| Plan: | Heukelumseweg 5 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1960.ASPHeukelumseweg5-VSG1 |
De provincie Gelderland heeft de wens om op het perceel aan Heukelumseweg 5 te Asperen een vrijstaande woning te bouwen. De bestaande woning en het bestaande horecagebouw op het voorerf te behouden. Dit pand op het voorerf was ook reeds in gebruik voor horeca, namelijk een lunchroom. Het betreffende perceel is in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' bestemd als 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'. Het geldende bestemmingsplan laat de bouw en het gebruik van een burgerwoning niet toe. Bij recht is horeca in het geldende bestemmingsplan niet toegestaan, tenzij gebruik wordt gemaakt van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven. Dat is hier het geval. Op 13 november 2013 is namens het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Lingewaal een omgevingsvergunning afgegeven voor het bouwen van een lunchroom als nevenactiviteit op het perceel Heukelumseweg 5 te Asperen.
In dit wijzigingsplan wordt de bestemming van het perceel omgezet naar 'Wonen' met een mogelijkheid voor kleinschalige horeca in het bestaande gebouw dat daarvoor in gebruik was. Gedacht wordt aan bijvoorbeeld een informatiepunt voor het nabijgelegen natuurgebied of een tearoom.
Voor de omzetting van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' naar 'Wonen' kan gebruik worden gemaakt van een wijzigingsbevoegdheid in het geldende bestemmingsplan.
Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente West-Betuwe in de oksel van de provinciale weg N848 en de Heukelumseweg. Het plangebied is gelegen tussen de kernen Heukelum en Asperen in. Het plangebied wordt voornamelijk omsloten door agrarische gronden. Het perceel heeft een oppervlakte van 31.355 m2.
Op onderstaande afbeeldingen zijn de ligging en de begrenzing van het plangebied weergegeven.
Ligging plangebied Heukelumseweg 5
Begrenzing plangebied Heukelumseweg 5
Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingsplannen 'Buitengebied 2012' (deels onherroepelijk in werking, vastgesteld 09-10-2012), 'Reparatieplan Bestemmingsplan Buitengebied 2014' (onherroepelijk, vastgesteld 21-05-2014) 'Buitengebied Parapluplan Nieuwe Hollandse Waterlinie' (onherroepelijk, vastgesteld 10-12-2015) en 'Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019' (30-06-2020). De gronden in het plangebied zijn bestemd als 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'. De agrarische bebouwing ligt binnen het bouwvlak. Daarnaast geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3'.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied 2012 (plangebied rood omlijnd), bron: www.ruimtelijkeplannen.nl
De toelichting van voorliggend wijzigingsplan bestaat uit de volgende hoofdstukken:
Het plangebied is gelegen ter plaatse van het perceel kadastraal bekend gemeente Asperen sectie A nummer 1734. Het perceel heeft een oppervlakte van 31.355 m2.
Het betreffende perceel is op het moment bebouwd met agrarische gebouwen en bouwwerken. Op het perceel zijn de volgende gebouwen aanwezig:
Op onderstaande afbeelding zijn de gebouwen weergegeven.
Huidige bebouwing plangebied:
A = horecaruimte
B = bedrijfswoning
C = tasruimte
D = grupstal
E = ligboxenstal
F = werktuigenberging
bron: www.ruimtelijkeplannen.nl
Op onderstaande afbeelding is een aanzicht van het perceel weergegeven.
Foto plangebied
De omgeving van het plangebied karakteriseert zich als een voornamelijk agrarische omgeving. Aan alle zijden wordt het plangebied omsloten door agrarische gronden. Op enige afstand ten zuiden van het plangebied bevindt zich een bosstrook. Ook aan de noordwestzijde van het plangebied bevindt zich een bos met een kasteel.
Het voornemen is om op het perceel een nieuwe woning te realiseren. Op het perceel wordt totaal circa 1.684 m2 gesloopt: de tasruimte, de grupstal, de ligboxenstal en de werktuigenberging. De bedrijfswoning en het gebouw dat wordt gebruikt als lunchroom blijven behouden in de toekomstige situatie. Voor de horecaruimte wordt gedacht aan bijvoorbeeld een informatiepunt voor het nabijgelegen natuurgebied of een tearoom.
Het geheel wordt in de nieuwe situatie op een goede manier landschappelijk ingepast zodat het initiatief recht doet aan de omgeving.
Op onderstaande afbeelding is het inrichtingsplan voor het perceel weergegeven. Het plan is tevens opgenomen in Bijlage 1. Deze inrichting is tevens verankerd in de regels van dit plan.
Inrichtingsplan Heukelumseweg 5
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI, 2020), geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en ontwikkelingen van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI wordt ingegaan op urgente opgaven die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Deze opgaven omvatten onder andere klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Het uitgangspunt in de aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.
Nationale belangen en vier prioriteiten
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Er zijn 21 nationale belangen beschreven waarop de nationale overheid zich in de NOVI richt. Nationale belangen zijn de inhoudelijke belangen bij de fysieke leefomgeving waarbij het Rijk een rol voor zichzelf ziet en waarvoor het kabinet in politieke zin aanspreekbaar is. De behartiging van de nationale belangen en de realisatie van de daaruit voortvloeiende beleidsdoelen en opgaven gebeurt niet alleen door het Rijk.
Er zijn vier prioriteiten waar het Rijk op wil sturen en richting geven:
Afwegingsprincipes
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Uitvoering
De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda vindt u onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel de AMvB Ruimte genoemd, is op 22 augustus 2011 vastgesteld en in oktober 2012 aangevuld. Het Barro heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. De AMvB is het inhoudelijke beleidskader van het rijk waaraan ruimtelijke besluiten op provinciaal en gemeentelijk niveau moeten voldoen. Dat betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.
De algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies, zoals natuur in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), of met het vrijwaren van functies. Het besluit bevat alleen die nationale ruimtelijke belangen, die via het stellen van regels aan de inhoud of toelichting van bestemmingsplannen (of daarmee vergelijkbare besluiten) beschermd kunnen worden.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze verplichte toetsing is verder vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De Ladder houdt in dat overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten motiveren met oog voor de onderliggende vraag in de regio, de beschikbare ruimte binnen het bestaande stedelijke gebied en een multimodale ontsluiting. Per 1 juli 2017 is een wijziging van de Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden.
De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing als er sprake is van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i Bro: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
Als een ruimtelijk besluit, zoals een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning met een goede ruimtelijke onderbouwing, voorziet in nieuwe planologische bouwmogelijkheden, dan kwalificeren deze bouwmogelijkheden in beginsel als een "stedelijke ontwikkeling" als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 aanhef en onder i Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Het moet wel gaan om bouwmogelijkheden van enige omvang. Zeer kleinschalige bebouwingsmogelijkheden of functiewijzigingen "sec" die niet voorzien in een toename van het ruimtebeslag kwalificeren niet als een stedelijke ontwikkeling.
Dit bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een enkele woning. De bestaande woning en het bestaande horecagebouw op het voorerf blijven behouden. Dit pand op het voorerf was ook reeds in gebruik voor horeca, namelijk een lunchroom.
Conform jurisprudentie is een dergelijke kleinschalige ontwikkeling niet ladderplichtig. Deze verplichting geldt pas vanaf 11 woningen.
Voor de bestaande woning en de bestaande horeca geldt dat in principe geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, want het betreft bestaande functies. In dit geval betreft het horeca-ruimtebeslag van ca. 63 m² in een bestaand gebouw en is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Wel dient de behoefte aan de nieuwe woning te worden aangetoond. Deze behoefte wordt verder beschreven in paragraaf 3.3.2.
De Omgevingsvisie is in 2018 vastgesteld. Het doel van de visie is een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. De 7 Gelderse ambities uit de omgevingsvisie zijn in een notendop:
Specifiek ten aanzien van het wonen is in de omgevingsvisie de volgende ambitie opgenomen:
Hiervoor gaat de provincie in gesprek met de Gelderse regio’s en maken regionale afspraken over een goede balans tussen de vraag en het aanbod van woningen. De provincie heeft specifieke aandacht voor de gemeentegrens overstijgende woonvraagstukken. De provincie stimuleert innovaties in woonwijken op het vlak van duurzaamheid en het omvormen van bestaande gebouwen tot woonruimte.
De Omgevingsverordening Gelderland is op 31 maart 2021 vastgesteld en in februari 2022 voor het laatst geactualiseerd. In de omgeving van het plangebied ligt het Gelders natuurnetwerk. Ook valt het plangebied binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De kernkwaliteiten hiervan mogen niet worden aangepast. Verder is het plangebied aangeduid als 'functies van water'. Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek en onder voorwaarden bij de uitvoering van waterprojecten afwijkingen van de waterfuncties toestaan. De waterfuncties (Beschermingszone natte landnatuur, Natte landnatuur, Water als verbinder, Hoogst ecologisch niveau wateren en Specifiek ecologische doelstelling wateren) zijn aangegeven op de Themakaart Waterbeleid bij de omgevingsvisie. Op die kaart is de watergang ten oosten van het perceel aangegeven als 'Specifiek Ecologische Doelstelling wateren'. Op afstand van het perceel ligt 'natte landnatuur'.
Plangebied
Met voorgenomen plan wordt het bouwvlak aan de Heukelumseweg 5 anders ingedeeld. De agrarische opstallen worden verwijderd en vervangen door een woning. De bestaande woning blijft gehandhaafd. Het bestaande gebouw op het voorerf wordt gebruikt voor kleinschalige horeca die gerelateerd is aan de recreatieve functie van het buitengebied. Het gebouw is voorheen ook gebruikt voor horeca. Het kenmerkende historische verkavelingspatroon blijft behouden en de kernkwaliteiten van de Hollandse Waterlinie worden niet aangetast. De watergang aan de oostzijde van het perceel wordt eveneens niet aangetast.
Conclusie
Het initiatief is niet strijdig met het provinciale beleid. Er wordt voorzien in nieuwbouw op een daarvoor bedoelde en geschikte locatie. Een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk.
In 2022 is de Omgevingsvisie West Betuwe vastgesteld. In de omgevingsvisie zijn de huidige kwaliteiten van de leefomgeving beschreven en is de visie op de toekomstige ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving beschreven. Dit is vertaald in een ruimtelijke koers voor de kernen en het buitengebied van West Betuwe. Een van de ambities uit de omgevingsvisie is: Bij vrijkomende agrarische bebouwing (VAB's) bekijken we met eigenaar en omgeving naar alternatieve bij het landschap passende invulling voor het vastgoed, zoals recreatie, wonen, zorg etc.
Planspecifiek
De voorgenomen bouw van één woning en sloop van de overtollige bebouwing past binnen de ambitie voor vrijkomende agrarische bebouwing, zoals opgenomen in de omgevingsvisie.
Op 15 december 2020 heeft de gemeenteraad van West Betuwe de Woonvisie 'Wonen naar behoefte' vastgesteld. Met deze woonvisie geeft de gemeente West Betuwe aan hoe zij de komende tien jaar een toekomstbestendige woningmarkt willen bewerkstelligen, waarin ruimte is voor alle doelgroepen, zodat Wet Betuwe een leefbare, maar ook groene gemeente is en blijft. De gemeente wil een woningaanbod die aansluit op de behoefte van de bewoners van de 26 kernen. Dorpen waar jong en oud naar tevredenheid wonen. Hiervoor heeft de gemeente vier leidende principes opgesteld:
Woningbouw is in principe in elke kern wenselijk, om aan alle inwoners voldoende en passende woonruimte te kunnen bieden. In het 'Afwegingskader voor nieuwe woningbouwplannen', van april 2020, wordt aangegeven dat tot 2024 nog 1.100 woningen in de pijplijn zitten om te ontwikkelen. Op basis van woningbehoefteonderzoek tot 2030 blijkt dat bovenop wat er reeds in de pijplijn zit, weinig behoefte is aan extra woningbouw. Vandaar dat de gemeente nieuwe initiatieven zorgvuldiger gaat afwegen.
Planspecifiek
De voorgenomen bouw van één woning past binnen het woningprogramma. In het 'Afwegingskader voor nieuwe woningbouwplannen' wordt namelijk aangegeven dat bouwinitiatieven waarover het gemeentebestuur al een positief principebesluit heeft genomen, reeds zijn opgenomen in het gemeentelijk woningbouwprogramma en dus kunnen worden voortgezet. Het college heeft op 21 januari 2020 besloten in principe medewerking te verlenen aan dit wijzigingsplan.
In artikel 44.3 van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden te wijzigen ten behoeve van wonen en kleinschalige horeca die gerelateerd is aan de recreatieve functie van het buitengebied. In artikel 44.1 zijn onderstaande criteria opgenomen waar het plan aan dient te voldoen voor het wijzigen van de bestemming. Onder de criteria wordt beschreven hoe dit plan aan de criteria voldoet.
Artikel 44.1
a. er mogen geen nadelige gevolgen zijn voor de in de omgeving aanwezige waarden (ecologie, Natura 2000-gebied, landschap, cultuurhistorie, archeologie en hydrologie) en functies (agrarische bedrijven, woningen en andere functies);
In hoofdstuk 4 worden de aspecten ecologie, cultuurhistorie, archeologie, water en bedrijven en milieuzonering behandeld. Het wijzigingsplan is op deze onderdelen uitvoerbaar.
b. de bestaande infrastructuur moet voldoen en de verkeersaantrekkende werking mag niet onevenredig zijn;
In paragraaf 4.6 wordt het aspect verkeer behandeld. Het wijzigingsplan is op dit onderdeel uitvoerbaar.
c. parkeren dient op eigen erf plaats te vinden;
De parkeerplaatsen worden op eigen erf gerealiseerd. Hiermee is aan deze wijzigingsvoorwaarde voldaan.
d. buitenopslag is niet toegestaan;
Aan de specifieke gebruiksregels in de bestemming Wonen van het wijzigingsplan wordt toegevoegd dat buitenopslag niet is toegestaan.
e. de bedrijfswoning dient te worden gehandhaafd. Er is geen mogelijkheid de bestaande woning los te koppelen van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen bij functieverandering. De eenheid van het erf dient te worden behouden.
De bedrijfswoning blijft behouden. Hiermee is aan deze wijzigingsvoorwaarde voldaan.
f. aangetoond is dat de inpassing in het landschap op zorgvuldige wijze plaatsvindt;
In paragraaf 4.5 wordt onderbouwd dat het planvoornemen de kernkwaliteiten van het landschap niet aantast. Ook is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie Bijlage 1) wat tevens verankerd is in de regels van dit plan.
g. bij een functiewijziging dienen de wettelijke bepalingen inzake externe veiligheid met betrekking tot vervoer gevaarlijke stoffen over wegen en over het spoor en met betrekking tot gasleidingen in acht te worden genomen;
In paragraaf 4.9 wordt het aspect externe veiligheid behandeld. Het wijzigingsplan is op dit onderdeel uitvoerbaar.
h. bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheden worden de bij of krachtens,
1. de Wet geluidhinder gestelde bepalingen in acht genomen;
2. de Wet milieubeheer gestelde bepalingen in acht genomen;
In paragraaf 4.3 en 4.4 worden de aspecten natuur en geluid behandeld. Het wijzigingsplan is op deze onderdelen uitvoerbaar.
i. door middel van een onderzoek is aangetoond dat er geen negatieve gevolgen ontstaan dan wel dat de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS niet significant worden aangetast;
In paragraaf 4.3 wordt door middel van een ecologisch inventarisatie aangetoond dat er geen negatieve gevolgen ontstaan dan wel dat de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS niet significant worden aangetast.
j. de wijziging niet mag leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende agrarische bedrijven.
In paragraaf 4.8 wordt onderbouwd dat de wijziging niet leidt tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende agrarische bedrijven.
Artikel 44.3
In artikel 44.3 zijn onderstaande bepalingen opgenomen voor het wijzigen van de bestemming naar wonen en kleinschalige horeca die gerelateerd is aan de recreatieve functie van het buitengebied:
Het agrarische bedrijf op het perceel aan Heukelumseweg 5 te Asperen wordt in zijn geheel beëindigd.
Op het perceel wordt alle voormalige agrarische bedrijfsbebouwing met een gezamenlijke oppervlakte van circa 1.684 m2 gesloopt.
De bestemming Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden wordt gewijzigd naar Wonen - 1, waarbij de geldende bouwregels ten aanzien van vrijstaande woningen in acht worden genomen.
Binnen een afstand van 50 meter tot het plangebied komen geen boomgaarden voor.
| gesloopte oppervlakte | aantal woningen |
| 1.000 m2 gesloopte bedrijfsgebouwen | maximaal 1 |
| 2.500 m2 gesloopte bedrijfsgebouwen | maximaal 2 |
Na wijziging zijn de regels voor het doel wonen van toepassing.
Op het perceel wordt circa 1.684 m2 bedrijfsgebouwen gesloopt. Op het perceel wordt 1 vrijstaande woning gebouwd. Na wijziging zijn de regels van de geldende bestemming Wonen - 1 van toepassing. Hiermee is aan deze wijzigingsvoorwaarde voldaan.
Het bestaande gebouw op het voorerf wordt gebruik voor horeca, er is een omgevingsvergunning verleend voor een lunchroom. De oppervlakte van het gebouw bedraagt 63 m2 en een veranda. In de planregels is vastgelegd dat slechts kleinschalige, lichte horeca in de bestaande omvang en op de bestaande plek is toegestaan.
Conclusie
Het plan voldoet aan alle voorwaarden voor het wijzigen van de bestemming in 'Wonen', zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012'.
Archeologie
In het geldende bestemmingsplan geldt voor de gronden binnen het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Op basis van archeologisch onderzoek dient te worden aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
Cultuurhistorie
Het plangebied ligt binnen het Belvoiregebied Rivierengebied, gekenmerkt door oude ontginningen op afwisselend nat-droge stroomruggen en regelmatige stroomrugontginning op de lagere delen van de stroomrug. In het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. De cultuurhistorische elementen in het plangebied blijven met voorgenomen ontwikkeling behouden.
Toetsingskader
Rijk en provincie stellen zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken.
Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.
Bij het archeologiebeleid is ook een beleidskaart opgesteld die de zonering van de verschillende archeologische verwachtingswaarden aangeeft. Aan de verschillende verwachtingswaarden zijn voorwaarden gekoppeld wanneer bij bouw- en grondwerkzaamheden archeologisch onderzoek vereist wordt.
Uitsnede archeologische beleidskaart, voormalige gemeente Lingewaal
Situatie plangebied en onderzoek
Het initiatief voorziet in de realisatie van een woning. In het geldende bestemmingsplan geldt voor de gronden binnen het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Op basis van archeologisch onderzoek dient te worden aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 2. Uit het onderzoek blijkt dat er ter plaatse hoogstwaarschijnlijk geen archeologische waarden in de grond aanwezig zijn. Nader onderzoek of maatregelen zijn niet noodzakelijk.
Toetsingskader
De regering heeft in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgelegd dat gemeenten vanaf 1 januari 2012 in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Burgers krijgen hiermee het recht om bij de planning van bouwwerkzaamheden aan te geven of er cultureel erfgoed wordt geraakt.
Situatie plangebied
In 2012 heeft de gemeente Lingewaal een Cultuurhistorische Waardenkaart vastgesteld, om het erfgoed zichtbaarder te maken, onder de aandacht te brengen en te behouden. Het plangebied ligt in 'stroomrugontginning met regelmatige indeling'. De stroomruggen zijn sinds de Late Middeleeuwen overwegend in stroken verkaveld.
Met voorgenomen plan wordt het bouwvlak aan de Heukelumseweg 5 anders ingedeeld. Het kenmerkende historische verkavelingspatroon blijft behouden.
Nieuwe Hollandse Waterlinie
Het plangebied maakt onderdeel uit van Nationaal Landschap de Nieuwe Hollandse Waterlinie. In de Omgevingsverordening Gelderland zijn de kernkwaliteiten van de Hollandse Waterlinie beschreven, deze kernkwaliteiten zijn:
Met voorgenomen plan wordt het bouwvlak aan de Heukelumseweg 5 anders ingedeeld. Het kenmerkende historische verkavelingspatroon blijft behouden en de kernkwaliteiten van de Hollandse Waterlinie worden niet aangetast.
In het geldende bestemmingsplan ligt het gebied binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden'. Hierbinnen is behoud van landschappelijke- en natuurwaarden van belang,
onder andere ter bescherming van het kleinschalige oeverwallandschap langs de meanderende Linge met fruitteelt, de gave open kommen ten noorden van de Linge met weidebouw, grienden, populierenbosjes en eendenkooien, patronen van sloten en weteringen en wegbeplanting langs rechte wegen, in contrast met kleinschaligheid van het Lingelandschap.
Met voorgenomen plan wordt het bouwvlak aan de Heukelumseweg 5 anders ingedeeld. Het Lingelandschap blijft behouden.
In het plangebied bevinden zich geen Rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten. De aanwezige landschappelijke waarden in en rondom het plangebied worden gewaarborgd door middel van het inrichtingsplan wat is opgenomen in Bijlage 1.
Ter plaatse van het plangebied zijn geen archeologische waarden aangetroffen.
Bij de inrichting van het perceel wordt aangesloten bij de aanwezige landschappelijke waarden. Hiertoe is een inrichtingsplan opgesteld.
Toetsingskader
Op basis van de Wet bodembeheer mogen er geen gevoelige objecten op verontreinigde grond gebouwd worden. Een object wordt als gevoelig aangemerkt wanneer er 2 uur of langer per dag mensen in verblijven. De nieuw te bouwen woning is een locatie waar langer dan 2 uur per dag mensen zullen verblijven. Om deze reden is een bodemonderzoek noodzakelijk.
Situatie plangebied en onderzoek
Vastgesteld moet worden of de bodemkwaliteit belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkeling. In november 2018 is een historisch en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 4. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Formeel gezien is op basis van de onderzoeksresultaten nader bodemonderzoek ter plaatse van de loods, met betrekking tot de parameter asbest, noodzakelijk. De resultaten van het verkennend asbestonderzoek (cf. NEN 5707) ter plaatse van de loods geven aanleiding tot uitvoering van een nader onderzoek voor asbest. Op basis van de onderzoeksresultaten dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het is zeer waarschijnlijk dat hier sprake van is. Middels nader asbestonderzoek kan dit definitief worden vastgesteld. Gezien de bron (erosie asbest dakplaten) van deze verontreiniging kan in overleg met en na instemming van de Provincie Gelderland, bevoegd gezag Wet Bodembescherming, mogelijk direct worden overgegaan tot sanering van de bodem op deze locatie. In dat geval zou uitvoering van een nader bodemonderzoek achterwege kunnen blijven. Dit is ter keuze van de initiatiefnemer en op voorwaarde van instemming door de Provincie Gelderland.
Recentelijk is duidelijk geworden dat de bodem onder asbestdaken vaak verontreinigd is met PCB, naast de reeds bekende verontreiniging met asbest. De verontreiniging met PCB is gerelateerd aan PCB houdende coating van asbestplaten. Door verwering komt niet alleen asbestmateriaal maar ook PCB in de bodem. Het is niet uit te sluiten dat er ook sprake is van een verontreiniging met PCB. Tijdens het verkennende onderzoek is hier geen onderzoek naar gedaan. Het wordt door de omgevingsdienst aanbevolen om PCB mee te nemen in aanvullend onderzoek. Indien met het bevoegd gezag Wet bodembescherming (provincie Gelderland) wordt overeengekomen dat sanering plaats kan vinden zonder aanvullend onderzoek dient bij eindcontrole van de grond PCB meegenomen worden. Dit om vast te stellen of een eventuele verontreiniging met PCB is verwijderd.
In het plangebied wordt ervoor gekozen om de sloop van de loods te laten plaatsvinden onder milieukundige begeleiding. Eventuele verontreiniging met asbest of PCB wordt dan meteen verwijderd. De Provincie Gelderland stemt hiermee in en neemt die verantwoordelijkheid op zich.
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen verdere belemmering voor het bestemmingsplan, mits blijkt dat er geen vervuiling met asbest en PCB aanwezig is ter plaatse van de te slopen loods. Mocht dat wel zo zijn, dan wordt dit bij sloop van de loods verwijderd door initiatiefnemer. Uitvoering daarvan is geborgd in de anterieure overeenkomst.
Toetsingskader
Wet natuurbescherming
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:
Natura 2000-gebieden
De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura-2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Onderzoek
Ecologie
Het initiatief voorziet in de sloop van bestaande bebouwing. In deze gebouwen kunnen mogelijk verblijfplaatsen van beschermde soorten aanwezig zijn. In dit kader is dan ook een ecologische inventarisatie uitgevoerd (zie Bijlage 5).
Uit het onderzoek komt naar voren dat in en om het plangebied beschermde soorten voorkomen of kunnen voorkomen. In het kader van mogelijke verbodsovertredingen van de Wet Natuurbescherming zijn nadere onderzoeken noodzakelijk naar de aan- of afwezigheid van:
Nader onderzoek
Uit het nader onderzoek (zie bijlage naar vogels met jaarrond beschermde nesten komt naar voren dat in de te slopen bebouwing geen jaarrond beschermde nestplaatsen van huismus, kerkuil en steenuil aanwezig zijn. Wel worden de te slopen schuren vrijwel zeker af en toe door steenuil en kerkuil als roestplaats gebruikt. Ook roestplaatsen zijn voor uilen van belang, zodat we niet uit kunnen sluiten dat de sloop van de schuren zonder mitigerende maatregelen leidt tot een negatief effect op steenuil en kerkuil. Daarom adviseren we om, ondanks het ontbreken van nestplaatsen, een ontheffing van de Wet natuurbescherming (Wnb) aan te vragen voor aantasting van een verblijfplaats van steenuil en kerkuil. Het plangebied is tevens onderdeel van het foerageergebied van kerkuil en steenuil, maar het plan zal niet leiden tot een negatief effect op deze soorten door verlies van foerageergebied. Dit komt doordat alleen de bebouwing wordt gesloopt en het omringende groen behouden blijft.
Uit het nader onderzoek naar vleermuizen (Bijlage 6) komt naar voren dat bij de sloop van de bebouwing één zomerverblijfplaats van twee gewone grootoorvleermuizen en twee zomerverblijfplaatsen van individuele mannetjes van gewone dwergvleermuis verloren gaan. Eén van deze zomerverblijven wordt tevens gebruikt als paarverblijf door één van de mannetjes van gewone dwergvleermuis. Daarom moet een ontheffing van de Wnb worden aangevraagd voor aantasting van de zomer- en paarverblijfplaatsen.
Door de sloop van de schuren gaat ook een deel van het foerageergebied van de twee gewone grootoorvleermuizen verloren. Het advies is om in de ontheffingsaanvraag ook mitigerende maatregelen op te nemen om verlies van foerageergebied te mitigeren.
Voor de gewone dwergvleermuizen vormen de te slopen schuren geen essentieel onderdeel het foerageergebied en blijft in de nabije omgeving in ruime mate alternatief foerageergebied voorhanden. Negatieve effecten door verlies van foerageergebied kunnen worden uitgesloten voor deze soort.
In of rond de schuren zijn geen waarnemingen gedaan van kleine marterachtigen en uitsluitend aan de uiterste zuidoostrand van het plangebied zijn eenmalig sporen van een wezel aangetroffen. De sloop van de bebouwing op het erf zal dan ook niet leiden tot aantasting van verblijfplaatsen van kleine marterachtigen en ook gaat hierdoor geen essentieel onderdeel van het foerageergebied van wezel, hermelijn of bunzing verloren. Een ontheffing van de Wnb is voor deze soorten niet nodig.
Stikstof
Het plangebied is gelegen op zeer geringe afstand van het Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling is een stikstofonderzoek uitgevoerd door middel van een berekening met het programma Aerius. De berekening is opgenomen in Bijlage 7. Uit de berekening blijkt dat het initiatief geen negatieve gevolgen heeft voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Maatregelen zijn niet noodzakelijk. Het aspect stikstof staat dit initiatief niet in de weg.
Conclusie
Uit de onderzoeken wordt het volgende geconcludeerd:
De ontheffingen worden aangevraagd.
Toetsingskader
In het kader van de Wet geluidhinder is bij de vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen.
Situatie plangebied en onderzoek
Het initiatief bestaat uit de bouw van een woning aan Heukelumseweg 5, Asperen. Het plangebied ligt naast de provinciale weg N848 bestaande uit twee rijstroken. Voor de ontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd, zie Bijlage 8. Uit het onderzoek blijkt dat er ter plaatse van de nieuwe woning een overschrijding plaatsvindt van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Wel wordt er voldaan aan de maximale ontheffingsgrenswaarde van 53 dB voor buitenstedelijk gebied.
Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn ter plaatse niet mogelijk of wenselijk te achten. Voor de nieuwe woning moet een ontheffing voor een hogere waarde worden toegekend, deze aanvraag is gedaan. Het besluit is bijgevoegd.
Conclusie
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een hogere waarde aangevraagd. Het besluit hiertoe is bijgevoegd bij het vaststellingsbesluit. De binnenwaarden van de woning voldoen aan de wettelijk gestelde eisen.
De Heukelumseweg 5 te Asperen is gelegen op een oeverwal. Deze bestaat uit grote agrarische percelen met beplanting langs de randen en wegen. Ook de erven in dit gebied zijn vaak volledig omsloten door erfbeplanting. Deze beplanting bepaald voor een groot deel het karakter van het gebied. Tussen deze beplanting door zijn open zichten over de akkers.
Bij de aanleg van een nieuwe woning is het van belang dit principe van erfbeplanting te behouden. Hierbij wordt in het ontwerp zo veel mogelijk gebruik gemaakt van bestaand beplanting. Daarom zijn de aanwezige bosschages en de waardevolle Treurwilg behouden. Om de erfbeplanting te versterken worden beide erven omringd door een lage haag bestaande uit inheemse beplanting. Ook wordt er in het zuid/oosten van het nieuwe erf een boom aangeplant ter markering van het erf.
Omdat bebouwing op de oeverwal (buiten de bebouwde kom) veelal verspreid staat en tussen deze bebouwing vaak zichten zijn over de agrarische percelen is ervoor gekozen om tussen de twee erven een open zicht te creëren. Hierdoor blijven de erven als twee entiteiten zichtbaar in het landschap.
Omdat dit het buitengebied betreft wordt parkeren opgelost op eigen terrein.
In Bijlage 1 is de landschappelijke inpassing opgenomen.
Landschappelijke inpassing erf Heukelumseweg 5
Verkeer
Het plangebied wordt ontsloten door een erfontsluitingspad gelegen naast de horecaruimte, die uitloopt naar de Heukelumseweg. De Heukelumseweg sluit aan op de provinciale weg N848 en is tevens een van de uitvalswegen van de kern Asperen. Op basis van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' nr. 381 kan de verkeersgeneratie per woning worden berekend. Uitgaande van een vrijstaande koopwoning in het buitengebied (niet stedelijk) bedraagt de verkeersgeneratie per woning circa 8,2 mvt/dag. De bestaande infrastructuur kan deze minimale toename op een goede manier verwerken. Aanpassing van de bestaande infrastructuur is niet noodzakelijk.
De horecavoorziening is een bestaande lunchroom. Een lunchroom heeft daardoor geen effect op de verkeersgeneratie. Wanneer in plaats van een lunchroom een andere functie wordt gerealiseerd, zoals een informatiepunt voor het nabijgelegen natuurgebied of een tearoom, dan dient de verkeersgeneratie wel te worden beoordeeld. Echter, de verkeersgeneratie bij kleinschalige horeca in het buitengebied is niet opgenomen in de CROW publicatie. Gezien de functie reeds aanwezig was op het perceel (zie paragraaf 2.1) en het kleine oppervlak van het gebouw (63 m²) en de gewenste functie voor kleinschalige lichte horeca (bijvoorbeeld een informatiepunt voor het nabijgelegen natuurgebied of een tearoom), zal de verkeersaantrekkende werking naar verwachting niet groter zijn dan die van de nieuwe woning, zijnde 8,2 mvt/dag. De bestaande infrastructuur kan deze minimale toename op een goede manier verwerken. Aanpassing van de bestaande infrastructuur is niet noodzakelijk.
Parkeren
Op basis van de CROW publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' nr. 381 kan tevens het aantal benodigde parkeerplaatsen per woning worden berekend. Uitgaande van een vrijstaande koopwoning in het buitengebied (niet stedelijk) bedraagt het aantal benodigde parkeerplaatsen 2,4 per woning. Voor de horeca geldt dat uitgegaan kan worden van de categorie 'café/bar/cafetaria'. Het aantal benodigde parkeerplaatsen in het buitengebied is niet opgenomen in de CROW publicatie. Voor 'rest bebouwde kom' 'niet stedelijk' bedraagt het aantal benodigde parkeerplaatsen gemiddeld 7 per 100 m2 bvo. De parkeerbehoefte bij deze functie is in sterke mate afhankelijk van het aantal zitplaatsen en van het autogebruik van de bezoekers. In de kencijfers is uitgegaan van 90% aandeel bezoekers. De parkeerplaatsen worden op eigen perceel gerealiseerd. In de regels is vastgelegd dat parkeren bij horeca op eigen terrein dient plaats te vinden.
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit, heeft het rijk de 'nibm-tool 2022' ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging.
Met behulp van deze rekentool (zie onderstaande afbeelding) is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Hierbij is uitgegaan van 1 extra woning met in totaal 8 extra voertuigbewegingen. Ook voor de horeca is uitgegaan van 8 extra voertuigbewegingen, mocht de lunchroom vervangen worden door een informatiepunt voor het nabijgelegen natuurgebied of een tearoom. Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 ug/m³) niet overschrijdt. Het project wordt dan beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.
NIBM-rekentool luchtkwaliteit
Toetsingskader
In het kader van de Wet milieubeheer dient in nieuwe situaties rekening te worden gehouden met (wenselijke) afstanden tussen bepaalde milieubelastende functies en milieugevoelige functies. In de uitgave Bedrijven en Milieuzonering (2009) is een richtafstandenlijst opgenomen. In de lijst is voor allerlei soorten "milieubelastende activiteiten" aangegeven welke richtafstanden vanwege geur, stof, geluid en gevaar bij voorkeur aangehouden moeten worden ten opzichte van "milieugevoelige activiteiten". De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.
Plangebied
Het planvoornemen bestaat uit de wijziging van de agrarische bestemming naar een woonbestemming op het perceel aan Heukelumseweg 5 te Asperen. In de omgeving van het plangebied liggen voornamelijk landbouwgronden zonder bebouwingsmogelijkheden. Het dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijf betreft het LPG-tankstation aan Heukelumseweg 10, gelegen op een afstand van circa 220 m tot de huidige bebouwingsgrens. Omdat het gaat om de realisatie van een woning en de bedrijven op ruime afstand van het perceel liggen kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt.
Op het perceel zelf ligt een ruimte die in gebruik is voor , namelijk de lunchroom. De horecaruimte is in gebruik voor circa 50 zitplaatsen, een keuken, twee toiletten en een opberghok. Het gebouw heeft een oppervlakte van circa 63 m².
Voor horeca geldt het volgende op basis van de richtafstandenlijst van de VNG:
Aangezien de horecaruimte hoort bij de bestaande woning aan de Heukelumseweg 5, wordt deze woning niet belemmerd door de aanwezigheid van de horeca. De bestaande horecaruimte ligt circa 70 m van de kavelgrens van de nieuw te realiseren woning. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand van 10 m voor horeca in de vorm van een restaurant. Om te voorkomen dat deze afstand verkleind wordt, dient de bestaande locatie van de horeca te worden vastgelegd. In de regels is aangegeven dat kleinschalige, lichte horeca is toegestaan in de bestaande omvang en op de bestaande plek. Deze locatie is tevens aangegeven in het inrichtingsplan, zoals dat aan de regels is toegevoegd.
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen verdere belemmering voor het bestemmingsplan.
Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Ook zijn in de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid ambities opgenomen over het toelaten van nieuwe risicobronnen en "zeer kwetsbare gebouwen".
Onderzoek
Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart ter plaatse van het plangebied weergegeven.
Uitsnede risicokaart (plangebied rood omlijnd)
Risicovolle bedrijven
Binnen het perceel worden geen risicovolle activiteiten, zoals Bevi-activiteiten, uitgevoerd en het onderhavige plan voorziet hier ook niet in. Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt verder dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege risicovolle inrichtingen.
Vervoer gevaarlijke stoffen
Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroute, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones).
Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor:
Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 31 januari 2022 aangegeven dat in dit geval sprake is van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "zeer kwetsbaar gebouw", bestemd voor verminderd zelfredzame personen.
Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid
Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NLalert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.
Buisleidingen
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied zich op circa 50 meter van een hogedruk aardgastransportleiding van de Gasunie bevindt. Deze buisleiding ligt ten westen van de planlocatie en betreft een leiding met een uitwendige diameter van 8 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Het plangebied ligt daarmee binnen het invloedsgebied (95 meter aan beide zijden van de leiding) van de betreffende buisleiding.
Op grond van art. 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) moet in dit geval worden ingegaan op de mogelijkheden voor:
Personendichtheid en hoogte groepsrisico
Er zal naar verwachting met dit wijzigingsplan geen toename van het groepsrisico plaatsvinden, ondanks dat met dit plan een extra woning binnen het invloedsgebied van de leiding wordt toegevoegd. Het is aannemelijk dat het groepsrisico ruim onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde zal blijven en niet zal toenemen met meer dan 10%. Hierdoor kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het uitvoeren van een groepsrisicoberekening heeft geen toegevoegde waarde en is nu dan ook achterwege gelaten.
Veiligheidsregio Gelderland-Zuid is in de gelegenheid gesteld om over onderstaande aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid te adviseren. Zij heeft op 31 januari 2022 over deze aspecten het volgende geadviseerd.
Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
Calamiteiten met hogedruk aardgastransportleidingen doen zich alleen voor als een leiding beschadigd raakt en gas ontsnapt. Een fakkelbrand is daarbij het maatgevende scenario. De kans op een dergelijk scenario is uiterst klein maar niet geheel uit te sluiten. Bestrijding van deze gasontsnapping door de hulpdiensten is niet mogelijk. Hiervoor is het noodzakelijk dat de leidingbeheerder (De Gasunie) de leiding inblokt (afsluit). Na dit inblokken zal echter nog geruime tijd gas vrij blijven komen. Bij ontsteking leidt dit tot een fakkelbrand. De inzet van de hulpdiensten zal dan gericht zijn op het voorkomen en bestrijden van secundaire branden. Daarbij moet men er vanuit gaan dat de hulpdiensten de omgeving van de fakkelbrand maar heel beperkt of niet kunnen betreden vanwege de hoge stralingshitte. Gezien de omvang van het te verwachten effectgebied zal over het algemeen de inzet van een brandweercompagnie (ongeveer honderd man brandweerpersoneel en bijbehorend materieel) noodzakelijk zijn. Volgens de landelijke richtlijn vergt het formeren van een brandweercompagnie 45 minuten. Gezien de hoeveelheid personeel, materieel en de omvang van het te verwachten effectgebied dienen de bereikbaarheid en de blus/koelwatervoorzieningen vooral op gebiedsniveau te worden beoordeeld. Het grote aantal slachtoffers dat bij incidenten met hogedruk aardgastransportleidingen kan vallen, zal de capaciteit van de geneeskundige hulpverlening in veel gevallen te boven gaan.
Mogelijkheden voor zelfredzaamheid
De planlocatie ligt net buiten het 100% letaliteitsgebied. Als het maatscenario optreedt op zo'n kleine afstand van de planlocatie is mogelijk geen sprake meer van mogelijkheden tot zelfredzaamheid. Dit omdat de hittestraling dan te groot is om er onbeschermd te verblijven. Ook de gebouwen kunnen aan zeer hoge hittestraling worden blootgesteld, waardoor deze na enige tijd mee kunnen gaan branden. Hier kan de stralingsbelasting groter dan 35 kW/m² bedragen. Boven 15 kW/m² is voor een normaal gebouw brandoverslag ook bij kortdurende aanstraling waarschijnlijk. Als de fakkelbrand wat verder van de planlocatie af optreedt is het schuilen in een gebouw in principe de beste oplossing.
In geval van een calamiteit dient er tijdig te worden gewaarschuwd. Dit gebeurt normaliter door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwings- en alarmsysteem). Een fakkelbrand is echter ook zichtbaar, hoorbaar en de hittestraling is duidelijk voelbaar voor aanwezigen, waardoor de effectieve strategie voor zelfredzaamheid door aanwezigen juist kan worden ingeschat. Op termijn zal dit WAS worden vervangen door NL-alert.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid is relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute en door een hogedruk aardgastransportleiding. De buisleiding en de transportroute vormen geen harde belemmering voor het plan, omdat met het plan geen grenswaarde voor het plaatsgebonden risico wordt overschreden.
Bij een incidentscenario met toxische stoffen op de Betuweroute is schuilen in een gebouw de beste optie. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er in het plangebied voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroute.
Bij een maatgevend incident met de hogedruk aardgastransportleiding nabij de planlocatie zal de hittestraling mogelijk zo groot zijn dat gebouwen gaan branden waardoor men komt te overlijden als wordt geschuild in het gebouw. Indien de breuk van de leiding op een grotere afstand van de planlocatie ontstaat, is het schuilen in een gebouw de beste optie.
De belangrijkste argumenten om de voorgenomen functiewijziging en bouw van de extra woning binnen het invloedsgebied van de nabijgelegen hogedruk aardgasleiding verantwoord te achten zijn:
Een kanttekening hierbij is dat met het accepteren van het restrisico er wordt geaccepteerd dat personen die binnen het plangebied aanwezig zijn bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen slachtoffer kunnen worden.
Zoals bij de argumenten is aangegeven is de kans op slachtoffers als gevolg van een beschadiging en breuk van de hogedruk aardgastransportleiding echter zeer klein.
Nationaal beleid
Het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid tot 2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Rijk speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied.
Beleid waterschap
Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.
Beleid Gemeente
In 2021 heeft de gemeente West Betuwe de verordening afvoer hemel- en grondwater opgesteld. Uitgangspunt van de gemeente is dat het afvalwater en het hemelwater afzonderlijk van elkaar worden ingezameld. De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt, is primair verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. De gemeente hoeft niet het hemelwater afkomstig van particulier terrein af te voeren, indien er andere alternatieven mogelijk zijn. De West Betuwse voorkeursvolgorde voor de omgang met afvloeiend hemelwater is: hergebruik, vasthouden, bergen en afvoeren.
De uitgangspunten die door het waterschap Rivierenland worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als:
Volgens de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland geldt voor nieuw verhard oppervlak een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht voor een toename tot 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor het buitengebied. Als peildatum voor het eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden en dit wordt getoetst door de afdeling vergunningen van het waterschap. Dit betekent dat alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als hier in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt.
Conform de Waterwet moeten perceelseigenaren hemelwater op eigen terrein verwerken. Alleen als dit redelijkerwijs niet mogelijk is, wordt het hemelwater op het oppervlaktewater, de openbare hemelwatervoorziening of de openbare gemende riolering geloosd. De perceelseigenaar/initiatiefnemer dient zelf aan te tonen indien een locatie niet geschikt is om het hemelwater op eigen terrein te bergen.
De watertoets is wettelijk verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding’.
Watercompensatie
Het Waterschap Rivierenland geeft aan dat een toename aan verharding gecompenseerd dient te worden. Bij particuliere ontwikkelingen is er een eenmalige vrijstellingsgrens tot een toename van 500 m². De provincie is voornemens om de bouw van een vrijstaande woning mogelijk te maken. Op het betreffende perceel wordt circa 1.684 m2 gebouwen gesloopt. In onderhavige situatie zal na realisatie van het planvoornemen de hoeveelheid verharding afnemen. Watercompensatie is dan ook niet noodzakelijk.
Watergangen
Uit raadpleging van de watertoets (www.watertoets.nl) blijkt dat in het noorden en westen A-watergangen liggen ('a watergangen' en 'a watergangen met zonering'), maar hier grenst het plangebied niet direct aan. Daarnaast grenst aan de oostzijde aan een 'b watergang'. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient men rekening te houden met het intact houden van deze watergang. Wanneer er werkzaamheden aan of nabij deze watergang plaatsvinden dient er overleg plaats te vinden met het Waterschap Rivierenland. Wanneer er watergangen aangelegd worden, ingrepen in de beschermingszone van de watergangen plaatsvinden of drainage wordt aangelegd, is een watervergunning vereist. Voor de 'b watergang' geldt dat de ruimte tot 1 meter vanaf de insteek vrijgehouden moet worden.
Waterafvoer
De onderhavige ontwikkeling is kleinschalig van aard. In dat kader zullen er ook geen aanpassingen plaatsvinden aan het waterhuishoudkundig systeem en het rioolsysteem ter plaatse. Voor de nieuwe woning wordt het afvalwater conform het beleid gescheiden ingezameld en afgevoerd via het rioleringstelsel ter plaatse. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in het kader van het aspect water uitvoerbaar is. Bij meer concrete bouwplannen dient rekening te worden gehouden met de aanwezige watergang. Dit zal in overleg met het waterschap in de toekomst nader bepaald worden.
Klimaatadaptatie
De ontwikkeling van de woning wordt landschappelijk ingepast, zoals blijkt uit het landschappelijke inpassingsplan (Bijlage 1 Landschappelijke inpassing). Hierbij wordt er veel groen gerealiseerd. Vanwege de sloop van de bestaande schuur zal het aandeel verharding in het plangebied afnemen. Op het perceel wordt totaal circa 1.684 m² gesloopt: de tasruimte, de grupstal, de ligboxenstal en de werktuigenberging. In plaats daarvan wordt één woning gerealiseerd. Door sloop van bebouwing en verwijdering van verharding, in combinatie met uitvoering van de landschappelijke inpassing wordt het plangebied meer hittestress bestendig en wordt water beter vastgehouden in de grond. Daarmee wordt wateroverlast beperkt. Middels de te realiseren watercompensatie, zoals toegelicht in paragraaf 4.10.3, wordt water langer vastgehouden in het plangebied.
Conclusie
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is de verplichte watertoets uitgevoerd. Deze is opgenomen in Bijlage 9. Uit de watertoets blijkt dat een normale procedure noodzakelijk is. In dat kader wordt het plan voorgelegd aan het waterschap.
In de gemeentelijke verordening afvoer hemel- en grondwater zijn regels vastgesteld met betrekking tot de afvoer van deze waterstromen in verschillende situaties. Zo is een verplichting tot waterberging van hemelwater bij bestaande en nieuwbouw vastgelegd.
Voor de regels met betrekking tot bestaande bouw gelden in de gebieden die aangewezen zijn in het hemelwaterbergingsgebied. Dit gebied is vooralsnog nog niet aangewezen, waardoor deze regels hier nog niet zijn meegenomen.
Voor nieuwbouw geldt dat een hemelwaterberging gerealiseerd moet worden met een minimale capaciteit van 20 l per vierkante meter verhard oppervlak op het perceel als de totale omvang van het verharde oppervlak niet meer is dan 500 m2. Het bouwvlak in het planvoornemen heeft een oppervlak van 104 m2. Voor de benodigde parkeerplaatsen wordt gerekend met de in het parapluplan opgenomen maten voor vereiste parkeerruimte. Dit komt neer op (5*2,5)*2,4 = 30 m2. Voor een eventueel terras aan de woning wordt uitgegaan van eenzelfde oppervlak als het bouwvlak. De totale verharding voor het planvoornemen komt hiermee op 238 m2.
De te realiseren watercompensatie wordt als volgt berekend: 238*20 = 4.760 = 4,76 m3. Deze waterberging wordt in het te realiseren plan opgenomen.
Dit wijzigingsplan is opgesteld volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). Het wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan.
Voor de juridische regeling is aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen 'Buitengebied 2012', en 'Reparatieplan Bestemmingsplan Buitengebied 2014'. Deze bestemmingsplannen zijn van toepassing verklaard op het voorliggende wijzigingsplan.
De verbeelding omvat de ter plaatse geldende enkelbestemming 'Wonen - 1' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Aan de specifieke gebruiksregels van de bestemming 'Wonen - 1' in het bestemmingsplan Buitengebied 2012 wordt toegevoegd dat:
Daarnaast wordt aan de specifieke gebruiksregels toegevoegd dat wonen op het perceel Heukelumseweg 5 uitsluitend is toegestaan als sloop heeft plaatsgevonden van ten minste 1.684 m² voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en het bestemmingsvlak met de bestemming 'Wonen' aan Heukelumseweg 5 in ingericht conform het inrichtingsplan zoals opgenomen in de bijlage bij de regels. Ook wordt een regel toegevoegd dat uit nader onderzoek dient te blijken dat er geen vervuiling met asbest en PCB aanwezig is ter plaatse van de te slopen loods. Mocht dat wel zo zijn dan dient er sanering te zijn uitgevoerd
Het wijzigingsplan doorloopt de procedure zoals vastgelegd in artikel 3.6 lid 1 sub a van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Door het voeren van de genoemde procedure, wordt eenieder in de gelegenheid gesteld voor het indienen van zienswijzen. Er wordt geen vooroverleg gevoerd over dit plan, omdat er geen Rijks-, provinciale of waterschapsbelangen in het geding zijn. Wel wordt het plan met het waterschap besproken naar aanleiding van de watertoets.
Het ontwerp wijzigingsplan is gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen binnengekomen.
Dit wijzigingsplan heeft betrekking op een particulier initiatief. De gemeente heeft hiermee geen directe financiële bemoeienis. De kosten met betrekking tot het opstellen van het wijzigingsplan worden gedragen door de initiatiefnemer en daaraan verwante procedurekosten worden verhaald via de leges van de gemeente. Het plan wordt hiermee economisch uitvoerbaar geacht.