| Plan: | Provincialeweg Oost 34a/36, Haastrecht |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1931.BP2105BG024-VG02 |
Aan de Provincialeweg Oost 36 in Haastrecht is mengvoederproductie van Coöperatie ABZ De Samenwerking U.A. gevestigd met daarnaast op nummer 34a een landbouwwinkel onder de naam Welkoop, die gedreven wordt door ABZ De Samenwerking. Initiatiefnemer is voornemens om de fabriek voor mengvoeders aan te passen vanwege aanpassingen van de productieprocessen (zonder de productie te verhogen). Daarbij worden de productiegebouwen aangepast en vergroot. Hiervoor dient de 'maatvoering' op de verbeelding van de bestemming 'Bedrijf' gedeeltelijk te worden aangepast om voor een groter gedeelte een bouwhoogte mogelijk te maken van 30, 35 tot 40 meter (in plaats van nu 29 meter). Verder dient in de nieuwe situatie de functieaanduiding 'detailhandel' te worden aangevuld met een bouwvlak om een nieuwe entree van de Welkoop mogelijk te maken aan de Provincialeweg Oost 34a met circa 230 m² en een bouwhoogte van 6 meter. Om de planontwikkelingen mogelijk te maken is dit bestemmingsplan opgesteld.
Het plangebied ligt aan de Provincialeweg Oost 34a/36 in Haastrecht tussen de Hollandsche IJssel en de N228. Dit (agrarisch) bebouwingslint ligt tussen de bebouwde kom van Haastrecht en Oudewater. Het plangebied is aangeduid in figuur 1.
Figuur 1: Situering omgeving plangebied (locatie met rode stippellijn aangeduid).
Voor het plangebied gelden de volgende, door de gemeenteraad van Krimpenerwaard vastgestelde, bestemmingsplannen:
| Bestemmingsplan | Raadsbesluit | |
| Bestemmingsplan "Landelijk Gebied" (voormalige gemeente Vlist) | 15 december 2015 | |
| "Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard" | 29 januari 2019 | |
Het perceel is bestemd voor 'Bedrijf' met een bouwvlak en de functieaanduidingen 'detailhandel' en 'bedrijfswoning'. Binnen het bouwvlak zijn bedrijfsgebouwen en twee bedrijfswoningen toegestaan. Aan de Provincialeweg Oost 36 is een mengvoederbedrijf toegestaan in milieucategorie 4.1. Ter plaatse van het perceel Provincialeweg Oost 34a is uitsluitend perifere detailhandel toegestaan tot een maximale netto-verkoopvloeroppervlakte van 1.000 m². Een uitsnede van de verbeelding is opgenomen in figuur 2. Om medewerking aan de planontwikkelingen te verlenen is een herziening van het bestemmingsplan nodig.
Figuur 2: Uitsnede plankaart bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)'.
Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige situatie en geeft een planbeschrijving van de nieuwe toestand. In Hoofdstuk 3 wordt het beleidskader uiteengezet. Hierin wordt het voor dit bestemmingsplan relevante rijks-, provinciaal en gemeentelijke beleid beschreven. In Hoofdstuk 4 wordt de Waterparagraaf beschreven. Hoofdstuk 5 omvat de omgevingsaspecten. Ook uitvoeringsaspecten worden hier beschreven. In Hoofdstuk 6 wordt de keuze voor de planmethodiek nader toegelicht. Hoofdstuk 7 is gewijd aan de uitvoerbaarheid. Hier wordt met name ingegaan op de uitkomsten van de inspraak en het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.
Veenweide
Het grondgebied van Haastrecht ligt in de Krimpenerwaard en bestaat uit veenweidegebied. Het veenweidegebied wordt gekenmerkt door twee hoofdrichtingen. De ene hoofdrichting loopt evenwijdig aan de Lek en de Hollandsche IJssel en wordt bepaald door de nederzettingen, watergangen en doorgaande wegen. De andere richting staat haaks op deze rivieren en wordt bepaald door de verkaveling, watergangen en verbindingswegen. Het slagenlandschap in het veengebied bestaat uit twee verschillende werelden: die van de kleinschalige linten met bruggetjes en knotwilgen en die van de ruimte met sloten en weilanden daarachter. De meeste beplanting is te vinden in de dorpen, rondom de boerenerven, langs dijkwegen, langs de Lek, langs de kavelgrenzen en de tiendwegen. Samen met de bebouwing zorgen deze voor langgerekte verdichte zones die de openheid van het gebied onderbreken.
Bebouwingslinten
De bebouwing in het buitengebied bevindt zich in een aantal bebouwingslinten die over het gehele grondgebied te vinden zijn en die min of meer buurtschappen vormen. De bebouwingslinten kennen een zeer divers gebruik: agrarische bedrijven, woningen en niet agrarische bedrijven liggen naast elkaar. Kenmerkend zijn de doorzichten van de kleinschalige bebouwingslinten naar het open veenweidegebied. Het plangebied ligt ten zuiden van de Hollandsche IJssel tussen de kernen Haastrecht en Oudewater.
Op voorgrond woning aan Provincialeweg Oost 34. Tegenover gelegen boerderij.
Boomgaard aan westzijde plangebied. De Hollandsche IJssel.
Planspecifiek
Coöperatie ABZ De Samenwerking U.A.
In het plangebied is Coöperatie ABZ De Samenwerking U.A. gevestigd. Dit diervoederbedrijf zorgt al meer dan honderd jaar voor levering van diervoeders, ruwvoerders, mineralen, meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen, zaaizaden en andere boerenartikelen aan agrarische bedrijven in de regio. Het bedrijf ligt aan de Hollandsche IJssel van waaruit bevoorrading met vrachtschepen kan plaatsvinden. Vanuit de fabriek vindt aflevering met vrachtwagens plaats naar agrarische klanten in de regio. De bouwhoogte van de bedrijfsbebouwing is maximaal 29 meter. Een situatietekening van de bestaande toestand is opgenomen in figuur 3.
Bedrijfsterrein Coöperatie ABZ De Samenwerking U.A. De bestaande silo's van 29 meter hoog.
Aanlegsteiger voor lossen van schepen. Plangebied vanaf Wilhelmina van Pruisenbrug.
Welkoop
In het plangebied is landbouwwinkel Welkoop (via franchise gedreven door ABZ De Samenwerking) aan de oostzijde van het plangebied gevestigd met daarbij een parkeerplaats die zowel door bezoekers van Welkoop als ook door medewerkers van ABZ De Samenwerking worden gebruikt.
Ingang naar Welkoop winkel. Kantoor van Coöperatie ABZ De Samenwerking U.A.
Kantoor en vestiging Welkoop vanaf de N228. Entree Welkoop.
Coöperatie ABZ De Samenwerking U.A.
Als gevolg van noodzakelijke aanpassing van werkprocessen is voor een gedeelte van het bedrijfsgebouw een hogere bouwhoogte nodig van 30 tot 40 meter (in plaats van nu 29 meter). De reden hiervoor is om meer opslagcapaciteit per m³ te realiseren voor onder andere de maal-menglijn. Daarnaast is door de voortschrijdende techniek meer ruimte nodig om een machinetoren te vullen. Hierbij is het van belang om zo min mogelijk producten verticaal omhoog te transporteren, omdat dit teveel energie kost. De productiehoeveelheid per jaar gaat niet omhoog, maar de productieprocessen worden wel energiezuiniger en arbeidsvriendelijker. Voor het overige behouden de bedrijfsgebouwen de bestaande bouwhoogten van 7,5 m en 9 meter.
Een gedeeltelijke verhoging van het bedrijfsgebouw tot respectievelijk 30, 35 en 40 meter is vanuit stedenbouwkundig aanvaardbaar, omdat er sprake is van zuinig ruimtegebruik. Dit sluit aan bij het gemeentelijk en provinciaal beleid in het buitengebied.
In de gezamenlijke bouwdelen die hoger dan 28 m zijn, zal een open ruimte worden aangehouden die in noord-zuid richting zichtbaar vanuit richting Provincialeweg Oost met een opening van tenminste 18 m breed en tenminste 3,4 m hoog. Een impressietekening hiervan is opgenomen in figuur 3.
Figuur 3: Impressietekening nieuwe situatie.
De uitbreiding wordt voorzien van dezelfde kleurstelling en materiaalgebruik als van het bestaande bedrijfsgebouw. De ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied blijft ongewijzigd. Een situatietekening bestaand en nieuw is opgenomen in figuur 4.
Figuur 4: Situatietekening bestaand. Situatietekening nieuw.
Uitbreiding Welkoop
De winkel wordt aangevuld met een nieuwe 6 meter hoge entree (figuur 3). Deze overkapping van 230 m² is nodig voor het droog kunnen stallen van winkelwagens (die nu buiten staan) en andere zaken ten dienste van de winkel. De overkapping maakt geen onderdeel uit van de netto-verkoopvloeroppervlakte. Dit blijft overeenkomstig de bestaande situatie maximaal 1.000 m².
Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat op grond van de Omgevingsverordening een motivering, bij voorkeur vervat in een beeldkwaliteitsparagraaf, waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft. Deze paragraaf voorziet hierin.
Beeldkwaliteitsplan
Bureau Maris heeft een beeldkwaliteitsplan en landschapsinpassingsplan opgesteld in verband met de beoogde uitbreiding van coöperatie ABZ Diervoeders, waarbinnen bebouwing kan plaatsvinden. Dit biedt ruimte aan een getrapte toename in bouwhoogte tot een maximum van 40 meter. Omdat de huidige bebouwing maximaal 26 meter hoog is, zal het complex vanaf grotere afstand zichtbaar zijn.
Het doel is daarbij een goede ruimtelijke kwaliteit van de bebouwing en het omringende terrein te realiseren. Daarbij is van belang voor de aanstaande uitbreiding en eventuele toekomstige vernieuwingen of wijzigingen een kader vast te leggen. Dit biedt zekerheid aan de gemeente, omwonenden en andere betrokken partijen over de beoogde ruimtelijke kwaliteit. De uitgangspunten en randvoorwaarden zijn ondermeer gebaseerd op hetgeen is vastgelegd in het Krimpenerwaards Kookboek en komen tegemoet aan de eerder gemaakte opmerkingen van de Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit Krimpenerwaard (GAOK). De in het rapport opgenomen referentiebeelden en renders dienen ter inspiratie. Het beeldkwaliteitsplan van 24 februari 2026 is opgenomen in Bijlage 1 Het beeldkwaliteitsplan wordt door de gemeenteraad apart van het bestemmingsplan vastgesteld als beleid in de zin van artikel 4.19 Omgevingswet.
Landschappelijke inpassing
Huidige landschap
ABZ Diervoeding ligt in het hoger gelegen gebied tussen de dijken van de Hollandsche IJssel. Het contrast tussen deze dijkzone en het zuidelijk gelegen veenweidegebied is groot. De rivierzone is kleinschalig en verdicht met boomgaarden en andere boombeplanting, terwijl het veenweidegebied grootschalig en zeer open is.
Het huidige terrein van ABZ Diervoeding heeft, mede door regels rondom hygiëne en de bedrijfsvoering, een open karakter. Alleen aan delen van de west- en noordzijde van het terrein staan bomenrijen. Ook staat er op de dijk, ten noorden van de parkeerplaats van de Welkoop, een grote en karakteristieke notenboom.
Landschappelijke inpassing
Hoge bebouwing zoals de fabriek van ABZ Diervoeding valt op in het landschap. Dit zicht op de bebouwing is niet volledig weg te nemen. Wel is het mogelijk om, met goede plaatsing van bomen, het zicht op de bebouwing te filteren. Het zicht op de fabriek kan met name gefilterd worden aan de oostzijde van het plangebied. De wegbeplanting langs de Provincialeweg Oost neemt het zicht op de hogere delen van de fabriek al enigszins weg. Door op de oostgrens van de locatie, haaks op de wegbeplanting, een bomenrij toe te voegen, wordt dit zicht verder gefilterd. Geschikte boomsoorten voor een dergelijke bomenrij zijn es, els of eik.
Daarnaast kan de boombeplanting langs de Provincialeweg Oost verder uitgebreid worden ter hoogte van de entree van het terrein. De zichtbaarheid van ABZ Diervoeding en de Welkoop blijft bestaan, doordat je onder de boomkronen doorkijkt. De hoge bebouwing wordt echter gedeeltelijk aan het zicht onttrokken, door diezelfde boomkronen. Naast de entree wordt de parkeerplaats aan het zicht onttrokken met een haag. De entree zelf blijft meer open, om de veiligheid van het in- en uitrijden van het terrein te waarborgen. Geschikte boomsoorten voor het uitbreiden van de wegbeplanting zijn es, els of eik.
Het parkeerterrein van de Welkoop kan met de uitbreiding geoptimaliseerd worden. Daarbij zou het goed zijn om, gezien het groene karakter van de winkelketen, het parkeerterrein groener in te richten. Dit past goed bij het type bedrijf en zorgt voor een aangenamer klimaat op warme dagen. Dit kan bereikt worden door het toepassen van grasstenen en door bomen toe te voegen. Deze bomen zorgen voor schaduw op verharding en op de auto's. Deze bomen kunnen een knipoog zijn naar de veelvoorkomende boomgaarden in de omgeving. Parkeren onder fruitbomen is ongewenst, vanwege vallend fruit, maar door bijvoorbeeld te kiezen voor sierkers als boomsoort, krijgt de parkeerplaats wel de uitstraling van een boomgaard. Een vereenvoudigde versie van het landschapsinpassingsplan is opgenomen in figuur 5.
Figuur 5: Landschapsinrichtingsplan.
Beplantingsplan
Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het groen aan de oostzijde van het plangebied is een beplantingsplan opgesteld. De aanleg en instandhouding hiervan wordt door middel van een voorwaardelijke verplichting geborgd in de specifieke gebruiksregels (artikel 5.3.1 van de bestemming 'Groen'.
Met een bezonningsstudie is het verschil tussen de bestaande situatie en de nieuwe situatie inzichtelijk gemaakt. Voor 4 verschillende data (21 maart, 21 juni, 21 september en 21 december) zijn steeds 6 tijdstippen gekozen: 09:00 uur, 11:00 uur, 13:00 uur, 15:00 uur, 17:00 uur en 19:00 uur.
Uit de bezonningsstudie van blijkt dat alleen tijdens de winterperiode de schaduwen zich uitstrekken tot aan de woningen langs de Hekendorpse Buurt, wat overeenkomt met de situatie in de bestaande omstandigheden. In de nieuwe situatie vertoont het patroon van schaduwvorming enige variatie met een licht gewijzigde schaduwcontour en een ietwat verhoogde hoeveelheid schaduw. In de resultaten zijn enkele momenten waarbij de schaduw de woningen raakt aan de overkant van de IJssel, maar deze woningen hebben meer dan 3 uur zon waardoor wordt voldaan aan de TNO norm. Voor het overige blijkt uit de vergelijking dat er nagenoeg geen schaduwwerking is. De bezonningsstudie is opgenomen in Bijlage 2.
Conclusie
Gelet op de ligging van de planlocatie in binnenstedelijk gebied is vermindering van bezonning en privacy ten opzichte van de huidige situatie niet onaanvaardbaar. De belangen van omwonenden worden hierdoor niet onevenredig geschaad.
Verkeer
Het plangebied ligt aan de Provincialeweg Oost (N228) in Haastrecht. Deze gebiedsontsluitingsweg is tevens een recreatieve verbindingsroute voor langzaam verkeer tussen Gouda en Oudewater. De maximum snelheid is 60 km/uur. De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de verkeersintensiteit. De ontsluiting van het plangebied vindt plaats vanaf de bestaande verharde ontsluiting.
De Provincialeweg Oost met afslag naar plangebied. Inrit naar 'De Samenwerking' en Welkoop.
Toegangsweg naar Welkoop. Parkeerterrein Welkoopwinkel.
Parkeren
Ieder plan dient te voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen erf. De vraag hoe wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt beantwoord in het parkeerbeleid van de gemeente Krimpenerwaard. Op 29 januari 2019 heeft de gemeenteraad het parapluplan Parkeren Krimpenerwaard vastgesteld. Dit betekent dat moet worden voldaan aan de parkeernorm van de richtlijnen van het CROW 2018 (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water-, en Wegenbouw en de Verkeerstechniek, publicatie 381). Bij uitwerking van bouwplannen dient te worden aangetoond dat kan worden voldaan aan deze parkeerregeling.
Tabel 3.1: Parkeerkencijfers in verband met aanpassingen diervoedergebouw en winkel
| Functies | Per 100 m² | Oppervlakte | Aantal pp |
| Bedrijven weinig stedelijk/ buitengebied | |||
| Bedrijf, arbeidsextensief/ bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf) | min. 0,8 max. 1,3 |
Geen uitbreiding t.o.v. bestaande bebouwing | |
| Bedrijf, arbeidsintensief/ bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats) |
min. 2,1 max. 2,6 |
Geen uitbreiding t.o.v. bestaande bebouwing | |
| Tuincentrum weinig stedelijk/ buitengebied | |||
| Tuincentrum | min. 2,6 max. 3,1 |
Bestaand: 1.000 m² uitbreiding: 230 m² |
31,0 pp 7,1 pp |
Coöperatie ABZ De Samenwerking U.A.
De vergroting van het bedrijfsgebouw van Coöperatie ABZ De Samenwerking U.A. gaat vindt nageoeg plaats binnen het bestaande bouwvlak. Er wordt een verhoging van een gedeelte van de bedrijfsbebouwing mogelijk gemaakt voor opslag van dier- en ruwvoeders. Deze uitbreiding heeft geen consequenties voor het aantal verkeersbewegingen. De parkeerbehoefte wijzigt niet.
Welkoop
In de bestaande situatie is een winkel van 1.000 m² toegestaan. De uitbreiding c.q. overkapping van de entree met 230 m² dient voornamelijk voor stalling van winkelwagens en overdekte opslag (van goederen die nu onbeschut buiten liggen). Op basis van de parkeerkencijfers zouden in de nieuwe situatie afgerond 38 parkeerplaatsen nodig zijn, hoewel de uitbreiding van de entree in werkelijkheid niet zal leiden tot meer bezoekers. Op het parkeerterrein is ruimte voor 51 auto's, zodat wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernorm. Bij uitwerking van bouwplannen dient te worden aangetoond dat hieraan kan worden voldaan. In artikel 11.2 van het bestemmingsplan wordt dit geborgd.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' vastgesteld (afgekort NOVI). De visie bevat hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden.
In de NOVI wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.
De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving met bijbehorende opgaven geformuleerd. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.
De vier prioriteiten
De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. Dat zijn complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Politieke en maatschappelijke keuzes zijn vooral daar nodig, om op deze prioriteiten voortgang te boeken op een manier die draagvlak heeft en bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. Het gaat hier om de volgende prioriteiten.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Drie afwegingsprincipes
Doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. Deze dubbele doelstelling uit de Omgevingswet is vertaald in een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving: ontwikkeling van de leefomgeving gaat samen met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. Veiligheid, gezondheid en duurzaamheid zijn basale randvoorwaarden voor alle maatschappelijke activiteiten zoals bedrijfsmatige activiteiten, de energietransitie en de woningbouw. Om aan het afwegingsproces en de omgevingsinclusieve benadering richting te geven, gebruikt het rijk in het omgevingsbeleid drie afwegingsprincipes. Deze zijn:
Relatie tot het bestemmingsplan
In de uitwerking van prioriteit 4 'Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied' is een aantal beleidskeuzes opgenomen. Eén van de beleidskeuzes is als volgt: "Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschapsinclusief." Onder unieke landschappen wordt onder andere het Groene Hart benoemd.
Het plangebied ligt in het Groene Hart, dit gebied is aangewezen als Nationaal landschap. Het doel is om de kwaliteit te versterken en te beschermen. De voorgenomen ontwikkeling voorziet alleen in een herontwikkeling van een bestaand bedrijfsterrein met een verhoudingsgewijs beperkte bouwkundige vergroting van de bedrijfsgebouwen van ABZ De Samenwerking en met een verhoudingswijs beperkte bouwkundige vergroting van een weidewinkel in het buitengebied met een overdekte entree. De rijksbelangen zijn niet in het geding.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (afgekort Barro) bevat een beperkt aantal beslissingen van wezenlijk belang uit de Structuurvisie. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro en de hierbij behorende ministeriële regeling zijn op 30 december 2011 in werking getreden. Door de (thans 14) nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. De in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening genoemde rijksbelangen zijn niet in het geding.
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'Ladder' voor duurzame verstedelijking op. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Dit betekent dat in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving wordt opgenomen van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.
Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder is als een procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Hierna wordt de planontwikkeling getoetst aan de Ladder, zoals deze vanaf 1 juli 2017 geldt.
Toetsing initiatief aan Ladder voor duurzame verstedelijking
De belangrijkste motiveringsplichten van de nieuwe Ladder, namelijk dat de behoefte aan een nieuwe ontwikkeling moet worden aangetoond en dat moet worden toegelicht – als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd – waarom het bestaand stedelijk gebied niet geschikt is voor de nieuwe ontwikkeling, vloeien voort uit andere wettelijke normen en jurisprudentie. Ook in het geval er geen sprake is van een formele 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', moet toch het nut en de noodzaak aan die ontwikkeling en de uitvoerbaarheid daarvan worden aangetoond. De Ladder is als een procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening.
In dit bestemmingsplan wordt een geringe uitbreiding van een bestaand bedrijfsgebouw en een winkel (met overdekte entree) mogelijk gemaakt. Het begrip 'stedelijke ontwikkeling', zoals opgenomen in de definitie in het Besluit ruimtelijke ordening is niet nader gedefinieerd in het Bro. Het moet echter gaan om een ruimtelijke ontwikkeling van enige omvang. Op grond van jurisprudentie is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Dit wordt toegelicht in paragraaf 3.2.2.1.
Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing voor deze planontwikkeling. Vanuit rijksbeleid zijn er geen beperkingen voor deze planontwikkeling.
Op 20 februari 2019 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Omdat onderdelen uit het Programma ruimte naar het visiedeel zijn omgezet, is het resterende deel hiervan nu onderdeel van het Omgevingsbeleid. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. Op 1 april 2023 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie in werking getreden.
De provincie ziet zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar deze regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zes ambities draagt de provincie bij aan het sterker maken van Zuid-Holland. Bij de zes ambities is een aantal opgaven geïdentificeerd. De opgaven zijn vanuit provinciale optiek en op een zeker abstractieniveau geformuleerd zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. Het betreft de volgende ambities:
In het Omgevingsprogramma zijn de instrumenten opgenomen waarmee de doelen en ambities uit de Omgevingsvisie uitgevoerd gaan worden.
Verbetering omgevingskwaliteit
Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Daarbij streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Met het provinciaal omgevingsbeleid wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit. Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit is weergegeven in de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit', behorende bij zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening.
Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. In deze verordening zijn alle regels voor de fysieke leefomgeving van het bestaande provinciale omgevingsbeleid samengevoegd. Op 1 april 2023 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening in werking getreden. Bestemmingsplannen dienen rekening te houden met de hierin opgenomen regels. Voor dit bestemmingsplan betreft dit een toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en de Omgevingsverordening.
De in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Op grond hiervan dient een bestemmingsplan waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt te voldoen aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening.
Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. Hierin zijn bijbehorende tabellen met een overzicht opgenomen van de namen en de oppervlaktes van de locaties. Als een locatie is opgenomen op de '3 ha kaart' betekent dit dat de provincie op hoofdlijnen geen ruimtelijk bezwaar heeft tegen de betreffende ontwikkeling. Dit neemt niet weg dat de gemeente bij de verdere detaillering van de betreffende ontwikkeling (in het kader van het bestemmingsplan) nog wel rekening moet houden met specifieke onderdelen van het provinciaal beleid, bijvoorbeeld het beleid voor ruimtelijke kwaliteit.
Uitgangspunt voor het opnemen van een locatie op de '3 ha kaart' is dat het gaat om een reële ontwikkeling. Binnen een periode van ten hoogste 10 jaar moet er voldoende behoefte bestaan voor ontwikkeling van de locatie. De regionale visies voor wonen en bedrijventerreinen vormen belangrijke input voor de '3 ha kaart'. Het is daarom wenselijk om al voordat een nieuwe buitenstedelijke locatie wordt opgenomen in de regionale visie in overleg te treden met de provincie over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van die locatie.
In lid 4 is bepaald dat Gedeputeerde staten een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen kunnen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale visie.
Toetsing aan Ladder voor duurzame verstedelijking
Het plangebied is op kaart 14 (Bedrijventerrein) van de Omgevingsvisie aangeduid als 'concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen' (figuur 6). Dit bestemmingsplan maakt een geringe verhoging van bedrijfsgebouwen van een bestaand mengvoederbedrijf mogelijk zonder dat de bebouwingsoppervlakte toeneemt. Een gedeelte van de bedrijfsbebouwing wordt alleen verhoogd van 29 meter naar 35 tot 40 meter. Verder wordt een geringe uitbreiding van de Welkoop mogelijk gemaakt met 230 m² voor overdekking van de entree.
Gesteld kan worden dat de gebruiksmogelijkheden te kleinschalig zijn om onder het regime van artikel 3.1.6 lid 2 Bro te vallen, waarin de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen (o.a. Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 23 april 2014, zaaknummer 201306183/1). Toetsing aan de Ladder is derhalve niet nodig.
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. De kwaliteitskaart bestaat uit een aantal legenda-eenheden. De provincie vraagt gemeenten om voor ontwikkelingen in en nabij het buitengebied de kwaliteitskaart te benutten en gebruik te maken van de opgestelde gebiedsprofielen. De Provincialeweg Oost ligt in het gebiedsprofiel Krimpenerwaard. In paragraaf 3.2.3 wordt hierop ingegaan. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming.
Op de Laag van de Ondergrond ligt het plangebied binnen de aanduiding 'Rivierdeltacomplex - rivierklei/ veen'. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Als richtpunt geldt dat ontwikkelingen in het rivierengebied het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar houden. Voorts ligt het gebied gedeeltelijk in oude stroomgordels en geulafzettingen van veen.
In de Laag van de cultuur- en natuurlandschappen maakt het gebied onderdeel van het veen(weide) landschap. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. In het oosten van de provincie is het veengebied vermengd met oeverwallen en kommen van het rivierenlandschap. Als richtpunt wordt onder andere aangehouden dat ontwikkelingen rekening houden met het behoud van kenmerkende landschapselementen. Voorts dragen ontwikkelingen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden. Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders.
Het plangebied ligt voorts aan een dijklint van een rivierdijk: de bebouwing staat op of tegen de dijk. Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit maken een verdere onderverdeling in linten en bieden een handreiking voor het omgaan met nieuwe bebouwing ter plaatse.
Op de Laag van de stedelijke occupatie is het plangebied aangeduid als watergebonden bedrijventerrein (figuur 6). De kleinere natte bedrijventerreinen zijn gekoppeld aan binnenvaartwater (rijks- en provinciale vaarwegen). Hier is het industriële en logistieke karakter en de relatie land-water bepalend voor de karakteristiek, alleen aanmerkelijk kleinschaliger dan bij de mainport. De relatie tussen functie en vorm is duidelijk zichtbaar. Bij ontwikkelingen wordt gezorgd voor een versterking van de relatie tussen vaarwegen en watergebonden werkgebieden. Er wordt gewerkt aan een gepaste overgang tussen terrein en omgeving en het benutten van de milieuruimte zonder hinder voor de omgeving. Richtpunten zijn o.a. dat ontwikkelingen op en rond natte bedrijventerreinen aansluiten bij het industriële en logistieke land-waterkarakter en bijdragen aan een gepaste overgang tussen terrein en omgeving. Het benutten van de milieuruimte dient zonder hinder voor de omgeving plaats te vinden.
Op de Laag van de beleving is de Provincialeweg N228 opgenomen als Provincialeweg en als fiets- en wandelroute.
In artikel 6.9, lid 8 is opgenomen dat een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, ontwikkelingen mogelijk kan maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a. In dit artikel (Beschermingscategorie 3 Buitengebied) is bepaald dat een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast.
Toetsing aan ruimtelijke kwaliteit
Op grond van artikel 6.9 van de Omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wanneer aan de in dit artikel genoemde voorwaarden wordt voldaan ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Op de Kwaliteitskaart is het plangebied aangeduid als 'lint' in het 'veen(weide)landschap'. Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen. Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders. Voor een dijklint geldt dat de bebouwing op één niveau ligt met de omgeving. Dit biedt ruimte voor plaatselijke verbreding van het profiel door differentiatie in kaveldiepte. Er liggen hier kansen voor ontwikkeling, mits rekening wordt gehouden met de overige karakteristieken van het lint. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.
De landschappelijke kwaliteiten worden niet aangetast, omdat alleen de bouwhoogte van mengvoederfabriek 'De Samenwerking' gedeeltelijk wordt aangepast van 29 meter naar 35 tot 40 meter waar nu al een bedrijf is toegestaan. Verder wordt een bouwkundige vergroting van de Welkoop mogelijk gemaakt met een 230 m² overdekte entree. Bij deze herontwikkeling wordt rekening gehouden met de symmetrie van het lint en diepte van de huidige kavel. Aansluiting wordt gezocht bij de huidige korrel van de bestaande bebouwing. Gesteld kan worden dat de uitbreiding past binnen de aard en schaal van het bebouwingslint, zodat het plan in overeenstemming is met artikel 6.9 lid 5 sub a (inpassen). Gelet hierop is er geen strijdigheid met de provinciale belangen.
Figuur 6: links uitsnede Kaart 14 (bedrijventerreinen) Omgevingsvisie en rechts uitsnede Kwaliteitskaart
'Laag van de stedelijke occupatie'.
In artikel 6.12 van de Omgevingsverordening zijn de regels ten aanzien van Bedrijven opgenomen. Als een bestemmingsplan betrekking heeft op een bedrijventerrein is het volgende van belang.
Artikel 6.12 Bedrijven
In lid 1 van dit artikel is opgenomen dat een bestemmingsplan bedrijven toelaat in een hoge milieucategorie die passend zijn in de omgeving van het bedrijventerrein. Hierbij dient rekening te worden gehouden met toekomstige ontwikkelingen op een grote buitenstedelijke bouwlocatie als bedoeld in artikel 6.10 of die mogelijk zijn op grond van een vigerend bestemmingsplan.
Toetsing aan Bedrijven
Op kaart 20 van van de Omgevingsverordening is het plangebied aangeduid als 'bedrijventerrein' die de vitaliteit van het bedrijfsleven versterkt. De hoogst toegestane milieucategorie op dit gedeelte van het bedrijfsperceel blijft categorie 4.1. Bedrijven uit deze categorie passen op het bedrijfsperceel in relatie tot de omgeving.
In artikel 6.13 van de Omgevingsverordening zijn de regels ten aanzien van Detailhandel opgenomen. Als een bestemmingsplan betrekking heeft op detailhandel is het volgende van belang.
Artikel 6.13 Detailhandel
In lid 1 van dit artikel is opgenomen dat een bestemmingsplan uitsluitend in nieuwe detailhandel op gronden voorziet binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken. In deze situatie is evenwel sprake van een bestaande winkel, waarvan de bestaande bebouwing en het bestaand gebruik van grond ingevolge het op het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingsverordening geldende bestemmingsplan rechtmatig aanwezig is (artikel 6.8, Bestaand en nieuw) van de Omgevingsverordening.
Toetsing aan Detailhandel
In onderhavige situatie is sprake van een bestaande winkel overeenkomstig het geldende bestemmingsplan. De uitbreiding betreft alleen een overkapping van 230 m². Deze geringe uitbreiding is passend binnen de regels van de Omgevingsverordening.
In paragraaf 6.2.8a (Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen) zijn in artikel 6.27a regels opgenomen over risico's van klimaatverandering. Hierin is vastgelegd dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag, b. overstroming, c. hitte en d. droogte. Voor zover risico's zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico's. In paragraaf 3.3.3 (duurzaamheid) wordt nader ingegaan op welke wijze met risico's van klimaatverandering is omgegaan.
Conclusie
De Omgevingsvisie is zelfbindend voor de provincie.
Resumerend kan worden geconcludeerd dat:
Gelet hierop is er geen strijdigheid met de provinciale belangen.
De provincie Zuid-Holland heeft voor de Krimpenerwaard een gebiedsprofiel opgesteld. Een gebiedsprofiel omvat een beschrijving van karakteristieken (wat is er), ontwikkeling (wat speelt er), kwaliteiten (wat is waardevol) en ambitie (wat willen we) van het landschap van het betreffende gebied. Het gebiedsprofiel is in samenwerking met gemeenten en andere overheden en gebiedspartners opgesteld als gezamenlijke basis voor de ruimtelijke kwaliteit van dit gebied. Gedeputeerde Staten stellen het gebiedsprofiel vast als bevestiging van dit gezamenlijke vertrekpunt en tegelijk als uitgangspunt voor provinciale plannen.
Het gebiedsprofiel is een handreiking om de kwaliteit van plannen en ontwikkelingen te stimuleren om zo de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te versterken. Het gebiedsprofiel bevat een schat aan informatie die gebruikt kan worden om te bepalen met welke kwaliteiten het wenselijk is rekening te houden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het gebiedsprofiel is de basis voor het plannen met kwaliteit. Elke ontwikkeling vraagt uiteindelijk om maatwerk.
Landschappelijke eenheden
Samen met de Lopikerwaard vormt de Krimpenerwaard het grootste aaneengesloten veenweidegebied van Nederland. De nog gave aanwezigheid van de middeleeuwse verkaveling, met de lange lijnen van kaden, weteringen en Tiendwegen is een bijzondere kwaliteit van de Krimpenerwaard. Het middendeel van de Krimpenerwaard heeft een gevarieerd en kleinschalig landschapsbeeld door de aanwezigheid van linten met wegbeplantingen, eendenkooien en pestbosjes. Het plangebied ligt aan een hoofdweg op een dijk.
Ambitiebeeld
Ambitiebeeld is het koesteren van het uitgestrekte veenweidegebied en de relatieve openheid met het eeuwenoude kavelpatroon in landbouw- en natuurgebied. Ook behoud en versterken van het contrast tussen onbebouwde wegen en verdichte oost-west georiënteerde linten en de verschillen in symmetrie respectievelijk asymmetrie tussen de linten onderling maken hiervan onderdeel uit.
De hoofdambities zijn uitgewerkt in gebiedsprofielkaarten waarin kort de karakteristiek, toekomstige ontwikkelingen en de in de Kwaliteitskaart vastgestelde ambities zijn genoemd. Aansluitend volgt een beschrijving van de karakteristiek en de aanvullende ambities per legenda-eenheid.
Planontwikkeling in relatie tot Gebiedsprofiel
In de gebiedsprofielkaarten maakt het plangebied onderdeel uit van de kaart 'Linten blijven linten'. Deze wordt hieronder beschreven.
Linten blijven linten
De bebouwing van het landelijke gebied is geconcentreerd in de linten. Door de ontginning vanuit de rivieren hebben de linten een oost-west oriëntatie. De linten zorgen voor een geleding van het landschap in noord-zuid richting en lange open ruimtes in oost-west richting. De linten in het gebied zijn in twee categorieën te onderscheiden: dijklinten en veenlinten. Binnen deze twee categorieën wordt verder gedifferentieerd. Als ambitie wordt aangehouden: Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat er op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.
De Provincialeweg Oost ligt aan een ingesloten dijklint. De dijklinten lopen door tot in de dorpen. De bebouwing staat op de dijk of, door eerdere dijkverhogingen, net onder het huidige dijkniveau. Het karakter van het dijklint is stenig zonder beplanting. Waar dichte bebouwingswanden ontstaan zijn, verdwijnt de visuele relatie vanaf de weg naar het water. Er is weinig ruimte voor nieuwe bebouwing. Aanvullende ambities zijn:
Werkgebieden met karakter
Historische werkgebieden langs de rivieren hebben slechts voor een klein deel nog een binding aan het water. Nieuwe werkgebieden zijn aan stads- en dorpsranden in de nabijheid van provinciale wegen aangelegd. Ambities uit de kwaliteitskaart zijn dat watergebonden werkgebieden (natte bedrijventerreinen) werkgebieden zijn gekoppeld aan binnenvaartwater. Er is ruimte voor overslag en opslag. De relatie tussen functie en vorm is duidelijk zichtbaar. Bij ontwikkelingen wordt gezorgd voor een gepaste overgang tussen terrein en omgeving en het benutten van de milieuruimte zonder hinder voor de omgeving. Er wordt respectvol omgegaan met aanwezig cultuurhistorisch erfgoed.
Werkgebied aan het water
In het buitendijkse gebied langs Hollandsche IJssel ligt een aantal werkgebieden. De bedrijven staan tussen de weg op de dijk en het water. Slechts enkele daarvan zijn daadwerkelijk afhankelijk van het water als aan- en afvoerroutes. Daarom zijn de meeste bedrijven ook op de weg georiënteerd en keren de rivier haar rug toe. Belangrijk bij watergebonden werkgebieden is dat ook de landzijdige ontsluiting over de weg geschikt voor vrachtverkeer is. Aanvullende ambities zijn
Toetsing planontwikkeling aan Gebiedsprofiel Krimpenerwaard
Het plangebied ligt tussen de Hollandsche IJssel en de Provincialeweg Oost aan een ingesloten dijklint. De landschappelijke dynamiek wijzigt nagenoeg niet. Er wordt alleen voor een klein gedeelte hogere bedrijfsbebouwing mogelijk gemaakt van een bestaand watergebonden bedrijf dat nog gebruik maakt van aanvoer over het water.
De uitbreiding van een bestaande winkel met een vergrote entree van circa 230 m² is zodanig gekozen dat zichtlijnen vanaf de Provincialeweg Oost nagenoeg niet worden aangetast. Bestaande sloten blijven behouden. Per saldo blijft de ruimtelijke kwaliteit tenminste gelijk. Het contrast tussen het dijklint en de omgeving blijft beleefbaar. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan een strategie van 'behoud, herstel en ontwikkeling': behoud en herstel van openheid, van rust en stilte en van het veenweidekarakter, zonder daarmee 'het gebied op slot te zetten' (ontwikkeling).
Conclusie
De verhoging van het bedrijfsgebouw van het mengvoederbedrijf en de vergroting van de winkel met een overkapte entree is in overeenstemming met het ambitiebeeld van het Gebiedsprofiel Krimpenerwaard.
De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 14 juli 2021 de Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin is het beleid voor de fysieke leefomgeving beschreven met het oog op de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden.
Versterken kwaliteiten Krimpenerwaard
De gemeente vindt het belangrijk richting te geven aan toekomstige ontwikkelingen die invloed hebben op de leefomgeving. Het gaat vooral om initiatieven en ontwikkelingen die niet passen binnen de geldende bestemmingsplannen. Daarom is een omgevingsvisie opgesteld voor het hele grondgebied van de gemeente. Bij het opstellen van de visie en speerpunten is uitgegaan van de kwaliteiten en waarden van de Krimpenerwaard. De Omgevingsvisie geeft op hoofdlijnen antwoord op de vraag hoe de toekomst van de Krimpenerwaard eruit ziet. De inhoud is in samenspraak met inwoners, ondernemers, (maatschappelijke) organisaties en partners gerealiseerd.
Belangrijke opgaven
De komende jaren wil de gemeente werken aan sterke en leefbare kernen, duurzame economische ontwikkeling, de klimaat- en energietransitie en veranderingen in het landelijk gebied. De visie helpt inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties, investeerders en de gemeente bij het maken van plannen, initiatieven en beleid. De Omgevingsvisie nodigt uit samen te blijven werken aan een veilige, gezonde en duurzame Krimpenerwaard; waar het prettig wonen, werken, ondernemen en recreëren is.
Samen initiatieven tot succes maken
De gemeente staat positief tegenover nieuwe initiatieven. Initiatieven die passen bij de Krimpenerwaard en bijdragen aan haar toekomst. Zij hanteert het ‘ja-mits’ principe. Het is een kans om meer te werken vanuit wensen en signalen van de samenleving, vanuit vertrouwen en minder vanuit regels. Ook daagt de gemeente initiatiefnemers en haarzelf uit al in een vroeg stadium contact te zoeken met alle betrokken partijen. Participatie is immers een van de belangrijke aspecten van de Omgevingsvisie.
De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de “Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017” vastgesteld. De nota is op 1 januari 2017 in werking getreden. Vanaf dat moment vervallen de Welstandsnota’s van de voormalige gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist.
De nota bevat de beleidsregels met daarin de criteria die de gemeente toepast bij de welstandsbeoordeling van bouwplannen. Met de “Nota Ruimtelijke Kwaliteit Krimpenerwaard 2017” is gekozen voor harmonisering en deregulering van het welstandsbeleid met behoud van ruimtelijke kwaliteit. Een groot aantal woongebieden en bedrijventerreinen hebben een soepel toetsingsniveau waarbij verbouwingen welstandsvrij zijn. Om onaanvaardbare situaties tegen te gaan is een excessenregeling opgenomen. De eigenaar van een bouwwerk dat ‘in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand’ kan aangeschreven worden om die strijdigheid op te heffen.
Ter ondersteuning van het beleid zijn er twee kaarten gemaakt. Er is een niveaukaart en een gebiedenkaart. De invulling van de beleidskaarten zijn een vertaling van de hoofdlijnen van de ruimtelijke kwaliteit in de Krimpenerwaard ten behoeve van de toetsen van het uiterlijk van bouwwerken op zichzelf en in hun omgeving.
De Provincialeweg Oost maakt in de Nota onderdeel uit van een bijzonder niveau. Dit betreft gebieden waar het uiterlijk van de bebouwing van aanzienlijk belang is voor de identiteit van de Krimpenerwaard. In deze gebieden is inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst. De nota ruimtelijke kwaliteit bevat voor gebieden met een bijzonder niveau een uitgebreide set criteria, die in woordkeuze en bandbreedte aanstuurt op een zorgvuldige inpassing van bouwplannen in het gebied. Een plan moet een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het straatbeeld.
Ter ondersteuning van de verschillende niveaus van welstand zijn er gebieden te onderscheiden met samenhangende bebouwingstypologieën. Per gebied is een beschrijving, waardering en enkele uitgangspunten opgenomen. Afhankelijk van het gevraagde niveau zijn de onderscheidende karakteristieken meer of minder uitgebreid beschreven. De per gebiedstype opgestelde criteria moeten in samenhang met beschrijving, waardering en uitgangspunten geïnterpreteerd worden.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebied Hollandsche IJssel (gebied 2B). Hiervoor zijn gebiedsgerichte criteria aangegeven. Dit bestemmingsplan maakt een uitbreiding van een mengvoederfabriek en winkel mogelijk.
Conclusie
De uitbreidingsplannen zullen rekening houden voldoen met de in de Nota vastgelegde gebiedsgerichte criteria. De aanvragen omgevingsvergunning zullen om advies worden voorgelegd aan de Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit (GAOK). Aan de door de commissie te maken opmerkingen zal kunnen worden voldaan.
Duurzaam bouwen is gericht op het beperken van de negatieve milieuaspecten in alle fasen van het bouwproces en het vergroten van de ecologische kwaliteiten van het leefgebied. Concreet betekent dit het terugdringen van verspilling van grondstoffen, het verlengen van de levensduur, een flexibeler gebruik van gebouwen en het bevorderen van hergebruik van bouwmaterialen. Bij duurzaam bouwen wordt o.a. aandacht besteed aan waterhuishoudingsaspecten (bijvoorbeeld afkoppeling hemelwaterafvoer), stedenbouwkundige structuur (bijv. oriëntatie van gebouwen op de zon) en bouwkundige maatregelen (isolatie, zonnecollectoren, materiaalgebruik). Ook het gebruik van niet logende bouwmaterialen valt onder de noemer duurzaam bouwen. Dit is van belang voor de waterkwaliteit. In de waterparagraaf 4.3 wordt hierop ingegaan. Tevens zal hierin aandacht worden besteed aan waterhuishoudelijke aspecten.
Klimaatadaptatie/ risico's van klimaatverandering
Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit heeft gevolgen voor de stedelijke omgeving, bijvoorbeeld door meer wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress. Landelijk zijn deze problemen geadresseerd in de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie. Overheden kunnen hierbij gebruik maken van het stappenplan “weten, willen en werken” om het proces naar een klimaatbestendige inrichting vorm te kunnen geven.
De gevolgen van de risico's van klimaatverandering zijn beoordeeld voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte. Hierbij is gebruik gemaakt van de klimaateffectatlas van de provincie Zuid-Holland.
Wateroverlast door overvloedige neerslag
In het plangebied is er op de Kaart Wateroverlast geen knelpunt voor wateroverlast. Er zijn geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan.
Overstroming
In het plangebied is er op de Kaart Overstromingsbeeld geen knelpunt voor overstroming. Er zijn geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan.
Hitte
Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier. De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. In het plangebied is er op de Kaart Hittestress geen knelpunt voor hittestress. Er zijn geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan.
Droogte
In het plangebied is er geen sprake van extra bodemdaling door droogte. Er zijn uit dien hoofde geen beperkingen.
Conclusie
Bij uitwerking van de bouwplannen wordt rekening gehouden met de door de gemeente gehanteerde beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam Bouwen en klimaatadaptatie.
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding.
Een Watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden. Dit waterschap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf.
Waterbeheerprogramma 2022 - 2027: Stroomopwaarts, klimaatbestendig en duurzaam
In het op 22 december 2021 vastgestelde waterbeheerprogramma staan de ambities van het waterschap voor de komende zes jaar.
Grote maatschappelijke opgaven
Nederland staat de komende jaren voor grote maatschappelijke opgaven. De snelheid van klimaatverandering is ongeëvenaard en de effecten (extreme droogte én extreme neerslag) zijn nu al zichtbaar. Ook de afname van biodiversiteit gaat sneller dan ooit in de menselijke geschiedenis. Om dit tegen te gaan is een energietransitie gaande, moet het hoogheemraadschap een omslag maken naar een klimaatbestendige inrichting, een circulaire economie en meer duurzame landbouw. In al deze uitdagingen speelt water een rol. Daarnaast is er een grote woningbouwopgave. Deze opgaven samen leveren een grote druk op de ruimte op.
Stroomopwaarts werken
Het hoogheemraadschap wil als waterschap meer aan het roer zitten om water een sturende rol in de ruimtelijke ordening te geven. Zij noemen dat stroomopwaarts werken, gericht op de toekomst. Het hoogheemraadschap investeert zelf - op haar eigen terreinen - in biodiversiteit, circulariteit en duurzaamheid. Zij stimuleert waterbewust gedrag, en vraagt daarmee ook iets van de inwoners. Tegelijk zet zij zich volop in voor een veilige, gezonde en prettige leefomgeving voor iedereen.
Toekomstbestendig gebied
Om voorbereid te zijn op de toekomst investeert het hoogheemraadschap in het watersysteem. Zij werkt samen met partners aan gezamenlijke maatschappelijke opgaven:
Grondwater
De planlocatie ligt in een gebied waarvan de bodem bestaat uit veen. De waterkwaliteit in de Krimpenerwaard is goed te noemen.
Veiligheid en waterkeringen
Planologisch moeten de waterkeringen worden beschermd tegen ongewenste ontwikkelingen door de waterkeringen met een aparte dubbelbestemming te borgen. Het plan grenst in noordelijke richting aan een regionale waterkering op grond van de Legger Waterkeringen. De zone waterstaatswerk krijgt op de verbeelding de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Voor de bouw van de overdekte entree zal tijdig een Watervergunning worden aangevraagd, voor zover deze wordt gerealiseerd binnen de dubbelbestemming. Met inachtneming hiervan zijn er geen beperkingen voor het plangebied.
Oppervlaktewater
Uit een studie aangaande de wateropgave, uitgevoerd in het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water, blijkt dat in het plangebied geen extra wateropgave geldt als gevolg van klimaatverandering en te verwachte inundaties.
De waterkanten van bestaande primaire en tertiaire watergangen hebben een beschermingszone (figuur 7). In deze beschermingszone vinden geen bouwactiviteiten plaats. Voor vergroting van de bedrijfsbebouwing en de winkel met een overdekte entree gelden geen beperkingen.
Figuur 7: Uitsnede Legger Oppervlaktewateren.
Ruimtelijke ontwikkelingen
Elke ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op water. Niet alleen bouwen nabij of op een waterkering, maar ook een toename van verhard oppervlak. Een ruimtelijke ontwikkeling moet minimaal voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: “het standstill beginsel”. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. In het kader van een watertoetsproces moeten de gemeente en het waterschap zoeken naar kansen om het watersysteem te verbeteren en duurzaam in te richten. Voor elke toename van verharding van meer dan 500 m² in stedelijk gebied en 5.000 m² in landelijk gebied is een Watervergunning nodig.
Toekomstige situatie
Op grond van artikel 3.3 van de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (geldig vanaf 1 mei 2019) is het verboden om zonder vergunning van het college hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen en te lozen. Voor het versneld tot afvoer laten komen van hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak is geen vergunning vereist indien minder dan 5.000 m² onverharde grond wordt bebouwd of verhard (over een periode van 5 jaar).
Het plangebied is in gebruik als bedrijfsterrein. Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap dient in beginsel 15% water te worden gecompenseerd wanneer meer dan 5.000 m² verhard oppervlak wordt aangelegd over een periode van 5 jaar. In casu wordt er alleen een winkel uitgebreid met een overkapping van 230 m². Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap is geen watercompensatie nodig.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Voor de uitbreiding wordt gebruik gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. Indien desondanks gebruik wordt gemaakt van uitloogbare materialen, dienen deze te worden voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan.
Afvalwaterketen en riolering
Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:
Het hemelwater van de bedrijfsbebouwing wordt overeenkomstig het advies van het hoogheemraadschap oppervlakkig naar het oppervlaktewater afgevoerd. Afvalwater wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen.
De Watertoets is via www.dewatertoets.nl op 4 januari 2022 uitgevoerd. Op basis hiervan is geconcludeerd dat er een waterbelang is. Nadien heeft overleg met het Hoogheemraadschap plaatsgevonden in verband met diverse activiteiten bij de Hollandsche IJssel en in de waterkering. Hiervoor heeft initiatiefnemer op 19 december 2023 een aanvraag voor een watervergunning aangevraagd.
Het Hoogheemraadschap heeft voor de gevraagde activiteiten op 22 augustus 2024 een Watervergunning verleend voor het uitvoeren van diverse activiteiten bij een watergang en waterkering waaronder:
De watervergunning is opgenomen in Bijlage 3. (Voor het aanleggen van de damwand ten behoeve van de demping hebben burgemeester en wethouders van de Krimpenerwaard op 15 oktober 2024 een omgevingsvergunning verleend.) In verband met de gevraagde demping van de inham is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' hierop aangepast. Transport ten behoeve van ABZ De Samenwerking blijft via de Hollandsche IJssel mogelijk, omdat de schepen geen gebruik maakten van de inham en in de toekomst deze inham hiervoor ook niet nodig hebben.
Met inachtneming hiervan zal de ruimtelijke ontwikkeling voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. De ontwikkelingen die door het plan mogelijk worden gemaakt hebben geen invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen.
Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan opgenomen planontwikkeling.
De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.
De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid.
Wettelijk kader
In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat dit project wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2, stedelijk ontwikkelingsproject), maar de omvang onder de drempelwaarde van 200.000 m² bedrijfsvloeroppervlakte ligt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van dit bestemmingsplan.
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven.
Onderzoek/ beoordeling
In dit bestemmingsplan wordt een kleine uitbreiding van een bedrijf (gedeeltelijke verhoging bouwhoogte van 29 meter naar 35 tot 40 meter) en een winkel (plaatsing entree-overkapping van 230 m²) mogelijk gemaakt. Er is geen m.e.r.-beoordeling nodig, omdat deze kleine uitbreiding volgens het Besluit m.e.r. niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. Indien een ontwikkeling niet voorkomt op de C en D lijst van het Besluit m.e.r. kan een m.e.r.-beoordeling achterwege worden gelaten.
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, en dus ook niet m.e.r.-plichtig. Deze fysieke wijziging is beperkt, omdat in het plangebied maar een beperkte uitbreiding mogelijk wordt gemaakt. Zoals de hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft het bestemmingsplan ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu.
Wettelijk kader
Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009).
De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven.
Van een 'rustig buitengebied' is sprake wanneer er in de nabijheid vrijwel geen andere functies voorkomen. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd.
Onderzoek/ beoordeling
Sprake is van een gemengd buitengebied, omdat het gebied aan een provinciale gebiedsontsluitingsweg ligt. Voorts komen in de directe nabijheid naast agrarische bedrijven ook woningen en overige niet-agrarische functies voor. Deze richtafstand geldt met name voor het onderdeel geluid. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 5.1 vermeld.
Tabel 5.1: Richtafstanden en omgevingstype.
| Milieucategorie | Richtafstand tot omgevingstype rustig buitengebied | Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied |
| 1 | 10 m | 0 m |
| 2 | 30 m | 10 m |
| 3.1 | 50 m | 30 m |
| 3.2 | 100 m | 50 m |
| 4.1 | 200 m | 100 m |
| 4.2 | 300 m | 200 m |
Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd of er in de omgeving van de geplande woningen milieubelastende activiteiten aanwezig zijn.
Coöperatie ABZ De Samenwerking U.A.
De mengvoederfabriek valt onder milieucategorie 4.1 met een richtafstand van 100 m in gemengd gebied. De uitbreiding voorziet alleen in een hogere bouwhoogte van de bestaande bedrijfsbebouwing. Enkele woningen van derden ziijn in de buurt aanwezig, maar staan op minimaal 60 m afstand (woning aan Provincialeweg Oost 38a).
Op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Landelijk gebied (voormalige gemeente Vlist)' heeft het plangebied reeds de bestemming 'Bedrijf', waarbinnen op het perceel Provincialeweg Oost 36 een mengvoederbedrijf in milieucategorie 4.1 is toegestaan.
Dit bestemmingsplan maakt alleen een gedeeltelijke verhoging mogelijk van de bedrijfsbebouwing tot 35/40 meter (in plaats van nu 29 meter), waardoor er feitelijk geen planologische wijziging optreedt ten opzichte van bestaande situatie. Het bedrijf kan blijven voldoen aan de voorschriften van de geldende milieuvergunning voor de activiteit milieu. Voor de uitbreiding zal tijdig een milieumelding worden gedaan. Aan de hieraan gestelde (geluid)voorschriften kan worden voldaan.
Welkoop
De detailhandel van Welkoop valt onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 m. De uitbreiding voorziet alleen in een entree-overkapping van 230 m². Binnen de richtafstand staan geen woningen van derden. De dichtstbijzijnde woning op nummer 34 staat op circa 40 m afstand. Vanuit milieuzonering bestaan er geen bezwaren tegen de gevraagde uitbreiding.
Conclusie
Uit de inventarisatie is gebleken dat er in de omgeving van het plangebied (bedrijfs)woningen van derden staan. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren, omdat de richtafstanden ten opzichte van de referentiewaarden (zowel bestaand als toekomstige ontwikkeling) niet wijzigen in het plangebied. De woningen behouden een goed woon- en leefklimaat. Vanuit milieuzonering bestaan er geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan.
Wettelijk kader
Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. Onder geluidsgevoelige gebouwen wordt verstaan (artikel 1 Wgh en artikel 1.2 Bgh):
Onderzoek/ beoordeling
De bedrijfsactiviteiten en detailhandel vallen niet onder de noemer geluidsgevoelige gebouwen, zodat de Wet geluidhinder hierop niet van toepassing is voor wat betreft wegverkeerslawaai ten gevolge van de Provincialeweg Oost.
Conclusie
Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel wegverkeerslawaai, bestaan er geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling.
Op 1 juli 2012 zijn de “spelregels” voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register.
Onderzoek/ beoordeling
De planontwikkeling ligt buiten een onderzoekszone van een spoorlijn, zodat er vanuit railverkeerslawaai geen beperkingen zijn.
Conclusie
Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel spoorweglawaai, bestaan er geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling.
Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan.
Onderzoek/ beoordeling
Bedrijven(terreinen) kunnen beperkingen opleggen aan nieuwe gevoelige functies, waaronder wonen, in verband met een geluidzone. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de richtafstanden uit de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (zie hiervoor paragraaf 5.1.2). Voor gezoneerde bedrijventerreinen geldt dat er binnen de geluidszone in beginsel geen woningbouw is toegestaan op grond van het bepaalde in de Wet geluidhinder. In de nabijheid van het plangebied liggen geen gezoneerde bedrijventerreinen. De richtafstanden voor milieuzonering ten opzichte van de bestaande woningen wordt gerespecteerd. Dit betekent dat bestaande (bedrijfs-)woningen niet worden beperkt door deze planontwikkeling. Voor deze woningen blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Conclusie
Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel industrielawaai, bestaan er geen beperkingen voor onderhavige planontwikkeling.
Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.
Onderzoek/ beoordeling
De Omgevingsdienst Midden-Holland heeft in oktober 2013 het beleid voor het uitvoeren van bodemonderzoeken in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geactualiseerd. Het nieuwe beleid is vastgelegd in de Nota 'Bodemkwaliteit bij bouwen' (oktober 2013). Dankzij het Bodem Informatie Systeem en de bodemkwaliteitskaart Midden-Holland is als veel bekend van de bodemkwaliteit. Door gebruik te maken van deze kennis kan in veel gevallen worden volstaan met een verminderde onderzoeksinspanning, wat een lastenverlichting voor burgers en bedrijven oplevert. In de beleidsnota worden vele raakvlakken concreet uitgewerkt en het beleid vormt hierdoor een goed handvat bij de beoordeling van bodemonderzoeken voor omgevingsvergunningen.
Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een bodemonderzoek uitgevoerd door Grondslag B.V. te Kamerik (rapport van 24 maart 2022, projectnummer 1755, Bijlage 4). Op basis hiervan kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit het rapport).
Algehele kwaliteit entree Welkoop
De gestelde hypothese dat op de ter plaatse van de toekomstige overdekte entree van de Welkoop lichte verhogingen kunnen worden verwacht, is bevestigd. Zowel in grond als in het grondwater zijn maximaal lichte verhogingen met zware metalen aangetoond.
Oliespots zuidzijde dierenvoeding fabriek
De gestelde hypothese dat ter plaatse van de dierenvoeding fabriek verontreiniging met olie kan worden verwacht als gevolg van een bekend oliespot, is bevestigd. Ter plaatse van boring 214 is op een diepte van 0,5 tot 1,0 m-mv een brandstofgeur en een oliewaterreactie waargenomen. Analytisch is een matige verhoging met olie aangetoond. Gezien de bron van de verontreiniging reeds is verwijderd (voormalige ondergrondse tank) en in het verleden is vastgesteld dat het om een kleinschalige verontreiniging (geen geval van ernstige bodemverontreiniging) gaat wordt aanvullend onderzoek naar deze verontreiniging niet
noodzakelijk geacht.
Algehele kwaliteit dierenvoeding fabriek
De gestelde hypothese dat op de overige delen van de dierenvoeding fabriek lichte verhogingen kunnen worden verwacht, is bevestigd. In de grond zijn maximaal lichte verhogingen met zware metalen, olie, PAK en PCB’s aangetoond. In het grondwater zijn maximaal lichte verhogingen met zware metalen aangetoond. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter in voldoende mate de milieuhygiënische situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan.
Conclusie
Op basis van het verkennend bodemonderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit in voldoende mate bepaald. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.
Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid Midden-Holland. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast.
Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 15% van de munitie uit de Tweede Wereldoorlog niet tot de gewenste uitwerking kwam en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Op grond van Arbowetgeving moet in alle gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van de werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten een oriënterend onderzoek worden gedaan voordat werkzaamheden kunnen starten. Op basis hiervan kan vervolgens weer meer onderzoek nodig zijn.
Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare oorlogsresten. Verder onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten kan de Omgevingsdienst Midden-Holland niet met zekerheid stellen dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig.
Wettelijk kader
Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse.
Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in
betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in tabel 5.2. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Tot deze grenswaarden gelden, zijn er voor NO2 minder strenge grenswaarden van kracht.
Tabel 5.2: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit
| stof | jaargemiddelde | uurgemiddelde | 24-uursgemiddelde | Opmerkingen |
| NO2 | 40 µg/m3 | 200 µg/m3 | n.v.t. | Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden |
| PM2,5 | 25 µg/m3 | n.v.t. | n.v.t. | n.v.t. |
| PM10 | 40 µg/m3 | n.v.t. | 50 µg/m3 | 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden |
Wet luchtkwaliteit
De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien:
Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden.
Onderzoek/ beoordeling
Met het plan wordt beoogd een verhoging van de bouwhoogte van de diervoederfabriek en een overkapte entree bij een Welkoop-winkel te realiseren. Voor het plan is met behulp van de zogenaamde NIBM-tool berekend of de beoogde ontwikkeling leidt tot een in betekenende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit. Het middelzware en zware verkeer is hierbij als vrachtverkeer meegenomen. De verhoging van het bedrijfsgebouw van Coöperatie ABZ De Samenwerking U.A. gaat niet gepaard met extra verkeersbewegingen. Alleen de opslagcapaciteit wordt verhoogd. Voor de uitbreiding van de Welkoop met een overkapte entree van 230 m² is volgens de modellen rekenkundig uitgegaan van 70 verkeersbewegingen, waarvan 1,5% vrachtverkeer (hoewel in de praktijk de overkapping van de entree niet zal leiden tot extra bezoekers). In tabel 5.3 is de fictieve uitkomst van de gevolgen voor de luchtkwaliteit weergegeven. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nader onderzoek is dan ook niet nodig is.
Tabel 5.3: Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg
van het plan op de luchtkwaliteit.
Opgemerkt wordt dat de NIBM-tool berust op een worst-case situatie: voor de berekening van de concentratietoename zijn de kenmerken van het verkeer, de straat en de omgeving zo gekozen dat een situatie ontstaat met een maximale luchtverontreiniging. De berekende toename aan luchtverontreinigende stoffen is hiermee als maximaal te beschouwen. In werkelijkheid is immers bijvoorbeeld geen sprake van enkel stagnerend verkeer, zoals wel als uitgangspunt gehanteerd wordt in de NIBM-tool.
Ten behoeve van deze planontwikkeling is verder nog Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) geraadpleegd voor 2023 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie ter hoogte van het plangebied langs de Provincialeweg Oost (x: 115683.3134999983 en y: 447328.5806999989). Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 12,51 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 16,27 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 8,11 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat.
De totale concentraties, inclusief deze planontwikkeling, bedragen:
NO2: 12,51 + 0,03 = 12,54 µg/m³.
PM10: 16,27 + 0,01 = 16,28 µg/m³.
Hierbij wordt ook nog voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Tevens zullen de concentraties in de komende jaren verder afnemen. Ook als wordt voldaan aan de normen kan luchtkwaliteit significante effecten hebben op de gezondheid. In deze situatie ligt de concentratie PM10 nog onder de WHO advies waarden (20 µg/m³).
Conclusie
De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht. In de omgeving van het plangebied worden grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet overschreden. De realisatie van het plan wordt conform Titel 5.2 van de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen) toelaatbaar geacht.
Wettelijk kader
Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd:
Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR:
Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt.
Onderzoek / beoordeling
Transport gevaarlijke stoffen
Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld.
Transport over water
Binnen 200 m van het plangebied ligt de Hollandsche IJssel. Dit betreft een groene waterweg waarover geen transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is geen beperking voor het plangebied.
Transport over spoor
Er ligt in de omgeving van het plangebied geen spoorbaan. Er is geen beperking voor het plangebied.
Wegtransport
Het plangebied ligt ten noorden van de N228. In 2008 zijn tellingen van het aantal transporten gevaarlijke stoffen uitgevoerd. Uit deze tellingen blijkt dat over de N228 (beperkte) hoeveelheden brandbare vloeistoffen (LF1, LF2) en brandbare gassen (GF3) worden vervoerd. Op basis van deze tellingen zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico berekend. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 is op de weg zelf gelegen en vormt dus geen belemmering voor het plangebied. Het groepsrisico ter hoogte van het plangebied is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Door de geringe uitbreiding van de bedrijfsbebouwing en de winkel zal er geen significante toename zijn van het aantal personen die nabij de N228 verblijven. In het Besluit externe veiligheid moet het GR wel worden verantwoord.
Beperkte verantwoording van het groepsrisico
De ontvluchting vanuit het plangebied vanaf de risicobron is goed. Via de achterzijde van de gebouwen kan in oostelijke en westelijke richting worden ontvlucht. Aangenomen wordt dat de mobiliteit van de aanwezigen goed is en dat deze goed in staat zijn om zichzelf in veiligheid te brengen. De bestrijdbaarheid wordt als goed beoordeeld. De Provincialeweg Oost is goed bereikbaar en de bluswatervoorziening ter plaatse is voldoende om een incident met gevaarlijke stoffen effectief te bestrijden. Er kan vanuit de meerdere aanwezige sloten en de Hollandsche IJssel water worden verkregen voor de bestrijding van een incident.
Om het vluchten te optimaliseren zijn twee zaken noodzakelijk, ten eerste voldoende vluchtmogelijkheden en ten tweede mensen moeten zich bewust zijn van het risico en weten hoe men het beste kan handelen ten tijde van een incident. Deze informatie kan bijvoorbeeld deel uitmaken van informatie/ documentatie die gebruikers ontvangen. Hiermee wordt optimaal invulling gegeven aan eigen verantwoordelijkheid en het risicobewustzijn van de burger. Met inachtneming hiervan zijn er geen beperkingen voor het plangebied.
Transport per buisleiding
Voor risico-afstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Er ligt in de nabijheid van het plangebied geen hoge druk aardgasleiding waarvan de PR en/of GR contour reikt tot het plangebied. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de ontwikkeling.
Inrichtingen
Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt.
Het plangebied van Coöperatie ABZ De Samenwerking U.A. is aangeduid als bedrijventerrein met een PR10-6 contour van 65 m in verband met opslag van gewasbeschermingsmiddelen. Deze PR 10-6 contour overlapt het plangebied. De winkel maakt onderdeel uit van dezelfde inrichting als het bedrijf aan de Provincialeweg Oost 36, omdat de winkel functioneel, organisatorisch en technisch verbonden is met het bedrijf. Ze zijn technisch verbonden omdat het bedrijf en de winkel momenteel gebruik maken van dezelfde riolering, afvalopslagplaats en gas-, water en elektriciteitsvoorzieningen. Van organisatorische binding is ook sprake omdat de zeggenschap bij dezelfde persoon berust. Van een functionele binding is sprake omdat goederen die in het bedrijf worden geproduceerd, worden verkocht in de winkel. Omdat de winkel onderdeel is van dezelfde inrichting, leidt het overlappen van de PR 10-6 contour niet tot belemmeringen.
Risicokaart
De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Signaleringskaart EV (figuur 8) zijn er - behoudens de opslag van gewasbeschermingsmiddelen in het plangebied zelf - in de directe nabijheid geen risicovolle bedrijven gevestigd. Er zijn geen belemmeringen voor deze planontwikkeling.
Figuur 8: Uitsnede Signaleringskaart EV (plangebied zwart gestippeld omlijnd).
Toxische wolk
Bij een calamiteit in de veevoederfabriek waarbij een toxische wolk vrijkomt is het handelingsperspectief voor de aanwezigen schuilen binnen een bouwwerk. Bouwwerken kunnen hiervoor enige tijd bescherming bieden, mits de ramen en deuren gesloten kunnen worden en de (mechanische) ventilatie kan worden afgeschakeld. Er wordt dan ook geadviseerd om de kantoren en de naastgelegen winkelfunctie te voorzien van de mogelijkheid om de ventilatie met één druk op de knop af te kunnen schakelen. In artikel 4.3.4 van de specifieke gebruiksregels van de bestemming 'Bedrijf' wordt dit geborgd.
Conclusie
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven.
Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.
Wettelijk kader
In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.
In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn:
Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. Om deze belangenafweging op adequate en verantwoorde wijze te kunnen maken, heeft de gemeente een archeologische beleidskaart opgesteld voor haar grondgebied.
In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (provincie Zuid-Holland) is het gebied niet specifiek aangeduid. Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. Het gebied ligt in een buffer van oude stroomgordels en geulafzettingen in de Formatie van Echteld. De plankaart laat zien dat er in het plangebied een grote trefkans op archeologische sporen is (figuur 9).
Figuur 9: Gecombineerde Waardenkaart CHS provincie Zuid-Holland.
De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de Archeologienota Krimpenerwaard vastgesteld. Deze nota schept duidelijkheid over de archeologische waarden binnen de gemeente en geeft richtlijnen over de omgang hiermee. Op grond van de archeologische beleidskaart heeft het plangebied geen trefkans op archeologische waarden (figuur 10).
Figuur 10: Uitsnede van de archeologische beleidsadvieskaart.
Het plangebied ligt in een gebied zonder verwachtingswaarde, zoals aangeduid in figuur 10. Een onderzoek naar archeologie kan daarom achterwege worden gelaten, zodat het plangebied kan worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Krimpenerwaard.
Conclusie
Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan. zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld voor deze planontwikkeling.
Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De bestaande bebouwing heeft geen cultuurhistorische waarde. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast.
Conclusie
Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld voor deze planontwikkeling.
Wettelijk kader
Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen Ecologische hoofdstructuur (EHS) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap.
Onderzoek/ beoordeling
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein', bevindt zich op een afstand van circa 1,4 km ten noordwesten van het plangebied. Sprake is van een geringe uitbreiding van bedrijfsbebouwing en een winkel, zodat dit Natura2000-gebied niet wordt beïnvloed. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht als gevolg van deze planontwikkeling. Het plangebied ligt circa 640 m ten oosten van NNN van de provincie Zuid-Holland (figuur 11). In westelijke richting ligt op circa 870 m een belangrijk weidegebied. Iets verderop ligt in zuidwestelijke richting op circa 1,2 km een ecologische verbindingszone. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor NNN en de ecologische verbindingszone.
Figuur 11: NNN in de directe omgeving van het plangebied (plangebied met rode stip aangegeven.)
Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Het Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' ligt op circa 1,4 km ten noordwesten van het plangebied. Dit gebied is momenteel nog niet stikstofgevoelig, maar mogelijk wordt de Polder Stein binnenkort wel aangewezen als stikstofgevoelig gebied.
Het Natura2000-gebied 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' is wel een stikstofrelevant habitatrichtlijngebied. Dit gebied ligt evenwel op circa 11,4 km afstand, zodat er geen sprake is van negatieve effecten van stikstofdepositie op kwetsbare natuur.
Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden onder de Wet natuurbescherming (dat ook geldt onder op 1 januari 2024 ingevoerde Omgevingswet). De Wsn bevat onder andere de resultaatsverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Hiertoe zijn een drietal omgevingswaarden opgenomen in de wet voor 2025, 2030 en 2035.
Op voorhand is toename van stikstofdepositie niet uitgesloten. In verband hiermede zijn stikstofberekeningen van de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd door Stalbouw.NL. Uit de berekeningen blijkt dat op basis van de aanlegfase geen effecten van stikstof optreden. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn hiermee uitgesloten. De uitgangspunten voor de aanlegfase zijn opgenomen in Bijlage 5.
De resultaten van de gebruiksfase zijn opgenomen in het effecten depositieplan van 24 november 2025, Bijlage 6. Aan de hand van de depositieberekeningen kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen plan niet zal leiden tot significant negatieve effecten op de omliggende beschermde natura 2000-gebieden. De totale depositie van gebruiksfase en ten opzichte van de referentie situatie is dan ook kleiner dan 0,00 mol per hectare per jaar. Deze bijdrage is zo klein dat er geen vergunningplicht is in het kader van de Wet natuurbescherming, gebiedsbescherming. Het aspect stikstofemissie is geen belemmering voor het project. Kort samengevat:
Bij sloop- en nieuwbouwplannen moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft Watersnip Advies te Reeuwijk een ecologisch onderzoek uitgevoerd voor het onderhavige plangebied (rapport van maart 2022, rapportnummer 22A011, Bijlage 7). Op basis van inventarisatie, literatuuronderzoek en verkennend onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd (overgenomen uit rapport).
| Natuurgebieden | Gevolgen |
| Natura2000 | |
| Habitattypen |
Uit de Aerius-berekening is gebleken dat er geen sprake is van stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase. |
| Soorten | Nee |
| NNN-gebieden | Nee |
| Omgevingsvisie/-verordening | Nee |
| Soortgroep | Overtreding verbodsbepalingen |
| Algemeen | Voor de beschermde soorten, Bastaardkikker, Bruine kikker, Gewone pad, Kleine watersalamander, Bunzing, Egel, Haas en Hermelijn, geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wet Natuurbescherming door de provincie Zuid-Holland. Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. |
| Flora | Nee |
| Jaarrond beschermde nesten | Nee |
| Vissen | Nee |
| Reptielen | Nee |
| Zoogdieren | Nee |
| Vleermuizen | Nee |
| Overige soorten | Nee |
| Soortgroep | Overtreding verbodsbepalingen, aanvullende maatregelen vereist |
| Amfibieën | Nee, mits voorkomen wordt dat er gedurende de voortplantingsperiode van de Rugstreeppad (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen. |
Algemene zorgplicht
Voor planten- en diersoorten geldt in het kader van de Wet natuurbescherming de algemene zorgplicht. Deze bepaalt dat eenieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt.
In het kader van de zorgplicht en om de biodiversiteit te vergroten wordt geadviseerd om aan het kantoor en/of de woning enkele vleermuiskasten te hangen, zoals verkrijgbaar in de Welkoop. In de Notenboom langs het water kan een nestkastje voor de Koolmees of Winterkoning gehangen worden. Tevens kan hier een bijenhotel opgehangen worden.
Conclusie
Bij uitwerking van de plannen zullen de aanbevelingen uit het rapport worden overgenomen. Met inachtneming hiervan kan worden geconcludeerd dat er vanuit de gebiedsbescherming en soortenbescherming geen belemmeringen bestaan voor deze planontwikkeling.
In het plangebied liggen naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen ruimtelijk relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels.
Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond (GBKN) schaal 1:1.000, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven. Gekozen is voor een gedetailleerd bestemmingsplan.
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn overeenkomstig de SVBP 2012 onderverdeeld in vier hoofdstukken. Voor deze partiële herziening wordt grotendeels aangesloten op de bestemmingsregeling van het bestemmingsplan 'Landelijk gebied (voormalige gemeente Vlist)'.
Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.
Artikel 1 Begrippen
In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot.
Artikel 2 Wijze van meten
In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.
Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
Artikel 3 Agrarisch met Waarden
Een klein gedeelte langs de Hollandsche IJssel heeft conform het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch met waarden - AW' gekregen. De betreffende gronden maken deel uit van het agrarische cultuurlandschap van het Groene Hart en worden gebruikt voor grasland. Bij het gebruik staat het behoud en herstel van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden voorop. Bebouwing is daarom niet toegestaan.
Omgevingsvergunning voor aanlegwerkzaamheden
De regels voor de agrarische bestemming bevat een vergunningenstelsel voor het uitvoeren van werkzaamheden, niet zijnde bouwwerkzaamheden. Dit betreft de werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het opgenomen stelsel heeft als doel om de aanwezige en potentiële natuur- en landschapswaarden binnen deze bestemming te beschermen. Tevens mogen de vergunningplichtige werkzaamheden geen negatieve gevolgen hebben voor het landschap en/of de waterkwaliteit en waterkwantiteit.
Artikel 4 Bedrijf
De binnen het plangebied aanwezige gronden zijn bestemd voor 'Bedrijf’. Hier zijn bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten toegestaan, alsmede het bestaande mengvoederbedrijf in milieucategorie 4.1 (maatbestemming). Voor de bestaande perifere detailhandel geldt een maximaal netto-verkoopvloeroppervlakte van 1.000 m². De bouwkundige uitbreiding met een overkapping dient alleen voor een overkapte entree met buitenopslag en stalling van winkelwagens. Hiervoor is op de verbeelding de bouwaanduiding 'overkapping' opgenomen.
Voor de bebouwing is uitgegaan van het bestaande bedrijfsperceel en de aanwezige bebouwing. Aan de bedrijven is een beperkte uitbreidingsmogelijkheid geboden van maximaal 10% (overeenkomstig het bepaalde in het geldende bestemmingsplan). Voor de situering van de bebouwing is een bouwvlak aangegeven met een maatvoeringsaanduiding voor de bouwhoogte. Op de bedrijfsgebouwen met een maximum bouwhoogte van respectievelijk 35 en 40 meter is een schoorsteen toegestaan van 10 meter hoog. Conform het geldende bestemmingsplan zijn binnen het bouwvlak twee bedrijfswoningen toegestaan.
Artikel 5 Groen
De bestemming heeft betrekking op de (openbare) groenvoorzieningen in het plangebied. Toegestaan zijn uitsluitend andere bouwwerken (bouwwerken, geen gebouwen zijnde). Om de aanleg en instandhouding van bomen aan de oostzijde van het plangebied publiekrechtelijk te borgen is hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Artikel 6 Waterstaat- Waterkering
Voor een strook ten zuiden van de Hollandsche IJssel geldt de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Op deze gronden mogen geen nieuwe gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, tenzij advies is ingewonnen bij het hoogheemraadschap.
Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn.
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot.
Artikel 8 Algemene bouwregels
In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons en kelders.
Artikel 9 Algemene gebruiksregels
In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen.
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels
Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Aan toepassing van de afwijkingsbevoegdheid dient een belangenafweging ten grondslag te liggen. Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen.
Artikel 11 Overige regels
In artikel 11.1 is een algemeen afwegingskader voor het toepassen van flexibiliteitsbepalingen en verlenen van omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden opgenomen. Hieraan dient getoetst te worden bij aanvragen om binnenplanse afwijkingen en aanvragen om omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
In artikel 11.2 zijn de regels over parkeren opgenomen met verwijzing naar de CROW-publicatie 381 (december 2018). Als regel wordt uitgegaan van de maximum parkeernorm. Voorts is in dit artikel een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om te kunnen afwijken van de parkeernormen uit de CROW-publicatie 381.
Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen.
Artikel 12 Overgangsrecht
Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Lid 1 van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 2 van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming.
Artikel 13 Slotregel
Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het bestemmingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.
Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft alleen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels.
Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid:
Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de bestemmingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd.
De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling vanuit een oogpunt van algemeen belang aanvaardbaar is. De belangen van omwonenden worden hierbij vooraf gewogen in het kader van de inspraak.
Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is.
Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.
Conclusie
Het bestemmingsplan is zodanig opgesteld met toelichting, regels en verbeelding dat handhaving op naleving hiervan goed mogelijk is.
De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. Het betreft een particulier voornemen waarvan de lasten door initiatiefnemer zullen worden gedragen. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant gesloten anterieure exploitatieovereenkomst. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen om een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de overeenkomst. De economische uitvoerbaarheid door initiatiefnemer is voorts voldoende aangetoond.
In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan door middel van een E-formulier bij Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland aangemeld. Voorts is het ontwerp toegezonden aan het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden en overige relevante adviesinstanties.
De omwonenden aan de Goejanverwelle, Hekendorpsebuurtweg en Provincialeweg Oost zijn uitgenodigd voor een informatiebijeenkomst op het kantoor van initiatiefnemer op 29 augustus 2022. Van de uitnodiging hebben circa 30 personen gebruik gemaakt. Het verslag is opgenomen in Bijlage 8.
Op 26 en 28 juni 2023 zijn opnieuw inloopbijeenkomsten gehouden. De verslagen hiervan zijn opgenomen in Bijlage 9.
Nadien hebben er met omwonenden nog meerdere overleggen plaatsgevonden naar aanleiding van zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan. Het participatieverslag van 28 maart 2025 is opgenomen in Bijlage 10. Verder is er voor omwonenden nog in twee bijeenkomsten op 11 juni 2025 een beknopte planpresentatie gegeven, waarna aanvullende vragen zijn beantwoord. Vervolgens hebben de omwonenden een rondleiding door het bedrijf gehad, waarbij de bedrijfsprocessen en de hiervoor benodigde bouwhoogte door initiatiefnemer zijn toegelicht.
Voor onderhavig ontwerpbestemmingsplan is de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken heeft daartoe vanaf 18 oktober 2023 gedurende zes weken ter inzage worden gelegd. Gedurende de termijn van terinzagelegging zijn vier schriftelijke zienswijzen ingediend. Deze zijn beantwoord in de Nota van beantwoording zienswijzen.
Het bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad waarbij het volgende amendement is aangenomen:
"Het gewijzigde bestemmingsplan Provincialeweg 34a-36 Haastrecht, met planidentificatiecode NL.IMRO.1931.BP2105BG024-VG02 vast te stellen, met dien verstande dat:
Dit amendement is aldus verwerkt in het bestemmingsplan, met dien verstand dat aanpassing van de regels niet nodig is, omdat een aanduiding op de verbeelding met maximum bouwhoogte van 9 meter aan de westzijde van het bouwvlak volstaat.