| Plan: | TAM-omgevingsplan 22c Boksum woningbouw Blessumerpaed |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1949.TAMOP22C-VAS1 |
Het planvoornemen
Het voornemen is om op het terrein van de voormalige Otto Clantschool aan het Blessumerpaed in Boksum grondgebonden woningen met bijbehorend openbaar gebied te realiseren. Deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van de geldende planologische regeling in het Omgevingsplan gemeente Waadhoeke. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken, is het vaststellen van een wijziging omgevingsplan noodzakelijk.
Voorgeschiedenis
Voor deze ontwikkeling is reeds een bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan is op 29 juni 2023 door de gemeenteraad van Waadhoeke vastgesteld. Tegen de vaststelling van dit bestemmingsplan is beroep ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen Afdeling). De Afdeling heeft geoordeeld dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met de Verordening Romte Fryslân omdat het woningbouwprogramma niet was opgenomen in een door de gemeente vastgesteld woonplan waarbij schriftelijke instemming van het college van Gedeputeerde Staten van Fryslân ontbrak. Alleen om deze reden is het volledige bestemmingsplan vernietigd.
Dit heeft voor het project tot consequentie dat de planologische basis is weggevallen en de regels van de maatschappelijke bestemming van het onderliggende bestemmingsplan Boksum uit 2015 weer gelden. Dit bestemmingsplan maakt deel uit van het Omgevingsplan gemeente Waadhoeke dat per 1 januari 2024 bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt. Om deze reden moet de ontwikkeling (zoals dat was geregeld in het vernietigde bestemmingsplan) nu juridisch-planologisch geregeld worden door middel van een wijziging van het omgevingsplan.
Inmiddels heeft de provincie ingestemd met het door de gemeente vastgestelde woonplan. Het woonplan is opgenomen als bijlage 1. De schriftelijke instemming van de provincie (d.d. 25 maart 2025) is opgenomen als bijlage 2.
Het plangebied ligt centraal in de bebouwde kom van Boksum. De ligging van het plangebied is weergegeven in bijgaande figuur.
Figuur 1: Ligging van het plangebied
Het plangebied is sinds 1 januari 2024 opgenomen in het Omgevingsplan gemeente Waadhoeke. In het omgevingsplan is de regeling van het bestemmingsplan Boksum (vastgesteld op 2 maart 2015 door de voormalige gemeente Menameradiel, thans gemeente Waadhoeke) ongewijzigd overgenomen. Een uitsnede van het omgevingsplan ter plaatse van het plangebied is weergegeven in figuur 2.
In het geldende omgevingsplan heeft het plangebied grotendeels de bestemming 'Maatschappelijk'. De gronden zijn hierin bestemd voor maatschappelijke functies zoals de voormalige school. Ter plaatse van het bouwvlak zijn gebouwen tot de bestaande hoogte van het voormalige schoolgebouw mogelijk met bijbehorende wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water. Voor een klein deel hebben de gronden in het bestemmingsplan (ten noorden van de maatschappelijke bestemming) de bestemming 'Verkeer - Verblijf'. In deze bestemming zijn wegen en straten, paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water mogelijk. Tenslotte is in het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' van toepassing waarmee een beschermende regeling wordt geboden voor de archeologische waarden ter plaatse. Hiermee is geregeld dat bij bodemingrepen van 50 m2 of hoger archeologisch onderzoek nodig is.
Strijdigheid met het omgevingsplan
Het voornemen is om de gronden binnen het plangebied te gebruiken voor woondoeleinden. Dit is onder de huidige bestemming 'Maatschappelijk ' niet mogelijk, waardoor het voornemen in strijd is met het geldende omgevingsplan. Een wijziging van het omgevingsplan is daarom noodzakelijk.
Figuur 2: Uitsnede Omgevingsplan gemeente Waadhoeke / bestemmingsplan Boksum
Na deze inleiding, wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie en het voorgenomen plan. In hoofdstuk 3 wordt het participatietraject en het vooroverleg beschreven. Het voorgenomen plan wordt in hoofdstuk 4 getoetst aan het beleid en de fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 6 geeft een uitleg aan de juridische regeling van het omgevingsplan. Hoofdstuk 7 gaat in op de financiële haalbaarheid van dit omgevingsplan. De toelichting wordt afgesloten met een motivering van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL, hoofdstuk 8).
Deze wijziging van het omgevingsplan beoogt het in planologische zin mogelijk maken van de voorgenomen ontwikkeling aan het Blessumerpaed te Boksum. De ontwikkeling dient met dit plan op een goede manier ingepast te worden in de huidige situatie. Een beschrijving van de huidige situatie is om die reden dan ook in dit hoofdstuk opgenomen. Vervolgens wordt de inpassing in de huidige situatie beschreven.
Het plangebied bevindt zich aan het Blessumerpaed centraal in het dorp Boksum. De locatie is via de noordzijde door middel van een doorlopende toegangsweg te bereiken. De gebouwen van de voormalige school zijn inmiddels gesloopt en het plangebied ligt momenteel braak. Het voormalige schoolgebouw stamde uit 1984 en was uitgevoerd in één bouwlaag met een schildkap. De oppervlakte bedroeg 403 m2.
De omgeving van het plangebied bestaat uit de volgende functies:
De bestaande situatie van het plangebied en de begrenzing daarvan zijn weergegeven in het onderstaande figuur.
Figuur 3: Begrenzing en bestaande situatie plangebied
Figuur 4: Vogelvluchtperspectief van de voormalige situatie (bron: Google Earth)
Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van grondgebonden woningen met bijbehorend openbaar gebied. Het project bestaat uit:
De nieuwe woningen worden uitgevoerd in één bouwlaag met een schildkap zoals ook in de voormalige situatie bij het schoolgebouw het geval is. De beoogde goot- en bouwhoogten zijn respectievelijk 2,9 en 7,0 meter. Twee van de vier woningen aan de oostzijde krijgen de voordeur bij de centrale ontsluitingsweg, de andere twee aan de achterzijde. In bijgaande figuur is de voorgenomen indeling van het plangebied weergegeven.
Figuur 5: Voorgenomen indeling van de ontwikkeling
Het project verhoogt de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied ten opzichte van de huidige situatie aanzienlijk en creëert een representatieve invulling in het dorp ter plekke van de voormalige schoollocatie. De voorgenomen woningen sluiten functioneel aan op de woonfunctie van de directe omgeving. De maatvoering en de vormgeving van de woningen sluiten aan op situatie zoals bij het voormalige schoolgebouw het geval was. Omdat bij de Tiny4Cap woningen sprake is van de entree naar de woningen aan zowel de voor- als de achterzijde is hier een open karakter van de omliggende gronden wenselijk.
Vanuit de werkgroep Wonen van dorpsbelang Boksum is de gemeente Waadhoeke in het voorjaar 2019 benaderd om overleg te voeren over een mogelijke invulling met woningbouw op de voormalige schoollocatie van de Otto Clantschool te Boksum. Uiteindelijk heeft dit geleid tot een woningbouwinvulling, die tijdens een inloopmiddag/-avond op 1 juli 2020 is gepresenteerd aan de inwoners van Boksum. Tijdens de inloopmiddag/-avond bleek dat de gepresenteerde woningbouwinvulling niet volledig voldeed aan de verwachtingen van de inwoners van Boksum.
Na een tweede inloopmiddag/-avond op 28 oktober 2021 waarop zo'n 60 inwoners aanwezig waren bleek dat de aanwezige inwoners enthousiast zijn over de nieuwe aan de wensen van de inwoners van Boksum aangepaste woningbouwinvulling op het terrein van de voormalige Otto Clantschool te Boksum.
Gezien dit intensieve voortraject werd inspraak over het voorontwerpbestemmingsplan overgeslagen. Het voorontwerpbestemmingsplan is wel voorgelegd aan de overlegpartners. De binnengekomen reacties zijn door de gemeente beantwoord en in het bestemmingsplan verwerkt. In bijlage 11 is dit nader toegelicht. Vervolgens is het ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd waarbij de mogelijkheid werd gegeven om zienswijzen in te dienen. Daarop zijn twee zienswijzen ingediend, die door de gemeente zijn samengevat en zijn beantwoord, zie hiervoor bijlage 12. De zienswijzen leidden niet tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan. Wel is een ambtshalve wijziging in het bestemmingsplan verwerkt op basis van de resultaten van het archeologisch vervolgonderzoek. Dit heeft geresulteerd in het verwijderen van een groot deel van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Het bestemmingplan is vervolgens op 29 juni 2023 vastgesteld.
Conclusie
In het traject van het bestemmingsplan heeft reeds vooroverleg plaatsgevonden met ketenpartners zoals Provincie Fryslân, Wetterskip Fryslân en Brandweer Fryslân en is participatie gedaan. Om deze reden is verder vooroverleg en participatie voor de wijziging van het omgevingsplan niet meer nodig.
Zoals in de inleiding al is aangegeven, is tegen dat besluit vernietigd door de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State en is een ontwerp in de vorm van een TAM-omgevingsplan opnieuw ter inzage gelegd. Dit heeft plaatsgevonden van 1 juli tot en met 11 augustus 2025. Tijdens deze termijn is een ieder de mogelijkheid geboden om zienswijzen in te dienen, zowel schriftelijk als mondeling.
Binnen deze periode is één zienswijze ingediend. De zienswijze heeft niet geleid tot (juridische inhoudelijke) wijzigingen. Wel is een aantal ambtshalve wijzigingen doorgevoerd van technische en/of redactionele aard.
De wijziging van het omgevingsplan is door de raad (gewijzigd) vastgesteld op 12 maart 2026. De reactienota zienswijzen met daarin in hoofdstuk 3 opgenomen de ambtshalve wijzigingen zijn bijgevoegd in bijlage 13.
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden.
Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.
Opgaven
Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:
Uitvoering
De NOVI gaat vergezeld van een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd.
Conclusie
De ontwikkeling in het plangebied raakt, gezien de relatief kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI. De ontwikkeling draagt wel bij aan de opgave om de regio sterker en leefbaarder te maken.
Het provinciale beleid is uiteengezet in de Omgevingsvisie Fryslân 2020: 'De romte diele'. De regels voor de fysieke leefomgeving staan in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening is op 1 januari 2024 in werking getreden. Na een jaar met de Omgevingsverordening te hebben gewerkt, is gebleken dat sommige regels onduidelijk zijn of tot discussie leiden. Daarom zijn een aantal aanpassingen voorgesteld. Het college van Gedeputeerde Staten heeft op 28 januari 2025 het ontwerp van de wijzigingsverordening Omgevingsverordening vastgesteld.
Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk beleid. Dit is neergelegd in de Omgevingsvisie Provincie Fryslân. Deze is op 23 september 2020 vastgesteld. In de omgevingsvisie gaat de provincie voor een vitale economie door te investeren in omgevingskwaliteiten. Dit zorgt er onder andere voor leefbaarheid en dat leegstand en verpaupering van bebouwing wordt teruggedrongen. Daarnaast gaat de provincie voor een veerkrachtig beleid, waarin ingrijpende ontwikkelingen opgevangen kunnen worden. Het behoud van de karakteristiek van de provincie wordt nagestreefd door het beschermen van de eigen identiteit. Daarnaast wordt gestreefd naar een gezonde leefomgeving.
Conclusie
Dit plan voorziet in de herontwikkeling van bestaand stedelijk gebied. Het woningbouwproject sluit aan bij deze uitgangspunten van de provincie. Het plan doet recht aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en is daarmee in overeenstemming met de provinciale omgevingsvisie.
Op 8 februari 2024 is de Omgevingsverordening in werking getreden. In de verordening zijn regels opgenomen die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen.
De denklijn van het principe van ‘ja, mits’ en ‘decentraal wat kan’ zijn in de verordening verder doorgetrokken. Minder dan voorheen worden vooraf harde grenzen vastgelegd. Vanuit meer kwalitatieve kaders worden mogelijkheden gegeven voor ontwikkeling, met waarborgen voor andere belangen en waarden. Van belang daarbij is het volgende: de ruimtelijke inrichting en ordening van de fysieke leefomgeving kent twee kanten: bescherming (van waarden) enerzijds en ontwikkeling anderzijds. Die twee moeten in een evenwichtige verhouding staan. Ook is het van belang om te onderkennen dat er verschil in belangen kan bestaan. De initiatiefnemer heeft altijd een ‘buurman’ of omgeving die te maken krijgt met de effecten van een ontwikkeling. De Omgevingswet vraagt expliciet om betrokkenheid van die omgeving. De ‘mits’ van ’ja, mits’ dient ook invulling te worden gegeven met behulp van participatie.
De volgende artikelen zijn van toepassing op de woningbouwontwikkeling in Boksum:
Artikel 2.7 Programmering woningbouw
In dit artikel is aangegeven dat een ruimtelijk plan nieuwe woningen kan bevatten, wanneer deze passen binnen de regionale woningbouwafspraken. In afwijking hiervan kan een omgevingsplan woningen bevatten overeenkomstig bilaterale woningbouwafspraken, vooruitlopend op de eerstvolgende herijking van de regionale woningbouwafspraken. Onder regionale woningbouwafspraken wordt in de verordening het volgende verstaan: 'bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten over de regionale kwantitatieve en kwalitatieve afstemming van gemeentelijke woningbouwplannen, gebaseerd op de regionale indicatieve woningbehoefte volgens de door de provincie vastgestelde bevolking- en huishoudensprognose.'
Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 4 december 2024 (betreffende het ingestelde beroep tegen de vaststelling van het bestemmingsplan 'Boksum –Blessumerpaed) heeft de raad van gemeente Waadhoeke op 13 maart 2025 een herstelbesluit genomen en is het 'Gemeentelijk woonplan Waadhoeke' vastgesteld. Het woonplan moet worden gelezen in samenhang met de op 28 mei 2020 vastgestelde 'Woonvisie 2020-20230 Samen Sterk'. Zie ook paragraaf 3.4. Het woonplan is opgenomen als bijlage 1. De beoogde woningbouw aan het Blessumerpaed te Boksum is hierin opgenomen. Het woonplan is aan Gedeputeerde Staten voorgelegd ter instemming. De provincie heeft ingestemd met het door de gemeente vastgestelde woonplan. De schriftelijke instemming van de provincie (d.d. 25 maart 2025) is opgenomen als bijlage 2.
Het voorliggende woningbouwproject in Boksum maakt tevens deel uit van de Regionale woondeal 2022-2030 Noordwest Fryslân, dit is een bestuurlijke afspraak tussen Rijk, provincie en gemeente waarin gemeente Waadhoeke zich bij ondertekening op 20 april 2023 heeft verbonden aan voornemen tot het realiseren van minimaal 520 woningen gedurende die periode. Binnen de woondeal wordt gestreefd naar toevoeging van woningen in de betaalbare koop en sociale huur. Deze woningbouwontwikkeling voorziet in deze opgave door onder andere de toevoeging van sociale huurwoningen in de Tiny 4Cap.
In het kader van de herijking van de woondeal Noordwest Friesland in juni 2025 maken provincie en gemeenten afspraken over het gewenste woningbouwprogramma middels een juridisch bindende planlijst. Het voorliggend plan is opgenomen op deze juridisch bindende planlijst van gemeente Waadhoeke en heeft instemming van de provincie (zie bijlage 2).
Conclusie:
De mogelijkheden die in deze wijziging van het omgevingsplan worden geboden passen binnen de Omgevingsverordening Provincie Fryslân. De beoogde woningbouw op de locatie Blessumerpaed te Boksum is in het woonplan opgenomen. De provincie heeft ingestemd met het door de gemeente vastgestelde woonplan. De woningbouwontwikkeling in Boksum is niet in strijd met het provinciaal beleid en past binnen de Regionale woondeal 2022-2030 Noordwest Fryslân.
Wetterskip Fryslân is verantwoordelijk voor de veiligheid (sterke dijken), het bewaken van de waterkwaliteit, een goed waterpeil, voldoende water en het zuiveren van afvalwater. Hierbij wordt rekening gehouden met klimaatverandering. Het beheergebied is de provincie Fryslân en een deel van het Groninger Westerkwartier.
In 2023 heeft het Wetterskip de toekomstvisie vastgesteld. De visie geeft inhoud voor het Fries Programma Landelijk Gebied en de Provinciale Omgevingsvisie. Voor het ontwikkelen van beleid en plannen over water, bodem en ruimte is de visie de basis. Wetterskip Fryslân gebruikt de visie ook om bestaande plannen, zoals het Waterbeheerprogramma 2022-2027, te herzien. Dit Waterbeheerprogramma 2022-2027 is nu nog het geldende plan en geeft inzicht in de maatregelen en ruimtelijke keuzes om onder meer klimaatverandering op te kunnen vangen.
Dit programma is in samenwerking met de provincie Fryslân opgesteld. De provincie is verantwoordelijk voor het Regionaal Waterprogramma 2022/2027 dat het kader is voor het waterbeheerprogramma.
Het Regionaal Waterprogramma 2022/2027 is op 30 november 2022 vastgesteld door Provinciale Staten. In dit programma legt de provincie het beleid voor waterbeheer vast voor de planperiode. In de omgevingsverordening Fryslân zijn regels opgenomen die gaan over veiligheid en water.
Het hoofddoel is dat de provincie Fryslân in 2050 zo veel mogelijk waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. In het Waterprogramma zijn de doelen in programmalijnen opgenomen voor klimaatadaptatie, waterveiligheid, voldoende water en waterkwaliteit. De uitwerking vindt plaats door de waterschappen.
De waterschapsverordening Wetterskip Fryslân bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het Wetterskip stelt binnen haar beheersgebied.
Wetterskip Fryslân heeft ervoor gekozen om met de inwerkingtreding van de Omgevingswet beleidsluw over te gaan. Dit houdt in dat de waterschapsverordening qua vorm en opzet volledig voldoet aan de uitgangspunten van de Omgevingswet. In de Omgevingsverordening provincie Fryslân zijn in hoofdstuk 3 de instructieregels met betrekking tot water opgenomen. In paragraaf 5.16 wordt ingegaan op het wateraspect met betrekking tot de beoogde ontwikkeling.
De omgevingsvisie Waadhoeke laat zien wat we belangrijk vinden voor de omgeving waarin we wonen, werken en waarin we onze vrije tijd doorbrengen. Het is een visie op hoofdlijnen gericht op onze toekomst. Met onze omgevingsvisie nodigen we iedereen uit om bij te dragen aan de ontwikkeling van onze gemeente; een gemeente waar het fijn leven is in een gezonde omgeving. Waar we zorg dragen voor het nu én voor onze toekomst. Een gemeente met een waardevol landschap waarin landbouw en natuur in balans zijn. En waar we trots kunnen zijn op onze stad en op onze veerkrachtige dorpen en wijken. Een van de speerpunten is 'een gemeente met sterke dorpen en wijken waar voldoende goede woningen staan, voorzieningen bereikbaar zijn en ons erfgoed wordt gekoesterd'.
We vinden dat onze inwoners op een passende manier moeten kunnen wonen in onze gemeente. We bouwen ook nieuwe woningen. Dit kan door het toevoegen van woningen of door sloop en vervanging. We doen dat om te voorzien in de grote woningvraag, het wegtrekken van mensen te voorkomen en om mensen aan te trekken. We bouwen bij de stad, de grote kernen en in de vorm van maatwerk bij de overige kernen. Dit gebeurt in een goede verhouding tot de schaal van het dorp; hoe kleiner het dorp hoe bescheidener de eventuele nieuwbouw.
In de ontwerp-omgevingsvisie wordt de locatie Blessumerpaed te Boksum niet specifiek genoemd. Wel past het voornemen bij het genoemde speerpunt van de visie. Ook is sprake van maatwerk: een uitbreiding met vier grondgebonden halfvrijstaande woningen en vier geschakelde rijwoningen staat in goede verhouding tot de schaal van het dorp.
In 2020 heeft de gemeente Waadhoeke haar eerste woonvisie vastgesteld. De woonvisie vormt een beginpunt in het behalen van de gemeentelijke doelen op het gebied van wonen, om van daaruit met de dorpen verder te werken aan hun toekomst. De woonvisie is gebaseerd op onder meer een woningmarktonderzoek, prestatieafspraken met corporaties en huurdersorganisaties, uitkomsten van vragen aan bewoners en de schouw van bestaande buurten die de gemeente elke vier jaar doet. In de woonvisie worden vijf thema's behandeld:
In de woonvisie wordt gesteld dat op korte termijn vraag is naar zowel levensloopbestendige woningen als gezinswoningen. Verder wordt verwacht dat het aantal inwoners in de regio Noordwest-Fryslân de komende 10 jaar daalt. Er is echter nog wel sprake van een groei in het aantal huishoudens, omdat de huishoudensgrootte afneemt.
In de woonvisie wordt aangegeven dat er criteria gelden voor woonplannen. De gemeente werkt mee aan initiatieven als het plan vraagvolgend is en er draagvlak is in het dorp. Om goede kwaliteit te waarborgen worden ontwikkelingen getoetst aan de welstandsnota. In de woonvisie wordt aangegeven dat met en voor de inwoners van de gemeente wordt gewerkt. Er wordt sterk ingezet op maatwerk. Per kern wordt aan een balans tussen woningvraag en plannen gewerkt. De kern Boksum valt onder de kleine dorpen. In deze dorpen is de woningbehoefte 0 tot 85 woningen. De insteek is om in deze dorpen op het gebied van nieuwbouw te kiezen voor maatwerk.
De gemeente wil zorgvuldig omgaan met de ruimte. Dit betekent dat inbreiding voor uitbreiding gaat en dat per locatie wordt gekeken naar wat een passende schaal en dichtheid is.
Als bijlage bij de woonvisie is het woningbouwbouw programma opgenomen. Onderdeel daarvan vormt het 'Herstructureringsprogramma 2020-2030'. Het herstructureringsprogramma betreft voornamelijk de sociale huurvoorraad in Waadhoeke. Het dorp Boksum maakt deel uit van dit programma. Uitgangspunt van het herstructureringsprogramma is een verbetering van de huidige woningvoorraad.
De woonvisie biedt ruimte voor dit project door middel van maatwerk zoals omschreven in hoofdstuk 2 "Ruimte voor nieuwbouw", paragraaf 1 "Maatwerk per wijk en dorp" van de visie. Hier worden dorpen uitgenodigd om met plannen te komen voor nieuwbouw. Het plan past qua behoefte bovendien goed binnen het vernieuwde woonbehoefteonderzoek (2025), die de vervanger is van het woonbehoefteonderzoek dat onderlegger is van de woonvisie. Er wordt voor de cluster dorpen in het oosten, waar Boksum deel van uit maakt ruimte gezien voor 30-40 woningen. Deze invulling past daar binnen. Het bedient bovendien met 4 sociale huurwoningen en 4 tweekappers een diverse doelgroep passend binnen de doelen.
Ook wordt de vraag vanuit het dorp onderkend en geeft de gemeente de ruimte om de nieuwbouw in de vorm van inbreiding mogelijk te maken.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 4 december 2024 (betreffende het ingestelde beroep tegen de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Boksum – Blessumerpaed) heeft de raad van gemeente Waadhoeke op 13 maart 2025 een herstelbesluit genomen en is het 'Gemeentelijk woonplan Waadhoeke' vastgesteld. Het woonplan moet worden gelezen in samenhang met de op 28 mei 2020 vastgestelde 'Woonvisie 2020-20230 Samen Sterk'. Zie ook paragraaf 4.4.2.
In het woonplan Waadhoeke zijn de diverse woningbouwontwikkelingen op verschillende locaties in de gemeente Waadhoeke weergegeven. De fase waarin de ontwikkelingen zich bevinden lopen uiteen van onderzoeksfase tot realisatiefase. Per project is aangegeven of de ontwikkellocatie binnen of buiten bestaand stedelijk gebied is gelegen. De woningbouwontwikkeling aan het Blessumerpaed te Boksum is ook opgenomen in het woonplan met 8 woningen, waarvan 4 in de huursector. (In totaal gaat het om 2 2/1 kapwoningen + tiny fourcap).
Conclusie
Het woonplan is opgenomen als bijlage 1 en is aan Gedeputeerde Staten voorgelegd ter instemming. De provincie heeft ingestemd met het door de gemeente vastgestelde woonplan. De schriftelijke instemming van de provincie (d.d. 25 maart 2025) is opgenomen als bijlage 2.
Op 8 december 2020 is door Burgemeester en Wethouders de Nota Parkeernormen vastgesteld. Hierin is vastgelegd welke parkeernorm de gemeente hanteert voor verschillende gebieden en functies. Daarnaast is aangegeven op welke manier de parkeervraag aan de hand van de normen moet worden berekend en welke eisen worden gesteld aan de invulling van de parkeervraag. In beginsel wordt de parkeervraag op eigen terrein opgelost maar onder bepaalde omstandigheden kan hiervan af worden geweken. Benutting van de bestaande openbare parkeercapaciteit is dan een optie. Deze nota geeft aan welke mogelijkheden er zijn en onder welke voorwaarden.
Uit de toetsing in paragraaf 5.4 blijkt dat aan de Nota Parkeernormen wordt voldaan. In dit TAM-omgevingsplan is hier een regeling voor opgenomen om dit te borgen, zie artikel 13.1.
De beoogde ontwikkeling is van invloed op de fysieke leefomgeving. De aard, omvang en locatie van de ontwikkeling zijn de reden dat het omgevingsplan moet worden gewijzigd. Dit betekent dat de omgevingsaspecten en andere thema's onderzocht moeten worden om te beoordelen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) als de gewenste ontwikkeling is uitgevoerd.
De beoogde ontwikkeling wordt in dit hoofdstuk getoetst aan onder meer de instructieregels uit het Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving). In het Bkl is namelijk aangegeven dat daar waar een nieuwe activiteit milieuruimte inneemt, aandacht nodig is voor de gevolgen van deze activiteit op de omgeving maar ook voor de gevolgen die de omgeving heeft op deze nieuwe activiteit.
Toetsingskader
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit is aangegeven welke projecten in het kader van een wijziging van het omgevingsplan project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer(beoordelings)-plicht geldt.
Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
Bij het bevoegd gezag, (het college van B&W) moet een mededeling (de aanmeldnotitie) worden gedaan waarin een beschrijving van het plan, de locatie en de mogelijke milieueffecten zijn opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten.
Toetsing
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 8 grondgebonden woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder categorie: J11 ‘Stedelijk ontwikkelingsproject’. Hiervoor is een project-mer-beoordeling noodzakelijk. Deze aanmeldnotitie bevat deze mer-beoordeling en is opgenomen als bijlage 10.
Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het plan niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het college heeft op basis van de aanmeldnotitie besloten dat er een volledige mer-procedure niet noodzakelijk is. De wijzigingen die naderhand in zijn doorgevoerd hebben geen gevolgen voor deze beslissing.
Toetsingskader
De Ladder voor duurzame verstedelijking (vaak kortweg aangeduid als Ladder) is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of de behoefte aanwezig is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. In het Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:
Toetsing
Uit jurisprudentie blijkt dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wanneer sprake is van de realisatie van meer dan 11 woningen. In voorliggend plan worden 8 woningen gerealiseerd. De instructieregel is dan ook niet relevant. De ontwikkeling vindt plaats in bestaand stedelijk gebied waarbij een voormalige schoollocatie wordt getransformeerd naar een woningbouwlocatie. Een dergelijke transformatie past binnen de uitgangspunten van de Ladder. Er is immers sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling is er volgens de wetgeving echter geen sprake van een ontwikkeling die getoetst moet worden aan de Ladder.
Toetsingskader
Bij nieuwbouw of verbouw beoordeelt de gemeente met een welstandstoets of het bouwwerk past in de omgeving. Bij nieuwbouw of verbouw beoordeelt de gemeente met een welstandstoets of het bouwwerk past in de omgeving. Met de welstandstoets beoordeelt de gemeente of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. De bestaande welstandsnota van de gemeente Waadhoeke blijft onder het overgangsrecht gelden als beleidsregels op grond van artikel 4.19 onder Omgevingswet voor zover het gaat om het uiterlijk van bouwwerken. Voor het overige maakt de welstandstoets via de bruidsschat (bijvoorbeeld voor plaatsing) onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Waadhoeke. Er mag op grond hiervan geen sprake zijn van strijd met redelijke eisen van welstand.
Toetsing
De gemeente heeft haar welstandsbeleid vastgelegd in de Welstandsnota die op 12 december 2019 en laatstelijk is gewijzigd op 6 juni 2024. De (welstands)regels voor het uiterlijk van bouwwerken hierbij zijn afgestemd op de bestaande situatie en zijn toereikend voor de beoogde situatie in het plangebied. Het plangebied is hierin opgenomen onder 'Naoorlogse uitbreidingen (regulier)'. Bouwaanvragen zullen hier aan getoetst worden waardoor er sprake zal zijn van een goede welstand en beeldkwaliteit.
Toetsingskader
Het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot mobiliteit en parkeren. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling zal met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond moeten worden wat het effect is op de bereikbaarheid, verkeersafwikkeling en parkeerdruk.
Toetsing
De nieuwe woningen worden ontsloten via de bestaande aansluiting op het Blessumerpaed. Via deze straat en de Tiltsjedyk en de Hegedyk is het bovenliggende wegennet zoals de N359 en de A31 snel te bereiken. Aan de hand van kencijfers van het CROW is voor het plangebied de verkeersgeneratie berekend. Uit de berekening blijkt dat de verkeersgeneratie maximaal 61 mvt/etmaal in de nieuwe situatie (motorbewegingen per etmaal) bedraagt. De verkeersgeneratie zal als gevolg van de transformatie van de maatschappelijke functie naar een woonlocatie niet significant toenemen en is passend bij het dorp.
Op basis van de Nota parkeernormen van de gemeente Waadhoeke geldt voor de woningen in het plangebied een parkeernorm van 0,7 parkeerplaats per woning voor de (Tiny4Cap) rijwoningen en 2,1 parkeerplaats per woning voor de halfvrijstaande woningen. In totaal zijn er in het plangebied 12 parkeerplaatsen nodig. Met het planvoornemen wordt ruimte geboden aan deze 12 parkeerplaatsen, zoals is te zien in de figuur in paragraaf 2.2. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de ontsluiting van het plangebied goed is. De nieuwe ontwikkeling zal niet leiden tot problemen in de verkeersafwikkeling en parkeren.
Toetsingskader
De Wet natuurbescherming is opgegaan in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat in een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten en een aantal strikte verboden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten (soortenbescherming). Daarnaast bevat het Bal specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels (gebiedsbescherming). Ook bevat het Bal enkele bepalingen over de jacht en houtopstanden.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten (art. 5.1, lid 2, onder g Ow). Op grond van paragrafen 11.2.2, 11.2.3 en 11.2.4 van het Bal moet worden beoordeeld of een bouwplan van invloed is op de in het gebied aanwezige flora en fauna.
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. In de Omgevingswet is geregeld dat in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk zijn.
Toetsing
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000-gebieden en gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het plangebied ligt namelijk op circa 9,5 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Groote Wielen en op circa 2,6 kilometer afstand van NNN-gebied. Gezien het relatief kleinschalige karakter van de voorgenomen ontwikkeling is het niet te verwachten dat de ontwikkelingen in het plangebied negatieve effecten hebben op NNN-gebied en de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten.
De geplande ontwikkeling zou echter kunnen leiden tot een toename in stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in de omgeving. De ontwikkeling betreft de bouw van 8 woningen. De woningen worden gasloos uitgevoerd, maar door de bouw van de woningen neemt de verkeersgeneratie wel toe. Om de stikstofdepositie in beeld te brengen is voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase een stikstofberekening uitgevoerd. Met behulp van de AERIUS calculator is voor dit project de depositie berekend, zie hiervoor bijlage 3. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde. De aanleg- en gebruiksfase zijn worst-case in dezelfde berekening meegenomen. Voor dit plan geldt geen vergunningplicht op basis van de Omgevingswet.
Soortenbescherming
Ten behoeve van dit project zijn in 2020 ecologische onderzoeken uitgevoerd die zijn opgenomen in bijlage 4. Uit de ecologisch quickscan en het nader onderzoek bleek dat het planvoornemen zonder bezwaren doorgang kan vinden binnen de kaders van de natuurwetgeving, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Inmiddels is het voormalige schoolgebouw gesloopt en is een begin gemaakt met het bouwrijp maken van de grond, zoals te zien is in figuur 6.
Figuur 6: situatie projectgebied 2026
Op basis van deze nieuwe uitgangssituatie is een nieuw ecologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5 en hieruit blijkt het volgende:
Conclusie
Het aspect ecologie staat zowel met betrekking tot gebieds- als soortenbescherming de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Ten aanzien van ecologie gelden er geen belemmeringen voor het project.
Toetsingskader
Bij ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de luchtkwaliteit. In het Bkl zijn omgevingswaarden voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze zijn van toepassing op die gevallen waarin op grond van het omgevingsplan de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook zijn deze van toepassing wanneer de gemeente in kwestie deel uitmaakt van één van de in het Bkl aangewezen agglomeraties. Wanneer daar sprake van is, dan moet bij de wijziging van het omgevingsplan de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen.
Toetsing
Het initiatief betreft de realisatie van 8 woningen. Voor het plangebied is er geen sprake van een van een project of een aangewezen agglomeratie/gemeente waarop een toetsing aan de omgevingswaarden nodig is. Daarom is de regeling voor luchtkwaliteit niet op deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland is er in de directe omgeving van het plangebied ook sprake van een goede luchtkwaliteit. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering en relevant thema voor de uitvoering van dit plan.
Toetsingskader
Met betrekking tot geluid zijn in het Bkl instructieregels opgenomen voor het beheersen van de geluidemissie door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Bovendien zijn instructieregels opgenomen die specifiek zijn bedoeld voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij de aanleg of wijziging van het gebruik van gemeentewegen, waterschapswegen of lokale spoorwegen (zonder geluidproductieplafonds) en het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied, waarbij rekening wordt gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Ook zijn in het Bkl instructieregels opgenomen voor het geluid van activiteiten. Voor gezoneerde industrieterreinen blijft de systematiek van de Wet geluidhinder van kracht tot het moment waarop geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en is het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein de op grond van de Wet geluidhinder vastgestelde zone.
Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). De omvang van het geluidaandachtsgebied is afhankelijk van de bron. Bij een lokale (spoor)weg is het geluidaandachtsgebied tot een bij koninklijk besluit tijdstip begrenst door vaste afstanden (artikel 17.5 Omgevingsregeling). De geluidaandachtsgebieden voor rijkswegen, en spoorwegen is terug te vinden op de kaart van de Centrale Voorziening Geluidgegevens. Voor provinciale wegen blijft de systematiek van de Wet geluidhinder van kracht tot het moment waarop geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld en vormt het geluidaandachtsgebied van een provinciale weg de geluidzone, bedoeld in artikel 74 van de Wet geluidhinder.
In een omgevingsplan moet worden getoetst of het geluid van wegverkeer aanvaardbaar is. Het geluid is in ieder geval aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals vermeld in het Bkl. De toets wordt in eerste instantie beperkt/afgebakend door het geluidaandachtsgebied behorend bij een weg. Dit is dus het gebied waar de standaardwaarde kan worden overschreden. Voor gemeentewegen dient het geluidaandachtsgebied te worden berekend op basis van de vast te stellen basisgeluidemissie (BGE). Op basis van het geldende overgangsrecht zijn aan gemeentewegen geluidaandachtsgebieden toegekend op basis van vaste afstanden.
Het geluidaandachtsgebied dat is gebaseerd op vaste afstanden heeft voor lokale (spoor)wegen een breedte van 100 meter, 200 meter of 350 meter aan weerszijden van de weg. Dit is afhankelijk van het aantal rijstroken, het aantal sporen en de snelheid van de situatie waarop het besluit is gebaseerd. Binnen dit geluidaandachtsgebied zijn de instructieregels van het Bkl van toepassing.
Vaste afstanden:
Toetsing
In de omgeving van het plangebied zijn alleen gemeentewegen aanwezig met een lage verkeersintensiteit. Het plangebied is niet gelegen nabij een spoorweg of een industrieterrein. Het is gelegen in een 30 km/uurgebied waar de verkeersintensiteiten relatief laag zijn. De dichtstbijzijnde provinciale weg (de N359) is gelegen op een afstand van circa 200 meter. De verkeersintensiteiten in de directe omgeving van het plangebied zijn dermate laag dat het aannemelijk is dat er kan worden voldaan aan de standaardwaarden en er een aanvaardbare situatie is ter plaatse. Ook is de extra verkeersaantrekkende werking van het project niet dermate groot dat er op de omliggende woningen een extra geluidsbelasting ontstaat (zie ook paragraaf 5.4). Er is derhalve geen akoestisch onderzoek noodzakelijk en er zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrielawaai staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Toetsingskader
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en wordt erin voorzien dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. De instructieregels in het Bkl (en de bruidsschat) bevatten waarden en eisen voor het beoordelen van geluid. In praktijk gaat het hier om milieubelastende activiteiten. Daarbij kan zowel het geluid van een (nieuwe) milieubelastende activiteit op z'n omgeving van belang zijn, als het geluid van (bestaande) milieubelastende activiteiten op een (nieuw) geluidgevoelig gebouw.
Het geluid van activiteiten buiten het plangebied op nieuwe geluidgevoelige gebouwen moet worden beoordeeld in het kader van een evenwichtige toedeling en mogelijke belemmeringen voor die activiteiten.
Toetsing
Het plangebied ligt centraal in Boksum in een omgeving die gedefinieerd kan worden als 'rustige woonwijk'. In de omgeving van het plangebied zijn overwegend woningen aanwezig. Door de transformatie van de schoollocatie naar een woonlocatie treedt er voor de omliggende woningen een verbetering op in de milieusituatie. De enige milieubelastende functie nabij het plangebied betreft het perceel Oedsmawei 17 dat in het omgevingsplan is geregeld met de bestemming 'Vergaderlocatie'. Op basis van de planologische mogelijkheden is hier een accommodatie voor zakelijke, particuliere en maatschappelijke bijeenkomsten (met daarbij behorende ondergeschikte horeca) mogelijk.
De VNG-afstandentabel uit 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) biedt een indicatie of het aannemelijk is dat de geluidwaarden van de bruidsschat in acht genomen kunnen worden. Voor deze activiteiten is milieucategorie 1 van toepassing met een richtafstand van 10 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Het is aldus aannemelijk dat de geluidwaarden uit de bruidsschat in acht genomen kunnen worden en de woningen dus voldoende worden beschermd. Daarbij worden er geen bedrijven beperkt door de beoogde ontwikkeling, aangezien de milieugebruiksruimte van de vergaderlocatie al wordt ingeperkt door omliggende woningen. Daarmee vormt dit aspect geen belemmering voor dit omgevingsplan.
Toetsingskader
De gemeente moet in het omgevingsplan op grond van het Bkl rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers. Dit is bijvoorbeeld ook cumulatie van geur van bedrijven. Rekening houden met geur werkt dit twee kanten op:
Toetsing en conclusie
In het plangebied worden geurgevoelige gebouwen zoals woningen mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied bevinden zich echter geen geurveroorzakende activiteiten. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Toetsingskader
Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet rekening worden gehouden met het belang van een veilige leefomgeving. Het gaat daarbij om:
Activiteiten met externe veiligheidsrisico's zijn risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en hiermee moet rekening worden gehouden. Het gaat om de volgende soorten activiteiten:
Er zijn drie categorieën gebouwen en locaties die worden beschermd: zeer kwetsbaar (alleen gebouwen), kwetsbaar (gebouwen en locaties) en beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).
Gebouwen worden alleen beschermd voor de gebruiksfunctie van dat gebouw.
Toetsing
In het kader van het aspect omgevingsveiligheid is het Register Externe Veiligheid (Portaal Atlas Veiligheid) geraadpleegd. In de nabijheid van het plangebied is geen sprake van activiteiten met externe veiligheidsrisico's.
Conclusie
Ten aanzien van het aspect omgevingsveiligheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.
Toetsingskader
Op grond van het Bkl moet bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden.
In het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaak door een activiteit. Deze instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de beoordeling van trillingen kan bijvoorbeeld de SBR-richtlijn en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt. De instructieregels van het Bkl zijn overigens wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd.
Toetsing en conclusie
In het plangebied worden trillinggevoelige gebouwen zoals woningen mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied zijn echter geen activiteiten die trillingen veroorzaken. Hierdoor vormt het aspect trillingen ook geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied.
Toetsingskader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat in de directe omgeving van het plangebied en de bezonningssituatie ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen.
Toetsing en conclusie
Dit milieuaspect speelt vooral bij hoogbouw. In het plangebied wordt geen hoogbouw mogelijk gemaakt. Hierdoor vormt het aspect 'schaduw en windhinder' dan ook geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied.
Toetsingskader
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is overgegaan naar de Omgevingswet. Dit geldt ook voor de verordeningen, ruimtelijke plannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie.
FAMKE
Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd-bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.).
Figuur 7: Plangebied met de FAMKE advieskaart steentijd-bronstijd
Figuur 8: Plangebied met de FAMKE advieskaart ijzertijd - middeleeuwen
Toetsing
Op basis van de kaart voor de periode steentijd-bronstijd is er geen onderzoek in het plangebied noodzakelijk. Uit de kaart voor de ijzertijd - middeleeuwen blijkt dat er een karterend onderzoek 1 wordt aanbevolen bij gebiedsontwikkelingen groter dan 50 m2. Omdat hier in het plangebied sprake van is, is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8. Hieruit blijkt dat er in het noordelijke deel geen archeologische belemmeringen zijn maar dat in het zuidwesten van het plangebied de bodem dusdanig bewaard is gebleven dat diepere delen van eventuele archeologische grondsporen nog aanwezig kunnen zijn. Om deze reden wordt voor dit deel van het plangebied een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven aanbevolen. Vooraf aan het proefsleuvenonderzoek moet een Programma van Eisen worden opgesteld dat goedgekeurd moet worden door de bevoegde overheid.
Dit Programma van Eisen en het proefsleuvenonderzoek met een opgraving zijn vervolgens uitgevoerd. Dit archeologisch vervolgonderzoek is opgenomen in bijlage 9. Hieruit blijkt dat in het plangebied sprake is van een behoudenswaardige vindplaats. Alleen het deel dat als gevolg van de voorgenomen bouwwerkzaamheden verstoord wordt, is door middel van een opgraving onderzocht tot op de maximale ontgravingsdiepte ten behoeve van de bouwwerkzaamheden. In de overige delen van het onderzoeksgebied van het archeologisch vervolgonderzoek zijn in de diepere lagen nog intacte archeologische resten aanwezig die deel uit maken van de behoudenswaardige vindplaats. Geadviseerd wordt om hier voorafgaand aan toekomstige graafwerkzaamheden in het plangebied wederom archeologisch onderzoek uit te laten voeren in de vorm van een opgraving. Dit advies is door de gemeente overgenomen en leidt er toe dat in dit deel van het plangebied een archeologische dubbelbestemming in het omgevingsplan is opgenomen. De regeling is van toepassing op het rood gearceerde deel zoals is aangegeven in onderstaande figuur.
Figuur: Deel plangebied met dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'
Toetsingskader
Het Bkl stelt met het oog op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed eisen aan nieuwe ontwikkelingen. Het Bkl stelt eisen aan de inhoud van een omgevingsplan in het belang van behoud van cultureel erfgoed met inbegrip van archeologische monumenten. Zo kunnen monumenten worden aangewezen en gebieden worden aangewezen waar niet mag worden gegraven voordat archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Gemeenten moeten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
Toetsing
Om te onderzoeken of sprake is van cultuurhistorische waarden is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Hieruit komt naar voren dat het plangebied deel uitmaakt van een gebied dat is aangegeven van een stins, zoals in het volgende figuur is aangegeven.
Figuur: Cultuurhistorische Kaart Fryslân
Stinzen zijn verstevigde, representatieve huizen waar in het verleden sprak was van bewoning in verdedigbare huizen die grofweg halverwege de 12e eeuw tot stand kwamen. In later stadium (al in de 13e eeuw, maar op grotere schaal in de 14e en 15e eeuw zijn de stinzen ook voor permanente bewoning gebruikt en verloren ze hun verdedigende betekenis. De voormalige stins is in de loop der tijd vervangen door de bebouwing die nu in en rond het plangebied aanwezig is. Er kunnen zich echter nog wel archeologische waarden van de stins in de gronden bevinden. Om deze reden is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd zoals in paragraaf 5.13 is aangegeven.
Toetsingskader
Volgens het Bkl moet een omgevingsplan voorzien in waarden voor de toelaatbare kwaliteit voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw (zoals in onderhavig planvoornemen het geval is). In het Omgevingsplan gemeente Waadhoeke zijn deze waarden nog niet opgenomen. De bodemkwaliteit is in ieder geval aanvaardbaar indien de onderzochte waarden voldoen aan de interventiewaarden bodemkwaliteit als bedoeld in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Toetsing en conclusie
Voor het project is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 6 en hieruit blijkt dat vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen plannen.
Toetsingskader
Bij de wijziging van een omgevingsplan moet het bevoegd gezag rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken (artikel 5.37 Bkl). Eerder werd hieronder ook wel het ‘wateradvies’ verstaan. Dit houdt in dat een verantwoording dient te worden afgelegd van het onderzoek naar en het integrale beleid betreffende de afstemming van het ruimtelijk beleid met het waterbeleid. Alle relevante facetten van het waterbeheer in relatie met de ruimtelijke ordening dienen in beeld te worden gebracht, zoals de waterkwantiteit (vernatting of verdroging) en de waterkwaliteit, alsmede functies die aan in het plangebied voorkomend water worden toegekend. De aandacht dient zich zowel tot het grondwater als het oppervlaktewater te richten.
Bij beschouwing van de consequenties van het plan voor de waterhuishouding zijn de volgende items van belang:
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Wetterskip Fryslân, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Hierna wordt een overzicht gegeven van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Toetsing
Het 29 juni 2023 reeds vastgestelde plan is destijds via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het Wetterskip Fryslân (aanvraagnummer 00004128). De uitkomst van deze toets was dat de korte procedure moet worden gevolgd. Dit houdt in dat het plan beperkte invloed heeft op de wateraspecten. Op 13 maart 2025 is de watertoets opnieuw uitgevoerd. De uitkomst is hetzelfde gebleven. Het wateradvies is opgenomen als bijlage 7.
Waterkwantiteit
In de oorspronkelijke situatie (met school) is een bouwvlak van 790 m2 aanwezig waarbinnen een gebouw van 403 m2 in aanwezig was. In de nieuwe situatie is er sprake van een bruto oppervlakte van 314 m2 aan woningen. Per saldo neemt de hoeveelheid verhard oppervlak af. Daarom is watercompensatie niet noodzakelijk.
Afvalwaterketen en riolering
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. De vuilwaterafvoer van de woningen wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Het hemelwater wordt zoveel mogelijk geïnfiltreerd in de bodem van het plangebied zodat dit niet via het riool wordt afgevoerd. Overtollig water wordt eventueel afgevoerd naar het naastgelegen oppervlaktewater.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Hier wordt in de uitvoeringsfase rekening mee gehouden.
Veiligheid en waterkeringen
De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving.
Ruimtelijke adaptatie
Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het planvormingsproces worden meegenomen. Bij de inrichting van het plangebied en de verdere uitwerking hiervan is rekening gehouden met ruimtelijke adaptatie door het gebruik te maken van de bestaande waterpartijen nabij het plangebied en niet meer verstening te realiseren dan nodig is, door bijvoorbeeld de parkeerplaatsen waterdoorlatend uit te voeren. Ten opzichte van de voormalige situatie neemt het verhard oppervlak in het plangebied af.
Waterbeheer
Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de Waterschapsverordening. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. Het plangebied valt niet onder een beschermingszone.
Toetsingskader
De Omgevingswet biedt geen specifiek toetsingskader voor duurzaamheid. Wel is duurzaamheid een belangrijk thema waarmee gemeenten bij het opstellen van hun omgevingsplan rekening moeten houden.
Toetsing
Bij de realisatie van nieuwe woningen in het plangebied geldt het uitgangspunt dat er gasloos wordt gebouwd. Ook kan bij nieuwbouw worden aangesloten op de principes van natuurinclusief bouwen waarbij de relatie tussen de nieuwe bebouwing en de natuurlijke omgeving kan worden versterkt.
Toetsingskaders
Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. De wet benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen op het gebied van gezondheid en milieu.
Toetsing
Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Meetbaar is onder andere de bodemkwaliteit, geluidhinder, geurhinder, trillingshinder en luchtkwaliteit. In voorgaande paragrafen zijn deze aspecten beoordeeld en er zijn geen belemmeringen naar voren gekomen. Relevante nadelige gezondheidseffecten kunnen voor deze aspecten worden uitgesloten.
Toetsingskader
In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden.
Toetsing en conclusie
Binnen het plangebied is geen sprake van kabels en leidingen waar planologisch rekening mee gehouden dient te worden. Het aspect kabels en leidingen vormt daarmee geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Met deze wijziging van het omgevingsplan worden de bestaande juridisch-planologische mogelijkheden en de regels uit het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Waadhoeke (dat per 1 januari 2024 met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege is ontstaan) voor het plangebied vervangen door deze wijziging van het omgevingsplan. Deze wijziging voldoet aan de Omgevingswet en de instructies vanuit het Rijk en van de provincie Fryslân.
Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt niet alle regels die deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De bruidsschat (inclusief vangnetregeling) en de gemeentelijke verordeningen die deel uitmaken van de het tijdelijk omgevingsplan worden niet gewijzigd. In het toepassingsbereik (zie artikel 3) is opgenomen welke regels worden gewijzigd met dit wijzigingsbesluit.
De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet zijn van rechtswege van toepassing op het wijzigingsbesluit en hoeven dus niet bij de begrippen te worden opgenomen. De begripsbepalingen uit het Bbl, Bkl en Bal en de Omgevingsregeling zijn niet van rechtswege van toepassing op het TAM-omgevingsplan. Daarom is in de begrippen hierop aangesloten door deze van toepassing te verklaren. Dit betekent dat bijvoorbeeld het begrip hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken niet meer in de begripsbepalingen voorkomt. Deze zijn opgenomen in het Bbl. Wél zijn er aanvullende begrippen in dit omgevingsplan opgenomen die nodig zijn voor het wijzigingsbesluit.
In het algemene verbod (artikel 4) is opgenomen dat alle functies en activiteiten die niet zijn genoemd en in strijd zijn met het TAM-omgevingsplan, verboden zijn. Er is echter een uitzondering voor binnenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning kan worden verleend, en voor bestaande functies en activiteiten. Dit betekent dat als een activiteit niet in het plan staat, deze in principe niet mag, tenzij het een binnenplanse activiteit is die vergunningplichtig is, of als het een bestaande situatie betreft. Het begrip bestaand is opgenomen in de begripsbepalingen, waarbij het gaat om legale situaties ten tijde van het inwerking treden van dit TAM-omgevingsplan.
Een omgevingsplan moet technisch voldoen aan de Standaard officiële publicaties en Toepassingsprofielen voor omgevingsdocumenten (STOP/TPOD). De wetgever heeft tot 1 januari 2026 gemeenten de mogelijkheid geboden om een omgevingsplan onder de Omgevingswet op te stellen op basis van de RO standaarden 2012 en te publiceren via www.ruimtelijkeplannen.nl en de overbruggingsfunctie van het Informatiehuis Ruimte naar het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). In dit geval wordt de wijziging van het omgevingsplan niet technisch opgesteld volgens STOP/TPOD maar volgens de Tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) via de Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO) standaard. Het omgevingsplan conform TAM maakt juridisch onderdeel uit van het omgevingsplan, maar wordt technisch in de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl geplaatst.
Bestemmingen
Bij het opstellen van een TAM-omgevingsplan, waarbij gebruik wordt gemaakt van de IMRO standaarden van 2012 kan nog gebruik worden gemaakt van bestemmingen. Dit voorliggend TAM-omgevingsplan bevat in technische zin bestemmingen, waar de beoogde functies en activiteiten in het plangebied in zijn ondergebracht. Voor de inhoud van de juridische regeling wordt zo veel mogelijk aangesloten op geldende regels en de standaarden van de gemeente. De bestemmingen bevatten gebruiksregels en bouwregels.
Tuin
De delen van de percelen rondom de Tiny4Cap woningen hebben de functie 'Tuin'. Op deze perceelsdelen zijn gebouwen niet toegestaan en is het niet mogelijk om erf- en terreinafscheidingen hoger dan 1 meter te realiseren. Op deze wijze blijft het wenselijke open karakter behouden.
Verkeer - Verblijfsgebied
De openbare ruimte in het plangebied is geregeld in met de functie 'Verkeer - Verblijf'. De beoogde voorzieningen, zoals de ontsluitingsweg en parkeervoorzieningen kunnen binnen deze gronden worden gerealiseerd. Ook zijn groen- en watervoorzieningen mogelijk. Ondergeschikt kunnen de gronden ook als tuinen, erven of terreinen bij de omliggende (woon)percelen worden gebruikt.
Wonen
De gronden met de functie 'Wonen' zijn bedoeld voor woonhuizen met de daarbij behorende tuinen, erven en terreinen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep, c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en bijbehorende bouwwerken. Ondergeschikt, maar binnen deze functie zijn onder andere ook mogelijkheden voor kleinschalige duurzame energieopwekking, wegen, woonstraten en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan.
De hoofdgebouwen mogen alleen binnen de aangegeven bouwvlakken worden gebouwd. Per bouwvlak is aangegeven hoeveel hoofdgebouwen er maximaal mogen worden gebouwd. In de gebruiksregels is bepaald dat een hoofdgebouw mag worden gebruikt voor ten hoogste één woning. Alle hoofdgebouwen mogen in maximaal 1 bouwlaag met een kap worden gebouwd.
Bijbehorende bouwwerken mogen wel buiten het bouwvlak worden gebouwd.
Waarde-Archeologie 2
In het plangebied is sprake van archeologische waarden die beschermd moeten worden volgens de FAMKE-kaart. In paragraaf 5.13 is dit nader omschreven. Bepaalde werken en werkzaamheden zijn omgevingsvergunningsplichting. Zie hiervoor artikel 8 van de regels.
Binnen de algemene regels is een anti-dubbeltelregeling opgenomen. In het Bkl is geen plicht opgenomen tot het opnemen van een anti-dubbeltelregeling. Deze hoeft dus niet te worden opgenomen in dit TAM-omgevingsplan. De keuze is om deze wel mee te nemen om ongewenste bebouwingsmogelijkheden te creëren (voor bijvoorbeeld bijbehorende bouwwerken).
Verder gelden vereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (artikel 10).
Ook is een aantal aanvullende beoordelingsregels opgenomen, zoals de verplichting uit het Bkl een vergunningvrij bouwwerk uit hoofdstuk 2 meldingplichtig te maken als dat gebouw bodemgevoelig is (artikel 11 lid 11.1), alsmede een flexibliteitsregels (artikel 12 lid 12.1).
Tenslotte bevatten de algemene regels ook een parkeerbepaling die regelt dat bij vergunningsaanvragen moet worden aangetoond dat er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Zie hiervoor ook paragraaf 5.4.
Het opnemen van overgangsrecht is niet meer verplicht onder de Omgevingswet. In verband met de rechtszekerheid van bestaande rechten is ervoor gekozen om overgangsregels op te nemen. Deze overgangsregels zijn zowel voor bouwwerken als voor gebruik.
De Omgevingswet bepaalt dat het bestuursorgaan de kosten die het vanwege bij die maatregel aangewezen kostensoorten maakt, verhaalt op degene die bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bouwactiviteiten of activiteiten met het oog op het gebruik op grond van een nieuw toegedeelde functie verricht, voor zover:
In het Omgevingsbesluit zijn de kostensoorten opgenomen die verhaalbaar zijn, waaronder “De kosten van het vaststellen van een omgevingsplan of een projectbesluit of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, inclusief het daarvoor benodigde onderzoek”. Het voorliggende project is daarmee een verhaalbare kostensoort.
De Omgevingswet geeft de mogelijkheid om het kostenverhaal via een overeenkomst te regelen. Voor dit plan is dit op deze wijze geregeld. Er zijn geen aanwijzingen dat het voorliggende plan economisch niet uitvoerbaar is.
Een anterieure overeenkomst is voor inwerkingtreding van de Omgevingswet afgesloten om het kostenverhaal anderszins te verzekeren. Deze overeenkomst blijft in principe rechtsgeldig en bindend.
In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij deze wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen, moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.
Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op deze wijziging van het omgevingsplan nader onderzocht in deze motivering.
Afweging
Met de beoogde ontwikkeling worden op de voormalige schoollocatie van de Otto Clantschool aan het Blessumerpaed te Boksum 8 grondgebonden woningen met bijbehorend openbaar gebied gerealiseerd.
Deze wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de relevante beleidsuitgangspunten / instructieregels op provinciaal en gemeentelijk niveau en veroorzaakt geen conflicten met de instructieregels vanuit het Bkl.
In hoofdstuk 5 is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de geldende (milieu) wet- en regelgeving voor de fysieke leefomgeving. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot belangrijke milieugevolgen. In de beoordeling is gebleken voor de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De uitvoering van het plan levert een bijdrage aan het bereiken van maatschappelijke doelen, het voorziet in de lokale woningbehoefte, is wenselijk met het oog op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en is passend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.