direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Herontwikkeling middengebied FruitMasters
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Op de locatie Deilseweg 7 in Geldermalsen is het hoofdkantoor van het fruitverwerkingsbedrijf FruitMasters gevestigd. Dit fruitverwerkingsbedrijf betreft een afzetorganisatie waarbij ruim 400 fruittelers aangesloten zijn. Het bedrijf begeleidt de fruittelers met het sorteren, verpakken en de marketing van producten. De bedrijfslocatie aan de Deilseweg 7 beschikt naast een hoofdkantoor over een facilitair en logistiek centrum met verschillende bedrijfsgebouwen. Initiatiefnemer is voornemens om het middenterrein van het bedrijfscomplex aan de Deilseweg 7 te herontwikkelen.
Deze herontwikkeling omvat de sloop van ca. 8.540 m2 aan bedrijfsgebouwen en de realisatie van ca. 20.200 m2 aan vervangende bebouwing. Deze (per saldo) toename van bebouwing is binnen de vigerende regeling niet mogelijk vanwege het feit dat met de bestaande oppervlakte bebouwing het maximale bebouwingspercentage, dat toegestaan is binnen het geldend bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen', reeds is bereikt.

Ook worden met de uitbreiding bouwhoogtes beoogd die de maatvoeringen binnen het bouwvlak overstijgen. Een herziening van het geldend bestemmingsplan is daarom noodzakelijk.

Voor de herontwikkeling van het middenterrein van het fruitverwerkingsbedrijf is door de gemeente West Betuwe een principeakkoord verleend, hetgeen resulteert in een herziening van het geldend bestemmingsplan 'Bedrijventerrein'. Deze toelichting voorziet in de benodigde ruimtelijke onderbouwing van deze herontwikkeling. In samenhang met de nieuw opgestelde verbeelding en planregels vormt dit de juridische basis om de herontwikkeling toe te kunnen staan, en om op deze wijze het bedrijventerrein toekomstbestendig te maken.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied omvat het gehele perceel van de bedrijfslocatie Deilseweg 7. Het bouwvlak is ca. 158.400 m2 groot en omvat alle bedrijfsgebouwen van het fruitverwerkingsbedrijf, inclusief het hoofdkantoor.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0001.png"

Ligging en begrenzing plangebied

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Op het plangebied is het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein' van toepassing, vastgesteld op 6 november 2019. Op grond van dit bestemmingsplan rust op de locatie de enkelbestemming 'Bedrijventerrein' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waterstaat - Waterbergingsgebied'.

Voor de bedrijfslocatie is een bouwvlak opgenomen. Dit bouwvlak kent een maximum bebouwingspercentage van 60%, en een gedifferentieerde bouwhoogte van 10 en 15 meter. De bouwhoogte 10 meter is opgenomen aan de noord-, oost- en zuidrand van het bouwvlak. Op het middenterrein van het bouwvlak is de bouwhoogte 15 meter opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0002.png"

Uitsnede geldend bestemmingsplan

Ook zijn binnen het bouwvlak functieaanduidingen opgenomen voor verschillende bedrijfsonderdelen van het fruitverwerkingsbedrijf. Ook rusten er een drietal gebiedsaanduidingen op het plangebied: 'vrijwaringszone - molenbiotoop' en 'overige zone - voorlopige voorziening' (beiden zuidzijde van het bouwvlak) en 'veiligheidszone - bevi' (oostzijde van het bouwvlak).

Naast het bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen' is ook het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019' geldig op het plangebied. Dit parapluplan is vastgesteld na inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, waardoor stedenbouwkundige voorschriften uit de gemeentelijke bouwverordening in een bestemmingsplan geregeld moeten worden. Doorwerking van de implicaties van dit parapluplan worden besproken in 5.9 Verkeer en parkeren.

1.4 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in Hoofdstuk 2 het besluitgebied en het voornemen nader toegelicht. In Hoofdstuk 4 wordt het voornemen getoetst aan geldende beleidskaders op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. In Hoofdstuk 5 wordt het voornemen getoetst aan geldende milieu- en omgevingsaspecten. Tenslotte worden in Hoofdstuk 7 de economische en maatschappelijke haalbaarheid van het voornemen besproken.

Hoofdstuk 2 Plangebied

2.1 Globale ligging plangebied

FruitMasters ligt op een bedrijventerrein ten westen van de kern van Geldermalsen. De planlocatie en de kern van Geldermalsen worden gescheiden door de spoorlijn van Utrecht naar 's-Hertogenbosch. Ten noorden van het plangebied, aan de overzijde van de Linge, ligt de kern Tricht. Ten westen van het plangebied is er sprake van karakteristieke lintbebouwing aan de Linge tot aan de kern Deil.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0003.png"

Ligging plangebied ten opzichte van de kern Geldermalsen

2.2 Historische ontwikkeling

Het karakter van het gebied van de Linge wordt mede door de situering van de dorpen en de dijken langs de rivier bepaald. Langs het kronkelende stroomgebied van de Linge zijn in de loop van de tijd verschillende kernen ontstaan, waaronder Geldermalsen. Geldermalsen is van alle kernen langs de Linge één van de grootst ontwikkelde. Toch is Geldermalsen, net als de andere kernen, ontstaan uit kleine nederzetting op afzettingen van zand en grind uit de rivier. Deze hoger gelegen stroomruggen en oeverwallen zijn nu ook nog terug te zien in het landschap, mede doordat veel van de wegenstructuur in de omgeving geënt is op deze geomorfologische structuur. De situering van kernen langs de dijk heeft geleid tot een lineaire bebouwings- en wegenstructuur op of evenwijdig aan de dijk. Haaks op de dijk staan vaak verbindingswegen naar het achterland.

Lange tijd zijn alleen deze hoger gelegen gronden geschikt geweest voor bewoning, begrazing of als bouwland. Verder van de rivier af vonden minder afzettingen plaats en werden alleen fijnere kleideeltjes afgezet. Zo ontstonden de lager gelegen, nattere komgronden. Pas na de bedijking van de Linge kon men overgaan tot de ontginning van de komgronden om aan de grotere behoefte aan landbouwgrond te kunnen voldoen. Het onderscheid tussen de stroomrug en de komgronden is ook nu nog in het landschap waar te nemen door het verschillende grondgebruik; de stroomruggen worden overheerst door de fruitboomgaarden en de kommen door open uitgestrekte graslanden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0004.png"

Ontwikkeling omgeving plangebied (bron: TopoTijdreis)

Het plangebied is gelegen in het uiterwaardengebied van de Linge. Al sinds 1900 ligt het in de oksel van het stroomgebied van de Linge aan de noordzijde en de spoorlijn Utrecht-Den Bosch. Op de gronden van het plangebied is lange tijd een bietsuikerfabriek gevestigd geweest (van 1866-1935/36). Dit fabriekscomplex is pas rond 1972/1973 gesloopt, waarna een herontwikkeling plaats heeft gevonden naar een bedrijventerrein op de locatie.

Van de kernen in de omgeving was Tricht (ten noorden van het plangebied aan de overzijde van de Linge) qua grootte gelijkwaardig aan Geldermalsen. Rondom de jaren '60 en '70 is aan de overzijde van het spoor ten oosten van het plangebied begonnen met de ontwikkeling van Geldermalsen-West. In de periode tussen de jaren '60/'70 tot aan nu is deze wijkontwikkeling vastgegroeid aan de historische kern van Geldermalsen, waardoor een middelgrote kern is ontstaan in het Betuwegebied en Geldermalsen de grootste kern is in de huidige gemeente West-Betuwe.

2.3 Ruimtelijke en functionele structuur

FruitMasters is een afzetorganisatie waarbij ruim 400 fruittelers zijn aangesloten en waarvan het hoofdkantoor is gevestigd in Geldermalsen. Op de locatie Geldermalsen worden verschillende soorten zachtfruit, appels en peren van Nederlandse bodem verzameld, verpakt en gedistribueerd naar winkels of kleinere magazijnen. FruitMasters draagt zorg voor de vermarkting van hun fruit in zowel het binnenland als in het buitenland. Daarbij begeleidt FruitMasters het fruit vanaf de teelt tot aan de aanschaf door de consument. Van sorteren en verpakken tot en met marketing en winkelvloerpresentatie. Mede door de aangesloten fruittelers is FruitMasters in staat Nederlands kwaliteitsfruit direct van de bron te leveren aan (inter)nationale handelshuizen en retailers.

De bedrijfslocatie van FruitMasters in Geldermalsen wordt ontsloten aan de zuidzijde. De Deilseweg is de doorgaande weg op de bedrijfslocatie en ontsluit de gebouwen aan de oostzijde, zowel voor in- als uitrijden. Direct aan de entree aan de westzijde staat het hoofdkantoor van FruitMasters.

In totaal is er in de huidige situatie sprake van 96.600 m2 aan bestaand bebouwd oppervlak. Hiermee is in de huidige situatie ca. 61 % van het bestaand oppervlak van het bouwvlak bebouwd.

Dit bestaande bebouwingsoppervlak bestaat onder andere uit gebouwen zoals het hoofdkantoor en het veilinggebouw als ook andere bouwwerken zoals laadkuilen.
De verwerking en distributie vindt vooral plaats in het gebouw op het middenterrein. Overige gebouwen op het terrein zijn voornamelijk bedoeld voor (gekoelde) opslag van diverse soorten hard en zachtfruit.
Als Bijlage 1 is een tekening bijgevoegd met de bestaande bebouwing op het bouwvlak.

Hoofdstuk 3 Planvoornemen

3.1 Historie en ontwikkelingsbehoefte

De telerscoöperatie FruitMasters is van oudsher geworteld in hét fruitcentrum van ons land; de Betuwe. In 1904 richtten 34 telers de 'Veiling Vereeniging Geldermalsen en Omstreken' op. Nog steeds is de coöperatie en veiling gevestigd naast het station aan de Deilseweg in Geldermalsen. In de loop der jaren is FruitMasters sterk gegroeid. Tegenwoordig zijn zo'n 400 Nederlandse telers en hun families aangesloten bij de coöperatie. Bovendien is FruitMasters een belangrijke werkgever voor veel bewoners uit deze en aangrenzende gemeenten. Het is de taak van FruitMasters om mensen overal te laten genieten van het gezonde fruit van onze telers. Tegenwoordig vind je de appels, peren en al het andere fruit van de telers in vrijwel iedere Nederlandse supermarkt.

Gezonde groei

Door de ontwikkelingen van de laatste jaren, is dringend de behoefte aan meer ruimte en moderne apparatuur voor de afwikkeling van de producten. Het terrein van FruitMasters in Geldermalsen is de afgelopen 70 jaar bebouwd. In dit proces zijn regelmatig oude gebouwen vervangen voor nieuwe.

FruitMasters ligt ingebed tussen de dijk, spoorlijn, Linge en naastgelegen bedrijven.
Hierdoor is geen ruimte om uit te breiden, maar wel om 'in te breiden'.
Daarnaast staan de ontwikkelingen op het gebied van automatisering en verduurzaming ook in deze sector niet stil. Er bestaat behoefte aan vernieuwing en modernisering.

Centraal binnen dit plan staan automatisering, robotisering en het centraliseren van de activiteiten binnen één gesloten omgeving. Door deze aanpassingen stroomt het verse fruit snel door het bedrijf. Die hoge doorloopsnelheid zorgt voor verse producten in de winkel. Zo kan worden voorzien in de verwachte stijgende vraag naar fruit en kan de leidende rol van West Betuwe als fruitgemeente van Nederland, worden verstevigd.

Om het sorteren en verpakken van fruit duurzaam, innovatief en concurrerend te kunnen blijven uitvoeren is vernieuwing noodzakelijk.  Deze vernieuwing(en) moeten architectonisch en stedenbouwkundig goed ingepast worden in de omgeving.

3.2 Planvoornemen

Het planvoornemen betreft een herontwikkeling van het middengebied van het terrein van FruitMasters. Het voornemen bestaat uit de sloop van bestaande bebouwing op dit middenterrein en de realisatie van vervangende bebouwing. Concreet wordt er met het planvoornemen ca. 8.540 m2 aan bebouwing gesloopt, en ca. 20.200 m2 aan vervangende bebouwing gerealiseerd. Hiermee stijgt het bebouwingspercentage binnen het bouwvlak van ca. 61 % naar ca. 68,3 %.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0005.png"

De te slopen bebouwing (rood) (zie ook Bijlage 2)

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0006.png"

De op te richten bebouwing (blauw) (zie ook Bijlage 3)

De herontwikkeling gaat gepaard met een hogere bouwhoogte voor het middengebied, daar waar de nieuwbouw wordt gesitueerd. Door de hogere bouwhoogte kan er verticale opslag (en eventuele verwerking) van goederen plaatsvinden, iets wat de bedrijfsefficiëntie van FruitMasters ten goede komt. Voor een gedeelte van het bouwvlak wordt daarom een bouwhoogte van 23 meter toegestaan.

De herontwikkeling van het middenterrein hangt samen met de logistieke opwaardering die FruitMasters voor ogen heeft. Door verouderde gebouwen te slopen en op te waarderen naar nieuwe gebouwen die voldoen aan huidige standaarden, kan het bedrijf een verduurzamingsslag maken die passend is bij de ontwikkelingsrichting van het bedrijf.

Een van de doelen is de bouw van een nieuw pakstation, om centraal te kunnen sorteren, in plaats van het sorteren bij de telers. Dit betekent een hogere efficiëntie en minder verkeersbewegingen hetgeen bijdraagt aan het meer duurzaam maken van de bedrijfsvoering.
Er wordt in dit plan interne ontwikkelingsruimte gecreëerd. Uitbreiding van het bedrijventerrein is niet mogelijk, de ontwikkelingsruimte moet derhalve gezocht worden in de inbreiding.

De ontwikkelingsruimte krijgt eveneens vorm in een verhoging van het huidige bebouwingspercentage. Deze verhoging maakt het mogelijk om bijvoorbeeld een luchtbrug te creëren en het terrein doelmatiger en daarmee duurzamer te kunnen inrichten.

In het kader van de doelmatige bedrijfsvoering en duurzaamheid is het bebouwingspercentage verhoogd tot 80 % (was 60% in het bestemmingsplan, wordt ca 68,3 % na de bovengenoemde sloop en herbouw). Van belang daarbij is dat sprake is van een introvert, reeds volledig verhard terrein, waardoor het mogelijk maken van meer bebouwing niet leidt tot gebruiksverandering en daarmee niet leidt tot specifieke omgevingseffecten.

Met de uitvoering van de huidige nieuwbouwplannen wordt het oorspronkelijke bebouwingspercentage overschreden. Aangezien het bebouwingspercentage zich richt op zowel gebouwen als op bouwwerken geen gebouwen zijnde, is er ook in de nabije toekomst behoefte aan aanvullende ruimte, met name voor bouwwerken zoals verbindingsbruggen, luifels en laadkuilen.

De noodzaak tot het verruimen van het bebouwingspercentage komt mede voort uit het feit dat de regels rond voedselveiligheid steeds strenger worden. Hierdoor mogen een deel van de vrachten niet meer in de open lucht gelost worden, maar moet aangedockt kunnen worden en mag het product niet meer door de buitenlucht de gebouwen ingereden worden, maar moet de vrachtwagen rechtstreeks verbonden zijn met het gebouw. Dit betekent: meer laadkuilen en bijbehorende ontvangstruimtes. Daarnaast komt er (terecht) steeds meer aandacht voor een gesloten koudeketen, waardoor de kwaliteit van het fruit zo hoog mogelijk blijft. Een deel van de koelhuizen op het terrein voorziet hier nog niet in, en deze zullen op afzienbare termijn alsnog gerealiseerd moeten worden.

Het nieuwe bebouwingspercentage maakt het verduurzamen van het bedrijventerrein in de vorm van het efficiënter opzetten van vervangende nieuwbouw als ook het toevoegen van bouwwerken geen gebouwen zijnde zoals laadkuilen, mogelijk.

3.3 Vormgeving

Bovenstaande ontwikkeling is ingegeven door de behoefte aan efficiënte , meer moderne en duurzame bedrijfsvoering. Alhoewel de interne productielijnen en het gebruik voor een belangrijk deel de vormgeving en maatvoering bepalen, heeft FruitMasters samen met de gemeente het ruimtelijk kwaliteitskader bepaald: zijnde kwalitatieve uitgangspunten voor de vormgeving.

3.3.1 Ruimtelijk kwaliteitskader

Op 18 februari 2022 is in een workshop met FruitMasters, de architect, de gemeente, welstandsarchitecten en stedenbouwkundigen onderzocht hoe de ruimtelijke kwaliteit van de westzijde van het station Geldermalsen kan verbeteren en hoe onderhavig bestemmingsplan hierin kan bijdragen.
De workshop heeft geleid tot de formulering van een ruimtelijk kwaliteitskader voor het veilingterrein (zie Bijlage 1 van de regels).
Aangegeven is dat beeldkwalitatief de volgende zones zijn te onderscheiden: de spoorzone, de dijkzone en de lingezone. De dijk - en spoorzone ontmoeten elkaar voor de stationsentree.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0007.png"

Beeldkwalitatieve zones, groen cirkel: omgeving stationsentree en blauwe cirkel: middengebied

Lingezone

Aan de zijde van de Linge is het landschap dominant en de bedrijfsbebouwing vanaf de zijde van de Linge nauwelijks zichtbaar. De voorgenomen nieuwbouw raakt deze zone niet. De maximale hoogtemaat van 10 m blijft in stand.

Dijkzone

De dijkzone (langs de Deilseweg) vormt een schakel met het Lingelandschap en het dorp Geldermalsen. De vormgeving voor dit deel van het terrein zou 'trager, aardser, kleinere korrel / korte lijnen' kunnen zijn.

Vooralsnog worden de gebouwen gelegen aan de dijkzone niet aangepast; met uitzondering van de koelcel op de hoek; in het zicht vanaf de stationsentree en de Burgemeester Roozeveld v.d. Venlaan + beginpunt van bebouwing langs de dijk. De gevel van de koelcel wordt meer herkenbaar gemaakt. (zie par. 3.3.3.)

Spoorzone

De spoorzone begeleidt als het ware het spoor; aan dit deel van het bedrijventerrein grenst de P+R parkeervoorziening.
Voor de spoorzone zijn de specifieke beeldkwalitatieve kenmerken: gebiedsoverstijgend, snelheid, grote korrel /lange lijnen, bouwhoogte is hier minder kritisch, omdat deze in verhouding tot de lange lijnen altijd lager overkomt (uitgezonderd de bebouwing nabij de Linge).

De voorgenomen nieuwbouw vindt plaats in deze zone; in het (in de afbeelding hierboven aangeduid als blauwe cirkel) middengebied. De bouw voegt zich naar beeldkwalitatieve uitgangspunten voor de spoorzone. (zie par 3.3.2.) De bouwhoogte wordt voor spoorzone verhoogt van 10 m. naar 12 m.

3.3.2 Bouwvoornemen nieuwbouw

Om optimaal van de beschikbare ruimte gebruik te maken is het noodzakelijk voor FruitMasters in het 'middengebied' een hoog geautomatiseerd stapelmagazijn te bouwen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0008.png"

Middengebied FruitMasters

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0009.png"

Detail vormgeving nieuwbouw middengebied

Het middengebied is het hart van het bedrijf, met aan de randen van het terrein voornamelijk (gesloten) gebouwen voor (gekoelde) opslag van producten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0010.png"

Middengebied, spoorzone

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0011.png"

Vormgeving nieuwbouw, aanzicht vanaf het spoor.

Daar (middengebied) waar de snelheid hoog is (auto's en trein) wordt gewerkt met eenvoudige grote elementen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0012.png"

De kleurstelling van de nieuwbouw in het middengebied zijn lichtgrijze kleurtinten.  Daar waar er activiteiten plaatsvinden wordt gewerkt met donkere accenten.  Ten behoeve van  personen en goederen vervoer zal er een extra luchtbrug worden geïntegreerd binnen de totale planopzet. De luchtbrug heeft als doel om een (voedsel)veilige oversteek mogelijk te maken op de meest economische wijze.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0013.png"

3.3.3 Gevel omgeving stationentree

Voor voorbijgangers wordt het beeld dat FruitMasters geeft voornamelijk beleefd aan de zijde van het station. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt dient daarom het accent niet bij het middengebied, maar bij de stationsentree te liggen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0014.png"

Straataanblik stationszijde

De planinvulling bestaat uit een 'leesbaar' gebouw; daar waar mensen vergaderen, pauzeren en lopen worden de gevels 'open', waar mensen werken wordt het - waar mogelijk- halfopen en bij gekoelde ruimten zal het gebouw gesloten zijn.

Restyling gevel spoorzijde

Om te voldoen aan de gemeentelijke eisen wordt in de hoek van het terrein de momenteel weinig sprekende gevel van het koelhuis aan de stationszijde herkenbaar gemaakt.  Deze activiteiten passen reeds binnen het vigerende bestemmingsplan en vormen een relevante kwalitatieve toevoeging aan het plan.

Daar waar de snelheid laag is (voetgangers en fietsers bij de stationsentree) wordt een beleefbaar, leesbaar en gedetailleerd accent voor het koelhuis gecreëerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0015.png"

Aanblik gebouw spoorzijde

Het ruimtelijk kwaliteitskader (zie Bijlage 1van de regels) is opgenomen bij de regels, teneinde als toetsingskader voor de nadere eisen te kunnen fungeren.

3.4 Afwijking geldend bestemmingsplan

Met het planvoornemen wordt een herontwikkeling beoogd op het middenterrein van FruitMasters, waar in het vigerende bestemmingsplan bouwhoogten gelden van respectievelijk 10 meter en 15 meter.
Met het voornemen wordt herontwikkeling van gebouwen beoogd die deze bouwhoogten overschrijden. (Deels van 15 naar 23 m op het middengebied, langs de spoorzone van 10 naar 12 m)
Daarnaast wordt met het bestemmingsplan het maximale bebouwingspercentage van 60 % in de geldende regeling overschreden. Om het bedrijf toekomstbestendig te laten opereren, wordt daarom met het bestemmingsplan een verhoging van het bebouwingspercentage beoogd van 60 % naar 80 %. (zie ook par. 3.2.)

Om bovenstaande mogelijk te maken, is een herziening van het geldend bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen' noodzakelijk.

Hoofdstuk 4 Beleidskaders

4.1 Nationaal beleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is door het rijk opgesteld. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 wordt hierin de langetermijnvisie in beeld gebracht. Op nationale belangen wil het Rijk (net als nu) sturen en richting geven. Hiervoor worden vier prioriteiten onderscheiden:

  • Ruimte voor klimaat adaptatie.
  • Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • Sterke en gezonde steden en regio's.
  • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Met de NOVI wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden, waarbij wordt gestreefd naar de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De wens is om daar naar toe te groeien en een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's te realiseren.

FruitMasters is een logistiek fruitbedrijf met een nationale afzetmarkt. De herontwikkeling van het middenterrein van dit bedrijf draagt bij aan het verder verduurzamen van de bedrijfsvoering van het bedrijf. Geldermalsen is, gezien de centrale ligging in de Betuwe en de ligging nabij knooppunt Deil (A2/A15), een logistiek logische locatie om het bedrijf verder te ontwikkelen. FruitMasters is een belangrijk bedrijf voor het economisch groeipotentieel van de kern Geldermalsen en de Betuwe in zijn algemeenheid. Hiermee ligt de verdere ontwikkeling van een bestaand bedrijf op een bestaand bedrijventerrein in lijn met de wensen die gesteld worden in de NOVI.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van nationale en provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) respectievelijk provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen.

Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen.

Het plangebied ligt niet binnen zoneringen die beschermd worden door de regels in het Barro. Hiermee levert het Barro geen verdere belemmeringen op voor het planvoornemen.

4.1.3 Bro: motivering duurzame verstedelijking

Daarnaast is ook het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) per 1 oktober 2012 op onderdelen gewijzigd. In artikel 3.1.6 van het Bro is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen. Deze ladder stelt eisen aan de onderbouwing in bestemmingsplannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken. Hiervoor moeten dan 3 stappen worden doorlopen:

  • 1. er wordt beschreven dat een voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte (trede 1);
  • 2. er wordt beschreven in hoeverre de behoefte zoals beschreven in trede 1 binnen bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen (trede 2);
  • 3. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen wordt aanvullend beschreven in hoeverre locaties buiten bestaand stedelijk gebied passend ontsloten zijn of zodanig worden ontwikkeld, gebruik makend van verschillende middelen van vervoer.

De eerste vraag is echter: is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Het begrip stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”.

De ladder heeft tot doel leegstand te voorkomen en zuinig ruimtegebruik te stimuleren. Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling geldt dat er sprake is van een herontwikkeling in de vorm van sloop en nieuwbouw, met als doel duurzaamheid en efficiency. De gronden waarop de ontwikkelingen plaatsvinden zijn reeds volledig bestemd voor bedrijfsmatige activiteiten. De actuele behoefte van de uitbreiding van het bebouwingspercentage komt voort uit de behoefte aan meer efficiency en verduurzaming van het bedrijventerrein.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Op 19 december 2018 hebben de Provinciale Staten de nieuwe omgevingsvisie van de provincie Gelderland vastgesteld. De omgevingsvisie is op 1 maart 2019 in werking getreden. De Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' is een structuurplan van de provincie Gelderland, met als doel een gaaf Gelderland te behouden en te ontwikkelen voor de toekomst. Daarbij staat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal.

In de omgevingsvisie is een zevental ambities opgenomen. Deze omvatten, in grote lijnen, de volgende onderwerpen:

  • Energietransitie: van fossiel naar duurzaam
  • Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer
  • Circulaire economie: sluiten van kringlopen
  • Biodiversiteit: werken met de natuur
  • Bereikbaarheid: duurzaam verbonden
  • Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio
  • Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam

De provincie Gelderland geeft invulling aan voorgenoemde ambities door de zogenoemde 'DOE-principes':

  • Doen: Er wordt breed gekeken en consequent gewerkt vanuit het perspectief van duurzaam én verbonden én economisch krachtig. Waar nodig worden regels en kaders gesteld;
  • Laten: zaken die niet aansluiten op de omgevingsvisie worden niet gestimuleerd;
  • Zelf: het goede voorbeeld wordt zelf gegeven, de nodige verantwoordelijkheid wordt genomen, en er is voldoende doorzettingsvermogen;
  • Samen: er wordt met open vizier gewerkt en gebouwd aan gezamenlijke agenda's met partners, en er worden kansen voor innovatie en kennisdeling gestimuleerd.

De provincie Gelderland heeft een unieke ligging op de oostwest-as en noordzuid-as van Nederland, wat de provincie tot een strategische en aantrekkelijke locatie maakt te midden van andere sterke regio's. De Gelderse economie heeft sterke troeven: bedrijven in de sectoren Health, Energy, Tech, Food, Logistiek en een sterk midden- en kleinbedrijf. De provincie wil bedrijven in deze sectoren volop de ruimte geven, maar wel op voorwaarde dat ook bijgedragen wordt aan het duurzaamheidsvraagstuk.

FruitMasters is een bedrijf met een nationale afzetmarkt. De locatie van het hoofdkantoor en logistiek centrum in Geldermalsen is, zoals de provincie in de omgevingsvisie noemt, een zeer geschikte locatie op de kruising tussen de oostwest-as (A15) en de noordzuid-as (A2). Een herontwikkeling van het middenterrein zorgt voor het toekomstbestendig houden van de bedrijfsvoering van FruitMasters. Door het slopen van oude gebouwen en realiseren van nieuwe gebouwen, kan door FruitMasters een investeringsslag op het gebied van duurzaamheid gedaan worden. Ook het mogelijk maken van centraal sorteren van hard fruit op de locatie in Geldermalsen draagt bij aan verduurzaming van het logistieke proces. Gelet hierop ligt de herontwikkeling op de planlocatie in lijn met de wensen die de provincie Gelderland stelt aan haar bedrijvenbestand.

4.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening (laatste actualisatie vastgesteld 5 juli 2022) vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.

In dit bestemmingsplan worden de volgende provinciale thema's nader toegelicht:

  • Klimaatadaptatie
  • Bescherming Molenbiotoop

Klimaatadaptatie Artikel 2.65b

Artikel 2.65b van de verordening bepaalt het volgende:

  • 1. Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.
  • 2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:
    • a. waterveiligheid;
    • b. wateroverlast;
    • c. droogte; en
    • d. hitte.
  • 3. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt.

In het bestemmingsplan zijn, vanuit efficiëntie en duurzaamheid, de bouwmogelijkheden op een bedrijventerrein voor een deel verruimd.
Het bedrijventerrein is volledig verhard. De uitbreiding van de gebouwen vinden plaats op nu reeds verhard terrein. De effecten op de waterhuishouding in relatie tot klimaatadaptatie zijn opgenomen in de nadere beschouwing van de waterhuishouding in paragraaf 5.10. en in Bijlage 8

Molenbiotoop: Artikel 2.64 (bescherming windvang molen)

a. Een bestemmingsplan maakt voor gronden binnen een Molenbiotoop geen nieuwe bebouwing of beplanting mogelijk als daardoor de windvang van een molen wordt beperkt.

In de Verordening is de instructieregels opgenomen dat in bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden gelegen binnen een molenbiotoop geen nieuwe bebouwing danwel beplanting is toegestaan, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat het functioneren van de molen door middel van windvang niet wordt beperkt. Hierbij is het begrip 'molenbiotoop' gedefinieerd als 'de omgeving van een molen gelegen binnen een straal van 400 m, gerekend vanaf het middelpunt van de molen'. Het plangebied is deels gelegen binnen deze molenbiotoop.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0016.png"

Omvang en ligging Molenbiotoop

Er kan op basis van de instructieregels van de provincie het volgende worden geconstateerd:

  • a. De molenbiotoop ligt over een beperkt deel van het plangebied. Voor dit deel van de gronden veranderen de hoogtematen, die opgenomen zijn in de vigerende bestemmingsplanregeling, niet.
  • b. Voor de gronden gelegen buiten de molenbiotoop, geldt uitdrukkelijk geen instructie van de provincie; de verordening richt zich uitsluitend op de gronden gelegen 'binnen een Molenbiotoop'.


Het bouwvoornemen, in de vorm van het mogelijk maken van grotere bouwhoogten, ligt buiten de molenbiotoop.

Echter, ter onderbouwing van een goede ruimtelijke ordening, is voor de gronden gelegen binnen de molenbiotoop nagegaan of en in hoeverre bouwactiviteiten op het bedrijventerrein de windvang van de molen zouden kunnen beperken.

De Poldermolen

De molenbiotoop biedt bescherming aan de windvang van de Poldermolen aan de Watermolenstraat 8 te Geldermalsen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0017.png"

De Poldermolen

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0018.png"

Ligging Poldermolen

Ten behoeve van de bescherming van de windvang, dient de hoogte van de nieuwe bebouwing getoetst te worden aan de molenbiotoopformule. Met de molenbiotoopformule kan op een eenvoudige manier de maximaal aanvaardbare hoogte van obstakels rond een molen worden berekend, dusdanig dat de molen hier geen onoverkomelijke hinder van ondervindt. De biotoopformule wordt dus vooral toegepast om te kunnen bepalen of een obstakel op een bepaalde afstand van de molen al dan niet ‘te hoog’ is. De eerste 100 meter dient vrij te zijn van obstakels. Vanaf 100 meter geldt een oplopende lijn die met de volgende formule te bepalen is:

H(x) = x/n+c*z

waarin:

  • H(x) = maximale toelaatbare hoogte van een obstakel op afstand x (in meters)
  • x = afstand van een obstakel tot de molen (in meters)
  • n = een constante, afhankelijk van de ruwheid van de omgeving en de maximaal toelaatbare windreductie. Hiervoor worden de volgende waarden gebruikt: 140 voor open, 75 voor ruw en 50 voor gesloten gebied.
  • c = een constante, afhankelijk van de maximaal toelaatbare windreductie, gewoonlijk met de waarde 0,2
  • z = askophoogte (helft van lengte gevlucht + eventueel de hoogte van de belt, berg of stelling)

De kortste afstand van de molen tot de grens van het bouwvlak van de gronden gelegen binnen de molenbiotoop is ca 250 m. De toegestane bouwhoogte vanaf de grens van het bouwvlak is resp 10 en 12 m, op een afstand van 290 m is de toegestane hoogte 15 m.

In het gebied tussen de molen en het plangebied zijn enkele solitaire bomen en laanbeplanting aanwezig. Noordelijk en oostelijk van de molen bevindt zich bedrijfsbebouwing. Op grond van deze omgevingskarakteristiek is deze in dit verband gekarakteriseerd als 'ruw'.

In 2012 is door Peutz BV een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van de molen op een voorgenomen bouwplan ten zuidoosten van de Poldermolen (Peutz BV, Rapportnummer O 15321-1-RA-002 d.d. 20 november 2012).
Aangezien het dezelfde molen betrof, zijn de rekenkundige uitgangspunten van de molen uit deze analyse waar van toepassing overgenomen:

  • x = 250 meter (minimale afstand tot het besluitgebied)
  • n = 75 (omgevingsclassifcatie = 'ruw')
  • c = 0,2 (toelaatbare windreductie)
  • z = 13,9 m (askophoogte)

x/n+c*z in nader ingevuld met :

Gemeten ter plaatse van de grens bouwvlak plangebied met toegestane bouwhoogte 12 / 10 m.:

250/75 + 0,2 * 13,9 = 6,11 m

Gemeten ter plaatse van de grens bouwvlak plangebied met toegestane bouwhoogte 15 m:

290/75+ 0,2*13,9 = 6,64 m

De toegestane bouwhoogten zijn binnen de molenbiotoop hoger dan volgens de berekeningen voor gebouwen en bebouwing (en beplanting) binnen de molenbiotoop zou mogen.

Echter, voor de gronden gelegen binnen de molenbiotoop veranderen de hoogtebepalingen voor de gebouwen en bouwwerken binnen het nieuw vast te stellen plan niet. De aanduiding molenbiotoop blijft intact.
De gronden die worden herontwikkeld liggen buiten de molenbiotoop.

Om na te kunnen gaan wat het effect van deze bestaande mogelijke bouwhoogten op de windvang van de molen zou kunnen zijn, is de ligging van de molen en de overheersende windrichting nader onderzocht.

Nadere analyse verwachte effecten van het bouwplan op windvang

De poldermolen bevindt zich op een locatie die aan noord- en oostzijde wordt begrensd door bestaande hoge (bedrijfs)bebouwing. Deze vormt in de huidige situatie een significante belemmering voor windvang uit noordelijke, noordoostelijke en oostelijke richting.

De windvang uit westelijke, zuidwestelijke en zuidelijke richting is onbelemmerd, met dien verstande dat de laanbeplanting langs de Watermolenweg en Provincialeweg Oost en solitaire bomen binnen het bereik van de molenbiotoop zijn gesitueerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0019.png"

Gebouwen en bestaande beplanting rondom Poldermolen

De laanbeplanting bestaat overwegend uit volwassen, loofbomen met een geschatte hoogte van 10-15 meter. De mate waarin deze laanbeplanting en solitaire bomen van invloed zijn op de windvang, is mede afhankelijk van het seizoen en de aanwezigheid van blad in de kruin.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0020.png"

De laanbeplanting langs de Provincialeweg Oost (foto links) en langs de Watermolenweg (foto rechts)

Overheersende windrichting

De overheersende windrichting in Nederland is zuidwestelijk, gevolgd door pal zuid en west:

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0021.png"

Procentuele verdeling windrichting per maand (bron: Weerplaza, 2020)

Op grond van de bestaande ruimtelijk-fysieke karakteristiek van de omgeving van de molen en de overheersende windrichting, wordt geconstateerd dat de molen in de huidige situatie in de overheersende windrichtingen (zuidwest en zuid) een betrekkelijk onbelemmerde windvang heeft.

Op basis van de bestaande fysieke belemmeringen zoals deze binnen de molenbiotoop aanwezig zijn, is het noordelijk, noordoostelijk, oostelijk en een deel van het zuidoostelijk kwadrant van de molenbiotoop als verstoord aan te merken, voor zover het onbelemmerde windvang betreft.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0022.png"

Indicatie van de zone binnen de molenbiotoop (in rood) waar de windvang als verstoord mag worden verondersteld door bestaande bebouwing en (laan)beplanting

De bouwmogelijkheden van de gronden binnen het onderhavige bestemmingsplan wijzigen, voorzover gelegen binnen de molenbiotoop, niet. Er vinden geen specifieke bouwontwikkelingen op deze gronden plaats. Mocht dit in de toekomst wel het geval zijn, dan kan met bovenstaande analyse worden aangetoond, dat bebouwing aan de noordzijde van de Deilseweg, geen specifieke beperking zal of kan vormen voor de windvang van de Poldermolen.

De voorgenomen bouwontwikkeling in het middengebied van het bedrijventerrein van FruitMasters, ligt geheel buiten de molenbiotoop. Maar ook hier geldt, dat de ligging aan de noordoostzijde van de molen maakt, dat geen sprake kan zijn van een substantiële verslechterende invloed op de windvang van de Poldermolen.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Omgevingsvisie West Betuwe

De gemeenteraad van West Betuwe stelde op 22 februari 2022 de Omgevingsvisie 1.0 vast. De Omgevingsvisie West Betuwe schetst de ambities en visie voor de gemeente West Betuwe in 2040.

West Betuwe is een middelgrote gemeente met ruim 50.000 inwoners. Van de 26 kernen in de gemeente is Geldermalsen met ruim 10.000 inwoners veruit de grootste; de andere 25 kernen vormen het thuis van enkele honderden tot enkele duizenden inwoners. De karakteristieke kernen, het herkenbare rivierenlandschap, de bedrijvigheid en de mensen zorgen voor herkenbare kwaliteiten en kernwaarden. Deze kernwaarden zijn:

  • Inclusief en dorps.
  • Agrarisch en ondernemend.
  • Landschappelijk en beleefbaar.

De gemeente West Betuwe heeft ook drie kernambities geformuleerd in de omgevingsvisie. Deze luiden als volgt:

  • De gemeente West Betuwe zet in op toekomstbestendige en leefbare kernen.
  • Als gemeente West Betuwe ontwikkelen we ons tot dé fruitgemeente van Nederland.
  • De gemeente West Betuwe versterkt haar beleefbaar rivierlandschap waarin kleinschaligheid en de ‘dorpse sfeer’ de boventoon voeren.

West Betuwe is een bedrijvige en ondernemende gemeente, met fruit als 'unique selling point'. Door de vruchtbare rivierklei in de gemeente heeft de West Betuwse fruitteelt kunnen uitgroeien tot een grootschalige economie. De fruitteelt is bepalend voor het landschap, maar ook voor de economie en de werkgelegenheid. FruitMasters neemt als logistiek fruitbedrijf een centrale positie in, in de Betuwse fruitteelt. De komende jaren gaat naar verwachting de arbeidsmarkt in de regio veranderen. Digitalisering en robotisering zullen de inhoud van de praktijk-geschoolde banen veranderen. Ook de verduurzaming van productieprocessen en bedrijfsvoering zal verder toenemen.

De komende jaren wil de gemeente West Betuwe verder inzetten op het benutten van de economische kracht van West Betuwe. De gemeente zet daarvoor in op vier grote toekomstbestendige en goed bereikbare economische clusters, waaronder in Geldermalsen. De ambitie voor de gemeente is om te excelleren in fruitproductie en -verwerking met Europa als thuismarkt. Met de verdere ontwikkeling van de locatie van FruitMasters in Geldermalsen wordt verder ingezet op de ontwikkeling van de fruitsector in West Betuwe en de bedrijvigheidscluster aan de westzijde van Geldermalsen in algemene zin. Gelet hierop, ligt het voornemen in verlengde met hetgeen de gemeente wenselijk acht in de Omgevingsvisie West Betuwe.

De omgevingsvisie West Betuwe vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.3.2 Verordening afvoer hemel- en grondwater en rioolaansluitverordening

De twee verordeningen zijn een actualisatie en harmonisatie van beleid uit de voormalige gemeenten. Het kader hiervoor is vastgelegd in het Water- en Rioleringsplan (WRP).

Verordening afvoer hemel- en grondwater
Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen toe. Dat vraagt om maatregelen, die samen met bewoners en projectontwikkelaars genomen moeten worden. Daarbij wordt nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw en bestaande bouw.

Het planvoornemen heeft betrekking op een herontwikkeling, waarbij sprake is van nieuwbouw van nieuwe gebouwen. Daarvoor is in artikel 4 van de verordening het volgende bepaald:

  • 1. Met het oog op het beperken van wateroverlast, het beperken van verdroging en het doelmatig beheer van afvalwater wordt alleen hemelwater vanaf nieuwe gebouwen in een openbaar riool geloosd, als een hemelwaterberging is aangebracht en in stand gehouden.
  • 2. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is:
  • 3. 20 l per m2 verhard oppervlak op het perceel als de totale omvang van het verhard oppervlak niet meer is dan 500 m2; of
  • 4. 43,6 l per m2 verhard oppervlak op het perceel als de totale omvang van het verhard oppervlak 500 m2 of meer is.
  • 5. In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder b, is de minimale capaciteit van de hemelwaterberging 20 l per m2 verhard oppervlak, als al compenserende waterberging is gerealiseerd op grond van de keur van het waterschap.
  • 6. De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze tussen 1 en 3 dagen weer voor 90% beschikbaar is, tenzij het opgevangen hemelwater bestemd is voor hergebruik. 5. De hoeveelheid hemelwater die niet kan worden geborgen, kan worden geloosd in het openbare riool of in de openbare ruimte.

De effecten op de waterhuishouding zijn opgenomen in de nadere beschouwing van de waterhuishouding in paragraaf 5.10. en in Bijlage 8

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

5.1 Bedrijven- en milieuzonering

Vanuit het aspect 'goede ruimtelijke ordening' dient er voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakende (o.a. bedrijven) en hindergevoelige functies (waaronder woningen). Voorgaande moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt er gekeken of het perceel zelf veroorzaker is van hinder en anderzijds wordt bekeken of het perceel kwetsbaar is voor hinder. Voor de inventarisatie van milieuzonering is de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" leidend. Hierin wordt per bedrijfssoort en soort inrichting aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke afstand hierbij (minimaal) in acht genomen dient te worden (de richtafstand). De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend.

Met het planvoornemen worden geen nieuwe hindergevoelige functies mogelijk gemaakt. Ook worden er geen geografische wijzigingen doorgevoerd aan het plangebied; de begrenzing blijft op dezelfde plek liggen. Hiermee verandert er in wezen niets aan de bestaande uitgangspunten op basis waarvan de milieuzoneringen zijn vastgesteld in het geldend bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen'. In de navolgende paragrafen zullen in het kader van een goede ruimtelijke ordening de verschillende relevante milieu- en omgevingsaspecten doorlopen worden.

5.2 Geluid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) te worden onderzocht of sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer, spoor of bedrijven. In de Wet geluidhinder is bepaald dat ten aanzien van zogenoemde 'geluidgevoelige objecten' wettelijke eisen gelden ten aanzien van de maximale geluidsbelasting.

In het kader van het planvoornemen vindt een herontwikkeling plaats op het terrein van FruitMasters. Met deze herontwikkeling wordt het bouwvlak niet anders ingericht dan in de huidige situatie; enkel de bouwhoogtes worden op onderdelen verhoogd en het bebouwingspercentage wordt uitgebreid naar 75%. Dit leidt niet tot een wezenlijk andere uitgangssituatie met betrekking tot het aspect industrielawaai.

Met het voornemen worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Het aspect spoorweglawaai, industrielawaai of wegverkeerslawaai is daarom niet relevant in omgekeerde werking; er hoeft niet getoetst te worden of er sprake is van geluidhinder op de te herontwikkelen gebouwen. Ook leidt het planvoornemen niet tot verkeerstoename op de Deilseweg; er wordt met de herontwikkeling naar centraal sorteren juist een afname van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied verwacht (zie 5.9). Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt derhalve ook niet noodzakelijk geacht.

5.3 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. Met de Wet geurhinder en veehouderij geldt één toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderij in de gehele gemeente. Voor niet vergunningverplichte veehouderijen en overige agrarische niet-vergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbesluit het toetsingskader.

De Wet geurhinder en veehouderij bevat normen en afstanden die bedrijven moeten aanhouden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarnaast geeft de Wet geurhinder en veehouderij gemeenten de beleidsvrijheid om maatwerk te leveren dat is afgestemd op de ruimtelijke en milieuhygiënische feiten en omstandigheden in een concreet gebied en de gewenste (toekomstige) ruimtelijk inrichting.

Met het planvoornemen vindt een herontwikkeling plaats van het middenterrein van het terrein van Fruit Masters. Hiermee worden geen nieuwe geurgevoelige objecten opgericht of activiteiten uitgebreid die mogelijke geurhinder kunnen veroorzaken voor omliggende geurgevoelige objecten. Het aspect geur levert hiermee geen belemmeringen op voor vaststelling van het bestemmingsplan.

5.4 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een inrichting die valt onder het Bevi, moeten worden aangehouden. Tenslotte zijn in de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente ambities opgenomen over het al dan niet toelaten van risicovolle activiteiten.

Op het bedrijventerrein van FruitMasters is in het vigerende bestemmingsplan een gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - bevi' opgenomen aan de oostzijde. Deze veiligheidszone is opgenomen vanwege de opslag van ammoniak. Ammoniak wordt gebruikt als natuurlijk koudemiddel in de koelhuizen van FruitMasters, maar is tevens een stof die onder hoge blootstelling schadelijk kan zijn voor de gezondheid. In onderstaande risicokaart is de PR10-6 countour uit het bestemmingsplan overgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0023.png"

Uitsnede risicokaart ter plekke van het plangebied

Nieuwe situatie

Het bestaande koelhuis (met PR 10-6 contour) ter plaatse van de huidige risicocontour wordt gesloopt. Het nieuwe koelhuis wordt uitgerust met een ammoniak koelinstallatie zonder een PR 10-6 contour. De overige koelhuizen met een ammoniak koelinstallatie hebben nog steeds tot gevolg dat sprake is van een Bevi inrichting, echter zonder dat sprake is van een PR 10-6 risicocontour.

De situatie voor het onderwerp externe veiligheid verbetert ten opzichte van de reeds vergunde situatie. In het nieuwe bestemmingsplan kan de risicocontour 10-6 worden verwijderd, er is geen sprake meer van een vermelding in het register voor EV.

Het doel van deze bestemmingsplanherziening is modernisering en verduurzaming . Daartoe worden de bouwhoogte en bebouwingspercentage aangepast, maar dit heeft zeker niet tot gevolg dat het aantal aanwezige mensen toeneemt. Het feitelijk gebruik op het bedrijventerrein wijzigt niet met deze planherziening. Vanuit het oogpunt van externe veiligheid wordt met de planherziening geen functionele of ruimtelijke wijzigingen voorgestaan, waardoor er negatieve veranderingen in het kader van de externe veiligheid zouden kunnen plaatsvinden.

 In 2016 is door de gemeente een bestemmingsplan 'bedrijventerreinen' vastgesteld voor alle bedrijventerreinen   binnen de gemeente Geldermalsen. Hierin is tevens de bedrijventerrein van Fruitmasters opgenomen. In het bestemmingplan is door de veiligheidsregio geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om het advies dat is afgegeven met het vaststellen van het oorspronkelijke plan, aan te passen.
Er is geen nieuwe verantwoording van het groepsrisico opgenomen.

Voor de wijziging van de koelinstallaties geldt dat de risico's afnemen. De nieuw te bouwen koelinstallatie is dermate beperkt in capaciteit dat deze feitelijk met een melding Activiteitenbesluit kan worden afgedaan. De installatie staat immers vermeld in §3.2.6, het in werking hebben van een koelinstallatie. De inhoud van de aanwezige ammoniak is minder dan 1.500 kg.

Het nieuwe koelhuis wordt uitgerust met een ammoniak koelinstallatie zonder een PR 10-6 contour. De overige koelhuizen met een ammoniak koelinstallatie hebben nog steeds tot gevolg dat sprake is van een Bevi inrichting, echter zonder dat sprake is van een PR 10-6 risicocontour.

De situatie voor het onderwerp EV is dus duidelijk verbeterd ten opzichte van de reeds vergunde situatie. In het bestemmingsplan kan de risicocontour 10-6 worden verwijderd, er is geen sprake meer van een vermelding in het register voor EV. Er is echter nog steeds sprake van een risicovolle inrichting.

Risico's vanuit nabijgelegen transportlijnen

Naast het Bevi dat veiligheidsaspecten vanuit de inrichting naar buiten projecteert (en in dit geval geen nadelige gevolgen meer heeft) is ook het Besluit externe veiligheid voor transport (Bevt) van toepassing, dat de risico's vanuit het spoor naar de omgeving omvat.

 In het Bevt zijn enkele verplichtingen opgenomen bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan. De bebouwing van Fruitmasters ligt binnen de 200 meter contour die vanuit de transportroute (hier het spoor) is vastgesteld door het Bevt.

Artikel 7 van het Bevt stelt dat in het plan een onderbouwing moet zijn opgenomen over de voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op het spoorweg. Ook dient de verantwoording te worden opgenomen voor de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op het spoorweg een ramp voldoet.

Het huidige bestemmingsplan laat bebouwing tot 10 meter hoogte tot o.a. de oostelijk bouwgrens/ grens plangebied toe. Het nieuw bestemmingsplan omvat geen bouwmogelijkheden die – ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan – dichter naar spoor kunnen worden gebouwd. Gezien het feit dat het nieuwe bestemmingsplan geen wezenlijke veranderingen met betrekking tot het bouwen in de 200 m contour beoogt en mogelijk maakt, is er geen aanleiding om een nieuwe verantwoording van het groepsrisico op te nemen. De personen die werkzaam zijn bij Fruitmasters worden geïnstrueerd ten aanzien van ontruiming bij calamiteiten en er geen sprake is van personeel dat dusdanige lichamelijke beperkingen heeft, dat een snelle evacuatie belemmert.

 Voor art 8 Bevt geldt dat in de ruimtelijke onderbouwing moet worden ingegaan op de dichtheid van personen die aanwezig zijn binnen de inrichting. Hiervoor is een afwijking mogelijk (art. 8, lid 2b) indien met het wijzigen kan worden aangetoond dat de dichtheid niet meer toeneemt dan 10% van de oorspronkelijke situatie. De voorgenomen ontwikkelingen bij FruitMasters hebben niet tot gevolg dat het aantal medewerkers wordt uitgebreid.

Een en ander betekent dat geen nieuwe verantwoording van het groepsrisico hoeft te worden uitgewerkt.

Artikel 9 van het Bevt is niet van toepassing omdat de VR eerder heeft aangegeven geen aanleiding te zien in een herziene verantwoording van het groepsrisico. 

Artikel 10 Bevt is niet van toepassing omdat er geen sprake is van een plasbrandaandachtsgebied.

Risico's vanuit nabijgelegen transportwegen

In de omgeving van FruitMasters is tevens de A15 en de Betuweroute gesitueerd. Omdat het invloedsgebied van deze transportroutes niet over het bedrijventerrein valt, hoeven deze transportroutes niet verder te worden uitgewerkt in dit bestemmingsplan.

Nieuwe situatie met toekomstige wet- en regelgeving en omgevingsvergunning milieu

Ook met het in werking treden van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geldt dat het invloedsgebied voor de nieuwe situatie niet relevant is. Met het in werking treden van de Omgevingswet en het Bkl wordt het begrip groepsrisico namelijk anders gedefinieerd. Er worden in sommige situaties aandachtsgebieden aangewezen waarvoor specifieke voorschriften kunnen worden opgenomen ten aanzien van zelfredzaamheid voor aanwezige personen of specifieke voorschriften aan bouwwerken, bijv. ten aanzien van ventilatie van verblijfsruimten.

Of er sprake is van een aanwijzing aandachtsgebied, is per situatie beschreven in de bijlagen van het Bkl. Voor de ammoniak koelinstallaties in de overige koelhuizen op het plangebied en de nieuw te realiseren koelhuis geldt dat bijlage 7, tabel B1 van toepassing is. De voorwaarden voor toepassing van tabel B1 zijn, dat er minder dan 10 ton ammoniak per installatie aanwezig is en de maximale doorsnede van de vloeistofleidingen 80 mm bedraagt. Uit tabel B1 volgt dat in die gevallen het aandachtsgebied niet hoeft te worden berekend.

Aan deze voorwaarden wordt voldaan, zodat voor de nieuwe situatie onder de nieuwe wet- en regelgeving de conclusie is dat de PR 10-6 contour verdwijnt en er geen aandachtsgebied hoeft te worden berekend. De voorgenomen wijziging moet worden vergund met een Wabo omgevingsvergunning. Voor de wijziging van de koelinstallaties geldt dat de risico's afnemen. Tevens is de nieuwe koelinstallatie dermate beperkt in capaciteit dat deze feitelijk met een melding Activiteitenbesluit kan worden afgedaan. De installatie staat immers vermeld in §3.2.6, het in werking hebben van een koelinstallatie. De inhoud van de aanwezige ammoniak is minder dan 1.500 kg. De overige koelinstallaties zijn al eerder vergund en blijven ongewijzigd.

Conclusie

Gelet op bovenstaande kan gesteld worden dat er met het planvoornemen niet direct nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt worden. De ligging van nabijgelegen transportlijnen heeft geen effect op ontwikkelingen in het plangebied met betrekking tot externe veiligheid. Met betrekking tot koelinstallaties op het terrein zijn ook geen belemmerende situaties te verwachten. Gelet hierop levert het aspect externe veiligheid geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het voornemen.

5.5 Luchtkwaliteit

In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm), zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen. Dit hoofdstuk staat ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mens te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen.

Wanneer een project aangeduid kan worden als 'Niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging (NIBM), vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex artikel 5.16 Wm. In het besluit NIBM wordt gesteld dat een project NIBM is wanneer een activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2.

Het planvoornemen voorziet in een verwachte afname aan verkeersgeneratie door de herontwikkeling, doordat er met een nieuw pakhuis centraal gesorteerd kan worden op de bedrijfslocatie. Hiermee wordt er met het voornemen naar verwachting een verbetering van de luchtkwaliteit gerealiseerd. Gelet hierop levert het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het voornemen.

5.6 Bodem

Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet.

In het kader van de ontwikkeling dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogd gebruik. De precieze afbakening van de onderzoeksplicht en onderzoeksstrategie dient in overleg met de Omgevingsdienst Rivierenland nog nader bepaald te worden. In de procedure van de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen wordt bovenstaande aangetoond.

Voor de planvorming en de uitvoerbaarheid van de voorgestane ontwikkeling vormt het aspect bodem geen belemmering.

5.7 Natuur

In de paragraaf natuur wordt toegelicht of wijzigingen binnen het plangebied mogelijk kunnen leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Dit wordt gedaan aan de hand van de bespreking van bescherming van gebieden en de bescherming van soorten.

5.7.1 Beschermde gebieden

Natura 2000

Het plangebied is niet gelegen in of aangrenzend aan beschermd Natura 2000-gebied. Dichtstbijzijnd Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied 'Rijntakken', ca. 5,6 km ten zuiden van het plangebied. Een ander Natura 2000-gebied dat in de regio van het plangebied ligt is het gebied 'Lingegebied en Diefdijk-Zuid', ca. 9,9 km ten zuiden van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0024.png"

Ligging plangebied ten opzichte van beschermde Natura 2000-gebieden

Gezien het plangebied op ruime afstand is gelegen van Natura 2000-gebieden, zijn schadelijke effecten door toedoen van het planvoornemen met betrekking tot licht, geluid of trillingen uit te sluiten. Wat niet op voorhand uit te sluiten is, zijn negatieve effecten van het planvoornemen op omliggende Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie. Op basis van Europees beleid mogen ontwikkelingen niet voorzien in significante schadelijke stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (>0,00 mol/ha/ja). Voor het modelmatig berekenen van stikstofdepositie op basis van ingevoerde emissiebronnen, kan gebruik gemaakt worden van de AERIUS-calculator.

In de bijgevoegde notitie stikstofdepositie, bijgevoegd als Bijlage 4 bij de toelichting, wordt door middel van een AERIUS-berekening onderbouwd dat het planvoornemen niet voorziet in een significante stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk.

Gelders Natuurnetwerk

Het plangebied is niet gelegen binnen Gelders Natuurnetwerk. Ten noorden van het plangebied stroomt de rivier de Linge. Het stroomgebied van de Linge maakt hier deel uit van het GNN-gebied 'Regulieren - Vijfherenlanden'. Kernkwaliteiten van dit gebied en specifiek het stroomgebied van de Linge, is de ecologische verbinding die het stroomgebied creëert tussen verschillende robuuste natuurzones in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0025.png"

Ligging plangebied ten opzichte van Gelders Natuurnetwerk

De ontwikkelingen binnen het planvoornemen vinden aan de zuidzijde plaats, ver verwijderd van het stroomgebied van de Linge. Hier worden nieuwe gebouwen neergezet, om de bedrijfsvoering op locatie toekomstbestendig te houden. Met uitvoering van het planvoornemen komen de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN-gebied 'Regulieren - Vijfherenlanden' niet in het geding.

5.7.2 Beschermde soorten

De voorgenomen bouwwerkzaamheden hebben mogelijk negatieve effecten op de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. Om goed voorbereid te zijn op een eventueel noodzakelijke ontheffingsaanvraag van de Wet natuurbescherming is er door FaunaConsult een quickscan flora en fauna uitgevoerd (d.d. 12 mei 2022) naar het voorkomen van beschermde soorten. De rapportage over deze quickscan is opgenomen als Bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing.

Uit de quickscan blijkt dat in het plangebied alleen algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten) verblijven. Hoewel deze soorten formeel onder de Wnb zijn beschermd, geldt in de provincie Gelderland voor deze soorten een vrijstelling in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing is verkregen. Wel geldt er voor deze soorten een zorgplicht (artikel 1.11); dit houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren ten aller tijde zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.

Gelet op het bovenstaande levert het aspect soortenbescherming geen verdere belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.

5.8 Archeologie en cultuurhistorie

5.8.1 Archeologie

Het beleid

Het gemeentelijk beleid is er op gericht de archeologische (en cultuurhistorische) waarden tijdig in te brengen in het ruimtelijk planproces. Er moet niet alleen rekening worden gehouden met vastgestelde archeologische waarden, maar ook met archeologische verwachtingswaarden.

Om de archeologische waarden van het gebied vast te leggen, is door RAAP in 2021 een archeologisch, cultuurhistorisch en erfgoedonderzoek uitgevoerd (RAAP-Rapport 4150). Binnen dit archeologisch beleid heeft het grootste gedeelte van het terrein van FruitMasters de waarde 'Waarde - Archeologie 4', kenmerkend voor gebieden met een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten. Er geldt voor deze gronden een archeologische onderzoeksplicht bij ingrepen dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld en een verstoringsoppervlakte groter dan 500 m2. Aan de noordzijde van het plangebied is de archeologische waarde als lager beoordeeld (restgeul). 'Waarde - Archeologie 8' betekent hier een archeologische onderzoeksplicht bij ingrepen dieper dan 50 centimeter onder het maaiveld en een verstoringsoppervlakte groter dan 2.500 m2. Aan de zuidzijde van het gebied raakt een strook 'Waarde - Archeologie 3' het plangebied, waarbij een archeologische onderzoeksplicht bij ingrepen van dieper dan 30 centimeter onder maaiveld en een verstoringsoppervlakte van 100 m2 geldt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0026.png"

Uitsnede van de Archeologische beleidskaart gemeente West-Betuwe 2021

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0027.png"

Nadere duiding kleurbepaling en bijbehorende voorwaarden

Met het planvoornemen worden gebouwen opgericht binnen de zonering 'Waarde - Archeologie 4'.

De herontwikkeling betekent dat een archeologisch onderzoek is uitgevoerd, waaruit blijkt dat er geen archeologische waarden geschaad worden met uitvoering van de bouwwerkzaamheden.

Het archeologisch onderzoek

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn een archeologisch bureauonderzoek (zie Bijlage 6)en een archeologisch verkennend booronderzoek (zie Bijlage 7) uitgevoerd.

In het bureauonderzoek wordt geconcludeerd dat de aanwezigheid van archeologische resten niet kan worden uitgesloten:

Namens gemeente West Betuwe onderschrijft regioarcheoloog Rivierenland de resultaten en conclusies van het bureauonderzoek. De kans bestaat dat graafwerkzaamheden eventueel nog aanwezige archeologische resten zullen schaden. Om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, de mate van intactheid van de bodem en of archeologische resten inderdaad geschaad kunnen worden, is het noodzakelijk een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende grondboringen uit te voeren

Op basis van de conclusie in het bureauonderzoek is ter plaatse van de voorgenomen herontwikkeling een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd.

De conclusie van het inventariserend veldonderzoek is dat er geen relevante indicatoren zijn aangetroffen en dat geadviseerd wordt om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.

Namens gemeente West Betuwe onderschrijft regioarcheoloog Rivierenland de resultaten en conclusies van het inventariserend veldonderzoek. Het advies om het plangebied vrij te geven voor de geplande nieuwbouw op het terrein van Fruitmasters heeft gemeente West Betuwe overgenomen

Gelet hierop levert het aspect archeologie geen belemmeringen op voor het planvoornemen.

5.8.2 Cultuurhistorie

Per 1 september 2017 is de Erfgoedwet in werking getreden. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Voor het vastleggen van de cultuurhistorische waarden van de toenmalige gemeente Geldermalsen hebben RAAP en het Monumenten Advies Bureau (MAG) een cultuurhistorische gebiedsbeschrijving en een cultuurhistorische inventarisatie en waardering van de gemeente Geldermalsen opgesteld. Op deze manier is een zo volledig mogelijke en actueel overzicht van het cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente Geldermalsen ontstaan, waaraan ook de lokale erfgoedverenigingen en lokale historici een bijdrage hebben geleverd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0028.png"

Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart voormalige gemeente Geldermalsen

Uit de cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat op het bedrijventerrein van FruitMasters geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Dichtsbijzijnde waardevolle cultuurhistorische structuren zijn het stroomgebied van de Linge en het historische centrale gebouw van station Geldermalsen. Met het voornemen worden geen ingrepen gedaan die deze cultuurhistorische waarden kunnen verstoren. Gelet hierop levert het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen op voor het planvoornemen.

5.9 Verkeer en parkeren

Voor een goede infrastructurele inpassing van het planvoornemen is het belangrijk de toekomstige verkeerskundige situatie in beeld te brengen. Relevant is de nieuwe verkeersgeneratie waarin het planvoornemen voorziet en de benodigde parkeervoorzieningen.

Parkeren

Vigerend parkeerbeleid voor het plangebied betreft het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019 (vastgesteld op 30 juni 2020). Met opstellen van dit paraplubestemmingsplan parkeren wil de gemeente West Betuwe voor haar grondgebied haar parkeerbeleid juridisch-planologisch vastleggen door middel van een uniforme regeling.

Op basis van de bepalingen in het Paraplubestemmingsplan dient bij de afgifte van omgevingsvergunningen voor bouw te worden aangetoond dat wordt of zal worden voldaan aan de maximum parkeernormen, zoals opgenomen in de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen', zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning en dat indien deze publicatie gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging, en met dien verstande dat:

  • 1. het totale aantal benodigde parkeerplaatsen wordt afgerond op het dichtstbijzijnde hele getal;
  • 2. voldaan wordt aan de in de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen' gehanteerde indeling in centrum, schil centrum, rest bebouwde kom en buitengebied, zoals weergegeven in bijlage 1 'Gebiedsindeling Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019' van deze regels

afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0029.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1960.GMDdeilseweg7-VGS1_0030.png"

Fragment Bijlage 1 Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019

De gronden van het bestemmingsplan vallen binnen 'rest bebouwde kom' en 'niet stedelijk'

Op basis van de CROW publicatie (bedrijf arbeidsintensief/industrie) geldt een parkeernorm van 2,1 - 2,6 pp per 100 m2 bvo. Voor de gronden binnen het bestemmingsplan is deze norm veel te ruim. Het Paraplubestemmingsplan biedt echter de mogelijkheid om af te wijken van deze normstelling:

Het bevoegd gezag kan geheel of gedeeltelijk afwijken van de parkeereis toestaan. De afwijking moet goed en navolgbaar onderbouwd worden. Van het afwijken van de parkeereis kan sprake zijn bij:

  • a. Maatwerk: de afwijking moet onderbouwd worden aan de hand van specifieke kenmerken van de locatie, functie of doelgroep van het project.
  • b. Locatie: er moet sprake zijn van een locatie waar het feitelijk onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis te voldoen of waar het in alle redelijkheid onmogelijk of onwenselijk is (o.a. op grond van planeconomische overwegingen) om geheel of gedeeltelijk te voldoen aan de parkeereis.

Met het voornemen wordt een herontwikkeling van de bedrijfsgebouwen op het middenterrein van het bedrijf beoogd. Deze herontwikkeling voorziet in een pakhuis, waardoor centraal gesorteerd kan worden. De ontwikkeling voorziet niet in een vergroting van de bedrijfsvoering op de locatie.
De herontwikkeling heeft enkel effect op aan- en afrijdend (vracht)verkeer dat kort stopt ten behoeve van de bedrijfsvoering. Hiervoor is voldoende ruimte op de bedrijfslocatie. Het is dus niet noodzakelijk om aanvullende parkeerruimte te zoeken binnen het bedrijf; er kan volstaan worden met de bestaande parkeervoorzieningen.

De bestaande parkeermogelijkheden op het terrein zijn voldoende voor de parkeerbehoefte van de medewerkers. De voorgenomen interne uitbreiding van de oppervlakte gebouwen hebben geen effect op het aantal medewerkers en dus ook niet op de parkeerbehoefte.

Verkeer

Zoals hierboven beschreven, voorziet het plan niet in een uitbreiding van daadwerkelijke bedrijfsvoering. Wel vindt een omzetting plaats van het zgn. thuissorteren naar centraal sorteren op de bedrijfslocatie. Hierdoor wordt het aantal verkeersbewegingen aanzienlijk minder.

Om een indicatie te krijgen van de bestaande verkeersgeneratie, is over de periode van 14 januari tot en met 3 maart 2022 een verkeerstelling uitgevoerd. Uit deze verkeerstellingen blijkt dat over deze periode er gemiddeld sprake was van 929 verkeersbewegingen per etmaal. 882 van deze verkeersbewegingen betroffen licht verkeer (95% van de totale verkeersgeneratie), 30 middelzwaar vrachtverkeer (3,3% van de totale verkeersgeneratie), en 21 zwaar vrachtverkeer (1,7% van de totale verkeersgeneratie).

De te verwachten verkeersgeneratie ten behoeve van centraal sorteren op de locatie zorgt voor een vermindering van vrachtverkeer van ca 25% op jaarbasis.

Afwikkeling van het verkeer zal met de herontwikkeling op het middenterrein niet wijzigen. Zo zal licht verkeer en vrachtverkeer nog steeds voornamelijk via de Watermolenweg afwikkelen op de Provinciale Weg Oost (N327). Daarnaast is en blijft het nabijgelegen station Geldermalsen een belangrijke hub voor personeel van FruitMasters.

Gelet op het bovenstaande is er met de herontwikkeling van het middenterrein van FruitMasters een afname van de totale verkeersgeneratie te verwachten. Gelet hierop levert het aspect verkeer geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het voornemen.

5.10 Water

5.10.1 Inleiding

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding.

De waterparagraaf geeft een beschrijving van de beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie en wateropgaven in het plangebied, (motivatie van) meest geschikte oplossingen en ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde, is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt. Hieronder zijn de conclusies van de rapportage (waterparagraaf) weergegeven die tevens is bijgevoegd als Bijlage 8 bij deze toelichting.

5.10.2 Huidige situatie waterhuishouding

Het plangebied ligt aan de westzijde van Geldermalsen, tussen de N327, het spoor en de Linge. De percelen waarop de uitbreiding zal plaatsvinden staan kadastraal geregistreerd met kenmerken Geldermalsen H 2927 en Geldermalsen H 1532. Naast de Linge ten noorden van FruitMasters stroomt ten westen de Voortvliet. Beide watergangen zijn door Waterschap Rivierenland (WSRL) aangemerkt als A-watergangen. Een kleine vertakking van de Linge bevindt zich tussen het bedrijf en het spoor, hier is ook een steiger met aanlegplaatsen voor boten aanwezig. De maaiveldhoogte varieert tussen 3,0 m +NAP en 3,25 m +NAP

De bovenste 6 meter van de bodem bestaat uit een complexe eenheid bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand. Daaronder wordt tot een diepte van circa 25 m-mv zand aangetroffen, formatie van Kreftenheye (B39C0049, Dinoloket 2022). De grondwaterstand varieert van 0,6 m +NAP tot 1,6 m +NAP (Dinoloket, B39C0049) in de periode 1993 tot 2001. De GLG bedraagt 0,89 m +NAP en de GHG bedraagt 1,29 m +NAP.

5.10.3 Toekomstige situatie

De fruitgroothandelaar FruitMasters gaat uitbreiden op eigen terrein. De nieuwe ontwikkeling zorgt voor een andere meer duurzame inrichting van het terrein. Het terrein gelegen binnen het bouwvlak is reeds volledig verhard/bebouwd. De toekomstige situatie betekent dat het bebouwingspercentage van het terrein wordt vergroot naar 80%.

5.10.4 Bergingsopgave

Om de uitbreiding op het terrein van FruitMasters te compenseren is 405 m3 nieuwe waterberging nodig (eis gemeente West-Betuwe). De bergingsopgave dient binnen het plangebied ingevuld te worden. De wens van initiatiefnemer is om dit door middel van infiltratievoorzieningen te doen.

De bergingsopgave van 405 m3 wordt ingevuld door middel van de aanleg van een infiltratievoorziening in de vorm van Rockflow panelen. Deze panelen worden ondergronds aangelegd en zijn 0,5 of 1,0 m hoog. Om te voorzien in de bergingsopgave dient er respectievelijk 852,6 m2 of 426,3 m2 (afhankelijk van de hoogte van de panelen) van deze bergingsvoorziening aangelegd te worden.

5.10.5 Afvoer water

Afvoer vuil water

In de huidige situatie wordt afvalwater via een gescheiden stelsel afgevoerd naar het gemeentelijke rioolstelsel. De uitbreiding wordt door middel van een nieuwe leiding aangesloten op het reeds aanwezige gescheiden stelsel in het terrein van FruitMasters. Vanaf daar wordt het verder getransporteerd naar de rand van het terrein waar de aansluiting op het gemeentelijk rioolstelsel zich bevindt. Door de nieuwbouw neemt het bebouwde oppervlak toe, maar dit zorgt niet voor een toename in vuilwater. De opslagbaden waar het proceswater (o.a. koelwater) in wordt opgevangen blijven gelijk aan het formaat van de oude situatie, daarbij is er ook geen toename in het volume proceswater dat afgevoerd dient te worden. Het aantal personen dat werkzaam zal zijn op het terrein neemt ook niet toe.

Afvoer hemelwater

In de huidige situatie wordt hemelwater via een gescheiden stelsel afgevoerd naar de Linge. De toekomstige afvoer van het hemelwater naar de buffer zal ondergronds plaatsvinden door middel van hemelwaterriolering. De buffer wordt voorzien van een noodoverloop. Deze noodoverloop wordt aangesloten op de Linge. De toekomstige hemelwaterafvoer wordt volledig vernieuwd aangelegd. Dit zorgt ervoor dat de afvoer volledig naar wens kan worden ingericht en dat de nieuwe putten kunnen worden voorzien van filters die voorkomen dat er vuil terechtkomt in de bergingsvoorziening/transportleidingen. Hiermee wordt ook de Linge, dat een KRW-lichaam is, beschermd tegen vervuiling. De uitbreiding zorgt daarmee niet voor een verslechtering van de waterkwaliteit in de Linge. Voor het lozen van hemelwater op de Linge dient een vergunning aangevraagd te worden bij waterschap Rivierenland.

Bij de ontwikkeling van het terrein zullen geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt worden.

5.10.6 Klimaatadaptatie

Naast de aanleg van de hemelwaterbuffer worden er in dit plan ook andere maatregelen getroffen ten aanzien van klimaatadaptatie. De nieuwe inrichting wordt zo aangelegd dat het nieuwe laaddock voor vrachtwagens niet kan vollopen met hemelwater. Daarnaast wordt kwetsbare (vaste) apparatuur zo geplaatst dat deze niet beschadigd wordt door hemelwater dat op maaiveld komt te staan tijdens buien die heftiger zijn dan waarop de huidige bergingsvoorziening is gedimensioneerd. Omdat deze nieuwe ontwikkeling een inbreidingsplan betreft, dient er rekening gehouden te worden met de beperkte ruimte die op het terrein aanwezig is. Het dak ligt reeds vol met zonnepanelen en de ruimte voor verkeersbewegingen wordt door de nieuwe bebouwing en de uitbreiding van het toegestane bebouwingspercentage fors beperkt. De mogelijkheden tot maatregelen die de hittestress beperken zijn voor dit plan onderzocht maar vanwege de beperkte ruimte niet uitvoerbaar.

5.10.7 Conclusie waterparagraaf (bijlage 6)

De fruitveiling FruitMasters gaat uitbreiden op eigen terrein. Het terrein is reeds verhard, er is daarom geen toename van verhard oppervlak. Op het terrein rust een dubbelbestemming (waterstaat-waterberging), alle ingenomen ruimte tussen 1 m +NAP en 3 m +NAP dient één op één gecompenseerd te worden. Het maaiveld van het terrein ligt boven 3 m +NAP. De regels van waterschap Rivierenland met betrekking tot bergingscompensatie zorgen in deze situatie niet voor aanvullende eisen. De hemelwaterverordening van gemeente West-Betuwe verplicht om te voorzien in 20 liter berging per vierkante meter verhard oppervlak. Dat komt neer op 405 m3. De berging zal worden gerealiseerd in een ondergrondse bergingsvoorziening. Het uitgevoerde infiltratieonderzoek heeft aangetoond dat de bodem, met een gemiddelde k-waarde van 7,85 m/d, geschikt is voor infiltratie. De vuilwaterafvoer neemt niet toe door de aanleg van de nieuwbouw.

Hoofdstuk 6 Juridische regeling

6.1 Inleiding

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.

6.2 De regels

De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan 'Herontwikkeling middengebied FruitMasters' zijn opgebouwd conform de door de SVBP2012 voorgeschreven systematiek en zijn gebaseerd op de regels van het vigerende bestemmingsplan 'Bedrijventerreinen'. De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels, en ten slotte de overgangs- en slotregels.

1. Inleidende regels

Dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft het artikel 'begripsbepalingen' waarin is toegelicht wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan. Het tweede artikel is 'Wijze van meten', waarin is aangegeven hoe de benoemde maatvoering moet worden gemeten.

2. Bestemmingsregels

Dit hoofdstuk betreft een nadere verklaring van de bestemmingen die op de verbeelding zijn aangegeven. De regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

  • Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
  • Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk)

De gehanteerde bestemmingen zijn in paragraaf 5.3 kort toegelicht.

3. Algemene regels

In dit hoofdstuk zijn regelingen, waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden, opgenomen die zijn bedoeld voor meer dan één bestemming.

4. Overgangs- en slotregels

Binnen de overgangsbepalingen is geregeld dat bouwwerken en plannen die (legaal) bestaan op het moment dat het bestemmingsplan in werking treedt, maar die in strijd zijn met het bestemmingsplan, mogen worden herbouwd mits er geen veranderingen plaatsvinden in aard en omvang. In de slotregel is de officiële naam van het bestemmingsplan genoemd. Deze naam moet worden gebruikt om te verwijzen naar het plan.

6.3 Bestemmingen

Bedrijventerrein: Het overgrote deel van het plangebied wordt conserverend bestemd als 'Bedrijventerrein'. Ter plekke van de herontwikkeling wordt een aanvullende maatvoering opgenomen voor een maximale bouwhoogte van 23 meter en een bebouwde oppervlakte van 80%.

Verkeer - Verblijfsgebied: Het zuidelijk deel van het plangebied wordt ter hoogte van de Deilseweg bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Ook een deel van de entree naar het bedrijfsterrein van FruitMasters wordt als zodanig bestemd.

Waarde - Archeologie 4 en 8: Het overgrote deel van het plangebied wordt conserverend bestemd met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4', in lijn met de verwachte archeologische waarden op deze locatie. En een strook aan de noordzijde van het plangebied wordt bestemd als 'Waarde - Archeologie 8'; een kleine strook aan de uiterste zuidzijde krijgt de bestemming 'Waarde - Archeologie 3'.

Leiding - Riool: Aan de noordzijde wordt de rioolleiding die door het plangebied conserverend bestemd met de dubbelbestemming 'Leiding - Riool'.

Waterstaat - Waterbergingsgebied: Nagenoeg het gehele plangebied wordt conserverend bestemd met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterbergingsgebied'.

Waterstaat - Waterkering: Het zuidelijk deel van het plangebied, ter hoogte van de Deilseweg, wordt conserverend bestemd als 'Waterstaat - Waterkering', behorend bij het beschermingsregime dat deze weg heeft als waterkering.

Hoofdstuk 7 Economische en maatschappelijke haalbaarheid

7.1 Economische haalbaarheid

De ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt betreft een particulier initiatief waarbij alle kosten voor rekening komen van de initiatiefnemer.

Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet nodig. Het plan is economisch uitvoerbaar en heeft verder geen consequenties voor de gemeentelijke financieën.

7.2 Maatschappelijke haalbaarheid

Naast de financiële uitvoerbaarheid is het ook belangrijk dat het plan maatschappelijk uitvoerbaar is. Van enige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de directe omgeving van het besluitgebied is geen sprake. De gronden maken namelijk onderdeel uit van het bestaande bedrijventerrein en hebben de bestemming 'Bedrijventerrein'. De gronden zijn reeds in gebruik ten behoeve van bedrijfsactiviteiten. Er vindt met het planvoornemen alleen ondergeschikte overschrijdingen van de bouwregels (bebouwingspercentage en maximum bouwhoogte) plaats. Daarnaast is er op de aangrenzende gronden geen gevoelige functies aanwezig. Op voorhand worden er, gezien het ondergeschikte karakter, dan ook geen maatschappelijke bezwaren verwacht met betrekking tot onderhavig planvoornemen.

De uitbreidingsplannen zijn en worden in het kader van de omgevingsdialoog voorgelegd aan de omgeving.