direct naar inhoud van MOTIVERING
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b MFA Sommelsdijk
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30

MOTIVERING

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het gebouw van openbare basisschool (verder: OBS) J.C. van Gent aan de Molenlaan in Sommelsdijk is sterk verouderd en faciliteert het onderwijs onvoldoende. Het pand biedt weinig mogelijkheden en duurzaamheidsoplossingen ontbreken. Daarmee is nieuwbouw noodzakelijk geworden.

De gemeente Goeree-Overflakkee ziet kansen om op een bestaande onderwijslocatie aan de Groene Zoom in Sommelsdijk nieuwbouw te realiseren, waarbij het gebouw breder wordt ingezet. Het nu voorliggende initiatief ziet op de realisatie van een zogeheten multifunctionele accommodatie (verder: MFA), welke wordt gebruikt door OBS J.C. van Gent, Kibeo Kinderopvang en Wijkvereniging de Zwaluw. De nieuwbouw bestaat uit een hoofdgebouw en gezamenlijk bijgebouw met een totale brutovloeroppervlakte van 2.354 m2. Daarnaast wordt met het initiatief een Beweegbox gerealiseerd. Tot slot maakt een herinrichting van het omliggende terrein onderdeel uit van het initiatief.

In het stedenbouwkundig ontwerp en bij de inrichting van de buitenruimte is nadrukkelijk rekening gehouden met de landschappelijke kwaliteiten van Sommelsdijk West als dorpstuin met cultuurhistorische betekenis. Daarnaast is in het ontwerp rekening gehouden met de rol die het plangebied vervult als overgang tussen het dorp en het buitengebied met bijbehorende doorzichten.

Met het beoogde nieuwe intiatief wordt een kwaliteitsverbetering in dit deel van Sommelsdijk West bereikt. Tevens wordt met de nieuw te realiseren situatie voorzien in de behoefte aan kwalitatief voldoende onderwijshuisvesting en wordt een deel van het dienstenaanbod voor Sommelsdijk op één centrale plek gebundeld.

De beoogde ontwikkeling vormt een uitwerking van het Integraal Huisvestingsplan (verder: IHP), zoals dit in 2019 door de gemeenteraad van Goeree-Overflakkee is vastgesteld. Hierin is geconcludeerd dat OBS J.C. van Gent op korte termijn in aanmerking komt voor vervangende nieuwbouw. Verder vormt de beoogde ontwikkeling een uitwerking van het stedenbouwkundig kader 'Sommelsdijk West' welke op 15 juli 2021 door de gemeenteraad van Goeree-Overflakkee is vastgesteld. Hierin is het plangebied aangeduid als ontwikkelingslocatie 1B.

Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op grond van het omgevingsplan. Om een en ander planologisch-juridisch mogelijk te maken, moet het omgevingsplan van de gemeente Goeree-Overflakkee worden gewijzigd. Voorliggend TAM-omgevingsplan zorgt voor de gewenste planologische kaders en toont aan dat het voornemen voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.2 Toelichting op TAM-omgevingsplan

Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAM) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Deze vangnetten zorgen ervoor dat deze organisaties de belangrijkste uitvoeringsprocessen kunnen blijven uitvoeren, totdat ze het DSO wel kunnen gebruiken. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-Omgevingsplan.

Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen.

1.3 Ligging en begrenzing planlocatie

Het plangebied betreft de huidige onderwijslocatie aan de Groene Zoom 111/113 in Sommelsdijk in combinatie met agrarische gronden direct ten zuiden daarvan. De locatie is gelegen in Sommelsdijk West en maakt onderdeel uit van de dorpsrand van Sommelsdijk als overgang naar het buitengebied. Het gebied Sommelsdijk West is van cultuurhistorische betekenis voor Sommelsdijk. Vroeger vonden in dit gebied kleinschalige landbouwactiviteiten plaats in de vorm van tuinbouw, fruitteelt en boomkwekerijen. De inrichting van het gebied herinnert aan het vroegere gebruik. Veel nutstuinen, restanten van vroegere boomgaarden en boomkwekerijen bieden een gevarieerd beeld van verschillende soorten groen, hoge en lage begroeiing, openheid en beslotenheid. Tegenwoordig fungeert het gebied als tuin van het dorp waarin wordt gewandeld, getuinierd, gesport en gewoond.

Ten noorden van het plangebied bevindt zich het woonperceel Molenlaan 34 waarop een vrijstaande woning aanwezig is. De oostzijde van het plangebied wordt gevormd door de Wildemanskreek met parallel daaraan de Groene Zoom met aanliggende woonbebouwing. Ten zuiden van het plangebied is eveneens een watergang aanwezig met aansluitend woonpercelen met grondgebonden woningen aan een zijweg van de Groene Zoom. Tot slot is ten westen van het plangebied een bedrijf gevestigd dat zich richt op het restaureren van antieke meubels. Daarnaast is het bedrijf een groothandel voor houtbewerkingsmaterialen. Voor het overige is aan de westzijde van het plangebied een woonperceel met een vrijstaande woning aanwezig (Molenweg 46B) en liggen er onbebouwde agrarische gronden.

Het plangebied Groene Zoom 111/113 is kadastraal bekend als gemeente Sommelsdijk, sectie B, nummers 6013, 6047, 6048 en 6603 (gedeeltelijk) en sectie F, nummers 152, 410 (gedeeltelijk), en 421. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 20.000 m2. In onderstaande figuur is de begrenzing van het plangebied globaal weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0001.png" Globale ligging plangebied (bron: PDOK Viewer)

1.4 Vigerend omgevingsplan

Het plangebied ligt in het omgevingsplan van de gemeente Goeree-Overflakkee. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals in werking getreden op 1 januari 2024. Het tijdelijke omgevingsplan bestaat uit bestaande ruimtelijke besluiten, waaronder plaatselijke verordeningen. Daarnaast bestaat het tijdelijk omgevingsplan uit de bruidsschatregels. Dit zijn de voormalige rijksregels die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet over zijn gegaan naar decentrale overheden.

De bestaande bouw- en gebruiksactiviteiten die voor het plangebied gelden zijn in hoofdzaak opgenomen in het bestemmingsplan 'Sommelsdijk' welke op 27 juni 2013 door het college van burgemeester en wethouders van gemeente Goeree-Overflakkee is vastgesteld.

In het betreffende bestemmingsplan kent globaal gezien de noordelijke helft van het plangebied de bestemming 'Maatschappelijk', terwijl de zuidelijke helft van het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden - 1' kent. Ter plaatse van de bestemming 'Maatschappelijk' zijn de gronden bestemd voor maatschappelijke voorzieningen met ondergeschikte horeavoorzieningen en recreatieve voorzieningen, inclusief bijbehorende voorzieningen. Het volledige bestemmingsvlak met een oppervlakte van circa 11.140 m2 is aangeduid als bouwvlak, waarbij een maximum bebouwingspercentage van 15% is opgenomen. Daarmee mag binnen het bouwvlak maximaal circa 1.671 m2 aan bebouwing aanwezig zijn. Gebouwen, alsmede overkappingen, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Conform de aanduiding op de verbeelding geldt een maximum goothoogte van 4 meter.

Ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch met waarden - 1' zijn de gronden bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, met uitzondering van sierteelt, bosbouw, intensieve kwekerij en paardenhouderij. Er is ter plaatse van het plangebied geen bouwvlak aangeduid.

Verder is langs de Wildemanskreek de dubbelbestemming 'Waterstaat' van toepassing, waarmee de betreffende gronden mede bestemd zijn voor waterstaatsbelangen. Deze belangen zijn primair ten opzichte van de belangen van de andere daar voorkomende bestemmingen.

Op een beperkt deel aan de noordzijde van het plangebied is de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop 400m' van toepassing. Ter plaatse van dit deel van het plangebied wordt in de beoogde nieuwe situatie geen bebouwing opgericht.

Tot slot geldt voor het plangebied nog het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Wonen en Parkeren' welke op 2 februari 2023 is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Goeree-Overflakkee. Dit bestemmingsplan bevat een reparatie ten aanzien van het gebruik van reguliere woningen en ten aanzien van het parkeren.

Conclusie

Hoewel het noordelijk deel van het plangebied reeds gebruikt mag worden voor diverse vormen van maatschappelijke voorzieningen (waaronder onderwijsvoorzieningen), past de beoogde ontwikkeling op diverse onderdelen niet binnen de regels van het het omgevingsplan. Zo wordt met de beoogde nieuwbouw de maximum te bebouwen oppervlakte (enigszins) overschreden evenals de maximum goothoogte. Daarnaast krijgt een deel van de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - 1' in de beoogde nieuwe situatie een maatschappelijke functie ten behoeve van de MFA.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0002.png" Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Sommelsdijk'

1.5 Leeswijzer

Na dit hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande en toekomstige situatie gegeven, waarbij wordt ingegaan op de gewenste ontwikkeling en op de ruimtelijke en functionele inpassing daarvan in de bestaande structuur. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het van belang zijnde beleidskader, waarna in hoofdstuk 4 een toetsing aan de milieuaspecten volgt. Wanneer deze van toepassing zijn, worden daarbij de uitgangspunten voor het TAM omgevingsplan genoemd. In hoofdstuk 5 volgt een toelichting op de werking van het TAM omgevingsplan en de daarin opgenomen juridische regeling. Tenslotte gaat hoofdstuk 6 in op de uitvoerbaarheid van het TAM omgevingsplan, waarbij aandacht wordt besteed aan de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van de situatie

2.1 Ontwikkelingsgeschiedenis Sommelsdijk West

Het plangebied ligt in het gebied 'Sommelsdijk West' is van cultuurhistorische betekenis voor Sommelsdijk. Teneinde de ligging van het plangebied in groter verband te kunnen duiden, wordt onderstaand beknopt ingegaan op de historische ontwikkeling van Sommelsdijk West.

Sommelsdijk geldt als Sleuteldorp. Op de topografische kaart omstreeks 1925 vallen de haven en de kerk op die met elkaar zijn verbonden door de Voorstraat. Kenmerkend voor het dorp zijn de boerderijen en voorraadschuren als dorpskernbebouwing. De dorpskern wordt omgeven door moestuinen, weilandjes, boomkwekerijen en varkenspoelen. Ligusterhagen begrenzen de kavels. Ze werden gebruikt om de was op te drogen en te bleken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0003.png" Topografische kaart 1925 (bron: Stedenbouwkundig kader Sommelsdijk West, Dorp, Stad & Land)

Op de topografische kaart uit 1945 is te zien dat het dorp in westelijke richting uitbreidt tot aan de Wildemanskreek, die vanuit het zuiden in de richting van de Oudedijk slingert en daar uitwatert in 's Landshaven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0004.png" Topografische kaart 1945 (bron: Stedenbouwkundig kader Sommelsdijk West, Dorp, Stad & Land)

Op de topografische kaart uit 1985 wordt zichtbaar dat de loop van de Wildemanskreek recht is getrokken. Sommelsdijk groeit verder in zuidwestelijke richting. De plantenbuurt vult de ruimte tussen de voormalige loop van de Wildemanskreek en de nieuwe waterloop langs de Groene Zoom.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0005.png" Topografische kaart 1985 (bron: Stedenbouwkundig kader Sommelsdijk West, Dorp, Stad & Land)

Na de uitbreiding van het dorp in zuidelijke richting is op de topografische kaart uit 2005 de ‘sprong over de Oudelandsedijk’ zichtbaar. In de Everdinapolder wordt, ten westen van ’s Landshaven, de nieuwste uitbreidingswijk gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0006.png" Topografische kaart 2005 (bron: Stedenbouwkundig kader Sommelsdijk West, Dorp, Stad & Land)

2.2 Huidige situatie

2.2.1 Omgeving

Het plangebied aan de Groene Zoom 111/113 maakt, zoals in het voorgaande aangegeven, onderdeel uit van het gebied Sommelsdijk West welke van cultuurhistorische betekenis is voor Sommelsdijk.

Vroeger vonden in dit gebied kleinschalige landbouwactiviteiten plaats in de vorm van tuinbouw, fruitteelt en boomkwekerijen. De inrichting van het gebied herinnert aan het vroegere gebruik. Veel nutstuinen, restanten van vroegere boomgaarden en boomkwekerijen bieden een gevarieerd beeld van verschillende soorten groen, hoge en lage begroeiing, openheid en beslotenheid.

Momenteel fungeert het gebied als tuin van het dorp. Een tuin waarin wordt gewandeld over de besloten groene Molenlaan, over de Molenweg met een weids zicht op de bebouwde dorpsrand, over de paden tussen de nutstuinen door, langs de kreek en over de begraafplaats. Ook wordt in het gebied gesport op het veld ten noorden van de begraafplaats. Verspreid in het gebied zijn er woningen aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0007.png" Huidige situatie Sommelsdijk West (bron: Stedenbouwkundig kader Sommelsdijk West, Dorp, Stad & Land)

2.2.2 Planlocatie

Het plangebied betreft de locatie aan de Groene Zoom 111/113 in Sommelsdijk, in combinatie met de onbebouwde agrarische gronden direct ten zuiden daarvan.

De gronden behorende tot het plangebied kenden voorheen in hoofdzaak een functie ten behoeve van praktijkonderwijs van Lentiz | MBO Middelharnis. Ten behoeve van deze functie waren in totaal 3 gebouwen aanwezig. Het hoofdgebouw bevond zich ter plaatse van Groene Zoom 113 met een oppervlakte van circa 800 m2 en bestond uit één bouwlaag met kap.

In de directe nabijheid van het hoofdgebouw bevond zich aan de Groene Zoom 111 een bijbehorende houten schuur met een oppervlakte van circa 400 m2, welke eveneens bestond uit één bouwlaag met kap.

Ten zuidwesten van het hoofdgebouwen en de houten schuur bevond zich ten slotte een oude loods met een oppervlakte van circa 300 m2, welke eveneens bestond uit één bouwlaag met kap.

Het scholencomplex kende een directe ontsluiting op de Groene Zoom via een brug over de Wildemanskreek.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0008.png" Voormalig aanzicht plangebied vanaf de Groene Zoom (bron: Google Street View)

2.3 Toekomstige situatie

In de beoogde nieuwe situatie wordt op de locatie Groene Zoom 111/113 in Sommelsdijk een MFA gerealiseerd, welke wordt gebruikt door OBS J.C. van Gent, Kibeo Kinderopvang en Wijkvereniging de Zwaluw. De nieuwbouw bestaat uit een hoofdgebouw en gezamenlijk bijgebouw met een totale brutovloeroppervlakte van 2.354 m2. Daarnaast wordt met het initiatief een gymzaal in de vorm van een Beweegbox gerealiseerd. Tot slot maakt een herinrichting van het omliggende terrein onderdeel uit van het initiatief.

In het stedenbouwkundig ontwerp en bij de inrichting van de buitenruimte is nadrukkelijk rekening gehouden met de landschappelijke kwaliteiten van Sommelsdijk West als dorpstuin met cultuurhistorische betekenis. Daarnaast is in het ontwerp rekening gehouden met de rol die het plangebied vervult als overgang tussen het dorp en het buitengebied met bijbehorende doorzichten.

Met het beoogde nieuwe initiatief wordt een kwaliteitsverbetering in dit deel van Sommelsdijk West bereikt. Tevens wordt met de nieuw te realiseren situatie voorzien in de behoefte aan kwalitatief voldoende onderwijshuisvesting en wordt een deel van het dienstenaanbod voor Sommelsdijk op één centrale plek gebundeld.

2.3.1 Opbouw ontwerp

Het stedenbouwkundig ontwerp van de MFA en de inrichting van de bijbehorende buitenruimte is gebaseerd op het 'Stedenbouwkundig Kader Sommelsdijk West' d.d. 31 mei 2021 van Dorp, Stad & Land. In dat kader worden de gewenste ontwikkelingen benut om het karakter van het gebied te behouden en diens kwaliteiten te versterken.

Eén van de aangewezen ontwikkelplekken is 'Kavel 1B'. Het stedenbouwkundig kader refereert aan een door opgaand groen besloten kamer waarin nieuwe gebouwen kunnen worden ontwikkeld. De nieuwbouw dient dan wel in vorm, materialisering en detaillering te refereren aan karakteristieke (lokale) schuren. Bovendien dient de inrichting eenvoudig en informeel te zijn om naadloos aan de percelen in de omgeving aan te sluiten.

Voor wat betreft het principe van de bebouwing hebben de historische uienschuren als basisbouwsteen gediend voor de ruimtelijke compositie en het beeld van de MFA. Uitgangspunt is een eigentijdse verwijzing naar het prototype 'uienschuur'. Door het koppelen van een aantal schuren naast elkaar, ontstaat een functioneel bouwvolume dat zich in schaal en maat in de omgeving kan voegen. De kopse kanten die de schakeling laten zien, liggen minder in het zicht. Beeldbepalend is vooral de lange zijde van het ensemble. Daarom wordt aan de kant van de Groene Zoom niet voorzien in een onderbreking van het hoofdgebouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0009.png" Historische uienschuur in Middelharnis (bron: IHP Sommelsdijk, Stedenbouwkundig Programma van Eisen)

Voor wat betreft de opbouw van het ontwerp hebben de bestaande lijnen in het landschap als uitgangspunt gediend. Door middel van een nieuwe noord-zuidverbinding voor langzaam verkeer in het plangebied, vindt er een verankering in het landschap plaats. De landschappelijke lijnen en routes vormen de basis voor de indeling van het MFA-terrein. De zichtlijnen van en naar de kerktoren en het zicht op de dorpsrand hebben de inrichting van het terrein mede bepaald. Met onderstaande afbeeldingen wordt het voorgaande nader in beeld gebracht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0010.png" Opbouw ontwerp (bron: IHP Sommelsdijk, Inrichting buitenruimte)

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0011.png" Zichtlijnen kerktoren en dorpsrand (bron: IHP Sommelsdijk, Inrichting buitenruimte)

2.3.2 Toelichting ontwerp

De MFA betreft in de beoogde nieuwe situatie het hoofdgebouw, welke wordt gebruikt door OBS J.C. van Gent, Kibeo Kinderopvang en Wijkvereniging de Zwaluw. Dit hoofdgebouw bevindt zich op het noordelijk deel van het plangebied. Direct ten zuidwesten van de MFA wordt een gezamenlijk bijgebouw gerealiseerd. De totale brutovloeroppervlakte van het hoofdgebouw en het gezamenlijk bijgebouw bedraagt 2.354 m2, onderverdeeld in 1.597 m2 voor OBS J.C. van Gent, 387 m2 voor Wijkvereniging de Zwaluw en 371 m2 voor Kibeo Kinderopvang. De oppervlakte van de begane grond van de MFA bedraagt circa 1.300 m2, terwijl de oppervlakte van het gezamenlijk bijgebouw 32 m2 bedraagt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0012.png" Situatietekening beoogde nieuwe situatie (bron: IHP Sommelsdijk, Inrichting buitenruimte)

De MFA bestaat zowel uit delen met een platte afdekking als uit delen met een kap. De goot- en bouwhoogte van de delen met een platte afdekking bedraagt deels 7 meter en deels 3,8 meter, terwijl de goot- en bouwhoogte van de delen met een kap respectievelijk 7 meter en 10,6 meter bedraagt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0013.png" Stedenbouwkundig concept MFA (bron: MFA Ontwerpboek)

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0014.png" Gevelaanzichten MFA Sommelsdijk (bron: MFA Ontwerpboek)

De (speel)pleinen behorende bij de functies bevinden zich aan de diverse zijden van de MFA. Het plein voor de onderbouw bevindt zich aan de zuidzijde van het gebouw, terwijl het plein voor de midden-/bovenbouw zich aan de oostzijde van het gebouw bevindt. Voor de kinderopvang is er pleinruimte aan de west- en zuidwestzijde van de MFA.

Het plein aan de oostzijde van de MFA betreft de centrale plek waar alle bezoekers en gebruikers samenkomen. Een gezichtsbepalende boom markeert de plek. Het schoolplein aan de zuidzijde van de MFA, bestaat uit een verhard schoolplein en een groen schoolplein dat wordt gescheiden door een doorgetrokken watergang. Op het groene schoolplein zijn er kansen voor een speelplek met water. Aan de noordzijde van de MFA worden bestaande bomen zoveel mogelijk behouden. Er zijn ter plaatse twee buitenruimtes/terassen (voor de school en het wijkcentrum) en een rijbaan met oprit die ruimte biedt voor de bakwagen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0015.png" Impressie exterieur MFA (bron: MFA Ontwerpboek)

Ten zuiden van de MFA, aan de overzijde van de doorgetrokken watergang, wordt een Beweegbox gerealiseerd met een oppervlakte van circa 450 m2. Dit betreft een turnkey gymzaal met bijbehorende voorzieningen als kleedkamers en bergingen en wordt als volledig gebouw met sportinrichting gerealiseerd. De Beweegbox biedt ruimte aan zowel traditionele, moderne als toekomstgerichte beweegvormen voor alle leeftijden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0016.png" Impressie exterieur Beweegbox (bron: Beweegbox Ontwerpboek)

De entrees van zowel de MFA als de Beweegbox zijn naar de Groene Zoom gericht. De MFA heeft nog een secundaire entree voor de onderbouwgroepen en de kinderopvang en een buitentrapopgang voor de midden- en bovenbouw.

Het autoverkeer en langzaam verkeer wordt volledig van elkaar gescheiden met een aparte toegang. De bestaande verbinding aan de noordzijde van het plangebied wordt voor langzaam verkeer. Fietsers kunnen in twee omhaagde stallingen hun fiets kwijt. Voetgangers lopen via het voorplein naar de hoofdentree. Het fietsverkeer en de fietsenstalling is aan de noordkant van de kavel gesitueerd zodat voetgangers en fietsers zo min mogelijk last van elkaar hebben.

De nieuw te realiseren verbinding over de Wildemanskreek aan de zuidzijde van het plangebied is voor autoverkeer. Het autoparkeren komt aan de zuidkant van het terrein. Hier is tevens de Kiss & Ride voorzien. Door de parkeervoorzieningen en Kiss & Ride binnen het plangebied te realiseren, zal de parkeerdruk op de Groene Zoom afnemen en wordt de verkeersveiligheid verbeterd. Bovendien wordt op deze wijze tegemoet gekomen aan de wensen van omwonenden.

Het parkeerterrein is ruim opgezet om op twee piekmomenten van de dag het halen en brengen van kinderen op een verkeersveilige manier te kunnen realiseren. Vanuit de parkeerplaatsen loopt er een lange as voor de Beweegbox langs, richting de MFA.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0017.png" Impressie beoogde nieuwe situatie (bron: MFA Ontwerpboek)

Voor wat betreft de inrichting van de buitenruimte is verder van belang dat de bestaande watergang wordt doorgetrokken en daarmee zorgt voor een natuurlijke grens tussen het noordelijk (langzaam verkeer) en zuidelijk (auto) van het terrein. Om meer ruimte voor water te bieden, zal er bovendien parallel aan de Wildemanskreek een nieuwe watergang worden gerealiseerd die van noord naar zuid geleidelijk verbreed. Tussen de twee watergangen in komt een klompenpad als nieuwe recreatieve route. De meest zuidelijke punt van het plangebied biedt mogelijkheden voor het aanleggen van een weide waar gebruikers en buurtbewoners een ommetje kunnen maken.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR).

Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van zich aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de generaties na ons. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.

De NOVI heeft de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Onder deze prioriteiten hangen 21 nationale belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau overstijgen. Deze belangen hebben onder andere betrekking op het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, zorgt dragen voor een woningvoorraad die aansluit op woonbehoeften, het beperken van klimaatverandering, et cetera. De verantwoordelijkheid van het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, waardoor inhoudelijke keuzes in veel gevallen ook het beste regionaal kunnen worden gemaakt. Met de NOVI wordt het proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Conclusie

Onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling van beperkte omvang zonder strijdigheid met rijksbelangen. De ontwikkeling is passend binnen de NOVI.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een van de vier algemene maatregelen van bestuur (amvb's) en bevat specifieke regels waar lagere overheden zich aan moeten houden. In hoofdstuk 5 zijn regels opgenomen voor het opstellen van een omgevingsplan en het beoordelen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Deze instructieregels hebben betrekking op de volgende onderwerpen (afdeling 5.1):

  • Waarborgen van de veiligheid;
  • Beschermen van de waterbelangen;
  • Beschermen van de gezondheid en van het milieu;
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking);
  • Behoud van ruimte voor toekomstige functies;
  • Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten; en
  • Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.

In bijzondere gevallen is het mogelijk dat minister ontheffing verleend van de instructieregels.

Conclusie

Met deze wijziging wordt, met inachtneming van de beleidsdoelen, zoals verwoord en uitgewerkt in rijksbeleid en- regelgeving, tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gekomen. Deze toelichting geeft de onderbouwing hiervan. In hoofdstuk 4 van deze motivering wordt ingegaan op de onderwerpen die van belang zijn voor deze ontwikkeling, en wordt onder meer getoetst aan de instructieregels uit het Bkl.

3.2 Provinciaal beleid

In de 'Omgevingsvisie Zuid-Holland' en 'Omgevingsverordening Zuid-Holland' beschrijft de provincie Zuid-Holland haar doelstellingen en provinciale belangen. Met het omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkeling en een goede leefomgevingskwaliteit.

3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland

De provincie zet in de Omgevingsvisie in op veel thema`s welke niet allemaal relevant zijn in het kader van dit bestemmingsplan. Het volgende thema is met name relevant:

Ruimtelijke kwaliteit en landschap

De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit haar landschappen en stedelijk gebied behouden en versterken. Dit geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel de groene ruimte als de bebouwde ruimte. Ruimtelijke kwaliteit is het evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving.

De provincie zet in op het verbinden van bestaande gebiedskwaliteiten met nieuwe ontwikkelingen waarbij bestaande kwaliteiten worden beschermd en versterkt en nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd.

Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van de provincie bestaat uit drie met elkaar samenhangende onderdelen: de Kwaliteitskaart, de typering van ruimtelijke ontwikkelingen (passendheid) en de beschermingscategorieën. Deze vormen een hulpmiddel om te komen tot plannen met ruimtelijke kwaliteit.

De Kwaliteitskaart

De Kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland. Bij elk gebiedskenmerk zijn richtpunten geformuleerd, waar rekening mee moet worden gehouden. De Kwaliteitskaart met de bijbehorende richtpunten zijn een middel om vroeg in het planvormingsproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt.

De kaart is opgebouwd uit vier lagen:

  • laag van de ondergrond
  • laag van de natuur- en cultuurlandschappen
  • laag van de stedelijke occupatie
  • laag van de cultuurhistorie

Alle lagen hebben een relatie met elkaar. De laag van de ondergrond gaat over de bodem en de natuurlijke landschapsvormende processen. De laag van de cultuur- en natuurlandschappen behandelt de laag van het zichtbare landschap. Deze laag wordt gevormd door eeuwenlang grondgebruik door de mens.

De laag van de stedelijke occupatie bestaat uit het stedelijk weefsel van wonen, werken, voorzieningen en de onderlinge netwerken.

Tot slot gaat de laag van de cultuurhistorie over de herkenbaarheid van de geschiedenis van Zuid-Holland.

Typering van ruimtelijke ontwikkelingen

Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Ruimtelijke impact heeft betrekking op de grootte en schaal en op de intensiteit van het ruimtegebruik. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten:

  • Een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.
  • Hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen.

In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren.

  • Inpassen
  • Aanpassen
  • Transformeren

Beschermingscategorieën

De provincie kent een aantal kwetsbare gebieden en gebieden met een uitzonderlijke kwaliteit. Deze gebieden worden in zekere mate beschermd. Het gaat om de gebieden met een landelijk karakter (Buitengebied), gebieden met een recreatieve functie (Recreatiegebied), gebieden die fungeren als groene ruimte tussen steden (Groene buffer) en gebieden met natuurwaarden en/of cultuurhistorische waarden. De bescherming betekent niet dat er geen ontwikkelingen mogelijk zijn. Welk type ontwikkeling mogelijk is, hangt samen met de betreffende beschermingscategorie.

De provincie maakt onderscheid in drie beschermingscategorieën. De zuidelijke helft van het plangebied maakt onderdeel uit van 'beschermingscategorie 3 Buitengebied'.

Beschermingscategorie 3 Buitengebied betreft het landelijk gebied buiten het bestaande stads- en dorpsgebied. Deze beschermingscategorie beschermt de specifieke landschappelijke waarden van het gebied. Inpassen, aanpassen en transformeren zijn mogelijk, mits nieuwe kwaliteiten in het buitengebied ontstaan. De ambitie voor Buitengebied is om de groene functies van het gebied (landbouw, natuur en recreatie) en het groene/blauwe karakter te behouden en te versterken. De stedelijke druk op het buitengebied, met name aan de rand van stads- en dorpsgebied en langs infrastructuur in het buitengebied, is op vele plaatsen hoog. Versterken van de landschappelijke kwaliteiten heeft daarom prioriteit. Stedelijke ontwikkeling is echter niet uitgesloten, mits nieuwe kwaliteiten ontstaan.

Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk als:

  • De ontwikkeling een bijdrage levert aan de behoud of versterking en cultuurhistorische kenmerken van het buitengebied;
  • Zorggedragen wordt voor een passende stads- en dorpsrand op de overgang van stads- en dorpsgebied en het buitengebied;
  • De ontwikkeling bijdraagt aan groenblauwe verbindingen tussen stads- en dorpsgebied en het buitengebied.

In het geval van stedelijke ontwikkeling gelden de randvoorwaarden voor ruimtelijke ontwikkelingen in buitengebied. Bovendien gelden de voorwaarden voor toekomstbestendige stedelijke ontwikkeling, te weten:

  • De kwantitatieve en kwalitatieve behoefte van de ontwikkeling is aangetoond middels vastlegging in een door GS vastgestelde of aanvaarde regionaal programma wonen of werken;
  • Er is voldoende gemotiveerd waarom deze ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied mogelijk is;
  • Er is sprake van een weloverwogen locatiekeuze (i.e. is dit de juiste locatie voor deze functie) van de nieuwe stedelijke ontwikkeling.
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland

In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) zijn de regels over de fysieke leefomgeving van de provincie opgenomen. Zoals aangegeven maakt de zuidelijke helft van het plangebied onderdeel uit van 'beschermingscategorie 3 Buitengebied'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0018.png" Uitsnede kaart 'Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën (bron: ZHOV)

In het kader van de aanduiding 'beschermingscategorie 3 Buitengebied' zijn de volgende artikelen uit de ZHOV van belang.

Artikel 7.43b (aanvaardbaarheid soort ruimtelijke ontwikkeling per beschermingscategorie)

  • 1. Een omgevingsplan voor een locatie met beschermingscategorie 3 als bedoeld in artikel 7.42, derde lid, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder soort inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43h.

Artikel 7.43h (gebiedstype: beschermingscategorie 3 buitengebied)

  • 1. Een omgevingsplan voor een locatie in het buitengebied als bedoeld in artikel 7.42, zesde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de gebiedskenmerken en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, zoals blijkt uit een afdoende motivering die ook ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied.
  • 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:
    • a. de kenmerkende maat, schaal en het groene karakter van het landschap;
    • b. de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen;
    • c. het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap;
    • d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op grote buitenstedelijke bouwlocaties als bedoeld in artikel 7.46.

Kwaliteitskaart

In het kader van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid wordt getoetst aan de kwaliteitskaart. Deze bestaat uit een viertal lagen met bijbehorende richtpunten. Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt de ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving.

Laag 1 - De ondergrond

Rivierdeltacomplex

Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden.

Jonge zeeklei

De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De estuariene dynamiek is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden. Dit betreft de slikken, (bekade) gorzen, grienden, wilgenbossen en de uiterwaarden langs de rivieren. Het zijn natuurlijke landschappen waar ruimte is voor dynamische processen.

Richtpunt:

  • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of vergroting van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden.

Bijzonder reliëf en aardkundige waarden

Zuid-Holland is, uitgezonderd de duinen en de dijken, relatief plat. Binnen dit platte land is nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Het betreft strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor (pre)historische bewoning. Het zijn vaak plekken van grote archeologische en aardkundige waarde. Behoud van dit reliëf houdt de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het gebied in stand.

De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap.

Richtpunten:

  • Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand.
  • Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Laag 2 - De cultuur- en natuurlandschappen

Zeekleipolderlandschap

Zeekleipolders

Een zeekleipolder is qua oorsprong een ronde opwaspolder (oorspronkelijk opgeslibde en daarna ingepolderde eilandjes in getijdenwater) of langgerekte aanwaspolder (aangeslibd en ingepolderd land tegen bestaande polders) en daarna omgeven door dijken.

De kreken in deze polders (herkenbaar door microreliëf en een kronkelige loop) en beplante dijken zijn belangrijke structurerende elementen. Er is een grote mate van openheid met contrasten tussen buitendijkse natuur en strak verkavelde agrarische polders. De dorpen liggen als compacte kernen in het landschap, veelal op het kruispunt van een dijk en een kreek aan de rand van een polder. Overige bebouwing ligt langs de dijken en spaarzaam in de polders zelf.

Kenmerkende contrasten tussen de regelmatige patronen in de polder van wegen en verkaveling en de kronkelige kreken. Havenkanalen vormen plaatselijk bijzondere elementen, waarbij ontwikkelingen langs de kanalen de ruimtelijke en recreatieve relatie tussen dorp en open water versterken.

Richtpunten:

Zeekleipolders algemeen:

  • Ontwikkelingen dragen bij aan het versterken van de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de verschillen daartussen.
  • Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden passen bij de maat en schaal van de dijk en de deltawateren.
  • Herkenbaar houden van het patroon van (ronde) opwas- en (langgerekte) aanwaspolders door behouden en versterken van de (beplante) dijk als herkenbare landschappelijke structuurdrager in contrast met de grootschalig, open polder.
  • Versterken van de kreek als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het zeekleilandschap.
  • Bebouwing concentreert zich in of bij compacte kernen, niet in het open middengebied van de polders.
  • Behoud van het contrast tussen de binnendijkse akkerbouwpolders en buitendijkse natuur.

Rivierdeltalandschappen

Eilanden en (voormalige) zeearmen

Een aantal Zuid-Hollandse eilanden kent nog steeds een eilandkarakter: omlijst door deltawateren met beperkte verbindingen met de andere eilanden of het vasteland. Ze zijn gelegen in de luwte van de Randstad en vormen landschappelijk een geheel met Zeeland. IJsselmonde en het Eiland van Dordrecht zijn daarentegen meer onderdeel van het stedelijk netwerk.

De drie eilanden Goeree-Overflakkee, Hoeksche Waard en Voorne-Putten hebben elk een eigen karakter. Dit karakter wordt mede gevormd door de verschillen in afstand tot en de verbinding met het stedelijk gebied, de landschappelijke opbouw van de eilanden zelf en de aard van het omringende water. Versterken van het deltakarakter en vergroten van de diversiteit van karakters van de eilanden draagt bij aan het behoud van diversiteit in de Delta. Een opgave is het om de recreatieve gebruikswaarde van de eilanden te vergroten in combinatie met een gebiedsspecifieke, in de omgeving passende inrichting. Ontwikkelingen aan de rand van de eilanden dienen bij te dragen aan het versterken van het stoere deltakarakter en passen bij de maat en schaal van dijk en open wateren.

Ontwikkelingen worden benaderd in het licht van het eiland als geheel, waarbij bijvoorbeeld in Voorne-Putten en Hoeksche Waard een duidelijk verschil zit tussen de ‘dynamische’ noordrand en het ‘luwe’ zuiden.

Laag 3 - De stedelijke occupatie

Stads- en dorpsranden

De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheiden we drie typen ‘overgangskwaliteiten’. Het front, het contact en de overlap. Op kaart vinden we de hoogwaardige en bijzondere fronten terug. Daar waar recreatiegebieden voorkomen langs stads- of dorpsrand is veelal sprake van overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit waarbij onderscheid wordt gemaakt in front, contact en overlap.

  • 1. De kwaliteit van het front (contrast)

Een scherpe rand tussen bebouwing en land, waarbij de bebouwing en landschap ‘met het gezicht naar elkaar’ zijn gekeerd. Er zijn verschillende situaties denkbaar, waarbij landschappelijke grenzen zorgen voor een scherp contrast tussen bebouwing en landschap. De stad aan de rivier of aan zee (waterfront, zeefront), appartementsgebouwen langs de duinrand of de bebouwingsrand rond een (verder vrij onbebouwde) droogmakerij. Stad en buitengebied brengen hun eigen eigenschappen maximaal tot expressie. Vormen van hoogbouw kunnen hier aan het karakter bijdragen. Bij water- en zeefronten bieden combinaties met de waterkering kansen voor kwaliteit. Het ‘wegfront’ vraagt om extra aandacht voor verbindingen tussen stad en ommeland. Hier is het vaak niet het geval dat bebouwing en landschap met het gezicht naar elkaar zijn gekeerd. De grens is scherp, maar men mist de kwaliteiten van het ‘zicht op elkaar’.

  • 2. Contactkwaliteit

Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. De structuur die stad en land verbindt, kan een herkenbare landschappelijke onderlegger hebben als een strandwal of rivier. In andere situaties is het kavelpatroon doorlopend. Stad en ommeland blijven beide in hun eigen hoedanigheid herkenbaar en onderscheidend, maar worden in staat gesteld in elkaar door te dringen. Deze soort overgang is typisch voor dorpen of buitenwijken, waarbij de stedenbouwkundige opzet bijvoorbeeld geënt is op het oorspronkelijke landschappelijke (kavel)patroon.

  • 3. De kwaliteit in de overlap

Tussen bebouwd gebied en landschap is een geleidelijke overgang. Stedelijke en landelijke programma’s vloeien in elkaar over. Het zijn gebieden met een hybride uitstraling en betekenis: recreatiegebieden, sportvelden, volkstuincomplexen, golfbanen, enzovoorts. Er wordt een geïntegreerde ontwikkeling ontworpen van woon-, werk-, productie- en vrijetijdslandschappen die zoveel mogelijk aansluiten bij de ruimtelijke kwaliteiten van het omringende landschap en met een goede dooradering van recreatieve routes.

Richtpunt

  • Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).

Laag 4- Laag van de beleving

Deze laag is niet van toepassing op de onderhavige locatie.

Gebiedsprofiel

In het gebiedsprofiel Goeree-Overflakkee zijn de volgende ambities opgenomen ten aanzien van de dorpsrand aan het open polderlandschap:

Er wordt ingezet op het contrast tussen kleinschalige compacte dorpen en het weidse polderlandschap. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan een heldere landschappelijke afronding van het dorp.

Er wordt rekening gehouden met landschappelijk waardevolle elementen zoals dijken en kreken. Deze structuren lopen in het dorpsgebied door.

De dorpen liggen als groene massa’s in het open polderlandschap. Dit betekent dat de dorpsrand groen wordt ingericht. Dit kan zowel door private tuinen, als door openbaar groen of een beplante dorpstraat. Deze afwisseling is belangrijk, want dit draagt bij aan het dorpse karakter.

De toegankelijkheid en beleefbaarheid van de dorpsrand verbeteren door fysieke en visuele relaties te handhaven dan wel te versterken. Daarnaast is het belangrijk dat de dorpsrand gebruikswaarde en betekenis heeft voor de bewoners. Hierbij kan gedacht worden aan een kinderboerderij, een dorpsbosje, maar ook aan waterberging.

De inrichting van de dorpsrand, met name rond de dorpsentree, draagt bij aan de oriëntatie van bewoners en recreanten. Dit betekent bijvoorbeeld dat hogere bebouwing zorgvuldig, met inachtneming van de andere ambities en in relatie tot het dorp als geheel ingepast moet worden.

Nieuwe ontsluitingswegen in samenhang met landschap en het dorp ontwerpen. Hierbij worden grotere infrastructurele werken vermeden, zodat het dorp niet afgesneden raakt van het aanliggend landschap.

Toetsing

Van belang is dat de beoogde ontwikkeling een uitwerking vormt van het stedenbouwkundig kader 'Sommelsdijk West' welke op 15 juli 2021 door de gemeenteraad van Goeree-Overflakkee is vastgesteld. In dit stedenbouwkundig kader wordt uitgebreid ingegaan op de ontstaansgeschiedenis en het karakter van het landschap in Sommelsdijk West waar het plangebied onderdeel van uitmaakt.

In het stedenbouwkundig kader 'Sommelsdijk West' heeft de gemeente zich tot doel gesteld om het karakter van het gebied te behouden door instandhouding en versterking van de ruimtelijke structuur en inrichting om zo de mogelijkheden van dit gebied te versterken als dorpstuin voor de dorpelingen. De bedoeling is dat er meer ommetjes gelopen kunnen worden en meer getuinierd kan worden, meer fruit wordt geoogst en meer dieren in de wei kunnen worden gehouden.

Het karakteristieke, afwisselende, groene karakter van het gebied wil de gemeente behouden en versterken met nieuwe groen- en water elementen, die de structuur van het gebied versterken. Maar ook door beeldverstorende bebouwing en groen af te breken en te verwijderen, in ruil voor het realiseren van gebiedseigen groenvoorzieningen en gebouwtypen (rood voor rood en groen voor groen).

Kleinschalige gebiedsontwikkeling wordt ingezet om, stap voor stap, de landschappelijke kwaliteit van Sommelsdijk West te versterken. Voor twee deelgebieden is daartoe een stedenbouwkundig kader vervaardigd. Beoogd wordt om met de ontwikkelingen daar zowel de kwaliteit van deze twee deelgebieden te versterken, als ook structuur versterkende maatregelen in de overige delen van Sommelsdijk West te realiseren. Dit betreft vooral de aanleg van informele wandelpaden en de kleinschalige, open, agrarische structuur.

Het onderhavige plangebied is in het stedenbouwkundig kader 'Sommelsdijk West' reeds aangeduid als ontwikkelingslocatie 1B voor een basisschool. In het stedenbouwkundig ontwerp en bij de inrichting van de buitenruimte is nadrukkelijk rekening gehouden met de landschappelijke kwaliteiten van Sommelsdijk West als dorpstuin met cultuurhistorische betekenis en met de ligging van het plangebied in de dorpsrand. Zo hebben de landschappelijke lijnen en routes de basis voor de indeling van het MFA-terrein gevormd. Daarnaast hebben de zichtlijnen van en naar de kerktoren en het zicht op de dorpsrand mede de inrichting van het terrein bepaald. In dit kader wordt verwezen naar paragraaf 2.3.1.

Met het beoogde nieuwe intiatief wordt een kwaliteitsverbetering in dit deel van Sommelsdijk West bereikt. Bovendien bevat de beoogde ontwikkeling diverse maatregelen waarmee de landschappelijke kwaliteit van Sommelsdijk West wordt versterkt. De bestaande watergang wordt in westelijke richting doorgetrokken en parallel aan de Wildemanskreek wordt een nieuwe watergang gerealiseerd. Daarnaast komt er een klompenpad als nieuwe recreatieve route en biedt de meest zuidelijke punt van het plangebied mogelijkheden voor het aanleggen van een weide waar gebruikers en buurtbewoners een ommetje kunnen maken.

De keuze voor een locatie aan de dorpsrand welke gedeeltelijk buiten het bestaand stads- en dorpsgebied ligt, komt met name voort uit het feit dat het plangebied reeds een (grote) bestaande onderwijslocatie is. Bovendien biedt de huidige locatie van OBS J.C. van Gent te weinig mogelijkheden om een MFA te realiseren waarin diverse functies worden geclusterd.

Gelet op het voorgaande worden de gebiedskenmerken en het groene karakter van het landschap met de beoogde ontwikkeling niet onevenredig aangetast en staat het provinciaal beleid de vaststelling van het plan niet in de weg. In het voortraject heeft er afstemming plaatsgevonden met de provincie Zuid-Holland en de provincie heeft aangegeven dat het plan aansluit bij de regels voor ruimtelijke kwaliteit.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Regionale structuurvisie Goeree-Overflakkee

Op 26 oktober 2017 heeft de gemeente Goeree-Overflakkee de herziening op de regionale structuurvisie Goeree-Overflakkee vastgesteld met als titel 'Vitaal belevingseiland in de Delta'. Goeree-Overflakkee is een authentiek en vitaal belevingseiland in de Delta. Daarin is het ontspannen wonen, werken en recreëren in dorpen en landschappen met een hoge herkenbare ruimtelijke kwaliteit. Duurzaamheid staat hoog in het vaandel. De belangrijkste economische peiler is de toeristische sector. Ook andere economische initiatieven zijn welkom, als zij qua aard en schaal inpasbaar zijn in de cultuurhistorisch waardevolle landschapsstructuur en het open agrarisch karakter van het eiland.

De gemeente heeft voor nieuwe initiatieven een zestal basisprincipes opgesteld. Eén daarvan is 'overgangskwaliteit dorpsrand'. Ontwikkelingen aan de dorpsrand moeten bijdragen aan het realiseren van een rand met overgangskwaliteit.

Verder zijn Middelharnis en Sommelsdijk aangemerkt als 'streekcentrum'. Hier ligt de nadruk richting de toekomst op het versterken knooppunt voorzieningen, cultuur, onderwijs en vrijetijd.

Planspecifiek

Onderhavig plan voorziet in het realiseren van MFA Sommelsdijk in het gebied Sommelsdijk West. Dit gebied fungeert als tuin van het dorp. De herontwikkeling van de locatie Groene Zoom 111/113 is onderdeel van de gebiedsontwikkeling om de landschappelijke kwaliteit van Sommelsdijk West te versterken. Daarnaast wordt met het realiseren van MFA Sommelsdijk bijgedragen aan de gewenste versterking van Middelharnis/Sommelsdijk als knooppunt voor onder meer onderwijs.

3.3.2 Eilandvisie Goeree-Overflakkee

Op 12 februari 2015 heeft de gemeenteraad van Goeree-Overflakkee de toekomstvisie voor de gemeente vastgesteld. Centraal in de visie staan behoud en versterking van de leefbaarheid en van de identiteit van het eiland, de eilanditeit. De visie schetst Goeree-Overflakkee als eiland van rust en ruimte waar mensen naar volle tevredenheid wonen werken en recreëren. Vanuit de visie zijn zes strategische kernthema's geformuleerd als de leidraad voor de toekomst. Deze thema's hebben elk een toetsvraag. Deze kernthema's fungeren als zeef voor alle beleidsplannen, beleidsvoornemens en initiatieven, zodat toekomstige plannen altijd binnen de Eilandvisie vallen.

  • a. De eilanditeit, het behoud van de unieke identiteit van het eiland

Toetsvraag: Past het voorstel of plan bij onze identiteit?

  • b. De maatschappelijke balans, de versterking van de sociaaleconomische vitaliteit en het behoud van een voldoende zorg- en voorzieningenniveau.

Toetsvraag: Draagt het voorstel of plan bij aan de sociale structuur op ons eiland?

  • c. De kwaliteit, van leven en van groei.

Toetsvraag: Heeft het voorstel of plan het hoogst haalbare en betaalbare kwaliteitsniveau?

  • d. Duurzaamheid, Goeree-Overflakkee kan en wil het meest duurzame eiland worden.

Toetsvraag: is het plan of voorstel duurzaam en levert het daarmee een bijdrage aan de ambities van Energy Island?

  • e. Innovatie, de vestigingsvoorwaarde voor bedrijven en onderwijs en dus als bron voor werkgelegenheid.

Toetsvraag: Is het plan of voorstel zo innovatief dat we het kunnen uitdragen en het uiteindelijk ook banen oplevert?

  • f. Verbindingen, de versterking daarvan op het eiland en met de metropolen Rotterdam en Antwerpen, zowel sociaal, fysiek als digitaal.

Toetsvraag: Verbindt het plan of voorstel mensen op het eiland met elkaar of verbindt het ons eiland met de (stedelijke) omgevingen?

Planspecifiek

Met het plan wordt de unieke identiteit van Sommelsdijk West behouden en versterkt door de realisatie van een MFA in een opzet die past bij de karakteristieke kenmerken van het gebied. Sommelsdijk West draagt bij aan de sociale structuur van Sommelsdijk, omdat het fungeert als tuin van het dorp. Door kwaliteitsverbetering in het gebied, wordt deze functie versterkt. Het plan voldoet aan het specifiek voor dit deelgebied opgestelde stedenbouwkundige kader en heeft daarmee het hoogst haalbare kwaliteitsniveau. Met het plan vindt er een landschappelijke kwaliteitsverbetering plaats van "de tuin van Sommelsdijk". Daarmee kan het indirect mensen met elkaar verbinden, omdat het voor bewoners van Sommelsdijk aantrekkelijker wordt om het gebied te gebruiken voor ontspanning en recreatie.

3.3.3 Gebiedsvisie Sommeldijk West

De gemeenteraad van Goeree-Overflakkee heeft op 15 juli 2021 het stedenbouwkundig kader 'Sommelsdijk West' vastgesteld. Het stedenbouwkundig kader bevat een toekomstvisie voor Sommelsdijk West.

De gemeente heeft als doel het karakter van het gebied te behouden alsook het gebruik van dit gebied als dorpstuin. Het karakteristieke, afwisselende, groene karakter van het gebied wil de gemeente behouden en versterken met nieuwe groen- en waterelementen. Maar ook door beeld verstorende bebouwing af te breken en groen te verwijderen, in ruil voor het realiseren van gebiedseigen groenvoorzieningen en gebouwtypen (rood voor rood en groen voor groen). Kleinschalige gebiedsontwikkeling wordt ingezet om, stap voor stap, de landschappelijke kwaliteit van Sommelsdijk West te versterken.

Eén van de locaties waar een kwaliteitsverbetering gewenst is en herontwikkeling mogelijk is, is de locatie Groene Zoom 111/113. Het plangebied is in het stedenbouwkundig kader 'Sommelsdijk West' aangeduid als ontwikkelingslocatie 1B, waarbij de realisatie van een basisschool reeds is benoemd. Als voorwaarde voor herontwikkeling moeten alle op het perceel aanwezige opstallen worden gesloopt. Daarnaast wordt een wandelpad langs de kreek en een toegangsweg vanuit de Groene Zoom benoemd als aan te leggen infra. Ook worden maatregelen benoemd om de groenstructuur te versterken.

Onderstaande afbeeldding laat de stedenbouwkundige kaders zien voor deelgebied 1B.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0019.png" Stedenbouwkundige kaders deelgebied 1B (bron: Stedenbouwkundig kader Sommelsdijk West, Dorp, Stad & Land)

De beoogde ontwikkeling vormt een uitwerking van het stedenbouwkundig kader 'Sommelsdijk West'. Het Stedebouwkundig Programma van Eisen vindt hierin zijn grondslag. Met de beoogde ontwikkeling wordt alle bestaande beeldverstorende bebouwing afgebroken en wordt in ruil daarvoor gebiedseigen bebouwing gerealiseerd (concept uienschuren). Daarnaast wordt door middel van diverse maatregelen (nieuwe groen- en waterelementen) bijgedragen aan de gewenste landschappelijke kwaliteit van Sommelsdijk West. Tot slot is in het ontwerp nadrukkelijk rekening gehouden met de zichtlijnen van en naar de kerktoren en het zicht op de dorpsrand. Deze elementen hebben de inrichting van het terrein mede bepaald. Voor een uitgebreide toelichting op het ontwerp, wordt verwezen naar hoofdstuk 2.

3.3.4 Integraal huisvestingsplan (IHP)

De gemeenteraad van Goeree-Overflakkee heeft in 2019 het Integraal Huisvestingplan (IHP) Primair Onderwijs 2019-2035 vastgesteld. Met het IHP geeft de gemeente invulling aan haar regierol op het gebied van onderwijshuisvesting. Binnen en naast de wettelijke zorgplicht van de gemeente ten aanzien van adequate huisvesting voor onderwijs biedt dit document sturing om maatschappelijke doelen te realiseren. Het schetst de visie en doelen van de gemeente op het gebied van onderwijs en de gewenste situatie als het gaat om onderwijshuisvesting en hoe de gemeente dit wil faciliteren.

Planspecifiek

In het IHP is OBS J.C. van Gent één van de acht scholen met de laagste kwaliteit wat betreft huisvesting (<57 punten in scan HEVO) en komt derhalve op korte termijn in aanmerking voor vervangende nieuwbouw. De betreffende schoolbesturen wordt gevraagd om met de aanvraag een businesscase op te stellen volgens de eisen van de huisvestingsverordening. Voorliggende ontwikkeling voorziet in nieuwbouw voor OBS J.C. van Gent en is hiermee direct ondersteunend aan de beleidsinzet van het IHP.

Hoofdstuk 4 Effecten op en van de fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt getoetst of het plan een bijdrage levert aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij wordt ingegaan op verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving Paragraaf 4.1 tot en met 4.13 zijn opgebouwd aan de hand van de instructieregels die het Bkl in hoofdstuk 5 geeft. Paragraaf 4.14 en verder bestaat uit overige relevante instructies, regels en beleid vanuit het rijk, de provincie of gemeente.

4.1 Omgevingsveiligheid

4.1.1 Wettelijk kader

In paragraaf 5.1.2 van het Bkl worden regels gegeven over de toelaatbaarheid van de verschillende categorieën gebouwen en locaties in verband met een veiligheidsrisico dat ontstaat door een activiteit die op grond van het omgevingsplan op die locatie is toegestaan.

Kwetsbare gebouwen en locaties

Het Bkl werkt, net als het voorgaande recht, met de begrippen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. In bijlage VI bij het Bkl is aangegeven welke soorten gebouwen en locaties tot de verschillende categorieën behoren. Belangrijk om op te merken is dat ook gebouwen en locaties die nog niet bestaan, maar wel op grond van een omgevingsplan mogelijk gemaakt worden, tot deze categorieën worden gerekend. De lijst in bijlage VI betreft een limitatieve lijst. Indien een functie niet is genoemd in de bijlage, valt het hier dus niet onder. Het staat het bevoegd gezag vrij om functies onder een strengere categorie te scharen dan vereist. In H4 van het Bal worden de minimale afstanden van verschillende milieubelastende activiteiten tot kwetsbare locaties genoemd.

Plaatsgebonden risico

Artikel 5.7 Bkl bepaalt dat het plaatsgebonden risico voor kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen niet groter mag zijn dan 1 op de 1.000.000. In artikel 5.8 Bkl, in combinatie met de verschillende onderdelen van bijlagen VII van het Bkl en H4 van het Bal, is aangegeven bij welke afstanden aan het vereiste van artikel 5.7 Bkl wordt voldaan. Artikel 5.9 Bkl bepaalt vervolgens tot waar de afstanden gemeten dienen te worden.

Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt dat het bevoegd gezag het plaatsgebonden risico van maximaal 1 op de 1.000.000 niet in acht neemt maar er rekening mee houdt. Dit houdt in dat het bevoegd gezag een eventuele afwijking van dit getal moet kunnen verantwoorden, maar dat die afwijking dus eventueel wel toegestaan is.

Aandachtsgebieden

Het plaatsgebonden risico, gekoppeld aan de afstanden die daar krachtens artikel 5.8 Bkl voor gelden, zorgen voor een contour rondom het risico-object waarbinnen geen kwetsbare gebouwen of locaties gerealiseerd mogen worden. De zogenaamde aandachtsgebieden voegen meer lagen aan deze contour toe.

Het Bkl kent drie soorten aandachtsgebieden: een brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied. Net als bij het plaatsgebonden risico worden ook voor de aandachtsgebieden de begrenzingsregels gegeven in het Bkl.

Het aanwijzen van een aandachtsgebied heeft twee belangrijke consequenties. Ten eerste kan in het geval van een brand- dan wel explosieaandachtsgebied het gebied worden aangewezen als brand- respectievelijk explosievoorschriftengebied. Dit heeft gevolgen voor de bouwvoorschriften waar in het gebied te realiseren gebouwen aan moeten voldoen. Ten tweede moet rekening gehouden worden met het groepsrisico. Het groepsrisico is de kans op het overlijden van minstens tien personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door de risico-gevende activiteit. Het bevoegd gezag moet, net als bij het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare functies, rekening houden met dit groepsrisico. Het Bkl geeft zelf aan hoe het bevoegd gezag hier in ieder geval aan kan voldoen: er kan voor worden gekozen om geen (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties of zeer kwetsbare gebouwen te realiseren in dit aandachtsgebied. Indien deze categorieën wel worden gerealiseerd, kan het bevoegd gezag verplichten dat maatregelen worden getroffen voor de mensen in die locaties of door het aantal mensen in die locaties te beperken.

4.1.2 Beoordeling

Onderwijshuisvesting in de vorm van onder meer basisscholen betreft een zeer kwetsbaar gebouw, zodat getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent omgevingsveiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0020.png" Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (bron: www.atlasleefomgeving.nl)

Transport gevaarlijke stoffen

Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op grote afstand, kortste afstand circa 550 meter, ligt een aardgastransportleiding. Het plangebied ligt buiten het invloedgebied van deze leiding. Gelet op het voorgaande zijn er vanwege het transport van gevaarlijke stoffen geen gevolgen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Activiteiten

In de directe nabijheid van het plangebied vinden geen omgevingsveiligheid-relevante activiteiten plaats, zodat er geen sprake is van een belemmering. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van het Bkl, waardoor de ontwikkeling geen gevaar vormt voor de omgeving.

4.1.3 Conclusie

Er bestaat vanuit het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.2 Water

4.2.1 Wettelijk kader

Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat het wettelijk kader voor het beschermen van waterbelangen. Hierin worden regels gegeven ter bescherming van primaire waterkeringen, de kust, grote rivieren en het IJsselmeergebied. Als een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsacitiviteit betrekking heeft op een locatie in een van deze gebieden, gelden er regels ter bescherming van waterbelangen.

De gemeente heeft de verplichting het waterbelang mee te wegen bij het vaststellen van een omgevingsplan of het verlenen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 5.37 Bkl). Hierbij moet het waterschap betrokken worden. Dit kan door middel van een watertoets. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.

4.2.2 Beoordeling

Het plangebied is gelegen in het beheersgebied van het Waterschap Hollandse Delta (WSHD) dat zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het oppervlaktewater beheert. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat deze voldoen aan het waterbeleid. Dit is vastgelegd in diverse beleidsdocumenten van Europees (Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) tot gemeentelijk niveau. Ook het waterschap heeft zijn eigen beleid. Dit is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Voor het adviseren over en uiteindelijk beoordelen van ruimtelijke plannen van derden maakt het waterschap gebruik van het watertoetsproces.

Voldoende water - wateroverlast

Het streefbeeld is een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. Zo'n systeem kan het water, conform de daarvoor vastgestelde normen en zonder overlast te veroorzaken, verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Het watersysteem dient te voldoen aan het principe van waterneutraal bouwen, dit wil zeggen: waar het verharde oppervlak toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken en infiltratie van water mogelijk te maken.

Uitgangspunt vasthouden-bergen-afvoeren

Bij het oplossen van waterhuishoudkundige problemen wordt afwenteling voorkomen. Oplossingen voor eventuele waterhuishoudkundige problemen dienen bij voorkeur in het plangebied gevonden te worden. Indien dit niet mogelijk is dient dichtbij het plangebied compensatie gezocht te worden. Compensatie dient in ieder geval binnen hetzelfde peilgebied plaats te vinden. De verbindingen tussen wateren horen daar ook bij. Bij een plan wordt gebruik gemaakt van de vuistregel dat 10% van de toename aan m² verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden. Hierbij geldt een ondergrens van 500 m2 in het stedelijk gebied en 1.500 m² in het landelijk gebied.

Het plangebied is in de huidige situatie reeds deels bebouwd en verhard. In totaal is er ruim 1.500 m2 aan bebouwing aanwezig. In de directe nabijheid van de bebouwing bevindt zich verharding. In de beoogde nieuwe situatie is ruim 1.750 m2 aan bebouwing aanwezig. Daarnaast wordt op diverse plaatsen verharding aangelegd ten behoeve van onder meer de pleinen, de Kiss & Ride en de parkeervoorziening. De verwachting is dat daarmee in totaal de toename aan verharding (enigszins) meer dan 1.500 m2 zal bedragen.

Sommelsdijk West betreft een overgangsgebied tussen het dorp Sommelsdijk en het landelijk gebied. Daarmee is het gebied lastig onder te brengen in de categorie stedelijk gebied of landelijk gebied. Gezien de beperkte oppervlakte aan bebouwing en verharding in het gebied kan het gebied gekwalificeerd worden als landelijk gebied. Hier geldt een vrijstelling voor watercompensatie bij plannen met een verhardingstoename onder de 1.500 m2. Met een toename aan verharding van meer dan 1.500 m2 dient er watercompensatie plaats te vinden van 10%. Het buitenterrein behorende bij de MFA zal nog nader worden uitgewerkt. De exact benodigde watercompensatie is in sterke mate afhankelijk van deze uitwerking en zal aan de hand van het definitieve bouwplan en definitieve inrichting van het perceel worden bepaald.

Door op de situatietekening reeds ruimte te reserveren voor extra waterberging, in de vorm van het doortrekken van de bestaande watergang en het aanleggen van een nieuwe watergang parallel aan de Wildemanskreek, is het waterbelang voldoende meegewogen. Om te borgen dat daadwerkelijk voorzien wordt in voldoende waterberging is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Watergangen

Uit de legger Oppervlaktewaterlichamen & Kunstwerken 2022 van het WSHD blijkt dat de Wildemanskreek ten oosten van het plangebied en de watergang ten zuiden van het plangebied zijn aangemerkt als 'hoofdwaterloop' met bijbehorende beschermingszone van 5 meter aan weerszijden daarvan. Binnen de betreffende beschermingszone wordt geen bebouwing opgericht. Voor wat betreft de nieuw te realiseren brug over de Wildemanskreek ter hoogte van de Anjerstraat, vindt nadere afstemming plaats met het waterschap. Voor het overige vinden er geen fysieke ingrepen of wijzigingen plaats aan de watergangen zelf.

Op onderstaande uitsnede van de legger Oppervlaktewaterlichamen & Kunstwerken 2022 is tevens de sloot halverwege het plangebied zichtbaar welke wordt doorgetrokken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30_0021.png"

Uitsnede legger Oppervlaktewaterlichamen & Kunstwerken 2022 (bron: Open Data WSHD)

Schoon water - goed omgaan met afvalwater

Menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het water doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. De strategie is voor nieuw te ontwikkelen terreinen dat uitgegaan wordt van het niet aankoppelen van hemelwater op het rioolstelsel. Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak van de riolering. Afstromend hemelwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Verontreinigingen door stedelijk afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen. Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. Gestreefd wordt om schoon hemelwater in bestaand gebied af te koppelen van het rioolstelsel. Het hemelwater afkomstig van schone oppervlakken wordt geïnfiltreerd of direct afgevoerd naar open water.

Het plan heeft geen effect op de waterkwaliteit. Het ontstaan van vervuilingsbronnen wordt zoveel mogelijk voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink of teerhoudende dakbedekking gebruikt op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten of pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben).

Bodemdaling

Het (grond)waterpeil wordt niet aangepast als gevolg of ten behoeve van dit plan. Eventuele bodemdaling in de omgeving zal niet door het plan worden beïnvloed.

Veiligheid

Het plangebied is niet gelegen in een beschermingszone van een waterkering.

4.2.3 Conclusie

Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. In het kader van het vooroverleg vindt afstemming plaats met het waterschap.

4.3 Gezondheid en milieu

In paragraaf 5.1.4 van het Bkl wordt het wettelijk kader voor het beschermen van de gezondheid en het milieu gegeven. In deze paragraaf worden instructieregels gegeven voor luchtkwaliteit (paragraaf 5.1.4.1), geluid (paragraaf 5.1.4.2 en 5.1.4.3), trilling (paragraaf 5.1.4.4), slagschaduw van windturbines (paragraaf 5.1.4.4a), bodem (paragraaf 5.1.4.5) en geur (paragraaf 5.1.4.6). In de volgende paragrafen komen deze milieuaspecten aan bod.

4.4 Luchtkwaliteit

4.4.1 Wettelijk kader

Onder de Omgevingswet is het niet meer in alle gevallen nodig om te toetsen aan luchtkwaliteit. Wel moet bij het toelaten van specifiek aangewezen activiteiten de bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) altijd worden beoordeeld. Dit geldt bij een aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten, voor het realiseren van een tunnel van ten minste 100 meter en bij de aanleg van een autoweg of autosnelweg.

Daarnaast zijn er aandachtsgebieden aangewezen waarbinnen getoetst moet worden aan de luchtkwaliteit. Voor zowel stikstofdioxide als fijnstof gaat dat om Amsterdam/Haarlem, Arnhem, Eindhoven, Etten-Leur, 's-Gravenhage/Leiden, Rotterdam/Dordrecht en Utrecht. Voor alleen fijnstof gaat het om de gemeenten Asten, Barneveld, Bernheze, Ede, Leudal, Nederweert, Scherpenzeel en Venray.

Het project draagt 'niet in betekende mate' (NIBM) bij, als de kalenderjaargemiddelde concentratie stikstofdioxide en fijnstof onder de 1,2 µg/m3 blijft. Dan hoeft niet getoetst te worden aan te rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (artikel 5.53 Bkl).

4.4.2 Beoordeling

Effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit

De ontwikkeling is niet gelegen in een van de aandachtsgebieden uit het Bkl. Toetsing van de effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit is daardoor niet noodzakelijk. Er hoeft niet getoetst te worden aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse

Vanuit het Bkl gelden omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De waarden zijn genomen van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (cimlk.nl).

Stof   Jaar 2023   Jaar 2030   Grenswaarde   Advieswaarde  
NO2   11,5 µg/m3   11,2 µg/m3   40 µg/m3   10 µg/m3  
PM10   14,5 µg/m3   13,5 µg/m3   40 µg/m3   15 µg/m3  
PM2,5   7,2 µg/m3   6,6 µg/m3   20 µg/m3   5 µg/m3  

Waarden in het plangebied, omgevingswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit

Op de planlocatie wordt ruimschoots voldaan aan de omgevingswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5.

De advieswaarden van de WHO liggen ver beneden de wettelijke grenswaarden. Zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de verwachting dat de jaargemiddelde concentraties in de toekomst verder zullen afnemen.

4.4.3 Conclusie

Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor een goed verblijfsklimaat op de planlocatie.

4.5 Geluid

4.5.1 Wettelijk kader

Onder de Omgevingswet is de aanvaardbaarheid van geluidbelasting veel meer een decentrale afweging dan voorheen. In het omgevingsplan nemen gemeentes regels op waar activiteiten die geluid veroorzaken en geluidgevoelige gebouwen aan moeten voldoen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.4 van de Bruidsschat.

Het Bkl stelt op rijksniveau regels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen in afdeling 3.5. In plaats van geluidzones zal er worden gewerkt met geluidaandachtsgebieden en geluidproductieplafondwaarden (gpp).

Een geluidsaandachtsgebied is een gebied rondom bijvoorbeeld wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Ook drukke 30km/u wegen worden hierin meegenomen. Dit gebied wordt op basis van berekeningen bepaald en beslaat het gebied waarbinnen de standaardwaarde voor geluid mogelijk wordt overschreden. Als binnen dit geluidsaandachtsgebied een geluidgevoelig gebouw wordt gerealiseerd, moet getoetst worden of voldaan wordt aan de standaardwaarden voor geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Wat geluidgevoelige gebouwen en ruimten zijn, wordt beschreven in artikel 3.21 en 3.22 van het Bkl. Er kan onder voorwaarden afgeweken worden van de standaardwaarden voor geluid, mits wordt voldaan aan de grenswaarden. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen.

Een ggp is het gebied langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde voor geluid. Het gpp geeft aan hoeveel geluid maximaal is toegestaan op een geluidreferentiepunt. Het bevoegd gezag monitort het geluid op dit punt.

4.5.2 Beoordeling

Met het intiatief wordt een MFA mogelijk gemaakt waarin onder meer OBS J.C. van Gent en Kibeo Kinderopvang wordt gehuisvest. Een gebouw met een onderwijsfunctie en een gebouw met een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied, worden beiden aangemerkt als geluidgevoelige gebouwen.

De locatie is niet gelegen binnen een geluidsproductieplafond van een (spoor)weg of industrieterrein. Wel ligt de beoogde nieuwbouw in de directe nabijheid van diverse (gemeente)wegen. Als gevolg hiervan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk.

Door SPA WNP is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Bijlage 1). Uit het onderzoek blijkt dat het geluid, vanwege de geluidbronsoort gemeentewegen maximaal 38 dB-Lden bedraagt. Dit is ruim lager dan de standaardwaarde voor gemeentewegen van 53 dB-Lden.

Ter beoordeling van de aanvaardbaarheid van het geluid, is het gecumuleerde geluid bepaald. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen wat aanvaardbaar is. Het gecumuleerde geluid bedraagt maximaal 38 dB. Omdat het gecumuleerde geluid op de gevels van de nieuwe geluidgevoelige bestemming ruim lager is dan de standaardwaarde, en daarmee alle gevels geluidluw zijn, wordt gesteld dat het geluid aanvaardbaar is.

Om een goed leefklimaat te realiseren, geldt er een minimum aan de karakteristieke geluidwering (GA;k) van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied en een verblijfsruimte. Hierbij moet worden uitgegaan van een gezamenlijk geluid van 38 dB. Dit betekent dat de karakteristieke geluidwering van de verblijfsgebieden minimaal 20 dB moet bedragen (38 Lden – 33 dB = lager dan de ondergrens). Normaliter wordt met moderne standaard bouwmaterialen (dubbele beglazing, geïsoleerd dak, normale ventilatie voorzieningen die voldoet aan een geluideis van Rq;a groter dan of gelijk aan 0 dB) voldaan aan de minimale karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie.

4.5.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Trilling

4.6.1 Wettelijk kader

Trillinggevoelige gebouwen worden beschermd tegen trillingen van activiteiten en bedrijven. Wat een trillinggevoelig gebouw en trillinggevoelige ruimte is, wordt beschreven in artikel 5.80 en 5.81 van het Bkl. De gemeente neemt in haar omgevingsplan regels op omtrent trillingen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. In het Bkl worden standaardwaarden voor trillingen gegeven. De gemeente mag in haar omgevingsplan lagere waarden vaststellen. Ook mag zij onder voorwaarden hogere waarden vaststellen.

In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillingshinder worden beoordeeld. In sommige gevallen kan het zelfs nodig zijn om het onderzoeksgebied tot 250 meter aan weerszijden van het spoor uit te breiden. De afwegingen daarvoor zijn in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen opgenomen. Met behulp van deze handreiking kunnen plannen worden gemaakt voor een gezonde fysieke leefomgeving.

4.6.2 Beoordeling

Een gebouw met een onderwijsfunctie betreft een trillinggevoelig gebouw. De planlocatie ligt op meer dan 250 meter van een spoorlijn. Een quickscan / onderzoek trillinghinder is niet benodigd.

4.6.3 Conclusie

Het aspect trilling vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Slagschaduw bij windturbines

4.7.1 Wettelijk kader

In paragraaf 5.1.4.4a van het Bkl worden regels gesteld voor slagschaduw van windturbines. Het gaat hierbij om regels voor windturbines met een rotordiameter van 2 meter of meer die langer dan 10 jaar ergens zullen staan. Slagschaduwgevoelige gebouwen zijn gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebruik (artikel 5.98b Bkl). De gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met de aanvaardbaarheid van slagschaduw van windturbines. Deze regels zijn opgenomen in paragraaf 22.3.18 van de Bruidsschat en zijn gelijk aan het beschermingsniveau uit het Activiteitenbesluit, zolang de gemeente deze regels nog niet heeft verplaatst en/of aangepast.

4.7.2 Beoordeling en conclusie

De beoogde ontwikkeling is niet gelegen in de buurt van een windturbine, waardoor er geen strijdigheid is met de gestelde regels over slagschaduw.

4.8 Bodem

4.8.1 Wettelijk kader

In paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl zijn instructieregels voor het aspect bodem opgenomen. Deze regels zijn van toepassing op bodemgevoelige gebouwen. Artikel 5.89g geeft aan wanneer een gebouw als bodemgevoelig gebouw wordt aangemerkt. De gemeente moet in haar omgevingsplan de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opnemen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.2.3 en 22.3.7 van de Bruidsschat.

De regels voor bodem zijn berust op drie pijlers:

  • 1. Het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie);
  • 2. Het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies aan locaties); en
  • 3. Het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen).

Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van zo'n onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.

4.8.2 Beoordeling

Met de realisatie van de MFA met bijbehorende Beweegbox is er sprake van nieuwe bodemgevoelige gebouwen en geldt tevens de locatie als bodemgevoelig. Gelet hierop is het noodzakelijk om door middel van een bodemonderzoek aan te tonen dat de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.

Verkennend bodemonderzoek 'Groene Zoom' (2017)

In 2017 is door Arnicon een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, waarbij het gehele plangebied binnen de onderzoekslocatie viel (Bijlage 2). De resultaten en aanbevelingen conform het betreffende onderzoek zijn onderstaand weergegeven.

Conclusies

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "verdacht" voor bodemverontreiniging wordt bevestigd. Dit naar aanleiding van de lichte tot matige verontreinigingen met zware metalen en/of PAK en/of OCB’s in de bovengrond en lichte verontreinigingen met naftaleen in het grondwater.

Naar aanleiding van de matige verontreinigingen met kwik en nikkel heeft een nader onderzoek plaatsgevonden. Op basis van de onderzoeksgegevens wordt ingeschat dat het volume van de matige verontreiniging met nikkel en kwik kleiner is dan 25 m3.

De locatie wordt geschikt geacht voor de bestemming wonen.

De geanalyseerde grond(meng)monsters van onderhavig bodemonderzoek zijn aanvullend getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit. Uit de toetsing blijkt dat plaatselijk op het perceel 6047 voor de bovengrond de basisklasse van toepassing is. Dit is gebaseerd op de gehalten aan kobalt, kwik en nikkel. Voor de bovengrond op het perceel 152 geldt eveneens de basisklasse vanwege de licht verhoogde gehalten aan OCB’s.

Aanbevelingen

De aangetoonde matig verhoogde gehalten aan zware metalen in de bovengrond geven op basis van de Wet bodembescherming (Wbb) in principe aanleiding tot het uitvoeren van een vervolgonderzoek. Het nader onderzoek is reeds uitgevoerd. De geschatte omvang van de matige verontreiniging is minder dan 25 m3. Dit geeft formeel geen aanleiding tot het uitvoeren van saneringsmaatregelen. De aangetoonde lichte verontreinigingen met OCB’s in de bovengrond ter plaatse van perceel 152 (vml. boomgaard) geven formeel eveneens geen aanleiding tot het uitvoeren van een vervolgonderzoek en/of saneringsmaatregelen.

De locatie wordt geschikt geacht voor de beoogde woonbestemming.

Verkennend bodem- en asbestonderzoek 'Groene Zoom' (2023)

In 2023 is door Arnicon voor dezelfde locatie een actualiserend/aanvullend NEN 5740 en asbestonderzoek in bodem conform NEN 5707 ter plaatse van de Groene Zoom in Sommelsdijk uitgevoerd (Bijlage 3). De resultaten en aanbevelingen conform het betreffende onderzoek zijn onderstaand weergegeven.

Conclusies

Deellocatie A - Het noordelijke terreindeel met puinbijmengingen:

De hypothese "verdacht" voor bodemverontreiniging wordt bevestigd. In het onderzoek van 2016 is een matige nikkelverontreiniging aangetoond en uitgekarteerd. Uit het huidige onderzoek blijkt dat voor nikkel de interventiewaarde wordt overschreden in een mengmonster. De sterke verontreiniging is niet gelokaliseerd noch uitgekarteerd. Voorlopig wordt geconcludeerd dat de bovengrond van deellocatie A heterogeen verontreinigd is met nikkel, waarbij de gehalten variëren van lager dan de achtergrondwaarde tot hoger dan de interventiewaarde.

Op basis van de resultaten van het verkennend asbestonderzoek wordt geconcludeerd dat de verdenking van bodemverontreiniging met asbest niet terecht is. Wel zijn sporen asbest aangetoond. Een nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

Deellocatie B - De voormalige kas met twee schuren en asfalt:

De hypothese "verdacht" voor bodemverontreiniging kan op basis van de onderzoeksresultaten worden verworpen. De lichte verontreiniging van de bovengrond met lood valt binnen de marges van normale variatie van concentraties binnen een gebied. Bij toetsing aan de Bbk normen wordt het betreffende mengmonster als schone grond beoordeeld.

Op basis van de resultaten van het verkennend asbestonderzoek wordt geconcludeerd dat de verdenking van bodemverontreiniging met asbest niet terecht is. Opgemerkt wordt dat uitsluitend aan de interventiewaarde kan worden getoetst. Er zijn wel lage asbestgehalten aangetoond. Een nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

Deellocatie C - De gedempte sloten:

Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "verdacht" voor bodemverontreiniging ten aanzien van de voormalige sloten kan worden verworpen.

Deellocatie D - Verspreid over resterende delen van het terrein:

Geconcludeerd wordt dat de hypothese "onverdacht" voor bodemverontreiniging wordt verworpen. De bovengrond is licht verontreiniging met zware metalen en PAK en voldoet indicatief aan klasse industrie.

Het asfalt is op basis van het uitgevoerde onderzoek niet teerhoudend en geschikt voor warm hergebruik.

In het repac onder het asfalt is geen asbest aangetoond. Dit onderdeel van het onderzoek dient als indicatief te worden beschouwd. Op basis van het indicatieve uitloog- en samenstellingsonderzoek voldoet het repac aan de samenstellingswaarden en uitloognormen.

Aanbevelingen

Afhankelijk van de activiteiten die in het noordelijk deel (perceel 6047 en 6048) gaan plaatsvinden kan een vervolgonderzoek nodig zijn. Op basis van de Wet bodembescherming (Wbb) geeft het sterk verhoogde nikkelgehalte dat is aangetoond in het mengmonster van de bovengrond van deellocatie A aanleiding tot nader onderzoek en eventueel tot saneringsmaatregelen.

Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet (Ow) in werking en komt de Wbb te vervallen. De interventiewaarde blijft van kracht. Indien grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd op deellocatie A dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van nikkelgehalten boven de interventiewaarde. Voor graven in grond met gehalten boven de interventiewaarden worden onder de Ow in het Bal (Besluit activiteiten leefomgeving) regels gesteld. Bij bouwen op de verontreinigde grond kan een standaard sanering worden uitgevoerd: afdekken of verwijderen. Ook voor saneren zijn in het Bal regels opgenomen.

Eventuele afvoer van grond dient plaats te vinden conform de regelgeving in het Besluit bodemkwaliteit. Aanbevolen wordt om eventueel vrijkomende grond op de locatie her te gebruiken. Voor hergebruik als bodem binnen de locatie is het Besluit bodemkwaliteit niet van toepassing. Schone grond in een hoeveelheid kleiner dan 50 m3 mag volgens het Besluit Bodemkwaliteit vrij worden toegepast. Bij ontgraving en afvoer van grond dient conform het Besluit bodemkwaliteit grond van verschillende bodemkwaliteitsklassen gescheiden te worden ontgraven. Om vermenging van verschillende kwaliteiten te voorkomen wordt aanbevolen om voorafgaand aan de graafwerkzaamheden een ontgravingsplan op te stellen. Voor een definitieve vaststelling van de bodemkwaliteitsklasse ten behoeve van hergebruik is in veel gevallen een partijkeuring conform AP04 vereist.

Nader bodemonderzoek 'Groene Zoom' (2025)

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten van het verkennend bodemonderzoek uit 2023 is door Arnicon een nader bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 4). De resultaten conform het betreffende onderzoek zijn onderstaand weergegeven.

Conclusies

Uit het onderzoek blijkt dat in geen van de onderzochte monsters een nikkelgehalte is aangetroffen dat de norm voor landbouw/natuur overschrijdt. Ook de PFAS-gehalten in de bovengrond voldoen aan de landelijke achtergrondwaarden.

Door middel van dit onderzoek is het sterk verontreinigde mengmonster uit het voorgaande bodemonderzoek uitgesplitst. In de individuele grondmonsters overschrijden de gemeten gehalten de klasse landbouw/natuur niet. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een sterke verontreiniging met nikkel.

4.8.3 Conclusie

Op basis van de bodemonderzoekenen uit 2017, 2023 en 2025 kan worden geconcludeerd dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in overeenstemming is met het gewenste nieuwe gebruik. Voor wat betreft het graven in de grond ter plaatse zal rekening worden gehouden met de regels die over graven in grond met gehalten boven de interventiewaarden in het Bal zijn gesteld.

4.9 Geur

4.9.1 Wettelijk kader

Het Rijk heeft in het Bkl voor een aantal gebouwen specifieke regels voor geur gesteld. Het gaat hierbij om de zogenoemde geurgevoelige gebouwen. Dit zijn onder andere gebouwen met een woonfunctie. Gevangenissen, hotels, asielzoekerscentra en recreatiewoningen worden niet als woonfunctie aangemerkt. De gemeente moet voor alle geurgevoelige gebouwen zoals opgenomen in artikel 5.91 van het Bkl regels stellen in het omgevingsplan om deze gebouwen te beschermen tegen geurhinder. Voor overige gebouwen of locaties mag de gemeente zelf kiezen of zij daar specifieke regels voor geur over opneemt in het omgevingsplan.

De gemeente moet daarnaast in haar omgevingsplan een 'bebouwingscontour geur' vastleggen rondom een rioolwaterzuiveringsinstallatie, rondom locaties waar landbouwhuisdieren in een dierenverblijf worden gehouden en rondom agrarische activiteiten als deze activiteiten geur veroorzaken op een geurgevoelig gebouw. Binnen de contour geldt een 'hoge bescherming' en daarbuiten een 'lage bescherming'. Voor andere geurveroorzakende activiteiten mag een gemeente zelf bepalen of zij daar geurregels voor opstelt in het omgevingsplan.

Zolang de gemeente zelf nog geen regels in haar omgevingsplan heeft opgenomen omtrent geur, gelden de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit zijn de regels uit de gemeentelijke geurverordening en de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van de Bruidsschat. Hierin wordt nog onderscheid gemaakt tussen locaties binnen en bouten de bebouwde kom, in plaats van een bebouwingscontour.

4.9.2 Beoordeling

Met het initiatief wordt een MFA mogelijk gemaakt waarin onder meer OBS J.C. van Gent en Kibeo Kinderopvang wordt gehuisvest. Een gebouw met een onderwijsfunctie en een gebouw met een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied, worden beiden aangemerkt als geurgevoelige gebouwen. Aangezien er in de nabijheid van het plangebied geen geurveroorzakende activiteit plaatsvindt, ontstaan er geen belemmeringen.

4.9.3 Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

Paragraaf 5.1.5 van het Bkl bevat regels met het oog op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden zijn een element van omgevingskwaliteit en het beschermen van die waarden is in artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet opgenomen als één van de oogmerken die van belang kan zijn bij de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet. De invulling hiervan wordt grotendeels overgelaten aan gemeenten en provincies. Op rijksniveau worden er onder meer regels gesteld over de kust, over de Waddenzee en het Waddengebied, over het zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand (de ladder voor duurzame verstedelijking) en over cultureel erfgoed. De ontwikkeling is niet in of nabij de kust, de Waddenzee of het Waddengebied gelegen, waardoor die instructieregels niet van toepassing zijn. De laatste twee onderwerpen, de laddertoets en cultureel erfgoed, komen in de volgende paragrafen aan bod.

4.11 Ladder voor duurzame verstedelijking

4.11.1 Wettelijk kader

Het nationale beleid vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Artikel 5.129g van het Bkl geeft aan dat als een ontwikkeling voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, rekening moet worden gehouden met:

  • a. De behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  • b. Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

Dit geldt voor een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

4.11.2 Beoordeling

Allereerst moet beoordeeld worden of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het gaat hierbij om een stedelijke ontwikkeling die een nieuw of groter planologisch beslag legt op de ruimte. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Van belang is dus in hoeverre het plan:

  • in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging;
  • en welk planologische beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het vorige plan.

Het plangebied kent in het omgevingsplan reeds voor een groot deel de bestemming 'Maatschappelijk' waarbinnen diverse maatschappelijke voorzieningen (waaronder onderwijsvoorzieningen) zijn toegestaan. Het volledige bestemmingsvlak met een oppervlakte van circa 11.140 m2 is aangeduid als bouwvlak, waarbij een maximum bebouwingspercentage van 15% is opgeonmen. Daarmee mag binnen het bouwvlak maximaal circa 1.671 m2 aan bebouwing aanwezig zijn. In de beoogde nieuwe situatie is circa 1.780 m2 aan bebouwing aanwezig. Daarmee leidt de beoogde ontwikkeling tot een toename aan bebouwing van circa 100 m2 ten opzichte van de mogelijkheden die het omgevingsplan biedt.

Conform vaste jurisprudentie is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling indien wordt voorzien in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m2. De realisatie van MFA Sommelsdijk kan dan ook niet worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. De uitbreiding van het bestemmingsvlak 'Maatschappelijk' aan de zuidzijde is, ten opzichte van de oppervlakte welke reeds de bestemming 'Maatschappelijk' kent, onvoldoende substantieel om de ontwikkeling om die reden alsnog als stedelijke ontwikkeling aan te merken.

Gelet op het voorgaande is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het doorlopen van de laddertoets is niet noodzakelijk.

4.11.3 Conclusie

De Ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.12 Cultuurhistorie en archeologie

4.12.1 Wettelijk kader

In het Bkl is bepaald dat gemeenten in hun omgevingsplan een beschermingsregime moeten opnemen voor cultureel erfgoed. Hierbij moeten de instructieregels uit paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl in acht worden genomen. Dit gaat onder meer over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; en
  • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Tot dat de gemeentes regels over cultureel erfgoed in het omgevingsplan hebben opgenomen, geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit bestaat uit de geldende ruimtelijke regelingen zoals bestemmingsplannen, de gemeentelijke erfgoedverordening en de regels uit de bruidsschat.

4.12.2 Beoordeling archeologie

De gemeente Goeree-Overflakkee heeft een eigen archeologiebeleid. Als uitgangspunt streeft de gemeente er naar om het bodemarchief zoveel mogelijk ’ín situ’ (in de bodem) te bewaren. Bekende archeologische waarden worden door planaanpassing zoveel mogelijk ontzien. Zodoende kunnen archeologische waarden behouden blijven en worden opgravingkosten uitgespaard. In gebieden met een lage en zeer lage archeologische verwachting gelden op Goeree-Overflakkee geen archeologische voorschriften.

Op basis van de Beleidskaart Archeologie van de gemeente Goeree-Overflakkee zijn ter plaatse van het plangebied geen archeologische verwachtingswaarden. Een archeologisch onderzoek is daarom niet benodigd. Het aspect archeologie vormt geen belemmering om het plan mogelijk te maken.

4.12.3 Beoordeling cultuurhistorie

Het plangebied ligt in een gebied wat een grote cultuurhistorische betekenis heeft voor Sommelsdijk. In het gebied vonden vroeger de typische Sommelsdijkse landbouwactiviteiten plaats zoals tuinbouw, fruitteelt, boomkwekerijen en het houden van kleinvee.

De gemeente heeft als doel het karakter van het gebied te behouden als ook het gebruik van dit gebied als dorpstuin. De gemeente wil het karakteristieke, afwisselende, groene karakter van het gebied behouden en versterken met nieuwe groen- en waterelementen. De structuur van het gebied moet versterkt worden door gebiedseigen groenvoorzieningen en gebouwtypen toe te voegen. Het toevoegen van een zeer bescheiden hoeveelheid bebouwing is onderdeel van de gebiedsontwikkeling omdat er vanuit het gebied steeds meer vragen komen naar ontwikkelingsmogelijkheden. Daarom is voor het deelgebied een stedenbouwkundig kader opgesteld. Dit kader houdt rekening met de cultuurhistorische aspecten in het gebied. Het aspect cultuurhistorie vormt daarom geen belemmering om het plan mogelijk te maken.

4.12.4 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie en archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.13 Ruimte voor toekomstige functies, infrastructuur en openbare buitenruimte

4.13.1 Wettelijk kader

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist in bepaalde gevallen dat gebieden worden vrijgehouden voor toekomstige ontwikkelingen die alleen op bepaalde locaties kunnen plaatsvinden. Zo kan uitbreiding van een infrastructuurnetwerk meestal beter - en goedkoper - gebeuren op de locatie waar dat netwerk al aanwezig is. Tegelijkertijd is op veel van die locaties sprake van een vrij grote ontwikkeldruk. Daarom wordt in paragraaf 5.1.6 van het Bkl in navolging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een aantal reserveringsgebieden aangewezen. Het gaat om gebiedsreserveringen voor de lange termijn voor de grote rivieren, gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen, gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimte voor de Parallelle Kaagbaan en de reservering van de Tweede Maasvlakte voor deep sea gebonden activiteiten.

In paragraaf 5.1.7 van het Bkl wordt geregeld dat ontwikkelingen geen belemmering mogen vormen voor militaire terreinen en objecten, oefen- en schietgebieden, militaire zend- en ontvangsinstallaties, laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen, militair radarbeeld, elektriciteitsopwekking, kernenergiecentrales, hoogspanningsverbindingen, rijksvaarwegen, scheepvaart, communicatie-, navigatie- en radarapparatuur burgerluchtvaart en landelijke fiets- en wandelroutes.

Tot slot moet conform paragraaf 5.1.8 van het Bkl rekening gehouden worden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.

4.13.2 Beoordeling en conclusie

Het plangebied is niet gelegen in een gebied zoals bedoeld in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl. Er is vanuit dit aspect dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Voor wat betreft de openbare buitenruimte in het plangebied, wordt rekening gehouden met het bevorderen van de toegankelijkheid daarvan voor personen met een functiebeperking.

4.14 Flora en fauna

4.14.1 Wettelijk kader

Er moet ten allen tijde rekening gehouden worden met de flora en fauna om de natuur te beschermen. In artikel 5.1 van de Omgevingswet wordt geregeld dat er een omgevingsvergunning nodig is voor Natura 2000-activeiten en flora- en fauna-activiteiten. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Een flora- en fauna-activiteit wordt omschreven als een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Daarnaast bevat ook de provincie regels voor het beschermen van flora en fauna. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming.

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. Het gaat om soorten van nationaal belang en soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijnen vallen. Voor de soortenbescherming gelden rijksregels. De provincies zijn echter verantwoordelijk voor de soortenbescherming. Door de brede formulering van een 'flora- en fauna-activiteit' is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving vrijwel altijd nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn, om te onderzoeken of de activiteit mogelijk gevolgen heeft voor beschermde soorten.

Gebiedsbescherming

Er zijn verschillende gebieden met belangrijke waarde voor flora en fauna: Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en andere bijzondere gebieden en landschappen. De Natura 2000-gebieden worden op Europees niveau beschermd en de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de Omgevingswet. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk dat door de provincies is aangewezen. Bijna alle Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Een Natura 2000-activiteit kan zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden, want een activiteit buiten een Natura 2000-gebied kan ook van invloed zijn op het gebied. Voor de bescherming van NNN gelden voornamelijk provinciale regels.

Stikstofdepositie

Veel Natura 2000-gebieden bevatten stikstofgevoelige habitattypen. Toename van de stikstofdepositie op het gebied betekent een verslechtering van de habitattypen. Om die reden moet vooraf onderzocht worden of de betreffende activiteit niet leidt tot onevenredige toename van stikstofdepositie op beschermde stikstofgevoelige gebieden. Met de AERIUS calculator kan berekend worden of er bij het uitvoeren van een activiteit sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Hierbij dient zowel de gebruikersfase als de realisatiefase doorgerekend te worden. Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn, is er geen belemmering voor een plan op het gebied van stikstofdepositie.

Zorgplicht

Ten tijde van de uitvoering van werkzaamheden geldt ten allen tijde de zorgplicht (artikel 11.6 en 11.27 Bal). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna en Natura 2000-gebieden zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Concreet betekent dit dat iemand die een activiteit wil verrichten op een plek, eerst moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat de beschermde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen.

4.14.2 Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt op een afstand van circa 2,5 kilometer van het Natura-2000 gebied Haringvliet en op een afstand van circa 6 kilometer afstand van het Natura-2000 gebied Grevelingen. Gelet op de ligging van het plangebied en aard van de voorgenomen ontwikkeling worden geen negatieve effecten van bijvoorbeeld licht, trillingen of geluid op Natura 2000-instandhoudingsdoelen of habitatrichtlijnsoorten verwacht.

Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Nader onderzoek en/of toetsing in het kader van het NNN zijn daarom niet van toepassing.

Stikstofdepositie

Om te beoordelen wat de effecten op Natura 2000-gebieden zijn, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator (Bijlage 5) Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypes betreft 'Grevelingen' en ligt op circa 6 kilometer afstand ten westen van het plangebied. Uit de berekening blijkt dat de gewenste ontwikkeling zowel in de gebruiks- als de bouwfase niet leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee zijn er voor wat betreft het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.

4.14.3 Soortenbescherming

Quickscan flora en fauna

Om de effecten van de voorgenomen wijziging op de aanwezige flora en fauna te bepalen is in 2022 een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Bijlage 6). Deze quickscan zoomt in op de (mogelijke) schadelijke effecten door de activiteiten en op welke wijze in het kader van de wet gehandeld kan worden.

Uit de quickscan flora en fauna blijkt dat:

  • Op het terrein waren diverse soorten broedvogels aanwezig. Veel vogelsoorten betrof vogels die in struweel of in bomen broeden. Er zijn geen jaarrond beschermde vogelnesten in bomen of struiken waargenomen. Wel zijn in het onderzoeksgebied huismussen aangetroffen waarvan niet met zekerheid is uit te sluiten dat deze in de houten schuur en de oude loods tot broeden komen. Nesten van huismussen (meestal onder dakpannen of in gaten in muren) zijn jaarrond beschermd. Op het terrein was ook een kwetterlocatie van huismussen.
  • In zowel schuur nr. 1 als in schuur nr. 2 werden dusdanige openingen aangetroffen dat niet kan worden uitgesloten dat er geen vleermuizen van de gebouwen gebruik kunnen maken. Ook is het niet duidelijk welke functie de begroeiing op het terrein en de Groene Zoom heeft voor foeragerende en migrerende vleermuizen.
  • Binnen het onderzoeksgebied zijn verder geen beschermde planten, mossen, schimmels, overige zoogdieren, vissen en weekdieren aangetroffen. Uitgesloten wordt dat deze dieren en planten uit deze soortgroepen die een beschermde status via de wet natuurbescherming hebben aanwezig zijn binnen het zoekgebied.

Ten aanzien van de kap van struiken en bomen en de sloop van de bebouwing dient eerst aanvullend onderzoek te worden gedaan naar de huismus en vleermuizen in hoeverre deze daadwerkelijk gebruik maken van het onderzoeksgebied.

Aanvullend onderzoek huismus en vleermuis

Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan heeft Bureau Schildwacht in 2022 aanvullend onderzoek uitgevoerd met betrekking tot huismus en vleermuis. Het aanvullend onderzoek richtte zich op het gepotdekselde bijgebouw (Bijlage 7) en op de oude schuur (Bijlage 8). De resultaten van het aanvullend onderzoek huismus en vleermuis luiden als volgt:

  • Het voormalige schoolterrein en de daarop staande gebouwen hebben geen rol van betekenis voor huismussen. In de nabijgelegen woonwijk zijn nog wel enkele plekken aangetroffen waar huismussen een territorium hebben. Het slopen van het gebouwen en het herinrichten van het terrein heeft geen gevolgen voor de populatie huismussen in de omgeving.
  • In het gepotdekselde bijgebouw zijn in- en uitvliegende gewone dwergvleermuizen aangetroffen. De belangrijke vliegroutes en foerageerroutes liggen in de nabijheid van het gepotdekselde bijgebouw. Bij het slopen van het gepotdekselde bijgebouw gaat de verblijfplaats van minimaal 2 gewone dwergvleermuizen verloren. Het slopen van het gebouw is daardoor in strijd met de Wet natuurbescherming. Er dient om deze reden een Plan van Aanpak, een ecologisch werkprotocol, mitigerende maatregelen en een ontheffing Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
  • Als er bomen worden gekapt die langs de in beeld gebrachte essentiële vlieg- en foerageerroutes staan, in een mate dat dit effect kan hebben op de route, dan dient dit te worden meegenomen in de ontheffing.
  • In en nabij de oude schuur zijn geen huismussen aangetroffen. Wel zijn er vleermuizen aangetroffen die nabij de oude schuur foerageerden of langs de bomenrij zich verplaatsten. Er zijn bij de oude schuur geen vleermuizen waargenomen die daar baltsen, zwermen of in- of uitvliegen. De belangrijke vliegroutes en foerageerroutes liggen in de nabijheid van de oude schuur richting de gepotdekselde gebouw en het naastgelegen erf.
  • Als er bomen worden gekapt die langs de in beeld gebrachte essentiële vlieg- en foerageerroutes staan, in een mate dat dit effect kan hebben op de route, dan dient dit als negatieve ingreep te worden beoordeeld en dient er een ontheffing Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.

Gelet op het voorgaande is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk om het gepotdekselde bijgebouw te mogen slopen.

Ontheffing Wet natuurbescherming

De gemeente Goeree-Overflakkee heeft op 25 oktober 2023 een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd in verband met het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis alsmede het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland heeft de aangevraagde ontheffing op 24 juni 2024 verleend (Bijlage 9). In het kader van de ontheffing zijn onder meer tijdelijke mitigerende maatregelen getroffen in de vorm van het realiseren van vleermuiskasten aan de oude schuur in het plangebied. De sloop van deze schuur zal pas plaatsvinden op het moment dat de nieuwe MFA met de (permanente) compenserende maatregelen is gebouwd. Voorafgaand aan de sloop van de oude schuur zullen de (tijdelijke) vleermuiskasten worden gecontroleerd en worden verwijderd.

4.14.4 Conclusie

Gelet op het voorgaande vormt het aspect flora en fauna geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De voorschriften behorende bij de ontheffing Wet natuurbescherming zullen in acht worden genomen.

4.15 Milieubelastende activiteiten

4.15.1 Wettelijk kader

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet worden het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. Het gemeentelijke omgevingsplan is straks hét instrument waarin deze integratie op lokaal niveau plaatsvindt. Het beleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen.

Overal, maar voornamelijk ter plekke van bedrijven, kunnen milieubelastende activiteiten plaatsvinden die hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk om voldoende afstand te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de activiteiten. Meestal is geluid de belangrijkste factor, maar ook geur kan de afstand tot gevoelige functies bepalen. Gemeenten kunnen binnen de bandbreedte die het rijk geeft zelf bepalen wat aanvaardbare afstanden of aanvaardbare geluid- of geurhinderniveaus zijn.

Voor het bepalen welke activiteiten aanvaardbaar zijn, kan de VNG uitgave Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet worden geraadpleegd. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. Niet meer met een vaste richtafstand per bedrijfstype, maar aan de hand van een concrete waarde per activiteit wordt het ruimtebeslag bepaald.

4.15.2 Beoordeling

Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid.

Omgevingstype

Het plangebied ligt in de dorpsrandzone van Sommelsdijk. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende functies gelegen die relevant zijn in het kader van bedrijven en milieuzonering. Door de verscheidenheid aan functies, zoals onderwijs, kleinschalige bedrijvigheid, volkstuinen en een begraafplaats, is er sprake van matige functiemenging. Het gebied is daarmee aan te merken als een gemengd gebied. In een gemengd gebied wordt meer hinder algemeen aanvaardbaar geacht vanwege de aanwezigheid van een diversiteit van functies of hoofdontsluitingswegen.

Externe werking

Bij externe werking gaat het er om of de nieuwe functie in de omgeving past. De vraag dient beantwoord te worden of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling tot een situatie leidt die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Maatschappelijke functies als onderwijs en kinderopvang betreffen milieubelastende activiteiten voor de directe omgeving. Voor maatschappelijke functies wordt in een gemengd gebied een afstand van 10 meter acceptabel geacht. Deze afstand wordt gemeten tussen enerzijds de grens van de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het omgevingsplan mogelijk is. De dichtstbijliggende milieugevoelige objecten (woningen) liggen op een afstand van minimaal 10 meter van het terrein behorende tot de MFA. Daarmee mag er vanuit worden gegaan dat er in de beoogde nieuwe situatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende milieugevoelige objecten.

Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat de realisatie van de MFA passend is binnen de gebruiksmogelijkheden van de huidige bestemming 'Maatschappelijk', waarbij deze huidige bestemming reeds relevante bouwmogelijkheden kent. De afweging over de aanvaardbaarheid van de bestemming 'Maatschappelijk' ter plaatse heeft derhalve al plaatsgevonden in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan 'Sommelsdijk'. De uitbreiding van het bestemmingsvlak 'Maatschappelijk' aan de zuidzijde, vindt op relatief ruime afstand van omliggende milieugevoelige objecten plaats.

Interne werking

Bij interne werking gaat het er om of de omgeving de nieuwe functie toelaat. De vraag dient beantwoord te worden of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en of bestaande functies andersom niet onevenredig worden belemmerd in de bedrijfsvoering. Het plangebied krijgt mede een functie ten behoeve van onderwijs. Dit betreft een milieugevoelige functie.

Ten westen van de beoogde MFA is een bedrijf gevestigd dat zich richt op het restaureren van antieke meubels (Molenlaan 40). Daarnaast is het bedrijf een groothandel voor houtbewerkingsmaterialen. Voor een dergelijk bedrijf wordt in een gemengd gebied eveneens een afstand van 10 meter acceptabel geacht. Op het betreffende bedrijfsperceel is een grote loods aanwezig. Deze loods ligt op een afstand van 10 meter van het terrein van de MFA en op een afstand van circa 15 meter van de MFA zelf. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het restaureren van antieke meubels. Deze werkzaamheden vinden inpandig plaats. Ook de activiteiten ten aanzien van de groothandel (voornamelijk opslag) vinden plaats in de loods. Er is dus sprake van voldoende afstand tussen de geluidsbron en de (nieuwe) milieugevoelige functie. Hierbij geldt wederom dat de afweging over de aanvaardbaarheid van de bestemming 'Maatschappelijk' ter plaatse al plaatsgevonden in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan 'Sommelsdijk'. Om die reden zal het bedrijf bovendien niet (verder) worden belemmerd in haar bedrijfsvoering. Ter plaatse was immers reeds een onderwijsfunctie aanwezig.

Ten zuidwesten van de beoogde MFA is aan de Molenweg 46 een loods aanwezige welke uitsluitend bestemd is voor opslag. Daarmee vormt de betreffende functie geen belemmering voor de beoogde MFA. Het betreffende perceel ligt bovendien op ruime afstand (hemelsbreed meer dan 30 meter) van de beoogde MFA.

4.15.3 Conclusie

Vanuit bedrijven en milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Er is voor wat betreft dit aspect sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.16 Duurzaamheid

4.16.1 Inleiding

Klimaatadaptatie

De provincie wil tijdig en adequaat inspelen op het opwarmende klimaat. Door de mondiale opwarming stijgt de zeespiegel en worden weerpatronen beïnvloed. Hierdoor neemt in Zuid-Holland de intensiteit van neerslag toe, is sprake van een toename van het aantal hittegolven en neemt de kans op extreme droogteperiodes toe. Verder daalt de bodem en neemt de brakke kwel toe. Deze veranderingen zullen de komende decennia voor nieuwe uitdagingen zorgen.

In het Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 wordt onder andere aandacht besteed aan klimaatadaptatie. Klimaatadaptatie is een belangrijk onderdeel van de beleidsuitwerking in het regionaal waterprogramma. Klimaatverandering heeft immers grote impact op de wateropgaven, door andere veranderende rivierafvoeren, veranderende neerslagpatronen, zeespiegelstijging en toenemende watervraag door hitte, droogte en verzilting.

Toekomstbestendig bouwen

De provincie wil zorgen voor een toekomstbestendig ingericht bebouwd gebied dat zorgt voor een prettige, gezonde en veilige leefomgeving. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient (in toenemende mate):

  • energieneutraal te zijn, door optimaal in te zetten op besparing van elektriciteits- en warmte/koeltevraag, het benutten van rest- en aardwarmte en zoveel mogelijk in eigen (lokale) hernieuwbaar opgewekte elektriciteit te voorzien.
  • klimaatbestendig en waterrobuust te zijn ook op slappe ondergrond. Daarmee wordt bedoeld dat het nieuw ingerichte gebied en de omgeving goed blijft functioneren in extreme weersomstandigheden. Klimaatadaptief bouwen is daarom de norm in Zuid-Holland.
  • uit te gaan van natuurinclusief bouwen om daarmee de biodiversiteiten variatie aan biotopen voor de stedelijke soorten in het bebouwde gebied duurzaam te behouden en te versterken.
  • circulaire oplossingen te bieden bij realisatie en beheer door een verantwoord materiaalgebruik en het hanteren van de ontwerpprincipes modulariteit en losmaakbaarheid, zodat er kan worden ingespeeld op een veranderde behoefte in de toekomst.
  • gezonde en veilige leefomgeving te bevorderen; die een gezonde leefstijl ondersteunt, met een beweegvriendelijke leefomgeving voor sport en beweging stimuleert en waarin een goede milieukwaliteit wordt beschermd en bevorderd.

Duurzaam benutten en beheren ondergrond

De ondergrond maakt onlosmakelijk deel uit van ruimtelijke opgaven. De ondergrond is de basis voor ruimtelijke ontwikkeling. De karakterisitieken van de ondergrond zijn bepalend voor het landschap en de wijze waarop door de eeuwen heen deze landschappelijn zijn ingericht en steden en dorpen zijn gebouwd.

De ondergrond wordt steeds intensiever gebruik. Het wordt daarom steeds belangrijker om ruimtelijke functies in de ondergrondse ruimte te ordenen en te positioneren.

4.16.2 Beoordeling

Bij de ontwikkeling van de MFA Sommelsdijk is duurzaamheid als belangrijk uitgangspunt meegenomen. Zowel in de planvorming, de materialisatie als het energiegebruik wordt ook in de nadere technische uitwerking gestreefd naar een toekomstbestendig en energiezuinig gebouw met een gezond binnenklimaat. Denk daarbij aan het gebruik van duurzame en onderhoudsarme materialen, toepassing van warmtepompen, zonnepanelen en optimale isolatie.

Ten aanzien van de wettelijke duurzaamheidsnormen zal in ieder geval worden voldaan aan de verplichtingen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), waaronder de eisen voor de energieprestatie (BENG), de milieuprestatie van gebouwen (MPG) en de voorschriften inzake materiaal- en waterbesparing. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen zal worden aangetoond dat het ontwerp aan deze eisen voldoet.

Daarnaast is bij de inrichting van het terrein ingezet op klimaatadaptieve maatregelen, zoals voldoende waterberging, groene erfafscheidingen en schaduwrijke plekken om hittestress te beperken. Hiermee wordt bijgedragen aan een duurzame, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving.

4.17 Parkeren en verkeer

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een goede ontsluiting van belang. Daarnaast dient voorzien te worden in voldoende parkeerplaatsen. Onderstaand wordt ingegaan op de mobiliteitseffecten

4.17.1 Beoordeling

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een verkeerskundig advies opgesteld door Kragten (Bijlage 10).

In de notitie zijn de verkeers- en parkeereffecten van het Integraal Huisvestingsplan (IHP) voor Sommelsdijk onderzocht. Daarbij is gekeken naar de verkeersgeneratie van de nieuwe onderwijs-, sport- en ontmoetingsfuncties, de verkeersafwikkeling op het omliggende wegennet en de parkeerbehoefte conform de CROW-richtlijnen.

Uit de analyse blijkt dat:

  • De ontwikkeling bestaat uit een onderwijsfunctie met bijbehorende sportzaal en ontmoetingsruimten, die deels verschillende gebruiksperioden kennen. Hierdoor treedt beperkte overlap in parkeervraag op.De verkeersgeneratie blijft beperkt en past binnen de capaciteit van de omliggende wegen (onder meer de Langeweg en de wijkontsluitingen).
  • De parkeervraag is berekend op basis van de verwachte bezetting tijdens de piekuren. De maximale parkeerbehoefte bedraagt circa 65 tot 70 parkeerplaatsen bij gelijktijdig gebruik van de verschillende functies.
  • Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar om in deze behoefte te voorzien, waarbij tevens rekening is gehouden met dubbelgebruik tussen school, sport en ontmoetingsfuncties.
  • Vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid en ontsluiting worden geen knelpunten verwacht. Fiets- en voetgangersroutes sluiten goed aan op de bestaande infrastructuur.
4.17.2 Conclusie

De beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. De ontsluiting is adequaat en de parkeerbehoefte van circa 70 parkeerplaatsen kan binnen het plangebied worden opgelost.

4.18 Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgasleidingen afhankelijk van druk;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Uit het geldende Omgevingsplan Goeree-Overflakkee is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.

Voor de verdere realisatie van het plan zal een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.

4.19 Milieueffectrapportage

4.19.1 Wettelijk kader

De wet- en regelgeving omtrent de m.e.r. is geen puur nationale aangelegenheid. De verplichting om in bepaalde gevallen een soort m.e.r. op te stellen volgt uit het Europese recht, te weten de m.e.r.-richtlijn en de Europese richtlijn voor Strategische Milieubeoordeling (SMB-richtlijn).

De m.e.r.-regelgeving wordt onder de Omgevingswet geïmplementeerd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Aangezien de regelgeving moet blijven voldoen aan de Europese richtlijnen verandert er relatief weinig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

In bijlage V bij het Omgevingsbesluit in 1 lijst zijn zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten.

4.19.2 Beoordeling

Voorliggende ontwikkeling kan gezien worden als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' (J.11 uit bijlage V Ob), waardoor beoordeeld moet worden of er sprake zal zijn van aanzienlijke milieueffecten. Bij deze beoordeling is rekening gehouden met de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect).

Kenmerken van het project

Het initiatief ziet op de realisatie van een MFA, welke wordt gebruikt door OBS J.C. van Gent, Kibeo Kinderopvang en Wijkvereniging de Zwaluw. De nieuwbouw bestaat uit een hoofdgebouw, gezamenlijk bijgebouw en Beweegbox. Daarnaast maakt een herinrichting van het omliggende terrein onderdeel uit van het initiatief.

Er is sprake van een relatief geringe omvang van het plangebied, terwijl er geen cumulatie is met andere projecten. De ontwikkeling ziet niet op productie van afvalstoffen en/of verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van nabijgelegen milieubelastende functies. Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij het voorgenomen initiatief.

Locatie van het project

Het plangebied ligt in de dorpsrandzone van Sommelsdijk en ligt niet binnen de invloedssfeer van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat ligt op circa 6 kilometer afstand. De ontwikkeling leidt verder niet tot een aantasting van historische, culturele of archeologische belangen. Met de beoogde ontwikkeling wordt juist een versterking van Sommelsdijk West bereikt als gebied met grote cultuurhistorische waarde.

Kenmerken van het potentiële effect

Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op het milieu. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. De complexiteit is gering, gelet op de omvang van het plangebied. Met de nieuw te realiseren situatie wordt voorzien in de behoefte aan kwalitatief voldoende onderwijshuisvesting en wordt een deel van het dienstenaanbod voor Sommelsdijk op één centrale plek gebundeld.

4.19.3 Conclusie

De kenmerken, plaats en potentiële effecten van de ontwikkeling geven op basis van het voorgaande geen aanleiding ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken om een m.e.r-procedure te doorlopen.

Hoofdstuk 5 Juridisch kader TAM-omgevingsplan

5.1 Algemeen

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

5.2 Opbouw regels

5.2.1 Algemeen

Voorliggend plan betreft een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen.

Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen.

De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Inleidende bepalingen;
  • Functies en activiteiten;
  • Algemene bepalingen;
  • Overgangsrecht.
5.2.2 Preambule voor hoofdstuk artikelnummering

De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij ‘artikel 1’ begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet.

Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels.

5.2.3 Juridisch ponsen

Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-IMRO omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Met andere woorden: het is niet mogelijk om in een TAM-IMRO omgevingsplan te ‘ponsen’. Om te voorkomen dat op een bepaalde locatie zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereikbepaling opgenomen in artikel 1 van de inleidende regels:

Artikel 1 (Toepassingsbereik)

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Groene Zoom 111/113 in Sommelsdijk, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1924.TAMSMDmfa-OP30 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
5.2.4 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

Dit artikel bevat een aantal algemene bepalingen ten aanzien van onder meer ondergeschikte bouwdelen. Daarnaast is een regeling opgenomen voor bestaande maten die afwijken van de voorgeschreven maten in deze regels.

In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken.

In dit artikel zijn de regels opgenomen met betrekking tot de molenbiotoop.

In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het TAM-omgevingsplan af te wijken.

In dit artikel is bepaald, dat de wettelijke regelingen waarnaar in de planregels wordt verwezen, de regelingen betreffen zoals deze luiden op het tijdstip van de ter-inzage-legging van het ontwerp van dit TAM-Omgevingsplan. Daarnaast is in dit artikel een regeling opgenomen die waarborgt dat er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en dat voorzien wordt in voldoende waterberging.

5.2.5 Overgangsregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.

5.3 Verantwoording van de regels

Een TAM-Omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.

In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Voor onderhavig TAM-omgevingsplan is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan Goeree-Overflakkee (bestemmingsplan 'Sommelsdijk'). Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet.

Groen (Artikel 7)

De meest zuidelijke punt van het plangebied is aangewezen als 'Groen'. Locaties die zijn aangewezen als 'Groen', hebben onder meer de functies groenvoorzieningen, een park, speelvoorzieningen en paden. Hiermee bestaat er de mogelijkheid om de zuidelijke punt als weide/park in te richten.

De in deze functie opgenomen beoordelingsregels zijn beperkt. Enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden toegestaan. De maximale maten staan in de beoordelingsregels.

Maatschappelijk (Artikel 8)

De beoogde MFA met bijbehorende voorzieningen en gronden is aangewezen als 'Maatschappelijk'. Locaties die zijn aagewezen als 'Maatschappelijk' hebbben in hoofdzaak een functie behoeve van maatschappelijke voorzieningen. Ten dienste van deze maatschappelijke voorzieningen, en deels ondergeschikt daaraan, zijn horecavoorzieningen, recreatieve voorzieningen en terrassen toegestaan.

In de beoordelingsregels is een onderscheid gemaakt in de regels voor gebouwen en overkappingen enerzijds en andere bouwwerken anderzijds.

Voor wat betreft hoofdgebouwen en overkappingen geldt dat deze binnen een bouwvlak moeten worden gebouwd. Middels een maatvoeringsaanduiding is de maximum goot- en bouwhoogte vastgelegd.

Voor wat betreft andere bouwwerken zijn de maximale maten opgenomen in de beoordelingsregels.

Verkeer - Verblijfsgebied (Artikel 9)

Ter hoogte van de aansluiting van de nieuwe brug op de Groene Zoom zijn gronden aangewezen als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Locaties die zijn aangewezen als 'Verkeer - Verblijfsgebied' hebben in hoofdzaak de functie als verblijfsgebied, wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen en water.

De in deze functie opgenomen beoordelingsregels zijn beperkt. Enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden toegestaan. De maximale maten staan in de beoordelingsregels.

Water (Artikel 10)

Het deel van de Wildemanskreek dat onderdeel uitmaakt van het plangebied is aangewezen als 'Water'. Voor de beoogde nieuwe brug is de functieaanduiding 'brug' opgenomen. Daarmee heeft de betreffende locatie tevens een functie als brug.

Waterstaat (Artikel 11)

De gronden binnen het gebied 'Waterstaat' hebben, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede de functie waterstaatsbelangen.

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De ontwikkeling vindt plaats op grond in gemeentelijk eigendom en is tevens door de gemeente geïnitieerd. Kostenverhaal is niet aan de orde. De planontwikkeling komt volledig voor rekening en risico van de initiatiefnemer en zal plaatsvinden conform de bepalingen in de Omgevingswet. Het plan wordt dan ook economisch uitvoerbaar geacht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Participatie

In het kader van de voorbereiding van dit omgevingsplan is het participatieproces zorgvuldig vormgegeven. Sinds de initiatieffase zijn omwonenden en andere belanghebbenden op verschillende momenten geïnformeerd en geraadpleegd over de ontwikkeling.

Tijdens meerdere bewonersavonden en via nieuwsbrieven is input opgehaald over onder meer verkeer, parkeren, groeninrichting, overlast en de architectonische uitstraling van het gebouw. Deze aandachtspunten zijn waar mogelijk verwerkt in het ontwerp van zowel het gebouw als de buitenruimte.

Een uitgebreide samenvatting van de gevoerde participatie en de wijze waarop met reacties van belanghebbenden is omgegaan, is opgenomen in Bijlage 11.

6.2.2 Overleg met overheidsinstanties

In het kader van advies en instemming is het TAM-Omgevingsplan toegezonden aan de volgende overleginstanties: Provincie Zuid-Holland, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR), Waterschap Hollandse Delta en DCMR Milieudienst Rijnmond.

6.2.3 Procedure

Het ontwerp TAM-omgevingsplan en de bijbehorende stukken hebben met ingang van woensdag 3 december 2025 gedurende een termijn van zes weken, tot en met dinsdag 13 januari 2026, ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend.