| Plan: | Bitgum - Hillige Kamp en Hemmemastrjitte |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1949.BPBitHkampHstrj-VAS1 |
Wonen Noordwest Friesland is voornemens om het gebied ter plaatse van de Franskeleane, Jonkersleane, Hillige Kamp en Hemmemastrjitte in Bitgum, te herstructureren. Een eerste aanzet voor de herstructurering heeft reeds plaatsgevonden aan de Hemmastrjitte. Het oorspronkelijke rijtje van zes woningen is vervangen door vijf woningen; een rijtje van drie en een twee onder één kapper. De schaal van de nu voorliggende herstructurering biedt de kans om eens verder te denken dan alleen sloop- en nieuwbouw. Er is nu de mogelijkheid om met een herstructurering te komen tot een nieuwe, meer bij de tijd passende stedenbouwkundige opzet. Het plan is om het groene binnenterrein op te heffen, omdat deze opzet met een binnentuin niet meer past bij de huidige tijd. Deze keuze geeft de kans om de openbare ruimte te vergroten en de stedenbouwkundige structuur te veranderen en/of te versterken. De herstructurering ziet op de sloop van alle 46 bestaande woningen in het plangebied en de realisatie van 50 nieuwe woningen. Dit is het ontwikkelgebied.
Op grond van het geldend bestemmingsplan is de voorgenomen ontwikkeling niet mogelijk. Een nieuw bestemmingsplan dat voorziet in de benodigde planologisch-juridische kaders moet worden opgesteld om de herstructurering mogelijk te maken. Voorliggend plan voorziet daarin.
Daarnaast is het bestemmingsplan uitgebreid met een gebiedsaanduiding die op de desbetreffende locaties het maximum aantal woningen vast legt. Het vastleggen van het aantal wooneenheden ziet op een deel van de woonbebouwing om het herstructureringsgebied heen. De systematiek van het bestemmingsplan in Bitgum is dat er in de woonbestemmingen is gewerkt met grote bouwvlakken waarin per bouwvlak het maximum aantal woningen is aangeduid. Het plangebied voor de herstructurering is echter beperkter dan de hiervoor bedoelde bouwvlakken. Omdat de maximale woningaantallen in deze gebieden na vaststelling van het bestemmingsplan Herstructurering Bitgum niet (meer) overeen komen met de feitelijke aantallen zoals opgenomen in het bestemmingsplan Bitgum-Bitgummole 2017 dient dit met elkaar in overeenstemming te worden gebracht. Het gaat hier enkel om het juridisch vastleggen van de reeds aanwezige en bestaande woningen. De bestaande (bouw- en gebruiks)rechten van deze woningen wijzigen niet. Hiervoor kan worden teruggevallen op het bestemmingsplan 'Bitgum - Bitgummole', zoals dat is vastgesteld op 2 november 2017.
Het plangebied is gelegen aan de zuidwestelijke zijde van het dorp Bitgum. Het plangebied heeft betrekking op het woongebied aan de Jonkersleane, Frânskeleane, Hemmemastrjitte, Hillige Kamp, en de daarbij behorende straten en openbare groenvoorzieningen. Ook heeft het plangebied betrekking op een aantal woningen die aan de Tolve zijn gesitueerd. Voor de complete begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding behorend bij dit bestemmingsplan.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is het plangebied, zoals in paragraaf 1.1 al is uitgelegd, in twee deelgebieden, te weten:
In onderstaande figuren is de begrenzing van beide deelgebieden weergegeven.
Figuur 1: ligging deelgebied herstructurering
De herstructurering heeft betrekking op verschillende (typen) woningen en bijbehorende erven aan de Franskeleane, Jonkersleane, Hillige Kamp en Hemmastrjitte. In totaal gaat het hier om 46 woningen. De wegen maken deel uit van het plangebied, maar blijven met de herstructurering gehandhaafd.
Figuur 2: ligging deelgebied woningaantallen
Het vastleggen van de woningaantallen heeft betrekking op diverse woningen aan de Hillige Kamp, Jonkersleane en de Tolve. Het betreft in alle gevallen bestaande aanwezige woonpercelen die grenzen aan het plangebied van de herstructurering. In bovenstaand figuur zijn deze groen weergegeven.
Het bestemmingsplan 'Bitgum - Bitgummolle 2017' (vastgesteld 2 november 2017) is op beide plangebieden van toepassing. Onderstaand fragment geeft een uitsnede van de bestemmingsplankaart weer.
Figuur 3: uitsnede geldend bestemmingsplan
In de bestaande situatie is het plangebied bestemd als 'Wonen'. Deze gronden zijn bestemd voor woonhuizen, al dan niet in combinatie met een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf. Met een bouwvlak is aangegeven waar gebouwd mag worden. Met een maatvoeringsaanduiding is het maximaal aantal toegestane wooneenheden evenals de maximum goot- en bouwhoogte aangegeven. Er zijn tevens enkele woningen aangeduid als 'karakteristiek'. De maximale goot- en bouwhoogte en minimale dakhelling van hoofdgebouwen mag hier niet meer bedragen dan in de bestaande situatie het geval is.
Daarnaast is een klein deel van het plangebied bestemd als 'Bedrijf - Nutsbedrijf'. Deze gronden zijn bestemd voor voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorgebouwen, gebouwen ten behoeve van de gasvoorzieningen en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwen.
De straten in het plangebied zijn bestemd als 'Verkeer - Verblijf'. De als zodanig bestemde gronden zijn bestemd voor wegen en straten, paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningne en water. Ook zijn dammen, duikers en bruggen in de bestemming begrepen.
Het plangebied valt binnen de gebiedsaanduidingen 'luchtvaartverkeerzone - ils verstoringsgebied 1' en 'luchtvaarverkeerszone - obstakelbeheergebied'. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - ils verstoringsgebied 1' zijn, naast de voor die gronden aangewezen bestemming(en), mede aangeduid voor het voorkomen van verstoring van het ILS systeem van de vliegbasis Leeuwarden.
De gronden ter plaatse van de aanduiding “luchtvaartverkeerzone – obstakelbeheergebied” zijn, naast de voor die gronden aangewezen bestemming(en), mede aangeduid voor het tegengaan van te hoge bouwwerken en beplantingen in verband met de gebruiksmogelijkheden en veiligheidssituatie van de vliegbasis Leeuwarden, waaronder begrepen het vrijhouden van de invliegfunnel.
Ook gelden in het plangebied twee archeologische dubbelbestemmingen, te weten 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3'. Het noordelijke deel van het plangebied is bestemd als 'Waarde - Archeologie 2'. Het zuidelijke gedeelte van het plangebied is bestemd als 'Waarde - Archeologie 3'. Zie ter verduidelijking de verbeelding behorend bij dit bestemmingsplan. Beide dubbelbestemmingen dienen ter behoud en bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Naar aanleiding van het uitgevoerde archeologisch onderzoek kan een deel van het plangebied worden vrijgegeven en is voor een deel nog nader proefsleuvenonderzoek nodig. Zie paragraaf 4.4.1
De toelichting van dit bestemmingsplan is opgedeeld in zes hoofdstukken. Na deze inleiding volgt een planbeschrijving. Hoofdstuk drie geeft een beschrijving van het huidige beleid dat op het plangebied van toepassing is. In hoofdstuk vier wordt verslag gedaan van het onderzoek naar de randvoorwaarden en belemmeringen die vanuit verschillende planologische en milieukundige toetsingkaders gelden. Hoofdstuk vijf bestaat uit een juridische toelichting op het bestemmingsplan en hoofdstuk zes gaat in op zowel de maatschappelijke als de economische uitvoerbaarheid van het plan.
In het plangebied zijn vijf oudere woningtypen herkenbaar. Een blok rijenwoning met 6 woningen (zuidzijde Hemmemastrjitte) is inmiddels vervangen door door vijf woningen; een rijtje van drie en een twee onder één kapper. De verschillende typen zijn op (lucht)foto's hieronder aangegeven.
Figuur 4. Woningtypen in het plangebied.
Onderstaande fragmenten geven een overzicht van de verschillende aanwezige woningtypen.
Figuur 5. Woningtype A aan de Franskeleane (links) en de Jonkersleane (rechts)
Figuur 6. Woningtype B aan de Hillige Kamp (links) en woningtype C en D aan de Hemmemastrjitte (rechts)
Naast het voorgaande bevindt zich tussen de woningen in het noorden van het plangebied een groene binnentuin. Onderstaand figuur geeft een gedeelte van dit terrein weer.
Figuur 7: overzicht Groen binnenterrein noordelijke woningen (bron: GoogleMaps)
Dergelijke groene binnentuinen werden vroeger gebruikt als gezamenlijke moestuin voor aanwonenden. In de bestaande situatie is dit echter niet meer het geval. De binnentuin heeft daardoor in de huidige situatie geen functie meer.
De bestaande een feitelijk aanwezige woningaantallen in dit deelgebied gelegen woningaantallen worden juridisch geborgd. Het gaat hier om de volgende aantallen (zie figuur 2 voor de gebieden).
In de toekomstige situatie worden alle 46 bestaande woningen in het plangebied gesloopt en voorziet het plan in de nieuwbouw van 50 woningen onderverdeeld in:
Al met al is er in de toekomstige situatie sprake van een toevoeging van vier woningen op het bestaande aantal. Dit zijn de vier koopwoningen.
Uitgangspunt van het project is het ontwikkelen van een toekomstbestendig, duurzaam en leefbaar woongebied dat de kwaliteit van de bestaande kern Bitgum versterkt. Om deze doelstelling te realiseren is voor het plangebied een stedenbouwkundig plan opgesteld. Het stedenbouwkundig plan is onderstaand weergegeven en tevens als Bijlage 1 bijgevoegd.
Figuur 8: uitsnede plattegrond stedenbouwkundige inpassing
Bij de totstandkoming van het stedenbouwkundig plan waren de volgende uitgangspunten leidend:
Het stedenbouwkundig plan gaat voor een groot deel uit van behoud van de bestaande structuur. De nieuwbouw is geïnspireerd op de oorspronkelijke architectuur van de bestaande woningen. Zo worden de karakteristieken van de in het plangebied aanwezige Delftsrode woningen (zie 4.4.2) opnieuw gebruikt bij de architectonische vormgeving van de nieuwe woningen. De bestaande cultuurhistorische waarden worden dus op hoofdlijnen gerespecteerd. Deze worden op een nieuwe manier ingezet om het gebied tot een toekomstbestendige ruimtelijke situatie te transformeren.
Door sloop van de woningen aan de Frânskesleane ontstaan er mogelijkheden om verkeersafremmende maatregelen toe te passen. Tevens ontstaan door de herstructurering meer wegen van rechts, wat leidt tot lagere snelheden van het ter plaatse manoeuvrerende verkeer.
Aan het zuidelijke deel van de Frânkesleane en aan de Jonkersleane blijft het ruimtelijk beeld ongewijzigd. Aan de Hillige Kamp worden twee blokjes woningen min of meer op de huidige plek gehandhaafd. Aan het noordelijk deel van de Frânskeleane worden de erven versmald en omgezet in groene openbare ruimte. Het groene beeld blijft hierdoor intact. Er worden doorsteken gemaakt over het binnenterrein naar de Hillige Kamp; deze plekken/aansluitingen worden benut voor verkeersremmende maatregelen. Aan deze doorsteken worden vervolgens nieuwe woningen gesitueerd. Ook worden hier groene openbare ruimten gemaakt. Het resultaat van de ingrepen is een beeld van woningen in een ruime groene setting, maar dan veel meer in een publieke setting. Tevens wordt door de hiervoor beschreven inrichtingsmaatregelen een functie toegekend aan de voormalige binnentuin tussen de woningen aan de Hillige Kamp en Frânskeleane in.
Bij de herinrichting van het openbaar gebied zal rekening gehouden worden met aspecten als hitte stressbestendigheid, biodiversiteit en klimaat adaptieve maatregelen. Onder andere door middel van het aanbrengen van bomen en andere aanvullende groenvoorzieningen.
Het profiel van de Hemmemastrjitte wordt verruimd om zicht naar buiten vorm te geven. Parkeren vindt grotendeels plaats op eigen erf.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan ingespeeld worden op de grote uitdagingen die voorliggen. Allerlei trends en ontwikkelingen van Nederland hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed.
Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI wordt een proces in gang gezet waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt.
De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking treedt. De NOVI vervangt, samen met het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL) de SVIR, het Barro en het Bro. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win-situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
De NOVI vindt haar doorwerking in het regionale en lokale beleid waaraan uiteindelijk plannen zullen worden getoetst.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
De beoogde ontwikkeling zoals benoemd in paragraaf 2.2 heeft geen raakvlakken met het beleid zoals benoemd in de NOVI.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend onder de naam Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte, zijn de nationale belangen voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd.
Koppeling nationaal belang
Defensie in artikel 2.6 van het Barro betreft één van de nationale belangen die in het Barro zijn opgenomen. In het Barro is onder andere vastgelegd dat bij bestemmingsplanherzieningen in een plangebied rekening dient te worden gehouden met de ruimtelijke beperkingen die voortkomen uit militaire activiteiten. In Bitgum geldt dat rekening dient gehouden te worden met het aanwezige obstakelbeheergebied van Vliegbasis Leeuwarden. In het geldend bestemmingsplan 'Bitgum - Bitgummole 2017' is rekening gehouden met Vliegbasis Leeuwarden door het opnemen van twee gebiedsaanduidingen, te weten 'luchtvaartverkeerzone - ils verstoringsgebied' en 'luchtvaartverkeerzone - obstakelbeheergebied'.
De gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone - ILS verstoringsgebied 1' is opgenomen om verstoring van het ILS systeem van de vliegbasis Leeuwarden te voorkomen. De gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone - obstakelbeheergebied' is opgenomen ten behoeve van het tegengaan van te hoge bouwwerken en beplantingen in verband met de gebruiksmogelijkheden en veiligheidssituatie van de vliegbasis Leeuwarden, waaronder begrepen het vrijhouden van de invliegfunnel.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
In dit bestemmingsplan zijn de voornoemde twee gebiedsaanduidingen en bijbehorende bouw- en gebruiksregels overgenomen. Met de onderhavige bestemmingsplanherziening blijven de gebiedsaanduidingen dan ook ongewijzigd van toepassing. Hiermee zijn de ruimtelijke beperkingen afkomstig van de vliegbasis geborgd. Het planvoornemen is niet in strijd met de regels uit het Barro.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een motiveringseis die in de SVIR is geïntroduceerd. In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat bij ruimtelijke projecten voorzien moet worden in duurzame verstedelijking. In geval van nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan die ontwikkeling en wanneer deze plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet er tevens gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het plangebied valt binnen de begrenzing van het bestaand stedelijk gebied, zoals aangegeven door de provincie Fryslân.
Als definitie voor stedelijke ontwikkeling is in het Bro opgenomen: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Er is in de wetgeving geen ondergrens bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. In een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2017:1724) wordt de juridische lijn ten aanzien van de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking uiteengezet (overzichtsuitspraak ladder voor duurzame verstedelijking, gepubliceerd op 28 juni 2017).
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat de Ladder voor duurzame verstedelijking alleen geldt voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Uit de overzichtsuitspraak wordt duidelijk dat een bestemmingsplan dat voorziet in minder dan 11 woningen niet voorziet in een stedelijke ontwikkeling zoals deze op basis van het Bro is gedefinieerd. Dit bestemmingsplan voorziet per saldo in 4 extra woningen. Het planvoornemen is daarom niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Nu er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, hoeft de laddertoets niet te worden doorlopen. In het kader van de uitvoerbaarheid van het plan, moet er wel worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Hoofdstuk 4 gaat hier nader op in.
De Omgevingsvisie is één van de instrumenten van de nieuwe Omgevingswet. In de Omgevingsvisie Fryslân, 'De Romte Diele' geheten, staat waar de provincie met de leefomgeving van Fryslân naar toe wil: de ambitie en doelen voor de toekomst. Het is een integrale visie voor de lange termijn op een tamelijk hoog abstractieniveau. De visie geeft de richting aan waar de provincie met allerlei partijen naar toe wil werken. Dit gebeurt in programma’s, concrete projecten en initiatieven, en zo nodig ook in regels.
De provinciale omgevingsvisie vervangt het strategisch beleid van de provincie in het streekplan, milieubeleidsplan, waterhuishoudingsplan en het verkeer- en vervoerplan. In de visie is aangegeven wat de provincie doet om de huidige basiskwaliteiten van de Friese leefomgeving op orde te houden. Daarnaast wil de provincie extra inzetten op vier urgente, integrale opgaven, te weten:
Naast de integrale opgaven hanteert de Omgevingsvisie een aantal inhoudelijke principes. Deze principes staan voor de manier van werken, en geven richting aan keuzes, projecten en plannen voor de fysieke leefomgeving. Een inhoudelijk principe dat nauw aansluit op het planvoornemen is 'Omgevingskwaliteit als ontwerpbasis'. Dit principe richt zich erop dat nieuwe ontwikkelingen voortbouwen op bestaande omgevingskwaliteiten. Daarbij is aandacht voor eigenheid en identiteit. In dit principe vormen omgevingskwaliteiten het vertrekpunt voor de inpassing van ontwikkelingen. Dit betekent dat ontwikkelingen voortbouwen op bestaande kwaliteiten en deze waar mogelijk versterken of doorontwikkelen. Het principe gaat uit van maatwerk. Elke plek is anders en heeft andere kwaliteiten. Op basis van de omgevingskwaliteiten van gebieden wordt gezocht naar juiste plekken. Zo kan, afhankelijk van de aard en schaal van een ontwikkeling bijvoorbeeld sprake zijn van: inpassen, waarbij de kenmerken van een gebied in stand blijven en nieuwe ontwikkelingen zich daarin voegen.
De voorgenomen herontwikkeling bouwt voort op de bestaande kwaliteiten van het dorp doordat het een andere, beter passende invulling geeft aan het plangebied. De huidige woningen in het plangebied voldoen niet meer aan de eisen van deze tijd waardoor ze afbreuk doen aan het dorpsbeeld. De beoogde invulling van het perceel stopt deze afbreuk en zal zich invoegen binnen de bestaande kwaliteiten van het dorp (zie ook 2.2.2 en 4.4.2). Naar aanleiding hiervan draagt het planvoornemen bij aan de Omgevingsvisie van de provincie Fryslân.
Natuurinclusief ontwerpen
In de Omgevingsvisie De Romte Diele wordt ingezet op natuurinclusief ontwerpen bij nieuwe ontwikkelingen. Dit is mogelijk door bij het ontwerp rekening te houden met maatregelen die een positief ecologisch effect sorteren. Bij de uitwerking van de woningen en inrichting van de erven zal rekening worden gehouden met natuurinclusief bouwen. Voorbeelden waaraan wordt gedacht zijn: natuurlijke erfafscheidingen die uit hagen en beuken bestaan en een natuurlijke omgeving creëren of vegetatie op het terrein die in elk seizoen bloeiende planten heeft/rijk is aan nectar en stuifmeel. Op basis van het voorgaande kan gesteld worden er bij het plan rekening wordt gehouden met natuurinclusieve maatregelen.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
Het planvoornemen staat in lijn met de doelen en ambities van de provinciale omgevingsvisie.
In de Verordening Romte zijn concrete regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. In de verordening is onder meer de grens tussen het bestaand stedelijk gebied en landelijk gebied vastgelegd. In stedelijk gebied bestaat een grotere mate van beleidsvrijheid wat betreft de ruimtelijke ordening dan in het landelijk gebied.
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van bestaand stedelijk gebied zoals door de provincie aangegeven. Op grond van de verordening kan een ruimtelijk plan mogelijkheden voor woningbouw bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft. Uit paragraaf 3.3.1 blijkt dat de voorgenomen herstructuringsopgave opgenomen is in het herstructureringsprogramma van de gemeente Waadhoeke. Dit herstructureringsprogramma is onderdeel van het woningbouwprogramma van Waadhoeke. Bovendien hebben de gemeente Waadhoeke en de provincie Fryslân de afspraak gemaakt dat binnenstedelijk plafondloos mag worden gebouwd. Hierbij is geen maximaal aantal woningen vastgelegd. Het aantal extra woningen in dit plan is daarom per definitie toegestaan. Het planvoornemen is conform de Verordening Romte.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
De voorgenomen ontwikkeling past in de Verordening Romte Fryslân.
In de Verordening Romte wordt diverse keren verwezen naar de structuurvisie Grutsk op 'e romte. In deze thematische structuurvisie zijn landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd en gewaardeerd. In de Verordening Romte staat dat de structuurvisie Grutsk mede gebaseerd is op de Cultuurhistorische kaart Fryslân (CHK2). In het kader van de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling zijn de structuurvisie Grutsk op 'e romte en de CHK2 geraadpleegd.
De CHK2 is geraadpleegd om de aanwezigheid van belangwekkende cultuurhistorische elementen en objecten aan te kunnen tonen. Hieruit komen de volgende vier aspecten naar voren waarmee rekening moet worden gehouden:
De Frânskeleane blijft gehandhaafd en daarmee herkenbaar. Het planvoornemen doet op dit punt dan ook geen afbreuk aan de aanwezige cultuurhistorische waarde. Daarnaast blijkt dat de bestaande bebouwing als jonge bouwkunst wordt aangemerkt. Dit heeft betrekking op sociale woningbouw uit het begin van de 20e eeuw. Een deel van bebouwing wordt eveneens als 'Delfts Rood' aangemerkt. In het plangebied is derhalve sprake van karakteristieke panden, maar niet van als zodanig aangewezen monumenten. De woningen in het plangebied zijn niet meer van deze tijd.
Het voorliggende bestemmingsplan betreft een gedeeltelijke herziening van het geldende bestemmingsplan, vastgesteld op 2 november 2017. In de toelichting van het geldende bestemmingsplan wordt uitvoerig ingegaan op de cultuurhistorie, deels gebruikmakend van de CHK2 van de provincie. In dat bestemmingsplan zijn diverse beschermingsregelingen ten aanzien van cultuurhistorie getroffen. De regeling voor het plangebied is enkel gericht op bescherming van de hoofdvorm. Behoud van de woningen kan niet worden afgedwongen. Daarnaast is er hier geen sprake van een beschermd dorpsgezicht. Dit gegeven is destijds mede vertrekpunt geweest voor de overleggen met de partijen om te komen tot een verantwoorde herstructurering van de woningvoorraad in Bitgum. Dit participatieproces heeft uiteindelijk geleid tot het voorliggende plan, waarbij op de volgende wijze rekening is gehouden met de cultuurhistorische waarden en het karakter van de wijk:
De bestaande stedenbouwkundige opzet van het plangebied is gedateerd en past niet meer bij het huidige tijdperk. Een voorbeeld waaruit dit blijkt heeft betrekking op de binnentuin tussen de Frânskeleane en de Hillige Kamp in. Een dergelijk binnenterrein werd vroeger gebruikt als moestuin door aanwonenden. Tegenwoordig gebeurt dit niet meer en heeft het groene terrein geen functie. Door middel van de herstructurering wordt er een woon-/openbare groenfunctie toegekend aan dit terrein (zie 2.2.2). Dit leidt tot een stedenbouwkundige structuur die meer bij deze tijd past.
De herstructurering voorziet in een woongebied bestaande uit meer bij deze tijd passende woningtypen, waarbij de nieuwbouw geïnspireerd is op de oorspronkelijke architectuur van de bestaande woningen. De karakteristieke waarde van de bestaande woningen wordt doormiddel van de herstructurering op een moderne, in aard en schaal passende wijze teruggebracht in het plangebied.
Hierbij kan nog worden opgemerkt dat er voor het plangebied geen apart beeldkwaliteitsplan wordt vastgesteld. De gemeentelijke welstandsnota is en blijft op deze locatie van toepassing. Deze nota is toegespitst op de huidige bebouwing, passend in een dorp. Doordat de te realiseren woningen moeten voldoen aan de uitgangspunten van de welstandsnota is geborgd dat aan de bestaande architectuur gerefereerd wordt, en dat de architectuur passend is in de omgeving.
Provinciale belangen
Voorts wordt uit de structuurvisie Grutsk op 'e romte duidelijk dat de provinciale belangen zich in de omgeving van het plangebied voornamelijk richten op het behoud van landschappelijke structuren, zoals de (lineaire) structuren van terpdorpen in het kleiterpengebied, dorpssilhouetten en de ritmiek van dorpen als leesbare afzonderlijke eenheden op kwelderwallen.
Het planvoornemen voorziet in herstructurering en het vastleggen van woningaantallen in de kern Bitgum en heeft daarmee geen invloed op de grootschalige landschappelijke structuren waaraan de provincie belang hecht. Na herstructurering blijft de ritmiek/structuur van terpdorpen als eenheden op de kwelderwal behouden. Er wordt geen extra beslag op de ruimte gedaan. Er is derhalve geen sprake van een wijziging in de lineaire terpdorpenstructuur waarvan Bitgum onderdeel uitmaakt. Daarnaast blijft de hoofdopzet van het herstructureringsgebied in grote lijnen hetzelfde. Het dorpssilhouet van Bitgum blijft daardoor herkenbaar. Ook sluit de nieuwe bebouwing qua aard, dorpsbeeld en karakteristieke waarde aan op de bestaande bebouwing in Bitgum (zie ook paragraaf 2.2.2). De karakteristieke elementen en cultuurhistorische waarden van de bestaande bebouwing worden op een nieuwe manier ingezet om het gebied te transformeren tot een toekomstbestendige ruimtelijke situatie.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
Al met al is het planvoornemen passend binnen de structuurvisie Grutsk op 'e romte. Bestaande cultuurhistorische waarden zoals aangegeven op de CHK2 worden gerespecteerd bij de herstructurering.
De gemeente Waadhoeke bestaat uit de stad Franeker, veertig dorpen, acht wijken en meerdere buurtschappen. Er zijn ontwikkelingen die alle wijken en dorpen raken. Tegelijkertijd is elk dorp en elke wijk even belangrijk. De gemeente Waadhoeke is van mening dat plannen met oog voor het lokale en met ruimte voor maatwerk het meest opleveren, met als kanttekening dat er wel oog moet zijn voor het grotere geheel. Om grip te krijgen op de balans tussen die twee aspecten, is de woonvisie Waadhoeke in het leven geroepen. De visie heeft als doel om projecten in gang te zetten die bijdragen aan het lange termijn doel. De hoofdlijn van de woonvisie geldt voor een periode van 10 jaar, tot 1 januari 2030.
In de woonvisie gaat de gemeente onder andere in op 'ruimte voor nieuwbouw'. De gemeente geeft aan ruimte te bieden maar zelf ook wat te verwachten. Ze hanteren criteria op hoofdlijnen om te beoordelen wanneer een plan meerwaarde heeft. Zo maakt de gemeente keuzes of een prioritering tussen plannen. Er wordt eerder meegewerkt aan initiatieven naarmate zij duidelijk aan meerdere van de volgende uitgangspunten voldoen:
Voorliggend plan is vraagvolgend, gelet op het grootse tekort aan woningen in het land. Daarnaast heeft in kader van de herstructurering uitgebreide raadpleging van wensen en ideeën van buurtbewoners plaatsgevonden. Hun wensen vormden belangrijke uitgangspunten bij de totstandkoming van het stedenbouwkundig plan. Geacht wordt dat er daardoor sprake is van draagvlak in het dorp/ de wijk. Daarnaast blijkt uit paragraaf 2.2 dat het plan leidt tot een versterking/verbetering van de stedenbouwkundige structuur van het plangebied. Ook is kwaliteitsgroen in het ontwerp zoveel mogelijk behouden en/of extra toegevoegd. Er is dan ook sprake van een plan dat de plek en omgeving ruimtelijk bevordert.
Het voorgaande toont aan dat het plan aansluit op de prioriteiten en uitgangspunten die de gemeente aan nieuwe initiatieven stelt. De gemeente gaat in de woonvisie tevens in op nieuwbouw van een goede kwaliteit. Er worden regels gehanteerd om een goede kwaliteit te waarborgen:
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 50 woningen in het kader van herstructurering. In het kader van duurzaamheid krijgen alle huurwoningen een individuele duurzame warmteopwekker in de vorm van een lucht-water warmtepomp. Ook wekken de woningen zelf energie op met behulp van zonnepanelen. De woningen zijn daarnaast goed geïsoleerd en worden luchtdicht gebouwd. Op het vlak van uitstraling en vorm worden de te realiseren woningen getoetst aan de voorwaarden uit de Welstandnota. Geconcludeerd mag worden dat er met de herstructurering sprake is van nieuwbouw van een goede kwaliteit.
Uitvoeringsprogramma's met wijken en dorpen
De agenda voor woningbouw wordt de komende jaren aangevuld doordat de gemeente met alle dorpen in gesprek gaat over diverse thema's uit de onderhavige woonvisie. De gemeente wil dat investeringen ervoor zorgen dat dorpen in hun geheel aantrekkelijker worden als woonplaats. Op dit moment zijn er al dorpen en wijken waar de gemeente aan werkt. In de woonvisie zijn verschillende soorten woningbouwprogramma's gedefinieerd, waaronder een herstructureringsprogramma.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
Het planvoornemen is conform de woonvisie Waadhoeke en het bijbehorende herstructureringsprogramma.
Veel ruimtelijke ontwikkelingen brengen een toename van het aantal verkeersbewegingen en behoefte aan extra parkeerplaatsen met zich mee. Het is niet wenselijk dat deze toename leidt tot druk, overlast en/of problemen in de omgeving. Naar aanleiding hiervan heeft de gemeente Waadhoeke een eenduidige toetsingsmethodiek voor de gehele gemeente vastgelegd. In de 'Nota Parkeernormen 2020' is in een stappenplan vastgelegd welke parkeernorm de gemeente hanteert voor verschillende gebieden en functies. Daarnaast is aangegeven op welke manier de parkeervraag aan de hand van de normen moet worden berekend en welke eisen worden gesteld aan de invulling van de parkeervraag. In paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op de nota parkeernormen. Uit deze paragraaf blijkt dat voor het plangebied herstructurering kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte uit de nota parkeernormen.
Voor de vier plangebieden die zien op het vastleggen van de woningaantallen blijft de parkeerregeling uit het geldend bestemmingsplan 'Bitgum - Bitgummole' van toepassing. Omdat het aantal woningen niet wijzigt is een nadere toetsing aan de nota parkeernormen voor dat plangebied dan ook niet nodig.
Conclusie
Het planvoornemen is conform het parkeerbeleid van de gemeente Waadhoeke.
De gemeente heeft haar welstandsbeleid vastgelegd in de Welstandsnota Waadhoeke (laatstelijk gewijzigd op 3 maart 2022). De bebouwing in het plangebied valt onder drie welstandsgebieden, te weten:
In het navolgende wordt per welstandsgebied nagegaan met welke welstandscriteria rekening moet worden gehouden bij het planvoornemen.
Lintbebouwing
Een groot deel van de dorpen heeft een groei gekend langs belangrijke doorgaande verbindings(vaar)wegen. Hier is sprake van een duidelijke lintbebouwing. De bebouwing is in de meeste gevallen niet direct met de voorgevel aan de straat gelegen, zoals dat in de meeste dorpskernen en in het stadscentrum wel het geval is. De woningen hebben over het algemeen een (kleine) voortuin. Naarmate de bebouwing verder van de kern is verwijderd, wordt de open ruimte tussen de bebouwing groter. Het 19e eeuwse en vroeg 20e eeuwse bebouwingsbeeld overheerst in deze linten. Onderstaand zijn de geldende welstandscriteria voor dit deelgebied weergegeven.
Tabel 1: welstandscriteria lintbebouwing (bron: Welstandnota gemeente Waadhoeke)
Woongebieden '30 - '50
De bebouwing in dit welstandsgebied kenmerkt zich door rijenwoningen, met hier en daar vrijstaande woningen. De woningen vormen één familie, door met name de rode dakpannen, de vrij grote dakoverstekken en de erkers. De bebouwing bestaat uit één tot twee bouwlagen met een kap, waarbij de nokrichting parallel aan de straat is, incidenteel afgewisseld met een haakse kap. Onderstaande tabel geeft de geldende welstandscriteria voor dit deelgebied weer.
Tabel 2: welstandscriteria woongebieden '30 - '50 (bron: Welstandnota gemeente Waadhoeke)
Na-oorlogse uitbreidingen
Het bebouwingsbeeld wordt gedomineerd door rijenbouw in één of twee bouwlagen met een kap, waarbij de nokrichting evenwijdig aan de weg is. Op sommige plaatsen zijn ook dubbele woningen gerealiseerd; meestal in onderlinge samenhang per straatzijde of cluster. De detaillering is over het algemeen sober.
Naast duidelijk herkenbare straten en wijken met repeterende bouw zijn er ook op veel plekken straten en wijken ontstaan met een meer individuele uitstraling van de woningen. Op sommige plekken worden daarbij hoekkavels benut als stedenbouwkundig accent. Ook zitten in deze gebieden clusters van projectmatige bouw. In de meeste gevallen is daarbij gestreefd naar een sterke architectonische uitstraling. Het materiaal- en kleurgebruik varieert van traditioneel tot modern. In clusters en per straatzijde is overwegend sprake van samenhang in massa-opbouw en kleur- en materiaalgebruik. De detaillering van de woningen is zorgvuldig. Bijgebouwen en aan- en uitbouwen zijn veelal in een afgeleide architectuur. Onderstaande tabel geeft de in dit deelgebied geldende welstandscriteria weer.
Tabel 3: Welstandscriteria na-oorlogse uitbreidingen (bron: Welstandnota gemeente Waadhoeke)
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling
Bij de nadere uitwerking van het planvoornemen wordt met de gebiedskenmerken en welstandscriteria van alle drie deelgebieden rekening gehouden. De te realiseren bebouwing wordt door de welstandscommissie getoetst aan de Welstandnota Waadhoeke.
Toetsingskader
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel hiervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets als procesinstrument wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Het gaat hierbij om de thema's waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater.
Onderzoek
Op 21 december 2022 is advies opgevraagd bij Wetterskip Fryslân middels de digitale watertoets. Het advies is als bijlage bij de toelichting te raadplegen (Bijlage 2). Uit het advies blijkt dat de normale procedure van toepassing is op het planvoornemen. Dit betekent dat het wetterskip naast dit automatische gegenereerde digitale advies, nog aanvullend advies uit kan brengen. In relatie tot het planvoornemen adviseert Wetterskip Fryslân over de volgende onderwerpen.
Verharding
Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.
Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Ook kunnen alternatieve maatregelen worden toegepast.
Voor dit plan is er nauwelijks sprake van een toename aan verharding. Er is sprake van herstructurering waarbij de bestaande woningen worden gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Per saldo neemt het aantal woningen toe met vier. De oppervlakte aan verharding en/of bebouwing neemt nauwelijks toe. Bovendien gaat het hier om een binnenstedelijk gebied in de kern Bitgum. Het plangebied is al volledig bestemd voor wonen. Er mag dus in de bestaande situatie al gebouwd worden. De bestaande situatie afgezet tegen de toekomstige situatie is er nagenoeg geen toename van verharding. Daarnaast voorziet het plan op een aantal plekken in extra openbaar groen waardoor er sprake is van meer waterdoorlaatbare oppervlakten. Verondersteld mag worden dat er geen sprake is van een toename van verharding. Compenserende maatregelen zijn derhalve niet vereist.
Klimaat
Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. In het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met klimaatadaptatie door de toepassing van bomen en groen in de openbare ruimte. Daarnaast worden voortuinen vanuit de initiatiefnemer op voorhand ingericht met gras en hagen. Derhalve is er sprake van extra waterdoorlatende oppervlakte.
Hoofdwater
Het wetterskip constateert dat het plan een hoofdwater raakt. Hoofdwateren hebben een belangrijke aan-, af- en doorvoerfunctie. Aan weerszijden van een hoofdwatergang ligt een beschermingszone van vijf meter. De beschermingszone is nodig voor de bereikbaarheid voor beheer en onderhoud aan de hoofdwatergang. Werkzaamheden binnen de beschermingzone betreffen een vergunningplichtige activiteit. Het gaat hier om een waterloop aan de zuidwestzijde van het plangebied, achter de woningen aan de Hillige Kamp. In de bestaande situatie zijn er al woningen aanwezig op deze plek. De nieuwe woningen zullen op dezelfde wijze worden gesitueerd aan de Hillige Kamp. In de toekomstige situatie wijzigt er dus niets. Bovendien is de vaarweg voor onderhoud en beheer bereikbaar via de groenvoorziening ten zuiden van de woning. Er bestaat geen aanleiding om een watervergunning aan te vragen.
Conclusie
Het planvoornemen kan wat het aspect water betreft uitvoerbaar worden geacht.
Toetsingskader
In het Bro is bepaald dat in de toelichting inzicht verkregen moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat onder andere inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is dus feitelijk een onderdeel van de onderzoeksverplichting van het college en de gemeenteraad bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan.
Hierbij moet worden opgemerkt dat ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel moet worden voorkomen.
Een bepaalde mate van bodemverontreiniging hoeft in veel gevallen niet direct een probleem op te leveren. In veel gevallen zal historisch onderzoek inzake de betreffende verdachte locatie kunnen uitwijzen of voldoende aanleiding is om ook bodemonderzoek te laten uitvoeren. Met een oriënterend bodemonderzoek en/of een nader bodemonderzoek kan worden vastgesteld of inderdaad sprake is van bodemverontreiniging, en zo ja, in welke mate en van welke omvang. Op basis van een nader onderzoek kan de provincie bepalen of er een noodzaak is tot gedeeltelijke of gehele sanering van de locatie en of beveiligingsmaatregelen moeten worden getroffen. Daarbij zal ook de huidige en/of toekomstige bestemming en het gebruik van de locatie een rol spelen uit welke saneringsvarianten kan worden gekozen.
Onderzoek
In kader van de uitvoerbaarheid van het planvoornemen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (EN06016-001/ Enviso / d.d. 7 oktober 2021). De rapportage van het onderzoek is als bijlage bij de toelichting te raadplegen (Bijlage 3). Het onderzoek heeft als doel om de milieuhygiënische kwaliteit van zowel de grond als het grondwater vast te stellen. In de navolgende alinea's wordt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten.
Conclusies bodemonderzoek
Op basis van de onderzoeksresultaten kan formeel gezien de hypothese 'onverdacht' verworpen worden, aangezien er zowel in de bovengrond als het grondwater licht verhoogte gehalten aan enkele parameters zijn aangetroffen. De licht verhoogde gehalten zijn echter dusdanig beperkt dat nader onderzoek niet nodig is.
Aanbevolen wordt om voorafgaand aan de herontwikkeling bij de woningen aan de Frânskeleane 14 en de Hillige Kamp 13, waar asbestverdachte materialen op de schuurtjes aanwezig is en waarbij geen goot of kapotte goot aanwezig is, aanvullend onderzoek naar asbest in grond uit te voeren. Daarnaast moet het menggranulaat in de opritten van de Hemmemastrjitte 18 en de Hillige Kamp 15 aanvullend op asbest worden onderzocht. Tevens dient de chemische kwaliteit hiervan te worden bepaald.
Aanvullend onderzoek
Naar aanleiding van de conclusies van het verkennend bodemonderzoek is aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van asbest uitgevoerd. Dit onderzoek is opgesplitst in twee delen:
De aanvullende asbestonderzoeken zijn als Bijlage 4 en Bijlage 5 bij de toelichting van dit bestemmingsplan te raadplegen.
Frânskeleane 14
Het doel van het aanvullend asbestbodemonderzoek naar de Frânskeleane 14 is het vaststellen of ter plaatse van de druppelzone sprake is van het voorkomen van asbest in de bodem en of hierbij de norm voor asbest in grond wordt overschreden. De uitgevoerde analyses wijzen uit dat er asbest in de druppelzone aanwezig is waarbij de interventiewaarde van 100 mg/kgds overschreden wordt. Bij een oppervlakte van 20 m² en een verticale verspreiding van maximaal 20 centimeter is in totaal circa 4 m³ met asbest verontreinigde grond op de locatie aanwezig waarbij de interventiewaarde wordt overschreden.
Voorafgaande aan de sloop en herontwikkeling van de locatie dient de verontreiniging met asbest te worden gesaneerd. Hiervoor dient een BUS-melding verricht te worden welke goedgekeurd moet worden door het bevoegd gezag (Provincie Fryslân/FUMO). De initiatiefnemer zal de verontreiniging met asbest voorafgaand aan de werkzaamheden saneren. Te zijner tijd zal in dat verband ook een BUS-melding worden verricht.
Hillige kamp 15/Hemmemastrjitte 18
Het doel van het aanvullend asbestverhardingsonderzoek naar de Hillige kamp 15 en de Hemmemastrjitte 18 is het vaststellen of ter plaatse van de verhardingslagen sprake is van het voorkomen van asbest in het verhardingsmateriaal en of hierbij de norm voor asbest in verharding wordt overschreden. Op basis van de analyseresultaten van het samengestelde verhardingsmengmonster en de zintuiglijke waarnemingen kan worden geconcludeerd dat er in beide monsters geen asbest is aangetoond.
Op basis van het uitgevoerde asbestverhardingsonderzoek kan worden geconcludeerd dat in de halfverhardingslagen ter plaatse van de Hemmemastrjitte 18 en de Hillige Kamp 15 te Bitgum geen asbesthoudend materiaal is aangetoond.
Uit milieu hygiënisch oogpunt bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen sloop en nieuwbouw op de locatie. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een BUS-melding verricht in verband met asbestsanering ter plaatse van de Frânskeleane 14. Opgemerkt dient te worden dat het grootste deel van de bovengrond licht verontreinigd is. Indien deze grond vrijkomt bij de werkzaamheden en deze niet teruggeplaatst kan worden dient deze separaat afgevoerd te worden.
Indien grond van de locatie wordt afgevoerd voor toepassing elders, volstaan de resultaten van het onderliggende bodemonderzoek mogelijk niet. Om definitief vast te stellen of de grond buiten de locatie kan worden hergebruikt, kan het bevoegd gezag (gemeente waar de grond zal worden toegepast) verzoeken om een partijkeuring conform het Besluit bodemkwaliteit.
Conclusie
Het plan kan wat het aspect bodem betreft uitvoerbaar worden geacht.
Toetsingskader
Om hinder tussen bedrijven en gevoelige functies zoals woningen te voorkomen, is het wenselijk dat tussen beide functies voldoende ruimte is. Om te bepalen welke afstand noodzakelijk is, kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden die zijn opgenomen in de publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Als aan de gestelde richtafstanden wordt voldaan, is er veelal geen sprake van bedrijfshinder.
Toetsing
Het plangebied bevindt zich in de kern Bitgum. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich als een woongebied. In dit woongebied bevindt zich naast de woonfuncties, één bedrijf, een dorpskerk en een aantal groenbestemmingen. Het gaat hier om functies en bedrijvigheid die qua aard, schaal en omvang passen in een rustige woonwijk. Het plangebied kan daarom worden aangemerkt als 'rustige woonwijk'.
Interne werking
Bij interne werking gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. De beoogde ontwikkeling voorziet in de totstandkoming van 50 milieugevoelige objecten.
Aan de Jonkersleane is een bedrijf gevestigd. Dit bedrijf bevindt zich ten noordwesten van het plangebied. Het betrokken bedrijfsperceel is aangemerkt als de bestemming 'Bedrijf', met bedrijven in de milieucategorie 1 of 2 of bestaande bedrijven. In de bestaande situatie is hier de uitvaartvereniging 'De Ferbining' gevestigd. Ter plaatse worden uitvaarten verzorgd. Voor dit type bedrijvigheid kan aansluiting worden gezocht bij de functie 'uitvaartcentra' uit de VNG brochure (SBI- 9603). Hierbij hoort milieucategorie 1 met een bijbehorende richtafstand van 10 meter. Geluid is in dit geval de bepalende afstand. Bij het bepalen van de richtafstand moet gemeten worden van de bestemmingsgrens tot aan de uiterste situering van de gevel van de woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. In dit geval kan aan de richtafstand van het bestaande bedrijf worden voldaan, aangezien de afstand tussen de bedrijfsbestemming en de uiterste situering van de dichtstbijzijnde woning 15 meter bedraagt.
Het is echter ook mogelijk om op hetzelfde perceel bedrijven van milieucategorie 2 te vestigen. Bij dergelijke bedrijvigheid hoort een minimale richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. Aan deze richtafstand kan niet worden voldaan, gelet op de afstand van 15 meter. In de bestaande situatie zijn er echter al woningen aanwezig in het plangebied. Het planvoornemen voorziet in nieuwe woningen op nagenoeg dezelfde plek. Ook bevinden zich al woningen direct tegen het bedrijvenperceel aan op een kortere afstand dan de nieuw te realiseren woningen. Het aanwezige bedrijf moet wat hinder betreft, al rekening houden met de reeds aanwezige woningen. Een milieucategorie 2 bedrijf dat zich op het perceel zou vestigen mag daarom nooit hinder veroorzaken die dusdanig is dat er geen sprake meer is van een goed woon- en leefklimaat voor de omliggende functies. Derhalve levert het bedrijvenperceel aan de Jonkersleane geen belemmeringen op in het kader van hinder van bedrijven en voorzieningen.
Sint Martinuskerk
Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich de Sint Martinuskerk. Voor kerkgebouwen geldt de milieucategorie 2 met een minimale richtafstand van 30 meter. Aan deze richtafstand kan worden voldaan, aangezien de afstand tussen de uiterste situering van de woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is en de maatschappelijke bestemming van de kerk, circa 41 meter bedraagt.
Externe werking
Bij externe werking gaat het met name om de vraag of het planvoornemen leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar gezien, in strijd kan worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Hiervan is sprake indien het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor bedrijven uit de omgeving.
De voorgenomen herstructurering creëert geen nieuwe (milieubelastende) functies. Het gehele plangebied is al bestemd als 'Wonen'. In de toekomstige situatie blijft dit ongewijzigd. Er is geen sprake van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies.
Conclusie
Het planvoornemen kan wat het aspect hinder van bedrijven uitvoerbaar worden geacht.
Toetsingskader
De Wet geluidhinder (Wgh) beschouwt een woning als een geluidsgevoelig gebouw. De 'geluidbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten mag niet hoger zijn dan een in de wet bepaalde norm. Daarom dient er een toetsing plaats te vinden aan de eisen uit de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder gaat in op zowel wegverkeerslawaai, spoorweglawaai als industrielawaai. Voor het planvoornemen is alleen wegverkeerslawaai relevant. Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wgh noodzakelijk wanneer een geluidgevoelig gebouw gelegen is binnen een door deze wet aangewezen geluidzone. Bij wegverkeerslawaai geldt een uitzondering voor wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en/of wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur. Wel dient er sprake te zijn van een 'goede ruimtelijke ordening' om een goed woon- en leefklimaat te garanderen.
Toetsing
Het planvoornemen biedt planologisch-juridische kaders voor herstructurering. Hierbij worden 50 nieuwe geluidsgevoelige objecten gerealiseerd. Deze geluidsgevoelige objecten bevinden zich binnen de geluidszones van zoneringsplichtige wegen, te weten de N383 en de Alddyk. Aangezien het aantal en de situering van de woningen wijzigt, dient akoestisch onderzoek plaats te vinden. Gelet op de afstand van het plangebied ten opzichte van de zoneringsplichtige wegen en het feit dat de locatie al ziet op een woonbestemming, is een contourberekening in dit geval voldoende. In kader van de voorgenomen ontwikkeling is daarom een contourberekening uitgevoerd. De contourberekening is als bijlage bij de toelichting raadpleegbaar (Bijlage 6). In het onderstaande wordt ingegaan op de resultaten van de berekening.
Contourberekening
De N383 is in beheer bij de provincie Fryslân. Op basis van verkeerskundige gegevens van de provincie is een berekening gemaakt van het aantal verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Dit resulteerde in een aantal van 8.680 motorvoertuigen per weekdagetmaal op de N383. Van de Aldyk/Berltsumerdyk zijn geen verkeersgegevens beschikbaar. Hier is worst case uitgegaan van 5.000 motorvoertuigen per weekdagetmaal met dezelfde verdeling en samenstelling als de N383. Voor alle motorvoertuigen is uitgegaan van de maximum snelheid ter plaatse. Het wegdek bestaat in hoofdzaak uit geluidsneutraal wegdek met uitzondering van een vierkant plein op de splitsing van de Adyk met de Buorren waar klinkers in keperverband liggen die lawaaiiger zijn dan neutraal wegdek.
Aan de hand van bovenstaande gegevens zijn de geluidsbelastingscontouren berekend en weergegeven in een model. Dit model is te raadplegen in Bijlage 6. Uit het model blijkt dat de geluidsbelasting vanwege beide wegen niet hoger is dan 48 dB, ondanks de worst case aannames voor de Alddyk/Berltsumerdyk. De geluidscontouren van beide wegen liggen buiten de te realiseren woningen in het plangebied. Op grond van het voorgaande mag worden aangenomen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Conclusie
Het aspect geluidhinder staat de uitvoerbaarheid van het planvoornemen niet in de weg.
In het geldende bestemmingsplan zijn twee archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. Voor het noordelijke deel van het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' van toepassing. Bij deze gronden dient archeologisch onderzoek plaats te vinden als er bouwwerken met een oppervlakte groter dan 50 m2 worden gebouwd. Voor het zuidelijke deel geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Voor deze gronden dient onderzoek plaats te vinden bij het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m2.
Met het planvoornemen worden bestaande woningen gesloopt, nieuwe woningen gebouwd en infrastructuur aangelegd. Dit gaat gepaard met bodemingrepen ten behoeve van de aanleg van fundering en bouw. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 24.915 m2 waardoor er sprake is van ingrepen groter dan 500 m2. De initiatiefnemer heeft daarom een archeologisch onderzoek laten uitvoeren (ISSN 1871-269X/ De Steekproef/ d.d. 2022-04-11). Het onderzoek is als bijlage bij de toelichting te raadplegen Bijlage 7. In het onderstaande wordt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten.
Archeologisch onderzoek
Voor het plangebied geldt een verwachting voor archeologische waarden van de ijzertijd tot en met de nieuwe tijd. Met name in het noorden van het plangebied kunnen resten van de terp van Bitgum aanwezig zijn. Ook is er een verwachting voor resten van gebouwen die staan afgebeeld in de voor het onderzoek geraadpleegde Atlas van Schotanus. Uit de ijzertijd tot en met de nieuwe tijd zijn in de directe omgeving van het onderzoeksgebied meerdere vindplaatsen bekend. Deze vindplaatsen zouden zich kunnen uitstrekken tot in het plangebied. Archeologische indicatoren kunnen bestaan uit cultuurlagen of grondsporen zoals (paal)kuilen of greppels. Ook kunnen vondsten worden gedaan van bijvoorbeeld aardewerk, bouwmateriaal, houtskool of metaal.
Om het verwachtingsmodel te toetsen is een verkennend en deels karterend booronderzoek uitgevoerd. Over het onderzoeksgebied zijn verschillende boorpunten verdeeld. Voor nadere specificatie van de exacte punten wordt verwezen naar Bijlage 7. Bovenin alle boringen is een toplaag aangetroffen die bestaat uit humusrijke zavel. In de meeste boringen bedraagt de dikte van deze toplaag twintig tot veertig centimeter. Hieronder is op nagenoeg alle boorpunten een pakket vergraven zavel aangetroffen dat bestaat uit brokken zavel van wisselend humusgehalte met daartussen een enkele deeltje baksteenpuin. Dit pakket is waarschijnlijk ontstaan tijdens het bouwrijp maken van het terrein voorafgaande aan de bouw van de huidige woonwijk. Daarnaast is op een aantal boorpunten een gelaagd pakket van door kleilaagjes onderbroken zavel of door laagjes zavel onderbroken klei aangetroffen. Deze getijdenafzettingen zijn gevormd voorafgaand aan de vorming van de uit zavel bestaande kwelderafzettingen.
Naast het voorgaande is op het merendeel van de boringen onder het pakket vergraven zavel, een terppakket aangetroffen. Dit pakket bestaat uit zavel met humus, houtskool en fosfaat. Plaatselijk is hierin een enkel deeltje bot en een enkel deeltje niet nader te definiëren gebakken materiaal aangetroffen. Voor het overige komen in een aantal van de aangetroffen terp- of kleipakketten deeltjes houtskool voor.
Conclusies archeologisch onderzoek
In verband met de aanwezigheid van verschijnselen die wijzen op de voortzetting van de dorpsterp van Bitgum, dient in bepaalde delen van het plangebied nader archeologisch onderzoek plaats te vinden in de vorm van proefsleuvenonderzoek. Dit is geborgd door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'.
De in het plangebied aanwezige woningen zijn deels al gesloopt. Voor die woningen is een sloopmelding ingediend. Er zijn geen gronden geweest om de melding te weigeren. De meest noordelijk gelegen woningen, zijn deels nog bewoond en zullen in een later stadium worden gesloopt. Het archeologisch proefsleuvenonderzoek is op 26 en 27 juni 2023 uitgevoerd. Basis voor het onderzoek vormde een door de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Waadhoeke, geaccordeerd Progragmma van Eisen (PvE). Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek zal worden bepaald of en in welke vorm nader archeologisch onderzoek nodig is.
Op de overige delen van het plangebied zijn geen relevante archeologische indicatoren aangetroffen. Nader archeologisch onderzoek naar die gedeeltes van het plangebied is derhalve niet nodig Deze gronden kunnen worden vrijgegeven en hebben in het voorliggend bestemmingsplan dan ook geen dubbelbestemming Archeologie meer. Indien bij het graafwerk toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, dient hier direct melding van te worden gemaakt bij de minister. Dit kan via de gemeente Waadhoeke gaan.
Conclusie
Een proefsleuvenonderzoek is nodig om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen aan te tonen. Deze is geborgd door middel van de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 2' op te nemen voor deze gronden.
Voor het aspect cultuurhistorie vormt de geldende Verordening Romte van de provincie Fryslân de basis. Hierin wordt verschillende keren verwezen naar de Structuurvisie Grutsk op 'e romte. In deze thematische structuurvisie zijn landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd en gewaardeerd. In de Verordening Romte staat dat de structuurvisie Grutsk mede gebaseerd is op de Cultuurhistorische kaart Fryslân (CHK2). In paragraaf 3.2.3 is uitgebreid ingegaan op de Structuurvisie Grutsk in samenhang met de CHK2. In deze paragraaf is onderbouwd hoe en op welke wijze bij het plan rekening wordt gehouden met het aspect cultuurhistorie. Voor de motivering van het aspect cultuurhistorie wordt daarom verwezen naar paragraaf 3.2.3.
Conclusie
Het planvoornemen kan wat het aspect cultuurhistorie betreft uitvoerbaar worden geacht.
De overheid heeft de afgelopen jaren veiligheidsnormen vastgelegd die in acht moeten worden genomen en waarmee zowel op het gebied van milieu als op het gebied van de ruimtelijke ordening rekening moet worden gehouden. Onderdeel van het veiligheidsbeleid is dat de afwegingen, ten aanzien van risico’s op ongevallen die doden en gewonden tot gevolg kunnen hebben, duidelijk zichtbaar moeten worden gemaakt en niet langer onbewust of impliciet plaatsvinden.
Toetsing
Landelijk is de zogenoemde professionele risicokaart ontwikkeld. Hierop is onder andere informatie over risico’s van ongevallen met gevaarlijke stoffen opgenomen. Om na te gaan of bij het planvoornemen ook aandachtspunten op het vlak van externe veiligheid aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat zich ten oosten van het plangebied een buisleiding van de Gasunie bevindt. Aangezien het planvoornemen per saldo voorziet in vier nieuwe kwetsbare objecten, moet rekening worden gehouden met potentiële externe veiligheidsrisico's. Het te betrekken PR (PR 10-6) is nihil en ligt op de leiding zelf. Wat betreft het groepsrisico dienen de 1% en 100%-letaliteitscontouren in het plangebied te worden nagegaan. Hiervoor is het 'handboek buisleiding in bestemmingsplannen' uit 2016 geraadpleegd. De buisleiding heeft in dit geval een uitwendige diameter van 114 mm en een werkdruk van 40 bar. De 1%-letaliteitsgrens ligt daarmee op 45 meter. 100%-letaliteit vindt plaats op 30 meter afstand.
De dichtstbijzijnde woning uit het plangebied bevindt zich op circa 580 meter van de buisleiding. Het plangebied ligt daarmee niet binnen één van de letaliteitscontouren betreffende het groepsrisico. Aangenomen mag worden dat de oriëntatiewaarden van het groepsrisico niet worden overschreden. Verder leidt de herstructurering niet tot de totstandkoming van een nieuwe risicobron waardoor het plan niet leidt tot een verhoging van het extern risico voor andere kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.
Conclusie
Het planvoornemen kan wat het aspect externe veiligheid uitvoerbaar worden geacht.
In het kader van de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van soortenbescherming en gebiedsbescherming. Dit is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Naast de Wnb zijn ook de provinciale omgevingsvisie en verordening relevant voor de gebiedsbescherming. Hierin is onder meer het behoud en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) geregeld. Om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden nodig.
SOORTENBESCHERMING
In het kader van de toekomstige renovatie en/of sloop van 471 woningen verdeeld over 21 dorpen in het noorden van de provincie Fryslân, is in 2019 een ecologische Quick Scan uitgevoerd (Bijlage 8). Het plangebied maakte deel uit van het onderzoeksgebied van deze quick scan. De QuickScan gaf voor het plangebied aanleiding tot nader onderzoek naar huismus, gierzwaluw en vleermuizen. De initiatiefnemer heeft daarom nader onderzoek laten uitvoeren. Het onderzoek heeft in twee gedeelten plaatsgevonden:
Als eerst worden de onderzoeksresultaten van de Hillige Kamp en Hemmemastrjitte weergegeven. De rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 9 bij de toelichting te raadplegen. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten.
Nader onderzoek Hillige Kamp, Hemmemastrjitte
Tijdens het nader onderzoek naar huismusverblijfplaatsen zijn vier huismusnesten aangetroffen. Bij het nader onderzoek naar verblijfplaatsen voor de gierzwaluw zijn er geen verblijfplaatsen aangetroffen binnen het plangebied. Naast de huismus en de gierzwaluw is er tijdens de onderzoeksrondes ook gelet op andere algemene broedvogels binnen het plangebied. In het plangebied zijn vier huiszwaluwnesten aangetroffen.
Vleermuizen
Bij het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen zijn er verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger aangetroffen. Het betreft één paarverblijfplaats van één gewone dwergvleermuis op Hillige Kamp nr. 11, één zomerverblijfplaats van één gewone dwergvleermuis op Hillige Kamp nr. 17 en één laatvlieger kraamkolonie van tenminste 4 á 5 individuen onder de loodflap van de schoorstenen van Hillige Kamp 5 en 7.
Conclusies nader onderzoek Hillige Kamp, Hemmemastrjitte
De werkzaamheden zullen negatieve gevolgen doormiddel van verstoring en vernieling van een nestlocatie van de huismus teweeg brengen, waardoor er in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor wat betreft de voortgang van het project met deze soort een ontheffing dient te worden aangevraagd bij de provincie Friesland.
Wat betreft de gierzwaluw hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd, aangezien er geen verblijfplaatsen binnen het onderzoeksgebied van de Hillige Kamp en Hemmemastrjitte zijn aangetroffen. Alle broedvogels in Nederland zijn onder de Wnb beschermd tijdens hun broedtijd; hun nesten en legsels mogen niet worden verstoord of vernield. Met de meeste broedvogels kan relatief eenvoudig rekening worden gehouden door de voorgenomen werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen. Hiervoor wordt over het algemeen de periode tussen 15 maart en 15 juli aangehouden, maar dit kan (afhankelijk van de weersomstandigheden) eerder beginnen en/of later eindigen. Van belang is of er binnen het onderzoeksgebied en/of de invloedssfeer van de werkzaamheden broedgevallen aanwezig zijn. Door te werken buiten het broedseizoen en voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck door een ter zake kundige ecoloog te laten uitvoeren, worden negatieve effecten op broedvogels voorkomen en zijn er geen belemmeringen vanuit de Wnb aan de orde.
Gelet op de aangetroffen vleermuissoorten in het onderzoeksgebied, zullen de werkzaamheden negatieve gevolgen doormiddel van verstoring en vernieling van verblijfplaatsen teweeg brengen. In kader van de uitvoerbaarheid van het planvoornemen is daarom een ontheffing van de Wnb nodig. Deze ontheffing dient te worden aangevraagd bij de provincie Fryslân.
Huiszwaluwcheck
Zoals eerder genoemd zijn tijdens de veldwerkzaamheden naar de Hillige Kamp en Hemmemastrjitte vier huiszwaluwnesten aangetroffen. De huiszwaluw is binnen de wet natuurbescherming aangewezen als zogenaamde ‘categorie 5 soort’. Dit houdt in dat de nesten van deze soort alleen jaarronde bescherming genieten indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen, zoals de afwezigheid van alternatieve nestgelegenheid, of als de lokale gunstige staat van instandhouding van de huiszwaluw in het geding komt als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden. Om vast te stellen of de aangetroffen nesten jaarronde bescherming genieten, is een huiszwaluw check uitgevoerd naar het gehele plangebied (zie Bijlage 10). Uit de resultaten van deze huiszwaluwcheck blijkt dat de nesten binnen het plangebied geen jaarronde bescherming genieten, doordat de lokale gunstige staat van instandhouding van deze soort als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden niet in het geding komt en doordat er in de omgeving van het plangebied sprake is van voldoende alternatieve nestgelegenheid.
Nader ecologisch onderzoek Jonkersleane, Franskeleane
Naast het nader onderzoek naar de Hillige Kamp en de Hemmemastrjitte heeft tevens nader onderzoek plaatsgevonden naar de Jonkersleane en de Franskeleane. Dit nader onderzoek is als bijlage bij de toelichting te raadplegen als Bijlage 11. In het onderstaande wordt ingegaan op de resultaten van het onderzoek.
Tijdens de twee gerichte veldbezoeken naar de voornoemde straten zijn, verdeeld over het plangebied, in totaal 2 jaarrond beschermde nesten van huismussen vastgesteld. Beide nesten zijn vastgesteld op basis van territoriale zang van een huismus man op de nok van Frânskeleane 10 en Jonkersleane 5. Doordat de verblijfplaatsen op basis van territoriale zang zijn vastgesteld, is het niet mogelijk om de exacte locatie van de nesten te bepalen.
Tijdens de drie gerichte veldbezoeken zijn geen verblijfplaatsen van gierzwaluwen binnen het plangebied vastgesteld. Hoewel er in de omgeving van het plangebied relatief veel activiteit van gierzwaluwen werd waargenomen, bevonden verblijfplaatsen van deze individuen zich buiten het plangebied.
Verdeeld over het gehele plangebied werden in totaal drie verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. In de kraamperiode werden twee zomerverblijven van één laatvlieger vastgesteld. Dit betrof een enkel individu welke tijdens het eerste bezoek uit de nok van Jonkersleane 13 vloog en vervolgens weer invloog in de nok van Jonkersleane 9. Hoogstwaarschijnlijk vormen dit twee verblijfplaatsen binnen een netwerk van verblijfplaatsen van de waargenomen laatvlieger en kunnen deze verblijfplaatsen hierdoor gezien worden als twee verschillende zomerverblijven.
Aan de Frânskeleane werd een paarverblijf van één gewone dwergvleermuis vastgesteld. Dit paarverblijf bevindt zich in de daklaag van Frânskeleane 22 en werd vastgesteld aan de hand van sociale pulsen die hier gedurende het tweede bezoek aan dit deelgebied werden waargenomen. Doordat de verblijfplaats aan de hand van sociale pulsen is vastgesteld en geen uitvliegende individuen zijn waargenomen is het niet mogelijk om de exacte locatie van de verblijfplaats vast te stellen.
Conclusies nader onderzoek Jonkersleane, Franskeleane
Binnen het onderzoeksgebied van de Jonkersleane en Franskeleane zijn twee jaarrond beschermde nesten van huismussen, twee zomerverblijven van een laatvlieger en één paarverblijf van één gewone dwergvleermuis vastgesteld, welke door de werkzaamheden verstoord worden/verloren gaan. Er dient een ontheffing voor deze nesten en verblijfplaatsen te worden aangevraagd bij de provincie Fryslân.
Ontheffingen
Naar aanleiding van de hiervoor beschreven onderzoeksresultaten heeft de provincie Fryslân twee verschillende ontheffingen verleend voor overtreding van de verbodsbepaling genoemd in paragraaf 3.1 en 3.2 van de Wnb. Deze paragrafen hebben betrekking op huismus, gewone dwergvleermuis en laatvlieger. De provincie verleent ontheffing voor enerzijds de Hemmemastrjitte en Hillige kamp (19 juli 2021) en anderzijds de Franskeleane en de Jonkersleane (7 oktober 2022). Voor de ontheffing van de Hemmemastrjitte en de Hillige kamp wordt verwezen naar Bijlage 12. Voor de ontheffing van de Frânskeleane en de Hillige kamp wordt verwezen naar Bijlage 13. In beide ontheffingen worden verschillende voorschriften en beperkingen genoemd. Bij uitvoering van de werkzaamheden wordt hier rekening mee gehouden.
GEBIEDSBESCHERMING
Natura 2000
Het plangebied ligt op grote afstand (circa 10,8 kilometer) van het Natura 2000-gebied 'Groote Wielen'. Hierdoor zijn in potentie alleen effecten mogelijk door externe werking. Het plangebied is gescheiden van het Natura 2000-gebied door bebouwing, wegen en agrarisch gebied. Gezien de grote afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten.
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied bevindt zich op ruime afstand van gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van dergelijke gebieden als gevolg van het planvoornemen, ligt daarom niet in de lijn der verwachtingen. Een nadere analyse van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is derhalve niet nodig. De ontwikkeling is op het punt van provinciaal ruimtelijk natuurbeleid niet in strijd met de Verordening Romte Fryslân.
Stikstofdepositie
In het kader van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is een AERIUS-berekening uitgevoerd. De AERIUS-berekening is als Bijlage 14 bij deze bestemmingsplantoelichting toegevoegd. De berekening met AERIUS genereert een rekenresultaat waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een planbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescher-ming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof staat nadere besluitvorming niet in de weg.
Conclusie
De diverse ecologische onderzoeken en verleende ontheffingen hebben aangetoond dat het planvoornemen op het vlak van ecologie - soortenbescherming uitvoerbaar is. Een AERIUS-berekening heeft uitgewezen dat er door de berekende stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wnb beschermde Natura 2000-gebieden optreedt. Het planvoornemen kan wat het aspect ecologie betreft uitvoerbaar worden geacht.
De Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit zijn door Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit te worden getoetst. De criteria die beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn in de AMvB-nibm vastgelegd.
Toetsing
Het planvoornemen voorziet in de toevoeging van 4 woningen. De gevolgen van woningbouw voor de luchtkwaliteit zijn in veel gevallen klein. Voor de categorie woningbouwlocaties geldt een getalsmatige grens van:
Het planvoornemen blijft ruimschoots onder de hiervoor genoemde grenzen. Het planvoornemen kan als 'nibm' worden beschouwd.
Conclusie
Het planvoornemen kan wat het aspect luchtkwaliteit als uitvoerbaar worden beschouwd.
In deze paragraaf wordt getoetst of er geen onevenredige belasting plaatsvindt op de omliggende infrastructuur van het plangebied. Daarnaast wordt getoetst of er voldoende parkeerruimte aanwezig is in verband met de nieuw te realiseren functies.
Verkeer
Het planvoornemen heeft betrekking op het vastleggen van woningaantallen en herstructurering van het plangebied. Per saldo neemt het aantal woningen als gevolg van de herstructurering toe met 4. Dit zorgt voor extra verkeersbewegingen. Aan de hand van de kencijfers van het CROW kan de verkeersgeneratie worden bepaald. Hiervoor is in de CROW-publicatie gekeken naar de categorie 'huur, huis, vrije sector'. Daarnaast is gekeken naar de categorie 'niet stedelijk'. Het plangebied bevindt zich in de 'rest bebouwde kom'. De verkeersgeneratie komt daarmee uit op 7 verkeersbewegingen per woning. In totaal komt de extra verkeersgeneratie daarmee uit op 4 X 7 = 28 verkeersbewegingen. De bestaande infrastructuur is goed in staat om deze extra verkeersbewegingen op te vangen.
Parkeren
Wat betreft het aspect parkeren is in het geldend bestemmingsplan 'Bitgum - Bitgummole' al een regeling voor parkeren opgenomen. Deze regeling blijft gelden voor het plangebied die ziet op het vastleggen van de bestaande woningaantallen (zie paragraaf 1.2). Om te bepalen wat de parkeerbehoefte voor het plangebied herstructurering is, wordt de 'Nota parkeernormen' van de gemeente Waadhoeke gebruikt (zie paragraaf 3.3.2). De minimale parkeervraag wordt bepaald aan de hand van de parkeernormen uit bijlage 1 van de nota. Deze parkeernormen zijn gebaseerd op de kencijfers uit de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, Van parkeerkencijfers naar parkeernormen'. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Bitgum. Voor het plangebied geldt een gemiddelde norm, die gebaseerd is op 'rest bebouwde kom' uit de CROW-publicatie. Daarnaast ziet voorliggend bestemmingsplan op verschillende typen woningen. De navolgende alinea's beschrijven de benodigde parkeerbehoefte per type en aantal woningen.
Huurwoningen
Het plan ziet onder meer op de toevoeging van 46 sociale huurwoningen, waarvan 39 huurwoningen voor 1-2 persoonshuishoudens, 3 huurwoningen voor gezinnen en 4 levensloopbestendige huurwoningen. Om de parkeerbehoefte voor deze woningen te bepalen kan het best worden aangesloten bij de functie 'Huurhuis (sociale sector)'. De parkeernorm komt daarmee uit op 1,6. Gelet op het aantal van 46 huurwoningen komt de parkeernorm uit op 46 X 1,6 = afgerond 74 parkeerplaatsen. Voor de tussenwoningen zijn parkeerplekken in de vorm van langsparkeren opgenomen in de openbare ruimte. De overige woningen zijn voorzien van twee parkeerplaatsen op eigen erf. Er is voldoende parkeerruimte aanwezig om in de parkeerbehoefte te voorzien.
Koopwoningen
Het plan voorziet los van de 46 sociale huurwoningen tevens in 4 koopwoningen. Voor deze woningen kan aansluiting worden gezocht bij de functie 'Woning (gezin), grondgebonden'. De parkeernorm komt daarmee uit op 4 X 2,1 parkeerplaats per woning = afgerond 9 parkeerplaatsen. Per woning is voorzien in 2 parkeerplaatsen. Dit resulteert in 8 parkeerplaatsen. De resterende parkeerbehoefte van 1 parkeerplaats is in de openbare ruimte opgelost.
Aandeel bezoekers
Naast de parkeergelegenheid voor de woningen zelf, moet er ook voldoende parkeerruimte aanwezig zijn voor bezoekers. Voor de 50 woningen geldt een parkeernorm van 0,3 voor bezoekersparkeren. De parkeernorm voor bezoekers komt daarmee uit op 50 X 0,3 = 15 parkeerplekken. In de bestaande situatie is aan de zuidzijde van de Hillige kamp een volledige strook langsparkeren aanwezig. Deze strook blijft gehandhaafd en vangt een deel van de bezoekersparkeerbehoefte af. Het overige deel wordt opgelost in nieuwe te realiseren parkeerplaatsen in de openbare ruimte (zie ook Bijlage 1). Het planvoornemen voldoet aan de gestelde parkeerbehoefte. Er is genoeg parkeerruimte aanwezig voor bezoekers.
Conclusie parkeren
Het planvoornemen voldoet aan de parkeerbehoefte en is daarmee conform het parkeerbeleid van de gemeente Waadhoeke.
Conclusie
Het planvoornemen kan wat de aspecten verkeer en parkeren betreft uitvoerbaar worden geacht.
Toetsingskader
In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, moet er alsnog een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de mogelijke (milieu)effecten.
Toetsing
Op voorliggend bestemmingsplan is de drempelwaarde voor stedelijke ontwikkeling, D11.2 uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. van toepassing.
D 11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:
Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen een rol. Gelet op het feit dat het hier gaat om herstructering (sloop en nieuwbouw) waarbij er niet of in beperkte omvang sprake is van een toename aan bebouwing (ruimtebeslag) kan de wijziging niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject en is een vormvrije m.e.r.-beoordeling niet aan de orde. Daarnaast zijn de milieueffecten van het planvoornemen in voorgaande paragrafen reeds onderzocht. Op basis hiervan mag worden aangenomen dat de toekomstige activiteiten in het plangebied geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zullen hebben. Naar alle Europese criteria voor de afweging hieromtrent is gekeken. Het planvoornemen geeft dan ook geen aanleiding voor onderzoek in het kader van het Besluit m.e.r.
Naast het voorgaande blijkt uit jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2020:729) dat een bestemmingsplan dat voorziet in 12 woningen, gelet op de aard en omvang ervan, niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Hierbij is van belang dat er sprake is van bestaand bebouwd gebied en dat de voorziene bebouwing beperkt is. Zoals eerder aangegeven heeft voorliggend bestemmingsplan betrekking op herstructurering in bestaand bebouwd gebied waarbij er niet of in beperkte omvang sprake is van extra ruimtebeslag. Bovendien voorziet dit plan slechts in een toevoeging van per saldo vier extra woningen. De voorziene ontwikkeling is niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject. Een plan-MER of vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet nodig.
Conclusie
Een plan-m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht is niet aan de orde. Daarnaast zijn relevante omgevingsaspecten in voorgaande paragrafen voldoende aan de orde geweest om op grond daarvan de uitvoerbaarheid van het plan te kunnen beoordelen.
Dit bestemmingsplan is zodanig vormgegeven dat het voldoet aan de vereisten voortkomend uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Bij de vormgeving van de regels en de verbeelding is aangesloten op de meest recente regeling Ruimtelijke Standaarden ruimtelijke ordening en is de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de digitale verplichtingen zoals die per 01-01-2010 van kracht zijn.
SVBP2012
De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd. Voor de planregels betekent dit dat er sprake is van een aantal dwingend voorgeschreven begripsbepalingen, die worden neergelegd in artikel 1 aangaande de begrippen. Ook schrijft de SVBP2012 voor op welke wijze er invulling moet worden gegeven aan artikel 2 betreffende de wijze van meten. Vanwege het Bro geldt verder een formulering die ten aanzien van de anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht eveneens in de planregels moet worden overgenomen.
Analoog vs. digitaal bestemmingsplan
De regels zijn zo opgesteld dat deze gebruikt kunnen worden in een analoog alsook in een digitaal bestemmingsplan. Op basis van de Wro is het digitaal vastgestelde bestemmingsplan leidend. Als er een verschil bestaat tussen het analoge en digitale bestemmingsplan, is het digitale bestemmingsplan bepalend qua vormgeving en inhoud.
De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier hoofdstukken:
Hoofdstuk 1 - Inleidende regels
In de 'Inleidende regels' zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot.
Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels
In de 'Bestemmingsregels' zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. De regels kunnen onder meer bestaan uit de volgende onderdelen:
In de bestemmingsomschrijving is uitgegaan van een volledige opsomming van wat binnen een bestemming functioneel ten aanzien van het gebruik van de gronden is toegestaan. Soms kan het voorkomen dat verschillende functies of bestemmingen naast elkaar zijn toegelaten, soms als primaire bestemming en soms als ondergeschikte bestemming.
De bouwregels bieden voor iedere bestemming het kader in hoeverre er ergens gebouwd mag worden. Er zijn regels gesteld met betrekking tot het oprichten van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bouwregels kunnen eisen wat betreft maatvoering, oppervlakte- en inhoudsbepalingen en aantallen te plaatsen bouwwerken omvatten.
Met het afwijken van de bouwregels wordt geregeld dat door het bevoegd gezag in voorkomende gevallen onder voorwaarden bij verschillende bestemmingen kan worden afgeweken van de eerder opgenomen bouwregels per bestemming.
Met specifieke gebruiksregels is vastgelegd welk gebruik in ieder geval tot strijdig met het in de bestemmingsomschrijving toegestane gebruik wordt gerekend.
Door deze regel is de verplichting opgelegd om bij het uitvoeren van bepaald werk, geen bouwwerk zijnde of bepaalde werkzaamheden een omgevingsvergunning aan te vragen. Op deze vergunningplicht kunnen uitzonderingen worden geformuleerd. Daarnaast zijn er toetsingscriteria gesteld dan wel is aangegeven wanneer het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheden toelaatbaar zijn.
Hoofdstuk 3 - Algemene regels
In de 'Algemene regels' staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende algemene gebruiksregels. Daarnaast zijn er algemene aanduidingsregels opgenomen.
Algemene aanduidingsregels
Wat betreft de gebiedsaanduiding “luchtvaartverkeerzone – ils verstoringsgebied 1” leidt een overschrijding van de hiervoor geldende hoogtes in het plangebied van 50,8 m en 40,8 m (van west naar oost) tot toetsing van het bouwplan aan de mogelijke verstoring van het radionavigatiesysteem van de vliegbasis. Op voorhand geldt op basis hiervan geen verbod om te bouwen. In het gehele plangebied is een gebiedsaanduiding “luchtvaartverkeerzone – obstakelbeheergebied” van toepassing met betrekking tot concrete en vastliggende bouwhoogtebeperkingen vanwege de invliegfunnel. Hiervoor geldt een maximum hoogte van 45 m.
Daarnaast is er een gebiedsaanduiding opgenomen die op de desbetreffende locaties het maximum aantal woningen in het 'Bestemmingsplan Bitgum-Bitgummole 2017' met identificatienummer 'NL.IMRO.1908.BPBitgumBitgummole-0401' wijzigt. De systematiek van het bestemmingsplan in Bitgum is dat er in de woonbestemmingen is gewerkt met grote bouwvlakken waarin per bouwvlak het maximum aantal woningen is aangeduid. Het plangebied voor de herstructurering is echter beperkter dan de hiervoor bedoelde bouwvlakken. Om te voorkomen dat er op de locaties buiten het plangebied voor de herstructurering op kleinere locaties nog hetzelfde aantal woningen is toegestaan, dient dit te worden aangepast. Met de gebiedsaanduiding 'overige zone - aantal woningen' in combinatie met de maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal wooneenheden' wordt daarom het aantal woningen per bouwvlak aangepast en dit vervangt daarmee de maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal wooneenheden' zoals opgenomen in het 'Bestemmingsplan Bitgum-Bitgummole 2017' met identificatienummer 'NL.IMRO.1908.BPBitgumBitgummole-0401'. Voor het overige blijft het bepaalde in het 'Bestemmingsplan Bitgum-Bitgummole 2017' met identificatienummer 'NL.IMRO.1908.BPBitgumBitgummole-0401' voor de gronden ter plaatse van de gebiedsaanduiding van toepassing.
Van belang is op een van de locaties met de gebiedsaanduiding 'overige zone - aantal woningen' het maximum aantal woningen daarnaast met de feitelijke situatie in lijn is gebracht. Het betreft de locatie gelegen tussen de Frânskeleane, De Tolve en de Hemmemastrjitte. In het 'Bestemmingsplan Bitgum-Bitgummole 2017' met identificatienummer 'NL.IMRO.1908.BPBitgumBitgummole-0401' is op die locatie aangegeven dat het maximum aantal woningen 15 is. Feitelijk staan er op die gronden 23 woningen en dus 8 woningen te veel. Met de gebiedsaanduiding 'overige zone - aantal woningen 17' zorgen we er daarom voor dat de juridische situatie klopt met de feitelijke situatie.
De afwijkingsmogelijkheden in de verschillende bestemmingen en de algemene afwijkingsregels zorgen verder voor enige flexibiliteit in het plan. De algemene afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht; zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen. In de overige regels is tot slot het parkeerverhaal met betrekking tot bouwen of gebruiksverandering uitgewerkt.
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels
Ten slotte bevat het bestemmingsplan nog 'Overgangs- en slotregels'. Dit betreft overeenkomstig de in het Bro voorgeschreven artikelen over het overgangsrecht met betrekking tot gebruik en bouwwerken en afsluitend de slotregel.
Groen
De grotere groenstroken binnen het plangebied zijn bestemd voor 'Groen'. Als primaire functies zijn groenvoorzieningen en bermen toegestaan. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd, behalve kleine gebouwen voor nutsvoorzieningen.
Verkeer - verblijf
De nieuw aan te leggen en bestaande woonstraten vallen onder de bestemming 'Verkeer - Verblijf'. Ook de parkeerstroken zijn geregeld binnen deze bestemming. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd.
Wonen
Alle nieuwe te bouwen woningen zijn geregeld binnen de bestemming 'Wonen'. De woningen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Op de verbeelding zijn ruimte bouwvlakken opgenomen, zodat er enige ruimte is qua situering van de woningen. Per bouwvlak is een maximum aantal woningen opgenomen. In totaal maakt het plan de bouw van 50 woningen mogelijk. Er is aangesloten bij de systematiek van de regeling in het geldende bestemmingsplan 'Bitgum-Bitgummole 2017'. Op één locatie kunnen er rug-aan-rug woningen worden gebouwd (dit is dus geen verplichting), dit in uitzondering op de regel dat de voorgevel van het hoofdgebouw in de naar de weg gekeerde bouwgrens moet worden gebouwd. De regels over bijbehorende bouwwerken komen overeen met de regels over vergunningsvrije bouwwerken. Het gebruik van de woning voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf is tot in een bepaalde mate mogelijk.
Waarde - Archeologie 2
Archeologisch waardevolle gebieden in het plangebied zijn aangegeven met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Hiermee zijn verschillende aanvullende criteria gesteld voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken vanwege ruimtelijke ontwikkelingen in een met ‘Waarde – Archeologie’ bestemd gebied. De gebieden hebben een hoge verwachtingswaarde (op de FAMKE aangegeven als ‘Streven naar behoud’ en ‘Waarderend onderzoek (terpen)’). Voor bouwwerken en daaraan gerelateerde werkzaamheden die groter zijn dan 50 m² en die dieper reiken dan 30 cm dient vooraf een omgevingsvergunning te worden verkregen.
Ter bescherming van de archeologische waarden is tevens een omgevingsvergunning vereist voor diverse werkzaamheden op en in de bodem. Voorwaarde voor het verlenen van een omgevingsvergunning is in alle gevallen dat uit archeologisch onderzoek is gebleken dat geen archeologische waarden zijn aangetroffen of dat deze archeologische waarden niet onevenredig worden geschaad.
Mochten er wel archeologische waarden worden aangetroffen dan kan alleen onder voorwaarden een omgevingsvergunning worden verleend.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld naar aanleiding van een verzoek van de initiatiefnemer. De uit het plan voortkomende kosten zullen door de initiatiefnemer worden gedragen.
De kosten voor het verrichten van de noodzakelijke onderzoeken ten behoeve van de planvorming vanwege dit bestemmingsplan worden door de initiatiefnemer gedragen. Dit geldt eveneens voor de gebruikelijke kosten voor de ambtelijke planbegeleiding.
Fijn Wonen! is één van de vijf onderwerpen die aan de basis staan van het coalitieakkoord. Daarin is bij het thema Wonen onder andere aangegeven dat het van belang is om via het Stads- en Dorpsvernieuwingsfonds te investeren in de openbare ruimte bij herstructurerings- en nieuwbouwprojecten.
Woningbouw is een investering voor de lange termijn. Dat betekent ook dat de gemeente bij een herstructurering streeft naar een optimale situatie passend bij het dorp en de directe omgeving. In dit geval brengt dit met zich mee dat de bestaande structuur wordt gewijzigd waardoor aanpassingen in de infrastructuur noodzakelijk zijn. Het streven hierbij is om de openbare ruimte vanuit de sociale inclusiegedachte zo in te richten dat deze uitnodigt tot ontmoeten, bewegen, sporten en spelen. Om de betaalbaarheid te garanderen heeft de gemeente besloten mee te investeren in de openbare ruimte.
Door het opstellen van dit bestemmingsplan voor de betreffende gronden is de kans aanwezig dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in planschade wordt ingediend. Diegenen die schade ondervinden aan de hand van de bestemmingsplanherziening, omdat hun onroerend goed in waarde vermindert, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven) wanneer dit boven de 2% van de waarde van het onroerend goed uitkomt. Wat planschade betreft zijn afspraken gemaakt tussen gemeente en initiatiefnemer.
Het kostenverhaal, evenals de afwenteling van de planschade, wordt gedragen door de initiatiefnemer. Daarnaast investeert de gemeente mee voor de inrichting van het openbaar gebied. Op basis van deze overweging dient het planvoornemen van dit bestemmingsplan economisch als uitvoerbaar te worden geacht. Voorgaande betekent dat dit bestemmingsplan niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.
Tijdens een tweetal informatiebijeenkomsten op 8 juli en 20 september 2021 heeft woningcorporatie Wonen Noordwest Friesland (WNWF) haar huurders op de hoogte gesteld van de voorgenomen herstructureringsopgave. Daarna heeft WNWF, conform het protocol, individuele gesprekken gevoerd met de huidige huurders. Uiteindelijk heeft dit ertoe geleid, dat op 22 december 2021 alle betrokken huurders in Bitgum op de hoogte konden worden gebracht dat de benodigde 70% draagvlak ruimschoots is behaald. Ook dorpsbelang Bitgum is door de woningcorporatie meegenomen in het boven benoemde proces
Na een intensief voortraject waarbij input is opgehaald middels diverse bewonersavonden, keukentafelgesprekken en contactmomenten met de buurt, is het concept stedenbouwkundig plan op de jaarvergadering 2021 van Dorpsbelang op 7 april 2022 gepresenteerd aan de dorpsbewoners.
Het conceptbestemmingsplan “Bitgum – Hillige Kamp en Hemmemastrjitte” is voor het wettelijk overleg naar diverse partijen toegestuurd. Van de volgende organisaties is een reactie ontvangen:
Hierna worden de ontvangen reacties kort samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie. De ontvangen overlegreacties zijn als Bijlage 15 bij de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen.
Ad.1 Provinsje Fryslân
De Provinsje heeft op de onderwerpen archeologie en cultuurhistorie opmerkingen gemaakt.
Archeologie
Er kan worden ingestemd met het uitstellen van het proefsleuvenonderzoek. Uitvoering van het onderzoek wordt geregeld via de dubbelbestemming. Om mogelijke verstoring van archeologische waarden tijdens de sloop van de woningen te voorkomen is het beter om het proefsleuvenonderzoek voorafgaand aan de sloop uit te voeren. Geadviseerd wordt een Plan van Aanpak op te stellen voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek en dit af te stemmen met de provinciaal archeoloog.
Reactie
Op het moment van schrijven zijn de in het plangebied aanwezige woningen deels al gesloopt. Voor die woningen is een sloopmelding ingediend. Er zijn geen gronden geweest om de melding te weigeren. De meest noordelijk gelegen woningen, zijn deels nog bewoond en zullen in een later stadium worden gesloopt. Het archeologisch proefsleuvenonderzoek is reeds op 26 en 27 juni 2023 uitgevoerd. Basis voor het onderzoek vormde een door de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Waadhoeke, geaccordeerd Progragmma van Eisen (PvE). Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek zal worden bepaald of en in welke vorm nader archeologisch onderzoek nodig is. Uiteraard zijn wij bereid om de resultaten van het proefsleuvenonderzoek en eventueel vervolgonderzoek af te stemmen met de provinciaal archeoloog.
Paragraaf 4.4.1 Archeologie van de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan wordt naar aanleiding van deze overlegreactie aangevuld.
Cultuurhistorie
In de plantoelichting wordt aangegeven dat een deel van het te vervangen complex karakteristieke huurwoningen betreft. Het betreft Delfts Rood en woningen die vallen binnen de categorie Jonge bouwkunst, vermeld op de provinciale cultuurhistorische kaart (verder te noemen CHK2).
De motivatie voor de sloop, dat de woningen niet meer van deze tijd zijn, vindt de Provinsje onvoldoende onderbouwing .
In de beschrijving van de CHK2 wordt om te beginnen het hele gebied aangeduid als wederopbouwwijk.
Binnen de wederopbouwwijk zijn verschillende karakteristieke panden aanwezig. De karakteristieke waarde uit deze bouwperiode (met name Delfts Rood) rechtvaardigt een nadere zorgvuldige afweging of behoud toch mogelijk is.
Mogelijk zijn ook de uitkomsten van het archeologisch onderzoek nog van invloed op de keuze om te behouden of te slopen.
De Provinsje gaat graag met de gemeente in gesprek om te verkennen wat de mogelijkheden zijn om de wederopbouwwijk en de karakteristieke woningen geheel of gedeeltelijk te handhaven en aan te passen aan de huidige eisen.
Reactie:
Het voorliggende bestemmingsplan betreft een gedeeltelijke herziening van het geldende bestemmingsplan, vastgesteld op 2 november 2017. In de toelichting van het geldende bestemmingsplan wordt uitvoerig ingegaan op de cultuurhistorie, deels gebruikmakend van de CHK2 van de provincie. In dat bestemmingsplan zijn diverse beschermingsregelingen ten aanzien van cultuurhistorie getroffen. De regeling is hier enkel gericht op bescherming van de hoofdvorm. Behoud van de woningen kan niet worden afgedwongen. Voorts is er hier geen sprake van een beschermd dorpsgezicht. Dit gegeven is destijds mede vertrekpunt geweest voor de overleggen met de partijen om te komen tot een verantwoorde herstructurering van de woningvoorraad in Bitgum. Dit participatieproces heeft uiteindelijk geleid tot het voorliggende plan, waarbij op de volgende wijze rekening is gehouden met de cultuurhistorische waarden en het karakter van de wijk:
Hierbij kan nog worden opgemerkt dat er voor het plangebied geen apart beeldkwaliteitsplan wordt vastgesteld. De gemeentelijke welstandsnota is en blijft op deze locatie van toepassing. Deze nota is toegespitst op de huidige bebouwing, passend in een dorp. Doordat de te realiseren woningen moeten voldoen aan de uitgangspunten van de welstandsnota is geborgd dat aan de bestaande architectuur gerefereerd wordt, en dat de architectuur passend is in de omgeving.
Alhoewel het voor dit plan niet direct relevant is, is het hier toch het vermelden waard dat de gemeente Waadhoeke bezig is met de inventarisatie van behoudenswaardige panden binnen de gemeente. Verwacht wordt deze inventarisatie dit jaar af te ronden om in 2024 aan te kunnen vangen met het opstellen van (monumenten)beleid om zo tot een weloverwogen bescherming van cultuurhistorisch waardevolle panden in de gemeente te kunnen komen. De Provinsje zal betrokken worden bij het opstellen van dit beleid.
Op basis van vorenstaande zal de sloop van de woningen nader worden onderbouwd in paragraaf 4.4.2 Cultuurhistorie van de toelichting.
Ad. 2 Brandweer Fryslân
Brandweer Fryslân heeft geen bezwaar tegen de bestemmingswijziging. Wel wordt een knel-/aandachtspunt met betrekking tot de bereikbaarheid voorzien in het plangebied. De brandweer adviseert om de nieuwe wegen in het plangebied uit te voeren volgens de in het advies genoemde voorwaarden. De voorwaarden hebben betrekking op minimale breedte, doorgangshoogte, draagkracht en bochtstralen van de wegen.
Reactie
Het bestemmingsplan verzet zich niet tegen de uitvoering van de in het advies opgenomen voorwaarden. De voorwaarden zullen, daar waar mogelijk, bij de aanleg van de wegen worden betrokken. Als bij de aanleg van de wegen blijkt dat niet aan de voorwaarden kan worden voldaan zal hierover contact met de brandweer worden opgenomen.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 5 september tot en met 16 oktober 2023 voor zienswijzen ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is één zienswijzen ontvangen. Deze zienswijze is van een reactie voorzien in de Reactie- en antwoordnota zienswijzen (Bijlage 16). De zienswijzen leiden wel tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Daarnaast zijn er een aantal ambtshalve wijzigingen verwerkt. Deze zijn ook opgenomen in Bijlage 16. Het bestemmingsplan is ook op 21 december 2023 gewijzigd vastgesteld. Het raadsbesluit maakt onderdeel uit van de publicatie op ruimtelijkeplannen.