direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De eigenaar van het agrarisch bedrijf aan de Tiendweg-West 30A in Lekkerkerk is voornemens om de agrarische bedrijfsactiviteiten te beëindigen en een groot deel van de agrarische opstallen te slopen. Het perceel Tiendweg-West 30A wordt heringericht. Door bedrijfsbeëindiging en sloop van de opstallen wordt het mogelijk een compensatiewoning te realiseren, deze is beoogd op het perceel naast Tiendweg-West 8B (kadastraal perceel LKK00 - D - 6851). Het initiatief maakt de beëindiging van de agrarische activiteiten, de herinrichting van het perceel Tiendweg-West 30A en de realisatie van een nieuwe woning op het perceel naast Tiendweg-West 8B mogelijk.

In het geldende bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Nederlek)', zoals vastgesteld op 14 juli 2020, hebben beide percelen aan de Tiendweg-West een agrarische bestemming. De beoogde herontwikkeling voorziet in het beëindigen van de agrarische bedrijfsactiviteiten en het mogelijk maken van een woonfunctie. Voorgenomen ontwikkeling kan derhalve niet gerealiseerd worden op basis van het vigerende bestemmingsplan.

De gemeente Krimpenerwaard wil medewerking verlenen aan het beoogde plan. Om de herontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan benodigd. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Uitgangspunten voor het plan

1.2.1 Doel

Het doel is om de bedrijfsbeëindiging van het agrarisch bedrijf aan de Tiendweg-West 30A in Lekkerkerk mogelijk te maken, herinrichting op het perceel mogelijk te maken en een compensatiewoning te realiseren op het perceel naast Tiendweg-West 8B in Lekkerkerk. In dit kader wordt een deel van de bestaande bebouwing aan de Tiendeweg-West 30A gesloopt en vindt nieuwbouw plaats op het perceel naast Tiendweg-West 8B. Het voormalig agrarisch perceel wordt heringericht en het perceel van de compensatiewoning wordt landschappelijk ingepast.

Ter plaatse van de locatie Tiendweg-West 30A wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Aangezien dit enkel een planologische wijziging betreft, wordt deze in voorliggende plantoelichting niet uitgebreid beschouwd.

1.2.2 Stedenbouwkundige inpassing


Tiendweg-West 30A
In de huidige situatie is op de gronden aan de Tiendweg-West 30A stedenbouwkundig duidelijk onderscheid tussen een voor-, midden- en achtererf. Op het voorerf wordt gewoond en is de woning met een bijgebouw (schaapskooi) gesitueerd. Er is hier sprake van een landelijk woonkarakter. Op het middenerf bevindt zich de bedrijfsbebouwing en is het terrein ingericht ten behoeve van de agrarische activiteiten. Achter de bedrijfsbebouwing vindt onder andere de opslag van voer en mest plaats in een mest- en sleufsilo.

Op grotere afstand wordt de locatie Tiendweg-West 30A als een ensemble in het open landschap ervaren. De erfbebouwing is in de richting van de strokenverkaveling gesitueerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0003.jpg"

Figuur 1.1: Bestaande situatie Tiendweg-West 30A. Bron: inrichtingsplan initiatiefnemer

Perceel naast Tiendweg-West 8B
In de huidige situatie is op de gronden naast Tiendweg-West 8B geen bebouwing aanwezig. Het perceel wordt begrensd door een watergang en naastgelegen bebouwde percelen; Tiendweg-West 8B en Tiendweg-West 10. Op de genoemde locaties is een hoofdgebouw (woning) gesitueerd en enkele bijgebouwen. Ook ten zuiden van de gronden naast Tiendweg-West 8B bevinden zich woningen. Stedenbouwkundig gezien is het perceel derhalve onderdeel van het bebouwingslint van Lekkerkerk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0004.jpg"

Figuur 1.2: Bestaande situatie perceel naast Tiendweg-West 8B. Bron: inrichtingsplan initiatiefnemer

In paragraaf 2.5.3 wordt het stedenbouwkundig plan voor de toekomstige situatie beschreven.

1.2.3 Landschappelijke inpassing

Beide percelen liggen in het slagenlandschap. Dit landschap kenmerkt zich door een langwerpige strokenverkaveling met smalle percelen. Daarnaast is sprake van een open karakter met verre doorzichten. De Tiendweg-West, waar beide locaties (zowel het agrarisch perceel met nummer 30A als het perceel naast nummer 8B) aan gelegen zijn, is dwars op de richting van de strokenverkaveling gesitueerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0005.jpg"

Figuur 1.3: Ligging beide percelen in het slagenlandschap. Bron: inrichtingsplan initiatiefnemer

Tiendweg-West 30A
Het agrarisch erf in het open gebied is met name op het voorerf voorzien van een bestaande landschappelijke inpassing. Tussen de Tiendweg-West en de woning is een boomgaard gesitueerd. Aan de westzijde hiervan, tussen de bestaande hoogspanningsmast en de woning, bevindt zich een elzensingel. Zie figuur 1.1.

Perceel naast Tiendweg-West 8B
In de huidige situatie bestaat het perceel naast Tiendweg-West 8B uit een agrarisch perceel met aan de straatzijde (zuidzijde) een solitaire boom. Van overig opgaand groen is op de locatie geen sprake. Omliggende percelen zijn met name aan de randen voorzien van een groene inpassing. Zie figuur 1.2.

In paragraaf 2.5.4 wordt de landschappelijke inpassing in de toekomstige situatie beschreven.

1.3 Plangebied

Het plangebied bestaat uit twee locaties aan de Tiendweg-West in Lekkerkerk. De locatie Tiendweg-West 30A bevindt zich in het landelijk gebied van de gemeente Krimpenerwaard en is gesitueerd in het agrarisch gebied. Het perceel naast Tiendweg-West 8B ligt ook aan het dorpslint met een landelijk karakter, maar is gelegen nabij de kern van Lekkerkerk en valt daardoor in de randzone van de bebouwde kom. Door de ligging is de locatie zeer geschikt als woonlocatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0006.jpg"

Figuur 1.4: Luchtfoto plangebied Tiendweg-West 30A, plangebied bij benadering rood omlijnd. Bron: QGIS, eigen bewerking.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0007.png"

Figuur 1.5: Luchtfoto plangebied perceel naast Tiendweg-West 8B, plangebied bij benadering rood omlijnd. Bron: QGIS, eigen bewerking.

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 1 vormt de inleiding op het plan. Vervolgens is in hoofdstuk 2 de huidige situatie nader toegelicht. In hoofdstuk 3 komen het beleid en algemene regels van het rijk, de provincie, de regio en de gemeente aan de orde. In hoofdstuk 4 is aandacht besteed aan verschillende omgevingsaspecten, zoals archeologie en cultuurhistorie, ecologie, water en milieu. Per aspect zijn de van toepassing zijnde regelgeving en het beleid genoemd. Vervolgens zijn de onderzoeken beschreven en conclusies getrokken. Hoofdstuk 5 behelst de juridische opzet en in hoofdstuk 6 wordt de financiële haalbaarheid en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie ter plaatse van het plangebied beschreven. Ook wordt een planbeschrijving gegeven van de beoogde ontwikkeling. Naast de ligging, kenmerken van de omgeving en de ruimtelijke structuur wordt ingegaan op het vigerende bestemmingsplan. Onderdeel van de planbeschrijving zijn eveneens een beschrijving van de uitgangspunten.

2.2 Ligging plangebied

Het plangebied bestaat uit twee locaties gemeente Krimpenerwaard. Beide locaties liggen aan de Tiendweg-West.

De locatie Tiendweg-West 30A is gesitueerd in het agrarisch gebied en is kadastraal bekend als (delen van) de volgende percelen: gemeente Lekkerkerk, sectie D, nummers 6525, 6532, 6967, 6968 en 7099. Niet alle genoemde kadastrale percelen zijn geheel onderdeel van het plangebied. Het op figuur 1.4 aangegeven gebied heeft een oppervlakte van ca. 16.000 m².

Het perceel naast Tiendweg-West 8B ligt nabij de kern van Lekkerkerk en is kadastraal bekend als een deel van het volgende kadastrale perceel: gemeente Lekkerkerk, sectie D, nummer 6851. De locatie heeft een oppervlakte van ca. 2.450 m². De begrenzing van deze locatie is aangegeven in figuur 1.5.

Het plangebied ligt ten noorden van de Lek. Het perceel aan de Tiendweg-West 30A ligt tussen Krimpen aan de Lek en Lekkerkerk. Binnen een afstand van ca. 1,4 km vanaf de locatie wordt de bebouwde kom van Lekkerkerk bereikt. Circa 200 meter daarvoor ligt, aan de noordzijde van de Tiendweg-West, het perceel naast Tiendweg-West 8B. Doordat aan beide zijden van dit perceel sprake is van bebouwde percelen en aan de zuidzijde van de Tiendweg-West eveneens bestaande woningen aanwezig zijn, is dit perceel onderdeel van het bebouwingslint langs de Tiendweg-West.

2.3 Ruimtelijke structuur


Tiendweg-West 30A
De gronden aan de Tiendweg-West 30A liggen in het landelijk gebied van de gemeente Krimpenerwaard. Het slagenlandschap is er goed bewaard gebleven. De strokenverdeling in een regelmatig patroon met sloten is goed herkenbaar. De hoofdactiviteit in dit gebied zijn de grondgebonden agrarische activiteiten. Hoewel op de planlocatie een intensieve veehouderij is geëxploiteerd, zorgen de omliggende functies en het grondgebruik ervoor dat de agrarische activiteiten passen in de ruimtelijke structuur van het gebied. Rondom de planlocatie liggen veelal agrarische gronden, maar ook enkele burgerwoningen.

Op de planlocatie zelf bestaat de huidige ruimtelijke structuur uit meerdere grotere bouwvolumes. De bouwvolumes hebben verschillende verschijningsvormen, maar volgen allen de richting van het slagenlandschap. De bouwvolumes hebben een duidelijk onderscheid in bebouwing ten behoeve van de woonfunctie en van de agrarische functie. Door het staken van het agrarisch gebruik is een deel van de bebouwing buiten gebruik geraakt en behoeft de bebouwing onderhoud. Ruimtelijk vormt de bedrijfsbebouwing en de bedrijfswoning één ensemble in het open landschap.

Perceel naast Tiendweg-West 8B
Het perceel naast Tiendweg-West 8B ligt eveneens in het landelijk gebied van de gemeente Krimpenerwaard. Ook op deze locatie is het slagenlandschap goed bewaard gebleven, maar de agrarische functie is er meer verweven geraakt met andere functies zoals wonen. Ten zuiden van de planlocatie liggen eveneens woningen maar op iets grotere afstand bevinden zich de voetbalvelden. Verder bevinden zich in de directe omgeving van de locatie ook een maatschappelijke functie en een niet-agrarisch bedrijf. Door de ligging op korte afstand van de kern van Lekkerkerk is er rondom de planlocatie een grotere verscheidenheid aan functies in het landelijk gebied ontstaan.

Op de planlocatie zelf is sprake van agrarisch grondgebruik zonder bebouwing (weidegrond). De aangrenzende percelen (Tiendweg-West 8B en Tiendweg-West 10) betreffen beide woonpercelen. De bestaande omliggende bebouwing is veelal gesitueerd parallel aan de strokenverkaveling.

2.4 Vigerend bestemmingsplan

Voor beide locaties in het plangebied vigeren op dit moment de volgende bestemmingsplannen:

  • bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Nederlek)', vastgesteld op 14 juli 2020;
  • parapluplan 'Parkeren Krimpenerwaard', vastgesteld op 29 januari 2019.
2.4.1 Bestemmingsplan 'Landelijk Gebied'


Tiendweg-West 30A
Binnen het plangebied aan de Tiendweg-West 30A vigeren uit het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied' de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden' en de dubbelbestemmingen 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' en (voor een groot deel van het plangebied) 'Waarde - Archeologie'. Gekoppeld aan de dubbelbestemming voor archeologie is de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - vaw5' opgenomen. Daarnaast geldt in het gehele plangebied de functieaanduiding 'landschapswaarden'. Verder is op het plangebied een ruim bouwvlak begrensd en geldt binnen een deel van dit bouwvlak de functieaanduiding 'intensieve veehouderij'. Het plangebied is tevens gelegen in enkele gebiedsaanduidingen, namelijk 'milieuzone - boringsvrije zone', 'milieuzone - stiltegebied' en 'overige zone - beschermingszone eendenkooi'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0008.jpg"

Figuur 2.1: Uitsnede verbeelding vigerende bestemmingsplannen Tiendweg-West 30A. Bron: QGIS, eigen bewerking.

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven. Binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak wordt bebouwing toegestaan voor het agrarisch bedrijf. Daarnaast is ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', zoals voor een deel van het plangebied van toepassing is, een intensieve veehouderijbedrijf toegestaan. Doordat de aanduiding 'landschapswaarden' is opgenomen, zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke waarden.

De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding. Bebouwing ten dienste van de hoogspanningsverbinding is toegestaan, alsmede bestaande bebouwing op grond van de andere voorkomende bestemming(en). Het toestaan van nieuwe gevoelige bestemmingen waarbij kinderen langdurig verblijven, is binnen deze bestemming niet toegestaan.

In gevolge van de dubbelbestemming voor archeologie en de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - vaw5' geldt een verbod voor het verstoren van het maaiveld indien de verstoring dieper dan 4 meter beneden het maaiveld én over een groter gebied dan 1.000 m² plaatsvindt.

Ter plaatse van de boringsvrije zone is sprake van het grondwaterbeschermingsgebied en het waterwingebied. De grond is bestemd voor de bescherming van de afdekkende laag van het waterdoorvoerende pakket en mag niet dieper dan 2,5 meter onder het maaiveld worden geroerd. Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - stiltegebied' zijn de gronden bestemd voor het voorkomen en beperken van geluidhinder. De ligging binnen de beschermingszone van de eendenkooi heeft tot gevolg dat bij de in bestemmingsplan opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden alsmede bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden rekening dient te worden gehouden met het afpalingsrecht als bedoeld in de Flora- en faunawet. De Flora en faunawet is per 1 januari 2017 opgenomen in de Wet Natuurbescherming.

Perceel naast Tiendweg-West 8B
Binnen het plangebied op het perceel naast Tiendweg-West 8B vigeren, uit het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied', de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden' en (voor een groot deel van het plangebied) de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Gekoppeld aan de dubbelbestemming voor archeologie is de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - vaw4' opgenomen. Daarnaast geldt in het gehele plangebied de functieaanduiding 'landschapswaarden' en de gebiedsaanduiding 'milieuzone - boringsvrije zone'. Op de verbeelding bij het bestemmingsplan is geen bouwvlak opgenomen binnen dit plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0009.png"

Figuur 2.2: Uitsnede verbeelding vigerende bestemmingsplannen perceel naast Tiendweg-West 8B. Bron: QGIS, eigen bewerking.

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, maar door het ontbreken van een bouwvlak is geen (bedrijfs)bebouwing toegestaan. Doordat de aanduiding 'landschapswaarden' is opgenomen, zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke waarden.

In gevolge van de dubbelbestemming voor archeologie en de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - vaw4' geldt een verbod voor het verstoren van het maaiveld indien de verstoring dieper dan 2 meter beneden het maaiveld én over een groter gebied dan 2.500 m² plaatsvindt.

Ter plaatse van de boringsvrije zone is sprake van het grondwaterbeschermingsgebied en het waterwingebied. De grond is bestemd voor de bescherming van de afdekkende laag van het waterdoorvoerende pakket en mag niet dieper dan 2,5 meter onder het maaiveld worden geroerd.

2.4.2 Parapluplan 'Parkeren Krimpenerwaard'

Voor beide plangebieden aan de Tiendweg-West geldt het parapluplan 'Parkeren Krimpenerwaard'. In dit parapluplan is opgenomen dat voor wat betreft het aspect parkeren een plan dient te worden getoetst aan de richtlijnen uit de CROW-publicatie 317, dan wel naar later vast te stellen beleidsregels voor parkeernormen. In de regels van het parapluplan is tevens voorzien in een afwijkingsmogelijkheid. In paragraaf 4.10 van deze toelichting wordt het voorgenomen plan getoetst aan de regels uit het parapluplan.

2.5 Nieuwe situatie

Door middel van voorliggend bestemmingsplan wordt de bedrijfsbeëindiging van het agrarisch bedrijf aan de Tiendweg-West 30A in Lekkerkerk mogelijk gemaakt. Tevens wordt dit perceel heringericht en wordt een deel van de bestaande bebouwing gesloopt. In dit kader wordt een compensatiewoning gerealiseerd op het perceel naast Tiendweg-West 8B in Lekkerkerk.

Compensatiewoningen onder de ruimte-voor-ruimteregeling worden doorgaans op het eigen perceel gebouwd. In dit bestemmingsplan is de compensatiewoning voorzien op een ander perceel. De beoogde locatie van deze compensatiewoning is in het principebesluit reeds door het bevoegd gezag als passend beoordeeld. Dit in verband met de beperkingen hiervoor op het perceel Tiendweg-West 30A. Het toevoegen van woningen nabij een hoogspanningsmast, die aan de zuidwestzijde van het perceel 30A is gesitueerd, is ongewenst. Dit wordt afgeraden in verband met gezondheidsoverwegingen. Bovendien is op het perceel een stiltegebied van toepassing en voor een groot deel ook een beschermingszone eendenkooi. Daarbij zijn aan de noord/oostzijde van het perceel niet voldoende mogelijkheden om een compensatiewoning ruimtelijk in te passen en toch voldoende ruimtelijke kwaliteit te creëren.

De huidige beoogde herinrichting van het perceel Tiendweg-West 30A en het perceel naast 8B draagt bij tot een stedenbouwkundige en landschappelijk kwaliteitsslag. Het perceel naast 8B is geen onderdeel van het stiltegebied, ligt op voldoende afstand van de eendenkooi en ligt in een bestaand bebouwingslint, aansluitend op de kern.

2.5.1 Ruimtelijke uitgangspunten


Tiendweg-West 30A
Door het beëindigen van de agrarische activiteiten heeft een groot deel van de bestaande bebouwing zijn gebruik verloren. Het oppervlak aan bebouwing wordt teruggedrongen door sloop. De bestaande loods en garage blijven behouden en worden gebruikt ten behoeve van activiteiten. Bovendien worden op de omliggende agrarische gronden activiteiten toegestaan, zoals het gebruik als pluktuin. Er blijft hierdoor onderscheid bestaan tussen de woonfunctie en overige activiteiten op het perceel. Het saneren van de vrijgekomen agrarische bebouwing zorgt voor een kwaliteitswinst en voorkomt verder verval van leegstaande opstallen.

Perceel naast Tiendweg-West 8B
Op het perceel naast Tiendweg-West 8B wordt de woonfunctie mogelijk gemaakt. Dit perceel is onderdeel van het bebouwingslint langs de Tiendweg-West en de nieuw te realiseren woning sluit hier qua verschijningsvorm op aan. De situering van de woning is afgestemd op het slagenlandschap en de omliggende bestaande bebouwing en de bestaande groen- en waterstructuur.

2.5.2 Functionele uitgangspunten


Tiendweg-West 30A
De planlocatie betreft een bestaand agrarisch bedrijf (intensieve veehouderij) dat niet meer als zodanig in gebruik is. Door herontwikkeling wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet tot een burgerwoning. De gronden (inclusief de te behouden loods en garage) krijgen een nieuw gebruik door hier diverse activiteiten toe te staan. Omdat de definitieve invulling van deze activiteiten nog nader bepaald dient te worden, is enige flexibiliteit gewenst. Het bestemmingsplan staat dan ook een variatie aan activiteiten toe. Functioneel voorziet de wijziging derhalve in het beëindigen van de agrarische bedrijfsactiviteiten en het opnemen van de burgerwoonfunctie en activiteiten.

Perceel naast Tiendweg-West 8B
Op het perceel naast Tiendweg-West 8B wordt de woonfunctie gerealiseerd. Het bestemmingsplan maakt een hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mogelijk. Het agrarisch grondgebruik ter plaatse van het plangebied wordt beëindigd, maar de nieuw toe te voegen bebouwing wordt landschappelijk ingepast. De gronden rondom de woning zullen worden ingericht als siertuin en voorzien van een boomgaard. Bovendien is een nieuwe kavelsloot met natuurvriendelijke oever voorzien. In paragraaf 2.5.4 wordt hier nader op ingegaan.

2.5.3 Stedenbouwkundig plan


Tiendweg-West 30A
In de toekomstige situatie worden de agrarische activiteiten beëindigd, waardoor een groot deel van de bestaande bebouwing kan worden gesloopt en de verharding op het erf kan worden teruggedrongen. Op onderstaande figuur is de te slopen bebouwing rood gearceerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0010.png"

Figuur 2.3: Te slopen bebouwing Tiendweg-West 30A. Bron: inrichtingsplan initiatiefnemer

Het verhard oppervlak neemt in de nieuwe situatie af met ruim 2.100 m². Op het voorerf staat in de huidige situatie de bedrijfswoning. Deze woning blijft behouden, evenals de ten noordwesten daarvan gelegen garage. Deze garage is in de bestaande situatie nog onderdeel van een groter bouwwerk. Van de voormalig agrarische opstallen resteert in de toekomstige situatie bovendien de grote loods. Op deze loods zijn reeds zonnepanelen geplaatst. Stedenbouwkundig blijft er een onderscheid bestaan tussen het voor- en achtererf.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0011.png"

Figuur 2.4: Voorlopige impressie nieuwe situatie perceel Tiendweg-West 30A. Bron: inrichtingsplan initiatiefnemer

Perceel naast Tiendweg-West 8B
In de toekomstige situatie wordt op het perceel naast Tiendweg-West 8B een woning gerealiseerd. De situering van de woning is afgestemd op het kenmerkende landschap en zal qua verschijningsvorm aansluiten op het karakter in het omliggende gebied. Tevens wordt bij de nadere uitwerking van het plan rekening gehouden met de bestaande omliggende woningen. Aan de noordrand wordt een kavelsloot met natuurvriendelijke oever gegraven. Deze ligt in het verlengde van de bestaande kavelsloot ter hoogte van het ten oosten gelegen kavel (het perceel met huishummer 8B). De nieuw te realiseren kavelsloot kan worden voorzien van een dam (met duiker), om de toegang tot het achtergelegen weiland te waarborgen. Het landschappelijk inpassingsplan (zie paragraaf 2.5.4) heeft tot gevolg dat de nieuwe ontwikkeling op het perceel goed ingepast wordt in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0012.png"

Figuur 2.5: Mogelijke invulling nieuwe situatie perceel naast Tiendweg-West 8B. Bron: inrichtingsplan initiatiefnemer

2.5.4 Landschappelijke inpassing


Tiendweg-West 30A
In gevolge van het saneren van een groot deel van de voormalig agrarische opstallen ontstaat op de locatie ruimte voor een kwalitatief hoogwaardige landschappelijke inpassing. Langs de sloten, zoals kenmerkend in het slagenlandschap, is de aanplant van knotwilgen passend. Hierdoor blijven doorzichten naar de bebouwing bestaan, maar wordt de overgang van het open landschap naar het bebouwde erf verzacht. Tussen de bestaande woning en de hoogspanningsmast wordt de bestaande elzensingel behouden. Diverse andere bestaande beplanting, waaronder de coniferenhaag aan de westzijde en treurwilg aan de zuidzijde van het perceel, blijven conform het landschappelijke inpassingsplan behouden.

Verder worden de gronden langs de oostzijde van het perceel voorzien van een kruiden- en bloemenrijk mengsel. Gecombineerd met enkele heesters en solitaire bomen (inheemse soorten) zorgt dit voor een aantrekkelijk gebied voor onder andere vogels en insecten. Mogelijk wordt dit in de toekomst verder uitgebreid met een zogenaamde pluktuin (openbare moestuin). In figuur 2.5 is een vogelvlucht ingevoegd van de toekomstige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0013.jpg"

Figuur 2.6: Vogelvlucht mogelijke invulling van de nieuwe situatie perceel Tiendweg-West 30A. Bron: inrichtingsplan initiatiefnemer

Perceel naast Tiendweg-West 8B
Ter plaatse van het perceel naast Tiendweg-West 8B worden in de huidige situatie grote doorzichten naar het open gebied beperkt door bestaande opgaande beplanting. De nieuw te realiseren woning op de locatie wordt voorzien van een landschappelijke inpassing met onder andere een boomgaard aan de noordoostzijde van de woning. De aan te brengen erfverharding, in de vorm van onder andere een in-/uitrit en terras, zal beperkt zijn. Aan de noordzijde wordt het nieuwe woonerf begrensd door een nieuw aan te leggen watergang (kavelsloot), voorzien van een natuurvriendelijke oever. Het achterliggende weideperceel blijft behouden en kan in de toekomstige situatie onder meer bereikbaar worden gemaakt via een toegangsdam over de kavelsloot. De locatie van de mogelijke toegangsdam is op het landschappelijk inpassingsplan indicatief weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0014.jpg"

Figuur 2.7: Visualisatie van de mogelijke nieuwe situatie perceel naast Tiendweg-West 8B. Bron: inrichtingsplan initiatiefnemer

2.6 Strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan

Voor het plangebied vigeren op dit moment het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Nederlek)' en het parapluplan 'Parkeren Krimpenerwaard'. Binnen de plangebieden aan de Tiendweg-West 30A en het perceel naast Tiendweg-West 8B vigeert de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden'. De voorgenomen herontwikkeling is strijdig met onder andere de enkelbestemming uit dit bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Nederlek)' doordat er een woningbouwontwikkeling mogelijk wordt gemaakt en de agrarische bedrijfsactiviteiten worden beëindigd. Om dit plan mogelijk te maken is ervoor gekozen om een nieuw bestemmingsplan op te stellen.

Hoofdstuk 3 Beleidskaders

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie (2020)

Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld.

In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0015.png"

Figuur 3.1: Afwegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie)

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.

De vier prioriteiten
De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten.

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Drie afwegingsprincipes
Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd:

  • 1. Combineren boven enkelvoudig
  • 2. Kenmerken & identiteit
  • 3. Afwentelen voorkomen


Relatie tot het bestemmingsplan
In de uitwerking van prioriteit 4 'Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied' zijn een aantal beleidskeuzes opgenomen. Eén van de beleidskeuzes is als volgt: "Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschapsinclusief".

Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied van de gemeente Krimpenerwaard en ligt in het kenmerkende slagenlandschap. Het doel is om de kwaliteit van het landschap te versterken en te beschermen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het staken van de agrarische bedrijfsactiviteiten, de herinrichting van dit perceel en de bouw van een nieuwe woning nabij de kern van Lekkerkerk. De ontwikkeling op het agrarisch erf geeft een impuls aan de kwaliteit in het buitengebied onder andere door het beëindigen van de intensieve veehouderij en de sloop van vrijgekomen agrarische opstallen. De nieuw te bouwen woning wordt op een locatie nabij de kern opgericht en is onderdeel van het bestaande bebouwingslint aan de Tiendweg-West. Het behoud van de landschappelijke waarden wordt tevens gegarandeerd door de landschappelijke inpassingsplannen voor beide locaties.

Conclusie
De Nationale Omgevingsvisie staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van lagere overheden, is het Barro opgesteld. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het Barro is op 1 januari 2017 geconsolideerd. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.

Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.

Ook de bescherming van erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden, zoals de Limes, is in het Barro vastgelegd. Dit is inmiddels doorvertaald in de provinciale structuurvisie en verordening.

Relatie tot het bestemmingsplan
Met het opstellen van dit bestemmingsplan is het Barro als uitgangspunt genomen. Het initiatief ter plaatse van Tiendweg-West 30A en perceel naast Tiendweg-West 8B speelt zich af op lokaal niveau en conflicteert niet met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit bestemmingsplan.

Conclusie
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'.

Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek is ingevoerd ter vervanging van de voorheen geldende.

Het aangepaste artikel 3.1.6, lid 2 Bro luidt als volgt:

De toelichting bij een bestemmingsplan (of uitgebreide omgevingsvergunning, red.) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Een stedelijke ontwikkeling wordt in het Bro gedefinieerd als een "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen".

Relatie tot het bestemmingsplan
Op basis van artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen sprake zijn van zorgvuldig ruimtegebruik. Ook dient overprogrammering te worden voorkomen. De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is hiervoor het uitgangspunt. Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer een ruimtelijk plan voorziet in niet meer dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt (bron: uitspraak 201608869/1/R3, kenmerk: ECLI:NL:RVS:2017:1724).

De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is hiervoor het uitgangspunt. Onderhavig bestemmingsplan maakt de herontwikkeling van een agrarisch bedrijf (intensieve veehouderij) tot een burgerwoning met activiteiten én een compensatiewoning nabij de kern van Lekkerkerk mogelijk. De ontwikkeling kan hierdoor niet wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling conform het Bro. Wel bestaat de algemen verplichting tot het aantonen van de nut en noodzaak van het plan. In de opvolgende paragrafen wordt zowel de regionale als de lokale nut en noodzaak van het plan aangetoond.

Conclusie
Het Besluit ruimtelijke ordening staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie

Per 1 april 2019 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. In de Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld:

  • 1. Naar een klimaatbestendige delta
  • 2. Naar een nieuwe economie: the next level
  • 3. Naar een levendige meerkernige metropool
  • 4. Energievernieuwing
  • 5. Best bereikbare provincie
  • 6. Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving


Beleid ruimtelijke kwaliteit
De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit.

Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten:

  • De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder.
  • Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.
  • Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is.

De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling.

  • 1. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten.
  • 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.
  • 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Bij transformatieopgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen en een kwalitatief optimaal resultaat. Gelet op de verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat. Ook hierbij kunnen ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0016.png"

Figuur 3.2: Soorten ontwikkeling (bron: Provinciale omgevingsvisie)

De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn.

Relatie tot het bestemmingsplan
De beoogde ontwikkeling kan worden toebedeeld aan het type ontwikkeling 'inpassing' (zie figuur 3.2), want het voornemen sluit aan bij de gebiedsidentiteit en voegt zich in de bestaande structuur. De herontwikkeling van een agrarisch bedrijf (intensieve veehouderij) tot woningbouwontwikkeling, waarbij aangesloten wordt bij de ruimte-voor-ruimte regeling, kan worden beschouwd als een gebiedseigen ontwikkeling. Om te beoordelen of de ruimtelijke kwaliteit passend is, is de herontwikkeling getoetst aan de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit. Gekeken is welke kwaliteitskaarten van toepassing zijn op de projectlocatie en welke richtlijnen hierbij horen.

In figuur 3.3 is zichtbaar dat beide locaties gelegen zijn binnen "rivierdeltacomplex - rivierklei/ veen" (kaart: laag van de ondergrond). Het richtpunt voor het rivierdeltacomplex - rivierklei en veen is:

  • Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0017.jpg"

Figuur 3.3: Uitsnede kwaliteitskaart 'Laag van de ondergrond'. Rode ster ter plaatse van Tiendweg-West 30A, oranje ster ter plaatse van het perceel naast Tiendweg-West 8B (bron: gebiedsprofielen.zuid-holland.nl)

Op de kwaliteitskaart 'Laag van de cultuur- en natuurlandschappen' (geen uitsnede van de kaart) zijn de beide locaties aangemerkt als onderdeel van het veen(weide)landschap. De richtpunten in het veen(weide)landschap zijn:

  • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden;
  • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen;
  • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden;
  • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders;
  • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.

In figuur 3.4 is zichtbaar dat het plangebied naast Tiendweg-West 8B is gelegen binnen "stads- en dorpsrand (200 meter)" (kaart: laag van de stedelijke occupatie). Het richtpunt voor de stads- en dorpsrand is:

  • Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0018.jpg"

Figuur 3.4: Uitsnede kwaliteitskaart 'Laag van de stedelijke occupatie'. Rode ster ter plaatse van Tiendweg-West 30A, oranje ster ter plaatse van het perceel naast Tiendweg-West 8B (bron: gebiedsprofielen.zuid-holland.nl)

Op de kwaliteitskaart 'Laag van de beleving' (geen uitsnede van de kaart) is de locatie Tiendweg-West 30A aangemerkt als onderdeel van het stiltegebied. De richtpunten in het stiltegebied zijn:

  • In de stiltegebieden is alleen ruimte voor "gebiedseigen" geluid.

Dit bestemmingsplan heeft geen effect op het richtpunt zoals voortgekomen uit de 'Laag van de ondergrond'. De herontwikkeling heeft niet tot gevolg dat het verschil tussen komgronden en oeverwallen wordt beïnvloed. Het voorgenomen plan sluit goed aan bij de richtpunten die volgen uit de kaart 'Laag van de cultuur- en natuurlandschappen', zo blijft de bestaande kavelstructuur van sloten behouden, worden kenmerkende landschapselementen versterkt en wordt de nieuwe woning geplaatst in het bestaande bebouwingslint aan de Tiendweg-West. In de open polder neemt de hoeveelheid bebouwing juist af. Ook sluit de ontwikkeling aan bij het richtpunt zoals voortgekomen uit de 'Laag van de stedelijke occupatie'. Zowel stedenbouwkundig als landschappelijk is aandacht besteed aan de overgangskwaliteit bij de te realiseren woning op het perceel naast Tiendweg-West 8B. Als laatst is de ontwikkeling ook in overeenstemming met het richtpunt zoals voortgekomen uit de 'Laag van de beleving', dit doordat op de locatie aan de Tiendweg-West 30A de bedrijfsactiviteiten worden beëindigd en er uitsluitend een woning en diverse toegestane activiteiten resteert.

Geconcludeerd wordt dat bij de voorgenomen ontwikkeling aan de van toepassing zijnde relevante richtpunten wordt voldaan. Doordat sprake is van het type ontwikkeling 'inpassing' heeft het plan weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten. Hierdoor ontstaat geen strijdigheid met het provinciaal beleid en past het plan binnen de provinciale Omgevingsvisie.

Conclusie
De provinciale Omgevingsvisie staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening

Per 1 april 2019 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van de gemeenten voldoen. Enkele relevante speerpunten uit de omgevingsverordening zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit en de ladder voor duurzame verstedelijking.

Regels voor ruimtelijke kwaliteit
Voor toetsing aan de provinciale regels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit is vooral de ruimtelijke impact van een ontwikkeling van belang. Hoe groot die ruimtelijke impact is wordt in specifieke gevallen bepaald aan de hand van gebiedsprofielen en door onderscheid te maken in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging.

In artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit van de Omgevingsverordening is opgenomen aan welke voorwaarden een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient te voldoen ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. In geval van het type ontwikkeling 'inpassing' (zie ook paragraaf 3.2.1) speelt de ontwikkeling zich af op het niveau van een kavel. Bestaande structuren en kwaliteiten veranderen niet tot nauwelijks en er wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaarten.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Indien sprake is van een stedelijke ontwikkeling, dient eveneens te worden voldaan aan artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen van de Omgevingsverordening. Bij een stedelijke ontwikkeling in het bestaand stads- en dorpsgebied dient in de toelichting van het bestemmingsplan ingegaan te worden op de ladder voor duurzame verstedelijking. Bij de onderbouwing van de ladder voor duurzame verstedelijking kan verwezen worden naar een regionale visie waar de behoefte van de stedelijke ontwikkeling al is gemotiveerd. De provincie heeft de ladder voor duurzame verstelijking, zoals opgenomen in het Bro, ook opgenomen in de verordening om het provinciaal belang bij de toepassing van de ladder te benadrukken. Indien de ontwikkeling niet binnen bestaand stads- of dorpsgezicht kan worden voorzien kan gebruik worden gemaakt van de aangewezen locaties in het Programma ruimte.

Relatie tot het bestemmingsplan
Uit artikel 6.9 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland volgt dat een ruimtelijke ontwikkeling moet passen binnen de bestaande gebiedsidentiteit en de ruimtelijke ontwikkeling niet mag leiden tot een wijziging op structuurniveau indien sprake is van een inpassing. Bestaande structuren en kwaliteiten veranderen niet tot nauwelijks en er wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaarten, zie ook paragraaf 3.2.1.

Verder is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, zie paragraaf 3.1.3. Derhalve behoeft de ladder voor duurzame verstedelijking niet doorlopen te worden. Echter dient conform de algemene verplichting de nut en noodzaak van het plan aangetoond te worden, dit wordt gedaan in de opvolgende beleidsparagrafen.

Conclusie
De provinciale Omgevingsverordening staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.2.3 Programma Ruimte

Het Programma Ruimte (20 februari 2019) is parallel aan de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgesteld. Het Programma Ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het gaat dan bijvoorbeeld om een locatiespecifieke of programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie. Ook kan het gaan om taken en bevoegdheden van Gedeputeerde Staten.

Relatie tot het bestemmingsplan
Eén van de doelen opgenomen in het Programma Ruimte is het transformeren van gebieden naar een andere functie, daar waar die functie meer passend is. Zowel vanuit kwalitatief oogpunt als vanuit de behoefte. Hoewel het plangebied in het programma niet is opgenomen als belangrijk trransformatiegebied, is wel sprake van een transformatie voor wat betreft de intensieve veehouderij. Op het bedrijfsperceel worden de agrarische bedrijfsactiviteiten beëindigd en resteren de voormalige bedrijfswoning en een loods. De bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning en in de loods wordt een nader te bepalen nevenactiviteit ontplooid. Ter compensatie van de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing wordt een nieuwe woning gerealiseerd op het perceel naast Tiendweg-West 8B. Op deze gronden wordt derhalve de agrarische functie gewijzigd naar een woonfunctie. Uit de toetsing aan de provinciale Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening is naar voren gekomen dat de beoogde woonfunctie op beide locaties passend is (zie ook paragraaf 3.2.1 en 3.2.2).

Gemeente Krimpenerwaard is gelegen binnen de regio Midden-Holland. In 2019 is de meest recente Woningbehoefteraming (WBR) gemaakt door de provincie Zuid-Holland. Volgens de WBR 2019 is woningbehoefte groot. In de gemeente Krimpenerwaard is voor de periode 2020-2025 een gewenste woningvoorraadtoename van 1.460 woningen opgenomen. Dit betekent dat er vanuit de provincie in zijn algemeenheid geen beperkingen worden opgelegd aan het toevoegen van de extra woning in het plangebied. De ontwikkeling is daarmee in lijn met het Programma Ruimte.

Conclusie
Het Programma Ruimte staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.2.4 Provinciale Milieuverordening 2021

Drinkwater is van essentieel belang daarom stelt de provincie regels om de kwaliteit van de drinkwaterwinning in Zuid-Holland te beschermen. Deze regels zijn vastgelegd in de Provinciale Milieuverordening (Pmv). De Pmv 2021 behelst een wijziging van de vigerende regels voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning.

De Pmv 2021 heeft een tijdelijk karakter en zal met de inwerkingtreding van de Omgevingswet opgaan in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOv). Een ontwerp van de ZHOv heeft, in de afgelopen periode voor inspraak ter inzage gelegen. Inwerkingtreding van ZHOv is op dit moment voorzien in 2022.

Relatie tot het plangebied
In het plangebied zijn milieubeschermingsgebieden van toepassing, zoals de boringsvrijezone en het stiltegebied. Boringsvrije zones zijn gelegen als een schil om grondwaterbeschermingszones of om waterwingebieden.

In onderhavig bestemmingsplan zijn hiertoe gebiedsaanduidingen opgenomen, waarmee de milieubescherming voldoende gewaarborgd wordt. Bij uitwerking van de plannen dient rekening gehouden te worden met de vigerende regels vanuit de Pmv.

Conclusie
De Provinciale Milieuverordening staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Krimpenerwaard

De gemeente vindt het van belang om richting te geven aan toekomstige ontwikkelingen. Daarom is voor het hele grondgebied van de gemeente Krimpenerwaard een Omgevingsvisie opgesteld (vastgesteld op 14 juni 2021). Het opstellen van een Omgevingsvisie wordt bovendien verplicht als de Omgevingswet van kracht wordt (naar verwachting in 2022).

De Omgevingsvisie geeft in hoofdlijnen aan hoe de gemeente in samenspraak met de gemeenschap de toekomst van de gemeente Krimpenerwaard ziet.

Bij nieuwe initiatieven, nieuwe ontwikkelingen of nieuw beleid worden, conform de Omgevingsvisie, twee vragen gesteld:

  • 1. Past het bij de Krimpener-waarden?
  • 2. Past het bij de hoofdlijnen van de visie en de speerpunten?

Krimpener-waarden
De waarden van de Krimpenerwaard gaan over de identiteit en kwaliteit van de leefomgeving. De “Krimpener-waarden” zijn als volgt opgedeeld:

  • Waarden van heel de Krimpenerwaard;
  • Waarden per gebied;
  • Waarden van de Kernen

Visie en speerpunten
In de Richting- en Ruimte-kaart geeft de gemeente richting aan gebieden en kernen. Ze geven aan wat belangrijk is voor de toekomst. De gebieden op de Richting- en Ruimte-kaart komen niet overeen met de gebieden op de Identiteits- en Waarden-kaart. Op de identiteitskaart staat de huidige situatie; deze kaart is opgebouwd vanuit historisch perspectief. Om in te kunnen spelen op de opgaven voor de toekomst is een andere gebiedsindeling nodig, zoals verbeeld in de Richting- en Ruimte-kaart.

Op de Richting- en Ruimte-kaart is de Krimpenerwaard verdeeld in een aantal gebieden en zijn de kernen aangegeven. Hierdoor kunnen we per gebied of kern richting meegeven door middel van speerpunten. We onderscheiden de Vitale Kernen (waaronder Lekkerkerk) en een Krachtig buitengebied met daarin verschillende kernen en gebieden.

Relatie tot het plangebied

Krimpener-waarden
De waarden van heel de Krimpenerwaard zijn gericht op: Wonen, werken en leven; Gezond en veilig; Landschap, cultuurhistorie en natuur.

Met betrekking tot de Krimpenerwaarden per gebied is het plangebied voornamelijk gelegen in "Het land van linten en het middengebied". Dit is het centrale veenweidegebied tussen de rivieren van de Krimpenerwaard.

Waarden van dit gebied zijn:

  • Agrarisch karakter;
  • Oorspronkelijk, middeleeuws landschap;
  • Karakteristiek middengebied;
  • Lange bebouwingslinten;
  • Openheid met ruimte voor weidevogels en natuurwaarden;
  • Waterrijk gebied met hoge grondwaterstand;
  • Fiets- en wandelrecreatie en recreatiegebieden;
  • Kleinschalige bedrijvigheid.

Visie en speerpunten
De visie en speerpunten voor de kern Lekkerkerk zijn in onderhavig geval eveneens relevant, met name voor het perceel naast Tiendweg-West 8B, welke binnen de bebouwde kom gelegen is. Daarnaast kan gesteld worden dat het plangebied (deels) is gelegen in het krachtig buitengebied, aangewezen als "Dynamiek langs de rivieren". Langs de rivieren is altijd al veel dynamiek en ontwikkeling geweest. De bodem is hier steviger dan in het midden van de Krimpenerwaard. Dit is gunstig voor landbouw, infrastructuur en bebouwing. Bovendien zijn veel plekken relatief goed bereikbaar. Dit biedt kansen aan ontwikkelingen voor bijvoorbeeld bedrijven. Hierbij houden we rekening met infrastructuur, leefbaarheid, waterveiligheid, drinkwatervoorzieningen en landschappelijke kwaliteiten.

De beoogde ontwikkeling tot nieuwbouw van een woning bij een Vitale Kern, sluit goed aan bij de speerpunten voor de kernen, waaronder: toename woningen in relatie tot behoefte; een diverser woningaanbod; gezond en veilig woon- en leefklimaat. Met de beoogde ontwikkeling worden de bedrijfsactiviteiten tot intensieve veehouderij gestaakt, in het gebied dat wordt gekarakteriseerd als 'dynamiek langs de rivieren'. In plaats van van intensieve veeteeltactiviteiten, wordt een ecologische waardevolle nieuwe invulling gegeven, met typerende landschappelijke beplantingen en bloem- en kruidenrijke weiden. De locatie krijgt hierbij een betere en meer aantrekkelijke inpassing in het huidige landschap en biedt daarbij tevens leefruimte voor insecten en schuil- en nestelplaatsen voor diverse vogelsoorten. Daarnaast kunnen de bloemen- en kruidenrijke weiden voor recreatieve doeleinden gebruikt worden in de vorm van een pluktuin. De beoogde activiteiten kunnen bijdragen aan een toekomstbestendige, leefbare, waterveilige omgeving met landschappelijke kwaliteiten.

Conclusie
De beoogde ontwikkeling is in lijn met de Omgevingsvisie Krimpenerwaard. Er wordt aansluiting gevonden bij de waarden, visie en speerpunten voor het plangebied.

3.3.2 Woonvisie

Sinds 1 januari 2015 vormen de voormalige gemeenten Bergambacht, Ouderkerk, Nederlek, Schoonhoven en Vlist samen de gemeente Krimpenerwaard. Gemeente Krimpenerwaard heeft haar visie op het terrein van wonen verwoord in de "Woonvisie Krimpenerwaard: Kerngericht!" (mei 2017).

De ambitie van de Krimpenerwaard is om organische groei te faciliteren waarbij recht wordt gedaan aan de toenemende en veranderende woonbehoefte, versterking van de fysiek-ruimtelijke structuur en het bouwen aan de vitaliteit van de kernen. Vijf inhoudelijke thema's vormen de opgaven op het terrein van het wonen in de Krimpenerwaard. De ontwikkelingen op het terrein van wonen zijn dynamisch. Dat geldt ook voor de thema's. Meebewegen op de huidige en toekomstige dynamiek van de regionale woningmarkt en tegelijkertijd de eigen identiteit, kracht en vitaliteit behouden is zonder twijfel de belangrijkste inspanning voor de vijf opgaven en de grote uitdaging in Krimpenerwaard.

De vijf thema's die de gemeente daarbij onderscheidt zijn de volgende:

  • 1. Positionering in de regio: 
    De Krimpenerwaard gaat voor een uitstekend en onderscheidend woon, leef- en vestigingsklimaat voor bestaande en nieuwe inwoners en bedrijven. Daarbij is ook aandacht voor verbetering van de bereikbaarheid van de Krimpenerwaard.
  • 2. Betaalbaar & beschikbaar: 
    Voldoende beschikbare en betaalbare woningen met een kwaliteitsniveau dat voldoet aan de wensen van de huidige bewoners en de potentiële instromers.
  • 3. Duurzame gebouwde omgeving:
    Terugdringen van het energieverbruik en energielasten in de Krimpenerwaard en tevens inzetten op een duurzame woon- en leefomgeving.
  • 4. Wonen-welzijn-zorg: 
    De Krimpenerwaard biedt inwoners met zorgbehoefte en kwetsbare inwoners een passende woonplek in een geschikte woonomgeving met de gewenste bijbehorende ondersteuning.
  • 5. Bouwen aan vitale kernen: 
    De kernen vormen in hun onderlinge samenhang de ‘verschillende gezichten van de Krimpenerwaard’. Profilering en ontwikkeling van de kernen krijgt invulling op basis van kwaliteiten van kernen, waarbij de huidige inwoners als primair belanghebbenden de hoofdrol spelen.


Woonbehoefte  
In elke kern is sprake van huishoudensgroei. Om dit te faciliteren stelt gemeente Krimpenerwaard als ambitie om minimaal 3.000 nieuwe woningen te realiseren in de periode 2015-2030. Zoals blijkt uit onderstaande figuur, wordt voor de kern Lekkerkerk een plancapaciteit van 113% voorzien, vergeleken met de huishoudensprognoses (2015-2025).

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0019.png"

Figuur 3.5: Uitsnede factsheet kern Lekkerkerk (Woonvisie Krimpenerwaard, gemeente Krimpenerwaard, 2017, p. 51)

Er is voornamelijk behoefte aan koopwoningen. Qua woningtype varieert de vraag van (goedkopere) appartementen tot tweekappers en vrijstaande woningen.

Relatie tot het plangebied
Uit de gemeentelijke woonvisie blijkt dat er een kwantitatieve woonbehoefte bestaat, waarbij vergroting van de woningvoorraad in Lekkerkerk gewenst is. Bovendien blijkt uit de woonvisie dat er kwalitatief behoefte bestaat aan met name koopwoningen, onder andere in het woningtype vrijstaand.

De beoogde ontwikkeling voorziet in realisatie van een vrijstaande woning in de kern Lekkerkerk. Het perceel naast Tiendweg-West 8B is gelegen in de bebouwde kom. De nieuwbouwwoning die hier is voorzien, sluit dan ook aan bij het perspectief van kernen met karakter en groeiperspectief. De woning is in nabijheid van voorzieningen en met de beoogde ontwikkeling is sprake van een ruimtelijke kwalitateitsverbetering, die niet ten koste gaat van de kracht van de kern.

Conclusie
De beoogde ontwikkeling bestaat uit de toevoeging van 1 vrijstaande woning, gebruikmakend van de Ruimte-voor-Ruimte regeling. Het beoogd initiatief voorziet daarmee in een kwantitatieve en kwalitatieve woonbehoefte. De ontwikkeling is in lijn met de woonvisie.

3.3.3 Welstandsnota

Op 1 januari 2015 zijn de gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist samengevoegd tot de nieuwe gemeente Krimpenerwaard. Het welstandsbeleid van de voormalige gemeenten wordt met de Nota Ruimtelijke Kwaliteit (2017) geïntegreerd en waar nodig geactualiseerd.

Met deze herziening wil de gemeente daarnaast het ruimtelijk kwaliteitsbeleid dereguleren waar mogelijk vereenvoudigen en afstemmen op de beleving van de burger. De wens is een praktische, goed leesbare en uitnodigende nota. De inhoud en opbouw van de nieuwe nota is bruikbaar als welstandsnota onder de huidige wetgeving en sorteert tegelijkertijd waar mogelijk voor op de vereisten van de Omgevingswet, waarin de ruimtelijke kwaliteit als samenspel tussen gebieden en gebouwen een belangrijk onderdeel is van de omgevingskwaliteit.

Bebouwingslinten
De bebouwing in het landschap is voornamelijk geconcentreerd in de (dijk)linten met boerderijen, woonhuizen en een enkel bedrijf. De linten zijn van groot belang voor het karakter van de gemeente. Ze zijn afwisselend, maar de bebouwing heeft in de regel wel een vergelijkbare maat en schaal, die bepalend is voor deze streek. De bebouwing is geordend per erf. Er is een standaard ordening met een hoofdgebouw aan de voorzijde en daarachter de eenvoudiger bebouwing van de bijbehorende schuren en stallen. Aan de achterzijde grenzen deze erven meestal aan het wijdse landschap en geregeld is er een zichtlijn over het erf. Tussen de erven door is er zicht op het landschap, dat afhankelijk van het lint breed of smal is en eenzijdig of tweezijdig. de meeste linten en wegen worden begeleid door bomen in een smalle berm en sloten. Veranderingen moeten met respect voor deze eigenschappen worden ingepast, waarbij met name de inrichting van het kavel met onderscheid eerste- en tweedelijns bebouwing de aandacht vraagt.

Uitgangspunt architectuur
Uitgangspunt voor het beheer van de architectonische waarden in de Krimpenerwaard is het behoud van zowel de samenhang als de diversiteit van de gebouwen op zichzelf en als onderdeel van de stedenbouwkundige en landschappelijke structuren. Van belang zijn daarbij zijn het aanzicht vanuit de openbare ruimte en landschap.

Relatie tot het plangebied
Voor de locatie Tiendweg-West 30A geldt dat er enkel wordt gesloopt en geen nieuwe gebouwen worden bijgebouwd. Indien geen vergunningplicht geldt, is welstandstoetsing niet aan de orde en is het de eigen verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om geen exces te bouwen.

Voor het perceel naast Tiendweg-West 8B is welstandstoetsing relevant in het kader van de nieuw te bouwen compensatiewoning. Daarom zijn de bij de Nota Ruimtelijke Kwaliteit behorende niveaukaart en gebiedenkaart geraadpleegd. Onderstaande figuren tonen uitsnedes.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0020.png" Figuur 3.6: Uitsnede niveaukaart (Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2017), locatie Tiendweg-West 30A ter plaatse van de rode ster, perceel naast Tiendweg-West 8B ter plaatse van de oranje ster

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0021.png"

Figuur 3.7: Uitsnede gebiedenkaart (Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2017), locatie Tiendweg-West 30A ter plaatse van de rode ster, perceel naast Tiendweg-West 8B ter plaatse van de oranje ster

Niveaukaart
Voor elk gebied in de Krimpenerwaard is het minimale toetsingsniveau op de niveaukaart aangegeven, om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Het plangebied is voorzien van het niveau 'gewoon'. Bouwplannen in gebieden met een gewoon niveau zullen ten opzichte van het soepele gebied met meer aandacht bekeken worden. De lat ligt hoger, gezien de beeldbepalende ligging en bijbehorende uitstraling op bezoekers en passanten. Uitgangspunt in gebieden met een gewoon niveau is het handhaven van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Bouwplannen aan achterkanten kunnen hier veelal eenvoudiger beoordeeld worden dan bouwplannen aan voorkanten. De welstandsnota bevat voor gebieden met een gewoon welstandsniveau een set criteria, die aanstuurt op een inpassing van bouwplannen zonder de kwaliteit van het gebied uit het oog te verliezen. De woordkeuze en bandbreedte van de criteria bieden ten opzichte van het bijzondere niveau meer mogelijkheden om tot een eigen invulling te komen.

Gebiedenkaart
Ter ondersteuning van de verschillende niveaus van welstand zijn er gebieden te onderscheiden met samenhangende bebouwingstypologieën. Per gebied is een beschrijving, waardering en enkele uitgangspunten opgenomen. Afhankelijk van het gevraagde niveau zijn de onderscheidende karakteristieken meer of minder uitgebreid beschreven. De per gebiedstype opgestelde criteria moeten in samenhang met beschrijving, waardering en uitgangspunten geïnterpreteerd worden. Het plangebied is gelegen in het 'landelijk gebied'.

Het landelijk gebied heeft een gewoon welstandsniveau. De waarde is in ieder geval gelegen in de combinatie tussen de oorspronkelijke structuurelementen en de afwisselende lintbebouwing. De verkaveling met dicht op elkaar gelegen sloten leidt tot langwerpige kavels met tussen de kavels doorzichten op het achterland. De bebouwing is gelijnd aan de verkaveling, waarbij boerderijen een woning aan de straatkant hebben en de stal hier in de regel achter is gelegen. Deze wijze van erfinrichting is kenmerkend voor het gebied en zorgt voor doorzichten over de erven. Het beleid is gericht op het behoud van de oorspronkelijke structuurelementen, het gegroeid bebouwingspatroon en de cultuurhistorische bebouwing. Het uitgangspunt is dat bouwplannen geen afbreuk doen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. In verband hiermee wordt verwacht dat er in ieder geval aandacht geschonken wordt aan de hoofdoriëntatie van de bebouwing en de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren.

Criteria objecten
De gemeente streeft ernaar veel voorkomende bescheiden objecten snel te beoordelen. Het gaat daarbij om relatief eenvoudige en meetbare criteria, die de planindiener vooraf zo veel mogelijk duidelijkheid geven. Deze zogeheten objectcriteria zijn opgesteld voor aanbouwen, bijgebouwen, gevelwijzigingen, dakkapellen en dakopbouwen, erfafscheidingen, reclame en rolluiken.

Conclusie
Bij de nadere uitwerking van de nieuw te realiseren compensatiewoning zal welstandstoetsing plaatsvinden in het kader van de omgevingsvergunnign voor de activiteit bouwen. Hiervoor vraagt de gemeente advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (welstandscommissie). Deze commissie bekijkt of het bouwplan voldoet aan eisen die staan in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Archeologie

4.1.1 Regelgeving en beleid

Erfgoedwet
Regels inzake archeologie waren voorheen geregeld in de Monumentenwet. Met het vervallen van deze wet in juli 2016, is een groot deel daarvan opgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet betreft één integrale wet en bevat daarmee de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. Daar waar relevant dienen mogelijk aanwezige waarden middels een dubbelbestemming in het bestemmingsplan te worden beschermd. Daarnaast geldt de wettelijke meldingsplicht: indien per toeval een vondst wordt gedaan waarvan men vermoed dat deze archeologische relevantie kent, dient dit te worden gemeld aan het bevoegd gezag.

Een deel uit de Monumentenwet dat ziet op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming), zal opgenomen worden in de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn de relevante artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

Gemeentelijk archeologiebeleid
Gemeente Krimpenerwaard heeft haar archoelogiebeleid vastgelegd in de Archeologienota Krimpenerwaard (2016). In 2015 is de huidige gemeente Krimpenerwaard gevormd uit vijf gemeenten die elk een eigen archeologiebeleid kenden. Dit is nu ‘geharmoniseerd’ in de Archeologienota van de gemeente Krimpenerwaard. Hierbij is rekening gehouden met de sinds 1 juli 2016 van kracht zijnde Erfgoedwet. Deze wet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De essentie van deze wet is dat waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden blijven. In een zo vroeg mogelijk stadium van de ruimtelijke planvorming dient daarom rekening te worden gehouden met het aspect archeologie.

Voor het archeologiebeleid van een gemeente is een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart onmisbare instrument. De archeologische verwachtingskaart geeft inzicht in de aanwezigheid èn de verwachte aanwezigheid van archeologische resten. Om de verwachtingskaart ook toepasbaar te maken op beleidsmatig niveau is deze vervolgens vertaald naar een beleidskaart.

4.1.2 Onderzoek

Voor dit bestemmingsplan is de gemeentelijke Archeologische Beleidskaart, behorende bij de Archeologienota Krimpenerwaard, geraadpleegd. Figuur 4.1 toont een uitsnede hiervan. Beide projectlocaties zijn aangewezen met archeologische waarde in categorie 'WA-5', waarvoor in principe een onderzoeksverplichting geldt bij bodemingrepen dieper dan 1,5 m -Mv en plangebied groter dan 2.500 m². De locatie Tiendweg-West 30A is eveneens aangeduid als 'contour rivierduincomplex'. Het perceel naast Tiendweg-West 8B is deels aangewezen als 'reeds onderzocht'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0022.png"

Figuur 4.1: Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Krimpenerwaard (2016): locaties Tiendweg-West 30A (links) en perceel naast Tiendweg-West 8B (rechts) bij benadering rood omcirkeld

Beide locaties hebben een archeologische verwachting voor de diepere ondergrond: de afzettingen van een oude rivierloop waarop/waarlangs we archeologische resten verwachten. Deze afzettingen bevinden zich dieper dan 1,5 m onder het maaiveld (heipalen behoren ook tot dergelijke diepteverstoringen). Het opsporen van archeologische resten wordt hier pas zinvol geacht bij ontwikkelingen die groter zijn dan 2.500 m².

  • Tiendweg-West 30A: Op de projectlocatie aan Tiendweg-West 30A wordt uitsluitend gesloopt en vinden geen verdere ontwikkelingen plaats. Grootschalige graafwerkzaamheden zijn niet te verwachten. Uit overleg met het bevoegd gezag blijkt dat een archeologisch onderzoek op deze locatie niet nodig is, wanneer uitsluitend sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd.
  • Perceel naast Tiendweg-West 8B: Op de projectlocatie op het perceel naast Tiendweg-West 8B, wordt uitsluitend een woning gebouwd en deze ontwikkeling blijft ruimschoots onder de grens van 2.500 m². Ook al zou er een kelder/verdieping komen met een diepte van 4 m onder het maaiveld, dan blijft de ontwikkeling gelet op de bouwmogelijkheden binnen de grens van 2.500 m². Uit overleg met het bevoegd gezag blijkt dat voor de bouw van deze woning eveneens geen archeologisch onderzoek nodig is.

Geconcludeerd wordt dat voor de beoogde ontwikkelingen in het plangebied niet op voorhand archeologisch onderzoek nodig is, omdat de ontwikkelingen binnen de vrijstellingsgrenzen blijven van de beleidsadvieskaart van de gemeente. Met het oog op de bescherming van archeologische waarden wordt voor het plangebied wel een dubbelbestemming opgenomen die archeologische waarden beschermt conform de kaders van de archeologisch beleidskaart.

4.1.3 Conclusie

Archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.2 Cultuurhistorie

4.2.1 Regelgeving en beleid

Nota Belvedère (1999)
Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.

Cultuurhistorie in gemeentelijke bestemmingsplannen
Vanaf 2012 dient de gemeente bij het vaststellen van bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen rekening te houden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie is een ruim begrip. Niet alleen gebouwen vallen hieronder, maar ook het landschap, wegen, grenspalen en andere zaken. Door rekening te houden met cultuurhistorie passen nieuwe ontwikkelingen binnen de geschiedenis van het gebied en wordt er een bewuste keuze gemaakt hoe er wordt omgegaan met deze geschiedenis.

4.2.2 Onderzoek

Voor beide locaties van het plangebied geldt dat in het vigerend bestemmingsplan een aanduiding 'landschapswaarden' aan de gronden is toegekend. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke waarden. Deze landschappelijke en cultuurhistorische waarden hebben betrekking op aspecten als structuren, lijnen, vlakken, eendenkooi, molenbiotopen en topgebied. De locatie aan Tiendweg-West 30A is bovendien deels gelegen in de 'beschermingszone - eendenkooi'.

Landschapswaarden
Het plangebied is gelegen in het open veenweidelandschap. Het slagenlandschap is goed zichtbaar in de omgeving. Het slagenlandschap kenmerkt zich door een langwerpige strokenverkaveling met smalle percelen. Het slagenlandschap heeft een erg open karakter met verre doorzichten het landschap in. Op diverse plaatsen rondom het perceel zijn typerende beplantingstypen terug te vinden, waaronder een bosje en een knotwilgenrij en een elzensingel. De Tiendweg is een kenmerkende structuur in het slagenlandschap en het rivierenlandschap. De Tiendweg is een kade in het slagenlandschap en ligt dwars op de perceelsrichting en evenwijdig aan de rivier (de Lek). Kenmerkend langs de Tiendweg is tevens het bebouwingslint. In de vorige eeuw maakte de verdere ontwatering van de polders en de nieuwere funderingstechnieken het mogelijk om niet alleen langs de rivierdijken te bouwen, maar ook verder de polder in. Langs de Tiendwegen werden hierdoor veel bedrijven en woningen gesitueerd, wat de structuur versterkt.

Eendenkooi
Een eendenkooi is van oorsprong een plek waar in het wild levende eenden werden gevangen voor consumptie. Een eendenkooi bestaat uit een flinke vijver waar enkele sloten op uitkomen, de zogenaamde vangpijpen.
Voor ontwikkelingen die worden uitgevoerd in de beschermingszone van de eendenkooi, geldt dat rekening gehouden dient te worden met het afpalingsrecht als bedoeld in de Wet natuurbescherming (voormalige Flora- en faunawet). De basis van het afpalingsrecht is de voorwaarde van behoud van rust in en rond de eendenkooi. Het is niet wenselijk om daar handelingen te verrichten waardoor de eenden binnen de afpalingskring kunnen worden verstoord of verjaagd.

Tiendweg-West 30A en perceel naast 8B
De beoogde ontwikkelingen in het plangebied hebben in enige mate invloed op de openheid van het landschap en daarmee gepaard gaande doorkijk in het landschap. Omdat op het perceel naast Tiendweg-West 8B momenteel geen bebouwing aanwezig is, wordt de doorkijk (in beperkte mate) verminderd door het mogelijk maken van woningbouw. Daarentegen heeft het slopen van de onaantrekkelijke, gedateerde vleesveestallen aan Tiendweg-West 30A een positieve invloed op de algehele uitstraling en openheid van het landschap. De invloed van deze sloop op de eendenkooi zal, gezien de afstand en omvang van (niet-structurele) werkzaamheden, van beperkte aard zijn. Eventuele verstoring van rust zal beperkt en tijdelijk zijn.

4.2.3 Conclusie

Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.3 Bedrijven en milieuzonering

4.3.1 Regelgeving en beleid

Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen.

Deze milieuzonering dient aldus twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen;
  • het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen.

Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen.

VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering
De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is een handreiking voor milieuzonering in ruimtelijke plannen. Het boekje vormt een hulpmiddel voor gemeenten om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen voor een locatie concreet in te vullen. Het doel van de publicatie is om te komen tot maatwerk op lokaal niveau.

De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype zoals een rustig buitengebied. Een rustig omgevingstype is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van buurtgerichte voorzieningen, zoals basisscholen komen er vrijwel geen andere functies voor, behalve aan huis verbonden beroep of bedrijf.

Anders dan rustige woonwijken, zijn er ook gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen, komen andere functies voor zoals winkels, horeca en of kleine bedrijven en voorzieningen. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.

Indien sprake is van een gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.

4.3.2 Onderzoek

Het plangebied is gelegen in het bebouwingslint en kan daardoor worden gekarakteriseerd als het omgevingstype 'gemengd gebied'.

  • Tiendweg-West 30A:  Op de locatie Tiendweg-West 30A geldt dat er geen nieuwe bedrijvigheid mogelijk wordt gemaakt en bovendien geen nieuwe woningen worden toegevoegd. Geconcludeerd kan worden dat, als gevolg van de sloop van de vleesveestallen en bijbehorende beëindiging van intensieve bedrijfsactiviteiten, het lokale woon- en leefklimaat verbetert.
    De agrarische bestemming wijzigt naar een woonbestemming. Een intensieve veehouderij (met een milieucategorie van 3.1 of hoger) is daardoor niet langer toegestaan. Op de projectlocatie worden nog wel nieuwe activiteiten toegestaan, in de delen van de voormalige agrarische bebouwing die behouden zullen blijven (ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'voormalige agrarische bedrijfsbebouwing'). Deze activiteiten kennen ten hoogste milieucategorie 2, waarvoor in 'gemengd gebied' een richtafstand van 10 meter geldt. Aan deze richtafstand wordt voldaan met betrekking tot de omliggende bebouwing. De afstand tussen het bestaande woonhuis en de te behouden loods en garage is circa 18-20 meter. De exacte invulling van activiteiten is momenteel nog onbekend. Wel geldt dat bij toekomstige ontwikkelingen en bij het uitvoeren van de activiteiten op het omliggende (onbebouwde) terrein, rekening gehouden dient te worden met geldende richtafstanden.
  • Perceel naast Tiendweg-West 8B: Op het perceel naast Tiendweg-West 8B, geldt dat een woning wordt toegevoegd. In de directe omgeving van het perceel, zijn woonfuncties en enkele agrarische functies gelegen. De nieuw te realiseren woning, komt niet dichter bij bedrijvigheid te liggen, dan dat bestaande woningen reeds gelegen zijn. Daardoor zal de realisatie van een woning op deze projectlocatie de bedrijfsvoering van bedrijvigheid in de omgeving niet verder beperken. De nieuwe woning vormt daarmee geen belemmering voor de bedrijfsvoering en vice versa.
4.3.3 Conclusie

Bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.4 Bodemkwaliteit

4.4.1 Regelgeving en beleid

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

4.4.2 Onderzoek

Tiendweg-West 30A
Aan de Tiendweg-West 30A is enkel sprake van sloop van bestaande bebouwing. Er worden geen nieuwe functies mogelijk gemaakt. In het kader van de bestemmingsplanprocedure is een bodemonderzoek daardoor niet noodzakelijk.

Perceel naast Tiendweg-West 8B
Bij ontwikkeling van een nieuwe woonfunctie, is wel een verkennend bodemonderzoek nodig om te bepalen of de kwaliteit van de bodem geschikt is voor de gewenste (woon)functie. Derhalve is voor het perceel naast Tiendweg-West 8B een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 1 Bodemonderzoek (perceel naast Tiendweg-West 8B).

Het doel van het verkennend bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vast te stellen in relatie tot de voorgenomen nieuwbouw en het mogelijk uitvoeren van grondverzetwerkzaamheden binnen het overige deel van de onderzoekslocatie. Ook de mogelijk te graven poldersloot aan de noordzijde van de onderzoekslocatie is hierbij in overweging genomen.

Uit het onderzoek blijkt dat de grond en het grondwater maximaal licht verontreinigd zijn. Er is geen asbest aangetoond in het extra onderzochte bovengrondmonster nabij de toegangsdam. De onderzoeksresultaten van de bovengrond, ondergrond en/of het grondwater geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie is geschikt voor de bouw van een nieuw woonhuis. Tevens bestaan er, voor wat betreft de bodemkwaliteit, geen belemmeringen met betrekking tot een mogelijk te graven poldersloot aan de noordzijde van de onderzoekslocatie.

4.4.3 Conclusie

De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.5 Duurzaamheid

4.5.1 Regelgeving en beleid

Vanaf 1 januari 2021 moeten alle nieuwbouw gebouwen voldoen aan de BENG-eisen (Bijna-Energie-Neutraal-Gebouw). BENG is een uitdrukking van een energieprestatie. De energieprestatiecoëfficiënt (EPC) methodiek wordt derhalve vervangen door de BENG-methodiek. Om de Europese afspraken omtrent het beperken van klimaatverandering te behalen dient een vermindering van uitstoot van CO2 en beperking van energieverbruik te worden gerealiseerd. Het landelijke beleid is om in 2050 een CO2-arme gebouwde omgeving te realiseren en geen aardgas meer te gebruiken.

Gemeentelijk beleid
Gemeente Krimpenerwaard vindt duurzaamheid belangrijk. Daarom is duurzaamheid een speerpunt in het collegeprogramma. Een grote duurzaamheidsopgave is de energietransitie. De energietransitie bestaat uit de overstap naar schone, hernieuwbare energie, zoals zonne-energie, windenergie, energie uit water, aardwarmte en waterstof. Het doel is minder CO2-uitstoot en schone, betaalbare en veilige energie voor iedereen. Uiteindelijk wil de gemeente Krimpenerwaard in 2050 volledig CO2-neutraal zijn. Krimpenerwaard werkt aan schone betaalbare en veilige energie voor iedereen, zodat gezamenlijk de CO2-uitstoot en de negatieve gevolgen van klimaatverandering worden verminderd.

4.5.2 Onderzoek

Op de locatie Tiendweg-West 30A worden de agrarische bedrijfsactiviteiten beëindigd. Met het beëindigen van de veestapel, wordt amoniakemissie en daarmee stikstofdepositie van en door het vleesvee gestaakt. Dit heeft een positieve invloed op de natuur. Bovendien zal, met het verwijderen van de bebouwing en de asbestdaken, het verhard oppervlakte op deze locatie afnemen. Hierdoor kan het grondwater beter in de bodem infiltreren is er meer ruimte voor groen. Daarbij wordt gezorgd voor een betere inpassing in het landschap met kenmerkende beplantingen. Dit gaat gepaard met een plaatselijke verhoging van de biodiversiteit en zorgt voor een ecologisch waardevolle locatie.
Daarnaast blijft een deel van de bestaande (voormalige bedrijfs)bebouwing bestaan. De loods en garage zijn nog in goede staat en zullen daarom niet gesloopt, maar herbestemd worden. Het dak van de loods is een aantal jaren geleden voorzien van zonnepanelen, waarmee wordt bijgedragen aan een duurzame energievoorziening.

De nieuw te bouwen woning op het perceel naast Tiendweg-West 8B zal in ieder geval moeten voldoen aan de wettelijke duurzaamheidsvoorschriften, zoals de BENG-eisen en aardgasloos bouwen. De uiteindelijke uitwerking van het ontwerp voor de woning zal in een later stadium plaats vinden. Wel biedt het inrichtingsplan al enkele kaders. Zo zal de inrichting rondom de woning groen van aard zijn. Er is veel streekeigen beplanting voorzien, onder andere in de beoogde siertuin en boomgaard met weiden en gazon. De kavel wordt aan de achterzijde afgesloten door een nieuw te graven watergang met een natuurvriendelijke oever (in lijn gebracht met de reeds aanwezige watergang aan de achterzijde van Tiendweg-West 8B). Het groen en water zal een positieve invloed hebben op de lokale biodiversiteit en voorziet in duurzame waterberging. In de verdere uitwerking van het planontwerp zal daardoor aandacht zijn voor natuurinclusief bouwen.

4.5.3 Conclusie

Duurzaamheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.6 Externe veiligheid

4.6.1 Regelgeving en beleid

Onderdeel van de ruimtelijke opgave is dat er bijzondere aandacht wordt besteed aan onder meer de externe veiligheidsaspecten. Bij Externe Veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Hierbinnen worden twee normstellingen gehanteerd:

  • Het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers.
  • Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.


Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats. Bij plaatsgebonden risico gaat het om de gemiddelde kans per jaar dat een gemiddelde persoon op een bepaalde geografische plaats in de omgeving van een transportroute overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen op deze transportroute, ervan uitgaande dat die persoon onbeschermd en permanent op deze plaats aanwezig is. Anders gezegd, het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten: risicocontour). Dergelijke contouren zijn van belang bij de beoordeling of een risicovolle activiteit of een risicogevoelige bestemming op een bepaalde plaats kan worden toegelaten. Voor plaatsgebonden risico is door de rijksoverheid voor nieuwe situaties een grenswaarde vastgesteld van 10-6/jaar.

Groepsrisico
Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van één ongeval op de transportroute waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Dit risico laat zich niet in de vorm van een risicocontour op een kaart weergegeven, maar kan wel worden vertaald in een dichtheid van personen per hectare. Hoe meer personen per hectare in het schadegebied van een hier bedoeld ongeval aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico is in tegenstelling tot het plaatsgebonden risico een oriënterende waarde.

Besluit externe veiligheid transportzones
In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn de normen voor het plaatsgebonden risico en de doorwerking daarvan op het gebied van de ruimtelijke planvorming geregeld voor zover de risico's worden veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen. Daarnaast beoogt dit besluit te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht.

Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) / Regeling basisnet
Het basisnet beoogt een duurzaam evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren, de bebouwde omgeving langs die wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren en de veiligheid van omwonenden. Op basis van de Wvgs worden in de Regeling basisnet, de tot het basisnet behorende infrastructuur vastgelegd inclusief de daarbij behorende risicoplafonds.

Besluit externe veiligheid inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht gemeenten risicovolle situaties van inrichtingen ten opzichte van kwetsbare bestemmingen binnen 3 jaar te saneren als het plaatsgebonden risico hoger is dan 10- 6 voor 2010. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Krachtens het Bevi moeten alle besluiten in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke Ordening integrale aspecten van externe veiligheid afwegen.

Besluit externe veiligheid buisleidingen
In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zijn risicoafstanden opgenomen voor ondergrondse buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Het Bevb werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen.

4.6.2 Onderzoek

Voor het plangebied is de risicokaart geraadpleegd (zie figuur 4.2). Op de kaart zijn een aantal omliggende risicobronnen weergegeven, waarop nader wordt ingegaan. Daarnaast is het Milieukundig advies van ODMH, behorend bij het vigerend bestemmingsplan, geraadpleegd, waaruit tevens blijkt in hoeverre de risicobronnen een relevante invloedsafstand kennen (zie ook figuur 4.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0023.png"

Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart, plangebied ter plaatse van Tiendweg-West 30A (links) en perceel naast Tiendweg-West 8B (rechts) bij benadering oranje omcirkeld (bron: nederland.risicokaart.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0024.png"

Figuur 4.3: Plaatsgebonden risico (PR) en invloedsgebied groepsrisico (GR) van relevante inrichtingen (bron: Milieukundig advies, 2013 ODMH, bijlage 1 bij bestemmingsplan "Landelijk gebied", Gemeente Nederlek)

Inrichtingen
Op circa 350 m afstand ten zuidoosten van het perceel naast Tiendweg-West 8B is gasontvangstation Lekkerkerk gelegen aan de Thorbeckestraat. Het plaatsgebonden risico van deze inrichting reikt tot 15 meter.

Op circa 500 m afstand ten noordoosten van het perceel naast Tiendweg-West 8B is het bedrijf Geodis BM Netherlands B.V. aan de Kerkweg 199 gesitueerd. Het invloedsgebied in het kader van groepsrisico ismaximaal 105 meter. Op de locatie kunnen tankwagens met gevaarlijke stoffen parkeren. In de vergunning van dit bedrijf is vastgelegd dat hier tankwagens met gevaarlijke stoffen gedurende een beperkte periode aanwezig mogen zijn. Er is in de vergunning ook een beperking opgelegd aan de totale hoeveelheid gevaarlijke stoffen die tegelijkertijd aanwezig mag zijn. Hierdoor is het Bevi in feite niet van toepassing op de inrichting.

Op meer dan 800 m ten noordoosten van het perceel naast Tiendweg-West 8B is een LPG-tankstation gesitueerd. Het invloedsgebied van een LPG tankstation bedraagt formeel 150 meter.

Vervoer van gevaarlijke stoffen
Uit het vigerend bestemmingsplan blijkt dat over de N476 transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze provinciale weg ontsluit in het verlengde van de Kerkweg naar het noorden toe (N476 niet specifiek op figuur 4.2 aangeduid). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een zone van 200 meter van de betreffende wegen moet de toename van het groepsrisico worden verantwoord.

Transport over het spoor
Er bevinden zich in nabijheid van het plangebied geen spoorwegen.

Transport buisleidingen
Op circa 300 m afstand ten oosten van het perceel naast Tiendweg-West 8B loopt een buisleiding (aardgasleiding Gasunie W-513-06) naar het genoemde gasontvangstation Lekkerkerk. Deze buisleiding heeft een belemmeringenstrook van 4 meter en het invloedsgebied van is maximaal 45 meter (1% letaal).

Transport over water
Op meer dan 900 m ten zuiden van het plangebied, ter plaatse van de rivier Lek, worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het gaat hier om de binnenvaartroute Corridor Amsterdam - Rijn. Bij bouwplannen in het plasbrandaandachtsgebied van 25 meter vanaf de waterlijn en binnen de uiterwaarden moet rekening worden gehouden met een plasbrandscenario vanaf het water. Als daar sprake van is moet dit in de verantwoording van het groepsrisico aan de orde komen.

Magneetveldzones
Nabij de locatie Tiendweg-West 30A lopen twee hoogspanningslijnen. Het gaat om twee 380 kV hoogspanningslijnen.

Plaatsgebonden risico
Uit de risicokaart blijkt dat beide locaties in het plangebied niet zijn gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour van een Bevi-inrichting, nabijgelegen route of buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen, of andere stationaire risicobronnen. Het plaatsgebonden risico van deze bronnen, vormt daardoor geen belemmering voor het plangebied. Uitzondering hierop is een beperkte kans op overstromingen (niet in figuur 4.2 weergegeven).

Wel geldt voor alle nieuwbouw waar mensen verblijven, dat de mechanische ventilatie met één druk op de knop uitgeschakeld dient te kunnen worden in geval van een incident in de omgeving. Dit voorkomt dat bij een incident in de omgeving giftige (rook)gassen naar binnen worden gezogen. Dit kan al bereikt worden door de stekker van de mechanische ventilatie op een makkelijk bereikbare plek te plaatsen. Onder de Omgevingswet wordt dit een standaard bouweis (lid 4 art. 4.124 Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl).

Magneetveldzones
Ter plaatse van de hoogspanningsverbindingszone op de locatie Tiendweg-West 30A is een dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' in dit bestemmingsplan opgenomen (ongewijzigd overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan). Op de locatie Tiendweg-West 30A worden geen nieuwe bestemmingen mogelijk gemaakt waar kinderen langdurig kunnen verblijven. De magneetveldzones reiken bovendien niet tot aan het perceel naast Tiendweg-West 8B. Daardoor vormen de hoogspanningslijnen en bijbehorende magneetveldzones geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de uitkoopregeling voor woningen onder hoogspanningslijnen hier niet van toepassing is, omdat de woning niet recht onder de hoogspanningslijn is gelegen.

Groepsrisico
Aangezien er op de locatie Tiendweg-West 30A geen gevoelige bestemmingen in het kader van externe veiligheid worden toegevoegd, is er geen sprake van een mogelijke toename in het groepsrisico.

Op het perceel naast Tiendweg-West 8B wordt een woning toegevoegd. Dit is een gevoelige functie in het kader van externe veiligheid. De locatie is niet gelegen binnen het invloedsgebied van risicobronnen. Gezien de afstand tussen het plangebied en de inrichtingen/transportroutes, zal de toename van de woning dan ook geen impact hebben op de hoogte van het groepsrisico. De hoogte van het groepsrisico wordt niet beïnvloed met onderhavige ontwikkeling.

4.6.3 Conclusie

Het risico op overstroming vormt een randvoorwaarde in het kader van externe veiligheid. Hier wordt nader op ingegaan in § 4.11 Water.

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.7 Flora en Fauna

4.7.1 Beleid en regelgeving

Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2017 in werking getreden en voegt drie "oude" natuurwetten samen: de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (artikel 1.11) nog drie hoofdstukken die van belang zijn voor ruimtelijke ingrepen. Dit betreft hoofdstuk 2 (gebiedsbescherming), hoofdstuk 3 (soortbescherming) en hoofdstuk 4 (houtopstanden). Hoofdstuk 2 van de Wet richt zich op de gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Natura 2000-gebieden. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de soortenbescherming.

De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten.

Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten is vastgelegd in de bijlage bij de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort.

Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dan planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het plangebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'.

Natura 2000-gebieden en (het vervallen van de) Programmatische Aanpak Stikstof
Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van de Habitatrichtlijn (HR). Deze gebieden zijn aangewezen als Natura-2000 gebied omdat er bijzondere habitattypen en/of bijzondere plant- en diersoorten aanwezig zijn. Laatstgenoemde kunnen van stikstofgevoelige habitattypen afhankelijk zijn. Vanaf 1 juli 2015 is gewerkt met de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De PAS is het beleid waarmee Nederland het hoofd bood aan de problematiek rond stikstof en natuur. In de PAS zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waarbinnen ten minste één stikstofgevoelig habitattype voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof.

Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen (ECLI:NL:RVS:2019:1603). De uitspraak heeft een aantal belangrijke gevolgen voor toekomstige en bestaande ontwikkelingen. Zo zijn de eerder geldende drempelwaarden komen te vervallen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze toename van stikstofdepositie kan het gevolg zijn van de aanlegfase (bouwwerkzaamheden) en de gebruiksfase (het gebruiken van het plan).

4.7.2 Onderzoek

Soortenbescherming perceel Tiendweg-West 30A
Voor de locatie Tiendweg-West 30A geldt dat sloopwerkzaamheden plaatsvinden. Om uit te wijzen in hoeverre (mogelijke verblijfsplaatsen van) beschermde flora- en faunasoorten op de locatie aanwezig zijn, is een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 2 Quickscan ecologie (perceel Tiendweg-West 30A).

Uit deze quickscan volgt dat er geen beschermde soorten zijn aangetroffen op de locatie Tiendweg-West 30A. Om echter volledig zeker te zijn dat de sloopwerkzaamheden geen verblijfplaatsen van beschermde soorten zullen verstroren, zal nader onderzoek worden uitgevoerd naar de in Bijlage 3 benoemde soorten. In voorkomend geval zal dan een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. De verwachte oplevering van de resultaten is zomer 2022.

Soortenbescherming perceel naast Tiendweg-West 8B
Voor het perceel naast Tiendweg-West 8B is een quickscan uitgevoerd, om uit te wijzen in hoeverre (mogelijke verblijfsplaatsen van) beschermde flora- en faunasoorten op de locatie aanwezig zijn. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 3 Quickscan ecologie (perceel naast Tiendweg-West 8B).

Bij de quickscan is de heikikker niet aangetroffen, maar het kan zijn dat deze een vaste verblijfplaats heeft in het plangebied. Omdat verstoring van deze soort daarmee niet op voorhand kan worden uitgesloten, zal nader onderzoek worden uitgevoerd. In voorkomend geval zal een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Bovendien dient verstoring van broedvogels te worden voorkomen (bijvoorbeeld door werkzaamheden enkel buiten het broedseizoen plaats te laten vinden) en geldt de algemene zorgplicht.

Uitvoering van nader onderzoek naar de heikikker is daarom uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 4 Nader ecologisch onderzoek (perceel naast Tiendweg-West 8B). Tijdens de inventarisatie zijn geen Heikikkers aangetroffen. Vanwege het ontbreken van Heikikkers in het plangebied, is het niet nodig ontheffing aan te vragen in het kader van Wnb. Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht. Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor het perceel naast Tiendweg-West 8B.

Gebiedsbescherming
Beide percelen in het plangebied zijn niet gelegen in een Natura-2000 gebied, NNN, weidevogelleefgebied of gebied dat is beschermd als bijzondere houtopstand. Direct negatieve effecten op beschermde natuurgebieden kunnen hiermee worden uitgesloten. 

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0025.png"

Figuur 4.4: Ligging Tiendweg-West 30A (ter hoogte van de oranje stip) en perceel naast Tiendweg-West 8B (ter hoogte van de rode stip) ten opzichte van beschermde gebieden

Indirecte negatieve effecten, door een toename in stikstofdepositie, zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. Derhalve is een stikstofdepositieberekening (AERIUS-berekening) uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 5 AERIUS-berekening.

Uit de AERIUS-berekening blijkt dat het aspect stikstof geen belemmering vormt bij de realisatie van het voorgenomen initiatief op de twee percelen. Er is geen sprake van significant negatieve effecten door een toename stikstofdepositie. Derhalve is een vergunning Wnb dan ook niet noodzakelijk.

Opgemerkt wordt dat, met de beoogde ontwikkeling, activiteiten worden opgeheven die structureel stikstof uitstootten. Immers verdwijnen de vleesveestallen en bijbehorende bedrijfsactiviteiten. Dit heeft een positieve invloed op natuur, in het kader van stikstofdepositie.

4.7.3 Conclusie

Gelet op artikel 3.1.6, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening bestaat er geen aanleiding om aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan te twijfelen. Op basis van de verrichte quickscans zijn er namelijk géén op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde flora- en faunasoorten aangetroffen op de beide locaties. Uit nader onderzoek naar heikikker op het perceel naast 8B, is bovendien reeds gebleken dat er geen ontheffing nodig is.

Dit laat onverlet dat bij de realisering van het concrete project (sloop bij 30A) nader onderzoek naar de aanwezigheid van een aantal beschermde diersoorten aan de orde is. Het onderzoek is reeds in gang gezet. In het kader van uitvoerbaarheidstoets bij dit bestemmingsplan kan echter worden aangenomen dat het plan uitgevoerd zal kunnen worden zonder in strijd te handelen met de Wnb. Dit ofwel omdat geen ontheffing is vereist vanwege de afwezigheid van beschermde soorten of het treffen van afdoende mitigerende maatregelen, ofwel omdat een ontheffing op grond van de Wnb kan worden verleend.

4.8 Geluid

4.8.1 Regelgeving en beleid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) een belangrijk juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh biedt onder andere geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. De Wgh is daarom sterk gelinkt aan de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Wegverkeerslawaai
De Wgh biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een aandachtsgebied (een geluidszone) langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. Een andere beperking is dat de Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven.

Industrielawaai
De Wgh verplicht om industrieterreinen waarop lawaaiveroorzakende bedrijven zijn of kunnen worden gevestigd te zoneren. Bij de zonering worden primair de grenzen vastgelegd van het gebied waarbinnen de lawaaimakende bedrijven gevestigd mogen zijn. Het gebied binnen de zonegrens vormt het aandachtsgebied. De binnen het aandachtsgebied geldende wettelijke voorkeursgrenswaarde, dan wel de binnen de zone vastgestelde hogere waarden zijn bepalend voor de toelaatbaarheid van geluidproducerende activiteiten. Buiten de geluidszone mag de geluidsbelasting als gevolg van de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen.

Spoorweglawaai
De Wgh biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van spoorweglawaai bij de aanleg/wijziging van spoorwegen of bij de bouw van woningen in de buurt van spoorwegen.

Normstelling
De normstelling onderscheidt voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. De voorkeursgrenswaarde wordt voor alle (nieuwe) situaties nagestreefd. Realisatie hiervan is echter niet altijd mogelijk. De wet biedt de mogelijkheid om ontheffing te verkrijgen van de voorkeursgrenswaarde tot de maximale ontheffingswaarde.

Gemeentelijk geluidbeleid
Conform het gemeentelijk geluidbeleid dienen woningen waarvoor hogere grenswaarden worden vastgesteld in principe te beschikken over een geluidluwe zijde. Hiervan kan alleen worden afgeweken op grond van zwaarwegende argumenten. De afwijking dient daarbij te worden beperkt. Een woning met een dove gevel dient te allen tijde een geluidluwe zijde te hebben.

Indien hogere waarden worden aangevraagd en het plan is gelegen binnen de zones van meerdere geluidbronnen, dient tevens onderzoek gedaan te worden naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidbronnen. Er dient te worden aangegeven op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij het bepalen van de te treffen maatregelen (art. 110a en 110f van de Wgh).

4.8.2 Onderzoeken

Op basis van de Wet geluidhinder is bij de realisatie van geluidsgevoelige objecten (waaronder woningen) een geluidonderzoek noodzakelijk. Het akoestisch klimaat ter plaatse van de beoogde woning op het perceel naast Tiendweg-West 8B is derhalve onderzocht. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 6 Akoestisch onderzoek (perceel naast Tiendweg-West 8B).

Deze planlocatie bevindt zich volgens de Wet geluidhinder binnen de zone langs de Tiendweg-West. De Tiendweg-West bestaat uit een wegdeel waarvoor een maximumsnelheid van 60 km/uur geldt en een deel waar voor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur bezitten geen geluidzone conform de wet Geluidhinder en hebben om die reden geen wettelijke beoordeling nodig. Echter ligt de 30 km/uur weg in deze situatie in het verlengde van de 60 km/uur weg. In akoestisch opzicht is deze weg daarom beschouwd als één weg en is ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening getoetst aan de normen van de Wet geluidhinder.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer over de Tiendweg-West ten hoogste 45 dB Lden bedraagt na aftrek conform artikel 110g van de Wet geluidhinder. In het plangebied is geen sprake van blootstelling van meer dan één geluidbron. Cumulatie is hier dan ook niet aan de orde.

De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daardoor nergens overschreden. Er hoeven geen hogere waarden te worden vastgesteld en er is sprake van een akoestisch aanvaardbaar klimaat.

4.8.3 Conclusie

Geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.9 Luchtkwaliteit

4.9.1 Regelgeving en beleid

De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Deze wijziging van de Wet milieubeheer is op 15 november 2007 in werking getreden. De wijziging houdt in dat de in Nederland toegepaste koppeling tussen ruimtelijke ordening en luchtkwaliteit voor een deel wordt ontkoppeld. Dit maakt het mogelijk om niet voor elk ruimtelijk plan te hoeven toetsen aan de normen. Hierbij is met name het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) van belang.

In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Sinds de verlening van derogatie door de Europese Unie en de inwerkingtreding van het NSL per 1 augustus 2009 is de definitie van NIBM een bijdrage van niet meer dan 3% aan de jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 van zowel PM10 als NO2.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk gemaakt kan worden dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven.

Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel alle ruimtelijke ontwikkelingen die 'in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als een bundeling van alle maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.

Op basis van bovenstaande volgt dat bestuursorganen een ruimtelijk plan kunnen vaststellen als:

  • wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden, of
  • een plan (per saldo) niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, of
  • een plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt, of
  • een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van een ontwikkeling wordt gecompenseerd met een verbetering door een als gevolg van dat plan optredend effect of een met het besluit samenhangende maatregel (saldering zoals bedoeld in art. 5.16 lid 1 onder b Wet milieubeheer), of
  • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL.
4.9.2 Onderzoek

Toetsing beoogde ontwikkeling aan het NIBM
Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden. Voor woningbouw geldt dat de realisatie van 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen niet in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van 1 extra woning mogelijk. Hiermee draagt het plan niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied en directe omgeving.

Goed woon- en leefklimaat
Met behulp van www.nsl-monitoring.nl is op 4 januari 2021 geraadpleegd wat de totale concentraties fijnstof en stikstofdioxide zijn ter plaatse van het plangebied. Dit om te bepalen of het realiseren van de beoogde woonfunctie op deze specifieke plek in het kader van een goed woon- en leefklimaat te motiveren is.

Uit de resultaten van de monitoringstool blijken de totale concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van de dichtsbijzijnde rekenpunten:

Rekenpunt ID 15851739 (Tiendweg-West 30A)

  • NO2: 18.7 µg/m3 in 2020 en 13.5 µg/m3 in 2030
  • PM10: 17.8 µg/m3 in 2020 en 15.5 µg/m3 in 2030
  • PM2,5: 10.9 µg/m3 in 2020 en 8.8 µg/m3 in 2030

Rekenpunt ID 15851847 (perceel naast Tiendweg-West 8B)

  • NO2: 18.1 µg/m3 in 2020 en 13.1 µg/m3 in 2030
  • PM10: 18.1 µg/m3 in 2020 en 15.7 µg/m3 in 2030
  • PM2,5: 11.1 µg/m3 in 2020 en 9.0 µg/m3 in 2030

Zowel in 2020 als 2030 blijven de concentraties ruimschoots onder de grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5). Zelfs wanneer de maximale bijdrage als gevolg van de verkeersaantrekkende werking hierbij opgeteld zou worden, is een overschrijding van de grenswaarden niet te verwachten. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit.

4.9.3 Conclusie

Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.  

4.10 Verkeer en parkeren

4.10.1 Regelgeving en beleid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor wordt de realisatie van voldoende parkeerplaatsen gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan.

Zoals toegelicht in § 2.4.2 Parapluplan 'Parkeren Krimpenerwaard', wordt met het parapluplan voorzien in een kader waaraan ontwikkelingen kunnen worden getoetst op parkeeraspecten. In het geldende parapluplan 'Parkeren Krimpenerwaard' is opgenomen dat voor wat betreft het aspect parkeren, een plan dient te worden getoetst aan de richtlijnen uit de CROW-publicatie 317, dan wel naar later vast te stellen beleidsregels voor parkeernormen. De genoemde publicatie 317 is opgevold door CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren: Van parkeercijfers naar parkeernormen' (2018). Hierin zijn kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie opgenomen.

4.10.2 Onderzoek

Ontsluiting
Beide locaties in het plangebied zullen, conform de huidige situatie, via bruggen vanaf de Tiendweg-West worden ontsloten.

Parkeren
Het plangebied wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid gekarakteriseerd als 'weinig stedelijk'. De ligging van het plangebied is voor het perceel naast Tiendweg-West 8B in rest bebouwde kom. Op basis van deze uitgangspunten geldt, conform CROW publicatie 381, voor een vrijstaand koophuis een parkeereis van minimaal 1,9 en maximaal 2,7 parkeerplaatsen per woning. Op het terrein is voldoende ruimte om parkeergelegenheid te realiseren. De parkeereis ter plaatse van de locatie Tiendweg-West 30A zal met de beoogde ontwikkeling niet toenemen. Het beperkte parkeren vindt volledig plaats op eigen terrein.

Verkeersgeneratie
De verkeersintensiteit zal ten opzichte van de huidige situatie niet of nauwelijks toenemen. De verkeersaantrekkende werking als gevolg van de toevoeging van één woning zal beperkt zijn, terwijl de verkeersaantrekkende werking als gevolg van het verdwijnen van de agrarische activiteiten op de locatie Tiendweg-West 30A zal afnemen.

Capaciteitsproblemen of verkeerskundige problemen voor de Tiendweg-West zijn niet te verwachten als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied. Het bestaande wegprofiel is van voldoende capaciteit om het verkeer op te vangen en af te wikkelen.

4.10.3 Conclusie

Verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.11 Water

4.11.1 Regelgeving en beleid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang om aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Daarbij spelen over het algemeen aspecten zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, beschermde gebieden (zoals waterkeringen) en riolering een rol. Het waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheer in het plangebied wordt uitgevoerd door het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard.

Het gebied van Schieland en de Krimpenerwaard ligt voor een groot deel onder zeeniveau. Dijken beschermen daarbij tegen overstromingen. Met sluizen en gemalen wordt ervoor gezorgd dat het water niet te hoog en niet te laag staat. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het beheer, onderhoud en inspecties van die dijken, sluizen en gemalen.

Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers. Het waterbeheerplan bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard. Per 1 januari 2016 is de geactualiseerde Keur in werking getreden. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben.

4.11.2 Onderzoek

Voor het plangebied is de Digitale Watertoets doorlopen. Hieruit volgt dat de normale procedure van toepassing is. Het voorontwerp-bestemmingsplan wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro eveneens voorgelegd aan het Hoogheemraadschap.

Onderstaande figuur toont een uitsnede van de leggerkaart van HHSK. De relevante waterhuishoudkundige aspecten worden hieronder toegelicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP2107BG031-VG01_0026.png"

Figuur 4.5: Uitsnede leggerkaart HHSK ter hoogte van Tiendweg-West 30A (links) en perceel naast Tiendweg-West 8B (rechts)

Waterkwantiteit
Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig dat gedempt zal worden als gevolg van de beoogde ontwikkelingen. De te slopen gebouwen op de locatie Tiendweg-West 30A en de beoogde nieuwbouw compensatiewoning op het perceel naast Tiendweg-West 8B zijn bovendien niet gelegen in beschermingszones van de watergangen.

De hoeveelheid verhard oppervlak neemt, als gevolg van de planontwikkeling, af. Op de locatie Tiendweg-West 30A wordt een groot deel van de bestaande bebouwing gesloopt en bovendien wordt verharding op het erf teruggedrongen om plaats te maken voor onverharde oppervlakten (streekeigen beplanting, bloemenweide, knotwilgenrij, etc). Dit resulteert op de locatie Tiendweg-West 30A in een afname in verhard oppervlak van ruim 2.100 m². De nieuw te realiseren verharding ten behoeve van de compensatiewoning, op het perceel naast Tiendweg-West 8B, zal niet van deze omvang zijn. Derhalve is er sprake van een netto afname in verhard oppervlakte.

Bovendien is op de nieuwbouwlocatie een nieuw te graven kavelsloot met natuurvriendelijke oever voorzien. Hoewel watercompensatie niet nodig is, wordt daarmee voor een toename in open water gezorgd (watergang in de categorie 'overig water'). De kavelsloot is beoogd in het verlengde van de reeds bestaande kavelsloot ter hoogte van het naastgelegen perceel (Tiendweg-West 8B). De kavelsloot wordt voorzien van een dam met duiker, om toegang tot het achtergelegen weiland te faciliteren. Het hoogheemraadschap stimuleert de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Om knelpunten te voorkomen, moeten watergangen conform het beleid van het hoogheemraadschap wel voldoende worden gedimensioneerd. In ieder geval moet de dimensionering voorzien in een eventueel benodigde berging in het gebied. In zijn algemeenheid geldt voor 'overige watergangen' een minimale diepte van 0,5 m. Bovendien moet bij het ontwerp van een plan goed rekening worden gehouden met het onderhoud van het watersysteem. Voor het dempen en graven geldt in principe een een meldings- of vergunningplicht. Op grond van de bij de Keur behorende Algemene Regels van HHSK geldt in dit geval echter een vrijstelling. Conform Algemene regel 1 ("Het graven, verbreden of verlengen van oppervlaktewaterlichamen"), hoeft namelijk geen watervergunning meer te worden aangevraagd voor het graven, verbreden of verlengen van oppervlaktewaterlichamen, bijvoorbeeld als perceelscheiding of als landschappelijk element. In de Algemene Regel zijn criteria genoemd. Aan deze voorwaarden zal worden voldaan, wanneer de nieuwe kavelsloot wordt gegraven. Bovendien geldt een meldingsplicht. Minimaal twee weken en maximaal 1 jaar vóór de aanvang van de werkzaamheden zal derhalve een melding worden gedaan.

Waterpeil
Het uitgangspunt voor het watersysteem is het faciliteren van de ruimtelijke functies en belangen in het gebied. Over het algemeen functioneert het watersysteem het best met grote, robuuste eenheden. Het streven is daarbij om bij ontwikkelingen zo groot mogelijk aaneengesloten peilgebieden te creëren en te behouden en lokale afwijkende peilen zoveel mogelijk op te heffen. De te handhaven waterpeilen zijn vastgelegd in de peilbesluiten van het Hoogheemraadschap. Het waterpeil wordt gehandhaafd door peilregulerende kunstwerken, zoals gemalen en stuwen en mag niet zonder goedkeuring van het hoogheemraadschap worden aangepast.

De beoogde ontwikkeling resulteert niet in een verandering van het waterpeil.

Waterkwaliteit
Bij de realisatie van nieuwbouw mogen geen uitloogbare bouwmaterialen worden gebruikt op plaatsen, die in contact zouden kunnen komen met hemelwater. Voor beschoeiingen zijn alleen niet-oxydeerbare en niet uitlogende materialen toegestaan. De voorgenomen ontwikkeling heeft hiermee geen invloed op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse.

Ecologische waterkwaliteit
Er dient een 'gezond' watersysteem te worden aangelegd, dat wil zeggen een goede ecologische waterkwaliteit (te voldoen aan STOWA klasse III voor overig water). Bomen, hoge bebouwing, bebouwing boven water en steigers en vlonders geven schaduw en bladval. Bladval heeft een negatief effect op de waterkwaliteit door voedselrijkdom en baggeraanwas. Schaduwwerking over grote wateroppervlakken leidt eerder tot dood water. Overkluizingen, bomen en bebouwing langs het water, dienen bij nieuwe ontwikkelingen zoveel mogelijk te worden voorkomen. De inrichting van het watersysteem in een nieuwe plan mag niet leiden tot ecologische knelpunten. De inrichting van het watersysteem moet zodanig worden uitgevoerd dat zo veel mogelijk bestaande knelpunten worden weggenomen geen nieuwe knelpunten ontstaan.

Onder natuurvriendelijke oevers (nvo's) verstaat het hoogheemraadschap flauwe oevers die deels in het water en deels op het droge talud liggen en die gunstig zijn voor planten en dieren. Wanneer een dergelijke oever goed wordt aangelegd en onderhouden, ontstaat gevarieerde plantengroei waar (water)dieren kunnen schuilen, verblijven en zich voortplanten. Hoe een nvo het best kan worden ontworpen hangt van verschillende factoren af. In het algemeen geldt dat ruime en flauwe onderwateroevers het meest gunstig zijn.

Veiligheid en beschermde gebieden
Er liggen geen primaire of secundaire waterkeringen in, of direct aangrenzend aan, het plangebied. Tevens is het plangebied niet gelegen binnen de beschermingszone van een waterkering.

Het voorkomen van overstromingen richt zich op waterkeringen. Behalve door het verkleinen van de overstromingskans (versterken van waterkeringen) kan het overstromingsrisico worden verkleind door de gevolgen van een overstroming te beperken. Het beperken van de gevolgen van een overstroming heeft betrekking op de inrichting van een gebied. Wanneer onverhoopt toch een overstroming plaatsvindt, moet de schade zo klein mogelijk zijn. Met de juiste inrichtingsmaatregelen kan de schade door een overstroming zo veel mogelijk worden beperkt.

Hierbij kan worden gedacht aan:

  • het positioneren van gebruiksintensieve bebouwing (o.a. ziekenhuizen en scholen) in minst onveilige delen/hoger gelegen delen van het gebied;
  • vloerniveau boven inundatiepeil, geen kelders/souterrains of inrichting met niet gevoelige objecten;
  • functies toegestaan in benedenverdieping;
  • terpen, verhoogde delen;
  • aanbrengen van vluchtwegen en calamiteiten routes.

Bij de nadere uitwerking van de plannen, zal rekening gehouden worden met de overstromingsrisico's.

Grondwater
De gronden ter plaatse van het plangebied zijn aangewezen als boringsvrije zone. De boringsvrije zone overkoepelt het grondwaterbeschermingsgebied en het waterwingebied. De grond is bestemd voor de bescherming van de afdekkende laag van het waterdoorvoerende pakket. De gronden mogen daarom niet dieper dan 2,5 m onder maaiveld worden geroerd. Alle handelingen in de bodem die de deklaag kunnen beschadigen zijn in principe niet toegestaan. Heien van palen is toegestaan, mits geen palen met verbrede voet worden gebruikt.

De beoogde ontwikkelingen in het plangebied zullen voldoen aan de gestelde eisen. Verontreining van het grondwatersysteem zal worden voorkomen.

Riolering

Het beleid van het hoogheemraadschap is erop gericht schoon hemelwater niet af te voeren naar de riolering. In het kader van duurzaam waterbeheer is het gewenst om bij alle nieuwbouw maximale afkoppeling van het hemelwater toe te passen. Het schone hemelwater dient geïnfiltreerd te worden in de bodem of anders via een bodempassage afgevoerd te worden naar het oppervlaktewater.

De bebouwing binnen het plangebied zal worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel en zal worden afgekoppeld.

4.11.3 Conclusie

Water vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan

4.12 M.e.r - beoordeling

4.12.1 Regelgeving en beleid

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.

Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben ook wel genoemd de 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst deze afweging gemaakt dient te worden. Deze lijst geeft namelijk aan of er voor activiteiten en projecten beoordeeld moet worden of er een MER gemaakt moet worden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. beoordeling noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.


De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal:

  • 1. de kenmerken van het project;
  • 2. de plaats van het project;
  • 3. de kenmerken van de potentiële effecten.


Procedure vormvrije m.e.r.
Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Voor projecten die beneden de drempelwaarden uit de D-lijst vallen, geldt de vormvrije m.e.r.-beoordeling zoals hierboven omschreven dient te worden doorlopen. Door het college van de gemeente Krimpenerwaard dient een afzonderlijk besluit genomen te worden of een vormvrije m.e.r.-beoordeling ook daadwerkelijk volstaat. Dit besluit nemen zij aan de hand van een door initiatiefnemer in te dienen Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.

4.12.2 Onderzoek

In het kader van het Besluit m.e.r. is voor de ontwikkeling een aanmeldnotitie opgesteld ten behoeve van de vormvrije m.e.r.-beoordeling. In de aanmeldnotitie is de planologische wijziging toegelicht en nader gemotiveerd aan de hand van de selectiecriteria. De aanmeldnotitie is bijgevoegd als Bijlage 7 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Het m.e.r.-beoordelingsbesluit is opgenomen als Bijlage 8 M.e.r.-beoordelingsbesluit.

4.12.3 Conclusie

Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Inleidende regels

Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels bepalen de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden. De bestemming is zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het plan is opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012).

Het bestemmingsplan is primair bedoeld om de beoogde ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken. Het bestemmingsplan betreft dan ook een ontwikkelingsplan. De ruimtelijke en functionele kaders zijn voldoende duidelijk, waardoor gekozen is voor directe bouwtitels.

5.1.1 Begrippen

In artikel 1 worden de begrippen die in de regels worden gebruikt omschreven. Sommige begrippen zijn voor meerdere uitleg vatbaar, daarom is het nodig om ze planologisch-juridisch af te bakenen en te preciseren, ten opzichte van het algemeen spraakgebruik. Zonder definitie zou een begrip tot verwarring kunnen leiden.

5.1.2 Wijze van meten

In artikel 2 wordt weergegeven hoe de in de regels opgenomen maten van een bouwwerk moeten worden gemeten.

5.2 Bestemmingsregels

5.2.1 Agrarisch met waarden

De bestaande agrarische gronden zijn bestemd als agrarisch met waarden. In lijn met het vigerend bestemmingsplan, zijn binnen deze agrarische bestemming in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan. Echter zijn de gebruiksmogelijkheden hier beperkt, omdat er geen bouwvlak is opgenomen. De bestemming ‘Agrarisch met waarden’ is opgenomen om de aanwezige landschaps- en natuurwaarden extra te beschermen. Het door de provincie aangewezen weidevogelgebied heeft de aanduiding landschapswaarden. Een aantal (neven)activiteiten was op basis van het vigerend bestemmingsplan hier reeds toegestaan. De lijst met toegestane nevenactiviteiten is in voorliggend bestemmingsplan verder aangevuld, zodat de activiteiten, die binnen de woonbestemming in voormalige agrarische bedrijfsbebouwing rechtstreeks zijn toegestaan, eveneens op de agrarische gronden mogen worden uitgeoefend.

5.2.2 Wonen

Voor de woonfuncties is de bestemming Wonen opgenomen. Voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, die gebruikt mag worden ten behoeve van de diverse activiteiten, hebben de bestemming wonen, met de aanduiding sba-vab (specifieke bouwaanduiding - voormalige agrarische bedrijfsbebouwing). Omdat flexibiliteit gewenst is, wordt hier een variatie aan activiteiten rechtstreeks toegestaan. De activiteiten zijn passend bij de aard en schaal van het terrein. Enkele activiteiten (zoals pluktuinen), worden ook toegestaan op aangrenzende gronden - dat wil zeggen, alle gronden binnen die woonbestemming waar de aanduiding sba-vab is opgenomen.
In de specifieke gebruiksregels van de woonbestemming zijn bovendien voorwaardelijke verplichtingen in relatie tot het gebruik ten behoeve van wonen opgenomen, waarmee geborgd wordt dat de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd conform de inrichtingsplannen. Ook is hiertoe een sloopverplichting opgenomen. Immers ziet de ruimte-voor-ruimte regeling toe op nieuwbouw van een woning, in ruil voor de sloop van de bedrijfsbebouwing. De voorwaardelijke verplichtingen zijn dan ook opgenomen, om te voorkomen dat de nieuw te bouwen woning wordt gerealiseerd zonder dat de betreffende bebouwing wordt gesloopt.

5.2.3 Leiding - Hoogspanningsverbinding

Om het zakelijk recht rondom de hoogspanningslijn veilig te stellen, is aan weerszijden van deze leiding een dubbelbestemming opgenomen. Binnen deze bestemming mogen geen bouwwerken worden opgericht, anders dan ten behoeve van deze leidingen. In verband met de indicatieve zones om hoogspanningsleidingen, is het bij omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels enkel toegestaan als daardoor geen nieuwe gevoelige bestemmingen ontstaan waar kinderen langdurig verblijven.

5.2.4 Waarde - Archeologie

In het plangebied komen (middel)hoge archeologische verwachtingswaarden voor. Voor deze gebieden is, conform de beleidsadvieskaart behorend bij het archeologiebeleid, de dubbelbestemming Waarde Archeologie opgenomen. Hierbij is onderscheid gemaakt in de verschillende verwachtingswaarden, waarbij per categorie specifieke gebruiksregels gelden. Een onderzoeksplicht maakt eveneens deel uit van de bestemmingsregeling.

5.3 Algemene regels

5.3.1 Antidubbeltelregel

De antidubbeltelregel is een verplichte regel die voortkomt uit het Besluit ruimtelijke ordening.

5.3.2 Algemene bouwregels

In dit artikel worden de algemene bouwregels omschreven, die voor het hele plangebied gelden.

5.3.3 Algemene gebruiksregels

In dit artikel is opgenomen wat onder strijdig gebruik wordt verstaan.

5.3.4 Algemene aanduidingsregels

In de algemene aanduiding zijn zones opgenomen die over verschillende bestemmingen heen liggen. Het betreft een beschermingszone voor de eendenkooi en milieuzones (stiltegebied en boringsvrijezone).

5.3.5 Algemene afwijkingsregels

Dit artikel bevat de afwijkingsmogelijkheden. Deze afwijkingsmogelijkheden gelden voor het hele plangebied. In deze regels is onder meer de zogenoemde 10%-regeling opgenomen. De bouwgrenzen kunnen hierdoor waar mogelijk en stedenbouwkundig verantwoord, met 10% worden overschreden. Overige maatvoeringen kunnen niet met 10% worden verhoogd.

5.3.6 Algemene wijzigingsregels

In dit artikel is opgenomen onder welke voorwaarden het bouwvlak kan worden gewijzigd alsmede de bestemming 'Agrarisch met waarden' naar 'Natuur' kan worden gewijzigd.

5.3.7 Algemene procedureregels

In dit artikel is de verwijzing naar andere wettelijke regelingen opgenomen.

5.3.8 Overige regels

In dit artikel zijn de regels over parkeren opgenomen met verwijzing naar de CROW-publicatie 381 (december 2018). Voorts is in dit artikel een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om te kunnen afwijken van de parkeernormen uit de CROW-publicatie 381.

5.4 Overgangs- en slotregels

5.4.1 Overgangsrecht

Deze artikelen regelen de bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen, die op tijdstip van inwerkingtreding van dit plan in strijd zijn met de met de bouwregels, gebruiksregels of beide.

5.4.2 Slotregel

In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Op grond van het bepaalde in artikel 3.1.6 onder f. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in deze toelichting inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Deze uitvoerbaarheid heeft in het bijzonder betrekking op de financieel economische uitvoerbaarheid. Daarnaast moet worden aangegeven of er een exploitatieplan wordt opgesteld of dat er sprake is van een overeenkomst.

Initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de financieel economische uitvoerbaarheid. Door het sluiten van een anterieure overeenkomst zijn gemeentelijke kosten gedekt, en zijn de planning en uitvoering vastgelegd. Ten behoeve van het bestemmingsplan hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Participatie

Naast de optimale inpassing in het landschap, streeft de initiatiefnemer ernaar om ook het plan waar mogelijk aan te laten sluiten op de wensen en eisen van omwonenden. Alvorens het plan voor het perceel naast Tiendweg-West 8B verder te concretiseren, zijn initiatiefnemers in gesprek gegaan met de betrokken omwonenden om hen te laten participeren in het plan.

In mei 2021 zijn de bewoners middels een brief door de initiatiefnemer geïnformeerd over de voorgenomen plannen om een woning mogelijk te maken op het perceel, waarbij de lezer werd aangemoedigd om suggesties, ideeën over de inrichting of andere aandachtspunten te delen. Naar aanleiding van het informeren, zijn bij de gemeente een aantal reacties binnengekomen vanuit de buurt. Reacties hadden betrekking op het feit dat een lege kavel wordt bebouwd, met gevolgen voor uitzicht en privacy van de betreffende omwonenden.

Omwonenden zijn vervolgens door initiatiefnemer uitgenodigd voor een participatiebijeenkomst op 14 juli 2021, om de plannen verder toe te lichten en vragen daarover te beantwoorden. Één genodigde buurtbewoner was aanwezig op de participatiebijeenkomst op 14 juli 2021, van een viertal huishoudens is afmelding ontvangen. Tijdens de bijeenkomst zijn de plannen aan de hand van een presentatie besproken. Vragen over de ontwikkeling van de buurtbewoner werden daarbij beantwoord. In de buurt is, zo geeft de buurtbewoner aan, de nodige weerstand tegen de plannen. Buurtbewoners (en hij zelf ook) vinden het een lastige positie om ideeën te geven over de inrichting van de kavel, als ze het met de ontwikkeling als zodanig niet eens zijn. Initiatiefnemer benadrukt dat er onverminderd bereidheid blijft om input vanuit omwonenden over de inrichting van de kavel mee te nemen.

6.2.2 Vooroverleg

In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het concept-ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de diverse overleginstanties.

Van de volgende overlegpartners zijn reacties ontvangen:

  • Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft geen bezwaren tegen de vaststelling van het bestemmingsplan en verzoekt op de hoogte gehouden te worden.
  • TenneT geeft aan een belang te hebben bij het perceel Tiendweg-West 30A vanwege de belemmerde strook van de hoogspanningsmast. De dubbelbestemming voor de hoogspanningsmast is gecontroleerd en juist opgenomen. De planregels met betrekking tot de betreffende dubbelbestemming (artikel 5 van de planregels) zijn aangescherpt naar aanleiding van de overlegreactie.
  • Oasen heeft geen bezwaren tegen de vaststelling van het bestemmingsplan en merkt op dat activiteiten op deze locatie rekening dienen te houden met de vigerende regels vanuit de Provinciale Milieu Verordening 2021. De toelichting van dit bestemmingsplan is naar aanleiding hiervan aangevuld (paragraaf 3.2.4).

Van de overige instanties zijn geen reacties ontvangen. Aangenomen wordt dat zij kunnen instemmen met de beoogde plannen.

6.2.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 16 maart 2022 zes weken ter inzage gelegen. Binnen de termijn zijn zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn beoordeeld in de Nota van beantwoording zienswijzen en ambtshalve aanpassingen. Deze is bijgevoegd als bijlage 9 van de toelichting. De zienswijzen hebben op een punt aanleiding gegeven een aanpassing te doen en het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen

6.2.4 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.