietspaden;
  • e. waterlopen en waterpartijen;
  • f. dagrecreatief medegebruik en dagrecreatieve voorzieningen;

met daaraan ondergeschikt:

  • g. kunstobjecten;

met de daarbijbehorende:

  • h. nutsvoorzieningen;
  • i. speelvoorzieningen.
7.3 Verboden gebruiksactiviteiten

De gronden en bouwwerken mogen in ieder geval niet worden gebruikt voor:

  • a. parkeervoorzieningen.

Artikel 8 Maatschappelijk

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Maatschappelijk.

8.2 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:

  • a. maatschappelijke voorzieningen;

met de daarbijbehorende:

  • b. groenvoorzieningen;
  • c. wegen, paden en verhardingen;
  • d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. speelvoorzieningen;
  • g. nutsvoorzieningen;
  • h. erven en terreinen.
8.3 Verboden gebruiksactiviteiten

De gronden en bouwwerken mogen in ieder geval niet worden gebruikt voor:

  • a. reclamedoeleinden anders dan voor het op de gronden gevestigde bedrijf;
  • b. detailhandel;
  • c. zelfstandige horecabedrijven.

Artikel 9 Verkeer

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Verkeer.

9.2 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:

  • a. wegen en straten;
  • b. voet- en fietspaden;

met dien verstande dat:

  • c. van de in de functie begrepen wegen het aantal rijstroken ten hoogste twee bedraagt, in- en uitvoegstroken niet meegerekend;
  • d. de inrichting van de wegen, straten voet- en fietspaden hoofdzakelijk is gericht op de afwikkeling van verkeer;

met daaraan ondergeschikt:

  • e. kunstobjecten;
  • f. het innemen van standplaatsen ten behoeve van ambulante handel, markten, braderieën, verenigingsactiviteiten en dergelijke;

met de daarbijbehorende:

  • g. groenvoorzieningen;
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • i. parkeervoorzieningen;
  • j. nutsvoorzieningen;
  • k. erven en terreinen.

Artikel 10 Verkeer - Verblijfsgebied

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Verkeer - Verblijfsgebied.

10.2 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor:

  • a. (woon)straten en pleinen;
  • b. voet- en fietspaden;
  • c. terrassen, erven en terreinen;
  • d. parkeren in bovengrondse parkeervoorzieningen;

met daaraan ondergeschikt:

  • e. het innemen van standplaatsen ten behoeve van ambulante handel, markten, braderieën, verenigingsactiviteiten en dergelijke;
  • f. kunstobjecten;

met de daarbijbehorende:

  • g. groenvoorzieningen;
  • h. wegen, paden en verhardingen;
  • i. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • j. parkeervoorzieningen;
  • k. nutsvoorzieningen;
  • l. erven en terreinen.

Hoofdstuk 3 Regels bouwactiviteiten

Artikel 11 Groen - Bouwen

11.1 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels in onderstaande leden.

11.2 Gebouwen en overkappingen

Binnen de als Groen - Bouwen aangewezen locaties mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

11.3 Overige bouwwerken

Binnen de als Groen - Bouwen aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor overige bouwwerken van toepassing:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • b. de hoogte van palen en (reclame)masten bedraagt ten hoogste 6 m;
  • c. de hoogte van andere overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 5 m.

Artikel 12 Maatschappelijk - Bouwen

12.1 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels in onderstaande leden.

12.2 Gebouwen en overkappingen
12.2.1 Bedrijfsgebouwen en bedrijfsoverkappingen

Binnen de als Maatschappelijk - Bouwen aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor bedrijfsgebouwen en bedrijfsoverkappingen van toepassing:

  • a. een gebouw of overkapping mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste 8 m;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder a en b mogen gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels:
    • 1. de bouwhoogte van een gebouw mag ten hoogste 3,50 m bedragen;
    • 2. de gezamenlijke oppervlakte van de buiten het bouwvlak gelegen gebouwen mag per bestemmingsvlak ten hoogste 10% van de oppervlakte van het buiten het bouwvlak gelegen gedeelte van het bestemmingsvlak bedragen.
12.3 Overige bouwwerken

Binnen de als Maatschappelijk - Bouwen aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor overige bouwwerken van toepassing:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel(s) van het hoofdgebouw ten hoogste 1,20 bedraagt;
  • b. de hoogte van palen en masten bedraagt ten hoogste 6 m;
  • c. de hoogte van andere overige bouwwerken bedraagt ten hoogste 3 m.

Artikel 13 Verkeer - Bouwen

13.1 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels in onderstaande leden.

13.2 Gebouwen en overkappingen

Binnen de als Verkeer - Bouwen aangewezen locaties mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

13.3 Overige bouwwerken

Binnen de als Verkeer - Bouwen aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor overige bouwwerken van toepassing:

  • a. de hoogte van palen en masten bedraagt ten hoogste 8 m, met dien verstande dat de hoogte van reclamemasten ten hoogste 6 m bedraagt;
  • b. de hoogte van kunstwerken bedraagt ten hoogste 15 m;
  • c. de hoogte van andere overige bouwwerken, anders dan rechtstreeks voor de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, bedraagt ten hoogste 5 m.

Artikel 14 Verkeer - Verblijfsgebied bouwen

14.1 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels in onderstaande leden.

14.2 Gebouwen en overkappingen

Binnen de als Verkeer - Verblijfsgebied bouwen aangewezen locaties mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

14.3 Overige bouwwerken

Binnen de als Verkeer - Verblijfsgebied bouwen aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor overige bouwwerken van toepassing:

  • a. de hoogte van palen en masten bedraagt ten hoogste 8 m, met dien verstande dat de hoogte van reclamemasten ten hoogste 6 m bedraagt;
  • b. de hoogte van de overige bouwwerken, anders dan rechtstreeks voor de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, bedraagt ten hoogste 5 m;
  • c. de hoogte van kunstwerken bedraagt ten hoogste 15 m.

Hoofdstuk 4 Algemene regels activiteiten

Artikel 15 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 16 Algemene regels bouwactiviteiten

16.1 Vergunningvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen vergunningvoorschriften opnemen waarin eisen worden gesteld aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. het bebouwings- en/of landschapsbeeld;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • c. de cultuurhistorische waarden;
  • d. de natuurlijke waarden;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de sociale veiligheid;
  • g. de verkeersveiligheid;
  • h. de watersituatie;
  • i. de woonsituatie.
16.2 Bestaande afmetingen en situeringen
  • a. Daar waar bestaande afstanden meer of minder bedragen dan ingevolge de bouwregels is voorgeschreven, worden de bestaande afstanden als ten hoogste respectievelijk ten minste toelaatbaar aangehouden.
  • b. In die gevallen dat bestaande percentages, dakhellingen, kapvormen, bouw- en goothoogten, inhoud, oppervlakten en/of gevelindelingen afwijken van de bouwregels, worden de bestaande maatvoeringen als toelaatbaar aangehouden.
  • c. In die gevallen waar wordt afgeweken van de ingevolge de bouwregels vereiste situering van bouwwerken, wordt de bestaande situering van een bouwwerk als toelaatbaar aangehouden.
16.3 Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen mogen in afwijking van dit plan uitsluitend worden overschreden door:

  • a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), liftschachten, galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, serres, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 m;
  • b. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 m.

Artikel 17 Algemene gebruiksregels

17.1 Verboden gebruiksactiviteiten algemeen

De gronden en bouwwerken mogen in ieder geval niet worden gebruikt voor:

  • a. het storten van puin en afvalstoffen, anders dan in het kader van de in het plan toegestane bedrijfsvoering;
  • b. de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan voor de uitvoering van krachtens dit omgevingsplan toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
  • c. de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen;
  • d. een seksinrichting;
  • e. kamperen en kampeermiddelen, voorzover niet toegelaten op grond van dit omgevingsplan.

Artikel 18 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt ook verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de woonsituatie, de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het beschermd stadsgezicht, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, in de volgende gevallen:

  • a. het bepaalde in de van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages, met dien verstande:
    • 1. dat de bouwhoogte van reclamemasten ten hoogste 6 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van windturbines ten hoogste 15 m bedraagt;
  • b. de regels ten behoeve van het vergroten van overige bouwwerken, tot ten hoogste 10 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van reclamemasten ten hoogste 6 m bedraagt;
  • c. de regels ten behoeve van het bouwen van gebouwen en overige bouwwerken, van openbaar nut, zoals gemalen, transformatorstations, gasdrukregel- en meetstations, telefooncellen, wachthuisjes en dergelijke, met dien verstande dat:
    • 1. de inhoud ten hoogste 100 m³ bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte ten hoogste 3 m bedraagt.

Artikel 19 Algemene aanduidingsregels

19.1 luchtvaartverkeerzone - hoogtebeperkingsgebied

Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - hoogtebeperkingsgebied' gelden de volgende regels:

19.1.1 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Binnen de locaties aangeduid met 'luchtvaartverkeerzone - hoogtebeperkingsgebied' zijn in aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 de volgende beoordelingsregels voor bouwwerken van toepassing:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken bedraagt niet meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte hoogtebeperkingsgebied (m)' aangegeven bouwhoogte. De geldende bouwhoogte dient tussen de op de verbeelding aangegeven aanduidingslijnen door lineaire interpolatie te worden bepaald.
19.1.2 Verboden gebruiksactiviteiten

Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - hoogtebeperkingsgebied' mag opgaande beplanting niet hoger dan de ter plaatse aangegeven 'maximum bouwhoogte hoogtebeperkingsgebied (m)' worden aangelegd en in stand worden gehouden.

Artikel 20 Regels met betrekking tot bomen

20.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels met betrekking tot bomen'.

20.2 Algemeen
  • a. In dit artikel wordt verstaan onder:
    • 1. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;
    • 2. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.
  • b. In dit artikel wordt onder vellen mede verstaan:
    • 1. omzagen;
    • 2. rooien;
    • 3. knotten of kandelaberen;
    • 4. het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben;
    • 5. verplanten, met uitzondering van het ter plaatse lichten of laten zakken van bomen binnen een straal van 1 m.
20.3 Aanwijzing vergunningplicht vellen houtopstanden

Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

  • a. een houtopstand te vellen of te doen vellen;
  • b. gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende bomenziekte kan verspreiden.
20.4 Uitzondering vergunningplicht
  • a. De vergunningplicht onder 20.3, sub a geldt niet voor de volgende soorten bomen:
    • 1. wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;
    • 2. alle hagen;
    • 3. alle soorten naaldbomen (waaronder coniferen, dennen en sparren);
    • 4. alle soorten fruitbomen;
    • 5. meidoornbomen;
    • 6. berken;
    • 7. kweekgoed;
    • 8. houtopstand, die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouw- ondernemingen en niet gelegen is binnen de bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt en ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are, ofwel in geval van rijbeplanting, gerekend over het totale rijen, niet meer bomen omvat dan 20.
  • b. De vergunningplicht 20.3 sub a geldt verder niet indien:
    • 1. de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen;
    • 2. het periodiek vellen van een houtopstand betreft ter uitvoering van regulier onderhoud.
20.5 Beoordelingsregels

Een vergunning als bedoeld in 20.3, sub a wordt verleend indien:

  • a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de natuurwaarde van de houtopstand;
    • 2. de landschappelijke waarde van de houtopstand;
    • 3. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
    • 4. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;
    • 5. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;
  • b. in het geval van vellen van een boom een belangenafweging heeft plaatsgevonden waarbij ten minste een van de volgende belangen aan de orde is:
    • 1. waardering;
    • 2. overlast;
    • 3. kwaliteit;
    • 4. dringende redenen.
20.6 Vergunningvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen aan de in lid 20.3 bedoelde vergunning voorschriften verbinden:

  • a. ter bescherming van in- en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna;
  • b. bestaande uit een herplantplicht of een financiele compensatie.
20.7 Gebod bestrijding boomziekten
  • a. Indien zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van ziekteverspreiders, zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:
    • 1. de houtopstand te vellen;
    • 2. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.
  • b. Het niet voldoen aan de sub a bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

Artikel 21 Regels met betrekking tot reclame-uitingen

21.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels met betrekking tot reclame-uitingen'.

21.2 Aanwijzing vergunningplicht hinderlijke of gevaarlijke reclame

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

21.3 Uitzondering vergunningplicht hinderlijke of gevaarlijke reclame

Het verbod in lid 21.2 is niet van toepassing in gevallen waarin door burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken in de afweging.

21.4 Beoordelingsregels

Een vergunning als bedoeld in 21.2 wordt verleend:

  • a. indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving voldoet aan redelijke eisen met welstand;
  • b. er geen verkeersonveilige situatie ontstaat;
  • c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van het in de nabijheid gelegen onroerend goed.

Artikel 22 Regels met betrekking tot het aanleggen of veranderen van een uitweg

22.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels met betrekking tot het aanleggen of veranderen van een uitweg'.

22.2 Aanwijzing vergunningplicht voor het maken of veranderen van een uitweg

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders:

  • a. een uitweg te maken naar de weg;
  • b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;
  • c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
22.3 Beoordelingsregels

Een vergunning als bedoeld in 22.2 wordt verleend indien:

  • a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bruikbaarheid van de weg;
  • b. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de veiligheid en doelmatig gebruik van de weg;
  • c. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
  • d. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
  • e. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van groenvoorzieningen;
  • f. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het milieu;
  • g. de uitweg:
    • 1. niet breder is dan 3,5 m ten behoeve van een woning;
    • 2. niet breder is dan 6 m ten behoeve van een bedrijf;
  • h. het gebouw, adres en/of perceel niet reeds door een uitweg wordt ontsloten;
  • i. het maximaal één uitweg betreft ten behoeve van een nieuw uit te geven bouwperceel of kavel.
22.4 Uitzondering vergunningplicht

Het bepaalde in lid 22.2 is niet van toepassing op beperkingenactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale verordening of waterschapsverordening.

Artikel 23 Regels met betrekking tot het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg

23.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - regels met betrekking tot regels met betrekking tot het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg'.

23.2 Aanwijzing vergunningplicht voor het plaatsen van voorwerpen op de weg

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de weg of een weggedeelte voor het plaatsen van voorwerpen te gebruiken anders dan overeenkomstig de functie daarvan is toegestaan.

23.3 Beoordelingsregels

De vergunning als bedoeld in 23.2 wordt verleend indien:

  • a. het beoogde gebruik:
    • 1. geen schade toebrengt aan de weg;
    • 2. geen gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; dan wel
    • 3. geen belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
  • b. het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving, voldoet aan de redelijke eisen van welstand;
  • c. geen sprake is van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
23.4 Uitzondering vergunningplicht
  • a. Het verbod als bedoeld in 23.2 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, de Wegenverkeerswet 1994 of het Provinciaal wegenreglement.
  • b. De vergunningplicht als bedoeld in 23.2 geldt niet voor:
    • a. evenementen;
    • b. standplaatsen.
23.5 Bevoegdheid stellen vergunningvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen nadere voorschriften verbinden aan de vergunning voor het plaatsen van objecten op of aan de weg om het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel het doelmatig beheer en onderhoud van de weg te bevorderen.

Artikel 24 Welstandsregels

24.1 Redelijke eisen van welstand

Bouwwerken voldoen aan redelijke eisen van welstand. Of hiervan sprake is wordt per deelgebied beoordeeld aan de hand van de welstandscriteria die zijn opgenomen in de volgende leden:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - welstandsgebied algemeen' gelden naast de gebiedsgerichte welstandscriteria de algemeen geldende welstandscriteria, zoals opgenomen in Bijlage 1 Welstandsnota.

Artikel 25 Regels met betrekking tot parkeren

25.1 Voldoende parkeergelegenheid
  • a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.
  • b. De omgevingsvergunning voor het bouwwerk wordt beoordeeld aan de hand van de parkeernormen in de CROW-uitgave 2024 (publicatie 744), met dien verstande dat indien voornoemde uitgave gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
  • c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.

Hoofdstuk 5 Overgangsregels

Artikel 26 Overgangsrecht

26.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sublid a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het sublid a met maximaal 10%.
  • c. Sublid a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan of de daarvoor geldende beheersverordening, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan of die beheersverordening.
26.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het sublid a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in sublid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Sublid a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan of de daarvoor geldende beheersverordening, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan of die beheersverordening.