| Plan: | Wanroij, woningen Peelstraat |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1982.BPWaPeelstrMolenvd-VA01 |
Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Sint Anthonis 2013" en de (gedeeltelijke) herzieningen daarop van gemeente Land van Cuijk ten behoeve van de realisatie van burgerwoningen in combinatie met de beëindiging van agrarische bedrijven aan de Peelstraat te Wanroij. Het plangebied omvat de gronden ter plaatse van en rondom de bedrijfslocaties aan de Peelstraat 6, 15 en 15a te Wanroij.
In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.
Ontwikkelingen in de agrarische sector, en met name in de veehouderij, volgen elkaar in hoog tempo op. Door de steeds strenger wordende wet- en regelgeving worden aan agrarische bedrijven steeds meer en strengere eisen gesteld op het gebied van milieu, duurzaamheid, energie, dierwelzijn, volksgezondheid, stikstof en ruimtelijke kwaliteit. Door deze steeds strengere eisen moeten agrarische ondernemers vaak forse investeringen doen om te kunnen blijven bestaan als duurzaam en volwaardig agrarisch bedrijf met voldoende toekomstperspectief. Voor de eigenaar van het in het plangebied gelegen agrarisch bedrijf is het, mede door de ligging van de bedrijven in een bebouwingslint met burgerwoningen en nabij een bedrijventerrein, echter niet haalbaar en rendabel gebleken deze investeringen te doen, waardoor deze heeft besloten de agrarische bedrijvigheid te staken. Voor de locaties gelegen in het plangebied is daarom een passende herbestemming nodig.
Daarnaast heerst er momenteel een krapte op de woningmarkt, waardoor het noodzakelijk is nieuwe woningen te realiseren. De beëindiging van de veehouderij op de locaties biedt kansen voor de realisatie van nieuwe woningen.
De locaties aan de Peelstraat 6, 15 en 15a zijn allen in gebruik ten behoeve van een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij. Gezien de ontwikkelingen in de agrarische sector, en met name in de veehouderij sector, en de steeds strengere eisen die worden gesteld aan veehouderijen is het voor de eigenaar van de varkenshouderij op deze locaties niet haalbaar en rendabel gebleken het bedrijf voort te zetten. Daarnaast leidt de ligging in het bebouwingslint en het industrieterrein Molenveld tot grote milieuhygiënische belemmeringen als de varkenshouderij wordt voortgezet. De eigenaar van de varkenshouderij op de locaties heeft daarom met gebruikmaking van de subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) zijn bedrijfsvoering beëindigd. In ruil daarvoor dient, door middel van het herbestemmen van de intensieve veehouderij, te worden geborgd dat ter plaatse geen nieuwe intensieve veehouderij mogelijk kan worden gemaakt. Voor de locaties van de eigenaar dient daarom te worden voorzien in een passende herbestemming die het gebruik als intensieve veehouderij uitsluit.
Gezien de ligging van de locaties ligt een agrarisch hergebruik niet voor de hand. Om voldoende waarde uit de locaties te behalen, om bij te dragen aan een invulling van de krapte op de woningmarkt en om aan te sluiten bij het bebouwingslint wenst de eigenaar van deze locaties deze in te zetten voor woningbouw. Het is daarbij wenselijk de bestaande bedrijfswoningen aan de Peelstraat 6 en 15 om te schakelen naar burgerwoningen. Daarnaast is aan de Peelstraat 15a een cultuurhistorisch waardevol pand aanwezig. Dit historisch waardevolle pand zal bestemd worden als burgerwoning. Daarnaast wenst de eigenaar ter plaatse nog te voorzien in een drietal ruimte-voor-ruimte woningen.
De gewenste ontwikkeling past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening van het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
De voorgenomen ontwikkeling, zoals nader uitgewerkt in dit bestemmingsplan, maakte eerder deel uit van een grotere gebiedsontwikkeling, waarin ook de beëindiging van de melkrundveehouderij aan de Peelstraat 11, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een niet-agrarisch bedrijf, en de uitbreiding van het bedrijventerrein Molenveld was meegenomen. Omdat er voor de niet-agrarische bedrijvigheid en de uitbreiding van het bedrijventerrein Molenveld nog meerdere aanvullende onderzoeken nodig zijn en de uitkomsten daarvan nog niet bekend zijn is er voor gekozen om het deel met de te beëindigen intensieve veehouderij en de gewenste woningbouw alvast verder voort te zetten. De overige ontwikkelingen zoals waren meegenomen in de voorgaande versie van het ontwerpbestemmingsplan zullen mogelijk op een later tijdstip worden voortgezet als de aanvullende onderzoeken daarvoor gereed zijn en de uitkomsten daarvan bekend zijn.
In het kader van de splitsing van de delen die worden vastgesteld is gekozen voor een logische opzet bij het kiezen van de bestemmingen. De bouwvlakken van de intensieve veehouderij(en) moeten alvast worden "wegbestemd" om te voorkomen dat daar nog bedrijfsmatige activiteiten kunnen plaatsvinden. Een deel van de gronden die in de huidige situatie nog behoren tot de bouwvlakken zal op termijn worden ingezet voor de realisatie van de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering die nodig is voor de gewenste uitbreiding van het bedrijventerrein en voor voorzieningen voor waterberging. Omdat deze inrichting echter nog niet duidelijk is wordt er in dit stadium voor gekozen deze gronden als 'Agrarisch' te bestemmen zonder bouwvlak. Daarmee wordt geborgd dat deze niet meer kunnen worden gebruikt voor de agrarische bedrijfsvoering van de voormalige intensieve veehouderij. Wanneer de uiteindelijke inrichting met landschappelijke elementen en voorzieningen voor waterberging bekend zijn die nodig zullen zijn voor de gewenste uitbreiding van het bedrijventerrein dan zullen deze gronden, waar nodig, opnieuw worden herbestemd tot de bij de uiteindelijke functie passende bestemming (bijvoorbeeld 'Groen' of 'Water'). De tussenstap naar een agrarische bestemming zonder bouwvlak is daarbij dan een logische keuze voor de te zetten stappen in de procedure.
Het plangebied is gelegen aan de Peelstraat in Wanroij en ligt aan de zuidkant van Wanroij in het aansluitende bebouwingslint in het landelijke gebied van gemeente Land van Cuijk. Het plangebied betreft de kadastrale percelen gemeente Wanroij, sectie K, nummers 854, 999, 1349, 1350, 1351, 1377, 1378 en 1379. In de volgende figuur is de topografische ligging van het plangebied globaal weergegeven.
Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: Topotijdreis.nl.
Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied Sint Anthonis 2013" van de gemeente Land van Cuijk, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 18 juni 2013, de herziening daarop "Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied Sint Anthonis", zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 7 juli 2016, en het veegplan "Buitengebied, veegplan 1", zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2016, onverkort van toepassing.
De locaties betreffen één veehouderij, zijnde een varkenshouderij. Derhalve zijn de locaties aangemerkt als één agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij.
Zoals te zien in de volgende figuur zijn ter plaatse de bestemming 'Agrarisch - Intensieve veehouderij' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' toegekend. De bedrijfslocaties zijn middels een koppelteken aan elkaar verbonden, waarmee de bedrijven worden gezien als één bedrijf. Op de omliggende gronden die onderdeel uitmaken van het plangebied ligt de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'overige zone - bebouwingsconcentratie' en 'overige zone - gemengd landelijk gebied' van toepassing. Over een deel van de locatie is de gebiedsaanduiding 'waarde - archeologie 1' van toepassing. Daarnaast zijn over andere delen van de locatie de gebiedsaanduidingen 'waarde - archeologie 2' en 'waarde - archeologie 3' van toepassing. Ten slotte is over een heel klein deel (en zeer kleine punt aan de westzijde van de locatie) aangeduid met de gebiedsaanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij'.
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan.
Bron: Gemeente Land van Cuijk.
Voor het omschakelen van de agrarische bestemming naar een woonbestemming is in het geldende bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Echter geldt deze alleen voor het omschakelen van de bestaande bedrijfswoning(en) naar burgerwoningen. Voor de realisatie van de ruimte-voor-ruimte woningen en het omschakelen naar een burgerwoning van het cultuurhistorisch waardevol pand kan geen toepassing worden gegeven aan de betreffende wijzigingsbevoegdheid. Derhalve past de gewenste ontwikkeling niet in het geldende bestemmingsplan en is om de ontwikkeling mogelijk te maken een partiële herziening van het geldende bestemmingsplan nodig.
Deze toelichting is als volgt opgebouwd:
Het plangebied is gelegen in een bebouwingslint aan de zuidkant van de kern Wanroij in het landelijk gebied van gemeente Land van Cuijk. De gronden rondom het plangebied betreffen aan de oostkant, westkant en zuidkant voornamelijk agrarische landbouwgronden, doorsneden door het bebouwingslint langs de Peelstraat. Aan de noordzijde van het plangebied is het bedrijventerrein Molenveld gelegen.
De verkavelingsstructuur van het agrarische landschap betreft een gemengde verkaveling met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap.
Het bebouwingslint zelf bestaat voornamelijk uit agrarische bedrijven en burgerwoningen en is daarmee aan te merken als een gemengd gebied. Dit betreft een gebied waarin verschillende functies naast elkaar voorkomen. Aan de noordzijde van het plangebied zijn voornamelijk niet-agrarische bedrijven gelegen. Op wat grotere afstand, eveneens aan de noordzijde van het plangebied is de kern Wanroij gelegen.
De kern Wanroij heeft gedurende een lange tijd geïsoleerd gelegen. Het plangebied maakte van oudsher onderdeel uit van De Peel, een drassig natuurgebied. In 1850 werden in Wanroij de eerste wegen verhard, maar pas in 1922 kwam er een verharde interlokale weg (naar Haps) tot stand die het dorp van buitenaf beter bereikbaar maakte. Vanaf die tijd heeft een geleidelijke groei van de kern plaatsgevonden. De omliggende gronden werden vanaf 1925 ontgonnen, waarbij de Peel grotendeels in naaldbos en vooral landbouwgrond werd omgezet.
Het plangebied is vanaf 1925 ontgonnen als agrarisch gebied. Door de vestiging van verschillende agrarische bedrijven langs het huidige bebouwingslint is met name in de jaren '30 van de vorige eeuw de ontwikkeling van het bebouwingslint langs de Peelstraat begonnen. De kern Wanroij heeft zich met name in de jaren '80 en '90 van de vorige eeuw uitgebreid, waarbij in de jaren '90 het bedrijventerrein Molenveld tot stand is gekomen. Het bebouwingslint heeft zich vanaf die tijd verder ontwikkeld van voornamelijk agrarisch naar een gemengd bebouwingslint van agrarische bedrijven en burgerwoningen, met name in de afgelopen jaren.
Op de locaties aan de Peelstraat 6, 15 en 15a is een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderijbedrijf gevestigd. In het bestemmingsplan en vanuit de vigerende vergunning zijn de locaties aan elkaar gekoppeld, waarmee sprake is van één intensief veehouderijbedrijf op deze locaties.
Ter plaatse mochten, voor de sanering van de bedrijfslocatie, 520 zeugen, 2060 gespeende biggen, 2 dekberen en 4.153 vleesvarkens gehouden worden. De gehouden dieren werden gehuisvest in de aanwezige stallen die verspreid lagen over de verschillende bedrijfslocaties en reeds gesaneerd zijn.
Op de locatie Peelstraat 6 resteert ter plaatse een bedrijfswoning.
Op de locatie Peelstraat 15 en 15a bevinden zich ter plaatse eveneens een bedrijfswoning (nummer 15), en een cultuurhistorisch waardevolle schuur (nummer 15a).
In de volgende figuren is de ruimtelijke situatie van de bedrijfslocaties weergegeven voor de sanering van het intensieve veehouderijbedrijf in luchtfoto's.
Luchtfoto huidige situatie Peelstraat 6.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
Luchtfoto huidige situatie Peelstraat 15 en 15a.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
Gezien de steeds snellere ontwikkelingen in de agrarische sector, en met name in de veehouderij, worden aan agrarische bedrijven steeds meer en strengere eisen gesteld op het gebied van milieu, duurzaamheid, energie, dierwelzijn, volksgezondheid, stikstof en ruimtelijke kwaliteit. Door deze steeds strengere eisen moeten agrarische ondernemers vaak forse investeringen doen om te kunnen blijven bestaan als duurzaam en volwaardig agrarisch bedrijf met voldoende toekomstperspectief. Voor de eigenaar van de de varkenshouderij op de locaties is het, mede door de ligging van de locaties in een bebouwingslint met burgerwoningen en nabij een bedrijventerrein, echter niet haalbaar en rendabel gebleken deze investeringen te doen, waardoor deze heeft besloten de agrarische bedrijvigheid te staken. Voor de locaties gelegen in het plangebied is daarom een passende herbestemming nodig.
Verder heerst er een krapte op de woningmarkt. Het is wenselijk met het initiatief bij te dragen aan de invulling daarvan. Derhalve wordt ingezet op de ontwikkeling van woningen.
Op deze locaties is een intensieve veehouderij gevestigd. Door de koppeling van de locaties worden deze locaties gezien als één intensief veehouderijbedrijf. Zoals reeds aangegeven is het voor de eigenaar van deze locaties niet langer haalbaar en rendabel gebleken het bedrijf in de huidige vorm voort te zetten. Daarnaast leent de locatie, gezien de ligging in het bebouwingslint en nabij het bedrijventerrein, zich niet goed voor de verdere ontwikkeling van de intensieve veehouderij.
De eigenaar van de varkenshouderij op de locaties heeft daarom met gebruikmaking van de subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) zijn bedrijfsvoering beëindigd. In ruil daarvoor dient, door middel van het herbestemmen van de intensieve veehouderij, te worden geborgd dat ter plaatse geen nieuwe intensieve veehouderij mogelijk kan worden gemaakt. Voor de locaties van de eigenaar dient daarom te worden voorzien in een passende herbestemming die het gebruik als intensieve veehouderij uitsluit.
De subsidie voorziet echter alleen in voldoende financiële middelen om de sanering van de intensieve veehouderij mogelijk te maken. Om alsnog voldoende waarde uit de locaties te kunnen behalen en om bij te dragen aan een invulling van de krapte op de woningmarkt wenst de eigenaar de bestemming op de locaties te wijzigen in een woonbestemming ten behoeve van meerdere woningen op de beide locaties. Hiermee zal een bijdrage worden geleverd aan een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving door de sanering van de intensieve veehouderij, een versterking van het bebouwingslint door een betere aansluiting op de overige bebouwing in het lint, een verbetering van de beeldkwaliteit door het slopen van verouderde voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en het oprichten van kwalitatief hoogwaardige woningen en aan de ontstening van het landschap door de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen.
Op de locatie van het bedrijf aan de Peelstraat 6 is alle (voormalige) bedrijfsbebouwing gesloopt en zijn alle bijbehorende voorzieningen als voeropslagen, erfverharding en parkeervoorzieningen verwijderd. Een uitzondering hierop is de huidige agrarische bedrijfswoning met de daarbij behorende verharding. Deze zal worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Daarbij zal voldoende verharding aanwezig blijven voor de ontsluiting van de woning en om op eigen terrein te kunnen parkeren. De overige verharding zal worden verwijderd. Op deze locatie wenst de eigenaar van het bedrijf een groter bijgebouw te realiseren bij de woning. Daarbij zal een bijgebouw van maximaal 500 m² worden toegestaan om hobbymatig nog vee te kunnen houden en te voorzien in voldoende ruimte voor het stallen van machines voor het onderhoud van het terrein.
In ruil voor het in voldoende mate behalen van een winst voor de omgevingskwaliteit door de sanering van varkens- en/of pluimveehouderijen (op locatie of elders binnen de provincie) kunnen ruimte-voor-ruimte woningen worden opgericht op locaties in bebouwingsconcentraties. De eigenaar van de locatie wenst op de locatie aan de Peelstraat 6, naast het herbestemmen van de bedrijfswoning tot burgerwoning, te voorzien in nog eens drie ruimte-voor-ruimte kavels. De benodigde titels voor de ruimte-voor-ruimte kavels zijn aangekocht bij de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte-voor-ruimte. In bijlage 1 van deze toelichting is de overdracht van de bouwtitel(s) opgenomen.
Op de locatie van het bedrijf aan de Peelstraat 15 en 15a is eveneens alle bedrijfsbebouwing, uitgezonderd de huidige bedrijfswoning (nummer 15) en de aanwezige cultuurhistorisch waardevolle schuur (nummer 15a), gesloopt. Daarbij zijn eveneens alle overtollige bijbehorende voorzieningen als parkeervoorzieningen en verhardingen, behoudens de bijbehorende bijgebouwen en verharding bij de bedrijfswoning, verwijderd. De huidige bedrijfswoning ter plaatse zal worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Daarbij zullen de aanwezige bijgebouwen bij de woning behouden worden. Tevens is voldoende verharding behouden voor de ontsluiting van de woning en de bijgebouwen en om ter plaatse te voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
Daarnaast is ter plaatse een cultuurhistorisch waardevolle schuur aanwezig. Vanwege de cultuurhistorische waarde daarvan is het van belang deze zoveel mogelijk te behouden of te versterken. De aanwezige schuur is echter sterk verouderd en de historische waarde ervan zit vooral in de constructie ervan. De cultuurhistorisch waardevolle schuur zal derhalve worden gedemonteerd en op dezelfde plek herbouwd worden. Met deze reconstructie worden de uiterlijke kenmerken van de vroegere schuur hersteld en de cultuurhistorische waarden versterkt. Het cultuurhistorische pand zal na renovatie, om de historische waarde ervan zoveel mogelijk te kunnen behouden en beschermen, worden herbestemd tot burgerwoning. Voor wat betreft bijgebouwen zal bij deze woning worden aangesloten bij de standaard bepalingen ten aanzien van bijgebouwen bij woningen uit het geldende bestemmingsplan. Dat betekent dat bij de woning in de waardevolle schuur nog maximaal 100 m² aan bijgebouwen is toegestaan. Bij de woning in de waardevolle schuur zal eveneens voldoende verharding aanwezig blijven ten behoeve van de ontsluiting van de woningen en het op eigen terrein realiseren van voldoende parkeergelegenheid. Alle overige verharding zal worden verwijderd.
Het huidige agrarische bouwvlak zal ten behoeve van de voorgenomen herbestemming worden opgedeeld in bij de woningen passende bouwvlakken met een daarbij passende maximale omvang. In totaliteit zal het huidige bouwvlak worden verkleind.
Vanuit ruimtelijk beleid van zowel de provincie als de gemeente is het bij het herontwikkelen van een locatie van belang dat een bijdrage wordt geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit. Ten behoeve van de voorgenomen herontwikkeling van deze locaties is derhalve door een landschapsdeskundige en stedenbouwkundige een inrichtingstekening opgesteld, waarin de voorgenomen ontwikkeling nader is uitgewerkt. Daarbij is tevens voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing ten behoeve van de versterking van de ruimtelijke kwaliteit en omgevingskwaliteit. De landschappelijke inpassing en de inrichting van het terrein zijn nader uitgewerkt in een inrichtingsplan. In de volgende figuur is voor de locaties de gewenste situatie in een inrichtingstekening weergegeven. Voor de volledige tekening op schaal wordt verwezen naar het inrichtingsplan dat voor de locaties is opgesteld dat is opgenomen in bijlage 2 van deze toelichting.
Inrichtingstekening gewenste situatie met landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing.
Bron: Van Dooren Landschap.
Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.
Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties.
Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving. De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen.
De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal:
Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken.
Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen. Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet.
Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:
Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten.
Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten. De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.
In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.
Het besluit bepaalt tevens:
"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de
gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een
bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."
Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.
Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.
Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.
In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen.
Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd:
"ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel,
woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."
Bij de voorgenomen ontwikkeling op de locaties is sprake van de beëindiging van een veehouderij en het ontwikkelen van een aantal woningen. De huidige twee bedrijfswoningen zullen worden herbestemd tot burgerwoning. Daarnaast zal het aanwezige cultuurhistorisch waardevol pand worden herbestemd tot burgerwoning. Ten slotte zullen in ruil voor een aanzienlijke winst voor de omgevingskwaliteit nog eens drie ruimte-voor-ruimte woningen opgericht worden. In totaal is daarmee sprake van het ontwikkelen van 6 woningen.
Omdat het ontwikkelen van een woningbouwlocatie in de definitie voor een stedelijke ontwikkeling is opgenomen kan mogelijk gesproken worden van een stedelijke ontwikkeling. Op basis van jurisprudentie (uitspraken ABRvS 28 juni 2017, 201608869/1/R3, Dongeradeel) is echter bepaald dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt.
Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van meer dan 11 woningen die als één woningbouwlocatie kunnen worden aangemerkt.
Hiermee wordt de voorgenomen ontwikkeling niet gezien als een stedelijke ontwikkeling en dat daarmee voor deze locaties een verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking niet is vereist.
De provincie Noord-Brabant heeft, in het kader van de naderende Omgevingswet, een nieuwe Omgevingsvisie opgesteld waarin de provinciale beleidsuitgangspunten uiteen worden gezet. De Omgevingsvisie is op 14 december 2018 vastgesteld. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn niet juridisch bindend, maar zijn wel de basis van het ruimtelijke beleid.
De Omgevingsvisie gaat over twee vragen:
De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.
De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert.
Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom.
Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaal-maatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is een van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier.
Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden. Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie.
Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen.
Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendig bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen.
Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd:
Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedsspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven.
In de omgevingsvisie zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Wel is van belang dat op duurzame wijze wordt ontwikkeld en dat rekening wordt gehouden met klimaatveranderingen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Met name voor bedrijventerreinen liggen grote kansen voor klimaatadaptatie en energietransitie.
Bij de gewenste ontwikkeling is, zoals nader aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4), geen sprake van onevenredige belemmeringen ten aanzien van milieu. Het woon- en leefklimaat van de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling, door de beëindiging van de intensieve veehouderij, (aanzienlijk) verbeteren. Dit draagt bij aan de omgevingskwaliteit en een duurzame leefomgeving. Daarnaast zal de energiebehoefte van de tot burgerwoningen te herontwikkelen bedrijfslocaties aanzienlijk afnemen. Dit draagt bij aan de energie- en klimaatdoelstellingen.
Daarnaast zullen de nieuwe woningen worden gebouwd volgens de huidige inzichten en eisen op het gebied van duurzaamheid en energie. Ook dit draagt bij aan de energie- en klimaatdoelstellingen.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door een landschapsdeskundige en stedenbouwkundige een inrichtingstekening voor het initiatief gemaakt (zie bijlage 2 van deze toelichting), waarin tevens een goede landschappelijke inpassing van de locaties en het plangebied is opgenomen. Dit draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en omgevingskwaliteit van de omgeving. Tevens is met de inrichting van het terrein rekening gehouden met voldoende capaciteit voor waterberging, waarmee goed wordt ingespeeld op steeds heviger wordende regenbuien. Dit draagt bij aan klimaatadaptatie.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.
De Interim Omgevingsverordening Ruimte Noord-Brabant is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te realiseren. Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 16 november 2021 de (laatst geconsolideerde versie van de) Interim Omgevingsverordening vastgesteld, waarmee de tot dan toe geldende Verordening Ruimte werd vervangen. Op 11 maart 2022 is door de provincie de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Omgevingsverordening kan en zal echter pas in werking treden wanneer de Omgevingswet in werking treedt, naar verwachting 1 januari 2024. Tot die tijd geldt het beleid zoals is opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, zoals eveneens op 11 maart 2022 door de provincie gewijzigd is vastgesteld. De gewijzigde regels van de Interim Omgevingsverordening zijn in overeenstemming gebracht met de vastgestelde Omgevingsverordening en zijn opgenomen in de meest recente versie van de Interim Omgevingsverordening, welke op 1 augustus 2023 is geconsolideerd en in werking is getreden.
Vanuit de verordening is het plangebied gelegen in het gebied dat is aangemerkt als 'landelijk gebied' met de nadere aanduidingen 'gemengd landelijk gebied' en 'stalderingsgebied'. Over een heel klein deel van het kadastrale perceel met nummer 1034 (behorende bij de locatie Peelstraat 6) is de aanduiding 'gebied beperkingen veehouderij' van toepassing.
Binnen het stalderingsgebied en het gebied met de aanduiding 'beperkingen veehouderij' zijn aanvullende regels van toepassing voor de verdere ontwikkeling van veehouderijen. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de veehouderij juist beëindigd en niet verder ontwikkeld. Daarmee zijn de aanvullende regels met betrekking tot het stalderingsgebied en het gebied met de aanduiding 'beperkingen veehouderij' niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
In beginsel gelden voor alle ontwikkelingen in het landelijk gebied algemene regels ten behoeve van het behoud en de versterking van de omgevingskwaliteit. Hiervoor geldt vanuit artikel 3.5 van de verordening het volgende:
" Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit
Lid 1
Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3
Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde
leefomgeving.
Lid 2
Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met:
Voor elk van de afzonderlijk genoemde onderdelen voor een goede omgevingskwaliteit zijn vervolgens aanvullende bepalingen opgenomen. Voor zorgvuldig ruimtegebruik gelden de volgende aanvullende bepalingen:
" Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik
Lid 1
Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:
Lid 2
Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of
een bestaand bouwperceel."
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het beëindigen van een intensieve veehouderij op meerdere locaties, waarbij deze wordt omgeschakeld naar een woningbouwlocatie. De bedrijfswoningen worden omgeschakeld naar burgerwoningen. Daarnaast wordt een bestaand cultuurhistorisch waardevol pand omgeschakeld naar een burgerwoning. Dit vindt plaats binnen het bestaande ruimtebeslag. Echter worden binnen het plangebied drie nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen opgericht. Dit wordt gezien als nieuwvestiging. Deze nieuwvestiging kan, zoals verderop in deze paragraaf nader is omschreven, op basis van artikel 3.80 op grond van de verordening mogelijk worden gemaakt, waarmee op basis van lid 1, sub a, onder 1 sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.
Zoals nader is omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3) is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.
Alle aanwezige bebouwing wordt geconcentreerd binnen de bouwpercelen. Er is na realisatie van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bebouwing buiten het bouwperceel.
Er is daarmee sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik.
Voor wat betreft de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering zijn in de verordening de volgende aanvullende voorwaarden opgenomen:
" Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering
Lid 1
De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge
wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd.
Lid 2
De lagenbenadering omvat de effecten op:
Lid 3
Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het
verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op
duurzaamheid en toekomstbestendigheid."
Vanuit de lagenbenadering dient nader te worden gekeken naar mogelijke effecten op de ondergrond, de netwerklaag en de bovenste laag.
Vanuit de laag van de ondergrond dienen de bodem, het grondwater en de archeologische waarden nader te worden beschouwd.
Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Bodem" (paragraaf 4.1.7) zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige effecten hebben op de bodem en zal de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg staan. Verder zal de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Wateraspecten" (paragraaf 4.5) geen nadelige effecten hebben op het grondwater en/of de waterhuishouding. Ten slotte zijn met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3), geen nadelige effecten te verwachten op mogelijk voorkomende archeologische resten. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen onevenredig nadelige effecten hebben op de laag van de ondergrond.
Vanuit de netwerklaag dient te worden gekeken naar de infrastructuur, het natuurnetwerk, energienetwerk en de waterwegen.
Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Verkeer en parkeren" (paragraaf 4.4) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot nadelige effecten op de infrastructuur. Daarnaast zal er bij de gewenste ontwikkeling sprake zijn van een goede ontsluiting voor een goede afwikkeling van het verkeer van en naar de locatie. Daarnaast zal de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf "Natuurnetwerk Nederland" (paragraaf 4.2.2), geen nadelige effecten hebben op het natuurnetwerk. Tevens is de locatie niet nabij een hoogspanningsverbinding gelegen. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige effecten hebben op de energieverbindingen. Op de te herbestemmen locaties is reeds sprake van een goede verbinding met het energienet. Dit zal met de voorgenomen ontwikkeling niet veranderen. Bij de verdere ontwikkeling van de woningen kunnen mogelijkheden worden onderzocht voor voorzieningen voor duurzame energie. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op het energienetwerk. Nabij de locatie zijn geen van belang zijnde waterwegen gelegen. Zoals reeds hiervoor aangegeven heeft de voorgenomen ontwikkeling ook geen nadelige effecten op de waterhuishouding. Daarmee zal de gewenste ontwikkeling geen onevenredig nadelige effecten hebben op de netwerklaag.
Vanuit de bovenste laag dienen de aspecten cultuurhistorische waarden, landschappelijke waarden, de omvang van de functie en bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies en de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu te worden beschouwd.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal, zoals nader is omschreven en aangetoond in de paragraaf "Cultuurhistorie" (paragraaf 4.3.2), geen sprake zijn van onevenredig nadelige effecten op cultuurhistorische waarden op de locaties en in de omgeving.
De locatie is gelegen in een oud agrarisch landschap. In dit landschap is echter een trend in gang gezet waarin agrarische bedrijvigheid steeds meer is getransformeerd en gaat transformeren naar wonen, toerisme en recreatie, maatschappelijke voorzieningen en niet-agrarische bedrijvigheid. Door de continue kleinschalige transformatie van functies zo goed mogelijk samen te laten gaan met landschappelijke versterking zal de kleinschalige groene landschapskarakteristiek zich in de loop van de tijd versterken. Het landschap wordt daarmee een stabiele drager van deze functieveranderingen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omschakeling van een intensieve veehouderij op meerdere locaties naar een locatie voor woningbouw. Er is daarmee in feite sprake van niet-agrarische functies in de vorm van wonen in het landschap.
Het deelgebied en het bebouwingslint waarin het plangebied is gelegen betreft een gebied dat zich steeds meer heeft getransformeerd van een agrarisch gebied naar een gebied met een grotere menging van functies. Het plangebied sluit goed aan op het bebouwingslint en zal dit verder versterken. Daarnaast sluit het gebied aan op het naastgelegen bedrijventerrein, waarop niet-agrarische bedrijvigheid de hoofdactiviteit betreft. De voorgenomen ontwikkeling sluit hier goed op aan. De ontwikkeling past daarmee binnen de functionele karakteristiek van het landschap in de omgeving.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door een landschapsdeskundige en stedenbouwkundige een inrichtingsplan gemaakt (zie bijlage 2 van deze toelichting), waarin voor de locaties een inrichtingstekening is gemaakt. Bij het inrichtingsplan is tevens een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing opgenomen. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling bijdragen aan een verbetering van de stedenbouwkundige en landschappelijke/ecologische kwaliteiten van het gebied.
Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling daarmee niet leiden tot onevenredige nadelige effecten op de landschappelijke waarden van het gebied.
De omvang van het plangebied betreft slechts een klein deel van het totale gebied waarin de locaties zijn gelegen. De ontwikkelingen op de huidige bedrijfslocaties zijn kleinschalig van aard en hebben een vermindering van het ruimtebeslag en bebouwde oppervlak als gevolg. De voorgenomen ontwikkeling betreft daarmee een passende omvang van functies en bebouwing in de omgeving.
Zoals nader aangetoond en omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1) zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige effecten hebben op bestaande en toekomstige functies en ontwikkelingen in het gebied. Verder zal de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader is aangetoond en omschreven in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1), geen nadelige effecten hebben op het gebied van milieu, waaronder volksgezondheid en veiligheid.
Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige effecten hebben op de bovenste laag.
Het initiatief zal daarmee niet leiden tot mogelijk nadelige effecten op de verschillende lagen.
Voor wat betreft de meerwaardecreatie gelden vanuit de verordening de volgende aanvullende bepalingen:
" Artikel 3.8 meerwaardecreatie
Lid 1
Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:
Lid 2
De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering
landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie."
Zoals gesteld kan de fysieke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit zoals bedoeld in artikel 3.9 deel uitmaken van de meerwaardecreatie. In artikel 3.9 is het volgende opgenomen:
" Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap
Lid 1
Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat
die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit
van het gebied of de omgeving.
Lid 2
Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat:
Lid 3
Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten:
Lid 4
Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële
bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag
wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken."
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door een landschapsdeskundige en stedenbouwkundige een inrichtingstekening voor de locaties gemaakt (zie bijlage 2 van deze toelichting), waarin tevens een goede landschappelijke inpassing van de locaties en het plangebied is opgenomen. Dit draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en omgevingskwaliteit van de omgeving. Een goede landschappelijke inpassing wordt op basis van artikel 3.9 gezien als een meerwaardecreatie.
Daarnaast worden bij de voorgenomen ontwikkeling een intensieve veehouderij op meerdere locaties beëindigd. Daarbij zal de uitstoot van geur, ammoniak, fijnstof, stikstof en van mogelijke ziektekiemen en/of zoönosen aanzienlijk afnemen. Daarmee zal het woon- en leefklimaat in de omgeving verbeteren, waarmee sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit.
Tevens wordt bij de voorgenomen ontwikkeling overtollige bebouwing gesloopt (op de te beëindigen bedrijfslocaties). Sloop van bebouwing leidt tot een verbetering van de omgevingskwaliteit en is derhalve aan te merken als meerwaardecreatie.
Tussen de gemeente en de provincie zijn nadere afspraken gemaakt met betrekking tot de ruimtelijke kwaliteitsverbetering bij ruimtelijke ontwikkelingen. Deze afspraken zijn vastgelegd in de "Regeling kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Land van Cuijk 2023" van de gemeente Land van Cuijk. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Regeling kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Land van Cuijk 2023" (paragraaf 3.3.3) wordt aan de uitgangspunten vanuit deze regeling voldaan, waarmee in voldoende mate sprake is van een kwaliteitsverbetering van het landschap.
Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik (of toepassing wordt gegeven aan maatwerk), geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit.
Daarnaast gelden voor specifieke ontwikkelingen in het landelijk gebied specifieke aanvullende regels. In deze paragraaf wordt verder getoetst of de ontwikkeling past in het beleid zoals is opgenomen in de verordening.
Op de locaties wordt de intensieve veehouderij beëindigd. Daarbij zullen de bestaande bedrijfswoningen op de locaties worden omgeschakeld naar burgerwoningen, zal het cultuurhistorisch waardevol pand worden omgeschakeld naar een burgerwoning en zullen nog een drietal ruimte-voor-ruimte woningen worden opgericht.
Op basis van artikel 3.68 zijn in beginsel uitsluitend bestaande burgerwoningen toegestaan in het landelijk gebied. In artikel 3.69 zijn daarop echter afwijkingen opgenomen. Deze luiden als volgt:
" Artikel 3.69 Afwijkende regels (burger)woningen
In afwijking van Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in:
Op basis van het gestelde onder c kan in een cultuurhistorisch waardevol pand een woonfunctie worden gevestigd, mits dit bijdraagt aan het behoud of het herstel van de bebouwing. Om dit te onderzoeken is door het Monumentenhuis Brabant een cultuurhistorische verkenning uitgevoerd. Daaruit blijkt dat het pand cultuurhistorisch waardevol is te noemen en dat de voorgenomen herbouw en de omschakeling van het pand naar een burgerwoning bijdraagt aan de historische waarde ervan. Voor de motivatie van het Monumentenhuis Brabant wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. Daarmee is het omschakelen van de historische schuur naar een burgerwoning mogelijk op basis van artikel 3.69, onder c.
Daarnaast kan op basis van het bepaalde onder d een bestaande bedrijfswoning in gebruik worden genomen als burgerwoning. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden de twee bestaande bedrijfswoningen (nummer 6 en nummer 15) omgeschakeld naar burgerwoningen. Daarvoor geldt dat deze woningen niet mogen worden gesplitst in meerdere woonfuncties. Bij de voorgenomen ontwikkeling is daar geen sprake van. Daarnaast dient overtollige bebouwing te worden gesloopt. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal alle aanwezige bedrijfsbebouwing, behoudens de bedrijfswoningen, het cultuurhistorisch waardevol pand en de bijbehorende bijgebouwen, in zijn geheel worden gesloopt. Er is daarmee sprake van de sloop van overtollige bebouwing. Daarmee is het omschakelen van de bedrijfswoningen naar burgerwoningen mogelijk op basis van artikel 3.69, onder d.
Verder worden drie ruimte-voor-ruimte woningen opgericht. Ruimte-voor-ruimte woningen zijn niet opgenomen in de afwijkingen zoals zijn genoemd in artikel 3.69. Echter is voor ruimte-voor-ruimte een apart artikel opgenomen waarin ruimte-voor-ruimte woningen mogelijk gemaakt kunnen worden als aan de daarvoor opgenomen voorwaarden wordt voldaan. De regels voor ruimte-voor-ruimte, zoals zijn opgenomen in artikel 3.79 van de verordening, luiden als volgt:
" Artikel 3.79 Ruimte-voor-ruimte kavel
Lid 1
Een bestemmingsplan kan voorzien in een of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels in Stedelijk gebied of Landelijk gebied als deze ontwikkeling:
Lid 2
Als uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat de in het verleden gedane investering
in omgevingskwaliteit is terugverdiend, is het eerste lid niet meer van toepassing.
Lid 3
Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing:
Op basis van het eerste lid van artikel 3.79 kunnen ruimte-voor-ruimte woningen mogelijk worden gemaakt, mits sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit, de oprichting plaatsvindt op een aanvaardbare locatie en dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied.
In het bepaalde onder het eerste lid dient voor het verkrijgen van de ruimte-voor-ruimte kavels een voldoende grote winst in de omgevingskwaliteit te worden behaald. De uitgifte van de titels in ruil voor de winst in de omgevingskwaliteit wordt beheerd door de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte-voor-ruimte. Volgens de huidige regels met betrekking tot ruimte voor ruimte wordt er een voldoende grote kwaliteitswinst behaald indien per ruimte-voor-ruimte titel minimaal 1.000 m² aan stallen behorende bij een varkens- en/of pluimveehouderij worden gesloopt en er minimaal 3.500 kilogram aan fosfaatrechten worden ingetrokken.
Als uitzondering daarop kan een titel worden aangekocht bij de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte. De ontwikkelingsmaatschappij heeft een aantal titels die zij kunnen uitgeven waarvoor reeds eerder een kwaliteitswinst is behaald aan de hand van voorwaarden. De drie noodzakelijke titels zijn reeds aangekocht bij de ontwikkelingsmaatschappij. In bijlage 1 is de overdracht van de bouwtitels opgenomen. Daarmee is sprake van een (reeds eerder behaalde) aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit.
Verder dient de locatie aanvaardbaar te zijn. In artikel 3.78, derde lid staat dat sprake dient te zijn van een bebouwingsconcentratie of dat de ontwikkeling een logische afronding geeft van het stedelijk gebied of een bebouwingsconcentratie.
In de verordening is de volgende definitie van een bebouwingsconcentratie opgenomen:
" bebouwingsconcentratie
kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster;"
De ruimte-voor-ruimte woningen worden opgericht in het bebouwingslint langs de Peelstraat. De Peelstraat betreft een uitloper van de kern Wanroij die een directe verbinding heeft met de kern. De bebouwing langs de Peelstraat staat relatief kort op elkaar en zorgt voor een verdichting van het lint. Er is geen sprake van grote open ruimten in het lint. Daarnaast bestaat het lint uit verschillende gemengde functies naast elkaar. Tevens is het gebeid waarin de locatie is gelegen vanuit het bestemmingsplan nader aangemerkt als bebouwingsconcentratie. De Peelstraat waaraan de locaties zijn gelegen is daarmee aan te merken als een bebouwingslint en daarmee als bebouwingsconcentratie. De locaties zijn daarnaast gelegen in een gebied dat vanuit het geldende bestemmingsplan is aangeduid als zijnde een bebouwingsconcentratie. Er is daarmee sprake van een aanvaardbare locatie.
Ten slotte dient de ontwikkeling passend te zijn binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. In artikel 3.77 staat daarover dat nader gemotiveerd dient te worden dat de activiteiten vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving. Verder dient te worden gemotiveerd of de ontwikkeling effecten heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders. Ten slotte dient te worden gemotiveerd op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden en op welke wijze de sloop van overtollige bebouwing wordt gesloopt.
De locatie is gelegen in een oud agrarisch landschap, waarin in de loop der jaren een trend in gang is gezet waarin de agrarische bedrijvigheid steeds meer is getransformeerd en zal gaan transformeren naar wonen, toerisme en recreatie, maatschappelijke voorzieningen en niet-agrarische bedrijvigheid. Door de continue kleinschalige transformatie van functies zo goed mogelijk samen te laten gaan met landschappelijke versterking zal de kleinschalige groene landschapskarakteristiek zich in de loop van de tijd versterken. Het landschap wordt daarmee een stabiele drager van deze functieveranderingen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij op meerdere locaties, waarbij deze worden omgeschakeld naar een woningbouwlocatie. Er is daarbij echter, zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3) geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Er is daarmee sprake van wonen in het landschap.
Door de ligging van de locatie in het bebouwingslint dat, naast enkele agrarische bedrijven, voor een groot deel uit woningen bestaat en zich blijft transformeren naar een meer gemengd lint met in hoofdzaak woonfuncties sluit de ontwikkeling van de woningen hier goed bij aan. In de huidige situatie wordt veel overlast ondervonden door de intensieve veehouderijen. Met het beëindigen van de intensieve veehouderijen wordt een knelsituatie, waarbij sprake is van een overbelasting op het gebied van geur, beëindigd. Het uitvoeren van een intensieve veehouderij past niet in een bebouwingslint met een overwegende woonfunctie. De voorgenomen woonfuncties sluiten daar beter bij aan.
Zoals nader omschreven en aangetoond in het hoofdstuk "Ruimtelijke- en milieuaspecten" (hoofdstuk 4) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van nadelige effecten op een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders. Leegstand wordt juist voorkomen door het geven van een nieuwe invulling aan een bestaande locatie en het slopen van overtollige bebouwing.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door een landschapsdeskundige en stedenbouwkundige een inrichtingstekening voor de locaties gemaakt (zie bijlage 2 van deze toelichting), waarin tevens een goede landschappelijke inpassing van het plangebied is opgenomen. Daarmee is sprake van een goede landschappelijke inpassing.
Ten slotte wordt bij de voorgenomen ontwikkeling voormalige bedrijfsbebouwing gesloopt. Daarmee is sprake van sloop van overtollige bebouwing.
Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een ontwikkeling die past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied.
De ruimte-voor-ruimte woningen kunnen daarmee ter plaatse mogelijk worden gemaakt op basis van artikel 3.79.
De voorgenomen ontwikkeling past gezien het voorgaande binnen de mogelijkheden uit de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.
Gemeente Land van Cuijk heeft op 17 januari 2014 voor het buitengebied de Structuurvisie Buitengebied Sint Anthonis vastgesteld. Deze structuurvisie geeft de visie van de gemeente voor ontwikkelingen in het buitengebied weer. In 2012 heeft de gemeente de beleidskeuzen voor het buitengebied vastgesteld. De structuurvisie is een vertaling van die beleidskeuzen en borduurt daarop voort.
In de structuurvisie maakt de gemeente onderscheid in deelgebieden. Per deelgebied wordt er in de structuurvisie en per activiteit aangegeven op welke wijze dit bereikt kan worden.
In beginsel is het beleid voor het buitengebied opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied Sint Anthonis 2013" en de herziening daarop. Indien het bestemmingsplan geen ruimte biedt om een gewenst initiatief te realiseren dan kan worden bekeken of het initiatief aansluit bij de beleidsuitgangspunten uit de structuurvisie.
Hierbij worden vier niveaus van regie onderscheiden:
De gemeente heeft het buitengebied opgedeeld in verschillende deelgebieden. Binnen de verschillende deelgebieden zijn eigen uitgangspunten en mogelijkheden van toepassing. Het plangebied is geheel gelegen in het deelgebied dat is aangemerkt als 'Kleurenpalet (deelgebied 6)'.
Dit deelgebied is het oude agrarische landschap rond de kernen Wanroij, Ledeacker, Sint Anthonis en Oploo. Het gebied wordt gekenmerkt door het kleinschalige karakter en de diverse clusters van agrarische bedrijven/veehouderijen. Deze agrarische bedrijven/veehouderijen liggen aan de oorspronkelijke verbindingswegen tussen de kernen op hoger gelegen gronden. Andere gebiedskenmerken zijn de oude akker complexen, oude provinciale wegen door de dorpen, relatief veel burgerwoningen en recreatief-agrarisch gebruik (paarden).
Binnen het deelgebied 'kleurenpalet' zijn, in vergelijking met de andere deelgebieden, de meeste bebouwingskarakteristieken aanwezig. Zo bestaat het deelgebied uit bebouwingsconcentraties, open en halfopen linten buiten de kernen, en solitaire bebouwing binnen en buiten de kernrandzones. De dynamiek in dit deelgebied komt in belangrijke mate uit andere functies (dan de agrarische) die in steeds sterkere mate de functionele karakteristiek van dit gebied gaan bepalen.
In Kleurenpalet, het oorspronkelijke oude agrarische landschap, zullen agrarische bedrijfsactiviteiten meer en meer overgaan naar wonen, toerisme en recreatie, maatschappelijke voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid. De gemeente wil dat deze functionele ontwikkelingen de ruimtelijke kwaliteiten verder versterken en dat ze daarbij de kleinschaligheid van het landschap respecteren en ondersteunen. Daarbij is het van belang dat de ruimtebehoefte van een ontwikkeling strookt met de karakteristiek van het gebied.
Door de continue kleinschalige transformatie van functies zo goed mogelijk samen te laten gaan met landschappelijke versterking zal de kleinschalige groene landschapskarakteristiek zich in de loop van de tijd versterken. Het landschap wordt daarmee een stabiele drager van deze functieveranderingen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omschakeling van een intensieve veehouderij op meerdere locaties naar een locatie voor woningbouw. Er is daarmee in feite sprake van niet-agrarische activiteit in de vorm van wonen in het deelgebied 'kleurenpalet'.
Bij de beëindiging van de intensieve veehouderij op meerdere locaties worden een aantal woningen gerealiseerd. Voor wonen in het landelijk gebied geldt vanuit de visie dat nieuwvestiging mogelijk is in de vorm van ruimte-voor-ruimte en dat omschakeling van bedrijfswoningen naar burgerwoningen mogelijk is om leegstand tegen te gaan. Daarbij geldt dat de ontwikkeling moet bijdragen aan de stedenbouwkundige kwaliteiten van het deelgebied en aan het behoud dan wel de versterking van de landschappelijke/ecologische kwaliteiten van het deelgebied.
Bij de voorgenomen ontwikkeling worden de bestaande bedrijfswoningen omgeschakeld naar burgerwoningen. De nieuw te vestigen woningen zullen worden opgericht in het kader van ruimte-voor-ruimte. Dit past binnen de uitgangspunten uit de visie. Een uitzondering daarop is het omschakelen van het cultuurhistorisch waardevolle pand naar een burgerwoning. Echter draagt dit, ondanks dat dit niet geheel past binnen de uitgangspunten uit de visie, bij aan het behoud en het versterken van de cultuurhistorische waarde van het pand en die in het gebied.
Daarnaast is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij op meerdere locaties. Daarbij zal alle aanwezige bedrijfsbebouwing, behoudens de bedrijfswoningen, de bijbehorende bijgebouwen en een cultuurhistorisch pand, worden gesloopt. De huidige bedrijfsbebouwing is verouderd. Daarmee zal de sanering van het bedrijf leiden tot een (aanzienlijke) verbetering van de stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteit. Daarnaast is ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling door een landschapsdeskundige en stedenbouwkundige een inrichtingsplan gemaakt (zie bijlage 2 van deze toelichting), waarin voor de locaties een inrichtingstekening is gemaakt. Daarbij is uitgegaan van een goede, bij het gebied passende stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing. Daarmee draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan de stedenbouwkundige en (de versterking van) de landschappelijke/ecologische kwaliteiten van het gebied.
De voorgenomen ontwikkeling past daarmee goed binnen de gebiedsspecifieke voorwaarden voor wonen uit de visie. Naast gebiedsspecifieke voorwaarden gelden voor wonen in het landelijk gebied echter nog algemene criteria. Deze zijn als volgt:
De locaties zijn gelegen binnen een bebouwingsconcentratie. Daarnaast passen de woningen binnen de gemeentelijke woonvisie. Dit is reeds met de gemeente besproken en door de gemeente akkoord bevonden. De uitgangspunten uit de woonvisie zijn in de Structuurvisie Kernen van de gemeente opgenomen. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Structuurvisie Kernen" (paragraaf 3.3.2) past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit de Structuurvisie Kernen, waarmee de voorgenomen ontwikkeling ook past binnen de woonvisie van de gemeente.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal alle voormalige bedrijfsbebouwing, uitgezonderd de bedrijfswoningen, een cultuurhistorisch pand en de bijbehorende bijgebouwen, worden gesloopt. Daarmee is sprake van sloop van overtollige bebouwing. Tevens wordt bij de voorgenomen ontwikkeling een intensieve veehouderij op meerdere locaties gesaneerd. Deze intensieve veehouderij leidt in de huidige situatie tot milieuhinder aan de omgeving waarin deze eigenlijk te hoog is voor de vele woningen in het bebouwingslint. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de milieuhinder aanzienlijk afnemen, waarmee het woon- en leefklimaat in het gebied zal worden verbeterd. Daarmee wordt de leefbaarheid in het landelijk gebied bevorderd.
Met het behoud en de omschakeling van het cultuurhistorisch waardevol pand zal de cultuurhistorische kwaliteit worden behouden. Het wonen zal daarnaast goed aansluiten bij de verschillende functies in het bebouwingslint, waarin reeds vele woningen zijn gelegen. Daarbij zorgt de ontwikkeling van de woningen voor een sterker bebouwingslint dat beter aansluit op de kern. De ontwikkeling past daarmee goed binnen de functionele karakteristiek van de omgeving.
Zoals nader omschreven in de paragraaf "Milieu" (paragraaf 4.1) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot milieuhygiënische belemmeringen en/of een aantasting van de omliggende (agrarische) bedrijven. Ten slotte worden de nieuwe woningen opgericht volgens de huidige inzichten en eisen op het gebied van duurzaamheid. Daarmee zijn de duurzaamheidsaspecten geborgd.
Aan de algemene criteria kan daarmee worden voldaan, behoudens aan het criterium dat de locatie gelegen moet zijn binnen het zoekgebied verstedelijking. Dit is niet het geval. Echter maakt de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3), geen stedelijke ontwikkeling mogelijk. Daarnaast worden de nieuwe woningen opgericht met toepassing van de regeling ruimte-voor-ruimte, welke in bebouwingsconcentraties kunnen worden opgericht. Verder wordt de behaalde ruimtelijke en milieuwinst door de gemeente als grote meerwaarde in het gebied beschouwd, waarmee alsnog medewerking kan worden verleend. Daarmee wordt de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie daarmee alsnog acceptabel en voorstelbaar geacht.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit de Structuurvisie Buitengebied Sint Anthonis van gemeente Land van Cuijk.
In juni 2016 heeft de gemeente Land van Cuijk het ontwerp van de Structuurvisie Kernen opgesteld. In deze visie is het ruimtelijke beleid van de gemeente opgenomen voor de kernen. De visie is niet juridisch bindend, maar biedt het houvast en de leidraad voor het opstellen van het ruimtelijk beleid in bestemmingsplannen voor de kernen van de gemeente.
In de visie wordt een blik geworpen op de toekomst. De visie beschrijft hoe de gemeente de ontwikkeling van de gemeente voor zich ziet, wat er goed gaat, en wat er juist nog aandacht vraagt. Een aantal thema's keerden bij het maken van de structuurvisie telkens terug, onder andere in de verschillende bijeenkomsten, en zijn daarom als belangrijkste opgaven gedefinieerd:
Verder zijn in de visie de volgende hoofdpunten opgenomen, die aansluiten bij de geconstateerde opgaven:
In de visie wordt verder de doorkijk gemaakt naar de langere termijn en is opgenomen hoe de gemeente zichzelf wil zien in 2025. Vanuit de visie wil de gemeente in 2025:
Het ruimtelijk beleid in de visie sluit aan op het toekomstbeeld van de gemeente en bevat op basis daarvan de gewenste ruimtelijke beleidsuitgangspunten voor het te hanteren ruimtelijk beleid.
Voor wat betreft wonen stelt de gemeente in de visie de volgende opgaven:
Bij de voorgenomen ontwikkeling worden de woningen opgericht in het buitengebied en niet in de kern. De locatie voor de gewenste woningen ligt echter in een bebouwingslint aansluitend aan de kern dat is aangemerkt als een bebouwingsconcentratie. De locatie maakt daarmee een onlosmakelijk deel uit van de kern Wanroij. De visie biedt ruimte voor kleinschalige initiatieven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een dergelijk kleinschalig initiatief en past daarmee binnen de doelstellingen van de visie.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten zoals zijn verwoord in de (ontwerp) Structuurvisie Kernen van de gemeente Land van Cuijk.
Op basis van gemaakte afspraken tussen de provincie en gemeente Land van Cuijk met betrekking tot de kwaliteitsverbetering van het landschap bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen heeft de gemeente Land van Cuijk op 18 januari 2022 de "Regeling kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Land van Cuijk 2023" vastgesteld. In deze regeling is opgenomen in welke mate en op welke wijze een kwaliteitsverbetering van het landschap wordt gevraagd als tegenprestatie voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
In de regeling wordt daarvoor onderscheid gemaakt in drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen:
Met de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een agrarisch bedrijf, waarbij de bedrijfswoningen worden omgeschakeld naar burgerwoningen. Vanuit de regeling wordt de omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een woonfunctie gezien als categorie 2, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5.000 m², overtollige bebouwing wordt gesloopt en maximaal 500 m² van de voormalige bedrijfsbebouwing resteert.
Met het initiatief is sprake van de omschakeling van voormalige agrarische bedrijfslocaties naar een woonfunctie. De bestemmingsvlakken worden verkleind tot een omvang van minder dan 5.000 m², alle overtollige bebouwing wordt gesloopt en er blijft niet meer dan 500 m² aan voormalige bedrijfsbebouwing behouden. Daarmee is de omschakeling van de agrarische bedrijven aan te merken als een ontwikkeling in categorie 2.
Verder worden drie nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen opgericht. De realisatie van ruimte-voor-ruimte woningen is vanuit de regeling eveneens aangemerkt als een ontwikkeling in categorie 2.
Ten slotte wordt een cultuurhistorisch waardevol pand omgeschakeld naar een burgerwoning. Vanuit de regeling wordt de vestiging van een wooneenheid in monumentale, karakteristieke of cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gezien als een ontwikkeling in categorie 1.
Omdat de zwaarste categorie geldt voor de gehele ontwikkeling is de voorgenomen ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling in categorie 2.
Voor ontwikkelingen in categorie 2 wordt een goede landschappelijke inpassing gevraagd als tegenprestatie.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door een landschappelijk en stedenbouwkundig deskundige een landschappelijk en stedenbouwkundig inrichtingsplan opgesteld, waarin nader is uitgewerkt hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk en stedenbouwkundig wordt ingericht. Er is daarmee sprake van een goede landschappelijke inpassing, waarmee aan de voorwaarden voor een ontwikkeling in categorie 2 wordt voldaan.
Gezien het voorgaande kan aan de richtlijnen uit de "Regeling kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Land van Cuijk 2023" van de gemeente Land van Cuijk voldaan en wordt in voldoende mate een tegenprestatie geleverd voor kwaliteitsverbetering van het landschap.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.
Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen:
In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt.
De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Dit is een gebied waar meerdere functies (bijvoorbeeld wonen en bedrijvigheid) naast elkaar voorkomen. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden.
Gezien de aard van het gebied waarin het plangebied is gelegen, de menging van functies in het gebied en de ligging aan een drukke ontsluitingsweg (de Peelstraat), kan het gebied waarin het plangebied is gelegen worden beschouwd als een 'gemengd gebied'. Dit houdt in dat voor wat betreft de richtafstanden uit de VNG handreiking één stap terug gedaan mag worden.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij op meerdere locaties, waarbij de bestaande bedrijfswoningen worden omgeschakeld naar burgerwoningen, een bestaand cultuurhistorisch waardevol pand wordt omgeschakeld naar een burgerwoning en drie nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen worden opgericht. Er is daarmee sprake van uitsluitend burgerwoningen. Burgerwoningen zijn zelf gevoelige objecten en veroorzaken geen onevenredige milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving.
Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.
Met de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omschakeling van bestaande bedrijfswoningen naar burgerwoningen, het realiseren van een burgerwoning in een bestaand cultuurhistorisch waardevol pand en het oprichten van drie nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen. Er is daarmee sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Hierbij is het van belang om aan te tonen dat dit nieuwe gevoelige object niet zal leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven.
In de omgeving zijn naast burgerwoningen, die geen onevenredige milieuhinder aan de omgeving veroorzaken, de volgende inrichtingen/functies gelegen:
| Bedrijven in de omgeving | Richtafstanden (in meters)* | |||||
| Bedrijf | Bepalend gevoelig object | Afstand (in meters) | Geur | Stof | Geluid | Gevaar |
| Peelstraat 10, Melkrundveehouderij | Rvr. woning Peelstraat ong. | 192 | 50 | 10 | 10 | 0 |
| Peelstraat 11, Melkrundveehouderij | Peelstraat 15a | 15 | 50 | 10 | 10 | 0 |
| Peelstraat 17, Vleesveehouderij | Peelstraat 15 | 39 | 50 | 10 | 10 | 0 |
| Peelstraat 21, Melkrundveehouderij | Peelstraat 15 | 260 | 50 | 10 | 10 | 0 |
| Molenveld (max. cat. 2) | Rvr. woning Peelstraat ong. | 136 | 10 | 10 | 10 | 10 |
| Molenveld (max. cat. 3.2) | Rvr. woning Peelstraat ong. | 144 | 50 | 50 | 50 | 50 |
*Vanwege de ligging in een gemengd gebied is bij de richtafstanden zoals zijn opgenomen in de
voorgaande tabel één stap terug gedaan.
Zoals blijkt uit de voorgaande tabel kan aan alle richtafstanden worden voldaan, behalve aan de richtafstand voor geur ten aanzien van de bedrijven aan de Peelstraat 11 en 17. Voor wat betreft geur is ten aanzien van deze bedrijven dan ook een aanvullende motivatie nodig is. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) is voor de voorgenomen ontwikkeling een nadere afweging op het aspect geur gemaakt voor de Peelstraat 11. Daaruit blijkt dat aan de geldende normen voor geur kan worden voldaan, waarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd. Daarmee wordt het betreffende bedrijf niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden beperkt.
Ten aanzien van de Peelstraat 17 wordt de richtafstand niet behaald. Het maatgevende aspect voor de richtafstand is geur. Voor de overige aspecten geldt een richtafstand van 10 meter (geluid, stof en gevaar). Aan deze richtafstanden wordt wel voldaan. Voor wat betreft het aspect geur wordt het toetsingskader gevormd door de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Volgens artikel 3 lid 2 onder b dient er een afstand van ten minste 50 meter te worden aangehouden. Aan deze afstandseis wordt niet voldaan wat betekent dat het bedrijf haar maximale planologische mogelijkheden heeft bereikt. De nieuwe woningen worden op een grotere afstand dan de bepalende woning geplaatst. Voor deze woningen dient op grond van artikel 14 lid 2 eveneens een afstand van 50 meter in acht te worden genomen. Omdat deze woningen op grotere afstanden liggen dan de bepalende woning zullen de nieuwe woningen niet beperkend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf aan de Peelstraat 17.
Voor het overige wordt aan de richtafstanden voldaan, waarmee geen andere bedrijven in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd.
De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij.
Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom.
Met het initiatief is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij op meerdere locaties. Daarbij worden de twee bestaande bedrijfswoningen omgeschakeld naar burgerwoningen, wordt een cultuurhistorisch waardevol pand omgeschakeld naar een burgerwoning en worden drie nieuwe burgerwoningen opgericht met toepassing van de regeling ruimte-voor-ruimte. Daarmee is uitsluitend sprake van burgerwoningen. Burgerwoningen zijn zelf geurgevoelige objecten en veroorzaken geen geurhinder aan de omgeving. Daarmee zal het initiatief niet leiden tot geurhinder aan de omgeving.
De huidige intensieve veehouderij zorgt in de huidige situatie voor een (te) hoge geurbelasting aan de omgeving, waarmee op sommige van de nabijgelegen burgerwoningen sprake is van een overbelaste situatie. Met de beëindiging van de intensieve veehouderij ter plaatse zal de geurhinder aan de omgeving aanzienlijk afnemen en zal de overbelaste situatie op de nabijgelegen woningen worden opgeheven. Daarmee zal het initiatief leiden tot een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving en juist een positief effect hebben op het gebied van geur.
Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving dient, wanneer nieuwe gevoelige objecten worden opgericht, te worden aangetoond dat ter plaatse van de nieuw op te richten gevoelige objecten sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Daarmee dient een afweging te worden gemaakt van het woon- en leefklimaat binnen het plangebied op het gebied van geur. Middels een geuronderzoek is inzichtelijk gemaakt of de omliggende veehouderijbedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt en of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het volledige geuronderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting.
Ter plaatse dient getoetst te worden aan de "Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Sint Anthonis 2016". Er dient te worden voldaan aan de streefwaarde van 10 ouE/m3 voor de achtergrondbelasting of anders de toetswaarde van 20 ouE/m3. Uit het geuronderzoek blijkt dat de achtergrondbelasting op alle rekenpunten onder de streefwaarde van 10 ouE/m3 blijft. Gezien het voorgaande zijn er ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen op het gebied van geur.
De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof (PM10) en stikstofoxiden (NOx).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.
In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is opgenomen hoe wordt omgegaan met woningen in het kader van NIBM. Vanuit deze regeling is, in bijlage 3a, voor woningbouwlocaties opgenomen dat deze als NIBM worden beschouwd als sprake is van niet meer dan 1.500 nieuwe woningen wanneer er één ontsluitingsweg aanwezig is en niet meer dan 3.000 nieuwe woningen wanneer er twee ontsluitingswegen aanwezig zijn.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij op meerdere locaties, waarbij de bestaande twee bedrijfswoningen worden omgeschakeld naar burgerwoningen. Daarnaast zal een cultuurhistorisch waardevol pand worden omgeschakeld naar een burgerwoning en zullen drie nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen worden opgericht. In totaal is daarmee sprake van 6 woningen. Hiermee is sprake van een NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.
Daarnaast zal de beëindiging van de intensieve veehouderij leiden tot een aanzienlijke afname van de emissie van fijnstof en stikstofoxiden, waarmee de voorgenomen ontwikkeling juist een positief effect zal hebben op de luchtkwaliteit.
Naast de bijdrage van een inrichting aan de luchtkwaliteit dient ook een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit vanuit het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden.
In onderhavig geval is sprake van een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie. Om te bepalen of de toename van het aantal verkeersbewegingen zorgt voor een in betekenende mate toenemende uitstoot van fijnstof en stikstofoxide, is met de NIBM-rekentool van InfoMil een berekening gemaakt. Daarbij is uitgegaan van het totaal aantal verkeersbewegingen in de gewenste situatie, dus ook van de bestaande woningen, om uit te kunnen gaan van de worst-case situatie. De grens voor een project dat als NIBM kan worden aangemerkt is 1,2 µg/m³.
Zoals te zien in de volgende figuur wordt de grens van 1,2 µg/m³ met de voorgenomen ontwikkeling niet overschreden, waarmee gesteld kan worden dat ook ten aanzien van de toename van het aantal verkeersbewegingen sprake is van een NIBM-project.
Resultaten berekening NIBM-tool.
Bron: InfoMil.
Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen.
Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de omschakeling van agrarische bedrijfswoningen naar burgerwoning, de omschakeling van een cultuurhistorisch waardevol pand naar een burgerwoning en het oprichten van drie nieuwe burgerwoningen met toepassing van de regeling ruimte-voor-ruimte. De woningen dienen te worden beschouwd als gevoelige objecten op het gebied van luchtkwaliteit. Hiermee dient nader te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd. Daarbij zijn de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden leidend.
Vanuit landelijke wetgeving is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor fijnstof wanneer de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden niet meer bedragen dan:
Volgens gegevens uit de Altas Leefomgeving van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin de gegevens uit de Monitoringstool van het NSL zijn verwerkt, bedragen de achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden, zoals weergegeven in de volgende figuren, ter plaatse gemiddeld ongeveer 17,5 µg/m³ (fijnstof) en 12,3 µg/m³ (stikstofoxiden). De achtergrondconcentraties van fijnstof en stikstofoxiden bedragen daarmee ter plaatse (aanzienlijk) minder dan 40 µg/m³. Het aandeel fijnstof PM2,5 is meegenomen in de concentratie van de fijnstof PM10. Omdat de concentratie van fijnstof PM10 al minder bedraagt dan 25 µg/m³ kan de concentratie van PM2,5 eveneens niet meer bedragen dan 25 µg/m³, waarmee aan de normen wordt voldaan. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit.
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie fijnstof.
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.
Uitsnede kaart achtergrondconcentratie stikstofoxiden.
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.
Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.
De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:
Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen:
Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij op meerdere locaties, waarbij de twee bestaande bedrijfswoningen worden omgeschakeld naar burgerwoningen, een cultuurhistorisch waardevol pand wordt omgeschakeld naar een burgerwoning en drie nieuwe burgerwoningen met toepassing van de regeling ruimte-voor-ruimte worden opgericht. Er is daarbij uitsluitend sprake van burgerwoningen. Daarmee is geen sprake van een inrichting die leidt tot een toename van de geluidhinder aan de omgeving.
Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving.
Met de beëindiging van de intensieve veehouderij zullen de huidige statische geluidsbronnen zoals ventilatoren komen te vervallen. Daarmee zal sprake zijn van een aanzienlijke afname van de geluidbelasting aan de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee juist een positief effect hebben op de geluidbelasting in de omgeving.
Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van (nieuwe) burgerwoningen. Dit zijn vanuit de Wgh aan te merken als een geluidsgevoelig objecten. Om aan te tonen of ter plaatse van de gevoelige objecten aan de wettelijke normen wordt voldaan is een akoestisch onderzoek naar (spoor)wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieruit blijkt dat aan de voorkeursgrenswaarden wordt voldaan, behalve ter plaatse van de nieuwe woningen aan de Peelstraat 15 en 15a. Daarbij wordt wel voldaan aan de maximale grenswaarden. Voor deze woningen ligt het, gezien maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting door de Peelstraat financieel niet haalbaar, praktisch niet mogelijk en/of vanuit akoestisch en landschappelijk/stedenbouwkundig oogpunt ongewenst zijn, voor de hand om een besluit tot Hogere Grenswaarden te nemen. Deze procedure wordt gelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure doorlopen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting.
De locaties van de woningen zijn, zoals nader omschreven in de paragraaf "Milieuzonering" (paragraaf 4.1.1), daarnaast niet gelegen binnen de richtafstanden voor geluid van omliggende bedrijven of inrichtingen. Daarmee zal geen sprake zijn van een onevenredige geluidhinder als gevolg van bedrijven of inrichtingen in de omgeving.
Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige geluidshinder en kan ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid worden geborgd.
Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect geluid.
Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong.
Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld.
Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht.
Middels de "Handreiking veehouderij en volksgezondheid" wordt een aanpak aangedragen hoe zorgvuldig en praktisch om te gaan met het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen of het toepassen van de omgekeerde werking. De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de volksgezondheid beoordeelt, of dat een advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) noodzakelijk wordt geacht.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is het stappenplan uit de handreiking gevolgd. In het stappenplan wordt aan de reeks van een aantal vragen bepaald of nader advies van de GGD nodig is. De toetsing aan het stappenplan is als volgt:
Stap 1: Edotoxinen:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van varkens en/of het houden van pluimvee. Binnen 200 meter van de locatie zijn, gemeten vanuit de gewenste bouwvlakken na realisatie van het project, geen varkenshouderijen gelegen. Tevens zijn binnen 500 meter van de locatie geen pluimveehouderijen gelegen.
Stap 2: Emissies:
De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Er is sprake van de beëindiging van veehouderijen en het oprichten van woningen en bedrijven. De emissies nemen daarmee alleen maar af.
Stap 3: Geur:
Er is geen sprake van het houden van dieren. Ten aanzien van veehouderijen in de omgeving wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2), aan de vaste afstanden en/of geurnormen voldaan. Tevens kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van geur worden geborgd. Aan het wettelijk kader en de gezondheidskundige advieswaarden ten aanzien van geur wordt daarmee voldaan.
Stap 4: Gecombineerde diersoorten:
Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen dieren meer gehouden. Er is in de nabije omgeving ook geen sprake van een inrichting waarop meerdere diersoorten gecombineerd worden gehouden. Tevens is geen sprake van een kleinere afstand dan 100 meter tot varkens- en/of pluimveehouderijen.
Stap 5: Varkens-, pluimvee- en geitenhouderijen:
Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt er geen varkens- pluimvee- of geitenhouderij opgericht.
Stap 6: Mestbewerking en/of -verwerking:
Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van de bewerking en/of verwerking van mest.
Stap 7: Ongerustheid bij omwonenden:
Voor de voorgenomen ontwikkeling is er een omgevingsdialoog met de omwonenden gevoerd. Zoals beschreven in paragraaf ''Maatschappelijke uitvoerbaarheid'' (paragraaf 5.2) zijn alle vragen en onduidelijkheden van de omwonende beantwoord. Er is dus geen sprake van ongerustheid bij omwonenden.
Op basis van voorgaande hoeft vanuit het stappenplan uit de handreiking geen advies van de GGD te worden ingewonnen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico.
Daarnaast is met de voorgenomen ontwikkeling sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij, waarmee sprake is van een positief effect op de volksgezondheid in de omgeving.
Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Vanuit het toetsingskader kan worden gesteld dat wanneer een gevoelig object buiten de richtafstanden voor varkens- en pluimveehouderijen is gelegen er geen sprake zal zijn van een onevenredig verhoogd risico voor de volksgezondheid. Voor varkenshouderijen ligt de richtafstand op 200 meter. Voor pluimveehouderijen bedraagt deze 500 meter.
De dichtstbijzijnde veehouderij waarop ook varkens worden gehouden betreft de veehouderij aan de Peelstraat 10. Deze is op een afstand van meer dan 200 meter van de dichtstbijzijnde te ontwikkelen woningen en/of verblijfsruimten binnen het plangebied gelegen. Er is daarmee geen sprake van mogelijk verhoogde risico's voor de volksgezondheid ten aanzien van omliggende varkenshouderijen.
De dichtstbijzijnde pluimveehouderij is gelegen aan de Peelsteeg 5. Deze is op een afstand van ongeveer 800 meter van het plangebied gelegen. Er is daarmee eveneens geen sprake van mogelijk verhoogde risico's voor de volksgezondheid ten aanzien van omliggende pluimveehouderijen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt een varkenshouderij beëindigd. Dit zal een positief effect hebben op de volksgezondheid in de omgeving.
Volgens het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) en de aanvullende studies daarop (VGO 2) blijkt dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven mogelijk een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de gevallen van longontsteking. Tot die tijd dienen de effecten en risico's op het gebied van volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht wanneer er binnen 2 kilometer van een geitenhouderij een ontwikkeling plaatsvindt.
Het dichtstbijzijnde bedrijf waarop geiten worden gehouden is gelegen aan de Klef 5 te Wanroij. Dit bedrijf is gelegen op een afstand van ongeveer 2,3 kilometer van het plangebied. Daarmee is geen sprake van de ligging van het plangebied binnen 2 kilometer van een geitenhouderij en is er met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van mogelijk verhoogde risico's voor de volksgezondheid ten aanzien van geitenhouderijen.
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn:
Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. In de navolgende paragraaf worden beide begrippen verder uitgewerkt.
In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Deze begrippen zijn als volgt nader te omschrijven:
Plaatsgebonden risico:
Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Groepsrisico:
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes.
Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
Tabel wanneer verantwoording van het groepsrisico.
Bron: Omgevingsdienst.
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
Overige wet- en regelgeving:
Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3.1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit Milieubeheer, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations'.
Voldaan wordt aan de in de voornoemde wet- en regelgeving opgenomen veiligheidsafstanden.
Toetsing aan de normen uit overige wet- en regelgeving geeft dan ook geen belemmering voor het plan.
Het plaatsgebonden risico geldt voor bedrijven en inrichtingen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en waarvoor een risicocontour is vastgelegd. Voor dergelijke inrichtingen en bedrijven geldt een verantwoordingsplicht wanneer binnen de risicocontour van die inrichting of dat bedrijf een ruimtelijk besluit genomen wordt. De risicovolle inrichtingen en bedrijven zijn geïnventariseerd en in kaart gebracht in de Risicokaart van het Interprovinciaal Overleg (IPO). In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.
Uitsnede kaart "Plaatsgebonden Risico" uit de kaart "Veilige omgeving".
Bron: Atlas Leefomgeving van het RIVM.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe risicovolle inrichtingen. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's naar de omgeving.
Nabij de locatie een bedrijf gelegen (aan de Molenveld 5) waarop opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het betreft opslag die voldoet aan de richtlijn PGS 15, waarvoor een risicocontour geldt van 65 meter. Ook voor dergelijke inrichtingen is het invloedsgebied gelijkgesteld aan de risicocontour. Daarmee is het invloedsgebied van de betreffende installatie eveneens 65 meter.
Het betreffende bedrijf waarop de opslag plaatsvindt is gelegen op een afstand van ongeveer 100 meter van het plangebied. Daarmee is het plangebied niet gelegen binnen het invloedsgebied van de betreffende inrichting en is een nadere motivatie van het groepsrisico niet noodzakelijk.
Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van risicovolle inrichtingen.
Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het externe veiligheidsbeleid vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico.
Op grote afstand van het plangebied zijn twee leidingen voor de transport van gas gelegen. Voor deze gasleidingen geldt, afhankelijk van de diameter en de druk van de leidingen, een invloedsgebied van 45 tot maximaal 580 meter. De betreffende leidingen zijn op een afstand van ongeveer 1 kilometer en ongeveer 1,1 kilometer van het plangebied gelegen. Daarmee is het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze leidingen gelegen.
Verder zijn er in de omgeving van het plangebied geen transportroutes gelegen voor het transport van gevaarlijke stoffen.
De locatie is daarmee niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen. Een nadere motivatie van het groepsrisico is daarmee niet noodzakelijk.
Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen.
De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Daarnaast is de locatie niet in een van de aangewezen aandachtsgebieden voor brand, explosie en/of gifwolk gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.
De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging.
Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting waarin gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven. Hiermee is de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging.
Om aan te tonen of sprake is van een verwachtte of feitelijke verontreiniging is een onderzoek conform de norm NEN 5725 (historisch onderzoek) uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van de gehele eerdere ontwikkeling, waarin ook de locatie Peelstraat 11 en de uitbreiding van het bedrijventerrein Molenveld was meegenomen. Vandaar dat het bodemonderzoek verder strekt dan uitsluitend het plangebied. Hieruit blijkt het volgende:
Geadviseerd wordt om ter plaatse van Peelstraat 6 (deellocatie A1) nog een verkennend asbestonderzoek uit te voeren voorafgaand aan de herontwikkeling. Daarnaast dient (afhankelijk van de definitieve inrichting en bestemming van de burgerwoning) het voormalig erf nog in zijn geheel onderzocht te worden.
Afhankelijk van de definitieve inrichting en bestemming van de burgerwoning aan de Peelstraat 11, moet worden bekeken in hoeverre onderzoek nog noodzakelijk is rondom de huidige burgerwoning. De locatie is namelijk verdacht op een bodemverontreiniging in verband met de ligging van een brandstoftank. Het overig gedeelte is voldoende onderzocht.
Verder wordt geadviseerd om ter plaatse van Peelstraat 15 (deellocatie H) nog een verkennend asbestonderzoek uit te voeren voorafgaand aan de herontwikkeling. Het overig terrein (deellocatie G) is voldoende onderzocht.
De overige onderzoeksresultaten vormen naar mening van Tritium Advies geen belemmering voor de voorgenomen functiewijziging en afgifte van een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit.
Voor het gehele onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 6 van deze toelichting. In bijlage 7 wordt de conlusie uit het onderzoeksrapport beschreven in een notitie.
Op basis van het historisch onderzoek is aanvullend onderzoek nodig op een aantal deellocaties die binnen het plangebied zijn gelegen. Voor de overige gronden is geen aanvullend onderzoek nodig. Het aanvullende onderzoek voor de deellocaties is eveneens uitgevoerd. Uit dit onderzoek, volgens de norm NEN 5740, blijkt het volgende:
Ter plaatse van de deellocaties aan de westzijde van de Peelstraat wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht en is de ondergrond geschikt voor het beoogde gebruik. Aan de oostzijde ter plaatse van Peelstraat 15a, de cultuurhistorisch waardevolle schuur wordt de volgende aanbeveling gedaan:
"Geadviseerd wordt om, met het oog op de geplande herontwikkeling, de asbestverontreiniging te
saneren. Voorafgaand aan de sanering moet de asbestverdachte dakbedekking op de locatie worden
verwijderd. Aanbevolen wordt om de putbodem bij een sanering uit te keuren op asbest (inclusief
asbest). Voor de sanering dient een saneringsmelding ingediend te worden in het Digitaal Stelsel
Omgevingsloket (DSO). De overige onderzoeksresultaten vormen geen belemmering voor de
voorgenomen herontwikkeling."
Voor het gehele vervolgonderzoek wordt verwezen naar bijlage 8 van deze toelichting. In bijlage 9 wordt de conlusie uit het vervolgonderzoek beschreven in een notitie.
De sanering van de asbestverdachte dakbedekking zal pas in een later stadium plaatsvinden en daarmee ook de noodzakelijke sanering van de asbestverontreiniging.
Hiermee zal de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging niet in de weg staan.
In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening te worden gehouden met een spuitzone waarbinnen gevoelige objecten alleen onder voorwaarden kunnen worden toegestaan.
Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige objecten is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat op dit moment nog geen toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige objecten. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling en het hiermee mogelijk samenhangende risico is onbekend.
Wel dient een afweging te worden gemaakt of bij een perceel waarop (mogelijk) bomenteelt plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang:
Nabij de locatie is geen sprake van bomenteelt die wordt uitgevoerd en/of van akkerbouw met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen.
De stroom door de draden van een hoogspanningslijn veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder meer af van de hoeveelheid stroom die door de draden gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen. Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningslijn verschillen. De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningslijn, des te zwakker is het magneetveld.
Nabij de locatie zijn geen hoogspanningsverbindingen gelegen. De dichtstbijzijnde hoogspanningsverbinding is gelegen op een afstand van ongeveer 2,1 kilometer van de locatie, zoals te zien is in de onderstaand figuur. Voor deze hoogspanningsverbinding geldt een indicatieve zone van 110 meter. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.
Uitsnede netkaart RIVM
Bron: data.rivm.nl.
Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.
In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.
Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen:
In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het beëindigen van een intensieve veehouderij. De twee bestaande bedrijfswoningen worden daarbij omgeschakeld naar burgerwoningen. Daarnaast wordt een cultuurhistorisch waardevol pand naar een burgerwoning en worden drie nieuwe burgerwoningen opgericht met toepassing van de regeling ruimte-voor-ruimte. In totaal is daarmee sprake van 6 burgerwoningen.
Voor wat betreft woningen geldt vanuit onderdeel D11.2 alleen een beoordelingsplicht als sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarnaast geldt een rechtstreekse plicht tot het opstellen van een volledige milieueffectrapportage als sprake is van 2.000 woningen of meer. Bij de voorgenomen ontwikkeling is, zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3), geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Daarnaast is geen sprake van 2.000 woningen of meer. Voor de voorgenomen ontwikkeling geldt daarmee geen plicht tot het opstellen van een volledige milieueffectrapportage en/of een m.e.r.-beoordelingsplicht.
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang.
De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten.
Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.
Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000-gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.
Zoals te zien in de volgende figuur is het plangebied niet gelegen in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnd Natura 2000-gebied (Oeffelter Meent) is gelegen op een afstand van ongeveer 9,9 kilometer van het plangebied. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied. Derhalve dient te worden aangetoond of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk schadelijke effecten heeft op Natura 2000-gebieden.
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden.
Bron: Aerius Calculator.
Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de intensieve veehouderij op meerdere locaties beëindigd. De bestaande bedrijfswoningen worden omgezet naar burgerwoningen, een cultuurhistorisch waardevol pand wordt eveneens omgeschakeld naar een burgerwoning, en daarnaast worden drie nieuwe burgerwoningen gerealiseerd met toepassing van de regeling ruimte-voor-ruimte.
Vanwege de grote afstand tot de betreffende gebieden zullen eventuele effecten als gevolg van licht, geluid en trillingen in de betreffende gebieden niet merkbaar zijn. De depositie van stikstof kan echter effect hebben op een aanzienlijk grotere afstand.
Zowel tijdens de aanleg- als de gebruiksfase van de zes beoogde burgerwoningen zal uitstoot van stikstofoxiden plaatsvinden. Om te beoordelen of deze ontwikkeling leidt tot een toename van stikstofdepositie in de betreffende natuurgebieden, zijn berekeningen uitgevoerd met behulp van het rekenprogramma AERIUS Calculator. In deze berekeningen zijn zowel de effecten van de aanlegfase als de gebruiksfase meegenomen.
Uit de resultaten, zoals opgenomen in bijlage 10 van deze toelichting, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen toename van stikstofdepositie in de betreffende gebieden veroorzaakt. Hierdoor zal er geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van deze gebieden als gevolg van stikstofdepositie.
Met de beëindiging van de intensieve veehouderij ter plaatse zal de emissie van ammoniak daarnaast aanzienlijk afnemen. Daarmee zal eerder sprake zijn van een afname van de depositie van stikstof in de betreffende gebieden, waarmee de voorgenomen ontwikkeling juist een positief effect zal hebben op de betreffende gebieden.
Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000-gebieden onevenredig worden geschaad.
Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.
Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben.
Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.
Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek had betrekking op de totale ontwikkeling waarvan de voorgenomen ontwikkeling deel uitmaakte in eerdere versies van het plan waarin ook de omschakeling van het bedrijf aan de Peelstraat 11 en de uitbreiding van het bedrijventerrein Molenveld was meegenomen. Vandaar dat de quickscan een groter onderzoeksgebied behelst dan het plangebied. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt het volgende:
"Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van een vaste rustplaats en foerageergebied van kerkuilen in het plangebied niet worden uitgesloten. Hierdoor wordt dan ook aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek te laten uitvoeren.
De ingreep kan mogelijk leiden tot verstoring en verlies van een vaste rustplaats en foerageergebied van kerkuilen. Daardoor wordt mogelijk de Wet natuurbescherming overtreden.
Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten, vaste rust-of verblijfplaatsen of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden (15 maart - 15 juli). Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord.
In de nabije omgeving van het plangebied komen geen Natura 2000-gebieden voor. Het is met de voorgenomen werkzaamheden echter niet uit te sluiten dat deze leiden tot een verhoging van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. Voor de ingreep dient daarom een Aerius-berekening te worden uitgevoerd.
In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering van werkzaamheden alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen.
Bij onvoorziene omstandigheden, zoals bijvoorbeeld indien een soort die niet in de quickscan wordt
genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op
te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een
maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden."
Daarnaast worden aanbevelingen gedaan met betrekking tot natuurinclusief bouwen. In een latere fase, bij de bouw van de gewenste bouwwerken, zal worden gekeken naar de mogelijkheden voor natuurinclusief bouwen.
Voor het gehele onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 11 van deze toelichting.
Vanuit het onderzoek is nader onderzoek naar de kerkuil noodzakelijk gebleken, omdat een vaste rustplaats of foerageergebied daarvan niet kon worden uitgesloten. Dit aanvullende onderzoek is eveneens uitgevoerd. Daaruit blijkt het volgende:
"Uit het nader onderzoek naar de kerkuil is gebleken dat in de te slopen gebouwen geen vaste nest- of verblijfplaats van genoemde soort aanwezig zijn. Door de geplande werkzaamheden is er weliswaar sprake van een tijdelijke beperkte verstoring van foerageergebied, maar dit heeft geen wezenlijk effect op de functionaliteit van de leefomgeving als geheel omdat er voldoende alternatieven in de directe omgeving overblijven.
De voorgenomen plannen hebben daarom geen negatief effect op onderzochte diersoorten en hebben derhalve geen overtreding van de Wet tot gevolg. Een omgevingsvergunning in het kader van de ecologie voor uilen is niet nodig.
Er zijn geen effecten te verwachten die van negatieve invloed zijn op de duurzame staat van instandhouding van de waargenomen soorten en hun functioneel leefgebied.
Tijdens het onderzoek zijn geen uilen aangetroffen.
Tevens kent de Wet een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied."
Verder worden nog aanbevelingen gedaan ten aanzien van maatregelen voor vleermuizen, natuurinclusief bouwen en het gebruik van diervriendelijke verlichting. In een latere fase, bij de bouw van de gewenste bouwwerken, zal worden gekeken naar de mogelijkheden voor de gedane aanbevelingen.
Voor het gehele onderzoeksrapport van het aanvullende onderzoek naar de kerkuil wordt verwezen naar bijlage 12 van deze toelichting.
Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen (leefgebieden van) beschermde soorten worden geschaad.
Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.
Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.
Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.
Het beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies. De provincies dienen in het ruimtelijk beleid regels op te nemen ter bescherming van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft het NNN opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant (NNB). In de provinciale ruimtelijke verordening heeft de provincie vervolgens regels opgenomen ten behoeve van het behoud en de bescherming van het NNB.
Zoals te zien in de volgende figuur is het plangebied niet in het NNN/NNB gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN/NNB-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 850 meter van het plangebied.
Uitsnede kaart NNN/NNB.
Bron: Provincie Noord-Brabant.
Gezien het plangebied niet in het NNN/NNB is gelegen en de grote afstand tot de dichtstbijzijnde NNN/NNB-gebieden zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.
Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken.
Zoals te zien in de volgende figuur is het plangebied niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen gelegen. Daarnaast zal de ammoniakemissie met de beëindiging van de veehouderijen vanuit het plangebied in zijn geheel komen te vervallen. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling eerder een positief effect hebben op de betreffende gebieden.
Uitsnede kaart Wav-gebieden.
Bron: Provincie Noord-Brabant.
Gezien het plangebied niet in een Wav-gebied of zone van 250 meter daaromheen is gelegen en de ammoniakemissie vanuit het plangebied alleen maar af zal nemen zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van deze gebieden onevenredig worden aangetast.
Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.
Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart en/of dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
Gemeente Land van Cuijk heeft de archeologische waarden en verwachtingen opgenomen in een archeologische verwachtingskaart. Zoals te zien in de volgende figuur zijn binnen het plangebied, op basis van deze kaart, gronden in categorie 2, 3 en 4 aanwezig. Voor gronden in categorie 2 geldt dat deze van zeer hoge archeologische waarde zijn en dat hiervoor bij bodemingrepen van meer dan 100 m² en dieper dan 50 centimeter onder het maaiveld een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. De gronden in categorie 3 hebben een hoge archeologische waarden en daarvoor geldt de onderzoeksplicht bij bodemingrepen van meer dan 250 m² en dieper dan 50 centimeter onder het maaiveld. Ten slotte zijn de gebieden met categorie 4 gebieden met een hoge archeologische verwachting. Ook voor deze gebieden geldt de onderzoeksplicht bij bodemingrepen van meer dan 250 m² en dieper dan 50 centimeter onder het maaiveld.
Uitsnede archeologische verwachtingskaart.
Bron: Gemeente Land van Cuijk.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van bodemingrepen van meer dan 100 m², meer dan 250 m² en dieper dan 50 centimeter onder het maaiveld. Daarmee is voor de voorgenomen ontwikkeling nader archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Ten behoeve van het initiatief is derhalve een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Allereerst betrof dit voor de gronden binnen het plangebied, deelgebied C en D, enkel een bureauonderzoek. Deellocaties C en D zijn destijds niet onderzocht door middel van boringen. Voor deze deellocaties werd geadviseerd om de dubbelbestemming archeologie te handhaven. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 13 van deze toelichting.
Binnen de deelgebieden C en D heeft een aanvullend onderzoek door middel van het graven ven proefsleuven plaatsgevonden. Uit dit onderzoek is gebleken dat ter plaatse van de onderzochte deelgebieden twee vindplaatsen zijn aangetroffen. Ter plaatse van vindplaats 1 zijn bewoningssporen aangetroffen bestaande uit paalkuilen, greppels en mogelijk een waterput waarvan de datering niet precies duidelijk is. Waarschijnlijk dateren de sporen uit de Nieuwe Tijd, mogelijk met een aansluiting op de bebouwing uit de 19e eeuw. De resten zijn met name bewaard gebleven op het (noord-)oostelijke deel van deelgebied C. Het plangebied is gedurende deze periode continu bebouwd geweest.
Ter plaatse van vindplaats 2 zijn perceelsgreppels aangetroffen daterend uit de Midden tot de jaren ‘80 verspreid over deelgebied C en D.
Voor Vindplaats 1 geldt dat de fysieke kwaliteit middelhoog is en de inhoudelijke kwaliteit hoog. Dit maakt de vindplaats behoudenswaardig op basis van de inhoudelijke kwaliteit.
Voor Vindplaats 2 geldt dat de fysieke kwaliteit hoog is, maar de inhoudelijke kwaliteit laag. Vanwege de lage inhoudelijke kwaliteit is de vindplaats niet behoudenswaardig.
De onderzoeker adviseert tot behoud van vindplaats 1 en daarmee handhaving van de huidige dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie'. Op deelgebied C adviseren zij handhaving van de dubbelbestemming voor alle niet verstoorde delen. Voor de verstoorde delen wordt vrijgave geadviseerd. Voor deelgebied D wordt vrijgave van de westelijke helft en behoud van de oostelijke helft geadviseerd.
Indien door de voorgenomen werkzaamheden op deelgebied C en het oostelijke deel van deelgebied D de archeologische resten in het geding komen en behoud in situ (behoud in de bodem) niet mogelijk is, wordt geadviseerd de resten ex situ te behouden door middel van een archeologische opgraving.
Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 14 bij deze toelichting.
Op basis van het vervolgonderzoek heeft de gemeente Land van Cuijk besloten om de archeologische vindplaatsen op te graven. De opgravingen zijn reeds gepland en zullen worden uitgevoerd. Omdat het niet zeker is of de opgravingen gereed zijn voordat de vaststelling van het voorliggende plan plaatsvindt is vooralsnog besloten de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' te handhaven binnen het plangebied. Daarmee wordt geborgd dat niet zomaar ingrepen in de bodem kunnen plaatsvinden voordat is aangetoond dat er geen archeologische waarden meer worden geschaad.
Wanneer de opgravingen zijn gedaan dan zijn geen behoudenswaardige archeologische resten meer aanwezig, waarmee er op dat moment geen waarden meer kunnen worden aangetast. Wanneer na de opgravingen bodemingrepen gewenst zijn dan geldt er vanuit de te behouden dubbelbestemming een onderzoeksplicht, tenzij er anders is aangetoond dat geen waarden meer aanwezig zijn. Door de opgravingen is dat op dat moment aan te tonen, waarmee op dat moment dan geen nader onderzoek meer nodig is. Het behouden van de dubbelbestemming zal er daarom niet toe leiden dat toekomstige ontwikkelingen hier onterecht last van zouden hebben.
Verder zal de gemeente gaandeweg ook het omgevingsplan vullen in de aanloop naar 2032. Het voorliggende plan zal in dat proces ook worden opgenomen in het omgevingsplan voor het gehele grondgebied van de gemeente Land van Cuijk. Op dat moment zullen de opgravingen zijn uitgevoerd en zal de dubbelbestemming van de locatie worden verwijderd omdat deze dan niet langer noodzakelijk is.
Gezien het voorgaande zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van mogelijk voorkomende archeologische waarden.
Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.
De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd.
Zoals te zien in de volgende figuur is het plangebied in een gebied met cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen.
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart.
Bron: Provincie Noord-Brabant.
De Peelstraat is aangemerkt als een historische geografische lijn met redelijk hoge waarde. Het is van belang deze lijn zoveel mogelijk te behouden en/of te versterken. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen wijzigingen en/of ingrepen plaats aan de infrastructuur en de Peelstraat zelf. Daarnaast wordt aan de Peelstraat een groot deel van de bestaande bedrijfsbebouwing gesloopt en vervangen door hoogwaardige nieuwe woningen. Dit bevordert de beeldkwaliteit aan het bebouwingslint en de openheid van het gebied. De voorgenomen ontwikkeling zal de historische geografische lijn daarmee niet onevenredig aantasten, maar eerder versterken.
Op grotere afstand van de locatie is De Hamse Molen (in de volksmond ook wel De Ster genoemd) gelegen. Deze molen heeft een ruime molenbiotoop, waarbinnen voor ontwikkelingen aangepaste voorschriften gelden voor de (bouw)hoogtes om de werking van de molen niet te belemmeren. Het plangebied is echter geheel buiten de molenbiotoop gelegen, waarmee de werking van de molen en de waarde ervan niet onevenredig zullen worden geschaad.
Naast de om te schakelen bedrijfswoning met nummer 15 is een historisch waardevolle schuur aanwezig (met nummer 15a). Deze schuur is echter verouderd en het is voor de beeldkwaliteit meer passend om het pand te renoveren. Om de historische waarde zoveel mogelijk te herstellen en de beeldkwaliteit te vergroten zal de historisch waardevolle schuur worden gedemonteerd en opnieuw worden opgericht. Daarnaast wordt het pand, ten behoeve van het onderhoud en daarmee het behoud en de versterking van de historische waarde ervan, omgeschakeld naar een burgerwoning. Daarmee is een goed onderhoud van het pand geborgd en worden de historische waarden ervan behouden.
Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling de historische waarde van het pand zal versterken is door het Monumentenhuis Brabant een cultuurhistorische verkenning uitgevoerd. Daaruit blijkt dat het pand cultuurhistorisch waardevol is te noemen en dat de voorgenomen herbouw en renovatie van het pand bijdraagt aan de historische waarde ervan. Voor de motivatie van het Monumentenhuis Brabant wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling alleen maar bijdragen aan de versterking van de historische waarden van het pand en zal geen sprake zijn van een aantasting van de cultuurhistorische waarde ervan.
Gezien het voorgaande zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de in de omgeving van het plangebied voorkomende cultuurhistorische waarden.
Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied gelegen.
Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden.
Bron: Provincie Noord-Brabant.
Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden.
Het plangebied is goed ontsloten via de Peelstraat. De locaties zijn reeds voorzien van inritten welke aansluiten op de Peelstraat. Voor de ontwikkelingen op de locaties zal gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur.
Bij elk van de woningen zal voldoende gelegenheid zijn om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende voertuigen de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.
Gezien het voorgaande is er met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van aantasting van de bestaande infrastructuur.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat op eigen terrein in voldoende mate kan worden voorzien in parkeergelegenheid om de parkeerdruk op de openbare ruimte te verminderen. De gemeente Land van Cuijk heeft hiervoor parkeernormen vastgelegd in de gemeentelijke nota parkeernormen, de "Nota Parkeernormen 2023 Gemeente Land van Cuijk".
Met de voorgenomen ontwikkeling zal de intensieve veehouderij worden beëindigd, waarbij sprake zal zijn van de omschakeling van de twee bedrijfswoningen naar burgerwoningen. Daarnaast zal het cultuurhistorisch waardevol pand worden omgeschakeld naar een burgerwoning en zullen drie nieuwe burgerwoningen worden opgericht met toepassing van de regeling ruimte-voor-ruimte. In totaal is daarmee sprake van 6 burgerwoningen in de vorm van vrijstaande woningen in het buitengebied.
Voor (vrijstaande) woningen in het buitengebied geldt vanuit de gemeentelijke nota parkeernormen een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning. Dit betekent dat bij elk van de woningen minimaal 3 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn.
Bij de bestaande, om te schakelen bedrijfswoningen is reeds voldoende parkeergelegenheid aanwezig in de huidige situatie. Dit zal bij de voorgenomen ontwikkeling niet wijzigen. Voor de nieuwe woningen zal ter plaatse moeten worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Bij elk van de nieuwe woningen zal voldoende ruimte worden gereserveerd voor drie parkeerplaatsen, waarmee bij elk van de woningen volledig op eigen terrein kan worden geparkeerd.
Juridische borging:
Het realiseren van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein is geborgd in de planregels behorende bij dit plan (artikel 9.4). Daarmee is in voldoende mate juridisch geborgd dat bij elk van de ontwikkelingen op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform de gemeentelijke normen uit de "Nota Parkeernormen 2023 Gemeente Land van Cuijk" of diens rechtsopvolger.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de beëindiging van een intensieve veehouderij op meerdere locaties, waarbij sprake zal zijn van de omschakeling van de twee bedrijfswoningen naar burgerwoningen. Daarnaast zal het cultuurhistorisch waardevol pand worden omgeschakeld naar een burgerwoning en zullen drie nieuwe burgerwoningen worden opgericht met toepassing van de regeling ruimte-voor-ruimte. In totaal is daarmee sprake van 6 burgerwoningen in de vorm van vrijstaande woningen in het buitengebied.
De om te schakelen bedrijfswoningen zijn reeds in gebruik als woning en blijven in gebruik als woning. De verkeersgeneratie van de om te schakelen bedrijfswoningen zal daarmee niet wijzigen. Voor deze twee woningen is daarmee geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen.
Omdat sprake is van vier nieuwe burgerwoningen dient voor deze woningen de verkeersgeneratie nader in beeld te worden gebracht.
Vanuit de handreiking 'Toekomstbestendig parkeren' van kennisplatform CROW geldt voor vrijstaande woningen in het buitengebied een verkeersgeneratie van minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Gemiddeld genomen betreft dit een verkeersgeneratie van 8,2 verkeersbewegingen per etmaal (4,1 voertuigen per dag). Dit betekent voor de vier nieuwe woningen een totale verkeersgeneratie van 32,8, afgerond 33 extra verkeersbewegingen per dag.
Daar staat tegenover dat de verkeersbewegingen van de intensieve veehouderij in zijn geheel zullen komen te vervallen.
In de huidige situatie is ter plaatse een volwaardige intensieve veehouderij op meerdere locaties aanwezig. Daarbij vinden gemiddeld de volgende verkeersbewegingen plaats:
Totaal: gemiddeld 18 verkeersbewegingen per dag, waarvan 9 met vrachtverkeer.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen daarmee met gemiddeld 15 per dag toenemen in vergelijking met de huidige situatie. Dit betreft echter een beperkte toename (gemiddeld nog geen verkeersbeweging per uur, wat resulteert in gemiddeld één auto per 2 uur). Daarnaast zal het aandeel vrachtverkeer van en naar de locatie in zijn geheel komen te vervallen, waarmee de hinder van het verkeer aanzienlijk minder zal zijn dan in de huidige situatie.
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden.
De locatie valt onder het werkgebied van het waterschap Aa en Maas (hierna: het waterschap).
Waterbeheerplan
Op 19 november 2021 is het nieuwe waterbeheerplan van waterschap Aa en Maas vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het plan geldt van 22 december 2021 tot en met 21 december 2027.
Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s:
Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Keur
De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels.
Legger
De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.
Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen. Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging.
Beleidsplan Hemelwaterbeleid 2023 Gemeente Land van Cuijk
De gemeente Land van Cuijk heeft als aanvulling op het beleid van het waterschap een eigen beleid met betrekking tot de afkoppeling van hemelwater opgesteld. In dit beleid zijn de gemeentelijke normen voor de afkoppeling van hemelwater nader verwoord alsmede welke bijdrage er aan een initiatiefnemer wordt gevraagd voor de realisatie van waterberging.
In het beleidsplan wordt onderscheid gemaakt tussen binnen en buiten de bebouwde kom. Bij wijziging van een bestemmingsplan binnen de bebouwde kom wordt bij een bouwplan de verplichting opgelegd om hemelwater in de openbare ruimte op te vangen. Als het bestemmingsplan niet gewijzigd hoeft te worden, en er is sprake van gemengde riolering, dan dient men wel op eigen terrein het water op te vangen. In het buitengebied zal het niet langer meer toegestaan zijn het water van nieuw aan te leggen verharding, zoals opritten, te laten afvloeien naar de bermen van wegen.
Zoals te zien in de volgende figuur is langs de Peelstraat een A-watergang gelegen. Verder liggen er nabij de planlocatie meerdere A-watergangen. Deze liggen, behalve de watergang langs de Peelstraat, echter op voldoende afstand van de locaties, waardoor er geen sprake is van een mogelijke aantasting van de watergangen en/of beschermingszones daarvan. Voor de watergang langs de Peelstraat is het van belang dat deze watergang en de beschermingszone daarvan niet worden aangetast.
Uitsnede legger oppervlaktewater.
Bron: Waterschap Aa en Maas.
De bouw- en sloopwerkzaamheden, zijnde de sloop van bestaande bebouwing en de realisatie van de nieuwe bebouwing, vinden geheel buiten de beschermingszone van de betreffende watergang plaats. Daarmee zullen deze activiteiten geen nadelige gevolgen hebben voor de watergang en/of de beschermingszone daarvan.
Ten behoeve van de ontsluiting van de nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen zouden, indien nodig, duikers kunnen worden aangelegd in de betreffende watergang. Hiervoor is vanuit het waterschap een Watervergunning nodig. Mocht het nodig zijn om duikers aan te leggen dan zal daarvoor te zijner tijd een Watervergunning voor worden aangevraagd. Daarbij zal dan worden voldaan aan de geldende regels van het waterschap daaromtrent.
Voor het overige zullen geen activiteiten in of aan de watergang en/of binnen de beschermingszone daarvan plaatsvinden.
Bij de ontwikkeling zal een intensieve veehouderij in zijn geheel worden beëindigd. Daarbij zal de bestaande bedrijfsbebouwing, behalve de twee bestaande bedrijfswoningen met bijgebouwen en het om te schakelen en te splitsen cultuurhistorisch waardevolle pand, worden gesloopt. Bij een van de twee te behouden bedrijfswoningen zal een bijgebouw van maximaal 500 m² behouden blijven. Bij de andere bedrijfswoning en het om te schakelen cultuurhistorisch waardevol pand is maximaal 100 m² aan bijgebouwen toegestaan. Daarnaast zullen drie ruimte-voor-ruimte woningen met bijgebouwen worden opgericht waarbij bij elk van deze woningen nog 150 m² aan bijgebouwen is toegestaan.
Vanuit het beleid van het waterschap dient wanneer sprake is van een toename van het verharde oppervlak met meer dan 500 m² te worden voorzien in compenserende waterberging, waarbij geldt dat per m² aan bebouwing minimaal 0,06 m³ aan compenserende waterberging nodig is. Indien sprake is van een gebied met een bodem met meer infiltratiecapaciteit dan kan er aan die locatie een gevoeligheidsfactor van een half of een kwart worden toegekend. Wanneer dat het geval is dan mag de noodzakelijke compensatie met de gevoeligheidsfactor worden verrekend.
De huidige bedrijfswoningen, het cultuurhistorisch waardevol pand, de 100 m² aan bijgebouwen bij een van de om te schakelen bedrijfswoningen en het te behouden bijgebouw van 500 m² bij de andere om te schakelen bedrijfswoning betreffen reeds bestaande bebouwing. Omdat dit bestaande bebouwing betreft is hiervoor geen aanvullende compensatie nodig.
Bij het naar burgerwoning om te schakelen cultuurhistorisch waardevolle pand is vanuit het geldende bestemmingsplan maximaal 100 m² aan bijgebouwen mogelijk. Daarnaast zullen de ruimte-voor-ruimte woningen, gezien deze vanuit het bestemmingsplan maximaal 1.000 m³ mogen zijn, maximaal ongeveer 183 m² groot zijn. Bij elk van de ruimte-voor-ruimte woningen mag dan vanuit het geldende bestemmingsplan maximaal 150 m² aan bijgebouwen worden opgericht. In totaal zal daarmee sprake zijn van een maximaal ruimtebeslag bij de ruimte-voor-ruimte woningen van 1.000 m².
In totaal zal het bebouwd oppervlak daarmee met maximaal 1.100 m² toenemen.
Bij de bestaande bedrijfswoningen en het cultuurhistorisch waardevol pand is reeds voldoende verharding aanwezig voor de ontsluiting van de woningen en de bijgebouwen. Bij deze woningen zal daarom geen nieuwe verharding worden aangelegd. Bij de nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen zal verharding worden aangelegd voor de ontsluiting van de woningen en de bijgebouwen. In totaal zal bij elke woning maximaal 150 m² aan verharding worden aangelegd. Dit zal leiden tot maximaal 450 m² aan nieuwe erfverharding.
In totaal zal het verhard oppervlak (bebouwing en verharding) daarmee met maximaal 1.550 m² toenemen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de overige bedrijfsbebouwing in zijn geheel worden gesloopt en zal alle overige verharding worden verwijderd. In de huidige situatie is ongeveer 7.600 m² aan bedrijfsgebouwen aanwezig welke zullen worden gesloopt. Daarnaast zal ongeveer 2.700 m² aan verharding worden verwijderd. De afname van het verhard oppervlak bedraagt daarmee in totaal ongeveer 10.300 m².
Gezien de afname van het verhard oppervlak ter plaatse aanzienlijk groter is dan de toename van het verhard oppervlak ter plaatse is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een toename van het verhard oppervlak, maar van een afname, en is voor de ontwikkeling vanuit het beleid van het waterschap geen aanvullende compenserende waterberging nodig.
De gemeente Land van Cuijk heeft echter aanvullend beleid, waarin is opgenomen dat voor iedere toename van het verhard oppervlak compenserende waterberging noodzakelijk is. Het gaat daarbij om de volledige nieuwe oppervlakte, waarbij een eventuele gelijktijdige afname van het verhard oppervlak niet mag worden verrekend. Dit betekent dat voor de nieuwe bebouwing en verharding vanuit het gemeentelijke beleid aanvullende compensatie nodig is, ondanks dat netto gezien sprake is van een afname van het verhard oppervlak. Voor de mate van compenseren hanteert de gemeente dezelfde normen als het waterschap, waarbij wordt uitgegaan van een compensatie van 0,06 per m² toename verhard oppervlak. Indien een aangepaste gevoeligheidsfactor van toepassing is dan mag die daarbij eveneens worden verrekend.
Over het gehele plangebied is de gevoeligheidsfactor 1, waarmee geen sprake is van een verbeterde infiltratie van de bodem en vermindering van de minimale compensatie niet mogelijk is. Zoals nader omschreven in het voorgaande zal de toename van het verhard oppervlak ongeveer 1.550 m² bedragen. Daarmee is een compensatie van (1.550 x 0,06 =) 93 m³ nodig zijn.
Omdat de compensatie moet plaatsvinden voor de nog te ontwikkelen ruimte-voor-ruimte woningen en het nog niet duidelijk is hoe de daadwerkelijke invulling van deze kavels er uit komt te zien, kan nog niet op passende wijze worden voorzien in een goede compensatie. Derhalve is in de planregels behorende bij dit plan, in artikel 4.4.4, een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het in voldoende mate realiseren van voorzieningen voor waterberging. Daarmee is in voldoende mate juridisch geborgd dat ten tijde van het realiseren van de nieuwe woningen wordt voorzien in voldoende waterberging.
Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld.
Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden:
Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.
Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen.
Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven:
" Artikel 6.2.1
Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor:
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub a, b en/of c van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een separate overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro. Voor die delen van het plan waar de particulier initiatiefnemer eigenaar is neemt hij voor zijn rekening en risico de benodigde maatregelen en aanpassingen. Eventuele planschade over die onderdelen wordt tevens afgewenteld op de initiatiefnemer middels de gesloten overeenkomst. De plankosten voor het bestemmingsplan draagt de gemeente.
Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het project begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee wordt het project financieel haalbaar geacht.
Het voorliggend plan betreft een herziening op het bestemmingsplan "Buitengebied Sint Anthonis 2013" en de herzieningen daarop van gemeente Land van Cuijk en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen en/of op de gemeentelijke website. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.
De voorgenomen ontwikkeling maakte eerder deel uit van een grotere gebiedsontwikkeling, waarin ook de omschakeling van de melkrundveehouderij aan de Peelstraat 11 naar een niet-agrarisch bedrijf en de uitbreiding van het bedrijventerrein Molenveld was meegenomen. Omdat voor de niet-agrarische bedrijvigheid en de uitbreiding van het bedrijventerrein aanvullende onderzoeken noodzakelijk zijn en de uitkomsten daarvan nog niet duidelijk zijn is er voor gekozen om het deel met de te beëindigen intensieve veehouderij en de gewenste woningbouw vast verder voort te zetten. De overige ontwikkelingen zoals waren meegenomen in de voorgaande versie van het ontwerpbestemmingsplan zullen mogelijk op een later tijdstip worden voortgezet als de aanvullende onderzoeken daarvoor gereed zijn en de uitkomsten daarvan bekend zijn.
Ten behoeve van de volledige gebiedsontwikkeling is een zorgvuldige dialoog met de omgeving gevoerd. Daarbij is de voorgenomen ontwikkeling eveneens meegenomen. Hiervoor is een bijeenkomst gehouden waarop de plannen nader zijn toegelicht aan de belanghebbenden en omwonenden. Tijdens de bijeenkomst zijn de aanwezigen in de gelegenheid gesteld op de plannen te reageren en eventuele aandachtspunten en/of verbeterpunten kenbaar te maken. Van de gehouden dialoog tijdens de bijeenkomst is een verslag gemaakt. Voor dit verslag wordt verwezen naar bijlage 15 van deze toelichting. Vanwege privacy-overwegingen zijn de persoonsgegevens in het verslag onherkenbaar gemaakt.
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat gemeenten bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
De voorgenomen ontwikkeling maakte eerder deel uit van een grotere gebiedsontwikkeling, waarin ook de omschakeling van de melkrundveehouderij aan de Peelstraat 11 naar een niet-agrarisch bedrijf en de uitbreiding van het bedrijventerrein Molenveld was meegenomen. Omdat voor de niet-agrarische bedrijvigheid en de uitbreiding van het bedrijventerrein aanvullende onderzoeken noodzakelijk zijn en de uitkomsten daarvan nog niet duidelijk zijn is er voor gekozen om het deel met de te beëindigen intensieve veehouderij en de gewenste woningbouw vast verder voort te zetten. De overige ontwikkelingen zoals waren meegenomen in de voorgaande versie van het ontwerpbestemmingsplan zullen mogelijk op een later tijdstip worden voortgezet als de aanvullende onderzoeken daarvoor gereed zijn en de uitkomsten daarvan bekend zijn.
In de beginfase van het plan, waarbij de andere ontwikkelingen eveneens deel uitmaakte van het plan, hebben de provincie Noord-Brabant en het waterschap Aa en Maas vooroverlegreacties gegeven op de voorgenomen ontwikkelingen. Hieronder zijn de reacties van de provincie Noord-Brabant en waterschap Aa en Maas beschreven met daarbij een beoordeling op de gemaakte reactie door gemeente Land van Cuijk. Daarbij zijn alleen de reacties behandeld die betrekking hebben op de voorgenomen ontwikkeling en niet de reacties die uitsluitend betrekking hadden op de overige onderdelen van de eerdere gebiedsontwikkeling.
De provincie Noord-Brabant heeft een vooroverlegreactie ingediend op het eerdere plan. Daarin zijn punten aangedragen die betrekking hebben op de voorgenomen ontwikkeling. De aangedragen punten die alleen betrekking hadden op overige delen van de totale eerdere gebiedsontwikkeling zijn daarbij buiten beschouwing gelaten. In deze paragraaf zijn de aangedragen punten die betrekking hebben op de voorgenomen ontwikkeling puntsgewijs opgenomen en voorzien van de gemeentelijke reactie daarop.
Reactie ruimte-voor-ruimte:
"In totaal wordt voorzien in de realisatie van drie ruimte voor ruimte kavels, elk ten behoeve van de
bouw van één woning. In de Toelichting van het plan wordt gesteld dat de titels worden verworven.
Bewijsstukken daarvan ontbreken nog. Gelet op artikel 3.80, lid 1, sub a IOV verzoeken wij u hiervoor
zorg te dragen."
Beantwoording gemeente Land van Cuijk:
De certificaten voor deze bouwtitels ontbraken nog bij het concept bestemmingsplan. Maar ten behoeve van de bouwtitels is een overeenkomst gesloten met de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte, voor de aankoop van drie titels. De overeenkomst is inmiddels beschikbaar en opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting.
Daarmee wordt voldaan aan het gestelde in de IOV.
Reactie cultuurhistorisch waardevol pand:
"
Een bijgebouw behorende bij de varkenshouderij wordt verplaatst en geschikt gemaakt voor de
vestiging van twee woonfuncties. In het plan wordt onderbouwd dat de vestiging van de woonfuncties
gericht is op het behoud en herstel van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. De redengevende
omschrijving heeft ons daarvan niet overtuigd. Bovendien wordt het bijgebouw verplaatst. Hiermee
achten wij het ook niet realistisch dat de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud en herstel van de
cultuurhistorische bebouwing."
Beantwoording gemeente Land van Cuijk:
De historische schuur op het perceel Peelstraat 15a was in eerdere planvorming ingezet voor de realisatie van 2 wooneenheden en in een nieuwe situering.
Met het voorliggende bestemmingsplan maken we mogelijk dat de schuur behouden blijft als beeldbepalend pand in zijn huidige situering en staan we de realisatie van 1 woning daarin toe. Door het toekennen van deze nieuwe functie aan het pand borgen we dat het waardevolle pand behouden kan blijven en de waardevolle elementen versterkt worden.
In het bestemmingsplan hebben we bepalingen opgenomen die borgen dat het pand behouden blijft (o.a. door een sloopverbod op te nemen).
Reactie landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering:
"In de Toelichting van het plan wordt de kwaliteitsverbetering van het landschap heel summier
toegelicht. Er wordt verwezen naar de sanering van de varkensstallen en de landschappelijke inpassing.
Het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 1 betreft enkel een situatieschets met inpassing
ingetekend, maar is ook summier en geeft geen extra informatie."
Beantwoording gemeente Land van Cuijk
Met de nadere planvormingen is ook uitvoeriger gekeken naar de kwaliteitsverbetering van het landschap en de landschappelijke inpassing van de gehele ontwikkeling. Dit heeft een vernieuwd en verbeterd landschapsplan opgeleverd. In de paragraaf 'Regeling kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente
Land van Cuijk 2023' (paragraaf 3.3.3) is de mate van kwaliteitsverbetering in verhouding tot het gemeentelijke beleid daartoe beschreven en een aangepast inpassingsplan is in bijlage 2 van deze toelichting toegevoegd.
Het waterschap Aa en Maas heeft een vooroverlegreactie ingediend op het eerdere plan. Daarin zijn punten aangedragen die betrekking hebben op de voorgenomen ontwikkeling. De aangedragen punten die alleen betrekking hadden op overige delen van de totale eerdere gebiedsontwikkeling zijn daarbij buiten beschouwing gelaten. In deze paragraaf zijn de aangedragen punten die betrekking hebben op de voorgenomen ontwikkeling puntsgewijs opgenomen en voorzien van de gemeentelijke reactie daarop.
Reactie A-watergangen:
"Aan zowel de noord-, west- en oostzijde van het plangebied liggen A-watergangen. Aan weerszijden
van deze watergangen geldt een beschermingszone met een breedte van 5 meter vanaf de insteek ten
behoeve van beheer en onderhoud. De beschermingszone is opgenomen in de verbeelding en regels,
maar wordt niet benoemd in de toelichting. Daarnaast lijken er enkele duikers geplaatst te worden ten
behoeve van de nieuwe ruimte-voor-ruimte woningen, hiervoor dient een watervergunning aangevraagd te
worden. Dit wordt eveneens niet benoemd in het plan. Concreet verzoekt het waterschap om de
A-watergang te benoemen in de toelichting en rekening te houden met het beleid van het waterschap
m.b.t. aanleggen van duikers en landschappelijke inpassing.''
Beantwoording gemeente Land van Cuijk:
In en rond het plangebied spelen meerdere waterschapsbelangen. In de paragraaf 'Wateraspecten' (paragraaf 4.5) wordt ingegaan op de waterhuishoudkundige situatie en belangen, mede aan de hand van het waterschapsbeleid.
De genoemde punten in deze vooroverlegreactie hebben we ter hand genomen. Er is een vernieuwde en verbeterde waterparagraaf opgenomen in de toelichting, waar al deze aspecten benoemd worden. Hierover is vooraf ook met het waterschap gesproken.
Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Land van Cuijk vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.
Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.
Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn:
Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet.
Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat:
Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor:
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.
Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).
De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht).
Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie.
Bijlagen bij de toelichting:
Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar.
Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.
De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:
Bijlagen bij de planregels:
Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan.
De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc.. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.
Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.
Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
Met het voorliggende plan wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de juridische regeling uit het geldende bestemmingsplan. Dit plan kent vervolgens de volgende noemenswaardige bijzonderheden:
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).