direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Jonkersvaart 19 in De Wilp en Jonkersvaart 45 in Jonkersvaart
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Initiatiefnemers zijn eigenaar van de voormalige agrarische bedrijfslocatie aan de Jonkersvaart 19 in De Wilp en het perceel aan de Jonkersvaart 45 in Jonkersvaart.

De vleesstierenhouderij op de locatie aan de Jonkersvaart 19 is beëindigd. Initiatiefnemer heeft bij de gemeente het verzoek ingediend om het huidige beeld van een versteend, verrommeld en vervuild erf om te vormen naar een groen erf, dat landschappelijk ingepast wordt. Onderdeel van deze transitie is het slopen van 795 m2 aan bedrijfsbebouwing, het slopen van 2.260 m3 aan betonnen mestopslag en 631 m2 aan sleufsilo's. Ook wordt er circa 300 m2 aan erfverharding opgeruimd. Een ronde mestsilo van 1.060 m3 is reeds gesloopt.

De te slopen bebouwing wordt ingezet voor de ruimte voor ruimte-regeling. Omdat er meer dan 750 m2 aan bedrijfsbebouwing wordt gesloopt ontstaat op grond van de ruimte voor ruimte-regeling het 'recht' op het bouwen van een ruimte voor ruimte-woning. Dit bouwrecht wordt benut op het perceel aan de Jonkersvaart 45 in Jonkersvaart.

Initiatiefnemer heeft in samenwerking met de gemeente en de provincie de maatwerkmethode gevolgd voor deze ontwikkeling.

Door middel van dit bestemmingsplan wordt de ruimte voor ruimte ontwikkeling planologisch - juridisch mogelijk gemaakt.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op de locaties aan de Jonkersvaart 19 in De Wilp en de Jonkersvaart 45 in Jonkersvaart van de gemeente Westerkwartier. Op de onderstaande afbeelding zijn de locaties weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0001.png"

Afbeelding 1: Ligging locatie aan de Jonkersvaart 19

Het perceel aan de Jonkersvaart 19 (hierna ook slooplocatie genoemd) ligt op circa 2,3 kilometer ten zuidoosten van Marum. Het betreft een (voormalige) agrarische bedrijfslocatie met stallen en voorzieningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0002.png"

Afbeelding 2: Ligging locatie aan de Jonkersvaart 45

Het perceel aan de Jonkervaart 45 (hierna ook bouwlocatie genoemd) ligt op circa 800 meter afstand ten zuidoosten van de slooplocatie. Voorheen stond hier een boerderij. Deze boerderij is in verval geraakt en uiteindelijk gesloopt. De fundamenten van de boerderij zijn nog aanwezig. Het perceel wordt via een toegangsweg, die in eigendom is bij initiatiefnemers, ontsloten op de Jonkersvaart.

Voor de exacte begrenzing van de plangebieden van biede locaties wordt verwezen naar de bij dit bestemmingsplan behorende verbeeldingen.

Omdat de Jonkersvaart 19 in De Wilp al is bestemd voor Wonen (zie ook de volgende paragraaf) is een bestemmingswijziging van deze locatie niet aan de orde. Wél wordt deze locatie ook meegenomen in dit bestemmingsplan teneinde de uitvoering van de landschappelijke inpassing, waarvoor de maatwerkmethode is gevolgd, juridisch te kunnen borgen.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Op 16 september 2015 heeft de gemeenteraad van de voormalige gemeente Marum de geconsolideerde versie van het bestemmingsplan Buitengebied Marum vastgesteld.

Jonkersvaart 19

In dit bestemmingsplan heeft het perceel Jonkersvaart 19 in De Wilp (hierna te noemen: slooplocatie) de bestemming 'Wonen'. Op het perceel rust verder de dubbelbestemming ' Waarde - Archeologie 6' en is de maatvoering 'maximum aantal wooneenheden: 2' opgenomen. In de navolgende afbeelding is een uitsnede van de vigerende verbeelding weergegeven van het perceel aan de Jonkersvaart 19.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0003.png"

Afbeelding 3: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan slooplocatie

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen in woonhuizen met daarbijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde, tuinen en erven.

De voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de in de grond verwachte (hoge of specifieke (beekdal)) archeologische waarden, waarbij geldt dat indien strijd ontstaat tussen het belang van het behoud en de bescherming van archeologische waarden en andere bestemmingen de bestemming 'Waarde - Archeologie 6' prevaleert.

Jonkersvaart 45

In de geconsolideerde versie van het bestemmingsplan Buitengebied Marum heeft het perceel aan de Jonkersvaart 45 in Jonkersvaart (hierna te noemen: bouwlocatie) de bestemming 'Agrarisch' zonder bouwvlak.

Op het perceel rust verder de dubbelbestemming ' Waarde - Archeologie 6'. In de navolgende afbeelding is een uitsnede van de vigerende verbeelding weergegeven van het perceel aan de Jonkersvaart 45.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0004.png"

Afbeelding 4: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan bouwlocatie

De voor ' Agrarisch ' aangewezen gronden zijn bestemd voor het agrarisch grondgebruik, met uitzondering van een boom- en/of sierkwekerij, houtteelt- of fruitteeltbedrijf.

Zie voor 'Waarde - Archeologie 6' de beschrijving die is gegeven bij het perceel aan de Jonkersvaart 19.

1.4 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande situatie en de toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en omgevingsaspecten van het plan. In hoofdstuk 5 en in hoofdstuk 6 wordt ten slotte ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 De bestaande en toekomstige situatie

2.1 Bestaande situatie

2.1.1 Omgeving

Jonkersvaart is van oorsprong een langgerekt kanaaldorp, gelegen tussen Zevenhuizen in de gemeente Leek en De Wilp in de gemeente Marum. De veenkoloniale nederzettingen in dit deel van het Westerkwartier werden in de 19e eeuw gevormd.

De kanalen en de wijken van het ontginningssysteem bepalen vanouds de ruimtelijke structuur van de kanaaldorpen. De belangrijkste ruimtelijke kenmerken, die we ook in Jonkersvaart terug zien zijn:

  • een hoofdstructuur met een hoofddiep en daarop uitmondend de wijken, meestal loodrecht daarop;
  • een bebouwingspatroon met boerderijen, aangevuld met arbeiderswoningen. Vanouds is de bebouwing vooral geconcentreerd bij sluizen, bruggen en belangrijke dwarsverbindingen;
  • de langgerektheid van het bebouwingslint met een ‘drukke’ en een ‘stille’ kant (meer of minder geconcentreerde bebouwing);
  • een nagenoeg in een aaneensluitende voorgevelrooilijn gebouwd patroon van bebouwing;
  • de lintbebouwing grenst met diepe achtererven/tuinen aan het landschap.

Het plangebied aan de Jonkersvaart 19 ligt aan de zuidzijde van de gelijknamige vaart die door het dorp heen loopt. Het plangebied aan de Jonkersvaart 45 ligt solitair tussen de weilanden op circa 380 meter ten zuiden van de vaart.

2.1.2 Locatie Jonkersvaart 19

De locatie aan de Jonkersvaart 19 in De Wilp is van oorsprong een agrarische bedrijfslocatie gericht op het houden van vleesstieren.

Op de locatie bevinden zich 2 vleesstierenstallen, een bedrijfswoning met bijgebouw en verschillende voorzieningen. Zie ook de navolgende afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0005.png"

Afbeelding 5: aanwezige bebouwing en voorzieningen

De op te ruimen sleufsilo's liggen voor de stallen aan de zijde van de weg en geven de locatie een rommelige indruk. Zie de linker foto van de onderstaande afbeelding. De rechter foto geeft het zicht op de locatie weer vanaf de overkant van de vaart. De loods op de afbeelding zal worden gesloopt

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0006.png"

Afbeelding 6: foto's van de locatie

De bestemming van de locatie is in het verleden al gewijzigd in 'Wonen'. De bestemming 'Wonen' is op de kadastrale percelen 10408 en 10409 gelegd die een gezamenlijke oppervlakte hebben van circa 6.870 m2.

2.1.3 Locatie Jonkersvaart 45

De locatie aan de Jonkersvaart 45 is oorspronkelijk ook een agrarische bedrijfslocatie. Op de Bonnekaart van 1930 is het erf te zien: een boerderij met schuur en erfbeplanting (zie afbeelding 7). De gedeelde oprijlaan is aan de oostzijde dicht beplant en aan de westzijde dun aangezet. De laanbeplanting is typerend voor het gebied; de houtsingels die haaks op de vaart staan zijn veelvoorkomend. Het erf ligt op de overgang van hoog naar laag. Dit hoogteverschil is nog steeds zichtbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0007.png"

Afbeelding 7: Bonnekaart 1930 met locatie (bron: Landschappelijk inpassingsplan Landschapsbeheer Groningen)

De boer, die als laatste het agrarisch bedrijf vanaf de Jonkersvaart 45 heeft geëxploiteerd, is failliet gegaan en heeft de locatie verlaten. De boerderij is daardoor lange tijd niet bewoond geweest en is in verval geraakt. Zie onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0008.png"

Afbeelding 8: in verval geraakte boerderij

De voormalige boerderij is in 1986 afgebroken. De erfbeplanting, bestaande uit met name populieren en esdoorns, is blijven staan.

Initiatiefnemer kocht de locatie aan met alleen nog de fundamenten van de boerderij en de bijgebouwen. De bestaande erfbeplanting aan alle zijden van het erf zorgt voor beslotenheid.

De locatie is bereikbaar via een eigen weg (oprijlaan) vanaf de Jonkersvaart. Zie ook afbeelding 9. De ontwikkellocatie (aangeduid met een rode pijl in de navolgende afbeelding) is in de verte zichtbaar.

Dit betreft een bestaande ontsluitingsweg die buiten de scope van dit bestemmingsplan valt. Vermeldingswaardig is dat initiatiefnemer met Landschapsbeheer Groningen is overeengekomen dat aan weerszijden van de weg werkzaamheden worden uitgevoerd in het kader van het project 'Herstel houtsingels en aanleg petgaten in het Zuidelijk Westerkwartier'. Over een lengte van 513 meter wordt de elzensingel hersteld. Initiatiefnemers dragen zorg voor het onderhoud en de instandhouding van de singel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0009.png"

Afbeelding 9: eigen toegangsweg met in de verte het perceel Jonkersvaart 45

Doordat op het perceel sinds lange tijd geen bebouwing meer aanwezig was, heeft de gemeente bij een herziening van het bestemmingplan de bedrijfsbestemming van het perceel wegbestemd. Op het perceel staan enkele bouwwerken zonder titel.

2.2 Toekomstige situatie

2.2.1 Te saneren bebouwing

In het kader van de ruimte voor ruimte-regeling zijn initiatiefnemers voornemens om op de locatie aan de Jonkersvaart 19 één stal te slopen evenals twee aanbouwen, de betonnen mestsilo en twee sleufsilo's. Op de navolgende afbeelding zijn de te slopen gebouwen en voorzieningen aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0010.png"

Afbeelding 10: te slopen bebouwing en op te ruimen voorzieningen

In totaal wordt op de locatie 795 m2 aan gebouwen gesloopt (no. 1, 2 en 3), twee betonnen sleufsilo's met een oppervlakte van 631 m2 opgeruimd (no. 4) en een betonnen mestsilo met een inhoud van 2.260 m3 gesloopt (no. 5). Aanvullend wordt nog ongeveer een oppervlakte van 300 m2 aan erfverharding opgeruimd.

Door het verwijderen van de sleufsilo’s en één stal met de afdaken wordt het zicht vanaf het lint in de richting het open landschap versterkt. Er ontstaan nieuwe zichtlijnen. Zie hiervoor ook de navolgende afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0011.png"

Afbeelding 11: te verwijderen bouwwerken t.b.v. een groen, landschappelijk ingepast erf (rode lijnen). De groene lijnen geven de gewenste zichtlijnen weer (bron: Landschappelijk inpassingsplan Landschapsbeheer Groningen)

Bij de toekomstige invulling van het erf zijn de volgende punten van belang:

  • Creëren zichtlijnen vanaf de vaart naar het landschap;
  • Cultuurhistorisch verantwoorde invulling van de ruimte die ontstaat door sloop, door aan te sluiten op de gebiedseigen structuren van het landschap;
  • Vergroten stuifmeel- en nectar aanbod;
  • Vergroenen van een voormalig stenig erf, creëren van een landelijke uitstraling;
  • Het behouden van waardevolle erfbeplanting.

Bovenstaande punten zijn door Landschapsbeheer Groningen verwerkt in het landschappelijk inpassingsplan. Zie paragraaf 2.2.3.

2.2.2 Locatie compensatiewoning

Initiatiefnemers zijn voornemens om het oude boerenerf aan de Jonkersvaart 45 in ere te herstellen. Binnen de aanwezige groene beplanting langs de randen van het perceel wordt een nieuwe woning gebouwd in de vorm een eigentijdse boerderij. De boerderij zal geheel uit hout worden opgetrokken en worden voorzien van een groen, ecologisch dak met zonnepanelen. De boerderij komt te staan op de fundamenten van de oorspronkelijke boerderij. Indien het technisch mogelijk is willen initiatiefnemers de rode stenen van de stalvloer opnemen in het interieur. Op de navolgende afbeelding is de plaats op het perceel, waar de boerderij vroeger heeft gestaan, zichtbaar alsmede de fundamenten van de boerderij.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0012.png"

Afbeelding 12: oorspronkelijke plaats boerderij en fundamenten van de gesloopte boerderij

Van de nieuwe woning is door Hans Ruyg Architect BNA en industrieel vormgever een ontwerp gemaakt. Op de navolgende afbeelding is ontwerp afgebeeld. Er is gekozen voor een lange en plat huis, zonder verdieping. Het groene lage dak zorgt ervoor dat het huis niet opvalt in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0013.png" Afbeelding 13: ontwerp ecologische boerderij (bron: Hans Ruyg Architect BNA en industrieel vormgever)

Het perceel waaraan de woonbestemming wordt toegekend is op de navolgende luchtfoto met een rood vlak globaal aangegeven. Het woonperceel krijgt een oppervlakte van circa 2.000 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0014.png"

Afbeelding 14: te bestemmen perceelsgedeelte voor Wonen

Op de luchtfoto zijn diverse bouwwerken zichtbaar van de laatste bewoner van het perceel. Deze bouwwerken worden verwijderd.

2.2.3 Landschapelijke inpassing

Jonkersvaart 19

Ten behoeve van het project is door Landschapsbeheer Groningen een Landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Deze is als Bijlage 1 aan de regels toegevoegd.

De ruimte die vrij komt door de sloop van de sleufsilo's en schuur leent zich uitstekend voor de aanleg van een fruitgaard. Dergelijke fruitgaarden komen van oudsher in de omgeving voor.

De fruitgaard wordt omgeven door een beukenhaag. Deze haag biedt veel schuil-
en nestgelegenheid voor broedvogels. Daarnaast wordt het beeld van een voormalig versteend en verrommeld erf op deze manier vergroend.

De fruitgaard is compleet door de toevoeging van diverse soorten bessenstruiken. In de fruitgaard en langs het versmalde toegangspad wordt een nader te bepalen kruiden- en bloemenmengsel ingezaaid.

Ten slotte wordt aan de oostkant van het erf een erfscheiding gecreëerd door aanplant van een beukenhaag. Dit is bewust alleen in de lengterichting gesitueerd, zodat zichtlijnen behouden blijven. De oude beuk wordt als markering gehandhaafd. De onderstaande afbeelding geeft het overzicht van de landschappelijke inpassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0015.png"

Afbeelding 15: Landschappelijk inpassingsplan (Bron: Landschapsbeheer Groningen)

Jonkersvaart 45

Ten behoeve van het project is door Landschapsbeheer Groningen een Landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Deze is als Bijlage 2 aan de regels toegevoegd. In het inpassingsplan is de toegangsweg ook meegenomen. Dit onderdeel van het inpassingsplan is echter achterhaald omdat een overeenkomst is gesloten met Landschapsbeheer Groningen voor de aanplant van Elzen aan beide kanten van de weg.

Elk onderdeel op het boerenerf is ontstaan doordat het van nut was. Zo biedt een
singel bescherming tegen wind; zorgen bloeiende bomen, struiken en planten voor stuifmeel en nectar, kan men zelfvoorzienend leven met een fruitgaard en moestuin en bieden solitaire bomen schaduw. Het verhaal achter de onderdelen is van cultuurhistorische waarde. Op het betreffende erf in Jonkersvaart 45 zijn de zware singels rondom het erf (de erfbeplanting) van belang.

De bestaande erfbeplanting aan alle zijden van het erf zorgt voor beslotenheid. Hierdoor ontstaat veel nest- en schuilgelegenheid voor vogels en kleine zoogdieren. Er is vele jaren geen onderhoud gepleegd aan de erfbeplanting. Onderhoud aan de esdoorns en monumentale populieren is daarom vereist. De beslotenheid wordt hierdoor gehandhaafd en door middel van dunning wordt ruimte gegeven aan vitale bomen om door te groeien. Vanaf het besloten erf wordt een zichtlijn gecreëerd richting het open landschap rondom.

In afbeelding 16 is het beeld van de landschappelijke inpassing van de locatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0016.png"

Afbeelding 16: Landschappelijke inpassing Jonkersvaart 45 (bron: Landschapsbeheer Groningen)

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Inleiding

Bij het opstellen van het bestemmingsplan dient de gemeente rekening te houden met het door hogere overheden vastgestelde beleid. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op relevante onderdelen van het rijksbeleid, het provinciaal beleid zoals verwoord in de Provinciale Omgevingsvisie en de Verordening en het gemeentelijk beleid.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld door het (voormalige) ministerie van Infrastructuur en Milieu. De SVIR heeft betrekking op de periode tot 2040 en heeft als motto: 'Nederland concurrerend, leefbaar en veilig'. Om dit motto te kunnen bereiken zijn de volgende drie doelen gesteld:

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur;
  • Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

De bovengenoemde doelen zijn uitgewerkt in dertien nationale belangen. Nationaal belang dertien luidt: 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening, inclusief zorgvuldige, transparante ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dat betekent dat het systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en dat bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen. Bij nieuwe ontwikkelingen, aanleg en herstructurering moet in elk geval aandacht zijn voor de gevolgen voor de waterhuishouding, het milieu en het cultureel erfgoed. "Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen." Om beide te bereiken is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 lid 1 en 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dit artikel is op 1 juli 2017 gewijzigd. In de bijbehorende Nota van Toelichting is aangegeven dat ontwikkelingen die geen extra verstedelijking tot gevolg hebben maar bebouwing reduceren of verplaatsen, zoals bijvoorbeeld de ruimte-voor-ruimte-projecten, niet beschouwd worden als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. Dit betekent dat de 'laddertoets' niet van toepassing is op onderhavig planvoornemen.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voorziet in de juridische borging van het beleid uit de SVIR. In het Barro zijn regels opgenomen die de beleidsruimte van andere overheden inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Het gaat hier om de nationale belangen die in paragraaf 3.2.1 genoemd zijn. Deze hebben geen inperkende werking voor dit planvoornemen.

Het Rijksbeleid heeft geen doorwerking in voorliggend bestemmingsplan. Het plan is niet in strijd met de rijksbelangen.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie 2016 - 2020 (geconsolideerde versie vastgesteld op 3 februari 2021) bevat regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. Het accent ligt op het benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden, naast het beschermen van de karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen. Door samenwerking met mede overheden en andere partijen en het leveren van maatwerk wil de provincie haar doelen bereiken. Een belangrijk doel is om op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarom zijn zoveel mogelijk visies op deelterreinen, zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het beleid voor economie, energie, cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie is kaderstellend voor mede overheden en andere partijen (bedrijven) die invloed uitoefenen op de fysieke leefomgeving. Het beleid is onderverdeeld in vijf thema's en elf provinciale belangen. In het voorliggende plan zijn de thema's 'Ruimte' en 'Natuur en Landschap' met name van belang.

Als onderdeel van het belang 'ruimtelijke kwaliteit' ziet de provincie kansen om het landelijk gebied te verbeteren door gemeenten de mogelijkheid te bieden om te voorzien in de bouw van één of meer woningen als tegenprestatie voor het opruimen van (storende) bebouwing in het buitengebied. In de Omgevingsverordening zijn daarvoor regels opgenomen (zie paragraaf 3.3.2).

Op de kaart 'Ruimte' is aangegeven dat het plangebied tot het 'buitengebied' behoort. De kaart 'Schaalvergroting landbouw' maakt duidelijk dat agrarische bouwblokken ter plaatse (onder voorwaarden) tot maximaal 2 ha kunnen worden uitgebreid. Op de kaart 'Landschap' is het plangebied ingedeeld bij 'Zuidelijk Westerkwartier'. In dit deelgebied moet in het bijzonder rekening worden gehouden met:

  • het contrast tussen de afwisselende reeksen van besloten zandruggen en open natte laagveengebieden;
  • het coulissenkarakter van het houtsingellandschap;
  • de verwevenheid van de wegdorpen met het houtsingellandschap;
  • de kleinschaligheid van bebouwing;
  • de borgen en kerken;
  • de natte landschapselementen in de vorm van de pingoruïnes en petgaten;
  • het lineaire karakter van de wegen en kanalen in de veenkoloniale zuidpunt;
  • herkenbaar verkavelingspatroon van houtsingels en sloten.

De routes van het provinciaal basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen zijn aangegeven op de kaart 'Milieu'. Het plangebied ligt niet binnen de zone van het provinciaal basisnet. De overige kaarten van de Omgevingsvisie - waaronder 'Landschap', 'Natuur', 'Water' en 'Opgaven' - geven geen specifieke waarden of belemmeringen voor het plangebied aan. Zie voor een nadere toetsing aan deze thema's ook paragraaf 3.3.2.

3.3.2 Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening Provincie Groningen 2016 (geconsolideerde versie vastgesteld op 3 februari 2021) bevat regels voor de fysieke leefomgeving. Deze regels richten zich op de thema's ruimtelijke ordening, water, infrastructuur, milieu en ontgrondingen. Via de Omgevingsverordening werkt het beleid uit de Omgevingsvisie door in plannen van gemeenten en waterschappen. De Omgevingsverordening maakt duidelijk wat wel en niet aanvaardbaar is met het oog op provinciale belangen. Als gemeenten en waterschappen deze belangen onvoldoende verwerken in hun ruimtelijke plannen, dan zal de provincie dit via de weg van bestuurlijk overleg, zienswijzen, beroep of - in het uiterste geval - een reactieve aanwijzing proberen bij te sturen.

In artikel 2.8 van de Verordening is het beleid vastgesteld waaraan een (bestemming) plan moet voldoen bij de inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen.

De toelichting op een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied, biedt afhankelijk van en evenredig aan de aard, omvang en ruimtelijke gevolgen van een ruimtelijke ontwikkeling, inzicht in:

  • a. de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied;
  • b. de bestaande stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van het gebied;
  • c. de inpassing van de met het plan mogelijk gemaakte ruimtelijke ontwikkelingen in de directe en in de wijdere omgeving;
  • d. de maatregelen die nodig worden geacht om eventuele aantasting van kwaliteiten en waarden binnen of buiten het plangebied als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling te salderen of te compenseren;
  • e. de bijdrage die de met het plan mogelijk gemaakte ruimtelijke ontwikkeling kan leveren aan de bestaande of nieuwe kwaliteiten en waarden.

Toetsing

Belangrijk onderdeel van de ruimte voor ruimte ontwikkeling is de landschappelijke inpassing van beide percelen. Voor zowel de slooplocatie als de ontwikkellocatie is door Landschapsbeheer Groningen een landschappelijk inpassingsplan conform de maatwerkmethode opesteld. Met deze plannen wordt een zorgvuldige inpassing van zowel de slooplocatie (Jonkersvaart 19) als de ontwikkellocatie (Jonkersvaart 45) bewerkstelligd, waarbij rekening is gehouden met de ontwikkelingsgeschiedenis van het gebied alsmede met de bestaande stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten.

In de regels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee de landschappelijke inpassing van de percelen juridisch zijn geborgd.

Tevens is beoordeeld welke kaarten van de omgevingsverordening van toepassing zijn op het plangebied. Deze kaarten zullen vervolgens achtereenvolgens worden besproken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0017.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0018.png" Afbeelding 17: Kaarten veiligheid en milieu, windenergie, natuur en landschap

De slooplocatie en de ontwikkellocatie liggen niet binnen een veiligheidszone van wegen of een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Ten oosten van de plangebieden is een bufferzone aanwezig rond voor verzuring gevoelige, zeer kwetsbare gebieden. Deze bufferzone raakt de plangebieden niet.

Kaart Windenergie

Ter plaatse wordt niet voorzien in de realisatie van één of meerdere windturbines.

Kaart Natuur

Het plangebied ligt niet in een natuurgebied. Ongeveer 630 meter ten zuiden van de ontwikkellocatie ligt een bos- en natuurgebied buiten het NNN. Op circa 750 meter ten noorden van deze locatie ligt het dichtstbijzijnde begrensde NNN-gebied. De slooplocatie ligt op een afstand van circa 1.400 meter van dit NNN-gebied.

De ruimte voor ruimte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op het NNN gebied.

Landschap

Karakteristiek voor het Zuidelijk Westerkwartier is de besloten houtsingelstructuur en de daarin aanwezige pingoruïnes (restanten van ijslenzen gevormd in de toenmalige poolwoestijn van de laatste ijstijd) en de open gebieden in de laagtes waar een flink areaal natuurgebied ligt.

Ten oosten van de ontwikkellocatie, op een afstand van circa 180 meter, is een pingoruïne aanwezig (blauw gemarkeerd weergegeven). Ten zuiden en ten westen zijn enkele gebieden (indicatief) begrensd als dekzandrug (geel gemarkeerd).

Op de dekzandruggen (ook wel gasten genoemd) met daartussen de veenlaagten heeft zich het karakteristieke landschap met streekdorpen ontwikkeld. De houtsingels komen van oudsher voor vanaf de zandruggen naar het lager gelegen, venige gebied.

Het ruimte voor ruimte plan heeft geen negatieve invloed op de karakteristieken van het landschap. De herstelwerkzaamheden van de houtsingel langs de toegangsweg, dat indirect verbonden is aan dit plan, heeft een positieve bijdrage voor het karakteristieke landschap. Omdat initiatiefnemers hieromtrent al een overeenkomst zijn aangegeven met het Groninger Landschap staat het vast dat deze herstelwerkzaamheden worden uitgevoerd.

Op grond van het voorgaande kan worden gesteld dat voldaan wordt aan de vereisten van artikel 2.8 van de Omgevingsverordening.

Ruimte-voor-ruimte-regeling

In artikel 2.13.4 is de Ruimte-voor-Ruimte-regeling opgenomen. Op grond van deze regeling kan een bestemmingsplan voorzien in:

  • a. de mogelijkheid om een nieuwe woning te bouwen op een perceel waarop reeds een woning aanwezig is, mits:
    • 1. de nieuwe woning de woning vervangt die vanwege de bouwkundige staat, oppervlakte of inwendige vorm niet geschikt is of redelijkerwijs niet geschikt kan worden gemaakt voor een wijze van gebruik die voldoet aan de geldende bouwkundige voorschriften of aan hedendaagse eisen op het gebied van wooncomfort;
    • 2. de bestaande woning wordt gesloopt alsmede de bijbehorende bouwwerken voor zover deze in visueel landschappelijk opzicht niet bij de nieuwe woning passen;
    • 3. de ruimtelijk relevante kenmerken van de nieuwe bebouwing passen in het voor het betrokken gebied kenmerkende bebouwingsbeeld;
    • 4. de gezamenlijke oppervlakte van een woning en bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 300 m2, tenzij voor de ruimtelijke inpassing van de nieuwe bebouwing een grotere oppervlakte noodzakelijk is in welk geval deze oppervlakte niet meer bedraagt dan die van de te slopen bebouwing als bedoeld in het tweede lid;
    • 5. over de ruimtelijke inpassing van de nieuwe bebouwing advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke- of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur;
  • b. de mogelijkheid om een woning te bouwen ter compensatie van de afbraak van 750 m2 voor hergebruik niet geschikte of geschikt te maken niet karakteristieke of beeldbepalende bebouwing of de mogelijkheid om twee woningen op te richten ter compensatie van de afbraak van 2000 m2 voor hergebruik niet geschikte of geschikt te maken niet karakteristieke of beeldbepalende bebouwing, mits:
    • 1. het toevoegen van nieuwe woningen past in een woonvisie als bedoeld in artikel 2.15.1;
    • 2. de nieuw te bouwen woning of woningen wordt/worden gebouwd op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, tenzij gemotiveerd wordt dat het bouwen van (een) woning(en) op deze locatie uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is in welk geval op een andere locatie (een) woning(en) mag/mogen worden gebouwd;
    • 3. de ruimtelijke kwaliteit door de sloop en vervangende nieuwbouw verbetert;
    • 4. de ruimtelijk relevante kenmerken van de nieuwe bebouwing en de erfinrichting passen in het landschapsbeeld;
    • 5. de gezamenlijke oppervlakte van een woning en de bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 300 m2, tenzij voor de ruimtelijke inpassing van de nieuwe bebouwing een grotere oppervlakte noodzakelijk is in welk geval deze oppervlakte niet meer bedraagt dan die van de te slopen bebouwing als bedoeld in de aanhef;
    • 6. in het geval een nieuw te bouwen woning wordt gebouwd op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een onafhankelijke of bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur;
    • 7. in het geval een nieuw te bouwen woning wordt gebouwd op een andere locatie dan op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een bij provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur;
    • 8. de betreffende gronden niet zijn gelegen binnen de op kaart 6 aangegeven 'NNN beheergebieden, 'NNN-natuurgebieden', 'NNN-beheer aanpassingsgebied', 'NNN natuur aanpassingsgebied', het 'Zoekgebied robuuste verbindingszone' of de 'bossen natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland'.

Toetsing

De nieuwe woning past binnen de regionale woonvisie (zie paragraaf 3.4.2). De nieuwe woning wordt gebouwd op een ander perceel, circa 800 meter ten zuidoosten van de slooplocatie.

Een belangrijke reden om het 'bouwrecht' niet op het perceel te benutten waar wordt gesloopt, heeft te maken met de aanwezigheid van twee veehouderijbedrijven in de directe omgeving van de locatie aan de Jonkersvaart 19. Door het toevoegen van een woning zouden deze bedrijven gehinderd kunnen worden in hun bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden.

Omdat initiatiefnemer een locatie in eigendom heeft waar oorspronkelijk een boerderij heeft gestaan, is dit een mooi en passend alternatief. Deze locatie ligt op ruime afstand van agrarische bedrijven, waardoor het realiseren van een woning op deze locatie geen negatieve gevolgen kan hebben voor de bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven.

De bebouwing die op de slooplocatie blijft gehandhaafd wordt landschappelijk ingepast. Door de sloop van de vrijgekomen agrarische bebouwing, het amoveren voor voorzieningen en het verwijderen van erfverharding in combinatie de landschappelijk inpassing treedt ruimtelijke kwaliteitswinst op.

Er wordt ruim meer gesloopt dan de norm van 750 m2. De sloop bestaat uit circa 795 m2 aan niet karakteristieke of beeldbepalende bebouwing, twee betonnen sleufsilo's met een oppervlakte van 631 m2 en een betonnen mestsilo met een inhoud van 2.260 m3. Aanvullend wordt nog ongeveer een oppervlakte van 300 m2 aan erfverharding opgeruimd.

De ontwikkellocatie aan de Jonkersvaart 45 is van oorsprong een boerenerf. Deze wordt door initiatiefnemer op eigentijdse wijze hersteld. Door het versterken van de groene kavelranden en het herstellen van de elzensingel langs de toegangsweg is er per saldo sprake van ruimtelijke kwaliteitswinst. Ook vanwege het feit dat op de slooplocatie ruim meer bebouwing en verharding wordt opgeruimd dan nodig is om in aanmerking te komen voor een compensatiewoning.

De bebouwingsoppervlakte van de nieuwe woning is maximaal 300 m2. Dit is in de regels vastgelegd.

De ruimtelijke inpassing van de nieuwe bebouwing is op basis van de maatwerkmethode tot stand gekomen.

De ontwikkellocatie bevindt zich niet op binnen de kaart 6 weergegeven waardevolle gebieden.

Het verzoek is in overeenstemming met het provinciaal beleid aangaande de ruimte voor ruimte-regeling.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Archeologie en cultuurhistorie

De Westerkwartiergemeenten Grootegast, Leek, Marum en Zuidhorn hebben de archeologische en cultuurhistorische waarden geïnventariseerd en vast laten leggen in de Kadernota Archeologie en cultuurhistorie. De gemeenteraad heeft de Kadernota Archeologie en cultuurhistorie op 5 februari 2016 vastgesteld.

De archeologische waarden-/verwachtingenkaart laat de bekende archeologische vindplaatsen zien en geeft vlakdekkend de verwachte dichtheid aan archeologische sporen en vondsten weer in een aantal categorieën.

Op de beleidskaart worden de archeologische verwachtingen vertaald naar categorieën waarvoor een bepaald maximum oppervlak en diepte kan worden vrijgesteld. In het rapport worden de volgende categorieën onderscheiden

categorie 1   Rijksmonumenten. Deze zijn vergunningplichtig conform de Erfgoedwet  
categorie 2   Gemeentelijke archeologische monumenten. Het betreft terreinen die in het kader van de Erfgoedverordening kunnen worden aangemerkt  
categorie 3   Terreinen van Archeologische waarden, waaronder niet wettelijk beschermde AMK-terreinen (AMK = Archeologische Monumenten Kaart)  
categorie 4   Hoge archeologische verwachting  
categorie 5   Middelhoge archeologische verwachting  
categorie 6   Lage archeologische waarde  
categorie 7   Specifieke verwachting (beekdal)  
categorie 8   Geen verwachting. Het betreft zones waar het bodemarchief is verdwenen, waardoor er geen onderzoekseisen van kracht zijn.  

De categorieën zijn vertaald in dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' tot en met 'Waarde - Archeologie 7'. De Rijksmonumenten (categorie 1) worden niet opgenomen in het bestemmingsplan omdat die al in de Erfgoedwet worden geregeld. De gebieden met een lage archeologische waarde (categorie 6) en zonder verwachting (categorie 8) worden ook niet opgenomen in het bestemmingsplan. In paragraaf 4.9 wordt nader ingegaan op de archeologische verwachting ter plaatse van het plangebied.

3.4.2 Woonvisie

In de Woonvisie Westerkwartier 2015-2020 - Ruimte om te wonen (vastgesteld door de 4 voormalige gemeenteraden in 2015) wordt uitgegaan van vier ambities: de juiste woning op de juiste plek; wonen betaalbaar houden; bewoners nemen initiatief; ook met een zorgvraag veilig en comfortabel wonen.

De Woonvisie gaat niet in op de ruimte-voor-ruimte-regeling. In algemene zin ligt de focus op het verbeteren van de bestaande voorraad en omgeving. Inbreiding gaat voor uitbreiding en kwaliteit voor kwantiteit. Voor wat betreft nieuwbouw is binnen het Westerkwartier ruimte voor circa 170 woningen per jaar. Het grootste deel daarvan wordt gebouwd binnen de centrumdorpen, zoals Leek, Zuidhorn en Marum. Ook binnen woondorpen als Noordwijk is ruimte voor nieuwbouw. Het gaat dan om kleinschalige initiatieven met toegevoegde waarde. Voor de voormalige gemeente Marum gaat de Woonvisie uit van een behoefte van 125-200 woningen in de periode 2014-2020 en 100-150 woningen in de periode 2020-2025. In de afgelopen jaren zijn in de voormalige gemeente Marum meer woningen gebouwd dan gepland. De provincie Groningen heeft daarom ingestemd met een verhoging van de nieuwbouwruimte met 50 woningen voor de periode 2014-2025.

De gemeente Westerkwartier heeft onlangs een woningmarktonderzoek laten uitvoeren. Ook uit dit onderzoek blijkt een hogere woningbehoefte voor de voormalige gemeente Marum. Voor maatwerk is op de planlijst nieuwbouwruimte gereserveerd. De bouw van deze woning past binnen de beschikbare nieuwbouwruimte.

In de (concept-)Woonvisie 2020-2030 wordt het huidige beleid voor het buitengebied gecontinueerd. De gemeente blijft mogelijkheden bieden voor nieuwbouw op grond van de ruimte-voor-ruimte-regeling en heeft daarvoor contingenten beschikbaar.

3.4.3 Bestemmingsplan Buitengebied Marum Geconsolideerd

De gemeente Westerkwartier heeft voor een deel van haar buitengebied, buitengebied van voormalige gemeente Marum, nog geen beleidsregel Ruimte-voor-Ruimte vastgesteld, maar zoekt de aansluiting bij de regeling Ruimte-voor-Ruimte zoals die is vastgesteld in de geldende provinciale omgevingsverordening.

3.5 Conclusie

Het plan is in overeenstemming met het provinciale en gemeentelijke beleid ten aanzien van ruimte voor ruimte.

De compensatiewoning wordt gerealiseerd op de saneringslocatie. De ruimtelijke kwaliteit verbetert als gevolg van de sloop van de bebouwing en de zorgvuldige landschappelijke inpassing van zowel de te handhaven woning als de compensatiewoning. Zie hiervoor ook het bijgevoegde landschapsplan. 

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Geluid

Wegverkeer

In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn regels opgenomen voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals bijvoorbeeld woningen) door wegverkeer. Het gaat daarbij om de geluidsbelasting in het maatgevende toekomstige jaar. In het algemeen is dit het jaar 10 jaar na realisatie of na het uitvoeren van het akoestisch onderzoek.

De Wet geluidhinder kent een voorkeursgrenswaarde. Als aan deze waarde wordt voldaan, is er voor de Wet geluidhinder geen belemmering voor het bouwplan. Onder voorwaarden is een hogere grenswaarde mogelijk. In het onderhavige plan ligt de nieuwe woning buiten de bebouwde kom. In dit geval gelden de volgende grenswaarden:

  • Voorkeursgrenswaarde: 48 dB(A)
  • Maximale grenswaarde: 53 dB(A)

Voor nieuwe geluidsgevoelige functies, zoals woningen, geldt een wettelijke voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Voor nieuwe woningen die binnen de geluidszone liggen, is in het algemeen de vaststelling van een hogere waarde tot 55 dB(A) mogelijk. Op grond van de Wgh kan het college van burgemeester en wethouders de betreffende hogere grenswaarden vaststellen indien blijkt dat maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ondervinden van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard.

Geluidszones langs wegen

Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) bevinden zich langs alle wegen geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidszone van een gezoneerde weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk). Voor de Jonkersvaart geldt een geluidszone van 250 meter.

Onderzoek

Wegverkeerslawaai

De ontwikkellocatie ligt op circa 380 meter afstand uit de doorgaande weg, Jonkersvaart. De ruimte voor ruimte-woning wordt ruim buiten de geluidszone van deze weg gebouwd. De toegangsweg naar het perceel is een eigen weg. Deze eigen weg heeft geen geluidszone waar rekening mee gehouden dient te worden.

Dat ter plaatse van de ontwikkellocatie aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt voldaan wordt bevestigd door de kaart Lden van de Atlas Leefomgeving. Hierop is te zien dat de geluidbelasting ter plaatse van ontwikkellocatie (blauwe cirkel) 33 dB is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0019.png"

Afbeelding 18: Kaart Lden (bron: Atlas Leefomgeving)

Op de slooplocatie aan de Jonkersvaart 19 wordt geen nieuwe geluidsgevoelige bestemming gerealiseerd. Toetsing aan de voorkeursgrenswaarde is hier niet aan de orde.

De locaties liggen verder niet binnen de geluidszone van een industrieterrein of spoorweg.

Conclusie

Het aspect geluid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.2 Luchtkwaliteit

Algemeen

De milieukwaliteitseisen omtrent luchtkwaliteit zijn verankerd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarde die voor een aantal verontreinigende stoffen in de wet is gesteld. Hierbij zijn twee sporen te onderscheiden: het creëren van bestemmingen die potentieel bijdragen aan de (verslechtering van de) luchtkwaliteit en het creëren van bestemmingen die gevoelig zijn voor (een slechte) luchtkwaliteit.

Als aannemelijk is dat aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormt luchtkwaliteit geen belemmering om een bestemmingsplan vast te stellen. Deze voorwaarden zijn:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging;
  • het project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Voor projecten waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. Dit is geregeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM). In de bij het NIBM behorende Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd.

Dit geldt onder andere voor woningbouwlocaties die ingeval van één ontsluitingsweg niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen omvatten. Bij twee ontsluitingswegen mogen uitbreidingslocaties niet meer dan 3.000 woningen bevatten. Voor kantoorlocaties gelegen aan één ontsluitingsweg geldt een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m².

Onderzoek

Het plan voorziet in de bouw van één compensatiewoning. Daarmee valt deze ontwikkeling binnen de regeling 'niet in betekende mate' bijdragend (NIBM). Dit betekent dat er geen verslechtering van de luchtkwaliteit aan de orde is.

De regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 geeft aan dat er bij onder andere een woning sprake is van een significante blootstellingsduur. Om onacceptabele gezondheidsrisico's uit te sluiten is gekeken naar de lokale luchtkwaliteit.

De Atlas Leefomgeving maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen ter plaatse van plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging.

De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen ter plaatse van de ontwikkellocatie in 2019 9 µg/m³ voor NO2 en 14 µg/m³ voor PM10. Omdat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Op de slooplocatie wordt geen nieuwe bestemming gerealiseerd die potentieel zou kunnen bijdragen aan de (verslechtering van de) luchtkwaliteit.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.

4.3 Geur

Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelasting- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een in de omgeving gelegen veehouderij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.

Voor melkrundvee en paarden zijn geen emissiefactoren vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij. De beoordeling van geurhinder vindt plaats op basis van afstandsnormen tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en de gevel van de omliggende voor geur gevoelige objecten. Bij natuurlijke ventilatie wordt de dichtstbij gelegen opening van de stal gezien als emissiepunt. Om geurhinder te voorkomen moet de afstand tussen het emissiepunt en de gevel van een geurgevoelig object in het buitengebied ten minste 50 meter bedragen. Voor geurgevoelige objecten in de bebouwde kom moet de afstand ten minste 100 meter bedragen.

Onderzoek

Het onderzoek naar geur richt zich alleen op de ontwikkellocatie omdat hier een geurgevoelig object (woning) wordt gerealiseerd. Op de slooplocatie wordt geen geurgevoelig object toegevoegd. Ook wordt de bestemming van de slooplocatie niet gewijzigd. Deze locatie blijft daarom in dit onderzoek verder buiten beschouwing.

In de directe omgeving van de ontwikkellocatie bevinden zich geen veehouderijbedrijven. Het dichtstbijzijnde bedrijf waar dieren worden gehouden ligt aan de Jonkersvaart 69 in Jonkersvaart (zie onderstaande afbeelding). Dit betreft een rundveehouderij, waarvoor een vaste afstand van 50 meter geldt voor geurgevoelige objecten in het buitengebied. Deze locatie ligt op een afstand van circa 470 meter uit de ontwikkellocatie. Aan de afstandsnorm wordt ruimschoots voldaan. Aan de Oudewijk 29 in Zevenhuizen ligt aan veehouderijlocatie op net iets grotere afstand. Dit betreft een paardenhouderij waarvoor ook een vaste afstand van 50 meter geldt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0020.png"

Afbeelding 19: ligging agrarische bedrijven met vee in de omgeving

Opslag en bewerken van mest en kuilvoer

Overige activiteiten, zoals de opslag van mest en veevoer, kunnen lokaal geurhinder veroorzaken. Geurhinder kan worden voorkomen door voldoende afstand te houden tussen de geurbron en een geurgevoelige locatie. Hiervoor kan worden aangesloten bij de afstanden die worden genoemd in het Besluit landbouw milieubeheer.

Vanwege de ruime afstand van de omliggende veehouderijen tot de ontwikkellocatie staat het vast dat hier geen geurhinder optreedt als gevolg van de opslag en bewerken van mest en kuilvoer.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.

4.4 Bodemkwaliteit

Algemeen

Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Aangetoond dient te worden dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik.

Onderzoek

Door Sigma Bouw & Milieu is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het perceelsgedeelte aan de Jonkersvaart 45 dat de woonbestemming krijgt. Het volledige rapport (projectnummer 21-M9682, d.d. 9 februari 2021) is als Bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd.

Op basis van de historische informatie uit het vooronderzoek blijkt dat op de onderzoekslocatie aan de Jonkersvaart 45 te Jonkersvaart tot rond 1975 een kleinschalige boerderij was gevestigd. De onderzoekslocatie is vanwege het vm. gebruik als boerderij in eerste aanleg als milieuhygiënisch "verdacht" aangemerkt.

Veldonderzoek

Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde bodemmateriaal geen bodemvreemde afwijkingen of asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming).

In één mengmonster van de bovengrond (0.0 - 0,5 m-mv) is een verhoogd gehalte minerale olie t.o.v. de achtergrondwaarde aangetroffen. De tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in dit geval niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen.

Het grondwater in één peilbuis bevat een verhoogd gehalte barium (zware metalen) t.o.v. de streefwaarde. De tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in dit geval niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek.

Conclusie

Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is er geen aanleiding tot het instellen van aanvullende onderzoek. De bodem ter plaatse van het perceelsgedeelte dat wordt bestemd voor woondoeleinden is geschikt voor de nieuwe functie.

Ten aanzien van asbest is er geen indicatie gevonden dat de bodem hiermee verontreinigd is. Als bij de uitvoering van de grondwerkzaamheden (bouwrijp maken, aanleg fundatie, etc) toch asbestdeeltjes worden aangetroffen, dan zal een verkennend asbestonderzoek NEN-5707+C2 worden uitgevoerd.

Verder is bij het uitvoeren van werkzaamheden in de bodem de algemene zorg- en meldplicht van toepassing. Het aspect bodem staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.5 Externe veiligheid

Algemeen

De externe veiligheid wordt bepaald door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in en rond het plangebied. Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en beperkt kwetsbare objecten, zoals woningen, moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele calamiteit het aantal slachtoffers beperkt blijft.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde.

Groepsrisico

Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Bevi (stb. 250, 2004) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (art. 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen.

Onderzoek

Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart Nederland weergegeven. De rode cirkel geeft globaal de ligging van de ontwikkellocatie weer. Te zien is dat in de direct omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen liggen

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0021.png"

Afbeelding 20: risicokaart (plangebied bij rode cirkel)

Uit de risicokaart blijkt dat verder er geen transportroutes in de omgeving van de ontwikkellocatie liggen.

Voor de slooplocatie gelden dezelfde bevindingen. Echter omdat op deze locatie geen nieuwe gevoelige bestemmingen worden opgenomen, is een toetsing aan externe veiligheid voor deze locatie niet noodzakelijk.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de bouw van een ruimte voor ruimte-woning op het perceel aan de Jonkersvaart 45 in Jonkersvaart.

4.6 Bedrijven en milieuzonering

Ter bescherming van de leefkwaliteit is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies noodzakelijk. Om die reden moet worden onderzocht of in de directe omgeving van het plangebied milieugevoelige functies aanwezig zijn en in welke mate de bedrijfsactiviteiten, die vanuit het plangebied worden uitgeoefend, hinderlijk zijn voor deze (gevoelige) functies.

In de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” zijn de meest voorkomende vormen van bedrijvigheid beoordeeld op grond van hun hinderlijkheid en aan de hand daarvan verdeeld in een zestal milieucategorieën. Op grond van de mate van milieuhinderlijkheid wordt geadviseerd een bepaalde afstand ten opzichte van gevoelige functies aan te houden, zoals woningen, scholen, e.d. Deze afstandsnormen zijn indicatief van aard. In de navolgende tabel zijn de richtafstanden weergegeven.

Tabel 4.2: richtafstanden Bedrijven en milieuzonering

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0022.png"

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype.

Er zijn twee omgevingstypen gedefinieerd, te weten de omgevingstype rustige woonwijk / rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied. Bij het gemengd gebied wordt een kleinere richtafstand aangehouden.

Daarnaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.

Onderzoek

Jonkersvaart 19

Bij de toetsing van het voornemen aan het provinciaal beleid (zie paragraaf 3.3) is aangegeven dat een belangrijke reden om het 'bouwrecht' niet op het perceel te benutten waar wordt gesloopt, te maken heeft met de aanwezigheid van twee veehouderijbedrijven in de directe omgeving van de locatie aan de Jonkersvaart 19. Door het toevoegen van een woning zouden deze bedrijven gehinderd kunnen worden in hun bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden.

Omdat de planologische situatie van het perceel aan de Jonkersvaart 19 niet wijzigt en er geen nieuwe gevoelige functie(s) worden toegevoegd heeft het planvoornemen geen nadelige gevolgen voor de (agrarische) bedrijven in de omgeving van de slooplocatie.

Jonkersvaart 45

In de paragrafen over ‘geur’ en ‘geluid’ is al getoetst of hinderveroorzakende functies in de omgeving het realiseren van de ruimte voor ruimte-woning op de ontwikkellocatie kan frustreren. Ook is beoordeeld of het toevoegen van een extra woning gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven in de omgeving. Gebleken is dat dit niet het geval is.

Gesteld kan worden dat ter plaatse van de compensatiewoning sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijven niet worden gehinderd in hun bedrijfsvoering en/of - ontwikkeling.

Conclusie

Omliggende bedrijven van zowel de sloop- als de ontwikkellocatie worden door het planvoornemen niet in hun bedrijfsvoering en/of - ontwikkeling belemmerd. Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Water

Waterbeleid

Juridisch kader

In het kader van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is het verplicht plannen te toetsen op wateraspecten. Het doel van de watertoets is “het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten”.

Missie

Waterschap Noorderzijlvest staat voor veilig, voldoende en schoon water. Wij creëren hiermee een basis voor een gezonde en toekomstbestendige leef-, woon- en werkomgeving in Groningen en Noord-Drenthe.

Vigerend beleid

Het beleid van waterschap Noorderzijlvest is verwoord in het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 en in de Notitie Water en Ruimte 2013.

Veilig, voldoende en schoon water

Het waterschap ziet het zorgen voor veiligheid als één van de belangrijkste opgaven, nu en in de toekomst. In een snel veranderende omgeving als gevolg van klimatologische en demografische ontwikkelingen willen wij hier invulling aan geven. Een stijgende zeespiegel en meer en heviger afwisselende perioden van regen en droogte vragen om robuuste oplossingen. Ons regionaal watersysteem is een zoveel mogelijk natuurlijk functionerend watersysteem dat klimaatbestendig, veerkrachtig en gezond is. Verder is dit watersysteem in staat om de belangen en functies die afhankelijk zijn van voldoende ecologisch gezond en schoon water zo goed mogelijk van dienst te kunnen zijn. Aanpassingen in het waterbeheer creëren een omgeving waar mens en dier op een gezonde wijze gebruik van kunnen maken. Het watersysteem is onlosmakelijk onderdeel van de bebouwde omgeving én het landelijk gebied.

Uitgangspunten van het waterschap en alle betrokkenen bij het treffen van waterhuishoudkundige maatregelen zijn:

  • Het vasthouden, bergen en afvoeren van water (trits: kwantiteit)
  • Het schoon houden, scheiden en zuiveren van water (trits: kwaliteit)

Borgen integrale afweging

Provincies en gemeenten zorgen voor een integrale afweging en leggen deze vast in provinciale beleidsplannen en omgevingsvisies, respectievelijk structuur- en bestemmingsplannen.

Grondwater

Houdt bij nieuwe ontwikkelingen rekening met de drooglegging. Om grondwateroverlast te voorkomen kan worden gewerkt met de volgende indicatieve droogleggingsnormen.

  Drooglegging  
Woningen met kruipruimte   1,30 meter  
Woningen zonder kruipruimte   1,00 meter  
Gebiedsontsluitingswegen   0,80 meter  
Erftoegangswegen   0,80 meter  
Groenstroken / ecologische zones   0,50 meter  

Onderzoek

Als gevolg van het ruimte voor ruimte-plan neemt de oppervlakte aan verharding per saldo af. In totaal wordt circa 795 m2 aan schuren gesloopt, circa 930 m2 aan verharding wordt opgeruimd en een betonnen mestsilo van circa 237 m2 (2.260 m3) wordt gesaneerd. Voor de nieuwbouw (inclusief erfverharding) wordt uitgegaan van circa 400 m2 aan verharding.

Omdat de sloop van de bebouwing aan de Jonkersvaart 19 en de bouw van de ruimte voor ruimte-woning onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, treedt er per saldo dus een afname aan verharding op van circa 1.560 m2.

Het Waterschap Noorderzijlvest hanteert in de Beleidsnotitie Ruimte (2013) als regel dat bij een toename onder de 2.500 m2 (in overige gebieden buiten de bebouwde kom) geen extra waterberging hoeft te worden gerealiseerd.

Bij dit project is geen sprake van een toename aan verharding, maar juist een afname. Het plan heeft daarom een positief effect op de kwantitatieve waterhuishouding.

Een tweede belangrijk aspect is waterkwaliteit. In dit kader is het van belang dat de kwaliteit van oppervlaktewater binnen het plangebied niet verslechtert. Als gevolg van de afname van de oppervlakteverharding zal er minder water direct afspoelen naar de kavelsloten en vindt meer inzijging plaats.

Een derde aspect is de drooglegging van de nieuw te bouwen woning. Het waterschap adviseert om rekening te houden met voldoende drooglegging. In nieuw bebouwd gebied wordt een minimale drooglegging voor woningen geadviseerd van 1,30 meter. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met een minimale ontwateringsdiepte van 0,70 meter. Bij kruipruimteloos bouwen kan een kleinere drooglegging toegepast worden. In een ruimtelijk plan kan een variërende drooglegging gerealiseerd worden in overleg met waterschap Noorderzijlvest.

Er vindt geen lozing op het oppervlaktewater plaats van verontreinigd water. Verder worden alleen niet uitloogbare bouwmaterialen gebruikt. De waterkwaliteit zal als gevolg van het plan niet verslechteren.

Op 9 februari 2021 is de digitale watertoets uitgevoerd. Het toetsresultaat van de watertoets is als Bijlage 2 aan deze toelichting toegevoegd. Op basis van de Digitale Watertoets geeft waterschap Noorderzijlvest aan dat het plan waarschijnlijk een beperkte invloed heeft op de waterhuishouding. Ook omdat het plan geen beperkingsgebied is geraakt. De 'Standaard Waterparagraaf' kan worden gebruikt voor de uitwerking van de relevante wateraspecten in dit plan.

Op basis van de Digitale Watertoets geeft waterschap Noorderzijlvest, mits aan de bovenstaande uitgangspunten wordt voldaan, een positief wateradvies.

Conclusie

Er zijn geen waterstaatkundige aspecten in het geding. Het aspect water staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.8 Ecologie

Algemeen

Uitgangspunt voor het bestemmingsplan is dat geen strijdigheid ontstaat met de wetgeving ten aanzien van de gebiedsbescherming en de soortenbescherming. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop.

Onderzoek

De locaties zijn op 10 december 2020 door een medewerker van Natuurbank Overijssel onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroute. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Het complete rapport van de quickscan (projectnummer 3089, d.d. 9-02-2021) is als Bijlage 3 aan deze toelichting toegevoegd.

Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming

Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland, leefgebied weidevogel & leefgebied akkervogels

Geen van de locaties behoort tot het Natuurnetwerk, leefgebied weidevogels of leefgebied akkervogels. De slooplocatie ligt op minimaal 1,39 kilometer afstand van gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren en de ontwikkellocatie ligt op minimaal 0,77 kilometer afstand van gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van de deelgebieden weergegeven. Leefgebied weidevogels en leefgebied akkervogels ligt verder weg van de deelgebieden dan de meest nabij gelegen gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0023.png"

Afbeelding 21: Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van beide deelgebieden. De ligging van de deelgebieden wordt met de gele cirkel aangeduid. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de groene kleur op de kaart aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De invloedssfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, leefgebied weidevogels of leefgebied akkervogels.

Natura 2000

Geen van de locaties behoort tot Natura 2000-gebied. De slooplocatie ligt op minimaal 3,49 kilometer afstand van Natura 2000-gebied en de ontwikkellocatie ligt op minimaal 3,08 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied Bakkeveense Duinen. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.BPJO21HERS1-VA01_0024.png"

Afbeelding 22: Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van beide deelgebieden. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de okergele kleur aangeduid (bron: pdok.nl).

De uitvoering van fysieke activiteiten in een plangebied kan leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied. Als gevolg van sloop- en bouwwerkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, optische verstoring, areaalverlies en aantasten van grond- en oppervlaktewater.

Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen beide deelgebieden en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedssfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is een negatief effect uitgesloten.

Stikstof

Woningbouwplannen kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Deze toename van de stikstofdepositie kan het gevolg zijn van bouwwerkzaamheden in de aanlegfase (bijvoorbeeld als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen). Het gebruik van de extra woning (de gebruiksfase) kan ook leiden tot een toename van de stikstofdepositie. Deze toename kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een toename van de verkeersbewegingen door bewoners en bezoekers van de nieuwe woning.

Bij kleine stedelijke ontwikkelingsprojecten, zoals woningbouwplannen, geldt dat er in de gebruiksfase alleen vanuit verkeer enige stikstofemissie te verwachten, aangezien er vanaf nu gasloos gebouwd moet worden. In de aanlegfase wordt enige stikstofemissie veroorzaakt door de inzet van mobiele werktuigen tijdens de sloop en bouw en verkeersbewegingen vanwege de aan- en afvoer van materialen en personeel.

Het plangebied ligt in het buitengebied op ruime afstand van beschermde natuurgebieden. Gelet op de beperkte omvang en de aard van het plan en de afstand tot de relevante gebieden is de verwachting dat het plan niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie in de kritische gebieden.

Uit de Aeriusberekening, uitgevoerd op 9 februari 2021, blijkt dat zowel de sloop- en de bouwfase als de gebruiksfase niet leidt tot een depositie van NOx in enig Natura2000-gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.

De Aeriusberekening van de sloop- en de bouwfase is worst-case uitgevoerd door de werkzaamheden, die stikstofemissie veroorzaken in de sloop- en bouwfase, samen te voegen in één berekening. De uitgangspunten van de Aerius berekeningen en de rekenresultaten voor zowel de sloop- en de bouwfase als de gebruiksfase zijn als Bijlage 4 toegevoegd.

Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming

De inrichting en het gevoerde beheer maken de locaties niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied.

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden.

Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

Als gevolg van het verwijderen van rommel, opgeslagen goederen, strooisel en bladeren en uitvoeren van grondverzet, wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie beschadigd en vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, en die mogelijk gedood worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels niet af.

Conclusie

Mits bij de uitvoering rekening wordt gehouden met mogelijk aanwezige bezette vogelnesten, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Initiatiefnemer zal daarom opgeslagen spullen verwijderen buiten de voortplantingsperiode. Dat geldt ook voor het verwijderen/betreding van beplanting en het slopen van gebouwen. De voortplantingsperiode is globaal de periode 1 maart-1 augustus.

Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland, leefgebied weidevogels, leefgebied akkervogels of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leefgebied weidevogels en leefgebied akkervogels, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van deze gebieden geen externe werking kent in Groningen.

Uit de stikstofberekening blijkt dat zowel de sloop- en de bouwfase als de gebruiksfase niet leidt tot een depositie van NOx in enig Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Hierdoor kan ook worden geconcludeerd dat het plan geen negatieve effecten heeft op Natura 2000.

ln het kader van de zorgplicht zal initiatiefnemer bij de uitvoering van de plannen rekening houden met de voortplantingsperiode van grondgebonden zoogdieren en de winterrustperiode van amfibieën, om te voorkomen dat beschermde dieren onnodig gedood worden.

Het aspect ecologie staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.9 Cultuurhistorie en Archeologie

4.9.1 Cultuurhistorie

Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.

Onderzoek

Karakteristiek voor het Zuidelijk Westerkwartier is de besloten houtsingelstructuur en de daarin aanwezige pingoruïnes (restanten van ijslenzen gevormd in de toenmalige poolwoestijn van de laatste ijstijd) en de open gebieden in de laagtes waar een flink areaal natuurgebied ligt.

Ten oosten van de ontwikkellocatie, op een afstand van circa 180 meter, is een pingoruïne aanwezig. Ten zuiden en ten westen zijn enkele gebieden begrensd als dekzandrug.

Op de dekzandruggen (ook wel gasten genoemd) met daartussen de veenlaagten heeft zich het karakteristieke landschap met streekdorpen ontwikkeld. De houtsingels komen van oudsher voor vanaf de zandruggen naar het lager gelegen, venige gebied.

Het ruimte voor ruimte plan heeft geen negatieve invloed op de karakteristieken van het landschap. De herstelwerkzaamheden van de houtsingel langs de toegangsweg, dat indirect verbonden is aan dit plan, heeft een positieve bijdrage voor het karakteristieke landschap en daarmee met de cultuurhistorie van het gebied.

De slooplocatie ligt in de lintbebouwing van Jonkersvaart waar geen sprake is van specifieke cultuurhistorische waarden. Wel is de lintbebouwing van het dorp kenmerkend voor het ontstaan en voor de huidige verschijningsvorm. Dit wordt door het plan niet aangetast.

4.9.2 Archeologie

Ter bescherming van eventuele archeologische waarden in de bodem is de Erfgoedwet van toepassing. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven.

De Westerkwartiergemeenten Grootegast, Leek, Marum en Zuidhorn hebben de archeologische en cultuurhistorische waarden laten inventariseren en vast laten leggen in de Kadernota Archeologie en cultuurhistorie in de Westerkwartier-gemeenten.

De archeologische waarden-/verwachtingenkaart laat de bekende archeologische vindplaatsen zien en geeft vlakdekkend de verwachte dichtheid aan archeologische sporen en vondsten weer in een aantal categorieën.

Op de beleidskaart worden de archeologische verwachtingen vertaald naar categorieën waarvoor een bepaald maximum oppervlak en diepte kan worden vrijgesteld. Zie voor de categorieën paragraaf 3.3.1.

Onderzoek

De archeologische waarden-/verwachtingenkaart is als volgt vertaald in het bestemmingsplan Buitengebied, partiële en correctieve herziening 2016:

Mede bestemming   Onderzoek nodig bij bouwactiviteiten vanaf   Onderzoek nodig bij werkzaamheden op een oppervlak vanaf (*)  
Waarde - Archeologie 3   50 m², geen dieptegrens   50 m², en zodra dieper dan 50 cm  
Waarde - Archeologie 4   500 m², geen dieptegrens   500 m², en zodra dieper dan 50 cm  
Waarde - Archeologie 5   1000 m², geen dieptegrens   1000 m², en zodra dieper dan 50 cm  
Waarde - Archeologie 6   5000 m², geen dieptegrens   Geen onderzoeksplicht  

Op de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan is te zien dat voor zowel de slooplocatie als de ontwikkellocatie de dubbelbestemming 'Waarde -Archeologie 6' geldt. Hiervoor geldt een onderzoeksplicht vanaf 5.000 m2 bij bouwactiviteiten.

Geconcludeerd wordt dat de grondroerende werkzaamheden een oppervlakte zullen beslaan die veel kleiner zal zijn dan 5.000 m2. Er is daarom geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Conclusie

De cultuurhistorische waarden worden door het ruimte voor ruimte-plan niet aangetast. De herstelwerkzaamheden van de houtsingel langs de toegangsweg, die wordt uitgevoerd in overleg met Landschapsbeheer Groningen, versterken juist de houtsingelstructuur van het gebied.

Hoewel de noodzaak om archeologisch onderzoek uit te voeren ontbreekt, is het echter nooit volledig uit te sluiten dat binnen het plangebied toch nog archeologische resten voorkomen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet is de uitvoerder van het grondwerk verplicht om archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid. In de te verlenen omgevingsvergunning(en) zal hieromtrent een voorwaardelijke bepaling worden opgenomen.

Rekening houdend met het voorgaande staat het aspect archeologie de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.10 Verkeer en parkeren

Ontsluiting

De nieuwe woonkavel wordt door de eigen toegangsweg ontsloten op de Jonkersvaart. Deze weg sluit over enige afstand westelijk aan op de Lindsterlaan die aansluiting geeft op de hoofdkern Marum.

Parkeren

Uitgangspunt bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is dat het parkeren op eigen terrein plaatsvindt. Om het aantal benodigde parkeerplaatsen te bepalen worden de actuele parkeercijfers van het CROW als parkeernorm toegepast. Voor het gebruik van deze publicatie gelden de volgende uitgangspunten:

  • Stedelijkheidsgraad: matig stedelijk
  • Stedelijke zone: buitengebied
  • Kencijfer: gemiddelde van minimale en maximale waarde.

Voor vrijstaande woningen wordt daarbij de categorie 'koop, vrijstaand' aangehouden. Hiervoor wordt een parkeernorm van minimaal 2,0 en maximaal 2,8 parkeerplaatsen per woning gehanteerd. Het kencijfer (gemiddelde) bedraagt dus 2,4 parkeerplaatsen per woning.

Op de ontwikkellocatie is meer dan voldoende ruimte voor het parkeren van 2 auto's. Voor de slooplocatie neemt de parkeerbehoefte niet toe. Ook hier is voldoende ruimte om te voorzien in de parkeerbehoefte.

4.11 Vormvrije Mer-beoordeling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2).

Met het voorliggende plan wordt één nieuwe (ruimte voor ruimte) woning toegevoegd. Gezien de geringe omvang van het plan is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsplan in de zin van het besluit m.e.r.. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-beoordelingsbesluit noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

Conclusie

Er is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsplan in de zin van het besluit m.e.r.. Een m.e.r.-beoordeling of een m.e.r.-beoordelingsbesluit is dan ook niet noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

4.12 Kabels, leidingen en straalpaden

In het plangebied zijn geen relevante kabels en straalpaden aanwezig waarmee rekening moet worden gehouden. Voordat werkzaamheden in de bodem worden uitgevoerd zal een klickmelding worden gedaan om te voorkomen dat kabels en leidingen tijdens graafwerkzaamheden niet worden beschadigd.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Het plan wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemers worden doorberekend. Met initiatiefnemers is een planschadeovereenkomst gesloten. Voor de gemeente zijn er geen andere kosten verbonden aan dit plan, waardoor het vaststellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk is. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Overleg

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voert met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van de belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het concept-bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Groningen, de Veiligheidsregio Groningen en het Waterschap Noorderzijlvest. Alleen de provincie heeft enkele opmerkingen gemaakt (over 'ecologie' en 'bodem'). Deze opmerkingen zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. De reactie van de provincie is als Bijlage 5 aan deze toelichting toegevoegd.

Onderstaand zijn de reacties van de provincie samengevat en is aangegeven welke aanpassingen in het bestemmingsplan zijn doorgevoerd.

Ecologie

Voor de algemene zoogdieren en amfibieën geldt een vrijstelling. Wél geldt voor deze soorten een zorgplicht. In dit kader wordt geadviseerd rekening te houden met de voortplantingsperiode van grondgebonden zoogdieren en de winterrustperiode van amfibieën, om te voorkomen dat beschermde dieren onnodig gedood worden.

In de conclusie van paragraaf 4.8 is opgenomen dat initiatiefnemer bij de uitvoering van de plannen rekening zal houden met de zorgplicht van de algemene zoogdieren en amfibieën.

Bodem

Het bodemonderzoek voor de locatie aan de Jonkersvaart 45 is uitgevoerd op het deel van het perceel dat een woonbestemming krijgt en niet op het volledige kadastrale perceel (gemeente Marum, sectie C, nummer 9788). De provincie adviseert om dit in de conclusie van paragraaf 4.4 te vermelden.

Op het perceel is een gronddepot aanwezig welke niet is onderzocht. Bij afvoer van deze grond is mogelijk onderzoek nodig. Dat geldt ook voor de aan het maaiveld aangetroffen resten puin (halfverharding) ter plaatse van boring 4 (zuidelijke grens onderzochte locatie).

Tot slot adviseert de provincie ten aanzien van de Jonkersvaart 19, daar waar op deze locatie sloop- en herinrichtingsactiviteiten zijn voorzien, waarbij de grond wordt geroerd, in ieder geval een verkennend bodemonderzoek (conform NEN-5740) uit te voeren.

In paragraaf 4.4 is opgenomen dat het bodemonderzoek aan de Jonkersvaart 45 heeft plaatsgevonden ter plaatse van het perceelsgedeelte dat de woonbestemming krijgt.

Er zal geen grond/puin worden afgevoerd van het perceel waar de woning wordt gebouwd.

Omdat de bestemming van de locatie aan de Jonkersvaart 19 niet wijzigt (deze is al bestemd voor Wonen) is er geen aanleiding in het kader van dit bestemmingsplan om hier een verkennend bodemonderzoek uit te voeren.

5.2.2 Omwonenden

De buren van de Jonkersvaart 45 zijn op de hoogte van de plannen. Het betreft de bewoners van de Jonkersvaart 43 en 47 en de boer die de omliggende weilanden in bezit heeft. De buren hebben geen bezwaren geuit tegen de bouw van de woning.

De buren rond de Jonkersvaart 19 zijn ook op de hoogte. Het betreft de bewoners van de Jonkersvaart 8 en 21. Dit zijn beide agrarische bedrijven. Zij zijn blij dat er niet op de plek van de af te breken schuur wordt gebouwd vanwege hun bedrijfsvoering.

5.2.3 Zienswijze

Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf vrijdag 16 juli 2021 tot en met donderdag 27 augustus 2021 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend.