| Plan: | Keervoorziening Randstadrail 2020 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1926.bp100190126-4001 |
De metro’s op de RandstadRail zijn in de spits zeer druk bezet. Om de groeiende groep reizigers snel en comfortabel vervoer te blijven bieden, gaan er vanaf 2021 in de spits meer metro’s rijden tussen Pijnacker-Zuid en Rotterdam. Hiervoor wordt een keervoorziening aangelegd in Pijnacker. Een keervoorziening is een spoor dat bedoeld is voor het keren van metro's. Door de keervoorziening kunnen metro's elkaar passeren waardoor de diensregeling niet gehinderd wordt.
Onderhavig plangebied bestaat uit een groenzone langs de Klapwijkseweg in de gemeente Pijnacker-Nootdorp.
De keervoorziening wordt aangelegd langs de Klapwijkseweg, tussen de Duikersloot en het Vrouwenrecht. Deze bestaat uit een nieuw spoor van 250 meter, nieuwe bovenleidingportalen, een overstapperron voor de metrobestuurders en een geluidswerende muur aan de westzijde van het spoor, de kant van de wijk Koningshof.
Figuur 1.1 Ligging plangebied
Figuur 1.2 Groenstrook naast bestaande spoor Randstadrai
Het plangebied is gelegen binnen het vigerend bestemmingsplan 'Kern Pijnacker Zuid/Zuid-Oost', onherroepelijk d.d. 18 juli 2012.
Binnen het plangebied gelden de bestemmingen:
En de dubbel bestemming:
Dit bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en planregels waarin de voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes, die in het bestemmingsplan gemaakt zijn, nader gemotiveerd en verantwoord.
Het voorontwerp van dit bestemmingsplan zal een inspraakprocedure doorlopen. Hiertoe worden deze stukken gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende de termijn van terinzageligging wordt gelegenheid geboden om inspraakreacties naar voren te brengen. De resultaten van deze inspraakprocedure worden gebundeld in de Nota van beantwoording inspraak en vooroverleg, die als bijlage aan de plantoelichting wordt toegevoegd.
Parallel aan de inspraakprocedure wordt tevens het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening gevoerd. De resultaten daarvan worden eveneens gebundeld in de Nota van beantwoording inspraak en vooroverleg.
Het ontwerpbestemmingsplan, waarin de eventuele wijzigingen op grond van inspraak en vooroverleg zijn verwerkt, wordt vervolgens wederom ter inzage gelegd. Tijdens deze formele termijn van terinzageligging van zes weken kunnen zienswijzen naar voren worden gebracht bij de gemeenteraad. De gemeenteraad zal deze zienswijzen beoordelen en kan eventueel daarin aanleiding vinden om het ontwerpbestemmingsplan aan te passen. De raad zal vervolgens het – al dan niet aangepaste - bestemmingsplan vaststellen
Het bestemmingsplan bestaat uit drie onderdelen, te weten: de toelichting, de regels en de verbeelding.
De toelichting bestaat uit 7 hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt de planbeschrijving gegeven. Hoofdstuk 3 omvat het (boven)gemeentelijke beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de (milieutechnische) onderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planopzet, waarna in hoofdstuk 6 en 7 respectievelijk de maatschappelijke aanvaardbaarheid en economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan worden behandeld.
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een keervoorziening ten behoeve van het vergroten van de frequentie van de Randstadrail. In dit hoofdstuk wordt eerst ingegaan op de huidige situatie en de ontwikkeling van het gebied.
Het plangebied ligt aan de westzijde van de Klapwijkseweg in de kern Pijnacker. Langs het bestaande spoor van de Randstadrail is een ruime groen- en waterzone welke geschikt is om de gewenste keervoorziening te ontwikkelen.
Voor het uitvoeren van het project is er een plansstudie gedaan naar kansrijke locaties voor een keervoorziening (zie Bijlage 1).
Voor de inpassing van een keervoorziening geldt dat deze minimaal moet zijn gelegen ten noorden van Meijersplein (huidig knelpunt) en niet in de samenloop komt. Dit vanwege de capaciteit en het ontbreken van de noodzaak vanuit de vervoersvraag om de samenloop bij de oplossing te betrekken. In eerste instantie zijn hiervoor 14 locaties beschouwd, die na een eerste scan zijn beoordeeld als kansrijk. Achtereenvolgens zijn deze locaties getoetst op:
Voor een bestendige interim oplossing (10 à 15 jaar) zijn drie locaties in beeld, die zijn beschouwd op ruimtelijke aspecten. Hierbij is uitgegaan van keervoorziening in zijligging. Bij een zijligging takt de metro aan de oostzijde uit en steekt bij het terugrijden beide sporen over.
Alleen bij locatie 8 is een middenligging zowel fysiek als vanuit het bestemmingsplan volledig inpasbaar. Bij middenligging keert de metro tussen beide exploitatiesporen en hoeft om terug te rijden slechts één spoor over te steken. Bijkomend voordeel bij middenligging is dat in geval van calamiteiten ook van/naar Den Haag gekeerd kan worden.
Uit de analyse is gebleken dat locatie 8 de voorkeur heeft vanuit de volgende overwegingen:
Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geadviseerd om op locatie 8, tussen de haltes Pijnacker-Zuid en Pijnacker-Centrum een keervoorziening te realiseren en met verdichtingsritten de huidige en toekomstige vervoervraag (10 à 15 jaar) op te vangen. De keervoorziening is op deze locatie binnen 2 jaar te realiseren en voldoende toekomstvast om voor de komende 10 à 15 jaar vervoer onder de capaciteitsnorm te blijven aanbieden in de spitsperioden. Van de onderzochte locaties is dit de economisch meest gunstige investering.
Vanuit de wetgeving is het niet verplicht, maar er wordt geadviseerd om ter hoogte van de keervoorziening compenserende geluidmaatregelen te treffen, zodat minimaal het bestaande geluidniveau gehandhaafd blijft en/of verbetert. De plaatsing van een geluidscherm is effectief voor de (lichte toename van geluid) en biedt daarnaast voordelen voor de reguliere situatie; het scherm is ook effectief gedurende de gehele dag. Hiermee wordt ook tegemoet gekomen aan de bestaande klachten over geluidbeleving.
Tussen de stations Pijnacker-Centrum en Pijnacker-Zuid wordt parallel aan de bestaande spoorweg van RandstadRail een keerspoor aangelegd. Het keerspoor is nodig om een frequentieverhoging op deze spoorlijn te realiseren. Tussen Rotterdam en Pijnacker-Zuid gaan in de spits meer treinen rijden. Ten noorden van het keerspoor blijft de huidige frequentie intact.
Figuur 2.1: veranderingen Randstadrail
Figuur 2.2 impressie nieuwe keervoorziening
Om de metrolijnen vrij te kunnen laten keren wordt de keervoorziening aangelegd. De bestuurder zal, nadat de metro tot stilstand is gebracht, naar het andere eind van de metro lopen om hier weer plaats te nemen en de metro terug te brengen in de dienstregeling.
Fguur 2.3 werking keerspoor
De keervoorziening zal niet worden gebruikt als stalling voor metro's. Daarvoor is het keerspoor niet bedoeld. Er wordt alleen ruimte gecreëerd om de metrostellen veilig terug te kunnen rijden op het spoor, zonder de doorgaande ritten te hinderen.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Deze structuurvisie verving de Nota Ruimte. De structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de structuurvisie schetst het rijk ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028. De leidende gedachte in de SVIR is ruimte maken voor groei en beweging. De SVIR is de eerste rijksnota die de onderwerpen infrastructuur en ruimte integraal behandelt. In de SVIR richt het Rijk zich vooral op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau.
Door urbanisatie, individualisering, vergrijzing en ontgroening nemen de ruimtelijke verschillen toe. Vanaf 2035 groeit de bevolking niet meer. Vanaf 2020 neemt de beroepsbevolking niet meer toe. De samenstelling van de bevolking, en daarmee de samenstelling van huishoudens, verandert. Ambities tot 2040 zijn onder andere het aansluiten van woon- en werklocaties op de (kwalitatieve) vraag en het zoveel mogelijk benutten van locaties voor transformatie en herstructurering. Ook wil het rijk ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden. Dit moet voor zowel het landelijk als het stedelijk gebied gelden. In de SVIR is verder vastgelegd dat provincies en (samenwerkende) gemeenten verantwoordelijk zijn voor programmering van verstedelijking.
Ter versterking van het vestigingsklimaat in de stedelijke regio's rondom de main-, brain- en greenports geldt een gebiedsgerichte, programmatische urgentieaanpak. In krimpregio's wordt het interbestuurlijke programma bevolkingsdaling doorgezet. Verder wordt genoemd het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000-gebieden.
Aangezien een structuurvisie geen bindende werking heeft voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld, zijn de nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en richt zich op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Daarnaast zorgt de AMvB voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf.
Onderhavige ontwikkelingen hebben geen directe relevantie op rijksniveau. Het plan past binnen de uitgangspunten van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en binnen de bepalingen van het Barro.
Op 1 april 2019 heeft de Provincie haar beleid (Visie Ruimte en Mobiliteit en de daarbij behorende Verordening Ruimte) vervangen door de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening.
Centraal doel van het integrale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Daarbij streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Met het provinciaal omgevingsbeleid sluiten we aan op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit.
Onder ‘omgevingskwaliteit’ verstaan we het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Vanuit ons bestaande beleid gaat het hier om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid).
Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit. Met het oog op de invoering van de Omgevingswet in 2021 wordt dit verder ontwikkeld.
De Omgevingsvisie biedt ruimte voor ontwikkeling met een waarborg voor kwaliteit.
Belangrijkste visies voor het gebied zijn:
De provincie Zuid-Holland wil de groei van de bevolking, de mobiliteit en de economische activiteit hoofdzakelijk opvangen in de bestaande netwerken en bebouwde gebieden. Het aanleggen van de Keervoorziening voor de Randstadrail binnen het bestaande netwerk past binnen de visie.
Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) is verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Er dienen drie stappen te worden doorlopen. Dit zijn:
Toepassing van de Ladder op bestemmingsplan 'Keervoorziening Randstadrail 2020' levert het volgende op:
Ad 1. Is er hier sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling?
Stedelijke ontwikkeling
Om aan deze verplichting uit de Bro te kunnen voldoen dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
In het Bro is het begrip stedelijke ontwikkeling als volgt vastgelegd:
'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'
In de uitspraak van 18 februari 2015 zoekt de Afdeling Bestuursrechtspraak aansluiting bij de nota van toelichting bij het Bro. Hierin is opgenomen dat de minister van Infrastructuur en Milieu op 14 november 2011 aan de Tweede Kamer heeft toegezegd om een handreiking beschikbaar te stellen. Deze is in oktober 2012 vastgesteld. In die handreiking staat dat onder het begrip ‘overige stedelijke voorzieningen’ wordt verstaan: accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure.
Het aanleggen van de keervoorziening valt dus niet onder een stedelijke ontwikkeling.
3.2.1.1 Conclusie
De mogelijkheden die deze ruimtelijke onderbouwing biedt passen binnen de Omgevingsvisie van de provincie. De ontwikkeling van het keervoorziening betreft geen van bovenstaande voorzieningen. Om deze reden is het niet nodig om de ladder te doorlopen.
De voorgenomen planontwikkeling is passend binnen het provinciaal beleid.
Sinds 1 januari 2015 heeft het Stadsgewest Haaglanden zijn werkzaamheden beëindigt, de beleidsterreinen Verkeer en Vervoer en Economisch Vestigingsklimaat worden voortgezet door de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). Het Regionaal Structuurplan is nog niet ingetrokken en derhalve nog van kracht.
Het Regionaal Structuurplan Haaglanden 2020, dat door het bestuur van het Stadsgewest Haaglanden in april 2008 is vastgesteld, bouwt voort op de sterke punten van de regio: de economische specialisaties, de mooie landschappen en de kwaliteit van leven. Haaglanden blijft daardoor een aantrekkelijk gebied om te wonen. Al deze kwaliteiten zijn een voorwaarde om nieuwe bedrijven en instellingen aan te kunnen trekken en zo voor nieuwe werkgelegenheid te zorgen.
Hiertoe zijn er meer huizen en bedrijfspanden nodig in Haaglanden. Sommige delen van de regio verouderen en zijn aan vernieuwing toe. De groengebieden zijn niet aantrekkelijk en toegankelijk genoeg. Het verkeer blijft groeien, maar Haaglanden moet wel bereikbaar blijven. De verandering van het klimaat stelt nieuwe eisen aan het watersysteem en de kustbescherming. Zo zullen zich tot 2020 nog meer ontwikkelingen voordoen die om maatregelen vragen.
Regio Haaglanden zet daarbij in op goede bereikbaarheid. Het aanleggen van de keervoorziening past binnen dit beleid.
De doelstelling van het 'Programma Frequentieverhoging RandstadRail' is het aanpassen van de infrastructuur en het aanleggen van een keerspoor om daarmee de frequentie van RandstadRail ritten in de spitsuren te verhogen en de steeds verder groeiende reizigersvraag van metrovervoer op het traject Pijnacker-Zuid - Rotterdam CS op te vangen en te voldoen aan de metro normbezettings- afspraken in de spitsuren tussen de MRDH en de RET.
Belangrijk onderdeel van het Programma is het project Tractie en Energie Voorziening (TEV) voor de aanpassing van de TEV tussen Rotterdam Centraal en het keerspoor met als doelstelling de TEV van dit tracé deel geschikt te maken voor de verdubbelingen van de voertuigfrequentie in de spits.
Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een keervoorziening voor de Randstadrail. Deze herstructurering binnen het stedelijk gebied sluit derhalve aan bij de uitgangspunten van het regionale beleid.
In de Toekomstvisie 'Visie op de toekomst van Pijnacker-Nootdorp', vastgesteld door de gemeenteraad op 26 juni 2012, wordt een eenduidige en consistente koers voor Pijnacker-Nootdorp uitgezet met oog voor de omgeving en de rol van de gemeente. De toekomstvisie laat zien wat voor gemeente Pijnacker-Nootdorp wil zijn, waar zij met haar ontwikkeling heen wil en welke rol zij daarbij pakt.
Pijnacker-Nootdorp wil, conform haar visie, een herkenbare gemeente zijn in een landelijke omgeving waar de stad nooit ver weg is. Zij ziet het als haar missie in de regio een uniek woonmilieu te bieden, met het groene buitengebied meerwaarde te geven en met duurzame en innovatieve de economie versterken.
In de Structuurvisie 'Ruimte maken….. ruimte laten', vastgesteld door de gemeenteraad op 20 februari 2014, schetst de gemeente het ruimtelijk beeld van Pijnacker-Nootdorp in 2040. Niet in de vorm van een blauwdruk voor de toekomst, maar in de vorm van contouren en kaders van een streefbeeld dat gezamenlijk met bewoners en ondernemers ingekleurd dient te worden. Er wordt ruimte geboden en uitgenodigd om te ondernemen, te recreëren, de woonomgeving te verbeteren of sport te beoefenen. De Ruimtelijke structuurvisie kan gelezen worden als een uitnodiging om samen invulling te geven aan de ruimte van Pijnacker-Nootdorp in 2040.
Contouren vormen het uitgangspunt van de structuurvisie. Dit zijn contouren van groen- en recreatiegebieden, bebouwing, glastuinbouw en bedrijventerreinen. Binnen deze contouren zijn er verschillende functies en mogelijkheden. Hierover doet de structuurvisie voor 2040 op hoofdlijnen kaderstellende uitspraken. Daarnaast geeft de structuurvisie antwoord op verschillende ruimtelijke vraagstukken.
Aandachtspunt binnen de Ruimtelijke Structuurvisie is dat omliggende stedelijke voorzieningen goed bereikbaar dankzij een goede OV en autoverbinding. Deze moeten worden versterkt om Pijnacker-Nootdorp aantrekkelijk te houden voor forenzen en werknemers.
De ontwikkeling van de keervoorziening voorziet in een behoefte voor Pijnacker-Nootdorp om als regio goed bereikbaar te zijn en de OV verbindingen te versterkten. Derhalve past onderhavig plan uitstekend binnen de gestelde kaders van het gemeentelijk beleid.
Regelgeving en beleid
Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Tengevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten.
De te beoordelen situaties zijn te herleiden tot drie groepen en bijbehorende aanpak, te weten:
De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd.
Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan
Bij de voorgenomen aanleg van de keervoorziening is er geen sprake van een nieuwe milieugevoelige functie of bedrijfsbestemming. Milieuzonering speelt derhalve gaan rol in het kader van onderhavig bestemmingsplan.
Regelgeving en beleid
Geluid kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog geluidniveau kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht:
De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft haar geluidbeleid vastgelegd in de nota 'Gebiedsgericht Geluidsbeleid' uit 2010. Deze Nota Geluidsbeleid, waarin de hoofdlijnen van het beleid uiteen worden gezet, bestaat verder uit een tweetal deelnota`s, te weten de Nota Hogere Grenswaarden en de Nota Bedrijven en Geluid alsmede uit een richtlijn bouwlawaai op grote bouwlocaties.
Onderzoek
Door dBvision is een akoestisch onderzoek (zie Bijlage 2) uitgevoerd naar de gevolgen van het aanleggen van de keervoorziening.
De spoorweg van Rotterdam-Pijnacker-Den Haag staat op de zonekaart spoorwegen geluidhinder en valt daarom onder de Wet geluidhinder. Er moet worden aangetoond dat de plannen voldoen aan de bepalingen van deze wet. Hiervoor is een akoestisch onderzoek vereist. Doel van het onderzoek is om na te gaan of de voorgenomen veranderingen moeten worden aangemerkt als 'wijziging van het spoor' in de zin van de wet. Als blijkt dat er inderdaad sprake is van een wijziging van het spoor, moet met geluidmaatregelen worden getracht de geluidsbelasting terug te dringen tot de ten hoogste toelaatbare waarde.
Wet geluidhinder: definitie 'wijziging van een spoorweg'
De Wgh geeft aan op welke momenten een akoestisch onderzoek nodig is. In het algemeen is dat bij de nieuwbouw van woningen en bij de wijziging van een bestaand spoor of de bouw van een volledig nieuwe spoorverbinding. In geval van de frequentieverhoging en de aanleg van het keerspoor gaat het om mogelijk om een wijziging van het spoor volgens de Wgh. In het Bgh artikel 1.1 lid 1f zijn de criteria voor een 'wijziging van een spoorweg' opgenomen. Er is sprake van een 'wijziging van een spoorweg'als:
Uit het onderzoek in dit rapport is gebleken dat de keervoorziening en frequentieverhoging geen wijziging inhouden in de zin van de Wet geluidhinder. De geluidsbelasting ten zuiden van het keerspoor neemt met 0,3 dB toe. Hier is 1,0 dB toename toegestaan en daarom is hier geen sprake van 'wijziging van het spoor'. Bij het keerspoor neemt de geluidsbelasting nergens toe met 3 dB of meer en tevens wordt de grenswaarde van 63 dB niet overtreden. Ook in dit gebied is geen sprake van 'wijziging van het spoor'. Geluidmaatregelen zijn daarom niet noodzakelijk om de plannen uit te voeren.
In de plannen is een geluidscherm voorzien van 1 meter hoogte aan de westzijde van de sporen, voor het gebied tussen de Serijnenhof en de Gravenmade. Met dit scherm is de toekomstige geluidbelasting in dit gebied nergens groter dan 55 dB. De geluidreductie vanwege het scherm is ongeveer 5 dB.
Aanvullend is een beoordeling gegeven van de geluidbronnen die niet onder de Wet geluidhinder vallen. Dit betreft het geluid van de op het keerspoor stilstaande voertuigen. Uit dit onderzoek blijkt dat het geluidsignaal dat deel uitmaakt van de vertrekprocedure bij de woningen hoorbaar is. Gezien het beperkte niveau van dit geluid in relatie tot het achtergrondniveau en het feit dat het signaal alleen tijdens de spits optreedt, is er geen aanleiding om aanvullende maatregelen te treffen.
Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan
Voor de locatie geldt dat in de plansituatie voldaan wordt aan de normstelling uit de Wet geluidhinder. Er is geen nader onderzoek naar geluidreducerende maatregelen noodzakelijk, ook hoeven er geen hogere waarden te worden vastgesteld.
Wel worden er ter voorkoming van extra geluid geluidschermen aangelegd.
Regelgeving en beleid
Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Sinds 2011 moest reeds aan de grenswaarden (jaargemiddelde van 40 ìg/m3 en 24-uursgemiddelde concentratie van 50 ìg/m3) voor PM10 worden voldaan. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 40 ìg/m3 en uurgemiddelde grenswaarde van 200 ìg/m3. Tot deze grenswaarden gelden zijn minder strenge grenswaarden van kracht.
De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien:
een project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 ìg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.);
De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft haar plan van aanpak om aan de gemeentelijke taakstelling te kunnen voldoen om periodiek de luchtkwaliteit vast te stellen verwoord in het Luchtkwaliteitsplan Pijnacker-Nootdorp 2008-2011.
Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan
De voorgenomen aanleg van een keerspoor naast de huidige spoorbaan is bedoeld voor een capaciteitsverbetering van personenvervoer. De metrostellen zijn elektrisch aangedreven. De aanleg van het keerspoor heeft daarom geen effect op de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen.
Regelgeving en beleid
Wet op de archeologische monumentenzorg
Het archeologisch bodemarchief is de belangrijkste bron voor onze oudste geschiedenis. Sinds 1 oktober 2007 regelt de Wet op de archeologische monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet 1988 de bescherming en het behoud van archeologische waarden in de bodem. De archeologische zorgplicht ligt bij de gemeente. Het belangrijkste doel van de wet is de bescherming van archeologische waarden op de oorspronkelijke plek, dus in de bodem zelf (in situ). De bodem biedt doorgaans de beste garantie voor een goede conservering.
De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Wie de bodem in wil om te bouwen of aan te leggen, kan verplicht worden om een archeologisch vooronderzoek te (laten) uitvoeren. Vooronderzoek moet duidelijk maken welke archeologische waarden verwacht worden en of deze behoudenswaardig zijn. De onderzoeksresultaten bepalen het verdere vervolg; een aanpassing van de bouwplannen, zodat de waarden op hun plek behouden blijven, of het definitief opgraven en documenteren van de archeologische waarden zodat de gegevens in een archeologisch depot behouden blijven. Er wordt in de wet uitgegaan van het basisprincipe dat de verstoorder of veroorzaker van archeologieverstorende bodemingrepen betaalt voor het onderzoek van de archeologische waarden.
Besluit ruimtelijke ordening
Vanaf 1 januari 2012 dient in bestemmingsplannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg.
Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland
De Cultuurhistorische Atlas van Zuid-Holland geeft een overzicht van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in Zuid-Holland. De atlas bestaat uit kaarten voor de drie onderdelen van de cultuurhistorie: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Ieder onderdeel bestaat uit twee kaarten die inzichtelijk maken wat in Zuid-Holland cultuurhistorisch van belang is en waarom:
Deze cultuurhistorische kenmerken en waarden vormen de input bij processen van culturele planologie. In de CHA heeft het plangebied een redelijk tot grote kans op archeologische sporen. Aan deze kans is een onderzoeksplicht verbonden.
Archeologiebeleid Pijnacker-Nootdorp
De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft haar archeologiebeleid verwoord in de nota 'Pijnacker-Nootdorp; Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart' uit 2009. Op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart heeft het plangebied deels een middelhoge archeologische verwachting en deels een onbekende archeologische verwachting. Voor de zones met middelhoge archeologische verwachting (noordoostelijke en zuidwestelijke deel van het plangebied) geldt dat bij een bodemverstoring van respectievelijk dieper dan 0,30 m dan wel 1,0 m beneden maaiveld en groter dan 200 m² vroegtijdig archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Voor de zone met een onbekende verwachting is aanvullend veldonderzoek nodig.
Onderzoek
Door RAAP is een archeologisch onderzoek (zie Bijlage 3) uitgevoerd ter hoogte van de nieuw aan te leggen keervoorziening.
Op basis van de onderzoeksresultaten en de voorgenomen bodemingrepen kan worden geconcludeerd dat bij de uitvoering van de werkzaamheden vermoedelijk archeologische resten zullen worden verstoord. Het rapport is voorgelegd aan de archeologisch adviseur van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Zij onderschrijft de gespecificeerde verwachting niet. Voor de verschillende archeologische periodes haalt zij het volgende aan.
IJzertijd
Over het algemeen geldt voor vrijwel de hele gemeente dat het gebied te ver van de zeeinvloed af lag voor veenontwateringsgeultjes en wordt dit niet meer meegenomen in de verwachting. De verwachting is, indien al aanwezig, erg laag. Indien binnen het plangebied IJzertijdbewoning voorkomt die te koppelen is aan voormalige veenloopjes, is de kans zeer groot dat de archeologische neerslag daarvan geërodeerd is door latere geologische gebeurtenissen (zoals het ontstaan van de Gantel Laag), waardoor er geen sprake meer zal zijn van behoudenswaardige resten.
Late IJzertijd, Romeinse tijd, de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd
Er bevinden zich geen geul/kreek afzettingen van de Gantel laag in het plangebied (volgens Kerkhof 2009). Er geldt dan ook een lage verwachting.
Terpen Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd
Omdat er eigenlijk geen veenloopjes verwacht worden die het veen al natuurlijk ontwaterden (zie opmerking hierboven), worden deze terpen ook niet meer in de verwachting meegenomen. Theoretisch zou het kunnen maar de verwachting is, evenals voor de IJzertijd vindplaatsen, erg laag.
Advies
Aangezien de adviseur van de gemeente voor alle periodes een lage verwachting aan het plangebied toekent heeft zij geadviseerd dat er geen vervolgonderzoek noodzakelijk is.
Conclusie ten aanzien van het bestemmingsplan
Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van de keervoorziening. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' is niet meer van toepassing op het gebied en zal komen te vervallen.
Regelgeving en beleid
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Tevens is bij de realisatie van ruimtelijke plannen vaak grondverzet noodzakelijk. Dit grondverzet is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden.
De provincie Zuid-Holland heeft haar beleid ten aanzien van bodemaspecten verwoord in de 'Beleidsvisie Bodem en Ondergrond' uit 2013. De provincie brengt in deze visie middels zes beleidsprioriteiten focus aan in het zoeken naar de balans lussen het optimaal benutten én beschermen van de bodem en de ondergrondse ruimte.
Pijnacker-Nootdorp heeft in 2008 haar eigen Bodemnota vastgesteld. Deze Bodemnota was de eerste stap naar een verdiepte ruimtelijke ordening, waarbij de gemeente de kansen van de ondergrond in beeld brengt. De ambities van Pijnacker-Nootdorp sluiten goed aan bij landelijke ontwikkelingen op het gebied van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) (lagenbenadering) en het bodembeleid (Convenantbodemontwikkelingsbeleid). Een van de onderdelen van de Bodemnota is het werkprogramma bodem uit 2009. Doel van het werkprogramma is om de bijdrage van bodem aan de duurzame ontwikkeling van Pijnacker-Nootdorp te waarborgen. Het werkprogramma bodem richt zich niet op de wettelijke taken van team bodem, maar definieert een aantal aanvullende activiteiten die bijdragen aan bewust en duurzaam bodemgebruik. Deze activiteiten dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit én de milieukwaliteit van Pijnacker-Nootdorp.
Onderzoek
Door movaris is een verkennend kilieukundig bodemonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de aanleg van de keervoorziening (zie Bijlage 4)
Bodem
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de grond op de locatie conform de Wet bodembescherming geclassificeerd als plaatselijk sterk verontreinigd met koper. De sterke verontreiniging met koper is aanwezig in de bovengrond van boring 7. De verontreiniging is nog niet horizontaal en verticaal afgeperkt. Naast de plaatselijke sterke koperverontreiniging is de grond op het overige deel van de locatie licht verontreinigd met kobalt, koper, lood, molybdeen, nikkel en/of PAK.
Het grondwater op de locatie is niet verontreinigd met onderzochte stoffen.
De onderzochte zintuiglijk schone grond ter plaatse van bovenkant spoortalud is volgens Besluit bodemkwaliteit indicatief geclassificeerd als 'industrie' grond als gevolg van de aanwezigheid van een verhoogd gehalte aan koper in de grond. Uitzondering hierop vormt de grond ter plaatse van boring 7 welke indicatief geclassificeerd is als 'niet toepasbaar' op grond van het sterk verhoogde gehalte aan koper. De eveneens zintuiglijk schone grond gelegen benedenkant spoortalud is indicatief geclassificeerd als 'wonen' als gevolg van de aanwezigheid van lichte verontreinigingen. De zintuiglijk schone veenlaag uit de ondergrond is indicatief geclassificeerd als 'altijd toepasbaar'.
Aanbevolen wordt om nader bodemonderzoek uit te voeren naar de sterke koperverontreiniging ter plaatse van boring 7 om vast te stellen of het hier een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft. Indien er namelijk meer dan 25 m3 sterk verontreinigde grond op de locatie aanwezig is, betreft het volgens de Wet bodembescherming een geval van ernstige bodemverontreiniging. De aangetroffen lichte verontreinigingen op het overige deel van de locatie vormen geen belemmering
Aanvullend onderzoek
In het aanvullend onderzoek (zie Bijlage 5) zijn er tweetal verontreinigingen aangetoond met gehalten boven de interventiewaarden in het projectgebied:
Doordat er meer dan 25m3 sterk verontreinigd bodemvolume op de locatie aanwezig is, betreft het een geval van ernstige bodemverontreiniging voor zowel koper als lood. Het grondwater op de locatie bevat een verhoogd achtergrondwaarde voor barium. Op grond van de resultaten is er sprake van een immobiele verontreiniging met koper en lood.
Met uitzondering van de loodverontreiniging is ter plaatse van de toekomstige steunberm de boven- en ondergrond licht verontreinigd met zware metalen, PAK en minerale olie. De gemeten waarden overschrijden de achtergrondwaarden.
Uit de Sancrit-berekening blijkt dat sanering van de koper- en loodverontreiniging, op basis van humane -, ecologische - of verspreidingsrisico's, niet spoedeisend is.
De sliblaag in de waterbodem is licht verontreinigd met lood en PAK en voldoet aan klasse A baggerspecie.
Conclusie en Advies
Aanbevolen wordt om voorafgaand aan de grondwerkzaamheden een Bus-melding te laten opstellen, waarin beschreven staat welke maatregelen getroffen worden bij het werken in verontreinigde grond en de afvoer van verontreinigde grond. In het algemeen dient bij de werkzaamheden preventieve maatregelen te worden genomen ter voorkoming van de verspreiding van de verontreiniging naar het grondwater.
De bus-melding is nodig voor de werkzaamheden mbt de ontgraving van het cunet van het derde spoor en uitbreiding van de steunberm.
De loodverontreiniging dient te worden verwijderd in verband met de aanleg van de steunberm. Mogelijkerwijs zal de steunberm de loodverontreiniging in het grondwater "drukken" als gevolg van de zetting. Daarnaast zal de loodverontreiniging moeten worden verwijderd voor de ontgraving in het kader van de spoorstabiliteit. Voor de aanleg van de steunberm zal vermoedelijk de aanwezige "slappe" grond worden verwijderd.
De koperverontreiniging in talud dient te worden verwijderd in verband met het cunet van het derde spoor. Het al dan niet verwijderen van de koperverontreiniging in het huidige spoor is afhankelijk van het benodigde grondwerk in het spoorvak. Het bestaande ballastbed kan worden aangemerkt als een afdeklaag.
Voor eventuele grondwerkzaamheden in het schouwpad aan de westkant betreft K&L kan mogelijk onder Bus-procedure melding TU worden uitgevoerd.
De grondwerkzaamheden in het projectgebied dienen onder milieukundige begeleiding plaats te vinden, volgens de BRL SIKB 6000. De grondroerende werkzaamheden binnen de sterke verontreiniging dienen onder BRL SIKB 7000 te worden uitgevoerd
Conclusies ten aanzien van het bestemmingsplan
Het aspect bodem staat de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan niet in de weg.
In vergelijking met hoe werkzaamheden in het verleden (bij het realiseren van de Ontmoetingskerk) zijn uitgevoerd, worden nu voor de aanleg van het extra spoor mitigerende maatregelen genomen die een beïnvloeding van de omgeving tot verwaarloosbaar klein zullen terugbrengen. Deze maatregelen zijn:
Bovenstaande maatregelen in combinatie met de beduidend grotere afstand tussen de locatie van de grondwerkzaamheden tot de Judith Leysterlaan zullen er toe leiden dat er geen negatieve effecten van enige omvang zijn te verwachten in de buurt van de woningen.
Regelgeving en beleid
Meer en meer wordt onderkend dat goed werkende ecosystemen voor mensen verschillende onmisbare functies hebben. Ter bescherming van deze eigenschappen van de natuurlijke omgeving en vanuit de gedachte dat alle levende wezens een intrinsieke waarde hebben, geldt een aantal landelijke wetten en beleidsplannen: de Wet Natuurbescherming en het Natuurbeleidsplan 1990 (met daarin de Ecologische Hoofdstructuur). Daarnaast geldt provinciaal beleid, te weten: de Visie Ruimte en Mobiliteit Zuid-Holland en het Provinciaal Compensatiebeginsel (Rode lijst).
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient middels een quickscan (combinatie van bureauonderzoek en één veldbezoek) te worden vastgesteld of:
Indien deze typen effecten niet optreden wordt de ruimtelijke ontwikkeling conform de eerder genoemde regelgeving toelaatbaar geacht. Indien deze effecten wel optreden gelden verschillende werkwijzen om deze effecten te voorkomen of beheersen.
De gemeente Pijnacker-Nootdorp beschikt over een Ecologische Kaart (vastgesteld in 2012). Dit is een toekomstvisie voor de realisatie van een samenhangend, ecologisch netwerk binnen de gemeente, met nauwe relaties met het omringende landschap. Met de Ecologische Kaart heeft de gemeente bij projecten op het vlak van ruimtelijke ontwikkeling of aanpassing van het beheer en onderhoud een gebruiksklaar instrument in handen dat richting geeft aan de ecologische inpassing die past binnen een ruimer (ecologisch) kader.
Onderzoek
Door Movaris is een quickscan flora en fauna uitgevoerd ten behoeve van de aanleg van de keervoorziening voor de Randstadrail ( zie Bijlage 6). Onderhavig plangebied is meegenomen in het onderzoek.
Resultaten
In onderstaande paragrafen worden de conclusies en aanbevelingen uit de quickscan besproken.
Natura 2000-gebieden
Er vindt geen ruimtebeslag plaats op een Natura 2000-gebied. Gezien de afstand (10 km) worden er door de voorgenomen ingreep geen effecten op Natura 2000-gebieden verwacht. Er is geen vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet benodigd.
Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur)
Er vindt geen ruimtebeslag plaats op het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het plangebied ligt op zo'n 1000 meter afstand van het NNN.
In de provincie Zuid-Holland hoeft niet naar indirecte effecten op NNN-gebieden te worden gekeken indien er geen sprake is van ruimtebeslag.
Er is geen ontheffing van de Natuurbeschermingswet nodig.
Het plangebied is wel geschikt voor de algemeen beschermde soorten zoogdieren haas, konijn en veldmuis en de algemeen beschermde soorten amfibieen gewone pad en bruine kikker. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke projecten. In het kader van de zorgplicht dienen voor deze soorten wel maatregelen genomen te worden om effecten op deze soorten zo veel mogelijk te voorkomen .
De haas, konijn, veldmuis, gewone pad en bruine kikker zijn opgenomen als beschermde soorten in de nieuwe Wet Natuurbescherming. In de concept-verordening van de provincie Zuid-Holland is opgenomen dat voor deze soorten een vrijstelling geldt bij ruimtelijke projecten. Indien dit wordt overgenomen in de definitieve verordening van de provincie Zuid-Holland is ook na de inwerkingtreding van de nieuwe Wet Natuurbescherming geen ontheffing noodzakelijk.
Voor de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met onderstaande maatregelen:
Stikstofonderzoek
De aanleiding van dit stikstofonderzoek (zie Bijlage 7)is het werk dat onderdeel is van het Programma Frequentieverhoging RanstadRail. Dit programma heeft tot doel het verhogen van de frequentie van de RandstadRail ritten in de spitsuren op het traject Pijnacker Zuid - Rotterdam Centraal. Ten behoeve hiervan dient de infrastructuur tussen Pijnacker Zuid en Pijnacker Centrum te worden aangepast voor de aanleg van een keerspoor.
Voor de omschreven aanpassing dient te worden onderzocht of er een vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming moet worden aangevraagd. Dit is het geval wanneer er door de werkzaamheden ten behoeve van de aanpassingen voor de RandstadRail sprake is van een toename in de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen. Voor de depositie als gevolg van de werkzaamheden gaat het om alle activiteiten voor de aanleg van een keerspoor. In deze adviesnota (Bijlage 7) is het uitgevoerde onderzoek beschreven en wordt aangegeven of er sprake is van stikstofdepositie op N2000-gebieden als gevolg van het project.
Uit de met AERIUS uitgevoerde berekening (Bijlage 8blijkt dat er geen stikstofdepositie optreedt op Natura 2000 - gebieden. Negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden kunnen worden uitgesloten. Er hoeft derhalve geen vergunning voor de Wet Natuurbescherming te worden aangevraagd in het kader van stikstofdepositie op Natura 2000 – gebieden.
Conclusies ten aanzien van het bestemmingsplan
Het aspect ecologie staat de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan niet in de weg.
In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de externe veiligheid in beschouwing is genomen bij dit bestemmingsplan. De externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico's die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waar door de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten.
Twee sleutelbegrippen: plaatsgebonden risico en groepsrisico
De risico's bij de externe veiligheid worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Waarom worden er twee begrippen gebruikt? Het rijksoverheidsbeleid maakt onderscheid tussen het risico waaraan het individu is blootgesteld en het risico waaraan een groep mensen is blootgesteld. Het gaat om het risico op overlijden. Voor de beoordeling van het risico waaraan het individu is blootgesteld gebruikt men het plaatsgebonden risico. Dit is de maatstaf voor de persoonlijke veiligheid. De maatstaf voor de kans dat een groep van mensen in een keer overlijdt, is het groepsrisico.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) is de overlijdenskans per jaar die op een bepaalde afstand aanwezig is door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hierbij wordt voor de berekening uitgegaan van een fictieve burger. Deze burger is 24 uur per dag gedurende een heel jaar, onbeschermd op de plaats aanwezig waarvoor het plaatsgebonden risico wordt berekend. Verder zal de burger geen aanstalten maken zich in veiligheid te brengen (vlucht- of schuilgedrag) gedurende de maximaal 30 minuten blootstelling aan het optredende effect. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (de zogeheten risicocontour).
Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is de kans op het overlijden in één keer van een groep mensen (juridisch is de minimum omvang gesteld op 10 doden om van een groepsrisico te kunnen spreken) als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, een transportroute gevaarlijke stoffen of een buisleiding en als gevolg van een ongewoon voorval in dit invloedsgebied waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied wordt bepaald door de berekening van het grootst mogelijke ongeval waar nog bij 1% van de blootgestelde personen dodelijk letsel optreedt. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het groepsrisico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1.000 slachtoffers tegelijk vallen. Bij transportrisico's geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op 10 slachtoffers gelijk aan één op de tienduizend (10-4). De kans op 100 slachtoffers gelijk aan één op de miljoen (10-6) enzovoorts. Bij stationaire risicobronnen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico een factor 10 kleiner ligt. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is geen wettelijke norm, het is bedoeld als een ijkpunt. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico's accepteert. De gemeente is verplicht om voor iedere situatie een belangenafweging te maken (verantwoording groepsrisico). Daarbij spelen onder anderen de zelfredzaamheid van bewoners, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol.
Beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten
Beperkt Kwetsbare objecten
Onder beperkt kwetsbare objecten worden onder andere verstaan woningen, hotels, restaurants, kantoren, winkels en sport- en kampeerterreinen, voor zover deze objecten niet tot de kwetsbare objecten behoren. In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is een definitie opgenomen van een beperkt kwetsbaar object.
Kwetsbare objecten
Kwetsbare objecten zijn onder ander woningen (met uitzondering van verspreid liggende woningen met een dichtheid van maximaal twee per hectare en dienst- of bedrijfswoningen), kantoren met meer dan 1.500 m² bruto vloeroppervlak en andere objecten waar zich gedurende een groot deel van de dag grote groepen mensen bevinden of (een deel van de dag) kwetsbare groepen mensen. De kwetsbare objecten staan gedefinieerd in Bevi artikel 1 sub l. Na inwerkingtreding van het Bevi is de definitie van kwetsbare objecten nog verduidelijkt.
Zeer kwetsbare objecten
Zeer kwetsbare objecten zijn tevens kwetsbare objecten, ze vormen een subcategorie van de categorie kwetsbare objecten uit het Bevi. Zeer kwetsbare objecten zijn objecten waarin mensen verblijven die zichzelf niet goed in veiligheid kunnen brengen, bijvoorbeeld door een geestelijke of lichamelijke beperking. Voorbeelden hiervan zijn: verzorgingstehuizen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven.
Waarom onderscheid?
Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is van belang om te bepalen of de PR 10-6 een grenswaarde is of een richtwaarde. De zeer kwetsbare objecten vormen een nieuwe categorie ten opzichte van het Bevi en spelen een rol in de modernisering van het Omgevingsveiligheidsbeleid (Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid).
Besluit externe veiligheid inrichtingen
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen, al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht het bevoegde gezag bij ruimtelijke plannen vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet ruimtelijke ordening (Wro) afstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit (waaronder ook een conserverend bestemmingsplan) gezien als een nieuwe situatie. De Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) geeft uitvoering aan het Bevi.
Plaatsgebonden risico
Het BEVI gaat bij het plaatsgebonden risico uit van:
Groepsrisico
Bij inrichtingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-7 per jaar en met de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-9 per jaar;
Wanneer verantwoording groepsrisico
Alleen bij een toename van het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht is van toepassing op:
Basisnet
Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Aangezien er in Pijnacker-Nootdorp geen sprake is van transport van gevaarlijke stoffen via hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen zal in het planspecifieke deel alleen aandacht worden besteed aan transport van gevaarlijke stoffen via de hoofdwegen.
Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt.
Het Basisnet stelt regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant) en om mensen die dicht bij deze hoofdwegen wonen of verblijven minimaal een bepaald beschermingsniveau te bieden.
Het Basisnet is een heel stelsel van wetten en regels dat op verschillende gebieden haar oorsprong heeft liggen. Vanuit de vervoerskant is er de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs). De Wvgs is in de afgelopen tijd al aangepast aan het Basisnet. De gewijzigde Wvgs (Stb. 2013, nr. 307) is per 1 april 2015 in werking getreden. Voor de ruimtelijke ordeningskant is er het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes. Dit besluit vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Dit besluit vervangt de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Het Bevt is per 1 april 2015 in werking getreden. In de Regeling Basisnet (Stcrt. 2014, nr. 8242, sinds 1 april 2015 in werking) wordt aangegeven waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Bevt is ook van toepassing op transportassen die niet onder het basisnet vallen. Het plaatsgebonden risico kan worden berekend of worden bepaald met toepassing van de vuistregels uit de Handleiding risicoanalyse transport (Hart).
In het Basisnet zijn grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico, richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet, kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de basisafstanden in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet. De basisnetafstanden vormen een veiligheidszone hierbinnen mag het plaatsgebonden risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar.
Het gewijzigde Bouwbesluit (Stcrt. 2014, nr. 4057, sinds 1 april 2015 in werking) bevat regels rondom bouwen binnen Plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Een PAG is een gebied tot 30 meter vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook (excl. vluchtstrook) waarin, bij realisatie van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand.
Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een PAG zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale).
Plaatsgebonden risico
Het Bevt gaat bij het plaatsgebonden risico uit van:
Groepsrisico
Bij transportroutes geldt vanuit het Bevt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-8 per jaar.
Wanneer verantwoording groepsrisico
Alleen bij een toename van het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht is van toepassing op:
Het Bevt schrijft voor dat voor alle bovenstaande ruimtelijke plannen binnen het invloedsgebied van een transportroute in ieder geval aandacht moet worden geschonken aan:
Hierbij dient niet alleen het invloedsgebied van de maatgevende vervoersklasse (GF3: brandbaar gas) te worden beschouwd, maar ook van overige stoffen die over het wegvak worden vervoerd.
Een ruimtelijke ontwikkeling op een afstand groter dan 200 meter levert echter een geringe bijdrage aan de hoogte van het groepsrisico. Daarom is het niet effectief om in het gebied op een grotere afstand dan 200 meter van een transportroute uitgebreid de mogelijkheden voor ruimtelijke maatregelen te onderzoeken om het groepsrisico te verkleinen.
Alleen wanneer een ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is, dient een volledige verantwoording afgelegd te worden waarin ook de volgende aspecten worden behandeld:
Een volledige verantwoording mag ook achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat:
Besluit externe veiligheid buisleidingen
Sinds 1984 wordt er getoetst aan circulaire Zonering langs hoge druk aardgastransportleidingen (1984) en vanaf 1991 ook aan de circulaire Bekendmaking van beleid ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie. Sinds 1 januari 2011 zijn beide circulaires vervangen door het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling. Vanaf 1 juli 2014 vallen ook de chemicaliënleidingen onder dit besluit. Het Bevb regelt onder meer de externe veiligheidsaspecten van buisleidingen. Het Bevb is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening. Het externe veiligheidsbeleid voor buisleidingen is in lijn gebracht met het beleid voor inrichtingen en transport. Ook bij buisleidingen geldt dat de hoogte van het groepsrisico en de mate van toename van het groepsrisico bepalen of een volledige verantwoording moet worden opgesteld of dat een beperkte verantwoording volstaat.
Plaatsgebonden risico
Het Bevb gaat bij het plaatsgebonden risico uit van:
Groepsrisico
Bij transportroutes geldt vanuit het Bevt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-8 per jaar.
Wanneer verantwoording groepsrisico
Alleen bij een toename van het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht is van toepassing op:
Een volledige verantwoording mag buiten toepassing blijven indien kan worden aangetoond dat:
De beperkte verantwoording dient in ieder geval in te gaan op de volgende onderdelen:
Overige voor Pijnacker-Nootdorp relevante besluiten op het gebied van externe
veiligheid
Activiteitenbesluit
Dit besluit en de bijbehorende regeling zijn de opvolger van een groot aantal AMvB's. In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, waaronder veiligheidsafstanden (voor bijvoorbeeld propaantanks, ammoniak koelinstallaties en gasontvangststations) waaraan voldaan moet worden.
Vuurwerkbesluit
Dit besluit reguleert de gehele keten rondom vuurwerk. In bijlage 3 van het Vuurwerkbesluit zijn veiligheidsafstanden tot kwetsbare en geprojecteerde kwetsbare objecten opgenomen. De aan te houden afstand is afhankelijk van het type vuurwerk en de hoeveelheid vuurwerk dat wordt opgeslagen.
De regels voor het vervoer van vuurwerk zijn een uitwerking van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs).
Risicovolle bedrijven binnen/nabij het plangebied
Binnen/nabij het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven met een plaatsgebonden risicocontour die buiten de inrichting valt.
Transport gevaarlijke stoffen binnen/nabij het plangebied
Transport gevaarlijke stoffen over rijkswegen
Uit de risicokaart blijkt dat de A4 een PR 10-6 contour heeft van 23 meter. De A4 heeft een plasbrandaandachtsgebied. Uit de risicokaart blijkt dat de A12 een PR 10-6 contour heeft van 0 meter. De A12 heeft geen plasbrandaandachtsgebied. Uit de risicokaart blijkt dat de A13 een PR 10-6 contour heeft van 17 meter. De A13 heeft ook een plasbrandaandachtsgebied. Het plangebied ligt niet binnen deze contouren.
Het plangebied ligt ook niet binnen het invloedsgebied van de rijkswegen A4, A12 of A13.
Tabel invloedsgebieden Rijkswegen
Transport gevaarlijke stoffen over provinciale wegen
Een klein deel van de N470 is aangewezen als gemeentelijke route voor het transport van gevaarlijke stoffen. Over dit gedeelte wordt voornamelijk LNG vervoerd, naar een locatie op het bedrijvenpark Ruyven. Op basis van de vergunde jaarlijkse doorzet zijn er 260 transportbewegingen te verwachten. Het overige deel van de N470 is niet aangewezen als route transport gevaarlijke stoffen. Er kan incidenteel wel transport van gevaarlijke stoffen plaats vinden, via een ontheffing. Dit zal met name de bevoorrading van (kleine) propaantanks in het buitengebied betreffen. De tankstations binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp verkopen geen LPG, ook ESSO aan de Rijksweg A13 niet.
In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is vastgelegd hoe de risico's van transport van gevaarlijke stoffen conform het vigerende beleid geanalyseerd moeten worden. In HART zijn vuistregels opgenomen ten aanzien van de noodzaak om te rekenen aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het gebruik van deze handleiding is verplicht.
De vuistregels uit de HART geven aan dat voor een weg buiten de bebouwde kom (zoals de N470) geldt dat er geen PR-10-6 contour aanwezig is als het aantal tankauto's van de stofcategorie GF3 (propaan, LPG, LNG) lager is dan 500. Voor de N470 binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp zijn geen tellingen beschikbaar, wel voor het deel in Delft (GF3: 75) en in Zoetermeer (GF3: 73). Gezien het feit dat in Pijnacker-Nootdorp geen LPG geleverd wordt maar alleen propaan zal het aantal transporten GF3 op het niet aangewezen deel van de N470 vergelijkbaar of lager zijn. Op het aangewezen deel van de N470 komen daar de transporten LNG bij (260). Opgeteld zal het totaal aantal transporten GF3 beduidend lager zijn dan 500. Daarmee wordt voldaan aan de vuistregels voor het plaatsgebonden risico.
Er is ook gekeken of er voor de N470 sprake is van overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Om dit te bepalen is getoetst of het aantal GF3 transporten onder de drempelwaarden in tabel 1-6 (overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde voor wegen buiten de bebouwde kom, eenzijdige bebouwing) en tabel 1-7 (overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde voor wegen buiten de bebouwde kom, tweezijdige bebouwing) zit en of met dit plan ook onder deze drempelwaarde wordt gebleven.
Van belang is de afstand tussen de bebouwing en de N470, het aantal personen per hectare en het aantal transporten GF3 over de N470. Ter hoogte van dichte en tweezijdige bebouwing (Emerald en Ruyven) is de afstand tussen de as van de weg en de bebouwing minimaal 30 meter. Hier is ook het aantal transporten het hoogst, vanwege het bevoorraden van het LNG-tankstation op Ruyven: 260. Tabel 1-7 laat zien dat de drempelwaarde voor de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt pas overschreden bij een bevolkingsdichtheid van 90 personen per hectare. Dat is daar niet aan de orde. Elders langs de N470 ligt de bebouwing wel dichterbij (mimimaal 15 meter) maar daar is sprake van eenzijdige bebouwing. Hiervoor wordt gekeken naar tabel 1-6. Over dit deel van de N470 wordt alleen sporadisch propaan vervoerd. In combinatie met de lagere bevolkingsdichtheid zal ook hier de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico niet worden overschreden.
De N470 ligt op ongeveer 750 meter van het plangebied. Tabellen 1-6 en 1-7 gaan tot een afstand van 200 meter. Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de HART (paragraaf 2.1) hoeven namelijk geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in een gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Een berekening van (de toename van) de hoogte van het groepsrisico is dan niet aan de orde.
Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is aan de orde indien een plangebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van de stofcategorieën die getransporteerd worden. Voor GF3 geldt een invloedsgebied van 355 meter. Het plangebied ligt op ongeveer 750 meter. Bovendien wordt er geen (beperkt) kwetsbaar object mogelijk gemaakt of gerealiseerd. Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is in dit geval ook niet aan de orde.
Gemeentelijke route voor transport gevaarlijke stoffen
Het transport van alle gevaarlijke stoffen rust op een belangrijk basisprincipe: diegene die met een voertuig via de weg gevaarlijke stoffen vervoert is, op grond van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (WVGS), verplicht als zodanig de bebouwde kommen van gemeenten te vermijden. Als het vervoer binnen de bebouwde kom noodzakelijk is ten behoeve van het laden en lossen of omdat er redelijkerwijs geen route buiten de bebouwde kom beschikbaar is, mag de chauffeur van dit basisprincipe afwijken. Op deze manier wordt het transport van gevaarlijke stoffen door de bebouwde kom geminimaliseerd.
De gemeente Pijnacker-Nootdorp beschikt over een aangewezen wegennet voor routeplichtige stoffen op grond van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De route voor gevaarlijk transport is gelegen op bedrijventerrein Ruijven en ligt op ruime afstand (op ruim 3.100 meter) van het plangebied.
Transport gevaarlijke stoffen over spoor en water
Het spoor (NS Den Haag - Gouda; Randstadrail Den Haag - Rotterdam) wordt niet gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen. Rondom deze spoorbanen bevindt zich daarom geen risicocontour in het kader van externe veiligheid. Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen over water plaats.
Buisleidingen binnen/nabij het plangebied
Tabel invloedsgebieden buisleidingen
Aardgas
Het plangebied ligt binnen de 100% letaliteitsgrens en binnen de 1% letaliteitsgrens van een hoge druk aardgasleiding. De PR-10-6 contour ligt op de leiding, de oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt niet overschreden. Met dit bestemmingsplan wordt de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object niet toegelaten. Een nieuwe berekening en een verantwoording van het groepsrisico zijn daarom niet nodig.
In het kader van de adviesrol van de Veiligheidsregio is getoetst aan de notitie van de Veiligheidsregio Haaglanden: “ADVISERING EV - VEILIGHEIDSREGIO HAAGLANDEN invulling van de adviesrol bij ruimtelijke plannen”. Hierin geeft de VRH aan in welke gevallen (dit wordt bepaald door het type en de omvang van de ontwikkelingen die met het plan gerealiseerd mogen worden) de VRH een advies opstelt en wanneer, zoals bij dit bestemmingsplan het geval is, kan worden volstaan met de maatregelen, zoals deze in de bijlage van de notitie van de VRH per risicobron staan opgenomen. Bij een hoge druk aardgastransportleiding staan de volgende maatregelen genoemd: Voorbereiding interne organisatie, vluchtweg, en risicocommunicatie. Voorbereiding interne organisatie is alleen van toepassing wanneer er sprake is van functies of bestemmingen waar bedrijfshulpverlening aanwezig is. Dit is hier niet het geval. Er is een vluchtweg aanwezig, men kan naast het spoor lopen, van de buisleiding afgekeerd. Risicocommunicatie wordt in een aparte alinea beschreven. De buisleiding vormt geen belemmering.
Brandbare vloeistoffen
Er loopt een brandstofleiding (K2) van Defensie Pijpleidingorganisatie (DPO) door de gemeente Pijnacker-Nootdorp. PR-10-6 contour ligt op de leiding. Omdat er maximaal 'minder dan 1 slachtoffers' kunnen vallen is er dus, conform art. 1 van het Bevb, formeel geen sprake van een groepsrisico voor de K2-leiding. De leiding ligt bovendien op ruime afstand van het plangebied en vormt daarom geen belemmering.
CO2
Er loopt een CO2-leiding door de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Naar aanleiding van ontwikkelingen nabij dezelfde CO2-leiding in Zoetermeer is in 2007 door RIVM en TNO uitgebreid onderzoek gedaan naar de risico's en effecten van vrijkomend CO2 bij leidingbreuk. Hierbij is door het RIVM geconcludeerd dat de risico's en letale effecten zich niet voordoen buiten een afstand van 4 meter van de buisleiding. VROM onderschrijft dit onderzoek en deze conclusie (brief VROM, datum 24 augustus 2007, kenmerk DGM/EV2007082989). Ook recent onderzoek aan de leiding De CO2 leiding (Tebodin, documentnummer 3413682, 7 april 2014) bevestigt dit. De rapportage van Arcadis “QRA Vervoersknoop Bleizo (1 februari 2016, kenmerk D04011.000122) stelt “De ondergrondse leidingdelen leiden niet tot externe veiligheidsrisico.” De buisleiding ligt ook op ruime afstand van het plangebied en is dan ook geen belemmering in het kader van externe veiligheid.
Risicocommunicatie
In de notitie van de Veiligheidsregio Haaglanden staat dat om ervoor te zorgen dat mensen goed voorbereid zijn en weten hoe ze moeten, het van belang is dat zij hier vooraf over worden geïnformeerd. De gemeente is ook van mening dat informatie verstrekken aan personen van belang is. Het betreft de handelingsperspectieven om de veiligheid te verhogen. Op de website van de gemeente www.pijnacker-nootdorp.nl kunnen burgers hierover veel informatie vinden bij het thema “veiligheid”. Ook op de landelijke website www.nederlandveilig.nl en op de regionale site http://www.watdoeje.nl/haaglanden/ kan men veel informatie vinden.
Daarnaast vindt, indien zich een ongeval voordoet dat effect op de omgeving heeft of nog kan hebben, afhankelijk van de aard en omvang van deze effecten, crisiscommunicatie plaats naar de in het effectgebied liggende bedrijven en bewoners. Bij een eenvoudig incident met geringe effecten zal de communicatie voor zover nodig op reguliere wijze en dus routinematig plaatsvinden door de ter plaatse aanwezige functionarissen van de hulpverleningsdiensten. Indien een incident zich ontwikkelt tot een groot incident of ramp zal binnen de regio Haaglanden, en dus ook binnen de gemeente, zogeheten opschaling plaatsvinden. Van een routinematige aanpak zal overgegaan worden naar een meer gecoördineerde aanpak. Deze gecoördineerde aanpak is beschreven in het crisisbeheersingsplan (rampenplan) van de gemeente. Er is ook een regionaal crisisplan. Het rampenplan en het regionaal crisisplan voorzien onder meer in:
Conclusie
Alle aspecten van externe veiligheid zijn beschreven en beoordeeld. Het plangebied en de directe omgeving zijn beschouwd op de aanwezigheid van risicobronnen voor wat betreft de opslag, het transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Het plangebied ligt alleen binnen het invloedsgebied van een aardgastransportleiding. Het plaatsgebonden risico van deze leiding ligt op de leiding zelf, de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt niet overschreden. Het bestemmingsplan laat de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object niet toe. Een nieuwe berekening of een verantwoording van het groepsrisico zijn daarom niet nodig. Ook deze buisleiding vormt geen belemmering.
In het kader van de adviesrol van de Veiligheidsregio is getoetst aan de notitie van de Veiligheidsregio Haaglanden: “ADVISERING EV - VEILIGHEIDSREGIO HAAGLANDEN invulling van de adviesrol bij ruimtelijke plannen”. Er kan worden volstaan met de maatregelen, zoals deze in de bijlage van deze notitie per risicobron staan opgenomen. Bij een hoge druk aardgastransportleiding staan de volgende maatregelen genoemd: Vluchtweg, voorbereiding interne organisatie en risicocommunicatie. Deze maatregelen zijn, indien van toepassing, opgenomen in dit bestemmingsplan. Externe veiligheid is geen belemmering.
Ter plaatse van de voorgenomen grondwerkzaamheden en de bouwstroken is een Quick-scan (zie Bijlage 9 uitgevoerd gericht op het voorkomen van eventuele niet gesprongen explosieven uit de 2de wereldoorlog.
Er is feitelijk materiaal aangetroffen, waaruit blijkt dat er mogelijk verschillende typen explosieven in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven tijdens WOII. Hierdoor geldt dat het onderzoeksgebied (deels) verdacht is op de aanwezigheid van explosieven.
Aanbevelingen
Aan hand van de resultaten van de analyse van het bronnenmateriaal en de geplande werkzaamheden wordt het volgende aanbevolen om de veiligheid tijdens het uitvoeren van de geplande werkzaamheden te waarborgen:
Aanvullend onderzoek
Omdat het gebied verdacht is voor mogelijk achtergebleven explosieven is er voor het plangebied een Risicoanalyse Conventionele Explosieven uitgevoerd. (zie Bijlage 10)
Op basis van de achterhaalde feitenmateriaal kan samenvattend het volgende worden geconcludeerd:
| Periode | Gebeurtenis | Conclusie |
| WOII | Oorlogshandelingen in de vorm van bombardement | Het projectgebied is deels verdacht op de aanwezigheid van CE. |
| Naoorlogse grondroering | De Klapwijkseweg is naoorlogs vernieuwd, geamoveerd en verlegd. Het ballastbed is naoorlogs vernieuwd. Er is een duiker/brug gerealiseerd ter plaatse van het spoor. Er is een sloot gedempt en verlegd. Er zijn kabels en leidingen in het projectgebied gelegd. | Ter plaatse van de naoorlogs geroerde grond geldt een achter-grondrisico.* |
* Achtergrondrisico
Gebieden met een zogenaamd "achtergrondrisico" zijn gebieden waar geen wezenlijk verhoogd risico op het aantreffen van CE aanwezig is (tenzij er sprake is van een contra indicatie), al spreekt men over een verdacht gebied. Het betreft de volgende gebieden:
Aanbevelingen
Op basis van het achterhaalde feitenmateriaal en de bovengenoemde conclusies, wordt het volgende aanbevolen. Zie ook de kaart in Bijlage 10 waarin de opsporingsgebieden voor de geplande werkzaamheden staan, die in de tabel worden vermeld.
Conclusie
Het aspect niet gesprongen explosieven staat de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan niet in de weg.
Ten behoeve van het toekomstige keerspoor te Pijnacker is er aanvullend veldonderzoek (zie Bijlage 11) uitgevoerd op de projectlocatie. Het doel hiervan is om mogelijke weeskabels, niet op tekening aangegeven kabels, te lokaliseren die een knelpunt vormen met de werkzaamheden. Deze weeskabels liggen mogelijk op het terrein waar de grondverbetering voor het keerspoor aangebracht wordt.
Uit het aanvullende veldonderzoek blijk dat er enkele afwijkingen zijn ten opzichte van de deskstudie. In sommige proefsleuven zijn te veel of juist te weinig kabels aangetroffen. Hieronder worden de conclusies beschreven die uit dit veldonderzoek te trekken zijn:
Aan de hand van de resultaten van de veldstudie kan er geconcludeerd worden dat er enkele restrisico's aanwezig zijn met betrekking tot onbekende kabels en leidingen.
Aanbevelingen
Ondanks dat de restrisico's met betrekking tot de onbekende kabels en leidingen minimaal zijn gebleken is het verstandig om enkele maatregelen te nemen. Hieronder worden deze maatregelen door middel van een advies beschreven.
Regelgeving en beleid
Europese Kaderrichtlijn Water
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit is 2015, met eventueel uitstel tot 2027. De doelstellingen worden uitgewerkt in (deel)stroomgebiedsbeheerplannen. In deze plannen staan de ambities en maatregelen beschreven; ook de ecologische ambities worden op dit niveau geregeld.
Nationaal Waterplan
Op 10 december 2015 is Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) vastgesteld en vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 en de partiële herziening. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het NWP is bindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het NWP legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast.
De ambities die in dit Waterplan centraal staan zijn:
Voor de gebieden waar het Rijk verantwoordelijkheden heeft op gebeid van waterveiligheid en zoetwater, zijn er gebiedsgericht uitwerkingen opgenomen in het NWP.
Provinciaal Waterplan Zuid-Holland
De provincie Zuid-Holland heeft een ontwerpplanherzieningsbesluit genomen voor haar waterbeleid. Het Waterbeleid 2016-2021 bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2015 en het provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015.
Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven:
In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven.
Waterbeheerplan Hoogheemraadschap van Delfland
Het plangebied ligt in het gebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Op 19 november 2015 heeft Delfland het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP) vastgesteld. In het WBP wordt de strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het WBP is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021 en is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen.
De werkzaamheden en projecten voor de komende planperiode zijn terug gebracht tot vier speerpunten:
Handreiking watertoets
Het Hoogheemraadschap heeft de Handreiking watertoets voor gemeenten vastgesteld. Deze is specifiek geschreven voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. Met deze handreiking wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het Hoogheemraadschap van Delfland procedureel en inhoudelijk omgaat met de watertoets. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de landelijke wet- en regelgeving.
Met de watertoets wordt gestreefd naar een goede inpassing van water in ruimtelijke planvorming. Voorkomen moet worden dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen negatieve effecten hebben op het watersysteem. Waar mogelijk moeten kansen worden benut om het watersysteem te verbeteren.
Huidige situatie Algemeen
Het plangebied ligt in de Oude Polder van Pijnacker. Het plangebied heeft een flexibel waterpeil van N.A.P. -3,15 m tot -3,35. Het gebied watert af in zuidelijke richting naar Tolhek-noord en aan de noordzijde middels een gemaal naar het deelgebied Klapwijknoord.
In het gebied is een klein overschot aan waterberging.
Conclusies ten aanzien van het plangebied
Waterkeringen
In het plangebied bevinden zich geen waterkeringen of primaire watergangen.
Waterkwantiteit
Het perron bestaat uit een stalen constructie met roostervloeren. Het water kan hier gewoon doorheen. Het nieuwe 3e spoor wordt aangelegd op een ballastbed, dit heeft een zeer goede waterdoorlating, nog beter dan een berm met gras. Er wordt langs het nieuwe spoor een nieuw schouwpad aangelegd, dit bestaat uit fijn porfier, dat is iets minder goed waterdoorlatend. Feitelijk is dit een verschuiving van het bestaande schouwpad (wat nu ligt op de plek van het nieuwe spoor, deze wordt gesaneerd). Daarmee verandert er nagenoeg niets in de oppervlakte hiervan. Zodoende verandert er dus niets aan het waterbergend vermogen.
Voor het dempen van het oppervlaktewater is een watervergunning verleend en wordt vervangend water gegraven.
Daarnaast is in het bestemmingsplan een algemene regel opgenomen over het waterbergend vermogen. Daaraan wordt voldaan.
De waterkwantiteit van het plangebied veranderd niet. De sloot wordt versmald over een lengte van 180 meter, met behoudt van een minimale breedte van 2,5 meter. Om het wateroppervlak te compenseren wordt een deel van de sloot verbreed tot een breedte van circa 10 meter.
In totaal zal er 359 m2 sloot gedempt worden. Hiervoor zal 369 m2 oppervlaktewater teruggebracht worden. Voor deze werkzaamheden is reeds een watervergunning verleend.
In het plan zal door de aanleg een toename van de verharding zijn. Het gaat hier om de aanleg van een inspectiepad (761 m2) en de aanleg van een loopperron (104 m2) tussen de sporen waarover de machinist naar de andere kant van het voertuig kan lopen.
Deze toename aan verharding zal gecompenseerd moeten worden.
Waterkwaliteit
In het bestemmingsplan wordt niet voorzien in maatregelen die direct nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterkwaliteit. Door afstromend water van de keervoorziening (met bijbehorende verontreiniging) kan de waterkwaliteit verslechteren. Het afstromend hemelwater wordt zo mogelijk op de berm afgewaterd. Indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, kan het hemelwater worden afgevoerd op het oppervlaktewater. In overleg met het Hoogheemraadschap zal worden gekeken naar maatregelen om verdere verontreinigingen tegen te gaan.
Bodem en grondwater
De bodem ter plaatse van het plangebied bestaat uit bebouwing, klei op veen en kleidek op veen (bron: maps.bodemdata.nl). Er is sprake van een grondwatertrap I (klei op veen) met een gemiddeld hoogste grondwaterstand van 0,40 m beneden maaiveld en een gemiddeld laagste grondwaterstand van 0,50 m beneden maaiveld. Bij het kleidek op veen is er sprake van een grondwatertrap II met een gemiddeld hoogste grondwaterstand van 0,40 beneden maaiveld en een gemiddeld laagste grondwaterstand tussen de 0,50 m en 0,80 m beneden maaiveld. Bij een bestemmingsplan moet in het kader van de watertoets ook aandacht moet worden besteed aan het thema grondwater. Op basis van historische gegevens zijn geen problemen met het grondwater ter plaatse van deze locatie bekend. Deze hoeven ook anderszins niet te worden verondersteld.
Voor de nieuwe keervoorziening worden geen diepgaande constructies aangelegd die de doorstroming van het grondwater belemmeren.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Bij de inrichting wordt rekening gehouden met het principe dat water van schoon naar vuil stroomt en van voedselarm naar voedselrijk. De ontwikkelingen betreffen voornamelijk de realisering van een keervoorziening. Hiermee worden geen risicovolle activiteiten mogelijk gemaakt die van invloed zouden kunnen zijn op de waterkwaliteit.
Onderhoud en bagger
Onderhoud en baggeren van de secundaire watergang is de verantwoordelijkheid van de aanliggende grondeigenaren. De watergang en oevers blijven voldoende breed en toegankelijk voor onderhoudswerkzaamheden.
Afvalwater en riolering
Er worden geen rioleringen aangelegd. Ook zijn er geen voorzieningen die afvalwater met zich meebrengen of die een aansluiting op het rioolsysteem vragen. hemelwater wordt natuurlijk afgevoerd via de groenzone en de bermen.
Conclusie
Voor het dempen en graven van de nieuwe watergang is reeds een vergunning verleend door het waterschap. Hierin is de watercompensatie geregeld. Het aspect water staat de ontwikkeling van de keervoorziening niet in de weg.
Voor het bestemmingsplan 'Keervoorziening Randstadrail 2020' is gekozen voor de planfiguur van een gedetailleerd eindplan. De voorziene ontwikkelingen worden daarbij wel met enige flexibiliteit mogelijk gemaakt, zonder dat echter ruimte wordt gecreëerd voor andersoortige (niet gewenste) ontwikkelingen of groei. Er ontstaat zo tevens een adequaat toetsingskader voor de toekomst.
Aan de opzet van de juridische systematiek worden hoge eisen gesteld, te weten:
Het bestemmingsplan 'Keervoorziening Randstadrail 2020' is opgezet volgens de Wet ruimtelijke ordening die vanaf 1 juli 2008 van kracht is. De opbouw van het bestemmingsplan is conform de SVBP2012 (Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen). Daarnaast is zoveel mogelijk aangesloten bij de standaardregels van Pijnacker-Nootdorp. De planregels bij het bestemmingsplan zijn als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 komen de Inleidende regels aan bod. Het betreft hier de Begrippen (artikel 1) en de Wijze van meten (artikel 2). In hoofdstuk 2, Bestemmingsregels, zijn de planregels behorende bij de verschillende bestemmingen opgenomen (artikel 3 en 4). Hoofdstuk 3, Algemene regels, bevat verschillende algemene bepalingen die van toepassing zijn (artikel 5 tot en met 9). Tot slot zijn de Overgangs- en slotregels opgenomen in hoofdstuk 4 (artikel 10 tot en met 12).
Inleidende regels
Begrippen
In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven hoe gemeten dient te worden.
Bestemmingsregels
Verkeer - Railverkeer
De voor 'Verkeer - Railverkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor de spoorbaan Den Haag - Rotterdam. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend ondergeschikte gebouwen en andere bouwwerken voor nutsvoorzieningen worden gebouwd en bij de bestemming behorende andere bouwwerken.
Algemene regels
Anti-dubbeltelbepaling
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meegeteld mogen worden bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels
In de algemene bouwregels is een bepaling opgenomen om bestaande, legaal gerealiseerde bebouwing die bijvoorbeeld qua afmetingen buiten de bepalingen van dit bestemmingsplan valt, planologisch-juridisch te borgen.
Algemene gebruiksregels
In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod gegeven voor gebruik in strijd met de bestemming.
Algemene afwijkingsregels
In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning af te wijken ten behoeve van niet-ingrijpende bouwactiviteiten.
Algemene wijzigingsregels
In deze bepalingen wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven de in het plan opgenomen bestemmingen in geringe mate te wijzigen, indien dit van belang is voor een betere realisering of in verband met een afwijkende toestand van het terrein.
Overgangs- en slotregels
Overgangsregels
In deze bepalingen wordt inhoud gegeven aan het overgangsrecht betreffende bouwwerken en het gebruik, met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
Slotregel
Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze bepaling bevat de titel van het plan.
De verbeelding is opgesteld conform de SVBP2012. Op deze verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen. De aanduidingen geven, daar waar noodzakelijk, een specifieke bepaling per (bouw)perceel weer. In de regels worden, zoals bovenstaand toegelicht, bestemmingen, dubbelbestemming en aanduidingen van een juridische bepaling voorzien.
Onderhavig bestemmingsplan biedt ruimte voor het aanleggen van een keervoorziening voor de Randstadrail. Hierdoor kan de mobiliteit in de regio vergroot worden.
Door ruimte te bieden voor de ontwikkeling die in onderhavig bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, wordt hier concreet invulling aan gegeven.
Het voorontwerp van het bestemmingsplan zal een inspraakprocedure doorlopen. Hiertoe wordt het bestemmingsplan met bijbehorende stukken gedurende zes weken ter inzage gelged. Gedurende de termijn van terinzagelegging wordt gelegenheid geboden om inspraakreacties naar voren te brengen. De resultaten van deze inspraakprocedure zijn gebundeld in een Nota van beantwoording inspraak en vooroverleg.
Parallel aan de inspraakprocedure wordt ook het vooroverleg op grond van art. 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening gevoerd. De resultaten daarvan zijn eveneens gebundeld in de Nota van beantwoording inspraak en vooroverleg.
De Nota van beantwoording inspraak en vooroverleg (zei Bijlage 12) heeft geleid tot aanpassing van het plan.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft conform wettelijke vereisten op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van terinzagelegging werd gelegenheid geboden om zienswijzen naar voren te brengen.
De resultaten daarvan zijn gebundeld in de Nota van beantwoording zienswijzen en zijn als bijlage bij dit bestemmingsplan bijgevoegd (zie Bijlage 13). Conform deze nota is het bestemmingsplan aangepast.
Op basis van de Wro afdeling 6.4 is de gemeente verplicht bij nieuwe ontwikkelingen het kostenverhaal te regelen. Hiertoe kan privaatrechtelijk een (anterieure) overeenkomst worden gesloten of dient via publiekrechtelijke weg een exploitatieplan opgesteld te worden. Uitzondering op deze verplichting betreft gevallen waarin geen nieuwe ontwikkelingen worden geregeld.